Gemeenteblad van Gemert-Bakel
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Gemert-Bakel | Gemeenteblad 2026, 311171 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Gemert-Bakel | Gemeenteblad 2026, 311171 | beleidsregel |
Beleidsnotitie Archeologie Gemeente Gemert-Bakel 2026
[Een deel van de tekst van deze bekendmaking is overeenkomstig artikel 7 lid 2 Bekendmakingswet bekendgemaakt en hier beschikbaar: Bijlage 1 Toelichting actualisatie archeologische verwachtingen- en waardenkaart en Bijlage 2 Overzicht van archeologische waarden, vindplaatsen en onderzoeken in de gemeente Gemert-Bakel.]
De raad van de gemeente Gemert-Bakel,
gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 4 juni 2026;
gelet op de Gemeentewet en Omgevingswet;
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering 4 juni 2026.
de raad van de gemeente Gemert-Bakel,
Archeologische verwachtingen- en waardenkaart gemeente Gemert-Bakel
Rapport “Actualisatie archeologische verwachtingen- en waardenkaart gemeente Gemert-Bakel” incl. bijlage 1 Verwachtingsmodel regio Zuidoost-Brabant.
Bijlage 2 Overzicht van archeologische waarden, vindplaatsen en onderzoeken in de gemeente Gemert-Bakel
Bijlage 3 Overzicht van aangemelde mogelijk verstoorde percelen gemeente Gemert-Bakel
Bijlage 4 Handleiding archeologische beleidskaart gemeente Gemert-Bakel
Kaartbijlage 5 Fysisch landschap gemeente Gemert-Bakel
Kaartbijlage 6 Archeologisch landschap gemeente Gemert-Bakel
Kaartbijlage 7 Verstoringsbronnenkaart gemeente Gemert-Bakel
De kern van het archeologiebeleid is duurzaam behoud van relevante archeologische resten opdat latere generaties met nieuwe vragen en nieuwe technieken tot nieuwe en gedetailleerdere inzichten kunnen komen. Duurzaam behoud kan het best gerealiseerd worden door archeologische resten, onder onveranderde, stabiele condities in de grond te laten zitten. Dit is echter niet altijd mogelijk, waardoor het behoud gerealiseerd dient te worden middels een opgraving. Voordat het tot een opgraving komt, zal eerst moeten worden bepaald of er sprake is van een archeologische vindplaats en of deze behoudenswaardig is door middel van archeologisch onderzoek.
Aan de verschillende categorieën archeologische verwachtingen en waarden, zoals opgenomen op de geactualiseerde archeologische verwachtingen- en waardenkaart (zie kaartbijlage 1), zijn ondergrenzen gekoppeld, die in het traject van de omgevingsvergunning leidend zijn voor het al dan niet laten uitvoeren van archeologisch onderzoek. De verplichting tot archeologisch onderzoek is afhankelijk van het risico dat de geplande ingreep voor het bodemarchief vormt, gemeten aan oppervlakte en diepte. Per categorie wordt het risico anders ingeschat. Hoe waardevoller het gebied of hoe hoger de trefkans, des te groter is het risico dat een beperkte ingreep schade aanricht. Omgekeerd is er in een gebied van een minder waardevolle categorie pas bij een grote ingreep een risico op het verlies van zinvolle informatie.
De vrijstellingsgrenzen zijn bepaald voor zowel de diepte-ingreep als de oppervlakte-ingreep (zie tabel 2). De systematiek is dat het al dan niet opleggen van een onderzoeksplicht eerst bepaald wordt door de diepte van de ingreep. Als die meer is dan de vrijstellingsdiepte voor de betreffende gebiedscategorie, bepaalt vervolgens de oppervlakte van het gebied, waarvoor een vergunning wordt gevraagd, of er een onderzoeksplicht geldt. Na het vaststellen van de waarde en het selectiebesluit kan in tweede instantie de uitvoering van een opgraving als onderzoeksverplichting worden opgelegd, of de verplichting tot het nemen van technische maatregelen welke direct gerelateerd is aan de werkzaamheden, waarvoor de vergunning verleend wordt.
Omdat de kosten van het onderzoek (tot en met deponering van vondsten en rapportage) en van de technische maatregelen voor rekening van de initiatiefnemer zijn, is bij het bepalen van de grenzen voor de onderzoeksver¬plichting gezocht naar proportionaliteit. Er dient een redelijke verhouding te bestaan tussen het verwachte kennisrendement en de belasting voor vergun¬ningvrager en ambtelijk apparaat. In veel gevallen geldt dat een onderzoek op terreinen kleiner dan 250 m2 of van een beperkte gaafheid meestal weinig meerwaarde heeft, terwijl een groot aantal van de vergunningen op een dergelijke beperkte oppervlakte betrekking heeft. Uitzonderingen bevestigen echter de regel, bijvoorbeeld bij graven, deposities of kampen van jagers-verzamelaars. Deze hebben een kleine omvang, kunnen veel (nieuwe) kennis opleveren en kunnen binnen grotere gebieden aanwezig zijn.
De zorg voor het archeologisch erfgoed berust sinds 2007 grotendeels bij de gemeente.1 Vanaf dat moment moesten gemeenten een afwegingskader hebben om het archeologisch belang een plek te geven in de verschillende besluitvormende processen met betrekking tot de fysieke leefomgeving. In de vaststelling van hun ruimtelijk beleid (omgevingsvisie, omgevingsplan en omgevingsvergunning) zijn gemeenten wettelijk verplicht ‘rekening te houden met archeologische waarden’. Wat verstaan we echter onder deze archeologische waarden? Wat betekent ‘rekening houden met’ en wat wordt in dat verband verwacht van de gemeente? En hoe weeg je de waarde van behoud in de bodem en van de uitkomsten van archeologisch onderzoek ten opzichte van de onderzoekskosten in tijd en geld voor de initiatiefnemer en de private en publieke opbrengsten van ruimtelijke initiatieven? Met andere woorden, hoe doet een gemeente goed recht aan het archeologisch belang, gegeven alle andere belangen die op het spel staan bij een ruimtelijke ingreep.
Landelijk onderzoek maakt duidelijk dat hier geen eenduidig antwoord op is.2 Het geeft wel essentiële voorwaarden aan om goed recht te doen aan het archeologisch belang door gemeenten, waaronder voldoende archeologisch-inhoudelijke deskundigheid en een duidelijk archeologisch beleid. We lichten de voorwaarden hieronder toe, die van toepassing zijn op de gemeente Gemert-Bakel.
Om een afweging in het archeologisch belang te kunnen maken, moet de gemeente weten of er sprake is van archeologie, of die belangrijk is en wat de bedreigingen zijn. De geactualiseerde archeologische verwachtingen- en waardenkaart van Gemert-Bakel maakt dit inzichtelijk en maakt onderscheid in verschillende soorten verwachtingen- en waardengebieden, gebaseerd op onze kennis van bekende of te verwachten archeologie. De verdeling volgt een hiërarchisch systeem, waarbij de hoogste verwachtingswaarde het zwaarste regime kent.3 Het uitganspunt is om bodemingrepen zo veel mogelijk te beperken of te vermijden. Daar waar dit niet mogelijk is en de aan deze verwachtingswaarde gekoppelde grenzen in oppervlak en diepte overschreden zullen worden tijdens ontwikkelingen, is in het kader van de omgevingsvergunning archeologisch onderzoek nodig. De vrijstellingsgrenzen zijn bepaald op basis van een afweging tussen de archeologische verwachtingswaarde in relatie tot duurzaam behoud, de maatschappelijke haalbaarheid en de uitvoerbaarheid.
1.2.2 Archeologische expertise
Het is voor de gemeente Gemert-Bakel cruciaal om te kunnen beschikken over structurele en voldoende archeologisch-inhoudelijke deskundigheid. Hoe groter de bekendheid met de archeologie in de regio, de specifieke archeologie van het grondgebied van de gemeente én de specifieke werkwijze van de gemeente bij ruimtelijke planvorming en vergunningverlening, hoe beter een archeoloog de gemeente kan adviseren. Om een professionele kwaliteit van de uitvoering van kernactiviteiten op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving te borgen, zijn kwaliteitscriteria ontwikkeld (VTH).4 Deze kwaliteitscriteria schrijven voor waaraan ambtenaren moeten voldoen voor het uitvoeren van hun taken. Voor ambtenaren verantwoordelijk voor het toetsen van archeologisch onderzoek, rapporten en Programma’s van Eisen zijn derhalve ook criteria opgesteld. Zij hebben volgens de VTH een academische opleiding in de archeologie succesvol afgerond.
1.2.3 Archeologisch onderzoeksproces
Het selectiebesluit met betrekking tot de selectie van vindplaatsen, is gebaseerd op inhoudelijke argumenten en overwegingen. De argumenten voor deze besluiten moeten blijken uit het uitgevoerde (voor)onderzoek. Zonder (voor-)onderzoek kan geen selectiebesluit worden genomen over de omgang met archeologie. Voordat het tot een opgraving komt, zal eerst moeten worden bepaald of er sprake is van een archeologische vindplaats en of deze behoudenswaardig is.
Om dit mogelijk te maken is er in Nederland een getrapt onderzoeksysteem ingericht: de archeologische monumentenzorg (AMZ)-cyclus. Hierbij zijn toetsbare criteria als kwaliteit, zeldzaamheid en informatiewaarde van de archeologische resten alsmede de gevolgen van een ontwikkeling voor deze resten leidend. De AMZ-cyclus doorloopt drie fasen: de inventariserende fase, een selectiebesluit en daaruit volgende maatregelen. In de inventariserende fase kunnen diverse elkaar opvolgende onderzoeken uitgevoerd worden, die moeten leiden tot het vaststellen of er sprake is van archeologische waarden in een gebied, én een waardestelling die moet aangeven of de aangetroffen archeologie behoudenswaardig is, of niet. Die waardestelling is essentieel en vormt de basis voor het selectieadvies (door een gecertificeerd archeologisch adviesbureau, namens de initiatiefnemer) aan de overheid.
In Nederland wordt archeologisch onderzoek uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De KNA stelt eisen aan het door een archeologische uitvoerder te doorlopen proces. Dat proces kan drie grote stappen beslaan, ieder met een aantal deelstappen: inventariseren, selecteren en maatregelen treffen. Zie het schema hieronder. Bij de deelstappen is tussen haakjes gezet welk soort archeologisch onderzoek daar bij kan horen.
Niet bij elk onderzoeksproces zijn alle deelstappen nodig. Het kan zijn dat de bodem van een plangebied dermate verstoord blijkt te zijn, dat meteen vrijgave kan worden verleend. Het is echter ook mogelijk dat in een plangebied de bodem intact blijkt, dat daar archeologische resten in worden aangetroffen en dat er een gedeeltelijke opgraving uitgevoerd moet worden terwijl een ander deel middels planaanpassing in de bodem behouden kan blijven.
De archeologisch-inhoudelijke deskundige van de gemeente kan al in het beginstadium aangeven hoe archeologie en het duurzame behoud hiervan geborgd moet worden in de planvorming. Hij/zij kan op basis van zijn regionale kennis, ook aangeven wanneer en welk soort archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden en welke niet. Dit verschilt per plangebied op basis van de archeologische verwachting en de beoogde geplande ontwikkeling. Hiermee kan tijd en geld worden bespaard en het voorkomt vertragingen en onvoorziene kosten ten tijde van het traject van de omgevingsvergunning. Het kan ook voorkomen dat door nieuwe inzichten een ander beeld is ontstaan ten aanzien van de archeologie in het betreffende gebied. In dat geval kan de gemeente het besluit nemen om geen archeologisch onderzoek te eisen.
Op basis van het uitgebrachte selectieadvies kan de gemeente een selectiebesluit nemen. Met het selectiebesluit geeft de gemeente aan hoe er met de aanwezige archeologie omgegaan dient te worden. Dit kan betekenen dat er geen verder onderzoek meer nodig is, of dat er na planaanpassingen verder gegaan kan worden met de ontwikkeling. Als behoud op de plek zelf niet kan, dan kan er ook gekozen worden alle archeologische resten op te graven. Dit alles maakt van elk project maatwerk.
Een tekening van het kasteel met kerk te Gemert, gemaakt in 1730 door Abraham de Haen. (coll. KUB Tilburg Brab. coll. G27/72| (6)).
2 Vertaling van de archeologische verwachtingen- en waardenkaart naar beleid
2.1 Toelichting op de verschillende waarden en verwachtingen
De archeologische beleidskaart geeft een vlakdekkend overzicht van alle bekende en verwachte archeologische waarden en verwachtingen binnen het grondgebied van de gemeente Gemert-Bakel waaraan het archeologisch beleid van de gemeente is gekoppeld. Het archeologiebeleid van 2026 borduurt voort op het beleid van 2016 en maakt onderscheid in acht gebiedscategorieën. Dit is één categorie meer dan in 2016 en betreft de terreinen van zeer hoge archeologische waarden, waaronder de van oorsprong middeleeuwse begraafplaatsen. De vrijstellingsgrenzen zijn bepaald voor zowel de diepte-ingreep als de oppervlakte-ingreep. Archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht, zodra beide vrijstellingsgrenzen overschreden worden.
De archeologische beleidskaart bevat gebieden die overgenomen kunnen worden in de omgevingsplannen (middels de functie aanduiding Waarde-Archeologie en hieraan gekoppelde (maatwerk)regels). In bijlage 4 is een handleiding voor de archeologische beleidskaart van de gemeente Gemert-Bakel opgenomen waarmee aan de hand van een schema en stappenplan kan worden bepaald wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Een steengoed kan met de afbeelding van een heraldisch wapen van een Duits Ordens lid gevonden aan de Neerstraat in Bakel (foto J. Timmers, Historie omgeving Neerstraat 8 in Bakel – Over cultuurhistorie en zo).
Binnen de gemeente Gemert-Bakel wordt onderscheid gemaakt in acht gebiedscategorieën met de volgende vrijstellingsgrenzen (zie tabel 1). Archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht zodra beide vrijstellingsgrenzen overschreden worden.
Tabel 1 vrijstellingsgrenzen archeologie: Indien een bodemingreep dieper gaat dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep bedraagt meer dan de oppervlakte die per categorie in de tabel is weergegeven, dan gelden onderstaande regels. Indien slechts één van beide condities geldig is, dan gelden de regels niet. De kleurstellingen komen overeen met die van de archeologische verwachtingen- en waardenkaart.5
Archeologisch (rijks)monument. Het gaat hier om archeologische resten die van wezenlijke betekenis zijn voor het lokale cultuurhistorische erfgoed. De bescherming is erop gericht het monument op locatie (in situ) te behouden en verbiedt daarom alle bodemverstorende activiteiten zonder vergunning. Een vergunning zal alleen verleend worden als daarvoor een zwaarwegend belang bestaat, waarbij getracht zal worden de aanwezige monumenten zoveel mogelijk te ontzien of zichtbaar te maken. Deze terreinen vallen onder de vergunningplicht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) dan wel van de gemeente op basis van de erfgoedverordening.
Terrein van zeer hoge archeologische waarde. In deze gebieden is bij eerdere onderzoeken reeds aangetoond dat er concentraties archeologische resten voorkomen die als behoudenswaardig gekarakteriseerd kunnen worden. Het betreft terreindelen waar de hoogste dichtheid aan archeologische resten wordt verwacht op grond van landschappelijke kenmerken, historische bronnen en een analyse van de archeologische vindplaatsen. Voor Gemert-Bakel zijn dit bijvoorbeeld de middeleeuwse kerken en begraafplaatsen. Bodemingrepen worden hier ontraden. Vanwege de aanwezige archeologische waarden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 10 m² en dieper gaan dan 0,4 m onder maaiveld.
Terrein van hoge archeologische waarde. In deze gebieden is, op basis van veelal historisch onderzoek, aangetoond dat hier concentraties archeologische resten kunnen voorkomen die als behoudenswaardig gekarakteriseerd kunnen worden. Bij de historische kernen is sprake van langdurige continuïteit in bewoning en/of grondgebruik en een daarmee samenhangende complexe opbouw van archeologische lagen en een hoge mate van archeologische informatie. De concentratie aan sporen en vondsten is lager dan bij categorie 2. Het grootste deel van de niet wettelijk beschermde en landelijk aangeduide archeologische monumenten (AMK-terreinen) vallen hieronder, evenals de dorpskern van Gemert. Bodemingrepen worden hier ontraden. Vanwege de aanwezige archeologische waarden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 100 m² en dieper gaan dan 0,4 m onder maaiveld.
Gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern. Het gaat hier om de oude (en de vermoedelijk nog oudere verschoven) woonkernen en gehuchten, waar op basis van historische bronnen, oude kaarten en nog aanwezige bebouwing een hoge archeologische verwachting geldt. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus groot. Om die reden is een vergunning vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 250 m² en dieper gaan dan 0,4 m onder maaiveld.
Gebied met een hoge archeologische verwachting . In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Een deel van deze archeologische resten is afgedekt geraakt door een meer dan 50 cm dik pakket eerdgronden (opgeworpen bemestingsdek veelal bestaande uit plaggenmateriaal). Onder deze afdekkende bovenlagen kunnen, buiten het bereik van moderne grondbewerkingsmethoden, allerhande nog relatief ongeschonden archeologische resten schuilgaan. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake kan zijn van archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is groot. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² en die dieper gaan dan 0,4 m onder maaiveld.
Gebied met een middelhoge archeologische verwachting . In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw, en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een middelhoge archeologische verwachting. Deze zones en gebieden waren net als de gebieden met een hoge verwachting in principe geschikt voor bewoning. Daarnaast gaat het om gebieden in de lagere delen van het landschap waar mogelijk nog botanische resten bewaard zijn, die informatie kunnen geven over het cultuurlandschap in het verleden. Ook hier kan sprake zijn van afdekking door eerdgronden, waardoor archeologische resten goed bewaard kunnen zijn. De kans op het aantreffen van vondsten is hier echter kleiner, doordat de dichtheid aan vindplaatsen beduidend lager is dan in de gebieden met een hoge verwachting. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 2500 m² en dieper gaan dan 0,4 m onder maaiveld.
Gebied met een lage archeologische verwachting . Het gaat hierbij om gebieden waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische relicten klein wordt geacht. Er is echter geen sluitende onderbouwing dat er geen archeologische resten aanwezig zijn (bijvoorbeeld uit de Tweede Wereldoorlog of van vroege bewoning). Het gaat meestal om lager gelegen en minder vruchtbare gronden. Toch werden deze gebieden incidenteel wel gebruikt. Zo kunnen hier grafvelden voorkomen, liepen er wegen en werd er vee geweid of plaggen gestoken; ook zijn er nederzettingen uit de Steentijd te verwachten. In moerassige gebieden, met vennen en beekdalen kunnen rituele deposities aanwezig zijn. De conservering van organisch materiaal (bijvoorbeeld: hout, leer en bot) in deze natte zones is bovendien erg goed. Het probleem van deze vondstcategorieën is echter dat het uiterst geringe dichtheden betreft die qua ruimtelijk beslag zeer klein zijn en geen ruimtelijk beslag hebben waardoor ze zich ook nog eens zeer lastig laten opsporen. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 10 ha en dieper gaan dan 0,4 m onder maaiveld.
Gebied zonder archeologische verwachting . Het gaat hierbij om gebieden waar het bodemprofiel als gevolg van archeologisch onderzoek, aangetoonde ontgrondingen, recente bebouwing en funderingen zodanig verstoord is, dat eventuele archeologische resten als verloren beschouwd mogen worden, of in ieder geval zodanig zijn aangetast dat zij niet meer voor onderzoek of bescherming in aanmerking komen. Op deze terreinen rusten geen beperkingen ten aanzien van archeologie. De wettelijke meldingsplicht bij toevalsvondsten blijft echter wel van toepassing.
Op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart is tot slot nog een aantal locaties aangegeven die mogelijk verstoord zijn, maar waar nog geen eenduidig beeld geschetst kon worden. Hierdoor kunnen deze terreinen niet zonder meer gevrijwaard worden van archeologisch onderzoek. De verstoringen moeten, indien er sprake is van bodemingrepen, gecontroleerd worden door middel van controlerende boringen en profielputjes, om aan te kunnen geven of het archeologische bodemarchief hier wel of niet verdwenen is.
Restant van een kelder uit de Nieuwe tijd aan de Komweg-Haageijk in Gemert; opgraving door RAAP in 2022 (uit Roggen 2023).
De archeologische verwachtingen- en waardenkaart van 2026 van Gemert-Bakel.
2.2 Nadere beleidsafwegingen archeologie
2.2.1 Plangebied versus bodemverstorende ingreep6
Bij wijzigingen van het omgevingsplan dient steeds het gehele plangebied onderzocht te worden, ongeacht de -vermoedelijke- bodemroering. Dit principe wordt gehanteerd om bij het aantreffen van (behoudenswaardige) archeologische resten planaanpassing door bijvoorbeeld verplaatsen van de bodemverstorende ingrepen mogelijk te maken zonder dat bijkomend onderzoek op de nieuwe verstoringslocatie noodzakelijk is.
Bij concrete plannen (omgevingsvergunningen diverse activiteiten) dient uitgegaan te worden van de omvang van de feitelijke bodemverstoring in het plangebied. Overschrijdt deze de oppervlakte-ondergrens én de diepte-ondergrens niet, dan is er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Worden beide gestelde ondergrenzen overschreden, dan dient het gehele plangebied middels een vooronderonderzoek (doorgaans een bureau- en booronderzoek) onderzocht te worden. In het kader van eventueel vervolgonderzoek (proefsleuvenonderzoek en/of opgraving) dient het onderzoeksgebied afgestemd te worden op het verstoringsgebied (wat kleiner kan zijn dan het plangebied). Bij het berekenen van het verstoringsoppervlak, wordt boven het te bebouwen oppervlak een marge 5-10 % opgeteld om de feitelijke omvang van de bouwput, de aan te leggen kabels en leidingsleuven en dergelijke, qua verstoring mee te rekenen.
Op plangebieden, die qua bodemingreep bij concrete plannen (omgevingsvergunningen diverse activiteiten), beneden de vrijstellingsdrempel voor archeologisch onderzoek vallen, blijft de archeologische verwachtingswaarde onverminderd van kracht. Alleen indien uit (voor)onderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden in het (plan)gebied meer te verwachten zijn, kan de functietoekenning Waarde-Archeologie uit het omgevingsplan verwijderd worden.
2.2.2 Bodemingrepen met een geleidelijk effect
Een aparte categorie vormen de bodemingrepen die een geleidelijk effect hebben op de dieper liggende archeologische resten. Het betreft dan met name bodemingrepen die de afvoer van grond met zich meebrengt die niet opnieuw wordt aangevuld. Hierbij kan gedacht worden aan het afplaggen van heide of het verschralen van bemeste landbouwgronden in het kader van natuurbeheer en -ontwikkeling, (laan)bomenteelt en graszodenteelt. Maar ook activiteiten die kunnen leiden tot een cumulatief aantasten van het archeologische bodemarchief. Hierbij kan gedacht worden aan: diepploegen, aspergeteelt, drainagesystemen aanleggen, enz. Deze ingrepen kunnen leiden tot een ongeziene en ongewenste verstoring van de archeologische resten. Door het afgraven van de bovengrond kunnen archeologische resten, die net onder het nieuwe oppervlak aanwezig zijn, binnen enkele jaren door natuurlijke processen worden vernietigd, omdat de bodem als beschermde deken boven deze archeologisch vindplaatsen is afgegraven.
Bij natuurbouw (terreinen met bosploeg en/of plantgaten omvormen tot bos) geldt dat de mogelijke gevolgen voor de archeologische verwachtingswaarden eerst in beeld moeten worden gebracht t.b.v. afweging van belangen. Dit geldt voor terreinen met archeologische waarden en een hoge tot middelhoge archeologische verwachting, De aanplant mag niet leiden tot onevenredige schade aan het archeologisch bodemarchief.
In dergelijke gevallen is het belangrijk in het kader van een omgevingsvergunning eerst vast te stellen wat het effect van de ingreep (op de langere termijn) kan zijn op de eventueel aanwezige archeologische ondergrond. Dit kan gebeuren door bijvoorbeeld het bestuderen van bewijsvoering om historische verstoringen vast te stellen of het vaststellen van de dikte van de bouwvoor of het beschermende akkerdek en de diepteligging van de archeologisch relevante laag met behulp van verkennende boringen en/of profielputjes. In het kader van de vergunningaanvraag of omgevingsplanwijziging dient dan ook telkens afgewogen te worden of het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek wenselijk dan wel noodzakelijk is. Het primaire doel van het archeologisch onderzoek is om eventuele archeologische waarden in kaart te brengen en te waarderen, pas daarna kan de keuze worden gemaakt om behoudenswaardige archeologische waarden op te graven, dan wel de plannen zodanig aan te passen dat archeologisch erfgoed in situ bewaard blijft.
2.2.3 Plangebied met verschillende archeologische waarden
Indien binnen een plangebied waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd volgens de archeologische beleidskaart verschillende archeologische waarden voorkomen, dan geldt de hoogste aanwezige waarde met bijbehorende vrijstellingsdrempel ter bepaling van de onderzoeksverplichting.
2.2.4 Doorschuiven van de archeologische onderzoeksplicht
Wanneer een omgevingsplan toekomstige ontwikkelingen mogelijk maakt, zal veelal een waarderend archeologisch onderzoek (bijvoorbeeld proefsleuven) plaats moeten vinden om zeker te zijn dat de toewijzing van evenwichtige functies concreet haalbaar en wenselijk is. Dit om financiële lasten voor de gebruiker zoveel mogelijk voorzienbaar en vermijdbaar te maken. Voordat concrete bestemmingen aan een locatie toegewezen kunnen worden zal moeten blijken of deze, ook vanuit archeologisch oogpunt, haalbaar zijn. Hierdoor worden financiële lasten bij werkzaamheden zoveel mogelijk voorzien en vermeden. Ook maakt dit het mogelijk om door middel van een vergunningenstelsel voorwaarden in het plan op te nemen die de bescherming van archeologische waarden kunnen waarborgen, wat soms een verzwaring van de ondergrens in oppervlakte en diepte betekent.
Normaliter vindt het waarderend archeologisch onderzoek plaats voor het vaststellen van (wijziging van) het omgevingsplan. In de praktijk komt het echter vaak voor dat het waarderende proefsleuvenonderzoek pas plaats vindt na vaststelling van het omgevingsplan, bijvoorbeeld omdat het plangebied nog niet toegankelijk is voor een proefsleuvenonderzoek. Het is dan nog onduidelijk of en waar precies archeologische waarden aanwezig zijn, die mogelijk bedreigd worden door de geplande nieuwbouw en of de archeologische oppervlakte- en dieptegrens aanpassing behoeven. Wel is er in het nieuwe omgevingsplan dan al een functietoekenning Waarde-Archeologie met bijbehorende ondergrens opgenomen, die gebaseerd is op algemeen archeologisch bureauonderzoek. Hierdoor is de kans groot dat er voor de aanvraag van de omgevingsvergunning geen archeologisch onderzoek meer kan worden gevraagd, omdat de bouw van een huis meestal niet boven de 250 m2 komt. Als er bij de bouw dan archeologische waarden tevoorschijn komen, is niet de vergunning vrager verantwoordelijk, maar de gemeente. Om hier op een juiste manier mee om te gaan, zal bij het doorschuiven van het waarderend archeologisch onderzoek naar de aanvraag van een omgevingsvergunning, in het vast te stellen nieuwe omgevingsplan een voorwaardelijke verplichting voor archeologisch onderzoek opgenomen worden.7
2.2.5 Toevalsvondsten8
In plangebieden die niet onderzoeksplichtig zijn of waar de initiatiefnemer heeft voldaan aan de onderzoeksverplichting, hetzij van alleen inventariserend onderzoek, hetzij ook van een opgraving of begeleiding, kan de gemeente vergunning verlenen voor de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen. Desondanks kunnen bij graafwerkzaamhe¬den ‘toevalsvondsten’ worden gedaan, zoals crematie- of inhumatiegraven die door hun beperkte omvang en diepteligging meestal niet voorspelbaar zijn. In zo’n geval kan de initiatiefnemer niet gehouden worden aan het veroorzakersprincipe. Op basis van een selectiebesluit van de gemeente mocht het initiatief immers zonder (verdere) archeologische verplichtingen worden gerealiseerd. Dergelijke vondsten dienen op grond van art. 19.8 Omgevingswet bij het college van burgemeester en wethouders gemeld te worden. Het college stelt vervolgens de minister van OCW op de hoogte (in de praktijk de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed). Het niet melden is een strafbaar feit.
Soms kunnen dergelijke vondsten van groot belang zijn. De Omgevingswet regelt in dat geval dat niet alleen de minister van OCW, maar ook de gemeente bevoegd is om bodemverstorende werkzaamheden stil te leggen. Ook komt het voor dat onder druk van de publieke opinie alsnog na overleg tussen betrokkenen een onderzoek ingesteld wordt, ook al kan de gemeente niet meer terugkomen op de verleende vergunning. Bij het stilleggen van werk door de gemeente of het Rijk komen de kosten niet ten laste van de verstoorder, maar ‘in redelijkheid’ van de gemeente dan wel de Minister, waarbij van de gemeente verwacht mag worden, dat de zorgvuldigheid van de besluitvorming evident is. Onder druk van de publieke opinie ontstaat meestal tussen alle betrokkenen een onderhandelingssituatie met hoge tijdsdruk, waarbij kosten voor de gemeente te verwachten zijn.
De gegevens die tijdens de inventarisatie verzameld zijn, geven inzicht in de locatie van archeologische vindplaatsen binnen de gemeente en daarmee inzicht in de geschiedenis van de gemeente Gemert-Bakel vanaf de vroege prehistorie. We moeten ons daarbij realiseren dat de dorpen met hun historische middelpunten (vaak de kerk) in zekere zin pas een recent fenomeen zijn. Pas in de loop van de middeleeuwen kreeg het cultuurlandschap de vorm zoals we die kennen vanaf het begin van de 20e eeuw: een dorp met in het centrum de kerk en/of oude hoeves met bijhorende akkers en daaromheen de restanten van woeste gronden. In de tijd voor de bouw van de kerken en de vorming van de latere dorpen en stad, waren vaak heel andere elementen – vaak onderdelen van het natuurlijke landschap - bepalend voor de inrichting van het cultuurlandschap. Het Gemert-Bakel zoals we dat nu kennen is pas honderd jaar oud en ontstaan uit een samensmelting van dit soort dorpen. Archeologisch onderzoek vormt de belangrijkste bron van informatie over dit vergeten verleden. In dit opzicht vormt de nieuwe archeologische verwachtingen- en waardenkaart dan ook een prachtige investering in de samenleving.
Om te zorgen dat het bodemarchief, wat nog in de ondergrond aanwezig is, behouden blijft, is nog een door vertaling noodzakelijk richting het omgevingsplan. Hiermee wordt geborgd dat er voorafgaand aan nieuwe ontwikkelingen, noodzakelijk archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd met zo nodig het opgraven ofwel éénmalig lezen van het bodemarchief. Ongetwijfeld zal dit de komende jaren nog nieuwe en verassende inzichten gaan geven in de geschiedenis van de gemeente Gemert-Bakel.
Bij het gebruik van een archeologische verwachtingen- en waardenkaart moet men zich bewust zijn van de beperkingen van een dergelijk instrument. De kaart heeft slechts een beperkte houdbaarheidsdatum en is na verloop van tijd gedateerd, omdat nieuwe archeologische onderzoeken leiden tot meer kennis over de bewoningsontwikkeling en de locatiekeuzen die mensen in het verleden maakten. Daarnaast schrijden de methoden en technieken van het onderzoek naar het landschap ook voort, zie bijvoorbeeld de verfijning van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Ook komen er steeds meer historische en archeologische open acces data tot onze beschikking. Een actualisatie van de kaart op basis van nieuwe gegevens en inzichten eens in de vijf jaar is dan ook aan te bevelen.
Bazelmans, J. & M. Wispelwey, 2021: Over gemeenten, archeologie en ruimtelijke ordening. Een onderzoek naar de belangenafweging rond archeologie bij gemeenten (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
Berkvens, R. 2009: Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg gemeente Gemert-Bakel. (SRE Milieudienst), Eindhoven.
Lascaris, M.A., 2019: Archeologie en verstoring door bodembewerkingen. Evaluatie van de effecten van grondbewerking in agrarisch en stedelijk gebied en het onderzoek daarnaar (Rapportage Archeologische Monumentenzorg nr. 257), Amersfoort.
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2016: Jurisprudentie op het gebied van erfgoed en ruimte Uitspraken van de Raad van State in de periode 2003-2016.
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2020: Handreiking begrippenkader cultureel erfgoed onder de Omgevingswet. Hoe gemeenten cultureel erfgoed beter kunnen beschermen, door wettelijke begrippen eenduidig toe te passen (in het omgevingsplan).
VNG, 2023: Handreiking Erfgoedverordening en omgevingsplan.
Water, A. v.d., 2016: Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg, gemeente Gemert-Bakel (Het Archeologie Bureau), Gemert-Bakel.
Bijlage 1 Toelichting actualisatie archeologische verwachtingen- en waardenkaart
Bijlage 1 Toelichting actualisatie archeologische verwachtingen- en waardenkaart
Bijlage 2 Overzicht van archeologische waarden, vindplaatsen en onderzoeken in de gemeente Gemert-Bakel
Bijlage 2 Overzicht van archeologische waarden, vindplaatsen en onderzoeken in de gemeente Gemert-Bakel
Bijlage 3 Handleiding archeologische beleidskaart gemeente Gemert-Bakel
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning waarbij de bodem geroerd gaat worden, zal bekeken worden óf er archeologisch onderzoek noodzakelijk is, en zo ja, welke maatregelen noodzakelijk zijn om verantwoord met de archeologische resten om te gaan. Op basis van de archeologische beleidskaart worden aan de verschillende categorieën verwachte of vastgestelde archeologische waarden passende beschermingsmaatregelen gekoppeld. Hoe hoger de archeologische verwachting, des te groter is de kans dat deze bij bodemingrepen aangetroffen worden. In gebieden met een lage verwachting bestaat er alleen bij grootschalige ingrepen een gerede kans op het aantreffen en verstoren van archeologische resten. De oppervlaktecriteria voor de plangrenzen zijn dan ook gebaseerd op de archeologische trefkans. Hoe kleiner deze is, hoe groter een onderzoeksgebied moet zijn om een redelijke kans te creëren archeologische relicten aan te treffen. Voor de verschillende gebiedscategorieën gelden verschillende randvoorwaarden die aangeven in welk geval een archeologisch onderzoek noodzakelijk is voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning en in welk geval er geen archeologisch onderzoek nodig is.
Op de archeologische beleidskaart worden onderstaande acht gebiedscategorieën onderscheiden. De bescherming van deze categorieën wordt geregeld met behulp van maatwerkregels in het omgevingsplan (omgevingswaarden). Met onderstaand schema kan aan de hand van de archeologische beleidskaart worden bepaald wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is:
De ondergrens van het projectgebied betreft bij een wijziging van het omgevingsplan en bij een omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan het totale gebied waar een (nieuwe) functie wordt toebedeeld. Omdat het Verdrag van Malta van het principe bescherming in situ uitgaat is het zaak voor die delen die - vooralsnog - niet verstoord worden een beschermingsregime op te leggen. Bij een bouw-, sloop- of aanlegactiviteiten t.b.v. een omgevingsvergunning wordt voor de ondergrens uitgegaan van het oppervlak binnen het projectgebied dat daadwerkelijk verstoord gaat worden. Als voor een projectgebied twee of meer categorieën gelden, dan geldt de hoogste verwachting/waarde voor het gehele terrein.
Hieronder worden de voorschriften toegelicht, die gelden voor de verschillende categorieën archeologisch waardevolle en archeologische verwachtingsgebieden zoals deze zijn aangegeven op de archeologische beleidskaart:
Categorie 1: Archeologisch monument. Archeologische resten die vanuit nationaal of gemeentelijk oogpunt behouden dienen te blijven en daarom als monument beschermd zijn ingevolge de Erfgoedwet 2015 (voor Rijksmonumenten) of via een functietoedeling in het gemeentelijke omgevingsplan. De wettelijke bescherming verbiedt hier de meeste bodemverstorende activiteiten, tenzij de Minister van OC&W of het College van B&W van de gemeente hiervoor vooraf vergunning verleent.
Categorie 2: Gebied van zeer hoge archeologische waarde. In deze gebieden is bij eerdere onderzoeken reeds aangetoond dat er concentraties archeologische resten voorkomen die als behoudenswaardig gekarakteriseerd kunnen worden. In deze gebieden is dus sprake van vastgestelde archeologische waarden. De archeologische resten op deze terreinen zijn geconcentreerd in deze gebieden aanwezig waardoor kleine bodemingrepen reeds grote gevolgen kunnen hebben (denk aan middeleeuwse begraafplaatsen). Bodemingrepen zijn in principe niet toegestaan. Vanwege de aanwezige archeologische waarden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 10 m² en dieper gaan dan 0,4 m -mv.
Categorie 3: Gebied van (hoge) archeologische waarde. In deze gebieden is bij eerdere onderzoeken reeds aangetoond dat er concentraties archeologische resten voorkomen die als behoudenswaardig gekarakteriseerd kunnen worden. In deze gebieden is dus sprake van vastgestelde archeologische waarden. De archeologische resten op deze terreinen zijn echter minder geconcentreerd dan bij de vorige categorie en bovendien is vaak niet exact bekend waar de resten zich bevinden. Bodemingrepen zijn in principe niet toegestaan. Vanwege de aanwezige archeologische waarden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 100 m² én dieper gaan dan 0,4 m -mv.
Categorie 4: Gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern. Het gaat hier om de oude en de vermoedelijk nog oudere verschoven woonkernen en gehuchten, waar op basis van historische bronnen, oude kaarten en nog aanwezige bebouwing een hoge archeologische verwachting geldt. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een vergunning vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 250 m² én dieper gaan dan 0,4 m –mv.
Categorie 5a en b: Gebied met een hoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² én dieper gaan dan 0,4 m -mv.
Categorie 6a en b: Gebied met een middelhoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw, en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een middelhoge archeologische verwachting. Deze zones en gebieden waren net als de gebieden met een hoge verwachting in principe geschikt voor bewoning. De kans op het aantreffen van vondsten is hier echter kleiner, doordat de dichtheid aan vindplaatsen beduidend lager is dan in de gebieden met een hoge verwachting. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 2500 m² én dieper gaan dan 0,4 m.
Categorie 7: Gebied met een lage archeologische verwachting. Het gaat hierbij om gebieden waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op behoudenswaardige archeologische relicten uiterst klein wordt geacht. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 100.000 m² en dieper gaan dan 0,4 m onder maaiveld.
Categorie 8: Gebied zonder archeologische verwachting. Het gaat hierbij om gebieden waar het bodemprofiel als gevolg van archeologisch onderzoek, aangetoonde ontgrondingen, recente bebouwing en funderingen zodanig verstoord is, dat eventuele archeologische resten als verloren beschouwd mogen worden, of in ieder geval zodanig zijn aangetast dat zij niet meer voor onderzoek of bescherming in aanmerking komen. Op deze terreinen rusten geen beperkingen ten aanzien van archeologie.
Het archeologische stappenplan
Het proces dat binnen de gemeente moet leiden tot de vraag of er een omgevingsvergunning binnen een aangewezen archeologische zone kan worden verleend, is onder te verdelen in een aantal stappen, het zgn. archeologische stappenplan.
In onderstaand schema wordt aangeven welke stappen doorlopen worden indien bij werkzaamheden archeologisch onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Met kleuren is aangegeven welke partij bij die stap de bepalende factor is. Het uitvoeren van het onderzoek vindt plaats door een erkend archeologisch bureau en wordt bekostigd door de initiatiefnemer van de bodemverstorende werkzaamheden. In de wet wordt deze aangeduid als verstoorder. Iedere stap eindigt met de afweging of er voldoende informatie is om een verantwoorde beslissing over eventuele vervolgacties te kunnen nemen. Als er niet voldoende bekend is over de aard en kwaliteit van de archeologische resten (en dus over de gevolgen van de geplande ingreep) kan de gemeente verlangen dat de initiatiefnemer nader onderzoek laat verrichten waarmee de benodigde informatie wordt verzameld over de aard en kwaliteit van de aanwezige archeologische resten. Op basis van het onderzoeksrapport neemt de gemeente een besluit over het al dan niet verlenen van een vergunning en of daaraan nadere voorwaarden worden verbonden (zoals het verrichten van verder onderzoek, aanpassing van het plan, of een eventuele opgraving).
Het Rijk gaat voornamelijk over beschermde archeologische rijksmonumenten, de provincies hebben een taak als eigenaar van de vondsten (provinciale archeologische depots) en als bevoegd gezag bij provinciale vergunningen, met name ontgrondingsvergunningen. Het interbestuurlijk toezicht (IBT) is ook hier van toepassing en lijkt een grotere rol te gaan spelen: beleidsreactie ‘Archeologie bij de tijd’, brief van de Minister van OC&W aan de Tweede Kamer van 8-11-2022.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-311171.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.