Subsidieregeling Professionele instellingen sociale basis gemeente Maastricht 2027

Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Maastricht; overwegende dat het gemeentebestuur Maastricht inzet op een sterke sociale, pedagogische basisinfrastructuur en in dat kader professionele organisaties ondersteunt die hieraan bijdragen, door subsidies te verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan het bevorderen van het welzijn, de gezondheid, gezond opvoeden en opgroeien; gelet op de Algemene subsidieverordening 2020 Maastricht; besluit vast te stellen de Subsidieregeling Professionele instellingen sociale basis gemeente Maastricht 2027.

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • Aanvrager: de organisatie die de subsidie aanvraagt;

  • Asv: de algemene subsidieverordening 2020 Maastricht;

  • Boekjaar: een kalenderjaar, lopende van 1 januari tot en met 31 december;

  • Breed welzijnswerk: een brede, geïntegreerde vorm van ondersteuning die zich richt op het versterken van individuen, gezinnen en gemeenschappen. Het gaat om een samenhangend geheel van activiteiten dat mensen helpt om mee te doen in de samenleving, problemen vroeg te signaleren en hun kwaliteit van leven te verbeteren;

  • Centrumgemeente: een gemeente die namens andere gemeenten bepaalde taken en bevoegdheden uitvoert binnen een samenwerkingsverband;

  • College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht;

  • Eigen middelen: deelnemersbijdragen, donaties, erfstellingen, legaten en gelden in reserves en voorzieningen;

  • EPA-doelgroep: mensen met ernstige psychische aandoeningen;

  • Inloopvoorziening/steunpunt: een toegankelijke plek (in de wijk) waar mensen met psychische of psychosociale kwetsbaarheid en hun naasten terecht kunnen voor steun, ontmoeting en herstel op basis van ervaringskennis, gelijkwaardigheid en vrijwillige deelname;

  • JOGG-aanpak: een landelijke methode waarbij gemeenten, scholen, sportverenigingen, zorgprofessionals, bedrijven en ouders samenwerken om een gezonde leefomgeving te creëren voor alle kinderen van 0 t/m 23 jaar;

  • Ketenafstemming: organisaties binnen een keten stemmen hun werkzaamheden, verantwoordelijkheden en processen actief op elkaar af zodat inwoners of cliënten een samenhangend, efficiënt en passend aanbod krijgen;

  • Laagdrempelige ondersteuning: functie gericht op concrete activiteiten, interventies die professionals uitvoeren richting individuen of groepen zodat ze weer mee kunnen doen in de samenleving en/of een verbeterde kwaliteit van leven ervaren;

  • Meldpunt: een voorziening waar burgers, professionals en organisaties meldingen kunnen doen over (vermoedens van) incidenten, misstanden of personen in een kwetsbare positie, waarna het meldpunt de melding registreert, een eerste risico inschatting maakt, zo nodig eerste opvang of informatie biedt en gericht doorverwijst of overdraagt aan passende hulp of zorgvoorzieningen, met afstemming in de keten waar nodig;

  • Onafhankelijke cliëntondersteuning: ondersteuning die gratis, laagdrempelig en onafhankelijk van zorgaanbieders, gemeenten en indicatiestellers wordt geboden aan mensen die vragen hebben over zorg, ondersteuning, opvoeden en opgroeien, jeugdhulp, onderwijs, wonen, werk of inkomen.

  • Ontmoetingscentrum: een gebouw in Maastricht dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht officieel is aangemerkt als ontmoetingscentrum;

  • Outreachende activiteiten: activiteiten waarbij vrijwilligers danwel professionals naar mensen toegaan, omdat niet iedereen vanzelf de weg vindt naar ondersteuning;

  • Penvoerder: een aangewezen partij die namens een samenwerkingsverband een subsidieaanvraag indient en afrekent;

  • POH Jeugd: Praktijkondersteuner huisarts Jeugd;

  • Professionele instelling: een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, zonder winstoogmerk, die kernactiviteiten uitvoert met beroepskrachten, eventueel ondersteund door vrijwilligers;

  • Signaalpunt: een voorziening waar signalen, zorgen of aanwijzingen over mogelijke problemen, worden gemeld en geregistreerd, een eerste risico inschatting wordt gemaakt, zo nodig eerste opvang of informatie wordt geboden en gericht wordt doorverwezen aan passende hulp, of zorgvoorzieningen, met afstemming in de keten waar nodig;

  • Subsidiabele kosten: naar oordeel van het college noodzakelijke kosten die direct verband houden met -en uitsluitend gemaakt worden voor de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd;

  • Subsidieplafond: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies op grond van een bepaald wettelijk voorschrift.

Artikel 2. Toepassingsbereik

Het bepaalde in deze subsidieregeling is enkel van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college voor de in artikel 3 bedoelde activiteiten.

Artikel 3. Activiteiten

  • 1.

    Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt voor activiteiten die worden verricht binnen een van de volgende (sub)categorieën:

    • a.

      Categorie I: mantelzorg- en informele ondersteuning

      Subcategorieën:

      • Mantelzorgondersteuning

      • Informele ondersteuning

    • b.

      Categorie II: laagdrempelige ondersteuning

      Subcategorieën:

      • Laagdrempelige steunpunten (Jeugd)

      • Laagdrempelige steunpunten (Volwassenen)

      • Meld- en signaalpunten

      • Onafhankelijke cliëntondersteuning

      • Preventieve activiteiten gericht op overgewicht (volgens de JOGG-aanpak)

      • Slachtofferhulp

      • POH jeugd

      • Mentale gezondheid met focus op verslaving

    • c.

      Categorie III: breed welzijnswerk

      Subcategorieën:

      • Samenlevingsopbouw

      • Jeugd, gezinswerk en schoolmaatschappelijk werk

      • Maatschappelijk werk

  • 2.

    De specifieke voorwaarden en vereisten voor subsidieverlening per categorie staan in de artikelen 4, 5 en 6 van deze subsidieregeling.

Artikel 4. Mantelzorg- en informele ondersteuning

  • 1.

    Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt voor activiteiten die tot doel hebben inwoners in staat te stellen zich als vrijwilliger of mantelzorger in te zetten voor zorgvragers en/of inwoners in een kwetsbare positie.

  • 2.

    Activiteiten voor mantelzorgondersteuning die voor subsidie in aanmerking komen zijn gericht op:

    • a.

      Het individueel of groepsgewijs ondersteunen van (dreigende) overbelaste mantelzorgers;

    • b.

      Het bieden, bemiddelen, doorverwijzen en inzetten van informele respijtzorg voor (dreigende) overbelaste mantelzorgers;

    • c.

      Het bevorderen van expertise en deskundigheid op het gebied van mantelzorg voor ketenpartners en zorg- en welzijnsprofessionals;

    • d.

      Het vinden en bereiken van verschillende groepen (dreigend) overbelaste mantelzorgers;

    • e.

      Het (mee) uitvoeren van de gemeentelijke mantelzorgwaardering.

  • 3.

    Subsidie voor mantelzorgondersteuning wordt uitsluitend verstrekt voor activiteiten waarbij tevens aandacht wordt besteed aan mantelzorgers met een migratieachtergrond en aan jonge mantelzorgers.

  • 4.

    Activiteiten op het gebied van informele ondersteuning die voor subsidie in aanmerking zijn gericht op:

    • a.

      Het bemiddelen en matchen van vrijwilligers voor ondersteuning aan kwetsbare inwoners, aansluitend bij de aard van de ondersteuning die de organisatie biedt (zoals buddy’s, maatjes, steungezinnen of begeleiding bij complexe scheidingen en de omgang met de kinderen in deze situaties);

    • b.

      Het werven en selecteren van deze vrijwilligers;

    • c.

      Het trainen en bevorderen van de deskundigheid van deze vrijwilligers;

    • d.

      Het begeleiden en zorgen voor intervisie en coaching van deze vrijwilligers.

Artikel 5. Laagdrempelige ondersteuning

  • 1.

    Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt voor activiteiten die het vergroten van gelijke kansen voor inwoners op het gebied van gezondheid tot doel hebben.

  • 2.

    Activiteiten voor laagdrempelige steunpunten (Volwassenen) die voor subsidie in aanmerking komen zijn gericht op:

    • a.

      Ontmoeting en inloopactiviteiten;

    • b.

      Informele /formele ondersteuning;

    • c.

      Voorlichting, informatie of groepsactiviteiten/bijeenkomsten.

  • 3.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor activiteiten die voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • De ondersteuning is gericht op herstel en zelfregie;

    • Het steunpunt is voor iedereen toegankelijk en in het bijzonder voor mensen met (ernstige/langdurige) psychische en/of sociaal-emotionele kwetsbaarheid en hun naasten.

    • Ervaringsdeskundigen spelen een belangrijke rol in de uitvoering van de activiteiten;

    • Er is sprake van samenwerking met ketenpartners, zoals bijv. de welzijnsorganisatie, huisartsen, ontmoetingscentra, sociale teams en de ggz, zodat makkelijk afstemming kan plaatsvinden en mensen wanneer nodig kunnen worden gekoppeld aan de voor hen juiste personen of instanties.

  • 4.

    Activiteiten voor laagdrempelige steunpunten (Jeugd) die voor subsidie in aanmerking komen zijn gericht op:

    • a.

      Ontmoeting en inloopactiviteiten;

    • b.

      Informele /formele ondersteuning;

    • c.

      Voorlichting, informatie of groepsactiviteiten/bijeenkomsten.

  • 5.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor activiteiten die voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • De ondersteuning is gericht op herstel en zelfregie;

    • Het steunpunt is voor iedereen toegankelijk en in het bijzonder voor mensen met (ernstige/langdurige) psychische en/of sociaal-emotionele kwetsbaarheid en hun naasten.

    • Ervaringsdeskundigen spelen een belangrijke rol in de uitvoering van de activiteiten;

    • Er is sprake van samenwerking met ketenpartners, zoals bijv. de welzijnsorganisatie, huisartsen, ontmoetingscentra, sociale teams en de ggz, zodat makkelijk afstemming kan plaatsvinden en mensen wanneer nodig kunnen worden gekoppeld aan de voor hen juiste personen of instanties.

  • 6.

    Activiteiten voor meld- of signaalpunten die voor subsidie in aanmerking komen zijn gericht op:

    • a.

      Het in ontvangstnemen en registreren van meldingen en/of signalen;

    • b.

      Het doen van een intake en/of maken van risicoschatting;

    • c.

      Het bieden van ondersteuningsactiviteiten;

    • d.

      Doorverwijzen van meldingen of signalen naar hulp;

    • e.

      Ketenafstemming.

  • 7.

    In aanvulling op lid 6 kan subsidie daarnaast worden verstrekt voor het uitvoeren van outreachende activiteiten of (tijdelijke) procesregie/casemanagement.

  • 8.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor activiteiten die voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      Er wordt slechts 1 subsidie verstrekt voor 1 Centrum Seksueel Geweld.

    • b.

      En er wordt slechts 1 subsidie verstrekt voor 1 signaalpunt eenzaamheid.

  • 9.

    Activiteiten voor onafhankelijke cliëntondersteuning die voor subsidie in aanmerking komen dragen zijn gericht op:

    • a.

      Regieversterking van inwoners;

    • b.

      Vraagverheldering;

    • c.

      Sociale activering en netwerkversterking;

    • d.

      Coördinatie Integrale Vroeghulp (IVH).

  • 10.

    Subsidie voor activiteiten met betrekking tot onafhankelijke cliëntondersteuning kan uitsluitend worden verstrekt voor activiteiten die voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • Voor activiteiten met een kortdurend/kortcyclisch karakter en gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid van inwoners;

    • Als er sprake is van ketensamenwerking en participatie in lokale netwerken zoals de sociale teams en/of knooppunten.

  • 11.

    Preventieve activiteiten met focus op overgewicht volgens de JOGG -aanpak die voor subsidie in aanmerking komen zijn gericht op:

    • a.

      Het bevorderen van gezonder eten, meer bewegen en beter slapen door jeugdigen (0 – 23 jaar);

    • b.

      Het stimuleren van gezonde voeding in scholen en kinderdagverblijven;

    • c.

      Het uitvoeren van een ketenaanpak gericht op jeugdigen met overgewicht en een gezondheidsgerelateerd risico.

  • 12.

    De preventieve activiteiten die gericht zijn op overgewicht dienen te worden uitgevoerd volgens de JOGG-aanpak.

  • 13.

    Activiteiten voor slachtofferhulp die voor subsidie in aanmerking komen zijn gericht op het bieden van hulp aan slachtoffers (waartoe ook nabestaanden, naasten, getuigen en betrokkenen worden gerekend) van misdrijven, verkeersongelukken en calamiteiten op praktisch, juridisch en psychosociaal gebied.

  • 14.

    Subsidie voor activiteiten met betrekking tot slachtofferhulp kan uitsluitend worden verstrekt voor activiteiten waarbij wordt samengewerkt met organisaties zoals de politie, de GGD, het Openbaar Ministerie.

  • 15.

    Activiteiten voor de POH Jeugd die voor subsidie in aanmerking komen zijn gericht op:

    • a.

      Ondersteuning, begeleiding en kortdurende generalistische hulp aan kinderen en jongeren met psychisch of psychosociale problemen binnen de huisartsenpraktijk;

    • b.

      Doorverwijzing van kinderen en jongeren naar algemene of individuele voorzieningen wanneer de gevraagde zorg buiten de reguliere huisartsenzorg valt;

    • c.

      Vroegsignalering van mentale gezondheidsproblemen via laagdrempelige screening, consultatie en observatie;

    • d.

      Interventies gericht op mentale veerkracht, stressreductie en het voorkomen van escalatie naar specialistische zorg;

    • e.

      Kortdurende begeleiding (bijv. 0–4 gesprekken) om zwaardere jeugdhulp te voorkomen;

    • f.

      Samenwerking en afstemming met jeugdgezondheidszorg, wijkteams, onderwijs, generalistische en specialistische jeugdhulp en crisisdiensten.

  • 16.

    Subsidie voor activiteiten met betrekking tot de POH Jeugd kan uitsluitend worden verstrekt aan een aanvrager die de inzet van de praktijkondersteuner huisartsen jeugd organiseert voor alle huisartsenpraktijken in de gemeente Maastricht.

  • 17.

    Subsidie voor activiteiten met betrekking tot de POH Jeugd kan uitsluitend worden verstrekt voor activiteiten die voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • De aanvrager aantoonbaar samenwerkt met alle huisartsenpraktijken en de afspraken hierover door de betrokken huisartsen zijn bevestigd;

    • Per 25.000 ingeschreven patiënten maximaal 36 uur per week aan inzet van een praktijkondersteuner huisartsen jeugd wordt ingezet;

    • De beroepskracht die de zorg uitvoert nauw samenwerkt met de huisarts en wordt ingezet in het gehele werkgebied van de huisarts;

    • De praktijkondersteuner jeugd voldoet aan het functie- en competentieprofiel van de LHV (Landelijke Huisartsen Vereniging) en een SKJ- registratie heeft.

  • 18.

    Activiteiten met betrekking tot de mentale gezondheid met focus op verslaving die voor subsidie in aanmerking komen zijn gericht op:

    • a.

      Preventie van middelengebruik en verslaving;

    • b.

      Verstrekken van heroïne onder toezicht;

    • c.

      Preventieve programma’s en/of activiteiten voor kinderen en jongeren gericht op weerbaarheid en het bevorderen van een gezonde leefstijl met name voor scholen.

    • d.

      Preventieve en ondersteunende chatfunctie voor (groot)ouders, verzorgers en professionals gericht op vragen rondom mentale gezondheid, opvoeding, leefstijl en weerbaarheid.

Artikel 6. Breed welzijnswerk

  • 1.

    Subsidie voor activiteiten met betrekking tot Samenlevingsopbouw kan uitsluitend worden verstrekt voor het vormgeven van de sociale, pedagogische basisinfrastructuur om de veerkracht van inwoners en buurten te versterken

  • 2.

    De activiteiten zoals in lid 1 van dit artikel betreffen:

    • a.

      Het toeleiden, ondersteunen en meedoen van (groepen) bewoners, vrijwilligers, informele netwerken en partners die zich willen inzetten voor een betere buurt en voor elkaar;

    • b.

      Het versterken van de positie van bewoners;

    • c.

      Het in contact brengen van mensen met elkaar en onderlinge betrokkenheid vergroten;

    • d.

      Het verbinden van professionals, vrijwilligersorganisaties en bewoners;

    • e.

      Het signaleren en analyseren van ontwikkelingen, kansen en problemen in de wijk.

    • f.

      Het opbouwen van maatschappelijke veerkracht;

    • g.

      Het versterken van zelforganisatie en informele netwerken;

    • h.

      Het bieden van digitale en fysieke ondersteuning aan vrijwilligersorganisaties en bewonersinitiatieven;

    • i.

      Het ondersteunen van vrijwilligersbesturen inzake de samenwerking met de buurt en voor de toeleiding van inwoners naar Ontmoetingscentra;

    • j.

      Het ondersteunen bij de programmering en eventueel coördinatie van programmering van Ontmoetingscentra.

  • 3.

    Subsidie voor activiteiten Jeugd en Gezinswerk en Schoolmaatschappelijk werk wordt uitsluitend verstrekt voor activiteiten die vooral gericht zijn op jongeren in de wijk en hun leefwererld talentontwikkeling en het versterken van hun sociale omgeving.

  • 4.

    De activiteiten zoals in lid 3 van dit artikel betreffen activiteiten die zijn gericht op:

    • a.

      Het voorbereiden van jongeren naar volwassenheid en burgerschap;

    • b.

      Het stimuleren van actieve deelname van jongeren aan activiteiten in de wijk of stad, waar het kan mede door henzelf georganiseerd;

    • c.

      Het bieden van een sluitende aanpak voor jongeren met overlastgevend of externaliserend gedrag;

    • d.

      Het steunen van ouders en verzorgers in de opvoeding;

    • e.

      Het voorkomen van beroep op geïndiceerde jeugdhulp.

    • f.

      Het stimuleren en begeleiden van jeugd in kwetsbare posities om onderwijs te volgen en vol te houden;

    • g.

      Actief leggen en versterken van de verbinding tussen school en de thuissituatie;

    • h.

      Het bieden van ondersteuning op school (basis en voortgezet onderwijs en MBO);

    • i.

      Het inzetten van passende, individuele ondersteuning;

    • j.

      Het deelnemen aan lokale netwerken zoals de sociale teams en/of knooppunten.

  • 5.

    Subsidie voor Maatschappelijk werk kan uitsluitend worden verstrekt voor activiteiten gericht op professionele ondersteuning van inwoners in kwetsbare situaties door informatie, advies en persoonlijke hulp, en door hen te verbinden met anderen en hun omgeving.

  • 6.

    De activiteiten zoals in lid 5 van dit artikel betreffen activiteiten gericht op:

    • a.

      Het deelnemen aan lokale netwerken zoals de sociale teams en/of knooppunten;

    • b.

      Inzet vanuit de wijkservicepunten uitgevoerd door vrijwilligers en beroepskrachten;

    • c.

      Het verbinden van het medisch/zorgdomein met het sociaal domein, onder andere door het toepassen van de Welzijn op Recept methodiek;

    • d.

      Het bieden van individuele, collectieve ondersteuning aan inwoners die vastlopen in het dagelijkse leven door sociale, psychische of praktische problemen;

    • e.

      Het geven van uitvoering aan het tijdelijk huisverbod, vroegtijdige signalering schulden, voorkomen uithuiszetting.

  • 7.

    Subsidie voor maatschappelijk werk wordt uitsluitend verstrekt voor activiteiten die voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • De activiteiten zijn onderling verbonden en/of logischerwijs aan elkaar gerelateerd; en

    • De aanvrager beschikt over een geldig kwaliteitskeurmerk, zoals het Kwaliteitslabel Sterk Sociaal Werk of ISO 9001.

Artikel 7. Aanvrager

  • 1.

    Subsidie op grond van deze regeling kan alleen worden aangevraagd door een professionele organisatie, zijnde een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, zonder winstoogmerk, die haar kernactiviteiten uitvoert met beroepskrachten, eventueel ondersteund door vrijwilligers; waarbij:

    • a.

      de activiteiten waarvoor zij subsidie aanvraagt uitgevoerd worden in de gemeente Maastricht tenzij deze wordt uitgevoerd als centrumgemeente voor gemeenten van het betreffende gebied;

    • b.

      de organisatie is duidelijk verbonden met Maastricht of de regio en werkt actief samen met lokale of regionale partners;

    • c.

      de organisatie beschikt over aantoonbare deskundigheid en over een bestuurlijke en financiële inrichting die in verhouding staat tot de aard van de activiteiten;

    • d.

      de organisatie op het moment van de aanvraag langer dan 1 jaar onafgebroken ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel;

    • e.

      het vestigingsadres van de aanvrager niet overeenkomt met het woonadres van een medewerker, eigenaar of een bestuurder van de betreffende rechtspersoon.

  • 2.

    Een subsidie kan ook worden aangevraagd door een penvoerder namens een samenwerkingsverband.

  • 3.

    Alle organisaties in het samenwerkingsverband, zoals bedoeld in lid 2, moeten afzonderlijk voldoen aan de eisen uit het eerste lid.

  • 4.

    De penvoerder, zoals bedoeld in lid 2, is verantwoordelijk voor het naleven van deze regeling, voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten, voor het nakomen van de verplichtingen en voor het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling.

  • 5.

    Alle voorschotten en subsidiebedragen die aan de penvoerder worden betaald, gelden als betalingen aan het hele samenwerkingsverband.

Artikel 8. Subsidieplafond

  • 1.

    Het college geeft alleen subsidie als de gemeenteraad hiervoor financiële middelen heeft gereserveerd in de begroting én als aan alle gestelde voorwaarden wordt voldaan.

  • 2.

    Voor de in artikel 3 genoemde activiteiten stelt het college per subcategorie in de categorieën I en II, en voor categorie III, een afzonderlijk subsidieplafond vast.

  • 3.

    De subsidieplafonds worden jaarlijks geïndexeerd volgens de systematiek die het college heeft vastgesteld.

  • 4.

    Bij het vaststellen van de subsidieplafonds kan het college teruggevorderde of op andere wijze vrijgekomen middelen herverdelen.

Artikel 9. Kosten die voor subsidie in aanmerking komen

  • 1.

    Voor subsidie komen de redelijk gemaakte kosten in aanmerking die direct samenhangen met de uitvoering van de activiteiten zoals bedoeld in artikel 3.

  • 2.

    De subsidiebedragen zijn inclusief btw.

  • 3.

    Niet voor subsidie in aanmerking komen:

    • a.

      Overige materiële investeringen, tenzij wordt aangetoond dat deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

    • b.

      Loonkosten die het maximale salaris op grond van de Wet normering topinkomens overschrijden. Het betreft de kosten per persoon per jaar, zoals vastgesteld in artikel 2.3, eerste lid, van de Wet normering topinkomens;

    • c.

      Kosten die reeds gesubsidieerd worden vanuit een andere subsidie- of inkooprelatie met de gemeente Maastricht of kosten die al vergoed worden door andere partijen dan de gemeente Maastricht.

    • d.

      Door de aanvrager betaalde btw die in aftrek kan worden gebracht op basis van artikel 15 Wet op de omzetbelasting 1968.

Artikel 10. Wijze van verdeling

  • 1.

    Voordat wordt beoordeeld of het subsidieplafond is bereikt, wordt de aanvraag eerst getoetst aan de op de aanvraag van toepassing zijnde inhoudelijke eisen en voorwaarden uit de artikelen 4 tot en met 6.

  • 2.

    Indien het subsidieplafond wordt bereikt, vindt verstrekking van subsidie plaats in volgorde van de door burgemeester en wethouders vastgestelde rangschikking per subcategorie in de categorieën I en II, en voor categorie III, totdat het voor de betrokken subsidie vastgestelde subsidieplafond is bereikt.

  • 3.

    In het geval van een gecombineerde aanvraag als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, worden de activiteiten per subcategorie beoordeeld en gerangschikt binnen de desbetreffende subcategorie.

  • 4.

    Indien het op de aanvraag van toepassing zijnde subsidieplafond wordt bereikt, worden de aanvragen door een toetsingscommissie gerangschikt aan de hand van de scorecard zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze subsidieregeling.

  • 5.

    Een subsidie wordt per kalenderjaar verstrekt.

Artikel 11. De aanvraag

  • 1.

    Bij de aanvraag legt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens over:

    • a.

      Een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      Een beschrijving van de inhoudelijke op de aanvraag van toepassing zijnde eisen en voorwaarden zoals opgenomen in artikel 4 tot en met 6 van deze regeling;

    • c.

      Een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • d.

      In de aanvraag zijn alle onderdelen van de scorecard inhoudelijk uitgewerkt.

    • e.

      Als het een subsidie betreft die per boekjaar aan een rechtspersoon wordt verstrekt, de stand van de egalisatiereserve op het moment van de aanvraag.

  • 2.

    Een rechtspersoon die voor de eerste keer subsidie aanvraagt, legt ook over: een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten, en ook van het jaarverslag, de jaarrekening of de balans van het voorgaande jaar.

  • 3.

    Per aanvrager kan één subsidieaanvraag per jaar worden ingediend.

  • 4.

    Binnen de in art. 3 opgenomen categorieën I en II mag een aanvrager één aanvraag indienen voor één subcategorie uit artikel 3.

  • 5.

    In afwijking van lid 4 mag een aanvrager één gecombineerde aanvraag indienen voor één van de volgende combinaties van subcategorieën:

    • -

      informele ondersteuning + meld –of signaalpunt;en of

    • -

      JOGG-aanpak + meld- of signaalpunten; of

    • -

      mentale gezondheid met focus op verslaving + laagdrempelige steunpunten (volwassnen)

  • 6.

    Binnen de in art. 3 opgenomen categorie III mag een aanvrager één aanvraag indienen. Deze aanvraag moet alle in artikel 3 genoemde subcategorieën omvatten.

  • 7.

    In het geval van een gecombineerde aanvraag zoals in lid 5 overlegt de aanvrager separate gegevens per subcategorie.

Artikel 12. De aanvraagtermijn

Een aanvraag om subsidie wordt uiterlijk op 1 september van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar ingediend.

Artikel 13. Beslistermijn

Het college beslist op een aanvraag om subsidie uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend.

Artikel 14. Aanvullende weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 9 van de Asv kan het college een subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren indien:

  • a.

    niet is voldaan aan een of meerdere van de op de aanvraag van toepassing zijnde inhoudelijke eisen en voorwaarden uit de artikelen 4 tot en met 6;

  • b.

    naar het oordeel van het college sprake is van kosten die al worden gesubsidieerd of gefinancierd vanuit een andere subsidie- of inkooprelatie, of waarvoor reeds op andere wijze is voorzien;

  • c.

    naar het oordeel van het college sprake is van kosten die door de aanvrager zijn gemaakt vóór indiening van de aanvraag;

  • d.

    de activiteiten naar het oordeel van het college onvoldoende bijdragen aan het doel van deze regeling, of niet uitvoerbaar, realiseerbaar of financieel haalbaar zijn of niet in verhouding staan binnen de subsidiabele activiteiten zoals in deze regeling omschreven;

  • e.

    de aanvrager naar het oordeel van het college doelstellingen nastreeft of activiteiten zal uitvoeren die in strijd zijn met het algemeen belang of de openbare orde;

  • f.

    de aanvrager ook zonder subsidie over voldoende middelen kan beschikken, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden, om de kosten van de activiteiten te dekken;

  • g.

    naar het oordeel van het college in de stad of wijk al voldoende aanbod aanwezig is dat in de betreffende vraag voorziet.

Artikel 15. Verplichtingen

Naast de verplichtingen op grond van artikel 12 van de Asv worden aan de subsidieverlening de volgende verplichtingen verbonden:

  • a.

    De activiteiten komen ten goede aan inwoners van de gemeente Maastricht, of in geval van uitvoering als centrumgemeente aan inwoners van het betreffende gebied.

  • b.

    Bij de uitvoering van de activiteiten wordt actief samengewerkt met andere organisaties. Er is sprake van samenwerking, afstemming en doorverwijzing tussen partijen die formeel en informeel actief zijn binnen de sociale basis.

  • c.

    Accommodaties waar publieksgerichte activiteiten plaatsvinden zijn goed bereikbaar, fysiek toegankelijk en veilig.

  • d.

    Professionals en vrijwilligers die rechtstreeks werken met jeugdigen, of met inwoners in een kwetsbare positie, ouderen of inwoners met regieverlies, beschikken over een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).

  • e.

    De subsidieontvanger die rechtstreeks werkt met inwoners heeft een geïmplementeerde Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en wijst binnen de organisatie een aandachtsfunctionaris aan.

  • f.

    In de uitvoering wordt gebruikgemaakt van interventies die aantoonbaar evidence based of practice based zijn.

  • g.

    De subsidieontvanger levert een actieve bijdrage aan inclusie, zowel binnen de eigen organisatie als in de uitvoering van activiteiten voor inwoners.

Artikel 16. Bevoorschotting

  • 1.

    Het college kan voorschotten op een subsidie verstrekken.

  • 2.

    De wijze van bevoorschotting wordt opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening.

  • 3.

    Bij subsidies van meer dan € 5.000 tot en met € 75.000 wordt in beginsel een voorschot van 90% verleend. Indien het college hiervan afwijkt (bijvoorbeeld een ander percentage of betaling in meerdere termijnen), wordt dit in de verleningsbeschikking vermeld.

  • 4.

    Bij subsidies van meer dan € 75.000 wordt op basis van de door de subsidieontvanger ingediende liquiditeitsprognose een schema voor de bevoorschotting vastgesteld, tot een maximum van 90%.

Artikel 17. Verantwoording

  • 1.

    De wijze waarop de subsidieontvanger de besteding van de subsidie moet verantwoorden, is geregeld in de Asv.

  • 2.

    De subsidieontvanger dient bij subsidies van meer dan € 5.000 en ten hoogste € 75.000 uiterlijk voor 1 juni van het jaar volgend op het betrokken kalenderjaar een aanvraag tot vaststelling in.

  • 3.

    De aanvraag zoals bedoeld in lid 2 bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan en wat mogelijk de effecten van deze activiteiten zijn geweest;

    • b.

      een jaarrekening of financieel verslag met een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten.

  • 4.

    In afwijking van artikel 15 van de Asv dient de subsidieontvanger bij subsidies van meer dan € 75.000 uiterlijk voor 1 juni van het jaar volgend op het betrokken kalenderjaar een aanvraag tot vaststelling in.

  • 5.

    De aanvraag zoals bedoeld in lid 4 bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan;

    • b.

      een financieel verslag of jaarrekening met een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten;

    • c.

      een balans van het afgelopen subsidietijdvak met toelichting;

    • d.

      een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk registeraccountant;

    • e.

      In geval van een gecombineerde subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, dient de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling een gescheiden verantwoording per subcategorie in.

  • 6.

    In aanvulling op artikel 15 van de Asv dient de aanvrager bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie een financiële verantwoording te overleggen met een indeling die gelijk is aan de indeling van de begroting die bij de aanvraag tot verlening van de subsidie is verstrekt.

Artikel 18. Hardheidsclausule

  • 1.

    In gevallen die de uitvoering van deze regeling betreffen en waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college.

  • 2.

    Het college kan afwijken van de bepalingen in deze regeling indien toepassing daarvan, vanwege bijzondere omstandigheden, zou leiden tot gevolgen die onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

Artikel 19. Slotbepalingen

  • 1.

    Deze subsidieregeling treedt in werking op 1 augustus 2026.

  • 2.

    Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling professionele instellingen sociale basis gemeente Maastricht 2027.

Aldus besloten door het College van Burgemeester en Wethouders van Maastricht d.d. 19 mei 2026

De Secretaris a.i. ,

G.G.H.M Haanen

BIJLAGE 1: SCORECARD

 

1. Bijdrage aan beleidsdoelen en maatschappelijke impact (0–30 punten)

 

De mate waarin de activiteiten bijdragen aan de beleidsdoelen van de subsidieregeling en leiden tot aantoonbare impact.

 

Score

Toelichting

0

Activiteiten sluiten niet of nauwelijks aan op de beleidsdoelen van de subsidieregeling. Verwachte effecten /resultaten zijn niet beschreven.

10

Activiteiten sluiten globaal aan op één of meer beleidsdoelen van de subsidieregeling, maar bijdrage blijft algemeen en weinig concreet.

20

Activiteiten sluiten duidelijk aan op meerdere beleidsdoelen van de subsidieregeling. Verwachte effecten /resultaten zijn benoemd en deels concreet gemaakt.

30

Activiteiten sluiten sterk en expliciet aan op de beleidsdoelen van de subsidieregeling. Verwachte effecten/resultaten zijn concreet, meetbaar en worden gemonitord of geëvalueerd.

 

2. Aanbod: kwaliteit, onderscheidend & innovatie (0–30 punten)

 

De mate waarin het aanbod aanvullend, passend en toekomstgericht is.

 

Score

Toelichting

0

Aanbod is inhoudelijk onvoldoende uitgewerkt, sluit niet of nauwelijks aan op doelgroep of context, er is overlap met bestaand aanbod en geen aandacht voor innovatie.

10

Aanbod is basaal beschreven, aanvullend karakter ten opzichte van bestaand aanbod is beperkt. onderscheidend vermogen is onvoldoende onderbouwd, innovatieve of toekomstgerichte aspecten zijn summier of impliciet.

20

Het aanbod is inhoudelijk van goede kwaliteit, sluit aantoonbaar aan bij de behoefte van de doelgroep en/of (lokale) context, is duidelijk aanvullend op of onderscheidend van bestaand aanbod, bevat elementen van vernieuwing of doorontwikkeling, is toekomstgericht, met aandacht voor doorlopende verbetering.

30

Het aanbod is inhoudelijk sterk, doordacht en professioneel uitgewerkt, sluit zeer goed aan bij actuele en toekomstige behoeften van de doelgroep of ontwikkelingen binnen (lokale) context, heeft een duidelijk en overtuigend onderscheidend vermogen, is aantoonbaar aanvullend op bestaand aanbod én versterkt het veld, is innovatief en/of toekomstgericht, met een heldere visie op doorontwikkeling.

 

3. Lokale, regionale verankering & samenwerking (0–30 punten)

 

De mate waarin sprake is van verankering in lokale danwel regionale bestaande, duurzame netwerken en waarbij sprake is van effectieve samenwerking met relevante partners die bijdraagt aan samenhang, bereik en kwaliteit van de dienstverlening.

 

Score

Toelichting

0

Geen of nauwelijks aansluiting bij bestaande lokale of regionale netwerken, samenwerking ontbreekt of is niet relevant.

10

Enige aansluiting bij bestaande lokale en/of regionale netwerken of samenwerkingen, samenwerking is voornamelijk informeel of incidenteel, verankering is aanwezig, maar kwetsbaar of onvoldoende uitgewerkt of moet nog opgebouwd worden.

20

Duidelijke en aantoonbare verankering in bestaande lokale en/of regionale netwerken, effectieve samenwerking met relevante partners, samenwerking versterkt bereik, continuïteit en samenhang van het aanbod.

30

Sterke, structurele verankering in bestaande lokale of regionale netwerken, intensieve en duurzame samenwerking met meerdere relevante partners, de aanvrager vervult een verbindende of stabiliserende rol binnen het netwerk.

 

4. REALISTISCH, UITVOER – EN HAALBAARHEID.

 

De mate waarin een realistische, haalbare en uitvoerbare aanpak wordt beschreven voor de uitvoering

 

Score

Toelichting

0

Het is niet duidelijk op basis van welke verwachtingen keuzes en plannen zijn gebaseerd en waarom deze aannames in de gegeven context realistisch zijn. Het is niet inzichtelijk: wie uitvoert, hoeveel capaciteit wordt ingezet, hoe besluiten worden genomen, hoe voortgang wordt gevolgd.

10

Capaciteit en organisatie zijn deels benoemd, maar zonder concreet overzicht (bijv. taken, uren, rolverdeling). Monitoring of evaluatie wordt genoemd, maar zonder duidelijke methodiek of momenten.

20

De uitvoeringsorganisatie is inzichtelijk gemaakt: rollen en verantwoordelijkheden, beschikbare capaciteit, samenwerkingspartners. Er is een praktische vorm van bijsturing beschreven (bijv. periodieke evaluatie, signalering vanuit de praktijk). Monitoring en verantwoording zijn concreet maar beperkt van omvang, passend bij het werkveld.

30

De organisatie beschikt aantoonbaar over: voldoende deskundige capaciteit en een stevig lokaal netwerk. Monitoring, evaluatie en bijsturing zijn systematisch en proportioneel ingericht, met duidelijke momenten en verantwoordelijkheden. De aanvraag laat zien hoe wordt geleerd en aangepast gedurende de uitvoering.

 

5. Prijs-kwaliteitverhouding (0–30 punten)

 

De mate waarin middelen doelmatig worden ingezet.

 

Score

Toelichting

0

Geen of nauwelijks inzicht in relatie tussen kosten en activiteiten/resultaten, de gevraagde middelen staan niet in verhouding tot de omvang of intensiteit van het aanbod, de doelmatigheid en efficiëntie zijn onvoldoende onderbouwd.

10

Kosten zijn globaal gekoppeld aan activiteiten, de begroting is logisch, maar beperkt onderbouwd, er is geen expliciete toelichting op doelmatigheid of efficiëntie

20

De inzet van middelen is inzichtelijk en staat in redelijke verhouding tot de omvang en de uitvoering van het aanbod. De begroting sluit aan bij de beschreven activiteiten en is logisch en realistisch opgebouwd en maakt aannemelijk dat de activiteiten uitvoerbaar zijn binnen de gevraagde middelen.

30

De inzet van middelen is inzichtelijk en staat in verhouding tot de omvang en uitvoering van het aanbod. Er is sprake van actief beheer, monitoring en bijsturing tijdens de uitvoering, waardoor er inzicht is in voortgang, inzet en financiën.

 

TOTAALSCORE

 

Onderdeel

Max. punten

Wegings

factor

1. Beleidsdoelen & maatschappelijke impact

30

3x

2. Aanbod: kwaliteit, onderscheidend en innovatie

30

4x

3. Lokale, regionale verankering en samenwerking

30

6x

4. Realistisch, uitvoerbaar en haalbaar

30

1x

5. Prijs-kwaliteitverhouding

30

1x

Totaal

150

 

BIJLAGE 2: TOELICHTING

 

Deze toelichting maakt integraal onderdeel uit van de Subsidieregeling professionele instellingen, Sociale Basis Maastricht 2027 (verder de subsidieregeling)

 

De toelichting begint met het beschrijven van de beleidsdoelen van het gemeentelijk beleidskader sociale basis. Omdat het beleidsplan jeugd en het beleidsplan maatschappelijke ondersteuning ook raken aan de sociale basis worden deze beleidsplannen hier eveneens bij betrokken. In dit gedeelte wordt uiteengezet welke maatschappelijke opgaven centraal staan en de doelen die de gemeente met dit beleidskader nastreeft, zoals het versterken van welzijn, gezondheid, veerkracht, gezond opvoeden en opgroeien, en het voorkomen van zwaardere zorg. Deze beleidsdoelen vormen het inhoudelijke uitgangspunt van de subsidieregeling en daarmee het fundament voor welke activiteiten in aanmerking komen voor subsidie.

 

Vanaf artikel 3 in deze toelichting worden de beleidsdoelen naar de subsidieregeling zelf geconcretiseerd en wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze en onder welke voorwaarden subsidie kan worden verstrekt. Daarbij staat centraal dat de regeling is bedoeld voor professionele instellingen zonder winstoogmerk, die met hun activiteiten bijdragen aan het versterken van de sociale basis. Daarnaast onderstreept dit deel van de toelichting dat van aanvragers wordt verwacht dat zij kwalitatief sterke, uitvoerbare en doelmatige activiteiten aanbieden die aansluiten bij de lokale context en behoeften van inwoners en in samenwerking met ketenpartners.

 

De sociale basis binnen het sociale stelsel van Maastricht.

 

De sociale basis is wat inwoners met en voor elkaar doen, aangevuld met professionele en gemeentelijke basisvoorzieningen en de fysieke inrichting van de leefomgeving. Een sterke sociale basis maakt het voor inwoners mogelijk om deel te nemen aan activiteiten en betekenisvolle contacten te leggen met anderen. Op die manier tonen inwoners betrokkenheid voor elkaar en voelen ze dat ze er niet alleen voor staan. De samenleving vormt de sociale basis: inwoners ondersteunen elkaar waar mogelijk, en waar nodig worden zij daarbij aangevuld of ondersteund door professionele hulp. Professionele organisaties maken hiermee onderdeel uit van de sociale basis, waarbij ze primair faciliterend en versterkend werken. Dit vraagt om flexibiliteit, continuïteit en daarmee vertrouwen, een sterke verbinding en samenwerking in de nabijheid.

 

Beleidsdoelen uit het beleidskader: ‘Sociale Basis, Samen leven in Maastricht’, uitvoeringsplan: ‘Jeugd’ en beleids-en uitvoeringsplan: ‘Maatschappelijke ondersteuning’.

 

In het beleidskader: ‘Sociale basis, Samen leven in Maastricht’ zijn de ambities voor de sociale basis geformuleerd. Onze ambitie is gericht op vitale en saamhorige gemeenschappen. In het beleidskader zijn daarom de volgende deelambities geformuleerd.

 

  • -

    Inwoners zijn in staat bewonersinitiatieven op te zetten;

  • -

    Inwoners zetten zich vrijwillig in voor een ander;

  • -

    Inwoners kunnen op een evenwichtige manier voor zichzelf en een naaste zorgen;

  • -

    Inwoners kunnen elkaar op een ongedwongen manier ontmoeten;

  • -

    Inwoners vinden op een gemakkelijke manier de weg naar informatie en advies;

  • -

    Inwoners kunnen terugvallen op directe, vrij toegankelijke ondersteuning;

  • -

    Inwoners vinden steun voor ouders en opvoeders in de directe omgeving.

  • -

    Inwoners voelen zich onderdeel van de samenleving, gehoord en gezien.

Het draagt enerzijds bij aan het verbeteren kansengelijkheid en het voorkomen dat inwoners onnodig worden uitgesloten of gestigmatiseerd. Anderzijds draagt het bij om minder specialistische hulp in te zetten, zodat de zorglast en zorgkosten dalen en alleen die inwoners specialistische hulp krijgen die het echt nodig hebben.

 

Beleidsdoelen uit het beleidsplan: ‘Jeugd’ zijn:

 

  • Jongeren in Maastricht groeien gezond op in een kansrijke omgeving;

  • Jongeren in Maastricht groeien veilig op: thuis, op school, in de buurt, de vereniging en in de stad;

  • Ongeacht hun achtergrond of beperking krijgt de jeugd in Maastricht de kans haar talenten optimaal te ontwikkelen;

  • Ouders, verzorgers en hun kinderen hebben mensen om zich heen waar zij van leren en die hun steunen: in de buurt, in de vereniging, op de kinderopvang, op school, overal waar ze komen.

Beleidsdoelen uit het beleidsplan: ‘Maatschappelijke ondersteuning’ zijn:

 

  • Mantelzorg en vrijwilligerswerk ondersteunen;

  • Eenzaamheid bestrijden;

  • Mogelijkheden tot ontmoeting verbeteren;

  • Toekomstbestendig thuis in eigen buurt;

  • Samenwerking zorg en medisch domein.

Artikel 3: Activiteiten

 

De subsidieregeling richt zich op drie samenhangende categorieën: mantelzorg- en informele ondersteuning, laagdrempelige ondersteuning en breed welzijnswerk. Binnen deze gebieden worden activiteiten gesubsidieerd die gericht zijn op preventie, vroegsignalering, herstel, zelfregie, participatie en het versterken van sociale netwerken. Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten die behoren tot een van deze categorieën. Voor 2027 zal deze subsidie voor één boekjaar worden verstrekt. Afhankelijk van de ervaringen met de subsidieregeling in 2027 wordt de subsidieregeling nog mogelijkerwijs aangepast voor de volgende jaren. Het streven is om vanaf 2028 meerjarig te gaan subsidiëren. Dit om meer continuïteit te waarborgen voor de instellingen.

 

Artikel 4: Mantelzorgondersteuning en informele ondersteuning

 

Lid 1 /m 3: De activiteiten op het gebied van mantelzorgondersteuning zijn gericht op het versterken van de positie en het ondersteunen van mantelzorgers, met als doel overbelasting te voorkomen of te verminderen. Verschillende activiteiten kunnen hier een bijdrage aan leveren zoals onder andere individuele als groepsgerichte vormen van ondersteuning en het faciliteren van respijtzorg. Daarbij is nadrukkelijk aandacht voor het bereiken van diverse groepen mantelzorgers, waaronder mantelzorgers met een migratieachtergrond en jonge mantelzorgers. Een subsidieaanvraag komt alleen voor subsidie in aanmerking als ze alle activiteiten uit a tot en met e bevatten.

 

Lid 4: Informele ondersteuning heeft tot doel vrijwillige inzet voor inwoners in kwetsbare positie te faciliteren en te versterken. Daarbij staat een zorgvuldige organisatie van vrijwilligers centraal, inclusief voorbereiding, begeleiding en ondersteuning. Dit draagt bij aan kwalitatieve, betrouwbare en passende ondersteuning voor inwoners die hierop zijn aangewezen. Een subsidieaanvraag komt alleen voor subsidie in aanmerking als ze alle activiteiten uit a tot en met d bevatten.

 

Artikel 5: Laagdrempelige ondersteuning

 

Artikel 5 bestaat uit een 8-tal subcategorieën. Het gaat hier om essentiële, preventieve voorzieningen die een belangrijke rol spelen in de sociale basis.

 

Lid 1 t/m 5 Laagdrempelige steunpunten voor volwassenen en jeugd (soms ook wel inloopvoorzieningen genoemd) leveren een belangrijke bijdrage aan de sociale basis doordat zij fungeren als een toegankelijke schakel tussen inwoners, hun netwerk en (formele) ondersteuning. De subsidieaanvraag heeft betrekking op alle onderdelen a t/m c. Voor deze activiteiten is een aantal specifieke voorwaarden geformuleerd waaraan de activiteiten moeten voldoen. De uitwerking van deze voorwaarden moeten terugkomen in de subsidieaanvraag.

 

Lid 6 t/m 8: Meld –of signaalpunten. De subsidie is bedoeld voor partijen die aantoonbaar verantwoordelijkheid nemen voor een zorgvuldige, samenhangende opvolging van signalen of meldingen en hierin een herkenbaar aanspreekpunt zijn binnen het lokale netwerk. Van aanvragers wordt dan ook meer verwacht dan alleen het ontvangen van meldingen of signalen. Als extra voorwaarden is opgenomen dat er maar 1 meldpunt voor CSGW wordt gesubsidieerd en 1 signaalpunt voor eenzaamheid. Een subsidieaanvraag mag zowel de subcategorie meld –of signaalpunten bevatten als ook de subcategorie voor de JOGG aanpak. Ook mag deze subcategorie worden gecombineerd met de subcategorie informele ondersteuning. In de subsidieaanvraag moeten beide onderdelen apart zijn uitgewerkt.

 

Lid 9: Onafhankelijke cliëntondersteuning. De activiteiten in het kader van de onafhankelijke cliëntondersteuning hebben tot doel het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk, en inkomen. Subsidie wordt verleend om inwoners onafhankelijk te adviseren, de hulpvraag helder te krijgen en hen waar mogelijk met kortdurende/cyclische hulp te stimuleren zo zelfredzaam mogelijk te zijn. Een subsidieaanvraag komt alleen voor subsidie in aanmerking als ze alle activiteiten uit a tot en met d bevatten.

 

Lid 11 en 12: JOGG-aanpak. Met deze subsidie wordt een structurele bijdrage beoogd aan een gezonde leefomgeving voor kinderen en jongeren, door in te zetten op een integrale en preventieve aanpak van overgewicht. De JOGG aanpak vormt daarbij het inhoudelijk kader, omdat deze uitgaat van samenwerking tussen verschillende domeinen en leefomgevingen, zoals gezin, school en vrije tijd. Door preventie vroeg in te zetten en verbinding te maken tussen individuele ondersteuning en collectieve voorzieningen, wordt gewerkt aan duurzame gedragsverandering en het verkleinen van gezondheidsrisico’s op latere leeftijd. Een subsidieaanvraag komt alleen voor subsidie in aanmerking als ze alle activiteiten uit a tot en met c bevatten.

 

Lid 13 en 14: Slachtofferhulp Met deze subsidie wordt beoogd dat slachtoffers zo snel mogelijk passende en samenhangende ondersteuning krijgen, afgestemd op hun persoonlijke situatie. Samenwerking met ketenpartners is daarbij essentieel om slachtoffers niet te belasten met versnipperde hulpverlening en om tijdig de juiste expertise in te zetten. Door afstemming tussen hulpverlenende en justitiële organisaties wordt de toegankelijkheid, continuïteit en effectiviteit van de ondersteuning versterkt en wordt bijgedragen aan herstel en het vergroten van de eigen regie van slachtoffers.

 

Lid 15 t/m 17: POH Jeugd Met het subsidiëren van de POH Jeugd wordt ingezet op het versterken van de mentale gezondheidszorg in de eerste lijnszorg, dicht bij kinderen, jongeren en hun ouders. Door de inzet binnen de huisartsenpraktijk wordt laagdrempelige ondersteuning geboden op een vertrouwde plek, waardoor problemen eerder worden herkend en passende hulp sneller kan worden ingezet. De POH Jeugd vervult daarmee een belangrijke schakelfunctie tussen huisartsenzorg, preventie en jeugdhulp, en draagt bij aan het ontlasten van specialistische zorg door tijdige signalering en kortdurende begeleiding. De gemeentebrede organisatie en uniforme inzet zorgen voor een samenhangende aanpak en gelijke toegankelijkheid voor alle inwoners van Maastricht. Een subsidieaanvraag komt alleen voor subsidie in aanmerking als ze alle activiteiten uit a tot en met f bevatten.

 

Lid 18: mentale gezondheid met focus op verslavingsproblematiek Met deze subsidie wordt ingezet op het versterken van de mentale gezondheid van inwoners door verslavingsproblematiek zoveel mogelijk te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken. Daarbij wordt uitgegaan van een integrale benadering waarin preventie, vroegsignalering en schadebeperking elkaar aanvullen. Door zowel kinderen, jongeren als opvoeders en professionals te ondersteunen, wordt gewerkt aan het vergroten van weerbaarheid en het tijdig bespreekbaar maken van zorgen. Laagdrempelige vormen van ondersteuning dragen eraan bij dat inwoners passende hulp weten te vinden en zwaardere problematiek kan worden voorkomen of niet verergert. Een subsidieaanvraag komt alleen voor subsidie in aanmerking als ze alle activiteiten uit a tot en met d bevatten.

 

Artikel 6: Breed welzijnswerk De categorie Breed welzijnswerk dient integraal te worden aangevraagd. De activiteiten binnen samenlevingsopbouw, jeugd en gezinswerk, schoolmaatschappelijk werk en maatschappelijk werk vormen één samenhangend geheel en versterken elkaar in de uitvoering. Door deze domeinen gezamenlijk te organiseren ontstaat een stevige sociale basis in wijken en buurten, waarin preventie, ondersteuning en participatie logisch op elkaar aansluiten. De subsidiëring is gericht op het duurzaam versterken van de veerkracht van inwoners en gemeenschappen. Daarbij ligt de nadruk op het vergroten van eigen kracht, onderlinge betrokkenheid en zelforganisatie, met professionele ondersteuning waar dat nodig is. De inzet dichtbij inwoners, in wijken, scholen en ontmoetingsplekken, maakt het mogelijk om signalen vroegtijdig op te vangen en passende ondersteuning te bieden voordat zwaardere zorg noodzakelijk wordt. Kenmerkend voor het brede welzijnswerk is de integrale werkwijze: professionals en vrijwilligers werken samen, netwerken worden actief benut en verbindingen tussen het sociaal en zorgdomein worden versterkt. Door deze aanpak wordt niet alleen hulp geboden bij individuele vragen, maar ook bijgedragen aan sterke sociale netwerken en een inclusieve leefomgeving waarin inwoners elkaar weten te vinden en te ondersteunen.

 

Artikel 7: Aanvrager

Subsidie is bedoeld voor professionele organisaties zonder winstoogmerk. Dit zijn organisaties die werken met betaalde professionals, eventueel ondersteund door vrijwilligers. De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd moeten plaatsvinden in Maastricht of, als het gaat om de gemeente Maastricht die een centrumfunctie vervult, kunnen de activiteiten ook in gemeenten in de regio plaatsvinden. De organisatie moet duidelijk verbonden zijn met Maastricht of de regio en actief samenwerken met lokale of regionale partners. De organisatie moet stabiel en betrouwbaar zijn, met een goed geregelde organisatie en financiën. Zij bestaat minimaal één jaar ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Het adres van de organisatie is geen privé woonadres.

Het is ook mogelijk om gezamenlijk subsidie aan te vragen. Eén organisatie treedt dan op als penvoerder en is het aanspreekpunt en verantwoordelijk voor de uitvoering en de afhandeling van de subsidie.

 

Artikel 8 Subsidieplafond

Er wordt alleen subsidie verleend als hiervoor geld beschikbaar is in de begroting. De subsidies worden verleend voor activiteiten die bijdragen aan drie hoofdcategorieën, die onderverdeeld zijn in subcategorieën. Voor elke subcategorie van categorie I en II wordt een maximumbedrag (een subsidieplafond) vastgesteld. Voor categorie III als geheel wordt een subsidieplafond vastgesteld. Deze bedragen worden jaarlijks door het college vastgesteld. Dit maximumbedrag is het totaal dat beschikbaar is voor de betreffende (sub)categorieën.

 

Artikel 9. Kosten die voor subsidie in aanmerking komen

Alle subsidiebedragen die worden verleend zijn inclusief BTW. Subsidie wordt alleen verleend als het om kosten gaat die redelijkerwijs gemaakt moeten worden om de activiteiten uit te voeren. Subsidie voor: grote aankopen of investeringen, loonkosten hoger dan het wettelijk toegestane maximum of kosten waarvoor al geld wordt ontvangen via een andere regeling of opdracht van de gemeente Maastricht komen niet in aanmerking voor subsidie.

 

Artikel 10. Wijze van verdeling

Als er meer geld wordt aangevraagd en het subsidieplafond wordt overschreden, worden de aanvragen met elkaar vergeleken. De gemeente bekijkt per subcategorie (in geval van het breed welzijnswerk wordt naar de categorie gekeken) welke aanvragen het beste aansluiten bij de doelen en bijdraagt aan het beleid, de kwaliteit en toekomstbestendigheid van het aanbod, de lokale verankering, de samenwerking met andere organisaties, de uitvoerbaarheid en de prijs kwaliteitverhouding. In de bijlage van de subsidieregeling is opgenomen op welke wijze de score plaatsvindt. Rangschikking vindt plaats op basis van de hoogste score, totdat het beschikbare budget is bereikt.

 

Tweede lid: De rangschikking wordt bepaald op basis van de volgende criteria:

 

Onder a: de mate waarin de activiteiten bijdragen aan de beleidsdoel(en) van de subsidieregeling en leidt tot aantoonbare impact (maximaal 30 punten):

 

Bij dit criterium beoordelen wij in hoeverre de voorgestelde activiteiten bijdragen aan de beleidsdoel(en) (zie de algemene toelichting) van deze subsidieregeling en wat dit concreet oplevert voor de doelgroep. Van aanvragers verwachten wij dat zij:

  • -

    duidelijk maken welk beleidsdoel of welke beleidsdoelen van de subsidieregeling worden ondersteund;

  • -

    toelichten hoe activiteiten hieraan bijdragen;

  • -

    beschrijven wat het beoogde effect of resultaat is voor inwoners, wijken of doelgroepen.

Een hogere score wordt toegekend wanneer:

  • -

    de bijdrage aan de beleidsdoelen concreet en logisch is onderbouwd;

  • -

    duidelijk is welk verschil de activiteiten maken (bijvoorbeeld verbetering, versterking, vermindering van problemen);

  • -

    aannemelijk is dat de activiteiten daadwerkelijk leiden tot dit effect. Bijvoorbeeld door de toepassing van evidence of practice based interventies.

Het gaat hierbij niet alleen om wat u doet, maar vooral om waarom dit bijdraagt aan het beleid en wat het oplevert

 

Onder b. De mate waarin het aanbod aanvullend, passend en toekomstgericht is (maximaal 30 punten)

 

Voor een sociale basis in beweging is het niet voldoende om simpelweg meer aanbod te creëren. Minstens zo belangrijk is dat het aanbod passend is, dat er sprake is van een goede spreiding en aansluit bij een mix van doelgroepen. Van aanvragers wordt daarom verwacht dat zij duidelijk kunnen toelichten in hoeverre hun aanbod aanvullend is en daadwerkelijk bijdraagt aan de bestaande voorzieningen. Het kan voorkomen dat het aangevraagde aanbod al zonder gemeentelijke subsidie beschikbaar is en daarmee al voorziet in de vraag. In dat geval heeft de aangevraagde activiteit onvoldoende meerwaarde om voor subsidie in aanmerking te komen. Ook kan uit de weging van de aanvragen blijken dat er voor vergelijkbare activiteiten meerdere subsidieaanvragen zijn ingediend. Wanneer de optelsom van deze aanvragen leidt tot een overaanbod van hetzelfde type activiteiten, worden alleen de best beoordeelde aanvragen gehonoreerd, en wel totdat de vastgestelde vraag is ingevuld. De overige aanvragen worden lager gerangschikt en niet toegekend. Daarnaast kunnen er keuzes nodig zijn om te komen tot een evenwichtige en diverse mix van activiteiten. Het honoreren van méér van hetzelfde, of van meerdere initiatieven met hetzelfde doel, zou betekenen dat er op andere maatschappelijke opgaven onvoldoende aanbod beschikbaar is. Om die reden worden afwegingen gemaakt die bijdragen aan een brede, evenwichtige en effectieve sociale basis.

 

Onder c. De mate waarin sprake is van verankering in lokale danwel regionale bestaande, duurzame netwerken en waarbij sprake is van effectieve samenwerking met relevante partners die bijdraagt aan samenhang, bereik en kwaliteit van de dienstverlening.(maximaal 30 punten)

 

Een sociale basis vraagt nabijheid, continuïteit en samenwerking. Met dit criterium wordt beoordeeld in hoeverre de aanvrager is ingebed in bestaande lokale en/of regionale netwerken en effectief samenwerkt met relevante partners. Daarbij wordt gekeken naar de mate van duurzaamheid en structurele aard van deze samenwerkingen, de rol van de aanvrager binnen het netwerk en de bijdrage van de samenwerking aan samenhang, bereik, continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening. Hoe sterker en bestendiger de verankering en samenwerking, des te hoger de score.

 

Onder d. De mate waarin de voorgestelde activiteiten realistisch, uitvoerbaar en haalbaar zijn binnen de beschikbare tijd, middelen en capaciteit. (maximaal 30 punten)

 

Het is van belang dat activiteiten realistisch en uitvoerbaar zijn, omdat dit de basis vormt voor betrouwbare en effectieve ondersteuning van inwoners. Niet-realistische plannen leiden vaker tot uitval, bijsturing achteraf of teleurstelling bij inwoners en partners. Realistische en haalbare activiteiten dragen juist bij aan vertrouwen, stabiliteit en duurzaamheid binnen de sociale basis. We beoordelen met dit criterium in hoeverre de voorgestelde activiteiten concreet zijn gepland, proportioneel zijn ten opzichte van de beschikbare inzet en voldoende zijn onderbouwd. Daarbij wordt ook gekeken naar flexibiliteit en de mogelijkheid om bij te sturen.

 

Onder e. De mate waarin middelen doelmatig worden ingezet. (maximaal 30 punten)

 

Met dit criterium wordt gekeken of het gevraagde budget op een verstandige manier wordt ingezet voor de geplande activiteiten en resultaten. Daarbij wordt beoordeeld of de kosten passen bij wat er wordt gedaan en bereikt, of de begroting logisch en realistisch is opgebouwd en of de omvang van het aanbod in verhouding staat tot de inzet van middelen. Ook wordt meegenomen of de organisatie zicht houdt op de uitgaven en voortgang en waar nodig kan bijsturen, zodat de middelen zorgvuldig worden besteed.

 

Artikel 11. De aanvraag

 

Bij een subsidieaanvraag moet duidelijk zijn wat de organisatie wil gaan doen en waarom. Daarom beschrijft de aanvrager welke activiteiten worden uitgevoerd en hoe deze passen bij de doelstellingen van de regeling. Ook wordt een overzicht gegeven van de kosten en hoe deze worden betaald, bijvoorbeeld met subsidie, eigen middelen of andere bijdragen.

Wanneer de organisatie nog niet eerder subsidie heeft aangevraagd, is aanvullende informatie nodig over de organisatie zelf, zoals oprichtingsgegevens en financiële stukken van het vorige jaar.

Per organisatie mag één subsidieaanvraag worden ingediend. Deze aanvraag heeft betrekking op één onderdeel van de regeling. Alleen in specifieke gevallen is een combinatie mogelijk. Als dat zo is, moet per onderdeel apart worden aangegeven welke activiteiten worden uitgevoerd en welke kosten daarbij horen.

 

Artikel 14. Aanvullende weigeringsgronden

 

Het college kan besluiten een subsidieaanvraag geheel of gedeeltelijk af te wijzen wanneer de aanvraag niet past binnen de uitgangspunten van deze regeling. Dit kan onder meer het geval zijn als de aangevraagde kosten al op een andere manier worden vergoed, als kosten al zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend of als de activiteiten onvoldoende bijdragen aan het doel van de regeling. Ook wanneer activiteiten niet goed uitvoerbaar of financieel haalbaar zijn, of wanneer zij niet passen binnen het algemeen belang of de openbare orde, kan dit leiden tot afwijzing. Daarnaast kan een subsidie worden geweigerd als de aanvrager zelf over voldoende middelen beschikt of als er in de stad of wijk al voldoende passend aanbod aanwezig is.

 

Artikel 15. Verplichtingen

 

Organisaties die subsidie krijgen, doen activiteiten voor inwoners van Maastricht (of het gebied waarvoor Maastricht centrumgemeente is). Ze werken daarbij samen met andere organisaties in de buurt. Zo zorgen zij samen voor goede afstemming en kunnen inwoners, als dat nodig is, worden doorverwezen. De activiteiten vinden plaats op plekken die goed bereikbaar, veilig en toegankelijk zijn voor iedereen. Ook wordt verwacht dat organisaties letten op signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling en weten wat zij dan moeten doen. Van de subsidieontvanger verwachten we een actieve bijdrage aan inclusie bijvoorbeeld door aan te geven hoe zij ten aanzien van hun cliënten/deelnemersbestand en eigen organisatie bezig zijn met diversiteit om zo ook mensen in kwetsbare posities te bereiken. Tot slot werkt de subsidieontvanger met aanpakken die bewezen goed werken of die in de praktijk effectief zijn, zodat inwoners goede ondersteuning krijgen.

 

Artikel 16. Bevoorschotting

 

Het college kan een deel van de subsidie vooraf betalen. In de subsidieverlening staat hoe en wanneer dit gebeurt. Bij subsidies tot € 75.000 wordt meestal het grootste deel alvast betaald. Bij hogere bedragen wordt gekeken naar wat de organisatie nodig heeft om de activiteiten uit te voeren. Op basis daarvan wordt afgesproken hoe de subsidie in delen wordt uitbetaald.

 

Artikel 17. Verantwoording

 

Uiterlijk voor 1 juni in het kalenderjaar na afloop van de gesubsidieerde activiteiten dient de organisatie een verzoek tot vaststelling in. Daarbij geeft de organisatie aan wat er is gedaan en hoe het geld is besteed. De manier waarop dit gebeurt, sluit aan bij de regels uit de Algemene subsidieverordening. Hoe uitgebreid de verantwoording is en wanneer deze moet worden ingediend, hangt af van de hoogte van de subsidie. Bij lagere bedragen volstaat een beknopte inhoudelijke toelichting en een financieel overzicht. Bij hogere bedragen is een uitgebreidere verantwoording nodig, inclusief duidelijke financiële onderbouwing. Bij subsidies die meerdere jaren lopen, wordt deze verantwoording jaarlijks ingediend. Als de subsidie betrekking heeft op meerdere onderdelen, moet per onderdeel afzonderlijk inzicht worden gegeven. De indeling van de financiële verantwoording is gelijk aan de indeling van de begroting die bij de subsidieaanvraag is verstrekt.

 

Artikel 19 Slotbepalingen

 

Deze subsidieregeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2026. Subsidie voor activiteiten voor 2027 kunnen vanaf die datum tot uiterlijk 1 september worden aangevraagd. Vanaf 2028 kunnen subsidies nog steeds tot uiterlijk 1 september van het voorafgaande jaar worden ingediend.

Naar boven