Beleidsregel tot wijziging van de beleidsregels algemene en bijzondere bijstand Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE GRONINGEN

 

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 20, 34, 35 en 44 van de Participatiewet;

 

BESLUIT:

 

Vast te stellen de volgende “Beleidsregel tot wijziging van de Beleidsregels algemene en bijzondere bijstand Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004”

Artikel I  

De Beleidsregels algemene en bijzondere bijstand Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 worden als volgt gewijzigd.

 

  • A.

    Na artikel 2.8 wordt een nieuw artikel 2.9 ingevoegd luidende:

    Artikel 2.9 Kosten levensonderhoud voor belanghebbenden van 18 tot en met 20 jaar

    • 1.

      Een belanghebbende van 18 tot en met 20 jaar heeft recht op aanvulling van de van toepassing zijnde jongerennorm met het bedrag genoemd in het derde lid van artikel 20 van de Participatiewet als hij:

      • a.

        hogere kosten van levensonderhoud heeft dan waarin de jongerennormen van artikel 20, eerste en tweede lid, van de Participatiewet voorzien; en

      • b.

        geen beroep op zijn ouders kan doen.

    • 2.

      Er is ruimte om van het bedrag genoemd in artikel 20 derde lid van de Participatiewet af te wijken als:

      • a.

        sprake is van noodzakelijke hogere kosten of bij duidelijk lagere kosten van levensonderhoud op grond van artikel 18 van de Participatiewet;

      • b.

        het totaalbedrag van de algemene bijstand en de aanvulling hoger is dan de bijstandsnorm voor een persoon van 21 jaar of ouder genoemd in artikel 21 van de Participatiewet, in een vergelijkbare situatie. Op grond van het vierde lid van artikel 20 van de Participatiewet is verlagen van de aanvulling in dat geval verplicht.

    • 3.

      Voor een belanghebbende van 18 tot en met 20 jaar die in een inrichting verblijft is artikel 5.5 van toepassing.

  • B.

    Artikel 3.9 komt te luiden:

    Artikel 3.9 Interingstermijn

    Op het bedrag waarmee de van toepassing zijnde vermogensgrens wordt overschreden zal moeten worden ingeteerd. Uitgangspunt is dat de interingstermijn wordt vastgesteld door dit bedrag te delen door anderhalf maal de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag per maand. Als sprake is van bijzondere omstandigheden kan hiervan worden afgeweken.

  • C.

    Artikel 3.11 komt te luiden:

    Artikel 3.11 Voertuigen

    • 1.

      Een of meer voertuigen met een gezamenlijke waarde van ten hoogste € 5.000 worden als bezittingen beschouwd die algemeen gebruikelijk zijn en tellen niet mee voor de vaststelling van de hoogte van het vermogen.

    • 2.

      De waarde van een auto wordt berekend door gebruik te maken van de ANWB-koerslijst.

    • 3.

      Voor het berekenen van de waarde van andersoortige voertuigen worden zoveel als mogelijk de richtlijnen en berekeningen van de ANWB gehanteerd.

  • D.

    Artikel 5.1 komt te luiden:

    Artikel 5.1 Bijzondere bijstand met terugwerkende kracht

    • 1.

      Voor het aanvragen van bijzondere bijstand dient belanghebbende zich te melden vóór of op de dag waarop de kosten ontstaan. Een aanvraag om bijzondere bijstand kan echter worden toegekend indien belanghebbende zich niet later heeft gemeld dan een maand na de dag waarop de kosten zijn ontstaan.

    • 2.

      Individuele omstandigheden kunnen ertoe noodzaken bijzondere bijstand toe te kennen wanneer belanghebbende zich niet later heeft gemeld dan drie maanden na de dag waarop de kosten zijn ontstaan. Dit is geregeld in artikel 44, vijfde lid, van de Participatiewet.

    • 3.

      Bijzondere bijstand als bedoeld in het voorgaande lid kan alleen worden toegekend wanneer de te late melding niet verwijtbaar is.

    • 4.

      Artikel 2.1, vierde lid en vijfde lid is van overeenkomstige toepassing voor zover hiervan niet in onderhavig artikel is afgeweken.

    • 5.

      Indien de kosten zijn voldaan kan bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste en tweede lid worden toegekend, tenzij sprake is van kosten die voldaan moeten worden uit het periodieke inkomen dan wel waarvoor moet worden gereserveerd of een lening afgesloten.

  • E.

    Artikel 5.3, achtste en elfde lid komt te vervallen.

  • F.

    Artikel 5.4 komt te vervallen.

  • G.

    Artikel 5.5 komt te luiden:

    Artikel 5.5 Kosten van levensonderhoud voor belanghebbenden van 18 tot en met 20 jaar die in een inrichting verblijven

    • 1.

      Een belanghebbende van 18 tot en met 20 jaar die in een inrichting verblijft, heeft recht op bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud waarin de inrichting niet voorziet, als hij geen beroep op zijn ouders kan doen.

    • 2.

      De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de bijstandsnorm voor een persoon van 21 jaar of ouder die in een inrichting verblijft als genoemd in artikel 23 van de Participatiewet.

  • H.

    In artikel 5.19, vierde lid, onderdeel b wordt ‘€ 0,23’ vervangen door ‘het maximale bedrag dat de werkgever onbelast mag vergoeden’.

  • I.

    In artikel 5.20, vijfde lid wordt ‘€ 0,19’ vervangen door ‘het maximale bedrag dat de werkgever onbelast mag vergoeden’.

  • J.

    In artikel 5.21, vierde lid wordt ‘€ 0,19’ vervangen door ‘het maximale bedrag dat de werkgever onbelast mag vergoeden’.

  • K.

    Artikel 5.31 komt te vervallen.

  • L.

    In artikel 6.1, eerste lid wordt ‘Debiteurenbeleid 2017’ vervangen door ‘Debiteurenbeleid 2026’.

  • M.

    In artikel 6.2 wordt twee keer ‘Debiteurenbeleid 2017’ vervangen door ‘Debiteurenbeleid 2026’.

  • N.

    In artikel 6.3, eerste lid wordt twee keer ‘de Wet’ vervangen door ‘de Participatiewet’.

  • O.

    In artikel 6.5, derde lid wordt ‘Debiteurenbeleid 2017’ vervangen door ‘Debiteurenbeleid 2026’ en ‘fraudeschulden’ door ‘vorderingen inlichtingenplicht’.

  • P.

    In de artikelsgewijze toelichting bij de Beleidsregels algemene en bijzondere bijstand Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 worden de volgende wijzigingen aangebracht.

     

    • a.

      Na de toelichting bij artikel 2.8 wordt een toelichting bij het nieuwe artikel 2.9 ingevoegd die luidt als volgt:

      Artikel 2.9 Kosten levensonderhoud voor belanghebbenden van 18 tot en met 20 jaar

      Wanneer een jongere een beroep deed op aanvullende bijstand voor levensonderhoud was het aan de gemeente om hiervoor beleid te ontwikkelen. Met ingang van 1 januari 2026 heeft de wetgever daarvoor een vaste norm bepaald in het derde en vierde lid van artikel 20 van de Participatiewet. Het betreft algemene bijstand, wat logisch is omdat het voor hogere algemene bestaanskosten is bedoeld. De verhoging van de norm geldt per uitkering en is dus voor alleenstaanden en voor gehuwden/samenwonenden hetzelfde bedrag.

       

      De ophoging van de jongerennorm heeft geen fiscale gevolgen, maar kan wel gevolgen hebben voor de hoogte van de huurtoeslag van (eventuele) huisgenoten.

       

      Tweede lid

      Het bedrag van de verhoging van de jongerennorm kan bij noodzakelijke hogere kosten of bij duidelijk lagere kosten voor levensonderhoud worden afgestemd op de situatie van de jongere. De woonsituatie van de jongere kan hierbij bepalend zijn. Als het alleen lagere woonkosten betreft kan de uitkering ook worden verlaagd op grond van artikel 27 in plaats van artikel 18 van de Participatiewet.

    • b.

      De toelichting bij artikel 3.9 komt te luiden:

      Artikel 3.9 Interingstermijn

      Wanneer na intering op het vermogen opnieuw een aanvraag om algemene bijstand wordt ingediend, moet het college beoordelen of het interen op een voor de Participatiewet aanvaardbare wijze heeft plaatsgevonden. De Participatiewet geeft zelf geen norm hiervoor. Doorgaans wordt een norm van anderhalf (1,5) maal de van toepassing zijnde bijstandsnorm in de jurisprudentie als redelijk beschouwd. Als de individuele situatie van belanghebbende daar aanleiding toe geeft, dan kan hiervan worden afgeweken, bijvoorbeeld als belanghebbende een aanvullende ziektekostenverzekering heeft afgesloten of hoge woonkosten heeft.

    • c.

      De toelichting bij artikel 3.11 komt te luiden:

      Artikel 3.11 Voertuigen

      Voor de meeste voertuigen geeft de ANWB op zijn website aan hoe de (dag)waarde kan worden berekend. Hiervoor is het kenteken en de kilometerstand van het betreffende voertuig nodig. De kilometerstand kan eventueel worden geschat. Geeft de ANWB voor de waardebepaling van een bepaald voertuig geen richtlijnen, dan kan voor de waardebepaling een andere bekende en relevante website bezocht worden.

    • d.

      De toelichting bij artikel 5.1 komt te luiden:

      Artikel 5.1 Bijzondere bijstand met terugwerkende kracht

      Op grond van het vijfde lid van artikel 44 van de Participatiewet is het mogelijk om onder voorwaarden bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen, zij het met maximaal drie maanden. Dit artikel geldt zowel voor het aanvragen van algemene als bijzondere bijstand. Om die reden wordt ook verwezen naar (de toelichting bij) artikel 2.1.

       

      Eerste lid

      In principe dient belanghebbende zich voor het indienen van een aanvraag om bijzondere bijstand te melden op of vóór de dag waarop de kosten ontstaan. Uit coulance overwegingen geldt een melding nog als tijdig op grond van artikel 44, eerste lid van de Participatiewet als die niet later dan een maand na het opkomen van de kosten is gedaan.

       

      Tweede en derde lid

      Indien sprake is van individuele omstandigheden kan met terugwerkende kracht bijzondere bijstand worden toegekend tot maximaal drie maanden vóór de datum van melding. De te late melding mag echter niet verwijtbaar zijn.

       

      Vierde lid

      De meest voor de hand liggende individuele omstandigheden waaraan kan worden gedacht zijn te vinden in artikel 2.1, vierde en vijfde lid. Om die reden is dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaard. Maar deze verwijzing is niet bedoeld als limitatieve opsomming. Ook op grond van andere omstandigheden kan bijzondere bijstand met terugwerkende kracht worden toegekend. Overigens hoeven niet in alle gevallen de genoemde omstandigheden te leiden tot bijstandsverstrekking.

       

      Vijfde lid

      In dit artikellid wordt vooruitgelopen op een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag om bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Participatiewet.

    • e.

      De toelichting bij artikel 5.3, negende en twaalfde alinea, komt te vervallen.

    • f.

      De toelichting bij artikel 5.4 komt te vervallen.

    • g.

      De toelichting bij artikel 5.5 komt te luiden:

      Artikel 5.5 Kosten van levensonderhoud voor belanghebbenden van 18 tot en met 20 jaar die in een inrichting verblijven

      Jongeren van 18 tot en met 20 jaar die in een inrichting verblijven hebben geen recht op algemene bijstand. Dit staat in artikel 13, tweede lid, onderdeel a van de Participatiewet. Bijzondere bijstand is mogelijk als hun onderhoudsplichtige ouders (artikel 1: 395a Burgerlijk Wetboek) niet kunnen bijdragen.

    • h.

      In de toelichting bij artikel 5.19, tweede alinea wordt ‘een forfaitair bedrag van € 0,23’ vervangen door ‘het maximale bedrag dat de werkgever onbelast mag vergoeden’.

    • i.

      In de toelichting bij artikel 5.20, laatste alinea wordt ‘een kilometervergoeding van € 0,19’ vervangen door ‘het maximale bedrag dat de werkgever onbelast mag vergoeden per kilometer’.

    • j.

      De toelichting bij artikel 5.31 komt te vervallen.

    • k.

      In de toelichting bij artikel 6.2 wordt ‘Debiteurenbeleid 2017’ vervangen door ‘Debiteurenbeleid 2026’.

    • l.

      In de toelichting bij artikel 6.5 wordt in de tweede alinea ‘Debiteurenbeleid 2017’ vervangen door ‘Debiteurenbeleid 2026’ en in de derde alinea ‘fraudeschulden’ vervangen door ‘vorderingen inlichtingenplicht’ en ‘fraudevorderingen’ door ‘vorderingen inlichtingenplicht’.

Artikel II  

Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na die van bekendmaking.

Gedaan te Groningen op 16 juni 2026

De burgemeester,

De secretaris,

Naar boven