Verordening Jeugdhulp Noordwijk 2026

De raad van de gemeente Noordwijk;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 7 april 2026

 

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1, lid 3, van de Jeugdwet;

 

Overwegende dat:

  • -

    De Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente neerlegt;

  • -

    Jeugdhulp slechts tijdelijk ondersteunend wordt ingezet als het college ervan overtuigd is dat het rechtmatig en doeltreffend is;

  • -

    Het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen;

besluit vast te stellen:

 

de Verordening Jeugdhulp Noordwijk 2026.

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten passend binnen de Jeugdwet dat zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers toegankelijk is;

  • b.

    College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijk;

  • c.

    Dienstomschrijving: inspanningsgerichte diensten zoals beschreven in het document ‘dienstomschrijvingen Jeugdhulp Holland;

  • d.

    Gebruikelijke hulp: gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden;

  • e.

    Individuele jeugdhulpvoorziening: een specialistische jeugdhulpvoorziening die door het college wordt toegekend en verstrekt aan de in de gemeente Noordwijk woonachtige jeugdige en/of ouder na een toegangsbeoordeling. Een individuele jeugdhulpvoorziening kan in natura of als persoonsgebonden budget (pgb) worden verstrekt;

  • f.

    Integraal arrangeren: de methodiek waarbij professionals vanuit het onderwijs en het sociaal wijkteam gezamenlijk bedenken, maken en uitvoeren van één maatwerkoplossing voor een jeugdige;

  • g.

    Jeugdhulpaanbieder: persoon of organisatie die beroepsmatig jeugdhulp verleent en daartoe met de gemeente een financiële relatie heeft, in de zin van een contract, subsidie of via een pgb van een cliënt.

  • h.

    Jeugdhulplocatie: een locatie waar jeugdhulp geboden wordt zoals dagbesteding, dagbehandeling of een instelling voor jeugd-ggz;

  • i.

    Jeugdhulpvervoer: een vervoersvoorziening om vervoer van en naar een jeugdhulplocatie mogelijk te maken;

  • j.

    Jeugdhulp op school: Jeugdhulp op school betreft een aanbod van jeugdhulp aan leerlingen door een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder die aan de gestelde eisen voldoet en die in principe alle jeugdhulpvragen voor individuele begeleiding binnen de school opvangt;

  • k.

    Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep en zonder kosten wordt verleend;

  • l.

    Ondersteuningsplan: ook wel genoemd ondersteuningsplan of familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet

  • m.

    Ondersteuningsvraag: behoefte van een jeugdige of een ouder aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperkingen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet;

  • n.

    Persoonsgebonden Budget (pgb) : persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die in de vorm van een individuele voorziening is toegekend van derden te betrekken;

  • o.

    Pgb-budgetplan: het Pgb-budgetplan is een verplicht onderdeel van het ondersteuningsplan bij de aanvraag van een persoonsgebonden budget (pgb). Hierin beschrijft de zorgvrager de persoonlijke, specifieke, persoonsgebonden jeugdhulp die beoogd wordt. De kosten van deze jeugdhulp moeten inzichtelijk zijn in het pgb-budgetplan;

  • p.

    Pgb-vaardigheid: de vaardigheid van de aanvrager om te voldoen aan de verantwoordelijkheden en verplichtingen die horen bij het beheren van een pgb;

  • q.

    Professionele ondersteuning: ondersteuning geleverd door een MBO/HBO of WO-opgeleid persoon met algemene deskundigheid en brede kennis van jeugdhulp en die beschikt over een geldige registratie in het Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) dan wel een geldige registratie in het BIG-register als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, passend bij de aard en zwaarte van de verleende hulp. De jeugdhulpaanbieder waarvoor de persoon werkzaam is of Zelfstandige Zonder Personeel (ZZP’er) staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Er wordt gebruik gemaakt van de norm ‘verantwoorde werktoedeling’ voor het selecteren van de juiste professional;

  • r.

    School: een instelling met een BRIN-nummer waar basis-, speciaal-, speciaal basis-, voortgezet-, of speciaal voortgezet onderwijs wordt verzorgd;

  • s.

    Sociaal wijkteam: multidisciplinair team bestaande uit sociaal professionals die hulp en ondersteuning bieden aan alle inwoners van Noordwijk en die gemandateerd zijn om de toeleiding verzorgen naar algemene en individuele voorzieningen;

  • t.

    Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt;

  • u.

    Voorliggende voorziening: voorziening niet vallend onder de Jeugdwet, op het gebied van hulp, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen waar de inwoner aanspraak op kan maken;

  • v.

    Wet langdurige hulp (Wlz): De Wet langdurige hulp is er voor jeugdigen en volwassenen die blijvend behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid als gevolg van een somatische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap;

  • w.

    Zorgverzekeringswet (Zvw): In de Zvw is bepaald dat jeugdigen aanspraak hebben op “verpleging en verzorging zoals verpleegkundigen die plegen te bieden wanneer zij behoefte hebben aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop”. Deze zorg maakt onderdeel uit van het basispakket van verzekerden;

  • x.

    Zorg in natura: zorg die door het college rechtstreeks is ingekocht bij de jeugdhulpaanbieder;

  • y.

    Zorgovereenkomst: een zorgovereenkomst is een contract tussen de zorgverlener en de budgethouder bij een persoonsgebonden budget. De budgethouder moet met elke zorgverlener een zorgovereenkomst afsluiten. In de zorgovereenkomst staan de afspraken over de zorg, de werktijden en de vergoeding.

  • z.

    Wet: Jeugdwet

Hoofdstuk 2. Gebruikelijke hulp, algemene- en voorliggende voorzieningen

Artikel 2 Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht

  • 1.

    Jeugdigen en/of ouder(s) komen in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

    • gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders

    • bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan

    • de ondersteuning vanuit het sociale netwerk

    • het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten

  • 2.

    Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de leeftijd van de jeugdige

    • b.

      de mate van hulp bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft

    • c.

      de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige

    • d.

      de mate van planbaarheid van de hulp

    • e.

      de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige

  • 4.

    Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de hulpvraag behoort tot de opvoedingsopgaven en/of normale uitdagingen zoals omschreven door het Nederlands Jeugdinstituut. Indien dit het geval is worden voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen in beginsel geacht aanwezig te zijn, tenzij uit het onderzoek blijkt dat gelet op de individuele omstandigheden ondersteuning noodzakelijk is.

  • 5.

    Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp voor de jeugdige.

  • 6.

    Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:

    • Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar.

    • Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.

  • 7.

    Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

  • 8.

    Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige

    • b.

      de mate van planbaarheid van de hulp

    • c.

      het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders

    • d.

      de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige

    • e.

      vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond)

    • f.

      of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden

    • g.

      welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen

    • h.

      het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen

    • i.

      de woonsituatie

    • j.

      de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet)

    • k.

      is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen

    • l.

      overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders wordt ingebracht

  • 9.

    Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.

  • 10.

    Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende:

    • Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

    • Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de hulp van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.

    • Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.

    • Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht.

    • Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten.

    • Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van overbelasting. Wanneer sprake is van (dreigende) overbelasting van ouders of het sociaal netwerk, is het uitgangspunt dat ondersteuning (gedeeltelijk) door een andere zorgverlener wordt geboden.

Artikel 3 Algemene voorzieningen

  • 1.

    De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      Jeugdgezondheidszorg;

    • b.

      Informatie, training en advies op het gebied van opvoeden en opgroeien;

    • c.

      Kortdurende pedagogische ondersteuning;

    • d.

      Oudercontact- en ontmoetingsmomenten;

    • e.

      Jeugd- en Jongerenwerk;

    • f.

      Jeugdhulp op school in het gespecialiseerd onderwijs;

    • g.

      Reguliere sport- en vrijetijdsvoorzieningen;

    • h.

      Jeugd- en gezinsondersteuning vanuit het Sociaal wijkteam;

    • i.

      Weerbaarheidstraining en faalangsttraining;

    • j.

      Bondgenoten/lotgenoten contact;

    • k.

      Kinderopvang en/of Buiten Schoolse Opvang (plus voorziening);

    • l.

      Mantelzorgondersteuning;

      Respijtzorg;

    • m.

      Echtscheidingsspreekuur;

    • n.

      Eerstelijnszorg, zoals huisartsenzorg;

    • o.

      Praktijkondersteuner Huisartsen Jeugd (POH Jeugd).

  • 2.

    Het college kan in nadere regels vaststellen welke algemene voorzieningen concreet op basis van lid 1 beschikbaar zijn en toelichten wat deze inhouden.

Artikel 4 Voorliggende voorzieningen

  • 1.

    Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er:

    • a.

      met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg op grond van de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de Zorgverzekeringswet of op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of

    • b.

      gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daarover.

  • 2.

    Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen.

Artikel 5 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning

  • 1.

    Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van:

    • a.

      de Leerplichtwet;

    • b.

      de Participatiewet;

    • c.

      de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

    • d.

      de Wet Inburgering 2021;

    • e.

      de Wet kinderopvang;

    • f.

      de Wet langdurige zorg;

    • g.

      de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • h.

      de Wet passend onderwijs;

    • i.

      de Wet publieke gezondheid;

    • j.

      de Wet tijdelijk huisverbod;

    • k.

      de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en

    • l.

      de Zorgverzekeringswet,

    zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg.

  • 2.

    De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot:

    • a.

      het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade;

    • b.

      stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a;

    • c.

      een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt.

  • 3.

    Als er voor de betreffende problematiek zowel zorg uit de Wet passend onderwijs als de Jeugdwet kan worden verkregen, dan past het college de methode ‘integraal arrangeren’ toe.

  • 4.

    Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee:

    • a.

      de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder;

    • b.

      de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in artikel x en de mogelijkheden van het sociale netwerk;

    • c.

      welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet;

    • d.

      welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn.

  • 5.

    Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren.

Hoofdstuk 3. Sociaal wijkteam en toegang tot individuele voorzieningen

Artikel 6 Toegang tot hulp

  • 1.

    Iedere jeugdige en/of ouder(s) woonachtig in de gemeente Noordwijk met een ondersteuningsvraag kan zich wenden tot:

    • a.

      Het Sociaal wijkteam;

    • b.

      Een bevoegde professional zoals een huisarts, medisch specialist of jeugdarts.

  • 2.

    Het college zorgt ervoor dat jeugdigen en/of ouder(s) een beroep kunnen doen op kosteloze, onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is en wijst de jeugdige en/ of ouders op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze, onafhankelijke cliëntondersteuning.

Artikel 7 Toegang tot hulp via het medisch domein

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts.

  • 2.

    De huisarts, medisch specialist of jeugdarts verwijzen in beginsel naar jeugdhulpaanbieders waarmee de gemeente een contract- of subsidierelatie heeft.

  • 3.

    Jeugdhulp die na een verwijzing als bedoeld in het eerste lid wordt verleend door een aanbieder die geen contract- of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt – behoudens verstrekking van een persoonsgebonden budget – niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking, indien het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieder.

  • 4.

    Indien er geen passend gecontracteerd aanbod beschikbaar is, volgt het college de verwijzing naar een niet gecontracteerde aanbieder.

  • 5.

    Als de jeugdhulpaanbieder na een verwijzing beoordeelt welke specifieke vorm van jeugdhulp nodig is en/of wat de omvang en de duur van de jeugdhulp is, houdt hij zich daarbij aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de dienstomschrijving

  • 6.

    De huisarts, medisch specialist of jeugdarts kan met toestemming van de ouder de hulpvraag voorleggen aan het Sociaal wijkteam ter consultatie en advies.

Artikel 8 Toegang tot hulp via Sociaal wijkteam

  • 1.

    Het college draagt zorg voor een Sociaal wijkteam.

  • 2.

    Het Sociaal wijkteam biedt integrale ondersteuning en hulp aan jeugdigen en volwassenen door zo nodig professionals uit verschillende leefdomeinen in een gezamenlijke aanpak bij elkaar te brengen die werken volgens het principe één huishouden, één plan.

  • 3.

    Voor jeugdhulpvragen biedt het Sociaal wijkteam consultatie, advies, basis jeugdhulpverlening en zorgcoördinatie bij specialistische jeugdhulp. Daarnaast is er preventief (groepsgericht) trainingsaanbod.

  • 4.

    Wanneer meerdere organisaties of hulpverleners betrokken zijn bij een jeugdige of gezin, wordt één vast aanspreekpunt aangewezen voor coördinatie en communicatie richting het gezin,

  • 5.

    De daartoe door het college gemandateerde jeugdhulpverlener van het Sociaal wijkteam biedt toegang tot individuele jeugdhulpvoorzieningen.

Artikel 9 Voorleggen en behandeling ondersteuningsvraag door Sociaal wijkteam

  • 1.

    Als een ondersteuningsvraag is gesteld aan het Sociaal wijkteam, vindt in navolging daarvan een gesprek plaats tussen de jeugdige en/of de ouders en het Sociaal wijkteam.

  • 2.

    Het Sociaal wijkteam informeert de jeugdige en/of de ouders of verzorgers over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure.

  • 3.

    De jeugdige en/of de ouders verstrekken desgevraagd aan het Sociaal wijkteam voor of tijdens het gesprek alle gegevens, die naar het oordeel van het Sociaal wijkteam voor het onderzoek nodig zijn.

  • 4.

    Het Sociaal wijkteam verzamelt in overleg met de jeugdige en/of de ouders de noodzakelijke en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie.

  • 5.

    Het Sociaal wijkteam stelt in een of meerdere gesprek(ken) samen met de jeugdige en/of zijn ouders vast:

    • a.

      Wat de ondersteuningsvraag is met daarbij specifiek aandacht voor de gezinssituatie op de verschillende leefgebieden, dit vormt de basis van de integrale werkwijze;

    • b.

      Wat de opgroei- en opvoedingsproblemen stoornissen en psychische problematiek zijn met daarbij specifiek aandacht voor de beoogde resultaten van de ondersteuning;

    • c.

      Of ondersteuning nodig is rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau, met daarbij specifiek aandacht voor de aard en omvang van de ondersteuning.

    • d.

      Of de zorg in natura of via een pgb verstrekt wordt.

    • e.

      Op welke wijze de ondersteuning wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, wonen of werk en inkomen;

    • f.

      Wanneer en hoe wordt geëvalueerd of aan de ondersteuningsvraag is voldaan of de ingezette jeugdhulp gewijzigd dient te worden.

  • 6.

    Het Sociaal wijkteam en de jeugdige en/of de ouders leggen de zaken genoemd in het vijfde lid en artikel 8 vast in een ondersteuningsplan dat door het Sociaal wijkteam met de jeugdige en/of de ouders wordt besproken. Er wordt op dat moment afgesproken en vastgelegd hoe het plan tot uitvoering komt.

  • 7.

    Het ondersteuningsplan genoemd in lid 6 dient ondertekend te worden door het Sociaal wijkteam en de jeugdige en/of de ouders voordat sprake is van een aanvraag zoals genoemd in artikel 11.

Artikel 10 Toegangsbeoordeling individuele voorziening

  • 1.

    Bij de beoordeling van de ondersteuningsvraag, wordt er in eerste instantie gekeken naar of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of de ouders, eventueel met steun van het sociaal netwerk, toereikend zijn om zelf de gevraagde jeugdhulp te bieden. Bij de beoordeling van de ondersteuningsvraag worden de volgende punten afgewogen:

    • a.

      de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

    • b.

      de duur daarvan;

    • c.

      de mogelijkheden van de jeugdige of zijn ouders;

    • d.

      de draagkracht en de belastbaarheid van de ouders;

    • e.

      de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

    • f.

      de mogelijkheden en de bereidheid van het sociale netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen;

    • g.

      bij gescheiden ouders, zijn beide ouders verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning.

    Deze elementen vormen samen de eigen kracht van het gezin.

  • 2.

    Er kan geen gebruik worden gemaakt van een individuele voorziening indien:

    • a.

      gebruik gemaakt kan worden van een algemene of voorliggende voorziening (zoals beschreven in Artikel 3 en 4);

    • b.

      behandeling van uiteenlopende problematiek van ouders en/of het gezinssysteem prioriteit behoeft alvorens (individuele) jeugdhulp zinvol is. Te denken valt aan maatschappelijke, psychische, relationele of financiële problematiek. Op dat moment zijn de zorgverzekeringswet en/of schuldhulpverlening en/of de Wmo voorliggend;

    • c.

      er sprake is van een maatwerkvoorziening voor opvang vanuit de Wmo of indien jeugdige met ouder(s) meekomen als een ouder de thuissituatie moet verlaten, vanwege bijvoorbeeld huiselijk geweld, mishandeling of huisuitzetting;

    • d.

      een oplossing gevonden kan worden in het benutten van mogelijkheden in het kader van Arbeidsrecht of andere regelingen, zoals bijzonder of buitengewoon verlof;

    • e.

      er twijfels zijn over de effectiviteit van de voorziening of de jeugdhulp niet voldoende bijdraagt aan het bevorderen van de ontwikkeling, de veiligheid of de zelfredzaamheid van het individu;

    • f.

      de jeugdhulp niet bijdraagt aan acceptatie en omgang met de ontstane situatie en/of normalisering daarvan;

    • g.

      er geen rekening wordt gehouden met het (toekomst)perspectief van de jeugdige.

  • 3.

    Een individuele jeugdhulpvoorziening wordt alleen toegekend als de verwijzer naar aanleiding van de beoordelingscriteria omschreven in lid 1 en 2 tot de conclusie komt dat een individuele voorziening noodzakelijk, rechtmatig en effectief is.

  • 4.

    In de afweging wordt meegenomen welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet.

Artikel 11 Toekennen individuele voorziening

  • 1.

    Het college besluit over toekenning van een individuele voorziening. Als aanvraag wordt aangemerkt het ondertekende ondersteuningsplan wat is opgesteld door het Sociaal wijkteam en de jeugdige en/of diens ouders/verzorgers. Zonder ondertekend ondersteuningsplan kan geen individuele voorziening worden toegekend.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid blijft een ondersteuningsplan achterwege na verwijzing door een bevoegd professional zoals de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 3.

    Wanneer een familierechter bepaalt dat jeugdhulp noodzakelijk is in een echtscheidingssituatie, betekent dit niet dat er direct toegang tot jeugdhulp bestaat. De ondersteuningsvraag dient eerst door het college beoordeeld te worden. Zij beoordelen of een individuele voorziening noodzakelijk is.

  • 4.

    Het college legt haar besluit als bedoeld in lid 1 en 2 vast in een beschikking wanneer:

    • a.

      Een pgb verstrekt wordt;

    • b.

      Jeugdige of de ouders verzoeken een beschikking te ontvangen.

  • 5.

    Een jeugdige die de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt ontvangt een ondersteuningsplan of beschikking gericht aan zijn persoon.

  • 6.

    De verwijzer dient zich bij de toeleiding naar het aanbod Zorg in Natura (gecontracteerd en ongecontracteerd) en pgb te houden aan de kaders voor duur, intensiteit en kwaliteit van jeugdhulp omschreven in de Dienstomschrijvingen Jeugdhulp Holland Rijnland.

  • 7.

    Het college kan Nadere regels vaststellen voor duur, intensiteit en kwaliteit van jeugdhulp.

Hoofdstuk 4 Individuele voorzieningen

Artikel 12 Individuele jeugdhulpvoorzieningen

  • 1.

    Onder de individuele voorzieningen vallen specialistische jeugdhulpvoorzieningen:

    • a.

      Behandeling met verblijf;

      • i.

        Jeugdhulp Behandeling met verblijf

      • ii.

        Intensieve ambulante behandeling ter vervanging van verblijf

      • iii.

        Jeugdzorgplus

    • b.

      Wonen;

      • i.

        Gezinshuis

      • ii.

        Jeugdhulp met verblijf

      • iii.

        Pleegzorg

    • c.

      Dagbehandeling en dagbesteding;

      • i.

        Dagbehandeling A

      • ii.

        Dagbehandeling B

      • iii.

        Dagbehandeling KDC

      • iv.

        Dagbesteding (inclusief respijtzorg)

      • v.

        Onderwijs-zorg arrangement (OZA)

      • vi.

        Zorg-onderwijs arrangement (ZOA)

    • d.

      Ambulante jeugdhulp;

      • i.

        Jeugd ggz diagnostiek

      • ii.

        Jeugd ggz behandeling

      • iii.

        Begeleiding individueel (op school)

      • iv.

        Behandeling individueel (op school)

      • v.

        Begeleiding en behandeling groep

      • vi.

        Diagnostiek Ernstige Dyslexie

      • vii.

        Behandeling Ernstige Dyslexie

      • viii.

        (Hoog) specialistische ggz

    • e.

      Crisis;

      • i.

        Jeugdhulp ambulant crisis

      • ii.

        Jeugd ggz crisis behandeling

      • iii.

        Crisis verblijf

      • iv.

        Pleegzorg crisis

    • f.

      Veiligheid;

      • i.

        Jeugdbescherming

      • ii.

        Jeugdreclassering

      • iii.

        Veiligheid gesloten plaatsing

      • iv.

        Veiligheid toegang en eerstelijnsvoorziening

  • 2.

    De verwijzer adviseert (en besluit) op de duur en intensiteit van de individuele voorziening waarbij uit wordt gegaan van zo licht en zo kort mogelijk. De verwijzer kan aanwezig zijn bij evaluatiegesprekken.

  • 3.

    Groepsbegeleiding of behandeling is voorliggend aan individuele begeleiding of behandeling.

  • 4.

    De inzet van dieren bij jeugdhulp is uitsluitend toegestaan als onderdeel van een goedgekeurd behandelplan, uitgevoerd door een gekwalificeerd professional.

  • 5.

    Individuele begeleiding bij sport wordt niet vergoed door de gemeente.

Artikel 13 Voorwaarden aan de jeugdhulpaanbieder

  • 1.

    Er wordt geen individuele voorziening ingezet bij jeugdhulp aanbieders waarbij:

    • a.

      De jeugdhulp hoofdzakelijk buiten Nederland wordt verleend, tenzij het college hiervoor vooraf schriftelijk toestemming heeft verleend indien is voldaan aan voorwaarden inzake;

      • Aantoonbare noodzaak in het individuele geval;

      • Borging van kwaliteit, toezicht en controleerbaarheid;

      • Een begrensde duur en afspraken over evaluatie en beëindiging

    • b.

      misbruik of oneigenlijk gebruik is vastgesteld;

    • c.

      er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de integriteit van de aanbieder. Hiervan is in ieder geval sprake indien de aanbieder in de vier jaar voorafgaand aan het moment van beoordeling door het college:

      • i.

        onherroepelijk is veroordeeld wegens, of een strafbeschikking is opgelegd voor, strafbare feiten die de veiligheid of kwaliteit van jeugdhulp in gevaar kunnen brengen;

      • ii.

        een bestuurlijke boete opgelegd heeft gekregen of een handhavingsmaatregel opgelegd heeft gekregen (zoals een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom, voor zover deze maatregelen verband houden met kwaliteit, veiligheid of rechtmatigheid van (jeugd)zorg;

      • iii.

        bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen;

      • iv.

        de jeugdhulpaanbieder zich niet professioneel gedraagt. Hiervan is onder andere sprake indien de aanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn/haar functie. Een jeugdhulpaanbieder dient financieel gezond te zijn en er dient aan de financiële verplichtingen voldaan te worden, zodat de continuïteit van de zorg voor de jeugdige voldoende gewaarborgd is. De aanbieder kan worden gevraagd de meest recente jaarrekening te overleggen. In het geval van een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid kan om een balans of resultatenrekening gevraagd worden, waaruit in ieder geval de gerealiseerde omzet en kosten gesplitst naar personele kosten en materiële kosten zijn opgenomen.

  • 2.

    Het college kan afzien van het inzetten van een individuele voorziening bij een jeugdhulpaanbieder indien ten aanzien van die aanbieder een actieve aanwijzing of herstelopdracht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd loopt, voor zover dit relevant is voor de veiligheid, kwaliteit of continuïteit van de in te zetten jeugdhulp.

  • 3.

    Er wordt geen pgb verstrekt ten behoeve van inzet aan een jeugdhulpaanbieder van wie van in de vijf jaar voorafgaand aan het moment van beoordeling het contract met de jeugdhulpregio is ontbonden wegens het niet voldoen aan de contractuele voorwaarden voor zover dit relevant is voor kwaliteit, veiligheid of rechtmatigheid.

  • 4.

    Voordat het college toepassing geeft aan dit artikel, baseert het college zich op verifieerbare feiten en omstandigheden, stelt het de aanbieder in de gelegenheid te reageren (hoor- en wederhoor) en motiveert het college waarom inzet van jeugdhulp via deze aanbieder niet verantwoord is, gelet op de belangen van de jeugdige en de vereiste proportionaliteit.

  • 5.

    Een jeugdhulpaanbieder neemt de regels in acht van de Wet normering topinkomens en de regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp.

Artikel 14 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, in ieder geval rekening met:

  • a.

    De aard en omvang van de te verrichten taken;

  • b.

    De voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie.

Hoofdstuk 5 Jeugdhulpvervoer

Artikel 15 Collectief jeugdhulpvervoer

  • 1.

    Vervoer van jeugd is in het beginsel een eigen verantwoordelijkheid van ouder(s) en/of verzorger(s) en hun netwerk.

  • 2.

    Jeugdhulpvervoer kan worden ingezet indien dit naar het oordeel van het sociale team en het college noodzakelijk is, wanneer:

    • a.

      er sprake is van medische noodzaak of een gebrek aan zelfredzaamheid en

    • b.

      een jeugdige een verwijzing heeft naar jeugdhulp op basis van de Jeugdwet en

    • c.

      deze hulp of zorg niet gerealiseerd kan worden door het ontbreken van de mogelijkheid om de jeugdige op locatie van de jeugdhulpaanbieder te brengen.

  • 3.

    Jeugdhulpvervoer wordt alleen gerealiseerd naar de dichtstbijzijnde locatie waar passende jeugdhulp geboden wordt.

  • 4.

    De voorziening jeugdhulpvervoer kan alleen worden verstrekt in natura (door de jeugdhulpinstelling of de gemeente) onafhankelijk van de financieringsvorm van de jeugdhulp zelf.

  • 5.

    Vervoer wat moet worden bekostigd vanuit andere wetgeving wordt niet bekostigd vanuit de Jeugdwet:

    • a.

      Vervoer door middel van ambulance of ziekenvervoer valt onder de Zvw;

    • b.

      Vervoer voor behandeling of dagbesteding verwezen vanuit de Wlz valt onder de Wlz;

    • c.

      Vervoer van en naar school valt onder Leerlingenvervoer.

  • 6.

    Het college kan nadere regels en voorwaarden stellen over de toekenning van jeugdhulpvervoer.

Artikel 16 Individueel jeugdhulpvervoer en maatwerk

  • 1.

    Wanneer jeugdigen aanspraak willen maken op individueel jeugdhulpvervoer en de verwijzer de wens hiertoe onderschrijft moet de noodzaak en urgentie aangetoond worden door een onafhankelijk onderzoek van de GGD.

  • 2.

    Indien een jeugdige begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer naar de jeugdhulplocatie kan er vervoer worden geregeld inclusief begeleiding. In het beginsel zijn ouders verantwoordelijk voor de begeleiding van hun kind. Wanneer de ouder(s) deze begeleiding niet kunnen realiseren, kan er bij hoge uitzondering gekeken worden naar inzet van ambulante hulpverlening.

  • 3.

    Het college stelt nadere regels vast met betrekking tot de inzet en vergoeding van de kosten van individueel jeugdhulpvervoer.

Hoofdstuk 6 Persoonsgebonden budget

Artikel 17 Toekennen Individuele jeugdhulpvoorziening via pgb

  • 1.

    Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een Pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger daartoe een Pgb-plan in. Het Pgb-plan dient ter onderbouwing van de aanvraag. Het college beoordeelt de Pgb-vaardigheid.

  • 2.

    In het Pgb-plan is opgenomen:

    • a.

      Een gemotiveerde toelichting waaruit blijkt waarom het aanbod in natura niet passend is;

    • b.

      welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen inkopen met een Pgb, inclusief het beoogde resultaat is, de duur en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;

    • c.

      gegevens over de uitvoerder van de individuele voorziening in de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;

    • d.

      op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd;

    • e.

      de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;

    • f.

      bij informele hulp: welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk;

    • g.

      een motivering aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 18 (pgb-vaardigheid) waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een Pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.

  • 3.

    Het college verstrekt uitsluitend een Pgb als:

    • a.

      de individuele voorziening in natura, die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, gemotiveerd niet passend is;

    • b.

      uit de beoordeling van de Pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 18 (pgb-vaardigheid) blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een Pgb met zich meebrengt;

    • c.

      naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 20 (Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een Pgb) is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het Pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.

  • 4.

    Het college verstrekt geen Pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vijf jaar voorafgaande aan de aanvraag:

    • a.

      fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;

    • b.

      onherroepelijk is veroordeeld wegens het begaan van strafbare feiten of overtredingen of waarvoor een strafbeschikking is opgelegd die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;

    • c.

      veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf;

    • d.

      op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder.

  • 5.

    Het college weigert een Pgb als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet van toepassing is.

  • 6.

    Voor informele hulp als bedoeld in artikel 19 (onderscheid formele en informele hulp) wordt alleen een PGB verstrekt voor de vormen zoals genoemd in de toelichting bij deze verordening. Dit in verband met de doelmatigheid van de geboden hulp in combinatie met de complexere problematiek in de andere profielen. Tenzij het college anders besluit in belang van het kind.

  • 7.

    Als de pgb-aanvraag ziet op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(s) voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, verstrekt het college alleen een voorziening:

    • a.

      als op het moment van de aanvraag sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en

    • b.

      voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.

    • c.

      Het college verstrekt alleen een voorziening zoals bedoeld in dit lid als de gemaakte kosten zien op een periode van maximaal (3) maanden vóór de aanvraag.

  • 8.

    Het college stelt jaarlijks de Pgb-tarieven vast.

Artikel 18 Pgb-vaardigheid

  • 1.

    Om aan de voorwaarden voor Pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval:

    • a.

      inzicht te hebben van de hulpvraag en doelstellingen;

    • b.

      op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het Pgb of deze zelf (online) weten te vinden;

    • c.

      in staat te zijn om een overzichtelijke Pgb-administratie bij te houden;

    • d.

      in staat te zijn om (desnoods met ondersteuning) te communiceren en de aan het Pgb verbonden verplichtingen te begrijpen en na te komen;

    • e.

      in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;

    • f.

      in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;

    • g.

      in staat te zijn te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;

    • h.

      in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;

    • i.

      in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en

    • j.

      voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.

  • 2.

    Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een Pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

    • a.

      het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend of de persoon eerste of tweedegraads bloed- of aanverwant is van de jeugdige;

    • b.

      er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

      • 1.

        schuldenproblematiek;

      • 2.

        ernstige verslavingsproblematiek;

      • 3.

        aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag;

      • 4.

        een aanmerkelijke verstandelijke beperking;

      • 5.

        een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;

      • 6.

        een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;

      • 7.

        het onvoldoende in staat zijn om – al dan niet met ondersteuning – de aan het Pgb verbonden rechten en verplichtingen te begrijpen en na te komen, waarbij niet is geborgd dat met ondersteuning, vertegenwoordiging of budgetbeheer een verantwoord beheer van het Pgb mogelijk is;

      • 8.

        het ontbreken van een VOG voor zover deze redelijkerwijs noodzakelijk is, gelet op de aard en omvang van de ondersteuning.

Artikel 19 Onderscheid formele en informele hulp

  • 1.

    Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het Pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of

    • b.

      zzp-ers die ten aanzien van de voor het Pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

    • c.

      personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (wet BIG) of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.

  • 2.

    Van informele hulp is sprake als de jeugdhulp geboden wordt door:

    • a.

      een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk, alsmede andere personen met wie de jeugdige of diens ouders een duurzame sociale relatie onderhouden en die een wezenlijke rol spelen in het dagelijks leven van de jeugdige.

    • b.

      een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het eerste lid onder c.

Artikel 20 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een Pgb

  • 1.

    Ter waarborging van de kwaliteit van de met een Pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen:

    • a.

      beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan twaalf maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren voor de uitoefening van diens functie. Ouder(s) zijn uitgesloten van deze eis;

    • b.

      aantoonbaar beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden;

    • c.

      houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp;

    • d.

      is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren;

    • e.

      werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgesteld;

    • f.

      voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;

    • g.

      stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s);

    • h.

      stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken;

    • i.

      respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;

    • j.

      neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;

    • k.

      meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college;

    • l.

      werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en

    • m.

      is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.

  • 2.

    Ter waarborging van de kwaliteit van de met een Pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen:

    • a.

      hetgeen is bepaald in artikel 19 eerste lid (onderscheid formele en informele jeugdhulp);

    • b.

      handelt in overeenstemming met de professionele standaard;

    • c.

      werkt op basis van een hulpverleningsplan;

    • d.

      werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;

    • e.

      hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en

    • f.

      stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.

  • 3.

    Er wordt geen Pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is.

Artikel 21 Hoogte Pgb

  • 1.

    De hoogte van het pgb voor formele jeugdhulp bedraagt maximaal 100% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura.

  • 2.

    De hoogte van het PGB voor informele jeugdhulp bedraagt minimaal 100% van het wettelijk minimumloon en maximaal het maximale tarief, gebaseerd op de PGB-tarieven zoals jaarlijks vastgesteld door de gemeente. Het maximale tarief wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van het wettelijk minimumloon, met uitzondering van logeren.

  • 3.

    Indien uit het ingediende Pgb-plan blijkt dat passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief dan het maximumtarief kan worden ingekocht, stelt het college dit lagere tarief vast.

Artikel 22 Niet vergoedbare kosten en uitgesloten van Pgb

  • 1.

    Het Pgb tarief is all-in: alle overhead- en bijkomende kosten (zoals scholing, maaltijden, entreegelden, administratie- en vervoersmiddelen) zijn in het tarief begrepen; hiervoor wordt geen aanvullend budget verstrekt.

  • 2.

    De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit Pgb:

    • a.

      onverminderd artikel 8.1.1 van de Jeugdwet wordt geen Pgb verstrekt voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die vóór indiending van de aanvraag reeds zijn gemaakt;

    • b.

      kosten voor crisishulp of anders direct in te zetten hulp;

    • c.

      kosten voor bemiddeling, coördinatie, tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • d.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen of beheren van een Pgb;

    • e.

      kosten voor ondersteuning buiten Nederland, tenzij het college vooraf schriftelijk toestemming heeft verleend;

    • f.

      kosten voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG);

    • g.

      een feestdagen-uitkering boven € 100,- per kalenderjaar in totaal;

    • h.

      Diergeleide interventies.

Artikel 23 Besteding pgb

  • 1.

    Het pgb mag uitsluitend worden gebruikt voor de inkoop van de in de beschikking genoemde voorzieningen en voor de verwezenlijking van de bij die voorzieningen genoemde doelen. Er is geen eenmalig vrij te besteden bedrag.

  • 2.

    Het pgb mag uitsluitend worden besteed aan zorg die daadwerkelijk geleverd wordt.

  • 3.

    Bij toekenning van afzonderlijke budgetten heeft de hulpvrager binnen deze afzonderlijke budgetten bestedingsvrijheid ten aanzien van de keuze van zorgaanbieder.

  • 4.

    Het is niet toegestaan het budget voor professionele hulpverlening in te zetten voor niet-professionele hulpverlening. Daarnaast is het niet toegestaan om het budget in te zetten voor kosten met betrekking tot bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers, voeren van pgb-administratie, ondersteuning bij aanvragen of beheren van een pgb, vervoer en administratie van een zorgverlener en aanvraag van een Verklaring Omtrent Gedrag.

  • 5.

    De pgb houder stemt met de zorgaanbieder af op welke wijze de ondersteuning plaatsvindt.

  • 6.

    Het college kan nadere regels en voorwaarden stellen over de besteding van een pgb.

Artikel 24 pgb voor de inzet van informele hulp

  • 1.

    De jeugdige en/of ouder(s) aan wie een pgb wordt toegekend, kunnen alleen hulp en ondersteuning betrekken van personen die tot het sociale netwerk behoren, als aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      de inzet van personen uit het sociale netwerk passend, adequaat en veilig is, gelet op de aard en zwaarte van de ondersteuningsbehoefte, de benodigde deskundigheid en de borging van kwaliteit, waarbij de beoordeling altijd individueel plaatsvindt

    • b.

      De zorgverlener komt aantoonbaar uit het sociaal netwerk van de jeugdige en/of ouders;

    • c.

      Er is sprake van bovengebruikelijke hulp waarvan de omvang wordt aangetoond door ouders en kan worden getoetst aan de criteria van gebruikelijke hulp;

    • d.

      De inzet van het sociaal netwerk is aantoonbaar beter en effectiever of minimaal gelijkwaardig aan professionele ondersteuning. De inzet van het sociaal netwerk met een pgb is mogelijk, indien voldaan wordt aan de volgende omstandigheden:

      • i.

        de hulp is vooraf niet goed in te plannen;

      • ii.

        de hulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden;

      • iii.

        de hulp moet op veel korte momenten per dag geboden worden;

      • iv.

        de hulp moet op verschillende locaties worden geleverd;

      • v.

        de hulp moet 24 uur per dag en op afroep beschikbaar zijn;

      • vi.

        de hulp moet vanwege de aard van de ondersteuningsvraag worden geboden door een persoon met wie de jeugdige vertrouwd is en goed contact heeft;

    • e.

      De geboden hulp is passend, adequaat en veilig;

    • f.

      De zorgverlener uit het sociale netwerk onderbouwt dat de hulpverlening voor hem niet tot overbelasting leidt;

    • g.

      De persoon uit het sociale netwerk mag op geen enkele wijze druk op de jeugdige en/of zijn ouders hebben uitgeoefend bij hun besluitvorming;

    • h.

      De hulpverlener uit het sociaal netwerk is minimaal 18 jaar;

  • 2.

    De jeugdige en/of ouder(s) aan wie een pgb wordt toegekend kunnen alleen jeugdhulp betrekken van personen die tot het sociale netwerk behoren voor:

    • a.

      het begeleiden van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of psychosociale problemen met als doel het bevorderen van hun deelname aan het maatschappelijk verkeer en van hun zelfstandig functioneren;

    • b.

      het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging van jeugdigen;

    • c.

      het ondersteunen van ouders van jeugdigen ter voorkoming van overbelasting (respijtzorg).

Hoofdstuk 7 Jeugdbescherming, jeugdreclassering en crisis

Artikel 25 Jeugdhulp bij jeugdbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering

Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die:

  • a.

    de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, en/of;

  • b.

    de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering.

Artikel 26 Jeugdhulp in spoedeisend geval

In spoedeisende gevallen en in afwijking van artikel 6, treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening, of vraagt het college een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.

Hoofdstuk 8 Besluitvorming

Artikel 27 Besluit op aanvraag

  • 1.

    In het besluit tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en

    • c.

      indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;

    • e.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en

    • f.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 4.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 38 lid 2, treedt dit artikel in werking op 1 januari 2027.

Artikel 28 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

  • 1.

    Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet benaderen jeugdige en/of de ouders, op verzoek of zelfstandig, de gemeente wanneer er feiten of omstandigheden veranderen. Dit omvat alles waarvan kan worden aangenomen dat verandering leidt tot heroverweging van het besluit tot inzet van een jeugdhulpvoorziening.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college een besluit aangaande een individuele jeugdhulpvoorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      De jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      De jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele jeugdhulpvoorziening of op het pgb zijn aangewezen;

    • c.

      De individuele jeugdhulpvoorziening of het pgb niet meer toereikend is om de doelen te behalen;

    • d.

      De jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele jeugdhulpvoorziening of het pgb;

    • e.

      De jeugdige of zijn ouders de individuele jeugdhulpvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd; en

    • f.

      De jeugdigen of zijn ouders het persoonsgebonden budget besteden aan een persoon die gebruikelijke hulp zou moeten bieden maar daartoe niet (meer) in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting.

  • 3.

    Als het college een besluit op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldwaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele jeugdhulpvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.

  • 4.

    Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen een halfjaar na uitbetaling of binnen de termijn waarvoor het is toegekend niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Hoofdstuk 9 Toezicht

Artikel 29 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s

  • 1.

    Het college wijst één of meer toezichthouders aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van deze verordening, het toekenningsbesluit, beleidsregels en – voor zover van toepassing – contractuele afspraken voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling van de rechtmatige en doelmatige inzet en besteding van individuele voorzieningen en Pgb’s, waaronder de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik.

  • 2.

    Het college onderzoekt met inachtneming van de Jeugdwet en de daarop gebaseerde regelgeving, de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen en de naleving van de door de gemeente gestelde kwaliteitseisen. Onder kwaliteitseisen wordt in dit artikel verstaan: eisen die door of namens de gemeente zijn gesteld of krachtens deze verordening, beleidsregels, het toekenningsbesluit en/of contractuele afspraken, voor zover deze zien op rechtmatigheid, doelmatigheid en controleerbaarheid (zoals administratie- en verantwoordingsverplichtingen, VOG-eisen, meldplichten en planmatige vastlegging/evaluatie en niet op de professionele standaard of zorginhoudelijke kwaliteit.

  • 3.

    Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.

  • 4.

    De aangewezen toezichthouder beschikt over de bevoegdheden als bedoeld in Hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en maakt daarvan uitsluitend gebruik voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van het toezicht (evenredigheid).

    Daaronder vallen in ieder geval:

    • a.

      Het vorderen van inlichtingen;

    • b.

      Het vorderen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden (waaronder – indien relevant – administratieve en verantwoordingsgegevens, declaratie en betaalgegevens, zorgovereenkomsten en Pgb-administratie;

    • c.

      Het vorderen dat betrokkene zich identificeert (d.m.v. inzage van een identiteitsbewijs en het betreden van plaatsen voor zover de Awb dit toestaat.

  • 5.

    Een ieder is verplicht aan de toezichthouder de medewerking te verlenen, die redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.

Artikel 30 Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik

  • 1.

    Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.

  • 2.

    Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract.

  • 3.

    Het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over mogelijk misbruik, oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld. Meldingen worden verwerkt en opgevolgd met inachtneming van geldende regelgeving, waaronder de AVG.

Hoofdstuk 10 Overige bepalingen

Artikel 31 Afstemming met gecertificeerde instellingen

  • 1.

    Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de aansluiting tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 2 en de gecertificeerde instellingen.

  • 2.

    Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over:

    • a.

      de wijze waarop verwijzingen naar jeugdhulp plaatsvinden;

    • b.

      de monitoring van ingezette jeugdhulp en de resultaten daarvan

    • c.

      het overleg over de jeugdhulp die nodig is als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering aan de jeugdige is opgelegd, zoals bedoeld in artikel 3.5 lid 1 van de wet,

    • d.

      het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering,

    • e.

      de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling, de informatie-uitwisseling die nodig is voor een doelmatige uitvoering en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt,

    • f.

      wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder

    • g.

      van een pgb kan zijn namens de jeugdige en/of ouder(s),

    • h.

      hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet moet worden.

  • 3.

    Het college en de gecertificeerde instelling leggen de hier bovengenoemde afspraken vast in een protocol (artikel 3.5 lid 3 lid van de wet).

Artikel 32 Overgang 18- naar 18+

  • 1.

    Als een jeugdige gebruik maakt van een individuele voorziening en bijna 18 jaar wordt, zorgt het college ervoor dat er op tijd een gesprek plaatsvindt over de veranderingen vanaf 18 jaar en welke voorziening na 18 jaar nodig is.

  • 2.

    De jeugdhulpaanbieder stelt voor jeugdigen die jeugdhulp krijgen vanaf het 16e jaar een ‘perspectiefplan’ op waarin staat:

    • Welke hulp of ondersteuning nodig is vanaf de 18e verjaardag;

    • Hoe en vanuit welke wet (Wmo, WLZ, Zorgverzekeringswet of verlengde Jeugdwet) de hulp vanaf 18 jaar wordt ingezet.

  • 3.

    Het perspectiefplan wordt beoordeeld door het Sociaal wijkteam.

  • 4.

    De jeugdhulpaanbieder betrekt de jeugdige, het gezin en het sociaal wijkteam bij (het opstellen van) het perspectiefplan.

Artikel 33 Vertrouwenspersoon

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat jeugdigen en/of ouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

  • 2.

    Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Artikel 34 Inspraak en medezeggenschap

Het college legt periodiek ontwikkelingen en belangrijke te nemen besluiten op het gebied van jeugdhulp voor aan een vertegenwoordiging van ingezetenen, zoals een inwonersadviesraad, waarover zij advies kunnen uitbrengen. In de overleggen kunnen onderwerpen worden aangedragen voor de agenda en worden deelnemers voorzien van de voor hen benodigde informatie en ondersteuning om adequaat deel te kunnen nemen aan het overleg.

Artikel 35 Toepassen verordening en stellen nadere regels

  • 1.

    Indien bij het toepassen en uitvoeren van deze verordening onduidelijkheid ontstaat over het gebruik, dan zijn de in de Jeugdwet opgenomen begrippen en bepalingen leidend.

  • 2.

    Het college heeft de bevoegdheid om voor de uitvoering van de verordening nadere regels op te stellen.

  • 3.

    Het college maakt nadere afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de verwijzing.

Artikel 36 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 37 Overgangsbepalingen

  • 1.

    Een jeugdige of ouders houdt(en) het recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp Noordwijk 2022 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 2.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp Noordwijk 2022 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

Artikel 38 Intrekking oude verordening, inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De Verordening jeugdhulp Noordwijk 2022 wordt ingetrokken.

  • 2.

    Deze Verordening treedt in werking op 1 juli 2026.

  • 3.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp Noordwijk 2026.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 4 juni 2026

De gemeenteraad van Noordwijk

R. van Dijk

griffier

mr. B.B. Schneiders

voorzitter

TOELICHTING  

Richtlijnen gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een gemiddeld ontwikkelprofiel

 

Kinderen van 0 tot 3 jaar

  • hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig;

  • ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;

  • zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend

  • pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 3 tot 5 jaar

  • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

  • hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang;

  • hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

  • hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

  • zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;

  • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 5 tot 12 jaar

  • kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;

  • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);

  • hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;

  • hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;

  • zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan;

  • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 12 tot 18 jaar

  • hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

  • kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

  • kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden;

  • kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

  • hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

  • hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig;

  • hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Richtlijnen afbakening specialistische jeugdhulp tov Wet Passend Onderwijs

 

Alle ondersteuningsvormen die behoren bij Passend Onderwijs beschouwt de gemeente HILLEGOM/LISSE/TEYLINGEN niet als specialistische jeugdhulp, waaronder (niet limitief):

  • -

    Het opstellen van een OPP

  • -

    Ondersteuning door een intern begeleider of zorgcoördinator

  • -

    Extra uitleg of aangepaste lesmaterialen

  • -

    Metingen cognitief niveau

  • -

    Klassenobservaties

  • -

    Trainingen in sociale vaardigheden

  • -

    Interventies ten behoeve van klassenmanagement (zoals Taakspel en Beter bij de Les)

  • -

    Schrijfoefeningen

  • -

    Ondersteuning bij ernstige lees-, spellings- en/of rekenproblemen

  • -

    Ondersteuning vanwege hoogbegaafdheid (onder schooltijd)

  • -

    Remedial teaching

  • -

    Motorische remedial teaching

  • -

    Logopedisch onderzoek

  • -

    Diagnostiek en behandeling met betrekking tot niet-ernstige dyslexie en dyscalculie

  • -

    Begeleiding van leerkrachten en stagebegeleiding

  • -

    Hulp bij plannen van schoolwerk

  • -

    Huiswerkbegeleiding/het trainen van executieve functies

Naar boven