Gemeenteblad van Sluis
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Sluis | Gemeenteblad 2026, 309529 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Sluis | Gemeenteblad 2026, 309529 | beleidsregel |
Beleidsregel bijzondere bijstand 2026-2027 gemeente Sluis
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (PW), de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet. 2. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
de bijstandsnorm: de norm zoals bedoeld in artikel 5 onder c van de wet exclusief vakantietoeslag en met dien verstande dat kostendelende medebewoners als bedoeld in artikel 22a van de wet bij de beoordeling van aanvragen bijzondere bijstand buiten toepassing blijft. In dat geval wordt aangesloten bij de bijstandsnorm zoals die van toepassing zou zijn wanneer er geen sprake zou zijn geweest van kostendelende medebewoners;
Artikel 2. Draagkracht uit vermogen
Bij de toepassing van artikel 34 lid 2 onder d van de wet wordt de overwaarde van de door belanghebbende of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf tot het vrij te laten normbedrag van. Niet meegenomen als vermogen. Het bedrag boven het vrij te laten normbedrag wordt als wel vermogen aangemerkt. Voor berekening van de draagkracht wordt de overwaarde berekend als de marktwaarde bij vrije oplevering minus de hypotheekschuld en het vrij te laten normbedrag.
Artikel 3. Draagkracht uit inkomen
Bij de berekening van de draagkracht wordt rekening gehouden met eventueel gemiste inkomensafhankelijke toeslagen op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), zoals zorgtoeslag, huurtoeslag of kindgebonden budget. Als het inkomen stijgt, daalt de toeslag. Bij de bepaling van de draagkrachtruimte wordt hiermee rekening gehouden. De feitelijke situatie dient te worden vergeleken met het totaal inkomen op bijstandsniveau, inclusief de dan geldende toeslagen.
Als de belanghebbende, niet zijnde een zelfstandige, een vast periodiek inkomen heeft, wordt bij de vaststelling van het inkomen uitgegaan van het inkomen voorafgaand aan de maand waarin de kosten zich voordoen. Indien de belanghebbende wisselende inkomsten heeft, wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen over de drie maanden voorafgaand aan de maand waarin de kosten zich voordoen.
Ondanks dat de Wet op de Inkomstenbelasting de mogelijkheid biedt om bepaalde medische kosten als aftrekpost op te kunnen voeren, wat een lagere definitieve aanslag inkomstenbelasting tot gevolg kan hebben, wordt dit mogelijk recht op belastingvermindering- of teruggave buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand.
Van het bepaalde in lid 2 wordt afgeweken indien vooraf duidelijk is dat de noodzaak van de kosten zich korter voordoet dan de vastgestelde draagkrachtperiode. In dat geval wordt aansluiting gezocht bij de periode dat de kosten noodzakelijk zijn. Indien het onduidelijk is hoe lang de kosten noodzakelijk zijn, wordt de bijzondere bijstand toegekend voor een periode van 12 maanden.
Artikel 7. Wijziging reeds vastgestelde draagkracht
Een reeds vastgestelde draagkracht of draagkrachtperiode, wordt opnieuw beoordeeld als de persoonlijke en/of financiële omstandigheden van belanghebbende gedurende de al vastgestelde draagkrachtperiode ingrijpend wijzigt of in geval van een wijziging in de hoogte van de bijzondere noodzakelijke kosten.
Onder een ingrijpende wijziging wordt in ieder geval verstaan: een inkomensstijging of daling van tenminste 20% die niet wordt veroorzaakt door een eenmalige beloning maar door een structurele toename van het aantal gewerkte uren, een structurele stijging van het bruto uurloon of een combinatie van beiden.
Hoofdstuk 3 Bijzondere bijstand met terugwerkende kracht, drempelbedrag, vorm van de bijstand
Artikel 11. Hoogte van de bijstand
Voor zover niet anders is vermeld, wordt de hoogte van de noodzakelijke kosten vastgesteld op basis van 50% van de prijzengids van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud). Voor zover de gevraagde kosten niet staan vermeld in deze gids, wordt de hoogte op individuele basis vastgesteld.
Hoofdstuk 4 Te laag maandinkomen
Artikel 13. Overgangsbepaling jongere 18 tot 21 jaar met noodzaak zelfstandig wonen, niet zijnde verblijf in inrichting
Voor deze jongeren geldt dat bijzondere bijstand kan worden verleend voor zover de noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de geldende bijstandsnorm en in de hogere bestaanskosten niet kan worden voorzien door het delen van kosten met een ander, en er geen beroep op de onderhoudsplicht van de ouders kan worden gedaan.
De noodzakelijke kosten van het bestaan van de zelfstandig wonende alleenstaande dan wel alleenstaande ouder van 18 tot 21 jaar zoals bedoeld in lid 1, wordt gesteld op het normbedrag voor een persoon van 21 jaar inclusief vakantietoeslag in vergelijkbare omstandigheden. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het verschil tussen dit bedrag en de van toepassing zijnde bijstandsnorm op basis van artikel 20 van de Pw.
Jongeren die een tegemoetkoming scholieren (hierna: WTOS) ontvangen kunnen wel in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor levensonderhoud. Bij de berekening dient dan enkel rekening gehouden te worden met het bedrag van de basistoelage voor levensonderhoud. Aanvulling is tot de WSF-norm, op deze manier worden WSF-ers en WTOS-ers gelijk behandeld. Voorwaarde is dat hij/zij noodgedwongen op zichzelf moet wonen en ook géén beroep kan doen op de onderhoudsplicht van zijn/haar ouders.
Artikel 14. Jongere 18 tot 21 jaar die in een inrichting verblijft
De noodzakelijke kosten van het bestaan van de alleenstaande of de alleenstaande ouder van 18 tot 21 jaar die verblijft in een inrichting in de zin van artikel 1, sub f, van de wet, en ook zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken, worden gesteld op het normbedrag als bedoeld in artikel 23, lid 1, sub a, van de wet.
De hoogte van de inrichtingsnorm sluit niet in alle gevallen goed aan bij de ontwikkeling in de zorgverlening en zorgwetgeving. Dit omdat bij een verblijf in een inrichting de zorg en inwoning niet altijd in natura wordt verleend. Hierdoor moeten sommige inwoners een eigen bijdrage betalen waarin de norm niet voorziet. Bijvoorbeeld voor de huur van de kamer, het gebruik van gemeenschappelijke ruimtes, eten en drinken en gas water en licht. In dit soort situaties kan de inrichtingsnorm eventueel aangevuld worden met de kosten waarin de inrichtingsnorm niet voorziet tot maximaal de norm voor een alleenstaande van 21 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd. De belanghebbende dient hiervan bewijsstukken te overleggen.
Artikel 15. Overbruggingsuitkering
De hoogte van de overbruggingsuitkering wordt berekend op basis van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag (VT), over de te overbruggen periode. Het COA-leefgeld wordt niet als middel aangemerkt. Eventuele inkomsten, niet zijnde het COA-leefgeld, worden wel als middel aangemerkt.
Hoofdstuk 5 Wonen en verhuizen
Huurtoeslag geldt als een voorliggende voorziening. Woonkostentoeslag voor een huurwoning kan uitsluitend worden verstrekt indien:
de belanghebbende huurtoeslag heeft aangevraagd en ontvangt, maar deze niet toereikend is om de noodzakelijke woonkosten te dekken. Het deel van de huur boven de rekenhuur (zoals vastgesteld in de Wet op de huurtoeslag) komt volledig voor bijzondere bijstand in aanmerking mits sprake is van een reële huurprijs servicekosten tellen niet mee in de huurtoeslag.
de belanghebbende aantoonbaar geen aanspraak kan maken op huurtoeslag om redenen buiten zijn schuld. De woonkostentoeslag wordt verstrekt tot de datum waarop de belanghebbende wel in aanmerking komt voor huurtoeslag. De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die de belanghebbende gelet op zijn financiële situatie op grond van de Wet op de huurtoeslag per maand zou ontvangen.
De woonkostentoeslag kan worden verstrekt voor een periode van maximaal12 maanden. Aan deze verstrekking is de voorwaarde verbonden op grond van artikel 55 van de wet dat de belanghebbende naar vermogen tracht goedkopere passende woonruimte te vinden, tenzij het een toegewezen woning betreft in het kader van een gemeentelijk zorgproject.
Artikel 18. Doorbetaling vaste lasten tijdens tijdelijk verblijf in een inrichting of ziekenhuis
Bij een opname in een inrichting, zoals bedoeld in artikel 1 lid f van de wet (=verpleegtehuis, psychiatrisch ziekenhuis, afkickcentrum) moet de algemene periodieke bijstandsnorm worden omgezet naar een lagere norm (artikel 23 Pw). Die lagere norm is alleen bedoeld als zak- kleedgeld en daarvan kunnen niet de vaste lasten worden betaald.
De uitkering wordt ongewijzigd voortgezet gedurende de maand van opname en de drie maanden daaropvolgend. Vanaf het moment waarop de bijstandsnorm wordt omgezet naar de norm zak- en kleedgeld is bijzondere bijstand voor de doorbetaling van de vaste lasten mogelijk voor maximaal 6 maanden. Mits er noodzaak is tot het aanhouden van de eigen woonruimte.
Artikel 19. Doorbetaling vaste lasten tijdens detentie
Op het moment dat er sprake is van een verblijf in detentie in Nederland en de belanghebbende is alleenstaand én verblijft minimaal 2 maanden en maximaal 6 maanden in detentie én de belanghebbende is niet in staat zelf zijn vaste lasten van zijn woning te bekostigen, kunnen de vaste lasten van de belanghebbende voor die periode worden doorbetaald. Na een succesvolle aanvraag wordt een belanghebbende 3 jaar uitgesloten van deze regeling.
Artikel 20. Waarborgsom, eerste huurlasten, inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen
Indien de belanghebbende vanuit een niet verwijtbare situatie beschikt over onvoldoende draagkracht voor de betaling van de administratiekosten en waarborgsom voor een woning, de (gedeeltelijke) eerste en volledige tweede maandhuur, inrichtingskosten of duurzame gebruiksgoederen en redelijkerwijs niet heeft kunnen reserveren voor deze kosten, kan hiervoor bijzondere bijstand worden verleend. Het bepaalde in artikel 34, lid 2, sub b, van de wet blijft hierbij buiten toepassing.
Een geldlening bij de gemeente waarmee volledig kan worden voorzien in de administratiekosten en waarborgsom voor een woning, eerste maandhuur, inrichtingskosten of de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen voor zover van toepassing, wordt als een toereikende en passende voorliggende voorziening beschouwd.
De bijzondere bijstand in de administratiekosten de eerste en tweede maand huur voor zover hierover geen aanspraak op huurtoeslag bestaat, wordt verleend in de vorm van een lening, de bijzondere bijstand in de waarborgsom, de eerste huurlasten waarover aanspraak op huurtoeslag bestaat, inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen worden eveneens verleend in de vorm van een lening.
De huurtoeslag die de belanghebbende gaat ontvangen over de periode van de eerste en tweede maand huur kan worden verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening (artikel 48 lid 2 onder a Pw). Een eventuele borgsom wordt eveneens verstrekt in de vorm van een renteloze lening (artikel 48 lid 2 sub c Pw).
Artikel 22. Kleding en schoeisel
Voor zover er geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening, (ziektekostenverzekering, WMO), en er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval komen de kosten van extra wasverzorging en extra kledingslijtage ten gevolge van gebreken of ziekte, voor bijzondere bijstand in aanmerking. Denk aan:
De meerkosten worden vergoed a.d.h.v. de NIBUD-normen. Indien er sprake is van dubbele kinderbijslag en de kosten hebben betrekking op het kind waarvoor de dubbele kinderbijslag is bedoeld, dient 50% van de dubbele kinderbijslag eenmalig in mindering gebracht te worden op de te verstrekken bijzondere bijstand.
Kosten voor gas, elektriciteit en water behoren tot de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan. Voor zover er geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening en er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden in het individuele geval kunnen de hogere kosten voor gas, elektriciteit en water in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.
Artikel 15 Participatiewet sluit bijzondere bijstand uit als een beroep kan worden gedaan op een passende en toereikende voorliggende voorziening. Voor medische kosten is dat in beginsel de Zorgverzekeringswet (Zvw). In de kosten van een dieet welke uitgaan boven die van een normaal voedingspatroon kan bijzondere bijstand worden verleend voor de meerkosten.
De Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (WLZ) en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) zijn toereikende en passende voorliggende voorzieningen (artikel 15 Pw). Voor medische kosten op grond waarvan deze kosten niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen.
voor een op zijn/haar medische situatie afgestemde aanvullende verzekering is gekozen, worden in afwijking van lid 1 de vergoedingen op grond van de door de gemeente aangeboden collectieve zorgverzekeringen als toereikend aangemerkt en zijn deze vergoedingen maatgevend voor het (buitenwettelijk begunstigend) bijzondere bijstandsbeleid.
Als er een wettelijke eigen bijdrage is opgelegd waarvoor geen vergoeding bestaat vanuit de Zvw, de WLZ en de WMO 2015, noch in het kader van beide collectieve zorgverzekeringen dan wel een hiermee vergelijkbare verzekering als bedoeld in het tweede lid onder b, kan hiervoor bijzondere bijstand worden verstrekt. Uitgezonderd hiervan zijn:
Collectieve zorgverzekering (categoriale bijstand)
Het college kan op basis van artikel 35, lid 3 van de Participatiewet aan belanghebbende een gemeentelijk bijdrage in de kosten van een collectieve aanvullende zorgverzekering verstrekken. De Gemeentepolis bestaat uit een wettelijke basisverzekering en aanvullend pakket (Gemeenten Start, Extra en uitgebreid).
De bijdrage is voor inwoner(s) met een laag inkomen en weinig vermogen. Een belanghebbende heeft een laag inkomen als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantiegeld zoals bepaald in artikel 21, lid b en artikel 22, lid b van de PW en een vermogen tot de grens genoemd in artikel 34, derde lid van de PW. Bij wisselende inkomsten wordt het gemiddelde inkomen gedurende de referteperiode gehanteerd.
De hoogte van de gemeentelijke bijdrage in de premie van de aanvullende verzekering is afhankelijk van het door de belanghebbende aangevraagde pakket. De hoogte van de tegemoetkoming wordt jaarlijks vastgesteld door het college. Voor 2026 bedraagt de maandelijkse tegemoetkoming € 17,50 voor pakket 1, € 30,00 voor pakket 2 en €35,00 voor pakket. De gemeente betaalt deze bijdrage rechtstreeks aan de zorgverzekeraar tot 31 juli 2026,
Conform het uitvoeringskader. Per 1 augustus 2026 wordt de werkwijze aangepast en opgenomen in het Uitvoeringskader Gemeentepolis.
Medische kosten vallen in beginsel onder de zorgverzekeringswet of andere voorliggende wettelijke regelingen. Bijzondere bijstand wordt alleen verstrekt voor kosten die redelijkerwijs niet via een voorliggende voorziening kunnen worden vergoed. Hiermee volgt het college de kaders die zijn opgenomen de gemeentelijke beleidsregels waarbij medische kosten worden gezien als kosten die normaliter via de Zvw of WLZ worden gedekt.
Artikel 28. Reiskosten medische behandeling
De zorgverzekering is een voorliggende voorziening om in aanmerking te kunnen komen voor reiskosten medische behandeling, Bij afwijzing daarvan kan bijzonder bijstand worden verleend.
Artikel 30. Reiskosten bezoek aan gedetineerde
Voor het bezoeken van een gedetineerde partner of gedetineerd gezinslid in de 1e graad kan met een frequentie van maximaal eenmaal per maand bijzondere bijstand worden verleend in de reiskosten. 2. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt de werkelijk gemaakte kosten, met een maximum van het goedkoopste openbaar vervoertarief, dan wel bij eigen vervoer tegen de belastingvrije reiskostenvergoeding per kilometer, kortste route en de daaraan eventuele verbonden parkeerkosten.
Artikel 31. Reiskosten bezoek aan een uit huis geplaatst kind of bezoek van een uit huis geplaatst kind
Er dient een aanvraag bij de voogd van belanghebbende voor bezoek aan de Gecertificeerde Instelling (GI) /Jeugdzorg te worden ingediend om in aanmerking te komen voor een reiskostenvergoeding voor het bezoeken van een uit huis geplaatst kind door de ouder(s) of voor het bezoek van een uit huis geplaatst kind aan de ouders.
Artikel 35. Begrafenis- of crematiekosten
Indien de nalatenschap van de overledene onvoldoende opbrengt en er door de overledene geen uitvaartverzekering is afgesloten die de kosten volledig dekt, kan voor de kosten van de begrafenis of crematie aan de erfgenamen genoemd in lid 2, ieder voor hun eigen deel in deze kosten, bijzondere bijstand worden verleend.
Door of namens het college kan met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende worden afgeweken van deze beleidsregels, indien toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-309529.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.