Subsidieregeling Peuteropvang Voorschoolse educatie Utrechtse Heuvelrug 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de Utrechtse Heuvelrug;

 

gelet op artikel 5 lid 2 van de Algemene subsidieverordening Utrechtse Heuvelrug;

 

gelet op de nota Voor- en Vroegschoolse Educatie, een gedeelde verantwoordelijkheid;

 

Besluit vast te stellen de Subsidieregeling Peuteropvang Voorschoolse educatie Utrechtse Heuvelrug 2026.

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In aanvulling op artikel 1 van de Algemene Subsidieverordening Utrechtse Heuvelrug 2026 wordt verstaan onder:

  • a.

    Aanvrager: de houder van een kindercentrum die een aanvraag indient op grond van deze regeling.

  • b.

    ASV: Algemene subsidieverordening Utrechtse Heuvelrug.

  • c.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht.

  • d.

    Doelgroep peuter: peuter in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar die op basis van een VVE indicatie van de GGDrU in aanmerking komt voor voorschoolse educatie.

  • e.

    Groepssubsidie basiskwaliteit VE: een vast subsidiebedrag van € 16.000,00 per Voorschoolse Educatie (VE) peutergroep per jaar voor het uitvoeren van de kwaliteitseisen VE in de Utrechtse Heuvelrug.

  • f.

    Inkomensafhankelijke ouderbijdrage: op basis van de VNG Adviestabel ouderbijdrage peuteropvang vastgestelde inkomensafhankelijke tariefstelling voor gesubsidieerde peuteropvang.

  • g.

    Kindercentrum: in het LRK geregistreerd kindercentrum gesitueerd in de gemeente Utrechtse Heuvelrug waar kinderen van 0 tot 13 jaar worden opgevangen, niet zijnde een gastouderbureau.

  • h.

    Kleine kernen: dorpen waar maximaal 1 voorschoolse voorziening aanwezig is en geen kinderopvang.

  • i.

    KOT: Kinderopvangtoeslag. De tegemoetkoming van de Belastingdienst bedoeld als gedeeltelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang die onder de wet Kinderopvang valt.

  • j.

    LRK: Landelijk register kinderopvang.

  • k.

    PBM’er VE: pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie die per 1 januari 2022 wettelijk verplicht is gesteld.

  • l.

    Peuterplaats: peuterbezoek van maximaal vijf uur, verdeeld over twee dagdelen per week aan de voorschoolse voorziening gedurende 40 weken per jaar.

  • m.

    Subsidiabel uurtarief: het jaarlijks door het college vastgestelde maximaal te subsidiëren uurtarief voor voorschoolse voorzieningen met VE wat is gebaseerd op het fiscaal uurtarief (maximaal uurtarief dat de Belastingdienst hanteert voor de vergoeding voor de kosten van kinderopvang).

  • n.

    Voorschoolse voorziening: organisatie voor peuteropvang of kinderopvang, die ingeschreven staat als zodanig in het LRK binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug.

  • o.

    VE: voorschoolse educatie: als onderdeel van de voor- en vroegschoolse educatie (VVE) krijgen kinderen van 2,5 tot 4 jaar met een risico op een taalachterstand via een VVE-programma op gestructureerde en samenhangende wijze activiteiten aangeboden, met als doel hun taalontwikkeling te stimuleren en hun achterstand te verkleinen.

  • p.

    VE-kindercentrum: een kindercentrum wordt aanvullend als een Voorschoolse voorziening in het LRK geregistreerd als deze voldoet aan de wet- en regelgeving van de kinderopvang, het toezichtskader GGDrU en toezichtskader Onderwijsinspectie.

  • q.

    VE peuter: peuter met een VVE-indicatie afgegeven door GGDrU gebaseerd op de in de nota ‘VVE, een gedeelde verantwoordelijkheid: Herijkt onderwijsachterstandenbeleid’ vastgestelde doelgroepdefinitie. Het gaat om peuters woonachtig in de gemeente Utrechtse Heuvelrug.

  • r.

    VE-peuterplaats: peuterbezoek van maximaal 16 uur per week, gedurende 40 weken per jaar waarin de VE peuter voorschoolse educatie aangeboden krijgt conform de eisen zoals deze zijn gesteld in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang.

  • s.

    Verzamelinkomen: door de belastingdienst gehanteerde term voor het totale bedrag van het inkomen uit werk en woning (box 1), het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (box 3).

  • t.

    VVE indicatie: een indicatie die afgegeven wordt door GGDrU, waarbij GGDrU op basis van de gemeentelijke doelgroep definitie inschat dat er sprake is van een risico op een taalachterstand en die recht geeft op extra uren voorschoolse educatie.

  • u.

    VVE: Voor- en vroegschoolse educatie. Voor- en vroegschoolse educatie is erop gericht dat kinderen met een risico op een taalachterstand een stimulerend en taalrijk aanbod krijgen vanaf 2,5 jaar tot en met groep 2 van het basisonderwijs met het doel dat hun achterstand vermindert.

Artikel 2. Toepassingsbereik

Het bepaalde in deze subsidieregeling is enkel van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college voor de in artikel 4 bedoelde activiteiten.

Artikel 3. Maatschappelijk effect

Het doel van de subsidieregeling is het bieden van een kwalitatief hoogwaardig aanbod van peuteropvang met voorschoolse educatie in de gemeente Utrechtse Heuvelrug, zodat er gelijke en optimale ontwikkelkansen zijn voor alle peuters in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar.

 

Doormiddel van subsidieverstrekking zorgen we verder voor:

  • 1.

    het bevorderen van integratie en het voorkomen van segregatie;

  • 2.

    voldoende aanbod van Voorschoolse educatie over de gemeente;

  • 3.

    verbinding met basisscholen ten behoeve van een sterke doorlopende leerlijn;

  • 4.

    gemengde VE-peutergroepen, zodat VE-peuters en peuters samen spelen en leren;

  • 5.

    het behouden van voorschoolse educatie in de kleine kernen.

Artikel 4. Activiteiten

Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt voor activiteiten die gericht zijn op het bestrijden van onderwijsachterstanden, waaronder in ieder geval:

  • 1.

    het aanbieden van voorschoolse educatie voor kinderen van 2,5 tot 4 jaar met een VVE-indicatie, woonachtig in de gemeente Utrechtse Heuvelrug, namelijk:

    • a.

      VE-peuter met recht op kinderopvangtoeslag;

    • b.

      VE-peuter zonder recht op kinderopvangtoeslag;

  • 2.

    uitvoering van de vastgestelde kwaliteitseisen VE in de Utrechtse Heuvelrug op groepsniveau:

  • 3.

    de wettelijk verplichte inzet van een Pedagogisch beleidsmedewerker VE:

  • 4.

    het in stand houden van een voorschoolse voorziening in kleine kernen:

  • 5.

    het aanbieden van voorschoolse educatie binnen de peuteropvang in het AZC.

Artikel 5. Subsidieontvanger

Subsidie kan worden aangevraagd door een aanbieder die voldoet aan de vereisten uit de Wet Kinderopvang en de hieruit voortvloeiende regelgeving.

De subsidie wordt uitsluitend verleend per VE peuter en VE peutergroep per jaar, per locatie in de gemeente Utrechtse Heuvelrug.

 

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan aanvragers, die aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • a.

    het kindercentrum is opgenomen in het LRK;

  • b.

    het kindercentrum voldoet aan de vereisten die zijn opgenomen in de Wet kinderopvang;

  • c.

    het kindercentrum maakt gebruik van een door het Nederlands Jeugdinstituut erkend VVE-programma;

  • d.

    de peuter waarvoor subsidie wordt verleend, is geïndiceerd voor VVE door de GGDrU;

  • e.

    ouders worden actief en aantoonbaar betrokken bij een ouderparticipatieprogramma;

  • f.

    ouders ondertekenen een contract om de ouderbetrokkenheid bij de VE vast te leggen;

  • g.

    het kindercentrum beschikt over een:

    • a.

      actuele analyse van het doelgroepbereik;

    • b.

      actuele analyse van de doorgaande leerlijn;

    • c.

      actuele analyse van de ouderbetrokkenheid.

  • h.

    het kindercentrum levert bij de onder g genoemde analyses, de doelstellingen voor het jaar waarover subsidie wordt gevraagd. De doelstellingen worden opbrengstgericht geformuleerd.

Artikel 6. Reikwijdte

Deze regeling is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college voor de in artikel 4 bedoelde activiteiten.

  • 1.

    Deze regeling is niet van toepassing op peuterplaatsen voor een peuter met een Sociaal Medische Indicatie (SMI).

  • 2.

    Op deze subsidieregeling is de Algemene Subsidie Verordening (hierna: ASV) van toepassing.

Artikel 7 Groepssamenstelling en integratie

Voor de toekenning van de subsidie voor voorschoolse educatie geldt dat gemiddeld over de Voorschoolse voorzieningen met voorschoolse educatie 50% van de plekken gereserveerd is voor VE-geïndiceerde kinderen, met maximaal 16 peuterplaatsen per groep. Dit is onderdeel van het gemeentelijk streven naar integratie en het voorkomen van segregatie in voorschoolse voorzieningen.

  • 1.

    De subsidieontvanger organiseert het voorschoolse educatieaanbod in peutergroepen met een maximale groepsgrootte van 16 peuters per dagdeel.

  • 2.

    Per groep bestaat maximaal 50% van het aantal geplaatste peuters uit kinderen met een door de GGDrU afgegeven VVE-indicatie.

  • 3.

    De subsidieontvanger draagt zorg voor een evenwichtige groepssamenstelling en spant zich aantoonbaar in om plaatsing zodanig te organiseren dat segregatie wordt voorkomen en integratie wordt bevorderd.

  • 4.

    Indien door aantoonbare omstandigheden tijdelijk wordt afgeweken van het tweede lid, meldt de subsidieontvanger dit onverwijld aan het college en wordt in overleg bezien op welke wijze en binnen welke termijn de groepssamenstelling in overeenstemming wordt gebracht met dit artikel.

Artikel 8. Hoogte van de subsidie voorschoolse educatie

De hoogte van de subsidie voor voorschoolse educatie als bedoeld in artikel 4 onder 1 wordt als volgt berekend:

  • 1.

    Het college stelt jaarlijks vóór 1 oktober het subsidiabel uurtarief voor voorschoolse educatie vast. Het uurtarief wordt gebaseerd op het door de Rijksoverheid vastgestelde maximum uurtarief kinderopvang.

  • 2.

    Per locatie wordt subsidie verleend voor de beschikbaarheid van maximaal acht VVE-plaatsen voor geïndiceerde peuters. Voor deze gereserveerde plekken wordt de subsidie verstrekt ongeacht de feitelijke bezetting.

  • 3.

    Voor de in het tweede lid bedoelde VVE-plaatsen wordt de subsidie aan het eind van het subsidiejaar verrekend op basis van het de hieronder genoemde leden aan de hand van door de gemeente verstrekte vaststellingsformulier.

  • 4.

    Per geïndiceerde peuter wordt subsidie verstrekt voor maximaal 960 uur voorschoolse educatie gedurende een periode van anderhalf jaar, met een maximum van 640 uur per kalenderjaar.

  • 5.

    Het subsidiabel uurtarief wordt berekend overeenkomstig tabel 1.

     

    Tabel 1:

     

    Ouder recht op kinderopvangtoeslag

    Uurtarief van 0 tot en met 8 uur

    Uurtarief vanaf 8 tot en met 16 uur per week

    Ja

    n.v.t.

    Met VVE-indicatie: subsidiabel uurtarief VE

    Nee

    Subsidiabel uurtarief VE – (minus) ouderbijdrage

    Met VVE-indicatie: subsidiabel uurtarief VE

  • 6.

    Voor ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag geldt een inkomensafhankelijke ouderbijdrage over de eerste twee dagdelen van maximaal 320 uur per jaar (480 uur per anderhalf jaar).

  • 7.

    De hoogte van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage wordt door de aanbieder bepaald op basis van het verzamelinkomen van het voorgaande kalenderjaar en wordt gebaseerd op de meest recente VNG-adviestabel.

  • 8.

    Ten behoeve van de vaststelling van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage zorgt de aanbieder ervoor dat de ouder een ondertekende ‘verklaring geen recht op kinderopvangtoeslag’ en een recente inkomensverklaring overlegt aan de aanbieder. De aanbieder verplicht de ouder wijzigingen in de inkomens- of gezinssituatie die van invloed zijn op de kinderopvangtoeslag per omgaande te melden bij de aanbieder. De aanbieder past het contract aan en verwerkt de wijzigingen in de verantwoording aan de gemeente.

  • 9.

    Wanneer een verlaging van het inkomen zodanig is dat ouders in een lagere inkomenscategorie vallen, kunnen ouders een aanvraag tot herziening van de ouderbijdrage indienen bij de aanbieder. Hierbij dient de ouder de meest recente loongegevens, uitkeringsbeschikking of meest recente inkomensverklaring aan te leveren.

Artikel 9. Hoogte van de groepssubsidie basiskwaliteit VE

De hoogte van de groepssubsidie basiskwaliteit VE voor voorschoolse educatie als bedoeld in artikel 4 onder 2 wordt als volgt berekend: De hoogte van de groepssubsidie voor voorschoolse educatie voor de uitvoering van de wettelijke kwaliteitseisen en de door gemeente Utrechtse Heuvelrug gehanteerde bovenwettelijke kwaliteitseisen voor voorschoolse educatie is vastgesteld op €16.000 en wordt jaarlijks geïndexeerd gelijk aan het jaarlijks wettelijk vastgestelde uurtarief kinderopvang, vastgesteld door de Rijksoverheid.

Artikel 10. Subsidie PBM’er VE

De hoogte van de subsidie voor een Pedagogisch beleidsmedewerker als bedoeld in artikel 4 onder 3 wordt als volgt berekend:

  • 1.

    De subsidie wordt verstrekt voor de inzet van een pedagogisch coach/-beleidsmedewerker voor 10 uur per jaar per VE-peuter per locatie met voorschoolse educatie.

  • 2.

    De peildatum voor het vaststellen van de subsidie op basis van het aantal VE-peuters per locatie betreft 1 september van het voorgaande subsidiejaar.

  • 3.

    Het subsidiebedrag wordt op uurbasis verstrekt en is gebaseerd op de CAO Kinderopvang 2026, schaal 9. Jaarlijks wordt het uurtarief opnieuw geïndexeerd a.d.h.v. de CAO Kinderopvang.

Artikel 11. Subsidie voorschoolse voorziening kleine kernen

Voorwaarden

  • 1.

    Subsidie wordt alleen verleend indien er voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      In de kleine kern is geen kinderdagopvang voor 0-4 jarigen aanwezig;

    • b.

      De betreffende voorschoolse voorziening is opgenomen in het Landelijke register kinderopvang en peuterspeelzalen;

    • c.

      Per kleine kern kan voor maximaal 1 groep (16 peuterplaatsen) subsidie worden aangevraagd;

    • d.

      De gemiddelde bezetting van de voorschoolse voorziening was in het kalenderjaar voor de peildatum gedurende 10 maanden minimaal 10 peuters per groep;

    • e.

      De gevraagde ouderbijdrage is conform de VNG adviestabel ouderbijdrage voorschoolse voorzieningen. Deze tabel kan jaarlijks geïndexeerd worden;

    • f.

      De voorschoolse voorziening is alleen toegankelijk voor kinderen woonachtig in de kleine kernen.

Artikel 12. Hoogte van de kleine kernen subsidie

Per peutergroep (maximaal 16 peuterplaatsen) kan subsidie aangevraagd worden.

  • 1.

    Subsidie per peuterplaats per jaar bedraagt maximaal € 1.850,00 voor 2 dagdelen per week, minus de ouderbijdrage en wordt jaarlijks geïndexeerd gelijk aan het jaarlijks wettelijk vastgestelde uurtarief kinderopvang, vastgesteld door de Rijksoverheid.

  • 2.

    De ouderbijdrage wordt door het kindercentrum bepaald en geïnd aan de hand van het meest recente verzamelinkomen.

Artikel 13. Peutergroep AZC Leersum

  • 1.

    Het college kan subsidie verstrekken voor de uitvoering van voorschoolse voorziening binnen Peutergroep Ukkepuk op het asielzoekerscentrum in Leersum.

  • 2.

    De groep bestaat uit maximaal twaalf kinderen, waarvan maximaal acht kinderen deelnemen aan voorschoolse educatie en maximaal vier kinderen aan dagbehandeling vanuit de jeugdhulp.

  • 3.

    Op de groep zijn te allen tijde twee medewerkers aanwezig: een voor voorschoolse educatie gekwalificeerde pedagogisch medewerker en een bij het SKJ geregistreerde medewerker.

  • 4.

    In afwijking van de reguliere vereisten kan de tweede beroepskracht een niet-VE-geschoolde medewerker zijn, mits de kwaliteit van de voorschoolse educatie wordt geborgd door de VE-gekwalificeerde pedagogisch medewerker.

  • 5.

    In afwijking van het bepaalde in deze regeling wordt voor deelname aan de peutergroep geen ouderbijdrage gevraagd. De gemeente vergoedt de volledige kosten van de voorschoolse educatieplaatsen, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de deelnemende kinderen geen recht hebben op kinderopvangtoeslag.

Artikel 14. Aanvraag

Aanvragen voor subsidie op basis van deze regeling worden ingediend op het daarvoor door de gemeente beschikbaar gestelde aanvraagformulier. (aanvraagformulier aanpassen?)

  • 1.

    Niet volledig ingevulde aanvraagformulieren worden niet in behandeling genomen. Aanvragers worden in de gelegenheid gesteld de gegevens binnen 14 dagen aan te vullen.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 7 van de ASV moet de aanvraag om subsidieverlening zijn voorzien van:

    • a.

      Een opgave van het aantal VE peuters voor wie de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd;

    • b.

      Een opgave van het aantal bezette uren per peuter;

    • c.

      Een opgave van het aantal VE peutergroepen.

  • 3.

    In overeenstemming met art. 8 lid 3 ASV wordt subsidie op basis van deze regeling aangevraagd vóór 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 4.

    De subsidie wordt verleend per kalenderjaar of gedeelte daarvan.

Artikel 15. Aanvraagtermijn

Een aanvraag voor een subsidie wordt, in afwijking van artikel 8 lid 1 van de ASV, ingediend tussen 1 september en 31 oktober voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 16. Beslistermijn

Het college beslist uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de aanvraag voor subsidie is ingediend.

Artikel 17. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

Overeenkomstig artikel 6 van de ASV stelt het college een subsidieplafond vast voor deze subsidieregeling, onder voorwaarde dat voldoende middelen in de begroting beschikbaar worden gesteld.

  • 1.

    Wanneer het subsidieplafond peuteropvang voorschoolse educatie is bereikt, doordat er op 31 december meer aanvragen voor per jaar verstrekte subsidies zijn gehonoreerd dan dat er aan budget beschikbaar is, dan wordt het budget evenredig verdeeld.

Artikel 18. Weigeringsgronden

  • 1.

    In aanvulling op de in de Awb en de ASV aangegeven weigeringsgronden, geldt dat de subsidieaanvraag kan worden geweigerd indien gegronde reden bestaat aan te nemen dat;

    • a.

      De aanvrager niet in staat zal zijn om aan zijn financiële verplichtingen te voldoen gedurende de looptijd van de subsidie;

    • b.

      De subsidie niet noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

  • 2.

    Het bereiken van het plafond is grond tot (gedeeltelijke) weigering van de aangevraagde subsidie.

Artikel 19. Verantwoording

  • 1.

    Op de verantwoording van subsidies op grond van deze regeling zijn artikelen 12, 15, 16 en 17 van de ASV.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in het vorige lid genoemde artikelen van de ASV gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van een overzicht van het aantal bezette peuterplaatsen, waarbij gespecificeerd wordt;

    • a.

      of de peuterplaats wordt benut voor opvang van peuters met VE indicatie;

    • b.

      of de peuterplaats wordt benut voor opvang van peuters waarvan de ouders wel of geen recht hebben op kinderopvangtoeslag.

    • c.

      Een overzicht van totale ontvangen ouderbijdrage, die (achteraf) zal worden verrekend met de toegekende subsidie.

  • 3.

    Daarnaast beschikt de subsidieontvanger over de volgende bewijsstukken in zijn eigen administratie:

    • a.

      Van alle VE peuters een indicatieformulier van de GGDrU;

    • b.

      Van alle ouders die aangeven geen recht te hebben op kinderopvangtoeslag een ondertekende ouderverklaring en een inkomensverklaring van de Belastingdienst;

    • c.

      Een gedagtekende offerte of overeenkomst tussen de houder van het geregistreerde kindercentrum en de ouder van het kind.

  • 4.

    Het college kan de gegevens bedoeld in het derde lid bij de subsidieontvanger opvragen.

Artikel 20. Toezicht op kwaliteit

De GGDrU en de Onderwijsinspectie houden toezicht op de kwaliteit van het aanbod in het kader van deze subsidieregeling.

Artikel 21. Publicatie

  • 1.

    In afwijking van artikel 4:24 van de Awb, publiceert het college jaarlijks een overzicht van alle verleende subsidies die op grond van deze regeling zijn toegekend.

  • 2.

    Over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidies in de praktijk, doet het college verslag via de reguliere planning en control cyclus en (tussentijdse) evaluatie van beleid.

Artikel 22. Hardheidsclausule

Het college kan, in bijzondere gevallen, een artikel of artikelen van deze subsidieregeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Het van toepassing verklaren van dit artikel wordt gemotiveerd in het besluit.

Artikel 23. Slotbepalingen

  • 1.

    Deze regeling treedt in werking op de dag na die van bekendmaking, onder gelijktijdige intrekking van de Subsidieregeling peuteropvang Voorschoolse educatie Utrechtse Heuvelrug 2021/2022. Ze is voor het eerst van toepassing op subsidieaanvragen die betrekking hebben op het kalenderjaar 2027.

  • 2.

    Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling peuteropvang Voorschoolse educatie Utrechtse Heuvelrug 2026.

  • 3.

    In alle gevallen waarin de regeling niet voorziet beslist het college.

Aldus besloten in de vergadering van burgemeester en wethouders d.d. 9 juni 2026

C.M. Beijk

Secretaris

G.F. Naafs

Burgemeester

Naar boven