Subsidieregeling Sociale Basis en Cultuur gemeente Utrechtse Heuvelrug 2026

Burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug;

 

Gelet op artikel 4 van de Algemene subsidieverordening gemeente Utrechtse Heuvelrug 2026

 

Gelet op het besluit van de gemeenteraad d.d. 16 juli 2020 over de visie ‘Samen Leven, Samen Doen, Herijking beleidskeuzen sociaal domein’ en de op 3 juli 2023 vastgestelde uitvoeringsagenda 2023-2025

 

gelet op het besluit van de gemeenteraad d.d. 3 juli 2023 over de omgevingsvisie gemeente Utrechtse Heuvelrug

 

gelet op het besluit van de gemeenteraad d.d. 20 april 2023 over de ‘kadernota cultuur Meedoen is de Kunst’ en bijbehorende uitvoeringsnota;

 

gelet op het besluit van de gemeenteraad d.d. 9 november 2020 over het ‘speelbeleidsplan Natuurlijk! Buitenspelen 2020-2030 van de gemeente Utrechtse Heuvelrug‘

 

gelet op het besluit van de gemeenteraad d.d. 5 juni 2025 over de gezondheidsnota Gezond en vitaal in Utrechtse Heuvelrug 2025-2028

 

gelet op het besluit van de gemeenteraad d.d. 24 oktober 2024 over de regionale inkoopvisie Regionale Inkoopkoers Jeugd en Wmo, Versterken van het gewone leven, maart 2025

 

gelet op het besluit van de gemeenteraad d.d. 21 maart 2024 over de beleidsnota Samen Vooruit, minimabeleid Utrechtse Heuvelrug

 

Besluit vast te stellen de volgende subsidieregeling:

 

Subsidieregeling Sociale Basis en Cultuur gemeente Utrechtse Heuvelrug 2026

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

  • a.

    Actuele VOG: een VOG die niet ouder is dan vijf jaar en niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop de stagiair, vrijwilliger of beroepskracht voor de organisatie ging werken.

  • b.

    Asv: de Algemene subsidieverordening gemeente Utrechtse Heuvelrug 2026;

  • c.

    Boekjaarsubsidie: een boekjaarsubsidie op grond van deze regeling wordt alleen per kalenderjaar verstrekt;

  • d.

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug;

  • e.

    Cultuurcoach: functionaris en netwerker op gebied van cultuur, in dienst van de subsidie-ontvanger.

  • f.

    Cultuurnota: kadernota Cultuur “Meedoen is de Kunst”

  • g.

    Dorp: de gemeente heeft zeven dorpen, te weten: Amerongen, Doorn, Driebergen-Rijsenburg, Leersum, Maarn, Maarsbergen en Overberg;

  • h.

    Dorpsgerichte activiteit: een activiteit die vormgegeven wordt voor een groep inwoners en/ of lokale organisatie(s) en bijdraagt aan de sociale basis in een dorp of meerdere dorpen en plaatsvindt binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug;

  • i.

    Diversiteit: de erkenning en herkenning van de verschillen tussen mensen en de acceptatie en het respect daarvoor;

  • j.

    Ervaringsdeskundige, volgens de definitie van Movisie: iemand die geleerd heeft van zijn ervaringen met een aandoening, ontwrichtende situatie en hoe je daarmee omgaat en deze ook gebruikt als bron van kennis om daarmee anderen verder te helpen. Ervaringsdeskundigheid wordt onder meer ingezet in de de ggz, jeugdzorg, maatschappelijke zorg, mantelzorg, cliëntondersteuning in de Wmo, bestaanszekerheid en vluchtelingencentra. Ervaringskennis, als die wordt ingezet als kennisbron, naast vakkennis en wetenschappelijke kennis, kan organisaties enorm helpen bij het realiseren van hun doelen;

  • k.

    Inclusie: de insluiting van inwoners van alle identiteiten – zichtbaar of niet – bij activiteiten waarbij zij zich veilig en gerespecteerd kunnen voelen en zonder voorbehoud kunnen participeren;

  • l.

    Jeugdactiviteit: een structurele terugkerende activiteit voor jeugdigen in de gemeente Utrechtse Heuvelrug, die een bijdrage levert aan vrijetijdsbesteding, ontspanning en ontmoeting;

  • m.

    Jeugdigen: inwoners uit de gemeente Utrechtse Heuvelrug in de leeftijd van 4 tot en met 21 jaar;

  • n.

    Positieve gezondheid: een benadering binnen de gezondheidszorg die niet de ziekte, maar een betekenisvol leven van mensen centraal stelt. De nadruk ligt op de veerkracht, eigen regie en het aanpassingsvermogen van de mens en niet op de beperkingen of ziekte zelf;

  • o.

    Scouting: wekelijkse activiteiten in het kader van ontmoeting en vrijetijdsbesteding voor jeugdigen, gericht op samenwerken, avontuur, respect voor elkaar en de leefomgeving, zelfstandigheid en ontplooiing;

  • p.

    Sociale basis, volgens de definitie van Movisie: Het geheel van informele sociale verbanden (buurten, groepen, verenigingen, netwerken, gezinnen) van mensen, aangevuld en ondersteund vanuit de lokale overheid, organisaties, diensten en voorzieningen. Zij maken het mogelijk dat inwoners de mogelijkheden hebben om te participeren in sociale relaties op een manier die hun welzijn, capaciteiten en individueel potentieel verbetert. In de sociale basis gaat het om het versterken van eigenaarschap, zeggenschap en eigen regie van inwoners;

  • q.

    Speelweken: onder een speelweek wordt verstaan een week in de schoolvakantie waarin op 1 plek in een dorp minimaal 25 uur, verdeeld over minimaal 4 dagen van de week activiteiten worden georganiseerd voor jeugdigen in de leeftijd van 4 tot en met 12 jaar.

  • r.

    Tegemoetkoming Jeugd en Spel: een vergoeding voor de kosten van burgerinitiatieven, waarbij inwoners het beheer van een speelplek voor jeugdigen tot 18 jaar van de gemeente overnemen of een vergoeding voor het organiseren van de Nationale Buitenspeeldag, NK Stoepranden of andere nationale buitenspeeldagen;

  • s.

    Wet: de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2. Toepassingsbereik

  • 1.

    Het bepaalde in deze subsidieregeling is enkel van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college voor de in artikel 7, 10, 15 en 21 bedoelde activiteiten, die in de gemeente Utrechtse Heuvelrug plaatsvinden, voor een periode van maximaal vier achtereenvolgende jaren.

  • 2.

    Aanvragers komen in aanmerking voor een subsidie langer dan één jaar, onder de volgende voorwaarden:

    • a.

      De aanvrager vraagt maximaal € 10.000 subsidie per jaar aan;

    • b.

      Aanvrager heeft de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag, voor dezelfde activiteiten subsidie aangevraagd;

    • c.

      De subsidie wordt niet berekend op basis van een ledenaantal.

  • 3.

    Deze subsidieregeling is van toepassing op eenmalige en boekjaarsubsidies tot en met een bedrag van € 25.000 per jaar.

Artikel 3. Doelgroep

  • 1.

    Deze regeling is van toepassing op natuurlijke personen en rechtspersonen die actief zijn binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug en aantoonbaar bijdragen aan de ambitie van de sociale basis en cultuur in Utrechtse Heuvelrug.

  • 2.

    Natuurlijke personen komen in aanmerking voor een subsidie van maximaal € 5.000.

  • 3.

    Voor alle organisaties die werken met jeugdigen of kwetsbare inwoners, geldt dat stagiairs en vrijwilligers en eventuele beroepskracht in het bezit dienen te zijn van een actuele verklaring omtrent het gedrag (VOG). Zij kunnen die meestal gratis aanvragen via gratisvog.nl. Het college kan van deze bepaling afwijken op basis van de volgende gronden:

    • a.

      Als de stagiair, vrijwilliger of beroepskracht zonder VOG wel ingezet wordt bij contacten met kwetsbare personen vanwege een specifieke deskundigheid. Bijvoorbeeld voor een ervaringsdeskundige waarvoor de VOG aanvraag is of zal worden afgewezen, kan de organisatie een uitzondering maken op de VOG-plicht.

    • b.

      Als het hebben van een VOG bij werkzaamheden niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat de stagiair, vrijwilliger of beroepskracht niet of niet direct in aanraking komt met kwetsbare personen. Dit kan zijn bij publiciteitsactiviteiten of activiteiten in een (grote) groep.

  • 4.

    Voor personen waarvoor een uitzondering wordt gemaakt op het beschikken over een VOG, op grond van lid 3 onder a maakt de organisatie een analyse. Uit de analyse blijkt:

    • a.

      waarom de stagiair of vrijwilliger ingezet wordt ondanks de afwezigheid van de VOG en welke afweging is gemaakt;

    • b.

      wat het risico voor kwetsbare personen is bij de inzet van de stagiair of vrijwilliger waarvoor de organisatie een uitzondering op de VOG-plicht toelaat;

    • c.

      of en welke preventieve maatregelen de organisatie neemt om risico voor kwetsbare personen uit te sluiten.

Artikel 4. Hoogte van de subsidie

  • 1.

    Kosten die voor subsidie in aanmerking komen:

    • a.

      Activiteitenkosten, kosten voor het organiseren van activiteiten.

    • b.

      Loonkosten van professionals die zich richten op begeleiden, coördineren, werven, matchen van vrijwilligers en afstemming en samenwerking met partners. De loonkosten dienen in verhouding te staan tot het aantal vrijwilligers.

    • c.

      Kosten voor scholing en training van professionals en vrijwilligers, activiteitenkosten voor zover deze noodzakelijk zijn voor het ondersteunen en begeleiden van de vrijwilligers en waardering van vrijwilligers voor zover het gaat om kleine attenties.

    • d.

      Overheadkosten, bijvoorbeeld algemene kosten voor de organisatie, zoals administratie en kantoorhuur voor backoffice activiteiten.

    • e.

      Onkosten die vrijwilligers maken, die direct verbonden zijn aan de inzet voor de activiteit.

    • f.

      Communicatiekosten, enkel lokaal en ter ondersteuning van de subsidieactiviteiten.

    • g.

      Kosten voor huur van een ruimte, als deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteit(en).

    • h.

      Redelijke kosten die resteren na aftrek van bijdragen van derden en die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteit.

Artikel 5. Aanvraag

De werkwijze van een aanvraag voor subsidie is geregeld in artikel 7 en 8 Asv. In afwijking van artikel 8.1 en 8.2 van de Asv geldt het volgende:

  • 1.

    Een aanvraag voor een boekjaarsubsidie wordt ingediend tussen 1 september en 30 september, voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, met gebruikmaking van het aanvraagformulier.

  • 2.

    Een aanvraag voor een incidentele subsidie wordt, in afwijking van artikel 8.2 van de Asv, ingediend tussen 1 september voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft en uiterlijk 8 weken voordat de aanvrager van plan is te beginnen met de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, met gebruikmaking van het aanvraagformulier. Een aanvraag kan niet eerder worden gedaan dan 5 maanden voordat de aanvrager begint met de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, maar niet voor 1 september voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 3.

    Niet volledig ingevulde aanvraagformulieren worden niet in behandeling genomen. Aanvragers worden in de gelegenheid gesteld de gegevens binnen 14 dagen aan te vullen.

Hoofdstuk 2 Maatschappelijke ondersteuning en preventie

Artikel 6. Doel van dit hoofdstuk in de regeling

Doel is om activiteiten te stimuleren die bijdragen aan het versterken van de sociale basis en het versterken van het gewone leven:

  • 1.

    Fijn en veilig opvoeden en opgroeien mogelijk maken

  • 2.

    Waardig ouder worden meer mogelijk maken

  • 3.

    Inclusie: iedereen kan meedoen

  • 4.

    Bestaanszekerheid behouden en versterken

  • 5.

    Gezond leven en bewegen makkelijker maken

  • 6.

    Sociale samenhang en sociale basis in de dorpen versterken

Artikel 7. Activiteiten Omzien naar elkaar of ontmoeten

Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten in de Utrechtse Heuvelrug die er op gericht zijn dat (kwetsbare) inwoners zelfstandig(er) kunnen blijven meedoen zonder professionele hulp of ondersteuning.

 

Hieronder wordt activiteiten verstaan die een alternatieve vorm van passende zorg en ondersteuning bieden, waardoor een individuele maatwerkvoorziening niet of in mindere mate nodig is en/of bijdragen aan het makkelijker meedoen in de samenleving.

 

Als de subsidie wordt toegekend, informeert de subsidie-ontvanger de Stichting Sociale Dorpsteams Utrechtse Heuvelrug over de activiteiten die uitgevoerd gaan worden en de wijze waarop inwoners hier aan kunnen deelnemen.

Artikel 8. Aanvraag

In aanvulling op artikel 5 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tenminste het volgende:

  • 1.

    een activiteitenplan en begroting;

  • 2.

    een beschrijving hoe met de activiteiten bereikt wordt dat (kwetsbare) inwoners meedoen, elkaar kunnen ontmoeten en zo lang mogelijk deel kunnen nemen aan het maatschappelijk leven in de Utrechtse Heuvelrug. En op welke wijze een alternatieve vorm van passende zorg en ondersteuning wordt geboden, waardoor een individuele maatwerkvoorziening niet of in mindere mate nodig is en/of bijdragen aan het makkelijker meedoen in de samenleving.

Hoofdstuk 3 Jeugd en spel

Artikel 9. Doel van dit hoofdstuk in de regeling

De burgerinitiatieven en activiteiten in het kader van tegemoetkoming Jeugd en Spel dragen bij aan het realiseren van de doelstellingen zoals geformuleerd in het speelbeleidsplan Natuurlijk! Buitenspelen 2020-2030 van de gemeente Utrechtse Heuvelrug:

  • Positieve gezondheid stimuleren door bewegen in de buitenruimte te faciliteren;

  • Stimuleren van informeel spelen;

  • Een speelcultuur creëren die aansluit bij de behoeften van kinderen en hun ouders.

Artikel 10. Organisatie van jeugd- en spelactiviteiten

Subsidie wordt verstrekt voor activiteiten voor jeugdigen in de gemeente Utrechtse Heuvelrug, die een bijdrage leveren aan vrijetijdsbesteding, ontspanning en ontmoeting.

 

Hieronder wordt verstaan:

  • a.

    organisatie Speelweken

  • b.

    organisatie Scouting activiteiten

  • c.

    zelfbeheer speelplaatsen en organisatie van Nationale Buitenspeeldag/ NK Stoepranden/ andere Nationale Speeldagen

Artikel 11. Doelgroep

In aanvulling op artikel 3 geldt dat voor dit hoofdstuk van de regeling aanvullende bepalingen van toepassing zijn:

  • 1.

    Voor scoutingorganisaties geldt dat om voor subsidie in aanmerking te komen, de organisatie dient te zijn aangesloten bij Scouting Nederland.

  • 2.

    Voor het zelfbeheer van speelplekken in het kader van tegemoetkoming Jeugd en Spel geldt het volgende:

    • a.

      Het college van burgemeester en wethouders wijst initiatiefplekken aan die in aanmerking komen voor subsidie.

    • b.

      De initiatiefplekken blijven openbaar toegankelijk.

    • c.

      Om voor subsidie in aanmerking te komen, dienen inwoners bij overname van beheer van een initiatiefplek aan de volgende voorwaarden te voldoen:

      • i.

        Inwoners moeten zich organiseren via een rechtspersoon (bijvoorbeeld een stichting);

      • ii.

        Er wordt een bruikleenovereenkomst met de gemeente gesloten over de spelregels van beheer.

Artikel 12. Hoogte van de subsidie

In afwijking van artikel 4 geldt dat voor dit hoofdstuk van de regeling de volgende bepalingen van toepassing zijn:

  • 1.

    Voor de subsidies aan speelweken geldt het volgende:

    • a.

      De gemeente Utrechtse Heuvelrug subsidieert per dorp slechts 1 organisatie voor de organisatie van een speelweek.

    • b.

      Aan een organisatie die een speelweek organiseert voor minimaal 1.000 jeugdigen uit de gemeente kan maximaal € 9.000,00 per jaar aan subsidie worden verleend.

    • c.

      Aan een organisatie die een speelweek organiseert voor minimaal 100 jeugdigen uit de gemeente kan maximaal € 1.700,00 per jaar aan subsidie worden verleend.

    • d.

      De subsidie voor een speelweek bedraagt maximaal 35% van de naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk te maken kosten ten behoeve van de speelweek.

    • e.

      Wanneer er een nieuwe organisatie gestart wordt, die een speelweek wil organiseren in een dorp, waar nog geen speelweek plaats vindt, kan er incidenteel subsidie aangevraagd worden ten behoeve van de kosten voor de oprichting van een rechtspersoon tot een maximum van € 800,00.

  • 2.

    Voor subsidies voor scouting geldt het volgende:

    • a.

      Een scouting-organisatie kan per jeugdlid uit de gemeente Utrechtse Heuvelrug subsidie aanvragen voor het aantal jeugdleden dat zij had op 1 september in het kalenderjaar voor de aanvraagdatum.

    • b.

      De subsidie bedraagt per jeugdlid: € 27,00.

  • 3.

    Voor subsidies voor tegemoetkoming Jeugd en Spel geldt het volgende:

    • a.

      Er kan eenmalig subsidie worden aangevraagd van maximaal € 2.500 per initiatiefplek, waarbij inwoners het beheer van een speelplek van de gemeente overnemen. De volgende kosten voor de inrichting van de speelplek komen voor subsidie in aanmerking:

      • i.

        Aanleg (val)ondergrond;

      • ii.

        Aanschaf speelobjecten;

      • iii.

        Aanschaf natuurlijke elementen;

      • iv.

        Aanleg paden.

    • b.

      Voor de organisatie van een activiteit in het kader van de Nationale Buitenspeeldag/ NK Stoepranden/ andere Nationale Speeldagen kan subsidie worden aangevraagd van maximaal € 800 per aanvrager. Daarbij geldt:

      • i.

        De buitenspeeldag vindt plaats op een nationaal/lokaal bepaalde buitenspeeldag;

      • ii.

        Er is een vergunningaanvraag ingediend en verleend;

      • iii.

        Voor de activiteit is sprake van eigen inzet, in de vorm van geld, natura of eigen capaciteit. De eigen inzet moet zich in redelijke mate verhouden tot het gevraagde subsidiebedrag;

      • iv.

        De aanvrager kan worden verzocht om aan te tonen dat er voldoende draagvlak is voor de activiteit;

Artikel 13. Aanvraag

In aanvulling op artikel 5 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tenminste het volgende:

  • 1.

    een activiteitenplan en begroting;

  • 2.

    bij de organisatie van speelweken het aantal verwachte deelnemers;

  • 3.

    bij scoutingsorganisaties het aantal jeugdleden uit de gemeente Utrechtse Heuvelrug

Hoofdstuk 4 Dorpsgerichte activiteiten

Artikel 14. Doel van dit hoofdstuk in de regeling

Doel van de subsidieregeling is om activiteiten te stimuleren die bijdragen aan het verbeteren van de sociale basis in de dorpen.

Artikel 15. Activiteiten

  • 1.

    Subsidie kan in ieder geval worden verstrekt voor dorpsgerichte activiteiten die één of meerdere van onderstaande aspecten in zich heeft:

    • a.

      Verbinden en ontmoeten van inwoners binnen of tussen de dorpen

    • b.

      Zelf- en of samenredzaamheid van inwoners;

    • c.

      Stimuleren van een gezonde leefstijl van inwoners;

    • d.

      Stimuleren van sportparticipatie.

    • e.

      Samenwerking tussen organisaties onderling en daarbuiten;

    • f.

      Stimuleren van vrijwillige inzet;

    • g.

      Stimuleren van het meedoen in de samenleving voor iedereen (inclusieve samenleving);

    • h.

      Versterking van de sociale basis in de dorpen.

Artikel 16. Doelgroep

In aanvulling op artikel 3 geldt dat voor dit hoofdstuk van de regeling een aanvullende bepaling van toepassing is:

  • 1.

    Voor dorpsgerichte activiteiten kunnen stichtingen, verenigingen gevestigd in een van de dorpen in de gemeente en inwoners van een van de dorpen in de gemeente in aanmerking komen.

Artikel 17. Kosten die voor subsidie in aanmerking komen

  • 1.

    Voor subsidie komen de daadwerkelijk te maken kosten in aanmerking die direct verbonden zijn met de uitvoering van een activiteit als bedoeld in artikel 15. Het betreft kosten rechtstreeks herleidbaar naar het plaatsvinden en organiseren van een activiteit.

Artikel 18. Hoogte van de subsidie

In afwijking van artikel 4 gelden de volgende (norm)bedragen voor de subsidiabele activiteiten:

  • 1.

    Een subsidie voor een dorpsgerichte activiteit (artikel 15) bedraagt maximaal € 5.000,-.

  • 2.

    Voor de activiteit is sprake van eigen inzet, in de vorm van geld, natura of eigen capaciteit. De eigen inzet moet zich in redelijke mate verhouden tot het gevraagde subsidiebedrag.

Artikel 19. Aanvraag

In aanvulling op artikel 5 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tenminste het volgende:

  • 1.

    een activiteitenplan en begroting;

  • 2.

    aan welke aspecten uit artikel 15 de activiteiten bijdragen.

Hoofdstuk 5 Cultuur

Artikel 20. Doel van dit hoofdstuk in de regeling

Doel van de subsidieregeling is om activiteiten te stimuleren die aansluiten bij een of meer doelen uit de cultuurnota en het uitvoeringsplan cultuur.

Artikel 21. Activiteiten

  • 1.

    Boekjaarsubsidies worden uitsluitend verstrekt voor de volgende activiteiten uit de cultuurnota:

    • a.

      Het coördineren van culturele informatie digitaal en fysiek;

    • b.

      Het organiseren van activiteiten door de cultuurcoach;

    • c.

      Het organiseren van een kunst en cultuurprogramma voor scholen via Kunst Centraal;

    • d.

      Het organiseren van een cultureel programma rondom cultuur- en dorpshuizen;

  • 2.

    Incidentele subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die bijdragen aan de doelen uit de cultuurnota te weten:

    • a.

      Ontplooiing van culturele talenten van inwoners in het algemeen;

    • b.

      Ontplooiing in de vorm van laagdrempelige culturele activiteiten gericht op jeugd, volwassenen en speciale doelgroepen: inwoners met een beperking en ouderen;

    • c.

      Ontplooiing in de vorm van kunst- en cultuureducatieprojecten voor de jeugd in het algemeen en op scholen;

    • d.

      Versterking cultureel, erfgoed en natuur/landschap met verbindende evenementen op erfgoed locaties;

    • e.

      Samenwerking en verbinding tussen culturele instellingen onderling en daarbuiten;

    • f.

      Brede, binnen de gemeente voor iedere inwoner en iedere doelgroep, toegankelijke evenementen.

Artikel 22. Kosten die voor subsidie in aanmerking komen

  • 1.

    Voor subsidie komen de daadwerkelijk te maken kosten in aanmerking die direct verbonden zijn met de uitvoering van een activiteit als bedoeld in artikel 20. Het betreft kosten rechtstreeks herleidbaar naar het plaatsvinden en organiseren van een activiteit.

Artikel 23. Hoogte van de subsidie

In afwijking van artikel 4 gelden de volgende (norm)bedragen voor de subsidiabele activiteiten:

  • 1.

    Boekjaarsubsidies (artikel 21.1) worden verleend in de vorm van een redelijke bijdrage in de kosten.

  • 2.

    Een incidentele subsidie (artikel 21.2) kan maximaal 50% van de subsidiabele kosten bedragen, met een maximum van € 2.000.

  • 3.

    Een incidentele subsidie, zoals beschreven in artikel 21.2 onder c kan maximaal 50% van de subsidiabele kosten bedragen, met een maximum van € 5.000.

  • 4.

    Van het bepaalde in 2 en 3 kan worden afgeweken als de activiteiten bijdragen aan meerdere doelstellingen van de cultuurnota en/ of als deze in hoge mate bijdragen aan het bereiken van een of meer van de doelstellingen van de cultuurnota, zoals vermeld in artikel 21.2. Daarbij wordt ook meegewogen of sprake is van:

    • a.

      het stimuleren en/ of zichtbaar maken van lokaal talent;

    • b.

      samenwerking en verbinding met ondernemers, recreatie/toerisme;

    • c.

      het betrekken van lokale kunstenaars;

    • d.

      het stimuleren van cultuurparticipatie en educatie van jongeren;

    • e.

      activiteit(en) die plaatsvinden op meer dan één moment/ tijdstip of meer dan één plek binnen de gemeente.

  • 5.

    Een vergoeding voor (een) rechtstreeks aan de activiteit gerelateerde dienst(en) door een dirigent/ artiest/ kunstenaar kan worden verleend tot een bedrag van maximaal € 1.000,- per activiteit.

Artikel 24. Aanvraag

In aanvulling op artikel 5 gelden de volgende bepalingen:

  • 1.

    Een subsidieaanvraag van eenzelfde aanvrager kan maximaal tweemaal per kalenderjaar worden gehonoreerd.

  • 2.

    Bij de aanvraag overlegt de aanvrager tenminste het volgende:

    • a.

      een activiteitenplan en begroting, waarin staat aangegeven:

      • i.

        hoe de activiteit bijdraagt aan een van de doelen of meerdere doelen uit de cultuurnota;

      • ii.

        welke organisaties/ personen deelnemen aan de activiteiten;

      • iii.

        dat de school waar de activiteit plaatsvindt de aanvraag aantoonbaar ondersteunt, als het gaat om een activiteit zoals beschreven in artikel 20.2 onder c;

      • iv.

        een planning;

      • v.

        een (kort) communicatieplan waarbij gebruik (sociale) media wordt vermeld;

      • vi.

        het verwachtte aantal bezoekers;

      • vii.

        onderbouwing van het wel/ niet aanspreken van externe fondsen voor cultuur.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 25. Indexering

  • 1.

    De bedragen zoals beschreven of vermeld in deze regeling worden jaarlijks geïndexeerd op basis van het HICP indexcijfer. Dit zal in 2028 voor het eerst gebeuren.

  • 2.

    De index, zoals beschreven onder 1, wordt automatisch toegepast bij meerjarige subsidies.

Artikel 26. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

  • 1.

    Overeenkomstig artikel 6 uit de Asv stelt het college een subsidieplafond vast voor deze subsidieregeling, onder voorwaarde dat voldoende middelen in de begroting beschikbaar worden gesteld. Dit gebeurt voor het eerst voor het jaar 2027, in 2026 gelden de bestaande subsidieplafonds.

  • 2.

    Er worden deelsubsidieplafonds vastgesteld, voor:

    • a.

      Boekjaarsubsidies voor activiteiten gericht op ‘omzien naar elkaar en ontmoeten’ (artikel 7)

    • b.

      Eenmalige subsidies voor activiteiten gericht op ‘omzien naar elkaar en ontmoeten’ (artikel 7)

    • c.

      Activiteiten gericht op jeugd en spel (artikel 10).

    • d.

      Dorpsgerichte activiteiten, per dorp (artikel 15.1)

    • e.

      Boekjaarsubsidies voor culturele activiteiten (artikel 21.1)

    • f.

      Incidentele subsidies voor culturele activiteiten (artikel 21.2)

  • 3.

    Wanneer het aangevraagde bedrag voor het de ene categorie activiteiten lager uitvalt dan het gereserveerde budget, terwijl er voor de andere categorie juist meer dan het gereserveerde budget wordt aangevraagd, kan het college besluiten te schuiven in de budgetten.

Artikel 27. Wijze van verdeling

  • 1.

    Indien één van de deelsubsidieplafonds zoals beschreven in artikel 26.2 a, c en e van deze regeling wordt bereikt, verdeelt het college het deelsubsidieplafond evenredig over de ingediende aanvragen.

  • 2.

    Voor het deelsubsidieplafond zoals beschreven in artikel 26.2 b, d en f geldt het volgende:

    • a.

      Per kwartaal is een kwart van het totale budget beschikbaar voor subsidies die overwegend in het betreffende kwartaal plaatsvinden. Als het budget van kwartaal 1, 2 of 3 niet geheel is besteed, wordt het restant doorgeschoven naar het volgende kwartaal.

    • b.

      Honorering van aanvragen die in aanmerking komen voor subsidie geschiedt in volgorde van indiening bij het college, totdat het vastgestelde deelsubsidieplafond is bereikt.

    • c.

      Als de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de wet de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van indiening van de aanvraag de datum waarop de aanvraag in voldoende mate is aangevuld.

Artikel 28. Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist, zoals bepaald in artikel 10.1 Asv, uiterlijk op 15 december van het jaar waarin de aanvraag voor een boekjaarsubsidie is ingediend.

  • 2.

    Het college beslist , zoals bepaald in artikel 10.2 Asv, op een aanvraag om een incidentele subsidie binnen 8 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend.

  • 3.

    Het college kan de in het eerste en tweede lid van dit artikel genoemde termijnen eenmaal met 4 weken verdagen.

Artikel 29. Aanvullende weigeringsgronden

  • 1.

    Onverminderd artikel 9 van de Asv kan subsidie (gedeeltelijk) worden geweigerd als:

    • a.

      sprake is van een activiteit waarin al op andere wijze wordt voorzien of waarvoor financiering op grond van een andere subsidieregeling is voorgeschreven of mogelijk is;

    • b.

      in het dorp of het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft al voldoende aanbod is dat in de vraag voorziet;

    • c.

      voor de betreffende doelgroep waarop de aanvraag betrekking heeft al voldoende aanbod is dat in de vraag van de doelgroep voorziet.

  • 2.

    Voor de organisatie van een activiteit in het kader van de Nationale Buitenspeeldag/ NK Stoepranden/ andere Nationale Speeldagen kan subsidie (gedeeltelijk) worden geweigerd als het gaat om:

    • a.

      Fysieke maatregelen of aanpassingen in de openbare ruimte;

    • b.

      Aanschaf van materialen/ goederen die later voor privédoeleinden kunnen worden gebruikt;

    • c.

      Onkostenvergoedingen voor diensten van vrijwilligers;

  • 3.

    Voor dorpsgerichte en culturele activiteiten kan subsidie (gedeeltelijk) worden geweigerd als het gaat om kosten voor:

    • a.

      Eten en drinken, behalve als het gaat om:

      • i.

        koffie, thee en frisdrank met eventueel een kleine versnapering (koek, chips),

      • ii.

        een maaltijd bij een activiteit die bijdraagt aan de doelstellingen van het beleid voor inclusie en meedoen,

    • b.

      salaris voor organisatie,

    • c.

      een vrijwilligersvergoeding,

    • d.

      aanvragen van vergunningen,

    • e.

      kosten die niet rechtstreeks in relatie staan tot de inhoud van de activiteit,

    • f.

      buurtactiviteiten waarbij eten en drinken centraal staat.

Artikel 30. Algemene verplichtingen van de subsidie-ontvanger

Het college kan bij de verleningsbeschikking aanvullende verplichtingen aan de subsidie-ontvanger opleggen.

Artikel 31. Eindverantwoording

De wijze van vaststelling van een subsidie tot en met € 25.000 per jaar, is geregeld in artikel 15 Asv. Aanvullend geldt het volgende:

  • 1.

    Bij subsidie aan ontvangers die voor het eerst subsidie krijgen of waarbij het college een risico op misbruik ziet, kan het college aanvullende voorwaarden aan de verantwoording stellen.

  • 2.

    Bij de aanvraag van een subsidiebedrag tot en met € 500,- maakt de aanvrager gebruik van het aanvraagformulier. Op dit formulier geeft de aanvrager kort aan:

    • a.

      Om welke activiteiten het gaat;

    • b.

      De doelen en resultaten welke met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen.

  • 3.

    Na afloop wordt het bedrag zoals bedoeld onder 2 uitbetaald, na het indienen van de betreffende bonnen of facturen.

  • 4.

    Aanvrager kan op verzoek een voorschot vragen van de verwachte subsidiabele kosten, zoals bedoeld onder 2.

  • 5.

    Subsidies kleiner of gelijk aan € 500,- worden altijd direct vastgesteld conform artikel 15.1 onder a Asv.

  • 6.

    Het college kan steekproefsgewijs het door de aanvrager opgegeven aantal deelnemers of leden controleren door inzicht te vragen in de administratie van de aanvrager. Het college kan tevens steekproefsgewijs inzicht vragen in de financiële administratie van de aanvrager. De aanvrager dient hieraan haar medewerking te verlenen.

Artikel 32. Publicatie

  • 1.

    In afwijking van artikel 4:24 van de wet, publiceert het college jaarlijks een overzicht van alle verleende subsidies die op grond van deze regeling zijn toegekend.

  • 2.

    Over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidies in de praktijk, doet het college verslag via de reguliere planning en control cyclus en (tussentijdse) evaluatie van beleid.

Artikel 33. Hardheidsclausule

Het college kan, in bijzondere gevallen, een artikel of artikelen van deze subsidieregeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Het van toepassing verklaren van dit artikel wordt gemotiveerd in het besluit.

Artikel 34. Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze subsidieregeling treedt in werking op 1 juli 2026, onder gelijktijdige intrekking van de volgende subsidieregelingen:

    • a.

      Subsidieregeling Dorpsgerichte Activiteiten gemeente Utrechtse Heuvelrug (2018);

    • b.

      Subsidieregeling Jeugd Utrechtse Heuvelrug 2023;

    • c.

      Subsidieregeling cultuur Meedoen is de Kunst Utrechtse Heuvelrug 2024.

  • 2.

    Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Sociale Basis en Cultuur gemeente Utrechtse Heuvelrug 2026.

Aldus besloten in de vergadering van burgemeester en wethouders van 9 juni 2026,

C.M. Beijk

Secretaris

G.F. Naafs

Burgemeester

Naar boven