Verordening gemeentelijke rekenkamer Breda

Bekendmaking

Burgemeester en wethouders van Breda maken het volgende bekend:

De gemeenteraad heeft in zijn openbare vergadering van 18 december 2025 de Verordening gemeentelijke rekenkamer Breda vastgesteld.

 

Wanneer gaat dit in?

De verordening gaat in op de eerste dag na deze bekendmaking.

 

Heeft u vragen over dit besluit?

Het is niet mogelijk om bezwaar te maken tegen het besluit waarin de verordening wordt vastgesteld. Heeft u toch vragen? Neem dan contact op met de gemeente via www.breda.nl/contact en vermeld de datum en het nummer van dit gemeenteblad.

 

Verordening gemeentelijke rekenkamer Breda

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    wet: Gemeentewet;

  • b.

    voorzitter: voorzitter van de rekenkamer;

  • c.

    college: college van burgemeester en wethouders;

  • d.

    raad: gemeenteraad van Breda;

  • e.

    griffie: griffie van de gemeente Breda;

  • f.

    griffier: griffier van de gemeente Breda;

  • g.

    rekenkamer: gemeentelijke rekenkamer als bedoeld in artikel 81a van de Gemeentewet van de gemeente Breda;

  • h.

    doelmatigheid: het bereiken van resultaten met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen;

  • i.

    doeltreffendheid: het bereiken van resultaten;

  • j.

    rechtmatigheid: handelen in overeenstemming met de geldende wetten en regels.

Artikel 2 Rekenkamer

  • 1.

    Er is een rekenkamer.

  • 2.

    De rekenkamer bestaat uit drie leden, waaronder een voorzitter.

  • 3.

    Wijzigingen in deze verordening geschieden louter na overleg met de rekenkamer.

Artikel 3 Taak van de rekenkamer

De rekenkamer onderzoekt de doelmatigheid, de doeltreffendheid en de rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde beleid. Een onderzoek naar de rechtmatigheid bevat geen controle van de jaarrekening als bedoeld in artikel 213, tweede lid van de wet.

Artikel 4 Commissie

De auditcommissie is namens de gemeenteraad het bestuurlijk aanspreekpunt van de rekenkamer.

Artikel 5 Benoeming leden rekenkamer

  • 1.

    De auditcommissie benoemt een selectiecommissie van (burger)raadsleden en rekenkamerleden, die de gesprekken voert met de kandidaten voor de rekenkamer en een voordracht opstelt voor de raad.

  • 2.

    De raad benoemt de voorzitter en de leden van de rekenkamer voor de duur van 6 jaar op voordracht van de selectiecommissie, genoemd onder lid 1.

  • 3.

    De leden van de rekenkamer, waaronder de voorzitter, kunnen maximaal één keer voor een periode van zes jaar worden herbenoemd.

  • 4.

    De selectiecommissie doet de voordracht vergezeld gaan van een verklaring van elke kandidaat bevattende:

    • a.

      de mededeling dat de kandidaat een benoeming als lid zal aanvaarden, en

    • b.

      een overzicht van de openbare betrekkingen die de kandidaat bekleedt.

  • 5.

    Door de te benoemen personen wordt een verklaring omtrent het gedrag overgelegd.

Artikel 6 Benoeming plaatsvervangende leden

  • 1.

    De raad kan – op verzoek van de rekenkamer - voor een bepaalde termijn plaatsvervangende leden benoemen.

Artikel 7 Ontslag en non-activiteit van leden rekenkamer

  • 1.

    De auditcommissie bericht de raad als een van de ontslaggronden zich voordoet, bedoeld in artikel 81c, zesde of zevende lid, of van artikel 81d, eerste of tweede lid, van de wet.

  • 2.

    In de gevallen, bedoeld in artikel 81c, zevende lid, en in artikel 81d, tweede lid, van de wet adviseert de auditcommissie de raad over de vraag of al dan niet moet worden overgegaan tot ontslag, respectievelijk het op non-activiteit stellen van het desbetreffende lid.

  • 3.

    De auditcommissie adviseert de raad tevens met betrekking tot een beslissing tot verlenging of beëindiging van een maatregel als bedoeld in artikel 81d, eerste of tweede lid.

  • 4.

    De raad ontslaat en stelt de leden van de rekenkamer op non-activiteit.

Artikel 8 Ambtelijke ondersteuning

  • 1.

    De rekenkamer heeft een ambtelijk secretaris-onderzoeker.

  • 2.

    De griffier wijst de ambtelijk secretaris-onderzoeker aan op voordracht van de rekenkamer.

Artikel 9 Budget

  • 1.

    De rekenkamer is bevoegd binnen een aan haar bij de begroting beschikbaar gesteld budget uitgaven te doen ten behoeve van de uitvoering van haar taken.

  • 2.

    De rekenkamer verantwoordt de baten en lasten van het vorige begrotingsjaar in het jaarverslag aan de raad, als bedoeld in artikel 185, derde lid van de wet.

  • 3.

    Eventuele onderuitputting van het jaarbudget kan jaarlijks via de exploitatiereserve worden meegenomen naar het volgende begrotingsjaar, tot een maximumbedrag ter hoogte van de helft van het jaarbudget.

Artikel 10 Vergoeding werkzaamheden

  • 1.

    De voorzitter van de rekenkamer ontvangt een vaste vergoeding van € 1.250,- per maand. De overige leden van de rekenkamer ontvangen ieder een vaste vergoeding van € 900,- per maand.

  • 2.

    Indien de rekenkamer besluit één of meer van zijn leden te belasten met de uitvoering van zelfstandige onderzoekswerkzaamheden die verder gaan dan de reguliere begeleiding, ontvangen deze leden een vergoeding van € 80,- per onderzoeksuur.

  • 3.

    De in het eerste en tweede lid genoemde vergoedingen worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig het prijs index cijfer wat jaarlijks bij de begroting wordt vastgesteld.

  • 4.

    De leden van de rekenkamer ontvangen daarnaast een vergoeding voor hun reiskosten op basis van de belastingvrije kilometervergoeding of de kosten van tweede klasse openbaar vervoer.

  • 5.

    De in het eerste, tweede en vierde lid genoemde vergoedingen komen ten laste van het in het eerste lid van artikel 9 bedoelde budget.

Artikel 11 Onderwerpkeuze

  • 1.

    Overeenkomstig de artikelen 182 tot en met 184 van de wet voert de rekenkamer haar werkzaamheden uit.

  • 2.

    Conform artikel 182 van de wet bepaalt de rekenkamer zelf naar welke onderwerpen zij onderzoek wil verrichten. Bij het inventariseren van mogelijke onderwerpen voor onderzoek betrekt de rekenkamer suggesties die door raadsleden, inwoners, organisaties, ambtenaren en collegeleden van de gemeente Breda onder de aandacht van de rekenkamer zijn gebracht.

  • 3.

    De raad kan de rekenkamer een gemotiveerd verzoek doen tot het instellen van een onderzoek. Ingevolge het bepaalde in artikel 182, tweede lid, van de wet, legt de raad dit verzoek vast in een besluit. De griffie draagt zorg voor het doorgeleiden van dit verzoek aan de rekenkamer.

  • 4.

    De rekenkamer bericht de raad binnen twee maanden na het verzoek van de raad of en op welke wijze aan dat verzoek wordt voldaan. Indien de rekenkamer niet aan het verzoek van de raad voldoet, motiveert zij haar besluit.

Artikel 12 Producten rekenkamer

  • 1.

    De rekenkamer kan de raad verschillende producten aanbieden:

    • a.

      Onderzoeksrapporten: een product, zoals bedoeld in artikel 185 lid 1 van de wet, volgend op een door of namens de rekenkamer uitgevoerd onderzoek. Een onderzoeksrapport bevat bevindingen en conclusies.

    • b.

      Informatieproducten: producten van andere activiteiten dan onderzoek zoals in lid 1a bedoeld wordt, zoals informatiebrieven, presentaties of handreikingen.

Artikel 13 Rapportage van onderzoeken

  • 1.

    De rekenkamer stelt de betrokken partijen in de gelegenheid tot feitelijk wederhoor. Betrokken partijen kunnen binnen drie weken reageren op de juistheid van de bevindingen in het onderzoeksrapport of een door de rekenkamer geselecteerd deel daarvan.

  • 2.

    De rekenkamer stelt het betreffende orgaan, doorgaans het college, in de gelegenheid tot bestuurlijk wederhoor. Het betreffende orgaan reageert binnen vier weken schriftelijk op de conclusies en aanbevelingen en deelt ten minste mee:

    • a.

      welke aan het orgaan gerichte aanbevelingen worden overgenomen; of

    • b.

      indien aan het orgaan gerichte aanbevelingen niet of in aangepaste vorm worden overgenomen, de motivering waarom van deze aanbevelingen wordt afgeweken.

  • 3.

    Na ontvangst van de in het tweede c.q. derde lid genoemde reactie(s) sluit de rekenkamer haar onderzoek af en stelt een definitief onderzoeksrapport op waarin de bestuurlijke reactie en een eventueel nawoord van de rekenkamer zijn opgenomen.

  • 4.

    Voor informatieproducten zoals beschreven in artikel 12 lid 1b wordt afgezien van de procedure zoals beschreven in de leden 1 t/m 3.

  • 5.

    De rekenkamer kan gemotiveerd afwijken van de werkwijze zoals omschreven in de leden 1 t/m 4.

  • 6.

    Vanaf het moment van ontvangst door de gemeenteraad is het onderzoeksrapport openbaar.

Artikel 14 Behandeling door de raad

  • 1.

    De raad stelt de rekenkamer zo spoedig mogelijk na ontvangst van het onderzoeksrapport in de gelegenheid het rapport nader toe te lichten aan de raad.

  • 2.

    Ten behoeve van de raadsbehandeling wordt door de rekenkamer een raadsvoorstel opgesteld met conceptraadsbesluit.

  • 3.

    De raad behandelt het onderzoeksrapport uiterlijk drie maanden na publicatie van het rapport.

Artikel 15 Monitoring aanbevelingen

  • 1.

    De griffie verstrekt de raad en in afschrift de rekenkamer jaarlijks voor 1 april een overzicht van de aan de raad gedane aanbevelingen van de rekenkamer welke door de raad zijn overgenomen. De griffie verstrekt daarbij de informatie over de uitvoering van de aanbevelingen.

  • 2.

    Het college verstrekt de raad en in afschrift de rekenkamer jaarlijks voor 1 april een overzicht van de aan het college gedane aanbevelingen van de rekenkamer, vergezeld van zijn standpunt daaromtrent en van de wijze waarop aan de aanbevelingen uitvoering is gegeven.

Artikel 16 Periodieke evaluatie

  • 1.

    In opdracht van de raad wordt het functioneren van de rekenkamer minimaal eens per 6 jaar geëvalueerd.

  • 2.

    De kosten van de evaluatie komen niet ten laste van het budget van de rekenkamer.

Artikel 17  

Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening gemeentelijke rekenkamer Breda.

Artikel 18  

Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 18 december 2025

, voorzitter

, griffier

Artikelsgewijze toelichting op de Verordening gemeentelijke rekenkamer

Algemeen

Deze verordening is een aanvulling op hetgeen in de Gemeentewet is opgenomen over de gemeentelijke rekenkamer.

Kortheidshalve wordt verwezen naar de tekst van de Gemeentewet, zoals op 1 januari 2023 gewijzigd door de \Vet versterking decentrale rekenkamers, hoofdstukken IVa (De rekenkamer) en XIa (De bevoegdheid van de rekenkamer). De raad moet een onafhankelijke rekenkamer instellen. Zie artikel 81a van de Gemeentewet. Daarnaast moet de raad op grond van artikel 81k van de Gemeentewet een verordening opstellen waarin de werkzaamheden van de rekenkamer zijn vermeld. De verordening is ontleend aan de modelverordening van de ·vNG. De verordening bevat regels over de rekenkamer, de vergoeding en de werkwijze en verslaglegging over de onderzoeken.

In de verordening zijn geen bepalingen opgenomen die ook al in de gemeentewet zijn opgenomen. D a t betekent dus dat de verordening steeds in samenhang met de hoofdstukken IVa (artikelen 81a tot en met 81k) en hoofdstuk Xla (artikelen 182 tot en met 185a) gelezen dient te worden.

 

Artikelsgewijs

Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader toegelicht.

 

Artikel 2

In het eerste lid stelt de raad de rekenkamer in. Dit is een wettelijke verplichting (artikel 81a van de Gemeentewet). De raad moet bepalen hoeveel leden de rekenkamer zal hebben (artikel 81b). Daarin voorziet het tweede lid.

 

Artikel 5

De leden van de rekenkamer worden door de raad benoemd en kunnen door de raad ook worden herbenoemd (artikel 81c, eerste lid, van de Gemeentewet). Het eerste lid bevat de bepaling dat de leden van de rekenkamer worden benoemd op de voordracht van een door de auditcommissie samengestelde selectiecommissie. Artikel 81c, vijfde lid, van de wet bevat het voorschrift dat voorafgaand aan benoemingen overleg wordt gevoerd met de rekenkamer. D e wet bepaalt niets over de vorm die dat overleg moet hebben. Daar heeft de raad dus een keuze. In de voorliggende verordening is dit geregeld in de vorm van de deelname van de rekenkamer in de selectiecommissie.

De auditcommissie zorgt dat de rekenkamer vertegenwoordigd is in de selectiecommissie. Wanneer dit door omstandigheden niet mogelijk is, mag de selectiecommissie alleen uit raadsleden bestaan. De selectiecommissie mag zich laten bijstaan door adviseurs uit de organisatie en/of griffie.

 

Op grond van artikel 81e van de wet zullen de leden van de rekenkamer openbaar moeten maken welke andere functies dan het lidmaatschap van de rekenkamer zij vervullen. Artikel 81 f van de wet noemt de functies die onverenigbaar zijn met het lidmaatschap van de rekenkamer. Alvorens tot benoeming van een lid over te gaan, zal de raad dus zeker moeten stellen dat artikel 81 f van de wet aan de benoeming niet in de weg staat. Het vierde lid van artikel 5 bepaalt dat de selectiecommissie de hiervoor benodigde informatie moet verschaffen. De kandidaat-leden zullen dus via de selectiecommissie de informatie moeten verschaffen die op grond van artikel 81e van de wet na benoeming openbaar gemaakt zal moeten worden. Ook zal duidelijk moeten zijn dat een beoogd lid zijn kandidatuur aanvaardt. Tot slot is vereist dat een verklaring omtrent het gedrag wordt overgelegd aan de raad (lid 5).

 

Op grond van artikel 81c, tweede lid, van de wet benoemt de raad de voorzitter van de rekenkamer in functie. Verder zal vastgesteld moeten worden dat bij de te benoemen leden van de rekenkamer is voldaan aan artikel 81f van de wet, waarin de incompatibiliteiten worden geregeld: de "geloofsbrieven" van de kandidaten.

 

Artikel 6

Op grond van artikel 81c, derde lid, kan de raad plaatsvervangende leden benoemen. Dit is overigens vooralsnog feitelijk niet de bedoeling. De wet bepaalt verder niets over hun rol. De plaatsvervangende leden kunnen tijdelijk invallen als een van de leden door ziekte of anderszins langere tijd niet in staat is zijn functie uit te oefenen. Ook kunnen ze opgeroepen worden om voor een speciaal project tijdelijk de rekenkamer aan te vullen.

 

Artikel 9

De rekenkamer is zelfstandig verantwoordelijk voor de besteding van het aan haar ter beschikking gestelde budget dat noodzakelijk is voor de uitvoering van haar taak. Deze zelfstandigheid van de rekenkamer ten opzichte van de raad is een borg voor een behoorlijke uitvoering van haar taak. De rekenkamer is voor de besteding van het budget uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de gemeenteraad.

 

Artikel 10

De raad stelt de vergoeding voor de voorzitter en de leden vast. De vergoeding heeft als peildatum de ingangsdatum van de verordening.

 

Het tweede lid bepaalt dat rekenkamerleden die belast zijn met onderzoekswerkzaamheden die verder gaan dan de reguliere begeleiding een vergoeding van € 80,- per onderzoeksuur kunnen ontvangen. Het gaat dan om onderzoekswerkzaamheden die het rekenkamerlid zelfstandig uitvoert voor (delen van) een onderzoek waarbij geen extern onderzoeksbureau betrokken is. Het begeleiden van (delen van) onderzoek waarbij een extern bureau betrokken is, valt onder de reguliere begeleiding, waarvoor de leden de in lid 1 genoemde vergoeding ontvangen.

 

Artikel 11

De onafhankelijkheid van de rekenkamer blijkt onder andere uit het feit dat zij zelfstandig bepaalt welke onderzoeken zullen worden ingesteld. De rekenkamer kan op verzoek van de raad een onderzoek instellen maar is niet verplicht het verzoek van de raad in te willigen. Dit verzoek van de raad wordt in artikel 182, tweede lid van de wet expliciet genoemd. Omdat deze mogelijkheid uitdrukkelijk in de wet is genoemd, wordt er een bepaald gewicht toegekend aan het verzoek van de raad. Indien de rekenkamer niet voldoet aan een gemotiveerd verzoek van de raad zal zij daarvoor goede gronden aanvoeren.

 

Artikel 12

De rekenkamer maakt een onderscheid tussen onderzoeksrapporten zoals bedoeld in artikel 185 lid 1 van de wet, en informatieproducten. Waar het in de verordening gaat over onderzoeksrapporten, gaat het over onderzoeksrapporten zoals bedoeld in artikel 12a van de verordening. Een onderzoeksrapport zoals bedoeld in artikel 12a van de verordening kan verschillende vormen aannemen en hoeft niet altijd een schriftelijke rapportage te zijn.

 

Artikel 13

De rekenkamer waarborgt de juistheid van haar bevindingen door de onderzochte partijen in de gelegenheid te stellen onjuistheden in het concept onderzoeksrapport aan te geven. Dit is de procedure van feitelijk hoor en wederhoor. Meestal zijn de onderzochte partijen een organisatieonderdeel van de gemeente. Ingeval van partijen buiten de gemeente wordt beoordeeld of en op welke wijze deze partijen een reactie op (een voor die partij relevant deel van) het concept onderzoeksrapport kunnen geven. De rekenkamer bepaalt zelf hoe zij de opmerkingen uit het feitelijk hoor en wederhoor verwerkt.

 

Een onderzoeksrapportage met conclusies en aanbevelingen wordt aan het betreffende orgaan, doorgaans het college, voorgelegd voor een bestuurlijke reactie. Dit is de procedure van bestuurlijk hoor en wederhoor. Het eindrapport, inclusief bestuurlijke reactie van het college en eventueel een nawoord van de rekenkamer, wordt aangeboden aan de gemeenteraad.

 

Artikel 14

De rekenkamer is een orgaan van de raad en de onderzoeksrapporten worden dan ook voorgelegd en behandeld in de raad. Dit artikel voorziet hierin. Wanneer een onderzoeksrapport van de rekenkamer aanbevelingen bevat, wordt door de rekenkamer ten behoeve van de raadsbehandeling van het rapport een raadsvoorstel opgesteld. Dit raadsvoorstel legt de aanbevelingen uit het rapport ter besluitvorming voor aan de gemeenteraad.

 

Artikel 15

In artikel 185a van de wet is vastgelegd dat het college de raad jaarlijks een overzicht stuurt van de aan het college gedane voorstellen, vergezeld van zijn standpunt daaromtrent en van de wijze waarop aan de voorstellen vervolg is gegeven. In artikel 15 lid 2 van de verordening is daarover vastgelegd dat het college dit jaarlijks voor 1 april verstrekt. De rekenkamer doet in haar rapporten tevens aanbevelingen aan de raad. In artikel 15 lid 1 is daarom eenzelfde bepaling opgenomen over de aanbevelingen die de raad heeft ontvangen. Hiermee ontstaat een volledig overzicht van de opvolging van de aanbevelingen van de rekenkamer.

Naar boven