Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning Rijswijk 2026

 

Hoofdstuk 1 – Inleiding

1.1 Doel en juridische positie

De gemeente Rijswijk wil dat iedere inwoner die dat nodig heeft, passende ondersteuning krijgt. De basis hiervoor is de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: de wet).

 

De gemeenteraad heeft de kaders voor de uitvoering van deze wet vastgelegd in de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Rijswijk 2025 (hierna: de verordening). In deze beleidsregels leggen wij uit hoe wij die verordening in de praktijk gebruiken bij het nemen van besluiten en de dagelijkse uitvoering van de ondersteuning.

 

Het doel van deze regels is tweeledig:

  • 1.

    Duidelijkheid: De inwoner weet op welke manier wij tot ons besluit komen en hoe wij de kaders uit de verordening in de praktijk toepassen.

  • 2.

    Gelijkheid: Het college behandelt gelijke gevallen op eenzelfde manier. Omdat de persoonlijke situatie en ondersteuningsbehoefte van iedere inwoner anders is, betekent gelijkheid in de Wmo vooral dat iedereen recht heeft op eenzelfde zorgvuldige en eerlijke afweging van zijn of haar omstandigheden. Deze beleidsregels bieden de Wmo-consulent de handvatten om die afweging eenduidig en voorspelbaar te maken.

Dit zorgt voor een proces waarbij de menselijke maat altijd het uitgangspunt is: we kijken naar wat er in de specifieke situatie van een inwoner nodig is binnen de kaders die voor iedereen gelden.

 

1.2 De rolverdeling: Hoe de regels samenwerken

De ondersteuning in Rijswijk rust op verschillende lagen die samen een trechter vormen. Elke stap in de trechter brengt ons dichter bij de dagelijkse praktijk: van de grote landelijke doelen naar de concrete beoordeling van een hulpvraag:

 

  • 1.

    De wet: Dit is de landelijke basis. Hierin staat de dwingende opdracht aan de gemeente om zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning. Deze opdracht bestaat uit drie pijlers:

    • a.

      Het bevorderen van sociale samenhang, mantelzorg, vrijwilligerswerk en de toegankelijkheid van maatwerkvoorzieningen (preventie).

    • b.

      Het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of psychische problemen, zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving.

    • c.

      Het bieden van beschermd wonen en opvang.

  • 2.

    De verordening: De gemeenteraad van Rijswijk heeft de grote lijnen van de wet lokaal uitgewerkt. Hierin staan de rechten van de inwoners en de criteria waaraan moet worden voldaan om voor ondersteuning in aanmerking te komen.

  • 3.

    De beleidsregels: Dit is de meetlat die de Wmo-consulent naast de situatie van een inwoner legt. In dit document legt het college uit hoe we de persoonlijke omstandigheden wegen. Het geeft de nodige onderbouwing om op een eerlijke en eenduidige manier te bepalen waarom we in de ene situatie 'ja' zeggen en in de andere 'nee'.

Deze beleidsregels zijn altijd ondergeschikt aan de wet en de verordening. De regels dienen als leidraad voor de uitvoering, zodat iedere inwoner kan rekenen op een voorspelbare afweging.

 

1.3 Reikwijdte van de beleidsregels

Deze beleidsregels zijn van toepassing op alle meldingen en aanvragen voor ondersteuning op grond van de wet. In deze beleidsregels legt het college vast op welke wijze zij gebruikmaakt van haar bevoegdheid bij:

  • De vaststelling van feiten: Welke informatie en gegevens heeft het college nodig om een situatie zorgvuldig te kunnen beoordelen? Maar ook: hoe wordt deze informatie beoordeeld en geïnterpreteerd?

  • De afweging van belangen: Hoe weegt het college de persoonlijke belangen van de inwoner af tegen de algemene regels en kaders van de wet en de verordening?

  • De uitleg van wettelijke voorschriften: Hoe interpreteert het college begrippen uit de wet en de verordening (zoals ‘eigen kracht’, ‘gebruikelijke hulp’ of ‘algemeen gebruikelijk’) in de praktijk van Rijswijk?

De beleidsregels richten zich uitsluitend op deze inhoudelijke afwegingen. Procesbeschrijvingen, werkinstructies, formats, voorbeeldsituaties en nadere uitvoeringsafspraken maken geen onderdeel uit van deze beleidsregels. Deze zijn opgenomen in het Handboek maatschappelijke ondersteuning (zie 1.5).

 

1.4 Begrippen

De begrippen in deze beleidsregels hebben dezelfde betekenis als de begrippen in de wet en de verordening.

 

1.5 Handboek maatschappelijke ondersteuning

Ter ondersteuning van een zorgvuldige en consistente uitvoering maken de Wmo-consulenten gebruik van het ‘Handboek maatschappelijke ondersteuning’. In dit handboek is de vaste gedragslijn voor de dagelijkse praktijk uitgewerkt. Het biedt de Wmo-consulenten een professioneel kader om de werkzaamheden eenduidig uit te voeren.

 

Dit draagt bij aan de rechtsgelijkheid: door te werken volgens deze vaste gedragslijn, mogen inwoners erop vertrouwen dat hun situatie volgens dezelfde zorgvuldige stappen wordt beoordeeld en dat gelijke gevallen op eenzelfde manier worden behandeld.

 

Het handboek dient als praktische ondersteuning voor de uitvoering en is geen formeel juridisch kader. De persoonlijke situatie van de inwoner is altijd doorslaggevend. Wanneer de situatie daar om vraagt, wijkt de Wmo-consulent gemotiveerd af van de vaste gedragslijn om tot een passende oplossing te komen (de menselijke maat).

 

Het handboek bevat onder meer:

  • Procesbeschrijvingen: de stapsgewijze route van melding naar beschikking, inclusief administratieve verwerking en registratie;

  • Werkinstructies: praktische uitwerking van specifieke situaties zoals mutaties (verhuizing, overlijden) en identiteitsvaststelling;

  • Formats en richtlijnen: standaarden voor het onderzoeksverslag (ondersteuningsplan) en budgetplannen voor het pgb;

  • Technische specificaties: detailinformatie over hulpmiddelen en de methodiek voor het bepalen van de omvang van ondersteuning (zoals de berekening van tredes).

Hoofdstuk 2 – Uitgangspunten en leidende principes

2.1 Werken vanuit de bedoeling

De gemeente Rijswijk wil dat inwoners ondersteuning ervaren als één samenhangend geheel. Om dit te bereiken, werkt het college vanuit de bedoeling van de wet. De volgende drie principes zijn leidend voor elke afweging en besluitvorming binnen het sociaal domein en daarmee ook de wet:

 

  • 1.

    De inwoner staat centraal: De behoeften en mogelijkheden van de inwoner in hun eigen context zijn altijd het startpunt. Het college benut de aanwezige beleidsruimte voor creatieve oplossingen die bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie.

  • 2.

    Eigen kracht wordt gestimuleerd en de hand wordt gereikt waar nodig: Ondersteuning is er primair op gericht om de inwoner in hun eigen kracht te versterken. Het college luistert aandachtig en is duidelijk over wat zij wel en niet kan betekenen. Waar nodig neemt het college de regie over of wijst zij de weg naar andere passende oplossingen.

  • 3.

    Er wordt actief samengewerkt: Hulpvragen stoppen niet bij de grenzen van de wet of van één loket. Het college zoekt actief de samenwerking op met andere domeinen en benut elkaars expertise. Een inwoner wordt pas 'losgelaten' wanneer vaststaat dat de ondersteuningsvraag door een andere partij of domein is overgenomen

Hoofdstuk 3 – De weg naar een besluit

In de wet en de verordening staan de spelregels voor het onderzoek en het besluit. In dit hoofdstuk leggen we uit hoe we dat onderzoek in de praktijk uitvoeren en op welke manier we uiteindelijk tot een besluit komen.

 

3.1 Melding en informatie

Iedere inwoner kan zich melden met een ondersteuningsvraag. Het college ziet de melding als het startpunt van een gezamenlijke verkenning.

 

  • Informatieverstrekking: Het college zorgt ervoor dat de inwoner voorafgaand aan het onderzoek weet wat de procedure inhoudt en op welke wijze de eigen inbreng (zoals een persoonlijk plan) een rol speelt.

  • Informatie- en medewerkingsplicht: Voor een zorgvuldige vaststelling van de feiten is het college afhankelijk van de inbreng van de inwoner. Van de inwoner wordt verwacht dat hij alle gegevens en documenten verstrekt die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag, voor zover hij deze zelf kan opvragen. Dit geldt ook voor informatie over de eigen kracht en het sociale netwerk.

  • Toegankelijkheid: De melding is vormvrij. De nadruk ligt op een laagdrempelig eerste contact waarin direct wordt gekeken naar eventuele spoedeisende situaties en eventuele voorliggende oplossingen.

  • Regionale toegang en samenwerking: Voor vormen van ondersteuning die regionaal zijn georganiseerd, werkt het college nauw samen met regionale partners, waarbij de mate van lokale betrokkenheid verschilt per ondersteuningsvraag:

    • -

      Beschermd wonen: De gemeente Rijswijk voert zelf het meldingsgesprek en het eerste onderzoek uit (zie ook hoofdstuk 9). Zo onderzoeken we eerst of zelfstandig wonen met lokale begeleiding mogelijk is.

    • -

      Maatschappelijke opvang: De focus ligt op preventie. Het college zet in op begeleiding om dakloosheid te voorkomen. Is opvang toch nodig? Dan ondersteunt de gemeente bij de aanmelding bij de centrale toegang van de regio.

    • -

      Opvang bij huiselijk geweld: Voor deze opvang is de expertise en de uitvoering volledig belegd bij de centrumgemeente. Vanwege deze regionale bundeling van kennis en opvanglocaties, vinden zowel de melding als het onderzoek naar de noodzaak direct plaats bij de (boven)regionale toegangspunten.

3.2 Onafhankelijke cliëntondersteuning (OCO)

Het college vindt het belangrijk dat inwoners zich gesteund voelen tijdens het proces. Daarom wijst de gemeente de inwoner bij de melding actief op het recht op gratis en onafhankelijke cliëntondersteuning.

 

  • Lokaal aanbod: In Rijswijk wordt deze ondersteuning geboden door de onafhankelijke partijen MEE en Welzijn Rijswijk.

  • Geen drempels: Inwoners kunnen hier zonder indicatie of kosten gebruik van maken, ook al vóórdat de officiële melding is gedaan.

3.3 Het onderzoek: In 5 stappen naar een besluit

Om tot een zorgvuldig besluit te komen, doorloopt de Wmo-consulent samen met de inwoner vijf stappen. Dit is de vaste route voor ieder onderzoek:

  • 1.

    Vaststellen van de hulpvraag: Wat wil de inwoner bereiken?

  • 2.

    Vaststellen van de problemen: Wat belemmert de inwoner om zelfredzaam te zijn, mee te doen of zich te handhaven in de samenleving?

  • 3.

    Bepalen van de ondersteuningsbehoefte: Wat is er concreet nodig om de beperkingen uit stap 2 te verminderen of op te lossen?

  • 4.

    Onderzoek naar eigen mogelijkheden: We kijken eerst wat er mogelijk is via eigen kracht, gebruikelijke hulp (van huisgenoten), mantelzorg, anderen in het netwerk, voorliggende voorzieningen en wetgeving.

  • 5.

    Maatwerkvoorziening: Voor het deel dat niet via stap 4 kan worden opgelost, kijkt het college naar een maatwerkvoorziening. We kiezen hierbij voor de meest passende en doelmatige oplossing (goedkoopst adequaat).

3.4 Inzet van deskundig advies

Soms is er specifieke expertise nodig om de situatie van een inwoner goed te kunnen wegen. Als de Wmo-consulent de beperkingen of de noodzaak voor ondersteuning niet zelf objectief kan vaststellen (bijvoorbeeld op medisch of ergonomisch vlak), vraagt het college om advies aan een onafhankelijke deskundige.

 

  • Medewerking: van de inwoner wordt verwacht dat hij meewerkt aan dit onderzoek.

  • Beoordeling: het college controleert of het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en begrijpelijk is. Als dit het geval is wordt het advies vervolgens gebruikt om het uiteindelijke besluit te onderbouwen.

3.5 Het ondersteuningsplan

Het onderzoek eindigt altijd met een schriftelijk verslag: het ondersteuningsplan. In de wet (artikel 2.3.2 lid 8 de wet) is vastgelegd dat de gemeente dit plan aan de inwoner verstrekt. Zo staat voor zowel de inwoner als de gemeente vast wat de uitkomsten van het onderzoek zijn.

 

  • De inhoud van het plan: In dit plan staat alleen de informatie uit het onderzoek die relevant is voor de specifieke hulpvraag. Het bevat de feiten over de persoonlijke situatie, de manier waarop de Wmo-consulent deze informatie beoordeelt en de uiteindelijke afweging die wordt gemaakt.

  • Onderbouwing en advies: Het plan vormt de basis voor het uiteindelijke ondersteuningsaanbod. Hierin is precies te volgen welk advies is gegeven en welke keuzes er zijn gemaakt. Indien er een maatwerkvoorziening wordt ingezet, staat hierin beschreven om welke hulp het gaat en in welke omvang deze wordt geboden. Ook wordt duidelijk gemaakt hoe de gekozen oplossing bijdraagt aan het resultaat dat de inwoner wil bereiken.

  • Inspraak van de inwoner: De inwoner krijgt de gelegenheid om eigen opmerkingen aan het ondersteuningsplan toe te voegen. Deze reactie wordt een officieel onderdeel van het dossier. Hiermee wordt geborgd dat de visie van de inwoner altijd wordt meegenomen in de besluitvorming.

Hoofdstuk 4 – Criteria voor een maatwerkvoorziening

Niet elke hulpvraag leidt automatisch tot een maatwerkvoorziening. In dit hoofdstuk beschrijft het college hoe we bepalen of een maatwerkvoorziening noodzakelijk en passend is voor de situatie van de inwoner. Daarnaast wordt beschreven hoe we de meest voordelige oplossing kiezen en hoe we omgaan met de gebruiksduur van hulpmiddelen.

 

4.1 Noodzaak en passendheid

Een maatwerkvoorziening is het sluitstuk van ons onderzoek. We kijken niet alleen of een beperking 'lang duurt', maar daarnaast ook of de ondersteuning echt de enige en beste oplossing is voor het probleem. Het college toetst dit aan de volgende punten:

  • Het doel: De ondersteuning moet een concrete bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van de inwoner, het meedoen in de maatschappij of het zichzelf staande kunnen houden in de samenleving.

  • Echte noodzaak: Er moet een objectieve medische of sociale noodzaak zijn. Een persoonlijke wens of een voorkeur voor een bepaalde levensstijl is op zichzelf geen reden voor een maatwerkvoorziening.

  • Langdurig (met uitzondering): De ondersteuning is in de basis bedoeld voor problemen die langer dan 6 maanden duren of blijvend zijn.

    • Uitzondering: Voor hulp bij het huishouden en begeleiding kan een maatwerkvoorziening ook voor een kortere periode noodzakelijk zijn (volgens artikel 7.4 van de verordening).

  • Veilig en herstelgericht: De oplossing moet veilig zijn voor de inwoner en zijn omgeving. Ook mag de maatwerkvoorziening herstel of het aanleren van vaardigheden niet in de weg staan (het mag niet 'anti-revaliderend' werken).

  • Persoonlijke afweging: We stemmen de maatwerkvoorziening af op de behoeften en persoonskenmerken van de inwoner. Ook worden de persoonlijke voorkeuren van de inwoner meegewogen bij de keuze voor de best passende oplossing.

4.2 Goedkoopst adequate maatwerkvoorziening

Als er meerdere maatwerkvoorzieningen zijn die de belemmeringen van de inwoner even goed oplossen, kiest het college voor de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening.

 

  • Adequaat: Dit betekent dat de maatwerkvoorziening kwalitatief goed genoeg is om de belemmering op te lossen. Het gaat om het resultaat, niet om de meest luxe uitvoering.

  • Meerkosten: Indien een inwoner een duurdere maatwerkvoorziening wenst dan de adequate oplossing die de gemeente biedt, komen de meerkosten voor rekening van de inwoner. Bij zorg in natura kan een duurdere maatwerkvoorziening om deze reden worden geweigerd.

4.3 Gebruiksduur en technische levensduur

Een aanvraag voor een nieuwe maatwerkvoorziening kan worden afgewezen als de inwoner al beschikt over een materiele maatwerkvoorziening die technisch nog in goede staat is en een adequate oplossing biedt.

 

  • Termijn: Voor veel materiële maatwerkvoorzieningen geldt een technische levensduur (doorgaans 7 jaar). Binnen deze periode wordt in beginsel geen nieuwe maatwerkvoorziening verstrekt.

  • Uitzondering: Alleen bij een onvoorziene en ingrijpende wijziging in de medische situatie, waardoor de huidige maatwerkvoorziening niet meer passend is, kan een nieuwe maatwerkvoorziening binnen de termijn worden overwogen.

  • Beheer: De regels over onderhoud, verzekering en eigen verantwoordelijkheid bij verlies of schade staan beschreven in hoofdstuk 10 van deze beleidsregels.

Hoofdstuk 5 – Algemeen gebruikelijke maatwerkvoorzieningen

Een maatwerkvoorziening is een vangnet. Als een probleem opgelost kan worden met een maatwerkvoorziening die 'algemeen gebruikelijk' is, hoeft de gemeente geen maatwerkvoorziening te verstrekken. Algemeen gebruikelijke maatwerkvoorzieningen zijn maatwerkvoorzieningen die niet speciaal voor mensen met een beperking zijn en die een inwoner gewoon zelf kan kopen.

 

5.1 Toepassing van de criteria

Om te bepalen of een probleem opgelost kan worden met een maatwerkvoorziening die ‘algemeen gebruikelijk’ is, toetst het college de situatie aan de volgende vier criteria:

  • Gangbaarheid: Het product wordt als normaal beschouwd in de huidige samenleving en wordt door een groot deel van de bevolking gebruikt, ongeacht of zij een beperking hebben.

  • Beschikbaarheid: Het product is eenvoudig aan te schaffen via reguliere kanalen, zoals een bouwmarkt, fietsenwinkel of webshop, en is niet uitsluitend verkrijgbaar bij een medische speciaalzaak.

  • Financiële bereikbaarheid: De kosten van de maatwerkvoorziening kunnen worden gedragen door een inwoner met een inkomen op minimumniveau.

    • Meewegen van tweedehands aanbod: Bij de beoordeling of een voorziening financieel bereikbaar is, betrekt het college uitdrukkelijk ook de beschikbaarheid van de reguliere tweedehandsmarkt. Indien het product via gangbare en betrouwbare kanalen (zoals erkende dealers of speciaalzaken) tweedehands en in goede staat verkrijgbaar is voor een prijs die passend is bij een minimuminkomen, wordt de voorziening als financieel bereikbaar beschouwd.

5.2 De individuele belangenafweging

Ook als een maatwerkvoorziening volgens de algemene regels 'algemeen gebruikelijk' is, onderzoekt het college of er sprake is van een uitzonderlijke situatie. Hierbij geldt een strikte norm:

  • De maatstaf: We kijken in beginsel niet naar het persoonlijke inkomen van de inwoner, maar naar de vraag of de maatwerkvoorziening financieel kan worden gedragen door iemand met een inkomen op minimumniveau (het sociaal minimum). Is dat het geval? Dan wordt de maatwerkvoorziening in principe niet vergoed.

  • Bewijslast bij de inwoner: Als de inwoner meent dat de maatwerkvoorziening niet betaalbaar is, moet dit met bewijsstukken worden aangetoond.

  • Uitzonderingen: Een maatwerkvoorziening kan alsnog worden overwogen als sprake is van:

    • Schuldsanering: De inwoner bevindt zich in een wettelijk of minnelijk schuldsaneringstraject (WSNP of MSNP) en kan aantonen dat er daardoor geen enkele ruimte is om te sparen of de maatwerkvoorziening te betalen.

    • Acute noodzaak: De inwoner wordt door een plotseling medisch incident geconfronteerd met kosten die redelijkerwijs niet te voorzien waren en waarvoor niet gespaard kon worden.

5.3 Richtinggevende voorbeelden

Ter verduidelijking van de norm 'algemeen gebruikelijk, beschouwt het college de volgende zaken in de huidige tijdgeest in ieder geval als algemeen gebruikelijk. Deze lijst is niet uitputtend en dient ter illustratie; ook andere maatwerkvoorzieningen kunnen op basis van de criteria zoals omschreven in 5.1 als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt.

 

  • Woning: eenhendel mengkranen, eenvoudige drempelhulpjes (tot 10 cm), verhoogde toiletpotten, douchekoppen op een glijstang, inductiekookplaten, losse douchestoel en beugels.

  • Vervoer: een reguliere fiets met lage instap, inclusief accessoires zoals een spiegel.

  • Technologie: standaard smartphones, tablets, eenvoudige slimme deurbellen (met camera/app) en basis-domotica (zoals slimme verlichting).

Hoofdstuk 6 – Gebruikelijke hulp

Wanneer een inwoner met anderen in één huis woont, vormen zij samen een leefeenheid. Het uitgangspunt van de wet is dat huisgenoten elkaar helpen bij de normale dagelijkse taken. Dit noemen we ‘gebruikelijke hulp’. Het college onderzoekt op basis van artikel 4 van de verordening altijd eerst of de leefeenheid de belemmeringen zelf kan oplossen voordat er een maatwerkvoorziening wordt ingezet.

 

Medewerkingsplicht van huisgenoten

Om een zorgvuldig onderzoek te kunnen doen, zijn huisgenoten volgens de verordening verplicht om mee te werken. Dit betekent dat zij informatie geven over hun eigen situatie, werk en mogelijkheden, zodat het college kan beoordelen wat zij redelijkerwijs kunnen bijdragen aan het huishouden.

 

6.1 De norm voor gebruikelijke hulp

Gebruikelijke hulp is een objectieve norm. Dat betekent dat het college onderzoekt of een huisgenoot redelijkerwijs in staat is om de taken uit te voeren. Of iemand de taken wil doen of ze leuk vindt, speelt bij de beoordeling geen rol.

 

Bij het bepalen van wat iemand kan bijdragen, kijkt het college naar:

  • Fysieke en mentale vermogens: Is de huisgenoot lichamelijk en geestelijk gezond genoeg om de taken over te nemen?

  • Praktische vaardigheden: Beschikt de huisgenoot over de nodige vaardigheden voor de specifieke taak? We verwachten bijvoorbeeld niet dat iemand de administratie of complexe planning overneemt als diegene daar door een beperking of structurele belemmering niet toe in staat is.

    Let op: het niet gewend zijn om een taak uit te voeren (zoals koken of schoonmaken) is geen reden voor een maatwerkvoorziening; als iemand leerbaar is, wordt verwacht dat diegene deze vaardigheden aanleert.

  • De onderlinge relatie: Hoe nauwer de band (zoals partners of ouders/kinderen), hoe meer hulp als gebruikelijk wordt beschouwd.

  • Aard van de hulp: We maken onderscheid tussen uitstelbare taken (zoals de was) en niet-uitstelbare taken (zoals medicatie-inname).

  • Werk en studie: Een drukke baan of studie is in principe geen reden om geen gebruikelijke hulp te bieden. Uitstelbare taken worden geacht naast de eigen daginvulling te kunnen worden gedaan.

6.2 Wat valt onder gebruikelijke hulp?

Gebruikelijke hulp is breder dan alleen het huishouden. Het gaat om alle taken die mensen in een gezamenlijk huishouden normaal gesproken voor elkaar doen:

  • Huishouden: Schoonmaken, de was doen, afwassen en de dagelijkse boodschappen.

  • Organisatie en administratie: Het regelen van de post, het betalen van rekeningen en het plannen van afspraken.

  • Begeleiding: Het ondersteunen bij of begeleiden naar bezoeken aan de huisarts of het ziekenhuis. Ook het bieden van structuur bij lichte psychische klachten valt hieronder.

6.3 Richtlijnen per leeftijd

Voor kinderen en jongeren gelden specifieke landelijke normen (VNG/CRvB) om te voorkomen dat zij overbelast raken in hun ontwikkeling:

  • Tot 5 jaar: Geen bijdrage.

  • 5 tot 12 jaar: Lichte taken die bij de leeftijd passen (bijv. eigen speelgoed opruimen, tafeldekken).

  • 12 tot 18 jaar: Een substantiële bijdrage (bijv. eigen kamer schoonhouden, vaatwasser inruimen, lichte schoonmaak, kleine boodschappen).

  • 18 tot 23 jaar: Worden geacht een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren (alle lichte en zware taken voor zichzelf, de was en eigen administratie).

  • Vanaf 23 jaar: Worden geacht een volledig huishouden te kunnen voeren voor de hele leefeenheid. Zij kunnen alle huishoudelijke taken, de organisatie en de begeleiding van andere gezinsleden volledig overnemen.

6.4 Ruimte voor individuele omstandigheden (Maatwerk)

Hoewel de norm streng is, kijkt het college volgens artikel 4 lid 3 van de verordening altijd naar de menselijke maat. We wijken af van de standaardnorm in de volgende situaties:

  • Fysieke of mentale beperkingen: Als een huisgenoot zelf medische of psychische belemmeringen heeft waardoor hulp bieden feitelijk niet mogelijk is.

  • (Dreigende) overbelasting: Wanneer de huisgenoot de extra taken fysiek of mentaal niet langer kan dragen. We kunnen dan tijdelijk ondersteuning inzetten (respijtzorg) om de situatie stabiel te houden.

  • Bijzondere gezinssituaties: Bijvoorbeeld in een terminale fase of bij zeer complexe problematiek waarbij de inzet van de leefeenheid de draagkracht onredelijk zou aantasten.

Hoofdstuk 7 – Leveringsvormen

Wanneer een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, wordt samen met de inwoner gekeken welke leveringsvorm het beste aansluit bij diens persoonlijke situatie en mogelijkheden.

In dit hoofdstuk wordt de uitvoering van artikel 8 en 11 van de verordening nader ingevuld.

 

7.1 Zorg in natura (ZIN)

Zorg in natura is de basisvorm van ondersteuning in Rijswijk. Het college biedt deze vorm aan om de inwoner volledig te ontzorgen bij de organisatie en administratie van de hulp. De gemeente waarborgt de kwaliteit via contracten met geselecteerde aanbieders en leveranciers.

 

7.2 Het persoonsgebonden budget (pgb):

Het pgb is bedoeld voor inwoners die zelf de regie willen voeren over hun ondersteuning. Het biedt de vrijheid om de hulp precies zo in te richten als men dat wenst, maar stelt ook eisen aan de zelfredzaamheid.

7.2.1 De visie achter het pgb

Het pgb is een bewuste keuze voor eigen regie. Het is met name geschikt voor inwoners met een specifieke hulpvraag die niet goed binnen het aanbod in natura past, of voor inwoners die vanuit een eigen overtuiging zelf hun hulpverleners willen selecteren.

7.2.2 Onderscheid immateriële en materiële maatwerkvoorzieningen

Bij de verstrekking van een pgb maakt de wet onderscheid tussen twee vormen van ondersteuning:

  • Immateriële maatwerkvoorzieningen (Begeleiding en Huishoudelijke hulp): Dit pgb wordt ingezet voor het inkopen van ondersteuning bij professionals of het sociale netwerk. De hoogte van het budget is gekoppeld aan de resultaatgebieden en tredes zoals beschreven in hoofdstuk 8 en de tarieven in hoofdstuk 11.

  • Materiële maatwerkvoorzieningen (Hulpmiddelen en woningaanpassingen): Dit pgb wordt gebruikt voor de aanschaf van een tastbaar middel. De hoogte van het budget wordt bepaald op basis van offertes of de prijs van een vergelijkbare maatwerkvoorziening in natura, inclusief een vergoeding voor onderhoud en verzekering (zie hoofdstuk 10).

7.2.3 Het budgetplan

Bij een pgb voor een immateriële maatwerkvoorziening stelt de inwoner een budgetplan op. Dit plan is voor het college hét middel om te beoordelen of het pgb veilig, rechtmatig en doelmatig wordt ingezet. De inwoner legt hierin uit waarom de keuze op een pgb valt en hoe de kwaliteit van de ondersteuning wordt bewaakt.

7.2.4 Beoordeling van pgb-vaardigheid

Het college beoordeelt de bekwaamheid van de inwoner (of diens vertegenwoordiger) op basis van de landelijke '10 punten voor pgb-vaardigheid' van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De inwoner of de gekozen pgb-vertegenwoordiger moet ten minste over deze kennis en vaardigheden beschikken om zelfstandig de zorg te kunnen inkopen, aansturen en verantwoorden.

 

Het college weigert de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb als er sprake is van gegronde twijfel over deze bekwaamheid, of wanneer sprake is van de volgende lokale uitsluitingsgronden:

 

  • Financieel risico: De aanwezigheid van problematische schulden of eerdere fraude, omdat dit een direct risico vormt voor de rechtmatige besteding van het budget.

  • Gebrek aan betrokkenheid: Het niet actief betrokken zijn van de budgethouder (of vertegenwoordiger) bij het gehele proces, zoals het onderzoek, de evaluaties en het contact met de gemeente.

  • Onafhankelijke vertegenwoordiging: Om de objectiviteit te bewaken, moeten het beheer van het pgb (de vertegenwoordiging) en de uitvoering van de zorg in de basis gescheiden zijn. De pgb-vertegenwoordiger mag daarom niet tegelijkertijd de uitvoerende zorgverlener zijn, noch een financiële relatie met de zorgaanbieder hebben.

    • Uitzondering (Maatwerk bij een smal netwerk): Enkel in zeer uitzonderlijke situaties kan het college gemotiveerd afwijken van deze scheiding tussen geld en zorg. Dit kan uitsluitend als de inwoner - de budgethouder een heel smal sociaal netwerk heeft, er aantoonbaar niemand anders beschikbaar is, én de beoogde pgb-vertegenwoordiger/zorgverlener een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad is van de inwoner. De Wmo-consulent toetst hierbij op drie punten:

      • Veiligheid en regie: Is het veilig en blijft de inwoner zelf de baas over de zorg? (Er mag geen financiële of mentale afhankelijkheid ontstaan).

      • Volhoudbaarheid: Kan het familielid de dubbelrol (zowel de administratie regelen als de zorg uitvoeren) fysiek en mentaal aan zonder overbelast te raken?

      • Noodzaak: Blijft de inwoner zonder zorg achter als we dit pgb weigeren, omdat er bijvoorbeeld ook geen passend Zorg in Natura-aanbod is?

7.2.5 Inzet van het sociale netwerk

Rijswijk waardeert de inzet van naasten, maar is terughoudend met betaling uit een pgb voor hulp die normaal gesproken 'gebruikelijk' is (zie Hoofdstuk 6). De focus ligt op de continuïteit van de zorg en het voorkomen van overbelasting van de naaste.

7.2.6 SVB en Trekkingsrecht

In de gemeente Rijswijk werken we met het systeem van trekkingsrecht via de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Dit betekent dat het pgb-bedrag niet op de rekening van de inwoner wordt gestort, maar bij de SVB klaarstaat voor de betaling van ingediende declaraties. Door te werken met declaraties op basis van feitelijk geleverde ondersteuning, behoudt de inwoner de regie en wordt voorkomen dat er budget wordt uitgekeerd wanneer er door bijvoorbeeld vakantie of ziekte geen hulp is verleend.

 

Regels rondom het maandloonmodel

Het is in de basis niet toegestaan om een vast maandsalaris af te spreken met een zorgverlener. Betaling vindt uitsluitend plaats op basis van de feitelijk gewerkte uren of dagdelen.

 

Uitzonderingen

Alleen in zeer uitzonderlijke situaties kan het college toestemming geven voor een maandloonmodel. Hierbij moet aan alle volgende voorwaarden worden voldaan:

  • Stabiliteit: De zorgsituatie is al minimaal één jaar ongewijzigd en de verwachting is dat dit zo blijft.

  • Administratieve last: De inwoner kan aantonen dat de wekelijkse urenverantwoording leidt tot een administratieve belasting die niet in verhouding staat tot het toezicht.

  • Geen betaling bij afwezigheid: Ook bij een maandloonmodel mag er niet worden doorbetaald tijdens vakantie of ziekte van de hulpverlener.

7.3 Financiële tegemoetkoming

Voor specifieke maatwerkvoorzieningen verstrekt het college een financiële tegemoetkoming. Dit zijn forfaitaire (vaste) bedragen waarmee de inwoner zelf de oplossing realiseert. Door te werken met vaste bedragen blijven de administratieve lasten voor de inwoner zo laag mogelijk; er hoeven geen bewijsstukken of facturen ingeleverd te worden. Het college vertrouwt erop dat de inwoner de tegemoetkoming besteedt aan het doel waarvoor deze is verstrekt.

 

  • Verhuizen en stoffering: Als verhuizen naar een geschikte woning de 'goedkoopst compenserende' oplossing is, ontvangt de inwoner een vast bedrag (forfaitair). Dit bedrag is een tegemoetkoming in de kosten voor de verhuizing en de nieuwe inrichting (vloer, gordijnen, behang).

  • Eigen vervoer (auto/taxi): Wanneer collectief vervoer niet mogelijk is, vergoedt de gemeente de variabele kosten voor het gebruik van een eigen auto of (rolstoel)taxi. Dit bedrag is gebaseerd op een jaarlijks gemiddelde van 1500 kilometer.

  • Bedragen: De actuele hoogte van deze vergoedingen zijn vastgelegd in Bijlage 1. Het college past deze bedragen periodiek aan op basis van marktontwikkelingen en Nibud-normen.

Hoofdstuk 8 – Immateriële maatwerkvoorzieningen (diensten)

Dit hoofdstuk beschrijft de maatwerkvoorzieningen waarbij zorgverleners worden ingezet om de inwoner te ondersteunen. In de regio H5 (Rijswijk, Delft, Midden-Delfland, Westland en Pijnacker-Nootdorp) werken we met een specifieke systematiek om dit te organiseren.

 

8.1 Resultaatgericht indiceren

Alle ondersteuning in dit hoofdstuk wordt resultaatgericht geïndiceerd volgens de regionale H5-systematiek. Dit betekent dat niet de tijd (uren), maar het te behalen resultaat centraal staat.

 

  • De Tredes: Om de zwaarte van de ondersteuning te bepalen, wordt gebruikgemaakt van vijf niveaus ('tredes'). Hoe complexer de situatie of hoe groter de overname van taken, hoe zwaarder de trede. Rijswijk hanteert een schaal waarbij trede 1 de zwaarste en trede 5 de lichtste ondersteuning betreft. Aan elke trede is een vast maandtarief gekoppeld. Dit tarief stelt de aanbieder in staat om het resultaat binnen de betreffende trede te behalen, ongeacht het aantal uren dat hiervoor feitelijk wordt ingezet.

  • Het WAT en het HOE: Het college stelt vast wat het te bereiken resultaat is en welke trede daarbij past. De zorgaanbieder bepaalt in overleg met de inwoner hoe dit resultaat wordt behaald.

  • Geen uren: In de beschikking staat het resultaatgebied en de bijbehorende trede. Er wordt geen vast aantal uren genoemd, zodat de aanbieder flexibel kan inspelen op de actuele behoefte.

8.2 Ondersteuning en regie bij het huishouden (ORH)

Wat we in de volksmond 'huishoudelijke hulp' noemen, noemen we officieel Ondersteuning en Regie bij het Huishouden. Het doel is een schoon en leefbaar huis.

 

  • Schoon en leefbaar: Dit betekent dat de ruimtes die dagelijks in gebruik zijn (zoals de woonkamer, slaapkamer, keuken en badkamer) hygiënisch schoon zijn.

  • Objectieve norm (de Schouw): Of een huis schoon en leefbaar is, meten we niet op gevoel, maar met een objectieve meetlat: de 'Schouw'. Dit zijn professionele richtlijnen voor hygiëne.

  • Regie: De Wmo- consulent bepaalt of de inwoner zelf de regie kan voeren (alleen hulp bij het poetsen) of dat de aanbieder de regie moet overnemen (ook het organiseren en plannen van het huishouden).

8.3 Begeleiding

Deze maatwerkvoorziening richt zich op het behoud of het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie. De Wmo-consulent stelt per resultaatgebied de benodigde trede vast. Volgens de regionale systematiek onderscheidt het college de volgende gebieden:

 

  • Sociaal persoonlijk functioneren: Ondersteuning bij het organiseren van het dagelijks leven en sociaal contact.

  • Financiën: Ondersteuning bij het op orde krijgen en houden van de administratie en financiële stabiliteit.

  • Huisvesting: Ondersteuning bij het aanleren van vaardigheden om zelfstandig te kunnen (blijven) wonen of het kunnen beschikken en behouden van een passende toereikende woning.

  • Dagbesteding: Ondersteuning bij het op zinvolle wijze invullen van de dag wanneer de inwoner hierbij regie of structuur mist.

  • Gezondheid: Ondersteuning bij het omgaan met ziekte of beperking en een gezonde leefstijl.

8.4 Aanvullende resultaten

Soms is er naast de ondersteuning uit 8.2 en 8.3 een aanvullend resultaat nodig. Het college volgt hierbij de regionale H5-systematiek. De belangrijkste kaders zijn:

 

  • Wasverzorging: Inwoners maken in principe gebruik van de algemene wasservice. Maatwerk is alleen mogelijk indien de algemene wasservice in een specifiek geval niet passend is. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij:

    • Regieverlies: De inwoner kan de wasservice niet zelfstandig of met ondersteuning vanuit zijn netwerk organiseren.

    • Medische noodzaak: Noodzaak voor een specifiek hygiëneprotocol.

    • Bijzondere persoonlijke omstandigheden: Zwaarwegende redenen, zoals een traject voor schuldsanering in combinatie met bewindvoering.

  • Maaltijdmaatwerkvoorziening Het aanschaffen en/of het thuisbezorgen van maaltijden (zoals een maaltijdservice of kant-en-klaarmaaltijden) is in de basis algemeen gebruikelijk. Een aanvullend maatwerkresultaat is alleen mogelijk wanneer de inwoner hulp nodig heeft bij:

    • Bereiding: Het klaarmaken van een broodmaaltijd of het opwarmen van een maaltijd. Onder 'bereiden' wordt in de basis uitdrukkelijk niet het uitgebreid koken van een warme maaltijd verstaan.

    • Toezicht en activatie: Het bieden van toezicht, stimulans of sturing tijdens het nuttigen van de maaltijd, wanneer de inwoner dit door regieverlies (bijvoorbeeld door dementie of cognitieve beperkingen) niet meer zelfstandig kan structureren.

    • Uitzondering (Koken bij medische noodzaak): Alleen in zeer uitzonderlijke situaties, waarin objectief is vastgesteld dat een kant-en-klaarmaaltijd of reguliere maaltijdservice aantoonbaar géén oplossing biedt, kan ondersteuning bij het koken van een warme maaltijd worden ingezet. Dit is uitsluitend aan de orde als er sprake is van een dwingende, medische noodzaak (zoals een complex medisch dieet of ernstige allergie) waardoor de maaltijd uitsluitend vers en op maat bereid kan worden.

  • Ondersteuning buiten kantoortijden: Inzet buiten reguliere tijden als de inwoner bijvoorbeeld overdag werkt of een opleiding volgt.

  • Toeleiding naar dagbesteding: Kortdurende inzet om de drempel naar participatie te verlagen.

  • Kindzorg: Tijdelijke ondersteuning bij de verzorging en opvang van gezonde kinderen (tot 12 jaar) bij plotselinge, acute uitval van de ouder(s) of verzorger(s).

    • Tijdelijk karakter (in beginsel 3 maanden): Deze maatwerkvoorziening is nadrukkelijk bedoeld als kortdurende overbrugging. Van de ouders/verzorgers wordt verwacht dat zij deze periode actief benutten om te zoeken naar een structurele, eigen oplossing (zoals de inzet van het sociale netwerk, kinderopvang of buitenschoolse opvang).

    • Toetsing bij uitstroom: Voordat de voorziening na de indicatieperiode wordt beëindigd, toets de Wmo-consulent actief of de situatie stabiel is en of er daadwerkelijk een passend en veilig alternatief is gevonden. Indien dit door aantoonbare overmacht nog niet is gelukt, kan de voorziening gemotiveerd en kortstondig worden verlengd om het gat naar de structurele oplossing te overbruggen.

  • Vervoer naar dagbesteding: Wanneer de inwoner niet zelfstandig naar de dagbesteding kan reizen.

  • Waakvlam: Periodiek contact om terugval bij stabiele inwoners te voorkomen.

8.5 Ontmoetingscentra en Kortdurend verblijf

Om mantelzorgers te ondersteunen en te voorkomen dat zij overbelast raken, biedt de gemeente verschillende mogelijkheden. We vinden het belangrijk dat mantelzorgers de zorg voor hun naaste volhouden. In Rijswijk zetten we daarom in op de volgende twee vormen van respijtzorg:

 

Ontmoetingscentra (Algemene voorziening)

De ontmoetingscentra zijn specifiek bedoeld voor inwoners met (beginnende) dementie en hun mantelzorgers.

  • Toegang: Inwoners kunnen hier zonder onderzoek van de gemeente rechtstreeks terecht.

  • Omvang: Het ondersteunende dagprogramma bedraagt maximaal 6 dagdelen per week.

  • Doel: Het doel is tweeledig: de inwoner krijgt structuur en een zinvolle dag, waardoor de mantelzorger de zorg even kan loslaten.

  • Wlz-grens: Wanneer de ondersteuningsbehoefte zo groot wordt dat het ontmoetingscentrum niet meer voldoende of veilig is, wordt de inwoner doorverwezen naar de Wet langdurige zorg (Wlz)

Kortdurend verblijf (Maatwerkvoorziening)

Kortdurend verblijf (logeren) is een tijdelijke of periodieke overname van de volledige zorg om de mantelzorger te ontlasten. Dit is alleen aan de orde als de inwoner permanent toezicht/ aansturing nodig heeft dat niet op een andere manier kan worden opgelost.

  • Toegang: Dit is alleen aan de orde als de inwoner permanent toezicht nodig heeft dat niet op een andere manier kan worden opgelost.

  • Omvang: De omvang bedraagt maximaal 3 etmalen per week met een absoluut maximum van 78 etmalen per kalenderjaar. Om een vakantie of langere afwezigheid van de mantelzorger mogelijk te maken, kunnen etmalen worden opgespaard tot een aaneengesloten periode van maximaal vier weken per kalenderjaar.

  • Doel: Het doel is het tijdelijk of periodiek ontlasten van de mantelzorger (respijtzorg), zodat deze de zorg thuis kan blijven volhouden.

  • Wlz-grens: Indien er structureel meer ondersteuning of permanent toezicht nodig is, is kortdurend verblijf niet meer de passende oplossing en wordt de inwoner doorverwezen naar de Wet langdurige zorg (Wlz).

De grens tussen Wmo en Wlz

Wanneer de ondersteuningsbehoefte zo groot wordt dat de algemene maatwerkvoorziening (zoals het ontmoetingscentrum) niet meer voldoende is, onderzoekt de Wmo-consulent of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Hierbij wordt getoetst aan de Wet langdurige zorg (Wlz).

  • Weigering bij Wlz-aanspraak: Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren als de inwoner al recht heeft op zorg vanuit de Wlz. Het college ondersteunt de inwoner bij de overgang naar de Wlz, zodat de ondersteuning ononderbroken doorgaat.

  • Meewerkverplichting: Als er sterke aanwijzingen zijn dat de inwoner recht heeft op Wlz-zorg, maar weigert mee te werken aan de aanvraag daarvoor, kan het college de maatwerkvoorziening weigeren. De wet is immers een vangnet en geen vervanging voor de langdurige zorg

8.6 Leveringsvorm pgb bij immateriële voorzienigen

De resultaten en tredes zoals beschreven in dit hoofdstuk kunnen zowel in natura als via een pgb worden behaald. Wanneer de inwoner kiest voor een pgb, gelden de algemene voorwaarden en bekwaamheidseisen uit hoofdstuk 7.2.

 

De hoogte van het budget wordt voor de verschillende resultaatgebieden en tredes vastgesteld op basis van de tarieven voor formele of informele hulp, zoals vastgelegd in de financiële bepalingen (zie hoofdstuk 11.2).

Hoofdstuk 9 – Beschermd wonen en opvang

De maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en opvang worden in regionaal verband uitgevoerd. In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de toegang tot deze maatwerkvoorzieningen voor inwoners van Rijswijk is geregeld.

 

9.1 Beschermd Wonen (BW)

Beschermd wonen is bedoeld voor inwoners met psychische of psychosociale problemen die (tijdelijk) niet volledig zelfstandig kunnen wonen. Zij hebben behoefte aan een veilige woonomgeving met 24 uur per dag toezicht.

 

  • Vormen van toezicht: Afhankelijk van de situatie kan dit toezicht op twee manieren worden ingevuld:

    • Nabijheid: De begeleiding is 24/7 fysiek in de directe nabijheid aanwezig.

    • Bereikbaarheid: De begeleiding is 24/7 direct oproepbaar en beschikbaar (de mildere variant).

  • Het onderzoek: De gemeente Rijswijk voert zelf het onderzoek uit na de melding. Wij kijken of beschermd wonen noodzakelijk is of dat de inwoner met extra hulp (zie Hoofdstuk 8) toch zelfstandig kan blijven wonen.

  • Besluitvorming door Den Haag: Rijswijk werkt nauw samen met de centrumgemeente Den Haag. Op basis van ons onderzoek neemt Den Haag, namens het college van rijswijk, het definitieve besluit over de toekenning en de plaatsing. Wij volgen hierbij de regels en het beleid van de gemeente Den Haag.

  • Wachttijd en overbrugging: Als er een wachttijd is voor een plek, organiseert Rijswijk waar nodig passende overbruggingszorg in de huidige woonsituatie van de inwoner.

  • Casusregie en monitoring: Gedurende de wachttijd blijft de gemeente Rijswijk verantwoordelijk voor de casusregie. De Wmo-consulent van de gemeente Rijswijk blijft het vaste aanspreekpunt voor de inwoner tot aan plaatsing.

  • Wachttijdevaluatie: De Wmo-consulent voert periodiek overleg met de inwoner om te evalueren of de situatie stabiel is. Als de zorgvraag wijzigt of de situatie verslechtert, beoordeelt de Wmo-consulent of de overbruggingszorg moet worden aangepast of dat er (bij de centrumgemeente Den Haag) een heroverweging van de urgentie noodzakelijk is.

9.2 Maatschappelijke Opvang (MO)

De maatschappelijke opvang is er voor inwoners die feitelijk dakloos zijn (of dreigen te worden) en zichzelf niet op eigen kracht staande kunnen houden.

 

  • Centrale toegang: De toegang tot de opvang verloopt via het Daklozenloket van de gemeente Den Haag. Zij beoordelen of de inwoner recht heeft op een plek in de opvang.

  • Preventie in Rijswijk: De focus van Rijswijk ligt op het voorkomen van dakloosheid. Wij zetten vroegtijdig lokale ondersteuning in om bijvoorbeeld huisuitzettingen door schulden te voorkomen.

9.3 Opvang bij huiselijk geweld

Voor inwoners die hun huis moeten ontvluchten vanwege onveiligheid of (dreiging met) geweld, is er de vrouwen- en mannenopvang.

 

  • Regionale toeleiding: De intake en plaatsing worden verzorgd door de organisatie Arosa. Zij kijken welke plek in Nederland op dat moment het meest veilig en passend is.

Hoofdstuk 10 – Materiële maatwerkvoorzieningen

Dit hoofdstuk bevat de regels voor tastbare maatwerkvoorzieningen (hulpmiddelen, vervoersmiddelen en woonmaatwerkvoorzieningen).

 

10.1 Leveringsvormen en beheer

Een inwoner heeft de keuze tussen een verstrekking in ZIN of pgb, mits wordt voldaan aan de criteria zoals beschreven in Hoofdstuk 7 van deze beleidsregels. Wie verantwoordelijk is voor het onderhoud, de reparaties en de verzekering, hangt af van de gekozen leveringsvorm.

10.1.1 Zorg in natura (ZIN)

Bij de keuze voor een maatwerkvoorziening in natura bepaalt het college op basis van doelmatigheid de verstrekkingsvorm. We maken hierbij onderscheid tussen losse hulpmiddelen en bouwkundige (nagelvaste) aanpassingen:

  • Losse hulpmiddelen (< € 500,-): Worden doorgaans in eigendom verstrekt. De inwoner wordt eigenaar en is zelf verantwoordelijk voor onderhoud, reparatie en verzekering.

  • Losse hulpmiddelen (≥ € 500,-): Worden in bruikleen verstrekt. De gemeente blijft eigenaar van het hulpmiddel. Het college draagt via de gecontracteerde leverancier zorg voor de kosten van onderhoud, reparatie en verzekering.

  • Bouwkundige en nagelvaste aanpassingen: Aanpassingen die vastzitten aan de woning (behalve trapliften, zoals een badkamer- of keukenaanpassing), worden nooit in bruikleen verstrekt. Deze worden na oplevering direct eigendom van de huiseigenaar. De gemeente is daarna niet verantwoordelijk voor het onderhoud of de reparatie hiervan.

    • Uitzondering (altijd bruikleen): Ongeacht de prijs worden trapliften, tilliften, deurdrangers, scootmobielstallingen (scootsafes) and specifieke drempelhulpen altijd in bruikleen verstrekt. Voor deze specifieke hulpmiddelen vergoedt de gemeente wel het onderhoud en de reparaties.

10.1.2 Persoonsgebonden budget (pgb)

Als de inwoner kiest voor een pgb om zelf een hulpmiddel of woningaanpassing aan te schaffen, gelden de volgende regels voor de vaststelling van de hoogte van het budget:

  • Toereikend en vergelijkbaar: Het pgb is in beginsel gelijk aan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura. We baseren ons hierbij op de prijsafspraken met onze gecontracteerde leveranciers of op minimaal twee door de Wmo-consulent goedgekeurde offertes.

  • Eigendom en verantwoordelijkheid: In tegenstelling tot ZIN (bruikleen) wordt een via pgb aangeschaft hulpmiddel of woningaanpassing altijd eigendom van de inwoner. De inwoner is daarmee zelf verantwoordelijk voor de aanschaf, het beheer en het tijdig organiseren van onderhoud en reparaties.

  • Onderhoud, reparatie en verzekering hulpmiddelen: Het college neemt in de beschikking een jaarlijks budget op voor deze kosten; dit bedrag is gemaximeerd op 10% van het door de gemeente beschikbaar gestelde pgb-aanschafbudget (de tegenwaarde van de natura-voorziening). Eventuele extra onderhouds- of reparatiekosten door een luxere, eigen bijbetaalde voorziening komen volledig voor rekening van de inwoner.

10.2 Zorgvuldig gebruik en verzekering

De gemeente stelt kostbare hulpmiddelen en aanpassingen ter beschikking om de zelfredzaamheid van inwoners te ondersteunen. Wij gaan er daarom vanuit dat de inwoner hier zorgvuldig mee omgaat.

 

  • Zorgvuldig gebruik: De inwoner is verantwoordelijk voor het dagelijks onderhoud en een veilig gebruik van de maatwerkvoorziening.

  • Schade en verwijtbaarheid: Gaat een maatwerkvoorziening verloren of raakt deze beschadigd door roekeloosheid of aantoonbare onoplettendheid? Dan kan het college het recht op gebruik van de maatwerkvoorziening (de indicatie) beëindigen.

    • Voorbeeld: Schade doordat een scootmobiel, zonder bescherming, buiten in de regen is blijven staan, of diefstal omdat de sleutel in het contactslot zat. In dergelijke gevallen moet de inwoner zelf voor herstel of vervanging zorgen.

  • Verzekering van woningaanpassingen: Bij nagelvaste aanpassingen (zoals een traplift, een aanbouw of een aangepaste keuken) kan de waarde van de woning stijgen.

    • De inwoner is verplicht deze waardestijging door te geven aan de eigen opstalverzekeraar.

    • Schade door bijvoorbeeld brand of lekkage die niet gedekt is omdat de verzekering niet is aangepast, komt niet voor rekening van de Wmo.

10.3 Inleveren en verwijderen van maatwerkvoorzieningen

Wanneer een maatwerkvoorziening niet meer wordt gebruikt, bijvoorbeeld door verhuizing of overlijden, gelden de volgende regels voor het verwijderen van het hulpmiddel of de aanpassing:

10.3.1 Maatwerkvoorzieningen in bruikleen (ZIN)

Omdat de gemeente de eigenaar blijft van deze hulpmiddelen, moeten deze bij beëindiging worden ingeleverd.

  • Ophalen: De gecontracteerde leverancier haalt het hulpmiddel (zoals een scootmobiel of losse unit) op.

  • Woningaanpassingen (nagelvast): Gaat het om een hulpmiddel dat aan de woning vastzit (zoals een traplift)? Dan haalt de leverancier alleen het hulpmiddel zelf weg en neemt dit mee.

  • Herstel van de woning: De kosten voor het volledig in de oude staat terugbrengen van de woning (zoals het dichtmaken van gaten, herstellen van vloerbedekking of schilderwerk) komen niet voor rekening van de gemeente. Dit is de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de woning (de inwoner of de verhuurder).

10.3.2 Maatwerkvoorzieningen in eigendom (pgb en zin < € 500,-)

Wanneer een maatwerkvoorziening in eigendom is verstrekt, is de inwoner (of zijn erfgenaam) de eigenaar van het product.

  • Verwijdering en afvoer: De inwoner is zelf verantwoordelijk voor het verwijderen of afvoeren van de maatwerkvoorziening. De gemeente haalt deze goederen niet op en vergoedt de kosten voor verwijdering niet.

  • Geen restwaarde: Er vindt geen verrekening plaats van de restwaarde van de maatwerkvoorziening met de gemeente.

10.4 Woonmaatwerkvoorzieningen

Het doel van een woonmaatwerkvoorziening is dat de inwoner normaal kan functioneren in en om de woning. Dit betreft de basisfuncties: o.a. slapen, lichaamsreiniging, het bereiden en nuttigen van maaltijden en het veilig betreden van en het verplaatsen binnen de woning.

10.4.1 Het primaat van verhuizen

Wanneer een woning door beperkingen niet meer geschikt is voor de inwoner, onderzoekt het college wat de meest passende en duurzame oplossing is. Er wordt een afweging gemaakt tussen het aanpassen van de huidige woning en een verhuizing naar een woning die al geschikt is. Wanneer de kosten voor de noodzakelijke woningaanpassing hoger zijn dan € 10.000, -, is verhuizing in de basis de voorliggende oplossing.

 

Bij deze afweging houdt het college altijd rekening met:

  • Medische noodzaak: De snelheid waarmee het woonprobleem moet worden opgelost (richtlijn maximaal 6 maanden).

  • Sociale en financiële factoren: De haalbaarheid van een verhuizing en de sociale gevolgen voor de inwoner.

  • Marktsituatie: De feitelijke beschikbaarheid van passende woningen.

Indien verhuizen op basis van dit primaat de gekozen oplossing is, ontvangt de inwoner een vaste (forfaitaire) tegemoetkoming van € 3.000, - voor de verhuizing en herinrichting.

10.4.2 Preventief verhuizen

Rijswijk stimuleert inwoners met een beginnende ondersteuningsbehoefte of een progressieve aandoening om tijdig naar een passende woning te verhuizen. Door te verhuizen nog vóórdat een situatie acuut wordt, behoudt de inwoner de regie en worden ingrijpende aanpassingen op een later moment voorkomen. Een besluit voor preventief verhuizen is 36 maanden geldig.

 

De Wmo-check

Om voor een tegemoetkoming bij preventief verhuizen in aanmerking te komen, voert de Wmo-consulent een check uit op de volgende punten:

  • Verwachte beperking: Er is een medische onderbouwing of een duidelijke constatering dat de huidige woning door de fysieke situatie van de inwoner binnen afzienbare tijd (richtlijn 24 tot maximaal 36 maanden) ontoegankelijk wordt. Als er sprake is van een progressief ziektebeeld, kan de Wmo-consulent gemotiveerd afwijken van deze maximale termijn als nu al vaststaat dat de woning in de toekomst ongeschikt wordt.

  • Geschiktheid nieuwe woning: De nieuwe woning moet 'leeftijdsadequaat' of levensloopbestendig zijn. Dit betekent dat de woning drempelloos is en dat essentiële functies (wassen, slapen, koken) op de begane grond of per lift bereikbaar zijn en dat er—indien van toepassing—een geschikte en bereikbare stallingsmogelijkheid is voor hulpmiddelen (zoals een scootmobiel of rolstoel).

  • Resultaat: De verhuizing moet een duurzame oplossing bieden die toekomstige aanvragen voor zware woningaanpassingen (zoals een traplift) voorkomt.

  • Bij een positieve Wmo-check heeft de inwoner bij verhuizing recht op de forfaitaire vergoeding van € 3.000, -.

10.4.3 Eigen verantwoordelijkheid bij verhuizing

Van inwoners die verhuizen, wordt verwacht dat zij zelf zoeken naar een woning die zo geschikt mogelijk is voor hun (toekomstige) situatie. Het college weigert een woningaanpassing in de nieuwe woning in de volgende situaties:

  • Verhuizing zonder medische noodzaak: Als er in de verlaten woning geen problemen werden ervaren, is de verhuizing zelf de oorzaak van het woonprobleem. Een aanpassing wordt dan geweigerd, tenzij er een belangrijke reden voor de verhuizing was (zoals huwelijk, samenwoning of werk elders).

  • Keuze voor een ongeschikte woning: Als een inwoner met een bekende ondersteuningsbehoefte verhuist naar een woning die niet geschikt of eenvoudig aan te passen is, worden achteraf geen zware aanpassingen vergoed.

    • Omkering van de bewijslast: Verhuist een inwoner met een ondersteuningsbehoefte zonder vooraf afstemming te zoeken of toestemming te vragen aan het college? Dan ligt de bewijslast bij de inwoner. De inwoner moet in dat geval met controleerbare gegevens zelf aannemelijk maken dat er op dat moment geen andere, geschikte woning beschikbaar was in de markt.

10.4.4 Bezoekbaar maken en dubbel hoofdverblijf

In Rijswijk vinden we het belangrijk dat inwoners met een beperking deel kunnen blijven uitmaken van hun sociale omgeving. Afhankelijk van de situatie maken we onderscheid tussen het 'bezoekbaar' maken van een woning en het ondersteunen van kinderen in een co-ouderschapssituatie.

 

Bezoekbaar maken (Wlz)

Wanneer een inwoner permanent in een instelling verblijft (Wlz), kan het college ondersteuning bieden om één woning in Rijswijk bezoekbaar te maken. Dit is doorgaans de woning van ouders of naaste familieleden.

 

Reikwijdte van de aanpassing

Het bezoekbaar maken is beperkt tot de essentie die nodig is om deel te kunnen nemen aan het gezinsleven. Dit betekent dat de inwoner:

  • De woning kan betreden (entree);

  • De woonkamer kan bereiken;

  • Het toilet kan gebruiken.

Er worden via deze regeling geen aanpassingen gedaan voor het slapen of het douchen in de betreffende woning. De maximale tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken is € 5.000, -.

 

Co-ouderschap (Dubbel hoofdverblijf)

Voor minderjarige inwoners met een beperking die na een echtscheiding bij beide ouders wonen, kan er sprake zijn van een dubbel hoofdverblijf. In deze situatie moet de tweede woning niet alleen bezoekbaar, maar ook bewoonbaar zijn. Dit houdt in dat de inwoner er ook moet kunnen slapen en zichzelf moet kunnen wassen.

 

Criteria voor toekenning

Om in aanmerking te komen voor ondersteuning bij een tweede hoofdverblijf, gelden de volgende voorwaarden:

  • Juridische basis: De zorgregeling is officieel vastgelegd, bijvoorbeeld in een door de rechter bekrachtigd ouderschapsplan. De gemeente waar de minderjarige in de BRP staat ingeschreven is verantwoordelijk voor de noodzakelijke aanpassingen, ook als de woning van de andere ouder in een andere gemeente ligt.

  • Substantieel verblijf: De inwoner verblijft een aanzienlijk en nagenoeg gelijkwaardig deel van de tijd bij beide ouders. Een incidentele bezoekregeling valt hier niet onder.

Maatwerk en omvang (Wonen en Vervoer)

  • Woning: Bij een dubbel hoofdverblijf is de grens van € 5.000, - voor bezoekbaar maken niet van toepassing. De Wmo-consulent onderzoekt welke aanpassingen medisch noodzakelijk zijn om het verblijf in beide woningen mogelijk te maken. Hierbij wordt altijd eerst gekeken naar de goedkoopst adequate oplossing, zoals de inzet van losse (verplaatsbare) hulpmiddelen in plaats van vaste bouwkundige aanpassingen.

  • Vervoer (o.a. autoaanpassingen): Indien er voor het vervoer bij de andere ouder een aanpassing noodzakelijk is, onderzoekt het college altijd eerst of de reeds aanwezige maatwerkvoorziening (bijvoorbeeld de aangepaste auto van de hoofdhuisvesting) gedeeld of logistiek ingezet kan worden. Een tweede individuele (auto)aanpassing wordt enkel overwogen als delen aantoonbaar onmogelijk is én dit de goedkoopst adequate oplossing blijkt te zijn in vergelijking met alternatieven (zoals taxivervoer).

10.4.5 Woonsanering (Allergie)

In uitzonderlijke situaties kan woonsanering worden ingezet als maatwerkvoorziening. Dit is aan de orde wanneer er een objectief vastgestelde medische noodzaak is (zoals een ernstige allergie of longaandoening), waarbij sanering de enige adequate oplossing is om de woning normaal te kunnen gebruiken.

 

Criteria voor toekenning

Om te bepalen of een maatwerkvoorziening voor woonsanering noodzakelijk is, toetst het college de aanvraag aan de volgende kaders:

  • Medische onderbouwing: De noodzaak moet blijken uit een onafhankelijk medisch advies. Hieruit moet naar voren komen dat vervanging van materialen de enige doeltreffende manier is om de medische belemmeringen weg te nemen.

  • Reikwijdte: De ondersteuning richt zich uitsluitend op de ruimten die noodzakelijk zijn voor de basisfuncties van het wonen. In de basis betreft dit de woonkamer en de slaapkamer van de inwoner.

  • Effectiviteit en omgevingsfactoren: Sanering wordt alleen ingezet als omgevingsfactoren het resultaat niet tenietdoen. Een aanvraag wordt afgewezen als de effectiviteit van de sanering vooraf al wordt verhinderd door factoren zoals roken in de woning, of door de aanwezigheid van harige of gevederde huisdieren die een dusdanige impact hebben op de luchtkwaliteit dat de sanering aantoonbaar niet doelmatig is.

De financiële afweging

Bij het vaststellen van de hoogte van de tegemoetkoming hanteert het college de volgende uitgangspunten:

  • Algemeen gebruikelijk: De beoordeling of de vervanging van materialen (zoals vloerbedekking of gordijnen) als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd, vindt plaats op basis van de criteria in hoofdstuk 5. Indien de materialen naar algemeen maatschappelijke opvattingen gangbaar zijn en de kosten hiervoor gedragen kunnen worden door een inwoner met een inkomen op minimumniveau, wordt er geen maatwerkvoorziening verstrekt.

  • Gebruiksduur en afschrijving: Bij de vergoeding wordt rekening gehouden met de resterende levensduur van de te vervangen materialen. Voor stoffering wordt uitgegaan van een gemiddelde levensduur van 8 jaar.

    • Indien de materialen jonger zijn dan 8 jaar, wordt de tegemoetkoming naar rato van de resterende levensduur berekend.

    • Indien de materialen 8 jaar of ouder zijn, wordt in beginsel geen vergoeding verstrekt. Vervanging na deze periode wordt beschouwd als regulier onderhoud waarvoor de inwoner zelf verantwoordelijk is.

  • Individuele uitzondering: Indien de inwoner aantoont dat hij door aantoonbare onvoorziene omstandigheden niet heeft kunnen reserveren voor vervanging, én de kosten voor vervanging op minimumniveau niet zelf gedragen kunnen worden, kan het college besluiten om alsnog een (gedeeltelijke) maatwerkvoorziening te verstrekken. Dit is enkel aan de orde wanneer het uitblijven van ondersteuning ertoe leidt dat de inwoner niet meer op een gezonde wijze gebruik kan maken van de woning.

Uitvoering en resultaat

Het college is verantwoordelijk voor een passende oplossing die de belemmeringen daadwerkelijk wegneemt.

  • Eigen organisatie: Van de inwoner wordt verwacht dat deze de uitvoering van de sanering (zoals het verwijderen van oude materialen en het aanbrengen van de nieuwe maatwerkvoorzieningen) zelf organiseert. Dit kan door eigen inzet of door hulp uit het sociaal netwerk.

  • Ondersteuning bij uitvoering: Wanneer de inwoner aantoont de uitvoering niet zelf te kunnen organiseren of financieren, en er geen hulp vanuit het sociaal netwerk beschikbaar is, kan het college ondersteuning bieden bij de noodzakelijke uitvoeringskosten. Dit is noodzakelijk om te waarborgen dat het beoogde resultaat (een gezonde woonomgeving) daadwerkelijk wordt behaald.

10.5 Mobiliteit en vervoer

Het college biedt ondersteuning bij het lokaal verplaatsen wanneer de inwoner hierin beperkingen ervaart. Het doel is dat de inwoner zelfstandig of met hulp van de sociale omgeving de dagelijkse levensverrichtingen kan uitvoeren en medemensen kan ontmoeten.

10.5.1 Collectief vervoer (De Regiotaxi)

In Rijswijk is de Regiotaxi de eerste oplossing waar we naar kijken als de inwoner zich niet meer zelfstandig kan verplaatsen. Dit noemen we 'het primaat van collectief vervoer'.

 

  • De norm: Indien een inwoner aantoonbare beperkingen ervaart bij het gebruik van het reguliere openbaar vervoer, wordt een Wmo-vervoerspas voor de Regiotaxi verstrekt.

  • Kilometerbudget: De ondersteuning is gericht op een lokale vervoersbehoefte van in beginsel maximaal 1.500 kilometer per jaar. Hiermee wordt de inwoner in staat geacht om sociale contacten te onderhouden en de dagelijkse boodschappen te doen.

  • Inkomen: Een laag inkomen is op zichzelf geen reden voor toekenning van een vervoersmaatwerkvoorziening; de noodzaak moet altijd medisch of ergonomisch onderbouwd zijn.

10.5.2 Individuele maatwerkvoorzieningen en combinaties

Wanneer het collectief vervoer niet passend of niet toereikend is voor de vervoersbehoefte, kan een individuele vervoersmaatwerkvoorziening worden verstrekt. Bij de beoordeling hiervan geldt het uitgangspunt van eigen kracht: indien de inwoner beschikt over een eigen auto (of wanneer deze structureel beschikbaar is binnen het netwerk), wordt gewogen in hoeverre dit al voorziet in de (bovenlokale) vervoersbehoefte.

  • Scootmobiel of driewielfiets: Deze maatwerkvoorzieningen zijn bedoeld voor de korte en middellange afstanden en het behoud van zelfstandige mobiliteit in de directe omgeving.

  • Combinatieregeling: Wanneer een inwoner naast een vervoerspas ook een andere individuele maatwerkvoorziening heeft (zoals een scootmobiel of driewielfiets) of in het bezit is van een eigen auto, wordt het kilometerbudget voor de Regiotaxi in beginsel beperkt tot 50% (750 kilometer per jaar). Het college gaat ervan uit dat een aanzienlijk deel van de vervoersbehoefte hiermee wordt ingevuld.

  • Financiële tegemoetkoming eigen auto: Als de inwoner door medische belemmeringen aantoonbaar geen gebruik kan maken van de Regiotaxi, maar wel over een eigen auto beschikt, kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt voor de variabele kosten (op basis van de Nibud Prijzengids 2026, tot max. 1500 km per jaar).

    • Geen volledige kostendekking: Aangezien autobezit en de vaste lasten hiervan (verzekering, wegenbelasting) als algemeen gebruikelijk worden beschouwd, betreft dit een tegemoetkoming in de variabele vervoerskosten en geen volledige dekking van alle autokosten.

  • Individueel (rolstoel)taxivervoer: In uitzonderlijke medische situaties waarbij reizen met een collectief systeem (met medereizigers) aantoonbaar onmogelijk is, kan een financiële tegemoetkoming voor individueel taxivervoer worden verstrekt. Als de inwoner voor zijn vervoer afhankelijk is van een rolstoel, wordt dit budget gebaseerd op de tarieven voor een rolstoeltaxi.

10.5.3 Scootmobiel: Aanvullende criteria

Voor de verstrekking van een scootmobiel als maatwerkvoorziening gelden, naast de algemene criteria voor mobiliteit, de volgende specifieke voorwaarden:

  • Vervoersbehoefte en loopafstand: De inwoner heeft een substantiële en frequente vervoersbehoefte in de directe nabijheid van de woning (tot circa 5 kilometer). Er is sprake van een dusdanig beperkte loopafstand dat de inwoner niet zelfstandig de dagelijkse bestemmingen kan bereiken. Voor incidenteel vervoer of vervoer over langere afstanden wordt in beginsel verwezen naar de Regiotaxi.

  • Stallingsmogelijkheid: Er dient een veilige, overdekte stallingsplek met oplaadmogelijkheid aanwezig te zijn die voldoet aan de geldende brandveiligheidseisen. Indien een geschikte stalling ontbreekt, onderzoekt de gemeente of deze met redelijke aanpassingen gerealiseerd kan worden. Als er feitelijk geen veilige stallingsmogelijkheid gecreëerd kan worden, kan de maatwerkvoorziening worden geweigerd om veiligheidsrisico’s (zoals brandgevaar in vluchtwegen) te voorkomen.

  • Verkeersveiligheid: De inwoner moet fysiek en cognitief in staat zijn om het hulpmiddel veilig te bedienen in het verkeer. Om dit objectief vast te stellen, kan het college een rijvaardigheidstest of een medisch advies verplicht stellen. Indien nodig kan een training worden ingezet als onderdeel van de maatwerkvoorziening.

10.5.4 Auto-aanpassingen

Een tegemoetkoming voor de aanpassing van een eigen auto is een uitzondering binnen de Wmo. In de basis wordt voor de vervoersbehoefte verwezen naar het collectief vervoer (Regiotaxi). Een auto-aanpassing kan echter worden overwogen wanneer collectief vervoer of andere individuele maatwerkvoorzieningen (zoals een scootmobiel) niet leiden tot een passend resultaat.

 

Criteria voor toekenning

Bij de beoordeling van een aanvraag voor een auto-aanpassing hanteert het college de volgende criteria:

  • Noodzaak en passendheid: De aanpassing wordt overwogen als de inwoner door medische beperkingen geen gebruik kan maken van de Regiotaxi, óf wanneer de specifieke vervoersbehoefte (bijvoorbeeld in een gezinssituatie met een minderjarig kind met een beperking) door het collectief vervoer niet op een passende wijze kan worden ingevuld.

  • Goedkoopst adequaat: Een aanpassing kan worden verstrekt als dit op de lange termijn de meest doelmatige (goedkoopst adequate) oplossing is voor het vervoersprobleem vergeleken met andere maatwerkvoorzieningen.

  • Substantiële vervoersbehoefte: Er moet sprake zijn van een frequente en substantiële vervoersbehoefte die noodzakelijk is voor de participatie en die niet op een andere wijze kan worden opgelost.

Voorwaarden aan de auto

Omdat een auto-aanpassing een kapitaalintensieve investering is, stelt de gemeente eisen aan het voertuig om de duurzaamheid van de oplossing te waarborgen:

 

  • Staat en leeftijd: De auto mag als richtlijn niet ouder zijn dan 5 tot 7 jaar en moet technisch in goede staat verkeren. Het college kan een onafhankelijke technische keuring verlangen om vast te stellen of de resterende levensduur van de auto de investering in de aanpassing rechtvaardigt.

  • Eigendom: De auto moet op naam staan van de inwoner of een gezinslid uit de leefeenheid.

Hoogte van de vergoeding

De tegemoetkoming is beperkt tot de noodzakelijke meerkosten van de aanpassing die direct gerelateerd is aan de beperking. Regulier onderhoud of algemeen gebruikelijke kosten van het autobezit komen niet voor vergoeding in aanmerking.

10.5.5 Bovenregionaal vervoer (Valys)

Verplaatsingen buiten de regio (meer dan 5 zones van het openbaar vervoer of verder dan 25 km vanaf de woning) vallen buiten de reikwijdte van de Wmo. Hiervoor kan de inwoner een beroep doen op de landelijke regeling Valys.

 

10.6 Rolstoelen

Een rolstoel is bedoeld voor inwoners die zich door een beperking niet meer te voet kunnen verplaatsen in en om de woning.

  • Dagelijks gebruik: Een rolstoel wordt verstrekt wanneer een inwoner voor het dagelijks verplaatsen in en om de woning structureel afhankelijk is van een rolstoel. De maatwerkvoorziening is bedoeld voor dagelijks zittend gebruik.

  • Tijdelijk of incidenteel gebruik: Voor incidenteel gebruik (zoals een dagje uit of een ziekenhuisbezoek) wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt. Inwoners kunnen hiervoor gebruikmaken van algemene maatwerkvoorzieningen, zoals de leenservice van de thuiszorgwinkel of rolstoelpools bij publieke locaties.

  • Soorten rolstoelen: Afhankelijk van de medische noodzaak kan het gaan om een handbewogen rolstoel of een elektrische rolstoel.

10.7.1 De meest passende oplossing

Bij de verstrekking van een rolstoel kijken we eerst naar de meest eenvoudige en doeltreffende oplossing.

  • Standaard gaat voor: Als een standaard rolstoel uit het depot van de leverancier voldoet aan de ergonomische eisen, is dat de voorliggende oplossing.

  • Individueel maatwerk: Alleen als een standaardmaatwerkvoorziening medisch aantoonbaar niet volstaat, wordt een rolstoel individueel aangepast of speciaal besteld.

10.7 Sportmaatwerkvoorzieningen

De gemeente Rijswijk stimuleert participatie. Een sportmaatwerkvoorziening kan als maatwerkvoorziening worden verstrekt wanneer een inwoner zonder specifiek hulpmiddel niet kan deelnemen aan sportieve activiteiten en daardoor beperkt wordt in de maatschappelijke participatie.

 

Criteria voor toekenning

Bij de beoordeling van een aanvraag toetst het college of de maatwerkvoorziening noodzakelijk is om een aanvaardbaar niveau van participatie te bereiken:

  • Participatiebehoefte: De maatwerkvoorziening wordt alleen overwogen als de inwoner zonder deze sportbeoefening niet in redelijke mate kan deelnemen aan maatschappelijke activiteiten of sociale contacten kan onderhouden.

  • Aanvaardbaar niveau: Het doel van de Wmo is het bereiken van een basisniveau van participatie (medemensen ontmoeten en deelnemen aan de samenleving), niet het voldoen aan alle persoonlijke wensen. Het college toetst hierbij of de inwoner zonder het sporten in een sociaal isolement dreigt te raken. Indien de inwoner al via andere wegen (zoals dagbesteding, werk, vrijwilligerswerk of andere hulpmiddelen) voldoende sociale contacten heeft en buitenshuis participeert, kan de sportmaatwerkvoorziening worden geweigerd.

  • Geen topsport: De ondersteuning is gericht op recreatieve sportbeoefening of sporten in verenigingsverband binnen de eigen leefomgeving. Hulpmiddelen voor topsport vallen buiten de reikwijdte van de wet.

  • Algemeen gebruikelijk: Kosten voor lidmaatschappen, sportkleding en reguliere attributen (zoals ballen of rackets) worden als algemeen gebruikelijk beschouwd en niet vergoed.

Leveringsvormen en beheer

De inwoner heeft de keuze tussen een verstrekking in natura (ZIN) of een persoonsgebonden budget (pgb):

  • Zorg in natura (ZIN): Het sporthulpmiddel wordt door de gemeente aangeschaft en in bruikleen verstrekt via de gecontracteerde leverancier.

  • Financiële tegemoetkoming: Om de inwoner de ruimte te geven voor specifieke maatvoering en technische eisen, kan het college een financiële tegemoetkoming verstrekken. De hoogte hiervan wordt vastgesteld op basis van minimaal twee door de Wmo-consulent goedgekeurde offertes. Na toekenning wordt het bedrag rechtstreeks aan de inwoner uitgekeerd. De inwoner wordt zelf eigenaar en is volledig verantwoordelijk voor de aanschaf, het onderhoud en eventuele reparaties binnen de vastgestelde levensduur.

Termijn en technische levensduur

Het college hanteert de volgende richtlijnen voor de gebruiksduur van sportmaatwerkvoorzieningen:

  • Sportrolstoelen: Vanwege de hoge fysieke belasting en intensief gebruik bij sportwedstrijden en trainingen, wordt voor sportrolstoelen in beginsel een technische levensduur van 3 jaar gehanteerd.

  • Overige sportmaatwerkvoorzieningen: Voor overige middelen of bij verstrekking via een pgb kan een langere termijn worden vastgesteld, afhankelijk van de verwachte technische levensduur van het specifieke middel.

  • Tussentijdse vervanging: Binnen de vastgestelde termijn wordt alleen een nieuwe maatwerkvoorziening overwogen als de medische situatie van de inwoner ingrijpend is veranderd, waardoor het huidige middel niet meer adequaat is.

HOOFDSTUK 11 – Financiële bepalingen

11.1 De eigen bijdrage (CAK)

Een inwoner is voor de meeste maatwerkvoorzieningen een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd. Deze wordt vastgesteld en geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK).

  • Uitzonderingen: Voor wettelijk vrijgestelde doelgroepen (zoals minderjarigen) en specifieke voorzieningen wordt conform de landelijke wetgeving en artikel 14 van de verordening geen eigen bijdrage geheven.

  • Algemene voorzieningen: Voor algemene voorzieningen met een duurzame hulpverleningsrelatie loopt de eigen bijdrage via het wettelijke abonnementstarief van het CAK. Voor overige algemene voorzieningen (zonder duurzame relatie) betaalt de inwoner een rechtstreekse bijdrage aan de aanbieder (conform artikel 15 van de verordening).

11.2 Hoogte pgb voor immateriële maatwerkvoorzieningen

Voor het inkopen van ondersteuning via een pgb maakt het college onderscheid tussen de inzet van professionals en het sociale netwerk:

  • Formele hulp (Professionals): Voor hulpverleners die voldoen aan de eisen in artikel 12 van de verordening (zoals KVK-inschrijving en relevante diploma's). Het tarief is gelijk aan de tarieven voor ZIN.

  • Informele hulp (Sociaal netwerk): Voor hulp vanuit het sociale netwerk (zoals familie, vrienden of buren) geldt een lager tarief. De hoogte van dit pgb-tarief is vastgesteld op 80% van het tarief voor hulp in natura.

11.3 Hoogte pgb voor materiele maatwerkvoorzienigen

Voor de regels rondom het pgb voor hulpmiddelen en woningaanpassingen wordt verwezen naar artikel 10.1.2 van deze beleidsregels.

 

11.4 Tarieventabel (Bijlage 1)

Alle actuele bedragen en tarieven zijn opgenomen in de Tarieventabel Wmo Rijswijk. Het college indexeert deze bedragen jaarlijks.

HOOFDSTUK 12 – Kwaliteit, Toezicht en Handhaving

Het college ziet toe op een veilige en passende uitvoering van de ondersteuning.

  • Kwaliteit: Aanbieders moeten voldoen aan de eisen in de verordening en de Kwaliteitsstandaard Wmo van de GGD Haaglanden.

  • Toezicht: De GGD Haaglanden voert namens het college de controles uit op de kwaliteit en rechtmatigheid.

  • Handhaving: Bij misbruik of onjuiste gegevens kan het college de maatwerkvoorziening herzien, intrekken en de waarde ervan terugvorderen of verrekenen (in overeenstemming met artikel 16 en 17 van de verordening).

HOOFDSTUK 13 – Slotbepalingen

13.1 Overgangsrecht

Besluiten die zijn genomen vóór inwerkingtreding van deze beleidsregels blijven gelden tot aan het moment dat zij van rechtswege vervallen, worden ingetrokken of beëindigd.

  • Dit recht blijft bestaan tot de einddatum van de huidige beschikking, of tot het moment dat er een nieuwe indicatie (herbeoordeling) plaatsvindt.

  • Aanvragen waarop niet is beslist op het moment van inwerkingtreding van deze beleidsregels, worden afgehandeld met toepassing van deze beleidsregels.

13.2 Intrekking oude regeling

De 'Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning Rijswijk 2025' (en alle voorgaande versies) worden met de inwerkingtreding van dit besluit ingetrokken.

 

13.3 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op 01/ 07/ 2026.

 

13.4 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning Rijswijk 2026.

Bijlage 1 – Tarieventabel Wmo Rijswijk 2026

 

Deze tarieven gelden vanaf 01/07/2026. Alle pgb-tarieven voor diensten zijn gebaseerd op een percentage van het natura-tarief (100% voor formeel, 80% voor informeel).

 

Maatwerkvoorzieningen: Diensten (Begeleiding & ORH)

De tarieven worden per maand verstrekt, tenzij anders aangegeven.

 

Resultaatgebied & Trede

Formeel (100%)

Informeel (80%)

Periode

Sociaal Persoonlijk Functioneren

 

 

 

- Trede 1

€ 795,47

€ 636,37

Per maand

- Trede 2

€ 618,70

€ 494,96

Per maand

- Trede 3

€ 530,31

€ 424,25

Per maand

- Trede 4

€ 265,16

€ 212,13

Per maand

- Waakvlam

€ 132,58

€ 106,06

Per maand

Financiën/ Huisvesting/ Gezondheid

 

 

 

- Trede 1

€ 530,31

€ 424,25

Per maand

- Trede 2

€ 353,54

€ 282,83

Per maand

- Trede 3

€ 265,16

€ 212,13

Per maand

- Trede 4

€ 176,76

€ 141,41

Per maand

- Waakvlam

€ 88,38

€ 70,71

Per maand

Daginvulling

 

 

 

- Trede 1

€ 1.503,16

€ 1.202,53

Per maand

- Trede 2

€ 1.033,41

€ 826,73

Per maand

- Trede 3

€ 657,63

€ 526,10

Per maand

- Trede 4

€ 289,35

€ 231,48

Per maand

- Toeleiding naar passende dagbesteding

€ 289,35

€ 231,48

Per maand

Ondersteuning en Regie bij het Huishouden (ORH)

 

 

 

- Trede 1

€ 724,75

€ 579,80

Per maand

- Trede 2

€ 481,26

€ 385,01

Per maand

- Trede 3

€ 401,06

€ 320,85

Per maand

- Trede 4

€ 358,08

€ 286,46

Per maand

- Trede 5

€ 272,14

€ 217,71

Per maand

- Aanvullend product wasverzorging

€ 100,26

€ 80,21

Per maand

- Maaltijdmaatwerkvoorziening

€ 21,46

€ 17,17

Per maaltijd

Opslag werkgeverslasten (SVB)

 

 

 

 

Als de budgethouder op basis van de SVB-richtlijnen verplicht is een reguliere arbeidsovereenkomst aan te gaan, worden de hierboven genoemde pgb-tarieven verhoogd met de wettelijke SVB-opslag van 22,71% voor de verschuldigde werkgeverslasten.

 

Overige pgb-tarieven

 

Type

Tarief

Eenheid

Kortdurend Verblijf (formeel)

€ 230,88

Per etmaal

Kortdurend Verblijf (informeel)

€ 184,70

Per etmaal

Vervoer naar dagbesteding (f)

€ 19,39

Per dag (2x)

Vervoer naar dagbesteding (i)

€ 15,51

Per dag (2x)

 

Algemene maatwerkvoorzieningen (Eigen bijdragen & Tarieven)

 

Maatwerkvoorziening

Bijdrage inwoner

Facturatie via

Basismaatwerkvoorziening HbH

€ 21,80*

CAK (Abonnementstarief)

Ontmoetingscentrum

€ 21,80*

CAK (Abonnementstarief)

Wasservice

€ 5,00 per waszak van 8 kilo

Rechtstreeks aan aanbieder

Regiotaxi (Wmo-tarief)

Opstap € 1,16 / Km € 0,201

Rechtstreeks aan vervoerder

* Of het op dat moment geldende wettelijke landelijke abonnementstarief.

 

Financiële tegemoetkomingen & Forfaitaire bedragen

 

Type vergoeding

Bedrag

Toelichting

Eigen vervoer (auto/taxi)

€ 465,00

Per jaar (€ 35,84 p.m.)

Verhuiskostenvergoeding

€ 3.000,00

Eenmalig forfaitair bedrag

Bezoekbaar maken woning

€ 5.000,00

Maximaal bedrag

Taxikosten *

€ 1.417,32

Per jaar (€ 118,10 p.m.)

Rolstoeltaxi *

€ 2.632,92

Per jaar (€ 219,41)

Sportmaatwerkvoorziening

Op basis van offerte

Maximaal eens per 3 jaar. Voor aanschaf en onderhoud.

*De financiële tegemoetkomingen voor (rolstoel)taxikosten zijn voor het kalenderjaar 2026 geïndexeerd op basis van de landelijke NEA-index van oktober 2025 (3,9%).

 

Sanering vloerbedekking

 

Leeftijd van het materiaal

Vergoeding (naar rato)

Opmerking/ Voorwaarde

Korter dan 2 jaar

100% van de kosten

Volledige vergoeding (tot maximumtarief)

2 tot 4 jaar

75% van de kosten

 

4 tot 6 jaar

50% van de kosten

 

6 tot 8 jaar

25% van de kosten

 

8 jaar of ouder

0% (geen vergoeding)

Beschouwd als regulier onderhoud

 

Maximale vergoeding: Vloerbedekking (bijv. vinyl/linoleum): Maximaal € 45,- per m2 (dit is inclusief de kosten voor het egaliseren en leggen). **

 

** Dit bedrag is gebaseerd op de landelijke normen uit de Nibud Prijzengids (Handboek Inrichting en Inventaris, editie 2026) voor een woninginrichting.

Naar boven