Beleidsregels standplaatsen Valkenswaard 2026-2030

 

1 Inleiding

De Beleidsregels Standplaatsen Valkenswaard 2026-2030 hebben betrekking op alle standplaatsen in Valkenswaard, met uitzondering van de standplaatsen op de weekmarkt.

 

1.1 Aanleiding nieuwe beleidsregels

In 2020 zijn de Beleidsregels standplaatsen Valkenswaard 2020 vastgesteld. Inmiddels zijn 6 jaar verstreken en is er noodzaak deze beleidsregels te actualiseren:

  • Economische redenen: Het centrum van Valkenswaard is veranderd, mede door het Masterplan centrum. Er zijn (veel) wijzigingen geweest in de detailhandel. Het Masterplan centrum bijvoorbeeld streefde ernaar winkels naar het hart van het centrum van Valkenswaard te krijgen en stimuleerde verplaatsing vanuit elders in de kern Valkenswaard om zo het centrum levendig te houden. Ook komt er op korte termijn een meerjarenvisie centrum Valkenswaard vanuit het Centrum Management, deze is momenteel in ontwikkeling.

  • Daarnaast ervaart de detailhandel steeds meer concurrentie van webwinkels.

  • Veranderingen in wet- en regelgeving. De Europese Dienstenrichtlijn heeft invloed op de regels omtrent de schaarse vergunningen. Hierdoor is het bijvoorbeeld niet langer toegestaan om vergunningen voor onbepaalde tijd te verlenen.

  • De Beleidsregels standplaatsen Valkenswaard 2020 zijn geëvalueerd. Aandachtspunten uit deze evaluatie zijn meegenomen in deze herziening.

Door deze beleidsregels (opnieuw) vast te stellen krijgen betrokken ondernemers meer rechtszekerheid. Ook geven deze beleidsregels duidelijkheid voor alle betrokkenen, zoals ondernemers, omwonenden, vergunningverleners, handhavers en toezichthouders. Duidelijkheid op het gebied van vergunningverlening, toetsing van vergunningsaanvragen en op gebied van toezicht en handhaving.

 

Standplaatsen dragen bij aan de levendigheid van de omgeving. Ze vergroten de aantrekkingskracht, versterken de sociale structuur en dragen bij aan een groter voorzieningenaanbod voor onze inwoners, bezoekers en toeristen. Standplaatsen worden in het Omgevingsplan (beperkt) planologisch mogelijk gemaakt. Door het aantal standplaatsen te beperken, wordt voorkomen dat de revitalisering van het centrum als kernwinkelgebied gevaar loopt. (Als gemeente proberen we leegstaande winkels in het kernwinkelgebied te voorkomen). Deze keuze wordt nader toegelicht onder 1.2. Juridische grondslag, paraaf Voorzieningenniveau.

 

1.2 Juridische grondslag

Gelet op artikel 4:81 en hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de artikelen 1:4 tot en met 1:8 en hoofdstuk 6, afdeling 8, van de Algemene plaatselijke verordening Valkenswaard 2024 (hierna: APV) stellen burgemeester en wethouders van Valkenswaard de hierna genoemde beleidsregels voor standplaatsen vast.

 

De artikelen in hoofdstuk 6 van de APV worden op een nader te bepalen moment, overgenomen in het Omgevingsplan van de gemeente Valkenswaard en maken vanaf dat moment geen deel meer uit van de APV. Deze beleidsregels blijven daarbij onverkort van toepassing.

2 Beleidsregels

2.1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Verschillende typen standplaatsen

In deze beleidsregels wordt onderscheid gemaakt in een aantal typen standplaats. De volgende typen worden onderscheiden:

 

Vaste standplaatsen, waarbij onderscheid wordt gemaakt in de volgende vijf categorieën:

  • 1.

    Vaste dag plaatsen: een standplaats die op één vaste dag in de week voor een langere periode op eenzelfde locatie wordt ingenomen.

  • 2.

    Seizoen standplaatsen: een standplaats die in een bepaald seizoen dagelijks op dezelfde locatie wordt ingenomen.

  • 3.

    Incidentele standplaatsen: een standplaats die éénmalig of voor maximaal 12 dagen per jaar wordt ingenomen.

  • 4.

    Standplaatsen met streekproducten (bij de boer): een onbemande standplaats, waarbij voornamelijk een boer, of iemand anders die (hobbymatig) producten vervaardigt, vanuit een automaat, kistje of ander verkoopmiddel zijn producten te koop aanbiedt.

  • 5.

    Vaste weekplaatsen: Zie de toelichting hieronder.

Vaste weekplaatsen; standplaatsen die een hele week worden ingenomen, worden niet meer vergund. De reden daarvoor is dat er diversiteit in het aanbod gewenst is. Daarnaast wordt de kans op stank- en geuroverlast, parkeerdruk en mogelijke andere hinder voor omwonenden en derden beperkt.

 

Voor de huidige vaste weekplaatsen aan de Handwerkstraat en het Bruninckxdal geldt een uitsterfconstructie, zie artikel 17. Hier worden geen nieuwe vergunningen voor verstrekt in verband met gewijzigde inzichten ten aanzien van deze specifieke locaties.

 

De eerdere seizoensplaats aan de Molenstraat, (bij de toegang tot natuurgebied “De Malpie”), is inmiddels vervallen wegens herinrichting van het gebied.

Artikel 2 Nadere uitleg weigeringsgronden

De gronden waarop een aanvraag om een vergunning geweigerd kan worden staan vermeld in de artikelen 1:8 en 6:31 van de APV. Een aanvraag om een standplaatsvergunning kan worden geweigerd:

  • in het belang van de openbare orde;

  • in het belang van de openbare veiligheid;

  • in het belang van de volksgezondheid;

  • in het belang van de bescherming van het milieu;

  • indien er sprake is van strijd met het Omgevingsplan (in dit geval wordt de vergunning altijd geweigerd)

  • indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;

  • indien een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van omstandigheden in de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

Hieronder worden deze weigeringsgronden nader uitgewerkt.

 

Openbare orde en openbare veiligheid

De weigeringsgronden openbare orde en openbare veiligheid hebben nauw verband met elkaar en worden daarom samen uitgelegd. Onder openbare veiligheid wordt onder andere de verkeersveiligheid verstaan. Standplaatsen waar goederen te koop worden aangeboden hebben in de praktijk een verkeer aantrekkend karakter.

 

Door dit verkeer aantrekkend karakter ontstaan mogelijk ongewenste oversteekbewegingen door voetgangers, kunnen looproutes worden geblokkeerd en kan ontoelaatbaar rijwielverkeer in voetgangersgebieden ontstaan. Een standplaats kan daarnaast (te) veel parkeerplaatsen in beslag nemen, waardoor parkerende en geparkeerde auto’s overlast in de omgeving kunnen veroorzaken. In het belang van de verkeersveiligheid is het daarom niet mogelijk om overal een standplaats in te nemen.

 

In het kader van openbare orde en openbare veiligheid wordt gestreefd naar een spreiding van standplaatsen.

 

Voor de (brand)veiligheid wordt verwezen naar het (landelijk geldend) “Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, BGBOP”, waaraan ook de standplaatsen moeten voldoen.

 

Volksgezondheid

De algemene weigeringsgrond uit artikel 1:8 van de APV met betrekking tot het belang van de volksgezondheid, is met name van toepassing op evenementen. Denk hierbij aan de verkoop van etenswaren, het aanbieden van diensten zoals piercen en tatoeëren. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de richtlijnen van de NVWA, GGD en GHOR. Voor wat betreft de standplaatsen is er geen nadere uitleg ten aanzien van deze weigeringsgrond.

 

Bescherming van het milieu

Met name standplaatsen waar etenswaren voor directe consumptie bereid worden, hebben een impact op het milieu. Er wordt vaak gebakken wat kan leiden tot stank of geuroverlast en daarnaast komen afvalstoffen vrij, zoals bijvoorbeeld afvalwater en verpakkingen van verkochte etenswaren. Bij het verlenen van vergunningen en voorschriften die aan vergunningen worden verbonden wordt rekening gehouden met het beschermen van het milieu.

 

Daarnaast kan een standplaats worden aangemerkt als een milieu belastende activiteit (MBA) zoals bedoeld in de Omgevingswet/ Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) als het verkoopmiddel met een zekere regelmaat wordt opgesteld en in werking wordt gebracht. Wanneer hiervan sprake is, wordt niet in deze beleidsregels geregeld, maar is bepaald in de jurisprudentie op grond van de Omgevingswet/ Het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL).

 

Redelijke eisen van welstand

De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen, op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd.1

 

Voorzieningenniveau

In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten, die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Van duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal in de praktijk niet snel sprake zijn. Voor de vraag of een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal ontstaan, komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of voor een overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande voorzieningen moet worden gevreesd, maar het doorslaggevende criterium is of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften (bijvoorbeeld ABRvS 13-01-2016, ECLI:NL:RVS:2016:49).

 

Ook de Dienstenrichtlijn staat een redelijk voorzieningenniveau niet toe als weigeringsgrond voor standplaatsen, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten (artikel 14, punt 5, van de Dienstenrichtlijn). Op grond van de Dienstenrichtlijn mag wel een kwantitatieve of territoriale beperking worden gesteld, mits:

  • 1.

    geen sprake is van discriminatie naar nationaliteit of statutaire zetel (discriminatieverbod);

  • 2.

    er sprake is van een dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheid);

  • 3.

    de maatregelen geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken en niet verdergaan dan nodig is en het doel niet met andere, minder beperkende maatregelen kan worden bereikt (evenredigheid) (artikel 15 Dienstenrichtlijn).2

Deze weigeringsgrond is een belangrijke basis voor een aantal van de volgende beleidsregels, zoals het maximumstelsel en de regels over het verdelen van schaarse vergunningen. Nu zal het voorzieningenniveau op microniveau en op korte termijn in Valkenswaard niet snel in gevaar komen. Dat wil zeggen dat door de komst van bijvoorbeeld een standplaats met kaas, het voorzieningenniveau voor de consument die kaas wil kopen niet in gevaar zal komen, omdat andere winkeliers met kaas niet langer kunnen voortbestaan door de aanwezigheid van een standplaats.

 

Maar als je kijkt naar de langere termijn en niet specifiek naar het voorzieningenniveau van een bepaalde branche, maar naar het detailhandel aanbod in brede zin, dan is het wel degelijk van belang om kritisch naar de standplaatslocaties te kijken en deze te laten aansluiten bij het doel om een compact centrum te realiseren, om het voorzieningenniveau op peil te houden. Dat heeft geleid tot een aantal belangrijke beleidskeuzes, zoals het laten vervallen van standplaatslocaties buiten het compacte centrum en het winkelcentrum Dommelen. Het is immers niet logisch om de detailhandel te concentreren in een compact centrum en voor ambulante handel een tegengestelde ‘koers te varen’ en die overal toe te staan.

 

2.2 Beleidsregels standplaatsen

Artikel 3 Standplaatslocaties, maximumstelsel en huurprijzen

Het college van B & W heeft enkele standplaatslocaties aangewezen waarop standplaatsen ingenomen kunnen worden. Deze standplaatslocaties zijn getoetst aan de weigeringsgronden van de APV. Zoals hierboven reeds is toegelicht concentreren de standplaatsen zich voornamelijk in en rondom de winkelcentra ter versterking van de detailhandel aldaar.

 

De standplaatslocaties, het type standplaatsen, de maximale afmetingen, aanwezigheid van stroom en water, het aantal dagen per week dat de standplaats mag worden ingenomen en de huurprijzen zijn weergegeven in onderstaande tabel. In de bijlagen zitten de situatieschetsen waarop de exacte plaatsbepaling van de standplaatslocaties is weergegeven.

 

In het kader van verkeersveiligheid zijn maximale afmetingen vastgesteld. Deze maximale afmetingen gelden voor het verkoopmiddel en zijn exclusief luifel, tafels en overige objecten. Deze worden opgenomen in de vergunning. Wanneer overige objecten zijn toegestaan, wordt dit in de vergunning vermeld (zie artikel 10).

 

In beginsel is iedere ondernemer zelf verantwoordelijk voor het voorzien in de behoefte aan water en/of stroom. Op een aantal locaties zijn er echter van oudsher voorzieningen aanwezig of zijn de voorzieningen getroffen omdat de locatie tevens voor evenementen wordt gebruikt. Voor het gebruik van deze nutsvoorzieningen zal de gemeente kosten in rekening brengen (zoals bijvoorbeeld het stroom-of waterverbruik).

 

Tevens is het aantal dagen per week, waarvoor maximaal een vergunning wordt verleend, opgenomen. In de tabel is ook aangegeven welke huurprijzen bij de standplaatsen horen. Per standplaatslocatie is een prijs genoemd voor het innemen van de standplaats voor het hele jaar en de prijs voor een dag (als bijvoorbeeld sprake is van een incidentele standplaats op de locatie). Voor de huur worden afzonderlijke huurovereenkomsten aangegaan met de vergunninghouder.

Overzicht standplaatslocaties, kenmerken en huurprijzen

Locatie

Kenmerken

Max. Dagen per week

jaar

Vaste dag plaatsen

Markt

Afmetingen: 10 x 3,5 meter

Water: aanwezig

Stroom: aanwezig

3

€  2194 (woensdag)

 

€  2194 (vrijdag)

 

€  2194

(zaterdag)

Handwerkstraat

(*uitsterfconstructie)

Afmetingen: 5 x 3,5 meter

Water: aanwezig

Stroom: aanwezig

7

n.v.t.

Van Heinsbergdal

Afmetingen: 8 x 3,5 meter

Water: niet aanwezig

Stroom: niet aanwezig

2

€  560

(dinsdag)

 

€  1497 (zaterdag)

Bruninckxdal

(*uitsterfconstructie)

Afmetingen: 5 x 3,5 meter

Water: niet aanwezig

Stroom: niet aanwezig

3

n.v.t.

 

Seizoensstandplaatsen 

 

 

Corridor (oliebollen)

Afmetingen: 7 x 3,5 meter 

Water: niet aanwezig Stroom: aanwezig

Periode van maximaal 21 dagen

7

€  560

  • Bovenstaande huurprijzen zijn op basis van het prijspeil 2026 en worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig het consumentenprijsindexcijfer.

  • De huidige standplaatsen Handwerkstraat en Bruninckxdal worden niet meer opnieuw uitgegeven. Op deze standplaatsen is overgangsrecht, als omschreven in artikel 17 van toepassing. Daarom zijn in de tabel ook geen huurprijzen voor deze standplaatsen opgenomen.

Artikel 4 Specifieke beleidsregels Vaste dagplaatsen

In verband met een gevarieerd aanbod vanaf de standplaatsen, wordt aan een ondernemer maximaal één vergunning voor een vaste dagplaats per locatie verleend (met uitzondering van nu geldende overgangsbepalingen, zie artikel 17). Een ondernemer kan wel op meerdere locaties een standplaats innemen.

Artikel 5 Specifieke beleidsregels Seizoensstandplaatsen

  • 1.

    Valkenswaard kent één seizoenstandplaats voor oliebollen, die in de periode van 1 december tot 7 januari, voor maximaal 21 aaneengesloten dagen, mag worden ingenomen. Bij het indienen van de aanvraag maakt de aanvrager de gewenste periode kenbaar aan de gemeente.

  • 2.

    Bij de standplaats m ag op maximaal 4 dagen in de periode dat de seizoenstandplaats voor oliebollen is vergund, een extra opslagvoorziening (container, bestelwagen) worden geplaatst in verband met de piek in dat seizoen. Bij het indienen van de aanvraag maakt de aanvrager de gewenste dagen dat hij hiervan gebruik wilt maken, kenbaar aan de gemeente.

  • 3.

    Een vergunning voor een seizoen standplaats wordt alleen verleend voor de hele periode zoals benoemd in lid 1 en de huurovereenkomst wordt ook voor de gehele periode aangegaan.

  • 4.

    Voor de huidige vergunning seizoen standplaats oliebollen geldt overgangsrecht, als beschreven in artikel 17.

     

2.3 Beleidsregels incidentele standplaatsen

Artikel 6  

6a Standplaatsen met streekproducten:

Deze zijn mogelijk zonder vergunning.

 

De verkoop van streekproducten langs de weg, bijvoorbeeld bij de boer, een imker of particulieren wordt vaak vergeten als het over standplaatsen gaat, maar valt het wel onder de definitie van een standplaats.

 

Het streven is om deze standplaatsen als vergunningsvrij aan te merken, maar daarvoor is eerst een wijziging van de APV nodig. Tot die tijd worden deze standplaatsen gedoogd als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • 1.

    de standplaats is maximaal 3m² groot;

  • 2.

    de standplaats bevindt zich geheel op eigen terrein;

  • 3.

    de verkeersveiligheid komt niet in gevaar;

  • 4.

    vanuit de standplaats worden slechts producten verkocht die op de betreffende boerderij of locatie worden verbouwd/gemaakt/gehouden.

Deze voorwaarden worden te zijner tijd ook in de APV opgenomen, waardoor geregeld wordt dat dergelijke standplaatsen die voldoen aan deze voorwaarden, rechtstreeks op grond van de APV vergunningsvrij worden.

 

6b Specifieke beleidsregels incidentele standplaatsen

  • 1.

    Incidentele standplaatsen kunnen worden ingenomen (met vergunning) op alle bovenstaande locaties van de vaste standplaatsen en seizoen standplaatsen, mits voor de locatie op de betreffende dag(en) geen vergunning is verleend voor een vaste standplaats. Als het een andere locatie betreft, wordt deze locatie getoetst aan de weigeringsgronden, benoemd in artikel 2. Zijn er geen weigeringsgronden, wordt de vergunning voor de individuele standplaats verleend.

 

  • 2.

    Incidentele standplaatsen mogen ook worden ingenomen (met vergunning) op andere locaties, dan de in artikel 3 genoemde locaties. Deze locaties worden wel beoordeeld aan de hand van de weigeringsgronden uit de APV. Hierbij is overwogen dat deze standplaatsen:

    • Meestal het algemeen belang dienen;

    • Een zeer tijdelijke karakter hebben;

    • In veel gevallen kleiner zijn dan reguliere standplaatsen, waardoor andere locaties in het kader van verkeersveiligheid mogelijk zijn;

    • in sommige gevallen groter zijn (unit van bevolkingsonderzoek) waardoor een andere locatie in het kader van bijvoorbeeld verkeersveiligheid noodzakelijk is.

  • 3.

    Een vergunning voor een incidentele standplaats wordt verleend voor maximaal 12 dagen per jaar per ondernemer. Het maximum van 12 dagen per jaar is bepaald omdat bij het innemen van een standplaats op meer dagen per jaar, dit het karakter krijgt van een vaste standplaats. Aan een ondernemer wordt maximaal één vergunning per jaar verleend voor een incidentele standplaats.

     

  • 4.

    Omdat deze standplaatsen het algemeen belang dienen en slechts kortstondig een standplaats innemen, wordt er geen huur voor deze standplaatsen in rekening gebracht. Leges worden overeenkomstig de legesverordening in rekening gebracht.

     

  • 5.

    De incidentele standplaatsen voor non-profitorganisaties mogen tevens voor een langere periode worden ingenomen voor zover dat noodzakelijk is (bijvoorbeeld de unit van bevolkingsonderzoek).

     

  • 6.

    De vergunningen voor incidentele standplaatsen worden per aanvraag in volgorde van ontvangst behandeld. Hier is geen maximumstelsel of wachtlijst van toepassing.

2.4 Beleidsregels vergunningen

Artikel 7 Verdeling schaarse vergunningen

Omdat het aantal te verlenen vergunningen kleiner is dan de vraag ernaar, is sprake van zogenaamde “schaarse vergunningen”. Op grond van de jurisprudentie rondom de schaarse vergunningen, is het verplicht om voor die vergunningen een verdelingsbeleid te voeren, dat verzekert dat alle gegadigden gelijke kansen hebben. De procedure moet volgens de Europese Dienstenrichtlijn duidelijk zijn, vooraf openbaar gemaakt en aan aanvragers de garantie bieden dat hun aanvraag objectief en onpartijdig wordt behandeld.

 

Voor de verdeling van de vergunningen bestaan verschillende vormen van verdelingsbeleid. De wijze waarbij het beste kan worden gestuurd op de ‘kwaliteit’ van de standplaatsen, is door de toewijzing te doen aan de hand van vooraf bekende selectiecriteria.

 

De procedure gaat als volgt:

 

Stap 1: bekendmaken vrije standplaats

Wanneer een dag standplaats of seizoen standplaats vrijkomt wordt op de website van de gemeente Valkenswaard en in het lokale weekblad op de gemeentepagina (Valkenswaards Weekblad) bekend gemaakt dat ondernemers, binnen een termijn van vier weken, na deze bekendmaking, kunnen meedingen voor een standplaatsvergunning, door hiervoor hun interesse kenbaar te maken. De gemeente stelt voor het meedingen een aanvraagformulier op.

 

Stap 2: bekendmaken interesse

Ondernemers kunnen meedingen voor de dag standplaats of seizoen standplaats door middel van het beschikbaar gestelde aanvraagformulier. Wanneer een mededinging onvoldoende gegevens bevat, wordt de ondernemer in de gelegenheid gesteld om de mededinging binnen 2 weken aan te vullen.

 

Stap 3: beoordelen volledige kennisgevingen

Onvolledige mededingingen worden niet mee beoordeeld. De overige mededingingen worden beoordeeld op de criteria uit onderstaande tabel. Deze beoordeling vindt plaats binnen 2 weken na de deadline van mededinging, of in het geval dat er onvolledige mededingingen zijn gedaan; 2 weken na de termijn om onvolledige mededingingen aan te vullen.

 

In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen selectiecriteria en beoordelingscriteria. Van voldoen aan de selectiecriteria moet zonder meer sprake zijn. Als een standplaatshouder daar niet aan voldoet, komt hij niet in aanmerking voor een dag standplaats of seizoen standplaats.

Selectiecriteria

1. Pinnen is mogelijk op de standplaats

(in verband met de veiligheid en tegengaan van ondermijning/witwassen)

2. De ondernemer/onderneming heeft geen betalingsachterstanden bij de gemeente .

Beoordelingscriteria

Aantal punten 

3. Vanaf de standplaats wordt een assortiment aangeboden dat in zijn geheel niet wordt aangeboden vanuit de detailhandel in de betreffende dorpskern.

Of

3 punten 

Vanaf de standplaats wordt een assortiment aangeboden dat gedeeltelijk niet wordt aangeboden vanuit de detailhandel in de betreffende dorpskern.

2 punten

4. Het assortiment bestaat in zijn geheel uit streekproducten3

Of

3 punten 

Streekproducten zitten ook in het assortiment

2 punten

5. De ondernemer treft aantoonbare duurzaamheidsmaatregelen (1 punt per maatregel)

Maximaal 3 punten 

6. Met de in te nemen standplaats wordt iemand of worden meerdere mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan een baan geholpen (“de zogenaamde social return”). Dit kan zowel de ondernemer als personeel betreffen.

2 punten

7. Vanaf de standplaats wordt een assortiment aangeboden dat in zijn geheel niet wordt aangeboden op de standplaatsen in de betreffende dorpskern.

Of

2 punten

Vanaf de standplaats wordt een assortiment aangeboden dat gedeeltelijk niet wordt aangeboden op de standplaatsen in de betreffende dorpskern.

1 punt

8. De aanvrager kan positieve referenties overleggen van andere gemeenten over zijn/haar naleefgedrag en betalingsgedrag.

2 punten

Aan de hand van de scores geldt het volgende:

  • 1.

    Degene met het hoogst aantal punten komt in aanmerking voor de vergunning.

  • 2.

    Bij een gelijk aantal punten, wordt degene met het hoogst aantal punten bij beoordelingsaspect 1 in de gelegenheid gesteld een vergunning aan te vragen. Wanneer die score gelijk is, wordt gekeken naar de hoogste score bij beoordelingsaspect 2, enzovoort.

  • 3.

    Als er uiteindelijk een identieke score is, wordt er geloot in het bijzijn van de betreffende ondernemers.

Stap 4: bekendmaken scores

Twee weken nadat de scores bekend zijn, wordt dit bekendgemaakt aan de betreffende ondernemers en wordt meegedeeld wie in aanmerking komt voor de vergunning.

 

Stap 5: aanvragen vergunningen

Degene die de mededinging heeft ‘gewonnen’ kan binnen twee weken na bekendmaking van “de uitslag” een vergunning aanvragen. Anderen kunnen dat juridisch gezien ook, maar die aanvragen zullen gelet op de uitkomst van de mededinging worden geweigerd. Wanneer de vergunning niet binnen de gestelde termijn wordt aangevraagd, kan het college besluiten de tweede kandidaat in de gelegenheid te stellen een vergunning aan te vragen (en daarna de derde, enzovoort)

 

Stap 6: besluit

De vergunningaanvraag wordt getoetst aan de overige aspecten uit deze beleidsregels. Wanneer de vergunning wordt verleend, kan daartegen binnen zes weken in bezwaar worden gegaan. Bij het indienen van het bezwaar is het ook het moment om vermeende onjuistheden in de mededinging kenbaar te maken.

 

Handelswijze bij geen inschrijvingen

Wanneer na de bovengenoemde bekendmaking niemand zich inschrijft en men op een later moment vergunningen aanvraagt, worden deze behandeld op volgorde van binnenkomst.

Artikel 8 De aanvraag

De aanvrager van een standplaatsvergunning verstrekt bij de aanvraag in ieder geval de volgende gegevens:

  • naam, adres, woonplaats, telefoonnummer, geboortedatum en geboortejaar;

  • een kopie van een geldig legitimatiebewijs;

  • op welke locatie hij of zij een standplaats wil innemen;

  • op welke dag(en) hij of zij een standplaats wil innemen;

  • welke producten hij of zij vanaf de standplaats wil verkopen;

  • afmetingen van het verkoopmiddel en eventuele overige objecten zoals hangtafels, extra voertuigen, etc.;

  • gegevens van de eventuele tijdelijk vervanger.

  • Of stroom en/of water benodigd is.

Artikel 9 Tijdsduur vergunningen

In artikel 1.7 van de APV is bepaald dat vergunningen, verleend op grond van de APV, gelden voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald, of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Omdat sprake is van schaarse vergunningen verzet de aard van de vergunningen zich tegen verlening voor onbepaalde tijd.

 

Vaste standplaatsen worden verleend voor een periode van vijftien jaar.

 

Voor deze specifieke termijn is gekozen om te voorzien in een goede terugverdientijd voor ondernemers. Uit het rapport “schaarse vergunningen op de markt” van belangenvereniging Centrale Vereniging voor de Ambulante Handel (CVAH) blijkt dat de terugverdientijd van de investeringen voor een ambulant handelaar, zich hoofdzakelijk bevindt in de range van vijf tot vijftien jaar.4

 

Met een onderbezetting van één dag in de week, is de terugverdientijd zo’n vijftien jaar voor de meeste ondernemers.5 Om die reden wordt de tijdsduur voor de vergunningen bepaald op vijftien jaar.

 

Incidentele standplaatsen worden verleend voor een in de vergunning genoemd aantal dagen.

Artikel 10 Vergunningvoorschriften

De vergunningvoorschriften, voor alle soorten standplaatsen, hebben in ieder geval betrekking op:

  • De naam van de standplaatshouder en/of diens vervanger

  • de afmetingen en locatie van de standplaats;

  • de dagen en tijden waarop deze mag worden ingenomen;

  • te verkopen goederen (branche);

  • de wijze waarop de standplaats mag worden ingenomen;

  • tijdelijk innemen van de standplaats op een andere locatie;

  • toegestane objecten bij de standplaats zoals statafels en voertuigen (mits inpasbaar);

  • persoonlijk innemen van de standplaats en vervanging;

  • het verkrijgen van water en stroom;

  • of al dan niet stroomkosten of kosten van watergebruik in rekening worden gebracht;

  • het schoonhouden van de omgeving en beperken van overlast;

  • het ontruimen van de standplaats.

Artikel 11 Intrekken vergunning

In artikel 1:6 van de APV is bepaald dat een vergunning kan worden ingetrokken indien van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn. De termijn die in de te verlenen vergunning wordt opgenomen is:

  • voor vaste dag plaatsen: één maand

  • voor seizoen stand plaatsen: één seizoen

Vanwege de schaarste met vergunningen is het niet wenselijk dat een vergunning wordt verleend die niet wordt gebruikt, terwijl er andere ondernemers zijn die de standplaats graag innemen.

 

In bijzondere omstandigheden kan het college, na verzoek van de standplaatshouder, aan haar of hem, schriftelijk ontheffing verlenen van die termijn. In de ontheffing wordt een nieuwe termijn genoemd die redelijk is in relatie tot de bijzondere omstandigheid.

Artikel 12 Overdragen vergunning

  • 1.

    Vergunningen kunnen worden overgedragen op familieleden in de eerste graad.6

  • 2.

    Vergunningen kunnen worden overgedragen op familieleden tot en met de tweede graad7 indien de vergunninghouder plotseling komt te overlijden, arbeidsongeschikt raakt of anderszins door overmacht de standplaats niet langer kan innemen.

  • 3.

    Wanneer de vergunning, op grond van lid 1 of 2 wordt overgedragen en de vergunning is verleend voor bepaalde tijd, blijft de einddatum van de vergunning daarbij onverminderd van kracht.

  • 4.

    Vergunningen die op grond van vorige beleidsregels zijn verleend voor onbepaalde tijd, kunnen niet worden overgedragen.

     

Het overdragen van vergunningen lijkt in beginsel haaks te staan op de uitgangspunten die gelden voor de verdeling van schaarse vergunningen en de gelijke kansen voor eenieder om voor de vergunning in aanmerking te komen. Doordat de overgedragen vergunning slechts voor dezelfde periode wordt verleend als de oorspronkelijke vergunning, blijven de kansen voor derden, om aanspraak te maken op de vergunning, gelijk.

 

De mogelijkheid tot het overdragen van vergunningen wordt wenselijk geacht vanwege het terugverdienen van de investeringen die de standplaatshouder en zijn familie hebben gedaan in de standplaats. De standplaats is vaak de belangrijkste inkomstenbron van het gezin en beperkt zich niet tot de vergunninghouder. Daarom wordt overdragen op familieleden in de eerste graad mogelijk gemaakt.

 

Wanneer in een overmachtssituatie, zoals beschreven in lid 2, de vergunning niet langer kan worden ingenomen door de vergunninghouder, kan de vergunning tevens worden overgedragen op een familielid tot en met de tweede graad. Hiermee wordt mogelijk gemaakt dat de familie het bedrijf kan voortzetten om de investeringen terug te verdienen (en schulden te voorkomen).

 

2.5 Beleidsregels innemen standplaats

Artikel 13 Mobiel karakter standplaats

In verband met de kans op vandalisme en om te voorkomen dat een verkoopmiddel onvoldoende onderhouden wordt, is het niet wenselijk dat een verkoopmiddel permanent op de standplaatslocatie aanwezig is. Om te voorkomen dat een verkoopmiddel een permanente plaats inneemt dient de standplaats met een bepaalde frequentie ontruimd te worden. Voor de verschillende typen standplaatsen geldt het volgende:

  • Vaste dag plaatsen dienen op het eind van de betreffende verkoopdag ontruimd te worden. Hierop geldt een uitzondering voor standplaatsen die onder het vorige beleid waren aangemerkt als een weekplaats.

  • De seizoen standplaats voor oliebollen dient uiterlijk op 7 januari om 20:00 uur ontruimd te worden. Daarnaast dient de standplaats gedurende de periode van 31 december 22:00 uur tot 1 januari 09:00 uur ontruimd te zijn. Gelet op de omvang van de standplaatsen is het acceptabel dat een dergelijke standplaats minder vaak worden ontruimd. Doordat zij aan het eind van het seizoen vertrekken is er überhaupt geen sprake van het innemen van een permanente plaats. Om vandalisme tijdens oudejaarsnacht te voorkomen moet de standplaats ook gedurende die nacht ontruimd worden.

  • De incidentele standplaats dient ontruimd te worden voor of op het tijdstip, genoemd in de vergunning.

Het college kan in bijzondere gevallen in de vergunningvoorschriften bepalen dat de standplaats op andere momenten ontruimd dient te worden.

Artikel 14 Tijdelijk andere locatie

In de vergunning worden voorschriften opgenomen over het tijdelijk niet of beperkt kunnen innemen van de standplaats. In de onderstaande situaties kan het voorkomen dat geen of beperkt gebruik kan worden gemaakt van de standplaats. Per situatie is beschreven welk alternatief dan wordt geboden.

  • Situatie: Bij werkzaamheden aan de openbare weg, het trottoir, etc.

     

    Alternatief: De gemeente zal in overeenstemming met de vergunninghouder naar een gelijkwaardige oplossing zoeken gedurende de werkzaamheden.

     

    Motivering: De werkzaamheden aan de weg dienen het algemeen belang. Dit belang is afgewogen tegen het belang van de individuele ondernemer om zijn waren te verkopen vanaf zijn vaste plek. Hierbij is overwogen dat het belang van het onderhoud aan de weg zwaarder weegt.

     

  • Situatie: Tijdens evenementen wanneer de standplaats zich op de ‘locatie van het betreffende evenement’ (evenemententerrein) bevindt.

     

    Alternatief: De gemeente zoekt samen met de standplaatsvergunninghouder naar een gelijkwaardig alternatief zo dicht mogelijk bij de vergunde locatie.

     

    Motivering: De inrichting van sommige evenemententerreinen of het karakter van het evenement lenen zich niet altijd voor een bepaalde standplaats. De organisatoren van die evenementen worden ook niet verplicht om de standplaats op te nemen op het terrein.

Artikel 15 Persoonlijk innemen standplaats en vervanging

In artikel 1:5 van de APV is bepaald dat een vergunning op grond van de APV persoonsgebonden is, tenzij de aard van de vergunning zich daartegen verzet. De aard van een standplaatsvergunning verzet zich niet tegen een persoonlijk karakter. Dit houdt in dat de vergunninghouder in beginsel zijn standplaats persoonlijk moet innemen.

 

De vergunninghouder kan op de vergunning één vervanger opnemen die bij afwezigheid van de vergunninghouder zijn of haar zaken waarneemt. Deze vervanging is wenselijk om de continuïteit van de standplaats te waarborgen. Zonder deze mogelijkheid zou de standplaats bij bijvoorbeeld ziekte of vakantie niet kunnen worden ingenomen. Dat is voor zowel de consument als de bedrijfsvoering van de standplaatshouder onwenselijk.

 

Vergunningen zijn, onder voorbehoud van artikel 13, niet overdraagbaar op de vervanger. Dat is in strijd met de uitgangspunten van de schaarse vergunningen waarvoor eenieder in aanmerking moet kunnen komen.

 

2.6 Slotbepalingen

Artikel 16 Handhaving

Op grond van artikel 125 lid 1 van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang. Deze bevoegdheid betreft alle regels waarvan de uitoefening aan het gemeentebestuur is overgedragen en geldt dus ook voor de handhaving van overtredingen van onder andere de voorschriften standplaatsvergunningen, de Beleidsregels Standplaatsen 2026-2030 en de APV. Uit artikel 5:32 lid 1 Awb volgt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder bestuursdwang kan opleggen. Het college van burgemeester en wethouders is derhalve bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen ten aanzien van overtredingen van voorschriften van standplaatsvergunningen.

 

In de Landelijke Handhavingsstrategie wordt beschreven hoe het college bovengenoemde instrumenten inzet. Het gemeentelijk “Uitvoering- en handhavingsbeleid, vergunningen, toezicht & handhaving Omgevingsrecht” beschrijft de wijze van toezicht en de prioriteit.

Artikel 17 Overgangsbepalingen

  • 1.

    Vergunningen die in het verleden zijn verleend voor onbepaalde tijd, blijven geldig zolang de intrekkings- en wijzigingsgronden uit artikel 1:6 van de APV niet van toepassing zijn. Nieuwe vergunningen worden verleend voor de tijdsduur zoals genoemd in deze beleidsregels.

  • 2.

    Vergunningen die in het verleden zijn verleend voor vaste weekplaatsen, blijven geldig zolang de intrekkings- en wijzigingsgronden uit artikel 1:6 van de APV niet van toepassing zijn. Onder een vaste weekplaats werd in het vorige beleid verstaan: “een standplaats die gedurende hele weken voor een langere periode wordt ingenomen”. Deze standplaatsen mogen in afwijking van artikel 13 worden ontruimd overeenkomstig de situatie zoals vóór inwerkingtreding van deze beleidsregels.

Motivering: Het gaat hier om verleende en onherroepelijke vergunningen. In Valkenswaard is er voor gekozen om beleid te voeren ten aanzien van nieuwe schaarse vergunningen en geldt voor de bestaande vergunningen een uitsterfconstructie. Hiervoor is gekozen vanwege de verwachting die is gewekt met het verlenen van de vergunning voor onbepaalde tijd.

Artikel 18 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op 1 juli 2026.

De “Beleidsregels standplaatsen Valkenswaard 2020” worden ingetrokken.

Artikel 19 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels standplaatsen Valkenswaard 2026-2030”.

Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders d.d. 12 mei 2026

Kenmerk: 462905

de secretaris,

drs. W.J.S.A. Weeterings

de voorzitter,

C.H.M. van Overdijk

Bijlagen bij beleidsregels standplaatsen (situatieschetsen locaties)

 

Locatie Markt

 

Locatie Handwerkstraat (*uitsterfconstructie)

 

Locatie Van Heinsbergdal

 

Locatie Bruninckxdal (*uitsterfconstructie)

 

Locatie Corridor


1

VNG, Toelichting op de model APV

2

VNG, Toelichting op de model APV

3

Onder streekproducten wordt hier verstaan: producten die zijn gemaakt in de streek “De Kempen”.

4

CVAH en Garma B.V. (2019) Schaarse vergunningen op de markt, een onderzoek naar de gevolgen, Pag. 19

5

CVAH en Garma B.V. (2019) Schaarse vergunningen op de markt, een onderzoek naar de gevolgen, Pag. 20

6

Onder familie in de eerste graad wordt verstaan: partner (getrouwd, geregistreerd partner of samenlevingscontract), (adoptie) kinderen, (adoptie) ouders, (adoptie) kinderen van de partner, (adoptie) ouders van de partner, partner van de (adoptie)kinderen (schoonzoon of -dochter).

7

Onder familie in de tweede graad wordt verstaan: broers, zussen, kleinkinderen, grootouders, broers en zussen van de partner, kleinkinderen van de partner en grootouders van de partner.

Naar boven