Gemeenteblad van Zaltbommel
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zaltbommel | Gemeenteblad 2026, 293145 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zaltbommel | Gemeenteblad 2026, 293145 | beleidsregel |
Beleidsregels bijzondere bijstand Bommelerwaard 2026
Artikel 4. Aanleveren bewijsstukken
Declaraties (bewijsstukken/bonnen) van kosten waarvoor bijzondere bijstand op declaratiebasis is toegekend, moeten binnen 3 maanden waarin de bijzondere bijstand is toegekend, worden ingeleverd. Bewijsstukken van kosten die later dan deze datum zijn ingediend, worden niet meer uitbetaald.
Het college maakt geen gebruik van een drempelbedrag als bedoeld in artikel 35 tweede lid van de Participatiewet.
Bij het in aanmerking te nemen inkomen (volgens artikel 32 en 33 van de Participatiewet) exclusief vakantiegeld geldt een vrijlating van 10% bovenop de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantiegeld. Van het inkomen dat hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, wordt in beginsel 100% als draagkracht in aanmerking genomen bij de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand.
Van het vermogen dat de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet overschrijdt, wordt een bedrag ter hoogte van één maand bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag) buiten beschouwing gelaten bij de bepaling van de draagkracht. Het resterende deel wordt volledig als draagkracht in aanmerking genomen.
Artikel 12. Wijziging draagkracht(periode)
Een vastgestelde draagkracht of draagkrachtperiode kan alleen worden gewijzigd als een wijziging van de persoonlijke of financiële situatie van de aanvrager daartoe aanleiding geeft.
Als iemand in een huurwoning woont of een eigen woning heeft, kan er een woonkostentoeslag worden gegeven voor woonkosten boven de maximale huurprijs volgens artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag. Deze toeslag wordt berekend volgens dit artikel lid 1 onder b van deze beleidsregels, waarbij de woonkosten boven de maximale rekenhuur volledig in aanmerking komen.
Aan de woonkostentoeslag zoals beschreven in het eerste lid, wordt met toepassing van artikel 55 van de Participatiewet de verplichting verbonden dat iemand zo spoedig mogelijk verhuist naar een goedkopere woning, waarvoor geen aanspraak meer gedaan hoeft te worden op woonkostentoeslag, dan wel, als de woning een eigen woning betreft, de woning zo spoedig mogelijk te koop aanbiedt, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten.
Artikel 14. Het recht op individuele inkomenstoeslag
Het college verleent de aanvrager op verzoek een individuele inkomenstoeslag mits hij voldoet aan de voorwaarden als opgenomen in artikel 36 van de Participatiewet en de Verordening individuele inkomenstoeslag 2018.
Artikel 16. Aanwezigheid van uitzicht op inkomensverbetering
Uitzicht op inkomensverbetering, als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet, wordt aanwezig geacht als het aannemelijk is dat de aanvrager binnen 12 maanden inkomsten gaat ontvangen die hoger zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm. Is daarvan pas na 12 maanden sprake, dan wordt dit uitzicht op inkomensverbetering (voor de komende 12 maanden) niet aanwezig geacht.
Uitzicht op inkomensverbetering wordt in beginsel aanwezig geacht bij de aanvrager die een opleiding volgt als bedoeld in de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos), dan wel een studie genoemd in de Wet Studiefinanciering (WSF 2000) volgt of die in de 12 maanden voorafgaand aan de peildatum heeft gevolgd.
De kosten van woninginrichting worden tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Deze kosten dienen dan ook in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering vooraf, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf.
Als er sprake is van bijzondere omstandigheden kan er worden afgeweken van het eerste lid. Van bijzondere omstandigheden kan sprake zijn ingeval er een medische of sociale noodzaak voor het maken van de kosten bestaat of wanneer een aanvrager in het kader van de taakstelling huisvesting verblijfsgerechtigden in de Bommelerwaard komt wonen.
In afwijking van huishoudtypen (en inventarispakketten) die door het Nibud onderscheiden worden, worden op de adressen waar meerdere mensen op basis van kamerbewoning gehuisvest zijn de hoogte van de bijzondere bijstand voor een complete woninginrichting vastgesteld op maximaal 37% van het genoemde bedrag voor alleenstaanden.
Bijzondere bijstand voor tandartskosten tot een maximum van €250,- kan worden verstrekt aan een aanvrager die:
Artikel 20. Zelfstandig functioneren van mensen met een beperking
De volgende niet verzekerbare medische noodzakelijke kosten komen in aanmerking voor bijzondere bijstand:
Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor reiskosten als er geen sprake is van een voorliggende voorziening en deze kosten noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. De reiskosten van minderjarige kinderen van de aanvrager als bedoeld in het eerste lid kunnen ook voor bijzondere bijstand in aanmerking komen.
Wanneer het college van de aanvrager niet kan verlangen dat hij of zij gebruikmaakt van het openbaar vervoer, of wanneer gebruik van het openbaar vervoer niet mogelijk is, bedraagt de bijzondere bijstand € 0,23 per kilometer. Het aantal kilometers wordt vastgesteld op basis van de kortste route zoals berekend via de routeplanner op www.anwb.nl.
Vastgesteld door het college van Zaltbommel op 16 december 2025,
W. (Wouter) Abee
Secretaris
M. (Marnix) Bakermans
Burgemeester
Toelichting Beleidsregels bijzondere bijstand 2026 Bommelerwaard
In dit artikel worden enkele begrippen toegelicht. Deze begrippen sluiten aan op de begrippen uit de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.
Bijzondere bijstand kan worden verstrekt als gift (om niet) of als renteloze lening. Standaard is de bijstand een gift, tenzij sprake is van situaties waarin volgens de Participatiewet of vanwege het soort kosten (zoals duurzame gebruiksgoederen) een lening meer passend is.
Bijstand op grond van de Participatiewet wordt toegekend vanaf de datum waarop het recht op bijstand is ontstaan, mits deze datum niet vóór de dag ligt waarop de aanvrager zich heeft gemeld voor het aanvragen van bijstand. In de praktijk leidt dit regelmatig tot afwijzende besluiten, omdat kosten zijn gemaakt vóór de melding.
Om hierin enige tegemoetkoming te bieden, is bepaald dat een aanvraag voor bijzondere bijstand kan worden ingediend tot maximaal zes maanden nadat de kosten zich hebben voorgedaan of zijn opgekomen. Dit beleid dient te worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid.
Deze regeling is echter niet van toepassing op de kosten zoals genoemd in artikel 13 van deze beleidsregels. Woonkostentoeslag betreft namelijk maandelijkse noodzakelijke bestaanskosten. Voor deze kosten geldt de hoofdregel van de Participatiewet: er wordt geen bijstand met terugwerkende kracht verleend, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Ook is deze bepaling niet van toepassing op bijzondere bijstand voor incidenteel voorkomende algemene bestaanskosten.
In paragraaf 2.2 van de Participatiewet staan de algemene voorwaarden voor het recht op (bijzondere) bijstand. Dat betekent dat het college (in beginsel) geen bijzondere bijstand mag verlenen als een van deze artikelen niet van toepassing is.
In dit artikel wordt verwezen naar de normbedragen zoals deze voor de verschillende bijzondere kostensoorten verstrekt kunnen worden. De hoogte van de bijstand wordt gebaseerd op de actuele Nibud-prijzengids wat een objectieve en breed erkende bron hiervoor is. Als het Nibud geen richtlijn biedt, worden de daadwerkelijke noodzakelijke kosten beoordeeld, waarbij steeds wordt gekeken naar de goedkoopst adequate oplossing. Tweedehands en richtprijzen mogen worden gebruikt om de kosten te bepalen.
Bij het vaststellen van de noodzaak en/of de hoogte van de bijzondere bijstand beschikt het college niet altijd over de benodigde deskundigheid. In dergelijke gevallen heeft het college de bevoegdheid om extern deskundigenadvies in te winnen.
Het college beschikt over de bevoegdheid om te bepalen welk deel van de beschikbare middelen wordt meegenomen bij de beoordeling van de draagkracht bij een aanvraag om bijzondere bijstand. Met de invoering van de Participatiewet is het noodzakelijk dat het college zich uitspreekt over de vraag of bij de bepaling van de draagkracht rekening wordt gehouden met de kostendelersnorm.
Alleen wanneer sprake is van noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, bestaat er recht op bijzondere bijstand. Het feit dat een aanvrager woonkosten kan delen met anderen doet niet af aan het individuele karakter van de bijzondere kosten. Deze kosten kunnen niet, direct of indirect, worden afgewenteld op anderen met wie slechts algemene kosten gedeeld worden.
Het inkomen wordt gedefinieerd als de som van alle netto inkomensbestanddelen, exclusief vakantiegeld, waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. De individuele inkomenstoeslag wordt bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand niet tot het inkomen gerekend. Dit om rechtsongelijkheid te voorkomen tussen personen die de toeslag reeds hebben ontvangen en degenen die deze op een later moment aanvragen.
Bij een inkomen tot en met 110% van de toepasselijke bijstandsnorm wordt de draagkracht vastgesteld op nihil. Voor het inkomen boven deze grens wordt het meerdere volledig in aanmerking genomen als draagkracht.
Voor personen die deelnemen aan een minnelijke schuldregeling of een wettelijk traject in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP), geldt dat de draagkracht eveneens op nihil wordt gesteld. De consulent Schuldhulpverlening beoordeelt tijdens het kennismakingsgesprek welk traject wordt ingezet. Dit moment geldt als startpunt voor de toepassing van deze regeling.
Het college heeft besloten dat bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand en bij de toepassing van regelingen in het kader van het minimabeleid wordt uitgegaan van dezelfde vermogensgrens als geldt voor de algemene bijstand.
De draagkracht wordt meestal voor een periode van één jaar vastgesteld, te rekenen vanaf de maand waarin de kosten zijn ontstaan. In bepaalde situaties, zoals bij inwoners in een schuldregeling (minnelijk dan wel wettelijk) of met een Participatiewet-uitkering, kan de periode gelijk lopen met de duur van het traject of de uitkering. Zo sluit de beoordeling aan bij de persoonlijke situatie van de aanvrager.
De draagkrachtperiode kan afwijkend worden vastgesteld. Dit is in ieder geval aan de orde in de situaties genoemd in artikel 9 lid 5.
In het belang van de rechtszekerheid en een eenduidige uitvoering geldt als uitgangspunt dat de draagkracht, eenmaal vastgesteld, in beginsel definitief is voor de gehele draagkrachtperiode. Herziening van de draagkracht binnen deze periode vindt in principe niet plaats. Een uitzondering hierop kan worden gemaakt in geval van ingrijpende wijzigingen in de gezinssituatie.
Er kunnen zich situaties voordoen waarin er weliswaar recht bestaat op huurtoeslag, maar dit recht (nog) niet kan worden geëffectueerd. Een voorbeeld hiervan is een plotselinge daling in het inkomen, waardoor de huur niet langer uit het beschikbare inkomen kan worden voldaan, terwijl – op basis van het rekeninkomen – nog geen recht op huurtoeslag bestaat. Dit recht ontstaat dan pas in het daaropvolgende toeslagtijdvak. In de tussenliggende periode kan een woonkostentoeslag worden verstrekt om in de noodzakelijke woonlasten te voorzien.
Daarnaast geldt dat personen met een eigen woning geen recht hebben op huurtoeslag. Als het inkomen dusdanig laag is dat de woonlasten niet (volledig) kunnen worden gedragen, kan in principe aanspraak bestaan op woonkostentoeslag.
In dit artikel is tevens de mogelijkheid opgenomen om een verhuisplicht op te leggen. Bij de beoordeling of hiervan gebruik wordt gemaakt, dienen zwaarwegende belangen in overweging te worden genomen. Zo kan het niet wenselijk zijn om een aanvrager te dwingen de woning met verlies te verkopen, wat kan leiden tot het ontstaan van een schuld. Ook de verwachte duur van de bijstandsafhankelijkheid speelt een rol bij de afweging of een verhuis- of verkoopplicht passend is.
Op grond van artikel 36 van de Participatiewet bestaat recht op een individuele inkomenstoeslag wanneer er gedurende een langere periode geen uitzicht is op inkomensverbetering.
Het ontbreken van uitzicht op inkomensverbetering wordt verondersteld als niet-werkende uitkeringsgerechtigden voldoen aan de eis van de referteperiode.
Voor personen die (al dan niet in deeltijd) werken en een inkomen verwerven dat onder de gestelde inkomensgrens blijft, is het beoordelen van het perspectief op inkomensverbetering afhankelijk van de individuele omstandigheden. Bij uitbreiding van het dienstverband of het verkrijgen van een beter betaalde functie met meer uren, bijvoorbeeld vanwege gezondheidsredenen of andere persoonlijke beperkingen, niet mogelijk is, kan worden aangenomen dat er geen reëel uitzicht op inkomensverbetering bestaat.
Studenten zijn expliciet uitgesloten van het recht op een individuele inkomenstoeslag. De achterliggende gedachte is dat zij zich door middel van studie voorbereiden op toetreding tot de arbeidsmarkt op een hoger niveau, en daarmee wel degelijk uitzicht hebben op inkomensverbetering.
In uitzonderlijke gevallen kan er aanleiding zijn om, met toepassing van de inherente afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), hiervan af te wijken. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een student, door in de persoon gelegen omstandigheden, slechts in zeer beperkte mate perspectief op inkomensverbetering heeft. De situatie van de student dient dan in voldoende mate vergelijkbaar te zijn met die van werkenden met een langdurig laag inkomen.
Dit artikel beschrijft de situaties waarin wél sprake is van inkomensverbetering. Bijvoorbeeld bij iemand die studeert of recent een opleiding volgde, of die werkt in deeltijd terwijl er potentieel is om meer te werken. Ook hier geldt de termijn van twaalf maanden: als binnen die termijn verbetering wordt verwacht, wordt de toeslag niet toegekend. Als verbetering pas na twaalf maanden wordt verwacht, is dit geen belemmering voor de huidige aanvraag, maar kan het wel invloed hebben op een volgende aanvraag.
Onder inrichtingskosten worden zowel duurzame gebruiksgoederen als stoffering verstaan, zoals vloerbedekking, gordijnen en vitrage. De kosten voor de woninginrichting van een eerste woning vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager om in het bestaan te voorzien. Van de aanvrager mag worden verwacht dat hiervoor tijdig wordt gereserveerd.
Al er onvoldoende reservering heeft plaatsgevonden, is bijstandsverlening voor woninginrichting niet mogelijk. Uitzonderingen worden slechts gemaakt in bijzondere omstandigheden. Een voorbeeld hiervan betreft statushouders die voor het eerst in de Bommelerwaard worden gehuisvest en die aantoonbaar niet over de middelen beschikken om de woninginrichting zelf te bekostigen.
Het is de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager om zich voldoende te verzekeren tegen medische kosten. De gemeente ondersteunt dit door een bijdrage te leveren in de premie van de aanvullende zorgverzekering via de Collectieve Zorgverzekering Minima. Hierbij heeft de gemeente afspraken gemaakt over de inhoud van de verzekeringspakketten waar personen zich op kunnen aansluiten.
De basisverzekering vormt samen met de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg een passende en toereikende voorziening voor medische kosten. Aanvragen om vergoeding van medische kosten die onder de aanvullende verzekering vallen, worden dan ook doorgaans afgewezen.
Uitzonderingen worden gemaakt in zeer schrijnende situaties, waarin bijzondere bijstand voor medische kosten kan worden toegekend.
Inwoners die ondanks hun aanvullende verzekering geconfronteerd worden met tandartskosten, kunnen via dit artikel een tegemoetkoming aanvragen. De gemeente toetst daarbij altijd de noodzaak van de behandeling, de dekking van de zorgverzekering en de keuze voor de goedkoopste en meest adequate voorziening.
Bepaalde extra kosten die voortvloeien uit een medische beperking of chronische aandoening komen in aanmerking voor bijzondere bijstand. Dit betreft onder andere extra stookkosten, dieetkosten (volgens de Belastingdienstlijst), was-/slijtagekosten (volgens GMD- of Nibudlijsten) en personenalarmering. Deze kosten zijn niet via de zorgverzekering te vergoeden maar wel noodzakelijk voor het dagelijks functioneren.
Dit artikel bevat de regels voor het verlenen van bijzondere bijstand voor reiskosten die gemaakt worden voor het bezoeken van gezinsleden en naaste familieleden. Hieronder vallen de partner van de aanvrager en bloedverwanten in de eerste en tweede graad.
In het algemeen geldt dat iedereen reiskosten kan hebben in verband met het bezoeken van anderen. Dit zijn echter normale, algemeen voorkomende kosten van het bestaan die niet noodzakelijk zijn in de zin van de wet en niet voortkomen uit bijzondere omstandigheden. Deze kosten dient een aanvrager in principe zelf uit het eigen inkomen te betalen.
Er kunnen echter situaties zijn waarbij reiskosten noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Een voorbeeld hiervan zijn (kinderen van) statushouders die vanwege een taalbarrière naar een internationale schakelklas moeten reizen. Van sommige kinderen kan niet verwacht worden dat zij zelfstandig met de fiets naar school gaan.
Voor deze reiskosten worden de daadwerkelijke kosten op basis van het openbaar vervoer, tweede klas, vergoed.
De kosten van de uitvaart behoren tot de nalatenschap van de overledene. Wanneer een aanvrager de nalatenschap zuiver aanvaardt, is hij volledig verantwoordelijk voor deze kosten. Bij meerdere erfgenamen zijn alle erfgenamen gezamenlijk naar rato aansprakelijk voor de uitvaartkosten.
Het kan enige tijd duren voordat duidelijk is of de nalatenschap zuiver wordt aanvaard, bijvoorbeeld doordat nog niet bekend is of er schulden zijn binnen de nalatenschap.
De mogelijkheid om categoriale bijstand te verlenen in de vorm van een aanvullende ziektekostenverzekering is geregeld in artikel 35 lid 6 van de Participatiewet. De gemeente biedt via VGZ een collectieve zorgverzekering aan voor mensen met een inkomen tot 130% van de bijstandsnorm. Het gaat om 2 pakketten: VGZ GemeentePakket Compact en VGZ GemeentePakket Compleet + € 0 eigen risico. Voor de aanvullende verzekering zijn kortingsafspraken gemaakt. Voor de premie van het aanvullende deel wordt gedeeltelijk een bijdrage verstrekt die al in de premie richting de aanvrager is verwerkt. De aanvrager kan geen aanspraak maken op de bijdrage zelf. De gemeente betaalt een deel van de premie direct aan VGZ. Deze gemeentelijke bijdrage is verwerkt in de premie en wordt niet afzonderlijk uitbetaald. Het pakket biedt een ruimere dekking en is bedoeld om medische zorg toegankelijk te houden voor minima.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-293145.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.