Beleidsregel bijzondere bijstand 2026-2027 gemeente Sluis

Het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis:

 

overwegende dat de Beleidsregel bijzondere bijstand 2024 aanpassing behoeven

 

Gelet op het bepaalde in de Participatiewet.

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (PW), de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet. 2. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      wet: de Participatiewet (PW);

    • b.

      het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis;

    • c.

      bijzondere bijstand: de bijstand als bedoeld in artikel 35, lid 1 van de wet;

    • d.

      draagkracht: het gedeelte van het inkomen en/of vermogen dat de belanghebbende geacht wordt aan te wenden om in de bijzondere kosten te voorzien;

    • e.

      draagkrachtperiode: de periode waarover de financiële draagkracht van de belanghebbende wordt vastgesteld;

    • f.

      de bijstandsnorm: de norm zoals bedoeld in artikel 5 onder c van de wet exclusief vakantietoeslag en met dien verstande dat kostendelende medebewoners als bedoeld in artikel 22a van de wet bij de beoordeling van aanvragen bijzondere bijstand buiten toepassing blijft. In dat geval wordt aangesloten bij de bijstandsnorm zoals die van toepassing zou zijn wanneer er geen sprake zou zijn geweest van kostendelende medebewoners;

    • g.

      inkomen: het netto maandinkomen waarover belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken exclusief vakantietoeslag, dertiende maand en eenmalige beloningen van de belanghebbende;

    • h.

      voorliggende voorziening: een voorziening buiten de wet, die naar aard en doel geacht wordt toereikend en passend te zijn voor belanghebbende, waardoor geen recht op bijzondere bijstand bestaat. Hierbij wordt aangesloten bij het bepaalde in artikel 5 en 15 van de wet.

Hoofdstuk 2 Draagkracht

Artikel 2. Draagkracht uit vermogen

  • 1.

    Het volgens artikel 34 van de wet in aanmerking te nemen vermogen wordt geheel in beschouwing genomen voor de draagkracht uit vermogen.

  • 2.

    Het vermogen boven de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 van de wet, wordt gezien als draagkracht uit vermogen. Het vermogen boven deze vermogensgrens wordt voor de berekening van de draagkracht uit vermogen volledig als draagkracht in aanmerking genomen.

  • 3.

    Bezittingen zoals bedoeld in artikel 34 tweede lid onder c van de wet worden niet tot de draagkracht uit vermogen gerekend.

  • 4.

    Vermogen in een uitvaartverzekering wordt niet in aanmerking genomen voor de beoordeling van het recht bijzondere bijstand.

  • 5.

    Bij de toepassing van artikel 34 lid 2 onder d van de wet wordt de overwaarde van de door belanghebbende of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf tot het vrij te laten normbedrag van. Niet meegenomen als vermogen. Het bedrag boven het vrij te laten normbedrag wordt als wel vermogen aangemerkt. Voor berekening van de draagkracht wordt de overwaarde berekend als de marktwaarde bij vrije oplevering minus de hypotheekschuld en het vrij te laten normbedrag.

  • 6.

    Samenloop met artikel 50 Pw: als de overwaarde van uw woning hoger dan de vrijlating, dan kan de gemeente de bijstand verlenen, in de vorm van een lening (inclusief het vestigen van een hypotheek) tot de grens van 80% van de overwaarde.

  • 7.

    De regeling geldt ook voor een eigen woonwagen of woonschip.

Artikel 3. Draagkracht uit inkomen

  • 1.

    De belanghebbende met een inkomen tot en met 120% van de toepasselijke bijstandsnorm wordt geacht geen draagkracht uit netto inkomen te hebben.

  • 2.

    Bij de berekening van de draagkracht wordt rekening gehouden met eventueel gemiste inkomensafhankelijke toeslagen op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), zoals zorgtoeslag, huurtoeslag of kindgebonden budget. Als het inkomen stijgt, daalt de toeslag. Bij de bepaling van de draagkrachtruimte wordt hiermee rekening gehouden. De feitelijke situatie dient te worden vergeleken met het totaal inkomen op bijstandsniveau, inclusief de dan geldende toeslagen.

  • 3.

    Als het netto-inkomen van de belanghebbende hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm wordt het netto inkomen voor zover dit de bijstandsnorm overstijgt, volledig als draakkracht meegenomen.

  • 4.

    Betreft het een aanvraag voor bijzondere bijstand voor de onderstaande kostensoorten, dan wordt het netto-inkomen voor zover dit de bijstandsnorm overstijgt, volledig als draagkracht uit inkomen in aanmerking genomen.

    • inrichtingskosten;

    • duurzame gebruiksgoederen;

    • een woonkostentoeslag;

    • de administratiekosten, waarborgsom alsmede de eerste en tweede maand huur voor een woning;

    • doorbetaling vaste lasten bij detentie of verblijf in een inrichting,

    • overbruggingsuitkering;

    • kosten van beschermingsbewind, mentorschap en curatele.

  • 5.

    Als de belanghebbende, niet zijnde een zelfstandige, een vast periodiek inkomen heeft, wordt bij de vaststelling van het inkomen uitgegaan van het inkomen voorafgaand aan de maand waarin de kosten zich voordoen. Indien de belanghebbende wisselende inkomsten heeft, wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen over de drie maanden voorafgaand aan de maand waarin de kosten zich voordoen.

  • 6.

    Als de kosten per datum aanvraag zich nog niet hebben voorgedaan wordt ook gekeken naar de inkomsten over de drie voorafgaande maanden.

  • 7.

    De vrijlatingen genoemd in artikel 31 tweede lid van de wet, worden niet tot het in aanmerking te nemen inkomen gerekend.

  • 8.

    Bij de vaststelling van de draagkracht uit inkomen, wordt de individuele inkomenstoeslag (artikel 36 van de wet) buiten beschouwing gelaten.

  • 9.

    Artikel 33 lid vijf van de Wet wordt van overeenkomstige toepassing verklaard op de bijzondere bijstand.

  • 10.

    Bij de berekening van de draagkracht wordt rekening gehouden met een eventueel beslag op inkomen met dien verstande dat dan uitgegaan wordt van het inkomen waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken.

  • 11.

    Ondanks dat de Wet op de Inkomstenbelasting de mogelijkheid biedt om bepaalde medische kosten als aftrekpost op te kunnen voeren, wat een lagere definitieve aanslag inkomstenbelasting tot gevolg kan hebben, wordt dit mogelijk recht op belastingvermindering- of teruggave buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand.

Artikel 4. Draagkracht in geval van Msnp en WSnp

  • 1.

    De belanghebbende die deelneemt aan een minnelijke schuldregeling (Msnp) via de gemeente conform de richtlijnen van de Nederlandse vereniging voor Volkskrediet (NVVK) wordt geacht geen draagkracht te hebben.

  • 2.

    De belanghebbende die deelneemt aan een schuldsaneringstraject op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) wordt geacht geen draagkracht te hebben.

Artikel 5. Draagkrachtperiode

  • 1.

    Bij een aanvraag bijzondere bijstand wordt de draagkracht voor een periode van 12 maanden vastgesteld, dit gebeurt als volgt:

    • a.

      In beginsel voor een periode van 12 maanden beginnende op de eerste dag van de maand van aanvraag; of

    • b.

      Indien er sprake is van een aanvraag die met terugwerkende kracht wordt toegekend, wordt de draagkracht vastgesteld per de eerste dag van de maand waarin de kosten zich voordoen.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is de draagkrachtperiode voor bijstandsgerechtigden alsmede belanghebbenden met een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) gelijk aan de periode waarover algemene bijstand dan wel een AIO-aanvulling wordt ontvangen.

  • 3.

    In afwijking van lid 1 wordt in geval van een stabiel inkomen in de volgende situaties de draagkracht voor 36 maanden vastgesteld:

    • a.

      Belanghebbende(n) zonder draagkracht die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt of;

    • b.

      Belanghebbende(n) zonder draagkracht met een IOAW/IOAZ- of WAO-uitkering of;

    • c.

      Belanghebbende(n) zonder draagkracht met een alleenstaande Wajong- of WIA-uitkering.

  • 4.

    De vastgestelde draagkracht wordt in geval van incidentele bijzondere noodzakelijke kosten in één keer in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten.

  • 5.

    In geval van periodieke bijzondere noodzakelijke kosten wordt de draagkracht gespreid over de maanden waarover de bijzondere bijstand wordt toegekend met een maximum van 12 maanden en naar evenredigheid in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten.

  • 6.

    Bij samenloop van incidentele en periodieke bijzondere noodzakelijke kosten wordt de draagkracht bij voorrang verrekend met de incidentele kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt toegekend.

  • 7.

    Indien de draagkracht het totaal van de bijzondere bijstand binnen de draagkrachtperiode overstijgt, wordt de aanvraag bijzondere bijstand afgewezen. Bij een vervolgaanvraag wordt wel rekening gehouden met de op het moment van de vervolgaanvraag reeds gemaakte bijzondere noodzakelijke kosten.

Artikel 6. Toekenningperiode

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt incidenteel toegekend als er sprake is van eenmalige kosten.

  • 2.

    De toekenningperiode van het recht op periodieke bijstand wordt, voor alle rechthebbenden, gelijkgesteld aan de draagkrachtperiode met een maximale duur van ten hoogste 36 maanden.

  • 3.

    Van het bepaalde in lid 2 wordt afgeweken indien vooraf duidelijk is dat de noodzaak van de kosten zich korter voordoet dan de vastgestelde draagkrachtperiode. In dat geval wordt aansluiting gezocht bij de periode dat de kosten noodzakelijk zijn. Indien het onduidelijk is hoe lang de kosten noodzakelijk zijn, wordt de bijzondere bijstand toegekend voor een periode van 12 maanden.

  • 4.

    Van het bepaalde in lid 2 wordt ook afgeweken indien er sprake is van bijzondere kosten voor bewindvoering, curatele of mentorschap. In dat geval wordt de bijzondere bijstand toegekend zonder einddatum, tenzij in de beschikking van de kantonrechter anders bepaald.

Artikel 7. Wijziging reeds vastgestelde draagkracht

  • 1.

    Een reeds vastgestelde draagkracht of draagkrachtperiode, wordt opnieuw beoordeeld als de persoonlijke en/of financiële omstandigheden van belanghebbende gedurende de al vastgestelde draagkrachtperiode ingrijpend wijzigt of in geval van een wijziging in de hoogte van de bijzondere noodzakelijke kosten.

  • 2.

    Onder een ingrijpende wijziging wordt in ieder geval verstaan: een inkomensstijging of daling van tenminste 20% die niet wordt veroorzaakt door een eenmalige beloning maar door een structurele toename van het aantal gewerkte uren, een structurele stijging van het bruto uurloon of een combinatie van beiden.

Hoofdstuk 3 Bijzondere bijstand met terugwerkende kracht, drempelbedrag, vorm van de bijstand

Artikel 8 Mogelijkheid toekennen bijzondere bijstand met terugwerkende kracht

  • 1.

    Indien bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend, dan heeft dit een maximale terugwerkende kracht van 6 maanden vanaf de eerste dag van de maand waarin de aanvraag wordt ontvangen.

  • 2.

    Het vorige lid is niet van toepassing op aanvragen voor verhuis- en/of inrichtingskosten alsmede duurzame gebruiksgoederen. Dergelijke aanvragen dienen te worden gedaan, alvorens de kosten worden gemaakt.

  • 3.

    Als bijzondere bijstand wordt aangevraagd als aanvulling op het maandinkomen dan is artikel 44 van de wet van toepassing.

  • 4.

    Als voorwaarde voor de bijzondere bijstandsverlening met terugwerkende kracht geldt dat de noodzaak van bijstandsverlening moet kunnen worden vastgesteld.

Artikel 9. Drempelbedrag

Er wordt geen drempelbedrag als bedoeld in artikel 35 lid 2 van de wet gehanteerd.

Artikel 10. Vorm van de bijstand

  • 1.

    De bijzondere bijstand wordt in beginsel om niet verstrekt.

  • 2.

    In afwijking van het genoemde in lid 1 wordt de bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van een lening als er naar het oordeel van het college sprake is van een situatie zoals genoemd in artikel 48 lid 2 van de wet of als dit in de kostensoorten in deze beleidsregels staat vermeld.

Artikel 11. Hoogte van de bijstand

  • 1.

    Voor zover niet anders is vermeld, wordt de hoogte van de noodzakelijke kosten vastgesteld op basis van 50% van de prijzengids van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud). Voor zover de gevraagde kosten niet staan vermeld in deze gids, wordt de hoogte op individuele basis vastgesteld.

  • 2.

    Een besparing van kosten die algemeen gebruikelijk zijn, wordt op de bijzondere bijstand in mindering gebracht op basis van de Nibud prijzengids.

Artikel 12. Specifiek beleid voor bepaalde kostensoorten

  • 1.

    Voor een aantal kostensoorten geldt specifiek gemeentelijk beleid. Deze kostensoorten worden uitgewerkt in deze beleidsregels.

  • 2.

    Deze beleidsregel is niet van toepassing op de verstrekking van bijzondere bijstand in de vorm van een collectieve aanvullende zorgverzekering, of in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van de premie van een dergelijke verzekering zoals bedoeld in artikel 35 lid 3 van de wet.

Hoofdstuk 4 Te laag maandinkomen

Artikel 13. Overgangsbepaling jongere 18 tot 21 jaar met noodzaak zelfstandig wonen, niet zijnde verblijf in inrichting

  • 1.

    Dit artikel is uitsluitend van toepassing op jongeren van 18 tot 21 jaar die:

    • a.

      vóór 1 januari 2026 bijzondere bijstand ontvingen voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan of;

    • b.

      jongeren die vóór 1 januari 2026 een aanvraag voor bijzondere bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben ingediend.

  • 2.

    Het recht op bijzondere bijstand op grond van dit artikel blijft bestaan tot uiterlijk 1 januari 2029 of tot de dag waarop de jongere de leeftijd van 21 jaar bereikt.

  • 3.

    Voor deze jongeren geldt dat bijzondere bijstand kan worden verleend voor zover de noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de geldende bijstandsnorm en in de hogere bestaanskosten niet kan worden voorzien door het delen van kosten met een ander, en er geen beroep op de onderhoudsplicht van de ouders kan worden gedaan.

  • 4.

    De jongere als bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht zijn onderhoudsrecht redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken als:

    • a.

      de ouder(s) is/zijn overleden of in het buitenland woont/wonen;

    • b.

      de jongere in het kader van de Wet op de jeugdzorg destijds buiten het gezin is geplaatst;

    • c.

      de jongere op de ingangsdatum van de bijstandsverlening 12 maanden of langer zelfstandig woont;

    • d.

      er sprake is van een acute crisissituatie, waarin door de minderjarige zelf geen verandering kan worden gebracht.

  • 5.

    De noodzakelijke kosten van het bestaan van de zelfstandig wonende alleenstaande dan wel alleenstaande ouder van 18 tot 21 jaar zoals bedoeld in lid 1, wordt gesteld op het normbedrag voor een persoon van 21 jaar inclusief vakantietoeslag in vergelijkbare omstandigheden. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het verschil tussen dit bedrag en de van toepassing zijnde bijstandsnorm op basis van artikel 20 van de Pw.

  • 6.

    Jongeren die de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: WSF) ontvangen komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand voor aanvulling levensonderhoud. WSF wordt als een toereikende voorliggende voorziening gezien voor levensonderhoud.

  • 7.

    Jongeren die een tegemoetkoming scholieren (hierna: WTOS) ontvangen kunnen wel in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor levensonderhoud. Bij de berekening dient dan enkel rekening gehouden te worden met het bedrag van de basistoelage voor levensonderhoud. Aanvulling is tot de WSF-norm, op deze manier worden WSF-ers en WTOS-ers gelijk behandeld. Voorwaarde is dat hij/zij noodgedwongen op zichzelf moet wonen en ook géén beroep kan doen op de onderhoudsplicht van zijn/haar ouders.

Artikel 14. Jongere 18 tot 21 jaar die in een inrichting verblijft

  • 1.

    De noodzakelijke kosten van het bestaan van de alleenstaande of de alleenstaande ouder van 18 tot 21 jaar die verblijft in een inrichting in de zin van artikel 1, sub f, van de wet, en ook zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken, worden gesteld op het normbedrag als bedoeld in artikel 23, lid 1, sub a, van de wet.

  • 2.

    De hoogte van de inrichtingsnorm sluit niet in alle gevallen goed aan bij de ontwikkeling in de zorgverlening en zorgwetgeving. Dit omdat bij een verblijf in een inrichting de zorg en inwoning niet altijd in natura wordt verleend. Hierdoor moeten sommige inwoners een eigen bijdrage betalen waarin de norm niet voorziet. Bijvoorbeeld voor de huur van de kamer, het gebruik van gemeenschappelijke ruimtes, eten en drinken en gas water en licht. In dit soort situaties kan de inrichtingsnorm eventueel aangevuld worden met de kosten waarin de inrichtingsnorm niet voorziet tot maximaal de norm voor een alleenstaande van 21 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd. De belanghebbende dient hiervan bewijsstukken te overleggen.

Artikel 15. Overbruggingsuitkering

  • 1.

    Een overbruggingsuitkering is bijstand welke kan worden verstrekt om de periode tot de eerste maandbetaling van de algemene uitkering voor levensonderhoud te overbruggen. De overbrugging wordt verstrekt op het moment dat er sprake is van een wijziging in het betaalritme.

  • 2.

    De hoogte van de overbruggingsuitkering wordt berekend op basis van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag (VT), over de te overbruggen periode. Het COA-leefgeld wordt niet als middel aangemerkt. Eventuele inkomsten, niet zijnde het COA-leefgeld, worden wel als middel aangemerkt.

  • 3.

    Mogelijke bijzondere bijstand om niet voor de betaling van de eerste maand huur, dient op de overbruggingsuitkering in mindering gebracht te worden.

  • 4.

    De te overbruggen periode bedraagt maximaal één maanduitkering.

  • 5.

    Bij een aanvraag door statushouders die het asielzoekerscentrum verlaten wordt uitgegaan van bijzondere omstandigheden en noodzakelijke kosten.

  • 6.

    De overbruggingsuitkering is bijzondere bijstand voor levensonderhoud en wordt om niet verstrekt.

Hoofdstuk 5 Wonen en verhuizen

Artikel 16. Woonkostentoeslag

  • 1.

    Onder woonkosten wordt in dit artikel verstaan:

    • a.

      bij een huurwoning de per maand geldende rekenhuur als omschreven in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag, exclusief servicekosten;

    • b.

      bij een eigen woning de tot een bedrag per maand omgerekende som van:

      • de hypotheekrente na aftrek van de hiermee verband houdende belastingteruggaaf;

      • de zakelijke lasten in verband met het eigendom van de woning de rioolrechten, het eigenaarsaandeel van de onroerendzaakbelastingen en het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten;

      • de premie van de opstalverzekering en aantoonbare onderhoudskosten eigen woning.

  • 2.

    Huurtoeslag geldt als een voorliggende voorziening. Woonkostentoeslag voor een huurwoning kan uitsluitend worden verstrekt indien:

    • a.

      de belanghebbende huurtoeslag heeft aangevraagd en ontvangt, maar deze niet toereikend is om de noodzakelijke woonkosten te dekken. Het deel van de huur boven de rekenhuur (zoals vastgesteld in de Wet op de huurtoeslag) komt volledig voor bijzondere bijstand in aanmerking mits sprake is van een reële huurprijs servicekosten tellen niet mee in de huurtoeslag.

    • b.

      de belanghebbende aantoonbaar geen aanspraak kan maken op huurtoeslag om redenen buiten zijn schuld. De woonkostentoeslag wordt verstrekt tot de datum waarop de belanghebbende wel in aanmerking komt voor huurtoeslag. De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die de belanghebbende gelet op zijn financiële situatie op grond van de Wet op de huurtoeslag per maand zou ontvangen.

  • 3.

    Een woonkostentoeslag bij een woning, woonwagen of woonschip in eigendom is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die de belanghebbende gelet op zijn financiële situatie op grond van de Wet op de huurtoeslag per maand ontvangt, indien het een huurwoning zou betreffen.

  • 4.

    De woonkostentoeslag kan worden verstrekt voor een periode van maximaal12 maanden. Aan deze verstrekking is de voorwaarde verbonden op grond van artikel 55 van de wet dat de belanghebbende naar vermogen tracht goedkopere passende woonruimte te vinden, tenzij het een toegewezen woning betreft in het kader van een gemeentelijk zorgproject.

  • 5.

    Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college naar vermogen heeft getracht goedkopere passende woonruimte te vinden, maar dit niet is gelukt, kan de woonkostentoeslag met maximaal één jaar worden verlengd.

Artikel 17. Krediethypotheek

  • 1.

    Kosten die een belanghebbende maakt in verband met de taxatie van de woning, de hypotheekakte, de inschrijving van de hypotheek en de bijkomende kosten komen voor bijzondere bijstand in aanmerking.

  • 2.

    De bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een geldlening (artikel 48 lid 2 sub a van de wet).

Artikel 18. Doorbetaling vaste lasten tijdens tijdelijk verblijf in een inrichting of ziekenhuis

  • 1.

    Bij een opname in een inrichting, zoals bedoeld in artikel 1 lid f van de wet (=verpleegtehuis, psychiatrisch ziekenhuis, afkickcentrum) moet de algemene periodieke bijstandsnorm worden omgezet naar een lagere norm (artikel 23 Pw). Die lagere norm is alleen bedoeld als zak- kleedgeld en daarvan kunnen niet de vaste lasten worden betaald.

  • 2.

    Indien er een noodzaak bestaat tot het blijven aanhouden van de eigen woonruimte kan bijzondere bijstand worden verleend in:

    • de niet door de huurtoeslag gedekte woonkosten;

    • het vastrecht voor energie;

    • premie inboedelverzekering.

  • 3.

    De uitkering wordt ongewijzigd voortgezet gedurende de maand van opname en de drie maanden daaropvolgend. Vanaf het moment waarop de bijstandsnorm wordt omgezet naar de norm zak- en kleedgeld is bijzondere bijstand voor de doorbetaling van de vaste lasten mogelijk voor maximaal 6 maanden. Mits er noodzaak is tot het aanhouden van de eigen woonruimte.

Artikel 19. Doorbetaling vaste lasten tijdens detentie

  • 1.

    Op het moment dat er sprake is van een verblijf in detentie in Nederland en de belanghebbende is alleenstaand én verblijft minimaal 2 maanden en maximaal 6 maanden in detentie én de belanghebbende is niet in staat zelf zijn vaste lasten van zijn woning te bekostigen, kunnen de vaste lasten van de belanghebbende voor die periode worden doorbetaald. Na een succesvolle aanvraag wordt een belanghebbende 3 jaar uitgesloten van deze regeling.

  • 2.

    Indien op voorhand vaststaat dat de detentie langer duurt dan 6 maanden komt men niet in aanmerking voor gebruik van de regeling.

  • 3.

    De volgende vaste lasten komen voor bijzondere bijstand in aanmerking:

    • de niet door huurtoeslag gedekte woonkosten;

    • het vastrecht energie;

    • premie inboedelverzekering.

  • 4.

    De bijzondere bijstand wordt in de vorm van leenbijstand verstrekt (artikel 48 lid 2 onder b Pw).

Artikel 20. Waarborgsom, eerste huurlasten, inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen

  • 1.

    Indien de belanghebbende vanuit een niet verwijtbare situatie beschikt over onvoldoende draagkracht voor de betaling van de administratiekosten en waarborgsom voor een woning, de (gedeeltelijke) eerste en volledige tweede maandhuur, inrichtingskosten of duurzame gebruiksgoederen en redelijkerwijs niet heeft kunnen reserveren voor deze kosten, kan hiervoor bijzondere bijstand worden verleend. Het bepaalde in artikel 34, lid 2, sub b, van de wet blijft hierbij buiten toepassing.

  • 2.

    Tot de lid 1 genoemde categorie belanghebbenden behoren in ieder geval zij die:

    • a.

      de opvang in een asielzoekerscentrum verlaten;

    • b.

      ondersteuning ontvangen vanuit de WMO in het kader van maatschappelijke opvang, beschermd wonen of begeleid wonen.

  • 3.

    Een geldlening bij de gemeente waarmee volledig kan worden voorzien in de administratiekosten en waarborgsom voor een woning, eerste maandhuur, inrichtingskosten of de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen voor zover van toepassing, wordt als een toereikende en passende voorliggende voorziening beschouwd.

  • 4.

    De bijzondere bijstand in de administratiekosten de eerste en tweede maand huur voor zover hierover geen aanspraak op huurtoeslag bestaat, wordt verleend in de vorm van een lening, de bijzondere bijstand in de waarborgsom, de eerste huurlasten waarover aanspraak op huurtoeslag bestaat, inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen worden eveneens verleend in de vorm van een lening.

  • 5.

    De huurtoeslag die de belanghebbende gaat ontvangen over de periode van de eerste en tweede maand huur kan worden verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening (artikel 48 lid 2 onder a Pw). Een eventuele borgsom wordt eveneens verstrekt in de vorm van een renteloze lening (artikel 48 lid 2 sub c Pw).

  • 6.

    Indien de bijstandsaanvraag betrekking heeft op de volledige inrichting van een woning, bedraagt de hoogte van de noodzakelijke kosten maximaal 50% van het bedrag dat in de Nibud-prijzengids staat vermeld per inventarispakket naar huishoudtype.

  • 7.

    Indien de bijstandsaanvraag betrekking heeft op de volledige inrichting van een kamer, bedraagt de hoogte van de noodzakelijke kosten maximaal 25% van het bedrag dat in de Nibud-prijzengids staat vermeld per inventarispakket naar huishoudtype.

  • 8.

    Indien bijzondere bijstand moeten worden verstrekt voor verf/behang, laminaat, vloerbedekking of gordijnen (niet duurzame gebruiksgoederen) wordt het daarvoor benodigde bedrag conform de NIBUD-prijzen om niet verstrekt.

Artikel 21. Verhuiskosten

  • 1.

    Verhuiskosten binnen Nederland behoren tot incidenteel voorkomende algemene noodzakelijke bestaanskosten die gefinancierd moeten worden door middel van reservering vooraf of gespreide betaling achteraf.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 kan bij een noodzakelijke verhuizing die niet uitstelbaar is bijzondere bijstand worden verstrekt voor verhuiskosten. Verhuiskosten dienen te worden aangevraagd bij de vertrekgemeente.

  • 3.

    Met de gemeente Terneuzen en Hulst is een Herenakkoord afgesloten de vertrekkende gemeente betaald hierbij de verhuiskosten en de vestigingsgemeente betaald de inrichtingskosten.

  • 4.

    Hulp bij verhuizing:

  • Beroep op eigen netwerk: Dit zijn mensen of instanties in de directe omgeving van de belanghebbende die ondersteuning kunnen bieden, zoals:

    • Familieleden

    • Vrienden

    • Buren

    • Vrijwilligers of mantelzorgers

  • Het gaat om hulp die redelijkerwijs verwacht mag worden, bijvoorbeeld bij het regelen van vervoer of hulp bij verhuizen.

  • Zelfredzaamheid:

  • De mate waarin iemand in staat is om zelfstandig praktische zaken te regelen, zoals:

    • Zelf spullen verplaatsen of hulp organiseren;

    • Financiële middelen inzetten (spaargeld, reserveringen);

    • Gebruikmaken van beschikbare voorzieningen (bijvoorbeeld kringloop, verhuisservice van woningcorporatie).

  • 5.

    Bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de noodzakelijke transportkosten, als een eigen netwerk en zelfredzaamheid ontbreekt, op basis van de adequaat goedkoopste voorziening. Bijvoorbeeld de huur van een bus of aanhanger.

  • 6.

    De bijzondere bijstand wordt om niet verstrekt.

Hoofdstuk 6 Extra leefkosten

Artikel 22. Kleding en schoeisel

  • 1.

    Kosten voor aanschaf, herstel, vervanging, onderhoud en reiniging van kleding, schoeisel en beddengoed behoren tot de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan.

  • 2.

    Voor zover er geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening, (ziektekostenverzekering, WMO), en er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval komen de kosten van extra wasverzorging en extra kledingslijtage ten gevolge van gebreken of ziekte, voor bijzondere bijstand in aanmerking. Denk aan:

    • sterke vermagering of gewichtstoename door: ziekte, gebrek of medicijngebruik waardoor de kleding niet meer past;

    • abnormale slijtage door: gebruik van kunst- of hulpmiddelen, veelvuldige bewassing door incontinentie.

  • 3.

    Een bewijsstuk waaruit de noodzaak van de te maken kosten blijkt, moet worden overgelegd, evenals de afwijzing van een voorliggende voorziening.

  • 4.

    (Eventuele) aankoopbonnen moeten minimaal 12 maanden bewaard worden en deze moeten op verzoek van de gemeente overgelegd worden.

  • 5.

    De meerkosten worden vergoed a.d.h.v. de NIBUD-normen. Indien er sprake is van dubbele kinderbijslag en de kosten hebben betrekking op het kind waarvoor de dubbele kinderbijslag is bedoeld, dient 50% van de dubbele kinderbijslag eenmalig in mindering gebracht te worden op de te verstrekken bijzondere bijstand.

Artikel 23. Energie en water

  • 1.

    Kosten voor gas, elektriciteit en water behoren tot de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan. Voor zover er geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening en er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden in het individuele geval kunnen de hogere kosten voor gas, elektriciteit en water in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.

  • 2.

    Indien er sprake is van dubbele kinderbijslag en de kosten hebben betrekking op het kind waarvoor de dubbele kinderbijslag is bedoeld, dient 50% van de dubbele kinderbijslag eenmalig in mindering gebracht te worden op de te verstrekken bijzondere bijstand.

  • Denk aan: noodzakelijk hoge kamertemperatuur bij (chronische) ziekte, hogere energiekosten voor het frequent opladen accu's elektrisch bediende rolstoel, hogere energiekosten vanwege extra bewassing;.

  • 3.

    De belanghebbende dient de energie jaarafrekening en/of leveranciersspecificatie waaruit energieverbruik van het elektrisch apparaat blijkt (bijv.extra stroomverbruik traplift) te overleggen om het recht vast te kunnen stellen;

  • 4.

    De meerkosten worden bepaald door de werkelijke energiekosten af te zetten tegen het gemiddeld verbruik.

  • 5.

    In de prijzengids van het NIBUD is het gemiddeld verbruik per woningtype op jaarbasis en de bijbehorende kosten per maand terug te vinden.

Artikel 24. Dieetkosten

  • 1.

    Artikel 15 Participatiewet sluit bijzondere bijstand uit als een beroep kan worden gedaan op een passende en toereikende voorliggende voorziening. Voor medische kosten is dat in beginsel de Zorgverzekeringswet (Zvw). In de kosten van een dieet welke uitgaan boven die van een normaal voedingspatroon kan bijzondere bijstand worden verleend voor de meerkosten.

  • 2.

    Alleen waar aantoonbare meerkosten voortvloeien uit een medisch noodzakelijke afwijking van algemeen gebruikelijke voeding, kan bijzondere bijstand worden verleend. Ontbreken die meerkosten, dan strandt de aanvraag binnen het beoordelingskader van artikel 35 Participatiewet.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de 50% van de meerkosten van het te volgen dieet, zoals vastgesteld in de Prijzengids van het NIBUD.

  • 4.

    De medische noodzaak kan worden aangetoond door middel van een verklaring van een arts, erkend diëtist (Kwaliteitsregister Paramedici (KP) registratie) of door een aangevraagd medisch advies.

  • 5.

    Bij het ontvangen van bijzondere bijstand voor dieetkosten mag je deze dieetkosten (meestal) niet ook nog eens als aftrekpost opgeven bij je aangifte inkomstenbelasting.

Artikel 25. Maaltijdvoorziening

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor warme maaltijden is mogelijk indien een belanghebbende (tijdelijk) niet in staat is voor zichzelf een warme maaltijd te bereiden. Als dit aannemelijk is, wordt er steeds uitgegaan van de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden.

  • 2.

    Is de noodzaak voor warme maaltijden op basis van de informatie die een belanghebbende verstrekt of bij de gemeente bekend is niet aannemelijk of onvoldoende aannemelijk, dan wordt overgegaan tot opvragen van een medisch advies.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand per maaltijd bedraagt het verschil van de gemiddelde kosten voor een maaltijdvoorziening en de meerkosten van de gewone voeding (NIBUD-prijzengids), rekening houdend met de omvang van het huishouden.

  • 4.

    De meerkosten van een warme maaltijd t.o.v. NIBUD-norm uitgaande van maximaal 26 warme maaltijden per maand komen voor bijzondere bijstand in aanmerking.

Hoofdstuk 7 Medische zorg

Artikel 26. Medische kosten

De Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (WLZ) en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) zijn toereikende en passende voorliggende voorzieningen (artikel 15 Pw). Voor medische kosten op grond waarvan deze kosten niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen.

  • 1.

    In de gevallen waarbij:

    • a.

      op de peildatum voor het afsluiten van een van beide door de gemeente aangeboden collectieve zorgverzekeringen niet werd voldaan aan de voorwaarden voor deelname, of;

    • b.

      anderszins een vergelijkbare verzekering tegen ziektekosten is afgesloten, dan wel;

    • c.

      voor een op zijn/haar medische situatie afgestemde aanvullende verzekering is gekozen, worden in afwijking van lid 1 de vergoedingen op grond van de door de gemeente aangeboden collectieve zorgverzekeringen als toereikend aangemerkt en zijn deze vergoedingen maatgevend voor het (buitenwettelijk begunstigend) bijzondere bijstandsbeleid.

  • 2.

    Als er een wettelijke eigen bijdrage is opgelegd waarvoor geen vergoeding bestaat vanuit de Zvw, de WLZ en de WMO 2015, noch in het kader van beide collectieve zorgverzekeringen dan wel een hiermee vergelijkbare verzekering als bedoeld in het tweede lid onder b, kan hiervoor bijzondere bijstand worden verstrekt. Uitgezonderd hiervan zijn:

    • a.

      de (inkomensafhankelijke) eigen bijdrage bij zorg met verblijf;

    • b.

      het verplicht eigen risico bij de Zorgverzekeringswet.

  • 3.

    Collectieve zorgverzekering (categoriale bijstand)

    • 1.

      Het college kan op basis van artikel 35, lid 3 van de Participatiewet aan belanghebbende een gemeentelijk bijdrage in de kosten van een collectieve aanvullende zorgverzekering verstrekken. De Gemeentepolis bestaat uit een wettelijke basisverzekering en aanvullend pakket (Gemeenten Start, Extra en uitgebreid).

    • 2.

      De bijdrage is voor inwoner(s) met een laag inkomen en weinig vermogen. Een belanghebbende heeft een laag inkomen als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantiegeld zoals bepaald in artikel 21, lid b en artikel 22, lid b van de PW en een vermogen tot de grens genoemd in artikel 34, derde lid van de PW. Bij wisselende inkomsten wordt het gemiddelde inkomen gedurende de referteperiode gehanteerd.

    • 3.

      De collectieve zorgverzekering bestaat altijd uit:

      • a.

        een zorgverzekering op grond van de Zvw (de basisverzekering);

      • b.

        een aanvullende verzekering die niet valt onder de onder a genoemde verzekering.

    • 4.

      De hoogte van de gemeentelijke bijdrage in de premie van de aanvullende verzekering is afhankelijk van het door de belanghebbende aangevraagde pakket. De hoogte van de tegemoetkoming wordt jaarlijks vastgesteld door het college. Voor 2026 bedraagt de maandelijkse tegemoetkoming € 17,50 voor pakket 1, € 30,00 voor pakket 2 en €35,00 voor pakket. De gemeente betaalt deze bijdrage rechtstreeks aan de zorgverzekeraar tot 31 juli 2026,

Conform het uitvoeringskader. Per 1 augustus 2026 wordt de werkwijze aangepast en opgenomen in het Uitvoeringskader Gemeentepolis.

  • 5.

    De aanvraag voor de gemeentelijke bijdrage voor de aanvullende zorgverzekering kan via www.gezondverzekerd.nl.

  • 6.

    De persoon die (nog) geen zorgverzekering heeft kan op elk moment een aanvraag voor deelname aan de collectieve aanvullende zorgverzekering indienen. De deelname start per eerstvolgende mogelijkheid na acceptatie door de zorgverzekeraar.

  • 7.

    Voor de persoon als genoemd in het tweede lid van dit artikel wordt op basis van het inkomen en het vermogen over de maand voorafgaand aan de aanvraag vastgesteld of hij in aanmerking komt voor deelname aan de collectieve verzekering met ingang van 1 januari van het volgende jaar.

  • 8.

    Voor de beëindiging van de verzekering gelden dezelfde bepalingen als in de Zvw.

  • 9.

    Naast het gestelde in twaalfde lid van dit artikel wordt de verzekering beëindigd indien de deelnemer niet meer behoort tot de doelgroep.

  • 10.

    Beëindiging van deelname moet tijdig worden doorgegeven en betekent dat de tegemoetkoming in de premiekosten per direct komt te vervallen. Bedragen die eventueel teveel zijn uitbetaald worden teruggevorderd.

  • 4.

    Medische kosten waarvoor geen bijzondere bijstand wordt verstrekt:

  • Brillen en contactlenzen

  • Adequaat verzekeren wordt geacht aanwezig te zijn.

  • Hoortoestellen

  • Adequaat verzekeren wordt geacht aanwezig te zijn.

  • Tandheelkundige hulp

  • Adequaat verzekeren wordt geacht aanwezig te zijn.

  • Orthodontie

  • Adequaat verzekeren wordt geacht aanwezig te zijn.

  • Kraamzorg

  • Adequaat verzekeren wordt geacht aanwezig te zijn.

  • Pedicure en manicure

  • Adequaat verzekeren wordt geacht aanwezig te zijn.

  • De Zorgverzekeringswet wordt aangemerkt als voorliggende voorziening. Meerkosten die samenhangen met keuze voor een luxer of technisch geavanceerder toestel worden niet als noodzakelijk beschouwd.

  • 5.

    Onder medische noodzakelijkheid wordt verstaan:

  • de objectief vast te stellen noodzaak van medische kosten die voortvloeien uit een medische aandoening, beperking of behandeling, waarbij is vastgesteld dat:

  • a.

    de kosten niet vermijdbaar zijn;

  • b.

    de kosten medisch geïndiceerd zijn;

  • c.

    geen voorliggende voorziening aanwezig is die de kosten behoort te vergoeden, zoals de Zvw, WLZ en WMO.

  • 6.

    Objectieve vaststelling van de medische noodzaak

  • Het college stelt medische noodzakelijkheid objectief vast. Het college kan, indien twijfel bestaat over de medische noodzaak, een extern medisch advies opvragen.

  • 1.

    Belanghebbende verleent hieraan de noodzakelijke medewerking.

  • 2.

    Dat een medisch advies moet worden ingewonnen als dat noodzakelijk is, ligt besloten in de wettelijke eis dat een beslissing zorgvuldig moet worden voorbereid. Dit staat in artikel 3:2 Awb.

  • 3.

    Als een belanghebbende niet meewerkt aan het noodzakelijke medisch advies, komen de gevolgen hiervan voor zijn rekening.

  • 4.

    Als een medisch oordeel vereist is om de noodzaak vast te stellen, moet de belanghebbende meewerken aan het verkrijgen van informatie van een medisch gekwalificeerde behandelaar (zoals een arts of tandarts).

  • 5.

    Indien belanghebbende hieraan niet meewerkt kan de aanvraag worden afgewezen omdat de noodzaak van de kosten niet kan worden vastgesteld.

  • 7.

    Medewerking van de aanvrager

  • De aanvrager is verplicht medewerking te verlenen aan:

  • 1.

    het verstrekken van relevante medische gegevens;

  • 2.

    het ondergaan van eventueel noodzakelijk onderzoek voor het medisch advies.

  • 8.

    Toetsing aan voorliggende voorzieningen

  • Medische kosten vallen in beginsel onder de zorgverzekeringswet of andere voorliggende wettelijke regelingen. Bijzondere bijstand wordt alleen verstrekt voor kosten die redelijkerwijs niet via een voorliggende voorziening kunnen worden vergoed. Hiermee volgt het college de kaders die zijn opgenomen de gemeentelijke beleidsregels waarbij medische kosten worden gezien als kosten die normaliter via de Zvw of WLZ worden gedekt.

  • 9.

    Noodzaaktoets in het individuele geval

  • Het college beoordeelt of de kosten in het individuele geval noodzakelijk zijn, aan de hand van criteria zoals:

    • a.

      is er sprake van een goedkopere adequate voorziening?

    • b.

      hadden de kosten voorkomen kunnen worden?

    • c.

      is er sprake van alternatieven?

    • d.

      betreft het geen kosten die voortkomen uit een eigen keuze?

  • 10.

    Bijzondere individuele omstandigheden

  • Medische kosten komen slechts voor bijstand in aanmerking indien zij voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden die kosten onvermijdelijk maken.

  • 11.

    Documentatie en onderbouwing

  • De medische noodzakelijkheid wordt schriftelijk vastgelegd in het besluit op de aanvraag. Daarbij worden ten minste opgenomen:

  • 1.

    de aard van de medische problematiek;

  • 2.

    de onderliggende medische informatie of het medische advies;

  • 3.

    de motivering waarom de kosten noodzakelijk worden geacht;

  • 4.

    de afweging betreffende voorliggende voorzieningen.

  • 12.

    No Show

  • Er wordt geen bijzondere bijstand verleend voor kosten vanwege het niet verschijnen op de afspraak zonder voorafgaande tijdige annulering (no show). Er wordt immers alleen bijzondere bijstand toegekend voor geïndiceerde zorg.

Artikel 27. Personenalarmering

  • 1.

    Bij een medische of sociale indicatie kan in de kosten van een persoonsgebonden alarmering bijzondere bijstand worden verleend.

  • 2.

    De eigen bijdrage (aansluitkosten en periodieke bijdrage) die verschuldigd is, kan vanuit de bijzondere bijstand worden vergoed.

  • 3.

    Een bewijsstuk van deze kosten dient te worden te overgelegd.

Hoofdstuk 8 Reiskosten

Artikel 28. Reiskosten medische behandeling

De zorgverzekering is een voorliggende voorziening om in aanmerking te kunnen komen voor reiskosten medische behandeling, Bij afwijzing daarvan kan bijzonder bijstand worden verleend.

  • 1.

    Verder zijn uitgesloten: - Voor het verplichte wettelijke eigen risico zorgverzekering is geen bijzondere bijstand mogelijk. - Gemeente Sluis hanteert een minimale reisafstand van meer dan 10 kilometer enkele reis (voordat je in aanmerking bijzondere bijstand komt).

Artikel 29. Reiskosten bezoek aan gezinslid die elders behandeld wordt

  • 1.

    Voor het bezoeken van een gezins- of familielid tot en met de 2e graad die elders behandeld wordt (bv. in een ziekenhuis of revalidatiecentrum), kan voor zover de kosten niet uit andere hoofde worden vergoed, bijzondere bijstand worden verleend in de reiskosten.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt de werkelijk gemaakte kosten, met een maximum van het goedkoopste openbaar vervoertarief, dan wel bij eigen vervoer tegen de belastingvrije reiskostenvergoeding per kilometer, kortste route en de daaraan eventuele verbonden parkeerkosten.

  • 3.

    De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op een bezoekfrequentie van maximaal drie keer per week aan een partner of bloed- of aanverwant in de 1e graad en op een bezoekfrequentie van eenmaal per week aan een bloed- of aanverwant in de 2e graad.

  • 4.

    In bijzondere situaties zoals bij een terminaal verpleegde, kan op individuele basis worden afgeweken van de bezoekfrequentie zoals genoemd in lid 3.

Artikel 30. Reiskosten bezoek aan gedetineerde

  • 1.

    Voor het bezoeken van een gedetineerde partner of gedetineerd gezinslid in de 1e graad kan met een frequentie van maximaal eenmaal per maand bijzondere bijstand worden verleend in de reiskosten. 2. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt de werkelijk gemaakte kosten, met een maximum van het goedkoopste openbaar vervoertarief, dan wel bij eigen vervoer tegen de belastingvrije reiskostenvergoeding per kilometer, kortste route en de daaraan eventuele verbonden parkeerkosten.

  • 2.

    Voor reiskosten wegens bezoek aan een in het buitenland gedetineerd gezins- of familielid wordt geen bijstand verstrekt.

  • 3.

    Indien de gedetineerde met verlof mag, wordt bijzondere bijstand voor reiskosten voor het bezoeken van een gedetineerde partner of een gedetineerd gezinslid in de 1e graad niet noodzakelijk geacht.

Artikel 31. Reiskosten bezoek aan een uit huis geplaatst kind of bezoek van een uit huis geplaatst kind

  • 1.

    Er dient een aanvraag bij de voogd van belanghebbende voor bezoek aan de Gecertificeerde Instelling (GI) /Jeugdzorg te worden ingediend om in aanmerking te komen voor een reiskostenvergoeding voor het bezoeken van een uit huis geplaatst kind door de ouder(s) of voor het bezoek van een uit huis geplaatst kind aan de ouders.

  • 2.

    Bij afwijzing reiskosten van de GI voor het bezoeken van een uit huis geplaatst kind door de ouder(s) of voor het bezoek van een uit huis geplaatst kind aan de ouders, kan bijzondere bijstand worden verleend.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt de werkelijk gemaakte kosten, met een maximum van het goedkoopste openbaar vervoertarief, dan wel bij eigen vervoer tegen de belastingvrije reiskostenvergoeding per kilometer, kortste route en de daaraan eventuele verbonden parkeerkosten.

  • 4.

    De bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de bezoekregeling die is opgesteld door de Gecertificeerde instelling (GI) / Jeugdzorg met een frequentie van maximaal eenmaal per week.

Artikel 32. Reiskosten gerechtelijke procedure

  • 1.

    1. De kosten voor het bijwonen van een gerechtelijke procedure voor zover voortvloeiend uit opgelegde PW- voorwaarden die leiden tot vermindering of beëindiging van de algemene bijstand (bv. alimentatieprocedure) komen voor bijzondere bijstand in aanmerking.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt de werkelijk gemaakte kosten, met een maximum van het goedkoopste openbaar vervoertarief, dan wel bij eigen vervoer tegen de belastingvrije reiskostenvergoeding per kilometer, kortste route en de daaraan eventuele verbonden parkeerkosten.

Artikel 33. Reiskosten scholing en opleiding van ten laste komende kinderen

  • 1.

    1.Voor het volgen van een opleiding of studie door ten laste komende kinderen kan bijzondere bijstand worden verleend in de reiskosten, indien geen recht bestaat op een studentenreisproduct of leerlingenvervoer.

  • 2.

    De gemeente doet geen uitspraak over de noodzakelijkheid van de keuze om buiten de gemeente een opleiding te volgen. Als de opleiding wordt gevolgd in de Zeeuws Vlaanderen of Zeeland wordt de schoolkeuze gerespecteerd.

  • 3.

    De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van het tarief openbaar vervoer, voordeligste mogelijkheid.

  • 4.

    De reiskosten worden verstrekt op basis van 10 keer de kosten van een maandabonnement (periode september tot en met juni) of de kosten van een jaarabonnement voor zover deze kosten lager zijn dan de kosten van 10 keer het maandabonnement.

  • 5.

    Wanneer de enkele reisafstand minder dan 10 kilometer bedraagt, wordt geen vergoeding verstrekt.

Artikel 34. Reiskosten Wet Inburgering

  • 1.

    Voor het volgen van een traject in het kader van de Wet inburgering kan bijzondere bijstand worden verleend in de reiskosten voor zover en zolang dit geen onderdeel uitmaakt van een re-integratietraject.

  • 2.

    De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van het tarief openbaar vervoer, voordeligste mogelijkheid, dan wel bij eigen vervoer de belastingvrije reiskostenvergoeding per kilometer, kortste route.

Hoofdstuk 9 Uitvaartkosten

Artikel 35. Begrafenis- of crematiekosten

  • 1.

    Indien de nalatenschap van de overledene onvoldoende opbrengt en er door de overledene geen uitvaartverzekering is afgesloten die de kosten volledig dekt, kan voor de kosten van de begrafenis of crematie aan de erfgenamen genoemd in lid 2, ieder voor hun eigen deel in deze kosten, bijzondere bijstand worden verleend.

  • 2.

    Voor vergoeding komen de algemene kosten en begrafenis- of crematiekosten op basis van de NIBUD prijzengids in aanmerking. Ontvangen verzekeringsgelden dienen hierop in mindering te worden gebracht.

  • 3.

    De volgende kosten worden niet vergoed:

  • advertentiekosten in regionale krant;

  • opbaren in uitvaartcentrum, incl. condoleancebezoek;

  • opbaren thuis, incl. dagelijkse controle en koeling overledene;

  • kosten volgauto(s);

  • koffietafel na uitvaart;

  • kosten eigen graf (20 jaar voor 2 personen), incl. onderhoudskosten en openen en sluiten graf;

  • bijzetten in bestaand graf;

  • natuurstenen grafdocument of urnen;

  • kosten eredienst en/of kosten die voortvloeien uit culturele en religieuze achtergrond

  • 4.

    De bijzondere bijstand wordt om niet verleend, tenzij aannemelijk is te achten, dat er achteraf voldoende middelen zijn.

  • 5.

    Geen bijzondere bijstand wordt verleend voor de kosten van:

    • overbrenging van de overledene naar het buitenland om daar te kunnen worden begraven of gecremeerd;

    • begrafenis of crematiekosten in het buitenland t.b.v. de overleden inwoner, of een gezinslid;

    • reiskosten voor het bijwonen van een begrafenis/crematie in het buitenland.

Hoofdstuk 10 Bijzondere financiële regelingen

Artikel 36. Beschermingsbewind (bewindvoering, mentorschap en curatele)

  • 1.

    Als de kantonrechter de noodzaak tot onder bewindstelling, mentorschap of curatele heeft beoordeeld en vastgesteld, bestaat er voor het college geen vrijheid meer de onder bewindstelling, mentorschap of curatele te beoordelen en evenmin om te bezien of er andere oplossingen mogelijk zijn.

  • 2.

    Als bewijs dient een beschikking van de kantonrechter te worden overlegd waaruit blijkt dat de kosten in rekening mogen worden gebracht.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de jaarbeloning zoals opgenomen in 'Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren', tenzij lager wordt gefactureerd.

  • 4.

    De ingangsdatum van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld conform het bepaalde in artikel 3 lid 4 van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerder en mentoren.

  • 5.

    De kosten van de aanvangswerkzaamheden/entreekosten komen op per datum dat de bewindvoerder, mentor of curator door de rechtbank is benoemd, tevens zijnde de datum van de beschikking van de rechtbank.

  • 6.

    6.Bankkosten t.b.v. beschermingsbewind en curatele komen ook in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • 7.

    Voor de kosten van het openen en aanhouden van een beheerrekening wordt de noodzaak en bijzondere omstandigheden aanwezig geacht.

  • 8.

    Voor de kosten van de eindafrekening en griffierecht wordt de noodzaak en bijzondere omstandigheden aanwezig geacht.

Artikel 37. Griffierecht en eigen bijdrage rechtsbijstand

  • 1.

    1. De kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand en griffierecht worden noodzakelijk geacht om ook voor burgers met een minimuminkomen de mogelijkheid van de rechtsgang te garanderen. De noodzaak wordt ontleend aan het feit dat de Raad voor de Rechtsbijstand een advocaat heeft toegevoegd.

  • 2.

    Eventuele andere bijkomende kosten in de procedure komen voor bijzondere bijstand in aanmerking wanneer daarvoor een noodzaak bestaat.

  • 3.

    De datum van de factuur van het griffierecht, wordt aangehouden als datum dat de kosten opkomen.

  • 4.

    De kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand komen op, op de dag dat de rechtsbijstandverlener het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand tot verlening van de aangevraagde toevoeging heeft ontvangen.

Hoofdstuk 11 Slotbepalingen

Artikel 38. Hardheidsclausule

Door of namens het college kan met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende worden afgeweken van deze beleidsregels, indien toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 39. Citeertitel en inwerkingtreding

  • 1.

    Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als ''Beleidsregels bijzondere bijstand 2026-2027 gemeente Sluis'' en treden met terugwerkende kracht in werking per 1 januari 2026.

  • 2.

    De ''Beleidsregels bijzondere bijstand 2024 gemeente Sluis'', vervallen per 1 januari 2026.

 

Besluiten:

 

vast te stellen de Beleidsregel bijzondere bijstand 2026-2027 gemeente Sluis vast te stellen.

Oostburg, 23 juni 2026

BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN SLUIS,

De secretaris, De burgemeester,

S.I. de Kievit-Minnaert mr. M.M.D. Vermue

Naar boven