Gemeenteblad van Diemen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Diemen | Gemeenteblad 2026, 303977 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Diemen | Gemeenteblad 2026, 303977 | beleidsregel |
Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen tot vaststelling van de Beleidsregels binnen de Participatiewet over de vrijlating van giften, de zoektermijn voor jongeren, de vereenvoudigde aanvraagprocedure en het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht (Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 Gemeente Diemen 2026)
Artikel 2. Vrijlaten van giften in individuele gevallen
Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Wet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:
Artikel 3. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Artikel 5. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van deze regels, als toepassing daarvan zou leiden tot een onredelijke of onbedoeld gevolg voor een inwoner. Afwijking is alleen mogelijk om een onbillijke (niet rechtvaardige) situatie te voorkomen. Het college motiveert altijd waarom het in dat geval van de regels afwijkt.
Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze beleidsregel onderzoekt het college de doeltreffendheid en de effecten van deze beleidsregel in de praktijk.
Artikel 4 (‘beleidsregels vrijlating gift’) uit de ‘Beleidsregels vrijlating inkomsten, huur, schoolverlaters en giften in het kader van de Participatiewet’ wordt ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels.
Aldus vastgesteld op 16-06-2026.
Het college van burgemeester en wethouders
Gemeente Diemen
E. Boog
Burgemeester
G.T. Wildeman
Gemeentesecretaris
Vanaf 1 januari 2026 is de Participatiewet veranderd. Dit komt door twee nieuwe wetten: Participatiewet in balans en de Verzamelwet SZW 2026. De veranderingen uit de Participatiewet in balans worden stap voor stap ingevoerd.
Deze beleidsregel beschrijft hoe het college vier nieuwe bevoegdheden uit de eerste fase gebruikt. Met deze bevoegdheden kan het college, onder bepaalde voorwaarden:
De bevoegdheden III en IV kan het college ook toepassen bij aanvragen voor de Ioaw-uitkering (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers). Dit staat ook in artikel 4, vierde lid, en artikel 5, derde lid, van deze beleidsregel.
In deze toelichting per artikel worden alleen die onderdelen uitgelegd die extra uitleg nodig hebben.
In dit artikel staan de begrippen die in deze beleidsregel worden gebruikt. Voor alle andere begrippen gelden de definities uit de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht. Hieronder leggen we enkele begrippen extra uit.
In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) staat niet precies wat ‘problematische schulden’ zijn. De wet zegt wel voor wie schuldhulpverlening bedoeld is. In artikel 1 van de Wgs staat:
‘het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.’
De Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) gebruikt bijna dezelfde uitleg, maar dan in eenvoudigere woorden. Het belangrijkste is dat er geen ingewikkelde berekeningen nodig zijn om te bepalen of iemand problematische schulden heeft. Het gaat erom dat het college oordeelt dat iemand zijn schulden niet meer kan aflossen, of al is opgehouden met betalen. Dat oordeel is voldoende om te spreken van problematische schulden.
Met de ‘zoektermijn’ wordt de periode van vier weken bedoeld die begint zodra een jongere onder de 27 jaar zich meldt om bijstand aan te vragen. Tijdens deze vier weken moet de jongere zelf proberen werk en/of scholing te vinden of zijn situatie te verbeteren. Pas na deze vier weken mag de jongere een officiële aanvraag voor algemene bijstand indienen.
Het college kan de aanvraag daarna behandelen. Enkele uitzonderingen staan in artikel 41, vierde lid, van de Participatiewet.
Artikel 2. Vrijlaten van giften in individuele gevallen
In artikel 2 staan regels over het vrijlaten van giften. Dit gaat om artikel 31, eerste lid, onderdelen m en s, van de Participatiewet. Het woord ‘gift’ wordt in dit artikel niet verder uitgelegd.
Uit eerdere bijstandswetten en uitspraken van rechters blijkt wat een gift precies is. Een gift is een voordeel voor de persoon die iets krijgt, zonder dat de gever verplicht is om dit te doen. Het gaat dus om vrijgevigheid. Dit sluit aan bij de omschrijving in artikel 7:186, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek:
Een gift is een handeling waarbij iemand een ander rijker maakt, terwijl de gever daardoor armer wordt.
Om te kunnen spreken van een gift, moeten drie dingen duidelijk zijn:
Deze uitleg volgt ook uit een uitspraak van de Hoge Raad van 12 juli 2002 (ECLI:NL:HR:AD7272).
In de Participatiewet staat dat een gift kan worden vrijgelaten als dat in het individuele geval verantwoord is voor de bijstandsverlening (artikel 31, tweede lid, onderdeel s). Dat artikel verandert niet in de Participatiewet in balans. Wel nieuw is dat giften en kostenbesparingen tot € 1.200 per kalenderjaar sowieso niet meetellen als middel (artikel 31, tweede lid, onderdeel m). Dit bedrag wordt landelijk en periodiek aangepast om verschillen tussen gemeenten te voorkomen. De gemeente mag dit bedrag niet zelf aanpassen.
Gemeenten die in 2025 een hogere vrijlatingsgrens hadden, moeten hun beleid hierop aanpassen. Het college heeft wel de mogelijkheid om te bepalen in welke situaties het verantwoord is om een gift vrij te laten, buiten de € 1.200. Dat kan via artikel 31, tweede lid, onderdeel s.
Belangrijk is dat iedereen begrijpt wanneer een gift wordt vrijgelaten of wanneer deze verrekend moet worden met de bijstand. Het college kijkt daarbij naar de financiële situatie van de persoon.
Naast de algemene (categoriale) vrijlatingsregeling mag het college ook zelf bepalen wanneer het verantwoord is om giften buiten beschouwing te laten. In dit artikel staan situaties waarin het college een gift in elk geval niet meerekent bij het bepalen van het recht op bijstand en de hoogte ervan.
De medische noodzaak van zorg en daarmee samenhangende kosten wordt bepaald door de zorgwetgeving en de medische indicatie van een behandelaar; het college is niet bevoegd deze medische beoordeling zelfstandig over te doen.
Artikel 3. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze periode wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Deze zoekperiode geldt niet voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs. Ook jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie wordt geen zoektermijn opgelegd. Zij kunnen direct een aanvraag indienen. De gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.
Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, wordt een elfde lid toegevoegd:
‘In afwijking van het vierde lid kan het college de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.’
Het twaalfde lid voegt daaraan toe, dat het college de jongere na de melding dan in de gelegenheid stelt om direct zijn aanvraag in te dienen.
Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief. Voor jongeren in kwetsbare omstandigheden wordt met deze wetswijziging de mogelijkheid geboden om af te zien van de zoektermijn.
In artikel 3 worden groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden.
Artikel 4. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure
Voor veel inwoners is de aanvraag voor algemene bijstand ingewikkeld en duurt deze te lang. Dit geldt vooral voor mensen die kort werk of flexibele contracten hebben gehad. Zij moeten de uitgebreide aanvraagprocedure steeds opnieuw doorlopen. Hierdoor hebben zij vaak lang financiële onzekerheid.
Met een aantal nieuwe maatregelen wordt de aanvraag sneller en eenvoudiger. Eén van deze maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure. Deze staat in het nieuwe artikel 43a van de Participatiewet:
Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de mogelijkheid om iemand die binnen twaalf maanden opnieuw bijstand aanvraagt, sneller te helpen. Het college hoeft dan niet opnieuw alle informatie op te vragen die al bekend is van de eerdere bijstandsperiode. Daardoor kan de uitkering sneller worden toegekend. Van deze mogelijkheid maakt het college gebruik. Het college gebruikt de gegevens die nog beschikbaar zijn en vraagt deze niet opnieuw aan de inwoner.
De vereenvoudigde aanvraagprocedure is vooral bedoeld voor situaties waarin de omstandigheden van de inwoner nauwelijks zijn veranderd. In zulke gevallen kan het college het recht op bijstand snel en eenvoudig bepalen.
In het eerste lid staan situaties waarin dit zo kan zijn. Belangrijk is dat het hergebruik van gegevens niet mag zorgen voor een zwaardere procedure. De aanvraag moet juist minder belastend zijn voor de inwoner. Dat is ook een harde voorwaarde in de wet.
Niet alle gegevens blijven lang hetzelfde. Sommige informatie kan snel veranderen, bijvoorbeeld werk, inkomen of woonsituatie. Dit artikel geeft aan welke gegevens in ieder geval opnieuw gecontroleerd moeten worden. Het college kijkt of de eerdere gegevens nog kloppen.
Als er twijfel is, mag het college altijd aanvullende of recentere informatie opvragen bij de inwoner. Dit kan ook gelden voor andere onderdelen dan die in dit artikel genoemd zijn.
In de wet is het nieuwe artikel 43a van de Participatiewet woordelijk overgenomen in artikel 15a van de Ioaw. Dat betekent dat dezelfde regels gelden voor beide wetten.
Om het voor inwoners én voor het college duidelijk en eenduidig te maken, is in het derde lid vastgelegd dat deze beleidsregel voor de Participatiewet ook geldt voor de Ioaw uitkering.
Er is geen inhoudelijke reden om voor de Ioaw andere regels te gebruiken dan voor de Participatiewet. Daarom volgt het college dezelfde werkwijze bij beide wetten.
Artikel 5. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
Een bijstandsuitkering begint op de dag waarop iemand recht heeft op bijstand, maar nooit eerder dan de dag waarop iemand zich heeft gemeld (artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet). In de meeste gevallen is de meldingsdatum dus ook de ingangsdatum van de uitkering. Dit betekent dat bijstand normaal gesproken niet met terugwerkende kracht kan worden toegekend. Alleen in bijzondere situaties kan dit wel. De rechter heeft bepaald dat dit bijvoorbeeld kan wanneer iemand zich vanwege medische redenen niet eerder kon melden of geen aanvraag kon indienen.
Omdat deze uitzondering in de praktijk te beperkt was, heeft de wetgever de mogelijkheden uitgebreid. In artikel 44, vijfde lid, is nu geregeld:
‘In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.’
Met dit nieuwe lid (een kan bepaling) krijgt het college dus de ruimte om bijstand tot maximaal drie maanden terugwerkend toe te kennen wanneer de persoonlijke situatie van de inwoner dat noodzakelijk maakt. In deze beleidsregel maakt het college gebruik van deze mogelijkheid.
Volgens de Memorie van Toelichting bij de Wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 46-47) kunnen er twee situaties zijn waarin het college bijstand met terugwerkende kracht kan geven:
De wetgever heeft vooral gekeken naar situaties waarin het de inwoner niet te verwijten is dat de aanvraag te laat is ingediend. Als de gevolgen van die late melding te ernstig zijn, kan het college door terugwerkende kracht toe te passen de schade beperken.
Het doel hiervan is om te voorkomen dat iemand door de late melding nog verder in de problemen komt, bijvoorbeeld door oplopende problematische schulden of het niet kunnen betalen van vaste lasten.
In dit onderdeel staan omstandigheden genoemd die volgens het college laten zien dat iemand niet verwijtbaar te laat is geweest met zijn melding.
Voor de punten 1, 2 en 5 gaat het vooral om persoonlijke omstandigheden.
Denk aan situaties waarin iemand niet in staat was om zich op tijd te melden, bijvoorbeeld door een ziekenhuisopname of doordat iemand onvoldoende ‘doenvermogen’ had om de aanvraag te regelen. Voor de punten 3, 4 en 6 gaat het meer om systeemtechnische omstandigheden. Bijvoorbeeld: iemand vraagt eerst WW uitkering aan. Pas als die aanvraag wordt afgewezen, meldt de persoon zich voor bijstand. De vertraging komt dan door het systeem, niet door de persoon zelf.
In deze situaties kan de bijstand met terugwerkende kracht worden toegekend tot het moment waarop de inwoner in die omstandigheden terechtkwam. Dit kan maximaal drie maanden terug, zoals ook in het tweede lid staat.
Natuurlijk geldt wel dat iemand vanaf dat eerdere moment al recht moest hebben op bijstand. Alleen dan kan terugwerkende kracht worden toegepast.
Soms kunnen de gevolgen voor de inwoner heel ernstig zijn als er geen bijstand met terugwerkende kracht wordt gegeven. Alleen al om die reden kan het college besluiten toch terugwerkende kracht toe te passen.
In dit onderdeel staan een paar indicatoren die laten zien dat terugwerkende kracht passend kan zijn. Het gaat vooral om ernstige financiële problemen op dit moment (onderdelen 1 en 2), of problemen die ontstaan zijn door geldgebrek, zoals een dreigende huisuitzetting, afsluiting van gas, water of stroom, of het kwijtraken van de zorgverzekering.
Vaak komt er niet één probleem tegelijk: mensen met financiële problemen hebben meestal meerdere uitdagingen tegelijk. Daarom zijn deze punten alleen indicatoren en geen harde regels. Het college heeft ruimte om ook in andere situaties bijstand met terugwerkende kracht te geven als dat nodig is.
Artikel 44, vijfde lid, van de Participatiewet geeft het college de mogelijkheid om bijstand toe te kennen met terugwerkende kracht, tot maximaal drie maanden vóór de datum waarop iemand zich heeft gemeld. Met het tweede lid van deze beleidsregel geeft het college aan wat in normale situaties de maximale periode van terugwerkende kracht zal zijn.
De regels uit de voorgaande leden gelden ook voor uitkeringen op basis van de Ioaw.
Het nieuwe artikel 44, vijfde lid, van de Participatiewet is namelijk woordelijk overgenomen in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw. Om alles duidelijk en eenduidig te houden, is in het derde lid opgenomen dat dezelfde beleidsregel die geldt voor de algemene bijstand, ook geldt voor een Ioaw uitkering. Er is geen inhoudelijke reden om voor de Ioaw op dit onderdeel een andere werkwijze te gebruiken dan voor de Participatiewet. Daarom volgt het college in beide gevallen dezelfde lijn.
Door het vaststellen van deze verzamelbeleidsregel zal het gemeentelijk beleid op sommige punten veranderen. Het college wil regelmatig onderzoeken of dit aangepaste beleid goed werkt, doelmatig kan worden uitgevoerd en binnen de regels blijft.
Voor zowel de eigen uitvoering als voor de inwoner is het belangrijk dat het beleid regelmatig wordt geëvalueerd. Op deze manier kan het college beoordelen of het nog actueel, effectief en passend is. Als uit de evaluatie blijkt dat het beleid niet meer goed werkt of dat er betere mogelijkheden zijn, kan het worden aangepast.
Op het moment dat deze verzamelbeleidsregel in werking treedt, wordt de genoemde beleidsregel ingetrokken. Dit betekent dat die regel niet meer van kracht is.
Artikel 8. Inwerktreding en overgangsrecht
Voor besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2026, geldt in ieder geval, dat deze in stand blijven totdat daarover opnieuw is beslist. Dat zal bij de giftenregeling het geval kunnen zijn. Denkbaar is, dat besloten is om in een individueel geval periodieke giften vrij te laten. Die vrijlating blijft doorlopen, totdat daarop met toepassing van de nieuwe regels is beslist.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-303977.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.