Gemeenteblad van Laarbeek
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Laarbeek | Gemeenteblad 2026, 303214 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Laarbeek | Gemeenteblad 2026, 303214 | beleidsregel |
De gemeente Laarbeek beschikt momenteel over de Nota Parkeernormen Laarbeek 2023, waarin de parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn vastgelegd. De huidige parkeernormen sluiten niet langer aan bij de meest recente parkeerkencijfers van het CROW. Deze landelijke kengetallen vormen een belangrijke referentie voor een realistische en toekomstbestendige parkeerbehoefte en worden in de rechtspraak ook als zodanig erkend. Door veranderende mobiliteitspatronen, woningtypen en het gebruik van deelmobiliteit is de parkeerbehoefte in de afgelopen jaren gewijzigd. Dit is aanleiding om de huidige nota te herzien voor de nieuwe ‘Parkeernota Laarbeek 2026’.
Deze nota richt zich op het parkeerbeleid voor zowel auto’s als fietsen. Voor beide vormen van parkeren worden de uitgangspunten en normen vastgesteld die van toepassing zijn op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en functiewijzigingen. Hiermee wordt beoogd een samenhangend en evenwichtig kader te bieden dat aansluit bij actuele mobiliteitsontwikkelingen en de gewenste ruimtelijke kwaliteit.
Deze nota bevat geen beleidskaders voor laadinfrastructuur. Dit onderwerp wordt in een afzonderlijk traject uitgewerkt en op een later moment toegevoegd aan de gemeentelijke beleidsstukken. Wel wordt in deze nota het aandeel laadpunten benoemd waar het totaal aantal parkeerplaatsen aan dient te voldoen.
Dit beleidsstuk is opgebouwd uit vier hoofdstukken.
Hoofdstuk 1 vormt de inleiding op de Parkeernota Laarbeek 2026. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aanleiding voor het opstellen van de nota, de doelstelling en de afbakening van het document. Tot slot geeft de leeswijzer een overzicht van de opbouw en samenhang van de nota.
Hoofdstuk 2 beschrijft de beleidsregels die richting geven aan het gemeentelijk parkeerbeleid. In dit hoofdstuk zijn de uitgangspunten en principes opgenomen die gelden voor het omgaan met parkeren bij ruimtelijke ontwikkelingen. Onderwerpen als parkeren op eigen terrein, het hanteren van actuele en objectieve parkeernormen, functiemenging en dubbelgebruik en salderen komen hier aan bod. Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor het toepassen van de parkeernormen.
Hoofdstuk 3 bevat de parkeernormen en de bijbehorende uitwerkingsregels. Hier wordt concreet uitgewerkt hoe de parkeerbehoefte wordt berekend, onder meer aan de hand van gebiedsprofielen, functies en rekenregels. Ook wordt ingegaan op bezoekersnormen, afrondingsregels, de mogelijkheden voor afwijking en voorbeeldberekeningen.
Hoofdstuk 4 gaat in op het juridische kader, met daarin toegelicht hoe het document juridisch is verankerd, de overgangsregeling en de hardheidsclausule. In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe wordt omgegaan met lopende aanvragen en bestaande situaties bij de inwerkingtreding van deze nota.
Deze nota stelt dat elke ruimtelijke ontwikkeling in Laarbeek moet voorzien in voldoende auto- en fietsparkeerplaatsen. Hierbij wordt uitgegaan dat de parkeerplaatsen voor zowel vaste gebruikers (bewoners, medewerkers, etc.) als bezoekers op eigen terrein worden gerealiseerd, al dan niet inpandig of binnen het plangebied. Dit beperkt het ruimtebeslag op de openbare ruimte en bevordert overzichtelijke parkeeromstandigheden. Bezoekersparkeerplaatsen moeten daarbij openbaar toegankelijk zijn en blijven.
Mits aantoonbaar is dat de parkeerbehoefte niet op eigen terrein kan worden gerealiseerd en uit een parkeeronderzoek blijkt dat de parkeerdruk in de omgeving niet hoger wordt dan 85%, kan alsnog medewerking aan het initiatief worden overwogen. In dergelijke maatwerksituaties wordt het initiatief in overleg met de gemeente nader beoordeeld.
Parkeeronderzoek (of parkeerdrukonderzoek)
Een parkeeronderzoek is een onderzoek waarmee wordt vastgesteld hoeveel parkeerplaatsen in een gebied aanwezig zijn en in hoeverre deze worden gebruikt.
Bij een parkeeronderzoek wordt eerst de parkeercapaciteit in het onderzoeksgebied geïnventariseerd. De grootte van het onderzoeksgebied wordt bepaald door de acceptabele loopafstanden van de auto/fiets tot de functie. Daarbij worden alle legale en relevante parkeerplaatsen in de openbare ruimte geteld, zoals parkeervakken langs de straat en parkeerterreinen. Vervolgens worden op verschillende momenten parkeertellingen uitgevoerd om vast te stellen hoeveel plaatsen daadwerkelijk bezet zijn. Deze tellingen vinden plaats op meerdere (minimaal drie) representatieve momenten (buiten vakantieperioden en feestdagen), zoals een werkdag in de middag en avond en een zaterdagmiddag, omdat de parkeerdruk per moment kan verschillen.
De resultaten worden uitgedrukt in een parkeerdrukpercentage, waarbij het aantal geparkeerde voertuigen wordt afgezet tegen het totale aantal beschikbare parkeerplaatsen. In de praktijk wordt uitgegaan van een maximale parkeerdruk van 85%. Boven dit percentage neemt de kans op zoekverkeer en parkeeroverlast toe.
Door de extra parkeerbehoefte bij de bestaande situatie op te tellen, kan worden beoordeeld of de parkeerdruk binnen het onderzoeksgebied ook in de toekomstige situatie acceptabel blijft.
Een parkeeronderzoek moet transparant zijn in de gehanteerde methodiek, het onderzoeksgebied, de telmomenten en de gebruikte parkeernormen, zodat duidelijk is dat de conclusies zorgvuldig en onderbouwd tot stand zijn gekomen. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de uitvoering van het onderzoek.
Gemeente Laarbeek hanteert een geldigheidsduur van twee jaar voor een parkeeronderzoek.
2.2 Actuele en objectieve parkeernormen
Hoeveel auto- en/of fietsparkeerplaatsen nodig zijn bij een bepaald initiatief, wordt bepaald aan de hand van parkeernormen. Een parkeernorm is een door de gemeente vastgesteld aantal parkeerplaatsen wat nodig is bij een bepaalde functie per vaste eenheid (bijvoorbeeld per woning) of per oppervlakte (meestal 100m2 bruto vloeroppervlak*). De hoogte van de norm hangt af van:
In deze nota is de hoogte van de parkeernormen afgeleid van de parkeerkencijfers van het CROW. Het CROW (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek) is een onafhankelijke kennisorganisatie op het gebied van een duurzame inrichting van de fysieke leefomgeving in Nederland. Het CROW bepaalt op basis van praktijkdata, onderzoek en beleidsmatige afwegingen de parkeerkencijfers met een bandbreedte om gemeenten beleidsruimte te geven om:
Voor deze nota is voor het bepalen van de parkeernormen gebruik gemaakt van drie publicaties, namelijk:
Dit zijn de meest actuele publicaties op het moment van schrijven van deze nota. Op het moment dat de publicaties door het CROW worden geactualiseerd, kan het college besluiten de inhoud van de nieuwe publicaties te laten gelden. De uitgangspunten (bijvoorbeeld onderstaande gemiddelde norm binnen de bandbreedte) blijven daarbij wel ongewijzigd.
Mocht de informatie uit deze nota niet toereikend zijn, wordt verwezen naar de gehanteerde publicaties.
*Het bruto vloeroppervlak (bvo) is de oppervlakte van het gebied dat wordt begrensd door de buitenomtrek van de omringende opgaande scheidingsconstructies, gemeten op vloerniveau(s). Voor het bepalen van bruto vloeroppervlakte wordt verwezen naar de norm NEN 2580. Inpandig gebouwde parkeervoorzieningen maken geen deel uit van het bvo.
Het CROW hanteert parkeerkencijfers in de vorm van bandbreedtes (minimum-maximum). Gemeentes bepalen binnen deze bandbreedtes, op basis van lokaal beleid en gebiedskenmerken, welke parkeernormen worden toegepast. De gemeente Laarbeek hanteert het gemiddelde van deze bandbreedte. Het maximum wordt niet gekozen om extra ruimte te kunnen creëren voor onder andere groen en klimaatadaptieve maatregelen. Ook de mobiliteitstransitie en het stimuleren van openbaar vervoer en de fiets zijn belangrijke redenen om niet aan het maximum vast te houden. Het relatief hoge autobezit en -gebruik in Laarbeek zijn aanleiding om niet voor het minimum te gaan. Alternatieven voor het gebruik van de auto zijn op dit moment nog onvoldoende aanwezig, alhoewel er wel ontwikkelingen zijn op het gebied van snelfietsroutes en OV-verbindingen.
De vastgestelde gemeentelijke parkeernormen zijn opgenomen in bijlage 2 (Parkeernormen auto) en bijlage 3 (Parkeernormen fiets).
2.3 Functiemenging en dubbelgebruik
Bij functiemenging (bijvoorbeeld wonen en detailhandel) kan rekening worden gehouden met dubbelgebruik van parkeerplaatsen, waardoor efficiënter gebruik mogelijk is. Dubbelgebruik kent echter wel de volgende aandachtspunten:
Iedere functie kent een eigen piekmoment. Bewoners zijn bijvoorbeeld vaak thuis in de avonden en weekenden, terwijl detailhandel voornamelijk overdag een parkeervraag heeft. De aanwezigheidspercentages van bijlage 4 (Aanwezigheidspercentages) en voorbeeldberekening uit paragraaf 3.8 (Voorbeeldberekeningen) helpen om te bepalen wat de parkeervraag in het uiterste geval is en dus ook hoeveel parkeerplaatsen er uiteindelijk benodigd zijn, ook wel parkeerbalans genoemd.
Toegankelijkheid en openstelling
De gemeente Laarbeek heeft een volgend parkeerbeleid. Dit betekent dat de huidige situatie als gegeven wordt beschouwd. Het oplossen van bestaande parkeerproblemen wordt niet bij de initiatiefnemer neergelegd. De initiatiefnemer is alleen verantwoordelijk voor het oplossen van de parkeerbehoefte die horen bij zijn ruimtelijke plan.
Bij functiewijziging of herontwikkeling mag rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte van de oorspronkelijke planologische toegestane functie. Indien de parkeerbehoefte afneemt, ontstaat geen recht op het vervallen van bestaande parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Indien de nieuwe functie leidt tot een hogere parkeerbehoefte, hoeft alleen het verschil te worden gecompenseerd. Hierbij dient wel rekening te worden gehouden dat de oorspronkelijk functie niet langer dan 5 jaar geleden is beëindigd. Verdere eisen zijn:
2.6 Mogelijkheid tot maatwerk en afwijking
Als daar goede en onderbouwde redenen voor zijn, kan het college toestaan dat er minder (of anders) wordt geparkeerd dan volgens de reguliere parkeereis verplicht is.
Door toepassing van maatwerk kan nauwkeuriger gekeken worden naar de werkelijke parkeerbehoefte en worden alternatieve oplossingen voor het parkeren mogelijk.
3.1 Parkeernormen per gebiedsprofiel
In Laarbeek worden drie gebiedsprofielen onderscheiden, namelijk:
De locatie van een ruimtelijke ontwikkeling in de gemeente bepaalt mede de hoogte van de parkeernorm. De verschillen tussen de normen per gebiedsprofiel worden namelijk bepaald door onder andere voorzieningenaanbod, autobezit en mobiliteitsgedrag. Deze gebiedsprofielen komen overeen met de verdeling van het CROW. Gemeente Laarbeek hanteert niet het profiel ‘schil centrum’, vanwege de beperkte grootte van het centrum ten opzichte van de gehele kern.
In bijlage 1 (Gebiedsindelingen) zijn de gebiedsprofielen per kern weergegeven. Hierop is aangegeven welk deel van de kern onder het profiel ‘centrum’ valt. Het buitengebied wordt gevormd door het verkeerskundige buitengebied. Het gebied dat op basis van de komborden buiten de bebouwde kom valt, valt onder buitengebied. Alles tussen centrum en buitengebied valt onder ‘rest bebouwde kom’.
3.2 Rekenregels parkeerbehoefte
De parkeerbehoefte van een ontwikkeling wordt berekend door de geldende parkeernorm te vermenigvuldigen met de omvang van de ontwikkeling (bijvoorbeeld aantal woningen of bruto vloeroppervlak). De standaard eenheden zijn ‘per woning’ of ‘per 100m2 bvo’, tenzij anders aangegeven.
Bij gemengde ontwikkelingen wordt de parkeerbehoefte per functie afzonderlijk berekend en vervolgens opgeteld, waarbij – indien van toepassing – rekening wordt gehouden met dubbelgebruik.
Bij uitbreiding van een bestaande functie wordt uitsluitend de extra parkeerbehoefte als gevolg van de uitbreiding berekend.
Een oprit bij een woning kent een theoretische waarde van hoeveel auto’s er geparkeerd kunnen worden en een rekenwaarde. Omdat de oprit ook voor andere doeleinden gebruikt wordt (bijv. opslag), wijkt de rekencapaciteit af van de theoretische capaciteit. De tabel met rekenwaardes is opgenomen in bijlage 7 (Rekenwaardes oprit bij woning).
De einduitkomst van de berekening van de parkeerbehoefte wordt altijd naar boven afgerond op hele getallen, behalve voor laadpalen en gehandicaptenparkeerplaatsen. De uitkomst wordt hier pas naar boven afgerond als het getal achter de komma een 5 of hoger is.
De berekende parkeerbehoefte is het minimum te realiseren aantal parkeerplaatsen.
De geldende parkeernormen per functie per gebiedsprofiel zijn weergegeven in bijlage 2 (Parkeernormen auto) en bijlage 3 (Parkeernormen fiets).
De meeste parkeernormen zijn een samenstelling van enerzijds de bewoner (in het geval van wonen) of werknemer (in het geval van werken) en anderzijds de bezoeker van de functie. Per tabel en per functie is aangegeven welk aandeel van de norm bestaat uit bezoekers. Dit onderscheid is belangrijk voor het bepalen of een parkeerplaats openbaar toegankelijk dient te zijn.
3.4 Aandeel laadpunten elektrische voertuigen
Van het totaal aantal te realiseren parkeerplaatsen dient een bepaald aandeel ingericht te worden als laadpunt voor elektrische voertuigen. Het aandeel elektrische voertuigen groeit nog steeds en hiermee wordt geborgd dat parkeeroplossingen toekomstbestendig worden gerealiseerd. Het te realiseren aandeel is afgestemd per functie en per gebiedsprofiel, volgens de parkeerkencijfers van het CROW. Zie paragraaf 2.2 (Actuele en objectieve parkeernormen) voor de verwijzing naar de toegepaste publicaties.
Op het moment van publiceren van deze nota is recent het prioriteringskader vastgesteld voor nieuwe aansluitingen op het laagspanningsnet. Ondanks dat een bepaald aandeel van het aantal parkeerplaatsen ingericht dient te worden als laadpunt voor elektrische voertuigen, kan het voorkomen dat deze laadpunten niet gerealiseerd kunnen worden. De ruimtelijke ontwikkeling kan in dit geval alsnog plaatsvinden, zonder de verplichte hoeveelheid laadpunten, mits deze zo snel mogelijk geplaatst gaan worden.
3.5 Aandeel gehandicaptenparkeerplaatsen
Bij publieke functies dient minimaal 5% van de te realiseren parkeerplaatsen ingericht te zijn als gehandicaptenparkeerplaats. Bij grote parkeerplaatsen en parkeergarages dient minimaal 2% ingericht te zijn als gehandicaptenparkeerplaats. De aanwezigheid van een publieke functie is daarbij geen eis. Verder dient rekening gehouden te worden met de afstand van de parkeerplaats tot de ingang en de maatvoering van het parkeervak. Zie bijlage 5 (Acceptabele loopafstanden) en bijlage 6 (Maatvoering) voor de maximum loopafstanden en maatvoering.
3.6 Maatvoering, loopafstanden en kwaliteitseisen
Parkeerplaatsen dienen te voldoen aan een bepaalde maatvoering, zodat ze veilig, toegankelijk en doelmatig kunnen worden gebruikt. Dit betekent dat zowel de afmetingen van de afzonderlijke parkeerplaatsen als de rijloperbreedtes en manoeuvreerruimtes moeten aansluiten bij de geldende richtlijnen en praktische bruikbaarheid. De maatvoering is gebaseerd op de richtlijnen uit de ASVV 2021 ‘Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom’.
Daarnaast gelden er acceptabele loopafstanden tussen de parkeerplaatsen en de bijbehorende bestemming. De toelaatbare loopafstand is afhankelijk van de functie en het gebiedstype, waarbij voor bijvoorbeeld woningen doorgaans kortere loopafstanden passend zijn dan voor voorzieningen of werklocaties. Hiermee wordt geborgd dat parkeeroplossingen niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief aansluiten bij het beoogde gebruik.
Tot slot gelden er voor gemeenschappelijke fietsenstallingen kwaliteitseisen. Deze kwaliteitseisen zijn tot stand gekomen vanwege de toenemende behoefte aan parkeerplaatsen voor fietsen met afwijkende maten:
De geldende maatvoering en acceptabele loopafstanden voor deze nota zijn opgenomen in bijlage 5 (Acceptabele loopafstanden) en bijlage 6 (Maatvoering).
Van de berekende parkeerbehoefte kan op een aantal manieren afgeweken worden, namelijk:
Korting bij bijdrage aan groen en water
Indien de parkeerbehoefte op eigen terrein te realiseren is, maar er aantoonbaar voldoende parkeerruimte aanwezig is in de bestaande openbare ruimte, mag maximaal 50% van de parkeereis in de openbare ruimte ingelost worden. Voorwaarde hiervoor is wel dat de vrijgekomen ruimte op eigen terrein ingezet wordt om een bijdrage te leveren aan groen en water.
Korting door stimuleren gebruik fiets, OV of andere modaliteit
Door actief te sturen op gezonde vervoerskeuzes, zoals lopen en fietsen, wil Laarbeek het gebruik van de auto minder vanzelfsprekend maken (zie ook het Mobiliteitsplan van juni 2025 met o.a. het STOMP-principe). Dit draagt bij aan een leefbare omgeving en leidt tegelijkertijd tot een lagere parkeerbehoefte. Te denken valt hierbij aan een mobiliteitsplan voor de medewerkers van een bedrijf of organisatie waaruit blijkt dat duurzaam is geregeld dat de medewerkers gebruik maken van andere vervoersmogelijkheden dan de auto. De korting die gegeven wordt is maximaal 10% en afhankelijk van de onderbouwing van de initiatiefnemer. De korting op het aantal te realiseren parkeerplaatsen wordt door de gemeente bepaald.
Hierna volgt een aantal voorbeeldberekeningen ter verduidelijking van de hiervoor benoemde beleidsregels en praktische toepassingen.
De parkeerbehoefte* wordt berekend door de geldende norm te vermenigvuldigen met de omvang van de ontwikkeling. De uitkomst hiervan geeft het aantal benodigde parkeerplaatsen weer voor deze ontwikkeling.
In dit voorbeeld wordt in het centrum een buurtsupermarkt van 450m2 bvo gebouwd met daarboven 35 koopappartementen (<75m2). Om hiervan de totale parkeerbehoefte te bepalen wordt van beide functies afzonderlijk de behoefte bepaald. De optelsom hiervan bepaalt de totale behoefte.
De buurtsupermarkt heeft een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per 100m2 bvo, dus de behoefte is 2,3x(450/100)=10,35 parkeerplaatsen, waarvan 89% openbaar dient te zijn (=10,35x(89/100)=9,2 plaatsen).
De woningen hebben een parkeernorm van 1,15 parkeerplaatsen per woning, dus de behoefte is 1,15x35=40,25 parkeerplaatsen, waarvan 0,15 parkeerplaatsen per woning openbaar dient te zijn (=0,15x35=5,25 plaatsen).
De totale parkeerbehoefte is (10,35+40,25=50,6 plaatsen) afgerond 51 parkeerplaatsen, waarvan (9,2+5,25=14,45 plaatsen) afgerond 15 parkeerplaatsen openbaar dienen te zijn.
*In bovenstaande berekening is enkel de behoefte bepaald van het autoparkeren. Voor fietsparkeren, gehandicaptenparkeerplaatsen en laadpunten voor elektrische voertuigen, geldt dezelfde rekenmethode. Ieder initiatief of ruimtelijke ontwikkeling dient met al deze onderwerpen rekening te houden op het gebied van parkeren.
In bovenstaande berekening is het uitgangspunt dat iedere functie (winkelen en wonen) voldoet in de eigen parkeerbehoefte. Echter, mits voldaan wordt aan de aandachtspunten uit paragraaf 2.3, kunnen de parkeerplaatsen van de verschillende functies ook gedeeld (dubbel gebruikt) worden. De parkeerplaatsen van de winkel worden voornamelijk overdag gebruikt en de parkeerplaatsen van de woningen worden veelal in de avond gebruikt.
Aan de hand van de tabel met aanwezigheidspercentages en de invultabel in bijlage 4 (Aanwezigheidspercentages) is te berekenen wat de maximale parkeerbehoefte is en dus ook het aantal parkeerplaatsen wat minimum gerealiseerd dient te worden. Hieronder zal het voorbeeld van de buurtsupermarkt en de koopappartementen uitgewerkt worden in de tabel. Allereerst dient per functie de parkeerbehoefte bepaald te worden, zoals hierboven al is gedaan (winkelen: 10,35 // wonen: 40,35). Deze ‘maximale parkeerbehoefte’ dient vermenigvuldigd te worden met het gegeven percentage per meetmoment (werkdag-ochtend, werkdag-middag, etc.) en ingevuld te worden in de kolom P.beh.mom (parkeerbehoefte per moment). Ieder meetmoment krijgt zo een parkeerbehoefte door de parkeerplaatsen te delen. Het meetmoment met de hoogste uitkomst is de bepalende factor en bepaalt dus hoeveel parkeerplaatsen met dubbelgebruik nodig zijn.
Tabel 1 Voorbeeld parkeerbehoefteberekening met dubbelgebruik
Bovenstaande tabel 1 toont aan dat de maximale parkeerbehoefte op zaterdagmiddag is en 42 parkeerplaatsen is.
Aandeel openbare parkeerplaatsen
Iedere tabel met parkeernormen uit bijlage 2 (Parkeernormen auto) en bijlage 3 (Parkeernormen fiets) kent een ‘bezoekerscomponent’. Dit geeft aan welk deel van de parkeerplaatsen openbaar toegankelijk dient te zijn. De tabel met de parkeernormen voor de functie ‘wonen’ heeft een afzonderlijke regel met daarin de norm voor bezoekers. Bij de andere functies staat achter iedere categorie een percentage.
Als eerste voorbeeld worden er 12 koopappartementen in het centrum gebouwd (<75m2). Uit bijlage 2 is af te leiden dat de parkeernorm 1,15 per woning is, dus in totaal 12x1,15=13,8 (afgerond 14) parkeerplaatsen benodigd zijn. Het aandeel bezoekers is 0,15x12=1,8 (afgerond 2) parkeerplaatsen, welke openbaar toegankelijk dienen te zijn.
Als tweede voorbeeld wordt een sportschool van 450m2 bvo gebouwd in de rest bebouwde kom. Uit bijlage 2 is af te leiden dat de parkeernorm 4,8 per 100m2 is, dus in totaal (450/100)x4,8=21,6 parkeerplaatsen benodigd zijn. Het aandeel bezoekers is 87%, dus 21,6x0,87=18,8 (afgerond 19) parkeerplaatsen dienen openbaar toegankelijk te zijn.
De parkeerdruk wordt gemeten door te kijken hoeveel parkeerplaatsen bezet zijn op een bepaald moment, uitgedrukt in een percentage, dus:
Parkeerdruk = (Aantal bezette parkeerplaatsen / totaal aantal parkeerplaatsen) x 100%
Als voorbeeld zijn er in een bepaald gebied 45 parkeerplaatsen in totaal. Op zaterdagavond 19:00 uur volgt uit een telling dat 34 parkeerplaatsen hiervan bezet zijn. Hieruit is op te maken dat op dat moment de parkeerdruk (34/45)x100%=75,6% is.
Vanaf 85% parkeerdruk wordt gesproken over hoge parkeerdruk.
De Parkeernota Laarbeek 2026 vormt het beleidsmatige toetsingskader voor het bepalen van de parkeerbehoefte bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente. Het hanteren van deze nota is geen vrijblijvende aangelegenheid, maar vindt zijn grondslag in de wettelijke verplichtingen die voortvloeien uit de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelgeving. Op grond van de Omgevingswet dient bij het mogelijk maken van een bouw- of gebruiksactiviteit te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderdeel daarvan is het waarborgen van een aanvaardbare parkeer- en verkeerssituatie.
De parkeernormen uit deze nota worden toegepast bij de beoordeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning en bij ruimtelijke procedures. Indien een initiatief niet voldoet aan de vastgestelde normen, kan dit leiden tot het weigeren van een vergunning of het stellen van nadere voorwaarden. De normen werken derhalve door via het omgevingsplan en via vergunningvoorschriften, waarmee zij een juridisch bindend karakter krijgen.
Door vaststelling van deze nota door de raad is sprake van vastgesteld beleid in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat het bevoegd gezag overeenkomstig dit beleid dient te handelen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking rechtvaardigen. Afwijkingen dienen deugdelijk gemotiveerd te worden. Hiermee wordt rechtszekerheid en gelijke behandeling van initiatiefnemers gewaarborgd.
De toepassing van de Parkeernota Laarbeek 2026 is daarmee een juridisch verankerd onderdeel van de ruimtelijke besluitvorming en vormt een essentieel instrument om parkeerdruk, verkeersonveiligheid en aantasting van de leefbaarheid te voorkomen.
Het college handelt overeenkomstig de Parkeernota Laarbeek 2026, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregel te dienen doelen. Bovendien dient de toepassing van de hardheidsclausule zo beperkt mogelijk te worden gehouden en een algemeen belang te dienen. Hiermee wordt gebruik gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid zoals deze is geregeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Na vaststelling door de raad treedt de Parkeernota Laarbeek 2026 in werking een dag nadat deze is bekendgemaakt.
Voor bestaande bouwinitiatieven is een overgangsregeling van toepassing. Deze houdt in dat deze nota niet van toepassing is op:
Een bouwinitiatief ten aanzien waarvan vóór de inwerkingtreding van deze nota een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend en nog niet is verleend. Hierop blijft de Nota Parkeernormen Laarbeek 2023 van toepassing tenzij de Parkeernota Laarbeek 2026 leidt tot een lagere parkeereis. De initiatiefnemer mag dan ook gebruik maken van de nieuwe nota.
Een vooroverlegplan (bijv. principeverzoek) dat voor de inwerkingtreding van deze nota is ingediend, mits het betreffende vooroverlegplan met name naar aard, inhoud en haalbaarheid, redelijkerwijs kan leiden tot verlening van een omgevingsvergunning en mits ten aanzien van het gehele vooroverlegplan binnen een jaar na de publicatiedatum van deze nota een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend. Hierop blijft de Nota Parkeernormen Laarbeek 2023 alleen van toepassing indien de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen dat jaar is ingediend, tenzij de Parkeernota Laarbeek 2026 leidt tot een lagere parkeereis. De initiatiefnemer mag dan ook gebruik maken van de nieuwe nota.
1.1 Gebiedsindeling Aarle-Rixtel
Figuur 1 Gebiedsindeling Aarle-Rixtel
|
Aanleunwoning, serviceflat (zelfstandige woning met beperkte zorgvoorzieningen) |
||||
|
Kleine eenpersoonswoning (tiny house, meestal grondgebonden) |
||||
Het met de auto halen en brengen van kinderen zorgt voor vraag naar parkeerruimte bij scholen, kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang. Deze parkeervraag doet zich voor op vaste momenten van de dag. De auto’s blijven slechts korte tijd bij de locatie staan. Om te bepalen of er in de basis voldoende parkeerplaatsen zijn is een rekentool ontwikkeld door het CROW.
Rekentool halen en brengen bij scholen
Het totale aantal parkeerplaatsen voor halen en brengen kan met de volgende formules worden berekend:
Groepen 1 t/m 3: aantal leerlingen x % leerlingen met auto / 100 x 0,5 x 0,75
Groepen 4 t/m 8: aantal leerlingen x % leerlingen met auto / 100 x 0,25 x 0,85
Kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang: aantal leerlingen x % leerlingen met auto gedeeld door 100 x 0,25 x 0,75
Het percentage leerlingen dat wordt gebracht en gehaald ligt tussen de 1% en 60%. Dit is onder meer afhankelijk van stedelijkheidsgraad, stedelijke zone en de gemiddelde afstand naar school. Gemiddeld ligt het percentage op:
Kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang: 50-80%
Bij gescheiden aanvangs- en eindtijd van de groepen 1 t/m 3 en 4 t/m 8 mag het aantal parkeerplaatsen met maximaal 40% worden gereduceerd.
Een school heeft 420 leerlingen. 180 leerlingen zitten in de groepen 1 t/m 3. Hiervan wordt 30% met de auto gebracht en gehaald. De overige 240 leerlingen zitten in de groepen 4 t/m 8. Hiervan wordt 10% gebracht en gehaald. Ingevuld in de rekenformules levert dit het volgende op:
180 x 30 / 100 x 0,5 x 0,75 = 20,25
240 x 10 / 100 x 0,25 x 0,85 =5,1
Dit betekent dat er 26 parkeerplaatsen nodig zijn voor het halen en brengen van de leerlingen van deze school.
|
Aanleunwoning, serviceflat (zelfstandige woning met beperkte zorgvoorzieningen) |
|||
|
Kleine eenpersoonswoning (tiny house, meestal grondgebonden) |
|||
Tabel 4 Acceptabele loopafstanden (vanaf geparkeerde auto)
Tabel 5 Acceptabele loopafstanden (vanaf geparkeerde fiets)
Tabel 6 Acceptabele loopafstanden (vanaf geparkeerde auto gehandicapten)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-303214.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.