Afwegingskader natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen

Het college van B en W besluit:

  • 1.

    Het Afwegingskader natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen vast te stellen.

Afwegingskader en Puntensysteem: Natuurinclusief en Klimaatadaptief Bouwen Gemeente Best

 

Voorpagina

 

Over deze tool

Deze tool bevat het afwegingskader en het bijbehorende puntensysteem voor natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen, dat is ontwikkeld voor de gemeente Best. Het biedt een gestructureerde en geobjectiveerde benadering voor het ontwerpen en beoordelen van nieuwbouw- en herstructureringsprojecten, voornamelijk gericht op het stedelijk gebied."

 

Waarom dit systeem?

Het primaire doel van deze tool is om al aan de voorkant van projecten de focus te leggen op biodiversiteit, natuurwaarden en klimaatadaptatie. Het toepassen van groen helpt bij het opvangen van wateroverlast, het bestrijden van droogte en het verminderen van hittestress in de bebouwde omgeving. Hiermee geeft de tool direct sturing aan de kernopgave uit de Omgevingsvisie om van Best voor 2040 een groene, robuuste en aantrekkelijke gemeente te maken. Dit verhoogt niet alleen de leefkwaliteit, maar bevordert ook de fysieke en mentale gezondheid van de inwoners.

 

Voor wie is deze tool bedoeld?

"Projectontwikkelaars en initiatiefnemers:

Het afwegingskader biedt vooraf helderheid en houvast over de verwachtingen van de gemeente Best. Omdat verschillende maatregelen een eigen puntenscore hebben, wordt het inpassen van oplossingen makkelijker en worden de juiste maatregelen op de juiste plek gestimuleerd."

 

"Gemeente (beleidsmedewerkers en adviseurs):

De tool ondersteunt bij het objectief toetsen en evalueren van bouwplannen, wat bijdraagt aan besluitvorming en duidelijke communicatie met belanghebbenden."

 

Hoe werkt het puntensysteem?

 

"Drempelwaarden:

Om aan de eisen te voldoen, moet een project een minimaal aantal punten (de drempelwaarde) behalen. Dit is maatwerk: hoe groter de kavel of de voetafdruk van de ontwikkeling, hoe hoger de drempelwaarde die gehaald moet worden."

 

"Gebiedsgerichte aanpak:

De maatregelen en criteria zijn specifiek afgestemd op de situatie in Best en houden rekening met lokale gebiedsopgaven, zoals het centrum- en stationsgebied, de woonwijken en de zuidrand."

 

"Toepassing in elke projectfase:

Het puntensysteem is ontworpen om gedurende de verschillende fases van een bouwproject ingevuld te worden. Dit zorgt ervoor dat de gestelde natuur- en klimaatambities van het eerste ontwerp tot aan het uiteindelijke beheer en onderhoud geborgd blijven."

 

Met de inzet van deze tool loopt de gemeente Best proactief vooruit op naderende landelijke wetgeving en zorgt zij ervoor dat stedelijke ontwikkeling hand in hand gaat met een gezonde flora en fauna.

Projectinformatie

Puntensysteem Natuurinclusief- en klimaatadaptief bouwen

 

Toelichting:

Het puntensysteem is bedoelt om nieuwbouw- en herstructureringsprojecten binnen de gemeente Best te kunnen toetsen op natuurinclusiviteit, groen, en klimaatadaptiviteit. Afhankelijk van de schaalgrootte van de ontwikkeling wordt er een drempelwaarde opgesteld. Het doel is de drempelwaarde en groenopgave te behalen door middel van natuurinclusieve-, groene- en klimaatadaptieve maatregelen toe te passen in het plan. Een groter project heeft hier een hogere drempelwaarde dan een kleiner project.

 

Werkwijze

Vul op deze pagina onder 'projectinformatie' op chronologische volgorde van 1 tot en met 6 de oranjegekleurde vakjes in.

 

  • 1.

    De naam van het project.

  • 2.

    De woning-/ bouwopgave, bestaande uit:

    • -

      Aantal grondgebonden woningen

    • -

      Aantal appartementen

    • -

      BVO niet-woning

  • 3.

    De locatie binnen de gebiedsopgaven vanuit de Omgevingsvisie waar het project zich in bevindt.

  • 4.

    De schaalgrootte van het project, bestaande uit:

    • -

      Perceelgrootte: de volledige oppervlakte van de percelen.

    • -

      Footprint: de oppervlakte van de bebouwing op maaiveld.

    • -

      De gemiddelde hoogte van de bebouwing.

  • 5.

    Ambitieniveau wegingsfactor: de standaard factor is 1. Per project kan, in overleg met de gemeente, bepaald worden het ambitieniveau omhoog, of om laag te stellen. Niveau.

  • 6.

    Verhouding flora en fauna: er kan zonder overleg een andere verhouding van de drempelwaardes ingevoerd worden dat het best past bij het project.

Na het invullen kunt u overgaan naar het tabblad "Puntensysteem flora & water" en "Puntensysteem fauna". U analyseert hier het voorliggende plan en de natuurinclusieve, groene en/of klimaatadaptieve maatregelen die hierin voorkomen. En vult hierna aan de rechterkant onder 'invullen' de specifieke aantallen van de maatregelen in, afhankelijk van de 'eenheid'. Het scoreboard geeft vervolgens aan hoeveel punten zijn verdient, en of de drempelwaarde wel of niet is behaald. Vergeet niet om bij het "Puntensysteem flora & water" de hoeveelheid (niet inheemse) soorten in te vullen. De tabbladen flora, fauna en compensatieregeling bevat extra aanvullende informatie ter ondersteuning van het puntensysteem. Het tabblad "Bomen" is specifiek om de bomen in te vullen, zo kan er ook onderscheid gemaakt worden in hoeveel ruimte een boom krijgt om te groeien, deze pagina wordt nog los uitgelegd.

 

Toelichting onderdelen 'puntensysteem'

Type maatregel

Het type maatregel wat in een project voor kan komen.

Punten

Het aantal punten wat per maatregel is toebedeeld.

Eenheid

De eenheid waarmee een punt behaald kan worden.

Verplichte criteria

De minimale eis waar een maatregel aan moet voldoen om een punt te kunnen krijgen.

Informatie

Extra aanvullende informatie.

Invullen

Vul hier de hoeveelheden in, afhankelijk van de parameters van het project.

Behaalde punten

Hier wordt het aantal punten automatisch gegenereerd.

Behaald oppervlak collectief

Vul hier het deel van het oppervlak dat in collectief gebied ligt in

Behaald oppervlak openbaar

Vul hier het deel van het oppervlak dat in openbaar gebied ligt in

 

1. Projectnaam:

 

 

 

 

 

 

2a. Aantal grondgebonden woningen

 

 

 

 

2b. Aantal appartementen

 

 

 

 

2c. BVO niet-woning

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3. Locatie binnen de gebiedsopgaven

 

 

 

 

 

 

Centrum- en stationsgebied

 

 

Woonwijken

 

 

Best-Zuidrand

 

 

Bedrijventerreinen

 

 

Buitengebied

 

 

 

 

 

4. Schaalgrootte project

 

 

 

 

Perceelgrootte:

 

1

 

Footprint van de bebouwing:

 

1

 

Gemiddelde hoogte van bebouwing:

 

1

m

 

 

5. Ambitieniveau wegingsfactor

 

Referentie wegingsfactor ambitieniveau

 

 

 

1

Invullen naar referentie:

 

 

0,5

Een project met een lage groenambitie, of met een focus op een ander (groter) maatschappelijk doel.

1

Het standaard ambitieniveau

1,5

Een hoog ambitieniveau, afhankelijk van een specifieke locatie of gebiedsopgave.

2

Een zeer hoog ambitieniveau, afhankelijk van een specifieke locatie of gebiedsopgave.

 

6. Drempelwaarde

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Drempelwaarde maatregelen:

0

 

 

 

Afhankelijk van de input van stap 4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verhouding flora en fauna

Punten flora en water

Punten fauna

Keuze

75-25

0

0

80-20

0

0

85-15

0

0

Puntensysteem Flora & water

Puntensysteem

Projectinformatie

Scorebord

 

Naam project:

0

 

Behaalde groenopgave

#DELING.DOOR.0!

Aantal woningen en/of eenheden:

0

 

Minimum te behalen groenopgave

0

BVO niet-woning

0

 

Behaalde punten flora

#DELING.DOOR.0!

Locatie binnen de gebiedsopgave:

Centrum- en stationsgebied

 

Minimum te behalen punten flora

0

Perceelgrootte:

1

Behaalde punten fauna

0

Footprint van de bebouwing:

1

Minimum te behalen punten fauna

0

Gemiddelde hoogte van bebouwing:

1

m

Hoeveelheid niet inheemse soorten gebruikt

 

 

 

 

Totaal hoeveelheid soorten gebruikt

 

 

 

 

Eindscore (voldoende / onvoldoende)

#DELING.DOOR.0!

 

Type maatregel

Punten

Eenheid / punten per

Verplichte criteria

Informatie

Invullen

Behaalde punten

Behaald oppervlak collectief

Behaald oppervlak openbaar

Verplichte maatregelen binnen dit kader

 

 

 

 

Waterberging op eigen terrein

-

-

VERPLICHT

Berging van 70mm bui op eigen terrein.

 

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Behoud bestemd groen / natuur / bos / agrarisch met waarde natuur en landschap

-

-

VERPLICHT

Een vlak wat binnen het bestemmingsplan / omgevingsplan is aangeduid als 'Behoud bestemd groen / natuur / bos / agrarisch met waarde natuur en landschap' dient behouden te blijven. Wanneer dit om goede redenen niet te behalen is, moet er worden gewerkt volgens de compensatieregeling (zie tabblad Beleid). Dit gebeurt in overleg met de gemeente.

 

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Ten minste twee nieuwe groenmaatregelen gebruiken

-

-

VERPLICHT

Om te verzekeren dat er diversiteit is binnen het groen dat aangebracht wordt moeten er tenminste twee verschillende 'maatregelen rondom gebouwen' gebruikt worden.

 

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Toevoegen van ten minste 8 m2 groen per woning

-

-

VERPLICHT

Bij nieuwbouwprojecten dient 8 m2 groen per woning worden toegevoegd ten opzichte van de bestaande situatie (zie tabblad Beleid).

 

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Behoud bestaand groen binnen een niet-groene bestemming (bomen invullen in losse pagina)  

 

 

 

 

Behoud bestaande boom - Boomgrootte 1a

25

stuk

Een boom van 20 meter of hoger.

Bij voorkeur bomen die goed zijn voor de biodiversiteit zoals een wilg, zomer- en wintereik, ruwe iep, populier, grove den, beuk of de gewone esdoorn. Geen invasieve exoten.

0

0

n.v.t

n.v.t

Behoud bestaande boom - Boomgrootte 1b

20

stuk

Een boom van tussen de 12 en 20 meter

Bij voorkeur bomen die goed zijn voor de biodiversiteit zoals een zachte- en ruwe berk, gewone vogelkers, grijze els of haagbeuk. Geen invasieve exoten.

0

0

n.v.t

n.v.t

Behoud bestaande boom - Boomgrootte 2

15

stuk

Een boom tussen de 6 en 12 meter hoog.

Bij voorkeur bomen die goed zijn voor de biodiversiteit zoals een veldesdoorn, spaanse aak, of hulst. Geen invasieve exoten.

0

0

n.v.t

n.v.t

Behoud bestaande boom - Boomgrootte 3

10

stuk

Een boom kleiner dan 6 meter.

Bij voorkeur bomen die goed zijn voor de biodiversiteit zoals een grauwe wilg, wegedoorn of vuilboom. Geen invasieve exoten.

0

0

n.v.t

n.v.t

Behoud bestaand (ecologisch) groen

2

Met name bij groen met ecologische waarde.

Bij voorkeur zoveel mogelijk inheems.

 

0

n.v.t

n.v.t

Hergebruik verwijderde bomen, hagen, heesters en struiken

2

Bomen, hagen, heesters en/of struiken verplanten en/of hergebruiken vanuit een andere ontwikkeling of sloop.

Bij terugplanting moet er genoeg open oppervlak rondom het individu liggen.

 

0

n.v.t

n.v.t

Verbeteren groeiplaatsen bestaande bomen

divers

In overleg

Het verbeteren van een bestaande groeiplaats van een boom met als doel de gezondheid van de boom te waarborgen en/of verbeteren.

Het aantal punten is maatwerk. Dit gebeurd in overleg met de gemeente.

 

 

n.v.t

n.v.t

Maatregelen rondom gebouwen

 

 

 

 

Bomen en bosplantsoen (bomen invullen in losse pagina)  

Voorbeelden voor inheemse soorten (zie 40 van 040)

 

 

 

 

Aanplant solitaire boom - Boomgrootte 1a

20

stuk

Het toekomstbeeld van de boom is hoger dan 20 meter. Bij aanplant een stamomtrek van minimaal 16 cm.

Bij voorkeur inheemse bomen. Daarna voor ingeburgerd soorten, daarna soorten die bijdrage leveren aan stedelijke biodiversiteit. En geen invasieve exoten.

0

0

0

0

Aanplant solitaire boom - Boomgrootte 1b

15

stuk

Het toekomstbeeld van de boom is tussen de 12 en 20 meter. Bij aanplant een stamomtrek van minimaal 16 cm.

Bij voorkeur inheemse bomen. Daarna voor ingeburgerd soorten, daarna soorten die bijdrage leveren aan stedelijke biodiversiteit. En geen invasieve exoten.

0

0

0

0

Aanplant solitaire boom - Boomgrootte 2

12

stuk

Het toekomstbeeld van de boom is tussen de 6 en 12 meter. Bij aanplant een stamomtrek van minimaal 16 cm.

Bij voorkeur inheemse bomen. Daarna voor ingeburgerd soorten, daarna soorten die bijdrage leveren aan stedelijke biodiversiteit. En geen invasieve exoten.

0

0

0

0

Aanplant solitaire boom - Boomgrootte 3

8

stuk

Het toekomstbeeld van de boom is lager dan 6 meter. Bij aanplant een stamomtrek van minimaal 16 cm.

Bij voorkeur inheemse bomen. Daarna voor ingeburgerd soorten, daarna soorten die bijdrage leveren aan stedelijke biodiversiteit. En geen invasieve exoten.

0

0

0

0

Bosplantsoen of een cluster van bomen en struiken / minibos

1

Bestaat uit een mix van bomen en struiken. Struiken binnen deze maatregel tellen niet meer voor “Struiken – solitair” of “Struiken – cluster”.

Bij voorkeur inheemse bomen. Daarna voor ingeburgerd soorten, daarna soorten die bijdrage leveren aan stedelijke biodiversiteit. En geen invasieve exoten.

 

0

 

 

Hagen, struiken en vaste planten 

Voorbeelden voor inheemse soorten (zie 40 van 040)

 

 

 

 

Struiken - solitair

5

stuk

Volwassen hoogte minimaal 2 meter

Bij voorkeur inheems.

 

0

 

 

Struiken- cluster

1

per 2 m²

Minimaal 2 soorten of meer.

Een cluster van diverse soorten struiken, bij voorkeur inheems.

 

0

 

 

Haag - gemengd

1

per 2 m²

Minimaal 2 soorten of meer.

Een haag met diverse soorten, bij voorkeur inheems.

 

0

 

 

Haag - één soort

1

per 4 m²

 

Bij voorkeur inheems.

 

0

 

 

Inheemse (vaste) planten(border)

1

per 2 m²

 

Een gemengd assortiment van vaste inheemse planten. Bij voorkeur met

planten met toegevoegde waarde voor biodiversiteit.

 

0

 

 

Grasland en ruigte 

Voorbeelden voor inheemse soorten (zie 40 van 040)

 

 

 

 

Inrichting natuurvriendelijke oever

1

per 2 m²

Het talud van de oever is minimaal 1:3.

Bij voorkeur flauwer 1:5 tot 1:10.

 

0

 

 

Zoomvegetatie of ruigtevegetatie

1

per 2 m²

Bestaande uit kruidachtige inheemse planten (soms ook half struiken).

Gedomineerde lintvormige begroeiing op een standplaats die aan één zijde aanzienlijk meer wordt blootgesteld aan zonlicht. Zomen groeien vooral op plekken waar relatief hoger opgaande houtige begroeiingen (zoals bossen, struwelen en lanen) grenzen aan open terreinen

 

0

 

 

Bloemrijk grasland

1

per 3 m²

Inheemse beplanting

Voorkeur voor inheemse soorten.

 

0

 

 

Bloemrijk gazon

1

per 4 m²

Laag gras met meer extensief beheer, zodat laagblijvende bloemen tot bloei

kunnen komen

 

 

0

 

 

Infiltratie en opslag 

 

 

 

 

 

Wadi of greppel met beplanting

1

per 2 m²

De wadi is voor minstens 60% bekleed met beplanting of kruidenrijk gras. De wadi infiltreert in de grond of is voorzien van een overstort op een sloot of op het riool, zodat de wadi niet overloopt.

Voorkeur voor inheemse soorten. Bij een infiltratiewadi bedraagt de infiltratiewaarde minimaal 1 meter per dag. Bij een aansluiting op het riool of sloot bedraagt de afvoer minimaal 1 liter per seconde.

 

0

 

 

Wadi of greppel met gazon

1

per 3 m²

De wadi is bekleed met kort gemaaid gazon De wadi infiltreert in de grond of is voorzien van een overstort op een sloot of op het riool, zodat de wadi niet overloopt.

Voorkeur voor inheemse soorten. Bij een infiltratiewadi bedraagt de infiltratiewaarde minimaal 1 meter per dag. Bij een aansluiting op het riool of sloot bedraagt de afvoer minimaal 1 liter per seconde.

 

0

 

 

Wadi of greppel ingepast in bestaand groen of met ander materiaal

1

per 4 m²

De wadi is ingepast in een locatie waar voorheen al groen was of gemaakt met een ander materiaal zoals zand. De wadi infiltreert in de grond of is voorzien van een overstort op een sloot of op het riool, zodat de wadi niet overloopt.

Bij een infiltratiewadi bedraagt de infiltratiewaarde minimaal 1 meter per dag. Bij een aansluiting op het riool of sloot bedraagt de afvoer minimaal 1 liter per seconde.

 

0

n.v.t

n.v.t

Parkeervoorziening: half verharding;

doorgroeibare verharding of waterpasserende verharding

1

per 3 m²

De werking van de voorziening is hydrologisch onderbouwd.

 

 

0

n.v.t

n.v.t

Regenton

5

per 100L

berging

Een regenton om regenwater op te vangen. Bevat minimaal 100L

water, met een vulautomaat, bladvanger en druppelslang.

Het opgeslagen regenwater kan gebruikt worden om planten te bewateren in tijden van droogte.

 

0

n.v.t

n.v.t

Watervoorziening 

 

 

 

 

 

Poel of vijver

1

per 2 m²

Er staat permanent water in de poel/vijver (hij mag niet droog vallen).

De poel/vijver is minimaal 30 m² en maximaal 500 m² groot, en niet dieper dan 1,5 meter onder het maaiveld. Het talud van de noordelijke oever is 1:5 of flauwer. De overige oevers hebben een talud van 1:3 of flauwer. De oevers van de poel/vijver zijn voor meer dan 80% beplant in de volle grond, en de beplanting is 100% inheems. De poel zelf bevat waterplanten. Wanneer een habitat voor amfibieën gewenst is, is het van belang dat er geen vissoorten voorkomen in de poel/vijver, of dat er voldoende luwe delen zijn

 

0

 

 

Sloot

1

per 3 m²

 

 

 

0

 

 

Gevelgroen

 

 

 

 

Gevelbeplanting

Voorbeelden voor inheemse soorten (zie 40 van 040)

 

 

 

 

Geveltuin - grondgebonden klimmende planten.

1

per 2 m²

De planten wortelen in de volle grond

Voorkeur voor inheemse soorten. Een gevel met een klimconstructie die voorzien is van klimplanten die via de klimconstructie groeien of zelfhectende klimplanten die direct tegen de gevel groeien. De klimplanten wortelen in de volle grond of in bakken met een substraat laag aan de gevel. Oppervlak gebaseerd op grondgebonden oppervlak.

 

0

 

n.v.t

Geveltuin - grondgebonden planten

1

per 3 m²

De planten wortelen in de volle grond

Voorkeur voor inheemse soorten. Oppervlak wordt gebaseerd op grondgebonden oppervlak.

 

0

 

n.v.t

Groene gevels met substraat

1

per 4 m²

Een groene gevel in substraat, niet in volle grond dus.

Diverse vormen mogelijk, zoals modulaire cassettes, panelen of bakken. Planten groeien in substraat. Bewatering en bemesting noodzakelijk . Oppervlak gebaseerd op oppervlak aan susbtraat.

 

0

 

n.v.t

Muurplanten 

Voorbeelden voor inheemse soorten (zie 40 van 040)

 

 

 

 

Behoud muurplanten (bij restauratie)

1

per 4 m²

Behoud van muren met muurplanten

In geval van restauraties moeten de muurplanten zo veel mogelijk ontweken worden. Herstel van mortel moet plaatsvinden met kalkmortel. Vochtigheidsgraad moet behouden worden. Oppervlak gaat hier om het muuroppervlak.

 

0

n.v.t

n.v.t

Transplanteren muurplanten

1

per 6 m²

Uitvoering door ecoloog

Muurplanten kunnen los of met delen muur verwijderd worden en binnen een andere muur geplaatst worden. Deze muur moet voldoen aan het gewenste milieu van de planten.

 

0

n.v.t

n.v.t

Muurplanten in nieuwbouw

1

per 8 m²

Muren aangebracht met gewenst milieu voor muurplanten

Muren gemaakt zoals historisch gedaan werd met oneven stenen en kalkspecie of alleen stapelstenen.

 

0

n.v.t

n.v.t

Maatregelen op het dak  

 

 

 

 

Groendak - intensief

1

per 2 m²

Bevat een houdbare draagconstructie; met een minimale substraatdike van 20 tot meer dan 70 cm. Bevat vaste planten, (dwerg) heesters, struiken en evt. bomen welke biodiversiteit bevorderen.

In combinatie met waterberging en met inheemse planten, struiken en bloemrijke beplanting; kleine bomen hebben minimaal 70 cm aan substraat nodig om goed te kunnen wortelen;

 

0

 

n.v.t

Groendak - extensief

1

per 3 m²

Bevat een houdbare draagconstructie; met een minimale substraatdikte van 12-15 cm. Bevat grassen en kruiden welke biodiversiteit bevorderen.

In combinatie met waterberging; en bij voorkeur een dakbloemenweide met inheemse planten.

 

0

 

n.v.t

Groendak - verblijfsdak

1

per 3 m²

Bevat een houdbare draagconstructie; het dak is toegankelijk voor mensen, en bevat (eetbare) biodiverse groenvoorzieningen, en/of recreatievoorzieningen (bankjes etc.); en/of schaduwvoorziening.

Bij voorkeur multifunctioneel en toegankelijk voor openbaar publiek.

 

0

 

n.v.t

Groendak - sedumkruiden

1

per 4 m²

Bevat een houdbare draagconstructie; met een minimale substraat-dikte van 6 - 8 cm (mineraal), bij voorkeur 10-15cm substraat.

 

 

0

n.v.t

n.v.t

Bruindak

1

per 5 m²

Bevat een houdbare draagconstructie.

Een bruin dak wordt in principe niet aangeplant of ingezaaid, maar laat de vegetatie spontaan ontwikkelen. Bij voorkeur de bestaande toplaag afgraven van braakliggende grond nabij de ontwikkeling en eventueel met materialen als stenen en stammen toevoegen.

 

0

n.v.t

n.v.t

Eigen invulling  

 

 

 

 

Maatregel niet benoemd

 

In overleg

In overleg

Een maatregel die niet benoemd is in dit puntensysteem. De toekenning van punten gebeurd in samenspraak met de gemeente.

Innovatieve ideeën worden beloond

 

0

0

0

Totaal behaalden punten 

 

0

0

0

Bomen

Toelichting:

Deze pagina wordt gebruikt om los bomen in te vullen, zo kunnen de gegeven punten en invulling van groennorm aangepast worden wanneer een boom niet genoeg ruimte krijgt.

  • In kolom B wordt de hoogte van een boom aangegeven

  • In kolom C moet aangegeven worden of het gaat om een behouden boom of het toekomstbeeld van een aangeplante boom

  • In kolom D moet aangegeven worden of de boom in een collectieve ruimte of openbare ruimte staat

  • In kolom G kan de boomsoort/nummer aangegeven worden, zo is het makkelijker om bij te houden welke bomen al ingevuld zijn

  • In kolom I moet opgeschreven worden hoeveel open oppervlak er is rondom de boom

  • In kolom L en M worden de behaalde punten en oppervlak voor de groenopgave gegeven

Deze waardes worden direct teruggekoppeld naar het puntensysteem

 

Hoogte boom

Aangeplant of behoud

Collectief of openbaar

Soort / nummer

Oppervlak rondom boom

Behaalde punten

Behaaled groenopgave

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

 

 

 

 

-

-

 

Puntensysteem fauna

Puntensysteem

 

Projectinformatie

Scorebord

Naam project:

0

Behaalde groenopgave

#DELING.DOOR.0!

Aantal woningen en/of eenheden:

0

 

Minimum te behalen groenopgave

0

BVO niet-woning

0

 

Behaalde punten flora

#DELING.DOOR.0!

Locatie binnen de gebiedsopgave:

Centrum- en stationsgebied

 

Minimum te behalen punten flora

0

Perceelgrootte:

1

Behaalde punten fauna

0

Footprint van de bebouwing:

1

Minimum te behalen punten fauna

0

Gemiddelde hoogte van bebouwing:

1

m

Hoeveelheid niet inheemse soorten gebruikt

0

 

 

 

Totaal hoeveelheid soorten gebruikt

0

 

 

 

Eindscore (voldoende / onvoldoende)

#DELING.DOOR.0!

 

Type maatregel

Punten

Eenheid / punten per

Verplichte criteria

Informatie

Invullen

Behaalde punten

Verplichte maatregelen binnen dit kader  

 

 

Faunavoorzieningen in gevel en/of dak

-

-

VERPLICHT

Elke woning of woningenblok bevat faunavoorzieningen voor zowel vogels en vleermuizen

 

n.v.t.

Maatregelen rondom gebouwen

 

 

Faunavoorzieningen 

 

 

Bijenburcht / bijenheuvel / steilwand

5

stuk

Geplaatst in een groene bloemrijke omgeving op een zonbeschene beschutte plek met een droge ondergrond. Beheer is nodig op zandige plekken open te houden

Zandheuvel, steilwand of combinatie van open zand met dood hout

 

0

Faunapassage tussen percelen

3

stuk

Geplaatst tussen verschillende percelen, onder hekwerken en schuttingen

Ten behoeven van egels, amfibieën en andere dieren. Te gebruiken om tuinen en groene leefgebieden met elkaar te verbinden.

 

0

Faunapassage infrastructuur

30

stuk

Faunatunnels of hopovers. Functioneel ingepast met de nodige geleiding

Ten behoeven van egels, amfibieën en andere dieren. Te gebruiken om tuinen en groene leefgebieden met elkaar te verbinden.

 

0

Insectenhotel rijtjeswoning & appartementen

3

stuk

Maatvoering: 100 x 50 x 15 cm met 1 invliegzijde; Vulmateriaal: alleen stammetjes/houtblokken (met boorgaten) en/of bamboestengels zijn toegestaan, bij voorkeur deze twee gecombineerd.

De gangetjes dienen te zijn: doorsnede van 3 tot 12 cm, diepte van 5 tot 14 cm. De bevestiging waarop het insectenhotel gemonteerd kan worden: op hardhouten palen; of aan een muur.

De stammetjes/houtblokken: toepassing van harde houtsoorten, zoals eik, beuk en acacia. Houten puntdak of plat iets schuin aflopend dak en omkisting van harde houtsoort, waarvan in elk geval het dakje gelakt dient te zijn, maar bij voorkeur ook de rest. Gangetjes bij voorkeur haaks op de draad van het hout bij toepassing van stammetjes/houtblokken.

 

0

Insectenhotel vrijstaande woningen, tweekappers & bedrijfspanden

3

stuk

Maatvoering: 100 x 50 x 15 cm met 2 invliegzijdes; Vulmateriaal: alleen stammetjes/houtblokken (met boorgaten) en/of bamboestengels zijn toegestaan, bij voorkeur deze twee gecombineerd.

De gangetjes dienen te zijn: doorsnede van 3 tot 12 cm, diepte van 5 tot 14 cm. De bevestiging waarop het insectenhotel gemonteerd wordt mag alleen een hardhouten paal zijn.

De stammetjes/houtblokken: toepassing van harde houtsoorten, zoals eik, beuk en acacia. Houten puntdak of plat iets schuin aflopend dak en omkisting van harde houtsoort, waarvan in elk geval het dakje gelakt dient te zijn, maar bij voorkeur ook de rest. Gangetjes bij voorkeur haaks op de draad van het hout bij toepassing van stammetjes/houtblokken.

 

0

Nestkasten vogels

1,5

stuk

Het aantal te plaatsen voorzieningen moet realistisch zijn.

Geplaatst in een groene omgeving.

 

0

Nestkasten vleermuizen

1,5

stuk

Het aantal te plaatsen voorzieningen moet realistisch zijn.

Geplaatst in een groene omgeving.

 

0

Dood hout

1

Onbewerkt stam-, tak- en/of tophout geplaatst in een groene omgeving.

Boomstammen, takkenrillen, takkenhopen.

 

0

Verlichting:

 

 

 

 

 

 

Faunavriendelijk verlichtingsplan

20

plan

Alleen bij ontwikkelingen groter dan 1000 m². Het plan dient te worden afgestemd met de gemeente.

Bedoeld voor vleermuizen en andere nachtdieren. Alleen van toepassing wanneer het weglaten van verlichting geen optie is.

 

0

Maatregelen in de bebouwing  

 

 

Nestvoorzieningen vogels

 

 

Het aantal te plaatsen voorzieningen moet realistisch en onderbouwd zijn.

Bij voorkeur meerdere type nestvoorzieningen per ontwikkeling.

 

 

Slechtvalk

3

per stuk

Maximaal 1 per wijk.

Inwendig op minimaal 25 meter hoogte (bij voorkeur 80 - 120 meter hoogte)

 

0

Gierzwaluw

9

per cluster

Minimaal een cluster van 5 nestkasten. Invullen aantal losse nestkasten.

Plaatsing vanaf 5 meter hoogte. Oriëntatie richting het noorden en oosten

 

0

Huiszwaluw

9

per cluster

Minimaal een cluster van 5 nestkasten. Invullen aantal losse nestkasten.

Te plaatsen op 4 - 10 meter hoogte; aan de buitengevel onder een overstek; met een oriëntatie op het noorden, oosten of noordoosten.

 

0

Spreeuw

6

per cluster

Minimaal een cluster van 3 nestkasten. Invullen aantal losse nestkasten.

Plaatsing vanaf 3 meter; Oriëntatie richting het noorden en oosten; Ten minste 5 meter tussen nestkasten

 

0

Huismus

9

per cluster

Minimaal een cluster van 5 nestkasten. Invullen aantal losse nestkasten.

Te plaatsen op 3 - 10 meter hoogte; Oriëntatie richting het noorden en oosten of bij voldoende schaduw op westen

 

0

Zwarte roodstaart

3

stuk

Maximaal 2 per ontwikkeling.

Te plaatsen op minimaal 2 meter hoogte; Oriëntatie richting het noorden en oosten; Ten minste 50 meter tussen nestkasten

 

0

Steenuil

4,5

Per stuk

Minimaal 2, maximaal 3 nestkasten per perceel (afhankelijk grootte en mogelijkheden perceel)

Alleen in buitengebied Te plaatsen op 2-5 meter hoogte; in een boom in rustige omgeving; uitloopmogelijkheid voor jonge uilen; in-/uitvliegopening op horizontale tak

 

0

Kerkuil

4,5

Per stuk

Minimaal 1, maximaal 2 nestkasten per perceel (afhankelijk grootte en mogelijkheden perceel)

Alleen in buitengebied Te plaatsen op tenminste 3 meter hoog; in donkere en tochtvrije delen van grote gebouwen; aanvliegroute is vrij

 

0

Boerenzwaluw

6

Per cluster

Minimaal een cluster van 3 nestkasten. Invullen aantal losse nestkasten.

Alleen in buitengebied Te plaatsen binnen in schuren of onder buitengevel; tenminste 15 cm van zoldering

 

0

Overige soorten

divers

In overleg

Afhankelijk van de ecologische situatie. In overleg.

 

 

0

Verblijfplaats vleermuizen 

 

 

Massa winterverblijfplaatsen

25

stuk

Open dilatatievoegen, toegankelijke tussenspouw, zolderruimtes

Bij grotere gebouwen

 

0

Toegankelijke spouw en/of daken

15

stuk

Spouw en/of dak moet toegankelijk en geschikt zijn.

Noodzakelijk voor bijvoorbeeld laatvlieger

 

0

Kraamverblijf

7,5

stuk

Niet plaatsen binnen 1 meter boven ramen. De invliegopeningen van de nestvoorziening mogen niet (fel) verlicht worden.

Grote verblijfplaatsen, veelal met geschakelde kasten. Minimaal 2 m² voor gewone dwergvleermuis

 

0

Inbouwkast

3

stuk

Niet plaatsen binnen 1 meter boven ramen. Te plaatsen tussen 4 en 50 m hoogte; De invliegopeningen mogen niet (fel) verlicht worden.

Inbouwkasten voor soorten als gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Sterke voorkeur voor grotere en/of geschakelde inbouwkasten

 

0

Maatwerk voor specifieke soorten

divers

In overleg

 

Voor soorten als gewone grootoorvleermuis en watervleermuis

 

 

Insectenvoorzieningen 

 

 

Insectensteen

1,5

stuk

Ingebouwd in het gebouw.

Een inbouwvoorziening voor vlinders; bijen en insecten met afmetingen lxbxh: 15x13x23 cm; minimaal 50 gaatjes of buisjes van verschillende afmetingen; met een ingang op het zuiden, westen of zuidwesten.

 

0

Preventie raamslachtoffers 

 

 

Fysieke patronen op ramen

1

per 3 m²

Fysieke patronen op de buitenkant van ramen die niet verwijderd kunnen worden; patronen mogen geen gaten van groter dan 5 bij 5 cm creëren. Kunnen ook ramen zonder reflectie zijn.

Per vierkante meter raamoppervlak.

 

0

UV patronen op ramen

1

per 5 m²

Patronen van afwisselende en contrasterende UV-reflecterende en UV-absorberende patronen zoals strepen

Per vierkante meter raamoppervlak

 

0

Maatregelen op het dak  

 

 

Schelpen-/grinddak

1

per 5 m²

Bevat een houdbare draagconstructie; bevat schuilmogelijkheden voor vogels; rooster of gaas over regenpijpen en afvoer; verhoogde dakrand

In combinatie met waterberging. Dak moet tussen de 3 en 15 meter hoog zijn.

 

0

Eigen invulling  

 

 

Maatregel niet benoemd

 

In overleg

In overleg

Een maatregel die niet benoemd is in dit puntensysteem. De toekenning van punten gebeurd in samenspraak met de gemeente.

Innovatieve ideeën worden beloond

 

0

Totaal behaalden punten 

 

0

Beleid

Beleid

Hieronder zijn richtlijnen opgenomen uit verschillende beleidsplannen die betrekking hebben op Natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen. Dit is een samenvatting en geen vervanging van het beleid

 

 

Groen

Richtlijnen voor nieuwe ontwikkelingen uit het Groenbeleids- en biodivesiteitsplan

Bestaand groen en ruimtelijke ontwikkelingen

Wanneer bij herinrichting van de openbare ruimte of bij een ruimtelijke ontwikkeling openbaar groen verloren gaat, moet dit altijd worden gecompenseerd. Projectontwikkelaars dienen daarom in hun begroting of grondexploitatie een stelpost op te nemen voor het aankopen en aanplanten van gronden. Daarbij geeft de gemeente advies mee aan de ontwikkelaars, door inrichtingsvereisten vanuit het beheerbeleid mee te geven. Daarvoor hanteren we de volgende compensatieladder voor bestaand groen:

  • 1.

    Huidige groen in kaart brengen: voor het plangebeid van een nieuwe ontwikkeling wordt het huidige groen door de intiatiefnemer in kaart gebracht. Het gaat daarbij om het areaal aan groen, opgedeeld in lage vegetatie (laag gemaaid gras), middelhoge vegetatie (hoge grassen, struiken, heesters, struweel) en hoge vegetatie (bomen). Tevens wordt een beschrijving gegeven van de waarde van het groen voor biodiversiteit, recreatie en beleveing.

  • 2.

    Behouden: bij inbreidingen moet al het groen zoveel mogelijk behouden worden. Er moet gezocht worden naar een oplossing om aantasting van groen te voorkomen. Indien het behouden van groen niet mogelijk is, moet dit onderbouwd worden. Deze onderbouwing moet ook een alternatievenafweging en onderbouwing van het belang van de ontwikkeling bevatten. De gemeente zal deze onderbouwing beoordelen.

    Bij uitbreidingen geldt dat bestaand hoogwaardig groen zoveel mogelijk behouden blijft. Hoogwaardig groen betekent hier bomen en ecologische en/of cultuurhistorisch waardevol groen, zoals houtwallen, landschappelijke hagen, kruidenrijk grasland.

  • 3.

    Verplaatsen: indien behouden niet mogelijk is, geen reële alternatieven zijn en sprake is van een zwaarwegend belang, moet in eerste instantie gekeken worden naar mogelijkheden om het groen binnen het plangebied te verplaatsen. Indien verplaatsen niet mogelijk is moet dit onderbouwd worden. De gemeente zal deze onderbouwing beoordelen.

  • 4.

    Compenseren: Indien behouden en verplaatsen niet mogelijk is en in voldoende mate onderbouwd, geen reële alternatieven zijn en sprake is van een zwaarwegend belang, geldt de volgende compensatieopgave. Deze stappen moeten van a t/m e in chronologische wijze doorlopen worden. Enkel als onderbouwd kan worden dat de stap niet mogelijk is, kan de volgende stap in ogenschouw genomen worden.

    • a.

      Fysiek compenseren maaiveld: als verplaatsen niet mogelijk is, moet het areaal aan groen minimaal 1-op-1 worden gecompenseerd in het nieuwe ontwerp. Daarnaast moet de kwaliteit van het groen verhoogd worden.

    • b.

      Fysiek compenseren op daken en gevels: als dit op maaiveld kwantitatief niet mogelijk is, moet worden gecompenseerd door middel van groene daken/gevels.

    • c.

      Kwalitatief versterken: als dit niet mogelijk is, moet het overgebleven groen op het gebied van biodiversiteit versterkt worden.

    • d.

      Compensatie bomen: als bomen niet terugkomen in het nieuwe ontwerp, moeten deze buiten het plangebied gecompenseerd worden. Hiervoor geldt dat voor elke boom 2 bomen terug moet komen. In overleg met de gemeente wordt hier invulling aan gegeven. Indien mogelijk wordt een alternatieve locatie gekozen. Anders moet financieel gecompenseerd worden (zie e).

    • e.

      Compensatie elders of financieel: indien niet (alles) fysiek en kwantitatief gecompenseerd kan worden, moet de restopgave elders in de gemeente gecompenseerd worden in de volgorde: binnen plangebied, binnen de wijk, elders binnen de bebouwde kom. Of er kan financieel gecompenseerd worden in het gemeentelijk Fonds Stedelijk Groen. Hierbij geldt een vergoeding van twee keer de groenwaarde (vervangingswaarde + grondprijs). Alle openbaar groen blijft altijd in eigendom van de gemeente. Dit dient als prikkel om vooral in te zetten op fysieke compensatie.

Bomen

De gemeente Best hecht veel waarde aan het beschermen van haar bomen. We hebben regels voor kap, voor bijzondere bomen, voor werkzaamheden in de openbare ruimte en voor conflictsituaties tussen bomen en zonnepanelen.

  • 1.

    Bomen mogen niet zomaar gekapt worden. De gemeente heeft voorwaarden voor kap opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening Best 2023.

  • 2.

    Bijzondere particuliere bomen zijn opgenomen in de lijst bijzondere bomen en we gaan een vergelijkbare lijst opstellen voor gemeentelijke bijzondere bomen, zodat die ook extra bescherming krijgen.

  • 3.

    Bij werkzaamheden in de openbare ruimte mogen omringende bomen hier geen schade van ondervinden. Hierbij volgen wij de richtlijnen uit het Handboek Norminstituut Bomen, waarin onder meer regels staan over afstanden en bescherming van de wortels en de stam.

  • 4.

    Soms ontstaan conflictsituaties tussen bomen en zonnepanelen. De notitie ‘bomen en zonnepanelen’ biedt daarbij houvast om zorgvuldige keuzes te kunnen maken. Het uitgangspunt hierbij is dat bestaande bomen niet wijken voor zonnepanelen.

5-10-20 regel voor nieuwe ontwikkelingen

Bij nieuwe ontwikkelingen willen we meer diversiteit en houden daarom de strengere 5-10-20 regel aan op wijkniveau. Dat houdt in dat in de nieuw te ontwikkelen wijk of deel van een wijk in de totale wijk:

  • maximaal 20% van de bomen tot dezelfde familie mag behoren;

  • maximaal 10% tot hetzelfde geslacht;

  • maximaal 5% tot dezelfde soort, inclusief cultivars.

Soortkeuze beplanting

Naast diversiteit in bomen is variatie in andere beplanting ook belangrijk. Met onze beplantingskeuze willen wij meerwaarde creëren voor de biodiversiteit. Dit doen we bijvoorbeeld door:

  • soorten te kiezen die bloeien en waarde hebben voor insecten, zoals wilde bijen en vlinders. In de praktijk betekent dit dat alleen soorten met niet-gevulde (enkele) bloemen worden toegepast, omdat gevulde bloemen ontoegankelijk zijn voor insecten;

  • zo veel mogelijk afwisseling van soorten in woonstraten aan te planten, met een zo lang mogelijke bloeiboog;

  • ook bes- en nootdragende soorten te planten, behalve boven parkeerplaatsen. Bessen en noten hebben een grote meerwaarde voor vogels en kleine zoogdieren als eekhoorns en egels;

  • meer hagen aan te leggen als verbindingszones voor flora en fauna.

 

 

Groennorm

Richtlijn uit Verstedelijkingsakkoord Stedelijk Gebied Eindhoven: Visie

Nieuw groen toevoegen

Voor de verdichtingsopgave wordt geformuleerd dat ten minste 8 m2 nieuw binnenstedelijk groen wordt toegevoegd per nieuwe woning.

Het groen telt mee wanneer:

  • -

    Het een aanvulling is van het groenoppervlak op privaat terrein en in de openbare ruimte (geen vervanging/compensatie);

  • -

    Het groen zich binnen 5 minuten lopen (= 300 m) van de projectlocatie bevindt;

  • -

    Het groen tenminste 2 van de volgende functies vervult, waarbij ‘gebruiksgroen ter ontspanning en recreatie’ in beginsel altijd nagestreefd moet worden: Recreatie; Identiteit; Klimaatadaptatie (verkoeling, waterberging); Natuur (biodiversiteit); Productie; Water (berging) + oppervlaktewater.

Alternatieven bij ruimtegebrek

Daar waar dat door ruimtegebrek binnen een ontwikkeling niet mogelijk is, wordt op de volgende volgorde een alternatief gezocht:

  • 1.

    in of in de nabijheid van het projectgebied. Als dit aantoonbaar niet mogelijk is, dan;

  • 2.

    binnen de directe woonomgeving. Als dit aantoonbaar niet mogelijk is, dan;

  • 3.

    elders binnen de bebouwde kom. Als dit aantoonbaar niet mogelijk is, dan;

  • 4.

    investering in groen door financiële compensatie elders inzetten, voor bijvoorbeeld de bestaande woonomgeving, de vergroening van het centrum, ter versterking van de grotere groenstructuur, of ter versterking van de biodiversiteit en klimaatbestendigheid. Ook kan kwalitatief hoogwaardig groen op dak en gevel (gedeeltelijk) als alternatief ingezet worden.

 

 

Biodiversiteit

Richtlijnen voor nieuwe ontwikkelingen uit het Groenbeleids- en biodivesiteitsplan

Basiskwaliteit Natuur

Met Basiskwaliteit Natuur hebben we een methode in handen waarmee we beleidsmatige kaders kunnen stellen, maar ook in de praktijk de situatie kunnen beoordelen en monitoren. Daarom is gekozen voor deze methode. BKN is bij uitstek een methode die goed toepasbaar is in het stedelijk en het landelijk gebied.

 

 

Klimaatadaptatie

Richtlijnen voor nieuwe ontwikkelingen uit het Water- en rioleringsplan

Hemel- en grondwater verwerken

Hemel- en grondwater dient eerst te worden verwerkt op het eigen perceel (hergebruiken-bergen in het groen/infiltreren in de bodem), pas daarna is afvoeren naar openbaar gebied voor centrale verwerking volgens diezelfde voorkeursvolgorde een optie. Het uitgangspunt is streven naar een zoveel mogelijke bovengrondse en natuurlijke inrichting van watercompensatiemaatregelen.

Hydrologisch positief bouwen

Dit betekent dat er meer water in het gebied blijft dan dat er uitgaat, bijvoorbeeld door water vast te houden in plaats van af te voeren. Hemelwater afkomstig van het nieuwe/te vernieuwen verharde oppervlak moet zoveel als mogelijk op eigen terrein worden verwerkt.

Ondergrondse afvoercapaciteit

Bij een composietbui met een herhalingstijd van 2 jaar dient de waakhoogte (verschil tussen de waterstand in de putten en het straatpeil) minimaal 20 cm te bedragen. Bij een composietbui met een herhalingstijd van 5 jaar dient er geen water op straat op te treden.

Bovengrondse verwerkingscapaciteit

Bovengrondse verwerkingscapaciteit van nieuwe systemen moeten een bui van 70 mm in één uur of een composietbui met een herhalingstijd van 100 jaar kunnen verwerken

Grondwater

Geadviseerde minimale ontwateringsdiepte tov hoogste grondwaterstand:

  • -

    Woningen 0,7 m

  • -

    Hoofdwegen 1,0 m

  • -

    Secundaire wegen woonstraten 0,7 m

Flora

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bron (afbeeldingen): 40 van de 40 (gemeente Eindhoven).

Fauna

Huismus

Habitatwensen

De huismus verblijft graag in een gebied waar mensen voorkomen. Hier komt namelijk hun meeste voedsel vandaan. Er moet voldoende voedsel, zand en water binnen een straal van 50 tot 100 meter beschikbaar zijn. Voldoende dekking is belangrijk met minimaal 3 a 4 meter hoog opgaand groen. Huismussen houden over het algemeen minder van gebieden met hoge bomen.

 

 

 

Nestplaatsen

 

Leeft met andere huismussen in een kolonie. Daarom moeten er minimaal 5 of meer nestkasten worden geplaatst.

 

 

Gierzwaluw

Habitatwensen

De gierzwaluw is vanaf april tot augustus in Nederland te vinden. Ze nesten in verschillende kieren en openingen van gebouwen. Het is belangrijk om een waterrijke omgeving en insectenrijk/kruidenrijk grasland binnen 500m van hun nest te hebben.

 

 

 

Nestplaatsen

 

De gierzwaluw met andere gierzwaluwen in een kolonie. Een cluster van 5 tot 20 nestplaatsen is daarom minimaal, geplaatst op een noordoostelijke windrichting, op hoogte (tot 40 meter). De nestplaats moet vanaf de onderkant minimaal 4 meter vrij zijn van obstakels voor een vrije aanvliegroute.

 

 

Merel, roodborst & andere struikbroeders

Habitatwensen

Struikbroeders houden voornamelijk van groene gebieden zoals opgaande groenblijvende (besdragende) beplanting.

 

 

 

Nestplaatsen

 

Struikbroeders houden voornamelijk van (klimmende) struiken zoals een struweel, of in gevelbeplatning.

 

 

Egel

Habitatwensen

Egels verblijven in groene leefgebieden waar vooral kleine (bodem)insecten en andere ongewervelden te vinden zijn. Het is belangrijk om tussen het leefgebied van 20-40 ha voldoende verbinding te hebben.

 

 

 

Verblijfplaatsen

 

Egels slapen in de zomer voornamelijk onder dicht struikgewas, in holtes, onder boomwortels. In de winter slapen ze voornamelijk in de grond, tegen schuttingen, schuren, bijgebouwen of in een takken- of composthoop.

 

 

Bijen en vlinders

Habitatwensen

Bijen en vlinders houden van inheemse bloemen-en kruidenrijke groenstroken. Een goede variatie in vegetatie zorgt voor de ontwikkeling van een grote variatie aan soorten insecten.

 

 

 

Verblijfplaatsen

 

Veel insectensoorten vinden hun verblijf in kieren in stenen muren, dood houd en schors, in de grond, tussen tegels, en in oude holen. Insectenstenen kunnen dit habitat nabootsen. Zorg hiervoor dat de verblijfplaats beschutting biedt tegen regen en wind, en zijn gesitueerd dichtbij inheemse nectar- en stuigmeeldragende bloemen, planten en/of struiken.

 

 

Amfibieën

Habitatwensen en verblijfplaatsen

Water met een strook oeverbeplanting, is noodzakelijk voor amfibieën. Een poel mag in de zomer niet droogvallen. De noordzijde van de oever moet een flauw talud hebben, zowel boven- als onder water. Zodat water snel kan worden opgewarmd door de zon. Dit is gunstig voor de ontwikkeling van larven. In de omgeving bieden bosplantsoen en hoge kruidachtige vegetatie schuil- en overwinteringsmogelijkheden.

 

 

 

 

 

 

Kerkuil

Habitatwensen

Kerkuilen leven voornamelijk in cultuurland met gras- en bouwlanden die begrensd worden door kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen of bosjes. Het is van belang dat er genoeg voedselaanbod (muizen) te vinden zijn. Territoria zijn tussen de 60 en 1.200 hectare groot en overlappen nauwelijks.

 

Nestplaatsen

 

Nestkasten moeten geplaatst worden in hoge, donkere en tochtvrije delen van grote gebouwen zoals schuren, kerken, kastelen en torens. Kasten moeten tenminste op 3 meter hoogte geplaats worden, maar kan oplopen tot 20 meter. Van belang is dat de locatie rustig is en dat de aanvliegroute vrij is

 

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis & andere gebouw bewonende vleermuizen

Habitatwensen

Vleermuizen jagen binnen een straal van 2 tot 5 kilometer van hun verblijfplaats, op muggen, motten, vliegen, nachtvlinders en kevers. Een beschutte insectenrijke omgeving binnen deze straal is daarom van belang.

 

 

 

Nestplaatsen

 

Verschillende soorten vleermuizen maken gebruik van verschillende soorten verblijven, zoals in een spouw, kelders, achter gevelbetimmering, onder dakpannen, op kerkzolders binnen een hoogte van tussen de 4 en 50 meter. De opening van het verblijf mag niet binnen 1 meter boven ramen zijn gesitueerd, noch mogen deze fel verlicht zijn van buitenaf.

 

 

 

 

Huiszwaluw

Habitatwensen

Een waterrijke omgeving met veel muggen.

Dit is hun voornaamste voedselbron.

 

 

 

Nestplaatsen

 

De kunstnesten moeten minimaal in een cluster van 5 zwaluwkommen per gebouw worden geplaatst. Op minimaal 4 en maximaal 10 meter hoogte op het noordoosten. De nestplaats moet vanaf de onderkant minimaal 4 meter vrij zijn van obstakels voor een vrije aanvliegroute.

 

 

Spreeuw

Habitatwensen

De spreeuw houdt van een habitat waar voornamelijk insecten en insectenlarven te vinden zijn. Zoals grasland en besdragende struiken.

 

 

 

Nestplaatsen

 

De nestplaats moet op 2 tot 5 meter hoogte worden geplaatst, waarbij hij niet in de volle zon staat, en beschut is van wind. Omdat zij van nature graag nesten in oudere bomen waarin holtes zijn ontstaan.

 

 

Slechtvalk

Habitatwensen

De slechtvalk jaagt vaak ver van het nest af, voornamelijk in open landschappen met veel vogels. Ze leven in hoog stedelijk gebied, doorgaans niet in dorpen. Te veel slechtvalken in een gebied kunnen voor een terugloop van het aantal kleinere vogels zorgen.

 

 

 

Nestplaatsen

 

Het is belangrijk dat er niet te veel slechtvalken in een gebied voorkomen, het aanbod moet daarom worden onderzocht. Daarom moet er maximaal 1 kast per wijk worden geplaatst om het evenwicht te bewaren. Alleen op bebouwing van minimaal 25 meter hoog. Het liefst op 80-120 meter hoogte.

 

 

Zwarte roodstaart

Habitatwensen

De zwarte roodstaart houdt van open, droge niet ingerichte terreinen braakliggend terrein. Zoals bruine daken.

 

 

 

Nestplaatsen

 

Nestplaatsen moeten worden geplaatst op een beschutte plek op het noorden of oosten. Met maximaal 2 per project, op minimaal 2 meter hoogte. In de buurt van bruine daken en/of kale braakliggende gebieden.

 

 

Steenuil

Habitatwensen

Steenuilen verblijven graag in agrarische cultuurlandschappen, hier blijven ze binnen een straal van 5 tot 30 hectare van hun nest. In dit gebied moet voldoende voedsel zoals muizen, regenwormen, andere insecten en kleine dieren aanwezig zijn.

 

Nestplaatsen

 

Steenuilen zijn territoriale vogels, nestplaatsen zullen dan ook vaak tenminste enkele hectaren uit elkaar liggen. Toch kan het geen kwaad om nesten dichter bij elkaar te hebben zodat er meer keus is. Daarom moeten er tenminste 2 nestkasten, maar maximaal 3 per perceel geplaatst worden. De kasten moeten op een hoogte van twee tot vijf meter in een boom in een rustig gebied

 

 

Boerenzwaluw

Habitatwensen

Boerenzwaluwen verblijven graag in de buurt van boerenschuren Voorkeur is naar een omgeving waar water te vinden is omdat dit insecten aantrekt. De boerenzwaluw is in Nederland te vinden tussen April en September.

 

Nestplaatsen

 

De boerenzwaluw kiest er graag voor om binnen te broeden, maar kan ook aan de buitenkant van schuren onder overhangende dakranden vestigen. Nesten moeten tenminste 15 cm ruimte houden tot het dak vanwege een opening aan de bovenkant. De nesten moeten niet in de tocht zitten en ook niet te warm worden. Deze moeten in clusters van tenminste 3 nesten geplaatst worden.

 

Bron (tekst en afbeeldingen): Natuurinclusief ontwikkelen (Synchroon, Nest Natuurinclusief en Vogelbescherming Nederland, 2023).

Naar boven