7e Wijziging Algemene plaatselijke verordening gemeente Elburg

De raad van de gemeente Elburg; 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 april 2026, nr. 555591; 

gelet op de artikel 149 van de Gemeentewet; 

besluit: vast te stellen de volgende verordening: Algemene plaatselijke verordening gemeente Elburg

 

 

 

Artikel 1  

De Algemene plaatselijke verordening wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2:47 Apv van aanvulling te voorzien met de leden 'c' en 'd'. Dit artikel wordt als volgt gewijzigd:

 

“c. tot schijngevechten aan te zetten, dan wel te vechten.

 

d. iemand uit te jouwen, na te schreeuwen, met aanstootgevende taal lastig te vallen, al dan niet met een voorwerp hinderlijk aan te raken, dan wel op andere wijze overlast aan te doen.”

 

B

Artikel 2:73a aanvullen met een ontheffingsmogelijkheid voor carbidschieten met educatieve doeleinden. Hierbij zijn eisen gesteld waaraan voldaan moet worden voorafgaand aan het verkrijgen van een dergelijke ontheffing. Dit artikel wordt als volgt gewijzigd:

 

"4. Voor educatieve doeleinden kan de burgemeester ontheffing verlenen van het in lid 1 gestelde verbod, onder de volgende voorwaarden:

a. het gebruik van carbidbussen vindt plaats onder toezicht van een bevoegde scheikunde- of natuurkundedocent of een deskundige;

b. het experiment wordt uitgevoerd op een geschikte locatie;

c. het aantal te gebruiken carbidbussen is beperkt tot het voor het onderwijsdoel in redelijkheid noodzakelijke.”

  •  

C

Artikel 2:74 en 2:74a voorzien van een technische wijziging door te verwijzen naar artikel 2a Opiumwet en de term 'substanties' in beide artikelen op te nemen. Dit artikel wordt als volgt gewijzigd:

 

Artikel 2:74: Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

 

Artikel 2:74a: Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

D

Artikel 2:78, lid 1 de termijn voor een gebiedsontzegging te verlengen van 24 uur naar 72 uur.

 

Dit artikel wordt als volgt gewijzigd:

 

Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen

 

 

  • 1.

    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 72 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  • 2.

    Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste twaalf weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  • 3.

    De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.

  • 4.

    Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.

  • 5.

    Als de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.

 

E

Artikel 4.20 betreft technische wijzigingen:

 

- Artikel 4.20 aanpassen naar artikel 4:20 voor de uniformiteit met de rest van de Apv;

- Lid 2, sub a aanvullen met: Jeneverbes (Juniperus communis) en Zwanenbloem (Butomus umbellatus);

- Lelietje-der-dalen aanpassen naar Lelietje-van-dalen;

- De plantnamen opnemen met een hoofdletter in tegenstelling tot de huidige kleine letter.

 

Dit artikel wordt als volgt gewijzigd:

 

Artikel 4:20 Planten, paddenstoelen, mossen

 

1 Het is verboden planten, paddenstoelen en mossen, behorende tot de in het tweede lid van dit artikel genoemde soorten of delen daarvan:

  • a.

    Van hun groeiplaats te verwijderen;

  • b.

    Onder zich te hebben of te koop aan te bieden.

 

2. Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel is van toepassing op:

a. de plantensoorten: Lelietje-van-dalen (Convallaria majalis), Beemdkroon (Knautia arvensis), Duifkruid (Scabiosa columbaria), Gagel (Myrica gale), Brem (Sarothamnus scoparius), Gele anemoon (Anemone ranunculoides), Bosanemoon (Anemone nemorosa), Dotterbloem (Caltha palustris), Speenkruid (Ranunculus ficaria), Margriet (Chrysanthemum Leucanthemum), Jeneverbes (Juniperus communis), Zwanenbloem (Butomus umbellatus);

b.alle soorten paddenstoelen (Funghi);

c.alle soorten veenmossen (Sphagnum);

d.alle soorten niet op stenen groeiende korstmossen (Lichenes);

e.kussentjesmos (Leucobryum glaucum).

 

3. Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel geldt niet, indien de in het eerste lid van dit artikel genoemde handelingen;

 

  • a.

    Betrekking hebben op planten gekweekt in tuinen of kwekerijen;

  • b.

    Geschieden in het kader van werkzaamheden, die verband houden met normaal onderhoud en/of exploitatie van terreinen;

  • c.

    Niet meer dan twee exemplaren of delen van de in het tweede lid onder b. genoemde paddenstoelen betreffen, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen de soorten paddenstoelen

  • d.

    Niet meer dan één dm² van de in het tweede lid onder c. genoemde mossen betreffen.

 

4. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod ontheffing verlenen, al dan niet onder voorschriften.

 

Artikel II

Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2026.

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 24 juni 2026. 

 

De voorzitter, Dhr. drs. H.J. van Schaik

 

 

De griffier, mr. dr. I. de Haan

Naar boven