Gemeenteblad van Oss
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Oss | Gemeenteblad 2026, 310802 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Oss | Gemeenteblad 2026, 310802 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening maatschappelijke ondersteuning Oss 2026
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 mei 2026, nr. 1056;
gelet op artikel 2.1.1, 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met vierde lid, en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 3.8, eerste lid en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;
gezien het advies van de Adviescommissie Sociaal Bestuurlijk;
gelet op de doelstellingen zoals verwoord in de door de raad vastgestelde beleidskaders:
inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn, onvoldoende in staat zijn tot participatie, of niet in staat zijn zich zelfstandig te handhaven in de samenleving in verband met een beperking, chronisch psychische of psychosociale problemen, een beroep moeten kunnen doen op maatschappelijke ondersteuning, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;
besluit de volgende verordening vast te stellen:
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
In deze verordening staan de regels van de gemeente Oss die door de gemeenteraad zijn vastgesteld voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015).
In deze verordening en de daarop gebaseerde regelgeving wordt verstaan onder:
algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet specifiek is bedoeld voor mensen met een beperking en daadwerkelijk beschikbaar is en een passende bijdrage levert aan het zorgen voor een situatie waarin de inwoner zelfredzaam kan zijn of kan participeren en met een minimuminkomen financieel gedragen kan worden;
pgb-gesprek: in het geval de inwoner een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb voor diensten wenst te ontvangen, vindt in de onderzoeksfase (en ook bij heronderzoek) een pgb-gesprek plaats tussen de inwoner, diens eventuele pgb-vertegenwoordiger en een consulent. In dit gesprek wordt het pgb-plan besproken en de pgb-vaardigheid getoetst.
pgb-plan: een plan waarmee de inwoner een persoonsgebonden budget aanvraagt om zelf ondersteuning in te kopen. In dit plan maakt de inwoner aan het college inzichtelijk welke ondersteuning hij wil inkopen voor het beschikbare budget, het te besteden bedrag per hulpverlener, de gewenste resultaten van deze hulpverlening en indien van toepassing wie de inwoner vertegenwoordigt voor welke taken;
HOOFDSTUK 2 TOEGANG TOT MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING
Het college kan ervoor kiezen om, voor afhandeling van een melding en/of een aanvraag, door een externe deskundige advies te laten uitbrengen. Het deskundigenadvies wordt door het college betrokken bij de beoordeling van de melding en/of de aanvraag.
Artikel 2.7 Inhoud van de beschikking
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE VOORZIENINGEN
Artikel 3.5 Kortdurende noodopvang, inloopvoorziening en winteropvang
Het college draagt binnen het kader van de opvang voor dak- en thuislozen zonder verblijfsalternatief zorg voor de mogelijkheid van kortdurend verblijf, in elk geval met een bed, bad, brood voorziening waar men terecht kan van vijf uur 's-avonds tot tien uur de volgende ochtend. Overdag kan men gebruik maken van de inloopvoorziening.
Kortdurende dak- en thuislozenopvang is beschikbaar voor personen die feitelijk dak- of thuisloos zijn en niet in staat zijn zich op eigen kracht, met gebruikelijk hulp, met mantelzorg of met behulp van andere personen in het sociale netwerk, te handhaven in de samenleving. Ze zijn beperkt zelfredzaam op meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden.
HOOFDSTUK 4 MAATWERKVOORZIENINGEN
Artikel 4.2 Algemene voorwaarden voor een maatwerkvoorziening
Voor alle maatwerkvoorzieningen geldt dat het college een maatwerkvoorziening verstrekt als de inwoner als gevolg van een beperking of psychische of psychosociale problemen niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid en/of participatie en dit niet op te lossen is door gebruik te maken van:
Artikel 4.3 Hulp bij huishouden
In aanvulling op artikel 4.2 kan het college een maatwerkvoorziening hulp bij huishouden verstrekken als de inwoner als gevolg van aantoonbare lichamelijke beperkingen of chronische psychische of psychosociale problemen, niet in staat is zelfstandig een gestructureerd huishouden te voeren en de algemene voorziening hulp bij huishouden onvoldoende oplossing biedt.
Artikel 4.6 Woningaanpassing bij verblijf in een instelling
Het college kan aan een inwoner die in een Wet langdurige zorg (Wlz)-instelling in de gemeente Oss verblijft een hulpmiddel en/of een woningaanpassing voor het bezoekbaar maken van één woonruimte verstrekken, onder voorwaarde dat deze woonruimte regelmatig wordt bezocht en dat het bezoekbaar maken noodzakelijk is om in aanvaardbare mate te participeren, d.w.z. medemensen te ontmoeten en sociale verbanden aan te gaan.
Artikel 4.10 Gespecialiseerde dagbesteding
In aanvulling op artikel 4.2 kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van gespecialiseerde dagbesteding bieden aan inwoners met een sterk verminderde zelfregie als gevolg van psychiatrische, psychogeriatrische, verstandelijke of lichamelijke beperkingen en die hierdoor problemen ervaren op het gebied van een zinvolle invulling van de dag, het hebben van sociale contacten en/of maatschappelijke deelname én waarbij de dagbestedingsactiviteiten in de wijk niet voldoende oplossing bieden.
Het bevorderen van zelfregie en het vergroten van de kwaliteit van leven staan centraal. Inwoners leren vaardigheden en gedrag aan die essentieel zijn voor duurzaam herstel. De intensieve ondersteuning is gericht op het bieden van integrale ondersteuning op verschillende levensgebieden om te leren abstinent te blijven en zo zelfstandig mogelijk te wonen afgestemd op het individu.
Verblijf in een safehouse is een bijzondere vorm van beschermd wonen. Het betreft een tijdelijke plaatsing en de regels van ‘landelijke toegankelijkheid beschermd wonen’ zijn niet van toepassing. Bij aanvang van de plaatsing dient de inwoner te beschikken over een uitstroomadres. Een safehouse wordt niet ingezet om een woonprobleem op te lossen en na afloop of bij voortijdige beëindiging van de safehouseplaatsing heeft de inwoner geen recht op beschermd wonen.
Beschermd wonen biedt wonen in een beschermde leefomgeving met daarbij behorend toezicht en ondersteuning. Deze ondersteuning is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing en maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de burger of anderen.
Artikel 4.14 Maatschappelijke opvang
Maatschappelijke opvang biedt tijdelijk opvang en/of ondersteuning (met inbegrip van screening en advisering) aan volwassenen en gezinnen die, door meerdere problemen, al dan niet gedwongen, de thuissituatie hebben of dreigen te verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en waarvoor geen andere oplossing mogelijk of beschikbaar is.
De maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang met 24-uurs ondersteuning wordt in beginsel verstrekt voor 3 maanden. Dak- en thuisloze personen verblijven zo kort mogelijk op de maatschappelijke opvang. In overleg met de regionale toegang kan een verlenging van maximaal 3 maanden aan de orde zijn. Daarbij wordt uitgegaan van zo kort als mogelijk, zo lang als noodzakelijk.
Artikel 4.17 Redenen om een maatwerkvoorziening te weigeren
Het college weigert een maatwerkvoorziening als:
HOOFDSTUK 5 PERSOONSGEBONDEN BUDGET (PGB)
Artikel 5.1 Algemene voorwaarden voor een pgb
Als de inwoner een maatwerkvoorziening voor diensten in de vorm van een pgb wil ontvangen, stelt de inwoner een pgb-plan op en verstrekt hij dat plan tijdens het onderzoek aan het college. Hiervoor maakt de inwoner gebruik van een door het college verstrekt formulier. Dit pgb-plan wordt besproken tijdens een apart pgb-gesprek.
Artikel 5.3 Redenen om een pgb te weigeren
In de volgende situaties verstrekt het college geen pgb:
Artikel 5.4 Formele en informele hulp
Van formele hulp is sprake als de hulp wordt verleend door onderstaande personen:
Personen werkzaam bij een professionele instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 8.5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over relevante diploma’s die nodig zijn voor de uitoefening van de betreffende taken.
Personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 8.5 Handelsregisterwet 2007), en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
Artikel 5.5 De hoogte van het pgb
De hoogte van het pgb voor diensten:
verleend door een informele hulp als bedoeld in artikel 5.4 lid 3, bedraagt 50 procent van het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, tenzij op basis van het pgb-plan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. De hoogte van het pgb voor informele hulp bedraagt minimaal de hoogte van het minimumloon (inclusief vakantiegeld).
HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE VOOR HET GEBRUIK VAN VOORZIENINGEN
Artikel 6.3 Compensatie gebruikskosten
De aanbieder van een algemene- of een maatwerkvoorziening kan aan de inwoner een compensatie vragen voor de kosten die de aanbieder maakt voor diensten of producten die aanvullend op de voorziening worden aangeboden en waarvan de inwoner gebruik maakt. Het gaat hierbij in elk geval om kosten voor het gebruik van consumpties en maaltijden.
HOOFDSTUK 7 BEËINDIGING, HERZIENING, INTREKKING, OPSCHORTING EN TERUGVORDERING
Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een toegekende aanspraak op een maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk beëindigen als uit onderzoek blijkt dat:
Artikel 7.3 Opschorting betaling uit het pgb
Het college kan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een inwoner een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d, of e, van de wet.
HOOFDSTUK 9 KWALITEIT VAN DE ONDERSTEUNING
Artikel 9.2 Inkoop en aanbesteding
HOOFDSTUK 10 MANTELZORGONDERSTEUNING
Artikel 10.1 Mantelzorgondersteuning
Het college zorgt voor toegankelijke, laagdrempelige en vindbare ondersteuning voor mantelzorgers. De ondersteuning sluit aan bij de situatie en behoeften van de mantelzorger, zodat deze de zorg kan combineren met het dagelijks leven.
Artikel 11.1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid
Het college stelt inwoners, waaronder in ieder geval inwoners en of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid voor maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen voor maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
Het college kan jaarlijks in het kader van deze verordening en door het college vastgestelde bedragen verhogen of verlagen.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 25 juni 2026.
De gemeenteraad voornoemd,
Mede namens de voorzitter,
De griffier,
Drs. P.H.A. van den Akker
Opdracht Wmo 2015 aan het gemeentebestuur
De Wmo 2015 (hierna: wet) draagt het gemeentebestuur in artikel 2.1.1 op zorg te dragen voor maatschappelijke ondersteuning en de veiligheid, kwaliteit en continuïteit van voorzieningen. Het gemeentebestuur is ingevolge de wet verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen: die ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven.
Om die opdracht tot uitvoering te kunnen brengen verplicht de wet aan de gemeenteraad om over een aantal onderwerpen bij verordening regels te stellen. De Verordening maatschappelijke ondersteuning Oss 2026 bevat deze regels.
De nu voorliggende verordening is een integrale herziening van de vorige versie en sluit aan op het actuele beleid van de gemeente op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en op de actuele jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.
Niet iedere bepaling in de verordening behoeft toelichting; alleen waar nodig is een toelichting opgenomen.
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Als een inwoner een maatwerkvoorziening voor een dienst wenst in de vorm van een pgb, worden er twee gesprekken gevoerd. Het eerste gesprek is gericht op de invulling van de ondersteuningsvraag. Het tweede gesprek is gericht op de pgb-vaardigheid. De ervaringen uit eerdere jaren leert dat gesprek over de inhoud van de voorziening én over de pgb-vaardigheid en de vraag of wordt voldaan aan de criteria van de wet en de hieruit voortvloeiende lokale criteria bijdragen aan een zorgvuldige verstrekking van het pgb.
De wetgever heeft in artikel 2.3.6, tweede lid onder a van de wet aan het college de opdracht meegegeven te controleren of een inwoner, dan wel met hulp uit zijn sociaal netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is zijn eigen belangen goed te behartigen door de inzet van een pgb. Deze ‘pgb-vaardigheid’ wordt getoetst in het pgb-gesprek, aan de hand van het door de inwoner opgestelde pgb-plan.
Tot het sociaal netwerk worden de personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt (zoals buren, familie, vrienden, medeleden van een vereniging, etc.). Daaronder valt ook de mantelzorger. De vraag of er personen in het sociaal netwerk zijn aan wie iemand hulp zou kunnen en mogen vragen, komt aan de orde bij het onderzoek dat volgt nadat een ondersteuningsvraag is gemeld.
Een zelfstandige woning is een woning met eigen toegang en eigen keuken en toilet. Is er geen sprake van een eigen toegang of wordt de keuken of het toilet gedeeld met de bewoners van andere woningen of kamers, dan is het een onzelfstandige woning.
Voorbeelden van zelfstandige woningen zijn: eengezinswoningen (vrijstaande woningen, hoekwoningen, tussenwoningen), appartementen, portiekwoningen, maisonnettes en galerijflats.
Artikel 1.2 Reikwijdte van de maatschappelijke ondersteuning
Het streven is om de inwoner op het niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn situatie past. Daarbij zijn van belang de situatie van de inwoner voordat er beperkingen waren, evenals de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen hebben.
Aanvaardbaar wil aan de andere kant zeggen, dat de inwoner zich er soms bij neer moeten leggen dat er belemmeringen blijven. De ondersteuning beperkt zich in die zin tot wat noodzakelijk is in het licht van zelfredzaamheid en participatie. De ondersteuning gaat niet zover dat het college rekening moet houden met alle wensen van de inwoner wat betreft persoonlijke voorkeuren, smaak, gewoontes en comfort. Het betekent bijvoorbeeld ook niet per definitie dat de inwoner alle hobby's moet kunnen uitoefenen die hij voorheen uitoefende.
HOOFDSTUK 2 TOEGANG TOT MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING
Artikel 2.1 Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning
Het eerste contact van de inwoner met de gemeente kan op verschillende manieren plaatsvinden: persoonlijk, telefonisch, schriftelijk of digitaal. Naar aanleiding van dit eerste contact wordt beoordeeld of kan worden volstaan met informatie en advies of dat een onderzoek nodig is. Als dit laatste het geval is, komt het begrip “melding” in beeld. Is er naar het oordeel van het college sprake van een melding, dan wordt deze geregistreerd. Zoals bij wet is voorgeschreven, bevestigt het college de ontvangst van de melding aan de inwoner. Na de melding of gelijktijdig met de melding start het college het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet.
Van belang is dat inwoners worden gewezen op hun recht een persoonlijk plan in te dienen. Hierin kunnen inwoners aangeven wat zij zelf kunnen en welke hulp ze daarbij nodig hebben.
Bij het gebiedsteam kunnen ook meldingen worden gedaan. Ook kan hier namens het college het onderzoek worden gedaan en kan er worden beschikt.
Artikel 2.2 Cliëntondersteuning
Cliëntondersteuning is domein overstijgend en heeft daarom niet alleen betrekking op de Wmo. Het is van belang dat de cliëntondersteuner daadwerkelijk het belang van de inwoner dient en dat de inwoner het gevoel heeft dat deze persoon naast hem staat en in de positie is om diens belang te dienen. De cliëntondersteuning is kosteloos voor de inwoner die daar een beroep op doet. Het gaat hierbij om ondersteuning van de inwoner met informatie en advies om de inwoner zo nodig in staat te stellen tot het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning (preventieve zorg, zorg, jeugd, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen). Cliëntondersteuning op zichzelf kan al een belangrijke bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van mensen. Het kan voorkomen dat de inzet van een cliëntondersteuner door de gemeente (in de vorm van kortdurende ondersteuning) al toereikend blijkt te zijn om iemand regie te laten verkrijgen over zijn eigen situatie, waarmee maatwerkvoorzieningen niet meer nodig zijn. Van belang is dat de inwoner wordt ondersteund door een persoon die voldoet aan de beroepseisen.
Na de melding wordt een afspraak gemaakt voor een gesprek. Afhankelijk van de aard van de melding kan het nodig zijn dat het college eerst de haar bekende relevante gegevens verzamelt voor een goede voorbereiding op het gesprek. De inwoner of de vertegenwoordiger zorgt dat deze alle relevante gegevens en bescheiden aanlevert bij het college (zoals ook gewaarborgd in artikel 2.3.2, zevende lid en artikel 2.3.8 van de wet), en eventueel het persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de wet.
In het onderzoek wordt in samenspraak met de inwoner bekeken welk resultaat hij wil bereiken met het oog op zijn zelfredzaamheid en participatie en welke oplossingen daarvoor mogelijk zouden kunnen zijn. Daarbij staat wat de inwoner, zijn sociale netwerk en aanvullende ondersteuning kan opleveren. In het geval er een mantelzorger is, wordt deze ook uitgenodigd voor het gesprek. Het is namelijk van belang te weten of de mantelzorger ondersteuning behoeft in verband met het verlenen van mantelzorg aan een inwoner van Oss. Daarnaast kunnen personen uit het sociaal netwerk bij het gesprek worden betrokken: mogelijk kunnen zij bijdragen aan de nodige ondersteuning.
Het opvragen van deskundigenadvies en het in kaart brengen van het netwerk kunnen ook behoren tot het onderzoek.
Stappenplan Centrale Raad van Beroep voor het Wmo-onderzoek
Om te kunnen beoordelen of een Wmo-maatwerkvoorziening nodig is, heeft de Centrale Raad van Beroep een stappenplan gemaakt (ECLI:NL:CRVB:2018:819). Daaruit blijkt dat het college voldoende kennis moet verkrijgen over de voor het nemen van een besluit van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Deze verplichting volgt uit art. 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de wet. Een zorgvuldig onderzoek vereist het doorlopen van de volgende stappen:
Stap 1 – Inventariseer de hulpvraag.
Uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de wet vloeit voort dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het te nemen besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit betekent dat het college na de melding allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is.
Stap 2 – Breng de onderliggende problematiek voldoende concreet in kaart.
Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving.
Stap 3 – Stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast.
Als de problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving.
Stap 4 – Kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en de eigen mogelijkheden zijn.
Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de wet in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 van de wet vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociaal netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden.
Stap 5 – Stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost.
Slechts voor zover die eigen mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen.
Pas als het stappenplan doorlopen is en de problemen van de inwoner in kaart zijn gebracht kan het college bepalen welke ondersteuning nodig is. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen.
Voor iedere stap geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Als er bijzondere deskundigheid nodig is, dan moet het college die inhuren (ECLI:NL:CRVB:2017:1477).
De Centrale Raad gebruikt het stappenplan inmiddels als leidend. Het stappenplan moet ook worden gevolgd bij een herindicatie (CRvB:2021:11793) en bij de vraag of een algemene voorziening passend is (stap 4) (CRvB:2022:1430).
De inwoner is verplicht (op grond van artikel 2.3.8 van de wet) de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor uitvoering van de wet.
Tijdelijk maatwerk na de melding, gedurende het onderzoek (artikel 2.3.3 van de wet)
De hoofdregel is dat het college na de melding eerst het onderzoek uitvoert zoals hiervoor beschreven (conform artikel 2.3.2 van de wet). Een uitzondering geldt voor spoedeisende situaties, zoals bepaald in artikel 2.3.3 van de wet. Het college verstrekt in voorkomende gevallen direct na een melding een tijdelijke maatwerkvoorziening, in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek.
Tijdelijk maatwerk is ook van belang voor situaties waar zorgmijding kan optreden als de noodzakelijke processen van onderzoek en de afhandeling van de aanvraag te lang duren voor een individuele situatie. Het college weegt dit zorgvuldig af in situaties waar zorgmijding aan de orde kan zijn. Er kan mogelijk sprake zijn van spoedinzet in de volgende gevallen. Bij ontslag uit het ziekenhuis na een ongeplande ingreep, zorg voor kleine kinderen, (acute) overbelasting van de mantelzorger en terminale situaties.
Er wordt ook ingezet op heldere informatie aan laaggeletterden en anderstaligen. Bij de schriftelijke communicatie naar inwoners wordt rekening gehouden met het taalniveau zodat het voor inwoners begrijpelijk is hoe de procedure er uit ziet en wat de rechten en plichten van inwoners zijn (communicatie op B1-niveau). Daarnaast wordt vaak het advies gegeven om een vertegenwoordiger of een cliëntondersteuner in te schakelen, die ook bij de overbrugging van taalbarricades de inwoner kan helpen bij zijn ondersteuningsvraag. Ook heeft de consulent de mogelijkheid een (telefonische) tolk in te schakelen, als dit noodzakelijk is om de informatie goed over te kunnen brengen.
Na het onderzoek wordt een verslag opgesteld. Daarin staan de in samenspraak met de inwoner, en indien aanwezig de mantelzorger en andere personen uit het sociaal netwerk, tot stand gekomen oplossingen. De oplossingen hebben in ieder geval betrekking op de onderwerpen van artikel 2.3.2 vierde lid van de wet.
Het spreekt voor zich dat het persoonlijk plan (indien aanwezig) en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger onderdeel uitmaken van het verslag. Daarbij wordt gekeken naar de behoeften, mogelijkheden en belastbaarheid van de mantelzorger en het sociaal netwerk.
Het verslag vormt de belangrijkste basis voor de uiteindelijke beslissing op de aanvraag.
De inwoner krijgt het verslag toegestuurd en kan opmerkingen of aanvullingen meegeven.
Artikel 2.5 Aanvraag maatwerkvoorziening
Artikel 2.3.5 tweede lid van de wet bepaalt dat het college binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag moet beslissen. Het kan echter voorkomen dat in incidentele situaties het college in verband met de zorgvuldige voorbereiding van het besluit meer tijd nodig heeft. Omdat bijvoorbeeld een deskundigenadvies nodig is, eventueel in aanvulling op een eerder deskundigenadvies. De Awb biedt het college mogelijkheden voor een ruimere termijn. Zo kan het college op grond van artikel 4:14 van de Awb de beslistermijn verlengen. Hiervan wordt gemotiveerd mededeling gedaan aan de inwoner, waarbij een zo kort mogelijke termijn wordt genoemd waarbinnen het college zal besluiten.
Op grond van artikel 4:15 van de Awb kan het college de beslistermijn opschorten, als de genoemde situaties aan de orde zijn. De beslistermijn staat dan als het ware tijdelijk stil, waardoor het college deze beslistermijn niet kan overschrijden.
Van belang is dat de inwoner in duidelijke bewoordingen op de hoogte wordt gesteld van het gebruik van deze bevoegdheden, en wat er van de inwoner wordt verwacht.
Wanneer het onderzoeksverslag is opgesteld en toegestuurd aan de inwoner, kan de inwoner een aanvraag indienen. Dit kan bijvoorbeeld door het onderzoeksverslag te ondertekenen.
In dringende gevallen en bij zorg mijdend gedrag kan het college ambtshalve een maatwerkvoorziening verstrekken. Het gaat dan om situaties waarbij noodzaak is gebleken tot (tijdelijke) ondersteuning en de inwoner en/of een vertegenwoordiger niet in staat is om een melding of aanvraag voor tijdelijk maatwerk in te dienen. Bemoeizorg is een mogelijkheid, er kan geen sprake zijn van dwang.
Ambtshalve een besluit nemen, kan ook aan de orde zijn als iemand is overleden of is verhuisd naar een andere gemeente.
De wet vereist een zorgvuldig onderzoek. Daarom zal het college soms advies moeten vragen omdat het zelf niet ter zake (medisch) deskundig is.
Uit de algemene medewerkingsplicht van artikel 2.3.8, derde lid van de wet vloeit voort dat de inwoner medewerking dient te verlenen aan een oproep van een (medisch) adviseur of het – via een machtiging – toestemming verlenen om medische informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist.
Het kan onduidelijk zijn of huisgenoten daadwerkelijk in staat zijn om de gebruikelijke hulp te leveren. Ook onderzoek naar de belastbaarheid van de huisgenoot wordt met deze bepaling mogelijk gemaakt.
Artikel 2.7 Inhoud van de beschikking
Een beschikking is een aan een inwoner gericht officieel en schriftelijk besluit en heeft bepaalde rechtsgevolgen. De inhoud van de beschikking moet voldoende duidelijkheid zijn en zekerheid voor de inwoner bevatten.
In dit artikel wordt beschreven wat een beschikking in ieder geval moet vermelden.
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE VOORZIENINGEN
Artikel 3.1 Bepalingen rondom de algemene voorzieningen
Naast het streven naar een inclusieve samenleving zijn er ook andere motieven om te investeren in algemene voorzieningen. Uit ervaringen blijkt dat het in veel gevallen voor de inwoners beter en prettiger is om gebruik te maken van algemene voorzieningen dan van een maatwerkvoorziening. De inzet van algemene voorzieningen laat zich veelal doelmatiger organiseren dan het verstrekken van een maatwerkvoorziening. De wetgever heeft de gemeenteraad de opdracht gegeven af te wegen op welke wijze algemene voorzieningen vorm krijgen en voor wie deze geschikt zijn aan de ene kant en welke maatwerkvoorzieningen aan de andere kant moeten worden getroffen voor de inwoners voor wie een algemene voorziening niet toereikend is. Bij deze afweging is van belang dat inwoners die nog gebruik kunnen maken van algemene voorzieningen, zich vaak minder afhankelijk zullen voelen en mogelijk meer regie over het eigen leven ervaren, dan als ze zijn aangewezen op een maatwerkvoorziening. Daar komt bij dat de kosten en administratieve lasten van algemene voorzieningen veelal lager zijn.
Als in de gemeente een passende algemene voorziening beschikbaar is, is deze voorliggend ten opzichte van een individuele maatwerkvoorziening.
Kenmerken van een algemene voorziening zijn:
Artikel 3.2 Welke ondersteuning is beschikbaar als algemene voorziening?
Activiteiten en ontmoeten in de wijk, informatie, advies en ondersteuning vanuit sociale gebiedsteams, cliëntondersteuning, daklozenopvang, huishoudelijke hulp en diverse vormen van preventieve hulp zijn als algemene voorziening beschikbaar in Oss. Ook zelfhulpgroepen, bijvoorbeeld rondom verslaving, en vormen van lotgenotencontact zijn vrij toegankelijke algemene voorzieningen.
Voor zover het welzijnswerk betreft worden deze voorzieningen geboden vanuit een samenwerkingsverband waar ook de sociale gebiedsteams onderdeel van zijn. Zo worden op wijkniveau laagdrempelig integrale voorzieningen geboden zonder dat daarvoor een beschikking noodzakelijk is.
Huishoudelijke hulp is als algemene voorziening en als maatwerkvoorziening beschikbaar. Beide voorzieningen worden geleverd door de zorgaanbieders die hiervoor zijn gecontracteerd. Een groot deel van de inwoners zal voldoende ondersteuning ontvangen vanuit de algemene voorziening. Waar meer ondersteuning nodig is kan de inwoner een aanvraag indienen voor een maatwerkvoorziening.
Omdat een algemene voorziening ook voor een bepaalde doelgroep bestemd kan zijn, is een eenvoudige toegangstoets wel mogelijk. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de algemene voorzieningen Hulp bij Huishouden, Time-outvoorziening en kortdurende noodopvang voor dak- en thuislozen. Het college is bevoegd nader uit te werken welke algemene voorziening voor welke doelgroep beschikbaar is.
HOOFDSTUK 4 MAATWERKVOORZIENINGEN
Artikel 4.2 Algemene voorwaarden voor een maatwerkvoorziening
De maatwerkvoorziening moet de inwoner langdurig in staat stellen tot voldoende zelfredzaamheid en participatie. Langdurig betekent dat de inwoner de voorziening voor langere tijd nodig moet hebben. Een inwoner met tijdelijke beperkingen komt niet voor een voorziening in aanmerking. Voor tijdelijke hulpmiddelen kan de inwoner een beroep doen op de Zorgverzekeringswet. Het begrip ‘zelfredzaamheid’ bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Bij ‘participatie’ gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer. Dit wil zeggen dat iemand ondanks zijn lichamelijke, verstandelijke of geestelijke beperkingen, in voldoende mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen.
Het is aan het college, waar mogelijk rekening houdend met de redelijke wensen van de inwoner, om te besluiten op welke wijze het de inwoner ondersteunt en met welk pakket van de op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de persoon afgestemde diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen, een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie wordt geleverd. Jurisprudentie geeft aan dat het college niet alle wensen van een inwoner hoeft in te willigen. Het resultaat moet zijn dat een inwoner in aanvaardbare mate kan deelnemen aan de maatschappij.
Zoals de wetgever meegeeft geldt dat door het college in het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte, wordt vastgesteld dat niet op een andere manier is te voorzien in de behoefte van de inwoner aan maatschappelijke ondersteuning. Hieronder wordt beschreven welke andere manieren ter ondersteuning dienen te worden onderzocht door het college.
De (versterking van de) eigen kracht
Onder eigen kracht wordt verstaan: dat wat binnen het vermogen van de inwoner ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. De betrokkene zal zich in hoge mate moeten inspannen om datgene aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om in zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken.
Gebruikelijke hulp is volgens de definitie in artikel 1.1.1 van de wet hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Er kan bijvoorbeeld een probleem ontstaan bij het voeren van een huishouden doordat de inwoner die gewend is voor het huishouden te zorgen dit, al dan niet tijdelijk, niet meer kan doen. Het is gebruikelijk dat deze taken worden overgenomen door huisgenoten. Dit wordt gebruikelijke hulp genoemd.
Wat wordt verstaan onder gebruikelijke hulp is uitgewerkt in beleidsregels.
Mantelzorg of de inzet van het eigen netwerk of vrijwilligers
Inwoners vinden het vaak moeilijk om een ander te vragen iets voor hen te doen. Terwijl mensen uit het sociaal netwerk vaak best bereid zijn iets voor de inwoner te betekenen, maar niet weten hoe ze dat moeten aankaarten. Dit kan onderwerp zijn van het gesprek. Het college kan ondersteunen bij het betrekken van personen uit de sociale omgeving.
Een oplossing die voor de inwoner als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd
Aan de geschiedenis van de totstandkoming van de wet (kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 3, p. 148) kan worden ontleend dat het college niet gehouden is tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening wanneer aan de ondersteuningsbehoefte kan worden voldaan door het gebruik van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn (zie ECLI:NL:CRvB:2019:3535). Deze bepaling heeft dan ook als doel te voorkomen dat een voorziening wordt verstrekt waarvan -gelet op de omstandigheden van de inwoner met beperkingen- aannemelijk is dat de inwoner daarover zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad.
Een voorziening is algemeen gebruikelijk als:
Het is ter beoordeling van het college of er sprake is van een voorziening die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een inwoner behoort. Uitzonderingen zijn mogelijk als de voorziening vanwege omstandigheden van de inwoner toch niet algemeen gebruikelijk is. Het gaat dan bijvoorbeeld om een plotseling optredende beperking waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen eerder dan normaal moeten worden vervangen of het ineens moeten vervangen van verschillende algemeen gebruikelijke voorzieningen.
Voorzieningen die zijn afgeschreven kunnen algemeen gebruikelijk worden geacht en als renovatie worden aangemerkt. Voorbeelden zijn badkamers, sanitair, keukens, kranen, e.d. Mogelijk dat op grond van een privaatrechtelijke verbintenis (waaronder een verbintenis uit overeenkomst) aanspraak op de voorziening kan worden gemaakt. Het college kan en mag van de inwoner vergen dat hij zich in hoge mate inspant door bijvoorbeeld de woningeigenaar van een particuliere huurwoning aan te schrijven of een kort geding aan te spannen om zo te bewerkstelligen dat de woning wordt aangepast aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld. Het is algemeen gebruikelijk om dat te doen.
Wat we verstaan onder algemeen gebruikelijk is nader uitgewerkt in beleidsregels.
De Wmo-doelgroep voor maatwerkvoorzieningen zal soms ook een beroep kunnen doen op voorzieningen uit diverse andere wetten. Vaak gaat het dan om wettelijke regelingen met voorzieningen voor een bepaalde doelgroep of voor een bepaald doel. In sommige gevallen kan bijvoorbeeld een beroep worden gedaan op de Zorgverzekering voor een vervoerskostenvergoeding en ook voor bepaalde hulpmiddelen of op de Wet langdurige zorg voor intensieve ondersteuning thuis of zorg met verblijf.
Een algemene voorziening is het aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder diepgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Algemene voorzieningen zijn toegankelijk voor alle ingezetenen van de gemeente Oss die tot de doelgroep behoort.
Algemene voorzieningen mogen als voorliggend op maatwerkvoorzieningen worden beschouwd, mits de algemene voorziening:
De maatwerkvoorziening waartoe het college beslist moet een passende bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de inwoner. We gebruiken in de verordening hiervoor de term adequaat. Wanneer sprake is van een adequate voorziening is deze niet alleen passend, maar ook tijdig beschikbaar.
Het college is in voorkomende gevallen slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst adequate voorziening te bieden.
Artikel 4.3 Hulp bij huishouden
In de gemeente Oss is een algemene voorziening en maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp beschikbaar. Allereerst wordt onderzocht of met de ondersteuning via een algemene voorziening voldoende resultaat behaald kan worden. Is dat niet het geval dan kan er een noodzaak zijn voor het bieden van een maatwerkvoorziening.
Hulp bij huishouden wordt alleen ingezet in woonruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning. Het gaat hier om dat een inwoner kan beschikken over een schone woonkamer, slaapkamer, keuken, sanitaire ruimte(s) en de gang/trap. In ruimtes die niet als leefruimte in gebruik zijn, zoals een hobbyruimte, zolder, garage etc., wordt geen hulp bij huishouden ingezet. Ook het onderhoud van de tuin wordt bijvoorbeeld niet tot het huishouden gerekend. In een uitzonderlijke situatie als geen andere oplossing voorhanden is, kan tijdelijk de zorg voor kinderen tot het voeren van een gestructureerd huishouden behoren.
Activiteiten die door de inwoner zelf kunnen worden uitgevoerd, behoren tot de eigen verantwoordelijkheid. Soms kan een inwoner weer meer zelf in het huishouden wanneer de woning anders wordt ingedeeld of ingericht of door gebruik te maken van slimme hulpmiddelen. Het behouden of herwinnen van zelfstandigheid gaat voor op het overnemen van taken in het huishouden.
In de dagelijkse praktijk kan het ook voorkomen dat een deel van het huishouden door de inwoner wordt uitgevoerd en voor een ander deel ondersteuning wordt geboden.
Artikel 4.4 Collectief en individueel vervoer
Het gaat hierbij om sociaal vervoer, oftewel vervoer in het kader van het leven van alledag in de eigen woon- of leefomgeving. Een inwoner heeft recht op een vervoersvoorziening als deze het openbaar vervoer door een beperking niet kan gebruiken of niet kan bereiken (medisch vastgesteld) en het vervoersprobleem ook niet kan worden opgelost met voorliggende voorzieningen, zoals een fiets (met of zonder trapondersteuning), brommer, scooter of auto.
Als eerste geldt dan het primaat van het collectief vervoer. Een individuele vervoersvoorziening (bijvoorbeeld een aanpassing van een auto) kan enkel aan de orde zijn als deze langdurig noodzakelijk is en het collectief vervoer niet passend is. Collectief vervoer voor de zeer korte afstand (bijvoorbeeld voor het doen van boodschappen) kan over het algemeen niet als passende voorziening worden beschouwd.
Het derde en vierde lid bepalen de reikwijdte van de vervoersvoorziening. Hiermee voldoet de gemeente aan de vereisten uit de jurisprudentie die aangeeft dat 1.500 km op jaarbasis voldoende is in een straal van 15 tot 20 kilometer van de woning.
Ten aanzien van de dagelijkse noodzakelijke verplaatsingen in en rondom de woning kan een rolstoel of ander verplaatsingsmiddel worden verstrekt.
Het doel van een woningaanpassing is dat de inwoner de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft normaal kan gebruiken en langer zelfstandig thuis kan blijven wonen. Het gaat daarbij om het kunnen gebruiken en bereiken van de elementaire woonruimten voor de dagelijkse levensverrichtingen (het normale gebruik van de woning). Daaronder worden in ieder geval verstaan het kunnen bereiden van maaltijden, verrichten van de persoonlijke hygiëne (wassen en toiletgang) en kunnen slapen (bereiken van de slaapkamer). Maatwerk kan er in een individueel geval toe leiden dat de woningaanpassing ook betrekking heeft op andere ruimten zoals de berging, de toegang tot tuin of balkon van de woning (toegang en doorgang).
In het geval een noodzakelijke woningaanpassing meer dan € 7.500, - bedraagt, wordt een verhuizing naar een passender woning als goedkoopst adequate voorziening beschouwd. De CRvB heeft in haar uitspraak van 22-08-2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2602) bevestigd dat dit primaat van verhuizen ook onder de Wmo 2015 kan worden toegepast. Daarbij wordt in een individueel geval getoetst of het toepassen van dit primaat een passende bijdrage levert.
Uit de jurisprudentie van de CRvB is gebleken dat er belangrijke redenen kunnen zijn waarom een inwoner niet kan verhuizen. Hier houden we met een belangenafweging rekening mee. De uitkomst daarvan kan zijn dat het college het primaat van de verhuizing niet aan een inwoner kan opleggen, en een passende woningaanpassing moet verstrekken, ook als de kosten daarvan hoger zijn dan € 7.500, -.
Bij de belangenafweging worden onderstaande factoren betrokken:
Wanneer verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is, dan kan een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. Wanneer een inwoner niet wil verhuizen dan kan hij deze verhuiskostenvergoeding gebruiken voor het adequaat aanpassen van de woning. Het is aan het college om te bepalen welke aanpassingen nodig zijn om de woning adequaat aan te passen.
Of woongebouwen voor mensen met een beperking en/of ouderen zijn bedoeld, blijkt niet alleen uit de bestemming, maar ook uit de bewoners zelf. Als een gebouw voornamelijk bewoond wordt door mensen van een bepaalde leeftijd of met een beperking wordt die bestemming aangenomen. Dit kan het geval zijn wanneer meer dan de helft van de bewoners ouder is dan 55 jaar en/of beperkingen heeft. De woningeigenaren zijn dan zelf verantwoordelijk voor het realiseren van een zogenaamde basisoutillage aan voorzieningen aan of in deze gebouwen. Met basisoutillage bedoelen we dat woongebouwen zijn uitgerust met die standaardvoorzieningen die nodig zijn om de doelgroep waarvoor het gebouw is bedoeld er te kunnen laten wonen en (wanneer van toepassing) te kunnen laten verzorgen.
Als er sprake is van een belangrijke reden voor de verhuizing kan dit lid buiten toepassing blijven. Als belangrijke redenen kunnen worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk verder weg. In geval van samenwoning of huwelijk houdt het college ook rekening met de keuze die de inwoner maakt in welke woning hij gaat samenwonen. Ook in dat geval moet er een belangrijke reden zijn waarom hij naar de woning verhuist waar mogelijk meer aanpassingen moeten worden verricht. Het college betrekt daarbij ook de mogelijkheden die van de partner van de inwoner kunnen worden gevergd.
Is de inwoner niet verhuisd naar de voor hem beschikbare meest geschikte woning, dan wordt de maatwerkvoorziening in beginsel afgewezen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2021:3259).
Onder deze bepaling vallen ook woningaanpassingen die nodig zijn na aankoop van een woning of een kavel dan wel andere onomkeerbare handelingen. De inwoner dient in dergelijke gevallen eerst met het college te overleggen over de (andere) mogelijkheden van maatschappelijke ondersteuning. De aantoonplicht dat er geen geschiktere woningen beschikbaar waren, ligt in eerste instantie bij de inwoner. Als de inwoner dit niet kan aantonen, kan het college de aanvraag om een woningaanpassing afwijzen.
Het college kan vooraf schriftelijk toestemming verlenen om te verhuizen naar een inadequate woning. In dat geval is een afwijzing op grond van lid 5 onder b vanzelfsprekend niet aan de orde.
Aan deze afwijzingsgrond(en) ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid ten grondslag. Net als ieder ander is de inwoner verantwoordelijk om zaken als (achterstallig) onderhoud aan diens woning zelf op te lossen. Daaronder worden ook de eisen verstaan die redelijkerwijs aan een woning mogen worden gesteld. Als het een eigen woning betreft, spreekt dat voor zich. In geval van een huurwoning dient de inwoner de verhuurder hiervoor aansprakelijk te stellen.
Als een woning wordt gerenoveerd, houdt de inwoner daarbij rekening met huidige en verwachte toekomstige beperkingen.
Bij de toepassing van lid d dient rekening te worden gehouden met de uitspraak van de CRvB van 11 juli 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2182). Daarin is nader uitgewerkt wanneer sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening (zie verder de toelichting bij artikel 4.1 over de algemeen gebruikelijke voorziening). Met toetsing aan deze criteria kan worden vastgesteld of de vervanging daadwerkelijk als ‘algemeen gebruikelijk’ kan worden aangemerkt.
Bij gemeenschappelijke ruimten geldt dat voorzieningen hier niet geplaatst worden als dit om veiligheids- en uitvoeringstechnische redenen niet verantwoord is.
Artikel 4.6 Woningaanpassing bij verblijf in een instelling
Het gaat hier om bovenwettelijk begunstigend beleid, het bezoekbaar maken van een woning voor een Wlz-cliënt die in een instelling woont valt immers niet onder de compensatieplicht. Met bezoekbaar maken wordt bedoeld dat het voor iemand die woonachtig is in een Wlz-instelling mogelijk wordt gemaakt bijvoorbeeld zijn ouderlijk huis te bezoeken. Bij bezoekbaar maken gaat het gewoonlijk om het bereikbaar maken van de woning zelf, de woonkamer en het toilet. Voorwaarde voor het bezoekbaar maken van een woning waar de inwoner niet zelf woont, is dat dit noodzakelijk is om in aanvaardbare mate te participeren.
De gemeente waar de Wlz-instelling staat en waar aldus de inwoner zijn feitelijke woonplaats heeft, is verantwoordelijk voor het bezoekbaar maken van de woning. Ook als deze woning in een andere gemeente staat. Er kan maar één woning worden aangepast.
Artikel 4.7 Verhuiskostenvergoeding
Een verhuiskostenvergoeding wordt alleen verstrekt wanneer verhuizen naar een andere woning noodzakelijk is vanwege onverwachte beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie en het woonprobleem niet op een eenvoudigere/goedkopere wijze is op te lossen.
Het gaat om een vergoeding voor de verhuizing en het inrichten van de nieuwe woning.
Een verhuiskostenvergoeding kan ook worden verstrekt als het college het primaat van verhuizen oplegt, maar de inwoner in de aan te passen woning wil blijven wonen. De verhuiskostenvergoeding kan dan worden gebruikt voor het adequaat aanpassen van de woning. Op welke wijze de woning adequaat moet worden aangepast is ter beoordeling van het college.
Een verhuiskostenvergoeding hoeft niet kostendekkend te zijn, maar moet wel in de buurt komen van de daadwerkelijke kosten. De hoogte van de verhuiskostenvergoeding is vastgelegd in de nadere regels en is gebaseerd op marktonderzoek.
Artikel 4.8 Financiële tegemoetkoming in de kosten voor de aanschaf van een sportvoorziening
Een financiële tegemoetkoming in de kosten voor de aanschaf van een sportvoorziening hoeft niet kostendekkend te zijn, maar moet wel in de buurt komen van de daadwerkelijke kosten. De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten voor de aanschaf van een sportvoorziening is gebaseerd op marktonderzoek naar de kosten van sportvoorzieningen, onderzoek naar de kosten voor onderhoud en reparatie van sportvoorzieningen en de gemiddelde gebruiksduur voordat vervanging van de sportvoorziening noodzakelijk is.
Artikel 4.9 Kortdurend verblijf
De gemeente is verantwoordelijk voor het ondersteunen van mantelzorgers van inwoners. Een belangrijke vorm van ondersteuning kan zijn het bieden van respijtzorg. Respijtzorg wil zeggen: zorg waardoor de mantelzorger tijdelijk ontlast wordt van zijn taak. Kortdurend verblijf is een vorm van respijtzorg waarbij de inwoner tijdelijk in een instelling logeert om de mantelzorger te ontlasten.
Niet alle ondersteuning van mantelzorgers valt onder de Wmo 2015. Als er sprake is van een inwoner met een Wlz-indicatie, valt kortdurend verblijf (logeeropvang) om de mantelzorger te ontlasten onder de Wet langdurige zorg (Wlz). Kortdurend verblijf kan ook onder de Zorgverzekeringswet vallen. Het gaat dan om mensen die om medische redenen tijdelijk niet thuis kunnen wonen (bijvoorbeeld na ontslag uit het ziekenhuis).
Artikel 4.10 Gespecialiseerde dagbesteding
Gespecialiseerde dagbesteding is gericht op het hebben van een zinvolle dagbesteding buitenshuis voor inwoners die als gevolg van een beperking onvoldoende zelfredzaam zijn op het gebied van een zinvolle dagbesteding en/of maatschappelijke deelname en die niet in staat zijn gebruik te maken van het bestaande aanbod aan algemene of collectieve voorzieningen in de wijk of dorp.
De ondersteuning tijdens de dagbesteding is gericht op het bevorderen en/of behouden van de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner en zijn directe omgeving, waar probleem-specifieke deskundigheid noodzakelijk is en biedt:
Dagbesteding met ondersteuning die is gericht op het stabiliseren en/of bevorderen van het zo zelfstandig mogelijk functioneren, het voorkomen van verergering van klachten en het leren omgaan met beperkingen. De dagbesteding ziet toe op het aanleren/behouden van dagstructuur en –ritme en het vergroten van zelfredzaamheid. Het dagprogramma zal bijdragen aan verlichting van sociaal isolement van de betreffende inwoner en/of aan verlichting van de zorg thuis door de mantelzorger. De ondersteuning wordt indien nodig aangevuld met assistentie bij persoonlijke zorg. De ondersteuning kan gericht zijn op het versterken van de mantelzorger en de (nieuwe) omgeving in de omgang met de Inwoner om, waar mogelijk, te komen tot een zinvolle dagbesteding en afbouw van professionele hulp. De ondersteuning wordt geleverd door deskundige medewerkers met een branche gerelateerde, passende opleiding.
Hiervoor geldt dezelfde omschrijving als bij ‘dagbesteding basis’ met dien verstande dat er sprake is van intensieve ondersteuning. Er is sprake van intensieve ondersteuning als de ondersteuning onplanbaar is, medewerkers continu aanwezig zijn en bij calamiteiten direct kunnen handelen. De inwoner kan niet zelfstandig deelnemen aan de dagelijkse gang van zaken op de dagbesteding en heeft veel één op één begeleiding nodig gedurende de dag. De ondersteuning wordt geleverd door deskundige medewerkers met een branche gerelateerde passende opleiding, aangevuld met voor deze doelgroep aantoonbare passende expertise. Het aantal dagdelen ondersteuning vormt geen reden om gespecialiseerde dagbesteding extra in te zetten.
Bij een indicatie voor gespecialiseerde dagbesteding wordt onderzocht of de inwoner in staat is om de locatie van de dagbesteding te bereiken. Wanneer een inwoner in staat is met het openbaar vervoer te reizen (eventueel na oefenen onder begeleiding) of met de fiets of een ander vervoermiddel zelfstandig (of onder begeleiding van mantelzorg of vrijwilliger, indien beschikbaar) de dagbesteding kan bereiken dan is dat voorliggend. Voor vervoer naar de dagbesteding mag geen gebruik worden gemaakt van de Wmo-regiotaxipas waarmee met gereduceerd tarief kan worden gereisd. Als vervoer naar de dagbesteding nodig is dan maakt het onderdeel uit van het totale arrangement van gespecialiseerde dagbesteding. De aanbieder is dan voor het vervoer verantwoordelijk.
Artikel 4.11 Individuele ondersteuning
Individuele ondersteuning is ondersteuning bij algemene dagelijkse levensverrichtingen voor het behouden of verbeteren van zelfredzaamheid. Daarnaast kan het gaan om hulp bij participatie door te investeren in het zelfoplossend vermogen van de inwoner en zijn directe omgeving.
Individuele ondersteuning wordt alleen ingezet wanneer de ondersteuning in een wijk of dorp niet (meer) toereikend is.
Er gelden voor individuele ondersteuning de volgende uitgangspunten:
Individuele ondersteuning Waakvlam
Laagintensieve ondersteuning bedoeld om de inwoner te volgen en tijdig problemen te signaleren, meestal na afloop van een intensievere ondersteuningsperiode. Het is bedoeld als een afbouw na een ondersteuningsperiode (nazorg) of als stabilisatie zodat terugval wordt voorkomen.
Individuele ondersteuning Basis
Individuele ondersteuning waarbij het accent ligt op het stabiliseren en/of bevorderen van het zo zelfstandig mogelijk functioneren, het aanleren/behouden van dagstructuur en –ritme, het vergroten van de zelfredzaamheid en het verlichten van sociaal isolement. Het betreft ondersteuning bij de alledaagse bezigheden en, waar nodig, ondersteuning bij het vergroten van het netwerk en het begeleiden naar activiteiten in de wijk. Ook wordt er gewerkt aan de afbouw van professionele hulp, bijvoorbeeld door het bieden van advies en ondersteuning aan de leefomgeving en/of het (opbouwen van een beter functionerend) sociaal netwerk van de inwoner. Wanneer nodig hoort hulp bij de persoonlijke verzorging tot de ondersteuning.
Individuele ondersteuning Extra
De omschrijving bij ‘basis’ is van toepassing met het verschil dat er sprake is van:
multi problematiek d.w.z. matige tot zware problemen op minimaal vier levensdomeinen1 die zich manifesteren op het gebied van de sociale redzaamheid, gedrag, psychisch functioneren of geheugen- en oriëntatiestoornissen; en/of
Intensieve ondersteuning in de eigen woning, waarbij naast planbare momenten ook ongeplande ondersteuning en bereikbaarheid mogelijk is, waardoor het mogelijk is om zelfstandig te wonen. De inwoner kan, indien nodig met ondersteuning, de eigen hulpvraag formuleren. Beschermd thuis is bedoeld om zelfredzaamheid te ontwikkelen, zodat afschaling naar lichtere vormen van individuele ondersteuning mogelijk is en om instroom in de voorzieningen van het regionaal specialistisch vangnet te voorkomen en uitstroom uit dit vangnet te bevorderen.
Intensieve ondersteuning volgens de principes van Housing First in de eigen woning, die gezocht wordt in of zo dicht mogelijk bij de gemeente van herkomst. Kwetsbare inwoners die met dakloosheid worden geconfronteerd kunnen zo vanuit een stabiele situatie aan hun herstel werken. Met de woning als basis van veiligheid en privacy kan van daaruit eventueel behandeling, schuldhulp en zinvolle dagbesteding opgepakt worden. Doel is het duurzaam beëindigen van de dakloosheid van de inwoner. De ondersteuning past zich aan, aan de behoefte van de inwoner. De client heeft intensieve ondersteuning nodig met de mogelijkheid tot ongeplande ondersteuning en bereikbaarheid om zelfstandig te kunnen wonen.
Safehouses vormen een relatief nieuwe voorziening die de afgelopen jaren steeds vaker vanuit de Wmo wordt ingezet als aansluiting op een klinische verslavingsbehandeling. Er wordt passende zorg en ondersteuning geboden voor inwoners met een psychische kwetsbaarheid die recent succesvol zijn afgekickt van een verslaving en die nog niet in staat zijn om zelfstandig met individuele ondersteuning abstinent te blijven en thuis te wonen.
De term 'safehouse’ duidt op een veilige en gezonde, abstinente woonomgeving, waarin vaardigheden die essentieel zijn voor blijvend herstel na een verslaving worden aangeleerd en geoefend in een huiselijke omgeving met mede inwoners.
Beschermd wonen is wonen in een beschermde leefomgeving met daarbij behorend toezicht en ondersteuning. Beschermd wonen wordt geboden aan inwoners met psychische/psychiatrische problematiek, verslavingsproblematiek, gedrags-/agressiereguleringsproblematiek, een licht verstandelijke beperking, forensisch problematiek of meervoudige problematiek (meerdere problematieken bij één specifieke inwoner). Deze problematiek kan belemmeringen geven op enkele of meerdere levensgebieden waardoor de inwoner minder in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
De ondersteuning is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen.
De inwoners wonen in een veilige en beschermende woonomgeving. Begeleiding is 24 uur per dag, 7 dagen per week, oproepbaar of aanwezig. Persoonlijke verzorging en verpleging kunnen onderdeel zijn van de ondersteuning.
Artikel 4.14 Maatschappelijke opvang
Maatschappelijke opvang omvat het tijdelijk bieden van opvang en/of ondersteuning (met inbegrip van screening en advisering) aan volwassenen en gezinnen die, door meerdere problemen, al dan niet gedwongen, de thuissituatie hebben of dreigen te verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en waarvoor geen andere oplossing mogelijk of beschikbaar is.
Binnen de maatschappelijke opvang wordt trajectbegeleiding geboden. Deze begeleiding is ter ondersteuning om zich weer op eigen kracht kunnen handhaven in de samenleving. De trajectbegeleiding is maatwerk en kan bijvoorbeeld betrekking hebben op het organiseren van de basisbehoeften, ondersteuning bij het vinden en behouden van werk, regie krijgen over het eigen leven en voorbereid zijn op het zelfstandig leven. Ook wordt (intensieve) ondersteuning geboden bij het uitstromen uit de maatschappelijke opvang, zoals ondersteuning bij het zoeken naar een woning en bij het (weer) zelfstandig wonen. De gemeente is daarbij niet verantwoordelijk voor de uitstroom, enkel voor de ondersteuning richting uitstroom. Het is van belang dat een inwoner meewerkt aan de begeleiding binnen de opvangvoorziening. Alleen op deze manier kan het doel van de wet worden bereikt, namelijk zich weer op eigen kracht handhaven in de samenleving (zie 2.1.2, derde lid onder b van de wet).
Als iemand bijvoorbeeld onvoorbereid naar Nederland komt en een woning elders achterlaat, kan niet worden gesproken van feitelijke dakloosheid, omdat iemand nog een woning heeft.
In artikel 1.2.2, tweede lid van de wet is een lex specialis opgenomen voor vreemdelingen die ook ingezetenen zijn. Voor de opvang kan gebruik gemaakt worden van de uitzonderingsmogelijkheid uit de richtlijn (Richtlijn 2004/38/EG, artikel 24, 2e lid).
Gemeenten hoeven burgers van de Europese Unie gedurende de eerste drie maanden van hun verblijf in Nederland, en in de periode daarna als ze nog geen werk hebben gevonden, geen opvang te bieden. Opvang van deze doelgroep wordt beschouwd als onredelijke belasting van het sociale bijstandsstelsel. De uitzondering geldt niet voor opvang als gevolg van huiselijk geweld en niet voor beschermd wonen. Overigens is het aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) om te beoordelen of een inwoner uit de EU (na 3 maanden verblijf) geen werkzoekende meer is, in twijfelgevallen is hun oordeel doorslaggevend.
Artikel 4.15 Aanvullende voorwaarden safehouses, beschermd wonen en maatschappelijke opvang
In dit artikel zijn aanvullende voorwaarden genoemd met betrekking tot safehouses, beschermd wonen in een instelling en maatschappelijke opvang. Hierbij is het belang van het meewerken aan begeleiding gericht op zelfredzaamheid nader uitgewerkt. Uit artikel 2.3.5 van de wet volgt dat een maatwerkvoorziening wordt verstrekt die een passende bijdrage levert aan het voorzien in de behoefte van de inwoner aan opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Dit kan alleen worden bereikt als de voorziening op een veilige, doelmatige en doeltreffende manier wordt verstrekt (zie artikel 3.1, tweede lid onder a van de wet). De gestelde voorwaarden ondersteunen daarbij.
Veiligheid binnen de voorzieningen is een verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder vanuit de wet en de contractuele afspraken met de gemeente. Daarbij is het van belang dat een inwoner zich aan de huisregels houdt. Met name in de opvangvoorzieningen, waar meerdere inwoners en begeleiders samen verblijven kan grensoverschrijdend en/of agressief gedrag niet worden getolereerd.
Bij herhaald en/of ernstig wangedrag kan het college – al dan niet tijdelijk – maatregelen naar de inwoner treffen ter bescherming van de aanbieder of andere inwoners. Dit kan leiden tot schorsing of beëindiging van de verstrekte maatwerkvoorziening of beëindiging van de toegang tot de algemene voorziening.
Artikel 4.17 Redenen om een maatwerkvoorziening te weigeren
In dit artikel zijn de situaties opgenomen waarbij geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen (criteria) ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner besloten.
Ingevolge artikel 2.3.5 en artikel 3.1 van de wet is een voorziening passend, veilig, doeltreffend en doelmatig. Daarmee is gewaarborgd dat deze voorziening daadwerkelijk bijdraagt aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de inwoner en dat de inwoner daarmee zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Of, in het geval van opvang of beschermd wonen, dat de inwoner zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht kan handhaven in de samenleving. Soms levert een voorziening niet de beoogde bijdrage. De weigeringsgrond kan worden ingezet op basis van een gedegen onderzoek, dat ook helder heeft gemaakt welke voorziening wél passend is.
Deze bepaling is gebaseerd op de uitspraak van de CRvB van 22 augustus 2018 (ECLI:NL:2018:2603). Deze uitspraak stelt dat de wet ruimte biedt om van burgers te verlangen dat ze bij een verhuizing rekening houden met hun beperkingen én met de redelijkerwijs te verwachten progressie daarvan. Maar tot op zekere hoogte. De Raad stelt dat het college niet van een burger kan verlangen om preventief maatregelen te nemen en investeringen te doen. Bijvoorbeeld omdat in de toekomst de gezondheid of psychosociale gesteldheid misschien verslechtert of zich anderszins een situatie kan voordoen waardoor een inwoner maatschappelijke ondersteuning nodig heeft. Het college dient dit artikel dan ook terughoudend toe te passen en enkel in het kader van woningaanpassingen die redelijkerwijs niet nodig waren geweest.
Als de beoordeling van de aanvraag betrekking heeft op al eerder verstrekte voorzieningen en de normale afschrijvingstermijn daarvan nog niet is verstreken, dan wordt de aanvraag afgewezen. In dit artikel worden twee uitzonderingssituaties genoemd. Daarbij geldt ook dat het verstrijken van de afschrijvingstermijn niet automatisch hoeft te leiden tot verstrekking van een nieuwe voorziening na een aanvraag. Als het mogelijk is de voorziening in stand te houden en met instandhoudingskosten nog steeds sprake is van de goedkoopst adequate voorziening dan gaat dit voor op verstrekking van een nieuwe voorziening.
De wet verplicht het college niet om een maatwerkvoorziening te verstrekken als de (gevraagde) maatwerkvoorziening al vóór de melding is aangeschaft. Na het zelf (laten) realiseren van (maatwerk)voorzieningen is geen sprake meer van het ondervinden van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie. Dit is dan ook de afwijzingsgrond. Onbekendheid met de regelgeving is geen reden voor verstrekking, dit komt voor rekening en risico van de inwoner.
Heeft een inwoner de voorziening aangeschaft na de melding, maar voor de beschikking? Dan geldt hiervoor hetzelfde als onder g, tenzij:
Een behandeling kan voorliggend zijn op een maatwerkvoorziening vanuit de wet. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2019 van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2019:558). Het gaat in dit lid om behandelingen die noodzakelijk zijn om de Wmo-voorziening op een doelmatige en doeltreffende manier te kunnen verstrekken (zie artikel 3.1, tweede lid van de wet). Daarbij speelt ook de medewerkingsplicht van artikel 2.3.8, derde lid van de wet. Dit betreft bijvoorbeeld de situatie waarin een inwoner de keuze maakt om niet te starten met een behandeling.
Dit is niet van toepassing in situaties waarin de inwoner wel meewerkt, maar het door bijzondere omstandigheden onmogelijk is om te starten met de behandeling. Dan dient het college in het kader van maatwerk (tijdelijk) een andere oplossing te vinden ter ondersteuning van de inwoner. Een wachtlijst voor behandeling is in de regel geen bijzondere omstandigheid.
HOOFDSTUK 5 PERSOONSGEBONDEN BUDGET
Artikel 5.1 Algemene voorwaarden voor een pgb
Artikel 2.3.6 van de wet regelt dat een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Het biedt de inwoner keuzevrijheid, wat bijdraagt aan de wens om inwoners die een voorziening nodig hebben meer regie over hun eigen leven te geven.
Daarmee is niet gezegd dat er ook altijd recht bestaat op een pgb. In artikel 2.3.6 van de wet staan de voorwaarden opgenomen waar een inwoner aan dient te voldoen. Naar dit artikel wordt verwezen en deze voorwaarden gelden onverkort. Aanvullend worden in artikel 5.3 een aantal concrete situaties benoemd waarbij geen pgb kan worden verstrekt. Zij volgen uit de voorwaarden die de wet aan de verstrekking van een pgb stelt en waarborgen dat hieraan wordt voldaan.
De inwoner die een pgb voor diensten wenst, zal een pgb-plan moeten opstellen op basis van een door het college vastgesteld en aangereikt format pgb-plan. Het kan zijn dat de inwoner zelf al een pgb-plan opstelt om te motiveren waarom hij een pgb wenst. Deze informatie kan de inwoner in het format pgb-plan overnemen.
Het pgb-plan wordt door het college beoordeeld in verband met de aanspraak op een pgb en dient als hulpmiddel bij het toetsen van de pgb-vaardigheid. Dit gebeurt in het pgb-gesprek gedurende het onderzoek na de melding. In het pgb-plan beschrijft de inwoner de motivatie waarom hij een pgb wenst, welke diensten hij met het pgb wil inkopen, hoe de kwaliteit wordt gewaarborgd en welke resultaten daarmee worden bereikt. Het pgb-plan maakt uiteindelijk ook onderdeel uit van de beschikking.
Het college kan vooraf op basis van offertes de kwaliteit van hulpmiddelen, verplaatsingsvoorzieningen of woningaanpassingen genoegzaam vaststellen. De vereiste van het pgb-plan geldt hiervoor niet.
Artikel 5.2 Rechten en plichten budgethouder
Het pgb is bestemd voor de inzet van de in de beschikking opgenomen maatwerkvoorziening. Het pgb is een all-in tarief. Dat wil zeggen dat alle kosten al zijn opgenomen in dit tarief. Het kan zijn dat er overige kosten worden gemaakt rondom de voorziening. In dit artikel is bepaald dat de hier genoemde kosten niet uit het pgb betaald kunnen worden.
Hieronder vallen ook de tussenpersonen zoals pgb-bureaus en administratiekantoren.
Reiskosten die noodzakelijk zijn om tot inzet van de voorziening te komen zijn een onderdeel van het all-in pgb-tarief. Overige reiskosten kunnen nadrukkelijk niet uit het pgb worden betaald.
Het pgb is bestemd voor de inzet van de in de beschikking opgenomen maatwerkvoorziening. Het pgb moet doelmatig en rechtmatig worden besteed en volledig ten goede komen aan het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. Een vrij besteedbaar pgb is niet in lijn hiermee.
Een pgb is bedoeld als een vergoeding voor de daadwerkelijk geleverde zorguren. De ondersteuning die nodig is kan per maand variëren, bijvoorbeeld door vakantie, ziekenhuisopname of variabele ondersteuningsbehoefte.
Een inwoner kan zich laten ondersteunen door een pgb-vertegenwoordiger als de inwoner zelf niet in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Dit vloeit voort uit artikel 2.3.6, tweede lid van de wet. Volgens de wetsgeschiedenis moet bij ‘aan persoonsgebonden budget verbonden taken’ gedacht worden aan bijvoorbeeld het sluiten van overeenkomsten en het aansturen van en aanspreken van de hulpverlener op zijn verplichtingen (Tweede kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33841, nr. 3, blz. 38). ‘Op verantwoorde wijze uitvoeren’ betekent ook dat de inwoner in staat is toezicht te houden op de geleverde kwaliteit.
Onder een wettelijke vertegenwoordiger wordt verstaan: curator, bewindvoerder en mentor. Een inwoner kan ook iemand anders machtigen om op te treden als zijn pgb-vertegenwoordiger.
Gemeenten mogen kritisch naar de rol van de vertegenwoordiger kijken. De vertegenwoordiger moet het belang van de inwoner dienen, en geen andere belangen. Zie ook ECLI:NL:CRVB:2019:2803. Om die reden kan de pgb-vertegenwoordiger niet ook degene zijn die de ondersteuning levert.
Artikel 5.3 Redenen om een pgb te weigeren
Een pgb kan ook worden geweigerd als niet is voldaan aan de voorwaarden die in artikel 2.3.6 van de wet zijn vastgelegd. Naar dit artikel wordt verwezen en deze voorwaarden gelden onverkort. Aanvullend zijn in artikel 5.3 een aantal concrete situaties benoemd waarbij geen pgb kan worden verstrekt. Zij volgen uit de voorwaarden die de wet aan de verstrekking van een pgb stelt en waarborgen dat hieraan wordt voldaan.
Budgethouders die te maken krijgen met surseance van betaling, faillissement of schuldsanering op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (hierna: Wsnp) moeten dat aan het college melden. Als de budgethouder jonger is dan 18 jaar dan gelden deze eisen voor de ouders of de voogd.
De aanvraag voor een pgb door een persoon die in de Wsnp zit, zal door het college worden afgewezen. Volgens de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan het college een pgb aan een minderjarige weigeren te verlenen als op zijn ouders de Wsnp van toepassing is verklaard.
In een spoedeisende situatie of als een maatwerkvoorziening ambtshalve wordt verstrekt, is een pgb niet passend. Het college kan dan immers niet beoordelen of de inwoner voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 2.3.6 van de wet.
In sommige situaties leent een voorziening zich niet voor een pgb, bijvoorbeeld omdat er sprake is van een progressief ziektebeeld of een kindervoorziening waarbij op voorhand vaststaat dat de voorziening binnen korte tijd vervangen moet worden.
Voor de maatwerkvoorzieningen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang, beschermd wonen en safehouses is zorg in natura de norm. De inwoners die deze voorzieningen nodig hebben zijn dermate kwetsbaar dat sprake is van een voorziening met een beschermend karakter. De doelgroep kenmerkt zich door (ernstige) psychische en psychiatrische beperkingen en/of omstandigheden, met verlies van zelfredzaamheid, zelfregie en risico's voor bestaanszekerheid. Daardoor is de inwoner meestal niet in staat om zijn of haar belangen te behartigen en taken uit te voeren die verbonden zijn aan het inkopen van zorg. De zorg moet daarnaast voldoen aan de kwaliteitseisen zoals die ook voor de gecontracteerde aanbieders geldt. Het pgb is minder geschikt als financieringsvorm voor deze groep.
Het is niet toegestaan een pgb in het buitenland te besteden. Een uitzondering kan gemaakt worden voor een pgb voor begeleiding als voortzetting van de ondersteuning op vakantie vanuit het pgb door noodzakelijk is. Er moet altijd eerst toestemming van het college worden gevraagd, alvorens het pgb in het buitenland ingezet kan worden. De kosten van de begeleiding moeten opgevangen worden binnen het verstrekte pgb.
Artikel 5.4 Formele en informele hulp
Als de inwoner in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget, dan moet gekozen worden uit één van de volgende twee varianten:
Er is sprake van professionele ondersteuning als de werkzaamheden beroepsmatig uitgevoerd worden, de persoon ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel en de omschrijving van de bedrijfsactiviteiten van de onderneming aansluiten bij de te leveren diensten voor het pgb en als de professionele ondersteuner in het bezit is van relevante diploma’s en voldoet aan de overige kwaliteitseisen.
Tot het sociaal netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt (artikel 1.1.1 van de wet). Dit is ook het geval als de persoon uit het sociaal netwerk een professionele zorgverlener is of in het bezit is van een relevant diploma.
Artikel 5.5 De hoogte van het pgb
In dit artikel zijn de kaders opgenomen waarmee de pgb-tarieven kunnen worden vastgesteld. Het college legt de pgb-tarieven vast in de nadere regels.
Dit artikel bepaalt de wijze waarop de hoogte van een pgb door het college wordt vastgesteld (zoals verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet). Het betreft de substantiële materiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s, die iedere keer als uitgangspunt genomen wordt. Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de inwoner in staat stellen de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren van derden te betrekken (artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet). Tot maximaal de hoogte van de kosten van de maatwerkvoorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder a, van de wet).
Het college is ook bevoegd een lager tarief te hanteren, mits dat tarief de inwoner maar in staat stelt om tijdig de noodzakelijke kwalitatief goede maatschappelijke ondersteuning van derden te betrekken. Een grond om een lager tarief te hanteren zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat de maatschappelijke ondersteuning zal worden betrokken van een solistisch (zelfstandig) werkende aanbieder met aanzienlijk lagere overheadkosten dan grotere aanbieders die namens het college de ondersteuning in natura verlenen.
De hoogte van het budget voor diensten wordt gebaseerd op het tarief waarvoor het college (of – daar waar de gemeente lumpsum financiert en voor specifieke voorzieningen geen separate zin-tarieven kent – de gemeenten in de regio) de diensten heeft gecontracteerd. Bij de vaststelling van deze tarieven is rekening gehouden met alle vereisten uit de Algemene Maatregel van Bestuur en jurisprudentie.
In alle gevallen geldt dat als de budgethouder met de zorgverlener een lager tarief overeenkomt, de hoogte van het pgb op basis van dat lagere tarief wordt vastgesteld.
De hoogte van het pgb-tarief hangt af van het type zorgverlener. Niet iedere vorm van ondersteuning biedt bijvoorbeeld dezelfde deskundigheid. Bovendien kan de kostprijs van de ondersteuning variëren door lagere of hogere overheadkosten. Er wordt daarom onderscheid gemaakt tussen dienstverlening via een professionele zorgverlener, een zelfstandige zonder personeel of freelancer en dienstverlening door iemand uit het sociaal netwerk (informele hulp).
Het college kan de hoogte van het pgb ook vaststellen op basis van een offerte. Aan de hand van een programma van eisen wordt vastgesteld welk resultaat met de voorziening bereikt moet worden. Hierbij wordt, conform de verordening, uitgegaan van de verschuldigde huurprijs die de gemeente kwijt zou zijn aan de gemeentelijk leverancier.
Bij een pgb voor een woningaanpassing gaat het om de kosten van de door het college goedgekeurde aanpassingen. Aan de hand van een programma van eisen wordt vastgesteld welk resultaat met de woningaanpassingen bereikt moet worden. Woningaanpassingen kunnen trapliften zijn, maar ook bijvoorbeeld onder meer aanpassingen aan keukens, badkamers, toiletten en de aanpassing van drempels binnen de woning. De hoogte van een pgb ten behoeve van een woningaanpassing wordt vastgesteld aan de hand van het programma van eisen en de tarievenlijst overeengekomen met de door het college gecontracteerde aanbieders of de Casadata Ergokostenwijzer. Wanneer nodig wordt de hoogte van het pgb bepaald aan de hand van het bedrag van de door het college geaccepteerde offerte van een erkende aannemer.
HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE VOOR HET GEBRUIK VAN VOORZIENINGEN
De gemeente heeft ervoor gekozen aan haar inwoners een eigen bijdrage te vragen voor het gebruik van een maatwerkvoorziening of pgb. Deze mogelijkheid is opgenomen in de wet.
Voor een aantal voorzieningen geldt het abonnementstarief (ten tijde van de vaststelling van deze verordening bedraagt deze € 21,80 per maand). De maatwerkvoorzieningen maatschappelijke opvang en het collectief vervoer zijn hiervan uitgezonderd. Voor deze voorzieningen vindt de berekening van de bijdrage op andere wijze plaats. Het college legt de bijdrage voor deze voorzieningen vast in de nadere regels.
Artikel 6.1 Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen
Voor het gebruik van maatwerkvoorzieningen (zowel in natura als in de vorm van een pgb) en de bij verordening aangewezen algemene voorziening hulp bij huishouden is de inwoner een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd. Als een inwoner een maatwerkvoorziening in natura heeft aangevraagd en deze is verstrekt door het college, maar de maatwerkvoorziening niet daadwerkelijk gebruikt wordt, moet ook een eigen bijdrage worden betaald.
De bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorzieningen waarvoor het abonnementstarief geldt, wordt opgelegd en geïnd door het CAK volgens de regels van het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
Voor aanpassingen in gemeenschappelijke ruimten is geen eigen bijdrage verschuldigd. Andere inwoners maken immers ook gebruik van de voorziening. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het gebruik van een elektrische deuropener in een appartementencomplex.
Voor rolstoelen is geen eigen bijdrage verschuldigd. Dit is wettelijk zo bepaald om de essentiële mobiliteit van personen te waarborgen. Een rolstoel om dagelijks in te kunnen verplaatsen wordt gezien als een basisvoorziening om zelfstandig te kunnen leven. Dit geldt echter niet voor sportrolstoelen. Voor sportrolstoelen is daarom wel een eigen bijdrage verschuldigd.
Voor verblijf in de maatschappelijke opvang is de uniforme werkwijze in regio Brabant Noordoost-Oost dat men een vrijstelling van de eigen bijdrage - zoals beschreven bij lid 1 - heeft bij kortstondig verblijf. Vanwege de korte duur, de financiële situatie van inwoners die gebruik moeten maken van de maatschappelijke opvang en de administratieve afhandeling heeft de regio BNOO ervoor gekozen bij beschikkingen voor maatwerkvoorzieningen kleinschalige opvang en maatschappelijke opvang met 24-uurs ondersteuning de eigen bijdrage niet op te leggen.
Wel is er een bijdrage verschuldigd in de gebruikskosten voor drie maaltijden per dag – indien de inwoner daar gebruik van wil maken - bij de maatschappelijke opvang met 24-uurs ondersteuning, die geïnd wordt door de aanbieder. Zie artikel 6.3.
In de wijken Ruwaard en Ussen is ondersteuning vanuit de Wmo op een andere wijze georganiseerd. Inwoners en beroepskrachten bedenken samen oplossingen die de leefbaarheid en gezondheid in de wijk versterken. Het niet opleggen van een eigen bijdrage voor ondersteuning in de vorm van individuele ondersteuning en dagbesteding draagt bij aan deze werkwijze.
Wanneer sprake is van problematische schulden kan de inwoner worden vrijgesteld voor het betalen van een eigen bijdrage. Voorwaarde is dat de inwoner een schuldhulpverleningstraject volgt bij de gemeente.
Voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van een inwoner die jonger is dan 18 jaar mag het college geen bijdrage in de kosten opleggen. Er is een uitzondering voor woningaanpassingen. De bijdrage in de kosten is verschuldigd door de in artikel 2.1.5 van de wet genoemde persoon of personen. De kosten worden aan het adres van de wettelijke ouder(s) of verzorger(s) doorberekend.
De gemeente wijst op grond van artikel 2.1.4 van de wet in de verordening de algemene voorzieningen aan waarvoor een eigen bijdrage verschuldigd is. Voor de gemeente Oss geldt dit alleen voor de algemene voorziening hulp bij huishouden. Bij deze voorziening is sprake van een duurzame hulpverleningsrelatie, zodat is aangesloten bij het bepaalde in artikel 2.1.4, derde lid van de wet. De eigen bijdrage voor hulp bij huishouden valt onder het abonnementstarief.
Artikel 6.2 Hoogte bijdrage in de kosten
De hoogte van de eigen bijdrage wordt bepaald op grond van de wet en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Daaruit volgt dat de hoogte van de eigen bijdrage voor één of meerdere maatwerkvoorzieningen, persoonsgebonden budgetten of algemene voorzieningen tezamen gelijk is aan het geldende abonnementstarief. Als een inwoner meerdere van deze voorzieningen gebruikt is de totale eigen bijdrage niet hoger dan € 21,80 per maand (tarief ten tijde van vaststelling van de verordening). Deze kan wijzigen als gevolg van aanpassing van de wet of hierop gebaseerde regelgeving).
Dit artikel bepaalt wat onder de kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura, een persoonsgebonden budget en een algemene voorziening wordt verstaan. De kostprijs van een voorziening is van belang omdat de bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening nooit hoger mag zijn dan de kostprijs van de voorziening (zie artikel 2.1.4, zesde lid en artikel 2.1.4a zesde lid van de wet). De gemeente is om deze reden verplicht de wijze van berekening van de kostprijs in de verordening vast te leggen.
De maatwerkvoorzieningen beschermd wonen (waarbij wonen en zorg niet zijn gescheiden), maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en het collectief vervoer zijn uitgezonderd van het abonnementstarief en vallen ook niet onder de artikelen 2.1.4, zesde lid en 2.1.4a, zesde lid van de wet. De hoogte van de eigen bijdrage voor deze voorzieningen komt op andere wijze tot stand. Artikel 2.1.4a, 7e lid van de wet geeft aan dat voor de bijdragen voor beschermd wonen (waarbij wonen en zorg niet zijn gescheiden) en opvang regels worden gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015).
In lid 2 wordt uitvoering gegeven aan artikel 3.8, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 voor het collectief vervoer. De gemeenteraad kan voor een voorziening voor vervoer de hoogte van de bijdrage in de verordening bepalen, in een dergelijk geval geldt niet het abonnementstarief.
Artikel 6.3 Compensatie gebruikskosten
De compensatie voor de kosten van het gebruik van een algemene voorziening is nooit meer dan een kostendekkende –dus niet commerciële- bijdrage. Het gaat hier om een kostenbijdrage die wordt betaald aan de aanbieder van de voorziening, en niet om de eigen bijdrage zoals geregeld in artikel 6.1 en 6.2.
Instellingen hebben er belang bij de toegang tot hun voorzieningen en activiteiten zo laagdrempelig mogelijk te houden. De instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de kosten die zij in rekening brengen voor deelname aan hun activiteiten. Deze deelnemersbijdragen zijn kostendekkend en betreffen normale ‘gebruikskosten’ (bijv. maaltijden).
HOOFDSTUK 7 BEËINDIGING, HERZIENING, INTREKKING, OPSCHORTING EN TERUGVORDERING
Ter uitvoering van artikel 2.1.3 lid 4 van de wet worden in deze verordening regels gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en ook van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
In dit artikel is een aantal situaties opgenomen waarbij het college de aanspraak op een maatwerkvoorziening kan beëindigen.
Artikel 7.2 Herziening en intrekking
In dit artikel is een aantal situaties opgenomen waarbij het college de aanspraak op een maatwerkvoorziening kan herzien of intrekken.
Artikel 7.3 Opschorting betaling uit het pgb
In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 2b, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 2.3.10 van de wet). Door opschorting kan ruimte worden geboden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Het is aan de SVB om te beslissen om over te gaan tot opschorting. Dit kan echter ook op verzoek van het college, mits dit met toepassing van bij de verordening gestelde regels gebeurt (artikel 2b, zesde lid onder g, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015).
Voor de termijn van dertien weken is gekozen op verzoek van de Sociale Verzekeringsbank: een landelijk uniforme regeling komt de praktische uitvoerbaarheid ten goede.
In dit artikel is bepaald dat het college een ten onrechte betaald pgb of de geldwaarde van een ten onrechte genoten maatwerkvoorziening kan terugvorderen.
HOOFDSTUK 8 TOEZICHT EN HANDHAVING
Artikel 8.1 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid voorzieningen
Het college heeft het recht om de inzet van een maatwerkvoorziening in natura of van een pgb te controleren. Het is aan het college om te bepalen op welke wijze de verantwoording en controle wordt ingericht.
De door het college aangewezen toezichthouder is belast met het toezicht op de naleving van de wet (artikel 6.1 Wmo 2015). Volgens de MvT gaat het ook om toezicht op de kwaliteit van de geleverde zorg, het zogenaamde kwaliteitstoezicht. Het toezicht heeft vooral betrekking op de naleving van de kwaliteitseisen die worden gesteld aan voorzieningen. Hieronder vallen ook de deskundigheideisen voor beroepskrachten.
De toezichthouder kan een onderzoek instellen na klachten of signalen of een incident (reactief) of uit eigen beweging (proactief).
In dit artikel wordt ook beschreven welke maatregelen de toezichthouder kan nemen naar aanleiding van de bevindingen.
Het college stelt een toezichthouder aan die is belast met het toezicht op de naleving van de wet (artikel 6.1 Wmo 2015). In dit artikel is bepaald welke bevoegdheden de toezichthouder heeft.
De besteding van het pgb kan door het college worden gecontroleerd. Bij de controle beoordeelt het college of de inwoner nog voldoet aan de criteria om voor een pgb in aanmerking te komen en wordt de kwaliteit van de geboden diensten beoordeeld en of hiermee de beoogde resultaten worden behaald. Deze beoordeling vindt plaats tijdens evaluatiemomenten. Dit is maatwerk: bij de ene inwoner kan dit halfjaarlijks zijn en bij de andere inwoner éénmaal in de vijf jaar of zelfs helemaal niet.
Artikel 8.3 Terugvordering bij aanbieder
Het college kan ook rechtstreeks de aanbieder of zorgverlener die vanuit een pgb wordt betaald aanspreken. Bij een pgb moet in de zorgovereenkomst tussen de inwoner en de zorgverlener een zogenaamd derdenbeding staan. Hiermee heeft het college een contractuele mogelijkheid om zorgverleners aan te spreken tot terugbetaling van het bedrag dat ten onrechte uit het pgb is betaald aan die aanbieder.
De mogelijkheid om de zorgverlener contractueel aan te spreken bestaat naast de mogelijkheid om deze aan te spreken op grond van artikel 2.4.1 van de wet. De gemeente heeft op grond van dit artikel ook de mogelijkheid om terug te vorderen van degene die opzettelijk zijn of haar medewerking heeft verleend aan het onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens. Dat kan ook de zorgverlener zijn.
Er zijn twee voorwaarden voor een beroep op het derdenbeding:
Het is ook mogelijk om een aanbieder of zorgverlener aan te spreken op terugbetaling van pgb-gelden wegens een onrechtmatige daad. Het gaat dan om een civiele vordering. Het moet gaan om onrechtmatig handelen door de aanbieder richting de gemeente. Daarvan is alleen sprake als het laten uitbetalen van pgb-gelden zo onzorgvuldig of opzettelijk onjuist heeft plaatsgevonden, dat het gaat om fraude of ander misbruik waardoor pgb-gelden oneigenlijk zijn besteed.
HOOFDSTUK 9 KWALITEIT VAN DE ONDERSTEUNING
Op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet moeten gemeenten regelen welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen. De raad legt in ieder geval de hoofdregel vast in de verordening; detailafspraken kunnen daarnaast desgewenst gemaakt worden via de contracten en afspraken met aanbieders.
De wet maakt de gemeenten integraal verantwoordelijk voor de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning, de handhaving en het toezicht. De wet bevat een basisnorm voor kwaliteit van voorzieningen die aanbieders direct bindt (zie hoofdstuk 3 van de wet), waaronder begrepen de eisen over de deskundigheid van beroepskrachten.
Er is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen in dit artikel uitgewerkt. Het jaarlijkse verplichte cliëntervaringsonderzoek (art. 2.5.1. van de wet) en de mogelijkheid om toezicht te laten uitvoeren door de daarvoor aangewezen toezichthouder (art. 6.1.) dragen eraan bij dat het college kan toezien op de kwaliteit.
Artikel 9.2 Inkoop en aanbesteding
Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de inwoner, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Bij verordening moeten regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten, de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, van de wet in artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 gestelde nadere regels. Dat artikel bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen.
Met de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) 'Reële prijs Wmo 2015’ is aan het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 een artikel 5.4 toegevoegd. Dit artikel definieert de kostprijselementen van een reële prijs en regelt de plaats van een reële prijs in de aanbestedingsprocedure. Het artikel heeft tot doel dat een gemeente een reële prijs vaststelt voor een Wmo-dienst.
De AMvB bevat geen landelijke kwantitatieve normering van de verschillende kostprijselementen en stelt geen vaste minimumprijs of een prijs die voor alle gemeenten gelijk moet zijn vast. De bevoegdheid hiervoor ligt bij het college. Het college is niet verplicht aan iedere aanbieder de specifieke kostprijs die de aanbieder zelf hanteert te betalen.
Het college moet tot een reële prijs komen in relatie tot de kwaliteit en deskundigheid die de aanbieder aanbiedt. Dit vraagt om een zorgvuldig proces vanuit de gemeente en openheid vanuit de aanbieders over de kosten die zij maken bij het leveren van een dienst. Het college kan de aanbieders vragen om in hun offertes/ bestek toe te lichten hoe zij invulling geven aan kwaliteits-, deskundigheids-, en continuïteitseisen en normering van de kostprijselementen door de aanbieder.
Verantwoordelijkheid aanbieders
Van aanbieders wordt verwacht dat zij op een reële wijze inschrijven voor de opdracht, daarbij een reële kostprijs hanteren waarmee ze kwalitatief goede hulp of voorzieningen kunnen bieden en handelen in de lijn van goed werkgeverschap en de geldende wet- en regelgeving.
Artikel 9.3 Regeling voor klachtafhandeling
Dit lid is opgenomen om een meer volledig beeld te schetsen van de mogelijkheden om een klacht in te dienen. Deze bepaling staat al in de wet.
In dit lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet. Gekozen is om voor alle aangeboden voorzieningen de klachtenregeling bij de aanbieder verplicht te stellen. De gemeente laat de aanbieders vrij hoe de regeling vorm te geven.
In de Memorie van Toelichting staat dat inwoners in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. Dat kan dan bijvoorbeeld gaan over de deskundigheid van een medewerker, een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder.
Het ligt voor de hand dat inwoners die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.
In het derde lid is aangegeven hoe het college de uitvoering van de klachtregeling door aanbieders controleert.
Artikel 9.4 Meldingsregeling calamiteiten en geweld
Dit artikel regelt dat er door het college wordt voorzien in een regeling voor het doen van meldingen en dat de door het college aangestelde toezichthoudend ambtenaar (artikel 6.1 van de wet) deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.
HOOFDSTUK 10 MANTELZORGONDERSTEUNING
Het college heeft aandacht voor de situatie van de mantelzorger en ziet het belang van goede ondersteuning van de mantelzorger. Er zijn daarom voorzieningen gericht op de mantelzorger. Ook worden afspraken gemaakt met aanbieders van maatwerkvoorzieningen om de positie van de mantelzorger te versterken.
In samenwerking met een aantal bij mantelzorg betrokken organisaties en adviesraden, is de Klankbordgroep Mantelzorg opgericht. Deze klankbordgroep met ervaringsdeskundigen, denkt mee over het mantelzorgbeleid van de gemeente Oss.
Artikel 11.1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid
In de gemeente Oss is de inspraak zoals bedoeld in artikel 2.1.3 derde lid van de wet en artikel 10.1 van deze Verordening, geregeld via de Adviesraad Sociaal Domein (ASD). Zie ook de Verordening Cliëntenparticipatie Sociaal Domein gemeente Oss.
Artikel 11.2 Hardheidsclausule
Er kunnen omstandigheden zijn die vragen om afwijking van een bepaling in de verordening. Te verwachten is dat een beroep op de hardheidsclausule sporadisch zal voorkomen. Er vindt immers -op basis van artikel 2.3.2 van de wet standaard al een zorgvuldige beoordeling plaats waarbij met alle persoonlijke omstandigheden rekening wordt gehouden, en waarbij maatwerk wordt geleverd. De hardheidsclausule wordt in deze verordening niettemin gehandhaafd als vangnet voor al die situaties waarbij toepassing van de verordening leidt tot een onbillijke situatie.
Het afwijken van de verordening kan alleen ten gunste en nooit ten nadele van de inwoner. De inwoner dient te onderbouwen dat zijn situatie zo bijzonder is, dat een beroep op de hardheidsclausule is gerechtvaardigd.
Deze bepaling maakt het mogelijk om de bedragen die gebaseerd zijn op deze verordening te indexeren. De daarbij te hanteren index kan per voorziening door het college worden bepaald.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-310802.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.