Gemeenteblad van Rijswijk
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijswijk | Gemeenteblad 2026, 306704 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijswijk | Gemeenteblad 2026, 306704 | beleidsregel |
Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning Rijswijk 2026
1.1 Doel en juridische positie
De gemeente Rijswijk wil dat iedere inwoner die dat nodig heeft, passende ondersteuning krijgt. De basis hiervoor is de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: de wet).
De gemeenteraad heeft de kaders voor de uitvoering van deze wet vastgelegd in de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Rijswijk 2025 (hierna: de verordening). In deze beleidsregels leggen wij uit hoe wij die verordening in de praktijk gebruiken bij het nemen van besluiten en de dagelijkse uitvoering van de ondersteuning.
Het doel van deze regels is tweeledig:
Gelijkheid: Het college behandelt gelijke gevallen op eenzelfde manier. Omdat de persoonlijke situatie en ondersteuningsbehoefte van iedere inwoner anders is, betekent gelijkheid in de Wmo vooral dat iedereen recht heeft op eenzelfde zorgvuldige en eerlijke afweging van zijn of haar omstandigheden. Deze beleidsregels bieden de Wmo-consulent de handvatten om die afweging eenduidig en voorspelbaar te maken.
Dit zorgt voor een proces waarbij de menselijke maat altijd het uitgangspunt is: we kijken naar wat er in de specifieke situatie van een inwoner nodig is binnen de kaders die voor iedereen gelden.
1.2 De rolverdeling: Hoe de regels samenwerken
De ondersteuning in Rijswijk rust op verschillende lagen die samen een trechter vormen. Elke stap in de trechter brengt ons dichter bij de dagelijkse praktijk: van de grote landelijke doelen naar de concrete beoordeling van een hulpvraag:
De beleidsregels: Dit is de meetlat die de Wmo-consulent naast de situatie van een inwoner legt. In dit document legt het college uit hoe we de persoonlijke omstandigheden wegen. Het geeft de nodige onderbouwing om op een eerlijke en eenduidige manier te bepalen waarom we in de ene situatie 'ja' zeggen en in de andere 'nee'.
Deze beleidsregels zijn altijd ondergeschikt aan de wet en de verordening. De regels dienen als leidraad voor de uitvoering, zodat iedere inwoner kan rekenen op een voorspelbare afweging.
1.3 Reikwijdte van de beleidsregels
Deze beleidsregels zijn van toepassing op alle meldingen en aanvragen voor ondersteuning op grond van de wet. In deze beleidsregels legt het college vast op welke wijze zij gebruikmaakt van haar bevoegdheid bij:
De beleidsregels richten zich uitsluitend op deze inhoudelijke afwegingen. Procesbeschrijvingen, werkinstructies, formats, voorbeeldsituaties en nadere uitvoeringsafspraken maken geen onderdeel uit van deze beleidsregels. Deze zijn opgenomen in het Handboek maatschappelijke ondersteuning (zie 1.5).
1.5 Handboek maatschappelijke ondersteuning
Ter ondersteuning van een zorgvuldige en consistente uitvoering maken de Wmo-consulenten gebruik van het ‘Handboek maatschappelijke ondersteuning’. In dit handboek is de vaste gedragslijn voor de dagelijkse praktijk uitgewerkt. Het biedt de Wmo-consulenten een professioneel kader om de werkzaamheden eenduidig uit te voeren.
Dit draagt bij aan de rechtsgelijkheid: door te werken volgens deze vaste gedragslijn, mogen inwoners erop vertrouwen dat hun situatie volgens dezelfde zorgvuldige stappen wordt beoordeeld en dat gelijke gevallen op eenzelfde manier worden behandeld.
Het handboek dient als praktische ondersteuning voor de uitvoering en is geen formeel juridisch kader. De persoonlijke situatie van de inwoner is altijd doorslaggevend. Wanneer de situatie daar om vraagt, wijkt de Wmo-consulent gemotiveerd af van de vaste gedragslijn om tot een passende oplossing te komen (de menselijke maat).
Het handboek bevat onder meer:
Hoofdstuk 2 – Uitgangspunten en leidende principes
2.1 Werken vanuit de bedoeling
De gemeente Rijswijk wil dat inwoners ondersteuning ervaren als één samenhangend geheel. Om dit te bereiken, werkt het college vanuit de bedoeling van de wet. De volgende drie principes zijn leidend voor elke afweging en besluitvorming binnen het sociaal domein en daarmee ook de wet:
Eigen kracht wordt gestimuleerd en de hand wordt gereikt waar nodig: Ondersteuning is er primair op gericht om de inwoner in hun eigen kracht te versterken. Het college luistert aandachtig en is duidelijk over wat zij wel en niet kan betekenen. Waar nodig neemt het college de regie over of wijst zij de weg naar andere passende oplossingen.
Er wordt actief samengewerkt: Hulpvragen stoppen niet bij de grenzen van de wet of van één loket. Het college zoekt actief de samenwerking op met andere domeinen en benut elkaars expertise. Een inwoner wordt pas 'losgelaten' wanneer vaststaat dat de ondersteuningsvraag door een andere partij of domein is overgenomen
Hoofdstuk 3 – De weg naar een besluit
In de wet en de verordening staan de spelregels voor het onderzoek en het besluit. In dit hoofdstuk leggen we uit hoe we dat onderzoek in de praktijk uitvoeren en op welke manier we uiteindelijk tot een besluit komen.
Iedere inwoner kan zich melden met een ondersteuningsvraag. Het college ziet de melding als het startpunt van een gezamenlijke verkenning.
Informatie- en medewerkingsplicht: Voor een zorgvuldige vaststelling van de feiten is het college afhankelijk van de inbreng van de inwoner. Van de inwoner wordt verwacht dat hij alle gegevens en documenten verstrekt die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag, voor zover hij deze zelf kan opvragen. Dit geldt ook voor informatie over de eigen kracht en het sociale netwerk.
3.4 Inzet van deskundig advies
Soms is er specifieke expertise nodig om de situatie van een inwoner goed te kunnen wegen. Als de Wmo-consulent de beperkingen of de noodzaak voor ondersteuning niet zelf objectief kan vaststellen (bijvoorbeeld op medisch of ergonomisch vlak), vraagt het college om advies aan een onafhankelijke deskundige.
Het onderzoek eindigt altijd met een schriftelijk verslag: het ondersteuningsplan. In de wet (artikel 2.3.2 lid 8 de wet) is vastgelegd dat de gemeente dit plan aan de inwoner verstrekt. Zo staat voor zowel de inwoner als de gemeente vast wat de uitkomsten van het onderzoek zijn.
Onderbouwing en advies: Het plan vormt de basis voor het uiteindelijke ondersteuningsaanbod. Hierin is precies te volgen welk advies is gegeven en welke keuzes er zijn gemaakt. Indien er een maatwerkvoorziening wordt ingezet, staat hierin beschreven om welke hulp het gaat en in welke omvang deze wordt geboden. Ook wordt duidelijk gemaakt hoe de gekozen oplossing bijdraagt aan het resultaat dat de inwoner wil bereiken.
Hoofdstuk 4 – Criteria voor een maatwerkvoorziening
Niet elke hulpvraag leidt automatisch tot een maatwerkvoorziening. In dit hoofdstuk beschrijft het college hoe we bepalen of een maatwerkvoorziening noodzakelijk en passend is voor de situatie van de inwoner. Daarnaast wordt beschreven hoe we de meest voordelige oplossing kiezen en hoe we omgaan met de gebruiksduur van hulpmiddelen.
Hoofdstuk 5 – Algemeen gebruikelijke maatwerkvoorzieningen
Een maatwerkvoorziening is een vangnet. Als een probleem opgelost kan worden met een maatwerkvoorziening die 'algemeen gebruikelijk' is, hoeft de gemeente geen maatwerkvoorziening te verstrekken. Algemeen gebruikelijke maatwerkvoorzieningen zijn maatwerkvoorzieningen die niet speciaal voor mensen met een beperking zijn en die een inwoner gewoon zelf kan kopen.
5.1 Toepassing van de criteria
Om te bepalen of een probleem opgelost kan worden met een maatwerkvoorziening die ‘algemeen gebruikelijk’ is, toetst het college de situatie aan de volgende vier criteria:
Financiële bereikbaarheid: De kosten van de maatwerkvoorziening kunnen worden gedragen door een inwoner met een inkomen op minimumniveau.
Meewegen van tweedehands aanbod: Bij de beoordeling of een voorziening financieel bereikbaar is, betrekt het college uitdrukkelijk ook de beschikbaarheid van de reguliere tweedehandsmarkt. Indien het product via gangbare en betrouwbare kanalen (zoals erkende dealers of speciaalzaken) tweedehands en in goede staat verkrijgbaar is voor een prijs die passend is bij een minimuminkomen, wordt de voorziening als financieel bereikbaar beschouwd.
5.2 De individuele belangenafweging
Ook als een maatwerkvoorziening volgens de algemene regels 'algemeen gebruikelijk' is, onderzoekt het college of er sprake is van een uitzonderlijke situatie. Hierbij geldt een strikte norm:
De maatstaf: We kijken in beginsel niet naar het persoonlijke inkomen van de inwoner, maar naar de vraag of de maatwerkvoorziening financieel kan worden gedragen door iemand met een inkomen op minimumniveau (het sociaal minimum). Is dat het geval? Dan wordt de maatwerkvoorziening in principe niet vergoed.
5.3 Richtinggevende voorbeelden
Ter verduidelijking van de norm 'algemeen gebruikelijk, beschouwt het college de volgende zaken in de huidige tijdgeest in ieder geval als algemeen gebruikelijk. Deze lijst is niet uitputtend en dient ter illustratie; ook andere maatwerkvoorzieningen kunnen op basis van de criteria zoals omschreven in 5.1 als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt.
Hoofdstuk 6 – Gebruikelijke hulp
Wanneer een inwoner met anderen in één huis woont, vormen zij samen een leefeenheid. Het uitgangspunt van de wet is dat huisgenoten elkaar helpen bij de normale dagelijkse taken. Dit noemen we ‘gebruikelijke hulp’. Het college onderzoekt op basis van artikel 4 van de verordening altijd eerst of de leefeenheid de belemmeringen zelf kan oplossen voordat er een maatwerkvoorziening wordt ingezet.
Medewerkingsplicht van huisgenoten
Om een zorgvuldig onderzoek te kunnen doen, zijn huisgenoten volgens de verordening verplicht om mee te werken. Dit betekent dat zij informatie geven over hun eigen situatie, werk en mogelijkheden, zodat het college kan beoordelen wat zij redelijkerwijs kunnen bijdragen aan het huishouden.
6.1 De norm voor gebruikelijke hulp
Gebruikelijke hulp is een objectieve norm. Dat betekent dat het college onderzoekt of een huisgenoot redelijkerwijs in staat is om de taken uit te voeren. Of iemand de taken wil doen of ze leuk vindt, speelt bij de beoordeling geen rol.
Bij het bepalen van wat iemand kan bijdragen, kijkt het college naar:
Praktische vaardigheden: Beschikt de huisgenoot over de nodige vaardigheden voor de specifieke taak? We verwachten bijvoorbeeld niet dat iemand de administratie of complexe planning overneemt als diegene daar door een beperking of structurele belemmering niet toe in staat is.
Let op: het niet gewend zijn om een taak uit te voeren (zoals koken of schoonmaken) is geen reden voor een maatwerkvoorziening; als iemand leerbaar is, wordt verwacht dat diegene deze vaardigheden aanleert.
Wanneer een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, wordt samen met de inwoner gekeken welke leveringsvorm het beste aansluit bij diens persoonlijke situatie en mogelijkheden.
In dit hoofdstuk wordt de uitvoering van artikel 8 en 11 van de verordening nader ingevuld.
7.2 Het persoonsgebonden budget (pgb):
Het pgb is bedoeld voor inwoners die zelf de regie willen voeren over hun ondersteuning. Het biedt de vrijheid om de hulp precies zo in te richten als men dat wenst, maar stelt ook eisen aan de zelfredzaamheid.
Het pgb is een bewuste keuze voor eigen regie. Het is met name geschikt voor inwoners met een specifieke hulpvraag die niet goed binnen het aanbod in natura past, of voor inwoners die vanuit een eigen overtuiging zelf hun hulpverleners willen selecteren.
7.2.2 Onderscheid immateriële en materiële maatwerkvoorzieningen
Bij de verstrekking van een pgb maakt de wet onderscheid tussen twee vormen van ondersteuning:
Immateriële maatwerkvoorzieningen (Begeleiding en Huishoudelijke hulp): Dit pgb wordt ingezet voor het inkopen van ondersteuning bij professionals of het sociale netwerk. De hoogte van het budget is gekoppeld aan de resultaatgebieden en tredes zoals beschreven in hoofdstuk 8 en de tarieven in hoofdstuk 11.
Materiële maatwerkvoorzieningen (Hulpmiddelen en woningaanpassingen): Dit pgb wordt gebruikt voor de aanschaf van een tastbaar middel. De hoogte van het budget wordt bepaald op basis van offertes of de prijs van een vergelijkbare maatwerkvoorziening in natura, inclusief een vergoeding voor onderhoud en verzekering (zie hoofdstuk 10).
Bij een pgb voor een immateriële maatwerkvoorziening stelt de inwoner een budgetplan op. Dit plan is voor het college hét middel om te beoordelen of het pgb veilig, rechtmatig en doelmatig wordt ingezet. De inwoner legt hierin uit waarom de keuze op een pgb valt en hoe de kwaliteit van de ondersteuning wordt bewaakt.
7.2.4 Beoordeling van pgb-vaardigheid
Het college beoordeelt de bekwaamheid van de inwoner (of diens vertegenwoordiger) op basis van de landelijke '10 punten voor pgb-vaardigheid' van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De inwoner of de gekozen pgb-vertegenwoordiger moet ten minste over deze kennis en vaardigheden beschikken om zelfstandig de zorg te kunnen inkopen, aansturen en verantwoorden.
Het college weigert de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb als er sprake is van gegronde twijfel over deze bekwaamheid, of wanneer sprake is van de volgende lokale uitsluitingsgronden:
Onafhankelijke vertegenwoordiging: Om de objectiviteit te bewaken, moeten het beheer van het pgb (de vertegenwoordiging) en de uitvoering van de zorg in de basis gescheiden zijn. De pgb-vertegenwoordiger mag daarom niet tegelijkertijd de uitvoerende zorgverlener zijn, noch een financiële relatie met de zorgaanbieder hebben.
Uitzondering (Maatwerk bij een smal netwerk): Enkel in zeer uitzonderlijke situaties kan het college gemotiveerd afwijken van deze scheiding tussen geld en zorg. Dit kan uitsluitend als de inwoner - de budgethouder een heel smal sociaal netwerk heeft, er aantoonbaar niemand anders beschikbaar is, én de beoogde pgb-vertegenwoordiger/zorgverlener een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad is van de inwoner. De Wmo-consulent toetst hierbij op drie punten:
7.2.5 Inzet van het sociale netwerk
Rijswijk waardeert de inzet van naasten, maar is terughoudend met betaling uit een pgb voor hulp die normaal gesproken 'gebruikelijk' is (zie Hoofdstuk 6). De focus ligt op de continuïteit van de zorg en het voorkomen van overbelasting van de naaste.
In de gemeente Rijswijk werken we met het systeem van trekkingsrecht via de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Dit betekent dat het pgb-bedrag niet op de rekening van de inwoner wordt gestort, maar bij de SVB klaarstaat voor de betaling van ingediende declaraties. Door te werken met declaraties op basis van feitelijk geleverde ondersteuning, behoudt de inwoner de regie en wordt voorkomen dat er budget wordt uitgekeerd wanneer er door bijvoorbeeld vakantie of ziekte geen hulp is verleend.
Regels rondom het maandloonmodel
Het is in de basis niet toegestaan om een vast maandsalaris af te spreken met een zorgverlener. Betaling vindt uitsluitend plaats op basis van de feitelijk gewerkte uren of dagdelen.
Alleen in zeer uitzonderlijke situaties kan het college toestemming geven voor een maandloonmodel. Hierbij moet aan alle volgende voorwaarden worden voldaan:
Voor specifieke maatwerkvoorzieningen verstrekt het college een financiële tegemoetkoming. Dit zijn forfaitaire (vaste) bedragen waarmee de inwoner zelf de oplossing realiseert. Door te werken met vaste bedragen blijven de administratieve lasten voor de inwoner zo laag mogelijk; er hoeven geen bewijsstukken of facturen ingeleverd te worden. Het college vertrouwt erop dat de inwoner de tegemoetkoming besteedt aan het doel waarvoor deze is verstrekt.
Hoofdstuk 8 – Immateriële maatwerkvoorzieningen (diensten)
Dit hoofdstuk beschrijft de maatwerkvoorzieningen waarbij zorgverleners worden ingezet om de inwoner te ondersteunen. In de regio H5 (Rijswijk, Delft, Midden-Delfland, Westland en Pijnacker-Nootdorp) werken we met een specifieke systematiek om dit te organiseren.
8.1 Resultaatgericht indiceren
Alle ondersteuning in dit hoofdstuk wordt resultaatgericht geïndiceerd volgens de regionale H5-systematiek. Dit betekent dat niet de tijd (uren), maar het te behalen resultaat centraal staat.
De Tredes: Om de zwaarte van de ondersteuning te bepalen, wordt gebruikgemaakt van vijf niveaus ('tredes'). Hoe complexer de situatie of hoe groter de overname van taken, hoe zwaarder de trede. Rijswijk hanteert een schaal waarbij trede 1 de zwaarste en trede 5 de lichtste ondersteuning betreft. Aan elke trede is een vast maandtarief gekoppeld. Dit tarief stelt de aanbieder in staat om het resultaat binnen de betreffende trede te behalen, ongeacht het aantal uren dat hiervoor feitelijk wordt ingezet.
Soms is er naast de ondersteuning uit 8.2 en 8.3 een aanvullend resultaat nodig. Het college volgt hierbij de regionale H5-systematiek. De belangrijkste kaders zijn:
Maaltijdmaatwerkvoorziening Het aanschaffen en/of het thuisbezorgen van maaltijden (zoals een maaltijdservice of kant-en-klaarmaaltijden) is in de basis algemeen gebruikelijk. Een aanvullend maatwerkresultaat is alleen mogelijk wanneer de inwoner hulp nodig heeft bij:
Uitzondering (Koken bij medische noodzaak): Alleen in zeer uitzonderlijke situaties, waarin objectief is vastgesteld dat een kant-en-klaarmaaltijd of reguliere maaltijdservice aantoonbaar géén oplossing biedt, kan ondersteuning bij het koken van een warme maaltijd worden ingezet. Dit is uitsluitend aan de orde als er sprake is van een dwingende, medische noodzaak (zoals een complex medisch dieet of ernstige allergie) waardoor de maaltijd uitsluitend vers en op maat bereid kan worden.
Kindzorg: Tijdelijke ondersteuning bij de verzorging en opvang van gezonde kinderen (tot 12 jaar) bij plotselinge, acute uitval van de ouder(s) of verzorger(s).
Tijdelijk karakter (in beginsel 3 maanden): Deze maatwerkvoorziening is nadrukkelijk bedoeld als kortdurende overbrugging. Van de ouders/verzorgers wordt verwacht dat zij deze periode actief benutten om te zoeken naar een structurele, eigen oplossing (zoals de inzet van het sociale netwerk, kinderopvang of buitenschoolse opvang).
Toetsing bij uitstroom: Voordat de voorziening na de indicatieperiode wordt beëindigd, toets de Wmo-consulent actief of de situatie stabiel is en of er daadwerkelijk een passend en veilig alternatief is gevonden. Indien dit door aantoonbare overmacht nog niet is gelukt, kan de voorziening gemotiveerd en kortstondig worden verlengd om het gat naar de structurele oplossing te overbruggen.
8.5 Ontmoetingscentra en Kortdurend verblijf
Om mantelzorgers te ondersteunen en te voorkomen dat zij overbelast raken, biedt de gemeente verschillende mogelijkheden. We vinden het belangrijk dat mantelzorgers de zorg voor hun naaste volhouden. In Rijswijk zetten we daarom in op de volgende twee vormen van respijtzorg:
Ontmoetingscentra (Algemene voorziening)
De ontmoetingscentra zijn specifiek bedoeld voor inwoners met (beginnende) dementie en hun mantelzorgers.
Kortdurend verblijf (Maatwerkvoorziening)
Kortdurend verblijf (logeren) is een tijdelijke of periodieke overname van de volledige zorg om de mantelzorger te ontlasten. Dit is alleen aan de orde als de inwoner permanent toezicht/ aansturing nodig heeft dat niet op een andere manier kan worden opgelost.
Wanneer de ondersteuningsbehoefte zo groot wordt dat de algemene maatwerkvoorziening (zoals het ontmoetingscentrum) niet meer voldoende is, onderzoekt de Wmo-consulent of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Hierbij wordt getoetst aan de Wet langdurige zorg (Wlz).
8.6 Leveringsvorm pgb bij immateriële voorzienigen
De resultaten en tredes zoals beschreven in dit hoofdstuk kunnen zowel in natura als via een pgb worden behaald. Wanneer de inwoner kiest voor een pgb, gelden de algemene voorwaarden en bekwaamheidseisen uit hoofdstuk 7.2.
De hoogte van het budget wordt voor de verschillende resultaatgebieden en tredes vastgesteld op basis van de tarieven voor formele of informele hulp, zoals vastgelegd in de financiële bepalingen (zie hoofdstuk 11.2).
Hoofdstuk 9 – Beschermd wonen en opvang
De maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en opvang worden in regionaal verband uitgevoerd. In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de toegang tot deze maatwerkvoorzieningen voor inwoners van Rijswijk is geregeld.
Beschermd wonen is bedoeld voor inwoners met psychische of psychosociale problemen die (tijdelijk) niet volledig zelfstandig kunnen wonen. Zij hebben behoefte aan een veilige woonomgeving met 24 uur per dag toezicht.
Wachttijdevaluatie: De Wmo-consulent voert periodiek overleg met de inwoner om te evalueren of de situatie stabiel is. Als de zorgvraag wijzigt of de situatie verslechtert, beoordeelt de Wmo-consulent of de overbruggingszorg moet worden aangepast of dat er (bij de centrumgemeente Den Haag) een heroverweging van de urgentie noodzakelijk is.
Hoofdstuk 10 – Materiële maatwerkvoorzieningen
Dit hoofdstuk bevat de regels voor tastbare maatwerkvoorzieningen (hulpmiddelen, vervoersmiddelen en woonmaatwerkvoorzieningen).
10.1 Leveringsvormen en beheer
Een inwoner heeft de keuze tussen een verstrekking in ZIN of pgb, mits wordt voldaan aan de criteria zoals beschreven in Hoofdstuk 7 van deze beleidsregels. Wie verantwoordelijk is voor het onderhoud, de reparaties en de verzekering, hangt af van de gekozen leveringsvorm.
Bij de keuze voor een maatwerkvoorziening in natura bepaalt het college op basis van doelmatigheid de verstrekkingsvorm. We maken hierbij onderscheid tussen losse hulpmiddelen en bouwkundige (nagelvaste) aanpassingen:
Bouwkundige en nagelvaste aanpassingen: Aanpassingen die vastzitten aan de woning (behalve trapliften, zoals een badkamer- of keukenaanpassing), worden nooit in bruikleen verstrekt. Deze worden na oplevering direct eigendom van de huiseigenaar. De gemeente is daarna niet verantwoordelijk voor het onderhoud of de reparatie hiervan.
10.1.2 Persoonsgebonden budget (pgb)
Als de inwoner kiest voor een pgb om zelf een hulpmiddel of woningaanpassing aan te schaffen, gelden de volgende regels voor de vaststelling van de hoogte van het budget:
Onderhoud, reparatie en verzekering hulpmiddelen: Het college neemt in de beschikking een jaarlijks budget op voor deze kosten; dit bedrag is gemaximeerd op 10% van het door de gemeente beschikbaar gestelde pgb-aanschafbudget (de tegenwaarde van de natura-voorziening). Eventuele extra onderhouds- of reparatiekosten door een luxere, eigen bijbetaalde voorziening komen volledig voor rekening van de inwoner.
10.2 Zorgvuldig gebruik en verzekering
De gemeente stelt kostbare hulpmiddelen en aanpassingen ter beschikking om de zelfredzaamheid van inwoners te ondersteunen. Wij gaan er daarom vanuit dat de inwoner hier zorgvuldig mee omgaat.
10.3 Inleveren en verwijderen van maatwerkvoorzieningen
Wanneer een maatwerkvoorziening niet meer wordt gebruikt, bijvoorbeeld door verhuizing of overlijden, gelden de volgende regels voor het verwijderen van het hulpmiddel of de aanpassing:
10.3.1 Maatwerkvoorzieningen in bruikleen (ZIN)
Omdat de gemeente de eigenaar blijft van deze hulpmiddelen, moeten deze bij beëindiging worden ingeleverd.
Herstel van de woning: De kosten voor het volledig in de oude staat terugbrengen van de woning (zoals het dichtmaken van gaten, herstellen van vloerbedekking of schilderwerk) komen niet voor rekening van de gemeente. Dit is de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de woning (de inwoner of de verhuurder).
10.4 Woonmaatwerkvoorzieningen
Het doel van een woonmaatwerkvoorziening is dat de inwoner normaal kan functioneren in en om de woning. Dit betreft de basisfuncties: o.a. slapen, lichaamsreiniging, het bereiden en nuttigen van maaltijden en het veilig betreden van en het verplaatsen binnen de woning.
10.4.1 Het primaat van verhuizen
Wanneer een woning door beperkingen niet meer geschikt is voor de inwoner, onderzoekt het college wat de meest passende en duurzame oplossing is. Er wordt een afweging gemaakt tussen het aanpassen van de huidige woning en een verhuizing naar een woning die al geschikt is. Wanneer de kosten voor de noodzakelijke woningaanpassing hoger zijn dan € 10.000, -, is verhuizing in de basis de voorliggende oplossing.
Bij deze afweging houdt het college altijd rekening met:
Indien verhuizen op basis van dit primaat de gekozen oplossing is, ontvangt de inwoner een vaste (forfaitaire) tegemoetkoming van € 3.000, - voor de verhuizing en herinrichting.
Rijswijk stimuleert inwoners met een beginnende ondersteuningsbehoefte of een progressieve aandoening om tijdig naar een passende woning te verhuizen. Door te verhuizen nog vóórdat een situatie acuut wordt, behoudt de inwoner de regie en worden ingrijpende aanpassingen op een later moment voorkomen. Een besluit voor preventief verhuizen is 36 maanden geldig.
Om voor een tegemoetkoming bij preventief verhuizen in aanmerking te komen, voert de Wmo-consulent een check uit op de volgende punten:
Verwachte beperking: Er is een medische onderbouwing of een duidelijke constatering dat de huidige woning door de fysieke situatie van de inwoner binnen afzienbare tijd (richtlijn 24 tot maximaal 36 maanden) ontoegankelijk wordt. Als er sprake is van een progressief ziektebeeld, kan de Wmo-consulent gemotiveerd afwijken van deze maximale termijn als nu al vaststaat dat de woning in de toekomst ongeschikt wordt.
Geschiktheid nieuwe woning: De nieuwe woning moet 'leeftijdsadequaat' of levensloopbestendig zijn. Dit betekent dat de woning drempelloos is en dat essentiële functies (wassen, slapen, koken) op de begane grond of per lift bereikbaar zijn en dat er—indien van toepassing—een geschikte en bereikbare stallingsmogelijkheid is voor hulpmiddelen (zoals een scootmobiel of rolstoel).
10.4.3 Eigen verantwoordelijkheid bij verhuizing
Van inwoners die verhuizen, wordt verwacht dat zij zelf zoeken naar een woning die zo geschikt mogelijk is voor hun (toekomstige) situatie. Het college weigert een woningaanpassing in de nieuwe woning in de volgende situaties:
Keuze voor een ongeschikte woning: Als een inwoner met een bekende ondersteuningsbehoefte verhuist naar een woning die niet geschikt of eenvoudig aan te passen is, worden achteraf geen zware aanpassingen vergoed.
Omkering van de bewijslast: Verhuist een inwoner met een ondersteuningsbehoefte zonder vooraf afstemming te zoeken of toestemming te vragen aan het college? Dan ligt de bewijslast bij de inwoner. De inwoner moet in dat geval met controleerbare gegevens zelf aannemelijk maken dat er op dat moment geen andere, geschikte woning beschikbaar was in de markt.
10.4.4 Bezoekbaar maken en dubbel hoofdverblijf
In Rijswijk vinden we het belangrijk dat inwoners met een beperking deel kunnen blijven uitmaken van hun sociale omgeving. Afhankelijk van de situatie maken we onderscheid tussen het 'bezoekbaar' maken van een woning en het ondersteunen van kinderen in een co-ouderschapssituatie.
Wanneer een inwoner permanent in een instelling verblijft (Wlz), kan het college ondersteuning bieden om één woning in Rijswijk bezoekbaar te maken. Dit is doorgaans de woning van ouders of naaste familieleden.
Het bezoekbaar maken is beperkt tot de essentie die nodig is om deel te kunnen nemen aan het gezinsleven. Dit betekent dat de inwoner:
Er worden via deze regeling geen aanpassingen gedaan voor het slapen of het douchen in de betreffende woning. De maximale tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken is € 5.000, -.
Co-ouderschap (Dubbel hoofdverblijf)
Voor minderjarige inwoners met een beperking die na een echtscheiding bij beide ouders wonen, kan er sprake zijn van een dubbel hoofdverblijf. In deze situatie moet de tweede woning niet alleen bezoekbaar, maar ook bewoonbaar zijn. Dit houdt in dat de inwoner er ook moet kunnen slapen en zichzelf moet kunnen wassen.
Om in aanmerking te komen voor ondersteuning bij een tweede hoofdverblijf, gelden de volgende voorwaarden:
Juridische basis: De zorgregeling is officieel vastgelegd, bijvoorbeeld in een door de rechter bekrachtigd ouderschapsplan. De gemeente waar de minderjarige in de BRP staat ingeschreven is verantwoordelijk voor de noodzakelijke aanpassingen, ook als de woning van de andere ouder in een andere gemeente ligt.
Maatwerk en omvang (Wonen en Vervoer)
Woning: Bij een dubbel hoofdverblijf is de grens van € 5.000, - voor bezoekbaar maken niet van toepassing. De Wmo-consulent onderzoekt welke aanpassingen medisch noodzakelijk zijn om het verblijf in beide woningen mogelijk te maken. Hierbij wordt altijd eerst gekeken naar de goedkoopst adequate oplossing, zoals de inzet van losse (verplaatsbare) hulpmiddelen in plaats van vaste bouwkundige aanpassingen.
Vervoer (o.a. autoaanpassingen): Indien er voor het vervoer bij de andere ouder een aanpassing noodzakelijk is, onderzoekt het college altijd eerst of de reeds aanwezige maatwerkvoorziening (bijvoorbeeld de aangepaste auto van de hoofdhuisvesting) gedeeld of logistiek ingezet kan worden. Een tweede individuele (auto)aanpassing wordt enkel overwogen als delen aantoonbaar onmogelijk is én dit de goedkoopst adequate oplossing blijkt te zijn in vergelijking met alternatieven (zoals taxivervoer).
10.4.5 Woonsanering (Allergie)
In uitzonderlijke situaties kan woonsanering worden ingezet als maatwerkvoorziening. Dit is aan de orde wanneer er een objectief vastgestelde medische noodzaak is (zoals een ernstige allergie of longaandoening), waarbij sanering de enige adequate oplossing is om de woning normaal te kunnen gebruiken.
Om te bepalen of een maatwerkvoorziening voor woonsanering noodzakelijk is, toetst het college de aanvraag aan de volgende kaders:
Effectiviteit en omgevingsfactoren: Sanering wordt alleen ingezet als omgevingsfactoren het resultaat niet tenietdoen. Een aanvraag wordt afgewezen als de effectiviteit van de sanering vooraf al wordt verhinderd door factoren zoals roken in de woning, of door de aanwezigheid van harige of gevederde huisdieren die een dusdanige impact hebben op de luchtkwaliteit dat de sanering aantoonbaar niet doelmatig is.
Bij het vaststellen van de hoogte van de tegemoetkoming hanteert het college de volgende uitgangspunten:
Algemeen gebruikelijk: De beoordeling of de vervanging van materialen (zoals vloerbedekking of gordijnen) als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd, vindt plaats op basis van de criteria in hoofdstuk 5. Indien de materialen naar algemeen maatschappelijke opvattingen gangbaar zijn en de kosten hiervoor gedragen kunnen worden door een inwoner met een inkomen op minimumniveau, wordt er geen maatwerkvoorziening verstrekt.
Individuele uitzondering: Indien de inwoner aantoont dat hij door aantoonbare onvoorziene omstandigheden niet heeft kunnen reserveren voor vervanging, én de kosten voor vervanging op minimumniveau niet zelf gedragen kunnen worden, kan het college besluiten om alsnog een (gedeeltelijke) maatwerkvoorziening te verstrekken. Dit is enkel aan de orde wanneer het uitblijven van ondersteuning ertoe leidt dat de inwoner niet meer op een gezonde wijze gebruik kan maken van de woning.
Het college is verantwoordelijk voor een passende oplossing die de belemmeringen daadwerkelijk wegneemt.
Ondersteuning bij uitvoering: Wanneer de inwoner aantoont de uitvoering niet zelf te kunnen organiseren of financieren, en er geen hulp vanuit het sociaal netwerk beschikbaar is, kan het college ondersteuning bieden bij de noodzakelijke uitvoeringskosten. Dit is noodzakelijk om te waarborgen dat het beoogde resultaat (een gezonde woonomgeving) daadwerkelijk wordt behaald.
Het college biedt ondersteuning bij het lokaal verplaatsen wanneer de inwoner hierin beperkingen ervaart. Het doel is dat de inwoner zelfstandig of met hulp van de sociale omgeving de dagelijkse levensverrichtingen kan uitvoeren en medemensen kan ontmoeten.
10.5.1 Collectief vervoer (De Regiotaxi)
In Rijswijk is de Regiotaxi de eerste oplossing waar we naar kijken als de inwoner zich niet meer zelfstandig kan verplaatsen. Dit noemen we 'het primaat van collectief vervoer'.
10.5.2 Individuele maatwerkvoorzieningen en combinaties
Wanneer het collectief vervoer niet passend of niet toereikend is voor de vervoersbehoefte, kan een individuele vervoersmaatwerkvoorziening worden verstrekt. Bij de beoordeling hiervan geldt het uitgangspunt van eigen kracht: indien de inwoner beschikt over een eigen auto (of wanneer deze structureel beschikbaar is binnen het netwerk), wordt gewogen in hoeverre dit al voorziet in de (bovenlokale) vervoersbehoefte.
Combinatieregeling: Wanneer een inwoner naast een vervoerspas ook een andere individuele maatwerkvoorziening heeft (zoals een scootmobiel of driewielfiets) of in het bezit is van een eigen auto, wordt het kilometerbudget voor de Regiotaxi in beginsel beperkt tot 50% (750 kilometer per jaar). Het college gaat ervan uit dat een aanzienlijk deel van de vervoersbehoefte hiermee wordt ingevuld.
Financiële tegemoetkoming eigen auto: Als de inwoner door medische belemmeringen aantoonbaar geen gebruik kan maken van de Regiotaxi, maar wel over een eigen auto beschikt, kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt voor de variabele kosten (op basis van de Nibud Prijzengids 2026, tot max. 1500 km per jaar).
Individueel (rolstoel)taxivervoer: In uitzonderlijke medische situaties waarbij reizen met een collectief systeem (met medereizigers) aantoonbaar onmogelijk is, kan een financiële tegemoetkoming voor individueel taxivervoer worden verstrekt. Als de inwoner voor zijn vervoer afhankelijk is van een rolstoel, wordt dit budget gebaseerd op de tarieven voor een rolstoeltaxi.
10.5.3 Scootmobiel: Aanvullende criteria
Voor de verstrekking van een scootmobiel als maatwerkvoorziening gelden, naast de algemene criteria voor mobiliteit, de volgende specifieke voorwaarden:
Vervoersbehoefte en loopafstand: De inwoner heeft een substantiële en frequente vervoersbehoefte in de directe nabijheid van de woning (tot circa 5 kilometer). Er is sprake van een dusdanig beperkte loopafstand dat de inwoner niet zelfstandig de dagelijkse bestemmingen kan bereiken. Voor incidenteel vervoer of vervoer over langere afstanden wordt in beginsel verwezen naar de Regiotaxi.
Stallingsmogelijkheid: Er dient een veilige, overdekte stallingsplek met oplaadmogelijkheid aanwezig te zijn die voldoet aan de geldende brandveiligheidseisen. Indien een geschikte stalling ontbreekt, onderzoekt de gemeente of deze met redelijke aanpassingen gerealiseerd kan worden. Als er feitelijk geen veilige stallingsmogelijkheid gecreëerd kan worden, kan de maatwerkvoorziening worden geweigerd om veiligheidsrisico’s (zoals brandgevaar in vluchtwegen) te voorkomen.
Verkeersveiligheid: De inwoner moet fysiek en cognitief in staat zijn om het hulpmiddel veilig te bedienen in het verkeer. Om dit objectief vast te stellen, kan het college een rijvaardigheidstest of een medisch advies verplicht stellen. Indien nodig kan een training worden ingezet als onderdeel van de maatwerkvoorziening.
Een tegemoetkoming voor de aanpassing van een eigen auto is een uitzondering binnen de Wmo. In de basis wordt voor de vervoersbehoefte verwezen naar het collectief vervoer (Regiotaxi). Een auto-aanpassing kan echter worden overwogen wanneer collectief vervoer of andere individuele maatwerkvoorzieningen (zoals een scootmobiel) niet leiden tot een passend resultaat.
Bij de beoordeling van een aanvraag voor een auto-aanpassing hanteert het college de volgende criteria:
Noodzaak en passendheid: De aanpassing wordt overwogen als de inwoner door medische beperkingen geen gebruik kan maken van de Regiotaxi, óf wanneer de specifieke vervoersbehoefte (bijvoorbeeld in een gezinssituatie met een minderjarig kind met een beperking) door het collectief vervoer niet op een passende wijze kan worden ingevuld.
Omdat een auto-aanpassing een kapitaalintensieve investering is, stelt de gemeente eisen aan het voertuig om de duurzaamheid van de oplossing te waarborgen:
De tegemoetkoming is beperkt tot de noodzakelijke meerkosten van de aanpassing die direct gerelateerd is aan de beperking. Regulier onderhoud of algemeen gebruikelijke kosten van het autobezit komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Een rolstoel is bedoeld voor inwoners die zich door een beperking niet meer te voet kunnen verplaatsen in en om de woning.
Tijdelijk of incidenteel gebruik: Voor incidenteel gebruik (zoals een dagje uit of een ziekenhuisbezoek) wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt. Inwoners kunnen hiervoor gebruikmaken van algemene maatwerkvoorzieningen, zoals de leenservice van de thuiszorgwinkel of rolstoelpools bij publieke locaties.
10.7 Sportmaatwerkvoorzieningen
De gemeente Rijswijk stimuleert participatie. Een sportmaatwerkvoorziening kan als maatwerkvoorziening worden verstrekt wanneer een inwoner zonder specifiek hulpmiddel niet kan deelnemen aan sportieve activiteiten en daardoor beperkt wordt in de maatschappelijke participatie.
Bij de beoordeling van een aanvraag toetst het college of de maatwerkvoorziening noodzakelijk is om een aanvaardbaar niveau van participatie te bereiken:
Aanvaardbaar niveau: Het doel van de Wmo is het bereiken van een basisniveau van participatie (medemensen ontmoeten en deelnemen aan de samenleving), niet het voldoen aan alle persoonlijke wensen. Het college toetst hierbij of de inwoner zonder het sporten in een sociaal isolement dreigt te raken. Indien de inwoner al via andere wegen (zoals dagbesteding, werk, vrijwilligerswerk of andere hulpmiddelen) voldoende sociale contacten heeft en buitenshuis participeert, kan de sportmaatwerkvoorziening worden geweigerd.
De inwoner heeft de keuze tussen een verstrekking in natura (ZIN) of een persoonsgebonden budget (pgb):
Financiële tegemoetkoming: Om de inwoner de ruimte te geven voor specifieke maatvoering en technische eisen, kan het college een financiële tegemoetkoming verstrekken. De hoogte hiervan wordt vastgesteld op basis van minimaal twee door de Wmo-consulent goedgekeurde offertes. Na toekenning wordt het bedrag rechtstreeks aan de inwoner uitgekeerd. De inwoner wordt zelf eigenaar en is volledig verantwoordelijk voor de aanschaf, het onderhoud en eventuele reparaties binnen de vastgestelde levensduur.
Termijn en technische levensduur
Het college hanteert de volgende richtlijnen voor de gebruiksduur van sportmaatwerkvoorzieningen:
HOOFDSTUK 11 – Financiële bepalingen
Een inwoner is voor de meeste maatwerkvoorzieningen een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd. Deze wordt vastgesteld en geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK).
Algemene voorzieningen: Voor algemene voorzieningen met een duurzame hulpverleningsrelatie loopt de eigen bijdrage via het wettelijke abonnementstarief van het CAK. Voor overige algemene voorzieningen (zonder duurzame relatie) betaalt de inwoner een rechtstreekse bijdrage aan de aanbieder (conform artikel 15 van de verordening).
Bijlage 1 – Tarieventabel Wmo Rijswijk 2026
Deze tarieven gelden vanaf 01/07/2026. Alle pgb-tarieven voor diensten zijn gebaseerd op een percentage van het natura-tarief (100% voor formeel, 80% voor informeel).
Maatwerkvoorzieningen: Diensten (Begeleiding & ORH)
De tarieven worden per maand verstrekt, tenzij anders aangegeven.
Algemene maatwerkvoorzieningen (Eigen bijdragen & Tarieven)
* Of het op dat moment geldende wettelijke landelijke abonnementstarief.
Financiële tegemoetkomingen & Forfaitaire bedragen
*De financiële tegemoetkomingen voor (rolstoel)taxikosten zijn voor het kalenderjaar 2026 geïndexeerd op basis van de landelijke NEA-index van oktober 2025 (3,9%).
Maximale vergoeding: Vloerbedekking (bijv. vinyl/linoleum): Maximaal € 45,- per m2 (dit is inclusief de kosten voor het egaliseren en leggen). **
** Dit bedrag is gebaseerd op de landelijke normen uit de Nibud Prijzengids (Handboek Inrichting en Inventaris, editie 2026) voor een woninginrichting.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-306704.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.