Gemeenteblad van Edam-Volendam
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Edam-Volendam | Gemeenteblad 2026, 306082 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Edam-Volendam | Gemeenteblad 2026, 306082 | beleidsregel |
Beleidsregels van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Edam-Volendam voor de uitvoering van de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Beleidsregels Participatiewet, IOAW en IOAZ Edam-Volendam)
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Edam-Volendam;
gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht;
gelet op artikelen 18, eerste en achtste* lid, 31, tweede lid, onderdelen m en s, 41, elfde en twaalfde lid, 43a, 44, vijfde lid, van de Participatiewet en artikelen 15a, eerste lid, 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
overwegende dat het wenselijk is om beleidsregels vast te stellen voor de uitvoering van de uit de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen volgende taken en bevoegdheden;
vast te stellen de volgende Beleidsregels Participatiewet, IOAW en IOAZ Edam-Volendam.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet verder worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 4. Algemene bijstand
PARAGRAAF 4.1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 4.1.1. Bijstandsuitkering met terugwerkende kracht
Artikel 4.1.3. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Het college maakt in ieder geval bij de volgende situaties gebruik van de mogelijkheid om een bijstandsaanvraag van jongeren vóór afloop van de zoektermijn in behandeling te nemen, zoals bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de wet:
PARAGRAAF 4.4. MIDDELEN EN VRIJLATINGEN
Artikel 4.4.2. Algemene vrijlating giften en kostenbesparende bijdragen en inlichtingenplicht
De door belanghebbende of personen uit het gezin ontvangen giften en kostenbesparende bijdragen hebben geen gevolgen voor de hoogte van de uitkering of de bijstandsnorm wanneer deze in het betreffende kalenderjaar samen niet boven de algemene vrijlatingsgrens uitkomen, zoals genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel m, van de wet.
Het college kan de belanghebbende of het gezin als dat nodig is ondersteunen bij het bijhouden van giften en kostenbesparende bijdragen, bijvoorbeeld door het geven van duidelijke voorlichting. Dit om de belanghebbende en het gezin te ondersteunen in de naleving van de regels rondom giften en kostenbesparende bijdragen. De algemene vrijlatingsgrens zorgt er namelijk voor dat giften en kostenbesparende bijdragen tot die grens niet actief hoeven te worden gemeld door de belanghebbende of het gezin. Voor bedragen boven de grens geldt wel de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet.
Artikel 4.4.3. Persoonlijke vrijlating van hogere giften
Als een gift ervoor zorgt dat de algemene vrijlatingsgrens, bedoeld in artikel 4.4.2., eerste lid, wordt overschreden beoordeelt het college of de gift in deze persoonlijke situatie toch kan worden vrijgelaten of niet. Het college beoordeelt dan of de gift verantwoord is, vanuit het oogpunt van bijstandsverlening. Deze beoordeling wordt gedaan volgens artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de wet.
Bij een gift in natura wordt de waarde van deze gift vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering. Meestal is die gelijk aan de verkoopwaarde. Maar soms is het moeilijk om de verkoopwaarde van (een deel van) de bezittingen te bepalen. De waarde wordt dan geschat met behulp van beschikbare tools. Soms is de wijze van waarde bepalen voorgeschreven, als dat zo is sluit het college daarbij aan.
Artikel 4.4.5. Persoonlijke vrijlating van kostenbesparende bijdragen
Als door een kostenbesparende bijdrage de algemene vrijlatingsgrens, bedoeld in artikel 4.4.2. wordt overschreden, beoordeelt het college of en met welk bedrag en over welke periode de voor belanghebbende of het gezin geldende bijstandsnorm wordt gewijzigd. Deze beoordeling wordt gedaan volgens artikel 18, eerste lid, van de wet en geldende jurisprudentie.
Bij een kostenbesparende bijdrage bepaalt het college de waarde daarvan op basis van de werkelijk betaalde kosten. Als de werkelijk betaalde kosten niet met bewijzen aannemelijk gemaakt kunnen worden, kan voor de bepaling van de waarde gebruik worden gemaakt van algemeen geaccepteerde richtlijnen. Een voorbeeld daarvan zijn de referentiecijfers van het Nibud.
Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 23 juni 2026,
het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam,
de secretaris,
N.A. Hellingman-Kuiper.
de burgemeester,
R.J. Beukers.
Op 1 januari 2026 is de Participatiewet (de wet) gewijzigd door de Participatiewet in balans en door de Verzamelwet SZW 2026. De wijzigingen door de Participatiewet in balans treden stap voor stap in werking.
Deze beleidsregels zien op het invullen van de beleids- en uitvoeringsruimte van het college vanuit de nieuwe regels, maar worden later ook aangevuld met regels vanuit bestaande beleidsregels op het gebied van de Participatiewet, Ioaw en Ioaz, om versnippering tegen te gaan. We maken dan ook direct van de gelegenheid gebruik om te bekijken of er reden is om ons bestaande beleid aan te passen. Deze beleidsregels worden daarom stap voor stap verder gevuld.
In eerste instantie zien deze beleidsregels op een viertal bevoegdheden uit de eerste fase van de Participatiewet in Balans. Deze bevoegdheden bieden het college onder voorwaarden de mogelijkheid om:
Voor de laatste twee bevoegdheden (hergebruik van gegevens en terugwerkende kracht) geldt dat het college deze ook kan inzetten voor de aanvraag van een uitkering op grond van Ioaw of Ioaz.
Met de beleidsregels geven we verder invulling aan de Participatiewet, Ioaw en Ioaz en de achterliggende doelstellingen vanuit het Rijk. Bij het opstellen van deze beleidsregels maken we ook gebruik van de ‘100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever’ en de ‘Handreiking Duidelijke verordeningen en andere regels’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) waar dat lukt en passend is.
In deze beleidsregels is geen hardheidsclausule opgenomen. Wij volgen de beleidsregels, tenzij we hiervan moeten afwijken. Hiervoor bestaat de wettelijke hardheidclausule. Deze is opgenomen in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast kunnen wetswijzigingen en nieuwe jurisprudentie gemeentelijke beleidsregels doorkruisen. In de juridische wereld gaat landelijke wetgeving en jurisprudentie dan voor op lokale beleidsregels. Dit kan soms anders zijn wanneer er een bewuste keuze wordt gemaakt voor bijvoorbeeld buitenwettelijk (begunstigend) beleid. Dit is beleid dat de basis biedt voor besluiten waarvoor eigenlijk geen grondslag in de wet is te vinden.
In dit artikel worden de begrippen uitgelegd die worden gebruikt in de beleidsregels. Begrippen en definities zijn woorden met een (extra) uitleg. Het college gebruikt deze ook om de tekst in de regels kort te kunnen houden. Verder gelden de definities uit de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen(Ioaz) of de Algemene wet bestuursrecht. Enkele van de begrippen uit de beleidsregels worden hieronder verder uitgelegd.
De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening kent geen definitie van problematische schulden. In deze beleidsregels gebruiken we de definitie die gebruikt wordt in de Gedragscode Schuldhulpverlening NVVK (versie mei 2025).
Onder ‘zoektermijn’ wordt verstaan: de termijn van vier weken nadat een jongere (tot 27 jaar) zich heeft gemeld om algemene bijstand aan te vragen. Pas na die termijn kan een aanvraag worden ingediend, en door het college in behandeling worden genomen (er gelden enkele uitzonderingen vanuit de wet en vanuit deze beleidsregels).
Artikel 4.1.1. Bijstandsuitkering met terugwerkende kracht
Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de Wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak, ook wel jurisprudentie genoemd, kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Het gaat om hele uitzonderlijke situaties.
Geen bijzondere omstandigheden:
Na afwijzing van de aanvraag om een ZW-uitkering heeft appellante nog bijna een maand gewacht met het aanvragen van bijstand. Dat is in ieder geval niet zo spoedig mogelijk na die afwijzing. Appellante heeft niet duidelijk kunnen maken waarom zij zo lang heeft gewacht met de melding en haar bijstandsaanvraag en waarom zij dat niet eerder had kunnen doen. ECLI:NL:CRVB:2025:526
Wel bijzondere omstandigheden:
Onvoldoende zorgvuldigheid door niet nadrukkelijk te wijzen op de noodzaak van een onmiddellijke melding voor bijstand terwijl het bij het college bekend was dat aansluitend aan de Bbz-uitkering recht bestond op bijstand op grond van de WWB. Bovendien was in een eerder stadium de overgang van WWB naar Bbz naadloos verlopen. ECLI:NL:CRVB:2013:2757
Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd met artikel 44, vijfde lid:
‘In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.’
Met dit nieuwe lid (kan-bepaling) krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt.
In het eerste lid zijn persoonlijke omstandigheden opgenomen waarbij het college in ieder geval aanleiding ziet om te onderzoeken of er noodzaak is om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen. Deze opsomming is niet limitatief. Om bijstand met terugwerkende kracht te kunnen ontvangen moeten belanghebbenden met documenten aannemelijk maken wat de reden was waardoor zij niet eerder een aanvraag konden doen. De aanvraag, de aangeleverde (ondersteunende) gegevens, het gesprek met de consulent en de beoordeling van de consulent moeten voldoende duidelijkheid scheppen over de noodzaak voor de bijstandsverlening met terugwerkende kracht.
In lijn met de Memorie van Toelichting bij de wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 46-47) kunnen persoonlijke of individuele omstandigheden zien op omstandigheden die verband houden met de te late melding, maar ook op omstandigheden die te maken hebben met de (ernstige) gevolgen van de te late melding óf om een combinatie hiervan.
De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het de belanghebbende niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn, dus op de combinatie van omstandigheden. Door terugwerkende kracht toe te passen, kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen.
Door gemeenten de bevoegdheid en beoordelingsvrijheid te geven om in situaties die daarom vragen de bijstand eerder dan meldingsdatum toe te kennen, kan bestaansonzekerheid worden weggenomen en worden voorkomen dat mensen onnodig in de schulden terecht komen.
Daarbij geldt wel dat de terugwerkende kracht in dit kader slechts voor maximaal drie maanden mogelijk is. Dit in tegenstelling tot het toepassen van terugwerkende kracht in het kader van bijzondere omstandigheden. Dat betekent dat het college op basis van geldende jurisprudentie ook nog de mogelijkheid heeft om in uitzonderlijke situaties verder terug te gaan. De wetgever noemt deze nieuwe mogelijkheid aanvullend op de mogelijkheid vanuit jurisprudentie.
In het tweede lid is opgenomen dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht is ontstaan. Er moet worden vastgesteld vanaf welk moment de belanghebbende in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde. De aanvrager moet kunnen aantonen dat hij in de periode - van maximaal 3 maanden – voor datum melding onvoldoende inkomen had. Dit betekent dus dat wanneer wordt beoordeeld dat dit recht een maand voor datum melding is ontstaan, de bijstand met een maand terugwerkende kracht kan worden toegekend en niet met drie maanden.
De tekst van het nieuwe artikel 44, vijfde lid, van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw en Ioaz. Uit oogpunt van eenduidigheid is daarom in het derde lid opgenomen dat de werkwijze uit de vorige leden ook bij de aanvraagprocedure voor Ioaw en Ioaz wordt gebruikt. Om ervoor te zorgen dat de uitkeringsregelingen van onze gemeente zo veel mogelijk op dezelfde manier worden ingericht en uitgevoerd.
Artikel 4.1.2. Gebruikmaken van de verkorte aanvraagprocedure voor herinstromers
De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de – behoorlijk uitgebreide - aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Door de combinatie van een aantal maatregelen wordt de (behandeling van de) aanvraag sneller en eenvoudiger.
Eén van die maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van het nieuwe artikel 43a:
‘1. Indien na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, kan het college de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere bijstandsverlening gebruiken, indien dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag.
2. Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende.’
Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde (verkorte) aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Het college kiest ervoor om – onder de gestelde voorwaarden - gebruik te maken van deze ruimte. Dit betekent dat het college dan de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode gebruikt en deze niet opnieuw vraagt van de belanghebbende.
Een vereenvoudigde aanvraagprocedure in combinatie met hergebruik van gegevens, is bij uitstek bedoeld voor situaties waarin aangenomen mag worden dat de omstandigheden niet wezenlijk veranderd zijn, zodat het recht op bijstand eenvoudig is vast te stellen. In het eerste lid zijn enkele situaties beschreven waarbij dat het geval kan zijn. In elk geval mag het hergebruik van gegevens er volgens de wet niet toe leiden dat er sprake is van een meer belastende aanvraag.
Sommige gegevens kunnen eerder veranderen dan andere. Hier is benoemd welke gegevens in ieder geval gecheckt worden op eventuele wijzigingen. Het college kan bij twijfel altijd nog om meer actuele informatie vragen bij de belanghebbende. Ook op andere punten.
De tekst van het nieuwe artikel 43a van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 15a van de Ioaw en Ioaz. Uit oogpunt van eenduidigheid is daarom in het derde lid opgenomen dat de werkwijze uit de vorige leden ook bij de aanvraagprocedure voor Ioaw en Ioaz wordt gebruikt. Om ervoor te zorgen dat de uitkeringsregelingen van onze gemeente zo veel mogelijk op dezelfde manier worden ingericht en uitgevoerd.
Artikel 4.1.3. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs is in de wet een uitzondering opgenomen. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.
Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, is een elfde lid toegevoegd:
‘In afwijking van het vierde lid kan het college de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.’
Het twaalfde lid voegt daaraan toe, dat het college de jongere na de melding dan in de gelegenheid stelt om direct zijn aanvraag in te dienen.
In het verleden is door de wetgever bedoeld om jongeren tot 27 jaar meer bewust te maken van hun verantwoordelijkheid om te gaan werken en het minder vanzelfsprekend te maken dat direct een beroep kan worden gedaan op bijstand met financiële afhankelijkheid tot gevolg. Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief. Voor jongeren in kwetsbare omstandigheden wordt met deze wetswijziging de mogelijkheid geboden om de zoektermijn achterwege te laten. Zie ook: Kamerstukken II, 2023/2024, 36582, nr. 3, p. 44
In dit artikel worden groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. Het belang om jongeren te wijzen op hun eigen verantwoordelijkheid om zelf te investeren in hun toekomst weegt in deze situaties volgens het college niet op tegen het belang van de jongeren om direct te worden geholpen, gelet op hun omstandigheden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden.
Artikel 4.4.1. Giften en kostenbesparende bijdragen
In de Participatiewet is aan artikel 31, tweede lid, onderdeel m, een algemeen vrijlatingsbedrag per kalenderjaar toegevoegd. Hiermee wordt een norm gesteld waarmee het totaal aan giften en bijdragen die leiden tot een kostenbesparing samen tot in ieder geval een bedrag van € 1.200 (bedrag 01-01-2026) per kalenderjaar wordt vrijgelaten. Met deze norm wil de wetgever de verschillen tussen gemeenten verkleinen. Deze vrijlating geldt per uitkering, niet per persoon. Dit betekent dat voor een alleenstaande (ouder) dezelfde vrijlating van toepassing is als voor gehuwden (en daarmee gelijk gestelden). Als mensen gedurende het jaar een uitkering toegekend hebben gekregen geldt de vrijlating voor de periode vanaf het moment van instroom tot en met 31 december van dat jaar.
In dit artikel zijn regels opgenomen waarin wordt uitgelegd wat wordt bedoeld met een gift of een kostenbesparende bijdrage. Ook zijn voorbeelden van kostenbesparende bijdragen opgenomen.
In de wettekst is geen definitie opgenomen van het begrip ‘gift’. Wel volgt uit de wetshistorie van achtereenvolgende bijstandswetten en de jurisprudentie dat het bij een gift moet gaan om een bevoordeling van de ontvanger, met een onverplicht karakter (vrijgevigheid). Hiermee werd aangesloten bij de omschrijving van ‘gift’ in artikel 7:186, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Een schenking is namelijk een ander woord voor een gift. In 2002 heeft de Hoge Raad daarbij bepaald dat er voor het aannemen van een gift sprake is van een drietal vereisten: de verarming van de gever, de verrijking van de ontvanger, als gevolg van een (onverplichte) handeling uit vrijgevigheid waar partijen zich bewust van zijn (Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:AD7272). Om te kunnen spreken van een gift in de zin van de Participatiewet moet er daarnaast ook sprake zijn van een gift die als ‘middel’ (inkomen of vermogen) van de belanghebbende of het gezin kan worden gezien. Daar zit ook direct het grootste verschil met een kostenbesparende bijdrage.
Kostenbesparende bijdragen zijn eigenlijk een bijzondere categorie giften. Het zijn namelijk giften in natura die bestemd zijn voor kosten van algemeen levensonderhoud. Uit jurisprudentie volgt dat wanneer deze in redelijkheid niet te gelde gemaakt kunnen worden (lees: niet omgezet kunnen worden in geld), deze niet als middel – dus niet als inkomen of vermogen – kunnen worden gezien. Wel kunnen deze ‘kostenbesparende bijdragen’ gevolgen hebben voor de bijstandsnorm, omdat belanghebbende of het gezin hierdoor lagere bestaanskosten kan hebben, waardoor de gemeente dat deel dus ook niet hoeft aan te vullen met bijstand. Hiervoor bestaat het ‘individualiseringsbeginsel’ in de wet. Dit is te vinden in artikel 18, eerste lid, van de wet. Dit soort giften vielen niet onder de vrijlatingsmogelijkheid van artikel 31, tweede lid, onderdeel m, van de wet. Sinds 1 januari 2026 is hier verandering in gekomen. En vallen ook zulke kostenbesparende bijdragen onder de algemene giftenvrijlating per kalenderjaar. Hierdoor heeft hulp van anderen, bijvoorbeeld in de vorm van het krijgen van een tas met boodschappen of het betalen van de zorgpremie, ook niet direct gevolgen voor de bijstandsnorm.
Op het moment dat de algemene vrijlatingsgrens wordt bereikt moet worden bekeken of dat komt door een gift of kostenbesparende bijdrage. De gevolgen hiervan kunnen namelijk verschillen en de beoordeling die erna volgt ook. Bij de toelichting op artikelen 4.4.3. en 4.4.5. is dit verder uitgewerkt. Daarom is het belangrijk om beide soorten goed af te bakenen.
Deze materie is best ingewikkeld, daarom is ervoor gekozen om de definities van giften en kostenbesparende bijdragen in simpele woorden op te nemen in dit artikel.
Artikel 4.4.2. Algemene vrijlating giften en kostenbesparende bijdragen en inlichtingenplicht
In het eerste lid is een verwijzing opgenomen naar de algemene vrijlatingsgrens voor giften (zie ook de toelichting bij artikel 4.4.1.). De hoogte van de algemene vrijlatingsgrens wordt landelijk vastgesteld. Ook is door de wetgever aangegeven dat er geen gevolgen zijn voor de bijstandsuitkering zo lang het grensbedrag niet is bereikt. Dit lid is dan ook van instructieve aard.
Er geldt geen meldingsplicht als het totaalbedrag aan giften en kostenbesparende bijdragen per kalenderjaar niet boven de vrijlatingsgrens uitkomt. Op het moment dat de opgetelde waarde van giften en kostenbesparende bijdragen boven de vrijlatingsgrens uitkomt, geldt de inlichtingenplicht. De belanghebbende moet zelf bijhouden welke giften en kostenbesparende bijdragen hij in een kalenderjaar heeft ontvangen en het melden zodra de vrijlatingsgrens wordt overschreden.
Dit vraagt iets van het doenvermogen. Daarom is in het tweede lid ook opgenomen dat het college als dat nodig is ondersteuning kan bieden, om samen met de belanghebbende te voorkomen dat een overschrijding van de vrijlatingsgrens pas te laat wordt ontdekt.
Artikel 4.4.3. Persoonlijke vrijlating van hogere giften
Als door een gift de vrijlatingsgrens wordt overschreden betekent dit niet automatisch dat dit gevolgen heeft voor het recht op bijstand. Op individuele basis kan de gemeente ook hogere giften buiten beschouwing laten als deze nog verantwoord zijn met het oog op bijstandsverlening.
In dit artikel wordt uitleg gegeven over die individuele beoordeling en zijn voorbeelden genoemd van giften die in ieder geval op persoonlijk niveau als verantwoord worden gezien.
Artikel 4.4.5. Persoonlijke vrijlating van kostenbesparende bijdragen
In artikel 18, achtste lid, van de Participatiewet is opgenomen:
‘Het college neemt bijdragen die leiden tot een kostenbesparing niet in aanmerking, voor zover de som van deze bijdragen en giften het bedrag, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel m, niet overstijgt’.
Hiermee zijn zowel giften als kostenbesparende bijdragen onder de vrijlatingsgrens van € 1.200 (bedrag 01-01-2026) komen te vallen. Bij overschrijding van deze grens moet een individuele afweging worden gemaakt. Als het gaat om kostenbesparende bijdragen, moet deze afweging gemaakt worden op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-306082.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.