Gemeenteblad van Oss
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Oss | Gemeenteblad 2026, 310801 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Oss | Gemeenteblad 2026, 310801 | beleidsregel |
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Oss 2026
De gemeenteraad heeft ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) de taak een verordening vast te stellen. In de verordening maatschappelijke ondersteuning Oss 2026 (hierna: verordening) heeft de gemeenteraad de kaders vastgesteld waarbinnen het college uitvoering geeft aan het raadsbeleid op grond van de Wmo 2015. Het college heeft bij de uitvoering rekening te houden met de kaders in de verordening en met de taken en bevoegdheden die in de Wmo 2015 rechtstreeks aan het college worden verstrekt en de daarbij geldende kaders.
De beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Oss 2026 (hierna: beleidsregels) zijn een uitwerking van de aan het college toebedeelde bevoegdheden en van de beleidsruimte die de wetgever en de gemeenteraad aan het college laat. De beleidsregels bevatten afwegingskaders die gelden bij het inzetten van passende ondersteuning (algemene- en maatwerkvoorzieningen).
In de verordening en ook in de beleidsregels is een belangrijke rol weggelegd voor het proces om te komen tot een passende oplossing voor problemen die inwoners ondervinden bij zelfredzaamheid en participatie. Bij de afweging over maatwerkvoorzieningen wordt altijd nagegaan wat de mogelijkheden van inwoners zelf zijn (eigen kracht), wat het sociaal netwerk aan ondersteuning kan bieden, of er mogelijkheden zijn op basis van andere wettelijke regelingen en tenslotte of er algemene voorzieningen zijn die de hulpvraag kunnen oplossen. Dit afwegingsproces is waar nodig per voorziening uitgewerkt in de beleidsregels.
Uitgangspunt is de persoonlijke situatie van iedere inwoner. Dit betekent dat in de beleidsregels niet tot in detail is vastgelegd hoe het college in concrete situaties zal handelen. De beleidsregels bieden ruimte om in te spelen op persoonlijke mogelijkheden en omstandigheden.
HOOFDSTUK 1 Strategisch kader Wmo Oss 1
1.1 De visie van de Gemeente Oss
Meedoen mogelijk maken is dé missie van het sociaal domein Oss. Al onze inwoners moeten de mogelijkheid hebben om mee te doen aan onze samenleving. Meedoen mogelijk maken gebeurt zoveel mogelijk door mensen en hun verschillende sociale netwerken. Wij helpen de samenleving daarbij waar we kunnen. En als inwoners daarnaast ondersteuning nodig hebben, dan bieden we deze samen met onze partners. Hierbij behandelen we mensen als mensen en vertrouwen we op het goede van de mens.
Vanuit deze missie staan drie grote bewegingen centraal:
Basishulp gaat voor intensieve en betaalde ondersteuning (substitutie)
We willen inwoners passend helpen met oplossingen die horen bij het alledaagse leven en inwoners helpen om om te gaan met tegenslag die bij het leven hoort (normaliseren). Bij hulpvragen van inwoners kijken we altijd naar mogelijkheden vanuit de sociale basis of basishulp (zoals informele, lichte of collectieve hulp). We kijken hierbij wat voor het alledaagse leven belangrijk is, zoals wonen, leren, een daginvulling, werken of inkomen. Deze basis gaat altijd vóór individuele ondersteuning door beroepskrachten. Normaliseren, het voorkomen van problemen en substitutie zijn nodig om ondersteuning toekomstbestendig en betaalbaar te houden.
Betrokkenheid, legitimiteit en rendement
In sommige situaties zit regelgeving een oplossing in de weg en is maatwerk nodig. Daar waar regelgeving binnen het sociaal domein leidt tot onbedoelde en ongewenste effecten, maken we gebruik van de Waardendriehoek: legitimiteit, rendement en betrokkenheid2 .
Door gebruik te maken van de Waardendriehoek kan, wanneer noodzakelijk, gemotiveerd worden afgeweken worden van het systeem of regels.
1.2 Ambities en doelen 3
We hebben de volgende ambities:
Route tot ondersteuning en de Samenwerkwijze
De ondersteuning aan inwoners verloopt volgens de Route tot ondersteuning en de Samenwerkwijze. De Route tot ondersteuning beschrijft de weg die de vraag van de inwoner doorloopt. Het kent een logische opbouw, maar wordt niet strikt lineair doorlopen. De Samenwerkwijze beschrijft hoe professionals binnen deze route werken. Samen vormen zij de basis van onze dienstverlening. We kennen binnen deze werkwijze een aantal basisprincipes:
De wet kent een uitgebreide toegangsprocedure tot (maatwerk)voorzieningen die bestaat uit drie onderdelen: Melding en onderzoek, aanvraag en besluit en bezwaar, beroep en hoger beroep. Onder toegang verstaan we het proces vanaf het moment waarop inwoners zich melden bij de gemeente.
Een melding in de zin van artikel 2.1 van de verordening kan worden gedaan op de volgende wijze:
Het college zal zich na de melding een beeld moeten vormen van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner. Het is daarbij van belang dat het college in dit stadium een zorgvuldige inschatting maakt van de problematiek van de inwoner en op zoek gaat naar de mogelijke vraag achter de vraag. Soms is informatie en advies voldoende om een hulpvraag te beantwoorden.
Niet bij elke melding is een uitgebreid onderzoek nodig. Wanneer de inwoner voldoende bekend is en zijn persoonlijke situatie niet aanzienlijk is veranderd, kan direct een aanvraag voor een maatwerkvoorziening volgen.
Volgens artikel 2.3.3 van de wet moet in spoedeisende gevallen een tijdelijke maatwerkvoorziening worden verstrekt. Met spoedeisende wordt bedoeld die situaties waarin direct ondersteuning noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico's voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. Het college moet in deze gevallen direct in actie komen door een passende tijdelijke maatregel te treffen.
De noodzaak om met spoed een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken, zal slechts in bijzondere gevallen aanwezig zijn. Het betreft situaties waarbij acuut iets geregeld moet worden. Denk bijvoorbeeld aan:
Naast boven genoemde situaties, kan de spoedprocedure ook ingezet worden voor indicaties die gesteld moeten worden bij zorgmijders.
Wanneer er sprake is van een spoedprocedure wordt uiterlijk binnen twee weken na de melding een besluit genomen tot het verstrekken van een tijdelijke maatwerkvoorziening. Een tijdelijke maatwerkvoorziening wordt niet langer dan twaalf weken ingezet.
Nadat de inwoner zich heeft gemeld en duidelijk is dat verder onderzoek nodig is, wijst het college op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen. De inwoner kan binnen zeven dagen na de melding een persoonlijk plan inleveren. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals in het persoonlijk plan beschreven. Het college zal het persoonlijk plan meenemen in de afwegingen om te komen tot een besluit.
3.1.3 Onafhankelijke cliëntondersteuning
Onafhankelijke cliëntondersteuning is ondersteuning van de inwoner met informatie en advies die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie. Een cliëntondersteuner kan de inwoner in het gesprek helpen zijn hulpvraag te verwoorden en keuzes te maken. Het college moet ervoor zorgen dat deze cliëntondersteuning beschikbaar is voor hen die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen het sociale domein.
In de afspraakbevestiging wijst het college erop dat de inwoner gebruik kan maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning.
Na bevestiging van de melding wordt een afspraak gemaakt voor een gesprek. Het gesprek is een belangrijk onderdeel van het onderzoek. Bij het gesprek kunnen ook andere personen dan de inwoner aanwezig zijn, zoals een mantelzorger of personen uit zijn sociaal netwerk.
In het gesprek wordt samen met de inwoner gekeken wat zijn problemen en leefomstandigheden zijn, en hoe zijn sociale omgeving (gezin en sociaal netwerk) eruitziet. Er wordt bekeken welk resultaat hij wil bereiken ten aanzien van zijn zelfredzaamheid en participatie en welke oplossingen passend zouden kunnen zijn. Er wordt ook gekeken in hoeverre eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en algemene voorzieningen kunnen helpen.
In het geval van mantelzorg wordt ook de mantelzorger uitgenodigd voor het gesprek. Het is namelijk van belang om te weten of de mantelzorger behoefte heeft aan ondersteuning in verband met het verlenen van mantelzorg. Een mantelzorger kan zelf ook een gesprek aanvragen. Om te zorgen dat de mantelzorger de juiste ondersteuning krijgt informeert de consulent de mantelzorger over mantelzorg-ondersteuning en respijtzorg. Respijtzorg is het tijdelijk overnemen van de zorg om de mantelzorger ‘op adem te laten komen’. Een voorbeeld is kortdurend verblijf. Ook dagbesteding kan worden ingezet als respijtzorg. De consulent verwijst indien nodig door of legt contact met de lokale mantelzorgpunten. Ook als de mantelzorger niet bij het gesprek aanwezig is wordt aan de inwoner gevraagd naar de mogelijkheden en behoeften van de mantelzorger.
Wanneer de inwoner een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wil, moet er een pgb-plan worden opgesteld. Er vindt ook een apart gesprek plaats. Dit gesprek is bedoeld om te informeren over de voorwaarden en te onderzoeken of een pgb passend is bij de situatie.
Het college kan om advies van deskundigen vragen voor zover dit van belang is voor het onderzoek of de beoordeling van de aanvraag. Het college kan onder andere advies vragen bij de volgende situaties:
Het college beoordeelt het advies en kijkt of er aanleiding bestaat tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening.
Het onderzoek wordt afgesloten met een onderzoeksverslag. In het verslag worden de ondersteuningsbehoeften beschreven. Ook worden de oplossingen verwoord die in samenspraak met de inwoner en zijn omgeving tot stand zijn gekomen. Als er na het gesprek nog aanvullend onderzoek heeft plaatsgevonden wordt het onderzoek en de uitkomst hiervan ook opgenomen in het verslag. In het verslag komt in ieder geval aan de orde:
Nadat de inwoner het verslag heeft ontvangen is het in principe zijn verantwoordelijkheid om zelf te beslissen of een aanvraag wordt ingediend. Dit kan hij doen door het verslag ondertekend terug te sturen. Als de inwoner niet akkoord is dan kan hij dit aangeven op het verslag met daarbij wat de reden is. Als de inwoner van mening is dat hij wel in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag. Het verslag wordt in deze situatie aangemerkt als aanvraagformulier. De cliëntondersteuner kan hier eventueel een rol bij spelen.
Als het college het onderzoek niet binnen de wettelijke termijn van zes weken afrondt, kan de inwoner toch een aanvraag indienen. Daarop moet binnen twee weken worden besloten.
Met een goed uitgevoerd onderzoek wordt recht gedaan aan het belang van de inwoner die zich met een hulpvraag heeft gemeld. Dit geldt ook in het geval van een (gedeeltelijke) afwijzing van de aanvraag. Het onderzoek biedt een zorgvuldige basis voor besluitvorming.
Na het onderzoek kan de inwoner besluiten al dan niet over te gaan tot het indienen van een aanvraag op een door het college daartoe vastgesteld aanvraagformulier of door ondertekening van het gespreksverslag.
Het college neemt naar aanleiding van de aanvraag een besluit. Dit besluit staat in een beschikking. In de beschikking staat: de aanvraag- of meldingsdatum, het besluit, de motivering van het besluit en een bezwaarclausule.
Bij de toekenning van een maatwerkvoorziening wordt in de beschikking vermeld: wat inwoner eventueel zelf kan oplossen, welke voorziening wordt toegekend en het beoogde resultaat daarvan, de omvang en de duur van de voorziening, de wijze van verstrekking (zorg in natura of persoonsgebonden budget), de eventueel van toepassing zijnde voorwaarden en de uitvoering van het besluit. Voor een persoonsgebonden budget geldt dat de hoogte van het pgb, de kwaliteitseisen en de wijze van verantwoording van het pgb ook in de beschikking worden vermeld. Wordt er een andere ondersteuningsbehoefte geïndiceerd dan waarom de inwoner heeft verzocht dan wordt gemotiveerd waarom we hiervoor hebben gekozen.
Verder wordt in de beschikking toekenning gemeld of de inwoner een bijdrage moet betalen.
Bij een afwijzing wordt aangegeven waarom de gevraagde maatwerkvoorziening niet noodzakelijk is voor de inwoner. Bijvoorbeeld omdat hij zonder de gevraagde voorziening in voldoende mate zelfredzaam is of participeert.
Wanneer een maatwerkvoorziening in de vorm van hulp bij het huishouden wordt toegekend, maakt de zorgaanbieder samen met de inwoner een ondersteuningsplan. In dit ondersteuningsplan staan de resultaatafspraken waarop de ondersteuning is gericht, de gemiddelde omvang per week en de frequentie van de activiteiten. Het ondersteuningsplan maakt onderdeel uit van de beschikking.
3.4 Bezwaar, beroep en hoger beroep
Als het genomen besluit afwijkt van de uitkomst van het gesprek wordt de inwoner voor verzending van de beschikking telefonisch geïnformeerd over de aard van de beslissing. Als de inwoner van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, kan de inwoner daartegen bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan.
HOOFDSTUK 4 Algemene beoordeling van maatwerkvoorzieningen
Het beoordelingskader en de toegangsvoorwaarden voor aanspraak op een maatwerkvoorziening worden bepaald door de wet (zoals de doelgroep en de eigen verantwoordelijkheid), de verordening (voorwaarden om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening), de nadere regels en de onderhavige beleidsregels.
4.1 Algemeen beoordelingskader
In de wet is vastgelegd dat het college bij het beoordelen van een aanvraag, onderzoek doet naar:
Eén van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening is dat de inwoner ingezetene is van de gemeente Oss. Om vast te stellen of een inwoner ingezetene is van de gemeente Oss moet de gemeente een onderzoek doen. Hierbij wordt gekeken naar of de inwoner staat ingeschreven in de BRP, maar ook waar de persoon feitelijk zijn woonplaats heeft, dat wil zeggen waar de inwoner gelet op alle omstandigheden daadwerkelijk woont. De BRP is hierin niet doorslaggevend.
Voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang geldt niet dat de inwoner ingezetene moet zijn, hiervoor geldt een landelijke toegankelijkheid.
De eigen kracht van de inwoner is een belangrijke pijler van de wet. Het uitgangspunt van de wet is immers dat de inwoner eerst kijkt in hoeverre hij zelf, of samen met zijn sociaal netwerk als dat mogelijk is, een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van zijn situatie. De inwoner wordt gestimuleerd om zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten. Hiertoe behoort ook dat hij een beroep doet op familie en vrienden – zijn eigen sociaal netwerk – alvorens hij bij de gemeente aanklopt voor hulp. Het is immers normaal dat mensen iets doen voor hun partner, familielid of vriend als deze persoon niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Het uitgangspunt is dus dat iedere inwoner eerst kijkt wat hij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving voor hem kan doen of wat hij zelf voor een ander kan doen. Oplossingen die een inwoner zelf redelijkerwijs kan realiseren gaan voor op het verstrekken van een maatwerkvoorziening.
Eigen verantwoordelijkheid betekent bijvoorbeeld ook de aanschaf en het gebruik van zoveel mogelijk strijkvrije kleding om onnodig beroep op een hulp te voorkomen. Ook nieuwe technische mogelijkheden kunnen worden betrokken bij de afwegingen. Via algemene voorlichting kunnen inwoners worden geïnformeerd over hun eigen verantwoordelijkheid voor het tijdig nemen van maatregelen die leiden tot zelfredzaamheid en participatie. Bijvoorbeeld bij het organiseren van zorg, het aanschaffen van hulpmiddelen en het geschikt maken en houden van hun woningen. Maar ook over het tijdig verhuizen naar een meer geschikte woning zodra er beperkingen ontstaan. De eigen verantwoordelijkheid komt tijdens het gesprek met de inwoner aan de orde.
Het sociaal netwerk bestaat uit personen uit de huiselijke kring (familieleden, huisgenoten, de (voormalig) echtgenoot en mantelzorgers) en andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt. Deze laatstgenoemde personen zijn personen met wie de inwoner regelmatig contacten onderhoudt, zoals bijvoorbeeld buren, collega’s en medeleden van een vereniging.
Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening als de inwoner huisgenoten heeft die in staat zijn hulp te bieden bij bijvoorbeeld het voeren van een gestructureerd huishouden of het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen. Dit wordt gebruikelijke hulp genoemd (zie Bijlage 2).
4.1.4 Voorliggende voorzieningen
Voorliggende voorzieningen zijn voorzieningen op grond van een andere wet- of regelgeving die een passende en toereikende oplossing kunnen bieden. Bij voorliggende voorzieningen kan onder andere gedacht worden aan:
Er moet in elke individuele situatie worden beoordeeld of de voorliggende voorziening toereikend en passend is. Is dat niet of deels het geval, dan moet alsnog een (aanvullende) maatwerkvoorziening worden geboden. Als de inwoner geen gebruik wenst te maken van een voorliggende voorziening, kan dat niet tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening leiden. Of de inwoner dan daadwerkelijk de betreffende voorliggende voorziening zal gaan gebruiken behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner.
4.1.5 Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Er bestaat geen recht op een maatwerkvoorziening als deze voor de inwoner algemeen gebruikelijk is. Hiermee voorkomen we dat het college een voorziening verstrekt waarvan het logisch is dat de inwoner daarover, ook als hij geen problemen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Bij het bepalen of een noodzakelijke voorziening voor de inwoner algemeen gebruikelijk is, wegen we of de voorziening:
In elke situatie wordt beoordeeld of de voorziening voor die inwoner algemeen gebruikelijk is. Zie hiervoor Bijlage 1.
In bepaalde situaties kan een algemeen gebruikelijke voorziening toch niet algemeen gebruikelijk zijn. Deze uitzondering kan zich bijvoorbeeld voordoen als:
Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder diepgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. De gemeente kan overigens na het onderzoek dat volgt op een melding nog steeds verwijzen naar een algemene voorziening.
Bij algemene voorzieningen gaat het vaak om voorzieningen die op laagdrempelige wijze via dienstverlening worden aangeboden. Van een algemene voorziening is alleen sprake als deze wordt geleverd door een aanbieder. Als een voorziening door een private partij wordt geleverd en de gemeente dus geen overeenkomst heeft gesloten met de aanbieder, is dit geen algemene voorziening.
Voorbeelden van algemene voorzieningen kunnen zijn:
De inwoner komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als er een algemene voorziening is die:
financieel gedragen kan worden door de inwoner: het college moet beoordelen of de inwoner in redelijkheid de algemene voorziening kan betalen als er een bijdrage wordt gevraagd. Het is vervolgens aan de inwoner om dit te weerleggen. De inwoner moet aannemelijk maken dat de algemene voorziening financieel niet gedragen kan worden; en
4.2 Algemene criteria voor maatwerkvoorzieningen
Naast het algemene beoordelingskader gelden er criteria op basis waarvan wordt bepaald of een inwoner een maatwerkvoorziening krijgt.
In de verordening is aangegeven dat een maatwerkvoorziening slechts wordt verstrekt wanneer sprake is van een langdurige noodzaak. Deze bepaling geeft een tweetal begrenzingen aan met betrekking tot het verstrekken van voorzieningen, te weten een begrenzing in tijd en de noodzakelijkheid. Voor het criterium ‘langdurig noodzakelijk’ is ook gekozen vanwege het nadrukkelijkere beroep op de inwoner om problemen zelf of met het netwerk op te lossen, zeker als die problemen kortdurend zijn.
Langdurig betekent dat de inwoner de voorziening voor langere tijd nodig moet hebben. Een inwoner die alleen tijdelijk beperkingen heeft, komt niet voor een voorziening in aanmerking. Denk bijvoorbeeld aan een iemand die door een ongeluk tijdelijk beperkt is. Voor tijdelijke hulpmiddelen kan de inwoner een beroep doen op de Zorgverzekeringswet.
Eén manier om te bepalen of een voorziening langdurig noodzakelijk is, is door te kijken naar de termijn die in de Zorgverzekeringswet (Zvw) geldt. De Zvw geeft rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen alleen voor beperkte of onzekere duur. Hiermee wordt een termijn van ten hoogste 26 weken bedoeld.
Een tweede manier om de langdurige noodzaak te beoordelen is door te kijken naar de tijdelijkheid van de beperking. De voorspelling van de ontwikkeling van de beperking is daarbij van belang. Als die is dat de inwoner na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan gaat het college van een kortdurende noodzaak uit. Er wordt dan geen voorziening verstrekt. Is er een wisselend beeld waarbij verbetering in de situatie wordt gevolgd door situaties van terugval, dan kan worden uitgegaan van een langdurige noodzaak.
Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn, kan worden gevormd door situaties waarin voor een afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij een ontregeld huishouden of na een ongeplande ziekenhuisopname. Bij geplande ziekenhuisopname mag van de inwoner worden verwacht dat hij zelf een oplossing vindt voor deze tijdelijke situatie.
Een voorziening wordt alleen verstrekt als duidelijk is dat de voorziening noodzakelijk is om beperkingen te compenseren en zo te zorgen voor een aanvaardbaar niveau van zelfredzaamheid en participatie. Het streven is om de inwoner op het niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn situatie past. Daarbij zijn van belang de situatie van de inwoner voordat er beperkingen waren, evenals de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen hebben.
Aanvaardbaar wil aan de andere kant zeggen, dat de inwoner zich er soms bij neer moeten leggen dat er belemmeringen blijven. De ondersteuning beperkt zich in die zin tot wat noodzakelijk is in het licht van zelfredzaamheid en participatie. De ondersteuning gaat niet zover dat het college rekening moet houden met alle wensen van de inwoner wat betreft persoonlijke voorkeuren, smaak, gewoontes en comfort. Het betekent bijvoorbeeld ook niet per definitie dat de inwoner alle hobby's moet kunnen uitoefenen die hij voorheen uitoefende of dat een inwoner een fietsvoorziening krijgt in plaats van een andere vervoersvoorziening omdat hij liever fietst. Er wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate oplossing.
4.2.2 Goedkoopst adequate voorziening
Maatwerkvoorzieningen die worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat (geschikt) als de meest goedkope maatwerkvoorziening te zijn. Zijn er twee of meer maatwerkvoorzieningen geschikt, dan zal gekozen worden voor de goedkoopste maatwerkvoorziening.
Als de inwoner een duurdere voorziening wil (die eveneens geschikt is) komen de meerkosten van die duurdere voorziening voor rekening van de inwoner. In dergelijke situaties zal de verstrekking, als de inwoner met een pgb kan omgaan, plaatsvinden in de vorm van een pgb gebaseerd op de goedkoopst adequate voorziening.
Als het college van oordeel is dat een inwoner zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en dit met zijn beslissing had kunnen voorkomen door rekening te houden met zijn beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan, kan het college besluiten dat de inwoner niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie.
Bij een beroep op maatschappelijke opvang, kan bijvoorbeeld worden gekeken of iemand zelf zijn huur heeft opgezegd of zijn herkomstland heeft verlaten zonder maatregelen te treffen om zich in onze regio te vestigen.
Voorzienbaarheid moet goed worden onderzocht en in kaart gebracht. Voorzienbaarheid is namelijk moeilijk vast te stellen. Van belang is wanneer en wat de inwoner had kunnen weten.
Het college kan voorzieningen weigeren als iemand iets aanschaft of verhuist zonder rekening te houden met zijn beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. Er is dan al sprake van beperkingen. Het college kan niet van inwoners eisen dat preventief maatregelen worden getroffen en investeringen worden gedaan die moeten voorkomen dat mogelijke beperkingen in de toekomst, bijvoorbeeld als gevolg van het ouder worden, leiden tot een beroep op de Wmo. Er is dan namelijk nog geen sprake van beperkingen.
4.2.4 Eerder verstrekte voorziening
Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening als de aanvraag betrekking heeft op een al eerder verstrekte voorziening in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling én de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken. Een uitzondering kan worden gemaakt als de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen.
Het is ook redelijk te achten dat de inwoner – als een ander dan hijzelf schade heeft veroorzaakt – diegene aansprakelijk stelt.
Het college verstaat onder de normale afschrijvingsduur de technische afschrijvingsduur. Dit houdt in dat het college niet gehouden is een economisch afgeschreven voorziening, die nog in goede staat is en passend voor de inwoner, in te nemen en een nieuwe maatwerkvoorziening te verstrekken. In de nadere regels is de technische afschrijvingsduur van hulpmiddelen opgenomen.
4.2.5 Geen aanleiding voor verhuizing, tenzij belangrijke reden
Aanvragen die het gevolg zijn van een verhuizing vanuit een voor de inwoner geschikte woning en waarvoor dus geen noodzaak bestaat, leiden tot afwijzing van een maatwerkvoorziening. Dat is anders als er een belangrijke reden voor de verhuizing bestaat.
Als belangrijke redenen kunnen worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk verder weg. In geval van samenwoning of huwelijk houdt het college ook rekening met de keuze die de inwoner maakt in welke woning hij gaat samenwonen. Ook in dat geval moet er een belangrijke reden zijn waarom hij naar de woning verhuist waar mogelijk meer aanpassingen moeten worden verricht. Het college betrekt daarbij ook de mogelijkheden die van de partner van de inwoner kunnen worden gevergd.
HOOFDSTUK 5 Specifieke beoordeling van voorzieningen
Algemene en maatwerkvoorzieningen kennen verschillende verschijningsvormen, passend bij het resultaat dat behaald moet worden. Naast het algemene beoordelingskader en de algemene criteria zoals beschreven in hoofdstuk 4 van deze beleidsregels, wordt bij de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening het specifieke afwegingskader van de betreffende maatwerkvoorziening betrokken. Het specifieke afwegingskader voor de algemene voorziening huishoudelijke hulp staat hier ook beschreven.
Voor de maatwerkvoorzieningen die behoren tot het Regionale vangnet zijn de specifieke afwegingskaders opgenomen in aparte (regionaal geldende) beleidsregels.
Het kunnen voeren van een huishouden vergroot de zelfredzaamheid en maakt langer zelfstandig wonen in de eigen leefomgeving mogelijk. Hulp bij het huishouden is een vorm van ondersteuning die ervoor zorgt dat inwoners een gestructureerd huishouden kunnen voeren.
5.1.1 Wat valt onder de reikwijdte van de Wmo?
De Wmo 2015 geeft geen concrete definitie van een gestructureerd huishouden. Uit uitspraken van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat het voeren van een gestructureerd huishouden in ieder geval inhoudt, de zorg voor:
Een huis is schoon en leefbaar als het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van inwoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.
Een schoon en leefbaar huis heeft betrekking op een schone woonkamer, slaapvertrek(ken), keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. Het gaat hier alleen om ruimten die ook daadwerkelijk in gebruik zijn. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon etc.) maakt geen onderdeel uit van de huishoudelijke hulp.
Om de resultaten een schoon en leefbaar huis en het kunnen beschikken over schone kleding en beddengoed te bereiken kunnen verschillende huishoudelijke activiteiten nodig zijn:
5.1.2 Beoordeling van een aanvraag voor hulp bij het huishouden
In de gevallen waarbij inzet van de algemene voorziening niet toereikend is, zoals bij regieprobleem wordt er maatwerk ingezet. Let op: mocht iemand uit het netwerk de regie over kunnen nemen waardoor er geen sprake meer is van een regieprobleem, dan kan een algemene voorziening alsnog toereikend zijn.
5.1.3 Hulp bij het huishouden als algemene voorziening
Inwoners die als gevolg van een lichamelijke beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem niet in staat zijn (een deel van) de huishoudelijke taken uit te voeren, maar zelf nog in staat zijn om regie te voeren over het huishouden. Deze inwoners hebben een relatief eenvoudige ondersteuningsvraag. Of een inwoner tot de doelgroep behoort en in aanmerking komt voor de algemene voorziening hulp bij huisouden, wordt een lichte toets uitgevoerd.
De algemene voorziening hulp bij huishouden betreft 52 uur hulp per jaar, verdeeld over iedere twee weken twee uur hulp.
Aan de hand van de persoonlijke situatie van de inwoner gaat de zorgaanbieder in overleg met de inwoner om te bepalen welke activiteiten moeten worden overgenomen.
Voor de algemene voorziening wordt geen beschikking, geen ondersteuningsplan en geen einddatum afgegeven, maar een verwijzing naar een zorgaanbieder. De algemene voorziening hulp bij huishouden kan niet in de vorm van een persoonsgebonden budget worden ingezet.
De algemene voorziening hulp bij huishouden is voorliggend op een maatwerkvoorziening hulp bij huishouden.
5.1.4 Hulp bij het huishouden als maatwerkvoorziening
Hulp bij huishouden als maatwerkvoorziening is bedoeld voor inwoners die als gevolg van een beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem niet meer in staat zijn (een deel) van de huishoudelijke taken uit te voeren en waarbij de noodzakelijke ondersteuning de algemene voorziening overstijgt of waarbij de inwoner niet in staat is de regie te voeren over het huishouden en er niemand uit de omgeving de regie kan overnemen.
Schoon en leefbaar houden en wasverzorging
Bij de maatwerkvoorziening hulp bij huishouden gaat het in ieder geval om huishoudelijke werkzaamheden gericht op het schoon en leefbaar houden van de woning. Het betreft hier overname van huishoudelijke taken genoemd onder de basisactiviteiten en incidentele activiteiten en wanneer nodig overname van de wasverzorging. Strijken wordt in de regel niet gedaan. De inwoner kan gebruik maken van strijkvrije kleding.
Organisatie van het huishouden
Wanneer sprake is van een verminderde regie kan hulp ingezet worden bij de organisatie van het huishouden. Het gaat dan om:
Hulp bij het doen van boodschappen en/of maaltijden
Wanneer een inwoner niet in staat is boodschappen te doen en/of maaltijden te bereiden dan kan gebruik gemaakt worden van een boodschappendienst en/of kant-en-klaar maaltijden. Er zijn diverse boodschappendiensten en maaltijdservices in de gemeente Oss beschikbaar. Deze zijn voorliggend op hulp bij het huishouden en worden in de regel als algemeen gebruikelijke voorzieningen beschouwd.
Wanneer een inwoner aansporing nodig heeft bij de maaltijden dan valt dit onder individuele ondersteuning. Wanneer een inwoner hulp nodig heeft bij het eten zelf dan valt dit onder persoonlijke verzorging (Zorgverzekeringswet).
In zeer uitzonderlijke situaties wanneer niemand in de omgeving kan helpen, er geen voorliggende wet- en regelgeving is (bijvoorbeeld een Wlz-indicatie), er geen gebruik gemaakt kan worden van vrijwilligers, samen-eet-voorzieningen, hulpmiddelen, maaltijdservices e.d., kan hulp bij het huishouden worden ingezet bij de maaltijden. Het kan dan gaan om het bereiden van een broodmaaltijd, op- en afruimen van de tafel, koffie- en theezetten of een maaltijd opwarmen.
Bijzondere situaties: zorg voor kinderen die tot het gezin behoren
De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beiden werken opvang voor de kinderen is. De Wmo is niet bedoeld om kinderopvang te financieren, daar zijn andere regelingen voor (bijvoorbeeld Wet kinderopvang). Van ouders wordt bijvoorbeeld ook verwacht gebruik te maken van ouderschapsverlof, zorgverlof en mogelijkheden binnen het sociaal netwerk.
De Wmo kan in uitzonderlijke en onverwachte situaties tijdelijk hulp bieden zodat ruimte ontstaat om zelf naar een al dan niet structurele oplossing te zoeken. Het gaat dan alleen om zorgtaken, vervoer naar zwemles e.d. vallen hier niet onder.
5.1.5 Frequentie en normering van hulp bij het huishouden (maatwerkvoorziening)
Het college heeft met diverse zorgaanbieders overeenkomsten. De zorgaanbieder van wie de inwoner hulp bij het huishouden wil ontvangen, krijgt van het college de opdracht om samen met de inwoner een ondersteuningsplan te maken gebaseerd op het resultaatgebied/de resultaatgebieden waarop de hulp bij het huishouden gericht moet zijn. In het ondersteuningsplan wordt in ieder geval benoemd:
Een ondersteuningsplan is altijd maatwerk en verschilt per individuele situatie. Het college betrekt het ondersteuningsplan bij het besluit op de aanvraag voor hulp bij het huishouden.
Als de inwoner de hulp bij het huishouden wil ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) dan maakt de inwoner samen met de hulp een pgb-plan. Hiervoor geldt net als bij hulp van een gecontracteerde aanbieder dat in het pgb-plan in ieder geval benoemd moet staan welke concrete huishoudelijke activiteiten worden overgenomen en met welke frequentie en ureninzet deze activiteiten worden uitgevoerd. Ook moet duidelijk zijn wie de hulp gaat bieden (professional, zzp’er of een informele hulpverlener). De hoogte van het pgb is afgestemd op de kosten van huishoudelijke hulp in natura. (Zie ook paragraaf 6.2 over pgb).
Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden wordt gebruik gemaakt van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning4 . Dit normenkader wordt gebruikt om:
5.2 Collectief en individueel vervoer
Wanneer het reguliere openbaar vervoer niet voldoet voor verplaatsingen binnen de leefomgeving (straal van 25 kilometer vanaf het woonadres) en ook vervoer door het sociaal netwerk niet mogelijk of toereikend is, dan kan een vervoersvoorziening aan de orde zijn. Hierbij wordt eerst nagegaan of andere mogelijkheden een oplossing kunnen zijn. Bijvoorbeeld het vrijwilligersvervoer. Daarnaast kan een algemeen gebruikelijke voorziening soms ook het vervoersprobleem van de inwoner oplossen. Hierbij kan gedacht worden aan een elektrische fiets.
Het resultaat van een vervoersvoorziening is met name sociaal recreatief. Het gaat daarbij onder andere om:
Als vaststaat dat een vervoersvoorziening noodzakelijk is, wordt eerst beoordeeld of het verplaatsingsprobleem kan worden opgelost door gebruik te maken van het collectief vervoer.
Collectief vervoer is een vorm van openbaar vervoer speciaal gericht op mensen met beperkingen en wordt uitgevoerd door de Regiotaxi Noordoost-Brabant. Het gaat om vervoer van deur tot deur via reservering. Er wordt gereden met een (rolstoel)- taxibusje of een gewone taxi (personenauto). Met dit vervoer kan een inwoner binnen een straal van 25 kilometer hemelsbreed vanaf het woonadres reizen tegen een tarief dat gerelateerd is aan de tarieven in het openbaar vervoer. De maximale afstand is bepaald op 25 kilometer per rit om te zorgen voor een goede aansluiting op het landelijk vervoerssysteem Valys. Per jaar kan 1500 kilometer worden gereisd met de Regiotaxi.
Soms is het nodig dat een inwoner alleen reist per taxi of dat iemand voorin moet zitten of dat er een begeleider mee moet reizen. Of hier echt een noodzaak voor bestaat wordt door het college beoordeeld.
Verplichte (medische) begeleiding: de reiziger mag niet zonder begeleiding mee vanwege een medische noodzaak waarbij de begeleider moet kunnen ingrijpen of een gedragsmatige noodzaak waardoor tijdens het vervoer toezicht nodig is. Als (medische) begeleiding is geïndiceerd, kan niet zonder begeleider worden gereisd. De begeleider reist dan gratis.
Er kan altijd één persoon tegen betaling meereizen. De medereiziger betaalt hetzelfde reizigerstarief.
Als de vervoersbehoefte niet of niet voldoende wordt opgelost met collectief vervoer, kan (in aanvulling op) het collectief vervoer een (individuele) vervoersvoorziening worden toegekend. Er wordt onderzocht waaraan de voorziening moet voldoen, zoals welk type voorziening en welke aanvullende functionele eisen noodzakelijk zijn om het resultaat te bereiken. Hierbij geldt het principe van goedkoopst adequaat. Denk hierbij onder meer aan scootmobielen, driewielfietsen en elektrische rolstoelen. Soms is een rijvaardigheidsbeoordeling nodig om de geschiktheid van een hulpmiddel te onderzoeken.
Een individuele vervoersvoorziening wordt in de regel in bruikleen verstrekt via een leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten. De leverancier levert de voorziening aan de inwoner, is verantwoordelijk voor het afsluiten van een verzekering en draagt zorg voor onderhoud en reparatie van de voorziening. De gebruiker van de voorziening sluit met de leverancier een bruikleenovereenkomst af.
De inwoner kan ook zelf met een persoonsgebonden budget een vervoersvoorziening aanschaffen. De budgethouder is met dit budget verantwoordelijk voor de aanschaf van de voorziening en voor verzekering, onderhoud en reparatie. Een pgb voor een vervoersvoorziening wordt in beginsel eenmaal in de zes jaar verstrekt. Het kan voorkomen dat er door een veranderde situatie van deze termijn wordt afgeweken. De voorziening die met het pgb wordt aangeschaft, moet voldoen aan de in de beschikking gestelde eisen en moet het doel realiseren waarvoor de voorziening is toegekend.
Een scootmobiel is bedoeld voor vervoer op de korte en middellange afstanden en kan worden gebruikt als aanvulling op het collectief vervoer, bijvoorbeeld om zelf boodschappen te kunnen doen, familie te bezoeken of deel te nemen aan vrijetijdsbesteding en waarvoor andere vervoersmiddelen (eigen auto, (brom)fiets (met trapondersteuning) onvoldoende oplossing bieden. De inwoner dient over voldoende verkeersinzicht en rijvaardigheid te beschikken om veilig aan het verkeer deel te kunnen nemen.
Wanneer uit het onderzoek naar de vervoersbehoefte van de inwoner blijkt dat het gebruik van een scootmobiel niet structureel van aard is (bijvoorbeeld enkel gebruik in de zomermaanden), zal afgewogen moeten worden of het noodzakelijk is om een scootmobiel toe te kennen.
Stallen van scootmobielen (en andere elektrisch aangedreven vervoersmiddelen)
Het college beoordeelt of de scootmobiel gestald kan worden in berging, schuur of garage. De ruimte moet voldoen aan de eisen voor brandveiligheid en toegankelijkheid (Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL), artikel 6.4 en 6.15a en de eisen die de leveranciers stellen).
Als stalling in een berging, schuur of garage niet mogelijk of geschikt is, beoordeelt het college of de scootmobiel in de woning gestald kan worden. Bijvoorbeeld in de hal, bijkeuken of logeerkamer.
Als er geen andere mogelijkheden zijn om een scootmobiel veilig te kunnen stallen dan onderzoekt het college de mogelijkheden voor plaatsing van een scootsafe in de buitenruimte. De scootsafe moet voldoen aan de eisen van de BBL, zoals brandveiligheid en veilige laadvoorziening.
Wanneer geen veilige stallingsmogelijkheid in of rondom de woning kan worden gerealiseerd, kan het college een aanvraag voor een individuele vervoersvoorziening weigeren.
Autoaanpassingen zijn aanpassingen die het algemeen gebruikelijk karakter van een auto te boven gaan. Het betreft autoaanpassingen die functioneel noodzakelijk zijn voor mensen met een beperking. Faciliteiten die veelal in auto’s zijn ingebouwd kunnen ook door mensen zonder beperkingen worden gebruikt. Deze faciliteiten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het gaat hier bijvoorbeeld om elektrisch bedienbare ramen, verstelbare lendesteunen, neerklapbare achterbank, rembekrachtiging, schakelautomaat, airconditioning, stuurbekrachtiging, cruise control, inparkeerfunctie, achteruitrij-camera, etc.
Of een inwoner in aanmerking komt voor een autoaanpassing wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
Nadere voorwaarden aan het verlenen van aanpassing aan een eigen auto:
Er moet een redelijke verhouding zijn tussen de kosten van de aanpassing en de redelijkerwijs te verwachten resterende levensduur van de auto. Als de aanpassing tegen geringe kosten te herplaatsen is in een andere auto (bijvoorbeeld bij een aangepaste autostoel) kan deze voorwaarde vervallen. In die gevallen komt men de eerstvolgende zeven jaar na deze autoaanpassing alleen voor de kosten van herplaatsing van die voorziening in aanmerking;
De kosten voor het aanpassen van een auto worden vergoed aan de hand van een door het college goedgekeurde offerte.
Een rolstoel is een voorziening om te kunnen verplaatsen over korte afstanden, van enkele tientallen meters tot enkele honderden meters. Wie door beperkingen geen andere mogelijkheid heeft zich te verplaatsen anders dan met een rolstoel, kan een rolstoel op grond van de Wmo krijgen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen rolstoelen voor continu en rolstoelen voor incidenteel gebruik.
In beginsel komen alleen inwoners die vanwege beperkingen langdurig zijn aangewezen op een rolstoel hiervoor in aanmerking op grond van de Wmo. Rolstoelen die korter dan zes maanden nodig zijn, worden verstrekt op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw).
Een woonvoorziening kent drie vormen: losse hulpmiddelen, woningaanpassingen en een verhuiskostenvergoeding voor het verhuizen naar een geschikte woning. Een woonvoorziening wordt verstrekt om normaal gebruik van de woning mogelijk te maken.
Onder normaal gebruik van de woning wordt verstaan het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties. Dat zijn: slapen, eten en koken, lichaamsreiniging, toiletgebruik, huishoudelijke werkzaamheden en het veilig in en om de woning kunnen verplaatsen. Voor kinderen komt daar nog bij het veilig kunnen spelen in de woonruimte. Hobby- en studeerruimtes bijvoorbeeld behoren niet tot de elementaire woonfuncties. Dit geldt ook voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals een dialyseruimte en therapeutisch baden. Hiervoor wordt geen woonvoorziening verstrekt.
Onder losse hulpmiddelen worden onder meer verstaan: verrijdbare douchebrancards, verrijdbare douchetoiletstoelen of tilliften. Veel losse hulpmiddelen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Denk aan toiletverhogers, toiletstoelen, douchekrukken etc.
Het plaatsen van trapliften en het aanpassen van badkamers en keukens zijn voorbeelden van woningaanpassingen.
Een aanpassing kan worden aangebracht in de woning:
waar de inwoner zijn hoofdverblijf heeft. Een uitzondering is het aanpassen van een tweede woning voor een kind met gescheiden ouders in het kader van co-ouderschap of het aanpassen van een woning om deze bezoekbaar te maken voor een inwoner die in een Wlz-instelling verblijft (artikel 4.6 verordening); en
Kwaliteitsniveau woningaanpassingen
Voor het kwaliteitsniveau van de woningaanpassing wordt aangesloten bij het actuele Bouwbesluit en bij wat gangbaar is in de sociale woningbouw. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij een badkameraanpassing eenvoudige standaard tegels gebruikt zullen worden.
Een woningaanpassing dient te worden uitgevoerd door een (onafhankelijk) erkend bedrijf met het Bouwgarant keurmerk of vergelijkbaar. De gemeente heeft met diverse leveranciers overeenkomsten afgesloten zowel voor trapliften als voor andere woningaanpassingen.
5.4.3 Verhuizen of aanpassen (primaat van verhuizen)
Het primaat van verhuizen betekent dat het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding voorrang heeft op het aanpassen van de woning. De achterliggende gedachte hierbij is dat er zo efficiënt mogelijk met de beschikbare middelen en woningvoorraad wordt omgegaan. Het is van belang dat het college in iedere situatie waarin overwogen wordt het primaat van verhuizen toe te passen, zorgvuldig de belangen afweegt en beoordeelt of het primaat van verhuizen een compenserende oplossing is.
Allereerst moet duidelijk zijn wat het kost om de huidige woning adequaat aan te passen, rekening houdend met eventuele beperkingen in de toekomst. Deze kosten moeten worden vergeleken met de kosten om de inwoner te laten verhuizen. Komen de aanpassingskosten van een woning boven de €7500,- uit dan wordt onderzocht of het primaat van verhuizen kan worden opgelegd.
Beoordeling primaat van verhuizen
Om te beoordelen of verhuizen redelijkerwijs verlangd kan en mag worden en of dit ook daadwerkelijk mogelijk is en een compenserende oplossing biedt, is een aantal aspecten van belang. Enkel de stelling dat men niet wil verhuizen, is niet voldoende. De volgende factoren worden meegewogen in het onderzoek:
Als blijkt dat een verhuizing mogelijk is en verlangd mag worden van de inwoner, betekent dit niet dat hij ook verplicht kan worden om die andere woning te betrekken. Het betekent wel dat in die situatie de gevolgen van de keus die de inwoner maakt voor diens rekening komen en blijven. Vaak zal dit betekenen dat de aanpassing van de huidige woning wordt geweigerd dan wel wordt volstaan met een bijdrage in de kosten van de aanpassingen tot maximaal de hoogte van de verhuiskostenvergoeding. Mits de bestaande woning naar het oordeel van het college adequaat wordt aangepast.
Wanneer een verhuizing niet op eigen kracht gerealiseerd kan worden, een woning niet (eenvoudig) kan worden aangepast of de kosten van een woningaanpassing hoger zijn dan €7.500,- én er geen redenen zijn om niet te verhuizen, dan kan het college een verhuizing mogelijk maken. In een programma van eisen wordt aangegeven waar de nieuwe woning aan moet voldoen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een woning waarbij geen trappen hoeven te worden belopen of een woning die al is aangepast met bijvoorbeeld een traplift of een aangepaste keuken. Ook kan bijvoorbeeld worden gesteld dat de woning rolstoelgeschikt of toe- en doorgankelijk moet zijn.
Als de inwoner verhuist naar een geschikte of eenvoudig geschikt te maken woning, dan ontvangt de inwoner een verhuiskostenvergoeding. Deze is bedoeld als tegemoetkoming in de kosten van het verhuizen en het opnieuw inrichten van de woning.
Een toekenning van een verhuiskostenvergoeding is twaalf maanden geldig, ervan uitgaande dat het medisch noodzakelijk is om binnen deze termijn te verhuizen. Als binnen deze termijn nog niet is verhuisd, kan een nieuwe melding worden gedaan. De verhuiskostenvergoeding wordt pas aan de inwoner uitbetaald nadat de woning is goedgekeurd door het college. De hoogte van de verhuiskostenvergoeding is vastgelegd in de nadere regels.
Van inwoners mag worden verwacht dat zij, voor zover redelijk, maatregelen treffen om hun woning zo mogelijk af te stemmen op hun situatie, beperkingen en levensfase. Daar hoort bij dat bij een verhuizing, bij de keuze voor een woning en bij de aanschaf van een woonvoorziening rekening gehouden wordt met de gezondheidssituatie en te verwachten beperkingen.
Wanneer een inwoner bij een verhuizing of bij de aanschaf van een woonvoorziening onvoldoende rekening heeft gehouden met een bestaande beperking en of met te verwachten ontwikkelingen daarvan, kan een aanvraag voor een woningaanpassing of andere maatwerkvoorziening worden geweigerd. Een voorbeeld hiervan kan zijn; een inwoner met een loopbeperking verhuist naar een woning met een (steile) trap.
Wanneer een inwoner bewust een keuze maakt die voorzienbaar leidt tot een concreet probleem, mag ervan worden uitgegaan dat de inwoner dit had kunnen voorzien. In dergelijke gevallen kan een aanvraag voor een voorziening worden afgewezen.
Bij de beoordeling van een aanvraag onderzoekt het college of het probleem voorzienbaar was. Daarbij wordt onder meer meegewogen (niet limitatief):
Als de hulpvraag wel voorzienbaar was, maar het niet redelijk is van de inwoner te verwachten dat hij de situatie geheel had kunnen voorkomen, kan alsnog een maatwerkvoorziening worden verstrekt.
Een sportvoorziening, waaronder een sportrolstoel, kan bijdragen aan de participatie van een inwoner. Uitgangspunt hierbij is dat men in principe zelf verantwoordelijk is voor de aanschaf van zaken die nodig zijn voor de sportbeoefening. Wanneer vanwege de beperking extra kosten worden gemaakt, kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. De financiële tegemoetkoming is gemaximeerd en wordt maximaal eens in de vier jaar verstrekt ten behoeve van de aanschaf, het onderhoud en reparatie. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is opgenomen in de nadere regels. Voor alle sportvoorzieningen geldt een eigen bijdrage (ook voor sportrolstoelen).
5.5.1 Beoordeling van een aanvraag voor een sportvoorziening
Omdat het te behalen resultaat op maatschappelijke participatie is gericht, worden in ieder geval de volgende factoren betrokken bij de afweging of een financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt:
Sportvoorzieningen voor gezamenlijk of collectief gebruik komen niet voor individuele compensatie in aanmerking. Dit geldt ook voor sportvoorzieningen specifiek voor het kunnen sporten op een hoog niveau.
Een belangrijke vorm van ondersteuning kan zijn het bieden van respijtzorg. Respijtzorg wil zeggen: zorg waardoor de mantelzorger tijdelijk wordt ontlast van zijn taak. Bij kortdurend verblijf wordt de inwoner verblijf geboden in een accommodatie waar onder (professionele) verantwoordelijkheid 24-uurs zorg wordt geleverd. Het verblijf is voor een korte periode.
Kortdurend verblijf kan bijvoorbeeld worden ingezet als de mantelzorger door een operatie tijdelijk niet in staat is zijn taken te verrichten. Of door een vakantie van de mantelzorger.
5.6.1 Beoordeling van een aanvraag voor kortdurend verblijf
De belangrijkste afweging is of er sprake is van dreigende of al aanwezige overbelasting van de mantelzorger. Het gaat in de praktijk bijna altijd om intensieve mantelzorg, waarbij de zorgvrager intensieve verzorging, begeleiding en/of toezicht nodig heeft, gedurende de hele dag.
Bij de afweging gelden de volgende voorwaarden:
Zijn andere vormen van respijt bieden aan de mantelzorger mogelijk? Kortdurend verblijf in een instelling is pas aan de orde als andere vormen van overname van zorgtaken van de mantelzorger niet toereikend zijn. Duidelijk moet zijn dat dit niet te realiseren valt of onvoldoende is om overbelasting te voorkomen;
Kortdurend verblijf kent twee niveaus: basis en extra.
Kortdurend verblijf basis is kortdurend verblijf zonder individuele ondersteuning. Wanneer de inwoner in de thuissituatie individuele ondersteuning krijgt, dan wordt verwacht dat deze ondersteuning wordt gecontinueerd tijdens het kortdurend verblijf.
Kortdurend verblijf extra is kortdurend verblijf met individuele ondersteuning. Wanneer de inwoner individuele ondersteuning nodig heeft, maar dit in de thuissituatie wordt opgelost zonder maatwerkvoorziening (bijvoorbeeld door mantelzorg), dan kan hiervoor kortdurend verblijf extra worden toegekend.
De inwoner is zelf verantwoordelijk voor vervoer naar de instelling voor kortdurend verblijf. Daarbij dient in de eerste plaats gebruik gemaakt te worden van eigen vervoer of van hulp uit het eigen netwerk. Het is ook mogelijk om gebruik te maken van de Regiotaxi. Wanneer geen van deze vormen van vervoer tot voldoende oplossing leiden, kan aanvullend vervoer worden toegekend.
5.7 Gespecialiseerde dagbesteding
Dagbesteding is een Wmo-voorziening die geboden wordt aan inwoners die als gevolg van een beperking of specifieke omstandigheid onvoldoende zelfredzaam zijn op het gebied van een zinvolle invulling van de dag, het hebben van sociale contacten en maatschappelijke deelname. Dagbesteding begeleidt de inwoner bij het bevorderen en behouden van zelfredzaamheid en biedt begeleiding bij achteruitgang van zelfredzaamheid. Een inwoner kan ook in aanmerking komen voor dagbesteding als overbelasting van mantelzorgers daarmee wordt voorkomen.
Dagbesteding wordt aangeboden in een groep, of is gericht op het hebben van contacten met meerdere personen. De begeleiding is deskundig in het bieden van passende activiteiten, structuur, toezicht en/of zorg en richt zich daarnaast ook op een afgewogen samenstelling van de groep en de omgeving waarin de dagbesteding plaatsvindt.
Het gaat bij gespecialiseerde dagbesteding om ondersteuning bij activiteiten voor inwoners met een sterk verminderde zelfregie als gevolg van psychiatrische, psychogeriatrische, verstandelijke of lichamelijke beperkingen. Het aanbod is gericht op:
5.7.1 Voorwaarden voor verstrekking
Dagbesteding wordt geboden aan inwoners die beperkingen hebben bij een zinvolle tijdsbesteding met sociale contacten en maatschappelijk verkeer. Als de ondersteuningsvraag op het gebied van dagbesteding niet met eigen kracht, het sociale netwerk of met voorliggende voorzieningen is op te lossen, kan een aanvraag worden gedaan voor de maatwerkwerkvoorziening gespecialiseerde dagbesteding. Bij de beoordeling van de aanvraag blijft het versterken van de eigen kracht en het inzetten van voorliggende oplossingen het uitgangspunt. De geboden ondersteuning wordt niet zwaarder of langer ingezet dan nodig is.
Hierbij kan gedacht worden aan oplossingen die iemand al had ingezet voordat de beperking optrad, het deelnemen aan activiteiten voor en door bewoners in de buurt, aansluiting vinden bij verenigingen en sportclubs, het volgen van cursussen, het uitbouwen van hobby’s, het zoeken van vrijwilligerswerk, onderwijs of een reguliere baan.
Het vergroten van de inzet van het eigen sociaal netwerk
Hierbij kan gedacht worden aan familieleden, vrienden of kennissen die een vorm van dagbesteding organiseren voor de inwoner, zoals iemand die een vast dagdeel op bezoek komt, iemand die de inwoner meeneemt naar een sociale gelegenheid of een vrijwilliger die wekelijks met de inwoner gaat wandelen. Voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar bepaalde begeleiding bieden, is ondersteuning vanuit de Wmo niet aan de orde.
Een beroep doen op andere wetgeving
De Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) kunnen voorliggend zijn op ondersteuning vanuit de Wmo. De Wlz kan voorliggend zijn als blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid en/of permanent toezicht nodig is. De Zvw kan voorliggend zijn als behandeling mogelijk is. Na of tijdens Zvw-behandeling kan de inwoner behoefte hebben aan dagbesteding.
Als de zelfredzaamheid van de inwoner naar verwachting onvoldoende blijft dan is ondersteuning vanuit de Wmo een mogelijkheid. Wanneer de doelgroep te maken heeft met meervoudige domeinoverstijgende problematiek op het terrein van de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning of de Participatiewet wordt voor een goede afstemming van de ondersteuning gezorgd.
Het gebruik maken van algemene voorzieningen
Algemene voorzieningen in de wijk kunnen een oplossing bieden voor de problemen op het gebied van dagbesteding. Hierbij kan gedacht worden aan activiteiten voor en door bewoners zoals eettafels, koffieochtenden en wandelgroepen. Maar ook aan activiteiten gericht op het met elkaar kennis laten maken van mensen uit de buurt of buurtgebonden voorzieningen zoals het Huis van de wijk.
Afbakening dagbesteding met individuele ondersteuning
Individuele ondersteuning en dagbesteding onderscheiden zich in de te behalen resultaten en de aard van de begeleiding. Daar waar individuele ondersteuning zich richt op de beperkingen bij het zelfstandig functioneren van de inwoner die zonder ondersteuning risico loopt om de zelfredzaamheid te verliezen, richt dagbesteding zich op het hebben van sociale contacten en zinvolle activiteiten. Daarbij vindt de begeleiding bij individuele ondersteuning individueel plaats en bij dagbesteding in groepsverband of in ieder geval in contact met anderen.
Gespecialiseerde dagbesteding kent twee niveaus:
Dagbesteding met ondersteuning die is gericht op het stabiliseren en/of bevorderen van het zo zelfstandig mogelijk functioneren, het voorkomen van verergering van klachten en het leren omgaan met beperkingen. De dagbesteding ziet toe op het aanleren/behouden van dagstructuur en dagritme en het vergroten van de zelfredzaamheid. Het programma zal bijdragen aan verlichting van sociaal isolement van de inwoner en/of aan verlichting van de zorg thuis door de mantelzorger. De ondersteuning wordt wanneer nodig aangevuld met assistentie bij persoonlijke zorg. De ondersteuning kan gericht zijn op het versterken van de mantelzorger en de (nieuwe) omgeving in de omgang met de inwoner om, waar mogelijk, te komen tot een zinvolle dagbesteding en afbouw van professionele hulp.
Dagbesteding extra is met name gericht op het stabiliseren van het functioneren, het voorkomen van verergering en het leren omgaan met beperkingen. Er is sprake van intensieve ondersteuning voor inwoners met een matig of slecht ziekte-inzicht dan wel inwoner en met op meerdere leefgebieden problemen waarbij een achteruitgang te verwachten is én waarbij niet ondersteunen leidt tot crisissituaties. Het gaat om inwoners die niet in staat zijn zelfstandig activiteiten uit te voeren en voortdurend ondersteuning nodig hebben.
Bij een indicatie voor gespecialiseerde dagbesteding wordt onderzocht of de inwoner in staat is om de locatie van de dagbesteding te bereiken. Wanneer een inwoner in staat is met het openbaar vervoer te reizen (eventueel na oefenen onder begeleiding) of met de fiets of een ander vervoermiddel zelfstandig (of onder begeleiding van mantelzorg of vrijwilliger, indien beschikbaar) de dagbesteding kan bereiken dan is dat voorliggend. Voor vervoer naar de dagbesteding mag geen gebruik worden gemaakt van de Wmo-regiotaxipas waarmee met gereduceerd tarief kan worden gereisd. Als vervoer naar de dagbesteding nodig is dan maakt het onderdeel uit van het totale arrangement van gespecialiseerde dagbesteding. De aanbieder is dan voor het vervoer verantwoordelijk.
Individuele ondersteuning wordt geboden aan inwoners met een ondersteuningsvraag op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en vindt plaats op individuele basis. Individuele ondersteuning is gericht op de volgende resultaten:
Grip op het dagelijks leven en persoonlijk functioneren
Dit resultaat richt zich op het bieden van ondersteuning bij het uitvoeren en structureren van dagelijkse, praktische vaardigheden op alle voor de inwoner relevante levensgebieden. Het hebben of het creëren van een stabiele leefsituatie waarbij de administratie en andere zaken op orde zijn, maakt hiervan onderdeel uit. De inwoner wordt, waar nodig, ondersteund bij het uitvoeren van activiteiten, het aanleren van vaardigheden en het nemen van besluiten. Als de inwoner tijdens het werken aan doelen uit het ondersteuningsplan beperkingen ondervindt door zijn gedrag, kan het verkrijgen van inzicht in het effect van dit gedrag onderdeel uitmaken van de ondersteuning.
Opbouwen en onderhouden sociaal netwerk
Dit resultaat richt zich op het bieden van ondersteuning bij het aangaan en onderhouden van sociale contacten, om eenzaamheid te voorkomen en het sociaal netwerk te vergroten, zodat het sociaal netwerk van de inwoner ook zoveel mogelijk steun en een positieve bijdrage aan de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner kan leveren. Het verkrijgen van inzicht in het effect van het sociaal netwerk op het persoonlijk functioneren van de inwoner kan onderdeel van de individuele ondersteuning zijn.
Deelnemen aan het maatschappelijk leven
Dit resultaat betreft het bieden van ondersteuning bij participatie in de samenleving. De inwoner wordt ondersteund bij het realiseren en behouden van wat hij wil en kan bijdragen aan de samenleving. Denk hierbij bijvoorbeeld aan deelnemen aan buurtactiviteiten, groepsactiviteiten, vrijwilligerswerk, betaald werk, dagbesteding, opleiding, etc. De inwoner krijgt ondersteuning bij het vinden en ondernemen van passende activiteiten waarmee hij (zo goed mogelijk) in staat is om deel te nemen aan het maatschappelijke leven.
5.8.1 Voorwaarden voor verstrekking
Individuele ondersteuning wordt geboden aan inwoners die beperkingen hebben bij het zelfstandig functioneren of zonder de ondersteuning risico lopen om hun zelfredzaamheid te verliezen. Bij individuele ondersteuning wordt eerst gekeken naar wat de inwoner zelf kan en welke ondersteuning zijn sociaal netwerk kan bieden. De mate van zelfredzaamheid van de inwoner wordt onderzocht en gestimuleerd. Op basis daarvan wordt vastgesteld welke ondersteuning vanuit de gemeente aanvullend noodzakelijk is. De geboden ondersteuning wordt niet zwaarder of langer ingezet dan nodig is.
Hierbij kan in dit kader gedacht worden aan het handhaven van voorzieningen die al ingezet waren, zoals een belastingadviseur. Denk ook aan praktische oplossingen, zoals het kopen van een agenda en het plakken van briefjes ter herinnering aan taken. Onderzocht wordt op welke wijze de inwoner door zijn netwerk ondersteund kan worden, bijvoorbeeld door familieleden, vrienden of buren. Het gaat hier allereerst om de zogenoemde gebruikelijke hulp (zie Bijlage 2).
Daarnaast wordt in het persoonlijke netwerk van de inwoner gezocht naar aanvullende ondersteuning op basis van vrijwilligheid of wederkerigheid. Hierbij kan gedacht worden aan één van de kinderen die de inwoner helpt bij het maken van en begeleiden naar afspraken, een tante die ondersteunt bij de administratie of buren die telefonisch de ‘vinger aan de pols’ houden. Ook kan gedacht worden aan een maatje dat de inwoner ergens heen begeleidt, een telefooncirkel en het inschakelen van een sport-, muziek- of andere vereniging.
Een beroep doen op andere wetgeving
In sommige situaties kan voor een oplossing een beroep worden gedaan op andere wet- of regelgeving:
Maatschappelijke dienstverlening is een voorliggende voorziening op individuele ondersteuning. Bij maatschappelijke dienstverlening in de wijken kunnen inwoners op een laagdrempelige manier met kortdurende problemen terecht, bijvoorbeeld bij problemen met het omgaan met geld of omgaan met conflictsituaties. Inwoners worden geholpen deze te ordenen en op te lossen zodat ze het voortaan zelf weer kunnen. Als taken overgenomen moeten worden, onder begeleiding uitgevoerd of thuis getraind moeten worden, dan is individuele ondersteuning passender.
Bij inwoners die uitsluitend beperkingen ervaren ten aanzien van het doen van het huishouden wordt de voorziening hulp bij huishouden ingezet. Als de inwoner alleen regie over huishoudelijke taken nodig heeft en geen hulp bij het huishouden, wordt individuele ondersteuning ingezet. Hierbij valt te denken aan het plannen en voorbespreken van huishoudelijke activiteiten waarna de inwoner deze zelfstandig kan uitvoeren. Een individueel ondersteuner voert geen huishoudelijke taken uit.
Of de inwoner is aangewezen op individuele ondersteuning of gespecialiseerde dagbesteding, wordt bepaald door de afweging wat zorginhoudelijk het meest doelmatig is. Ondersteuning in groepsverband is voorliggend op individuele ondersteuning als hetzelfde doel wordt beoogd. Wanneer de ondersteuning gericht is op het bieden van een dagstructuur, is ondersteuning in groepsverband de aangewezen vorm. Wanneer de zorgbehoefte gelegen is in het een of meerdere keren per week bieden van hulp bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en de zorgbehoefte niet gelegen is in het daadwerkelijk bieden van die dagstructuur, dan is ondersteuning in individuele vorm aangewezen.
Persoonlijke verzorging betreft meestal het overnemen van zelfzorg die de inwoner niet meer kan doen, al dan niet in combinatie met de regievoering over deze activiteiten. Het gaat bijvoorbeeld om in- en uit bed gaan, wassen, lichamelijke verzorging, bewegen, toiletgang, eten/drinken, aan- en uitkleden. Als er sprake is van het structureren, organiseren of aansporen van persoonlijke verzorging door een regieprobleem kan dit onderdeel uitmaken van de individuele ondersteuning binnen de Wmo. In dit geval heeft de inwoner naar verwachting ook beperkingen bij de uitvoering en regievoering van andere dagelijkse activiteiten waarvoor individuele ondersteuning nodig is. In alle andere situaties valt persoonlijke verzorging onder de Zorgverzekeringswet. Inname, attenderen op, aanreiken en toedienen van medicatie zijn altijd handelingen binnen de persoonlijke verzorging onder de Zorgverzekeringswet. Het toekennen van alléén persoonlijke verzorging is vanuit de Wmo niet mogelijk.
Individuele ondersteuning bedoeld als behandeling valt onder de Zorgverzekeringswet. Als het gaat om oefenen, ondersteuning bij inslijten van vaardigheden, handelingen, gedrag en ondersteuning bij het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, kan dit ook onder individuele ondersteuning vanuit de Wmo vallen. Behandeling en individuele ondersteuning kunnen naast elkaar bestaan en elkaar versterken. Behandeling kan invloed hebben op de intensiteit en duur van de individuele ondersteuning. Van de inwoner wordt verwacht dat hij zo optimaal mogelijk gebruik maakt van bestaande behandelmogelijkheden. Bij twijfel of er nog behandeling mogelijk is, kan een medisch advies worden opgevraagd.
5.8.2 Waakvlam, basis, extra, beschermd thuis en eerst een thuis
Individuele ondersteuning kent vijf niveaus:
Laagintensieve ondersteuning bedoeld om de inwoner te volgen en tijdig problemen te signaleren, meestal na afloop van een intensieve ondersteuningsperiode. Het is bedoeld als een afbouw na een ondersteuningsperiode (nazorg) of als stabilisatie zodat terugval wordt voorkomen.
Individuele ondersteuning waarbij het accent ligt op het stabiliseren en/of bevorderen van het zo zelfstandig mogelijk functioneren, het aanleren/behouden van dagstructuur en dagritme, het vergroten van de zelfredzaamheid en het verlichten van sociaal isolement. Het betreft ondersteuning bij de alledaagse bezigheden en, waar nodig, ondersteuning bij het vergroten van het netwerk en het begeleiden naar activiteiten in de wijk. Ook wordt er gewerkt aan de afbouw van professionele hulp, bijvoorbeeld door het bieden van advies en ondersteuning aan de leefomgeving en/of het (opbouwen van een beter functionerend) sociaal netwerk van de inwoner. Indien nodig hoort hulp bij de persoonlijke verzorging tot de ondersteuning.
De omschrijving bij ‘basis’ is van toepassing met het verschil dat er sprake is van:
Beschermd thuis biedt intensieve ondersteuning aan volwassenen met psychische of psychosociale problematiek in hun eigen woning, met als doel het bevorderen van zelfredzaamheid en het voorkomen van instroom in zwaardere zorgvoorzieningen. De ondersteuning is flexibel, duurt maximaal twee jaar en richt zich op dagelijkse structuur, sociale participatie en het versterken van vaardigheden.
In aanvulling op artikel 4.2 van de Verordening is beschermd thuis bedoeld voor een inwoner van 18 jaar en ouder:
Bij de doelgroep kan sprake zijn van één of meer van de onderstaande problemen:
Eerst een thuis maakt het mogelijk dat kwetsbare inwoners die met dakloosheid worden geconfronteerd vanuit een stabiele situatie aan hun herstel kunnen werken in een eigen woning die fungeert als basis van veiligheid en privacy om van daaruit eventueel behandeling, schuldhulp en een zinvolle dagbesteding op te pakken. Doel hierbij is dat dakloosheid van de inwoner met een intensieve hulpvraag duurzaam wordt beëindigd. De eigen keuze en regie van de inwoner is het vertrekpunt waarbij er respect is voor de wijze waarop de inwoner invulling wil geven aan het leven en wonen. De ondersteuning sluit daarop aan.
Inwoners komen in aanmerking voor eerst een thuis nadat een brede vraagverheldering is gedaan door de gemeente van herkomst. De lokale gemeente, in samenspraak met de aanbieder en de regionale toegang, stellen de indicatie voor het begeleidingstraject. Het streven is om te zoeken naar een passende woonplek in of zo dicht mogelijk bij de gemeente van herkomst.
De eerste indicatie geldt voor maximaal twee jaar. In overleg met de lokale gemeente kan deze verlengd worden. Binnen acht weken na de start van de ondersteuning stelt de aanbieder een trajectplan op met de inwoner.
In aanvulling op artikel 4.2 van de verordening is eerst een thuis bedoeld voor een inwoner van 18 jaar en ouder;
5.8.3 Specialistische begeleiding voor zintuiglijk gehandicapten
Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 ook verantwoordelijk voor de ondersteuning van inwoners met een zintuiglijke beperking (visueel, doofblind, vroegdoof). Een klein deel van deze groep heeft specialistische begeleiding nodig die slechts door enkele aanbieders in Nederland wordt geleverd. Deze behoefte is er omdat deze mensen vaak, naast de zintuiglijke beperking, te maken hebben met andere (vaak verstandelijke en/of psychiatrische) beperkingen. Om de continuïteit van zorg te garanderen voor mensen die deze vorm van specialistische begeleiding afhankelijk zijn, is door de VNG met een aantal specialistische aanbieders landelijke inkoopafspraken gemaakt. Deze afspraken zijn vastgelegd in een raamovereenkomst. De gemeente Oss maakt gebruik van deze raamovereenkomst en leidt een inwoner die tot deze groep behoort, toe naar een van de aanbieders waarmee een raamovereenkomst gesloten is.
5.9 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang
Onder beschermd wonen wordt verstaan: ‘het wonen in een beschermde leefomgeving met daarbij behorend toezicht en begeleiding gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing, maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen.’
Onder maatschappelijke opvang wordt verstaan: ‘het tijdelijk bieden van opvang en/of ondersteuning (met inbegrip van screening en advisering) aan volwassenen en gezinnen die, door meerdere problemen, al dan niet gedwongen, de thuissituatie hebben of dreigen te verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en waarvoor geen andere oplossing mogelijk of beschikbaar is'.
Oss is centrumgemeente voor de uitvoering van beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Het beleid voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang is vastgelegd in de Beleidsregels beschermd wonen en maatschappelijke opvang Oss 2026.
Mantelzorg is onbetaalde, vaak langdurige zorg voor een chronisch zieke, gehandicapte of kwetsbare naaste (partner, familielid, vriend of buur). Het gaat verder dan gebruikelijke hulp en komt voort uit de persoonlijke relatie, niet uit een beroepsmatige rol.
De taken van een mantelzorger kunnen onder andere bestaan uit hulp bij medische verzorging, persoonlijke verzorging, het regelen van geldzake en administratie, het verzorgen van maaltijden, hulp bieden bij het huishouden, (begeleiding bij) vervoer en het bieden van gezelschap, troost en afleiding.
5.10.1 Mantelzorgondersteuning
Mantelzorgondersteuning is bedoeld om bij te dragen aan het verlichten van mantelzorgtaken én om de mantelzorgtaken beter te kunnen combineren met het dagelijks leven.
Mantelzorgondersteuning wordt geboden door persoonlijk contact, inloopspreekuren en gerichte verwijzing naar passende ondersteuning. Dit omvat onder meer de inzet van mantelzorgondersteuners, onafhankelijke cliëntondersteuning, trainingen, het sociale gebiedsteam, praktische hulp, de boodschappenservice, ergotherapie en ondersteuning bij regeltaken.
HOOFDSTUK 6 Verstrekkingsvormen
Het uitgangspunt is dat een inwoner een maatwerkvoorziening in natura krijgt. De inwoner kan ook verzoeken om een persoonsgebonden budget. Het college is verplicht de inwoner te informeren over de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb en over de gevolgen van de keuze hiervoor.
6.1 Maatwerkvoorziening in natura
Verstrekking van een maatwerkvoorziening in natura betekent dat de gemeente zorgt voor de verstrekking van de maatwerkvoorziening. De inwoner hoeft dit niet zelf te regelen. De vorm waarin de voorziening kan worden verstrekt:
Verstrekking in bruikleen is het uitgangspunt voor hulpmiddelen. De gemeente heeft overeenkomsten met leveranciers van hulpmiddelen die deze in bruikleen verstrekken aan inwoners. De leverancier sluit een bruikleenovereenkomst af met de inwoner. Het voordeel van bruikleen is dat de leverancier eigenaar blijft van de voorziening. Dit maakt het mogelijk om de voorziening in te nemen als deze niet meer wordt gebruikt en deze daarna aan een andere inwoner te verstrekken.
Soms kan een maatwerkvoorziening ook in eigendom worden verstrekt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij minder kostbare voorzieningen én hoge kosten voor het opnieuw verstrekken aan een andere inwoner. Maar ook wanneer de voorziening niet herbruikbaar is.
Bij maatwerkvoorzieningen in de vorm van dienstverlening sluit de gemeente overeenkomsten met aanbieders van diensten. Hulp bij het huishouden, gespecialiseerde dagbesteding en individuele ondersteuning zijn hier voorbeelden van. De ondersteuning wordt dan rechtstreeks door de gemeente betaald aan de door de inwoner gekozen gecontracteerde aanbieder.
Het uitgangspunt is dat een maatwerkvoorziening in natura wordt verstrekt. Als de inwoner dit wenst bestaat de mogelijkheid om (onder voorwaarden) te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb). Een pgb kan bijdragen aan de mogelijkheden van de inwoner om regie te voeren over het eigen leven.
Duidelijke voorlichting aan inwoners over de mogelijkheden en voorwaarden van een pgb is belangrijk.
Een pgb is een geldbedrag bedoeld om zelf een maatwerkvoorziening in te kopen of aan te schaffen. De keuze voor een pgb betekent dat de inwoner zelf (of een vertegenwoordiger namens de inwoner) de toegekende maatwerkvoorziening inkoopt én verantwoordelijk is voor alle zaken die daarbij horen.
6.2.1 Voorwaarden, weigeringsgronden en verplichtingen
Nadat de noodzaak voor maatwerkondersteuning is vastgesteld kan de inwoner de keuze maken deze ondersteuning te verzilveren via een persoonsgebonden budget (pgb). Om een pgb te kunnen krijgen moet de inwoner aan een aantal voorwaarden voldoen. Er volgt een apart gesprek waarin deze voorwaarden worden besproken. De inwoner stelt een pgb-plan op waarin doelen, activiteiten, inzet, frequentie, motivatie, tarieven en wie de hulp gaat bieden worden opgenomen. Als voorbereiding op het gesprek kunnen inwoners en hun eventuele vertegenwoordiger de zelftest van Per Saldo doen.
Voor eenmalige pgb’s voor hulpmiddelen kan een offerte en een programma van eisen volstaan.
In de wet en in de verordening zijn bepalingen opgenomen met voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen.
De inwoner moet als pgb-houder bekwaam zijn, dat wil zeggen dat hij op eigen kracht of met hulp van iemand uit zijn sociale netwerk of een vertegenwoordiger, op verantwoorde wijze een pgb kan beheren. Deze bekwaamheid wordt vooraf beoordeeld door het college. Het college sluit aan bij de landelijke afspraken met betrekking tot pgb-vaardigheden die zijn gemaakt met het ministerie van VWS, zorgverzekeraars, zorgkantoren, gemeenten en Per Saldo en beoordeelt of:
Als de pgb-houder deze taken niet zelfstandig kan vervullen dan kan een vertegenwoordiger deze taken overnemen. De eisen waar de pgb-houder aan moet voldoen, gelden ook voor de eventuele vertegenwoordiger. De vertegenwoordiger van de pgb-houder kan niet de zorgverlener zijn, omdat hij ook verantwoordelijk is voor het borgen van de kwaliteit van de zorg en/of de juiste besteding van het budget. De vertegenwoordiger kan niet op een of andere manier betrokken zijn bij de uitvoerende organisatie. Dit in verband met de onafhankelijke positie die de vertegenwoordiger moet kunnen innemen ten opzichte van de zorgverlener.
Er gelden voor zowel professionele als informele zorgverleners kwaliteitseisen. De inwoner dient deze kwaliteitseisen vóór het aangaan van een zorgovereenkomst met de zorgverlener te delen en zich ervan te vergewissen dat de zorgverlener aan deze kwaliteitseisen voldoet. De kwaliteitseisen staan benoemd in het regionale kwaliteitskader.
Het pgb moet volledig ten goede komen aan de ondersteuning zelf en mag niet worden besteed aan bijvoorbeeld bemiddelingskosten, reiskosten en administratiekosten.
In de wet en in de verordening zijn bepalingen opgenomen over situaties waarin een pgb wordt geweigerd.
Ook kan het college het pgb gedeeltelijk weigeren wanneer de kosten van het pgb hoger zijn dan de maatwerkvoorziening in natura. De inwoner kan ervoor kiezen om zelf bij te betalen.
Met een toegekende voorziening in de vorm van een pgb kan geen hulp worden ingekocht bij een persoon binnen de leefeenheid (zie bijlage 2 Gebruikelijke hulp).
De inwoner aan wie het pgb is toegekend is verplicht het pgb te besteden aan het doel waarvoor het is verstrekt.
De inwoner aan wie een pgb is toegekend heeft verplichtingen richting het college. Zo moet de inwoner het college op de hoogte houden van belangrijke wijzigingen. Bijvoorbeeld als een hulpverlener wijzigt.
De inwoner heeft ook verplichtingen richting de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Zo is de inwoner verplicht om inlichtingen aan de SVB te verstrekken als die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het budgetbeheer. Denk bijvoorbeeld aan het doorgeven van een gewijzigd rekeningnummer.
6.2.2 Persoonsgebonden budget voor informele hulp
Een pgb kan worden ingezet voor hulp door een informele zorgverlener. Er wordt dan beoordeeld of de hulp door een informele hulpverlener passend en toereikend is gelet op de problematiek van de inwoner en de doelen en resultaten die behaald moeten worden. Het kan zijn dat, gelet op de problematiek van de inwoner, alleen professionele hulp een doeltreffende oplossing voor de hulpvraag biedt. Professionele hulp betekent niet alleen dat er aan de hand van bepaalde methoden wordt gewerkt en dat de professional de noodzakelijke diploma’s heeft. Het betekent ook dat de professional objectief en onafhankelijk kan handelen. Een familielid (of andere persoon uit het sociaal netwerk) kan door zijn persoonlijke relatie met de inwoner niet volledig objectief en onafhankelijk handelen waardoor de kwaliteit van de ondersteuning die hij biedt in dat geval onvoldoende is.
6.2.3 Hoogte persoonsgebonden budget
De hoogte van het pgb moet in ieder geval toereikend zijn om de noodzakelijke ondersteuning in te kunnen kopen. De wijze waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld is opgenomen in de verordening. De pgb-tarieven staan in de nadere regels.
6.2.4 Uitbetaling en beheer persoonsgebonden budget
De Sociale Verzekeringsbank (SVB) voert namens de gemeente de betalingen en het budgetbeheer van pgb’s uit. Als het college een pgb toekent, dan wordt het bedrag niet direct aan de inwoner betaald. De gemeente stort het budget op de rekening van de SVB. De SVB betaalt het bedrag direct aan de zorgverlener. Dat heet ook wel trekkingsrecht.
Het trekkingsrecht geldt (vooralsnog) niet voor eenmalige pgb’s zoals pgb’s voor hulpmiddelen.
De zorgovereenkomst is een overeenkomst tussen de pgb-houder en aanbieder waarin afspraken over de te verlenen ondersteuning worden vastgelegd. Vóór aanvang van de ondersteuning dient de pgb-houder bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een zorgovereenkomst aan te leveren. De SVB heeft hiervoor modelovereenkomsten. De zorgovereenkomst wordt vervolgens door het college gecontroleerd en bij akkoord goedgekeurd. Pas na deze goedkeuring kan de SVB tot uitbetaling overgaan. De SVB verzorgt de betalingen vanuit het pgb aan de zorgverlener van door de pgb-houder goedgekeurde declaraties.
6.2.5 Controle en heroverwegen pgb
In het pgb-gesprek spreken de inwoner en het college af binnen welke termijn (uiterlijk vijf jaar na indicatie) wordt geëvalueerd of de ingezette ondersteuning voldoende bijdraagt aan het behalen van de doelen en resultaten. Ook wordt bij de evaluatie opnieuw beoordeeld of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet.
6.2.6 Combinatie van zorg in natura en persoonsgebonden budget
Als een inwoner meerdere maatwerkvoorzieningen nodig heeft, is het mogelijk dat hij de ene voorziening in natura ontvangt en de andere voorziening met een pgb regelt. Het is niet mogelijk om één maatwerkvoorziening deels in natura en deels in de vorm van een pgb te ontvangen, tenzij hiervoor een gegronde en door het college goedgekeurde reden bestaat.
Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat een inwoner krijgt als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren. De inwoner is vrij om zelf een aanbieder of leverancier te kiezen en afspraken te maken over de invulling van de te leveren hulp dan wel voorziening.
In tegenstelling tot een pgb hoeft een financiële tegemoetkoming niet precies toereikend te zijn.
Maatwerkvoorzieningen bedoeld voor verhuizing en inrichting en om te kunnen sporten worden in de vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekt. De hoogte hiervan is vastgelegd in de nadere regels.
Ook voor financiële tegemoetkomingen geldt dat een eigen bijdrage wordt opgelegd.
HOOFDSTUK 7 Toezicht en handhaving
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het toezicht op en de naleving van de wet. Hiertoe dient het college personen aan te wijzen die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of op grond van de wet. Het college heeft ervoor gekozen om de GGD Hart voor Brabant en toezichthoudende ambtenaren binnen de gemeente op grond van artikel 6.1 Wmo 2015 aan te wijzen als Wmo-toezichthouder.
Het Wmo-toezicht ziet toe op de kwaliteit van de geboden of te bieden ondersteuning en de uitvoering ervan door gecontracteerde aanbieders en pgb-aanbieders en ziet toe op de rechtmatige besteding van publieke middelen. Het toezicht bestaat uit reactief en proactief toezicht. Het Wmo-toezicht legt de nadruk op het verbeteren van de kwaliteit van maatschappelijke ondersteuning en de rechtmatige besteding van zorggelden.
Als daartoe aanleiding is formuleert de Wmo-toezichthouder verbeter- en/of handhavingsmaatregelen en adviseert het college daarover. Het college legt de verbetermaatregelen op/geeft opvolging aan de bevindingen van de toezichthouder. Het formuleren van verbetermaatregelen, eventueel gecombineerd met een handhavingsadvies richting het college, openbaarmaking van rapporten en de mededeling dat heronderzoek kan plaatsvinden, zijn stimulerende maatregelen die de toezichthouder kan inzetten richting aanbieders.
Toezicht is het verzamelen van de informatie over de vraag of een handeling, een dienst of een zaak voldoet aan de daaraan gestelde eisen, het zich daarna vormen van een oordeel daarover naar aanleiding daarvan het college adviseren over te nemen verbeter- en/of handhavingsmaatregelen.
Het werk van een toezichthouder:
Maatwerkvoorzieningen die zijn verstrekt maar niet meer worden gebruikt, of zijn verstrekt op basis van onjuiste- of onvolledig verstrekte gegevens of die worden gebruikt voor een ander doel dan was beoogd of die worden gebruikt in strijd met gestelde voorwaarden, kan het college intrekken, opschorten/schorsen of herzien.
BIJLAGE 1 Algemeen gebruikelijke voorziening
Art. 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015 bepaalt dat als een inwoner zijn of haar beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie met een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De achtergrond is dat algemeen gebruikelijke voorzieningen niet onder de compensatieplicht van het college vallen. Dat komt omdat iedereen ongeacht het hebben van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie daarover beschikt of zou kunnen beschikken.
In deze beleidsregels geeft het college invulling aan de wijze waarop beoordeeld wordt of een voorziening kan worden beschouwd als algemeen gebruikelijke voorziening. Het college is daarbij gebonden aan de criteria zoals die geformuleerd zijn in de rechtspraak.
1.2 Criteria algemeen gebruikelijke voorziening
Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze:
Deze criteria zijn cumulatief. Dat betekent dat een voorziening pas als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt, als aan alle criteria wordt voldaan.
In de navolgende onderdelen wordt ieder criterium toegelicht.
1.2.1 De voorziening is niet specifiek bedoeld voor mensen met een beperking
Het gaat bij dit eerste criterium om de vraag of op basis van maatschappelijke opvattingen (normen) kan worden gezegd dat een voorziening niet specifiek bedoeld is voor mensen met beperkingen. Dat wil zeggen: iedereen zou daarover kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen. Of een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening niet specifiek bestemd is voor personen met een beperking is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe maatschappelijke normen. In het algemeen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen in de reguliere handel verkrijgbaar. Voorbeelden zijn; een eenhendelmengkraan, toiletverhoger of wandbeugel. Deze zijn gewoon verkrijgbaar in de bouwmarkt. Maar ook een e-bike, fietskar, spoel-föhninstallatie, strijkvrije kleding of een boodschappendienst zijn inmiddels gangbaar onder mensen zonder een beperking.
1.2.2 De voorziening is daadwerkelijk beschikbaar
Een voorziening kan alleen als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt als de voorziening ook daadwerkelijk beschikbaar is. Wanneer de voorziening niet daadwerkelijk beschikbaar is voor de aanvrager, kan de voorziening niet als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een boodschappenservice die niet bezorgt in het buitengebied.
1.2.3 De voorziening levert een passende bijdrage
Binnen dit criterium moet worden bekeken of de voorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner tot zelfredzaamheid en participatie in staat is. Of een voorziening passend is, hangt af van de concrete situatie van de inwoner.
De Wmo 2015 verstaat het volgende onder zelfredzaamheid en participatie:
Een fiets met trapondersteuning kan een inwoner bijvoorbeeld in staat stellen om zich weer te verplaatsen in zijn omgeving (participatie) en een verhoogd toilet kan betekenen dat een inwoner het toilet zelfstandig kan gebruiken en hiermee zelfredzaam blijft.
1.2.4 De voorziening kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau
Tot slot gaat het nog om de vraag of de voorziening financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Het betreft een algemene toets waarbij de gemeente moet bepalen welke voorzieningen financieel draagbaar worden geacht met een inkomen op minimumniveau. Let wel, dit is een abstracte benadering, waarbij niet relevant is of het inkomen of vermogen van de inwoner daadwerkelijk toereikend is. De dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel moet naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar worden geacht (CRvB 3-7-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1362). Bij het criterium of een voorziening financieel draagbaar is met een minimuminkomen, kan ook rekening gehouden worden met tweedehands aanbod. Elektrische fietsen (al dan niet tweedehands) worden inmiddels door alle inkomensklassen en van jong tot oud gebruikt en kunnen daarom als gangbaar worden aangemerkt.
1.3 Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen
In de Memorie van Toelichting (MvT) van de Wmo heeft de wetgever de volgende voorzieningen expliciet als algemeen gebruikelijk aangemerkt: fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator. Het is echter niet mogelijk om een volledig en actueel overzicht te geven van álle algemeen gebruikelijke voorzieningen. Als een inwoner een beroep doet op de Wmo dan toetst het college of de voorziening volgens de vier criteria hiervoor genoemd, algemeen gebruikelijk is. Daarbij zal het college na moeten gaan wat een reële richtprijs is voor de voorziening.
1.4 Beroep op privaatrechtelijke overeenkomst
Bij de beoordeling of een aangevraagde voorziening algemeen gebruikelijk is kan relevant zijn of hiervoor een beroep kan worden gedaan op een privaatrechtelijke overeenkomst (CRvB 22-11-2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3136, CRvB 20-12-2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5998). Bij een verhuurder kan op grond van de huurovereenkomst en het huurrecht bijvoorbeeld aanspraak worden gemaakt op een functionerende verwarming. Een verzakt tuinpad is bijvoorbeeld de verantwoordelijkheid van de eigenaar of verhuurder van een woning. Het is daarmee niet relevant of de inwoner de kosten van een voorziening kan dragen, maar wel of de inwoner daadwerkelijk een beroep kan doen op de privaatrechtelijke overeenkomst.
1.5 Individuele omstandigheden
Individuele omstandigheden kunnen soms een rol spelen bij de afweging of een voorziening als algemeen gebruikelijk moet worden beschouwd. Bijvoorbeeld als een inwoner in een schuldsaneringstraject zit en kan aantonen dat hij de voorziening niet kan betalen. De bewijslast ligt dan bij de inwoner.
1.6 Aanpassingen aan algemeen gebruikelijke voorziening
Als een algemeen gebruikelijke voorziening met aanpassingen een adequate oplossing biedt voor een probleem, komen, in overeenstemming met een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, alleen de aanpassingen voor vergoeding in aanmerking.
BIJLAGE 2 Protocol Gebruikelijke hulp
In beginsel is álle hulp door ouders, door partners onderling, door inwonende kinderen en/of andere huisgenoten gebruikelijk als er sprake is van een kortdurende situatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid, dat ondersteuning daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Als het gaat om een chronische, langdurige, situatie is de hulp van een volwassene gebruikelijk wanneer die hulp door iemand uit de leefeenheid wordt geboden bij maatschappelijke participatie en het bezoeken van familie, vrienden, huisarts enzovoorts en het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van het huishouden en de administratie. Ook het leren omgaan van derden met de inwoner met een beperking, chronisch psychische of psychiatrische aandoening, is gebruikelijke hulp. Van ouders wordt bijvoorbeeld verwacht dat ze professionals instrueren hoe om te gaan met de beperkingen van hun kind.
Met het opstellen van een objectief afwegingskader wat betreft de afbakening en inzet van gebruikelijke hulp wordt voorkomen dat er in voorkomende gevallen sprake is van toeval of willekeur. Echter elke individuele situatie vraagt om een zorgvuldige afweging, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak tot ondersteuning en de specifieke omstandigheden van de inwoner, zoals zijn persoonskenmerken en gezinssituatie.
Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt dus bepaald door wat op dat moment normaal is en kan in de loop van de tijd veranderen. Volgens de regering is het op dit moment in onze samenleving normaal dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in bijvoorbeeld het huishouden, zeker wanneer er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Of er sprake is van inwoning wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld.
Uit een uitspraak van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2021:823) blijkt dat als meer hulp geboden moet worden dan gebruikelijk is, dit niet meteen betekent dat hiervoor Wmo-ondersteuning moet worden toegekend. Hierbij staat centraal, de vraag: is de huisgenoot in staat om de hulp te bieden (kan hij het, is er tijd voor en is hij niet overbelast)?
Er wordt dus niet meer gesproken over ‘boven-gebruikelijke hulp’ waarvoor ondersteuning moet worden toegekend. Er moet individueel afgewogen worden of huisgenoten in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden.
2.2 Van wie wordt gebruikelijke hulp verwacht?
De leefeenheid van de inwoner die een beroep doet op ondersteuning is primair verantwoordelijk voor het functioneren van de leefeenheid. Dat betekent bijvoorbeeld dat van een leefeenheid wordt verwacht dat, bij uitval van één van de leden van die leefeenheid, gestreefd wordt naar een herverdeling van de huishoudelijke taken binnen die leefeenheid. De huisgenoten moeten meewerken aan het onderzoek dat noodzakelijk is om te bepalen of er sprake is van gebruikelijke hulp. Daarbij moeten de huisgenoten alles aangeven wat van belang kan zijn voor het onderzoek. Doen zij dit niet, dan kan dat inhouden dat de gemeente de noodzaak tot of de omvang van de maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Dit kan dus betekenen dat er geen maatwerkvoorziening kan worden verstrekt.
De leefeenheid waartoe de inwoner behoort, bestaat, gelet op artikel 1.1.1 Wmo 2015, uit de:
Gelet op de definitie van gebruikelijke hulp in de Wmo 2015, en Memorie van Toelichting, kunnen meer dan twee volwassen personen tot de leefeenheid behoren. Het begrip gezamenlijke huishouding heeft betekenis in relatie tot ‘andere huisgenoten’. Hiermee is bedoeld om bijvoorbeeld kamerhuurders uit te sluiten of personen die omwille van hun zorgbehoefte op één adres ieder zelfstandig wonen. Als de inwoner deel uitmaakt van een leefeenheid bestaande uit meerdere personen (meerpersoonshuishouden) moet de medewerker van de toegang vaststellen wat, gezien de samenstelling van die leefeenheid, in dat geval verstaan wordt onder gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar.
2.2.2 Hoofdverblijf in dezelfde woning
Het gaat erom dat men feitelijk zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning. De enkele inschrijving in de Brp is onvoldoende om de vraag te beantwoorden waar iemand zijn woonadres heeft. Die vraag moet beantwoord worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het enkele feit dat een persoon in het Brp is ingeschreven op het adres van de inwoner is onvoldoende om te spreken van hoofdverblijf in dezelfde woning. Soms kan er twijfel bestaan of het gaat om huisgenoten of dat men feitelijk in twee verschillende woningen verblijft. Denk hierbij aan de situatie waarbij iemand woont in een apart bijgebouw. In die situatie kunnen de volgende factoren onderzocht worden om te bepalen of het gaat om één leefeenheid:
Met een echtgenoot wordt gelijkgesteld (artikel 1.1.2 Wmo 2015):
2.3 Verschil gebruikelijke hulp met mantelzorg
Volgens de Wmo 2015 is mantelzorg: “hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep”. De Wmo 2015 geeft aan dat alvorens een maatwerkvoorziening wordt verstrekt moet worden onderzocht of iemand met behulp van mantelzorg zijn probleem kan oplossen. Als dat zo is wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt.
De begrippen mantelzorg en gebruikelijke hulp worden vaak door elkaar gebruikt, maar er zijn belangrijke verschillen. Mantelzorg betreft onbetaalde zorg die langdurig en intensief wordt gegeven en voortvloeit uit de sociale relatie. Gebruikelijke hulp daarentegen is de hulp die huisgenoten of familie aan elkaar geven die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht. Het gaat over datgene dat ook gedaan zou moeten worden als de persoon met de beperking er niet zou zijn geweest. Ook dan zou gekookt en gegeten moeten worden. Ook dan zouden kinderen naar school gebracht moeten worden. Ook dan zouden rekeningen betaald moeten worden.
Mantelzorg is niet afdwingbaar, maar afhankelijk van de bereidheid van iemand om de hulp zonder betaald te worden te bieden. Gebruikelijke hulp kan wel worden verplicht.
2.4 Gebruikelijke hulp door kinderen
Wanneer er gebruikelijke hulp van een kind wordt verwacht, dan moet er onderzoek gedaan worden naar het vermogen van dit kind (voor wat betreft het verrichten van huishoudelijk werk). Er moet rekening gehouden worden met wat op een bepaalde leeftijd als bijdrage van een kind mag worden verwacht, de ontwikkelingsfase van het specifieke kind en het feitelijke vermogen van dit kind om een bijdrage te leveren. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder schoolprestaties.
2.5 Weigeren maatwerkvoorziening bij gebruikelijke hulp
Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren als er sprake is van gebruikelijke hulp en houdt bij de beoordeling van de vraag of en zo ja hoeveel gebruikelijke hulp er kan worden verleend, rekening met de persoonlijke omstandigheden van degenen van wie verwacht wordt die gebruikelijke hulp te verlenen.
Hoe men de gebruikelijke hulp invult, mag men zelf bepalen. Dit kan bijvoorbeeld ook door een hulp in te huren in plaats van zelf de hulp te bieden.
2.6 Afwijken van gebruikelijke hulp
Wanneer uit onderzoek blijkt, dat personen binnen de gezamenlijke huishouding zodanige gezondheidsproblemen hebben, dat de betreffende taken niet in redelijkheid door hen uitgevoerd kunnen worden, hoeven zij geen gebruikelijke hulp te bieden. Het is aan het college om hier een geobjectiveerd oordeel over te krijgen. Dit oordeel wordt in eerste instantie gevormd door informatieverstrekking van de aanvrager, dan wel de huisgenoten en observatie. Kan het college zich op grond van de informatieverstrekking en zijn eigen observatie geen geobjectiveerd oordeel vormen, dan kan het college medisch advies bij een onafhankelijke arts inwinnen.
2.6.2 Ontbreken kennis en/of vaardigheden
Wanneer partner, ouder, kind en/of elke andere huisgenoot kennis en/of vaardigheden mist om de noodzakelijke hulp te bieden dan kan kortdurend ondersteuning worden geboden om deze kennis en/of vaardigheden eigen te maken.
2.6.3 (Dreigende) overbelasting
Bij gebruikelijke hulp moet onderzocht worden of diegene waarvan gebruikelijke hulp wordt verwacht, ook in staat is om deze gebruikelijke hulp te bieden of dat er sprake is van (dreigende) overbelasting.
Bij dat onderzoek moet het college aandacht besteden aan draaglast en draagkracht. Bekeken moet worden of de echtgenoot of huisgenoot naast zijn/haar werk of school nog fysiek en psychisch in staat is gebruikelijke hulp aan inwoner te verlenen. Als dat niet het geval is en er dus sprake is van (dreigende) overbelasting, zal het college (tijdelijk) een indicatie moeten verstrekken. In eerste instantie zal die indicatie van korte duur zijn om de gelegenheid te bieden de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.
Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder overbelast dreigt te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen.
Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp met andere activiteiten, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan op zich geen reden zijn om geen toepassing te geven aan het uitgangspunt van de gebruikelijke hulp.
De gemaakte afweging wordt in het onderzoeksverslag verwoord en gemotiveerd.
In geval de zorgvrager een korte levensverwachting heeft, kan ter fysieke en psychische ontlasting van de leefeenheid van de zorgvrager besloten worden om geen toepassing te geven aan het uitgangspunt van de gebruikelijke hulp.
Voor zover gebruikelijke hulp van niet uitstelbare aard is en degene die de gebruikelijke hulp moet verlenen niet beschikbaar is, kan worden besloten af te wijken van gebruikelijke hulp. Het kan bijvoorbeeld gaan om een periode van afwezigheid i.v.m. werkzaamheden in het buitenland.
2.7 Factoren die geen reden zijn om van gebruikelijke hulp af te zien
De volgende factoren zijn géén reden om van gebruikelijke hulp af te zien. Deze lijst is niet limitatief. Voor zover er sprake is van uitzonderingen worden deze per factor toegelicht.
Er wordt bij het inventariseren van de eigen mogelijkheden van de gezamenlijke huishouding geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van gebruikelijke hulp.
Redenen als 'niet gewend zijn om' of 'geen huishoudelijk werk en/of zorgtaken willen en/of kunnen verrichten' zijn geen redenen om af te wijken van gebruikelijke hulp.
Als ouderen in staat worden geacht hulp te bieden als het gaat om huishoudelijke ondersteuning of zorgtaken, dan valt dat onder gebruikelijke hulp. Zij zijn namelijk niet per definitie niet in staat deze hulp te bieden. Uiteraard zal tijdens het onderzoek bekeken moeten worden in hoeverre een oudere in staat is dit te doen of nieuwe taken aan te leren.
2.7.4 Opvang en verzorging kinderen
Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen, in het kader van de opvoeding. Dit houdt in het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid, en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles. Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van een kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte.
Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de kinderen over. Gebruikelijke zorg voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon, zoals de leeftijd en ontwikkeling van het kind vereisen.
Als dat nodig is dient de ouder gebruik te maken van de voor hem/haar geldende mogelijkheden van zorgverlof. Als dit niet mogelijk is dient de ouder gebruik te maken van (een combinatie van) algemeen gebruikelijke voorliggende voorziening zoals kinderdagverblijf, peuteropvang, buitenschoolse opvang, gastouderbureau e.d. Het verplichte gebruik van alternatieve opvangmogelijkheden wordt redelijk geacht, onafhankelijk van de financiële omstandigheden. Is er een plotselinge noodzaak en zijn genoemde mogelijkheden al maximaal gebruikt of afwezig, dan kan kortdurend hulp worden ingezet.
Als er sprake is van uitval van de ouder in een eenoudergezin, en de voorliggende algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn niet aanwezig, niet toepasbaar of uitgeput, dan is afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van het kind hulp mogelijk tot maximaal 40 uur per week voor oppas, opvang, begeleiding en verzorging van gezonde kinderen. Een dergelijke indicatie is in principe van korte duur (maximaal 3 maanden), met de bedoeling binnen deze termijn een eigen oplossing te realiseren.
2.8 Gebruikelijke hulp bij huishoudelijke ondersteuning
Als de aanvrager huisgenoten heeft die huishoudelijke taken over kunnen nemen, worden zij verondersteld dit door een herverdeling van taken te doen. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een huishouding gezamenlijk verantwoordelijk is voor het huishoudelijk werk (ofwel: het draaiende houden van een huishouden) en dat ook alleenstaanden een huishouden voeren naast andere dagelijkse bezigheden (werk, vrije tijd, enz.). Dit betekent dat als diegene die gewend is het huishoudelijke werk te doen, hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en geldt voor alle huisgenoten van 23 jaar en ouder.
2.8.1 Taken van een 18 tot 23-jarige
Een 18 tot 23-jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn:
Dit betekent dat er wel huishoudelijke hulp kan worden toegekend voor het schoonhouden van overige slaapkamer(s) inclusief het verschonen van bedden, het schoonmaken van de hal/bijkeuken en het zemen van ramen aan de binnenzijde. Daarnaast kunnen 18 tot 23-jarigen eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden.
2.8.2 Bijdrage van kinderen aan het huishouden
In geval de leefeenheid van de inwoner mede bestaat uit kinderen, dan gaat het college ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken.
2.8.3 Het aanleren van huishoudelijke taken
Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Als hiervoor motivatie aanwezig is, kan er een indicatie worden gesteld voor maximaal 6 weken zorg voor het aanleren van huishoudelijke taken en/of het leren (efficiënter) organiseren van het huishouden. Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden verwacht dat een nieuwe taak in het huishouden nog is te trainen of aan te leren, kan hulp bij het huishouden worden toegekend voor de zwaar huishoudelijke taken die anders tot de gebruikelijke hulp zouden worden gerekend.
2.8.4 Belasting door werk, studie, maatschappelijke participatie of zorgtaken
Bij gebruikelijke hulp wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan de noodzakelijke huishoudelijke taken te kunnen uitvoeren. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken. Alleen als schoonmaken niet kan blijven liggen (regelmatig geknoeide vloeistoffen en eten) zal dat direct moeten gebeuren.
Ook studie of werkzaamheden vormen geen reden om van de gebruikelijke hulp af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Iedere volwassen burger wordt verondersteld naast een volledige baan of opleiding een huishouden te kunnen voeren. In geval van een meerpersoonshuishouden staat het hebben van een normale baan of het volgen van een opleiding per definitie het leveren van gebruikelijke hulp niet in de weg. Gebruikelijke hulp gaat voor op andere activiteiten van leden van de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke participatie.
Ook ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke hulp. Een (zeer) hoge leeftijd kan in omstandigheden aanleiding zijn niet te vragen het huishoudelijke werk aan te leren.
Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij immers feitelijk niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. Maar in alle situaties dat daarbij sprake is van een eigen keuze, zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Het gaat te ver, om chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de offshore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te zoeken.
In geval de leden van een leefeenheid dreigen overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot, kan een indicatie voor hulp bij het huishouden worden gesteld op onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke hulp worden gerekend. In eerste instantie zal getracht worden die indicatie van korte duur te laten zijn, om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten gevolge van het (plotseling) overlijden van de andere ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen.
2.9 Gebruikelijke hulp en begeleiding
Alle begeleiding van de inwoner door de partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot is gebruikelijke hulp als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de inwoner, dat begeleiding daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.
Als het gaat om een chronische situatie is de begeleiding van een volwassen inwoner gebruikelijke hulp wanneer die begeleiding normaal gesproken door partner, ouder, inwonend kind en/of andere huisgenoot in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van begeleiding aan een inwoner:
2.10 Gebruikelijke hulp bij het ondersteunen bij verplaatsingen binnen de leefomgeving
Gebruikelijke hulp wordt van volwassen huisgenoten verwacht bij verplaatsingen met een incidenteel karakter die gepland kunnen worden. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het bezoeken van vrienden, familie, huisarts. Maar ook bij structurele verplaatsingen, waarbij rekening wordt gehouden met de intensiteit van de verplaatsingen en de daginvulling van de huisgenoot wordt gebruikelijke hulp verwacht.
2.11 De relatie tussen gebruikelijke hulp en een persoonsgebonden budget (pgb)
Als de behoefte aan ondersteuning niet volledig kan worden ingevuld met gebruikelijke hulp, mantelzorg of een andere eigen oplossing, dan kan er (binnen de gestelde kaders) een maatwerkvoorziening worden toegekend. Met een toegekende voorziening in de vorm van een pgb kan vervolgens geen hulp worden ingekocht bij een persoon binnen de leefeenheid. Immers, als er binnen de leefeenheid een persoon in staat is de benodigde ondersteuning te bieden, dan hoeft er geen voorziening te worden toegekend. Het pgb kan dus alleen worden besteed aan de inkoop van ondersteuning bij een derde (zorgaanbieder of persoon buiten de leefeenheid van de inwoner).
De Wmo 2015 is niet bedoeld als ondersteuning voor het gezinsinkomen. De mogelijke keuze van een partner of ouder om minder te gaan werken ten behoeve van de zorg voor partner of kinderen, betekent niet dat het verlies aan inkomsten wordt opgevangen vanuit de Wmo 2015. Bij (dreigende) overbelasting van partner of ouder(s) kan uiteraard ook geen persoonsgebonden budget (pgb) ingezet worden ten behoeve van deze partner/ ouder(s). Een pgb vermindert namelijk niet de (dreigende) overbelasting, en is dus geen adequate oplossing.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-310801.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.