Overwegingen ten aanzien van het besluit
Overwegende:
dat de Hoofdweg gelegen is buiten de bebouwde kom van Peest en in beheer is bij de gemeente Noordenveld;
dat de Hoofdweg een weg is als bedoeld in artikel 1, lid 1 onder b van de WVW 1994;
dat de wegencategorisering in Noordenveld aansluit op de categorisering zoals opgenomen in het landelijke programma Duurzaam Veilig;
dat de Hoofdweg gecategoriseerd is als erftoegangsweg waarop een maximumsnelheid van 60 km/u geldt;
dat de verkeersfunctie op deze weg ondergeschikt is aan de verblijfsfunctie;
dat de gemeenteraad op 12 mei 2015 het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) heeft vastgesteld, waarin onder is aangegeven dat de fiets de hoogste prioriteit krijgt in het mobiliteitsbeleid en de uitvoering daarvan;
dat dit inhoudt dat fietsers, daar waar het veilig kan, voorrang krijgen ten opzichte van het overige verkeer;
dat op de Hoofdweg komende vanaf Peest aan de rechterkant een onverplicht fietspad ligt;
dat in de huidige situatie sprake is van een gelijkwaardig kruispunt en dat bestuurders voorrang dienen te verlenen aan fietsers komende vanaf rechts vanaf het onverplichte fietspad;
dat bestuurders vaak niet doorhebben dat er een onverplicht fietspad is en dat er voorrang verleend dient te worden aan fietsers die vanaf rechts komen en dat dit tot onveilige situaties leidt;
dat daarom besloten wordt tot het instellen van een situatie waarbij fietsers voorrang moeten verlenen aan bestuurders op de Hoofdweg;
dat met haaientanden en het bord ‘voorrang verlenen’ op het onverplichte fietspad, alsmede voorrangsborden langs de Hoofdweg, de voorrang voor verkeer op de Hoofdweg wordt benadrukt;
dat de hiervoor benoemde verkeersmaatregelen kunnen worden uitgevoerd door middel van het plaatsen van het bord B5 volgens bijlage 1 van het RVV 1990, op de Hoofdweg, komende vanaf Peest en door het plaatsen van bord B4 volgens bijlage 1 van het RVV 1990 op de Hoofdweg, komende vanaf de Norg en daarbij het plaatsen van bord B6 volgens bijlage 1 van het RVV 1990, het aanbrengen van haaientanden zoals bedoeld in artikel 80 van het RVV 1990 op het onverplichte fietspad;
Dat krachtens artikel 15, lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een verkeersbesluit dient te worden genomen voor de plaatsing of verwijdering van de in artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) genoemde verkeerstekens, alsmede voor onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd;
dat gelet op artikel 12 van het BABW voor het plaatsen en/of verwijderen van bord B4, B5, B6 uit bijlage 1 van het RVV 1990 en het aanbrengen van haaientanden zoals bedoeld in artikel 80 van het RVV 1990 een verkeersbesluit vereist is;
dat gelet op artikel 2 van de WVW 1994 de hiervoor benoemde verkeersmaatregelen strekken tot het verzekeren van de veiligheid op de weg en het beschermen van weggebruikers en passagiers;
dat gelet op artikel 2 van de WVW 1994 het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer in het geding komt met uitvoeren van de hiervoor benoemde verkeersmaatregelen;
dat gelet op alle voorgaande overwegingen het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer ondergeschikt is aan de bovengenoemde belangen waartoe de verkeersmaatregelen strekken;
dat overeenkomstig artikel 24 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer namens de korpschef van de Nationale Politie overleg is gepleegd met de verkeersadviseur van het district Drenthe;
dat deze, blijkens de brief van 13 juni 2026 met kenmerk 2026159080 instemt met de verkeersmaatregelen.