Gemeenteblad van Eersel
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Eersel | Gemeenteblad 2026, 292779 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Eersel | Gemeenteblad 2026, 292779 | beleidsregel |
Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen gemeente Eersel 2026
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
HOOFDSTUK 2. DOEL, UITZONDERINGEN EN DOELGROEP BREDE ONDERSTEUNING
Artikel 2. Doel van de brede ondersteuning
1. De brede ondersteuning is gericht op:
a. het ondersteunen van de aanvrager bij het maken van een nieuwe start in het kader van herstel als bedoeld in artikel 2.21, vierde lid, van de wet; en
b. het bijdragen aan het herstel van vertrouwen van de aanvrager in de overheid.
2. De doelstellingen van de brede ondersteuning op de leefgebieden die de aanvrager in staat moet stellen een nieuwe start te maken zijn:
a. financiën: in staat zijn om een financieel gezonde huishouding te voeren;
b. gezin: samenleven en opgroeien in een veilige omgeving waarin kinderen zich kunnen ontwikkelen;
c. werk: minimaal de beschikking hebben over een startkwalificatie of duurzaam kunnen participeren in een arbeidsproces;
d. wonen: een veilige en betaalbare plek om te wonen; en
e. zorg: welzijn vanuit lichamelijke en geestelijke gezondheid.
Artikel 3. Uitzonderingen brede ondersteuning
1. Geen onderdeel van de brede ondersteuning zijn:
a. vormen van algemene inkomensaanvulling of inkomensondersteuning;
b. ondersteuning op andere leefgebieden dan bedoeld in artikel 1;
c. vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet;
d. vergoeding van schulden, tenzij het gaat om vergoeding van betalingsachterstanden in een bedreigende situatie en onder de voorwaarde dat er ook aanvullende voorzieningen worden ingezet om herhaling van een bedreigende situatie te voorkomen;
e. kosten voor voorzieningen die zijn gemaakt voordat een aanvraag is ingediend tenzij sprake was van een bedreigende situatie; of
f. kosten voor een advocaat bij het ontvangen van vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 4. Doelgroep brede ondersteuning
1. Het college verleent toegang tot brede ondersteuning aan inwoners die onder de personenkring van artikel 2.21, eerste en tweede lid, van de wet vallen en die niet eerder met brede ondersteuning een nieuwe start hebben kunnen maken.
2. Het college verleent ook brede ondersteuning aan het gezin van de aanvrager die op grond van het eerste lid is toegelaten tot de brede ondersteuning. De samenstelling van het gezin op het moment van de aanvraag is leidend.
3. Het college kan ook toegang tot brede ondersteuning verlenen aan een aanvrager die valt onder de personenkring van artikel 2.21, eerste en tweede lid, van de wet, maar geen inwoner is als sprake is van een verhuizing, detentie of andere bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2.21, derde lid, van de wet. De aanvrager wordt in dat geval gelijkgesteld met een inwoner.
4. Bij toepassing van het derde lid vindt over de verlening van toegang tot brede ondersteuning overleg plaats met de aanvrager en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar deze aanvrager inwoner is.
Artikel 5. Brede ondersteuning voor een minderjarige
1. Het college verleent toegang tot brede ondersteuning aan een minderjarige die in aanmerking komt voor de kindregeling als deze:
a. jonger is dan zestien jaar en onder het gezag van een inwoner staat;
b. jonger is dan zestien jaar en feitelijk verblijft bij een inwoner die één van de gezaghebbers is; of
c. zestien jaar of ouder is en zelf inwoner is.
2. De minderjarige bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, wordt in de uitvoering betrokken als onderdeel van de ondersteuning van het gezin.
HOOFDSTUK 3. AANVRAAG, EERSTE GESPREK EN VASTSTELLING HULPVRAAG
Artikel 6. Aanmelden brede ondersteuning
1. Een verzoek tot toegang tot brede ondersteuning aan het college kan zowel schriftelijk als mondelingworden ingediend bij de gemeente Eersel of direct bij afdeling maatschappelijke dienstverlening van de GRSK.
2. Het college stelt vast of de inwoner behoort tot de in artikel 4, eerste lid, genoemde doelgroep en daarmee in aanmerking komt voor brede ondersteuning bij de UHT.
3. Indien een inwoner bij de UHT heeft aangegeven in aanmerking te willen komen voor brede ondersteuning, ontvangt het college de contactgegevens van de inwoner via het gegevensportaal van de UHT. De datum van ontvangst van de gegevens via het gegevensportaal van de UHT wordt gelijkgesteld met het indienen van het verzoek.
Artikel 7. Eerste gesprek en vaststelling hulpvraag
1. Binnen twee weken na een verzoek tot toegang neemt het college contact op met de aanmelder om een eerste gesprek te plannen.
2. De aanmelder bepaalt waar het gesprek plaatsvindt.
3. Tijdens het eerste gesprek wordt samen met de aanmelder, aan de hand van de doelstellingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, de situatie op de leefgebieden op het moment van de aanvraag vastgesteld en wordt gezamenlijk bepaald wat diens hulpvraag is.
4. De datum van het eerste gesprek wordt aangemerkt als de datum van indienen van de formele aanvraag.
HOOFDSTUK 4. BESLUIT OP DE AANVRAAG EN PLAN VAN AANPAK
Artikel 8. Besluit op de aanvraag
1. Het college zorgt dat de aanvrager acht weken na het eerste gesprek een beschikking ontvangt. De beschikking bevat:
a. een verlening van toegang tot brede ondersteuning met een plan van aanpak dat minstens op hoofdlijnen is vastgesteld; of
b. een gemotiveerde weigering van de toegang tot brede ondersteuning.
2. Het college kan de termijn uit het eerste lid voor het opstellen van een plan van aanpak met vier weken verlengen.
Artikel 9. Het opstellen van het plan van aanpak
1. Het college stelt samen met de aanvrager het plan van aanpak op. Daarbij vormt de situatie van de aanvrager op het moment van de aanvraag en de hulpvraag het startpunt.
2. In het plan van aanpak wordt vastgelegd:
a. hoe stapsgewijs en integraal naar de doelstellingen voor het maken van een nieuwe start door de aanvrager op de leefgebieden wordt toegewerkt; en
b. welke voorzieningen worden toegekend om de aanvrager op passende, adequate en duurzame wijze in staat te stellen deze doelstellingen te bereiken.
Artikel 10. Aanvullend schuldhulpverleningsaanbod jongeren
1. Het plan van aanpak bevat een aanvullend schuldhulpverleningsaanbod, zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021, als de aanvrager:
b. in aanmerking komt voor de kindregeling;
c. naar het oordeel van het college in een problematische schuldsituatie zit; en
d. diens aanvraag heeft ingediend binnen de termijn, bedoeld in artikel 3, vierde lid, Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021
2. Het college begeleidt de aanvrager bij het inzichtelijk maken van diens financiële situatie.
Artikel 11. Het wijzigen van het plan van aanpak
1. Het college kan tot twee jaar na het eerste gesprek het plan van aanpak in samenspraak met de aanvrager aanvullen of nieuwe of andere voorzieningen toekennen. Bij materiële voorzieningen is deze termijn beperkt tot zes maanden na het eerste gesprek.
2. Een aanvrager kan een verzoek indienen bij afdeling maatschappelijke dienstverlening van Samenwerking Kempengemeenten om het plan van aanpak te wijzigen. Artikel 8, eerste lid, is op deze aanvraag van overeenkomstige toepassing.
3. Als de aanvrager het college verzoekt een aanvullende voorziening toe te kennen, toetst het college dit verzoek aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14.
4. De in het plan van aanpak vastgestelde doelstellingen wijzigt het college niet, tenzij zich gedurende de uitvoering van het plan van aanpak nieuwe feiten en omstandigheden voordoen die wijziging noodzakelijk maken.
HOOFDSTUK 5. TOEKENNEN EN VERSTREKKEN VAN VOORZIENINGEN
1. Het college verstrekt aan de aanvrager de immateriële en materiële voorzieningen die in het plan van aanpak zijn toegekend.
2. Bij het toekennen van de voorzieningen houdt het college onder andere rekening met:
a. de vaardigheden van de aanvrager;
b. de draagkracht en financiële armslag van de aanvrager;
c. de omvang en de samenstelling van het huishouden van de aanvrager;
d. het duurzame karakter van de voorziening; en
e. de wijze waarop de voorziening de aanvrager in staat stelt om de doelstellingen uit het plan van aanpak te bereiken.
Artikel 12a. Lopende plannen van aanpak en nieuwe voorzieningen
1. Voor cliënten met een plan van aanpak dat vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregels is vastgesteld, blijven de daarin benoemde lopende voorzieningen onverkort van kracht.
2. Worden nadien nieuwe voorzieningen aangevraagd die niet in het oorspronkelijke plan zijn opgenomen, dan worden deze beoordeeld op basis van de bepalingen en doelstellingen uit deze actuele beleidsregels.
3. Dergelijke verzoeken tot aanvullende voorzieningen worden aanvullend op de bestaande ondersteuning behandeld, waarbij aandacht wordt besteed aan urgentie, noodzaak en het voorkomen van stapeling van hulp.
4. Dit artikel sluit aan op het overgangsrecht zoals vastgelegd in artikel 8.10 van de Wet hersteloperatie toeslagen en dient de uitvoeringspraktijk te verduidelijken.
Artikel 13. Materiële voorzieningen
1. Een materiële voorziening is een zaak die noodzakelijk is om belemmeringen van de aanvrager bij het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak weg te nemen of te beperken. Alleen goederen of voorzieningen die aantoonbaar noodzakelijk zijn, worden verstrekt. Er wordt geen voorziening toegekend op basis van wenselijkheid, maar uitsluitend op basis van noodzaak in het licht van de doelstellingen uit het plan van aanpak.
2. Bij de beoordeling en toekenning van materiële voorzieningen wordt uitgegaan van een doelmatige en verantwoorde inzet van middelen. Daarbij wordt gezocht naar een oplossing die aansluit bij de persoonlijke situatie van de aanvrager, waarbij de voorkeur uitgaat naar een uitvoering die passend en toereikend is, zonder dat gekozen wordt voor een luxe of uitgebreide variant, mits de voorziening in redelijkheid bijdraagt aan het behalen van de doelstellingen uit het plan van aanpak.
3. Het college kan materiële voorzieningen tot zes maanden na het eerste gesprek toekennen. De feitelijke verstrekking van voorzieningen kan na deze periode nog plaatsvinden.
4. Materiële voorzieningen worden vastgesteld op basis van de richtbedragen uit de NIBUD-prijzengids voor gebruikelijke huishoudelijke uitgaven, hierna te noemen de NIBUD-normen, zoals deze gelden op het moment van toekenning. Het college hanteert hierbij de NIBUDnorm vermeerderd met 30%, ter dekking van aanvullende kosten die niet in de standaardnormen zijn opgenomen.
5. Voor gebruikelijke huishoudelijke of persoonlijke goederen met een aanschafwaarde van minder dan € 1.250,– die niet in de NIBUD-normen voorkomen, maar aantoonbaar noodzakelijk zijn voor het behalen van de doelstellingen uit het plan van aanpak, kan het college een vergoeding verstrekken op basis van de gemiddelde marktprijs van een niet-luxe, standaardmodel.
6. Voor voorzieningen met een aanschafwaarde van € 1.250,– of hoger die niet in de NIBUD-normen voorkomen, wordt de vergoeding gebaseerd op de laagste prijs van ten minste twee offertes. Indien het college van oordeel is dat deze offertes onvoldoende basis bieden voor een zorgvuldige beoordeling, kan het verzoeken om een derde offerte. Het college beoordeelt vervolgens of de ingediende offertes een gedegen onderbouwing vormen voor de toekenning.
Artikel 14. Immateriële voorzieningen
1. Een immateriële voorziening is een vorm van hulpverlening of een dienst die nodig en passend is voor de ontwikkeling van kennis, kunde, vaardigheden of andere competenties van de aanvrager voor het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak.
2. Het college kan immateriële voorzieningen tot twee jaar na het eerste gesprek toekennen. De feitelijke verstrekking van voorzieningen kan na deze periode nog plaatsvinden.
Artikel 15. Medewerking aanvrager
Het college kan, voordat de voorziening wordt toegekend via het plan van aanpak, de aanvrager om medewerking vragen om te kunnen bepalen of een beoogde voorziening aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 voldoet.
Artikel 16. Weigeren voorzieningen
Het college weigert het toekennen van een voorziening als:
a. de gevraagde voorziening al vóór het eerste gesprek is gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er na het indienen van de aanvraag maar vóór het eerste gesprek sprake was van een bedreigende situatie waarvoor de voorziening noodzakelijk was;
b. de voorziening niet aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 voldoet; of
c. de aanvrager niet de medewerking, bedoeld in artikel 15 heeft verleend en het college daardoor niet kan vaststellen of de beoogde voorziening aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 voldoet.
HOOFDSTUK 6. BEËINDIGING BREDE ONDERSTEUNING EN OVERDRACHT
Artikel 17. Beëindiging van de brede ondersteuning
1. In aanvulling op artikel 2.21, lid 4 sub b en lid 6, van de wet eindigt de brede ondersteuning als
a. om beëindiging van de brede ondersteuning verzoekt; of
b. niet binnen een redelijke termijn van de brede ondersteuning gebruik heeft gemaakt en niet reageert op een oproep van het college om hier alsnog gebruik van te maken.
2. Het college nodigt de aanvrager bij de beëindiging van de brede ondersteuning uit voor een gesprek om de actuele situatie van de aanvrager op de leefgebieden te bespreken.
Artikel 18. Overdracht van hulpverlening
Als de aanvrager bij de beëindiging van de brede ondersteuning de doelstellingen uit het plan van aanpak niet heeft bereikt en het plan van aanpak niet expliciet in een overdracht naar reguliere ondersteuning voorziet, dan zorgt het college in samenspraak met de aanvrager alsnog voor een warme overdracht vanuit de brede ondersteuning.
Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien strikte toepassing ervan zou leiden tot een onevenredige benadeling van een belanghebbende of tot een uitkomst die kennelijk onredelijk is.
Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.
Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen gemeente Eersel 2026.
Het college van burgemeester en wethouders,
Tussen 2005 en 2019 is bij veel ouders de kinderopvangtoeslag onterecht stopgezet door de Belastingdienst. Dit heeft grote gevolgen gehad voor deze ouders, hun gezinnen en hun omgeving. Naast financieel herstel hebben zij vaak ook behoefte aan ondersteuning op andere gebieden, zoals werk, gezondheid en schulden. Gemeenten spelen hierin een belangrijke rol, omdat zij dicht bij inwoners staan en ervaring hebben met ondersteuning in het sociaal domein. Daarom is in de wet geregeld dat gemeenten brede ondersteuning bieden aan gedupeerden en hun gezinnen.
De brede ondersteuning kan starten zodra iemand zich aanmeldt bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT). Als later blijkt dat iemand niet als gedupeerde wordt erkend, stopt de ondersteuning. Het doel van de brede ondersteuning is om mensen te helpen een nieuwe start te maken en het vertrouwen in de overheid te herstellen. Hierbij wordt vooruitgekeken: de ondersteuning is tijdelijk en gericht op het krijgen van grip op het leven en het opbouwen van perspectief.
De ondersteuning richt zich op vijf leefgebieden: financiën, gezin, werk, wonen en zorg. Wat nodig is, verschilt per persoon en wordt daarom als maatwerk aangeboden. De gemeente kijkt samen met de aanvrager naar de situatie en bepaalt welke hulp nodig is. Deze hulp wordt vastgelegd in een plan van aanpak, waarin staat welke doelen worden nagestreefd en welke ondersteuning wordt ingezet.
Brede ondersteuning is ruimhartig en bedoeld om passende en duurzame hulp te bieden. Het is geen regeling voor schadevergoeding, maar gericht op herstel en toekomstperspectief. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de reguliere ondersteuning van de gemeente, zodat hulp goed op elkaar aansluit. Het uitgangspunt is dat inwoners zo snel mogelijk weer zelfstandig verder kunnen.
Tot slot geldt dat voorzieningen uit de brede ondersteuning in principe geen invloed hebben op een bijstandsuitkering. Gemeenten kunnen deze middelen buiten beschouwing laten, zodat ondersteuning geen nadelige financiële gevolgen heeft voor de aanvrager.
In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.
In dit artikel staat wat belangrijke begrippen betekenen. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de wet (Wht). Er wordt bijvoorbeeld uitgelegd wat een gezin is en wat een bedreigende situatie betekent. Ook wordt het verschil uitgelegd tussen het toekennen en het verstrekken van ondersteuning. Toekennen is het besluit dat iemand hulp krijgt, verstrekken is het moment waarop die hulp daadwerkelijk start. Dit onderscheid maakt het mogelijk om ondersteuning ook na twee jaar nog te laten doorlopen.
Artikel 2. Doel van de brede ondersteuning
Brede ondersteuning is bedoeld om inwoners te helpen een nieuwe start te maken. Het gaat niet om een vangnet voor inkomen, maar om het bieden van toekomstperspectief en herstel van vertrouwen in de overheid. De ondersteuning is maatwerk en verschilt per persoon. Daarbij wordt gekeken naar vijf belangrijke leefgebieden. Samen met de inwoner wordt bepaald op welke gebieden ondersteuning nodig is en wat daarvoor nodig is.
Artikel 3. Uitzonderingen brede ondersteuning
Dit artikel legt uit wat niet onder de brede ondersteuning valt. Zo is het geen regeling voor algemene inkomenssteun of het vergoeden van oude schade. Alleen hulp die bijdraagt aan de vijf leefgebieden komt in aanmerking. In noodsituaties kan soms een uitzondering worden gemaakt, maar dan gaat het om het voorkomen van acute problemen. Voorwaarde is wel dat er oplossingen komen die herhaling voorkomen.
Artikel 4. Doelgroep brede ondersteuning
De Wht regelt welke inwoners van de gemeente in aanmerking komen voor brede ondersteuning. In het eerste lid wordt daarnaar verwezen. In de wet wordt de inwoner genoemd die:
- een aanvrager van een kinderopvangtoeslag is en een aanvraag heeft ingediend tot toekenning van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht;
- een kind, een pleegkind of een voormalig pleegkind is dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.12 van de Wht;
- en ex-partner is die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, van de Wht, en aan wie deze is toegekend;
- een partner is die in aanmerking komt voor een compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of overneming en betaling van privaatrechtelijke schulden van de gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 2.9a van de Wht;
- een kind is dat in aanmerking komt voor een compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of overneming en betaling van privaatrechtelijke schulden van de gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 2.9b van de Wht;
- hun gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, van de Participatiewet en het thuiswonende kind of pleegkind van 18 jaar of ouder van de personen, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, van de Wht, of van hun partner. De gemeente biedt deze ondersteuning alleen als iemand nog geen nieuwe start heeft kunnen maken. Ook het gezin kan ondersteuning krijgen, afhankelijk van de situatie op het moment van de aanvraag. Als blijkt dat iemand toch geen recht heeft, stopt de ondersteuning. In bijzondere gevallen kan ook ondersteuning worden geboden aan mensen die niet (meer) in de gemeente wonen.
Artikel 5. Brede ondersteuning voor een minderjarige
Ook kinderen van gedupeerde ouders kunnen brede ondersteuning krijgen. Jongeren vanaf 16 jaar kunnen dit zelf aanvragen bij hun gemeente. Voor jongere kinderen loopt de aanvraag via de ouder of verzorger. Als ouders in verschillende gemeenten wonen, is de woonplaats van het kind bepalend. Zo wordt ervoor gezorgd dat ook minderjarigen passende ondersteuning kunnen krijgen.
Artikel 6. Aanvraag brede ondersteuning
Een inwoner kan zich rechtstreeks bij het college melden voor brede ondersteuning. Dit kan schriftelijk, telefonisch of digitaal en is vormvrij. Ook kan een ouder via de UHT aangeven gebruik te willen maken van gemeentelijke ondersteuning; de gemeente ontvangt deze gegevens automatisch. Het moment waarop deze gegevens binnenkomen, geldt als de aanmelding. Als een inwoner zichzelf meldt, controleert het college bij de UHT of deze in aanmerking komt.
Artikel 7. Eerste gesprek en vaststelling hulpvraag
Binnen acht weken na de aanmelding nodigt het college de inwoner uit voor een eerste gesprek. In dit gesprek wordt de situatie besproken en samen vastgesteld welke ondersteuning nodig is. Daarbij wordt gekeken naar de vijf leefgebieden en wat nodig is om de doelen te bereiken. De datum van dit gesprek geldt als de officiële aanvraagdatum. De inwoner heeft hierbij regie: samen wordt de hulpvraag bepaald en de inwoner kiest waar het gesprek plaatsvindt, bijvoorbeeld thuis of op locatie.
Artikel 8. Besluit op de aanvraag
Het college neemt binnen acht weken na het eerste gesprek een besluit over de aanvraag. Als dat nodig is, kan deze termijn worden verlengd. De inwoner ontvangt hierover een beschikking. Tegen dit besluit kan bezwaar en beroep worden ingesteld.
Artikel 9. Het opstellen van het plan van aanpak
In het plan van aanpak staat welke hulp de inwoner nodig heeft en hoe de doelen worden bereikt. Dit plan is gebaseerd op de persoonlijke situatie op het moment van de aanvraag. Hierin staat stap voor stap welke ondersteuning wordt ingezet en welke voorzieningen worden toegekend. Ook wordt uitgelegd hoe deze ondersteuning bijdraagt aan een nieuwe start. Het plan zorgt ervoor dat de hulp samenhangend en duurzaam wordt ingezet.
Artikel 10. Aanvullende schuldhulpverleningsaanbod jongeren
Binnen de brede ondersteuning is er extra aandacht voor jongeren met problematische schulden. Jongeren van 18 jaar of ouder die recht hebben op de kindregeling en kampen met problematische schulden, kunnen sinds 1 november 2023 via hun gemeente extra schuldhulpverlening krijgen. Voor hen kan een aanvullend aanbod worden ingezet, bestaande uit een plan van aanpak en het oplossen van schulden. Het college beoordeelt of sprake is van problematische schulden, bijvoorbeeld als deze niet binnen 36 maanden kunnen worden afgelost. Als dat niet het geval is, wordt op een andere manier geholpen om inkomsten en uitgaven in balans te brengen. Bij een financiële hulpvraag wordt de situatie in kaart gebracht en wordt aangesloten bij de werkwijze van de reguliere schuldhulpverlening.
Artikel 11. Wijzigen plan van aanpak
Het plan van aanpak kan worden aangepast als dat nodig is om de doelen te bereiken. Dit gebeurt in overleg met de aanvrager, bijvoorbeeld bij veranderingen in de situatie of als extra ondersteuning nodig is. Tot twee jaar na het eerste gesprek kunnen nieuwe of andere voorzieningen worden toegevoegd; voor materiële voorzieningen geldt een termijn van zes maanden. De aanvrager kan ook zelf een verzoek tot wijziging indienen. Het college beslist hierover bij beschikking, waartegen bezwaar en beroep mogelijk is.
De ondersteuning is gericht op een nieuwe start en op meer zelfstandigheid in de toekomst. De doelen in het plan van aanpak staan daarbij centraal. Om deze doelen te bereiken, kan het college verschillende voorzieningen toekennen, zowel materieel als immaterieel. Daarbij wordt gekeken naar onder andere de financiële situatie en het duurzame effect van de voorziening. Het college maakt per geval een afweging en onderbouwt of de voorziening passend, noodzakelijk en evenredig is.
Artikel 12a. Lopende plannen van aanpak en nieuwe voorzieningen
Dit artikel regelt de overgang naar de nieuwe beleidsregels. Bestaande plannen van aanpak en voorzieningen blijven geldig. Nieuwe aanvragen worden beoordeeld volgens de nieuwe regels. Zo blijft de ondersteuning doorlopen en is er duidelijkheid voor zowel bestaande als nieuwe situaties.
Artikel 13. Materiële voorzieningen
Een materiële voorziening kan worden toegekend als deze direct nodig is om een doel uit het plan van aanpak te bereiken. Het gaat om het wegnemen van een belemmering, zodat de ondersteuning kan starten en perspectief ontstaat. Wat nodig is, verschilt per situatie en wordt als maatwerk beoordeeld. Voorbeelden zijn een wasmachine of een laptop, als deze noodzakelijk zijn voor het dagelijks functioneren of ontwikkeling. Materiële voorzieningen kunnen tot zes maanden na het eerste gesprek worden toegekend. De gemeente werkt met objectieve normen (NIBUD) om vergoedingen vast te stellen. Het college hanteert hierbij de NIBUDnorm vermeerderd met 30%, passend bij het ruimhartige karakter van de brede ondersteuning. Voor duurdere aankopen geldt een offerteverplichting. Dit borgt een verantwoorde en evenwichtige inzet van publieke middelen, terwijl ruimte blijft voor het bieden van passende ondersteuning.
Artikel 14. Immateriële voorzieningen
Immateriële voorzieningen zijn gericht op de ontwikkeling van de aanvrager, zoals begeleiding, hulpverlening of een opleiding. Hierbij wordt gekeken of de voorziening nodig en passend is, ook op de langere termijn. De nadruk ligt op het vergroten van zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Welke ondersteuning wordt ingezet, is maatwerk en hangt af van de persoonlijke situatie en doelen. Deze voorzieningen kunnen tot twee jaar na het eerste gesprek worden toegekend en kunnen daarna nog doorlopen.
Artikel 15. Medewerking aanvrager
Het college kan de aanvrager vragen om mee te werken, zodat een goed beeld ontstaat van de situatie. Dit kan bijvoorbeeld gaan om gesprekken, informatie over de financiële situatie of een huisbezoek. Het doel is om te bepalen welke ondersteuning nodig en passend is. Daarbij staat het gesprek centraal en houdt de aanvrager zoveel mogelijk de regie. Als er onvoldoende informatie beschikbaar is, kan het college besluiten om geen voorziening toe te kennen.
Artikel 16. Weigeren voorzieningen
Het college kan een aangevraagde voorziening weigeren. Dit kan bijvoorbeeld als de voorziening niet aan de voorwaarden voldoet of met terugwerkende kracht wordt gevraagd. De weigering wordt uitgelegd in een beschikking. Tegen dit besluit kan bezwaar en beroep worden ingesteld.
Artikel 17. Beëindiging van de brede ondersteuning
De brede ondersteuning stopt als de aanvrager een nieuwe start heeft kunnen maken of uiterlijk twee jaar na het eerste gesprek. Dit betekent niet dat alle hulp dan direct stopt; toegekende voorzieningen kunnen nog doorlopen. De ondersteuning eindigt ook als een aanvraag voor herstel wordt afgewezen. Daarnaast kan de aanvrager zelf verzoeken om te stoppen. Voordat de ondersteuning wordt beëindigd, kijkt het college samen met de aanvrager naar de situatie en eventuele vervolghulp.
Artikel 18. Overdracht van hulpverlening naar regulier
Als na de brede ondersteuning nog hulp nodig is, zorgt het college voor een goede overdracht. Dit gebeurt naar reguliere ondersteuning, zoals hulp vanuit de gemeente. Hierbij wordt de situatie van de aanvrager duidelijk overgedragen. Zo kan de ondersteuning zonder onderbreking doorgaan. Dit wordt ook wel een warme overdracht genoemd.
Het college kan in uitzonderlijke situaties afwijken van de regels. Dit gebeurt alleen als toepassing van de regels tot een onredelijke uitkomst leidt. De afwijking wordt altijd goed gemotiveerd. Zo blijft maatwerk mogelijk in bijzondere gevallen.
Dit artikel regelt wanneer de beleidsregels ingaan. Dat is de dag na publicatie. Zo is duidelijk vanaf wanneer de regels gelden.
Dit artikel geeft de naam van de beleidsregels. Deze naam wordt gebruikt bij verwijzingen in besluiten en andere documenten. Zo kan er eenvoudig naar de beleidsregels worden verwezen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-292779.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.