Gemeenteblad van De Bilt
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| De Bilt | Gemeenteblad 2026, 306188 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| De Bilt | Gemeenteblad 2026, 306188 | beleidsregel |
Uitvoering- & Handhavingstrategie De Bilt 2026 – 2030 (Vergunningverlening, Toezicht & Handhaving)
Dit document is onze U&H-strategie voor de Uitvoerings- (Vergunningverlening & Toezicht) en Handhavingstaken. Deze U&H-strategie is een actualisering van ons huidige beleid, de Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2023-2027 die wij op 19 december 2023 hebben vastgesteld. Op basis van de wijzigingen in wet- en regelgeving, de evaluatie van het oude beleid en de beoordeling van het Interbestuurlijk Toezicht van de Provincie Utrecht (IBT) hebben wij ons beleid geactualiseerd. Dit resulteert in de U&H-strategie De Bilt 2026 - 2030 (hierna: ‘de strategie’). In deze strategie leggen we de basis vast voor hoe wij onze beleids- en uitvoeringstaken op het gebied van Uitvoering (Vergunningverlening & Toezicht) en Handhaving in de komende vier jaar wensen uit te voeren.
In deze strategie bundelen we de essenties van de beleidsdoelen van het landelijke, regionale en gemeentelijke beleid voor de fysieke leefomgeving. Vanuit deze beleidsdoelen én vanuit een uitgevoerde omgevingsanalyse komen we tot concrete U&H-doelen die doorwerken in de feitelijke uitvoering van onze U&H-taken.
De strategie geeft weer hoe wij de komende vier jaar samen met onze inwoners, ondernemers en onze samenwerkingspartners ervoor willen zorgen dat de fysieke leefomgeving in onze gemeente veilig, gezond, leefbaar en duurzaam blijft en waar mogelijk verbeterd wordt. Deze strategie biedt transparantie over wat wij bij het uitvoeren van onze U&H-taken als gemeente doen, waarom we dit doen, welke keuzes we hierbij maken en hoe we dit hebben georganiseerd. Wij willen hiermee bereiken dat voor iedereen in onze gemeente helder en duidelijk is hoe wij invulling en uitvoering (willen) geven aan onze U&H-taken. Duidelijkheid en transparantie over de strategie en de uitvoering ervan draagt namelijk bij aan meer begrip en draagvlak bij diegenen die hiermee te maken krijgen.
Met deze nieuwe strategie, een jaarlijks uitvoeringsprogramma en een jaarlijkse evaluatie geven wij invulling aan de wettelijk verplichte beleids- en uitvoeringscyclus (zie figuur 1).
Deze strategie heeft betrekking op de wettelijke U&H-taken die een relatie hebben met de fysieke leefomgeving. Het gaat om alle taken en activiteiten binnen de fysieke leefomgeving waar een vergunningen-, toezicht- en/of handhavingscomponent aan vastzit. Denk bijvoorbeeld aan: bouwactiviteiten, gebruiksactiviteiten in relatie tot het omgevingsplan, erfgoed (monumenten), volkshuisvesting etc. Voor de gedetailleerde uiteenzetting van het wettelijk kader verwijzen wij naar het U&H-Bijlagenboek.
De U&H-taken die per 1 januari 2026 door de Omgevingsdienst Utrecht worden uitgevoerd vallen niet binnen het kader van deze strategie. Onze strategie voor de uitvoering van onze (verplichte) milieutaken is opgenomen in de ‘U&H-strategie regio Utrecht 2026’ voor milieutaken. Deze is op 14 oktober 2025 vastgesteld en trad in werking in op 1 januari 2026. De geplande aanpak en uitvoering van de brandveiligheidstaken wordt jaarlijks besproken en vastgelegd in een afzonderlijk (jaar)plan van de Veiligheidsregio Utrecht (VRU).
Aanpassingen op basis van evaluatie en beoordeling IBT
Op basis van onze oude Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2023-2027 en de ervaringen die we hiermee hebben opgedaan, alsmede ook op basis van de beoordeling van het Interbestuurlijk toezicht van de Provincie Utrecht (IBT) hebben we een verbeterplan opgesteld en zijn we aan het werk gegaan met het actualiseren van onze strategie. Hierbij hebben we onderscheid gemaakt in beleidsaanpassingen voor vergunningverlening, toezicht en handhaving.
Evaluatie van de doelstellingen
Ook als het gaat om onze doelstellingen hebben we aanpassingen doorgevoerd. Voor de komende periode houden we in eerste instantie vast aan de genoemde doelstellingen uit onze oude U&H-strategie 2023-2027. Deze laten we in eerste instantie nog niet (helemaal) los. We hopen namelijk over een aantal jaren een goed beeld te krijgen van of en in hoeverre we deze doelstellingen hebben bereikt. Hierbij is het nodig dat we Rx.Mission goed inrichten en gebruiken. Naast deze doelstellingen stellen we in paragraaf 4.2 en 4.3 nog een aantal nieuwe doelstellingen voor die gerelateerd zijn aan de prioriteiten uit onze voorgaande U&H-strategie, mede ook op basis van de opmerkingen hierover van het IBT. De beleidsevaluatie lichten we verder toe in het U&H-Bijlagenboek.
In tegenstelling tot vorige versies van onze strategie is dit geen uitgebreid en lijvig document, maar een bondig en zo beeldend mogelijk weergegeven document waarin we alleen de belangrijkste (strategische) onderdelen op hoofdlijnen weergeven. De concrete uitwerking en vertaling van onze Strategie naar de uitvoeringspraktijk wordt beschreven in onze jaarlijkse Uitvoeringsprogramma’s (UVP). De verslaglegging over en evaluatie van de daadwerkelijke uitvoering van onze U&H-taken vindt jaarlijks plaats in de U&H-evaluatierapportage. De meer gedetailleerde uitwerking(en) en toelichting(en) op deze genoemde documenten en onderdelen hiervan beschrijven wij in het U&H-bijlagenboek.
Onze missie, als het gaat om de uitvoering van onze U&H-taken:
|
Zorgen voor het behouden of verbeteren van een gezonde, duurzame en veilige fysieke leefomgeving, waar iedereen aan bijdraagt en meedoet. |
Bij onze missie formuleren wij een aantal ambities die wij graag willen realiseren. Deze ambities zijn gerelateerd aan de doelstellingen die wij hanteren voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (H4). Onze ambities zijn niet zo gemakkelijk meetbaar, wij verwachten echter wel dat de geformuleerde doelstellingen voor vergunningverlening, toezicht en handhaving bijdragen aan het verwezenlijken van onze ambities. Het betreft de volgende ambities:
3 Omgevingsanalyse & Prioriteiten
De omgevingsanalyse is een instrument dat we hebben toegepast om een zo goed en volledig mogelijk beeld te krijgen van de problemen en/of risico’s binnen onze (toekomstige) ‘omgeving’, zodat we op basis hiervan onze beleidskeuzes en -richting kunnen bepalen. Met de (toekomstige) ‘omgeving’ bedoelen we de omgeving binnen onze gemeente in de meest brede zin, het gehele grondgebied (fysieke leefomgeving) met al haar kenmerken (gebouwen, bewoners/bedrijven/instellingen, natuur etc.) waarvan we (niet) weten of en in hoeverre hier sprake is van risico’s en/of risicovolle activiteiten en/of ontwikkelingen. De Omgevingsanalyse bestaat uit de uitgevoerde Gebieds- en Probleem- en Risicoanalyse, waarbij we gebieds- en probleemanalyse in 2022 hebben gedaan en de risicoanalyse in 2025 hebben geactualiseerd.
De omgevingsanalyse geeft ons inzicht in de risicovolle problemen en activiteiten per gebied. Op basis hiervan hebben wij onze prioriteiten gesteld voor zowel vergunningverlening, toezicht als handhaving. In paragraaf 3.3 geven we de hoogste risicocategorieën voor VTH weer vanuit de omgevingsanalyse. Activiteiten in de hoogste risicocategorie, hebben ook de hoogste prioriteit. Wat dat concreet betekent voor het niveau van toetsing en toezicht, werken we uit in hoofdstuk 5. De prioriteit bepaalt uiteindelijk ook de inzet van de capaciteit op uitvoering en handhaving. Dit beschrijven we in paragraaf 3.4 en dit werken we ook uit in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma.
3.2 Gebieds- en probleemanalyse
In het U&H-bijlagenboek hebben wij onze gebieds- en probleemanalyse uitgewerkt. Hierbij hebben we onze gemeente onder andere ‘opgeknipt’ in Kernen en Gebieden, waarbij we alle specifieke kenmerken benoemen en/of beschrijven. Ook beschrijven we de bijzonderheden ten aanzien van de leefomgeving en de ligging. Voor de gehele gebieds- en probleemanalyse verwijzen wij naar het U&H-bijlagenboek.
3.3 Risicoanalyse en Prioriteiten
Op basis van de omgevingsanalyse komen we tot de onderstaande prioriteiten voor de komende periode. Dit betekent concreet dat we ons bij de uitvoering van onze U&H-taken hoofdzakelijk richten op ‘zeer hoge’ en ‘hoge’ prioriteiten. De uitvoering van onze U&H-taken met een ‘zeer lage’ t/m ‘gemiddelde prioriteit’ voeren wij vraag gestuurd (o.b.v. verzoeken, aanvragen, klachten/meldingen e.d.) en/of projectmatig uit.
4 Uitgangspunten en Doelstellingen
4.3 Doelstellingen uitvoering (toezicht)
Wij hanteren de volgende doelstellingen voor toezicht (tussen haakjes staat de relatie met de betreffende ambities):
Wij hanteren de volgende doelstellingen voor handhaving (tussen haakjes staat de relatie met de betreffende ambities):
Onze naleefstrategie bestaat uit de volgende deelstrategieën:
6.1 Uitvoering (vergunningverlening en toezicht) en handhaving 2026
Uitvoering- & Handhavingstrategie De Bilt 2026 – 2030 (Vergunningverlening, Toezicht & Handhaving) Bijlagenboek
Dit bijlagenboek is een bundeling van alle bijlagen die horen bij de documenten die wij gebruiken bij het uitvoeren van de beleids- en uitvoeringscyclus, de zogenoemde ‘BIG 8’ (zie figuur 1.) De documenten die wij in deze cyclus gebruiken zijn:
De strategie geeft weer hoe wij samen met onze inwoners, ondernemers en samenwerkingspartners er de komende vier jaar voor willen zorgen dat de fysieke leefomgeving in onze gemeente veilig, gezond, leefbaar en duurzaam blijft en waar mogelijk verbeterd wordt.
De documenten gezamenlijk zijn bedoeld om transparant te zijn over wat wij bij het uitvoeren van onze U&H-taken als gemeente doen, waarom we dit doen, welke keuzes we hierbij maken en hoe we dit hebben georganiseerd.
Figuur 1 De Big-8 beleids- en uitvoeringscyclus
Wij willen hiermee bereiken dat het voor iedereen in onze gemeente helder en duidelijk is hoe wij invulling en uitvoering (willen) geven aan onze U&H-taken. Duidelijkheid en transparantie over de strategie en de uitvoering ervan draagt namelijk bij aan meer begrip en draagvlak bij diegenen die hiermee te maken krijgen. Dit bijlagenboek is gemaakt om ervoor te zorgen dat de belangrijkste U&H-documenten (de strategie, het Uitvoeringsprogramma en de Evaluatierapportage zo beeldend en bondig mogelijk kunnen blijven en om de leesbaarheid en praktische toepasbaarheid van deze documenten te vergroten).
In de strategie beschrijven we de hoofdlijnen en kernpunten. Het U&H-uitvoeringsprogramma vertaalt deze hoofdlijnen naar de uitvoeringspraktijk. De U&H-evaluatierapportage beschrijft de evaluatie van het U&H-uitvoeringsprogramma en de eventuele aanpassingen op basis van deze evaluatie voor de strategie en/of het uitvoeringsprogramma van het volgende jaar. In figuur 2 staat het instrumentarium van documenten dat invulling geeft aan de beleids- en uitvoeringscyclus in verhouding tot elkaar weergegeven. In de strategie bundelen we de essenties van de beleidsdoelen van het landelijke, regionale en gemeentelijke beleid voor de fysieke leefomgeving. Vanuit deze beleidsdoelen én vanuit een uitgevoerde omgevingsanalyse komen we tot concrete U&H-doelen die doorwerken in de feitelijke uitvoering van onze U&H-taken. Figuur 3 geeft de positie van de strategie ten opzichte van de wet- en regelgeving en andere beleids- en uitvoeringsdocumenten op de verschillende niveaus (strategisch, tactisch en uitvoerend) weer.
Figuur 3 De verhouding tussen de verschillende beleids- en uitvoeringsdocumenten op de verschillende niveaus
Deze strategie heeft betrekking op de wettelijke U&H-taken die een relatie hebben met de fysieke leefomgeving. Het gaat om alle taken en activiteiten binnen de fysieke leefomgeving waar een vergunningen-, toezicht- en/of handhavingscomponent aan vastzit. Denk bijvoorbeeld aan: bouwactiviteiten, gebruiksactiviteiten in relatie tot het omgevingsplan, erfgoed (monumenten), volkshuisvesting etc. De U&H-taken die door de Omgevingsdienst Utrecht worden uitgevoerd vallen niet binnen het kader van deze strategie. Onze strategie voor de uitvoering van onze (verplichte) milieutaken is opgenomen in de ‘U&H-strategie regio Utrecht 2026’ voor de milieutaken. Deze is op 14 oktober 2025 vastgesteld en trad in werking in op 1 januari 2026.
De geplande aanpak en uitvoering van de brandveiligheidstaken wordt jaarlijks besproken en vastgelegd in een (jaar)plan van de Veiligheidsregio Utrecht (VRU).
Hieronder het wettelijke toetsingskader op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau:
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
Omgevingswet/Omgevingsbesluit/Omgevingsregeling
Wet kwaliteitsborging bouwen (Wkb)
Omgevingsvisie Provincie Utrecht
Omgevingsverordening Provincie Utrecht
Algemene plaatselijke verordening 2024
Algemeen aanwijzingsbesluit APV De Bilt 2025
Beleidslijn omtrent het inperken van bouwmogelijkheden buiten stedelijk gebied
Beleidsplan Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving 2023
Beleidsregels artikel 2.12 lid 1 onder a onder 2 Wabo jo. Artikel 4 Bijlage II Bor
Beleidsregels Bibob gemeente De Bilt 2025
Beleidsregels intrekken omgevingsvergunning bouwactiviteit
Beleidsregels ter bepaling van bouwkosten gemeente De Bilt 2024
Beleidsregels wet goed verhuurderschap De Bilt 2025
Beleidsregels woonruimteverdeling De Bilt 2024
Beleidsvisie Zonnevelden gemeente De Bilt
Besluit aanwijzing toezichthouders gemeente De Bilt
Bindend adviesrecht gemeenteraad en verplichte participatie
Brandbeveiligingsverordening De Bilt 2012
Delegatiebesluit van bevoegdheden onder de Omgevingswet
Evenementenbeleid De Bilt 2021
Erfgoedverordening De Bilt 2010
Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2024
Kapbeleid gemeente De Bilt 2021
Mandaatbesluit Omgevingsdienst Utrecht 2026
Omgevingsplan gemeente De Bilt
Omgevingsvisie gemeente De Bilt
Richtlijn Bouw- en sloopveiligheid gemeente De Bilt
Uitvoerings- en handhavingsstrategie Gemeente De Bilt 2023-2027
Verordening doelgroepen woningbouw gemeente De Bilt 2022
Verordening op de gemeentelijke adviescommissie Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente De Bilt 2023
Verordening uitvoering en handhaving Omgevingsrecht De Bilt 2024
Voorbereidingsbesluit Provincie Utrecht 2024 – gemeente De Bilt
Voorbeschermingsregels hyperscale datacentra
Aanpassingen op basis van evaluatie en beoordeling IBT
Op basis van onze oude Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2023-2027 en de ervaringen die we hiermee hebben opgedaan, alsmede ook op basis van de beoordeling van het Interbestuurlijk toezicht van de Provincie Utrecht (IBT) hebben we een verbeterplan opgesteld en zijn we aan het werk gegaan met het actualiseren van onze strategie. Hierbij maken we onderscheid in de aanpassingen voor vergunningverlening, toezicht en handhaving.
In onze vergunningenstrategie hebben we bepaald dat we risicogericht toetsen. Dit houdt in dat we de aanvraag op basis van de aangevraagde bouwactiviteiten met een bepaalde diepgang toetsen aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl, voorheen Bouwbesluit). Hiervoor hanteren we vijf toets niveaus (niveau 0 t/m 4, van geen toetsing tot een volledig integrale toetsing). In de praktijk passen we deze prioritering niet altijd, dan wel niet consequent toe. De toetsingen aan het Bbl hebben wij uitbesteed aan een externe partij. In de komende periode willen we ervoor zorgen dat we de diepgang van de toetsing meer en beter vastleggen in ons werkproces. Wij gaan hiervoor Rx.Mission gebruiken, waarbij wij ook in de uitvraag richting de externe adviseur aan kunnen geven met welke diepgang de toets uitgevoerd kan worden.
Ook als het gaat om het uitvoeren van toezicht hebben wij in onze strategie bepaald dat we risicogericht toezicht uitvoeren. Voor het toezicht hanteren we eveneens vijf niveaus van toezicht (niveau 0 t/m 4, van geen toezicht tot volledig integraal toezicht). In 2025 hebben we de toezichtlijst (werkvoorraad) doorlopen en bepaald op welk niveau de openstaande toezichtzaken kunnen worden afgehandeld. Hiernaast gaan we, net als bij vergunningverlening, de diepgang van het toezicht vastleggen in ons werkproces en Rx.Mission.
Afhandeling klachten/meldingen
Als het gaat om de afhandeling van klachten en meldingen gaan we het toezicht in de praktijk ook anders uitvoeren. Waar we tot op heden alle klachten of meldingen oppakten, ongeacht de prioriteit van de gemelde activiteit, doen we dit in de komende periode anders doen. Voortaan bepaalt de toezichthouder bij het in behandeling nemen van de klacht of melding de aard en de ernst van de gemelde activiteit. Als er volgens de beoordeling van de toezichthouder mogelijk sprake is van een ernstige, gevaarlijke of spoedeisende situatie, pakt deze de klacht of melding direct op. Wanneer dit niet zo is, pakt de toezichthouder de klacht als volgt op: de toezichthouder bepaalt van welke activiteit(en) er sprake is door contact te hebben met de melder. Op basis van de prioriteit van de bepaalde activiteit(en) volgens de U&H-strategie bepaalt de toezichthouder het vervolg en deelt dit met de klager/melder.
De uitgangspunten voor dit vervolg zijn:
Ook hebben we ook de handhavingslijst (werkvoorraad) langs de meetlat van onze prioritering uit de U&H-strategie gelegd. Dit betekent dat we voor de lopende en openstaande zaken hebben bepaald welke prioriteit(en) de vastgestelde activiteiten in deze dossiers hebben. Dit komt er concreet op neer dat we sommige zaken voortzetten, sommige zaken opschorten of sommige zaken afsluiten. In het geval van nieuwe zaken gaan we, net als bij vergunningverlening en toezicht de prioritering van zaken vastleggen in het werkproces, en in Rx.Mission.
Evaluatie van de doelstellingen
Voor de komende periode houden we in eerste instantie vast aan de genoemde doelstellingen uit onze oude U&H-strategie 2023-2027. We hopen over een aantal jaar een goed beeld te krijgen van of en in hoeverre we deze doelstellingen hebben bereikt. Hiervoor is het nodig dat we Rx.Mission goed inrichten en gebruiken. Naast deze doelstellingen stellen we in paragraaf 4.2 nog een aantal nieuwe doelstellingen voor die gerelateerd zijn aan de prioriteiten uit onze voorgaande U&H-strategie, mede ook op basis van de opmerkingen hierover van het IBT.
In onze strategie beschrijven we hoe we aankijken tegen de uitvoering van onze U&H-taken. De strategie geeft weer wat onze Missie en Visie is en welke uitgangspunten wij hanteren bij de uitvoering van onze U&H-taken. Het bepalen van een visie is één van de kernonderdelen die nodig is om te komen tot een optimale organisatie voor de uitvoering van de U&H-taken. De overige kernonderdelen zijn het beleid & uitvoeringsplan en de feitelijke uitvoering van U&H-taken. Het is voor het bereiken van een optimale U&H-organisatie van belang dat er een zo groot mogelijke overlap bestaat tussen 1. Missie & Visie, 2. strategie, uitvoeringsprogramma & evaluatie en 3. uitvoeringspraktijk. Als één van de kernonderdelen onvoldoende is/wordt ingevuld blijft de U&H-organisatie onder de maat (zie figuur 4).
Figuur 4. Een optimale U&H-organisatie willen we bereiken door onze visie, de U&H-strategie, het uitvoeringsprogramma & evaluatie en de uitvoeringspraktijk met elkaar te laten overlappen.
Onze missie, als het gaat om de uitvoering van onze U&H-taken:
|
Zorgen voor het behouden of verbeteren van een gezonde, duurzame en veilige fysieke leefomgeving, waar iedereen aan bijdraagt en meedoet. |
Bij onze missie formuleren wij een aantal ambities die wij graag willen realiseren. Deze ambities zijn gerelateerd aan de doelstellingen die wij hanteren voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (H4). Onze ambities zijn niet zo gemakkelijk meetbaar, wij verwachten echter wel dat de geformuleerde doelstellingen voor vergunningverlening, toezicht en handhaving bijdragen aan het verwezenlijken van onze ambities. Het betreft de volgende ambities:
Om invulling te geven aan deze missie, maken we onder andere gebruik van de instrumenten Uitvoering (Vergunningverlening & Toezicht) & Handhaving.
Onze visie op het gebruik en inzetten van deze instrumenten is:
De omgevingsanalyse is een instrument dat we hebben toegepast om een zo goed en volledig mogelijk beeld te krijgen van de problemen en/of risico’s binnen onze (toekomstige) ‘omgeving’, zodat we op basis hiervan onze beleidskeuzes en -richting kunnen bepalen. Met de (toekomstige) ‘omgeving’ bedoelen we de omgeving binnen onze gemeente in de meest brede zin, het gehele grondgebied (fysieke leefomgeving) met al haar kenmerken (gebouwen, bewoners/bedrijven/instellingen, natuur etc.) waarvan we (niet) weten of en in hoeverre hier sprake is van risico’s en/of risicovolle activiteiten en/of ontwikkelingen. De Omgevingsanalyse bestaat uit de uitgevoerde Gebieds- en Probleem- en Risicoanalyse, waarbij we gebieds- en probleemanalyse in 2022 hebben gedaan en de risicoanalyse in 2025 hebben geactualiseerd.
De omgevingsanalyse geeft ons inzicht in de risicovolle problemen en activiteiten per gebied. Op basis hiervan hebben wij onze prioriteiten gesteld voor zowel vergunningverlening, toezicht als handhaving. In paragraaf 3.3 geven we de hoogste risicocategorieën voor VTH weer vanuit de omgevingsanalyse. Activiteiten in de hoogste risicocategorie, hebben ook de hoogste prioriteit. Wat dat concreet betekent voor het niveau van toetsing en toezicht, werken we uit in hoofdstuk 5. De prioriteit bepaalt uiteindelijk ook de inzet van de capaciteit op uitvoering en handhaving. Dit beschrijven we in paragraaf 3.4 en dit werken we ook uit in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma.
3.2 Gebieds- en probleemanalyse
Gemeente De Bilt is gelegen in de provincie Utrecht en ligt tegen het noordoosten van de stad Utrecht aan, op een steenworp afstand van Amersfoort en Hilversum. Gemeente De Bilt bestaat uit het samenspel van vier cultuurhistorisch waardevolle landschappen met zes kernen (figuur 5). Naast de gelijknamige plaats De Bilt liggen in de gemeente de dorpen Bilthoven, Maartensdijk, Groenekan, Hollandsche Rading en Westbroek met hun eigen identiteit en (ruimtelijke) karaktereigenschappen.
Als het gaat om de prioriteiten (hoog en zeer hoog) die we onderkennen in de verschillende kernen dan betreft het in totaal 25 categorie 2 en 3 gebouwen. Het betreft de volgende kernen: Bilthoven (14 gebouwen), De Bilt (5 gebouwen), Groenekan (5 gebouwen) en Maartensdijk (1 gebouw).
De oorsprong van gemeente De Bilt zoals wij het vandaag de dag kennen, gaat terug naar 2001. Op 1 januari 2001 werden na een gemeentelijke herverdeling de gemeenten De Bilt en Maartensdijk samengevoegd tot de gemeente De Bilt. In 2026 kent gemeente De Bilt bijna 44.000 inwoners en heeft het een oppervlakte van 67 km².
Het grootste gedeelte van de gemeente bestaat uit landbouwgrond en bebouwing, waarbij de meeste bebouwing zich concentreert rondom de dorpen De Bilt en Bilthoven. Verder bevinden zich op het grondgebied van de gemeente De Bilt delen van veel waardevolle (natuur) gebieden, waaronder het Oostelijke Vechtplassengebied (Natura 2000-gebied), de Nieuwe Hollandse Waterlinie, de Utrechtse Heuvelrug en de landgoederenzones (Laagte van Pijnenburg, Stichtse Lustwarande). Al deze gebieden hebben hoge natuurwaarden, maar zijn zeker ook van groot belang vanwege hun landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden. De landschappen maken deel uit van de regionale en nationale ecologische hoofdstructuur (het Natuurnetwerk Nederland) en/of de cultuurhistorische hoofdstructuur. Samen vormen deze gebieden essentiële ecologische verbindingszones tussen de omringende robuuste natuurgebieden van de Utrechtse Heuvelrug, het Kromme Rijngebied en het Vecht- en Plassengebied. Ook versterken deze landschappen/ natuurgebieden de recreatieve aantrekkingskracht van de gemeente.
Landschappelijke waarden en kernen De Bilt
Iedere kern is verknoopt met het omliggende landschap, omdat groene structuren - of dit nu polderlinten of statige bomenlanen zijn - tot diep in de kernen doordringen. Het groene landschap, de natuurgebieden en cultureel erfgoed dragen bij aan een prettige woonomgeving voor de inwoners van de gemeente De Bilt. Iedere kern heeft zijn eigen culturele historie en landschappelijke/geografische setting en daarmee zijn eigen unieke karakter. Zo kennen we in de gemeente verschillen beschermde gezichten en monumenten.
De gemeente kent een goed voorzieningenniveau, met voorzieningen verspreid over de kernen. Elke kern huisvest waar mogelijk en naar behoefte maatschappelijke basisvoorzieningen (basisschool, sportvereniging) en ook zijn er voldoende zorgvoorzieningen in de buurt (huisarts, fysiotherapeut, tandarts etc.). Voor dagelijkse boodschappen kunnen inwoners terecht in de winkelgebieden van De Bilt (Hessenweg-Looydijk, Het Oude Dorp), Bilthoven (Vinkenplein, Het Kleine Dorp en Kwinkelier) en Maartensdijk (Maertensplein) en daarnaast winkelcentrum de Planetenbaan met de wekelijkse markt op vrijdag en een aantal supermarkten verspreid over de gemeente. De winkelgebieden in De Bilt en Bilthoven bieden naast de dagelijkse boodschappen ook een aanbod aan horeca en andere winkels. Tot slot ligt de stad Utrecht op steenworpafstand, met een grootstedelijk winkel- en horeca-aanbod en bovenlokale voorzieningen zoals een theater, een bioscoop en een ziekenhuis.
Gemeente De Bilt maakt deel uit van de regio Utrecht en ligt centraal in het landschappelijk hart van de noordvleugel van de Randstad. Dankzij de hoge landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden, is de gemeente aantrekkelijk voor inwoners uit de stad Utrecht om te recreëren. De gemeente biedt aantrekkelijke groene woon-werkomgevingen met een goede bereikbaarheid door de positie van de gemeente in het regionale infrastructurele netwerk. Dit netwerk bestaat uit de A27, de A28, de N237, de N234 en twee stations. Station Bilthoven aan de spoorlijn Utrecht-Amersfoort en het perron richting Utrecht, van station Hollandsche Rading aan de spoorlijn Hilversum-Utrecht. Dankzij de goede aansluiting op het stedelijk netwerk via de weg en over het spoor is de regionale bereikbaarheid dus uitstekend.
Gemeente De Bilt maakt deel uit van het Daily Urban System1 van Utrecht. Dit betekent dat er een grote in- en uitgaande pendel is van en naar Utrecht. Daarnaast profileert gemeente De Bilt zich op het gebied van kennisintensieve bedrijvigheid, voornamelijk in de Life Science sector, maar ook in de opkomende zogenaamde Earth Sector. Het KNMI en ingenieursbedrijf SWECO spelen een belangrijke rol binnen de Earth Sector binnen het Earth Valley ecosysteem in de regio Utrecht-Amersfoort.
Een locatie met belangrijke werkgevers in de regio is het Utrecht Science Park Bilthoven. Op dit terrein van onder meer het RIVM bevindt zich onder andere Bilthoven Biologicals. Naast deze locatie kent gemeente De Bilt negen bedrijventerreinen van diverse omvang: Ambachtstraat, Molenkamp en Weltevreden in De Bilt, Rembrandtlaan, Leyensehof en Larenstein in Bilthoven, Koningin Wilhelminaweg/Groenekanseweg in Groenekan en Industrieweg en Dierenriem in Maartensdijk.
In een workshop met de inhoudelijke vakspecialisten van de afdeling VTH hebben we de risicoanalyse van 2024 geactualiseerd. In eerste instantie zijn de activiteiten opnieuw bekeken. Er is bepaald of en in hoeverre de genoemde activiteiten nog van toepassing waren, of deze volledig waren en of de weging die destijds was gemaakt nog actueel was. Dit heeft geleid tot een nieuwe lijst met activiteiten, waarbij de activiteiten opnieuw zijn gewogen. Voor zover er geen aanpassing is gedaan, dan wel er geen aanpassing nodig was, is de risicoanalyse van 2023 in stand gebleven. Om inzicht te krijgen in het risico als wij onze U&H-taken op deze activiteiten niet uitvoeren, is er aan de hand van zes landelijke criteria gekeken naar (de impact van) de mogelijke negatieve effecten. Wij onderscheiden hierbij de volgende negatieve effecten:
Aan de hand van de weging is per activiteit de ‘Risicoscore’ bepaald. Deze risicoscore geeft per activiteit de mate/score van het negatieve effect aan:
Hierbij weegt het negatieve effect ‘Veiligheid & Gezondheid’ 2x zwaarder mee dan de andere negatieve effecten. Vervolgens is afgewogen wat de kans (score 1 t/m 5, waarbij 1 een zeer kleine kans en 5 een zeer grote kans is) zou zijn op een overtreding op het moment dat wij onze U&H-taken niet zouden uitvoeren.
De eindscore is het gemiddelde van de scores voor de (negatieve effecten) x (de kans score).
De eindscore leidt uiteindelijk tot de bepaalde prioriteit variërend van Zeer Hoog, Hoog, Gemiddeld, Laag tot Zeer Laag.
Op basis van de hiervoor beschreven omgevingsanalyse (gebieds-, probleem en risicoanalyse) komen we tot de onderstaande prioriteiten. Bij de uitvoering van onze U&H-taken richten we ons voornamelijk op activiteiten met een zeer hoge en hoge prioriteit. De uitvoering van onze U&H-taken met een zeer lage tot en met gemiddelde prioriteit voeren wij vraag gestuurd (op basis van verzoeken, aanvragen, klachten en meldingen) en/of projectmatig uit. Vanuit de landelijke/provinciale doelen komen de volgende prioriteiten (risicovolle onderwerpen) naar voren:
Uitvoering- en handhaving op brandveiligheidsregels wordt door zowel gemeente De Bilt uitgevoerd als door de Veiligheidsregio Utrecht (VRU). Onze vergunningverleners, toezichthouders en handhavingsjuristen hebben in dit kader directe lijnen lopen met de VRU en omgekeerd. De VRU stelt jaarlijks in afstemming met ons een plan op voor de uit voeren werkzaamheden. Ook brengen zij tussentijds en jaarlijks verslag uit over de (evaluatie van de) uitgevoerde werkzaamheden. Hierbij houden wij gezamenlijk rekening met de lokale, provinciale en landelijke doelen. Deze U&H-strategie is inhoudelijk afgestemd met de VRU.
Net als brandveiligheid, is ook constructieve veiligheid een van onze topprioriteiten. In onze U&H-strategie hebben we vastgelegd hoe wij omgaan met de toetsing en het toezicht op de constructieve veiligheid van bouwwerken en gebouwen. De intensiteit van toetsing en de diepgang van het toezicht is daarbij afhankelijk van de risicoscore van het betreffende bouwwerk. Deze toetsing en ook het toezicht voeren wij uit als onderdeel van onze reguliere werkzaamheden. Daarnaast controleren wij ook altijd op deze aspecten in het geval van klachten/meldingen/verzoeken om handhaving. Op basis van onze risicoanalyse en prioriteiten uit de U&H-strategie passen wij bij evenementen, waarbij sprake is van brand- en/of constructieve veiligheidsaspecten, onze toetsing en toezicht op het meest diepgaande niveau (niveau 4 = 100% toetsing en 100% toezicht) toe.
Als het gaat om handhaving van het omgevingsplan hebben wij op basis van de omgevingsanalyse bepaald dat wij een (zeer) hoge prioriteit toekennen aan de volgende activiteiten in relatie tot het omgevingsplan:
4 Uitgangspunten & Doelstellingen
4.2 Doelstellingen voor uitvoering (vergunningverlening)
Voor vergunningverlening hanteren wij in onze U&H-strategie de volgende doelstellingen (tussen haakjes staat de relatie met de betreffende ambities):
4.2.1 Toelichting op de doelstellingen
Wij stellen dit doel omdat we risicogericht (willen) werken. Dit betekent dat we op basis van de risico’s die de activiteiten van de aanvraag met zich meebrengen bepalen met welke diepgang wij de aanvraag toetsen. Om vast te kunnen stellen of we dit (op de juiste wijze) doen, monitoren we dit met de volgende indicatoren:
Na het in behandeling nemen van de aanvraag bepaalt de casemanager eerst de prioriteit van de aangevraagde activiteit(en). Op basis van de prioriteit bepaalt de casemanager met welke diepgang de aanvraag moet worden getoetst. Voordat de vergunning verleend wordt er een collegiale toets uitgevoerd waarmee wordt bepaald of de toetsing met de juiste diepgang is uitgevoerd.
Dit brengt met zich mee dat we in Rx.Mission bij het invoeren van een aanvraag moeten vastleggen op welk toets niveau de aanvraag moet worden getoetst. Deze toets niveaus dienen dus bekend en geïmplementeerd te zijn in dan wel via Rx.Mission. Verder dient de casemanager en/of de adviseurs vast te leggen op welk niveau hij de aanvraag heeft getoetst. Daarnaast dient dit door een collega te worden gecontroleerd (het 4-ogen principe).
Om te beoordelen of we deze subdoelstelling hebben bereikt schatten wij in dat we 148 uur (0,1 fte) nodig hebben. Deze uren rekenen we toe aan de casemanager. Zie bijlage 1 - Capaciteitsoverzicht U&H.
Wij stellen dit doel omdat we het belangrijk vinden om aan de wettelijke beslistermijnen te voldoen. Daarnaast vinden we het belangrijk om in het kader van (de kwaliteit van) onze dienstverlening dat aanvragers ervan uit kunnen gaan dat zij binnen de termijn een besluit tegemoet kunnen zien.
Bij het in behandeling nemen van de aanvraag leggen we op twee momenten de datum vast, te weten: de datum van indienen en de datum van definitieve indiening (ontvankelijke en volledige aanvraag). De casemanager neemt de aanvraag in behandeling, dit leidt tot een besluit. Op basis van de vastgelegde datum hiervan bepalen we of we binnen de beslistermijn de vergunning hebben verleend.
Dit brengt met zich mee dat we in Rx.Mission bij het invoeren van een aanvraag moeten vastleggen op welke datum de aanvraag (volledig) is ingediend en op welke datum het besluit is genomen. Vervolgens kunnen we op basis hiervan bepalen of we de wettelijke beslistermijn hebben gehaald. Ook is het belangrijk om vast te leggen hoe vaak we de beslistermijn verlengen en wat de aanleiding/reden is geweest voor deze verlenging. Op basis hiervan kunnen we dan bepalen of en wat we in ons proces zouden kunnen verbeteren.
Om te beoordelen of we deze subdoelstelling hebben bereikt schatten wij in dat we 296 uur (0,21 fte) nodig hebben. Deze uren rekenen we toe aan ondersteuning. Zie bijlage 1 - Capaciteitsoverzicht U&H.
Sommige bouwprojecten hebben directe impact op de omgevingsveiligheid. Hierbij kan gedacht worden aan bouwprojecten waarbij er sprake is van inzet van zware materialen als bouwkranen, vrachtwagens, shovels, graafmachines etc. Ook kan gedacht worden aan bouwprojecten waarbij verkeersafzettingen/-omleidingen en/of veel verkeersbewegingen nodig zijn of dat er (tijdelijk) containers of ander materieel op de (openbare) weg moet worden geplaatst.
Wij vinden het belangrijk dat in deze gevallen de veiligheid op de bouw en in de omgeving goed is gewaarborgd. Daarom hechten wij in deze gevallen zowel bij de omgevingsvergunningaanvraag, als bij het toezicht belang aan de omgevingsveiligheidsaspecten. Wij stellen dit doel omdat we omgevingsveiligheidsaspecten bij aanvragen/meldingen volledig in beeld en beoordeeld willen hebben. Hierbij is het van belang dat we voorafgaand en tijdens de bouw kunnen bepalen of en in hoeverre de aanvrager rekening houdt met de omgevingsveiligheid. Wij willen er vooraf en ook feitelijk van uit kunnen gaan dat de omgevingsveiligheid goed beoordeeld en geborgd is.
De casemanager beoordeelt op basis van de aanvraag of er een omgevingsveiligheidsplan vereist is dan wel of er sprake is van aanzienlijke impact op de omgevingsveiligheid. Wanneer hier sprake van is toetst hij de aanvraag op toets niveau 4 volgens de vergunningenstrategie en legt dit vast in Rx.Mission .
Dit brengt met zich mee dat we in Rx.Mission bij het beoordelen en verlenen van een aanvraag/melding moeten vastleggen of en in hoeverre er sprake is van een aanzienlijke impact op de omgevingsveiligheid, dan wel wanneer een omgevingsveiligheidsplan vereist is. De casemanager zal dit moeten beoordelen op basis van de gegevens bij de aanvraag/melding. Ook dient in de Rx.Mission te worden aangegeven op welk toetsingsniveau de aanvraag/melding is beoordeeld en op welk toezichtniveau de vergunning/melding moet worden gecontroleerd. Als het toetsingsniveau van de vergunning/melding op niveau 4 is uitgevoerd, dan vindt ook het toezicht op toezichtniveau 4 plaats. Het is dus zaak dat de casemanager en de toezichthouder weet wat het toets- en toezichtniveau 4 inhoudt.
Om te beoordelen of we deze subdoelstelling hebben bereikt schatten wij in dat we 20 uur (0,01 fte) nodig hebben. Deze uren rekenen we toe aan de casemanager. Zie bijlage 1 - Capaciteitsoverzicht U&H.
4.3 Doelstellingen voor uitvoering (toezicht)
Voor toezicht hanteren wij in onze U&H-strategie de volgende doelstellingen (tussen haakjes staat de relatie met de betreffende ambities):
4.3.1 Toelichting op de doelstellingen
Wij stellen dit doel omdat we risicogericht (willen) werken. Dit betekent dat we op basis van de risico’s die de activiteiten van de aanvraag met zich meebrengen bepalen we met welke diepgang wij de verleende omgevingsvergunning controleren. Om vast te kunnen stellen of we dit (op een juiste manier) doen, gebruiken we de volgende indicatoren:
Na het verlenen van de vergunning krijgt de toezichthouder deze in zijn werkvoorraad. Op basis van de prioriteit bepaalt de toezichthouder met welke diepgang de vergunning moet worden gecontroleerd en legt dit vast. Voorafgaand aan de controle wordt een collegiale toets uitgevoerd waarmee wordt bepaald of de juiste diepgang van het toezicht wordt toegepast.
Dit brengt met zich mee dat we in Rx.Mission bij het invoeren van een aanvraag moeten vastleggen op welk toezichtniveau de omgevingsvergunning moet worden gecontroleerd. Deze toezichtniveau’s dienen dus bekend en geïmplementeerd te zijn in Rx.Mission. Verder dient de toezichthouder en/of de adviseur vast te leggen op welk niveau hij de omgevingsvergunning gaat controleren. Uitgangspunt hierbij is dat we het toezicht op hetzelfde niveau uitvoeren, als waarop de toetsing van de aanvraag heeft plaatsgevonden. Dit dient door een collega te worden gecontroleerd (het 4-ogen principe).
Om te beoordelen of we deze subdoelstelling hebben bereikt schatten wij in dat we 165 uur (0,12 fte) nodig hebben. Deze uren rekenen we toe aan de toezichthouder. Zie bijlage 1 - Capaciteitsoverzicht U&H.
Wij stellen dit doel omdat we de brand- en/of constructieve veiligheidsaspecten van de evenementen volledig in beeld en beoordeeld willen hebben. Daarnaast willen wij ook graag ter plekke vaststellen of en in hoeverre de aanvrager de voorschriften met betrekking tot brand- en/of constructieve veiligheid heeft opgevolgd voordat het evenement plaatsvindt. Wij willen er ook feitelijk van uit kunnen gaan dat voordat een evenement plaatsvindt de brandveiligheid en/of constructieve veiligheid goed beoordeeld en geborgd is.
De toezichthouder beoordeelt de vergunning en bereidt de controle voor en plant vervolgens een controle in (evt. samen met de VRU en ODU). En voert die control voor aanvang van het evenement uit. De toezichthouder legt de controledatum en de datum van het evenement vast in Rx.Mission.
Dit brengt met zich mee dat we in Rx.Mission bij het verlenen van een aanvraag moeten vastleggen op welk toets niveau de aanvraag is beoordeeld en op welk niveau de vergunning moet worden gecontroleerd. Ook het toezicht vindt op toezichtniveau 4 plaats. Het is dus zaak dat de toezichthouder weet wat toezichtniveau 4 inhoudt. Ook is het zaak dat hij bekend wordt gemaakt met de voorschriften die ten aanzien van de brand- en/of constructieve veiligheid zijn vastgelegd, zodat hij deze volledig kan controleren. Dit betekent ook dat de toezichthouder(s) er rekening mee moeten houden dat zij voor het kunnen uitvoeren van deze controles beschikbaar zijn. Het goed inplannen van de controle is dan ook belangrijk.
Om te beoordelen of we deze subdoelstelling hebben bereikt schatten wij in dat we 2,5 uur (0,002 fte) nodig hebben. Deze uren rekenen we toe aan de toezichthouder. Zie bijlage 1 - Capaciteitsoverzicht U&H.
Het toezicht op en de handhaving van bestaande bouwwerken en gebouwen met een publieksfunctie in de categorieën 2 en 3 (grotere gebouwen met een publieksfunctie, bijvoorbeeld winkelcentrum, bibliotheek, scholen, sportcentra, gemeentehuis, etc.), gebouwen met een woonfunctie in categorie 3 (grote wooncomplexen) en gebouwen met een industrie of kantoorfunctie in categorie 3 (grote industrie en kantoorpanden). In totaal betreft dit 25 gebouwen die we controleren met een frequentie zoals dat is beschreven in onze toezichtsstrategie.
Om ervoor te zorgen dat deze bouwwerken gebouwen met deze omvang en functie (blijven) voldoen aan de wettelijke eisen, is het noodzakelijk om deze gebouwen regelmatig te controleren. In het geval deze gebouwen niet voldoen, levert dit ongewenste risico’s op voor alle gebruikers en bezoekers van deze gebouwen. Daarom willen wij in eerste instantie in beeld krijgen of en in hoeverre deze in onze gemeente aanwezige gebouwen voldoen. Hiervoor gaan we in de komende periode toezicht uitvoeren op deze gebouwen.
Wij stellen dit doel omdat we in ieder geval de brand- en constructieve veiligheid van deze publieke bouwwerken en gebouwen willen waarborgen. Dit betekent dat wij erop toe willen zien dat wordt voldaan aan de minimale de wettelijke eisen. In het geval de toezichthouder vaststelt dat niet wordt voldaan aan deze minimale wettelijke eisen, zeker als het gaat om brand- en/of constructieve veiligheidseisen dan besluit de toezichthouder dat hij het gebruik van (delen van) het bouwwerk of gebouw te sluiten/buiten gebruik te stellen. Hiervoor hanteert hij de geldende beleids-/werkafspraken. Deze mondeling aangezegde sluiting of buiten gebruik stelling wordt zo spoedig mogelijk opgevolgd door een schriftelijk besluit.
Wij brengen de gebouwen (bestaande bouw) die binnen deze categorieën vallen in kaart. Vervolgens plannen wij jaarlijks de controles op deze gebouwen in op basis van de toezichtsfrequentie die we hebben opgenomen in de toezichtstrategie. Dit nemen we op in het uitvoeringsprogramma. De controles worden voorbereid, uitgevoerd en vastgelegd conform de werkafspraken.
Dit brengt met zich mee dat we in Rx.Mission bij het uitvoeren van toezicht goede controlerapporten moeten kunnen vastleggen. Ook is het zaak dat de toezichthouder bekend is/wordt gemaakt met de voorschriften die ten aanzien van het minimale niveau voor bestaande bouwwerken en gebouwen met een publieksfunctie in de categorie 2 en 3 zijn vastgelegd, zodat hij deze goed kan controleren. Bij het vaststellen van de overtreding dient te toezichthouder goed in te kunnen schatten wat de aard en de ernst van de overtreding is. Hij kan zich hierbij eventueel laten bijstaan door adviseurs op het gebied van brand- en/of constructieve veiligheid. Het is dus zaak dat de toezichthouder hier korte lijnen mee heeft, als hij op controle gaat. Ook is het van belang dat de toezichthouder goed kan inschatten welke interventie het meest geschikt is in de gegeven situatie.
Om te beoordelen of we deze subdoelstelling hebben bereikt schatten wij in dat we 160 uur (0,112 fte) nodig hebben. Deze uren rekenen we toe aan de ondersteuning. Zie bijlage 1 - Capaciteitsoverzicht U&H.
Het toezicht op en de handhaving van illegale bewoning in een aantal specifieke situaties hebben wij een hoge prioriteit toegekend. Deze hoge prioriteit komt voornamelijk voort uit de veiligheids- en/of gezondheidsaspecten die voor ons zwaar wegen, als ook de kans dat er een overtreding plaatsvindt. De huidige situatie op de woningmarkt maakt dat we de afgelopen jaren steeds meer (zorgelijke) overtredingen constateren. Daarbij verwachten we dat deze situatie in de komende jaren eerder tot meer overtredingen gaat leiden, dan minder. Zeker als we hier geen prioriteit aan zouden geven. Om ervoor te zorgen dat we een zo goed en volledig mogelijk beeld hebben van de huisvestingssituatie in onze gemeente en er geen onveilige, ongezonde en afwijkende woonsituaties ontstaan, gaan we hierop de komende periode met name in deze specifieke gevallen toezicht houden en in die gevallen dat dit noodzakelijk is hierop handhaven.
Wij stellen dit doel omdat we na een klacht/melding/verzoek zo snel mogelijk een beeld willen vormen van de betreffende woonsituatie, met name op de aspecten veiligheid en gezondheid. In die gevallen dat er sprake is van een onveilige en/of ongezonde woon- en leefsituatie, hebben we daarmee de mogelijkheid om hierop ook snel te kunnen handelen, door bijvoorbeeld het illegale gebruik voor bewoning per direct te (laten) staken.
Naar aanleiding van een klacht/melding/verzoek met betrekking tot mogelijke illegale bewoning voert de toezichthouder binnen twee werkdagen een fysieke controle (evt. samen met de VRU) uit en legt de datum en bevindingen van de controle vast conform de werkafspraken.
Dit brengt met zich mee dat we binnenkomende klachten/meldingen/verzoeken goed moeten kunnen vastleggen in Rx.Mission. Daarnaast moeten we bij deze registratie ervoor zorgen dat deze klachten/meldingen/verzoeken binnen 2 werkdagen kunnen worden opgevolgd door de toezichthouder. De toezichthouder dient vervolgens vanuit de VTH-applicatie op een goede manier zijn constateringen in een rapport te kunnen vastleggen, waarbij het met name van belang is om de bijzonderheden ten aanzien van de veiligheid en gezondheid vast te kunnen leggen. Ook is het belangrijk dat de toezichthouder een goede inschatting kan maken van de interventie die plaats dien te vinden. Hiervoor is het van belang dat de toezichthouder niet alleen goede kennis heeft van de geldende (wettelijke) voorschriften, maar ook van de (toepassing van) de interventiematrix. Als het gaat om specifieke kennis over brandveiligheid, constructieve veiligheid en/of gezondheid, kan de toezichthouder afstemming zoeken met de VRU, de constructeur en/of de GGD.
Om te beoordelen of we deze subdoelstelling hebben bereikt schatten wij in dat we 104 uur (0,073 fte) nodig hebben. Deze uren rekenen we toe aan de ondersteuning. Zie bijlage 1 - Capaciteitsoverzicht U&H.
Wij stellen dit doel omdat we inzicht willen krijgen of en in hoeverre er sprake is van illegale woonsituaties en welke situaties dit zijn in onze gemeente. Dit inzicht hebben we ook nodig om te bepalen of en in hoeverre er sprake is van ‘huisvestingsproblematiek’. Op basis van dit inzicht kunnen we vervolgens bepalen hoe we deze problematiek het beste kunnen aanpakken.
We voeren administratieve controles uit aan de hand van afwijkende inschrijvingen in de BRP. Daarnaast voeren we fysieke controles uit naar aanleiding van klachten, meldingen en verzoeken. We inventariseren de bestaande lijst met lopende toezicht- en handhavingszaken. Daarnaast kunnen we gerichte gebiedscontroles uitvoeren. Op grond van deze informatie krijgen we een totaalbeeld van de situatie in De Bilt.
Dit brengt met zich mee dat onze toezichthouders, ieders binnen hun eigen werkgebied, een inventarisatie moeten maken van (mogelijke) illegale bewoningssituaties. Hiervoor kunnen zij de BRP (laten) raadplegen, de oude- en bestaande toezicht- en handhavingslijst raadplegen, de registratie van klachten/meldingen/verzoeken raadplegen, luchtfoto’s raadplegen (nieuwe bijgebouwen t.o.v. oude luchtfoto’s) en uiteraard ook binnen hun eigen werkgebied gerichte controles uitvoeren. Hiervoor is het van belang dat de toezichthouder goede kennis heeft van de geldende (wettelijke) voorschriften op deze locaties.
Om te beoordelen of we deze subdoelstelling hebben bereikt schatten wij in dat we 104 uur (0,073 fte) nodig hebben. Deze uren rekenen we toe aan de toezichthouder en ondersteuning. Zie bijlage 1 - Capaciteitsoverzicht U&H.
Sommige bouwprojecten hebben directe impact op de omgevingsveiligheid. Hierbij kan gedacht worden aan bouwprojecten waarbij er sprake is van inzet van zware materialen als bouwkranen, vrachtwagens, shovels, graafmachines e.d. Ook kan gedacht worden aan bouwprojecten waarbij verkeersafzettingen/-omleidingen en/of veel verkeersbewegingen nodig zijn of dat er (tijdelijk) containers of ander materieel op de (openbare) weg moet worden geplaatst. Wij hechten er belang aan dat in deze gevallen de veiligheid op de bouw en in de omgeving goed is gewaarborgd. Daarom hechten wij in deze gevallen zowel bij de omgevingsvergunningaanvraag, als bij het toezicht belang aan de omgevingsveiligheidsaspecten.
Wij stellen dit doel omdat we omgevingsveiligheidsaspecten bij aanvragen/meldingen volledig in beeld en beoordeeld willen hebben. Hierbij is het van belang dat we voorafgaand en tijdens de bouw kunnen bepalen of en in hoeverre de aanvrager rekening houdt met de omgevingsveiligheid. Wij willen er vooraf en ook feitelijk van uit kunnen gaan dat de omgevingsveiligheid goed beoordeeld en geborgd is.
De toezichthouder krijgt de verleende vergunning in de werkvoorraad en controleert op basis van de vergunning of er een omgevingsveiligheidsplan vereist is dan wel of er sprake is van aanzienlijke impact op de omgevingsveiligheid. Vervolgens bereid hij de controle voor en voert die volgens de vastgelegde werkafspraken uit.
Dit brengt met zich mee dat we in Rx.Mission bij het beoordelen en verlenen van een aanvraag/melding moeten vastleggen of en in hoeverre er sprake is van een aanzienlijke impact op de omgevingsveiligheid, dan wel wanneer een omgevingsveiligheidsplan vereist is. De casemanager zal dit moeten beoordelen op basis van de gegevens bij de aanvraag/melding. Ook dient in de Rx.Mission te worden aangegeven op welk toetsingsniveau de aanvraag/melding is beoordeeld en op welk toezichtniveau de vergunning/melding moet worden gecontroleerd. Als het toetsingsniveau van de vergunning/melding op niveau 4 is uitgevoerd, dan vindt ook het toezicht op toezichtniveau 4 plaats. Het is dus zaak dat de casemanager en de toezichthouder weten wat het toets- en toezichtniveau 4 inhoudt. Daarnaast is het belangrijk dat de toezichthouder een goed en intensief contact heeft met de bouwer(s)en op de hoogte is van de voorbereiding en voortgang van de bouw, zodat hij ook tijdig op de juiste momenten zijn controles op de omgevingsveiligheid kan uitvoeren.
Om te beoordelen of we deze subdoelstelling hebben bereikt schatten wij in dat we 160 uur (0,112 fte) nodig hebben. Deze uren rekenen we toe aan de ondersteuning. Zie bijlage 1 - Capaciteitsoverzicht U&H.
4.4 Doelstellingen voor handhaving
Voor handhaving hanteren wij in onze U&H-strategie de volgende doelstellingen (tussen haakjes staat de relatie met de betreffende ambities):
4.4.1 Toelichting op de doelstellingen
Wij stellen dit doel omdat we het belangrijk vinden dat we opvolging geven aan de lasten die wij opleggen. Met het opleggen van een last gaan we niet lichtzinnig om. We steken veel tijd, moeite en energie in het vinden van een oplossing in het voortraject (legalisatieonderzoek, gesprekken, afspraken mediation etc.). Dit betekent ook dat als we een last opleggen er echt geen oplossing is gevonden en dat wij verwachten van de overtreder dat de overtreding wordt beëindigd en beëindigd wordt gehouden. In het geval wij een last opleggen, en daarmee A zeggen, vinden wij dat wij ook B moeten zeggen, als de last niet wordt/is opgeheven. Dit betekent dat wij dan ook verbeurde dwangsommen en/of gemaakte kosten (in geval van bestuursdwang) gaan invorderen.
De handhavingsjurist legt vast wanneer en in welke gevallen een dwangsom is verbeurd. Vervolgens legt hij vast of en op welke datum de invordering plaats heeft gevonden. Dit brengt met zich mee dat we in Rx.Mission bij het invoeren van een handhavingsdossier ook goed het juridische handhavingsproces ten aanzien van de invordering moeten vastleggen.
Om te beoordelen of we deze subdoelstelling hebben bereikt schatten wij in dat we 200 uur (0,14 fte) nodig hebben. Deze uren rekenen we toe aan de ondersteuning. Zie bijlage 1 - Capaciteitsoverzicht U&H.
Wij stellen dit doel omdat we de brand- en/of constructieve veiligheidsaspecten bij evenementen willen kunnen waarborgen. Als bij de controle (schouw) blijkt dat van deze voorschriften wordt afgeweken, dan wel dat deze worden overtreden, dan kunnen we dit niet. Als de betreffende afwijking/overtreding nog voorafgaand aan het evenement verholpen kan worden, dan kan/mag het evenement nog doorgang vinden. Wanneer dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat de afwijking/overtreding zodanig is dat hier opnieuw advies over moet worden gevraagd en dit niet meer tijdig kan worden gedaan, betekent dit dat de toezichthouder het evenement annuleert. Deze mondelinge annulering wordt zo spoedig mogelijk opgevolgd door een schriftelijk besluit.
Wanneer er door een toezichthouder bij C-evenement een overtreding is vastgesteld die niet meer voorafgaand aan het evenement ongedaan kan worden gemaakt dan wordt het evenement per direct stilgelegd. De toezichthouder zegt dit mondeling aan en de jurist stelt het handhavingsbesluit op.
Dit brengt met zich mee dat we in Rx-Mission bij het uitvoeren van toezicht goede controlerapporten moeten kunnen vastleggen. Het toezicht vindt op toezichtniveau 4 plaats. Het is dus zaak dat de toezichthouder weet wat toezichtniveau 4 inhoudt. Ook is het zaak dat hij bekend wordt gemaakt met de voorschriften die ten aanzien van de brand- en/of constructieve veiligheid zijn vastgelegd, zodat hij deze volledig kan controleren. Bij het vaststellen van de afwijking/overtreding dient te toezichthouder goed in te kunnen schatten of en in hoeverre de afwijking/overtreding nog te verhelpen is voorafgaand aan het evenement. Hij kan zich hierbij eventueel laten bijstaan door adviseurs op het gebied van brand- en/of constructieve veiligheid. Het is dus zaak dat de toezichthouder hier korte lijnen mee heeft als hij op controle gaat.
Om te beoordelen of we deze subdoelstelling hebben bereikt schatten wij in dat we 16 uur (0,011 fte) nodig hebben. Deze uren rekenen we toe aan de ondersteuning. Zie bijlage 1 - Capaciteitsoverzicht U&H.
Het toezicht op en de handhaving van bestaande bouwwerken en gebouwen met een publieksfunctie in de categorieën 2 en 3 (grotere gebouwen met een publieksfunctie, bijvoorbeeld winkelcentrum, bibliotheek, scholen, sportcentra, gemeentehuis, etc.), gebouwen met een woonfunctie in categorie 3 (grote wooncomplexen) en gebouwen met een industrie of kantoorfunctie in categorie 3 (grote industrie en kantoorpanden). Om ervoor te zorgen dat deze bouwwerken gebouwen met deze omvang en functie (blijven) voldoen aan de wettelijke eisen, is het noodzakelijk om deze gebouwen regelmatig te controleren. In het geval deze gebouwen niet voldoen, levert dit ongewenste risico’s op voor alle gebruikers en bezoekers van deze gebouwen. Daarom willen wij in eerste instantie in beeld krijgen of en in hoeverre deze in onze gemeente aanwezige gebouwen voldoen. Hiervoor gaan we in de komende periode toezicht uitvoeren op deze gebouwen. In het geval er hierbij sprake is van strijdigheden ten aanzien van de brand- en/of constructieve veiligheid, pakken we de juridische handhaving hiervan per direct op.
Wij stellen dit doel omdat we de minimale wettelijke eisen voor bestaande bouwwerken en gebouwen met een publieksfunctie in de categorieën 2 en 3 willen kunnen waarborgen. In het geval de toezichthouder vaststelt dat niet wordt voldaan aan deze minimale wettelijke eisen, zeker als het gaat om brand- en/of constructieve veiligheidseisen dan besluit de toezichthouder dat (delen van) het bouwwerk of gebouw wordt gesloten/buiten gebruik wordt gesteld. Hiervoor hanteert hij de geldende beleids-/werkafspraken. Deze mondeling aangezegde sluiting of buiten gebruik stelling wordt zo spoedig mogelijk opgevolgd door een schriftelijk besluit vanuit de handhavingsjuristen.
Wanneer er door een toezichthouder een overtreding is vastgesteld van de voorschriften voor het minimale niveau voor bestaande bouwwerken en gebouwen met een Publieksfunctie in categorie 2 en 3 en met een Woon-/Industrie- en/of Kantoorfunctie in categorie 3 wordt het bouwwerk of gebouw direct (deels) gesloten of buiten gebruik gesteld. De toezichthouder zegt dit mondeling aan en de jurist stelt het handhavingsbesluit op.
Dit brengt met zich mee dat we in Rx.Mission bij het uitvoeren van toezicht goede controlerapporten moeten kunnen vastleggen. Ook is het zaak dat de constateringen van de toezichthouder kunnen worden opgevolgd met een formeel besluit. Rx.Mission dient hiertoe te worden ingericht.
Om te beoordelen of we deze subdoelstelling hebben bereikt schatten wij in dat we 72 uur (0,051 fte) nodig hebben. Deze uren rekenen we toe aan de ondersteuning. Zie bijlage 1 - Capaciteitsoverzicht U&H.
Het toezicht op en de handhaving van illegale bewoning in een aantal specifieke situaties hebben wij een hoge prioriteit toegekend. Deze hoge prioriteit komt voornamelijk voort uit de veiligheids- en/of gezondheidsaspecten die voor ons zwaar wegen, als ook de kans dat er een overtreding plaatsvindt. De huidige situatie op de woningmarkt maakt dat we de afgelopen jaren steeds meer (zorgelijke) overtredingen constateren. Daarbij verwachten we dat deze situatie in de komende jaren eerder tot meer overtredingen gaat leiden, dan minder. Zeker als we hier geen prioriteit aan zouden geven. Om ervoor te zorgen dat we een zo goed en volledig mogelijk beeld hebben van de huisvestingssituatie in onze gemeente en er geen onveilige, ongezonde en afwijkende woonsituaties ontstaan, gaan we hierop de komende periode met name in deze specifieke gevallen toezicht houden en in die gevallen dat dit noodzakelijk is hierop handhaven.
Wij stellen dit doel omdat wij onveilige en/of ongezonde woon- en leefsituaties willen tegengaan. In die gevallen dat er sprake is van een onveilige en/of ongezonde woon- en leefsituatie is het voor ons belangrijk deze situatie per direct te beëindigen. Dit achten wij ook in het belang van de betreffende bewoner(s), ook al zouden deze bewust voor de betreffende woonsituatie gekozen kunnen hebben.
Wanneer er door een toezichthouder een overtreding is vastgesteld met betrekking tot een illegale bewonings en/of verhuursituatie in combinatie met een onveilige en/of ongezonde woon en leefsituatie wordt het gebouw direct (deels) gesloten. De toezichthouder zegt dit mondeling aan en de jurist stelt het handhavingsbesluit op.
Dit brengt met zich mee dat we in Rx.Mission bij het uitvoeren van toezicht goede controlerapporten moeten kunnen vastleggen. Ook is het zaak dat de toezichthouder bekend is/wordt gemaakt met de voorschriften die ten aanzien van illegale bewoning en/of verhuur gelden. Bij het vaststellen van de overtreding dient te toezichthouder goed in te kunnen schatten wat de aard en de ernst van de overtreding is. Hij kan zich hierbij eventueel laten bijstaan door adviseurs op het gebied van brand- en/of constructieve veiligheid of gezondheid, bijvoorbeeld van de VRU, de ODU of de GGD. Het is dus zaak dat de toezichthouder hier korte lijnen mee heeft, als hij op controle gaat. Ook is het van belang dat de toezichthouder en de jurist handhaving goed kunnen inschatten welke interventie het meest geschikt is in de gegeven situatie.
Om te beoordelen of we deze subdoelstelling hebben bereikt schatten wij in dat we 48 uur (0,034 fte) nodig hebben. Deze uren rekenen we toe aan de ondersteuning. Zie bijlage 1 - Capaciteitsoverzicht U&H.
Sommige bouwprojecten hebben directe impact op de omgevingsveiligheid. Hierbij kan gedacht worden aan bouwprojecten waarbij er sprake is van inzet van zware materialen als bouwkranen, vrachtwagens, shovels, graafmachines e.d. Ook kan gedacht worden aan bouwprojecten waarbij verkeersafzettingen/-omleidingen en/of veel verkeersbewegingen nodig zijn of dat er (tijdelijk) containers of ander materieel op de (openbare) weg moet worden geplaatst. Wij hechten er belang aan dat in deze gevallen de veiligheid op de bouw en in de omgeving goed is gewaarborgd. Daarom hechten wij in deze gevallen zowel bij de omgevingsvergunningaanvraag, als bij het toezicht belang aan de omgevingsveiligheidsaspecten.
Wij stellen dit doel omdat we de omgevingsveiligheidsaspecten willen kunnen waarborgen. Als bij de controles blijkt dat de voorschriften hieromtrent niet worden nageleefd, dan kunnen we dit niet. Afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding besluit de toezichthouder of hij de bouw stillegt. Hiervoor hanteert hij de hiervoor geldende beleids-/werkafspraken. Deze mondeling aangezegde stillegging wordt zo spoedig mogelijk opgevolgd door een schriftelijk besluit.
Wanneer er door een toezichthouder een overtreding is vastgesteld van de voorschriften met betrekking tot de omgevingsveiligheid worden de bouwwerkzaamheden direct stilgelegd. De toezichthouder zegt dit mondeling aan en de jurist stelt het handhavingsbesluit op.
Dit brengt met zich mee dat we in Rx.Mission bij het uitvoeren van toezicht goede controlerapporten moeten kunnen vastleggen. Het toezicht vindt op toezichtniveau 4 plaats. Het is dus zaak dat de toezichthouder weet wat toezichtniveau 4 inhoudt. Ook is het zaak dat hij bekend wordt gemaakt met de voorschriften die ten aanzien van de omgevingsveiligheid zijn vastgelegd, zodat hij deze volledig kan controleren. Bij het vaststellen van de overtreding dient te toezichthouder goed in te kunnen schatten wat de aard en de ernst van de overtreding is. Hij kan zich hierbij eventueel laten bijstaan door adviseurs op het gebied van omgevingsveiligheid. Het is dus zaak dat de toezichthouder hier korte lijnen mee heeft als hij op controle gaat. Ook is het van belang dat de toezichthouder goed kan inschatten welke interventie het meest geschikt is in de gegeven situatie.
Om te beoordelen of we deze subdoelstelling hebben bereikt schatten wij in dat we 32 uur (0,022 fte) nodig hebben. Deze uren rekenen we toe aan de ondersteuning. Zie bijlage 1 - Capaciteitsoverzicht U&H.
Onze naleefstrategie bestaat uit de volgende deelstrategieën:
Preventiestrategie (1/2) -gericht op het voorkomen van overtredingen
We informeren inwoners/ondernemers, initiatiefnemers en samenwerkingspartners actief om draagvlak te creëren en overtredingen te voorkomen. Via voorlichting wordt zoveel mogelijk voorkomen dat overtredingen ontstaan door een gebrek aan informatie en kennis. Inwoners en ondernemers worden geïnformeerd door de gemeente over verandering van wet- en regelgeving, de op hun rustende melding- of vergunningplicht, indieningsvereisten en mogelijkheden tot aanvragen van vergunningen. Voorlichting vindt o.a. plaats door:
Bij en/of na grootschalige/belangrijke activiteiten gaan we altijd in overleg met de betrokken partijen. Hiermee willen we ervoor zorgen dat:
Gemeente De Bilt is aangesloten bij MeanderOmnium, een organisatie die buurtbemiddeling kan inzetten. Ook wordt later in het proces, bij bezwaarprocedures, mediation aangeboden wanneer partijen daarvoor open staan. Daarbij faciliteert de gemeente het eerste gesprek.
In handhavingszaken wordt in persoonlijk overleg getreden met de overtreder, tenzij er sprake is van bijzondere en/of spoedeisende omstandigheden.
Hiermee willen we ervoor zorgen dat:
Preventiestrategie (2/2) - gericht op het voorkomen van overtredingen
Het naleefgedrag wordt bevorderd door in te zetten op voorlichting en het uitleggen van het doel van regels. Het uitgangspunt is een klantgerichte en klantvriendelijke benadering, waarbij binnen de kaders steeds gezocht wordt naar een passende oplossing. Als een initiatiefnemer/aanvrager er met de geboden informatie en voorlichting niet uit komt, dan is een gesprek met een medewerker van de gemeente mogelijk.
Juridische sancties kunnen ook een preventief karakter hebben en kunnen om die reden ook deels worden gezien als onderdeel van de preventieve strategie. Het consequent opleggen en uitvoeren van sancties kan bijdragen aan betere naleving van regels door anderen. In paragraaf 5.4 gaan we verder in op de sanctiestrategie. De uitwerking en inzet van de handhavingsinstrumenten wordt beschreven in de op te stellen uitvoeringsprogramma’s.
Vergunningenstrategie (1/5) - gericht op het reguleren van activiteiten
De diepgang van de toetsing van aanvragen is afhankelijk van de risico’s van de aangevraagde activiteit. Hierin onderscheiden we vijf toets niveaus. De bedoeling van de Omgevingswet is dat initiatiefnemers meer ruimte krijgen voor initiatieven maar ook zelf meer verantwoordelijkheid hebben voor deze initiatieven. Overheden, ondernemers én inwoners zijn (samen) verantwoordelijk voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. En dus niet alleen de overheid. Het risicogericht werken volgt deze gedachtenlijn.
Door risicogericht te werken zetten wij de beschikbare capaciteit in daar waar de (bouw- en omgevings-) risico’s het grootst zijn en waarvoor onze deskundigheid en kennis (het meest) nodig is. Deze verdeling in inzet is gelegitimeerd omdat bij de behandeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen moet worden bepaald of het aannemelijk is dat aan deze normen wordt voldaan. Deze aannemelijkheidstoets biedt enige ruimte om te kunnen variëren in de intensiteit van toetsen. Door risicogericht te werken kunnen activiteiten met een verlaagd risico minder uitputtend worden getoetst dan activiteiten met een verhoogd risico.
Onder risicogericht toetsen verstaan wij het volgende: de prioritering van de activiteiten bepaalt de diepgang van de toetsing aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Een activiteit met een gemiddelde prioriteit toetsen we op niveau 2 en een activiteit met een zeer hoge prioriteit toetsen we op niveau 4.
Vergunningenstrategie (2/5) - gericht op het reguleren van activiteiten
Voorgaande leidt tot de volgende toets intensiteit (elk volgend hogere toets niveau is een aanvulling op het vorige toets niveau):
Naast de vaste risicobepaling en de daarbij behorende toets niveaus is er, te allen tijde ruimte om op basis van kennis en kunde per aanvraag om omgevingsvergunning een inschatting te maken of het bepaalde toets niveau in dat specifieke geval adequaat is. In de praktijk betekent dit dat er in specifieke gevallen gemotiveerd afgeweken kan worden van het vastgelegde niveau.
Voor het behandelen en beoordelen van aanvragen en meldingen hanteren wij vaste toetsingskaders. Deze kaders komen voort uit de wet en/of ons vastgestelde beleid. Hieronder vermelden wij de belangrijkste en meest gebruikte toetsingskaders. Een overzicht van het gehele toetsingskader leest u onder Wettelijk kader (1.2).
Omgevingswet, Omgevingsbesluit, Omgevingsregeling
De Omgevingswet (Ow), Omgevingsbesluit (Ob), Omgevingsregeling (Or) bieden het algemene landelijk kader voor de beoordeling en toetsing van aanvragen omgevingsvergunningen. In deze wettelijke regelingen staan alle algemene wettelijke eisen voor het indienen en behandelen van aanvragen omgevingsvergunningen. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet betreft het de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling. Daarnaast wordt het onder de Omgevingswet mogelijk om in het omgevingsplan bijvoorbeeld de indieningseisen voor het indienen van aanvragen omgevingsvergunningen vast te leggen.
Vergunningenstrategie (3/5) - gericht op het reguleren van activiteiten
Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl)
Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) geeft landelijk geldende regels voor de technische eisen waaraan bouwwerken dienen te voldoen. Het bevat voorschriften met betrekking tot het bouwen van bouwwerken uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Bij het toetsen van aanvragen voor de activiteit bouwen aan het Bbl leggen wij altijd de nadruk op de onderdelen constructieve veiligheid, brandveiligheid en duurzaamheid. De aandacht voor de overige aspecten uit het Bbl kan verschillen afhankelijk van de aanvraag. Dit naar beoordeling van de vergunningverlener(s).
Planologische kaders - Omgevingsplan
De gemeente toetst iedere omgevingsvergunningaanvraag aan de geldende planologische kaders. Deze liggen voornamelijk vast in het (tijdelijk) geldende omgevingsplan, waarin regels zijn opgenomen over onder andere de geldende bestemmingen, definities, gebruiksvoorschriften, bouwvoorschriften, afwijkingsregels en overgangsregels. Doel hiervan is om de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente De Bilt te beschermen en te borgen. Wanneer een aanvraag niet past binnen de geldende planologische kaders kan in bepaalde gevallen alsnog een vergunning verleend worden, bijvoorbeeld door middel van een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse-) omgevingsplanactiviteit (Opa of Bopa). Er wordt dan getoetst of het initiatief voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Toetsing vindt plaats aan de hand van het beleid of een bij de aanvraag ingediende ruimtelijke onderbouwing.
Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb)
Met de invoering van de Wkb per 1 januari 2024 dient de opdrachtgever voor bouwwerken die binnen Gevolgklasse 1 (vooralsnog alleen nieuwbouw) vallen een Bouwmelding in te dienen. Deze melding dient uiterlijk 4 weken voor de start van de bouw gedaan te zijn. Twee dagen voor de start van de bouwwerkzaamheden dient er een startmelding gedaan te zijn. Aan het eind van het bouwproces dient er een gereedmelding gedaan te worden. Het zogenaamde dossier bevoegd gezag wordt dan ingediend bij de gemeente. Hierin dient onder andere de akkoordverklaring van de kwaliteitsborger aanwezig te zijn. Deze opeenvolgende meldingen zijn per 1 januari 2024 nieuwe vormen van dienstverlening die we moeten gaan toepassen. Hiervoor zijn werkprocessen opgesteld en opgenomen in Rx.Mission.
De Wet Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur) geeft de gemeente de mogelijkheid de achtergrond van een bedrijf of persoon te laten onderzoeken. Als er ernstig gevaar dreigt dat bijvoorbeeld een vergunning of een subsidie wordt misbruikt voor criminele activiteiten, dan kan de gemeente de aanvraag weigeren of de afgegeven vergunning of subsidie intrekken. Wij maken gebruik van de mogelijkheden die wet Bibob biedt en heeft daarvoor de ‘Beleidsregels Bibob gemeente De Bilt 2025’ vastgesteld.
De gemeente heeft de taak risico's die kunnen ontstaan bij de sloop van bouwwerken en asbestverwijdering door particulieren, beheersbaar te houden. Als dergelijke activiteiten worden uitgevoerd is men wettelijk verplicht dit minimaal vier weken, en in sommige specifieke gevallen binnen vijf dagen, conform het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) van tevoren te melden. Deze melding moet binnen acht dagen gedaan worden als het een melding asbestverwijdering door particulieren betreft.
Het behandelen van aanvragen doen wij op basis van vastgelegde processen. Deze werkprocessen zijn opgenomen in Rx.Mission, zie Bijlage 2 - Werkprocessen U&H
Oude ongebruikte vergunningen trekken wij in. Hiertoe hanteren wij onder andere de ‘Beleidsregels intrekken omgevingsvergunning bouwactiviteit’.
Vergunningenstrategie (4/5) - gericht op het reguleren van activiteiten
Bouwmelding, Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb)
Het niet toetsen van een aanvraag om een omgevingsvergunning aan de bouwtechnische eisen uit het Bouwbesluit 2012 (toets niveau 0) komt nu niet voor. Met de komst van de Wkb verandert echter de rol van de gemeente tijdens het bouwproces. Inwerkingtreding van de Wkb heeft aan de voorkant tot gevolg dat er in het kader van vergunningverlening geen bouwtechnische toets meer plaatsvindt voor gevolgklasse 1 bouwwerken. De preventieve toets van het bouwplan aan de bouwregelgeving vooraf wordt vervangen door toetsing en toezicht door private kwaliteitsborgers. Voor deze bouwwerken geldt dan wel een toets niveau 0.
Het betreft, met uitzondering van monumenten en gelijkwaardigheid ten aanzien van brandveiligheid en constructie, de volgende gevolgklasse 1 bouwwerken:
Andere bovengrondse bouwwerken die geen gebouw zijn, tot maximaal 20 meter hoog. Denk aan kleine zendmasten, antennes, keermuren, walmuren, kademuren, gemalen of kleine windmolens. Waterkerende constructies (zoals stuwen en sluizen) vallen niet onder gevolgklasse 1. Wanneer er sprake is van een meldingsplicht, is de Wkb zoals gezegd van toepassing voor de technische bouwactiviteit. Wij handelen de onderdelen van de melding met verschillende diepgang af. Zie voor de betekenis van de verschillende niveaus de tabel op 2/5.
Bouwmelding, Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb)
Bij een melding worden voor elk type bouwwerk in gevolgklasse 1 onderstaande onderdelen met bijbehorende diepgang van afhandeling onderscheiden. Het uitgangspunt hierbij is de risico-gestuurde benadering.
De grijze onderdelen van deze tabel vallen niet onder de Wkb, maar hebben daar wel een relatie mee. Om die reden staat er wel bij hoe we ernaar kijken wanneer een bouwmelding binnen komt. Na acceptatie van de bouwmelding moet een melding ‘start bouw’ worden gedaan. Bij de melding ‘start bouw’ dient men rekening te houden specifieke lokale omstandigheden. Dit dient terug te komen in het borgingsplan en in de risicoanalyse. De specifieke lokale omstandigheden moeten kenbaar zijn gemaakt door de gemeente.
De gemeente De Bilt neemt deze omstandigheden in ieder geval op in dit document. Ook worden de specifieke lokale omstandigheden in gemeente op onze website gepubliceerd.
Vergunningenstrategie (5/5) -gericht op het reguleren van activiteiten
Gereedmelding Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (dossier bevoegd gezag Wkb)
Hoe deze taak wordt uitgevoerd, vloeit voort uit onderstaande tabel. Onderstaande tabel verklaart de betekenis het toetsingsniveau.
|
Gebruiksfuncties, verblijfsgebieden en ruimtes, afmetingen en bezetting |
|
|
Gegevens en bescheiden over toegepaste gelijkwaardige maatregelen |
Toezichtstrategie (1/3) - gericht op het controleren van activiteiten
Ons toezicht is gericht op risicovolle activiteiten. Hierin onderscheiden we vijf toezicht niveaus. Het risicogericht toezicht komt direct voort uit het afgeven van beschikkingen (vergunningen, meldingen, ontheffingen etc.). Door het toezicht risicogericht te organiseren, wordt toezicht daar gehouden waar onze kennis en kunde het meest nodig is. Waar de risico’s het hoogst zijn wordt intensiever toezicht gehouden, daar waar de risico’s minder of laag zijn, wordt minder intensief toezicht gehouden. Bij het risicogericht toezicht houden komt de prioritering van de activiteiten, zoals bepaald in de risicoanalyse, samen met het diepteniveau waarop er toezicht gehouden wordt. Dit leidt tot de onderstaande werkwijze. Let wel, voor toezicht mag er in specifieke gevallen gemotiveerd worden afgeweken.
De frequentie van het toezicht bepalen we op basis van de risicomatrix. Zie bijlage 02 – Werkprocessen U&H.
De be-/afhandeling van het toezicht naar aanleiding van klachten/meldingen, verzoeken om handhaving vindt plaats op basis van de prioritering van de betreffende activiteit(-en). De toezichthouders hebben naast het controleren van verleende vergunningen, meldingen en ontheffingen ook een belangrijke taak bij het opsporen van illegale bouwwerken en activiteiten. Vaak wordt daarbij geacteerd naar aanleiding van klachten, meldingen of een formeel verzoek om handhaving. Daarnaast worden ook constateringen gedaan door de toezichthouder zelf. Niet alle klachten, meldingen en/of verzoeken om handhaving resulteren in een controle. Dat is afhankelijk van de prioriteitstelling en aard en ernst van de melding. De toezichthouder bepaalt bij het in behandeling nemen van de klacht/melding de aard en de ernst van de gemelde activiteit. Als er volgens de beoordeling van de toezichthouder mogelijk sprake is van een ernstige, gevaarlijke of spoedeisende situatie (zeer hoge prioriteit), pakt deze de klacht direct op. In het geval dit niet zo is, dan pakt de toezichthouder de klacht als volgt op. De toezichthouder bepaalt van welke activiteit(en) er sprake is door contact te hebben met de melder. Op basis van de prioriteit van de bepaalde activiteit(en) volgens de U&H-strategie bepaalt de toezichthouder het vervolg en deelt dit met de klager/melder. Voor toezicht mag er in specifieke gevallen gemotiveerd worden afgeweken.
Toezichtstrategie (2/3) - gericht op het controleren van activiteiten
De be-/afhandeling van het toezicht naar aanleiding van klachten/meldingen, verzoeken om handhaving vindt plaats op basis van de prioritering van de betreffende activiteit(-en). De toezichthouders hebben naast het controleren van verleende vergunningen, meldingen en ontheffingen ook een belangrijke taak bij het opsporen van illegale bouwwerken en activiteiten. Vaak wordt daarbij geacteerd naar aanleiding van klachten, meldingen of een formeel verzoek om handhaving. Daarnaast worden ook constateringen gedaan door de toezichthouder zelf. Niet alle klachten, meldingen en/of verzoeken om handhaving resulteren in een controle. Dat is afhankelijk van de prioriteitstelling en aard en ernst van de melding. De toezichthouder bepaalt bij het in behandeling nemen van de klacht/melding de aard en de ernst van de gemelde activiteit. Als er volgens de beoordeling van de toezichthouder mogelijk sprake is van een ernstige, gevaarlijke of spoedeisende situatie (zeer hoge prioriteit), pakt deze de klacht direct op. In het geval dit niet zo is, dan pakt de toezichthouder de klacht als volgt op. De toezichthouder bepaalt van welke activiteit(en) er sprake is door contact te hebben met de melder. Op basis van de prioriteit van de bepaalde activiteit(en) volgens de U&H-strategie bepaalt de toezichthouder het vervolg en deelt dit met de klager/melder.
De uitgangspunten voor dit vervolg zijn:
Ons toezicht doen we zo slim mogelijk, d.w.z. Integraal, Doelmatig, Efficiënt en Effectief. Hiermee willen wij de ‘belasting’ voor de gecontroleerde(n) zoveel mogelijk beperken. We gebruiken zoveel mogelijk informatie (data) voor het uitvoeren van het toezicht. Onze toezichthouders voeren het toezicht zo integraal mogelijk uit. Dit betekent dat onze toezichthouders zoveel mogelijk controles houden met elkaar (ook met partners), voor elkaar (ook voor partners) of na elkaar.
Toezichtstrategie (3/3) - gericht op het controleren van activiteiten
Ons toezicht voeren wij uit op basis van vastgelegde werkprocessen. Deze zijn vastgelegd in Bijlage 02 - Werkprocessen U&H.
Ons toezicht richt zich op ondermijnende activiteiten. De aanpak van ondermijning wordt uitgevoerd onder regie van het taakveld openbare orde en veiligheid. Echter is hierin ook een rol weggelegd voor de bouwtoezichthouders. Iedere interne- en/of externe partner sluit bij controles aan vanuit zijn/haar eigen verantwoordelijkheid. Voor de bouwtoezichthouders betreft het een controle op de bouwregelgeving (bouw- en omgevingsveiligheid) en het gebruik in relatie tot het bestemmings-/omgevingsplan. Eventueel kan ook een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) betrokken zijn in het kader van openbare orde en veiligheid.
Toezicht op de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb)
Toezicht naar aanleiding van een bouwmelding op basis van de Wkb voor het bouwen vindt ook risicogericht plaats. Op bepaalde momenten houden we vinger aan de pols. We handelen zoveel mogelijk overeenkomstig de gedachte van de Wkb (loslaten van toezichttaken). Zie hiervoor onderstaande tabel.
Sanctiestrategie (1/2) - gericht op het handhavend optreden tegen overtredingen
Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO)
Wij hanteren de LHSO als richtlijn voor ons handhavend optreden. Hierdoor treden handhavende instanties, zoals overheden, omgevingsdiensten, het Openbaar Ministerie (OM) en de politie op eenzelfde wijze op bij overtredingen. Zo ontstaat een gelijk speelveld. De LHSO is een landelijk geldend afwegingsinstrument dat gemeenten kunnen volgen om van een bevinding (vaststellen van een overtreding) naar een interventie (wijze/mate van handhavend optreden) te bewegen. De LHSO heeft als doel dat overheden interveniëren op een wijze die passend is bij iedere bevinding.
Dat wil zeggen dat gemeenten weloverwogen kiezen - afhankelijk van de situatie - voor alleen bestuursrechtelijk, bestuurs- en strafrechtelijk of alleen strafrechtelijk optreden. Op basis van de ernst van de overtreding en het gedrag van de overtreder wordt informerend, waarschuwend of bestuursrechtelijk en/of strafrechtelijk opgetreden. In vergelijkbare situaties worden vergelijkbare keuzes gemaakt en interventies op vergelijkbare wijze gekozen. De term ‘handhavingsstrategie’ drukt uit dat interveniëren breder is dan het opleggen van sancties. Zoals hierboven reeds aangegeven hechten wij waarde aan het persoonlijke contact. Het zoeken van persoonlijk contact met een overtreder is daarom, voorafgaand aan een formele waarschuwing, vaak de eerste stap. Daarnaast erkent de LHSO dat er omstandigheden kunnen zijn om tijdelijk van (bestuursrechtelijk) handhaven af te zien, ofwel te gedogen (zie gedoogstrategie). Dit laat eventuele strafvervolging door het OM overigens onverlet. Met de LHSO wordt d.m.v. het doorlopen van een aantal stappen een passende interventie bij iedere overtreding bepaald. De exacte inhoud van de LHSO en de hierin opgenomen stappen met de interventiematrix, de leidraad voor handhavingsacties, dwangsombedragen en begunstigingstermijnen vindt u in bijlage 3 - LHSO en bijlage 4 - Richtlijn dwangsombedragen en begunstigingstermijnen
De be- en afhandeling van handhavingszaken (zaken die niet voortkomen uit een verzoek om handhaving) vindt plaats op basis van onze prioritering. Dit betekent dat we voor deze zaken bepalen welke prioriteit de betreffende activiteit heeft. Op basis van deze prioritering houden als uitgangspunt we het volgende aan:
Bij zaken met betrekking tot (een) activiteit(en) die een gemiddelde prioriteit hebben, beoordelen we eerst of en in hoeverre er sprake is van belangen en/of omstandigheden op basis waarvan duidelijk moet worden of en in hoeverre we het handhavend optreden gaan oppakken. Hier vindt dus eerst een toets van belangen en omstandigheden plaats;
Zaken met betrekking tot (een) activiteit(en) die een lage of zeer lage prioriteit hebben, worden geregistreerd en gewraakt. De registratie van de betreffende zaak vindt plaats op een lijst waarvan wij jaarlijks evalueren of we de prioriteit van de zaken op de lijst moeten aanpassen. Deze jaarlijkse evaluatie kan leiden tot een wijziging in de prioriteit, waardoor een zaak alsnog wordt opgepakt volgens de genoemde uitgangspunten. Het kan er ook toe leiden, bijvoorbeeld in het geval van veel voorkomende/soortgelijke overtredingen, dat we deze zaken dan projectmatig oppakken.
In het geval van een verzoek om handhaving zijn we gehouden aan de wettelijke kaders die hiervoor gelden. Op een formeel verzoek om handhaving dient namelijk altijd een besluit te volgen binnen de hiervoor wettelijke gestelde termijnen. Echter, om te voorkomen dat wij worden betrokken bij, bijvoorbeeld een geschil tussen buren (wat in de handhavingspraktijk veel en ook steeds vaker voorkomt), wegen we altijd de belangen van de betrokkenen goed af. Dit houdt in dat wij bij een verzoek om handhaving de verzoeker bijvoorbeeld expliciet kunnen vragen om aan te geven welk specifiek individueel belang hij heeft. Dit belang, kunnen we dan afwegen tegen het algemeen belang dat wij dienen met handhaving. Om te komen tot een zorgvuldig besluit, wegen we ook altijd de prioriteit van de betreffende activiteit(en) mee. Het geheel van alle overwegingen bij elkaar en in verhouding tot elkaar, maakt tot welk besluit o het verzoek wij komen. In het geval van nieuwe zaken leggen we, net als bij vergunningverlening en toezicht, de prioritering van zaken vast in het werkproces. Dit borgen wij in Rx.Mission.
Sanctiestrategie (2/2) - gericht op het handhavend optreden tegen overtredingen
Handhaving tegen bestuursorganen
In de praktijk kan het voorkomen dat de gemeente De Bilt of een ander bestuursorgaan een overtreding begaat waartegen handhavend moet worden opgetreden. Handhavend optreden tegen (andere) bestuursorganen doen we volgens onze U&H-strategie. Overtredingen door eigen of andere bestuursorganen worden dus op eenzelfde manier aangepakt en afgehandeld als overtredingen door inwoners en bedrijven. Bestuursorganen moeten zich immers net zo goed aan de wet houden als burgers en bedrijven.
Als bestuursorganen ongestraft regels overtreden of onjuist toepassen, ondermijnt dat het vertrouwen in de rechtsstaat. Daarbij zijn wij van mening dat bestuursorganen een voorbeeldfunctie in de maatschappij hebben en dat dit bijdraagt aan het vertrouwen in de overheid. In dit soort situaties handelen wij extra zorgvuldig zijn wij hier transparant over.
Handhaving van de Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb)
Voor het handhavend optreden tegen overtredingen van de Wkb zijn onderstaande keuzes gemaakt als het gaat om de handelswijze bij bepaalde situaties.
|
Gereedmelding ontbreekt, in gebruik genomen (deeloplevering met melding borger strijdigheid). |
||||||||||
*SA = Staken activiteiten (bouwstop met last onder dwangsom).
**HS2 = Niet in gebruik nemen/buiten gebruik stellen/herstellen.
Gedoogstrategie (1/2) - gericht op het gemotiveerd accepteren van overtredingen
De beginselen van onze rechtsstaat vereisen dat het aangewezen bestuursorgaan actief toeziet op naleving van de wet en bij overtreding passende en effectieve handhavingsmaatregelen treft. Het bestuursorgaan moet die taak uitoefenen in overeenstemming met de algemene rechtsbeginselen, zoals deze in de rechtspraak zijn ontwikkeld en in de Algemene wet bestuursrecht zijn vastgelegd. Die rechtsbeginselen kunnen evenwel rechtvaardigen en het zelfs nodig te laten zijn, dat in bepaalde gevallen geen herstelsanctie wordt opgelegd. Om te zorgen dat met dit dilemma op verantwoorde wijze wordt omgegaan, is het noodzakelijk grenzen aan het gedogen en voorwaarden te stellen om te voorkomen dat niet lichtvaardig of willekeurig wordt gedoogd. Alleen in uitzonderingsgevallen kan gedogen aanvaardbaar of zelfs geboden zijn. Gewaarborgd dient te zijn, dat van de bevoegdheid tot gedogen terughoudend, zorgvuldig en verantwoord gebruik wordt gemaakt én dat gedogen daadwerkelijk beperkt blijft tot uitzonderingsgevallen.
Gedogen is daarom slechts aanvaardbaar:
Gedogen kan slechts in uitzonderingsgevallen aanvaardbaar zijn. Daarbij geldt steeds dat de afweging die de wetgever heeft gemaakt, niet op uitvoerend en handhavend niveau over mag worden gedaan. In de volgende situaties kan gedogen evenwel gerechtvaardigd of soms zelfs geboden zijn:
Dat gedogen slechts in uitzonderingsgevallen aanvaardbaar kan worden geacht, brengt ook met zich mee dat de mate waarin wordt gedoogd zoveel mogelijk in omvang en/of tijd moet worden beperkt. Het gedogen dient niet langer te duren en niet in grotere mate plaats te vinden dan gerechtvaardigd wordt door de anders optredende onbillijkheid of door het achterliggende of zwaarder wegende belang dat het gedogen rechtvaardigt. Als het gedogen omvangrijk of structureel dreigt te worden, dient heroverweging van de norm zelf plaats te vinden. Wanneer en zolang er geen structurele verbetering van de norm mogelijk is kan gedogen voor langere tijd toch aanvaardbaar zijn,.
In beginsel wordt geen enkele overtreding gedoogd. Uitzondering hierop zijn gevallen waarbij handhaving zou leiden tot een onevenredige en daardoor onrechtmatige schending van één of meerdere betrokken belangen, indien sprake is van een uitzicht op legalisatie. Voor mogelijke gedoogsituaties gelden de volgende voorwaarden:
Gedogen kan slechts in uitzonderingsgevallen en onder zorgvuldige belangenafweging worden toegepast mits het zoveel mogelijk in omvang en tijd beperkt is. Hierbij kan gedacht worden aan het tijdelijk toestaan van een niet legale bewoning daar waar humane redenen directe handhaving niet wenselijk maken.
Gedoogstrategie (2/2) - gericht op het gemotiveerd accepteren van overtredingen
Het gedogen vindt uitsluitend actief (dus schriftelijk en onder voorwaarden) plaats. Dit betekent dat passief gedogen niet aanvaardbaar is. Bij actief gedogen is er sprake van een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dit heeft tot gevolg dat de belangen van alle belanghebbenden in de belangenafweging moeten worden meegenomen.
Zoals gezegd willen wij zoveel mogelijk aansluiten bij de beschikking die wij te zijner tijd op een melding of aanvraag nemen. De betrokkene wordt gehoord over het voornemen een gedoogbeschikking te nemen. De beschikking wordt gepubliceerd. Gedogen is een heel bijzondere vorm van het toestaan van overtredingen. De overtreder doet dit op eigen risico. Een andere overheid die bevoegd is voor dezelfde activiteit tot handhaving over te gaan heeft het volste recht dat te doen. In de beschikking wijzen wij de overtreder daarop. Het Openbaar Ministerie heeft, net als andere overheden, een eigen verantwoordelijkheid. Wij gaan ervan uit dat het Openbaar Ministerie het op prijs stelt dat wij hen informeren over gedoogsituaties. Een passend moment daarvoor is het moment waarop wij het voornemen een gedoogbeschikking te nemen aan de overtreder sturen.
Wij vinden dat de procedure die wordt gevolgd voor het opleggen van een handhavingsbeschikking ook voor het geven van een gedoogbeschikking toepasbaar is. Het voornemen tot gedogen wordt kenbaar gemaakt aan de direct belanghebbende(n). Deze wordt/worden daarover gehoord en kan/kunnen zienswijze(n) indienen. Wij stellen ook het Openbaar Ministerie, de Inspectie en eventuele andere relevante samenwerkingspartners van het voornemen op de hoogte. Ook zij kunnen desgewenst reageren. Soms zijn ook omwonenden als derde belanghebbenden betrokken bij een gedoogbeschikking. Dit is het geval als de gedoogbeschikking niet tot hen is gericht, maar zij in zekere zin wel getroffen worden. Een gedoogbeschikking is immers een beslissing om niet handhavend op te treden. Zorgvuldigheid in de richting van omwonenden is daarom van groot belang. De betrokkenheid van omwonenden kan blijken uit klachten over naleving van regels en uit verzoeken om handhavend op te treden. In dergelijke gevallen kunnen omwonenden bezwaar hebben tegen het afgeven van een gedoogbeschikking. In lijn met het voorgaande stellen wij direct betrokken omwonenden in de gelegenheid hun zienswijze naar voren te brengen over het voornemen een gedoogbeschikking te geven. Op basis van de adviezen van het Openbaar Ministerie, de Inspectie, de zienswijzen van de betrokkene en van de omwonenden bepalen we of de gedoogbeschikking wordt gegeven. Alle belangen worden afgewogen. De gedoogbeschikking wordt vervolgens gepubliceerd. Tegen de gedoogbeschikking kan op basis van de Algemene wet bestuursrecht een bezwaarschrift worden ingediend, gevolgd door beroep. Wie precies bezwaar kunnen maken en welke instantie de beroepsinstantie is, is afhankelijk van de regelgeving waarop de gedoogbeschikking is gebaseerd
6.1 Uitvoering (Vergunningverlening en Toezicht) en Handhaving 2026
6.2 Beschikbare capaciteit 2026/2027
De beschikbare formatieve capaciteit voor de uitvoering van de U&H-taken is voor 2026/2027 als volgt opgebouwd:
|
Totale capaciteit U&H (vergunningverlening, toezicht, handhaving en ondersteuning) |
||||||
|
Inzetbare capaciteit U&H taken (vergunningverlening, toezicht, handhaving) |
||||||
1 1 fte staat gelijk aan 1425 uur.
2 Van de taakvelden vergunningverlening, toezicht en handhaving reserveren we 10% van de beschikbare capaciteit voor onverwachte werkzaamheden en/of de inzet van de medewerkers op niet-inhoudelijke taken, zoals bijvoorbeeld de implementatie van de Rx.Mission, het inregelen en bijsturen van werkprocessen, opleidingen, werkoverleggen etc. Zie hiervoor Bijlage 1 - Capaciteitsoverzicht U&H.
De totale formatieve capaciteit voor de uitvoering van de U&H-taken in 2026/2027 bedraagt 15,55 fte (22.159 uur). Echter, de capaciteit ondersteuning met specialisatie beleid, applicatiebeheer Rx.Mission en Frontoffice rekenen we niet mee als het gaat om de beschikbare capaciteit voor de daadwerkelijke uitvoering van de U&H-taken. Dit betekent dat we uitgaan van in totaal 12,05 fte (17.171 uur) aan beschikbare capaciteit voor de uitvoering van de U&H-taken.
6.3 Benodigde capaciteit 2026/2027
Op basis van de kengetallen van de afgelopen jaren hebben we ook een inschatting gemaakt van de benodigde capaciteit om de U&H-taken uit te kunnen voeren. Hiervoor verwijzen wij naar Bijlage 1 - Capaciteitsoverzicht U&H. Per taakveld en specialisatie delen we de te programmeren uren voor 2026/2027 op in drie onderdelen:
1) Geprogrammeerde werkzaamheden & projecten
Dit zijn alle activiteiten die volgens onze U&H-strategie een hoge prioriteit hebben. De capaciteit voor de uitvoering van onze U&H-taken voor deze hoog geprioriteerde activiteiten programmeren wij zo concreet als mogelijk. De uitvoering van deze werkzaamheden leggen we vast op onze activiteitenkaarten (H6 van de Evaluatierapportage 2025 en Uitvoeringsprogramma 2026). Los van de geprogrammeerde werkzaamheden kan het zijn dat wij in het kader van de uitvoering van onze U&H-strategie of vanuit andere programma’s concrete projecten uitvoeren, waarvoor wij onze U&H-capaciteit inzetten. Hierbij kan gedacht worden aan projecten als: Project intrekking van oude omgevingsvergunningen, Project Huisvestingsproblematiek, Project Veelplegers, Project Ondermijning etc. Per taakveld/specialisatie geven we aan hoeveel capaciteit we hiervoor programmeren.
2) Niet-geprogrammeerde (reguliere) werkzaamheden
Dit zijn de werkzaamheden die voortkomen uit aanvragen, verzoeken, klachten en meldingen. Kortom, vraag-gestuurde reguliere werkzaamheden. Dit zijn dus ook werkzaamheden die we uitvoeren voor de U&H-activiteiten met een gemiddelde en lage prioriteit. Per taakveld/specialisatie geven we aan hoeveel capaciteit we hiervoor programmeren.
De uren die we reserveren voor ‘onvoorzien’ reserveren we om adequaat te kunnen reageren op gebeurtenissen of ontwikkelingen die we op dit moment nog niet kunnen voorzien, zoals bijvoorbeeld inspectiesignalen, crisissituaties, maar ook de verdere implementatie van de Rx.Mission, het inregelen en bijsturen van werkprocessen, opleidingen, werkoverleggen etc. Wanneer dergelijke gebeurtenissen of ontwikkelingen gedurende het jaar niet plaatsvinden zetten wij deze uren naar rato in voor geprogrammeerde werkzaamheden, projecten of niet-geprogrammeerde werkzaamheden. Per taakveld/specialisatie reserveren wij hiervoor 10% van de beschikbare capaciteit.
Wanneer het gaat om het verschil tussen de beschikbare en benodigde capaciteit volgt hieruit het volgende (voor een volledige onderbouwing van de capaciteit zie ‘Bijlage 1 - Capaciteitsoverzicht U&H’):
Voor het taakveld uitvoering met specialisatie vergunningverlening hebben we volgens onze inschatting 8.538 uur (5,99 fte) nodig om de U&H-taken volgens het Uitvoeringsprogramma 2026/2027 uit te voeren. Afgezet tegen de beschikbare 8.778 uren (6,16 fte) betekent dit dat wij in 2026/2027 verwachten voldoende capaciteit te hebben voor uitvoering van onze U&H strategie en het Uitvoeringsprogramma 2026/2027.
Voor het taakveld uitvoering met specialisatie toezicht hebben we volgens onze inschatting 4.241 uur (2,98 fte) nodig om de U&H-taken volgens het Uitvoeringsprogramma 2026 uit te voeren. Afgezet tegen de beschikbare 4.275 uren (3,00 fte) betekent dit dat wij in 2026/2027 verwachten voldoende capaciteit te hebben voor uitvoering van het Uitvoeringsprogramma 2026/2027. Daarbij verwachten wij dat de verbeteringen die we doorvoeren in onze processen, als ook de implementatie Rx.Mission bijdragen aan het efficiënter en effectiever kunnen werken van onze toezichthouders. Ook zal het meer risicogestuurd en meer op basis van de prioriteiten werken toezichthouders helpen in het beter kunnen afhandelen van toezichtzaken.
Voor het taakveld handhaving met specialisatie juridische handhaving hebben we volgens onze inschatting 4.132 uur (2,90 fte) nodig om de U&H-taken volgens het Uitvoeringsprogramma 2026/2027 uit te voeren. Afgezet tegen de beschikbare 4.118 uren (2,89 fte) betekent dit dat wij in 2026/2027 verwachten voldoende capaciteit te hebben voor uitvoering van het Uitvoeringsprogramma 2026/2027.
6.4 Financiële borging en middelen
De financiële borging voor de inzet van de beschikbare capaciteit en de nodige middelen ligt vast in de gemeentelijke jaarlijkse begroting. De totale personeelsbegroting is daarin het product van de formatie vermenigvuldigd met het normbedrag per loonschaal.
Het uitvoeringsbudget van team VTH bedraagt: € 1.533.706 (personeelslasten).
De uitvoeringskosten voor de ODU 2026 betreffen: € 1.348.300 (bestaande uit variabele bijdrage van € 865.800 en een vaste bijdrage van € 482.500).
De VRU bijdrage 2026 is: € 3.516.425 (betreft het totale bedrag dat gemeente De Bilt inlegt voor de diensten van de VRU. De U&H-taken zijn daar een onderdeel van).
De kwaliteitscriteria 3.0 stellen eisen aan de medewerkers die de taken uitvoeren. Deze eisen richten zich op ervaring, deskundigheid en taakfrequentie en leggen een ondergrens voor het aantal medewerkers dat een bepaalde taak dient uit te voeren. Ook bepalen de kwaliteitscriteria 3.0 op welke wijze de gemeentelijke organisatie borgt dat de uitvoering van de U&H-taken structureel op een adequaat niveau plaatsvindt. De wet verplicht gemeenten om een verordening vast te stellen die de kwaliteit regelt van de door en in opdracht van de gemeente uit te voeren U&H-taken in het Omgevingsrecht. De gemeente heeft hierin voorzien door op 21 december 2023 de ‘Verordening uitvoering en handhaving Omgevingsrecht De Bilt 2024’ vast te stellen. De gemeente De Bilt dient in het kader van de invulling en uitvoering van de beleids- en uitvoeringscyclus jaarlijks te evalueren of en in hoeverre aan de geldende kwaliteitscriteria wordt voldaan. Deze zelfevaluatie hebben wij in december 2025 uitgevoerd.
6.6 Taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden
In zijn algemeenheid geldt dat voor alle medewerkers van de gemeente De Bilt de taken en verantwoordelijkheden zijn vastgelegd in het toepasselijke functiebeschrijving/aanstellingsbesluit van de betreffende medewerker. Alle toezichthouders zijn als zodanig aangewezen en aangesteld door het bevoegde bestuursorgaan (college van burgemeester en wethouders), al dan niet onder mandaat. In de aanwijzingsbesluiten is vastgelegd voor welke regelgeving zij de toezichthoudende bevoegdheden hebben. Alle toezichthouders beschikken over een actueel legitimatiebewijs waarmee zij zich kunnen legitimeren.
6.6.1 Functiescheiding en rouleren
Gemeente De Bilt heeft de uitvoering van haar VTH-taken georganiseerd binnen het Team Gebieden - VTH. Binnen dit team zijn de vergunningen-, toezichts- en handhavingstaken op functieniveau gescheiden. Dit betekent in de uitvoeringspraktijk dat een casemanager (taakveld uitvoering met specialisatie vergunningverlening) een vergunning verleent. Een inspecteur (taakveld uitvoering, specialisatie toezicht) voert het toezicht op de naleving van de voorschriften of een handhavingsprocedure uit.
Binnen het thema fysieke leefomgeving zijn de vergunningstaken belegd bij de casemanagers (ondersteund door de juristen Omgevingsrecht uit het Team RO, Stedenbouw & Omgevingsrecht). De toezicht- en handhavingstaken zijn belegd bij de bouwinspecteurs en de handhavingsjuristen. Hiermee wordt voorkomen dat een bedrijf een vergunning én daarna een controle krijgt van dezelfde medewerker. Ook voorkomen we zo dat een toezichthouder in de fase van handhaving een controle uitvoert op een object waarop hij in de fase van vergunningverlening heeft toegezien. Met uitzondering van het begeleiden van (hoger) beroepsprocedures is dus een duidelijke functiescheiding op personeelsniveau aangebracht tussen de vergunningentak en de toezicht- en handhavingstak. Deze scheiding is ook bestuurlijk doorgevoerd binnen de organisaties die VTH-taken voor ons uitvoeren (de ODU en de VRU). De toezichttaken zijn verdeeld aan de hand van rayons. Om te voorkomen dat er een te nauwe band ontstaat tussen toezichthouder en personen werkzaam bij de te controleren objecten en/of in gebieden (vaste toezichts-/ handhavingsrelatie), rouleren de toezichthouders elke vier jaar van rayon. Voor de andere medewerkers wordt per dossier bekeken of rouleren na verloop van tijd wenselijk is.
6.6.2 Bereikbaarheid en beschikbaarheid buiten kantooruren
De gemeentelijke organisatie dient ook buiten de gebruikelijke kantooruren bereikbaar en beschikbaar zijn voor de U&H-taken. Denk daarbij aan het melden van acute klachten en beschikbaar zijn voor het behandelen van incidenten. De ODU heeft hiertoe een milieuklachtenportaal op haar website in werking voor het indienen van klachten en incidenten voor het taakveld milieu. Daaronder valt ook de milieuklachtentelefoon die 24/7 bereikbaar is voor klachten over bedrijven en instellingen en bedrijfsmatige evenementen in de provincie Utrecht. Denk hierbij aan: bodemverontreiniging, afval van een bedrijf of instelling, geur van een bedrijf of instelling, geluid van een bedrijf of instelling of evenement, stof van een bedrijf of instelling, lichtoverlast door een bedrijf of instelling of lozingen door een bedrijf of instelling. Ook voor ondersteuning bij crisis en rampen kan de gemeente De Bilt 24/7 een beroep doen op de consignatiedienst van de ODU. Ook heeft de ODU een crisispiket.
Voor onze gemeente zijn de werkprocessen en procedures vastgelegd in het systeem ‘Engage Process’. Zo ook voor het vakgebied U&H. Uitvoering van onze U&H-taken gebeurt conform deze werkprocessen. In december 2025 is er de nieuwe VTH-applicatie in gebruik genomen voor de VTH-taken: Rx.Mission. Hierin zijn alle geüpdatete processen voor vergunningverlening, toezicht en handhaving opgenomen. Alle medewerkers binnen het U&H-team werken met Rx.Mission volgens deze vaste werkprocessen. Wij geven uitvoering aan onze U&H-taken conform onze werkprocessen. De werkprocessen zijn als bijlage 02 - Werkprocessen U&H bijgevoegd
|
Monitoringsindicatoren gericht op doelen U&H-strategie Managementinformatie (kengetallen) bepalen en vastleggen (Rx.Mission) |
Rx.Mission & monitoringsindicatoren
Rx.Mission is in december 2025 in gebruik genomen. Dit betekent dat we in 2026 ‘echt’ leren werken met Rx.Mission. Ook gaan we ontdekken of en in hoeverre Rx.Mission de mogelijkheden heeft om de in hoofdstuk 4 beschreven monitoringsindicatoren te kunnen opnemen en er ook weer uit te kunnen halen ten behoeve van rapportages. De monitoringsindicatoren die wij willen gebruiken zijn voornamelijk gericht op het kunnen bepalen van de mate waarin uitvoering van het uitvoeringsprogramma plaatsvindt en de mate waarin deze uitvoering bijdraagt aan het bereiken van de gestelde doelen. Het komende jaar (2026) streven we ernaar om Rx.Mission hierop in goed te richten. Gezien het feit dat Rx.Mission nog maar net in gebruik is genomen, is dit een proces van trial & error. Voorgaande geldt ook voor het monitoren van managementinformatie (zoals het kunnen beoordelen of en in hoeverre adviestermijnen-, beslistermijnen en dergelijke worden gehaald of hoeveel tijd per (fase van een) dossier wordt besteed). Ook dit is voor de komende periode een interne opdracht die we wensen te concretiseren en waarbij we ook met name Rx.Mission willen gebruiken.
Als methodiek voor het monitoren van de voortgang van het uitvoeringsprogramma en onze U&H-strategie gaan we per kwartaal ‘de peilstok’ in onze uitvoeringspraktijk zetten. In elke 2e maand van het kwartaal doen we dit en bekijken/bepreken we de voortgang intern met de medewerkers. Eventuele bestuurlijke gevoeligheden en/of andere bijzonderheden worden met de portefeuillehouder besproken.
|
Per kwartaal evaluatie van voortgang uitvoeringsprogramma |
Zoals eerder aangegeven zijn we voornemens om per kwartaal de ‘peilstok’ in de uitvoeringspraktijk steken. In de kwartaalrapportage rapporteren we of en in hoeverre we de doelstellingen uit het Uitvoeringsprogramma bereiken en of we hierop moeten bijsturen. In de 1e maand van het volgende kwartaal leveren we de rapportage over het voorgaande kwartaal op. Eventuele bestuurlijke gevoeligheden en/of andere bijzonderheden (bijvoorbeeld over de bijsturing) worden met de portefeuillehouder besproken.
Jaarlijkse zelfevaluatie kwaliteitscriteria 3.0 U&H
We voeren jaarlijks de zelfevaluatie van de Kwaliteitscriteria uit. De rapportage hiervan nemen we mee als bijlage bij het vaststellen van de jaarlijkse Evaluatierapportage U&H.
Aan het eind van elk jaar (in Q4) verwerken we de kwartaalrapportages in een Evaluatierapportage U&H over het gehele jaar. In de jaarlijkse evaluatierapportage staat het resultaat weergegeven van de daadwerkelijke uitvoeringspraktijk ten opzichte van het Uitvoeringsprogramma. Er wordt verslag gelegd over of en in hoeverre doelstellingen zijn bereikt, welke onderdelen van het uitvoeringsprogramma (niet) zijn uitgevoerd, of en hoe is bijgestuurd. Ook wordt op basis van de evaluatie uitgewerkt of en in hoeverre de U&H-strategie op onderdelen als prioritering, doelen, strategieën e.d. moet worden aangepast. Door op deze wijze te werken, zorgen we ervoor dat de U&H-strategie actueel blijft.
8 Afstemming & samenwerkingspartners
Om een goede invulling te geven aan de afstemming met onze samenwerkingspartners delen wij onze U&H strategie, het bijlagenboek, de evaluatie en het uitvoeringsprogramma met hen. We stellen ze daarbij in de gelegenheid om te reageren op een vijftal vragen:
De reacties op de concept documenten en de antwoorden op de vragen hebben wij verwerkt in de definitieve versies die zijn vastgesteld. Op alle reacties en antwoorden is inhoudelijk ingegaan en die zijn weer gedeeld met de betreffende partners. Uiteindelijk delen wij de definitieve versies ook weer met hen.
De omgevingsdienst Utrecht (ODU) voert de wettelijke én enkele aanvullende (milieu)taken uit namens de gemeente De Bilt. Zo adviseert de omgevingsdienst de gemeente bij vergunningverlening en meldingen op het gebied van milieuaspecten. Ook voert de omgevingsdienst toezicht uit op de milieuaspecten en voert zij de taken met betrekking tot sloopmeldingen voor De Bilt uit. Tot slot ondersteunt zij de gemeente bij diverse projecten en is zij aangesloten bij de regionale afspraken over de intake- en omgevingstafel.
De veiligheidsregio werkt aan de publieke veiligheid en gezondheid. Zij bestaat uit de Brandweer, GGD, Ambulancezorg, GHOR, en Veilig Thuis. De veiligheidsregio adviseert en ondersteunt de gemeente bij de vergunningverlening (bouwen, milieu, gebruik) op het gebied van brandveiligheid, bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen, brandveiligheid en gezondheid-saspecten bij evenementen, ruimtelijke ordening inclusief externe veiligheid van brandveilig gebruik en gezondheid. Ook voert de VRU op deze gebieden toezicht uit. Daarnaast ondersteunt zij de gemeente bij diverse projecten en is zij aangesloten bij de regionale afspraken over de intake- en omgevingstafel. VRU stemt de werkzaamheden met ons af middels het jaarlijkse beleidsplan. Gemeente De Bilt zit hierover ook aan tafel met onze VTH-contactpersoon bij de VRU. De regievoering vanuit de gemeente is neergelegd in het team Veiligheid. Inhoudelijke sturing en contact vindt plaats vanuit het team VTH.
Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Deze commissie is belast met het beoordelen van initiatieven, bouwplannen en aanvragen die gaan over Rijksmonumenten en welstandsaspecten. De commissie adviseert bij relevante aanvragen om een omgevingsvergunning en bij ruimtelijke plannen. De commissie geeft haar oordeel in een advies, waarna gemeente De Bilt afweegt of een omgevingsvergunning al dan niet kan worden verleend.
De provincie Utrecht heeft de (wettelijke) taak gekregen om de samenwerking tussen bestuursorganen op het gebied van de U&H-taken te coördineren. In de provincie Utrecht is daartoe het Provinciaal Samenwerkingsoverleg VTH- RO (PSO) operationeel. Dat vindt zesmaal per jaar plaats. Viermaal is het overleg ambtelijk van aard, tweemaal bestuurlijk. Hiermee wordt invulling gegeven aan de formele eisen uit de Omgevingswet. Naast de overheden (gemeenten, provincie, waterschappen, politie, Openbaar Ministerie), landelijke inspectiediensten (NVWA, RWS, Belastingdienst, SZW, ILT) en de Veiligheidsregio, neemt ook een aantal beherende instanties (Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Utrechts Landschap) en belangenorganisaties, zoals Utrechts Particulier Grondbezit deel aan het overleg. Daarnaast neemt ook de Omgevingsdienst Utrecht (ODU) als adviseur deel aan het overleg.
Bij een aantal ruimtelijke afwegingen (Omgevingsbesluit Hoofdstuk 4) stemt gemeente De Bilt af met het betreffende waterschap, in De Bilt zijn dat drie waterschappen: het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden, Waterschap Vallei en Veluwe en het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Daarnaast ondersteunen de waterschappen de gemeente bij diverse projecten en zijn zij aangesloten bij de regionale afspraken over de intake- en omgevingstafel. Bij activiteiten in of in de nabijheid van het watersysteem en keringen (beschermingszones) en bij onttrekkingen van grondwater verlenen de waterschappen zelfstandig de omgevingsvergunning water. Hierbij adviseert de gemeente. Met de waterschappen zijn regionaal werkafspraken gemaakt. Eventuele adviezen worden rechtstreeks opgevraagd.
Het Milieuteam van de politie Midden-Nederland valt voor wat betreft aansturing onder het functioneel parket Amsterdam. Op het gebied van strafrechtelijke milieuzaken zijn de milieu-agenten het eerste aanspreekpunt voor de gemeente.
De Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingswet is momenteel leidend voor het al dan niet inzetten van de politie of het OM. Concretere afspraken zijn er (nog) niet. Onze wens is om dit regionaal verder op te pakken.
Openbaar Ministerie. In specifieke situaties, waarbij een combinatie van bestuursrechtelijk en strafrechtelijk optreden effectief is zal op casusniveau de samenwerking met het Openbaar Ministerie (OM) worden gezocht. Het OM heeft aangegeven geen prioriteit te geven aan WED-overtredingen maar enkel aan overtredingen die in het Wetboek van Strafrecht staan. In regionaal verband worden basisafspraken gemaakt op welke wijze het OM in die gevallen optreedt.
Bijlage 01 - Capaciteitsoverzicht U&H
Capaciteitsoverzicht U&H 2026/2027
1.1 Melding (activiteit) behandelen
1.2 Aanvraag beschikking behandelen
|
Ontvangstbevestiging en procedurebrief maken en als bericht verzenden |
|
|
Vul in of er vooroverleg/VOP/Omgevingstafel heeft plaatsgevonden |
|
Aanvullende beschrijving werkproces routinematig toezicht
De toezichthouder krijgt een verleende omgevingsvergunning via Rx.Mission in zijn werkvoorraad. Na het in behandeling nemen voert de toezichthouder eerst een toets uit op basis van de risicomatrix om hiermee de risico’s van het uit te voeren werk (bijv. het te bouwen object) vast te stellen. Op basis van deze risico-inschatting beoordeelt de toezichthouder hoeveel controlemomenten noodzakelijk zijn, op welk moment controle gewenst is, met welke diepgang moet worden gecontroleerd en welke toezichtspartners daarbij gewenst zijn. Daarna worden de controles ingepland.
Vervolgens verzamelt de toezichthouder alle voor de controle noodzakelijke informatie. Dit betreft concreet de omgevingsvergunning, tekeningen, berekeningen, bij grotere projecten het bouwveiligheidsplan (BLVC-plan), etc. De toezichthouder controleert in deze fase ook de vergunning op compleetheid. Hij stemt ook af met onder andere de vergunningverlener, de constructeur (m.b.t. berekeningen en stukken), de opdrachtgever, de aannemer en in het geval van een integrale controle ook met ketenpartners (VRU, ODU). Daarna wordt er afhankelijk van de omvang een afspraak gemaakt met de opdrachtgever/aannemer voor een eerste controle en het doorspreken van de planning. Bij kleine controles zoals een dakkapel of schuurtje wordt er geen afspraak gemaakt.
Afhankelijk van fase waarin het werk zich bevindt bepaalt de toezichthouder welke documenten voor de controle in die fase nodig zijn. Als het gaat om een bouwproject, dan is de controlefrequentie bepaald aan de hand van de risicomatrix (zie ook onder ‘Voorbereiding’). Op grond van de constateringen die worden gedaan tijdens diverse controles en de afspraken die tijdens de realisatiefase worden gemaakt wordt er bijgestuurd (bijv. in de planning) als dat nodig is. Het vooraf bepaalde risico en het naleefgedrag tijdens de bouw bepalen het aantal controles.
Controlefrequentie (controlemomenten nieuwbouw)
Het aantal controlemomenten is sterk afhankelijk van de verschillende factoren (onderstaande stappen komen uit het Landelijk Toezichtsprotocol bouw):
Globaal controleren we de volgende onderdelen tijdens het bouwproces:
Het aantal controlemomenten hangt sterk af van de onder 1 genoemde factoren.
Het aantal controlemomenten per categorie tijdens het bouwproces.
Landelijk Toezichtsprotocol bouw
Het toezichtprotocol beschrijft op een transparante wijze wat een toezichthouder moet controleren op de bouw. Hiervoor worden objectieve criteria gegeven en de resultaten van de controle worden traceerbaar vastgelegd. Met toepassing van het toezichtprotocol borgen we de uitvoering van adequaat toezicht. Kenmerkend is een heldere keuze voor prioriteiten: aandachtspunten met een hoge prioriteit krijgen meer tijd dan deze met een lage prioriteit. Hierdoor kan op een efficiënte wijze met middelen (tijd/capaciteit) worden omgegaan.
Binnen het toezichtprotocol vallen alle bouwwerken in gevolgklasse 2. Bouwwerken binnen gevolgklasse 3 kennen een dermate groot risico en of hebben dermate specifieke kenmerken dat hiervoor altijd maatwerk vereist is bij het houden van toezicht (N.B.: in de basis kan hier ook de toezichtmatrix gevolgklasse 2 voor worden ingezet). Op meldingsplichtige bouwwerken binnen gevolgklasse 1 vindt toezicht plaats door de kwaliteitsborger.
De voorbereiding van het toezicht in de gebruiksfase gaat op dezelfde wijze als in de andere fases. De toezichtfrequentie wordt bepaald op basis van de risicomatrix/risicoanalyse. Hierover vindt ook afstemming plaats met de ketenpartners (VRU, ODU).
Op basis van het resultaat van de controle kan de controlefrequentie worden aangepast.
In de voorbereiding voor het toezicht op bestaande bouw wordt ook historisch onderzoek uitgevoerd door de bouwinspecteur. Dit is nodig om te bepalen welk bestaand niveau geldt voor de betreffende gebouwen/bouwwerken. Omdat het in deze gevallen voor bestaande bouw voornamelijk gaat over brand- en/of constructieve veiligheid, de gepleegde activiteiten en het gebruik, hebben we over deze gebouwen ook altijd afstemming met de VRU. Met de VRU wordt ook afgestemd of zij zelfstandig deze controles uitvoeren of gezamenlijk. Hiervoor wordt jaarlijks een planning gemaakt. Van elke gezamenlijk uitgevoerde controle wordt samen met de VRU een rapportage opgemaakt.
Het reguliere routinematige toezicht op sloopmeldingen met een asbestsanering ligt bij de ODU. Op illegale sloopactiviteiten zonder melding en/of asbestinventarisatie voert de gemeentelijke bouwinspecteur een eerste controle uit. Hij legt eventueel de sloop mondeling stil en rapporteert dit aan de asbesttoezichthouders van de ODU. Zij nemen het toezicht daarna over.
Sloop- en bouwveiligheidsplan.
Een risicomatrix ingevuld door een aannemer bepaalt of er vooraf een sloop- en bouwveiligheidsplan moet worden ingediend. Deze ingevulde matrix en het eventuele sloop- en bouwveiligheidsplan worden door de bouwinspecteur nog beoordeeld op basis van de Landelijke Handreiking Sloop- en bouwveiligheid. Vooral het veilig werken naar de omgeving speelt hier een belangrijke rol.
In het geval er een C-evenement plaatsvindt met daaraan verbonden brandveiligheids- en/of constructieve veiligheidsaspecten - bijvoorbeeld door het gebruiken van grote tenten, podia, tribunes etc. - voert de toezichthouder ook controles uit. In die gevallen plant de bouwinspecteur, eventueel samen met de VRU en/of ODU, een controle in. Bij evenementen, zoals festivals met grote aantallen bezoekers, vindt er nog voor de start van de opbouw afstemmingsoverleg plaats met de organisatie. De controle vindt altijd voorafgaand aan het evenement plaats. Bij de C-evenementen wordt tijdens de opbouwperiode meerdere malen gecontroleerd. Tijdens elk bezoek worden overtredingen ter plaatse met de organisatie besproken en in een rapport vastgelegd. Toezicht wordt voorbereid met de aanwezige documenten (evenementenvergunning en tekeningen). Buurtfeesten worden niet bezocht maar middelgrote evenementen zoals die plaats vinden op Koningsdag en braderieën wel.
Werkproces/-beschrijving niet-routinematig toezicht
Onder niet-routinematig toezicht verstaan we toezicht dat start na een klacht of verzoek om handhaving.
Na het in behandeling nemen voert de toezichthouder eerst een beoordeling uit op basis van de risicoanalyse om hiermee de prioriteit van de betreffende activiteit(-en) vast te stellen. In overeenstemming met onze toezichtstrategie hanteren we hierbij de volgende uitgangspunten:
Op basis van deze risico-inschatting beoordeelt de toezichthouder hoe hij de controle verder uitvoert. Zo verzamelt hij alle noodzakelijke informatie (luchtfoto’s, vergunningen, omgevingsplan, etc.) die relevant is voor de uitvoering van de controle. Ook neemt hij contact op met de klager, melder of verzoeker om informatie te verkrijgen over de specifieke situatie. Indien dat nodig is vindt er in de voorbereiding ook afstemming plaats met de ketenpartners (VRU, ODU, constructeur). Bij zeer ernstige en mogelijk gevaarlijke overtredingen wordt er ook contact opgenomen met Boa’s en/of de Politie.
Indien de controle ook in een woning moet plaatsvinden wordt via de Burgemeester een bevel tot binnentreding gevraagd. Als de inschatting is dat de overtreding in een woning gering is, wordt in eerste instantie ‘normaal’ toestemming gevraagd aan de eigenaar/bewoner de woning te mogen binnentreden. Als dit geweigerd wordt alsnog een bevel tot binnentreding opgevraagd.
De frequentie van het toezicht in het kader van handhaving is afhankelijk van de situatie per dossier en/of de medewerking van de overtreder. Wanneer er sprake is van het doorlopen van het gehele handhavingsproces (van voornemen tot en met invordering) gaan we uit van tenminste vier controles.
Elke controle wordt voorbereid en vastgelegd in Rx.Mission. Voor alle genoemde controles gebruikt de toezichthouder het controlerapport zoals dat is opgenomen in Rx.Mission. In het controlerapport wordt het volgende opgenomen:
3.2 Handhavingsverzoek behandelen
Bijlage 4 – Richtlijn dwangsombedragen en begunstigingstermijnen
In de onderstaande tabellen zijn voor de meest voorkomende overtredingen de maximale dwangsombedragen en de maximale lengte van de (begunstigings)termijnen opgenomen. De tabel geeft een richtlijn aan en biedt enig houvast bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom en de te stellen termijn. De tabel is niet uitputtend bedoeld. Daarbij geldt een tweeledige toelichting:
Voor overtreding van milieu- en bodemtaken die zijn ondergebracht bij Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU)wordt verwezen naar de geldende landelijke richtlijn ‘Leidraad handhavingsacties en begunstigingstermijnen Omgevingsrecht’ (LHSO) en de op 1 februari 2022 vastgestelde en inmiddels ook verlengde regionale VTH uitvoerings- en handhavingsstrategie Regio Utrecht.
Afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden van het individuele geval kan gemotiveerd worden afgeweken van de in de tabellen genoemde waarden.
De dwangsom dient voldoende prikkelend te werken om de overtreding te (laten) beëindigen. De dwangsombedragen dienen in redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
Het opleggen van een last onder dwangsom geschiedt in verschillende wettelijk voorgeschreven vormen (modaliteiten). Deze modaliteiten zijn vastgelegd in artikel 5:32b, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht: een bedrag ineens; een bedrag per tijdseenheid dat de last niet is uitgevoerd dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan komt beleidsvrijheid toe bij de keuze voor een van deze modaliteiten.
Een last onder dwangsom omvat naast de te nemen herstelmaatregelen ook een termijn, waarbinnen de overtreder de door het bestuursorgaan opgelegde lastgeving kan uitvoeren zonder dat deze het dwangsombedrag verbeurt. Deze begunstigingstermijn mag niet wezenlijk langer worden gesteld dan noodzakelijk om de overtreding te kunnen opheffen.
Vaststelling hoogte dwangsom volgens de interventiematrix LHS
De vaststelling van de hoogte van de dwangsom wordt afhankelijk gesteld van de gepositioneerde bevinding in de interventiematrix volgens de Landelijke Handhavingstrategie. Er zijn drie bevindingen te onderscheiden:
De bevinding is gepositioneerd in de lichte segmenten van de interventiematrix (A1, A2, A3, B1, B2 en C1). In die situatie wordt de dwangsom per tijdseenheid of per overtreding vastgesteld op (plusminus) één derde van het maximumbedrag; het te stellen maximum is het in de tabel opgenomen maximumbedrag. Als de modaliteit ‘ineens’ is omschreven blijft het dwangsombedrag ‘ineens’ gelijk aan het maximumbedrag. Een voorbeeld ter illustratie: in de tabel is een maximumbedrag van € 5.000 opgenomen voor een overtreding die binnen de lichte segmenten van de interventiematrix valt. De modaliteit is ‘per week’ omschreven. De dwangsom wordt in dat geval vastgesteld op € 5.000 / 3 = ± € 1.667 per week met een maximum van € 5.000.
De bevinding is gepositioneerd in de middensegmenten van de interventiematrix (A4, B3, B4, C2, D1 en D2). In die situatie wordt de dwangsom per tijdseenheid of per overtreding vastgesteld op de helft van het maximumbedrag; het te stellen maximum is het in de tabel opgenomen maximumbedrag. Als de modaliteit ‘ineens’ is omschreven blijft het dwangsombedrag ‘ineens’ gelijk aan het maximumbedrag. Een voorbeeld ter illustratie: in de tabel is een maximumbedrag van € 4.000 opgenomen voor een overtreding die binnen de middensegmenten van de interventiematrix valt. De modaliteit is ‘per overtreding’ omschreven. De dwangsom wordt in dat geval vastgesteld op € 4.000 / 2 = € 2.000 per overtreding met een maximum van € 4.000.
De bevinding is gepositioneerd in de zware segmenten van de interventiematrix (C3, C4, D3 en D4). In die situatie wordt de dwangsom (per tijdseenheid, per overtreding of ineens) vastgesteld op het maximumbedrag. Een voorbeeld ter illustratie: in de tabel is een maximumbedrag van € 3.000 opgenomen voor een overtreding die binnen de zware segmenten van de interventiematrix valt. De modaliteit is ‘per week’ omschreven. De dwangsom wordt in dat geval vastgesteld op € 3.000 per week waarbij een maximum geldt van € 3.000.
Na het bereiken van het maximale bedrag kan besloten worden om een nieuwe last onder dwangsom, dan wel een last onder bestuursdwang op te leggen. Indien sprake is van herhaling van een overtreding – door dezelfde overtreder op een bepaald perceel – waarvoor in het verleden (binnen de afgelopen twee jaren) reeds een dwangsombeschikking is afgegeven, wordt de te stellen dwangsom verhoogd met 100%.
Overtredingen aanleggen, bouwen en slopen
Overtredingen planologisch gebruik
Overtredingen Algemene Plaatselijke Verordening (APV)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-306188.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.