Gemeenteblad van Meppel
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Meppel | Gemeenteblad 2026, 291930 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Meppel | Gemeenteblad 2026, 291930 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De Raad van de gemeente Meppel;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. […]
nr. […]
Overwegende
Gelet op het bepaalde in artikel 2.4, 4.19 en Hoofdstuk 13 van de Omgevingswet;
Besluit:
Het omgevingsplan gemeente Meppel te wijzigen zoals vermeld in 'bijlage A'.
De regels uit de navolgende bestemmingsplannen en beheersverordeningen voor zover die onderdeel zijn van het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Meppel, op de locaties waarvoor het in beslisregel 2 bedoelde wijzigingsbesluit geldt, te laten vervallen:
Door dit besluit vervallen de delen van het tijdelijk deel van het omgevingsplan die zijn aangegeven in de bij dit besluit behorende Pons met de identificatie […]
Dit wijzigingsbesluit treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit bekend gemaakt is. 17 juni 2026
A
Na artikel 2.3 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:
Ter plaatse van de locatie 'industrie- en bedrijventerreinen' is dit omgevingsplan, met in acht name van de doelen genoemd in artikel 2.1 gericht op:
het bestendigen van het ten tijde van het vaststellen van de wijziging bestaande gebruik binnen de terreinen ‘Oevers, Spijkerserve, Rogat, Blankenstein, Noord I, II en III’;
actualisatie van de regels die voor dit deelgebied gelden op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan;
het regelen dat bedrijven worden beoordeeld op hun impact op de omgeving met activiteiten en milieuzonering;
het alleen toestaan van nieuwe watergebonden bedrijven in het havengebied van Meppel op het industrieterrein Oevers;
het beschermen van cultureel erfgoed in het met dit omgevingsplan aangewezen monumenten en beeldbepalende panden;
het waarborgen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Ter plaatse van de locatie 'bedrijventerrein Noord IV' is dit omgevingsplan, met in acht name van de doelen genoemd in artikel 2.1 gericht op:
de planologische transformatie van 50 hectare agrarisch gebied naar een duurzaam en klimaatbestendig bedrijventerrein;
het aanhouden van voldoende afstand tot de Oude Vaart in het kader van het waterbelang en eventuele toekomstige inrichting van deze watergang
het aanhouden van voldoende afstand tot omliggende woningen vanwege de kwetsbare functie;
het mogelijk maken van nieuw bedrijventerrein om te voorzien in de behoefte en regionale opgave van voldoende bedrijventerreinen;
het borgen van het gebruik van duurzame warmtebronnen;
het regelen dat bedrijven worden beoordeeld op hun impact op de omgeving met activiteiten en milieuzonering;
het waarborgen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Ter plaatse van de locatie 'Noordeinde, De Boompjes en Molenhoek' is dit omgevingsplan, met in acht name van de doelen genoemd in artikel 2.1 gericht op:
het juridisch borgen en in stand houden van woon- en andere activiteiten op de percelen aan Noordeinde, De Boompjes en Molenhoek;
actualisatie van de regels die voor dit deelgebied gelden op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan met uitzondering daar waar woonactiviteiten mogelijk gemaakt worden;
het waarborgen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
B
Artikel 2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ter plaatse van de locatie beeldbepalend pand is dit omgevingsplan, met in acht name van de doelen genoemd in artikel 2.1, gericht op:
1 Behoud en instandhouding object
Behoud en instandhouding van het historisch object als geheel en van zijn samenstellende historische delen is uitgangspunt.
2 Instandhouding oorspronkelijke karakteristieken
Behoud en instandhouding van de uiterlijke verschijningsvorm van het beeldbepalend object, voor zover oorspronkelijk of voor zover deze de oorspronkelijke verschijningsvorm ondersteunt, is uitgangspunt. Wanneer bij jongere aanpassingen van een ouder volume, bijvoorbeeld een Interbellum-gevel in een 19e-eeuwse boerderij, deze latere verbouwing op zichzelf een (nieuwe) architectuurhistorische waarde vertegenwoordigt, worden hedendaagse ingrepen aan zo’n jonger gebouwdeel aan deze jongere waarde afgemeten.
Instandhouding heeft betrekking op de volgende aspecten, elementen en karakteristieken van het beeldbepalend object:
hoofdvorm, massa-opbouw, hoogte en silhouet, inclusief kapvorm, kaphelling en kaprichting,
hoofdopzet en ontwerp gevel(s) en dak/kap
Afwerking, detaillering & ornamentiek gevels en dak/kap
Materiaal, kleur en textuur
3 Herstel aantastingen
Bestaande aantastingen van het oorspronkelijke ontwerp van gevels, afwerking, detaillering en ornamentiek, materiaal en kleur: toewerken naar herstel van de oorspronkelijke toestand of optisch hiermee vergelijkbaar. Dit is van toepassing op activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en op onderdelen van het exterieur die worden vervangen en/of aangepast binnen de vergunningaanvraag.
4 Verduurzaming gevels en kap
Verduurzaming van gevels en kap zichtbaar vanaf de openbare ruimte: zoveel mogelijk onzichtbaar uitvoeren. Vervanging van enkel glas door isolatieglas: indien mogelijk uitvoeren binnen bestaand kozijn- en raamhout. Indien niet mogelijk: behoud van oorspronkelijke indeling, verhoudingen, profielen, dieptesprongen en kleur, of optisch hiermee vergelijkbaar.
5 Aanpassingen object
Aanpassingen aan het object zijn beperkt mogelijk, mits de architectonische karakteristieken intact blijven en er wordt aangesloten op de architectuurtaal en mate van verfijning van het oorspronkelijk ontwerp of op die van latere aanpassingen met eigen architectuurhistorische kwaliteiten. Hierbij kan gedacht worden aan het toevoegen van een aanbouw, het maken van een dakkapel of het aanbrengen van een dakterras.
C
Afdeling 2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de locatie 'industrieterrein Noord' gelden de volgende geluidproductieplafonds als omgevingswaarden als bedoeld in artikel 2.11a van de Omgevingswet:
|
Naam |
x-coördinaat |
y-coördinaat |
L den in dB |
Lnight in dB |
|
001 |
209981,6 |
525771,0 |
46.4 |
36,4 |
|
002 |
210045,0 |
525712,4 |
46,4 |
36,4 |
|
003 |
210131,7 |
525725,9 |
48,9 |
38,9 |
|
004 |
210215,6 |
525758,1 |
50,3 |
40,3 |
|
005 |
210295,6 |
525797,5 |
47,9 |
37,9 |
|
006 |
210295,6 |
525879,8 |
47,3 |
37,3 |
|
007 |
210319,5 |
525969,6 |
47,1 |
37,1 |
|
008 |
210315,1 |
526059,3 |
45,9 |
35,9 |
|
009 |
219266,5 |
526130,6 |
45,4 |
35,4 |
|
010 |
210179,9 |
526131,9 |
48,6 |
38,6 |
|
011 |
210096,0 |
526099,5 |
53,3 |
43,3 |
|
012 |
210012,2 |
526067,2 |
51,7 |
41,7 |
|
013 |
209935,1 |
526023,6 |
47,3 |
37,3 |
|
014 |
209917,8 |
525939,0 |
46,4 |
36,4 |
|
015 |
209948,1 |
525854,4 |
46,9 |
36,9 |
Voor de locatie 'industrieterrein Oevers' gelden de volgende geluidproductieplafonds als omgevingswaarden als bedoeld in artikel 2.11a van de Omgevingswet:
|
Referentiepunt |
x-coördinaat |
y-coördinaat |
Lden in dB |
Lnicht in dB |
|
001 |
206491,51 |
522463,00 |
45,8 |
35,8 |
|
002 |
206697,28 |
522463,00 |
46,2 |
36,2 |
|
003 |
207132,60 |
522261,98 |
47,0 |
37,0 |
|
004 |
207526,63 |
522039,24 |
46,0 |
36,0 |
|
005 |
207974,32 |
521869,67 |
44,5 |
34,5 |
|
006 |
208375,92 |
522140,26 |
46,8 |
36,8 |
|
007 |
208696,15 |
522505,82 |
49,1 |
39,1 |
|
008 |
209147,18 |
522700,03 |
46,7 |
36,7 |
|
009 |
209471,05 |
523054,82 |
45,5 |
35,5 |
|
010 |
209388,52 |
523535,89 |
46,4 |
36,4 |
|
011 |
209549,33 |
523996,77 |
44,7 |
34,7 |
|
012 |
209338,70 |
524434,31 |
45,1 |
35,1 |
|
013 |
208962,01 |
524743,90 |
45,3 |
35,3 |
|
014 |
208528,48 |
524947,42 |
44,7 |
34,7 |
|
015 |
208071,75 |
524756,95 |
46,3 |
36,3 |
|
016 |
207644,93 |
524498,40 |
47,3 |
37,3 |
|
017 |
207296,27 |
524143,14 |
48,1 |
38,1 |
|
018 |
206984,63 |
523752,78 |
48,5 |
38,5 |
|
019 |
206673,24 |
523363,27 |
47,2 |
37,2 |
Voor de locatie 'industrieterrein Spijkerserve' gelden de volgende geluidproductieplafonds als omgevingswaarden als bedoeld in artikel 2.11a van de Omgevingswet:
|
Naam |
x-coördinaat |
y-coördinaat |
Lden in dB |
Lnight in dB |
|
001 |
207450,63 |
527429,69 |
44,5 |
34,5 |
|
002 |
207494,57 |
527561,29 |
43,1 |
33,1 |
|
003 |
207451,70 |
527699,47 |
43,5 |
33,4 |
|
004 |
207391,06 |
527830,61 |
44,5 |
34,4 |
|
005 |
207337,53 |
527965,38 |
44,3 |
34,4 |
|
006 |
207249,75 |
528074,84 |
41,6 |
31,6 |
|
007 |
207109,81 |
528069,98 |
42,7 |
32,8 |
|
008 |
206974,06 |
528019,01 |
43,5 |
33,6 |
|
009 |
206876,04 |
527920,04 |
44,4 |
34,2 |
|
010 |
206895,78 |
527780,24 |
47,2 |
37,1 |
|
011 |
206951,05 |
527646,25 |
47,4 |
37,4 |
|
012 |
207001,65 |
527510,52 |
46,9 |
36,9 |
|
013 |
207049,95 |
527374,03 |
46,4 |
36,4 |
|
014 |
207125,18 |
527253,49 |
44,9 |
34,9 |
|
015 |
207263,32 |
527237,29 |
45,2 |
35,2 |
|
016 |
207389,98 |
527304,19 |
44,7 |
34,7 |
|
017 |
207376,94 |
527618,59 |
49,2 |
39,3 |
|
018 |
207331,68 |
527713,73 |
50,0 |
39,9 |
|
019 |
207286,01 |
527829,59 |
49,0 |
38,9 |
De omgevingswaarden als bedoeld in artikel 2.8, artikel 2.9 en artikel 2.10 zijn resultaatsverplichtingen.
D
Artikel 4.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Gereserveerd]
De locatie 'brandvoorschriftengebied' is aangewezen als een brandvoorschriftengebied zoals bedoeld in artikel 5.14, lid 2 onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
E
Na artikel 4.15 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
De locatie 'hogedrukgasleiding' is aangewezen als beperkingengebied rondom een hogedrukgasleiding.
F
Artikel 4.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De locatie 'geluidaandachtsgebied industrie' is aangewezen als zone zoals bedoeld in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet.
[Vervallen]
G
Na artikel 4.16 worden vier artikelen ingevoegd, luidende:
De locatie 'hoogspanningstransportnet bovengronds - beperkingengebied 1' is aangewezen als de belaste strook: de directe zone rondom masten en lijnen van een bovengrondse hoogspanningsverbinding.
De locatie 'hoogspanningstransportnet - beperkingengebied 2' is aangewezen als het beperkingengebied over een afstand van 50 meter gemeten vanaf:
de buitenste geleider, inclusief de ruimte binnen de geleiders, indien het een bovengrondse hoogspanningsverbinding betreft;
de buitenkant van de buitenste kabels van het kabelbed, indien het een ondergrondse hoogspanningsverbinding betreft, en/of:
de buitenkant van het hekwerk aan de buitenzijde van een hoogspanningsstation, converterstation of opstijgpunt.
De locatie 'hoogspanningstransportnet - beperkingengebied 3' is aangewezen als het beperkingengebied over een afstand van 150 meter gemeten vanaf:
de buitenste geleider, inclusief de ruimte binnen de geleiders, indien het een bovengrondse hoogspanningsverbinding betreft;
de buitenkant van de buitenste kabels van het kabelbed, indien het een ondergrondse hoogspanningsverbinding betreft, en/of:
de buitenkant van het hekwerk aan de buitenzijde van een hoogspanningsstation, converterstation of opstijgpunt.
H
Het opschrift van artikel 4.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
I
Het opschrift van artikel 4.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
J
Het opschrift van artikel 4.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
K
Het opschrift van artikel 4.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
L
Het opschrift van artikel 4.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
M
Het opschrift van artikel 4.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
N
Het opschrift van artikel 4.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
O
Het opschrift van artikel 4.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
P
Het opschrift van artikel 4.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Q
Het opschrift van artikel 4.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
R
Het opschrift van artikel 4.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
S
Artikel 4.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De locatie 'gemeentelijk monument' is aangewezen als gemeentelijk monument. De redengevende beschrijvingen met daarin beschreven de monumentale waarden van het gemeentelijk monument zijn opgenomen in bijlage VI.
T
Het opschrift van artikel 4.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
U
Artikel 4.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De locatie 'rijksbeschermd stadsgezichtstads- of dorpsgezicht' is aangewezen als Rijksbeschermd stadsgezicht Meppel Zuid. Het aanwijzingsbesluit is opgenomen als bijlage VIII. De begrenzing van het Rijksbeschermd stadsgezicht is opgenomen in bijlage IX.
De regels van dit omgevingsplan zijn gesteld met het oog op het beschermen van het behoud, herstel en de uitbouw van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn gebouwen.
Deze waarden komen onder meer tot uitdrukking in:
voor de Stationsweg:
voor het Zuideinde:
lineair karakter;
met uitzondering van het gedeelte ten noorden van de Weerdstraat, een overwegend a-symmetrische profielindeling, waarbij in zuidelijke richting de rooilijn onregelmatiger wordt;
verdichting in de richting van de Binnenstad, door aaneengesloten bebouwing en smallere parcellering;
voor het Wilhelminapark:
een centrale vijver met in noordelijke richting een centrale en symmetrische as, waaromheen een padenstructuur in gebogen vormen;
de Parklaan vormt (in het verlengde van de noord-zuidas) het verbindende element tussen het park en de Stationsweg;
de wegenstructuur rond het park heeft een kenmerkende profielindeling met een smalle rijbaan en groene bermen zonder trottoir, die de zichtrelatie tussen park en bebouwing ondersteunt.
V
Het opschrift van artikel 4.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
W
Het opschrift van artikel 4.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
X
Het opschrift van artikel 4.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Y
Het opschrift van artikel 4.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Z
Het opschrift van artikel 4.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AA
Het opschrift van artikel 4.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BB
Het opschrift van artikel 4.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CC
Het opschrift van artikel 4.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DD
Het opschrift van artikel 4.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EE
Het opschrift van artikel 4.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FF
Het opschrift van artikel 4.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GG
Na afdeling 4.4 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
De locatie 'industrieterrein Noord' is aangewezen als industrieterrein zoals bedoeld in artikel 5.78e van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De locatie 'industrieterrein Oevers' is aangewezen als industrieterrein zoals bedoeld in artikel 5.78e van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De locatie 'industrieterrein Spijkerserve' is aangewezen als industrieterrein zoals bedoeld in artikel 5.78e van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
HH
Artikel 5.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het minimum aantal te realiseren sociale huurwoningen op de locatie 'transformatiegebied Noordpoort' is 16% van het maximum aantal te realiseren woningen als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid.
De eigenaar van binnen het 'transformatiegebied Noordpoort' gelegen gronden, opstallen of registergoederen is gehouden op die gronden sociale huurwoningen te realiseren met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk, zodat met de realisering van die sociale huurwoningen al dan niet in samenhang met de realisatie van sociale huurwoningen elders binnen het transformatiegebied voor het hele gebied ten minste wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.125.13, eerste lid, als op of na 30 April 2030:
het feitelijke gebruik van die gronden afwijkt van de voor die gronden op grond van het in opgenomen functiekader beoogde gebruik;
er voor die gronden nog geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is verleend;
het totaal aantal verleende omgevingsvergunningen voor een bouwactiviteit binnen het transformatiegebied Noordpoort ten behoeve van de realisatie van sociale huurwoningen voorziet in de realisatie van minder dan het in artikel 5.125.13, tweedeeerste lid bedoelde aantal woningen.
Aan de verplichting in artikel 5.13, eerste lid wordt voorlopig voldaan als binnen twee jaar na de datum bedoeld in artikel 5.13, tweede lid een ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning voor de bouw van het vereiste aantal sociale huurwoningen is ingediend.
De op grond van dit hoofdstuk toegestane tijdelijke gebruiksactiviteiten mogen, met inachtneming van de tijdsbeperking van die gebruiksactiviteit gedurende de in artikel 5.13, derde lid bedoelde periode van twee jaar worden voortgezet.
Aan de verplichting in artikel 5.13, tweede lid wordt voldaan binnen 5 jaar na de in dat lid bedoelde datum.
Voor zover de in artikel 5.13, tweede lid bedoelde eigenaar kan aantonen dat de realisering van het in artikel 5.13, eerste lid bedoelde minimumaantal anderszins verzekerd is, wordt de verplichting als bedoeld in artikel 5.13, tweede lid opgeschort totdat het minimumaantal daadwerkelijk binnen de in artikel 5.13, vijfde lid bedoelde termijn is gerealiseerd.
De verplichtingen in artikel 5.13, eerste lid en artikel artikel 5.125.13, tweede lid vervallen zodra het minimum aantal sociale huurwoningen als bedoeld in artikel 5.125.13, eerste lid feitelijk zijn gerealiseerd.
II
Artikel 5.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als binnen de locatie 'transformatiegebied Noordpoort deelgebied Steenwijkerstraatweg' milieubelastende activiteiten onmiddellijk vóór het in werking treden van de Omgevingswet rechtmatig werden uitgevoerd en door het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in paragraaf 5.1.35.1.4 van dit omgevingsplan niet meer aan de regels uit afdeling 22.3 van dit omgevingsplan kan worden voldaan, zijn de strijdige regels uit afdeling 22.3 van dit omgevingsplan niet op deze milieubelastende activiteit van toepassing. Daarbij geldt als voorwaarde dat de milieubelastende activiteiten niet toenemen en op de milieubelastende activiteiten de regels uit subparagraaf 5.1.2.4 of subparagraaf 5.1.2.5 van toepassing zijn.
JJ
Artikel 5.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als binnen de locatie 'transformatiegebied Noordpoort deelgebied Oude Vaart' milieubelastende activiteiten onmiddellijk vóór het in werking treden van de Omgevingswet rechtmatig werden uitgevoerd en door het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in paragraaf 5.1.35.1.4 van dit omgevingsplan niet meer aan de regels uit afdeling 22.3 van dit omgevingsplan kan worden voldaan, zijn de strijdige regels uit afdeling 22.3 van dit omgevingsplan niet op deze milieubelastende activiteit van toepassing. Daarbij geldt als voorwaarde dat de milieubelastende activiteiten niet toenemen en op de milieubelastende activiteiten de regels uit subparagraaf 5.1.2.4 of subparagraaf 5.1.2.5 van toepassing zijn.
KK
Het opschrift van subparagraaf 5.1.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LL
Artikel 5.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De gronden mogen slechts worden bebouwd onder de voorwaarde dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 5.30 wordt aan de hand van de parkeernormen in de beleidsregel Nota maatwerk parkeernormen Noordpoort bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
Met de omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 5.30 kan worden afgeweken van de eis dat parkeren op eigen erf dienst terrein dient plaats te vinden en de parkeernormen zoals opgenomen in de Nota maatwerk parkeernormen Noordpoort, mits dit geen onevenredige gevolgen heeft voor de omgeving en wordt voldaan aan de in de Nota maatwerk parkeernormen Noordpoort opgenomen regels en voorwaarden.
MM
Artikel 5.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.30 wordt geweigerd als door het verlenen van de omgevingsvergunning niet meer kan worden voldaan aan het bepaalde in artikel 5.125.13, tweede lid.
NN
Artikel 5.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.30 wordt alleen verleend als het van het gebouw af te voeren hemelwater niet op een openbare rioleringin het vuilwaterriool wordt geloosd. Deze regel is alleen van toepassing indien ter plaatse een hemelwaterriool aanwezig is.
In aanvulling op het gestelde in artikel 5.46, eerste lid geldt dat de aangevraagde omgevingsvergunning wordt verleend als is aangetoond dat het hemelwater met maximaal 1,6 liter per seconde per hectare van het gebouw wordt afgevoerd.
OO
Artikel 5.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning aanlegactiviteiten uit te voeren.
Het bepaalde in artikel 5.54, eerste lid is niet van toepassing op de locatie 'transformatiegebied Noordpoort deelgebied Stadsentree'.
PP
Artikel 5.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden op de locatie transformatiegebied Noordpoort'transformatiegebied Noordpoort', worden de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd:
Een
een beschrijving van de wijze waarop bij het uitvoeren van de werken en werkzaamheden stadsnatuur wordt ontwikkeld
Een
een beschrijving van de wijze waarop bij het uitvoeren van de werken en werkzaamheden de aanwezigheid van groen wordt bevorderd en een klimaatadaptieve omgeving wordt gerealiseerd
Een
een beschrijving van de wijze waarop de werken en werkzaamheden circulair zijn
De beschrijving moet aansluiten bij de criteria die hieraan worden gesteld in de Beleidsregel Bouwen, Aanleggen en Ruimtelijk Inrichten Transformatiegebied Noordpoort.
Artikel 5.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.565.54 wordt alleen verleend als voldoende wordt voldaan aan de volgende voorwaarden, met dien verstande dat als op één of meer onderdelen onvoldoende wordt voldaan, dat gecompenseerd kan worden met een bovengemiddeld niveau van andere onderdelen, mits:
Bij de beoordeling of voldoende wordt voldaan aan de verschillende in artikel 5.545.56, eerste lid bedoelde aspecten kan een onvoldoende op één of meer onderdelen gecompenseerd worden door bovengemiddelde maatregelen op andere, daar genoemde onderdelen.
Of een initiatief voldoende voldoet aan de verschillende in artikel 5.56, eerste lid bedoelde aspecten wordt beoordeeld aan de hand van Beleidsregel bouwen, aanleggen en ruimtelijk inrichten van het Transformatiegebied Noordpoort.
RR
Artikel 5.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het aanleggen van wegen, paden, en civieltechnische werken ten behoeve van de stadsentree is , in afwijking van het bepaalde in artikel 5.54, eerste lid, toegestaan.
SS
Na afdeling 5.1 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
De locatie 'bedrijventerrein Noord IV' is aangewezen als ontwikkelgebied. De regels in deze afdeling zijn van toepassing in dit gebied.
Op de locatie 'bedrijventerrein Noord IV' wordt een duurzaam bedrijventerrein gerealiseerd met bij het bedrijventerrein behorende voorzieningen, zoals groen, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen, wegen en paden, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en andere voorzieningen die nodig zijn voor het goed functioneren van een bedrijventerrein en de daarop te vestigen bedrijven.
Minimaal 20% van de locatie 'bedrijventerrein Noord IV' bestaat uit groen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
Voor bedrijfskavels geldt dat per kavel moet worden voorzien in een waterberging van 30 mm per vierkante meter verhard oppervlak.
Op de locatie 'bedrijventerrein Noord IV' treedt het bepaalde in artikel 4.14 voor zover het bedrijventerrein Noord IV betreft in werking op 1 april 2031.
Het gebruik van de gronden en bouwwerken voor gebruiksactiviteiten anders dan die op grond van dit omgevingsplan zijn toegestaan is verboden.
Met uitzondering van locaties waarop dit op grond van de regels uit dit omgevingsplan of op grond van een daartoe verleende omgevingsvergunning expliciet is toegestaan, is het verboden bedrijfsactiviteiten uit te oefenen waarbij de gelegenheid wordt geboden om voertuigen of werktuigen te tanken met LPG zoals bedoeld in artikel 4.472 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een hyperscale datacentrum is niet toegestaan.
In afwijking van het bepaalde in deze afdeling, is het verboden bedrijfsgebouwen te gebruiken als bedrijfsverzamelgebouw met daarin units die kleiner zijn dan 250 m2.
Het is niet toegestaan gebruik te maken van voer-, vaar- en werktuigen met een verbrandingsmotor anders dan het gebruik van voer-, vaar- en/of werktuigen voor het vervoer van personen, poststukken en goederen van en naar het bedrijventerrein.
Op de locatie 'bedrijventerrein Noord IV' zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan waarbij de regels zoals opgenomen in de volgende leden van dit artikel van toepassing zijn.
Naast bedrijfsmatige activiteiten zijn ondergeschikte detailhandel, productiegebonden detailhandel, ondergeschikte horeca en het gebruik van bedrijfsgebonden kantoorruimten ook toegestaan.
Op de locatie 'Noord IV, zone 50 dB(A) op 50 meter' zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan waarvan de geluidbelasting uitgedrukt in de dosismaat LAr,LT op een afstand van 10 meter van de begrenzing van de activiteit niet groter is dan 50 dB(A) als etmaalwaarde en de geurbelasting op een afstand van 50 meter van deze begrenzing niet groter is dan 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel. In afwijking van het gestelde in artikel 22.63, eerste lid van dit omgevingsplan geldt dat bij het uitoefenen van de bedrijfsactiviteiten de geluidbelasting niet groter mag zijn dan 50 dB(A) als etmaalwaarde voor het LAr,LT op een afstand van 50 meter van de begrenzing van de bedrijfsactiviteiten.
Op de locatie 'Noord IV, zone 50 dB(A) op 100 meter' zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan waarvan de geluidbelasting uitgedrukt in de dosismaat LAr,LT op een afstand van 100 meter van de begrenzing van de activiteit niet groter is dan 50 dB(A) als etmaalwaarde en de geurbelasting op een afstand van 50 meter van deze begrenzing niet groter is dan 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel. In afwijking van het gestelde in artikel 22.63, eerste lid van dit omgevingsplan geldt dat bij het uitoefenen van de bedrijfsactiviteiten de geluidbelasting niet groter mag zijn dan 50 dB(A) als etmaalwaarde voor het LAr,LT op een afstand van 100 meter van de begrenzing van de bedrijfsactiviteiten.
De geluidbelasting uitgedrukt in de dosismaat LAr,LT, die door de bedrijfsactiviteiten wordt veroorzaakt, als bedoeld in artikel 5.68, derde lid en artikel 5.68, vierde lid, wordt vastgesteld overeenkomstig de regels die in bijlage IVh bij de Omgevingsregeling zijn opgenomen.
Op de locatie 'bedrijventerrein Noord IV' is het gebruik als transportverdeelstation voor elektriciteit toegestaan. Onder het gebruik en bouwwerken als transportverdeelstation voor elektriciteit wordt verstaan het gebruik als nutsvoorziening voor het verdelen van de elektriciteit met behulp van schakelkasten, zonder daarbij gebruik te maken van transformatoren.
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van gebouwen ter plaatse van de locatie 'gebouw bouwen - Bedrijventerrein Noord IV'.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw te bouwen en/of te verbouwen.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, verbouwen of in stand houden van een gebouw worden de volgende gegevens en bescheiden ingediend:
Een omschrijving van de wijze waarop het aangevraagde bouwwerk passend in de omgeving is gemaakt.
Een omschrijving van de wijze waarop het aangevraagde bouwwerk in haar uiterlijke verschijningsvorm het beoogde gebruik tot uitdrukking laat komen.
Een beschrijving van de voor de bouw gebruikte materialen en de wijze waarop deze conceptueel passen bij en bruikbaar zijn voor de maatschappelijke realiteit.
Een beschrijving van de wijze waarop het uiterlijk van het aangevraagde bouwwerk een evenwichtige samenhang tussen helderheid en complexiteit heeft.
Een beschrijving van de samenhangend stelsel van maatverhoudingen van het bouwwerk.
Een beschrijving van de wijze waarop de gebruikte materialen, textuur en kleur het karakter van het bouwwerk ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving tot uitdrukking laat komen of de verwachte ontwikkeling daarvan duidelijk maakt.
Een precieze aanduiding van de locatie waarop het bouwwerk zal worden gebouwd.
Een beschrijving van de wijze waarop met de bouw van het bouwwerk wordt voorzien in voldoende wateropvang en natuurinclusief wordt gebouwd.
Een beschrijving van de wijze waarop het hemelwater van het bouwwerk wordt afgevoerd.
Een beschrijving van de wijze waarop bij de bouw van het gebouw wordt geborgd dat bij een regenbui met een intensiteit van 70 mm/h geen ernstige wateroverlast optreedt.
Het is verboden om een gebouw in stand te laten als daarvoor geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.70 is verleend.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.70 wordt alleen verleend als het aangevraagde bouwwerk passend is in de omgeving van dat bouwwerk. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van de Beleidsregel Uiterlijk van bouwwerken Bedrijventerrein Noord IV.
Bij de beoordeling als bedoeld in artikel 5.73, eerste lid wordt in ieder geval de relatie van het aangevraagde bouwwerk tot de aangrenzende openbare ruimte en andere gebouwen in de omgeving van dat bouwwerk betrokken.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.70 wordt alleen verleend als het beoogde gebruik van het aangevraagde bouwwerk tot uitdrukking komt in de uiterlijke verschijningsvorm van dat bouwwerk. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van de Beleidsregel Uiterlijk van bouwwerken Bedrijventerrein Noord IV.
Bij de beoordeling als bedoeld in artikel 5.74, eerste lid wordt in ieder geval de samenhang tussen vorm, beoogd gebruik en constructie, alsmede de onderlinge logica tussen de elementen betrokken.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.70 wordt alleen verleend als de gebruikte materialen conceptueel passen bij en bruikbaar zijn voor de maatschappelijke realiteit. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van de Beleidsregel Uiterlijk van bouwwerken Bedrijventerrein Noord IV.
Bij de beoordeling als bedoeld in artikel 5.75, eerste lid worden de verwijzingen en associaties naar heden, verleden en toekomst, alsmede het gebruik van die vormen in relatie tot de bouwstijl betrokken.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.70 wordt alleen verleend als het uiterlijk van het aangevraagde bouwwerk een evenwichtige samenhang tussen helderheid en complexiteit heeft. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van de Beleidsregel Uiterlijk van bouwwerken Bedrijventerrein Noord IV.
Bij de beoordeling als bedoeld in artikel 5.76, eerste lid worden elementen als symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en/of materiaal gebruik betrokken.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.70 wordt alleen verleend als het aangevraagde bouwwerk een voldoende samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van de Beleidsregel Uiterlijk van bouwwerken Bedrijventerrein Noord IV.
Bij de beoordeling als bedoeld in artikel 5.77, eerste lid wordt de samenhang en hiërarchie van elementen zoals gevelvlakken, hellende daken, maar ook toegevoegde elementen zoals een dakkapel of aanbouw) betrokken.
Niet vergunningplichtige onderdelen of elementen zoals vergunningvrij te plaatsen zonnecollectoren worden, voor zover zij bij de advisering zijn betrokken, bij de beoordeling van de aanvraag buiten beschouwing gelaten.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.70 wordt alleen verleend als de gebruikte materialen, textuur en kleur van het aangevraagde bouwwerk het karakter van het bouwwerk ondersteunen en bovendien de ruimtelijke samenhang van het bouwwerk met de omgeving daarin tot uitdrukking komt, of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van de Beleidsregel Uiterlijk van bouwwerken Bedrijventerrein Noord IV.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.70 wordt alleen verleend als voldoende zorg is besteed aan de bouwkundige detaillering. Of daar sprake van is wordt beoordeeld aan de hand van de Beleidsregel Uiterlijk van bouwwerken Bedrijventerrein Noord IV.
Bij de beoordeling als bedoeld in artikel 5.79, eerste lid wordt de onderlinge samenhang van de gebruikte materialen en bouwkundige constructies, alsmede de vormgeving- en eigenschappen van de gebruikte materialen, mede in relatie tot ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en de duurzame instandhouding van het gebouw, betrokken.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.70 wordt alleen verleend als het aangevraagde gebouw is gelegen op de locatie 'gebouw bouwen - Bedrijventerrein Noord IV'.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.70 wordt alleen verleend als op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van de beleidsregel Nota parkeernormen gemeente Meppel.
Met de omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 5.70 kan worden afgeweken van de eis, zoals opgenomen in artikel 5.81, eerste lid, in die zin dat parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden en voldoet aan de parkeernormen zoals opgenomen in de Nota parkeernormen gemeente Meppel, mits dit geen onevenredige gevolgen heeft voor de omgeving en wordt voldaan aan de in de Nota parkeernormen gemeente Meppel opgenomen regels en voorwaarden.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.70 wordt alleen verleend als de bouwhoogte van een gebouw maximaal 25 meter bedraagt.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.70 wordt alleen verleend als het bebouwingspercentage van een bedrijfsperceel minimaal 50% is.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.70 wordt alleen verleend als het bebouwingspercentage van een bedrijfsperceel maximaal 80% is.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.70 wordt alleen verleend als het van het gebouw af te voeren hemelwater niet in het vuilwaterriool wordt geloosd. Deze regel is alleen van toepassing indien ter plaatse een hemelwaterriool aanwezig is.
In aanvulling op het gesteld in artikel 5.85, eerste lid geldt dat de aangevraagde omgevingsvergunning wordt verleend als is aangetoond dat het hemelwater met maximaal 1,6 liter per seconde per hectare van het gebouw wordt afgevoerd.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.70 wordt alleen verleend als natuurinclusief wordt gebouwd. Hiervan is sprake als wordt voldaan aan het bepaalde in de volgende leden van dit artikel.
Natuurinclusief bouwen: Scholekster en Visdiefje. Aan gebouwen worden de volgende maatregelen getroffen:
Natuurinclusief bouwen: Huiszwaluw. Aan een gebouw met een overstek worden de volgende maatregelen getroffen:
onder de overstek of dakrand van een gebouw wordt een cluster van 5 zwaluwkommen aangebracht, waar mogelijk op een hoek of de kopse kant van een gebouw;
een zwaluwkomt wordt aan het gebouw aangebracht op een hoogte tussen 4 en 10 meter;
een zwaluwkom wordt aan de noordoostelijke zijde van het gebouw aangebracht;
onder een zwaluwkom is een vrije uitvliegruimte van minimaal 3 meter.
Indien een gebouw geen overstek heeft:
Natuurinclusief bouwen: Laatvlieger. Indien een gebouw een luchtspouw heeft wordt de spouw toegankelijk gemaakt voor vleermuizen op een minimale hoogte van 4 meter en dat moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
een open stootvoeg van minimaal 2,5 cm breed of een entreesteen met een opening van 18-20 mm hoog en minimaal 50 mm breed;
de spouw loopt door om de hoek of op minimaal twee windrichtingen zijn spouwmuren toegankelijk gemaakt;
de invliegopening mag niet worden verlicht;
de spouw is aan de binnenzijde minimaal aan één zijde met ruw materiaal of gripgaas bekleed.
Natuurinclusief bouwen: laatvlieger. Indien een gebouw geen luchtspouw heeft, wordt een verblijfsplek gemaakt op minimaal twee gevels op verschillende windrichtingen waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
er wordt een meerlaagse gevelbetimmering aangebracht op minimaal 4 meter hoogte, met een minimale afmeting van 100x50 cm (breedte x hoogte) en een minimale afstand tot de gevel van 2,5 cm;
minimaal één zijde van de ruimte achter de onder sub a bedoelde gevelbetimmering bestaat uit ruw materiaal;
de bovenzijde en zijkanten van de onder sub a bedoelde gevelbetimmering zijn dicht, aan de onderzijde bevindt zich de vliegopening;
de invliegopening mag niet worden verlicht.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.70 wordt op de locatie 'maximum diepte archeologie' alleen verleend als niet dieper wordt gebouwd dan de met maximum diepte archeologie aangegeven waarde.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.70 wordt op de locatie 'maximum oppervlakte archeologie' alleen verleend als niet groter wordt gebouwd dan de met 'maximum oppervlakte archeologie' aangegeven waarde.
Indien dieper wordt gebouwd dan aangegeven in artikel 5.87, eerste lid en indien het bebouwd oppervlak groter is dan aangegeven in artikel 5.87, tweede lid wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.70 alleen verleend als wordt voldaan in subparagraaf 7.1.5.5.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.70 wordt alleen verleend als is aangetoond dat bij een neerslagintensiteit van 80 mm/h geen ernstige wateroverlast binnen het gebouw ontstaat en er geen hemelwater van buiten het gebouw instroomt.
Deze subparagraaf is van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten op de locatie 'bedrijventerrein Noord IV'.
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater op de locatie 'bedrijventerrein Noord IV'.
In afwijking van het bepaalde in artikel 22.144 is het verboden om afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening op het vuilwaterriool te lozen.
In aanvulling op het bepaalde in artikel 5.60, eerste lid mag het afvloeiende hemelwater maximaal eenmaal per kalenderjaar gedurende een periode van maximaal 12 uur op het buitenterrein blijven staan tot maximaal 10 cm diep.
TT
Na artikel 6.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Bestaande gebruiksactiviteiten zijn toegestaan. Onder bestaand gebruik wordt verstaan: gebruik dat op het moment van vaststelling van het wijzigingsbesluit van het omgevingsplan legaal aanwezig was op grond van (het tijdelijke deel van) het omgevingsplan, een overgangsrechtelijke aanspraak of een onherroepelijke omgevingsvergunning.
UU
Het opschrift van artikel 6.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VV
Het opschrift van artikel 6.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WW
Artikel 6.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die ter plaatse van de locatie 'Nieuwe regelsnieuwe regels' een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:
het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;
het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en
het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
Het bepaalde in artikel 6.46.5, eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
XX
Het opschrift van artikel 6.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YY
Het opschrift van artikel 6.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZ
Het opschrift van artikel 6.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAA
Het opschrift van artikel 6.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBB
Het opschrift van artikel 6.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCC
Het opschrift van artikel 6.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDD
Artikel 6.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ondergeschikt aan de ter plaatse toegestane gebruiksactiviteiten zijn de volgende activiteiten, functies, bouwwerken en voorzieningen toegestaan:
groenvoorzieningen
erven, tuinen en terreinen;
nutsvoorzieningen
geluidwerende voorzieningen;
parkeervoorzieningen
groenvoorzieningen;
speelvoorzieningen
nutsvoorzieningen;
parkeervoorzieningen;
speelvoorzieningen;
voorzieningen ten behoeve van duurzame energie-opwek;
water en waterhuiskundige voorzieningen;
wegen, fiets- en voetpaden.
EEE
Artikel 6.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 5 is het verboden om een bouwwerk als bedoeld in artikel 7.33 te gebruiken.
In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 6 is het verboden om een bouwwerk als bedoeld in artikel 7.54, artikel 7.76, artikel 7.87 te gebruiken als voor dat bouwwerk niet een in dat artikel bedoelde omgevingsvergunning is verleend.
FFF
Het opschrift van artikel 6.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGG
Artikel 6.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die ter plaatse van de locatie 'Nieuwe regels' nieuwe regels de openbare ruimte gebruikt, is verplicht ervoor zorg te dragen dat de openbare ruimte voldoende toegankelijk is voor personen met een functiebeperking.
HHH
Na artikel 6.14 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk en hoofdstuk 5 worden de volgende gegevens aangeleverd:
situatietekening van de bestaande toestand;
situatietekening van de nieuwe toestand;
een toelichting op het beoogde gebruik;
de bruto inhoud van het gebouw dat wordt gebruikt voor een nieuwe functie;
de bruto vloeroppervlakte van het gebruik (zowel binnen de bebouwing als het bijbehorende terrein);
informatie over het aantal benodigde parkeerplaatsen.
III
Het opschrift van artikel 6.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJ
Het opschrift van artikel 6.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKK
Het opschrift van artikel 6.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLL
Het opschrift van artikel 6.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMM
Het opschrift van artikel 6.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNN
Het opschrift van artikel 6.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOO
Het opschrift van artikel 6.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPP
Het opschrift van artikel 6.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQ
Het opschrift van artikel 6.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRR
Het opschrift van artikel 6.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSS
Het opschrift van afdeling 6.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTT
Het opschrift van artikel 6.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUU
Het opschrift van artikel 6.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVV
Na paragraaf 6.3.1 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
WWW
Het opschrift van afdeling 6.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXX
Artikel 6.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden voor opslagactiviteiten, ter plaatse van de locatie 'huishoudelijke opslagactiviteiten - toegestaan'
Onder huishoudelijke opslagactiviteiten als bedoeld in deze subparagraafparagraaf wordt verstaan het gebruik van garageboxen en bergingen ten behoeve van de opslag van huishoudelijke materialen en -apparaten en de stalling van voertuigen.
YYY
Het opschrift van artikel 6.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZ
Na afdeling 6.4 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Deze paragraaf is van toepassing op het gebruik van gronden voor agrarische cultuurgrond, ter plaatse van de locatie 'agrarische activiteiten - toegestaan'.
Onder agrarische cultuurgrond wordt verstaan: grasland en akkerbouwgronden. Hieronder valt het weiden van veen en het telen van gewassen waarbij hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van open grond. Hieronder valt niet boomteelt, houtteelt, fruitteelt in boomgaarden en glastuinbouw.
AAAA
Het opschrift van afdeling 6.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBB
Voor paragraaf 6.5.1 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
De regels uit deze subparagraaf zijn van toepassing op het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten binnen de gemeente Meppel op de locatie 'nieuwe regels'.
Met uitzondering van locaties waarop dit op grond van de regels uit dit omgevingsplan of op grond van een daartoe verleende omgevingsvergunning expliciet is toegestaan, is het verboden bedrijfsactiviteiten uit te oefenen waarbij de gelegenheid wordt geboden om voertuigen of werktuigen te tanken met LPG zoals bedoeld in artikel 4.472 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een hyperscale datacentrum is niet toegestaan.
In afwijking van het bepaalde in deze afdeling, is het verboden bedrijfsgebouwen te gebruiken als bedrijfsverzamelgebouw met daarin units die kleiner zijn dan 250 m2. Deze regel is niet van toepassing op bestaand gebruik.
In afwijking van het bepaalde in deze paragaaf zijn op de locatie 'watergebonden bedrijven - toegestaan' geen nieuwe bedrijven toegestaan die niet watergebonden zijn. Wat wordt verstaan onder watergebonden bedrijven is opgenomen in paragraaf 6.6.8. Deze regel is niet van toepassing op bestaande bedrijven.
In afwijking van het bepaalde in deze afdeling geldt dat de volgende bedrijfsactiviteiten verboden zijn:
A1 Behandelen, regelen en meten van aardgas
A1a Tanken van LPG
A2 Tanken van CNG
A3 Opslaan van brandstoffen in bunkerstations
A4 Kleinschalig tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met brandstoffen
A5 Grootschalig tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met brandstoffen
A6 Mestvergistingsinstallatie (=gasopslag onder lage druk)
A7 Opslaan van propaan of propeen in opslagtanks
A9 Opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in bovengrondse opslagtanks
A10 Opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in ondergrondse opslagtanks
A11/B3 Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking
A12 Opslaan van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen
B2/E3 Opslagtank voor gassen
C1 Basisnet (een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen)
E4 Opslagtank voor vloeistoffen en tankcontainer of verpakking gebruikt als opslagtank voor vloeistoffen
E5 Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking
E7 Behandelen, regelen en meten van aardgas
E9 Opslag- en transportbedrijf, groothandel en containeroverslag: Seveso-hoeveelheid
E10 LNG: opslag- en transportbedrijf, groothandel en containeroverslag en tankstation
E 11 Mijnbouwwerk
E13 Spoorwegemplacementen
A12 Opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen indien het een oplegger met waterstof betreft(tubetrailer)
B5 Waterstof: opslag- en transportbedrijf, groothandel en containeroverslag en tankstation
E6 Seveso-inrichting
E12 Andere insluitsystemen
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de locatie 'bedrijfsactiviteiten - toegestaan'.
Op de locatie 'bedrijf tot en met categorie 2' zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan waarvan de geluidbelasting uitgedrukt in de dosismaat LAr,LT op een afstand van 10 meter van de begrenzing van de activiteit niet groter is dan 50 dB(A) als etmaalwaarde en de geurbelasting op een afstand van 50 meter van deze begrenzing niet groter is dan 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel. In afwijking van het gestelde in artikel 22.63, eerste lid van dit omgevingsplan geldt dat bij het uitoefenen van de bedrijfsactiviteiten de geluidbelasting niet groter mag zijn dan 50 dB(A) als etmaalwaarde voor het LAr,LT op een afstand van 50 meter van de begrenzing van de bedrijfsactiviteiten.
Op de locatie 'bedrijf tot en met categorie 3.1' zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan waarvan de geluidbelasting uitgedrukt in de dosismaat LAr,LT op een afstand van 30 meter van de begrenzing van de activiteit niet groter is dan 50 dB(A) als etmaalwaarde en de geurbelasting op een afstand van 50 meter van deze begrenzing niet groter is dan 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel. In afwijking van het gestelde in artikel 22.63, eerste lid van dit omgevingsplan geldt dat bij het uitoefenen van de bedrijfsactiviteiten de geluidbelasting niet groter mag zijn dan 50 dB(A) als etmaalwaarde voor het LAr,LT op een afstand van 50 meter van de begrenzing van de bedrijfsactiviteiten.
Op de locatie 'bedrijf tot en met categorie 3.2' zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan waarvan de geluidbelasting uitgedrukt in de dosismaat LAr,LT op een afstand van 50 meter van de begrenzing van de activiteit niet groter is dan 50 dB(A) als etmaalwaarde en de geurbelasting op een afstand van 50 meter van deze begrenzing niet groter is dan 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel. In afwijking van het gestelde in artikel 22.63, eerste lid van dit omgevingsplan geldt dat bij het uitoefenen van de bedrijfsactiviteiten de geluidbelasting niet groter mag zijn dan 50 dB(A) als etmaalwaarde voor het LAr,LT op een afstand van 50 meter van de begrenzing van de bedrijfsactiviteiten.
Op de locatie 'bedrijf tot en met categorie 4.1' zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan waarvan de geluidbelasting uitgedrukt in de dosismaat LAr,LT op een afstand van 100 meter van de begrenzing van de activiteit niet groter is dan 50 dB(A) als etmaalwaarde en de geurbelasting op een afstand van 50 meter van deze begrenzing niet groter is dan 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel. In afwijking van het gestelde in artikel 22.63, eerste lid van dit omgevingsplan geldt dat bij het uitoefenen van de bedrijfsactiviteiten de geluidbelasting niet groter mag zijn dan 50 dB(A) als etmaalwaarde voor het LAr,LT op een afstand van 50 meter van de begrenzing van de bedrijfsactiviteiten.
Op de locatie 'bedrijf tot en met categorie 4.2' zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan waarvan de geluidbelasting uitgedrukt in de dosismaat LAr,LT op een afstand van 150 meter van de begrenzing van de activiteit niet groter is dan 50 dB(A) als etmaalwaarde en de geurbelasting op een afstand van 50 meter van deze begrenzing niet groter is dan 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel. In afwijking van het gestelde in artikel 22.63, eerste lid van dit omgevingsplan geldt dat bij het uitoefenen van de bedrijfsactiviteiten de geluidbelasting niet groter mag zijn dan 50 dB(A) als etmaalwaarde voor het LAr,LT op een afstand van 50 meter van de begrenzing van de bedrijfsactiviteiten.
De geluidbelasting uitgedrukt in de dosismaat LAr,LT, die door de bedrijfsactiviteiten wordt veroorzaakt, wordt vastgesteld overeenkomstig de regels die in bijlage IVh bij de Omgevingsregeling zijn opgenomen.
CCCC
Het opschrift van paragraaf 6.5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDD
Het opschrift van subparagraaf 6.5.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEE
Het opschrift van artikel 6.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFF
Het opschrift van artikel 6.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGG
Het opschrift van subparagraaf 6.5.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHH
Het opschrift van artikel 6.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIII
Het opschrift van artikel 6.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJ
Het opschrift van subparagraaf 6.5.1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKK
Het opschrift van artikel 6.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLL
Het opschrift van artikel 6.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMM
Artikel 6.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.346.44 wordt een kwantitatieve onderbouwing aangeleverd waaruit blijkt dat de gevolgen van deze activiteit op de omgeving gelijk te stellen zijn aan de gevolgen van de activiteiten van milieucategorie 1 die in bijlage III zijn opgenomen.
NNNN
Artikel 6.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 6.346.44 wordt slechts verleend als:
de bedrijfsactiviteit naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met een bedrijfsactiviteit van milieucategorie 1 die is opgenomen in bijlage III:
hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
de woonsituatie;
de milieusituatie;
de verkeerssituatie; en
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen.
OOOO
Het opschrift van paragraaf 6.5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPP
Het opschrift van subparagraaf 6.5.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQ
Het opschrift van artikel 6.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRR
Het opschrift van artikel 6.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSS
Het opschrift van subparagraaf 6.5.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTT
Het opschrift van artikel 6.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUU
Het opschrift van artikel 6.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVV
Subparagraaf 6.5.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de locatie 'bedrijfsactiviteiten milieucategorie 2 - vergunningplicht'.
Onder bedrijfsactiviteiten milieucategorie 2 als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan:
Bedrijfsactiviteiten van milieucategorie 2 zijn verboden zonder omgevingsvergunning.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.426.52, wordt een kwantitatieve onderbouwing aangeleverd waaruit blijkt dat de gevolgen van deze activiteit op de omgeving gelijk te stellen zijn aan de gevolgen van de activiteiten van milieucategorie 2 die in bijlage III zijn opgenomen.
De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 6.426.52 wordt slechts verleend als:
de bedrijfsactiviteit naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met een bedrijfsactiviteit in milieucategorie 2 die is opgenomen in bijlage III;
hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
de woonsituatie;
de milieusituatie;
de verkeerssituatie; en
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen.
WWWW
Na subparagraaf 6.5.2.3 worden drie subparagrafen ingevoegd, luidende:
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de locatie 'industrieterrein Noord'.
Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan als de daarmee gepaarde geluidbelasting uitgedrukt in de dosismaten Lden en Lnight ter hoogte van de gpp-referentiepunten 'referentiepunten industrieterrein Noord III' niet hoger zijn dan de in de onderstaande tabel weergegeven waarden en de geurbelasting door de bedrijfsactiviteiten op een afstand van 50 meter van deze begrenzing niet groter is dan 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel. In afwijking van artikel 22.63 en artikel 22.71 van dit omgevingsplan zijn de in de onderstaande tabel opgenomen waarden ook van toepassing als geluidgrenswaarden voor het uitoefenen van deze bedrijfsactiviteiten.
|
Referentiepunt |
x-coördinaat |
y-coördinaat |
Lden in dB |
Lnight in dB |
|
001 |
209981,59 |
525771,03 |
46,4 |
36,4 |
|
002 |
210044,98 |
525712,41 |
46,4 |
36,4 |
|
003 |
210131,72 |
525725,93 |
48,9 |
38,9 |
|
004 |
210215,64 |
525758,13 |
50,3 |
40,3 |
|
005 |
210295,55 |
525797,52 |
47,9 |
37,9 |
|
006 |
210323,10 |
525879,76 |
47,3 |
37,3 |
|
007 |
210319,50 |
525969,57 |
47,1 |
37,1 |
|
008 |
210315,14 |
526059,32 |
45,9 |
35,9 |
|
009 |
210266,50 |
526130,56 |
45,4 |
35,4 |
|
010 |
210179,88 |
526131,93 |
48,6 |
38,6 |
|
011 |
210096,04 |
526099,54 |
53,3 |
43,3 |
|
012 |
210012,19 |
526067,16 |
51,7 |
41,7 |
|
013 |
209935,12 |
526023,61 |
47,3 |
37,3 |
|
014 |
209917,81 |
525939,02 |
46,4 |
36,4 |
|
015 |
209948,12 |
525854,44 |
46,9 |
36,9 |
In aanvulling op het gestelde in artikel 6.56, eerste lid, geldt als voorwaarde voor het mogen uitoefenen van bedrijfsactiviteiten dat de daarmee samenhangende geluidbelasting door aandrijfgeluid van transportmiddelen uitgedrukt in de dosismaat LAmax ter hoogte van omliggende geluidgevoelige gebouwen in de avond- en nachtperiode ten hoogste 70 dB(A) mag bedragen en de daarmee samenhangende geluidbelasting door overige activiteiten in de avond- en nachtperiode ten hoogste 65 dB(A) mag bedragen. Daarbij wordt onder de avondperiode de tijdsspanne tussen 19:00 en 23:00 uur verstaan en onder de nachtperiode de tijdsspanne tussen 23:00 en 07:00 uur. Ook tijdens het in bedrijf zijn van de toegelaten bedrijfsactiviteiten mogen deze grenswaarden niet worden overschreden.
Op het bepalen van het Lden en Lnight bedoeld in het eerste lid is artikel 3.21, lid 1 onder b van de Omgevingsregeling van toepassing.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de locatie 'industrieterrein Oevers'.
Op de locatie 'Oevers, kavels 45 dB(A) op 50 meter' zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan die op een afstand van 50 meter van de begrenzing van deze bedrijfsactiviteiten een geluidbelasting van ten hoogste 45 dB als waarde voor het Lden ten gevolg hebben en de geurbelasting door de bedrijfsactiviteiten op een afstand van 50 meter van deze begrenzing niet groter is dan 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel. De geluidbelasting van 45 dB voor het Lden op 50 meter van de begrenzing van het bedrijf en de geurlast van 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel gelden als grenswaarden voor het uitoefenen van deze bedrijfsactiviteiten in afwijking (voor wat betreft de geluidbelasting) van het gestelde in artikel 22.63 en artikel 22.71 van dit omgevingsplan.
Op de locatie 'Oevers, kavels 50 dB(A) op 50 meter' zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan die op een afstand van 50 meter van de begrenzing van deze bedrijfsactiviteiten een geluidbelasting van ten hoogste 50 dB als waarde voor het Lden tot gevolg hebben en de geurbelasting door de bedrijfsactiviteiten op een afstand van 50 meter van deze begrenzing niet groter is dan 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel. De geluidbelasting van 50 dB voor het Lden op 50 meter van de begrenzing van het bedrijf en de geurlast van 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel gelden als grenswaarden voor het uitoefenen van deze bedrijfsactiviteiten in afwijking (voor wat betreft de geluidbelasting) van het gestelde in artikel 22.63 en artikel 22.71 van dit omgevingsplan.
Op de locatie 'geluidquota Oevers' zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan waarvan de geluidbelasting uitgedrukt in de dosismaat Letmaal niet hoger is dan de geluidbelasting die hiervoor is vastgesteld zoals weergegeven in bijlage bijlage XIIIbij de regels van dit omgevingsplan en daarnaast de geurbelasting niet groter is dan 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingpercentiel op 50 meter van de grens van de bedrijfsactiviteit. De in deze bijlage opgenomen geluidquota gelden voor de met de omgevingsnorm 'geluidkavels Oevers' aangeduide kavels. Deze geluidquota gelden als geluidgrenswaarde voor het uitoefenen van deze bedrijfsactiviteiten in afwijking van het gestelde in artikel 22.63 en artikel 22.71 van dit omgevingsplan.
In aanvulling op het gestelde in artikel 6.58, eerste lid, geldt als voorwaarde voor het mogen uitoefenen van bedrijfsactiviteiten dat de daarmee samenhangende geluidbelasting door aandrijfgeluid van transportmiddelen uitgedrukt in de dosismaat LAmax ter hoogte van omliggende geluidgevoelige gebouwen in de avond- en nachtperiode ten hoogste 70 dB(A) mag bedragen en de daarmee samenhangende geluidbelasting door overige activiteiten in de avond- en nachtperiode ten hoogste 65 dB(A) mag bedragen. Daarbij wordt onder de avondperiode de tijdsspanne tussen 19:00 en 23:00 uur verstaan en onder de nachtperiode de tijdsspanne tussen 23:00 en 07:00 uur. Ook tijdens het in bedrijf zijn van de toegelaten bedrijfsactiviteiten mogen deze grenswaarden niet worden overschreden.
Op het bepalen van het Lden en Lnight bedoeld in artikel 6.58, eerste lid is artikel 3.21, lid 1 onder b van de Omgevingsregeling van toepassing.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de locatie 'industrieterrein Spijkerserve'.
Op de locatie 'industrieterrein Spijkerserve' zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan waarvan de geluidbelasting uitgedrukt in de dosismaat Lden en de geluidbelasting uitgedrukt in de dosismaat Lnight op de referentiepunten die in artikel 2.10 van dit omgevingsplan zijn vastgesteld niet hoger is dan de geluidbelasting die hiervoor is vastgesteld zoals weergegeven in bijlagen Geluidverkaveling Lden Spijkerserve.pdf’ en 'Geluidverkaveling Lnight Spijkerserve.pdf' bij de regels van dit omgevingsplan. De in deze bijlage opgenomen geluidquota gelden voor de met de 'geluidkavels Spijkerserve' aangeduide kavels. Deze geluidbelasting geldt ook als geluidgrenswaarde voor het uitoefenen van deze bedrijfsactiviteiten in afwijking van het gestelde in artikel 22.63 en artikel 22.71 van dit omgevingsplan.
In aanvulling op het gestelde in artikel 6.60, eerste lid geldt als aanvullende voorwaarde voor de toelaatbare bedrijfsactiviteiten dat de daarmee samenhangende geurbelasting op een afstand van 50 meter van de begrenzing van de bedrijfsmatige activiteiten niet groter is dan 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel.
In aanvulling op het gestelde in artikel 6.60, eerste lid, geldt als voorwaarde voor het mogen uitoefenen van bedrijfsactiviteiten dat de daarmee samenhangende geluidbelasting door aandrijfgeluid van transportmiddelen uitgedrukt in de dosismaat LAmax ter hoogte van omliggende geluidgevoelige gebouwen in de avond- en nachtperiode ten hoogste 70 dB(A) mag bedragen en de daarmee samenhangende geluidbelasting door overige activiteiten in de avond- en nachtperiode ten hoogste 65 dB(A) mag bedragen. Daarbij wordt onder de avondperiode de tijdsspanne tussen 19:00 en 23:00 uur verstaan en onder de nachtperiode de tijdsspanne tussen 23:00 en 07:00 uur. Ook tijdens het in bedrijf zijn van de toegelaten bedrijfsactiviteiten mogen deze grenswaarden niet worden overschreden.
Op het bepalen van het Lden en Lnight bedoeld in artikel 6.60, eerste lid is artikel 3.21, lid 1 onder b van de Omgevingsregeling van toepassing.
XXXX
Na paragraaf 6.5.2 worden vijf paragrafen ingevoegd, luidende:
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken ter plaatse van de locatie 'gasontvangststation - toegestaan'.
Onder een het gebruik voor een gasontvangststation als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan:
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor havenactiviteiten op de locatie 'havenactiviteiten - toegestaan'.
Onder havenactiviteiten als bedoeld in deze subparagraaf wordt bedoeld het gebruik van water ten behoeve van havens met de daarbijbehorende oevers en kaden.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een hoog- en middenspanningsstation ter plaatse van de locatie 'hoogspanningstation - toegestaan'.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor een vulpunt voor LPG op de locatie 'vulpunt LPG - toegestaan'.
Deze subparagraaf is van toepassing is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor watergebonden bedrijven ter plaatse van de locatie 'watergebonden bedrijven - toegestaan'.
Onder watergebonden bedrijven als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan bedrijven die voor hun bedrijfsvoering afhankelijk zijn van waterwegen en hun goederen en grondstoffen mede via het water vervoeren.
YYYY
Het opschrift van afdeling 6.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZ
Het opschrift van paragraaf 6.6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAA
Het opschrift van subparagraaf 6.6.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBB
Het opschrift van artikel 6.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCC
Het opschrift van artikel 6.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDD
Het opschrift van paragraaf 6.6.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEE
Het opschrift van subparagraaf 6.6.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFF
Het opschrift van artikel 6.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGG
Het opschrift van artikel 6.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHH
Het opschrift van paragraaf 6.6.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIII
Het opschrift van subparagraaf 6.6.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJ
Het opschrift van artikel 6.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKK
Het opschrift van artikel 6.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLL
Het opschrift van afdeling 6.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMM
Het opschrift van paragraaf 6.7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNN
Het opschrift van subparagraaf 6.7.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOO
Artikel 6.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandelsactiviteiten ter plaatse van de locatie 'detailhandelsactiviteiten - toegestaan'.
Onder detailhandelsactiviteiten als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen (geen motorbrandstoffen zijnde) aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of dienstverleningsactiviteit aan huis zoals bedoeld in subparagraaf 6.16.1.16.18.1.1, subparagraaf 6.16.1.26.18.1.2 en subparagraaf 6.16.3.16.18.3.1.
PPPPP
Het opschrift van artikel 6.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQ
Het opschrift van subparagraaf 6.7.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRR
Artikel 6.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandelsactiviteiten ter plaatse van de locatie 'detailhandelsactiviteiten op de begane grond - toegestaan'.
Onder detailhandelsactiviteiten als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen (geen motorbrandstoffen zijnde) aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of dienstverleningsactiviteit aan huis zoals bedoeld in Subparagraaf 6.16.1.1, Subparagraaf 6.16.1.2 en Subparagraaf 6.16.3.1.
Onder detailhandelsactiviteiten als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen (geen motorbrandstoffen zijnde) aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of dienstverleningsactiviteit aan huis zoals bedoeld in Subparagraaf 6.18.1.1, Subparagraaf 6.18.1.2 en Subparagraaf 6.18.3.1.
SSSSS
Het opschrift van artikel 6.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTT
Na paragraaf 6.7.1 worden twee paragrafen ingevoegd, luidende:
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandel in ABC-goederen op de locatie 'detailhandelsactiviteiten ABC goederen - toegestaan'.
Onder detailhandel in ABC-goederen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan volumineuze detailhandel in auto's, boten en caravans, machinerie ten behoeve van bedrijven en landbouwwerktuigen.
Detailhandel in ABC-goederen is toegestaan.
De gezamenlijke oppervlakte van een terrein en de bebouwing dat wordt gebruikt voor detailhandel in ABC goederen is minimaal de op de locatie 'minimum oppervlakte detailhandel ABC goederen' aangegeven oppervlakte.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandel in auto's op de locatie 'detailhandelsactiviteiten autobedrijf - toegestaan'.
Detailhandel in auto's is toegestaan.
De gezamenlijke oppervlakte van een terrein en de bebouwing dat wordt gebruikt voor detailhandel in auto's is minimaal de op de locatie 'minimum oppervlakte detailhandel autobedrijf' aangegeven oppervlakte.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandel in grove bouwmaterialen op de locatie 'detailhandelsactiviteiten grove bouwmaterialen - toegestaan'.
Onder detailhandel in grove bouwmaterialen als bedoeld in deze subparagraaf wordt ook verstaan detailhandel in overwegend grove bouwmaterialen.
Detailhandel in grove bouwmaterialen is toegestaan.
De gezamenlijke oppervlakte van een terrein en de bebouwing dat wordt gebruikt voor detailhandel in grove bouwmaterialen is minimaal de op de locatie 'minimum oppervlakte detailhandel grove bouwmaterialen' aangegeven oppervlakte.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandel in vaartuigen ter plaatse van de locatie 'detailhandelsactiviteiten vaartuigen - toegestaan'.
Onder detailhandelsactiviteiten vaartuigen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan detailhandel in vaartuigen en daarbij behorende accessoires.
Detailhandel in vaartuigen is toegestaan.
De gezamenlijke oppervlakte van een terrein en de bebouwing dat wordt gebruikt voor detailhandel in vaartuigen is minimaal de op de locatie 'minimum oppervlakte detailhandel vaartuigen' aangegeven oppervlakte.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor volumineuze detailhandel ter plaatse van de locatie 'detailhandelsactiviteiten volumineus - toegestaan'.
Onder volumineuze detailhandel als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan detailhandel die qua volumineuze aard van de goederen, gevaar en hinder of dagelijkse bevoorrading niet goed inpasbaar is in de bestaande winkelcentra, waar onder andere wordt begrepen:
Detailhandel in volumineuze goederen is toegestaan.
De oppervlakte van een gebouw die mag worden gebruikt voor volumineuze detailhandel is minimaal de op de locatie 'minimum oppervlakte detailhandel volumineus' aangegeven oppervlakte.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandel in motorbrandstoffen, inclusief LPG, ter plaatse van de locatie 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg - toegestaan'.
Onder een verkooppunt voor motorbrandstoffen met lpg als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan:
UUUUU
Het opschrift van afdeling 6.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVV
Het opschrift van paragraaf 6.8.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWW
Het opschrift van subparagraaf 6.8.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXX
Het opschrift van artikel 6.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYY
Het opschrift van artikel 6.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZ
Het opschrift van subparagraaf 6.8.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAA
Het opschrift van artikel 6.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBB
Het opschrift van artikel 6.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCC
Het opschrift van subparagraaf 6.8.1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDD
Het opschrift van artikel 6.59 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEE
Het opschrift van artikel 6.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFF
Het opschrift van artikel 6.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGG
Artikel 6.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.606.98 wordt alleen verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
de woonsituatie;
de milieusituatie;
de verkeerssituatie; en
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen.
HHHHHH
Het opschrift van afdeling 6.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIII
Het opschrift van afdeling 6.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJ
Het opschrift van paragraaf 6.10.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKK
Het opschrift van subparagraaf 6.10.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLL
Het opschrift van artikel 6.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMM
Het opschrift van artikel 6.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNN
Het opschrift van artikel 6.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOO
Het opschrift van paragraaf 6.10.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPP
Het opschrift van subparagraaf 6.10.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQ
Het opschrift van artikel 6.66 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRR
Het opschrift van artikel 6.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSS
Het opschrift van artikel 6.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTT
Het opschrift van artikel 6.69 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUU
Het opschrift van paragraaf 6.10.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVV
Het opschrift van subparagraaf 6.10.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWW
Het opschrift van artikel 6.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXX
Het opschrift van artikel 6.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYY
Het opschrift van artikel 6.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZ
Het opschrift van artikel 6.73 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAA
Het opschrift van afdeling 6.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBB
Het opschrift van paragraaf 6.11.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCC
Het opschrift van subparagraaf 6.11.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDD
Het opschrift van artikel 6.74 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEE
Het opschrift van artikel 6.75 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFF
Het opschrift van subparagraaf 6.11.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGG
Het opschrift van artikel 6.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHH
Het opschrift van artikel 6.77 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIII
Het opschrift van paragraaf 6.11.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJ
Het opschrift van subparagraaf 6.11.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKK
Het opschrift van artikel 6.78 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLL
Het opschrift van artikel 6.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMM
Het opschrift van subparagraaf 6.11.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNN
Het opschrift van artikel 6.80 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOO
Het opschrift van artikel 6.81 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPP
Het opschrift van paragraaf 6.11.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQ
Het opschrift van subparagraaf 6.11.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRR
Het opschrift van artikel 6.82 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSS
Het opschrift van artikel 6.83 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTT
Het opschrift van paragraaf 6.11.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUU
Het opschrift van subparagraaf 6.11.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVV
Artikel 6.84 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor terrasactiviteiten ter plaatse van de locatie 'terrasactiviteiten - toegestaan'.
Onder terrasactiviteiten als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan:
het gebruik van een terras ten behoeve van horeca-activiteiten als bedoeld in Paragraaf 6.11.16.12.1 tot en met paragraaf 6.11.36.12.3.
WWWWWWW
Het opschrift van artikel 6.85 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXX
Na afdeling 6.11 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor kantooractiviteiten ter plaatse van de locatie 'kantooractiviteiten - toegestaan'.
Kantooractiviteiten zijn toegestaan.
De oppervlakte van een gebouw die mag worden gebruikt voor kantooractiviteiten is maximaal de op de locatie 'maximum oppervlakte kantoren' aangegeven oppervlakte.
YYYYYYY
Het opschrift van afdeling 6.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZ
Het opschrift van paragraaf 6.12.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAA
Het opschrift van subparagraaf 6.12.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBB
Het opschrift van artikel 6.86 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCC
Het opschrift van artikel 6.87 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDD
Het opschrift van subparagraaf 6.12.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEE
Het opschrift van artikel 6.88 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFF
Het opschrift van artikel 6.89 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGG
Het opschrift van subparagraaf 6.12.1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHH
Het opschrift van artikel 6.90 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIII
Het opschrift van artikel 6.91 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJ
Het opschrift van artikel 6.92 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKK
Artikel 6.93 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 6.916.131 wordt slechts verleend als hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
de woonsituatie;
de milieusituatie;
de verkeerssituatie; en
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen.
LLLLLLLL
Het opschrift van paragraaf 6.12.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMM
Het opschrift van subparagraaf 6.12.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNN
Het opschrift van artikel 6.94 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOO
Het opschrift van artikel 6.95 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPP
Het opschrift van subparagraaf 6.12.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQ
Artikel 6.96 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor medische en sociaal-medische activiteiten op de begane grond ter plaatse van de locatie 'medische en sociaal-medische activiteiten op de begane grond - toegestaan'..
Onder medische en sociaal-medische activiteiten als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan:
het geheel van activiteiten dat is gericht op het opsporen van ziekten en het aanwijzen van geneesmiddelen, evenals het beoordelen van de participatie en/of zelfredzaamheid van de mens in het kader van een vanuit een medische aandoening aanwezige beperking.
medische en sociaal-medische activiteiten die naar aard en invloed gelijk te stellen zijn aan de activiteiten genoemd onder a
RRRRRRRR
Het opschrift van artikel 6.97 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSS
Het opschrift van subparagraaf 6.12.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTT
Artikel 6.98 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor medische en sociaal-medische activiteiten op de verdieping ter plaatse van de locatie 'medische en sociaal-medische activiteiten op de verdieping - vergunningplicht'.
Onder medische en sociaal-medische activiteiten als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan:
het geheel van activiteiten dat is gericht op het opsporen van ziekten en het aanwijzen van geneesmiddelen, evenals het beoordelen van de participatie en/of zelfredzaamheid van de mens in het kader van een vanuit een medische aandoening aanwezige beperking.
medische en sociaal-medische activiteiten die naar aard en invloed gelijk te stellen zijn aan de activiteiten genoemd onder a.
UUUUUUUU
Het opschrift van artikel 6.99 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVV
Het opschrift van artikel 6.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWW
Artikel 6.101 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.996.139 wordt slechts verleend als hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
de woonsituatie;
de milieusituatie;
de verkeerssituatie; en
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen.
XXXXXXXX
Het opschrift van paragraaf 6.12.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYY
Het opschrift van subparagraaf 6.12.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZ
Het opschrift van artikel 6.102 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAA
Het opschrift van artikel 6.103 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBB
Het opschrift van subparagraaf 6.12.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCC
Het opschrift van artikel 6.104 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDD
Het opschrift van artikel 6.105 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEE
Het opschrift van subparagraaf 6.12.3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFF
Het opschrift van artikel 6.106 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGG
Het opschrift van artikel 6.107 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHH
Het opschrift van artikel 6.108 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIII
Artikel 6.109 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 6.1076.147 wordt slechts verleend als hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
de woonsituatie;
de milieusituatie;
de verkeerssituatie; en
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen.
JJJJJJJJJ
Het opschrift van paragraaf 6.12.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKK
Het opschrift van subparagraaf 6.12.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLL
Het opschrift van artikel 6.110 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMM
Het opschrift van artikel 6.111 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNN
Het opschrift van subparagraaf 6.12.4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOO
Het opschrift van artikel 6.112 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPP
Het opschrift van artikel 6.113 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQ
Het opschrift van subparagraaf 6.12.4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRR
Het opschrift van artikel 6.114 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSS
Het opschrift van artikel 6.115 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTT
Het opschrift van artikel 6.116 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUU
Artikel 6.117 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 6.1156.155 wordt slechts verleend als hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
de woonsituatie;
de milieusituatie;
de verkeerssituatie; en
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen.
VVVVVVVVV
Het opschrift van paragraaf 6.12.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWW
Het opschrift van subparagraaf 6.12.5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXX
Het opschrift van artikel 6.118 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYY
Het opschrift van artikel 6.119 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZ
Het opschrift van subparagraaf 6.12.5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAA
Het opschrift van artikel 6.120 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBB
Het opschrift van artikel 6.121 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCC
Het opschrift van subparagraaf 6.12.5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDD
Het opschrift van artikel 6.122 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEE
Het opschrift van artikel 6.123 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFF
Het opschrift van artikel 6.124 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGG
Artikel 6.125 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 6.1236.163 wordt slechts verleend als hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
de woonsituatie;
de milieusituatie;
de verkeerssituatie; en
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen.
HHHHHHHHHH
Na paragraaf 6.12.5 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor begraven en cremeren op de locatie 'begraven, cremeren - toegestaan'.
IIIIIIIIII
Het opschrift van afdeling 6.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJ
Het opschrift van paragraaf 6.13.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKK
Het opschrift van subparagraaf 6.13.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLL
Artikel 6.126 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor dagrecreatieve activiteiten ter plaatse van de locatie 'dagrecreatieve activiteiten - toegestaan'.
Onder dagrecreatieve activiteiten als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan:
Onder dagrecreatieve activiteiten als bedoeld in deze subparagraaf wordt niet verstaan:
MMMMMMMMMM
Het opschrift van artikel 6.127 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNN
Het opschrift van paragraaf 6.13.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOO
Het opschrift van subparagraaf 6.13.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPP
Artikel 6.128 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatieve activiteiten ter plaatse van de locatie 'verblijfsrecreatieve activiteiten - toegestaan'.
Onder verblijfsrecreatieve activiteiten als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting is toegestaan.
activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting is toegestaan.
QQQQQQQQQQ
Het opschrift van artikel 6.129 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRR
Het opschrift van afdeling 6.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSS
Het opschrift van paragraaf 6.14.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTT
Het opschrift van subparagraaf 6.14.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUU
Het opschrift van artikel 6.130 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVV
Het opschrift van artikel 6.131 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWW
Het opschrift van subparagraaf 6.14.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXX
Het opschrift van artikel 6.132 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYY
Het opschrift van artikel 6.133 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZ
Het opschrift van subparagraaf 6.14.1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAA
Het opschrift van artikel 6.134 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBB
Het opschrift van artikel 6.135 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCC
Het opschrift van paragraaf 6.14.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDD
Het opschrift van subparagraaf 6.14.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEE
Het opschrift van artikel 6.136 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFF
Het opschrift van artikel 6.137 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGG
Het opschrift van afdeling 6.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHH
Het opschrift van paragraaf 6.15.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIII
Het opschrift van artikel 6.138 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJ
Het opschrift van artikel 6.139 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKK
Het opschrift van artikel 6.140 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLL
Het opschrift van artikel 6.141 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMM
Het opschrift van paragraaf 6.15.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNN
Het opschrift van subparagraaf 6.15.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOO
Het opschrift van artikel 6.142 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPP
Artikel 6.143 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Wonen is toegestaan.
Het aantal woningen op de locatie 'maximum aantal wooneenheden' is maximaal het aangegeven aantal.
In afwijking van het bepaalde in artikel 6.1436.185, tweede lid geldt dat maximaal het bestaande aantal woningen is toegestaan indien geen omgevingsnorm zoals bedoeld in dat lid is opgenomen.
QQQQQQQQQQQ
Het opschrift van paragraaf 6.15.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRR
Het opschrift van subparagraaf 6.15.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSS
Het opschrift van artikel 6.144 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTT
Artikel 6.145 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Wonen is uitsluitend op de verdieping toegestaan.
Het aantal woningen op de locatie 'maximum aantal wooneenheden' is maximaal het aangegeven aantal.
In afwijking van het bepaalde in artikel 6.1456.187, eerstetweede lid geldt dat maximaal het bestaande aantal woningen is toegestaan indien geen omgevingsnorm zoals bedoeld in dat lid is opgenomen.
UUUUUUUUUUU
Het opschrift van paragraaf 6.15.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVV
Het opschrift van subparagraaf 6.15.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWW
Het opschrift van artikel 6.146 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXX
Het opschrift van artikel 6.147 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYY
Het opschrift van artikel 6.148 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZ
Artikel 6.149 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.1476.189 wordt verleend als:
AAAAAAAAAAAA
Na subparagraaf 6.15.4.1 wordt een subparagraaf ingevoegd, luidende:
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor kamerbewoning ter plaatse van de locatie 'kamerbewoning - toegestaan'.
BBBBBBBBBBBB
Het opschrift van paragraaf 6.15.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCC
Het opschrift van subparagraaf 6.15.5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDD
Het opschrift van artikel 6.150 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEEE
Artikel 6.151 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bedrijfswonen is toegestaan als sprake is van maximaal één bedrijfswoning per bedrijf.
De gebruiksvloeroppervlakte ten behoeve van bedrijfswoneneen bedrijfswoning bedraagt ten hoogste maximaal 150 m2.
Het maximum aantal bedrijfswoningen is, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.195, eerste lid maximaal het op de locatie 'maximum aantal bedrijfswoningen' aangegeven aantal.
FFFFFFFFFFFF
Het opschrift van paragraaf 6.15.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGG
Het opschrift van subparagraaf 6.15.6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHH
Het opschrift van artikel 6.152 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIII
Het opschrift van artikel 6.153 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJ
Het opschrift van afdeling 6.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKK
Het opschrift van paragraaf 6.16.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLL
Het opschrift van subparagraaf 6.16.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMM
Het opschrift van artikel 6.154 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNN
Het opschrift van artikel 6.155 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOO
Het opschrift van subparagraaf 6.16.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPP
Het opschrift van artikel 6.156 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQ
Het opschrift van artikel 6.157 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRR
Het opschrift van artikel 6.158 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSS
Artikel 6.159 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 6.1576.201 wordt verleend als:
de bedrijfsmatige activiteiten alleen bij een woning en door de bewoner wordt uitgevoerd;
de oppervlakte ten behoeve van de bedrijfsmatige activiteiten maximaal 30% van de gebruiksvloeroppervlakte van de gebouwen bedraagt, tot een maximum van 45 m2;
het parkeren ten behoeve van de bedrijfsmatige activiteiten op eigen terrein plaatsvindt;
detailhandel uitsluitend als ondergeschikte nevenactiviteit plaatsvindt bij de uitoefening van een bedrijfsmatige activiteit aan huis.
TTTTTTTTTTTT
Het opschrift van subparagraaf 6.16.1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUU
Het opschrift van artikel 6.160 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVV
Het opschrift van artikel 6.161 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWW
Het opschrift van subparagraaf 6.16.1.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXX
Het opschrift van artikel 6.162 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYY
Het opschrift van artikel 6.163 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZ
Paragraaf 6.16.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor ondergeschikte detailhandel op de locatie 'ondergeschikte detailhandel - toegestaan'.
Ondergeschikte detailhandel is toegestaan.
Het percentage van het vloeroppervlakte dat mag worden gebruikt voor ondergeschikte detailhandel bedraagt maximaal het op de locatie 'maximum percentage ondergeschikte detailhandel' aangegeven percentage.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor ondergeschikte productiegebonden detailhandel op de locatie 'ondergeschikte productiegebonden detailhandel - toegestaan'.
Ondergeschikte productiegebonden detailhandel is toegestaan.
Het vloeroppervlakte dat mag worden gebruikt voor productiegebonden detailhandel bedraagt maximaal de op de locatie 'verkoopvloeroppervlakte productiegebonden detailhandel' aangegeven oppervlakte.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor ondergeschikte productiegebonden detailhandel op de locatie 'ondergeschikte productiegebonden detailhandel - vergunningplicht'.
Ondergeschikte productiegebonden detailhandel is verboden zonder vergunning.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.213, eerste lid wordt alleen verleend als wordt aangetoond dat een deel van het bedrijfsvloeroppervlak wordt gebruik voor de productiegebonden detailhandel.
AAAAAAAAAAAAA
Het opschrift van paragraaf 6.16.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBB
Het opschrift van subparagraaf 6.16.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCC
Het opschrift van artikel 6.164 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDD
Het opschrift van artikel 6.165 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEEEE
Het opschrift van paragraaf 6.16.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFF
Het opschrift van subparagraaf 6.16.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGG
Het opschrift van artikel 6.166 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHH
Het opschrift van artikel 6.167 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIII
Na paragraaf 6.16.4 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor ondergeschikte kantooractiviteiten op de locatie 'ondergeschikte kantooractiviteiten - toegestaan'.
Ondergeschikte kantooractiviteiten zijn toegestaan.
De oppervlakte van een gebouw die mag worden gebruikt voor ondergeschikte kantooractiviteiten is maximaal de op de locatie 'maximum oppervlakte kantoren' aangegeven oppervlakte.
JJJJJJJJJJJJJ
Het opschrift van paragraaf 6.16.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKK
Het opschrift van subparagraaf 6.16.5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLL
Het opschrift van artikel 6.168 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMM
Het opschrift van artikel 6.169 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNN
Na artikel 7.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Bestaande bouwwerken zijn toegestaan. Onder een bestaand bouwwerk wordt verstaan: een bouwwerk dat op het moment van vaststelling van het wijzigingsbesluit van het omgevingsplan legaal aanwezig was op grond van (het tijdelijke deel van) het omgevingsplan, een overgangsrechtelijke aanspraak of een onherroepelijke omgevingsvergunning.
OOOOOOOOOOOOO
Artikel 7.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bouwactiviteiten anders dan toegestaan in of op grond van hoofdstuk 5 en/of hoofdstuk 7 zijn verboden, met uitzondering van bestaande bouwwerken. Onder bestaande bouwwerken wordt verstaan: bouwwerken die aanwezig waren en toegestaan voor het tijdstip dat de (deel-)regeling rechtskracht heeft verkregen.
PPPPPPPPPPPPP
Het opschrift van artikel 7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQ
Het opschrift van artikel 7.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRR
Artikel 7.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold:
[Vervallen]
SSSSSSSSSSSSS
Na artikel 7.14 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 7.53 wordt slechts verleend als de beoogde gebruiksactiviteit voor het hoofdgebouw op grond van het bepaalde in Hoofdstuk 6, de provinciale omgevingsverordening en/of ingevolge een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1 lid 1 aanhef en onder a van de Omgevingswet is toegestaan op de locatie.
TTTTTTTTTTTTT
Het opschrift van artikel 7.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUU
Na artikel 7.15 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
VVVVVVVVVVVVV
Het opschrift van artikel 7.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWW
Het opschrift van artikel 7.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXX
Het opschrift van artikel 7.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYY
Het opschrift van artikel 7.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZ
Het opschrift van artikel 7.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAA
Het opschrift van artikel 7.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBB
Het opschrift van artikel 7.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCC
Paragraaf 7.1.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in paragraaf 5.1.4, Paragraaf 7.2.1 en Paragraaf 7.3.27.5.2 voor een gebouw, hoofdgebouw of een bijbehorend bouwwerk, zijnde een bodemgevoelig gebouw, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
als de kwaliteit van de bodemgevoelige locatie niet voldoet aan de grenswaarden die zijn opgenomen in bijlage IV bij dit omgevingsplan dan moeten bij de aanvraag ook gegevens en bescheiden zijn opgenomen die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in paragraaf 5.1.4, Paragraaf 7.2.1 en Paragraaf 7.3.27.5.2 wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn getroffen.
De omgevingsvergunning als bedoeld in paragraaf 5.1.4, Paragraaf 7.2.1, paragraaf 7.3.1, paragraaf 7.4.1 en Paragraaf 7.3.27.5.2 voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt alleen verleend als:
de kwaliteit van de bodem, volgens de onderzoeken bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet aan de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage IV bij dit omgevingsplan; of
de kwaliteit van de bodem, volgens de onderzoeken bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, weliswaar niet voldoet aan de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage IV bij dit omgevingsplan, maar er voldoende sanerende of andere beschermende maatregelen worden genomen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval voldoende als deze gelijk is aan een sanering van de bodem volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
De kwaliteit van de bodem is onvoldoende, als voor minimaal één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de grenswaarden voor de bodemkwaliteit opgenomen in bijlage IV bij dit omgevingsplan.
Artikel 7.257.27, tweede lid is niet van toepassing op de stof asbest, voor de stof asbest geldt dat de kwaliteit van de bodem onvoldoende is als de gemiddelde gemeten concentratie hoger is dan de grenswaarde voor de bodemkwaliteit zoals opgenomen in bijlage IV bij dit omgevingsplan.
DDDDDDDDDDDDDD
Het opschrift van artikel 7.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEEEEE
Na artikel 7.26 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 7.53, artikel 7.75, artikel 7.86 of artikel 7.99 wordt op de locatie beeldbepalend pand slechts verleend als de bouwactiviteit in overeenstemming is met het belang van het behoud van de beeldbepalende waarden van het beeldbepalend pand.
Bij de beslissing op de aanvraag als bedoeld in artikel 7.29, eerste lid wordt rekening gehouden met de volgende beginselen:
FFFFFFFFFFFFFF
Artikel 7.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op de locatie 'bouwhistorische verwachting' wordt bij de aanvraag omgevingsvergunning een bouwhistorisch onderzoeksrapport overlegd, waarin de bouwhistorische waarden van de gebouwdelen, die zijn betrokken bij de aanvraag, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.
De in artikel 7.277.30, eerste lid beschreven verplichting tot het aanleveren van een bouwhistorisch onderzoeksrapport geldt niet indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders op voorhand is vastgesteld dat bouwhistorische waarden niet aanwezig zijn of voldoende gedocumenteerd zijn.
GGGGGGGGGGGGGG
Na artikel 7.27 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.53, artikel 7.75, artikel 7.86 en artikel 7.99 wordt op de locatie 'bouwhistorische verwachting' alleen verleend als de bouwhistorische waarde van een gebouw niet op onaanvaardbare wijze wordt verstoord. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van een bouwhistorisch rapport als bedoeld in artikel 7.30.
HHHHHHHHHHHHHH
Het opschrift van artikel 7.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIII
Na subparagraaf 7.1.5.2 wordt een subparagraaf ingevoegd, luidende:
De regels in deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten op de locatie 'omgeving van het monument'.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.53, artikel 7.75 of artikel 7.86 wordt in afwijking van de beoordelingsregels over de maximum bouwhoogte zoals opgenomen in artikel 7.65, artikel 7.80 en artikel 7.93, op de locatie 'omgeving van het monument - zone 1' alleen verleend als de bouwhoogte van een gebouw, hoofdgebouw of bedrijfswoning niet meer bedraagt dan 1x de bouwhoogte van het naastgelegen beeldbepalend pand, gemeentelijk monument of provinciaal monument.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.53, artikel 7.75 of artikel 7.86 wordt in afwijking van de beoordelingsregels over de maximum bouwhoogte zoals opgenomen in artikel 7.65, artikel 7.80 en artikel 7.93, op de locatie 'omgeving van het monument - zone 2' alleen verleend als de bouwhoogte van een gebouw, hoofdgebouw of bedrijfswoning niet meer bedraagt dan 1,5x de bouwhoogte van het naastgelegen beeldbepalend pand, gemeentelijk monument of provinciaal monument.
JJJJJJJJJJJJJJ
Artikel 7.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt op de locatie 'molenbiotoop' alleen verleend als:
het zicht op de molen en de waarde van de molen als cultuurhistorisch en landschappelijk element door het bouwwerk niet vermindert; en
het bouwwerk geen negatieve invloed heeft, ook niet in samenhang met andere voorgenomen of gerealiseerde activiteiten, op het huidige of toekomstige functioneren van de molen als werktuig, voor zover het betreft een vermindering van de windvang van de molen.
KKKKKKKKKKKKKK
Subparagraaf 7.1.5.3 wordt geplaatst na subparagraaf 7.1.5.4. Subparagraaf 7.1.5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels van deze subparagraaf zijn van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van de locatie 'te verwachten archeologisch monument'.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in paragraaf 5.1.4, Paragraaf 7.2.1, paragraaf 7.4.1 en Paragraaf 7.3.27.5.2 voor een gebouw, hoofdgebouw, bedrijfswoning of een bijbehorend bouwwerk, op de locatie 'te verwachten archeologisch monument' worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
funderingstekeningen;
als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving;
als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek;
als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.53, artikel 7.75, artikel 7.86 of artikel 7.99 wordt op de locatie 'maximum diepte archeologie' alleen verleend als niet dieper wordt gebouwd dan de aangegeven waarde.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.53, artikel 7.75, artikel 7.86 of artikel 7.99 wordt op de locatie 'maximum oppervlakte archeologie' alleen verleend indien het bebouwd oppervlak kleiner is dan of gelijk is aan de aangegeven oppervlakte.
Indien dieper wordt gebouwd dan aangegeven in artikel 7.38, eerste lid en indien het bebouwd oppervlak groter is dan aangegeven in artikel 7.38, tweede lid wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.38, eerste lid alleen verleend als wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 7.38, vierde lid.
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 7.38, eerste lid wordt alleen verleend als:
uit het bij de aanvraag gevoegde rapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet of niet onevenredig wordt geschaad;
de archeologische waarde van het te verwachten archeologisch monument kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 7.35 of artikel 7.71 wordt slechts verleend als:
uit het bij de aanvraag gevoegde rapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet of niet onevenredig wordt geschaad;
de archeologische waarde van het te verwachten archeologisch monument kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
Aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in of op een te verwachten archeologisch monument kunnen, in het belang van de archeologische monumentenzorg, in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:
het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;
het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en
het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.
LLLLLLLLLLLLLL
Na paragraaf 7.1.5 worden drie paragrafen ingevoegd, luidende:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.53, artikel 7.75, artikel 7.86 of artikel 7.99 wordt alleen verleend als het uiterlijk van bouwwerken voldoet aan de artikelen in deze paragraaf.
Of sprake is van het bepaalde in de artikelen in deze paragraaf wordt op de locatie 'Binnenstad en Centrumschil' beoordeeld aan de hand van de beleidsregel Welstandsnota Binnenstad & Centrumschil.
Of sprake is van het bepaalde in de artikelen in deze paragraaf wordt op de locatie 'industrie- en bedrijventerreinen' beoordeeld aan de hand van de beleidsregel Welstandsnota Meppel.
Of sprake is van het bepaalde in de artikelen in deze paragraaf wordt op de locatie 'Noordeinde, De Boompjes en Molenhoek' beoordeeld aan de hand van de beleidsregel Welstandsnota Meppel.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.53 wordt slechts verleend als het aangevraagde bouwwerk passend is in de omgeving van dat bouwwerk.
Bij de beoordeling als bedoeld in artikel 7.41, eerste lid wordt in ieder geval de relatie van het aangevraagde bouwwerk tot de aangrenzende openbare ruimte en andere gebouwen in de omgeving van dat bouwwerk betrokken.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.53 wordt slechts verleend als het beoogde gebruik van het aangevraagde bouwwerk tot uitdrukking komt in de uiterlijke verschijningsvorm van dat bouwwerk.
Bij de beoordeling als bedoeld in artikel 7.42, eerste lid wordt in ieder geval de samenhang tussen vorm, beoogd gebruik en constructie, alsmede de onderlinge logica tussen de elementen betrokken.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.53 wordt slechts verleend als de gebruikte materialen conceptueel passen bij en bruikbaar zijn voor de maatschappelijke realiteit.
Bij de beoordeling als bedoeld in artikel 7.43, eerste lid worden de verwijzingen en associaties naar heden, verleden en toekomst, alsmede het gebruik van die vormen in relatie tot de bouwstijl betrokken.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.53 wordt slechts verleend als het uiterlijk van het aangevraagde bouwwerk een evenwichtige samenhang tussen helderheid en complexiteit heeft.
Bij de beoordeling als bedoeld in artikel 7.44, eerste lid worden elementen als symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en/of materiaal gebruik betrokken.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.53 wordt slechts verleend als het aangevraagde bouwwerk een voldoende samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft.
Bij de beoordeling als bedoeld in artikel 7.45, eerste lid wordt de samenhang en hiërarchie van elementen zoals gevelvlakken, hellende daken, maar ook toegevoegde elementen zoals een dakkapel of aanbouw betrokken.
Niet vergunningplichtige onderdelen of elementen zoals vergunningvrij te plaatsen zonnecollectoren worden, voor zover zij bij de advisering zijn betrokken, bij de beoordeling van de aanvraag buiten beschouwing gelaten.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.53 wordt slechts verleend als de gebruikte materialen, textuur en kleur van het aangevraagde bouwwerk het karakter van het bouwwerk ondersteunen en bovendien de ruimtelijke samenhang van het bouwwerk met de omgeving daarin tot uitdrukking komt, of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.53 wordt slechts verleend als voldoende zorg is besteed aan de bouwkundige detaillering.
Bij de beoordeling als bedoeld in artikel 7.47, eerste lid wordt de onderlinge samenhang van de gebruikte materialen en bouwkundige constructies, alsmede de vormgeving- en eigenschappen van de gebruikte materialen, mede in relatie tot ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en de duurzame instandhouding van het gebouw, betrokken.
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met de eisen zoals opgenomen in artikel 7.41, artikel 7.42, artikel 7.43, artikel 7.44, artikel 7.45, artikel 7.46 en artikel 7.47, beoordeeld volgens de criteria van beleidsregels zoals genoemd in artikel 7.40:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.53, artikel 7.75, artikel 7.86 of artikel 7.99 wordt op de locaties 'hoogspanningstransportnet bovengronds - beperkingengebied 1' alleen verleend als de bouwactiviteiten geen onevenredig negatieve gevolgen hebben voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de hoogspanningsinfrastructuur.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.53, artikel 7.75 en artikel 7.86 wordt alleen verleend als natuurinclusief wordt gebouwd. Hiervan is sprake als wordt voldaan aan het bepaalde in de op de locatie van toepassing zijnde leden van dit artikel.
Op de locatie 'natuurinclusief bouwen - Gewone dwergvleermuis' gelden voor een nieuw te bouwen gebouw dat is voorzien van een luchtspouw de volgende regels:
de spouw wordt toegankelijk gemaakt voor vleermuizen op een minimale hoogte van 4 meter breed op de volgende wijze:
een open stootvoeg van minimaal 1,5 cm breed of een ingebouwde entreesteen met een opening van 16-20 mm hoog en minimaal 50 mm breed;
de spouw loopt door om de hoek of op minimaal twee windrichtingen zijn spouwmuren toegankelijk gemaakt;
de invliegopening mag niet worden voorzien van verlichting;
de spouw is aan de binnenzijde minimaal aan één zijde met ruw materiaal of gripgaas bekleed.
Op de locatie 'natuurinclusief bouwen - Gewone dwergvleermuis' gelden voor een nieuw te bouwen gebouw dat niet is voorzien van een luchtspouw de volgende regels:
er wordt een verblijfsplek gerealiseerd op minimaal 2 gevels op verschillende windrichtingen door middel van:
het aanbrengen van een meerlaagse gevelbetimmering op minimaal 4 meter hoogte, met een minimale afmeting van 100x50 cm (breedte x hoogte) en een minimale afstand tot de gevel van 2 cm;
tenminste 1 zijde van de ruimte achter de betimmering moet bestaan uit ruw materiaal;
de bovenzijde en zijkanten van de gevelbetimmering is dicht, aan de onderzijde bevindt zich de invliegopening;
de invliegopening wordt niet voorzien van verlichting.
Op de locatie 'natuurinclusief bouwen - Huiszwaluw' gelden voor een nieuw te bouwen gebouw dat is voorzien van een overstek de volgende regels:
onder de overstek of dakrand van een gebouw wordt een cluster van 5 zwaluwkommen aangebracht, waar mogelijk op een hoek of de kopse kant van een gebouw;
een zwaluwkomt wordt aan het gebouw aangebracht op een hoogte tussen 4 en 10 meter;
een zwaluwkom wordt aan de noordoostelijke zijde van het gebouw aangebracht;
onder een zwaluwkom is een vrije uitvliegruimte van minimaal 3 meter.
Op de locatie 'natuurinclusief bouwen - Huiszwaluw' gelden voor een nieuw te bouwen gebouw dat niet is voorzien van een overstek de volgende regels:
Op de locatie 'natuurinclusief bouwen - Laatvlieger' gelden voor een nieuw te bouwen gebouw dat is voorzien van een luchtspouw de volgende regels:
de spouw wordt toegankelijk gemaakt voor vleermuizen op een minimale hoogte van 4 meter breed op de volgende wijze:
een open stootvoeg van minimaal 2,5 cm breed of een ingebouwde entreesteen met een opening van 18-20 mm hoog en minimaal 50 mm breed;
de spouw loopt door om de hoek of op minimaal twee windrichtingen zijn spouwmuren toegankelijk gemaakt;
de invliegopening mag niet worden voorzien van verlichting;
de spouw is aan de binnenzijde minimaal aan één zijde met ruw materiaal of gripgaas bekleed.
Op de locatie 'natuurinclusief bouwen - Laatvlieger' gelden voor een nieuw te bouwen gebouw dat niet is voorzien van een luchtspouw de volgende regels:
er wordt een verblijfsplek gerealiseerd op minimaal 2 gevels op verschillende windrichtingen door middel van:
het aanbrengen van een meerlaagse gevelbetimmering op minimaal 4 meter hoogte, met een minimale afmeting van 100x50 cm (breedte x hoogte) en een minimale afstand tot de gevel van 2,5 cm;
tenminste 1 zijde van de ruimte achter de betimmering moet bestaan uit ruw materiaal;
de bovenzijde en zijkanten van de gevelbetimmering is dicht, aan de onderzijde bevindt zich de invliegopening;
de invliegopening wordt niet voorzien van verlichting.
Op de locatie 'natuurinclusief bouwen - Meervleermuis' gelden voor een nieuw te bouwen gebouw dat is voorzien van een luchtspouw de volgende regels:
de spouw wordt toegankelijk gemaakt voor vleermuizen op een hoogte van minimaal 4 meter, door middel van:
een open stootvoeg van minimaal 2,5 cm breed of een entreesteen met een opening van 18-20 cm hoog en minimaal 50 mm breed;
de spouw loopt door om de hoek of op minimaal 2 windrichtingen zijn spouwmuren toegankelijk gemaakt;
de invliegopening wordt niet voorzien van verlichting;
de spouw is aan de binnenzijde aan minimaal 1 zijde voorzien van ruw materiaal of gripgaas.
Op de locatie 'natuurinclusief bouwen - Meervleermuis' gelden voor een nieuw te bouwen gebouw dat niet is voorzien van een luchtspouw, maar wel een dilatatievoeg heeft tussen 2 gebouwdelen, de volgende regels:
Op de locatie 'natuurinclusief bouwen - Meervleermuis' gelden voor een nieuw te bouwen gebouw dat niet is voorzien van een luchtspouw of een dilatatievoeg, de volgende regels:
er wordt een verblijfsplek gerealiseerd op minimaal 2 gevels op verschillende windrichtingen door middel van het aanbrengen van een meerlaagse gevelbetimmering op een hoogte van minimaal 4 meter, met een minimale afmeting van 100x50 cm (breedte x hoogte) en een afstand tot de gevel van minimaal 2,5 cm;
minimaal 1 zijde van de ruimte achter de betimmering moet worden voorzien van ruw materiaal;
de bovenzijde en zijkanten van de gevelbetimmering zijn dicht, aan de onderzijde wordt de invliegopening gerealiseerd;
de invliegopening wordt niet voorzien van verlichting.
Op de locatie 'natuurinclusief bouwen - Scholekster en Visdiefje' gelden voor een nieuw te bouwen gebouw de volgende regels:
Op de locatie 'natuurinclusief bouwen - Zware roodstraart' gelden voor een nieuw te bouwen gebouw de volgende regels:
MMMMMMMMMMMMMM
Het opschrift van artikel 7.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNN
Artikel 7.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOO
Het opschrift van artikel 7.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPP
Artikel 7.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om een hoofdgebouw in stand te houden als daarvoor geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.357.53 verleend is.
QQQQQQQQQQQQQQ
Artikel 7.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.357.53 wordt slechts alleen verleend als het aangevraagde bouwwerk is gelegen ter plaatse van de locatie 'hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht'.
RRRRRRRRRRRRRR
Artikel 7.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.35 wordt slechts verleend als het aangevraagde bouwwerk passend is in de omgeving van dat bouwwerk. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van de beleidsregel Welstandsnota Binnenstad & Centrumschil.
Bij de beoordeling als bedoeld in artikel 7.38, eerste lid wordt in ieder geval de relatie van het aangevraagde bouwwerk tot de aangrenzende openbare ruimte en andere gebouwen in de omgeving van dat bouwwerk betrokken.
[Vervallen]
SSSSSSSSSSSSSS
Artikel 7.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.357.53 wordt slechts alleen verleend als op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van de beleidsregel Nota parkeernormen gemeente Meppel.
Met de omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 7.357.53 kan worden afgeweken van de eis, zoals opgenomen in artikel 7.457.56, eerste lid, in die zin dat parkeren op eigen erf terrein dient plaats te vinden en voldoet aan de parkeernormen zoals opgenomen in de Nota parkeernormen gemeente Meppel, mits dit geen onevenredige gevolgen heeft voor de omgeving en wordt voldaan aan de in de Nota parkeernormen gemeente Meppel opgenomen regels en voorwaarden.
TTTTTTTTTTTTTT
Artikel 7.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.35 wordt slechts verleend als het beoogde gebruik van het aangevraagde bouwwerk tot uitdrukking komt in de uiterlijke verschijningsvorm van dat bouwwerk. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van de beleidsregel Welstandsnota Binnenstad & Centrumschil.
Bij de beoordeling als bedoeld in artikel 7.39, eerste lid wordt in ieder geval de samenhang tussen vorm, beoogd gebruik en constructie, alsmede de onderlinge logica tussen de elementen betrokken.
[Vervallen]
UUUUUUUUUUUUUU
Artikel 7.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.357.53 wordt op de locatie 'Voorstraat en woldstraat' alleen verleend indien het hoofdgebouw is voorzien van een dwarskap.
VVVVVVVVVVVVVV
Artikel 7.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.35 wordt slechts verleend als de gebruikte materialen conceptueel passen bij en bruikbaar zijn voor de maatschappelijke realiteit. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van de beleidsregel Welstandsnota Binnenstad & Centrumschil.
Bij de beoordeling als bedoeld in artikel 7.40, eerste lid worden de verwijzingen en associaties naar heden, verleden en toekomst, alsmede het gebruik van die vormen in relatie tot de bouwstijl betrokken.
[Vervallen]
WWWWWWWWWWWWWW
Artikel 7.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.357.53 wordt op de locatie 'gemeentelijk beschermd stadsgezicht' alleen verleend als de bestaande nokrichting niet wordt gewijzigd.
XXXXXXXXXXXXXX
Artikel 7.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.35 wordt slechts verleend als het uiterlijk van het aangevraagde bouwwerk een evenwichtige samenhang tussen helderheid en complexiteit heeft. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van de beleidsregel Welstandsnota Binnenstad & Centrumschil.
Bij de beoordeling als bedoeld in artikel 7.41, eerste lid worden elementen als symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en/of materiaal gebruik betrokken.
[Vervallen]
YYYYYYYYYYYYYY
Artikel 7.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.357.53 wordt op de locatie 'Indische buurt west' en 'Oude Indische buurt' alleen verleend als het hoofdgebouw wordt voorzien van een zadeldak als het bestaande hoofdgebouw of de naastgelegen hoofdgebouwen ook zijn voorzien van een zadeldak.
ZZZZZZZZZZZZZZ
Artikel 7.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.35 wordt slechts verleend als het aangevraagde bouwwerk een voldoende samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van de beleidsregel Welstandsnota Binnenstad & Centrumschil.
Bij de beoordeling als bedoeld in artikel 7.42, eerste lid wordt de samenhang en hiërarchie van elementen zoals gevelvlakken, hellende daken, maar ook toegevoegde elementen zoals een dakkapel of aanbouw betrokken.
Niet vergunningplichtige onderdelen of elementen zoals vergunningvrij te plaatsen zonnecollectoren worden, voor zover zij bij de advisering zijn betrokken, bij de beoordeling van de aanvraag buiten beschouwing gelaten.
[Vervallen]
AAAAAAAAAAAAAAA
Artikel 7.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.357.53 wordt op de locatie 'Indische buurt west' en 'Oude Indische buurt' alleen verleend als het hoofdgebouw wordt voorzien van een schilddak als het bestaande hoofdgebouw of de naastgelegen hoofdgebouwen zijn voorzien van een schilddak.
BBBBBBBBBBBBBBB
Artikel 7.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.35 wordt slechts verleend als de gebruikte materialen, textuur en kleur van het aangevraagde bouwwerk het karakter van het bouwwerk ondersteunen en bovendien de ruimtelijke samenhang van het bouwwerk met de omgeving daarin tot uitdrukking komt, of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van de beleidsregel Welstandsnota Binnenstad & Centrumschil.
[Vervallen]
CCCCCCCCCCCCCCC
Artikel 7.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 7.467.57, artikel 7.487.59 en artikel 7.497.60, geldt dat de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.357.53 op de locatie 'gemeentelijk beschermd stadsgezicht' alleen wordt verleend als de bestaande kapvorm niet wordt gewijzigd.
DDDDDDDDDDDDDDD
Artikel 7.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.35 wordt slechts verleend als voldoende zorg is besteed aan de bouwkundige detaillering. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van de beleidsregel Welstandsnota Binnenstad & Centrumschil.
Bij de beoordeling als bedoeld in artikel 7.44, eerste lid wordt de onderlinge samenhang van de gebruikte materialen en bouwkundige constructies, alsmede de vormgeving- en eigenschappen van de gebruikte materialen, mede in relatie tot ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en de duurzame instandhouding van het gebouw, betrokken.
[Vervallen]
EEEEEEEEEEEEEEE
Artikel 7.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.357.53 wordt op de locatie 'minimum dakhelling hoofdgebouw' slechts alleen verleend als de dakhelling van het hoofdgebouw minimaal de aangegeven dakhelling is.
FFFFFFFFFFFFFFF
Artikel 7.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.357.53 wordt op de locatie 'maximum dakhelling hoofdgebouw' alleen verleend als de dakhelling van het hoofdgebouw maximaal de aangegeven dakhelling is.
GGGGGGGGGGGGGGG
Artikel 7.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.357.53 wordt op de locatie 'maximum goothoogte hoofdgebouw' alleen verleend als de goothoogte van het hoofdgebouw maximaal de aangegeven hoogte is.
HHHHHHHHHHHHHHH
Artikel 7.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.357.53 wordt op de locatie 'maximum bouwhoogte hoofdgebouw' alleen verleend als de bouwhoogte van het hoofdgebouw maximaal de aangegeven hoogte is.
IIIIIIIIIIIIIII
Artikel 7.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.357.53 wordt op locatie 'gevellijn hoofdgebouw' alleen verleend als het hoofdgebouw op de gevellijn van de belendende gebouwen wordt gebouwd.
JJJJJJJJJJJJJJJ
Artikel 7.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.357.53 op de locatie 'molenbiotoop' wordt alleen verleend indien de bouwhoogte van het hoofdgebouw niet groter is dan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen vermeerderd met 1/30 van de afstand tussen het bouwwerk en de molen.
KKKKKKKKKKKKKKK
Artikel 7.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.357.53 wordt op de locatie 'minimum breedte hoofdgebouw' alleen verleend als de breedte van het hoofdgebouw minimaal de aangegeven breedte is.
LLLLLLLLLLLLLLL
Artikel 7.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.357.53 wordt op de locatie 'gemeentelijk beschermd stadsgezicht' alleen verleend als bij het samenvoegen van bestaande panden de parcellering in stand blijft, dan wel niet meer dan 7 meter bedraagt.
MMMMMMMMMMMMMMM
Artikel 7.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.357.53 wordt op de locatie 'rijksbeschermd stadsgezichtstads- of dorpsgezicht' slechtsalleen verleend als aan de bebouwing geen verandering wordt aangebracht in de bestaande situatie ten aanzien van de volgende karakteristiek en kenmerken:
NNNNNNNNNNNNNNN
Het opschrift van artikel 7.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOO
Artikel 7.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.647.71 wordt op de locatie 'historische binnenstad', 'Voorstraat en woldstraat' en 'Indische buurt west' alleen verleend als geen sprake is van aantasting van de cultuurhistorische waarden van het gemeentelijk beschermd stadsgezicht.
In afwijking van artikel 7.657.72, eerste lid geldt dat het toevoegen van een bouwlaag op de locatie ‘beeldbepalend pand', ‘gemeentelijk monument', ‘provinciaal monument’ en ‘rijksmonument’ niet is toegestaan.
In ieder geval is geen sprake van aantasting van de cultuurhistorische waarden, zoals bedoeld in artikel 7.72, eerste lid, als het hoofdgebouw voldoet aan de navolgendevolgende eisen:
In aanvulling op artikel 7.657.72, eerste lid geldt dat de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.647.71 alleen wordt verleend als het hoofdgebouw is voorzien van een kap.
PPPPPPPPPPPPPPP
Artikel 7.59 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.35 wordt op de locatie maximum diepte archeologie alleen verleend als niet dieper wordt gebouwd dan de met maximum diepte archeologie aangegeven waarde.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.35 wordt op de locatie maximum oppervlakte archeologie alleen verleend indien het bebouwd oppervlak kleiner is dan of gelijk is aan de met maximum oppervlakte archeologie aangegeven oppervlakte.
Indien dieper wordt gebouwd dan aangegeven in artikel 7.59, eerste lid en indien het bebouwd oppervlak groter is dan aangegeven in artikel 7.59, tweede lid wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.35 alleen verleend als wordt voldaan aan het bepaalde in subparagraaf 7.1.5.3.
[Vervallen]
QQQQQQQQQQQQQQQ
Artikel 7.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.35 wordt op de locatie 'bouwhistorische verwachting' alleen verleend als de bouwhistorische waarde van een gebouw niet op onaanvaardbare wijze wordt verstoord. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van een bouwhistorisch rapport als bedoeld in subparagraaf 7.1.5.2.
[Vervallen]
RRRRRRRRRRRRRRR
Artikel 7.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 7.35 wordt op de locatie beeldbepalend pand slechts verleend als de bouwactiviteit in overeenstemming is met het belang van het behoud van de beeldbepalende waarden van het beeldbepalend pand.
Bij de beslissing op de aanvraag als bedoeld in artikel 7.61, eerste lid wordt rekening gehouden met de volgende beginselen:
[Vervallen]
SSSSSSSSSSSSSSS
Artikel 7.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 7.35 wordt slechts verleend als de beoogde gebruiksactiviteit voor het hoofdgebouw op grond van het bepaalde in Hoofdstuk 6, de provinciale omgevingsverordening en/of ingevolge een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1 lid 1 aanhef en onder a van de Omgevingswet is toegestaan op de locatie.
[Vervallen]
TTTTTTTTTTTTTTT
Na afdeling 7.2 worden twee afdelingen ingevoegd, luidende:
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van gebouwen ter plaatse van de locatie 'gebouw bouwen - vergunningplicht'.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te bouwen en/of te verbouwen.
Het is verboden om een gebouw in stand te houden als daarvoor geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.75 verleend is.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.75 wordt alleen verleend als het aangevraagde bouwwerk is gelegen ter plaatse van de locatie 'gebouw bouwen - vergunningplicht'.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.75 wordt alleen verleend als op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van de beleidsregel Nota parkeernormen gemeente Meppel.
Met de omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in paragraaf 7.3.1 kan worden afgeweken van de eis, zoals opgenomen in artikel 7.56, eerste lid, in die zin dat parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden en voldoet aan de parkeernormen zoals opgenomen in de Nota parkeernormen gemeente Meppel, mits dit geen onevenredige gevolgen heeft voor de omgeving en wordt voldaan aan de in de Nota parkeernormen gemeente Meppel opgenomen regels en voorwaarden.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.75 wordt op de locatie 'maximum dakhelling gebouw' alleen verleend als de dakhelling van het gebouw maximaal de aangegeven dakhelling is.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.75 wordt op de locatie 'maximum bouwhoogte gebouw' alleen verleend als de bouwhoogte van het gebouw maximaal de aangegeven hoogte is.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.75 wordt op de locatie 'maximum bebouwsingspercentage terrein' alleen verleend als het terrein tot maximaal het aangegeven percentage wordt bebouwd.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.75 wordt, als het een bedrijfsverzamelgebouw betreft, alleen verleend als het gebouw minimaal 250 m2 is.
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van bedrijfswoningen ter plaatse van de locatie 'bedrijfswoning bouwen - vergunningplicht'.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bedrijfswoning te bouwen en/of te verbouwen.
Het is verboden om een bedrijfswoning in stand te houden als daarvoor geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.86 verleend is.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.86 wordt alleen verleend als het aangevraagde bouwwerk is gelegen ter plaatse van de locatie 'bedrijfswoning bouwen - vergunningplicht' .
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.86 wordt alleen verleend als op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van de beleidsregel Nota parkeernormen gemeente Meppel.
Met de omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 7.86 kan worden afgeweken van de eis, zoals opgenomen in artikel 7.89, eerste lid, in die zin dat parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden en voldoet aan de parkeernormen zoals opgenomen in de Nota parkeernormen gemeente Meppel, mits dit geen onevenredige gevolgen heeft voor de omgeving en wordt voldaan aan de in de Nota parkeernormen gemeente Meppel opgenomen regels en voorwaarden.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.86 wordt alleen verleend als de dakhelling van een bedrijfswoning minimaal 30° is.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.86 wordt alleen verleend als de dakhelling van een bedrijfswoning maximaal 60° is.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.86 wordt alleen verleend als de goothoogte van een bedrijfswoning maximaal 4 meter is.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.86 wordt alleen verleend als de bouwhoogte van een bedrijfswoning maximaal 9 meter is.
UUUUUUUUUUUUUUU
Het opschrift van afdeling 7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVV
Het opschrift van paragraaf 7.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWWWW
Het opschrift van artikel 7.66 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXXXX
Artikel 7.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYY
Artikel 7.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk moet in ieder geval worden voldaan aan de volgende regels:
de totale oppervlakte van bijbehorend bouwwerken in het bebouwingsgebied van een hoofdgebouw is maximaal:
50% van het bebouwingsgebied voor het gedeelte van het bebouwingsgebied tot en met 100 m2;
20% van het bebouwingsgebied voor het gedeelte daarvan vanaf 100 m2 tot en met 300 m2, en
10% van het bebouwingsgebied voor het gedeelte van het bebouwingsgebied groter dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2;
de totale oppervlakte in sub a betreft het totaal aan bijbehorende bouwwerken dat is toegestaan op grond van Artikel 7.687.96 en via de vergunningplicht op grond van Artikel 7.717.99;
het betreft een op de grond staand bijbehorend bouwwerk;
de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk is maximaal de bouwhoogte van het hoofdgebouw.
Ter plaatse van de locatie 'bijbehorend bouwwerk bouwen - toegestaan' is het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, niet zijnde een overkapping of bodemgevoelig gebouw, in het achtererfgebied toegestaan zonder omgevingsvergunning, mits:
de afstand tot de zijdelingse perceelgrens minimaal 1 meter is, tenzij op de perceelgrens wordt gebouwd;
de goothoogte maximaal 3,3 meter is, met dien verstande dat de goothoogte mag worden verhoogd tot ten hoogste de bovenkant van de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw;
de dakhelling maximaal 60o is, en;
de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk, niet zijnde een overkapping, maximaal 5 meter is.
Ter plaatse van de locatie 'bijbehorend bouwwerk bouwen - rijksbeschermd stadsgezicht - toegestaan' is het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, niet zijnde een overkapping, toegestaan zonder omgevingsvergunning, mits:
de afstand tot de zijdelingse perceelgrens minimaal 1 meter is, tenzij op de perceelgrens wordt gebouwd;
de goothoogte maximaal 3,3 meter is, met dien verstande dat de goothoogte mag worden verhoogd tot ten hoogste de bovenkant van de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw;
de dakhelling maximaal 60o is;
de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk, niet zijnde een overkapping, maximaal 5 meter is;
het een bijbehorend bouwwerk betreft op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd;
voor zover grenzend aan openbaar gebied: voorzien van een kap;
de oppervlakte niet groter is dan 50 m2 indien:
het een bodemgevoelig gebouw betreft.
Ter plaatse van de locatie 'bijbehorend bouwwerk bouwen - gemeentelijk beschermd stadsgezicht - toegestaan' is het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, niet zijnde een overkapping toegestaan zonder omgevingsvergunning, mits:
de afstand tot de zijdelingse perceelgrens minimaal 1 meter is, tenzij op de perceelgrens wordt gebouwd;
de goothoogte maximaal 3,3 meter is, met dien verstande dat de goothoogte mag worden verhoogd tot ten hoogste de bovenkant van de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw;
de dakhelling maximaal 60o is;
de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk, niet zijnde een overkapping, maximaal 5 meter is;
het een bijbehorend bouwwerk betreft op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; en
voor zover grenzend aan openbaar gebied: voorzien van een kap;
de oppervlakte niet groter is dan 50 m2 indien:
het een bodemgevoelig gebouw betreft.
Het bouwen van een overkapping in het achtererfgebied is toegestaan zonder omgevingsvergunning, mits de bouwhoogte van een (aangebouwde) overkapping maximaal 3,3 meter bedraagt of, indien de overkapping voorzien wordt van een hellend dak, maximaal 5 meter.
ZZZZZZZZZZZZZZZ
Het opschrift van paragraaf 7.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAAA
Het opschrift van artikel 7.69 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBBBB
Het opschrift van artikel 7.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCC
Artikel 7.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk te bouwen, tenzij toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in Paragraaf 7.3.17.5.1.
DDDDDDDDDDDDDDDD
Na artikel 7.71 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Het is verboden om een vergunningplichtig bijbehorend bouwwerk in stand te houden als daarvoor geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.99 verleend is.
EEEEEEEEEEEEEEEE
Artikel 7.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 7.717.99 wordt slechts verleend als:
de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet groter is dan de in Artikel 7.687.96, eerste lid, onder a en b bedoelde maximale totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied van een hoofdgebouw;
de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk maximaal de bouwhoogte van het hoofdgebouw is;
de afstand tot de zijdelingse perceelgrens minimaal 1 meter is, tenzij op de perceelgrens wordt gebouwd;
de goothoogte maximaal 3,3 meter is, met dien verstande dat de goothoogte mag worden verhoogd tot ten hoogste de bovenkant van de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw;
de dakhelling maximaal 60o is;
de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk maximaal 5 meter is.
FFFFFFFFFFFFFFFF
Artikel 7.73 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.71 wordt op de locatie maximum diepte archeologie alleen verleend indien niet dieper wordt gebouwd dan de met maximum diepte archeologie aangegeven waarde.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.71 wordt op de locatie maximum oppervlakte archeologie alleen verleend indien niet dieper wordt gebouwd dan de met maximum oppervlakte archeologie aangegeven waarde.
Indien dieper wordt gebouwd dan aangegeven in artikel 7.73, derde lid en indien het bebouwd oppervlak groter is dan aangegeven in artikel 7.73, tweede lid wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.71 alleen verleend indien wordt voldaan aan het bepaalde in subparagraaf 7.1.5.3.
[Vervallen]
GGGGGGGGGGGGGGGG
Artikel 7.74 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.71 wordt op de locatie 'bouwhistorische verwachting' alleen verleend als de bouwhistorische waarde van een bijbehorend bouwwerk niet op onaanvaardbare wijze wordt verstoord. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van een bouwhistorisch rapport als bedoeld in subparagraaf 7.1.5.2.
[Vervallen]
HHHHHHHHHHHHHHHH
Het opschrift van afdeling 7.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIIII
Het opschrift van paragraaf 7.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJJ
Het opschrift van artikel 7.75 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKK
Het opschrift van artikel 7.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLL
Het opschrift van artikel 7.77 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMM
Het opschrift van artikel 7.78 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNN
Het opschrift van artikel 7.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOO
Het opschrift van artikel 7.80 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPP
Paragraaf 7.4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk, geen gebouw zijnde, te bouwen, tenzij toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in paragraaf 7.4.17.6.1.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.817.108 wordt op de locatie 'nieuwe regels' alleen verleend als de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel of achter een naar de weg toe gekeerde zijgevel of het verlengde daarvan maximaal 2 meter bedraagtis.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.817.108 wordt op de locatie 'nieuwe regels' alleen verleend als de bouwhoogte van een erf- en terreinafscheiding voor de voorgevel of het verlengde daarvan maximaal 1 meter bedraagtis.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.817.108 wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 7.827.109, eerste lid, alleen verleend als de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten behoeve van bedrijven en nutsvoorzieningen maximaal 2 meter bedraagtis.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.108 wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 7.109, eerste lid, alleen verleend als de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten behoeve van een gasontvangststation maximaal 3 meter is.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.817.108 wordt, In afwijking van het bepaalde in artikel 7.82, eerste lid, op de locatie 'lichtmasten bouwen - vergunningplicht' alleen verleend als de bouwhoogte van lichtmasteneen lichtmast maximaal 15 meter bedraagt. de met 'maximum bouwhoogte lichtmasten' aangegeven bouwhoogte is.
In afwijking van het bepaalde in artikel 7.109, vijfde lid wordt de omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.817.108 wordt op de locatie 'nieuwe regels' alleen verleend indien het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft die niet valt onder de reikwijdte van artikel 7.82, eerste lid, artikel 7.82, tweede lid, artikel 7.82, derde lid en artikel 7.82, vierde lid ende andere leden van dit artikel en de bouwhoogte maximaal 6 meter bedraagt.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.108 wordt voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, die hoger is dan de bouwhoogte genoemd in artikel 7.109, zevende lid, op de locatie 'maximum bouwhoogte bouwwerken geen gebouw zijnde' alleen verleend als de bouwhoogte maximaal de aangegeven hoogte is.
In aanvulling op het bepaalde in artikel 7.109, achtste lid wordt de omgevingsvergunning voor een kleinschalige windturbine alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende waarden:
de bouwhoogte is maximaal 15 meter;
per bedrijf is maximaal 1 windturbine toegestaan;
de afstand tot bebouwing op andere percelen is minimaal 20 meter;
de afstand tot een hoogspanningstransportnet, een hoogspanningsstation of een hogedrukgasleiding is minimaal 45 meter;
het gaat om een bedrijf gelegen op industrieterrein Oevers of Noord;
de windturbines moeten vanuit milieuoogpunt toelaatbaar zijn en niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.108 wordt voor het bouwen van een hijsinstallatie, silo of schoorsteen die hoger is dan de bouwhoogte genoemd in artikel 7.109, zevende lid alleen verleend als wordt gebouwd op de locatie 'hijsinstallaties, silo's en schoorstenen bouwen - vergunningplicht'.
De in artikel 7.109, tiende lid bedoelde vergunning wordt op de locatie 'maximum bouwhoogte hijsinstallaties, silo's en schoorstenen' alleen verleend als de bouwhoogte maximaal de aangegeven hoogte is.
QQQQQQQQQQQQQQQQ
Artikel 8.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het slopen of verplaatsen van een beeldbepalend pand ter plaatse van de locatie 'beeldbepalend pand'.
RRRRRRRRRRRRRRRR
Artikel 8.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSS
Artikel 8.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag, als bedoeld in Artikel 8.16artikel 8.5, worden, voor zover het gaat om het slopen van een beeldbepalend pand, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het beeldbepalend pand in relatie tot de voorgenomen sloop:
de volgende tekeningen:
als sprake is van het slopen van een deel van het beeldbepalend pand waarbij de omvang van het beeldbepalend pand wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie;
opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
slooptekeningen; en
een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal;
als de technische staat of de gebruiksmogelijkheden van het beeldbepalend pand ten grondslag liggen aan de voorgenomen sloopactiviteit: een rapport van een onafhankelijke deskundige, dat de volgende gegevens bevat:
een onderbouwde beschrijving van de technische staat van het beeldbepalend pand of het onderdeel van het beeldbepalend pand waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of
een beschrijving van de mate waarin het beeldbepalend pand geschikt is of door het treffen van voorzieningen geschikt kan worden gemaakt voor zinvol gebruik overeenkomstig de ter plaatse toegestane gebruiksactiviteiten of een ander, uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, passend gebruik.
Het verstrekken van een deskundigenrapport als bedoeld in artikel 8.7, eerste lid onder d, is niet nodig als de technische staat of de gebruiksmogelijkheden naar het oordeel van het bevoegd gezag uit andere beschikbare informatie afdoende blijken.
TTTTTTTTTTTTTTTT
Artikel 8.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 8.5, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een beeldbepalend pand, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschrijving van de technische staat van het beeldbepalend pand of het onderdeel van het beeldbepalend pand waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het beeldbepalend pand in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:
de volgende tekeningen:
een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en
als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het beeldbepalend pand aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het beeldbepalend pand tot zijn historische omgeving;
als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of
een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.
UUUUUUUUUUUUUUUU
Artikel 8.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 8.5, artikel 8.6, artikel 8.7 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:
Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het beeldbepalend pand op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:
balklagen:
geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;
houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en
bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.
VVVVVVVVVVVVVVVV
Artikel 8.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning voor het slopen of verplaats van een beeldbepalende pandactiviteitpand, als bedoeld in artikel 8.5, wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg.
In aanvulling op het bepaalde in artikel 8.10, eerste lid wordt een omgevingsvergunning voor een beeldbepalende pandactiviteit voor zover het een aanvraag voor sloop betreft, slechts verleend indien:
het pand op bouwtechnische gronden niet handhaafbaar is en dit met een bouwtechnisch rapport van een onafhankelijk bouwtechnisch adviseur wordt aangetoond;
er een plan voor herbouw wordt overlegd. In het herbouwplan dient het pand in zijn oorspronkelijke hoofdvorm, massa-opbouw, hoogte en silhouette, inclusief kapvorm, kaphelling en kaprichting, hoofdopzet en ontwerp gevel(s) en dak/kap, afwerking en detaillering en ornamentiek gevels en dak/kap en materiaal, kleur en textuur te worden herbouwd. Latere aantastingen van de oorspronkelijke architectuurhistorische warden worden bij de herbouw ongedaan gemaakt.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen:
het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van beeldbepalend panden;
het voorkomen van verplaatsing van beeldbepalend panden of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die beeldbepalend panden;
het bevorderen van het gebruik van een beeldbepalend pand, zo nodig door wijziging van diedat beeldbepalend pandenpand, rekening houdend met de monumentalebeeldbepalende waarden.
WWWWWWWWWWWWWWWW
Artikel 8.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling gaat over het verrichten van een gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten of voorbeschermde gemeentelijke monumenten betreffen, met betrekking tot de monumenten opgenomen in bijlage VI, op een locatie met de functie-aanduiding 'gemeentelijk monument'.
XXXXXXXXXXXXXXXX
Artikel 8.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De volgende gemeentelijke monumentenactiviteitenactiviteiten met betrekking tot een gemeentelijk monument zijn toegestaan:
noodzakelijke reguliere werkzaamheden die zijn gericht op het behoud van de monumentale waarden, als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd;
alleen inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; of
het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden:
plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift;
doen van begravingen of asbijzettingen; of
ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument (of een onderdeel daarvan).
YYYYYYYYYYYYYYYY
Artikel 8.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijke monumentenactiviteit te verrichten, anders dan de activiteiten genoemd in artikel 8.15.
ZZZZZZZZZZZZZZZZ
Artikel 8.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag, bedoeld in Artikel 8.16, worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:
de volgende tekeningen:
een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;
als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld;
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.
AAAAAAAAAAAAAAAAA
Artikel 8.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 8.16, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:
de volgende tekeningen:
een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en
als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;
als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of
een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.
BBBBBBBBBBBBBBBBB
Artikel 8.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag, bedoeld in Artikel 8.16, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:
de volgende tekeningen:
een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;
opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;
plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en
een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;
als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;
voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of
als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.
CCCCCCCCCCCCCCCCC
Artikel 8.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag als bedoeld in Artikelartikel 8.17, Artikelartikel 8.18, artikel 8.19 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:
Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:
balklagen:
geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;
houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en
bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.
DDDDDDDDDDDDDDDDD
Artikel 8.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op de locatie ‘provinciaal monument' is het verboden zonder omgevingsvergunning het daar aanwezige monument, zoals omschreven in bijlage V, anders dan de activiteiten zoals opgenomen in artikel 8.29:
te slopen, beschadigen, verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;
te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken, op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht;
werkzaamheden aan de fundering of riolering te verrichten zonder voorafgaand archeologisch onderzoek.
EEEEEEEEEEEEEEEEE
Artikel 8.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag, als bedoeld in Artikel 8.31artikel 8.30, worden, voor een activiteit die betrekking heeft op een provinciaal monument de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument;
de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en
de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.
FFFFFFFFFFFFFFFFF
Artikel 8.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag, als bedoeld in Artikel 8.31artikel 8.30, worden, voor zover het gaat om het slopen van een provinciaal monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:
de volgende tekeningen:
een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;
als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld;
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.
GGGGGGGGGGGGGGGGG
Artikel 8.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag, als bedoeld in Artikel 8.31artikel 8.30, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:
de volgende tekeningen:
een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en
als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen: een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;
als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of
een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.
HHHHHHHHHHHHHHHHH
Artikel 8.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag, als bedoeld in Artikel 8.17artikel 8.30, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:
de volgende tekeningen:
een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;
opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;
plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en
een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;
als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;
voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of
als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.
IIIIIIIIIIIIIIIII
Artikel 8.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag als bedoeld in Artikel 8.31artikel 8.30, wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
JJJJJJJJJJJJJJJJJ
Artikel 8.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag als bedoeld in Artikelartikel 8.32 en, artikel 8.33, Artikel 8.33artikel 8.34 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:
Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:
balklagen:
geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;
houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en
bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.
KKKKKKKKKKKKKKKKK
Artikel 8.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg en rekening houdt met de redengevende omschrijving zoals opgenomen in bijlage V.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg. En rekening houdt met de redengevende omschrijving zoals opgenomen in bijlage V. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen:
het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten;
het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van die monumenten;
het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en
het conserveren en in stand houden van monumenten waarvan met name de archeologische waarden redengevend zijn, bij voorkeur in situ.
LLLLLLLLLLLLLLLLL
Artikel 8.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in Artikel 8.31artikel 8.30 worden de voorschriften verbonden die nodig zijn voor de regels, bedoeld in Artikel 8.38artikel 8.37. Daarbij geldt dat;
als het gaat om een omgevingsvergunning die een gedeeltelijke of volledige verplaatsing inhoudt van een monument dat een bouwwerk is, in ieder geval voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van dat bouwwerk op de nieuwe locatie;
als het gaat om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een monument waarvan met name de archeologische waarden redengevend zijn, in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften aan de omgevingsvergunning kunnen worden verbonden die inhouden een plicht tot:
het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in situ kunnen worden behouden;
het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en
het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet;
als het gaat om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op de fundering of riolering van een monument, in ieder geval het voorschrift aan de omgevingsvergunning kan worden verbonden dat voorafgaand aan de werkzaamheden archeologisch onderzoek wordt verricht.
MMMMMMMMMMMMMMMMM
Artikel 8.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een maatwerkvoorschrift kan over een andere activiteit die een beeldbepalend pand, gemeentelijk monument of provinciaal monument betreft worden gesteld over artikel 8.428.41.
NNNNNNNNNNNNNNNNN
Artikel 9.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOO
Na paragraaf 9.1.2 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de locatie 'hoogspanningstransportnet bovengronds - beperkingengebied 1'.
Onverminderd het bepaalde in artikel 9.5 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een aanlegactiviteit op de locatie 'hoogspanningstransportnet bovengronds - beperkingengebied 1' de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
wijzigen maaiveldniveu: hoogte oude en nieuwe situatie ten opzichte van NAP;
aanleggen, vergraven of dempen van watergangen: afwijking ten opzichte van het waterschapspeil;
aanleg van wegen, parkeerplaatsen en andere verhardingen: rijroutes en terreininrichting;
aanleg van kabels en leidingen: EM-analyse conform NEN 3654 en 7171.1;
planten of kappen van hoogopgaande beplanting:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.19, artikel 9.44, artikel 9.65 of artikel 9.71 wordt op de locaties 'hoogspanningstransportnet bovengronds - beperkingengebied 1' alleen verleend als de aanlegactiviteiten geen onevenredig negatieve gevolgen hebben voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de hoogspanningsinfrastructuur.
PPPPPPPPPPPPPPPPP
Het opschrift van artikel 9.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQQQQQ
Het opschrift van artikel 9.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRRRRR
Het opschrift van artikel 9.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSSS
Het opschrift van artikel 9.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTTTTTT
Het opschrift van artikel 9.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUUUU
Het opschrift van artikel 9.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVVVV
Het opschrift van artikel 9.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWWWWWW
Artikel 9.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.169.19 wordt op de locatie te verwachten archeologisch monument alleen verleend als:
uit het bij de aanvraag gevoegde rapport blijkt dat er op de locatie van de uit te voeren werken of werkzaamheden geen archeologische waarden aanwezig zijn;
de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.
XXXXXXXXXXXXXXXXX
Het opschrift van artikel 9.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYYYY
Het opschrift van artikel 9.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Het opschrift van artikel 9.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAAAAA
Het opschrift van artikel 9.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBBBBBB
Het opschrift van artikel 9.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCCCC
Het opschrift van artikel 9.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDDDDDDD
Het opschrift van artikel 9.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEEEEEEEEE
Artikel 9.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste één week voor het graven in de bodem zoals bedoeld in artikel 9.259.28 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
de verwachte datum van het begin van de activiteit; en
de verwachte duur van de activiteit.
de bestemming van vrijkomende grond.
Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.
FFFFFFFFFFFFFFFFFF
Het opschrift van artikel 9.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGGGGGGG
Het opschrift van artikel 9.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHHHHH
Het opschrift van artikel 9.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIIIIII
Het opschrift van artikel 9.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Het opschrift van artikel 9.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKKK
Het opschrift van artikel 9.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLLLL
Het opschrift van artikel 9.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMM
Het opschrift van artikel 9.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNNNN
Het opschrift van artikel 9.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOOO
Het opschrift van artikel 9.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPPPP
Het opschrift van artikel 9.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Het opschrift van artikel 9.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRRRRRR
Het opschrift van artikel 9.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSSSS
Het opschrift van artikel 9.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTTTTTTT
Het opschrift van artikel 9.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUUUUU
Het opschrift van artikel 9.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVVVVV
Artikel 9.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.419.44 wordt alleen verleend als:
uit het bij de aanvraag gevoegde rapport blijkt dat er op de locatie van de uit te voeren werken of werkzaamheden geen archeologische waarden aanwezig zijn;
de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.
WWWWWWWWWWWWWWWWWW
Het opschrift van artikel 9.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXXXXXXX
Het opschrift van artikel 9.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYYYYY
Het opschrift van artikel 9.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Het opschrift van artikel 9.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Het opschrift van artikel 9.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Het opschrift van artikel 9.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Het opschrift van artikel 9.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Het opschrift van artikel 9.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEEEEEEEEEEE
Het opschrift van artikel 9.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFFFFFFFFFFFFF
Het opschrift van artikel 9.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Het opschrift van artikel 9.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Het opschrift van artikel 9.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIIIIIII
Het opschrift van artikel 9.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Het opschrift van artikel 9.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Het opschrift van artikel 9.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Het opschrift van artikel 9.59 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Het opschrift van artikel 9.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Het opschrift van artikel 9.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOOOO
Het opschrift van artikel 9.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPPPPP
Artikel 9.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.629.65 wordt op de locatie 'te verwachten archeologisch monument' alleen verleend als:
uit het bij de aanvraag gevoegde rapport blijkt dat er op de locatie van de uit te voeren werken of werkzaamheden geen archeologische waarden aanwezig zijn;
de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Artikel 9.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.629.65 wordt op de locatie 'rijksbeschermd stadsgezichtstads- of dorpsgezicht' alleen verleend als door de uitvoering ervan geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristiek van het Rijksbeschermd stadsgezicht Oud Zuid.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.629.65 wordt op de locatie 'gemeentelijk beschermd stadsgezicht' alleen verleend als door de uitvoering ervan geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristiek van het gemeentelijk beschermd stadsgezicht Binnenstad-Centrumschil.
RRRRRRRRRRRRRRRRRRR
Het opschrift van artikel 9.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Artikel 9.66 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen of veranderen van wegen of paden ter plaatse van de locatie 'wegen en paden aanleggen of veranderen - vergunningplicht'
Deze afdeling is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapsverordeningWaterschapsverordening Drents Overijsselse Delta, de Omgevingsverordening Drenthe, de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Meppel of de Algemene Plaatselijke Verordening Meppel.
Onder het aanleggen of veranderen van wegen of paden als bedoeld in deze afdeling wordt verstaan:
TTTTTTTTTTTTTTTTTTT
Het opschrift van artikel 9.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Het opschrift van artikel 9.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Het opschrift van artikel 9.69 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Artikel 9.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.689.71 wordt op de locatie 'rijksbeschermd stadsgezichtstads- of dorpsgezicht' alleen verleend als:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.689.71 wordt op de locatie 'gemeentelijk beschermd stadsgezicht' alleen verleend als
XXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Artikel 10.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op de locatie 'bouwhistorische verwachting' wordt bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt een bouwhistorisch onderzoeksrapport overlegd, waarin de bouwhistorische waarden van de gebouwdelen, die zijn betrokken bij de aanvraag, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.
De in artikel 10.4, eerste lid beschreven verplichting tot het aanleveren van een bouwhistorisch onderzoeksrapport geldt niet indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders op voorhand is vastgesteld dat bouwhistorische waarden niet aanwezig zijn of voldoende gedocumenteerd zijn.
YYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Artikel 10.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling is van toepassing op slopen in het Rijksbeschermd stadsgezicht Oud Zuid ter plaatse van de locatie 'rijksbeschermd stadsgezichtstads- of dorpsgezicht'.
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Artikel 10.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ter plaatse van de locatie rijksbeschermd stadsgezichtstads- of dorpsgezicht is het verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw te slopen.
Het in het artikel 10.7, eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor zover:
het een Rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument of een beeldbepalend pand betreft. Voor die monumenten zijn de regels uit het Besluit activiteit leefomgeving (Rijksmonument) of in hoofdstuk 8 van dit omgevingsplan van toepassing;
een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend ter vernieuwing, herstel of onderhoud ten behoeve van een gebouw in een rijksbeschermd stadsgezicht.
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Artikel 10.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikelartikel 10.7, eerste lid kan slechts worden verleend, indien door de sloop van het gebouw, hetzij direct hetzij indirect, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristiek van het rijksbeschermd stadsgezicht.
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Artikel 10.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.1410.7, eerste lid wordt op de locatie 'bouwhistorische verwachting' alleen verleend als de bouwhistorische waarde van een gebouw niet op onaanvaardbare wijze wordt verstoord. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van een bouwhistorisch rapport als bedoeld in subparagraaf 10.1.2.1.
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Artikel 10.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.14, eerste lid wordt alleen verleend, indien door de sloop van het gebouw, hetzij direct hetzij indirect, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristiek van het gemeentelijk beschermd stadsgezicht.
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Artikel 10.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.14, eerste lid wordt op de locatie 'bouwhistorische verwachting' alleen verleend als de bouwhistorische waarde van een gebouw niet op onaanvaardbare wijze wordt verstoord. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van een bouwhistorisch rapport als bedoeld in subparagraaf 10.1.2.1.
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
Artikel 10.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ter plaatse van de locatie 'gemeentelijk beschermd stadsgezicht' kunnen aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een (te verwachten) archeologisch monument in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften over de wijze van slopen worden verbonden.
Ter plaatse van de locatie 'bouwhistorische verwachting' kunnen aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit nadere voorschriften worden opgenomen in het belang van en onderzoek naar of documentatie van bouwhistorische zaken.
Dit kunnen de volgende voorschriften zijn:
het opleggen van de verplichting tot het toestaan van het verrichten, door of van gemeentewege, van nader bouwhistorisch onderzoek tijdens de uitvoering van de vergunning;
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de bouwhistorische waarden kunnen worden behouden;
de verplichting de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een erkend bouwhistoricus;
voorschriften in het belang van handhaving van en/óf onderzoek van documentatie bouwhistorische zaken, indien na afweging van belangen bouwhistorisch belangrijke elementen moeten verdwijnen.
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
Artikel 11.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor evenementenactiviteiten ter plaatse van in dit omgevingsplan aangewezen ' evenemententerreinen'.
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Paragraaf 11.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ter plaatse van de locatie 'binnenstad-centrumschilBinnenstad en Centrumschil' is het verboden om activiteiten die zijn genoemd in de paragrafen 5.1.2.1, 5.1.2.2, 5.1.2.3, 5.1.2.4 en 5.1.2.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving uit te oefenen.
Artikel 11.34, eerste lid is niet van toepassing op milieubelastende activiteiten die op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig binnen de locatie 'binnenstad-centrumschilBinnenstad en Centrumschil' worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van in werking treden van deze bepaling.
Het is verboden om voor de opslag van elektriciteit gebruik te maken van stationair opgestelde lithuim-ionbatterij of lithium-ion batterijen met een capaciteit van 3,5 kWh of meer te gebruiken.
Artikel 11.35, eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van elektriciteit in de accu van een elektrische motorvoertuig voor het wegverkeer.
Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagdomgevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:
het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;
het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en
het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken als bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Het opschrift van artikel 11.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIIIIIIII
Na artikel 11.37 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
De in de artikel 11.36 en artikel 11.38 opgenomen geluidgrenswaarden worden vastgesteld volgens de in bijlage IVh bij de Omgevingsregeling opgenomen regels.
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Artikel 11.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor geluidgevoelige gebouwen binnen geluidaandachtsgebieden waarvoor op grond van artikel 5.78ad van het Bkl de waarde van het gezamenlijke geluid in dit omgevingsplan moest worden vastgesteld, gelden als waarde voor dit gezamenlijke geluid de waarden die in bijlage XWaarden_gezamenlijk_geluid.pdf bij de regels van dit omgevingsplan zijn opgenomen.
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Artikel 13.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de locatie ‘kostenverhaalgebiedkostenverhaalsgebied - Transformatiegebied Noordpoort.
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Na paragraaf 13.1.1 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de locatie 'kostenverhaalsgebied - bedrijventerrein Noord IV'.
Bij toepassing van deze regels kostenverhaal zal conform artikel 13.15 Omgevingswet geen tijdvak voor de uitvoering van de werken, werkzaamheden en maatregelen en de activiteiten worden vastgesteld (keuze voor systeem zonder tijdvak).
Alle werken, werkzaamheden en maatregelen worden volledig toegerekend aan het 'kostenverhaalsgebied - bedrijventerrein Noord IV'.
Het plafond van de totale aan kostenverhaalsgebied Bedrijventerrein Noord IV toe te rekenen kosten wordt geraamd op € 32.145.000,- (prijspeil juni 2026, bedrag is exclusief BTW).
Het in artikel 13.13, eerste lid genoemde bedrag zal jaarlijks geïndexeerd worden op basis van de consumentenprijsindex reeks alle huishoudens.
Het oppervlak niet uitgeefbaar is 44% van het kostenverhaalsgebied. Van het oppervlak niet uitgeefbaar bestaat 16% uit water, 12% uit verharding (wegen, fiets- en voetpaden) en 72% uit groen.
De verdeling van de kosten over het maximum van de globaal te verhalen kosten is als volgt: het oppervlak uitgeefbaar is 56% van het kostenverhaalsgebied.
Het maximum van de te verhalen kosten per activiteit: maximale bijdrage per m2 is € 210,- (exclusief BTW).
Op de bedragen als bedoeld in artikel 13.14, tweede lid wordt jaarlijks een indexering op basis van de consumentenprijsindex reeks alle huishoudens toegepast.
Bij de aanvraag van een kostenverhaalsbeschikking worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Burgemeester en wethouders stellen bij beschikking een eindafrekening van het kostenverhaal vast:
binnen drie maanden na het uitvoeren van de in een kostenverhaalsgebied voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen, of
wanneer alle grondeigenaren schriftelijk hebben aangegeven niet te gaan ontwikkelen in de periode 2030-2040.
Bij de eindafrekening wordt de geldsom die op het moment van de afgifte van de kostenverhaalsbeschikking zou zijn verschuldigd herberekend, met dien verstande dat:
het bedrag van de te verhalen kosten de daadwerkelijke kosten betreft van de werken, werkzaamheden en maatregelen die zijn uitgevoerd of nog zullen worden uitgevoerd;
de totale opbrengsten van de grond worden herberekend op basis van de ontvangen bijdragen per uitgiftecategorie dat is gerealiseerd of nog zal worden gerealiseerd;
voor het bepalen van de opbrengsten van de grond wordt per uitgiftecategorie hetzelfde bedrag toegepast als bij de afgifte van kostenverhaalsbeschikking.
Indien een aanvrager van een kostenverhaalsbeschikking op basis van artikel 13.20, tweede lid, van de Omgevingswet recht heeft op terugbetaling, wordt rente vergoed vanaf de datum van de afgifte van de kostenverhaalsbeschikking.
Op eindafrekeningen op verzoek als bedoeld in artikel 13.20, vierde lid Omgevingswet wordt jaarlijks op 1 april door burgemeester en wethouders beslist, als de verzoeken ten minste 13 weken voor die datum zijn ontvangen.
Bij een verzoek om eindafrekening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een kopie van de kostenverhaalsbeschikking;
als het verzoek wordt ingediend door een andere belanghebbende dan degene op wiens naam is betaald: een bewijs dat de verzoeker recht heeft op terugbetaling; en
naam, adres, telefoonnummer en rekeningnummer van verzoeker.
Een eindafrekening op verzoek wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 13.16.
Bij de raming van de te verhalen kosten en opbrengsten, het vaststellen van een kostenverhaalsbeschikking, een eindafrekening of een eindafrekening op verzoek wordt een indexering op basis van de consumentenprijsindex (CPI) reeks alle huishoudens toegepast.
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Artikel 13.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de locatie kostenverhaalgebiedkostenverhaalsgebied - Transformatiegebied Noordpoort.
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Artikel 13.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Doel van het Vereveningsfonds is de realisatie van sociale woningbouw binnen het transformatiegebied Noordpoort te stimuleren door verevening tussen woningbouwprojecten, waarbij projecten met een lager aandeel sociale huurwoningen dan het in artikel 5.13, eerste lid bedoelde percentage een financiële bijdrage leveren aan projecten waarbij het aandeel sociale huurwoningen meer is dan het in artikel 5.13, eerste lid bedoelde percentage.
Op de locatie kostenverhaalgebiedkostenverhaalsgebied - Transformatiegebied Noordpoort wordt een financiële bijdrage verhaald op de initiatiefnemer van kostenverhaalplichtige activiteiten voor het bereiken van een naar prijsklasse evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad als bedoeld in artikel 8.21 lid 1 sub e van het Omgevingsbesluit.
Met het in artikel 13.1413.23, eerste lid bedoelde fonds wordt beoogd de realisering van voldoende sociale woningbouw binnen het transformatiegebied te borgen.
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
Artikel 13.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op de initiatiefnemer van een woningbouwplan op de locatie kostenverhaalgebiedkostenverhaalsgebied - Transformatiegebied Noordpoort wordt een financiële bijdrage als bedoeld in artikel 13.1313.22 verhaald als het aandeel sociale huurwoningen binnen het aangevraagde woningbouwplan minder bedraagt dan het in artikel 5.13, eerste lid bedoelde percentage.
Het aantal niet gerealiseerde sociale huurwoningen wordt bepaald door het vereist aantal sociale huurwoningen te verminderen met het aantal sociale huurwoningen dat wordt aangevraagd binnen de aanvraag omgevingsvergunning.
Het vereist aantal sociale huurwoningen wordt berekend aan de hand van de berekening:
Aantal woningen x normpercentage sociale huurwoningen = vereist aantal huurwoningen (afgerond naar één decimaal achter de komma).
In afwijking van het bepaalde in artikel 13.1213.21, eerste lid kan het college bij maatwerkvoorschrift bepalen dat geen financiële bijdrage verschuldigd is danwel dat een lagere financiële bijdrage verschuldigd is voor woningbouwontwikkelingen die op andere wijze bijdragen aan de doelstelling om een aandeel van het in artikel 5.13, eerste lid bedoelde percentage sociale huurwoningen binnen transformatiegebied Noordpoort te realiseren.
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
Het opschrift van artikel 13.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Artikel 13.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De verplichte bijdrage als bedoeld in artikel 13.1213.21, eerste lid wordt opgenomen in het 'Vereveningsfonds sociale woningbouw Noordpoort'.
Woningbouwprojecten op de locatie kostenverhaalgebiedkostenverhaalsgebied - Transformatiegebied Noordpoort die voorzien in een hoger aandeel sociale huurwoningen dan het op grond van artikel 5.13, eerste lid verplichte percentage komen in aanmerking voor een bijdrage uit het in artikel 13.1413.23, eerste lid bedoelde fonds.
In afwijking van het bepaalde in artikel 13.1413.23, tweede lid komen woningbouwprojecten die op grond van artikel 5.13, zesde lid voorzien in een hoger aandeel sociale huurwoningen dan het op grond van artikel 5.13, eerste lid verplichte percentage ter compensatie van een ander initiatief dat voorziet in een lager aandeel sociale huurwoningen dan het op grond van artikel 5.13, eerste lid verplichte percentage niet in aanmerking voor een tegoemoetkomingtegemoetkoming als bedoeld in artikel 13.1413.23, tweede lid.
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
Het opschrift van artikel 13.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Paragraaf 14.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een archeologisch deskundige is op de locatie 'te verwachten archeologisch monument', adviseur bij de beoordeling van het bij de aanvraag omgevingsvergunning overgelegde rapport, zoals bedoeld in subparagraaf 7.1.5.37.1.5.5 en subparagraaf 9.1.2.1.
De Adviescommissie ruimtelijke kwaliteit, als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet,gemeentelijke adviescommissie Meppel is op de locatie 'beeldbepalend pand' adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot het beeldbepalend pand.
Als het college van burgemeester en wethouders geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.5 maar adviseur:
is de Adviescommissie ruimtelijke kwaliteitgemeentelijke adviescommissie Meppel ook adviseur; en
richt het advies van de commissie zich tot het college in plaats van tot het bevoegd gezag.
De Adviescommissie ruimtelijke kwaliteit, als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet,gemeentelijke adviescommissie Meppel is op de locatie 'gemeentelijk monument' adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gemeentelijke monumentenactiviteit als bedoeld in artikel 8.16.
Als het college van burgemeester en wethouders geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.58.16 maar adviseur:
is de Adviescommissie ruimtelijke kwaliteit ook adviseur; en
richt het advies van de commissie zich tot het college in plaats van tot het bevoegd gezag.
Gedeputeerde Staten zijn op de locatie 'provinciaal monument' adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een provinciale monumentenactiviteit als bedoeld in artikel 8.318.30.
De commissie, bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet,Adviescommissie ruimtelijke kwaliteit is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 8.318.30 en het college van burgemeester en wethouders voor die aanvraag bevoegd gezag is.
Als het college van burgemeester en wethouders geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 8.318.30, maar adviseur, is de commissie Adviescommissie ruimtelijke kwaliteit ook adviseur en richt het advies van de commissie zich tot het college van burgemeester en wethouders in plaats van tot het bevoegd gezag.
De Adviescommissie ruimtelijke kwaliteit, als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet, gemeentelijke adviescommissie Meppel is op de locatie 'gemeentelijk beschermd stadsgezicht' adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit als bedoeld in artikel 10.14.
De Adviescommissie ruimtelijke kwaliteit, als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet, gemeentelijke adviescommissie Meppel is op de locatie 'rijksbeschermd stadsgezichtstads- of dorpsgezicht' adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit als bedoeld in artikel 10.7.
De Adviescommissie ruimtelijke kwaliteit, als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet,gemeentelijke adviescommissie Meppel is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit op de locatie 'omgeving van het monument', voor zover voor die activiteit nog niet op grond van een ander artikel in deze afdeling een adviseur is aangewezen.
De beheerder van de desbetreffende molen is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit op de locatie 'molenbiotoop'.
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
Paragraaf 14.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De Stadsbouwmeester Noordpoort is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in subparagraaf 5.1.4.1.
Bij de advisering over de aanvraag als bedoeld in artikel 5.30 en voor de interpretatie van de beoordelingsregels als bedoeld in subparagraaf 5.1.4.1 betrekt de stadsbouwmeester de ontwikkelregels zoals opgenomen in de Beleidsregel Uiterlijk en plaatsing bouwwerken Noordpoort.
Bij de advisering over een aanvraag als bedoeld in artikel 5.30 en voor de interpretatie van de beoordelingsregels in subparagraaf 5.1.4.1 voor zover het gaat om het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken betrekt de stadsbouwmeester de regels zoals opgenomen in de Beleidsregel Uiterlijk en plaatsing bouwwerken Noordpoort.
De Adviescommissie ruimtelijke kwaliteit is op de locatie binnenstad-centrumschil adviseur om een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in paragraaf 7.2.1 en paragraaf 7.3.2.
De gemeentelijke adviescommissie Meppel is op de locatie 'nieuwe regels' adviseur om een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een vergunningplichtige bouwactiviteit als bedoeld in afdeling 5.2 en hoofdstuk 7.
Bij de advisering over de aanvraag als bedoeld in artikel 7.357.53 en artikel 7.717.99 en voor de interpretatie van de beoordelingsregels in paragraaf 7.2.1 en paragraaf 7.3.27.5.2, voor zover het gaat om het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken, betrekt de Adviescommissieadviescommissie de regels zoals opgenomen in de Beleidsregel Welstandsnota Binnenstad & Centrumschil.
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Na paragraaf 14.1.2 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
TenneT is adviseur om een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in paragraaf 5.1.4, artikel 6.37, paragraaf 7.2.1, paragraaf 7.3.1, paragraaf 7.4.1, paragraaf 7.5.2, paragraaf 9.2.3, artikel 9.44, paragraaf 9.4.3 of paragraaf 9.5.1, voorzover het activiteiten betreft ter plaatse van de volgende locaties:
De aanvraag als bedoeld in artikel 14.11, eerste lid wordt door TenneT getoetst op het veilig, betrouwbaar en duurzaam functionering van de verbinding.
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Artikel 22.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Artikel 22.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Artikel 22.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Artikel 23.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op het bepaalde in hoofdstuk 6 zijn bestaande gebruiksactiviteiten die verricht werden op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende (deel-)regeling en toegestaan waren op grond van een bestemmingsplan, althans op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.6 van de Omgevingswet (inclusief het in die regeling(en) opgenomen overgangsrecht pons) toegestaan tot 10 jaar na inwerkingtreding van de betreffende (deel-)regeling.
Als een gebruiksactiviteit als bedoeld in artikel 23.3, eerste lid nadien voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dat gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Wijziging van gebruiksactiviteiten als bedoeld in het artikel 23.3, eerste lid zijn slechts toegestaan voor zover de afwijking van toegestane gebruiksactiviteiten als bedoeld in hoofdstuk 6 naar aard en omvang verkleind wordt.
Of bestaande gebruiksactiviteiten op een locatie toegestaan waren hangt af van de bestemming en specifieke locatie die de betreffende gronden of bouwwerken hadden op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.6 van de Omgevingswet, althans het direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldende bestemmingsplan. In deze afdeling wordt voor de afzonderlijke locaties de planologische regeling - zoals die deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (als bedoeld in artikel 22.6 van de Omgevingswet) - aangewezen, aan de hand waarvan voor de toepassing van dit artikel beoordeeld moet worden of de gebruiksactiviteit onder het overgangsrecht als bedoeld in dit artikel en/of onder een regeling in hoofdstuk 6 valt.
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Na artikel 23.18 worden veertien artikelen ingevoegd, luidende:
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Oevers D 2010' wordt voor de toepassing van artikel 23.3 de planologische regeling 'Meppel - Oevers D 2010' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.OeversD2010-BPC2 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Bedrijventerreinen' wordt voor de toepassing van artikel 23.3 de planologische regeling 'Meppel - Bedrijventerreinen' aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Oevers E 2015' wordt voor de toepassing van artikel 23.3 de planologische regeling 'Meppel - Oevers E 2015' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.OeversE2015-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Transformatiegebied Noordpoort' wordt voor de toepassing van artikel 23.3 de planologische regeling 'Meppel - Transformatiegebied Noordpoort' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.TFGNoordpoort-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Industrieweg 2 e.o.' wordt voor de toepassing van artikel 23.3 de planologische regeling 'Meppel - Industrieweg 2 e.o.' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.Industrieweg2eo-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Bedrijventerrein Oevers E' wordt voor de toepassing van artikel 23.3 de planologische regeling 'Partiële herziening Meppel - Bedrijventerrein Oevers E' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.OeversE2015-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Noord' wordt voor de toepassing van artikel 23.3 de planologische regeling 'Noord' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.Noord-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Noord III' wordt voor de toepassing van artikel 23.3 de planologische regeling 'Bedrijventerrein Meppel - Noord III' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.Noord III-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Noord III (herstelbesluit)' wordt voor de toepassing van artikel 23.3 de planologische regeling 'Bedrijventerrein Meppel - Noord III (herstelbesluit' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.Noord III-BPC2 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Nijeveen' wordt voor de toepassing van artikel 23.3 de planologische regeling 'Nijeveen' met IMRO identificatie: NL.IMRO.011901000131111111 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Nijeveen - Spijkerserve V en geluidzone' wordt voor de toepassing van artikel 23.3 de planologische regeling 'Nijeveen - Spijkerserve V en geluidzone' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.NijeveenSpijkersV-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Blankenstein, Ezinge en Spoorzone' wordt voor de toepassing van artikel 23.3 de planologische regeling 'Blankenstein, Ezinge en Spoorzone' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.BlankensteinEzinge-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Buitengebied' wordt voor de toepassing van artikel 23.3 de planologische regeling 'Buitengebied' met IMRO identificatie: NL.IMRO.01190000BuitengebiedVG aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Buitengebied, herziening Schiphorsterweg en Kosterweg' wordt voor de toepassing van artikel 23.3 de planologische regeling 'Buitengebied, herziening Schiphorsterweg en Kosterweg' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.SchiphorsterKoster-BPC1 aangewezen.
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Afdeling 23.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling is van toepassing op de locatie 'nieuwe regels'.
Deze afdeling is niet van toepassing op bouwwerken die toegestaan zijn op grond van hoofdstuk 5 of hoofdstuk 7 van dit omgevingsplan.
Deze afdeling is niet van toepassing op bestaande bouwwerken die op het in artikel 23.2023.34, eerste lid bedoelde tijdstip aanwezig waren, maar gerealiseerd zijn zonder omgevingsvergunning en in strijd met het tijdelijke deel van het omgevingsplan (al bedoeld in artikel 22.6 van de Omgevingswet) en/of een in deze afdeling opgenomen planologische regeling zoals die gold voor 1 januari 2024, met uitzondering van bestaande bouwwerken die op grond van Rijksregels (zoals het Besluit omgevingsrecht zoals dat gold voor 1 janjuari 2024) vergunningvrij gerealiseerd zijn.
Voor zover dit plan elders voorziet in een bijzondere regeling voor tijdelijke gebruiksactiviteiten heeft die regeling voorrang op de regels in deze afdeling.
In aanvulling op het bepaalde in artikel 7.27.3 mogen bestaande bouwwerken die aanwezig waren en toegestaan waren op grond van een planologische regeling, althans op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.6 van de Omgevingswet (inclusief het in die regeling(en) opgenomen overgangsrecht) op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende (deel-)regeling:
gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit;
geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk geheel of gedeeltelijk teniet is gegaan;
tot 30 jaar na de in de lijstaanhef bedoelde datum.
Of een bestaand bouwwerk op een locatie toegestaan was hangt af van de specifieke locatie en bestemming (of functie) van dat bouwwerk op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.6 van de Omgevingswet, althans de direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldende planologische regeling. In deze afdeling wordt voor de afzonderlijke locaties de planologische regeling - zoals die deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (als bedoeld in artikel 22.6 van de Omgevingswet) - aangewezen aan de hand waarvan voor de toepassing van dit artikel beoordeeld moet worden of een bouwwerk onder het overgangsrecht als bedoeld in dit artikel en/of de regeling in artikel 7.27.3 valt.
Eventuele opvolgende planologische regelingen na vaststelling van de aangewezen planologische regeling worden, voor zover uitsluitend de overgangsrechtelijke bepalingen van die regeling relevant zijn voor de toepassing van dit artikel, buiten beschouwing gelaten.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Binnenstad' wordt voor de toepassing van artikel 23.2023.34 de planologische regeling 'Meppel - Binnenstad' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.Binnenstad-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Centrumschil' wordt voor de toepassing van artikel 23.2023.34 de planologische regeling 'Meppel - Centrumschil' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119 en Centrumschil-BPC2 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Kromme Elleboog' wordt voor de toepassing van artikel 23.2023.34 de planologische regeling 'Meppel - Kromme Elleboog' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.KrommeElleboog-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - herziening Kruisstraat 6 e.o.' wordt voor de toepassing van artikel 23.2023.34 de planologische regeling 'Meppel - Herziening Kruisstraat 6 e.o.' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.kruisstraat6eo-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Marten Ottenlaan 21' wordt voor de toepassing van artikel 23.2023.34 de planologische regeling 'Meppel - Marten Ottenlaan 21' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.MartenOttenlaan-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Kinkhorststraat' wordt voor de toepassing van artikel 23.2023.34 de planologische regeling 'Meppel - Kinkhorststraat' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.Kinkhorststraat-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Grote Oever' wordt voor de toepassing van artikel 23.2023.34 de planologische regeling 'Meppel - Grote Oever' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.GroteOever-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Verplaatsing Lidl' wordt voor de toepassing van artikel 23.2023.34 de planologische regeling 'Meppel - Verplaatsing Lidl' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.VerpSuperVledder-BPC1' aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Het Vledder 2018' wordt voor de toepassing van artikel 23.2023.34 de planologische regeling 'Meppel - Het Vledder 2018' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.Vledder2018-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - herziening Zuideinde 76' wordt voor de toepassing van artikel 23.2023.34 de planologische regeling 'Meppel - Centrumschil, herziening Zuideinde 76' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.Zuideinde76-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Zuideinde 31 en Catharinastraat 28' wordt voor de toepassing van artikel 23.2023.34 de planologische regeling 'Meppel - Zuideinde 31 en Catharinastraat 28' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.Zuid31Cath28-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Zuideinde 28' wordt voor de toepassing van artikel 23.2023.34 de planologische regeling 'Meppel - Zuideinde 28' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.Zuideinde282019-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - MULO locatie' wordt voor de toepassing van artikel 23.2023.34 de planologische regeling 'Meppel - MULO locatie' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.mulolocatie-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Com. De Vos van Steenwijklaan 10' wordt voor de toepassing van artikel 23.2023.34 de planologische regeling 'Meppel - Com. De Vos van Steenwijklaan 10' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.VosvanSteenwijk-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Eendrachtstraat 28' wordt voor de toepassing van artikel 23.2023.34 de planologische regeling 'Meppel - herziening Eendrachtstraat 28' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.eendrachtstraat28-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Oevers D 2010' wordt voor de toepassing van artikel 23.34 de planologische regeling 'Meppel - Oevers D 2010' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.OeversD2010-BPC2 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Bedrijventerreinen' wordt voor de toepassing van artikel 23.34 de planologische regeling 'Meppel - Bedrijventerreinen' aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Oevers E 2015' wordt voor de toepassing van artikel 23.34 de planologische regeling 'Meppel - Oevers E 2015' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.OeversE2015-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Transformatiegebied Noordpoort' wordt voor de toepassing van artikel 23.34 de planologische regeling 'Meppel - Transformatiegebied Noordpoort' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.TFGNoordpoort-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Industrieweg 2 e.o.' wordt voor de toepassing van artikel 23.34 de planologische regeling 'Meppel - Industrieweg 2 e.o.' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.Industrieweg2eo-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Bedrijventerrein Oevers E' wordt voor de toepassing van artikel 23.34 de planologische regeling 'Partiële herziening Meppel - Bedrijventerrein Oevers E' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.OeversE2015-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Noord' wordt voor de toepassing van artikel 23.3 de planologische regeling 'Noord' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.Noord-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Noord III' wordt voor de toepassing van artikel 23.34 de planologische regeling 'Bedrijventerrein Meppel - Noord III' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.Noord III-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Noord III (herstelbesluit)' wordt voor de toepassing van artikel 23.34 de planologische regeling 'Bedrijventerrein Meppel - Noord III (herstelbesluit' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.Noord III-BPC2 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Nijeveen' wordt voor de toepassing van artikel 23.34 de planologische regeling 'Nijeveen' met IMRO identificatie: NL.IMRO.011901000131111111 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Nijeveen - Spijkerserve V en geluidzone' wordt voor de toepassing van artikel 23.34 de planologische regeling 'Nijeveen - Spijkerserve V en geluidzone' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.NijeveenSpijkersV-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Blankenstein, Ezinge en Spoorzone' wordt voor de toepassing van artikel 23.34 de planologische regeling 'Blankenstein, Ezinge en Spoorzone' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.BlankensteinEzinge-BPC1 aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Buitengebied' wordt voor de toepassing van artikel 23.34 de planologische regeling 'Buitengebied' met IMRO identificatie: NL.IMRO.01190000BuitengebiedVG aangewezen.
Ter plaatse van de locatie 'overgangsrecht - Buitengebied, herziening Schiphorsterweg en Kosterweg' wordt voor de toepassing van artikel 23.34 de planologische regeling 'Buitengebied, herziening Schiphorsterweg en Kosterweg' met IMRO identificatie: NL.IMRO.0119.SchiphorsterKoster-BPC1 aangewezen.
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, maatschappelijk, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of een daarmee gelijk te stellen gebied dat door een bewoner van de woning wordt uitgeoefend en dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen zodanig wordt uitgeoefend dat de woonfunctie en de ruimtelijke uitstraling als woning behouden blijven
een gebouw, dat in bouwkundig opzicht qua massa en vorm ondergeschikt is aan het hoofdgebouw maar functioneel één geheel vormt met het hoofdgebouw
dit omvat tevens het hebben, wijzigen en verwijderen, tenzij het verwijderen in een specifieke uitvoeringsregel wordt geregeld
het wijzigen van het profiel van een primair en secundair oppervlaktewater ten opzichte van het profiel zoals opgenomen in de legger van het waterschap
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt
op basis van archeologische, bodemkundige of historische informatie op een locatie te verwachten archeologische monumenten
het door middel van een werk of langs natuurlijke weg halen of laten stromen van water naar een oppervlaktewaterlichaam uit een ander oppervlaktewaterlichaam
gebouwerf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen, waarbij als op een perceel meer gebouwen aanwezig zijn die noodzakelijk zijn voor het verrichten van de op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel toegestane activiteiten of als het hoofdgebouw geen woning is, maar op het perceel wel een of meer op de grond staande woningen aanwezig zijn, voor het leggen van deze lijn bepalend is het hoofdgebouw, de woning of een van de andere hiervoor bedoelde gebouwen, waarvan de voorkant het dichtst is gelegen bij openbaar toegankelijk gebied
de gevel van een gebouw, die gesitueerd is tegenover de voorgevel van het betreffende gebouw
hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit
afscheiding met vrij doorzicht, bestaande uit in de grond geplaatste palen met daartussen gaas, prikkeldraad of staaldraad, in het algemeen aangelegd met het oog op het keren van vee. Een afrastering/perceelscheiding in de vorm van een haag valt niet onder het begrip afrastering maar valt onder beplanting
het registreren van geschoten dieren naar soorten en aantal of aanvullende wettelijke vereisten binnen de daarvoor gestelde termijn in een daarvoor bedoeld registratiesysteem
het door middel van een werk of langs natuurlijke weg brengen of laten stromen van water uit een oppervlaktewaterlichaam naar een ander oppervlaktewaterlichaam
een bedrijf dat in nauwe relatie staat tot het agrarisch bedrijf waarvan de werkzaamheden in hoofdzaak bestaan uit het verlenen van diensten aan derden in de vorm van het houden van dieren en/of het telen en bewerken van gewassen.
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door het houden van dieren
een bedrijf dat in nauwe relatie staat tot het agrarisch bedrijf waarvan de werkzaamheden in hoofdzaak bestaan uit het verlenen van diensten aan derden in de vorm van het houden van dieren en/of het telen en bewerken van gewassen
een bedrijf dat gericht is op de handel in en de export van producten uit de bollenteelt en dat daartoe beschikt over faciliteiten ten behoeve van het vervoer, de opslag, de be- en verwerking of de afzet van deze agrarische producten
een bedrijf waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht ter productie of levering van goederen of diensten ten behoeve van agrarische bedrijven, al dan niet in combinatie met grondverzetwerkzaamheden
een agrarisch gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit agrarisch gebruik is toegestaan
een bedrijf of een naar de aard en omvang daarmee gelijk te stellen activiteit, dat ondergeschikt is aan een woon- of bedrijfsfunctie
een bedrijfswoning waarin tevens (naast de agrariër) de rustende boer en familieleden tot de tweede graad woonachtig mogen zijn
een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden
de gemeentelijke (beleids)archeoloog of een andere door het college van Burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologie
het verwerven van informatie aan de hand van bestaande bronnen en/of aan de hand van veldonderzoek
waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuur historisch erfgoed vertegenwoordigen
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018
een ruimte die bedoeld is voor kunstbeoefening
hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw
een percentage dat de grootte van het deel van een gebied aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd
de in de legger aangegeven zone langs primaire waterkeringen in stedelijk gebied, waarin ter bescherming van de primaire waterkering voorschriften krachtens de Keur van toepassing zijn.
recreatief nachtverblijf in de vorm van uitsluitend kortdurende logies en ontbijt, dat door de bewoner in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de ruimte die gebruikt wordt door bed & breakfast niet gebruikt wordt voor zelfstandige bewoning en een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is en daaraan ondergeschikt is.
het percentage van de bosbodem dat vanaf boven wordt bedekt door een kroonprojectie.
bedrijfsmatige teelten in een glastuinbouwbedrijf of bedrijfsmatige teelt in tunnels.
Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen vervaardigen bewerken opslaan installeren en of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen
een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.
het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer c.q. zodanige exploitatie dat in de recreatieverblijven daadwerkelijk recreatief verblijf plaatsvindt.
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon die in loondienst is van het betreffende bedrijf of voorziening, wiens huisvesting daar gelet op de gebruik van het gebouw of het terrein noodzakelijk is.
de binnen Drenthe bestaande regio’s Groningen – Assen (in Drenthe: gemeenten Assen, Noordenveld, Tynaarlo), Vierkant voor Werk (Dutch Techzone) (gemeenten Hoogeveen, Coevorden, Emmen) en Meppel-Zwolle (gemeenten Meppel, De Wolden, Westerveld).
de economische dynamiek binnen of in de directe omgeving van het plangebied voor zover deze zich vertaalt in een bijdrage aan de vitaliteit, waaronder mede begrepen de werkgelegenheid.
pand dat van cultuurhistorische waarde is op grond van beeldbepalende hoofdvorm, architectuur, landschappelijke en/of stedenbouwkundige situering, bijdrage aan de herkenbaarheid van de omgeving, gaafheid of zeldzaamheid
plan dat eisen en aanbevelingen bevat met betrekking tot inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot de karakteristieken en kwaliteiten van een gebied en met betrekking tot stedenbouwkundige en architectonische vorm, massa en (wegen)structuur van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen, met het oogmerk de kwaliteit van die ruimtelijke ontwikkelingen te waarborgen alsmede de wijze waarop deze in hun omgeving worden ingepast en dat juridisch deel uitmaakt van het ruimtelijk plan waarop het betrekking heeft.
een strook grond of water waaraan beperkingen kunnen worden opgelegd in verband met de veiligheid van ondergrondse en/of bovengrondse leidingen.
tuinbeplanting, bomen en struweel.
een ondergronds bassin voor het doorvoeren en bufferen van rioolwater.
de totale (bruto) vloeroppervlakte van de ruimten die (kunnen) worden gebruikt voor een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, een (dienstverlenend) bedrijf en/of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke.
langs een waterstaatswerk, met uitzondering van schouwsloten en van overige oppervlaktewaterlichamen, liggende zone die als zodanig in de legger is opgenomen, waarin ter bescherming van dat waterstaatswerk voorschriften krachtens deze Keur van toepassing zijn.
de als zodanig in de legger aangeduide gronden aan weerszijden van waterkeringen en dienende ter bescherming daarvan.
uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies dat onderdeel is van de Vereniging Interprovinciaal Overleg (IPO).
uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak
een tent van maximaal 6 m2.
een voorziening voor de huisvesting van personen die bij hun normale dagelijkse functioneren, huishoudelijke, sociale, sociaal-medische en/of medische begeleiding en/of verzorging behoeven, zoals bejaarden of gehandicapten.
een installatie waarbij uit een biologische grondstof energie wordt gewonnen in de vorm van warmte of elektriciteit, zoals bijvoorbeeld biomassavergistingsinstallaties, mestvergistingsinstallaties, bio-olie-installaties of bio-ethanol-installaties.
een luchtzak gevuld met lucht en warmte, dienend tot het kweken van vruchten, bloemen of planten.
een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of een woonschip of woonwagen.
Een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving van ten hoogste 50 m2 m2 wordt niet beschouwd als een bodemgevoelig gebouw.
de locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van dit omgevingsplan
werken of werkzaamheden die een bodemverstorende werking kunnen hebben op het aanwezige (archeologische) bodemarchief.
het verwijderen of ontgraven van verontreinigde grond.
het op basis van (voor)onderzoek methodisch vaststellen (analyse) van de kwaliteit en status van aanwezige bomen en de invloed (effect) die een project heeft op deze bomen. Inclusief het opstellen van een advies welke maatregelen noodzakelijk zijn om ‘te handhaven’ bomen duurzaam en verantwoord in te passen en het doorrekenen van het effect van het project op de zogenoemde Bomenbalans ‘ecosysteemdiensten’.
stuk grond, beplant met fruitbomen.
eenheid van meerdere houtopstanden met opbouw en samenhang die een bepalende functie vervullen, zoals een laanstructuur en ecologische verbinding.
de teelt van boomkwekerijgewassen.
een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering die specifiek is gericht op het telen van bomen, struiken, (tuin-)planten en aanverwante gewassen, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van containerteelt en glasopstanden.
de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen.
met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put, daaronder begrepen een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering.
bos gericht op houtproductie, natuurbehoud, recreatie en/of kwaliteit van het landschap, waarbij de verschijningsvorm als bos primair is.
het geheel van bedrijfsmatig handelen en van activiteiten gericht op de instandhouding en ontwikkeling van bestaande respectievelijk nieuwe bossen ten behoeve van (de functies) natuur, houtproductie, landschap, milieu en recreatie.
een aaneengesloten houtopstand met in totaal een oppervlakte van ten minste 5 hectare bos. Singels en houtwallen die aansluiten op een bos zijn geen onderbreking van de boskern. Een beplanting is aansluitend wanneer er geen onderbrekingen in zitten die groter zijn dan 8 meter van stam tot stam gemeten aan de binnenkant van beide stammen.
Plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, verbouwen veranderen of vergroten.
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
een grens van een bouwperceel.
de bovenste, veel bewerkte en vaak met humus materiaal verrijkte laag van de grond.
Constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.
een bouwwerk dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor recreatieve bewoning, met een met de grond verbonden constructie van enige omvang en met een plaatsgebonden karakter.
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.
het onttrekken van grondwater ten behoeve van het in den droge uitvoeren van bouwactiviteiten of ontgravingen.
een doorgang voor voetgangers, dieren en voertuigen over bijvoorbeeld (spoor)wegen en watergangen.
ontwateringsmiddel voor het kunstmatig beïnvloeden van de grondwaterstand.
de als zodanig in de legger aangeduide gronden aan weerszijden van de waterkeringen.
ingrijpende werkzaamheden om de vorm en/of de functie van een constructie te herstellen.
het in standhouden overeenkomstig het in de Legger bepaalde omtrent richting, vorm, afmeting en constructie van de waterkeringen.
het in de open lucht tijdelijk opslaan of opgeslagen houden van gerede of ongerede goederen, materialen, werktuigen, machines of gebruiksklare of onklare voer- of vaartuigen of onderdelen hiervan.
een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van al dan niet voor consumptie ter plaatse bereide etenswaren, met als nevenactiviteit het verstrekken van zwak- en niet- alcoholische dranken.
een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar/dancing dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van alcoholische en niet- alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid.
bijeen gegroepeerde voorzieningen ten dienste van het recreatiecentrum, zoals was- en opslagruimte, entree, receptie en horecavoorziening, met dien verstande dat laatstgenoemde voorziening ook voor andere doeleinden dan ten dienste van het recreatiecentrum mag worden gebruikt.
college van burgemeester en wethouders
het creëren van nieuwe waarden die vergelijkbaar zijn met de verloren gegane waarden. Indien het volledig onvervangbare waarden betreft, heeft de compensatie betrekking op het creëren van zo vergelijkbaar mogelijke waarden.
het plan waarin is aangegeven welke maatregelen getroffen worden en op welke termijn de compensatie wordt gerealiseerd.
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik.
een terrein met een toegekende waarde, ontstaan door het gebruik van dat terrein in de loop van de geschiedenis door de mens.
grasland, akkerbouw- en tuinbouwgronden, die bedrijfsmatig dan wel hobbymatig in gebruik zijn, niet zijnde volkstuinen en moestuinen.
de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt.
voedings- en genotsmiddelen en goederen ten behoeve van persoonlijke verzorging (drogisterij-, parfumerie- en medische artikelen).
een horecabedrijf dat is gericht op het hoofdzakelijk overdag verstrekken van dranken en etenswaren, zoals theehuisjes, ijssalons, dagcafés en horecabedrijven van vergelijkbare aard en openingstijden.
recreatie in de open lucht, niet zijnde verblijfsrecreatie of een dagrecreatieve voorziening.
een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan.
een (extensief) dagrecreatief medegebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën, het gebruik van een vissteiger of een picknickplaats of een naar de aard daarmee gelijk te stellen medegebruik.
voorzieningen ten behoeve van activiteiten als wandelen, fietsen, vissen, zwemmen, kanoën en natuurobservatie in de vorm van bijvoorbeeld aanlegsteigers, picknickplaatsen, observatiepunten, informatieborden en banken.
iedere bovenbeëindiging van een gebouw of overkapping.
ondergeschikte opbouw op het dakvlak van een gebouw, ten behoeve van voorzieningen zoals noodtrappen, luchtbehandeling- en liftinstallaties, balkonhekken, ornamenten, privacyschermen en reclame-uitingen.
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen (geen motorbrandstoffen zijnde) aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
Een dienst is een transactie waarbij een niet-fysiek product wordt geleverd. Zowel goederen als diensten worden in de economie vaak aangeduid als producten.
een bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten (niet zijnde kinderopvang) aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio’s, galerieën en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting.
het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, evenwel met uitzondering van prostitutie.
een gebouw, waarin de bedrijfsuitoefening hoofdzakelijk is gericht op het bieden van gelegenheid tot dansen op mechanische muziek en het serveren van al dan niet alcoholhoudende dranken.
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
het optimaal gebruik maken van de potentie van de bodem om energie te leveren. Daarbij gaat het enerzijds om een zo goed mogelijk rendement van een systeem op een bepaalde locatie waarbij een goed ontwerp en goed beheer bepalend zijn en anderzijds om de totale energieproductie van meerdere systemen in een gebied. Bij dit laatste gaat het in praktische zin om het voorkomen van negatieve interferentie en om een optimale onderlinge ordening van bodemenergiesystemen.
het zodanig gebruiken van de bodem dat dit leidt tot een minimale verandering van de bodem, efficiënt ruimtegebruik, het behoud of de verbetering van de huidige kwaliteit en kwantiteit en het voorkomen dat andere belangrijke functies in het geding komen.
de onderzijde van het schuine gedeelte van het dak.
een kokervormige constructie met als doel de wederzijdse verbinding tussen oppervlaktewater te waarborgen met het oog op het realiseren van een toegang tot een perceel of het kruisen van het oppervlaktewater met een openbare weg, waarbij in principe de bodem van de waterloop, in tegenstelling tot die van de brug, wordt onderbroken.
velling van een gedeelte van een houtopstand bestaande uit meerdere bomen, uitsluitend als verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand. Daarbij geldt dat de kroonsluiting van de houtopstand inclusief alle kleinere bomen, tot maximaal 60% wordt teruggebracht. De kroonsluiting is de verticale projectie van de boomkronen.
een kap met de nokrichting haaks op de weg waaraan de woning is gelegen.
de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door een samenhangend geheel van onderling elkaar beïnvloedende mensen, planten, dieren en omgeving.
afrekening ten opzichte van een op grond van een kostenverhaalbeschikking betaalde kostenverhaalbijdrage
een bouwwerk, dat geen gebouw is en dat dient als scheiding tussen 2 of meer erven of terreinen, zoals muren, schuttingen, hekwerken of bouwwerken van vergelijkbare aard en omvang.
een kleine grondgebonden uitbouw van maximaal één bouwlaag aan een voor- of zijgevel van een hoofdgebouw die in overwegende mate (minimaal 70%) een transparante uitstraling heeft.
een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaats vinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal.
de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee.
een voor publiek toegankelijke gebeurtenis op of aan de weg, binnen gebouwen of op het openbare water, met uitzondering van betogingen, samenkomsten en vergaderingen, jaar- en weekmarkten, bioscoop- en theatervoorstellingen, waarbij volgens het gemeentelijke evenementenbeleid onderscheid kan worden gemaakt in de categorieën A, B, C en D
een evenement, inclusief opbouwen en opruimen, dat plaatsvindt binnen de kernzone van een primair en secundair oppervlaktewater.
een evenement, inclusief opbouwen en opruimen, dat plaatsvindt binnen de zoneringen van de waterkering.
de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend.
een vorm van recreatief medegebruik die nauwelijks of geen invloed heeft op de in de andere toegestane activiteiten, zoals wandelen, fietsen en dergelijke, zonder dat op het terrein een overnachting plaatsvindt.
een rechtopstaande pijp aan de top waarvan gas kan worden verbrand.
rijden met een fiets, elektrische fiets of speed-pedelec.
de teelt of het kweken van fruit aan houtige gewassen.
tentoonstellings- en verkoopruimte voor kunst, als ook ondergeschikte horeca ten dienste van deze functies.
een gebouw dat bedoeld is voor het stallen van motorvoertuigen.
Bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
de geluidbelasting vanwege een weg, een industrieterrein en/of een spoorweg.
de geluidsbelasting op een bepaalde plaats veroorzaakt door de gezamenlijke op een luchtvaartterrein landende en opstijgende vaste vleugel luchtvaartuigen met schroefaandrijving en een toegelaten totaalmassa die hoger is dan 390 kg doch niet hoger dan 6000 kg, uitgedrukt in bkl.
de etmaalwaarde van het equivalente geluidniveau in dB op een bepaalde plaats, veroorzaakt door het gezamenlijke spoorwegverkeer op een bepaald spoorweggedeelte of een combinatie van spoorweggedeelten.
de etmaalwaarde van het equivalente geluidniveau in dB op een bepaalde plaats, veroorzaakt door het gezamenlijke wegverkeer op een bepaald weggedeelte of een combinatie van weggedeelten.
Geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven
activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een gemeentelijk monument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht
een beleidsdocument van een gemeente waarin - op basis van een analyse tussen alle gemeenten in een bedrijvenregio afstemming plaatsvindt over minimaal de planningsbehoefte en fasering voor de regionale werklocatie(s) in de desbetreffende gemeente en die de basis vormt voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen.
een agrarisch bedrijf waar twee verschillende vormen van landbouw worden uitgeoefend, te weten een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering en een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering.
rijden met een (cross)motor, bromfiets, auto, e.d. en varen met een gemotoriseerd vaartuig.
locatie van een ruimtelijk object, vastgelegd in een ruimtelijk referentiesysteem.
de waarden van de gronden vanwege de ontstaansgeschiedenis van de vormen van het aardoppervlak, welke waarden worden bepaald door de herkenbaarheid van de vormen.
een bodemenergie-systeem waarmee warmte wordt onttrokken aan water uit de (diepe) ondergrond, ten behoeve van de verwarming van gebouwen of processen of voor het opwekken van elektriciteit, waarna het afgekoelde water weer in dezelfde laag in de ondergrond wordt teruggebracht. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen ondiepe geothermiesystemen (tot maximaal 500 meter beneden maaiveld) en diepe geothermiesystemen (dieper dan 500 meter beneden maaiveld).
opgebouwd uit een materiaal dat na het aanbrengen een solide geheel vormt en niet meer op te delen is, zoals asfalt en beton.
installatie waarmee, zonder grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van bijbehorende warmtepomp, circulatiepompen en regeneratievoorziening, voor zover aanwezig.
a. gebouw
1.dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
2.dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
3.dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
b.geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
op de planverbeelding aangegeven lijn die aangeeft waar één van de gevels gebouwd moet worden.
regulier onderhoud van de watergang, zoals maaien, snoeien, repareren en vuil verwijderen.
regulier onderhoud van de waterkering, zoals maaien, repareren en vuil verwijderen.
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het in een kas telen van gewassen.
Tastbare producten, zoals voedingsmiddelen, (duurzame) consumptieartikelen, kleding, machines en dergelijke
het Nationaal Groenfonds, opgericht in 1994.
een (openbaar)gebied, dat is ingericht als berm, park, groenstrook, beplantingsstrook, grasveld, plantsoen, sport- en speelveldjes en dergelijke, welke voor het gehele jaar of een groot deel van het jaar voor het publiek algemeen toegankelijk moet zijn.
een zelfstandige verblijfsaccommodatie die naar afmetingen en inrichting specifiek bedoeld is voor een grotere groep van personen, tot uitdrukking komend in onder andere gezamenlijke faciliteiten voor logies, dagverblijf en maaltijdbereiding.
huishoudelijke afvalstoffen die te groot en te zwaar zijn om op dezelfde wijze als de andere huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst te worden aangeboden.
hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit.
een werk in de bodem, daaronder begrepen het plaatsen of verwijderen van palen, damwanden of folies.
een agrarisch bedrijf waarbij hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van open grond.
alle soorten onderzoek waarbij sonderingen/boringen worden uitgevoerd of grond wordt ontgraven. Hieronder vallen in ieder geval ook het uitvoeren van sonderingen/boringen, het plaatsen van peilbuizen, het graven van proefsleuven en het uitvoeren van explosievenonderzoek.
de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.
afscheiding met vrij doorzicht, bestaande uit in de grond geplaatste palen met daartussen een frame van spijlen of gaas, in zijn algemeenheid aangelegd als perceels- of erfafscheiding.
de plicht tot het planten van een houtopstand teneinde het verlies van een al dan niet met ontheffing gevelde houtopstand te compenseren.
het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren (niet zijnde: een glastuinbouwbedrijf, een champignonkwekerij, een gebruiksgerichte paardenhouderij, een bollenteeltbedrijf of een vis- of wormenkwekerij, om daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid) op niet bedrijfsmatige wijze.
een woning op een bouwperceel, gelegen op de hoek van twee wegen, paden of ander openbaar gebied.
leiding deel uitmakend van een leidingsysteem waarin de maximale bedrijfsdruk groter is dan of gelijk aan 1 MPa (10 bar).
Gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is.
de hoofdvorm van het gebouw wordt bepaald door het bestaande gevelvlak, de goothoogte, de nokhoogte en de dakvorm.
de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld.
Het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken het bedrijfsmatig exploiteren van zaal accommodatie en of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf
een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt.
een ruimte waarin de bedrijfsuitoefening is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van maaltijden, eenvoudige etenswaren en dranken.
de lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel.
een accommodatie met bijbehorende voorzieningen voor de huisvesting van personen die in een terminale fase verkeren.
het telen van hout gericht op uitsluitend de productie als onderdeel van een agrarisch bedrijf.
één of meer personen die samen een woonruimte bewonen en zichzelf daar niet-bedrijfsmatig voorzien in de dagelijkse levensbehoeften.
één of meer personen die een huishouding voert, waarbij, indien er sprake is van meerdere personen, continuïteit in de samenstelling van de bewoners is en onderlinge verbondenheid tussen de bewoners
geheel van infiltratie, kwel, dynamiek in waterstanden, ecologische waterkwaliteit en de op basis daarvan aanwezige natuurwaarden.
het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum, als bedoeld in artikel 3.235 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 hectare en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer. Een hyperscale datacentrum omvat ook andere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die het hyperscale datacentrum functioneel ondersteunen
hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit.
waarde van de gronden die niet voor openbare ruimte zijn aangewezen, plus op die gronden:
- de kosten van het vrijmaken van de gronden van rechten
- het verwijderen van obstakels en te slopen opstallen
- bodemsanering, dempen van oppervlaktewater en grondwerken
het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.
festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen.
het oppompen van grondwater ten behoeve van aanwending in het productproces of bedrijfsvoering.
geforceerd in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater.
de betekenis van een kernkwaliteit als bron van kennis over het verleden.
een gebouwde ruimte, waarin de hoofdtoegang van een gebouw is gesitueerd.
de lijn waar talud en maaiveld elkaar ontmoeten.
een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van het telen van gewassen, zoals een paddenstoelenkwekerij, een wormen- en/of madenkwekerij, een viskwekerij, een witlofkwekerij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen met (nagenoeg) geen gebruik van daglicht.
agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en die gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, of geitenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van melkrundveehouderij, rundveemesterij waarbij de feitelijke bedrijfsvoering grondgebonden is, vleeskalverhouderij waarbij de feitelijke bedrijfsvoering grondgebonden is, en het biologisch houden van dieren conform de Landbouwkwaliteitswet
detailhandel zonder showroom, waarvan de handel voornamelijk via internet en andere media loopt.
ISO 11423-1:1997: Water - Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden - Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997
een haven met de daarbij behorende grond waar overwegend gelegenheid wordt gegeven voor het aanleggen, afmeren of afgemeerd houden van pleziervaartuigen.
een gevangenis of huis van bewaring als bedoeld in de Penitentiaire beginselenwet, een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden als bedoeld in de Beginselenwet verpleging of een inrichting als bedoeld in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Onder justitiële inrichting wordt mede verstaan: het vervoer van gedetineerden, verpleegden en jeugdigen van en naar de justitiële inrichting, alsmede alle andere arbeid die justitieel personeel verricht met gedetineerden, verpleegden en jeugdigen buiten de justitiële inrichting.
alle kabels waaronder elektriciteits-, signaal- en telecommunicatiekabels, inclusief bijbehorende voorzieningen. Glasvezelkabels vallen niet onder kabels omdat deze altijd in een mantelbuis worden gelegd. Glasvezelkabels worden daarom als kleine leiding beoordeeld.
het bewonen van een kamer in een woonhuis, waarbij de kamer niet als zelfstandige wooneenheid kan worden aangemerkt en zoals dit tot uitdrukking komt in de afwezigheid van een zelfstandige entree, keuken, of sanitaire voorzieningen
een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan;
enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
een terrein met daarbij behorende voorzieningen, ter beschikking gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf of voor het plaatsen, dan wel het geplaatst houden van kampeermiddelen.
een gebouw, dat dient voor de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi)overheidsinstellingen, het bankwezen, en naar de aard daarmee gelijk te stellen instellingen, niet zijnde detailhandel.
het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand.
een bouwwerk, niet zijnde een tunnelkas of een naar de aard daarmee vergelijkbaar bouwwerk, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal, dienend tot het kweken van groente, vruchten, bloemen of planten.
het aaneengesloten gebied in het bestaand stedelijk gebied dat als het belangrijkste winkelcentrum kan worden aangemerkt, zowel wat betreft aantal winkels als winkelassortiment.
kostensoort aangewezen op grond van artikel 8.15 van het Omgevingsbesluit, waarvan de kosten verhaalbaar zijn via een kostenverhaalbeschikking
lijst van verhaalbare kostensoorten
besluit waarbij het bedrag aan kostenverhaal (de kostenverhaalsbijdrage) wordt bepaald dat de aanvrager moet betalen
gebied waarvoor kostenverhaalregels of kostenverhaalvoorschriften gelden. De kosten worden omgeslagen over alle in het kostenverhaalsgebied voorziene kostenverhaalplichtige activiteiten
activiteiten (bouwplannen) waarbij kostenverhaal in rekening kan worden gebracht op grond van afdeling 13.6 van de Omgevingswet;
civieltechnisch werk voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen en/of leidingen, niet bedoeld voor permanent menselijk verblijf.
hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit.
hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit.
een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering die specifiek is gericht op het telen van bomen, struiken, (tuin)planten en aanverwante gewassen, zoals een boomkwekerijbedrijf, een sierteeltbedrijf, een fruitteeltbedrijf en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven.
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
a.varkens, kippen, schapen of geiten; en
b.als deze worden gehouden voor de vleesproductie:
1.rundvee tot 24 maanden;
2.kalkoenen;
3.eenden; of
4.parelhoenders
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
perceel dat wordt gebruikt voor de bedrijfsmatige teelt van gewassen.
geheel of gedeeltelijk met bossen of andere houtopstanden bezette onroerende zaak - daaronder begrepen die waarop een buitenplaats of andere, bij het karakter van het landgoed passende opstallen voorkomen - voor zover het blijven voortbestaan van die onroerende zaak in zijn karakteristieke verschijningsvorm voor het behoud van het natuurschoon wenselijk is.
juridisch bindend plan dat aangeeft op welke wijze inpassing van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in het desbetreffende gebied plaatsvindt. Tot deze inpassing behoren situering van de opstallen en de inrichting van het perceel, waaronder de erfbeplanting ten opzichte van het landschap. Het gaat om bestaande en gewenste karakteristieken en kwaliteiten van het landschap. Een en ander uit zich in een ontwerpgerichte benadering waarin de karakteristieken en kwaliteiten verder worden versterkt.
de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak (geomorfologisch, hydrologisch, ecologisch, cultuurhistorisch en landschappelijk-esthetische).
een kap met de nokrichting evenwijdig aan de weg waaraan de woning is gelegen.
een dak bestaande uit één hellend dakvlak.
het in een woning en/of woongebouw op dezelfde bouwlaag aanwezig zijn van voorzieningen zoals slaapkamer(s), toilet(ten), douche, keuken en woonkamer.
perceel of cluster van aaneengesloten percelen waarop gebouwen gerealiseerd dan wel te realiseren zijn met een minimale bruto vloeroppervlakte van 3.000 m2 uitsluitend of hoofdzakelijk voor kantoren en daarbij behorende voorzieningen.
een bedrijf waar, tegen vergoeding, logies worden verstrekt, waarbij de bed- and breakfasteenheden enkel zijn ingericht voor nachtverblijf.
een bedrijventerrein dat (1.) plaats biedt aan bedrijven met een lokale oriëntatie om reden van de sociale binding aan de kern en haar directe omgeving (veelal doordat de eigenaar daar in de buurt woonachtig is) vooral qua arbeidsmarkt en qua toelevering- en afnemersrelaties; (2.) bedrijven huisvest die kleinschalig zijn; (3.) plaats biedt aan bedrijfsbebouwing die qua kwaliteit, volume en kavelgrootte aansluiten bij de kwaliteit van de directe omgeving; (4.) geen ruimte biedt voor significant milieubelastende activiteiten (maximaal categorie 3.1 volgens VNG-uitgave 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering'), waarbij geldt dat op basis van duidelijke gemotiveerd uitzonderingsbeleid de vestiging van categorie-4-bedrijven eventueel ook mogelijk is.
een belang dat educatief, sociaal-medisch, sociaaleconomisch, sociaal-cultureel, recreatief of levensbeschouwelijk van aard is, de duurzaamheid bevordert, dan wel gerelateerd is aan sport of aan openbare dienstverlening.
educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve voorzieningen, kinderopvang, buitenschoolse opvang, dorpshuis, peuterspeelzalen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte horeca en detailhandel ten dienste van deze voorzieningen.
een voorziening met een publieksgericht karakter, waar gelegenheid wordt geboden tot het berijden en verzorgen van paarden en/of pony’s (waaronder begrepen het stallen, het lesgeven, de verhuur, het dresseren en trainen, alsmede het organiseren van wedstrijden en/of andere hippische evenementen) eventueel in combinatie met daaraan gerelateerde en ondergeschikte detailhandel.
een korte drukloze leiding ter bescherming van kabels en/of mediumvoerende leidingen, veelal gelegen onder wegen, op- en afritten, bouwwerken of beplanting.
een door de feitelijke terreininrichting aanwezig verschil tussen het beloop van lijnen in het veld en een aangegeven bestemmings- of bouwgrens.
de behandeling van dierlijke mest zonder noemenswaardige veranderingen aan het product, zoals mengen, roeren, homogeniseren en verwijderen van vreemde objecten zoals plastic folie en hoeven.
een werk of een bouwwerk ten behoeve van de opslag van mest.
een constructie van beton, hout of staal bekleed met folie of beton, dan wel een gemetselde constructie die geheel of gedeeltelijk is ingegraven ten behoeve van de opslag van mest. Onder een mestsilo wordt niet begrepen een mestkelder, zijnde een volledig ondergrondse bak, die is gecombineerd met een gebouw.
de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals scheiding, bezinking, toevoeging van additieven, vergisting, beluchting, droging, compostering indamping, vergassing en verbranding.
de waarde van een gebied in milieuhygiënische zin door de mate van scheiding tussen milieugevoelige en milieubelastende functies, daarbij in het bijzonder gelet op het voorkómen dan wel beperken van hinder door geur, stof, geluid, gevaar, (bodem)verontreiniging, licht en/of trilling.
de vaarwegdiepte op basis van de scheepstype indeling conform CEMT, of conform de klasse indeling volgens de BRTN, vermeerderd met de benodigde kielspeling.
het verminderen van nadelige effecten van ingrepen/activiteiten op de aanwezige natuur, bos en landschapswaarden door bepaalde maatregelen.
bijzondere beschermwaardige boom met een relatief hoge leeftijd (ongeveer 80 jaar) met een bijzondere waarde of een bijzondere functie voor de omgeving, met een verwachte levensduur van tenminste 15 jaren.
de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.
stelsel van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang dat strekt tot veiligstelling van ecosystemen met daarbij behorende soorten.
de aan een gebied toegekende waarde die in verband met de geologische, bodemkundige en biologische elementen voorkomende in dat gebied.
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten - Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties kleiner dan of gelijk aan 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016.
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
gebruiksfunctie die ondergeschikt is aan een andere gebruiksfunctie.
activiteiten die niet rechtstreeks tot de bedrijfsvoering van de (agrarische) hoofdactiviteit behoren en die op basis van de standaardopbrengst (SO) norm daaraan ondergeschikt zijn.
een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk in gebouwen plaatsvindt, en die als zodanig niet afhankelijk is van agrarische gronden als productiemiddel, zoals een intensief tuinbouw- bedrijf of een intensief veehouderijbedrijf.
voorzieningen ten dienste van openbare en semi-openbare nut, zoals transformatorgebouwen, telefooncentrales, telecommunicatie, alarmeringsystemen, riolering, rioolgemalen, waterzuivering, de levering van elektriciteit, gas, water en warmte, voorzieningen voor de waterhuishouding en naar aard van nutsvoorzieningen of daarmee gelijk te stellen overige voorzieningen.
een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm.
detailhandel die als activiteit in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op grond van dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie. De detailhandelsactiviteit is van zulke beperkte bedrijfsmatige en/of ruimtelijke omvang dat de functie waaraan zij wordt toegevoegd qua aard, omvang en verschijningsvorm overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie duidelijk herkenbaar blijft. De detailhandelsactiviteiten vloeien rechtstreeks voort uit de hoofdfunctie.
horeca die ondergeschikt en in hoofdzaak ten dienste staat van en gerelateerd is aan de bestemming en tot doel heeft het verstrekken van kleine etenswaren en dranken. Tot ondergeschikte horeca worden mede gerekend mobiele horecastands, drankautomaten, en dergelijke.
een ondergeschikt bestanddeel van de totale bedrijfsomvang van een agrarisch bedrijf, zoals een intensieve tak veehouderij of een bedrijfseigen mestvergisting.
een voor verblijf geschikt bouwwerk, waaronder begrepen al dan niet aan zijn bestemming onttrokken voer- of vaartuig, ark, caravan, woon- of stacaravan, voor zover geen gebouw zijnde, alsmede een tent
het uitvoeren van diepe ontgravingen (bijvoorbeeld zand- en kleiwinputten, nevengeulen en weerdverlagingen)
een constructie om water uit grondwater en aan een oppervlaktewater te onttrekken
weg aangelegd zonder wegcunet (zoals wandelpaden, zandwegen of schelpenpaden)
het wegdek bestaat uit losse elementen, zoals klinkers, stelconplaten of tegels
installatie waarmee van de bodem gebruik wordt gemaakt voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door grondwater te onttrekken en na gebruik (geheel of deels) in de bodem terug te brengen, met inbegrip van bijbehorende bronpompen, warmtewisselaar en, voor zover aanwezig, warmtepomp en regeneratievoorziening
wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties
hetgeen in artikel 1, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt verstaan onder het begrip ‘wegen’, met uitzondering van die wegen die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaan voor voetgangers en fietsers
kunstmatige verhoging van het maaiveld
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, al dan niet aangebouwd aan een ander bouwwerk en bestaande uit een lichte constructie, die van boven geheel of gedeeltelijk is afgesloten c.q. afgedekt
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, al dan niet aangebouwd aan een gebouw of een ander bouwwerk, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport
een al dan niet door middel van een afscheiding afgezonderd terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en/of berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen
een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering die is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het houden van paarden.
het houden van paarden en pony’s ten behoeve van verhuur en eigen gebruik, alsmede het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en pony’s in pension te stallen en te weiden; onder paardenstalling worden geen maneges verstaan.
situatie dat de burger of een groep van burgers - in dat laatste geval georganiseerd als rechtspersoon zonder winstoogmerk of krachtens een overeenkomst - tenminste de economische eigendom verkrijgt en volledige zeggenschap heeft over en verantwoordelijkheid draagt voor het gebruik van de grond, het ontwerp en de bouw van de eigen woning.
de scheiding tussen twee bouwpercelen of tussen een bouwperceel en een aangrenzend terrein.
gebruik van een (recreatie)woning of ander gebouw als feitelijk hoofdverblijf.
aantal kostensoorten waarvan het bedrag forfaitair bepaald wordt. Het betreft met name voorbereidingskosten
horizontaal of nagenoeg horizontaal gelegen dak.
detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.
vuurwerk, niet zijnde consumentenvuurwerk.
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.
de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie.
monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan of de omgevingsverordening de functie-aanduiding 'provinciaal monument' is gegeven.
de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats.
een recreatief gebruik van gronden en opstallen dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan.
de bewoning of verblijf dat plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie, waarbij het hoofdverblijf elders wordt gehouden.
een winkel op een recreatieterrein, waarin de bedrijfsuitoefening is gericht op detailhandel in hoofdzaak ten dienste van dat recreatieterrein.
woning ten behoeve van tijdelijk recreatief verblijf.
een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de Waterwet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening.
een bedrijventerrein of locatie voor kantoren die plaats biedt aan bedrijven met een bovenlokale oriëntatie, zowel qua arbeidsmarkt als qua toelevering- en afnemersrelaties, en die is gelegen in een bedrijvenregio dan wel het VAM/MERA-terrein te Wijster betreft.
een regionaal beleidsdocument waarin - op basis van een gezamenlijke analyse - tussen alle gemeenten in een bedrijvenregio afstemming plaatsvindt over minimaal de planningsbehoefte en fasering voor de regionale werklocatie(s) en die de basis vormt voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen.
voorziening ten dienste van een bedrijf of instelling, gericht op het verstrekken van (eenvoudige) spijzen en dranken aan de reguliere gebruikers van dat bedrijf of die instelling, zoals een kantine of mensa.
locatie van een stadsgezicht waaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stadsgezicht is gegeven
een gebied als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid.
regeling ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied door het verwijderen van landschapsontsierende agrarische bedrijfsgebouwen, die geen agrarische functie meer hebben en waarvoor ter compensatie van de sloop een of meerdere woning(en) mag (mogen) worden gebouwd.
stoffen, combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze - op of in de bodem gebracht of gerakend - de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen.
schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet.
een bouwwerk ten behoeve van opslagdoeleinden.
een onafgedekte constructie van beton, dan wel een gemetselde constructie ten behoeve van de opslag van kuilvoer.
huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens voor huurtoeslag
sporten, niet zijnde gemotoriseerde en gemechaniseerde sporten en sporten met dieren.
de Staat van Bedrijfsactiviteiten bedrijventerrein die als bijlage onderdeel uitmaakt van deze regels.
de Staat van Bedrijfsactiviteiten bij functiemenging die als bijlage onderdeel uitmaakt van deze regels.
een kavel voor het plaatsen van woonwagens of kampeermiddelen, waarop al dan niet voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven of andere instellingen kunnen worden aangesloten.
een gedeelte van een kampeerterrein dat is bestemd voor het plaatsen en geplaatst houden van kampeermiddelen.
het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.
een kap met een piramidevormige afdekking eindigend in één punt of met een korte nokbalk haaks op de weg.
de waarde van een gebied in stedenbouwkundige zin, die wordt bepaald door de mate van samenhang in aanwezige bebouwing, daarbij in het bijzonder gelet op een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte, een goede hoogte- en breedteverhouding tussen de bebouwing onderling en de samenhang in bouwvorm en ligging tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is.
huishoudelijke afvalstoffen van zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen, papier, sigarettenpeuken, kauwgom, plastic bekertjes en blikjes, verpakkingsmateriaal, etenswaren, niet zijnde klein chemisch afval, ontstaan buiten een perceel.
bouwwerken die zijn bedoeld voor de inrichting van de openbare straat en aansluiten bij de publieke functie van de straat (voorbeelden zijn bankjes, lantaarnpalen, bebording).
a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
een houtige plant zonder stam die zich onmiddellijk boven of reeds in de grond vertakt in een aantal takken die meer of minder dik kunnen worden, al dan niet in de vorm van een haag.
bosplantsoen, aaneengesloten struikgewas.
een detailhandelsbedrijf dat zich in hoofdzaak richt op het verkopen van voedings- en genotmiddelen en dagelijkse levensbenodigdheden in een algemeen assortiment, in de vorm van een zelfbedieningszaak.
de wijze van overdragen van afvalstoffen aan een inzamelende persoon of instantie, inclusief het achterlaten van afvalstoffen in daartoe door of vanwege de inzamelende persoon of instantie geplaatste inzamelmiddelen of -voorzieningen of op een daartoe aangewezen plaats.
grote parkeergelegenheid aan de rand van een stad, vanwaar men zijn reis naar het centrum per openbaar vervoer kan vervolgen, kan tevens fungeren als knooppunt van openbaar vervoer.
een jaarlijks op uniforme wijze uitgevoerde telling die inzicht geeft in de minimaal aanwezige aantallen dieren.
planten, bloemen, struiken, hagen en bomen met een maximale eindhoogte van 5 meter. Gras wordt niet als tuinbeplanting aangemerkt.
detailhandel met een al dan niet geheel overdekt winkelvloeroppervlak waar bedrijfsmatig boomkwekerijproducten, planten, bloembollen en bloemen ten verkoop worden aangeboden, alsmede materialen voor de aanleg, de verfraaiing en het onderhoud van tuinen.
een eindafrekening op verzoek van de houder van een kostenverhaalbeschikking van de door hem of haar betaalde kostenverhaalbijdrage
bebouwing in halfvrijstaande en of geschakelde hoofdgebouwen, waarvan het hoofdgebouw van beide woningen aan maximaal één zijde grenst aan een ander hoofdgebouw en daardoor aan één zijde in de perceelsgrens is gebouwd.
elk binnen de provincie gelegen oppervlaktewaterlichaam dat openstaat voor het openbaar scheepvaartverkeer, voor zover vermeld op lijst A of lijst B.
de overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken.
het bevoegde bestuursorgaan van het overheidslichaam dat met het vaarwegbeheer is belast en als zodanig is vermeld op lijst A of lijst B.
recreatief nachtverblijf, waarbij overnacht wordt in kampeermiddelen en/of recreatieverblijven.
het onder gecontroleerde omstandigheden (volledig afgesloten van lucht) afbreken van organische verbindingen door bacteriën waarbij methaangas vrijkomt.
een voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte, zijnde de netto-vloeroppervlakte, ten behoeve van de detailhandel.
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen.
grond met een beperkte omvang, deel uitmakend van een complex, waarop door voornamelijk stadsbewoners voedings- en siergewassen worden geteeld.
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die door de ligging, de situatie ter plaatse en/of de indeling van het gebouw als voorgevel moet worden aangemerkt.
bebouwing op een bestaand agrarisch bouwperceel dat door (gedeeltelijke) beëindiging van het agrarische bedrijf vrij komt voor invulling met een niet-agrarische functie, dan wel gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een voormalige overeenkomstige bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn geweest, maar inmiddels een niet-agrarische functie hebben.
een niet met het (hoofd)gebouw verbonden gebouw, dat functioneel verbonden is met het op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw.
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
voorzieningen ten dienste van de waterhuishouding waaronder wadi's, waterlopen, waterpartijen, watergangen, dammen, sluizen, duikers, retentiebekkens, vijvers.
hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit.
door wind aangedreven molen die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit.
het huisvesten van één huishouden in één woning.
Een
een complex van ruimten uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van een afzonderlijk huishouden.
het omzetten van een (woon)functie naar één of meer woningen of één of meer wooneenheden (voor kamergewijze verhuur) hieronder wordt tevens verstaan het omzetten van één of meer wooneenheden naar één of meer woningen
het bouwkundig en/of functioneel splitsen van één woning in twee of meer woningen
Gebouw
gebouw of gedeelte daarvan met alleen woonfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan, waarin meer dan een woonfunctie ligt die is aangewezen op een gemeenschappelijke verkeersroute.
een accommodatie met bijbehorende voorzieningen voor de huisvesting van personen die bij hun normale, dagelijkse functioneren, huishoudelijke, sociale, sociaal – -medische en/of medische begeleiding en/of verzorging behoeven, zoals bejaarden of gehandicapten.personen met een fysieke of verstandelijke beperking
de gevel van een gebouw, niet zijnde de voor- of achtergevel.
een instelling die zich richt op het verlenen van zorg, al dan niet in combinatie met wonen voor cliënten en personeel.
een gebouw of zelfstandig gedeelte van een gebouw dat bedoeld is voor de huisvesting van personen die niet zelfstandig kunnen wonen en die geestelijk en/of lichamelijk verzorging behoeven. Verzorging kan voortdurend of nagenoeg voortdurend plaatsvinden en in het gebouw kan een afzonderlijke ruimte ten behoeve van verzorging aanwezig zijn.
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lijst met informatieobjecten
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_047e302c116543338ad494427d8bd40d/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_509df20b9cbd4b448bf2542964c22630/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_15a6939cda794bb5acfa456ef49235c3/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_1ccc5c5118fa4c03a8010e21712853d9/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_1ccc5c5118fa4c03a8010e21712853d9/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_e1d3e75157f142ffa32332f12e74808d/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_e1d3e75157f142ffa32332f12e74808d/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_8a6650c484f84957806fb572d3776e04/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_8a6650c484f84957806fb572d3776e04/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_d4de9cca27164fc59e163dcbc95fc70c/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_9c90c9e28b564b5dadc8787dafc5fc4f/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_b00f9556d323487fadbd4049a6dc74bf/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_ef0e274780fa4f5085bd2c32e2e22876/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_ea1293dbed134b28aa0c64ed8a7c99ed/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_0d7c470bee4e45008ee2914c22b731e5/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_94915cecb66d489ea4a0b51b1619ade5/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_3f75a9ce11404fe487fe634d6eb6c042/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2024/Beschrijving_gemeentelijke_monumenten_Meppel/nld@2025‑05‑14;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_9af8810335e349c895a4be3fedb63651/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_4dd73482055f47088332641dcfc27bf0/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_8c9896e3c1c3433d813d56472e060809/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_f1fdea35405a4085b1058dec68c722b3/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_521d19b72674425f813ccc3bb32f4fb6/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_521d19b72674425f813ccc3bb32f4fb6/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_576b482039584badac4d0af1e469defc/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/gebiedsaanwijzing_f9a3ebc8ada94996a748cdc084198322/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_de4a5ecf3be34df59b51f0b7ba3b5a98/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_de4a5ecf3be34df59b51f0b7ba3b5a98/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_2bcb7e15d77d47dfb1588bcff2ae3567/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_9cf1022b6eca4e8cb86b9bdc8c8032f9/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2024/Besluit_aanwijzing_Rijksbeschermd_Stadsgezicht_Meppel/nld@2025‑05‑14;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_7c0f143d00cc4257a0bde4fff11514ed/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_525d9ca3f1ec4c269875e951431588c7/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_163ac7f0d99d40d49a831b011e2ef319/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_ab118da8b72f431b9cf3fca388ebe487/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_7d9fa9c6b5fb4f69bf9ea73e2599cefc/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_7d9fa9c6b5fb4f69bf9ea73e2599cefc/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_c09cddd9b01b49c98019c94141be3d63/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_c09cddd9b01b49c98019c94141be3d63/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_87b1078744dd4f2c934ba85896502e02/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_b5a9c8555dbb4b86b134ce9564106f2d/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_b5a9c8555dbb4b86b134ce9564106f2d/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_8d457df972e041629dc73a4761fb65c2/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_8d457df972e041629dc73a4761fb65c2/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_6c168afa180f4a67ba26fb2eca373a20/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_dc0ec43939df498ca7b27560931d87c5/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_dc0ec43939df498ca7b27560931d87c5/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_1da94414fcf648998418bd941daa629f/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_88a09a9796ea448a9b5208014620c0bc/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_105b5a6e5030490dadf983517d863b95/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_105b5a6e5030490dadf983517d863b95/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_a76387543b6d4dbeaa0f07bfe3961188/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_1f541208ded142ea9d7f1d61ea38115f/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_1f541208ded142ea9d7f1d61ea38115f/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_85c59d93cde14473b3e6324ad33ce1e2/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_c2af2c016bd54efab3d4e18f2d7e43ff/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_9a65c343805a4952830a14ddc2cf9fae/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_d959df8dfa9b40cdaf1923072b0c448a/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_98d988e18ddc41ad97598d67139688ed/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_6b757d84e29748f0b4751e3ac6034fff/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_aace47b8c53c4ddd8c27a5b99adbf11a/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_aace47b8c53c4ddd8c27a5b99adbf11a/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_1f2c6da033d44cc484ec863397062be7/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_7f0d1fe47ad44a0bbe1ef0e6f912728a/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_55a91b2388824650850bcc46b94f3ee1/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_55a91b2388824650850bcc46b94f3ee1/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_cc327e62c0974af4a21abe4d01dd6281/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_e770ddae334b44d5a040fa2f65e22214/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_1a33f672dd6e46b1a73045de6ebc6e02/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_1a33f672dd6e46b1a73045de6ebc6e02/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_3c3e0fe228fd4b1cacb062fd34b99fb3/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_0f8e3b01a157442291b604f1246ece95/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_a6181d92b0364831802720c7d16809f0/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_1609970eaa014ba38cb350f29cd1bf6a/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_900024553a4648a2b73bba9e7d83e710/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_cbefa5f6f99947dfb6bb70bed4cfaaab/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_8af19571d76f4cf2bef6861a5b8e61d5/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_dd95696893554ac5a8b05c88734ee570/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_1d7b90c6f1f840ea97b38d20e8ca1319/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_e233b62386df43dd847fceab5c504ca7/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_7400ded3eeb44717bb215ed0e1738712/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_ccf3dec65add4d45bffec76b9fcd7e17/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_ba4be0b5bb904f769c8410fd6660b49f/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_65006d8df0274d798c548cde6b6c0b4e/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_aefa753b10f04960851db2264c207536/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_75cc6ed7a65341cd9ff2da2f1ec04a1a/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_75cc6ed7a65341cd9ff2da2f1ec04a1a/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_db454d4f6f1b4bb48765803ec07f3230/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_db454d4f6f1b4bb48765803ec07f3230/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_86e9ff43eccf4f778e44b34f0e2201c7/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_22373e31cc6f45928fb86082abc66e0f/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_91760e343f474498a01017eaff7b90e3/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_3d580aceb93745959d805037c649c005/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_bad61614ac7e48279a302480055558c1/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_c484c16fbee74b9795f15512a99695fb/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_c484c16fbee74b9795f15512a99695fb/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_9553b1faf9dd4505a59e2e69549c0150/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_1de0a6fc3fdf457991bb0b6b66e251dc/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_1de0a6fc3fdf457991bb0b6b66e251dc/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_70f8738168f742e5a9f40319942e70e7/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_70f8738168f742e5a9f40319942e70e7/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_c0e46e91d3ed40268f8f9a0ffcdfb762/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_c0e46e91d3ed40268f8f9a0ffcdfb762/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_134491af1fc94cd88115e09d72e48f0c/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_134491af1fc94cd88115e09d72e48f0c/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/norm_2150e72134514e5293a3df97392bf130/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/norm_12af92eb314a4a1d81559eb5736a9dc6/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_620a46bd6bf54c58b2b1a1a27110dd0a/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/Geluidverkaveling_Lden_Spijkerserve/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/Geluidverkaveling_Lnight_Spijkerserve/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/Geluidverkaveling_Oevers_vergund_en_maatwerk/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_a2d5eafb828c4091ac6a04655895f8e0/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_4809150eceb0426496c55dd9367b6352/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_89869105a6c24e7e9f706e1c4eeb91e7/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_89869105a6c24e7e9f706e1c4eeb91e7/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/Gemeentelijke_monumenten_redengevende_beschrijvingen/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_d96178a880f94af58947f662a6f2c482/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_d96178a880f94af58947f662a6f2c482/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2024/Grenswaarden_bodemkwaliteit/nld@2025‑05‑14;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_fa8ff556d3e34d01a986a7855d0ff4cb/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_fa8ff556d3e34d01a986a7855d0ff4cb/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_30982ac623114182ba3024a1a3dcb001/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_30982ac623114182ba3024a1a3dcb001/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/lijst_met_beeldbepalende_panden/nld@2025‑05‑14;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_561e59581f1e4c5aafa11bb2fc668ed3/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_ddeff69755eb417ebbe31ac4f2625980/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_8b64571f84a2482cb7c3f77ddc76a1aa/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/gebiedsaanwijzing_3ded3ddd38f84cc3a5fb9cde0df400bf/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_09a4ea285c404ad7b928aa37b9202655/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_09a4ea285c404ad7b928aa37b9202655/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_87715b8956c74404a9d906b0965f9b69/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_42c8c193cf624e698bccdc0c8235d13c/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_8082406fee9b463c9182660171d3df60/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_a09a97eee55b4896b25a23198e312e0e/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_948a2baa5a8c48fe9190d2b4168218c5/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_61971fef7989402a90ae74f965b23970/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_61971fef7989402a90ae74f965b23970/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_fb37dac3be434ef882b48fb05030f560/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_6442bed26c82455a8cd7de30ee94b95f/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_7dd4442fe51d47d2a748287615ea7d7d/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_7dd4442fe51d47d2a748287615ea7d7d/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_288004f5f2024f52a27bd6fea9bdb6cc/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_7174221a26cc4c3188ca062248824189/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_7174221a26cc4c3188ca062248824189/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_4eceec03ec2d4c91804358fde7030b69/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_7b08885e6c3646619133f787d5bcb2a0/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/gebiedsaanwijzing_f88487d4df234015bd5a6e24a0d4f99a/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/gebiedsaanwijzing_e6c552183b714631bd383d8b2beb96a1/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/gebiedsaanwijzing_42a8a1878fba48b69b798566d2ba3ba4/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/gebiedsaanwijzing_b2ee261da0644f5888338245b96a581e/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_9ea865687aa24b33ae4a9a08b30b200e/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_9ea865687aa24b33ae4a9a08b30b200e/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_9e91d6c2b6944c13b97e5b4d65fb01c6/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_58c9bb0dceb448d49999c437220c6200/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_3a9998112fb54cb9bee75e9bf73d2576/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_f328c0b866014e60bd06f84e4d79d2a3/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_a28bbacf6bfa41d395bc864e5b919f6f/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_1bc9d522b36b49eeae4a45dc6227d54f/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_986f6e1dbfe24538b8b15da4f050a614/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_19b97fbdf2aa4f1e832fc12b0313c465/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_2b6562d35d4c486c97a0b104c5fb14aa/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_2b6562d35d4c486c97a0b104c5fb14aa/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/lijst_met_beeldbepalende_panden/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/norm_039f618d4db74276902fb7921a78da70/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/norm_2b0f0a7f09104d2aa13cfd69f3c04555/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/norm_5ecaaf9fda004ccdbad6f2409277674d/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/norm_6d9e56b46567431bb5ad8a47953045c7/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/norm_a23ac2a2dba04b058267d2b53d95ea6a/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/norm_a23ac2a2dba04b058267d2b53d95ea6a/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/norm_7d8124b98fdd4c59adf172bb29c49f91/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/norm_baffbb9ea7314ca9aed5dcdd5906e2ab/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/norm_a038b3e685aa4df4abc189b7fad1bf6c/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/norm_48ca19246ea6474caca83c54a55849fc/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/norm_8170de5f8a004a37a24d1d6b4ce5663a/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/norm_8170de5f8a004a37a24d1d6b4ce5663a/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/norm_5c5a5571cb95440eb6f47e083b56871d/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/norm_f263750e9e354c019e8533cf1ecaeef5/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/norm_3e5721a1b0244385a60a7ed5c4273823/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/norm_3e5721a1b0244385a60a7ed5c4273823/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/norm_c7a4704472ac4993809a956435dbe69a/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/norm_c7a4704472ac4993809a956435dbe69a/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/norm_2a079d7cd4674912b0743b75b06d0b06/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/norm_2a079d7cd4674912b0743b75b06d0b06/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/norm_5bed1025f1a84f07b2b740c160a22c22/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/norm_5bed1025f1a84f07b2b740c160a22c22/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/norm_3d6b447aa83f4444b72f30275270cc78/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/norm_59202fe766714e59bf65e31815fe415f/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_76081bf69fb340319bd0a7f7e209e835/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_76081bf69fb340319bd0a7f7e209e835/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_06d763b65b124f4cbdf9096668c0370f/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_9a4d810620154aadb2f2f9f04a55fe4b/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/norm_1cc262ef860e47518e3050c44e7612ee/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/norm_1cc262ef860e47518e3050c44e7612ee/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/norm_bc2f2b2de8454cf5aa0c7a6c561f69dd/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/norm_427d4feb4a404a6da3be6e93b57b47fb/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/norm_68a51b8dbcf649cf9025d086bb7ee59c/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/norm_4f363ad98ac149b4affec680556d2548/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/norm_e25c47af252747639395453a188d201c/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/norm_26cdc199fef249d692856252a9bd919c/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_85ecb0f7bd6b4b49b7ca6231b0ca3f53/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_85ecb0f7bd6b4b49b7ca6231b0ca3f53/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_2bd71ee70df74adda83a641fc18c8a1d/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_b1399aca70bd4942a2752d3844ccec5d/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_61d40a2866184ee199e80e378e6b17ef/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_39b2b19b21cf4b71b67ffe6641dd8324/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_460296787b6e495e8a87cce596c94167/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_134f6000bd1a4a0493363fe540265a22/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_3de9024aaecb4a4eb61f5cf407ec29c6/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_a2ec0586fc604d73a43f6ade207bd11c/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_a2ec0586fc604d73a43f6ade207bd11c/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_0a97c4da282f42148069fd3bec003ee4/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_c19957ed8f3e47858b0d9038beba6e41/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/gebiedsaanwijzing_e0c5c56cc8cc4b888e258c20b22f3895/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_6217363e6bb04178929b4d8f5c6ecd01/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_6217363e6bb04178929b4d8f5c6ecd01/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/Waarden_van_het_gezamenlijke_geluid/nld@2025‑05‑14;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_d06e99f90d3c4104a6cce9dc632c19a7/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_664f3638c7db4e6b8ec401ffe91632fd/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_42b130a1370b48b780315d617ab1be67/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_42b130a1370b48b780315d617ab1be67/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_e1465cb23ea045879e88248da0e70693/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_5341f1e3a2dc4f91ba0ca720de394ffa/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_373d14f2013e4238a948dce5ea82e3fd/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_c2653cd195f9421b924b6520e8b95cd1/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_c2653cd195f9421b924b6520e8b95cd1/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_2db3da9d6e3f46e2aa359314f15c3888/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_8e8d522710274553896f15bf509982f2/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_7c1c2011cf0f443a999729d594370bb3/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_7c1c2011cf0f443a999729d594370bb3/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_39b1d31bce0a419caa299ac1bc19de2c/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_39b1d31bce0a419caa299ac1bc19de2c/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_7d07d12902fc4a2eb6120380fc507f37/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_cad351de34b14d85b6d983010b739ef7/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_9cf28406c1384919933bff0aad394d7f/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_fd8158f4c6824edda8eea71584fdc924/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_6fb1fc273cc145e98ccf0acf5cb9de52/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_59c143183aec403e93c343542bbfa516/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_59c143183aec403e93c343542bbfa516/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_10656e4e206e4c3281cc66041f93dbd5/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_999c94ef6a044439b38aa8d0124b5d90/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_7fdf2c0b87d84972a117014f1baf9310/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_aa52eee19f01411eb34c3a49b064fc18/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_0a1e5b4e897344e799c8b6754e09684d/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_27dfed98cd0f41d89de784a80b9cb192/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_3e1cacdf687042f7a065923f01ce41cb/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_ad0a2d5355dc443290469f7ecf9aa4ff/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_d5ebaba3533b44ffa4552a1b4136b987/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_6773372df2c14f50a65cbe9662b0d449/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_c1b97fe96da54335b84998b1cb59f992/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_13d1bd6ae2024232ac965e68458668a9/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_a8e29e43b46b45e6b030458aecd9d899/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_82d6d79339e64add931834cac3b0713c/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_09341dbeb72d4326be3de1c1a9ef553e/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_11720832efe947bebaa7f1c9143457c3/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_d3ac29fd01074466b4b58071a289c901/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_e922a4bedd92481388055268b4438a6b/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_d34203b63917418da20f02a592f51831/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_1acc2c8d6b57445596f082b23b730c70/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_fbc2b73c3c8549a98b8b58029dfadbb8/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_0ea6e1887f0345a28801f59376cd7338/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_c4b34cca3d48453ea2bb776ce1be3545/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_868d0e372f164a39bb084fcd18c10f4b/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_c9fb757d994b4242ac2e20478bedebed/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_8b75d81cf2764f2bbf376b629c43c10a/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_684c969103b54fb191a8942cd0fb1a41/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_d5ca336bda3b4a269582626b6764b21a/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_de9727a765764ace87f06b409b45cb31/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_183822729f14430fa2789abaac4a345e/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_6fb1d45d47f54f7e94750b63973aa160/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_cb536000e2734a908739e699cb591520/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_70e5b94c6498494cbbcc3a744f8aed09/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_70e5b94c6498494cbbcc3a744f8aed09/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_5ea604b1953f4d5d98d851bea80fc5b8/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_ec1541a9045c495883322ec4ae19cae1/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_e5efce7fd3924d19b6ae9a2c676a5eb2/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_e5efce7fd3924d19b6ae9a2c676a5eb2/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/norm_21e22a2c4954424c9c134ce4e6b9d319/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_7e9691fe1d024c2fbc90eeb30a83f1dc/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_77d3c1efa834424a98591253a58c89d9/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_b25ce5cf89ea4a5187f1df316afd0345/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_a58b25082a4f423985f8b0a87654d72d/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_a8a06df822714d0bbde5e75b6bd284ec/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_02bd6653ab5b4f96a9b7cf1e2bb4c963/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_02bd6653ab5b4f96a9b7cf1e2bb4c963/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/norm_a0a77bb78666435a9a15ca6af3971ef2/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_609253585f4a454697bb2833447ba419/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_8a30720331bb4b19a8abbce9ac50ad82/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_9906306421544eb1903f281d7f295eb6/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_3bbdcecf0ff64d2086ece11510dc8e8d/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_6d4d4ec3957a4c0c8ea9bf746b0bf64d/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_d61b3c2e64f742afa2a1bd1eb9098f80/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_0f97944e71c749cfb7a86e1e28058b4c/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_2272e4ee13db4a89ba696a36ba3edb16/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_2272e4ee13db4a89ba696a36ba3edb16/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_b06f412c997842c18656815b4c63c5ac/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/norm_a118955126224f19adecd837fda3a88a/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_5a09ecade886408f9fac849bf4840cb5/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_5a09ecade886408f9fac849bf4840cb5/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_20200d3de76147a687cbc2078cf472dd/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_20200d3de76147a687cbc2078cf472dd/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_3e48037aa801424c9cb7f01802101be8/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_44e8a333ea91474593c2f52b97e583bd/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2026/Waarden_gezamenlijk_geluid/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_718bed0dfd58445c89220848107d3372/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_718bed0dfd58445c89220848107d3372/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_88a395c9a0334c8b95fe5a1dbffc99b8/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_88a395c9a0334c8b95fe5a1dbffc99b8/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2026/locatiegroep_897254bbe4fb4b4e8c856a1e021b8a4b/nld@2026‑06‑17;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_d3319e7743a84f13b01c2151c4646afa/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_a2ef69cd2ed94e1095efcb16f99cf516/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_0b4c0d5704c64819b23f6c1657c5219b/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_0b4c0d5704c64819b23f6c1657c5219b/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_6ae2b4392f7943f8a82e7d43f96b8066/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_6ae2b4392f7943f8a82e7d43f96b8066/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_8642e1b6dfc6489eb7387c1572d4f4bd/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_8642e1b6dfc6489eb7387c1572d4f4bd/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_1936e0ff228f47b0bcb918dca99f0195/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_1936e0ff228f47b0bcb918dca99f0195/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/gebiedsaanwijzing_8e5cc6d30241491899c9fc9af1f99f12/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_a96d9d9b6c2e49a8b3862a03ee27762a/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_e4f5ac77921044c1869ef7da4937eb34/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_e4f5ac77921044c1869ef7da4937eb34/nld@2026‑06‑17;2
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_8ebd07d550654e6c8eba666f0e8ff6cc/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_14e226cba6e14c01b8ee82e668e7f231/nld@2025‑05‑13;1
/join/id/regdata/gm0119/2025/locatiegroep_52196c26ae8c48f4bb1d36e0f17d892e/nld@2025‑05‑13;1
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Bijlage VI wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bijlage: Beschrijving gemeentelijke monumenten MeppelGemeentelijke_monumenten_redengevende_beschrijvingen
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
Bijlage VII wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bijlage: Lijst met beeldbepalende panden.pdflijst_met_beeldbepalende_panden
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
Bijlage X wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bijlage: Waarden van het gezamenlijke geluid.pdfWaarden_gezamenlijk_geluid.pdf
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Na bijlage X worden drie bijlagen ingevoegd, luidende:
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het gebied Oud-Zuid (Stationsweg, Zuideinde en Wilhelminapark) is gelegen in het door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen beschermd stadsgezicht (1 juli 2011). De begrenzing van dit gebied is weergegeven op de afbeelding behorende bij het aanwijzingsbesluit, zie de volgende figuur.
Een beschermd stadsgezicht is een gebied dat van algemeen belang is voor de cultuurhistorische waarde van een stad. Onder stads- en dorpsgezichten wordt in de bijlage bij artikel 1.1. Omgevingswet verstaan:Groepen van onroerende zaken, van algemeen belang vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich een of meer monumenten bevinden.
Uitgangspunt is de karakteristieke met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van de buurt te onderkennen als een zwaarwegend belang bij ontwikkelingen in het gebied. Het beschermd stadsgezicht gaat het niet alleen om schoonheid, bepaald door architectonisch waardevolle bebouwing, maar ook om andere voor het karakter van het gebied bepalende factoren als het historisch gegroeide stedenbouwkundig patroon, gevormd door de nederzettingsstructuur, de verhouding tussen de bebouwde en de onbebouwde ruimten, de bouwvormen en de samenhang in het gebruik van grond en opstallen. Hierbij gaat het om aan wegen, straten, pleinen, open ruimten, bruggen, watergangen, vijvers, en groen zoals bomenrijen en het Wilhelminapark.
Het gebied Zuideinde - Stationsweg - Wilhelminapark vormt een typerende weerspiegeling van de gevolgen van de grote infrastructurele ingrepen van de tweede helft van de 19deeeuw: door de positie langs nationale straatwegen en spoorlijnen kreeg de lokale economie een grote impuls. Dit kreeg tot in de eerste helft van de 20ste eeuw een ruimtelijk gezicht in eigentijdse stadsuitbreidingen en een park, vormgegeven met de ontwerpinstrumenten van deze tijd. Het Wilhelminapark vormde een bijna logische vervolgstap: het combineerde de behoefte aan hygiëne, waterbeheersing, bouwkavels en wandelrecreatie door aanleg van een villa- en wandelpark met in het ontwerp gebruik makend van een natuurlijke waterloop, de Reest. De handelsgeest van Meppel weerspiegelt zich in de exploitatieopzet: het park moest betaald worden uit de opbrengst van de bouwkavels. Door het aantrekken van een nationaal bekende tuinarchitect,
L.A. Springer, wist men zich tevens verzekerd van een woonomgeving “op stand”. De sterke samenhang tussen architectuur, groen en openbare ruimte die in de periode 1850-1940 heerste in de ontwerpstijlen, is in het hele gebied nog sterk herkenbaar en gaaf aanwezig. Groen, hekwerken en muurtjes zijn de middelen waarmee overgangen tussen privé en openbaar worden gerealiseerd. Dit wordt aan de Stationsweg doorgetrokken naar de profilering van trottoir en straat.
Het gebied bezit een bijzondere combinatie van verdichting, uitbreiding en tuin- en bouwstijlen op een relatief klein oppervlak. Het vormt daarmee een bijzonder ensemble in de ontwikkelingsgeschiedenis van Meppel. Bijzonder voor Drenthe is ook de aanwezigheid van een nog redelijk gaaf ontwerp van Leonard Springer, met daarin een staalkaart van bouwstijlen uit één periode. Het Wilhelminapark vertoont nog steeds de sterke samenhang tussen de bebouwing en het park uit het ontwerp, door de structuurelementen en de bouw- en tuinstijlen. Daarbij is de ontwerpstijl van Leonard Springer nog goed herkenbaar. Centraal ligt het wandelpark dat is opgebouwd uit een sterke noord-zuid gerichte symmetrieas met daaromheen gebogen vormen. Om het park heen liggen de woonstraten. De noord-zuid as door het wandelpark vanaf de vijver wordt vormgegeven door een loper van gras, geflankeerd door wandelpaden, naar de Parklaan. De Parklaan vormt een voortzetting van deze as tot aan de Stationsweg en is daardoor de belangrijkste ruimtelijke verbinding tussen deze hoofdonderdelen. Een andere karakteristieke zichtas vanaf de vijver wordt gevormd door het graslaantje geflankeerd door geknotte bomen, met zicht op de molenstomp, direct achter de bebouwing aan het Wilhelminapark gelegen.
De overige straten volgen de gebogen vormen van vijver en park. Een aantal wandelpaden en straten zijn geasfalteerd, hetgeen enige afbreuk doet aan het materiaalgebruik van de oorspronkelijke parkinrichting. Belangrijker is echter de kenmerkende profielindeling met een smalle rijbaan die aan beide zijden direct overgaat in een groene berm: trottoirs ontbreken en waar voetpaden voorkomen zijn deze vrijliggend. De inrichting van de woonstraten is gericht op het leggen van een ruimtelijke relatie tussen groen (van park naar tuinen) en bebouwing: tussen erfscheiding en straten zijn groenstroken gelegd, met daarin bomen; de tuinen zijn van de straten gescheiden door heggen, en in het oostelijk deel door lage bakstenen muurtjes.
De bebouwing van de villawijk stamt grotendeels uit de jaren 1920-1930 en staat op royale percelen. Er is een diversiteit aan bouwstijlen. Het zijn vrijstaande of dubbele woningen, opgetrokken in baksteen in één of twee bouwlagen met kap (veelal pannen, soms riet) en georiënteerd op de straat. Andere kenmerken zijn samengestelde plattegrondvormen en dakvlakken, en lichte dakoverstekken, de gevelornamenten zijn over het algemeen vrij sober, uitgevoerd in baksteen of gepleisterde vlakken. In sommige gevallen komen villa's met verwante kenmerken groepsgewijs voor, zoals het geval is met een aantal bijeengelegen panden met rietkappen aan de westzijde van de centrale vijverpartij. In het oostelijk deel van het Wilhelminapark zijn de kavels en woningen wat bescheidener van formaat, maar ze hebben wel dezelfde vormkenmerken. Hier zijn ook wat andere functies aanwezig. In het deel grenzend aan de woonbebouwing kenmerkt het park zich door veel open ruimten en visuele relaties; meer naar het zuiden wordt het park dichter, met minder zichtlijnen naar buiten, om tenslotte te eindigen met het beloop van de Reest. De oostelijke begrenzing van het Wilhelminapark bestaat uit een strook buitenwaarts gerichte woningen langs de Leonard Springerlaan, overwegend in een kenmerkende jaren ‘30 baksteenarchitectuur met grote dakvlakken en - overstekken. Door hun afwijkende stedenbouwkundige opzet en gerichtheid onderscheiden deze zich van het parkgedeelte. De Leonard Springerlaan vormt een buffer tussen de historische bebouwing van het Wilhelminapark en de bedrijfspanden langs het spoor. Het oorspronkelijke beloop van de rijbaan langs de historische bebouwing is als ventweg gaan functioneren. De ventweg wordt van de huidige hoofdrijbaan gescheiden door een groenstrook met bomen.
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De instructieregels van het Rijk ten aanzien van cultureel erfgoed en werelderfgoed staan in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 5.130 wordt bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog hierop worden er in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende beginselen:
het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en archeologische monumenten;
het voorkomen van verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten;
het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden;
het voorkomen van aantasting van:
de omgeving van rijksmonumenten, voorbeschermde rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd; en
het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen; en
het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.
Daarnaast kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan ook regels worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden en gevallen worden aangewezen waarin kan worden afgezien van onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of het opleggen van plichten met die strekking. Als in een omgevingsplan regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek, bepaalt het omgevingsplan dat die regels niet van toepassing zijn op activiteiten met een oppervlakte van minder dan 100 m2. In afwijking hiervan kan in een omgevingsplan (al dan niet voor bepaalde locaties) een andere oppervlakte worden vastgesteld.
De manier waarop de instructies in artikel 5.130 van het Bkl zijn geformuleerd, namelijk ‘rekening houden met’, is (althans voor gebouwd en aangelegd cultureel erfgoed) een verbreding ten opzichte van de huidige instructie tot het opnemen van cultureel erfgoed in, in ieder geval de toelichting van, het bestemmingsplan. Voor bekende en aantoonbare te verwachten archeologische monumenten is het een voortzetting van artikel 38a van de Monumentenwet 1988. Met de Omgevingswet moet een gemeente cultureel erfgoed dat daar, na inventarisatie en analyse naar haar oordeel voor in aanmerking komt, beschermen via de regels van het omgevingsplan. Het belang van cultureel erfgoed moet, naast andere belangen, uitdrukkelijk worden meegewogen bij het vaststellen van het omgevingsplan. Hiermee biedt de Omgevingswet dus meer garanties voor een zorgvuldige benadering van cultureel erfgoed dan de huidige wetgeving. Dit vloeit voort uit een her implementatie van de internationale verdragen, waaronder in dit geval het verdrag van Granada.
Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de monumentenzorg al zoveel mogelijk gedecentraliseerd en is de regelgeving zoveel mogelijk vereenvoudigd. De formulering van de instructieregel is ‘rekening houden met’. Dit betekent dat de gemeente Meppel het cultureel erfgoed zelf in kaart brengt, analyseert en waardeert. Dit kan door het opstellen van een cultuurhistorische waardenkaart, maar dat hoeft niet. De mate en wijze van bescherming van het cultureel erfgoed mag de gemeenteraad in meer of mindere mate zelf bepalen, al worden rijksmonumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten van rijkswege beschermd en gelden daarvoor rijksregels en specifieke instructies. In het omgevingsplan zijn verschillende vormen van bescherming van cultureel erfgoed mogelijk, al naar gelang het onderdeel van het cultureel erfgoed en het beoogde behoudsdoel.
Voor monumenten varieert dit van bescherming als gemeentelijk monument tot bescherming als onderdeel van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht, ‘karakteristiek’ of ‘beeldbepalend’ pand (of een variant daarop) of alleen ten behoeve van bouwhistorisch onderzoek. Voor archeologische monumenten geldt dat de bescherming doorgaans via de (voorschriften bij de) verschillende vergunningen (bouw-, afwijk-, ontgrondingsactiviteit) gaat en via de regels van het omgevingsplan, zo nodig door de aanwijzing als gemeentelijk monument. Topografische eenheden die door hun schaal niet meer als monument te kwalificeren zijn, zoals gebouwde en aangelegde nederzettingsstructuren of Celtic fields, kunnen worden beschermd als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook (onderdelen van) cultuurlandschappen, zoals historische verkavelingsstructuren met houtsingels of landgoederen, kunnen via het omgevingsplan worden beschermd. Het rekening houden met cultureel erfgoed vertaalt zich over het algemeen dan ook in regels in het omgevingsplan die ertoe kunnen leiden dat bepaalde activiteiten in het geheel niet kunnen plaatsvinden of dat activiteiten slechts onder beperkingen kunnen plaatsvinden. Die beperkingen kunnen in de vorm van voorschriften aan een in het omgevingsplan opgenomen vergunningplicht worden verbonden. Adequate toestemmingsstelsels in het omgevingsplan kunnen behulpzaam zijn bij het verschuiven van onderzoek van de planvormingsfase naar de realisatiefase.
De ruimte voor gemeenten om zelf invulling te geven aan de wijze waarop het behoud van cultureel erfgoed wordt verankerd in het omgevingsplan laat onverlet dat zij - net als het Rijk, de provincies en de waterschappen - gehouden zijn uitvoering te geven aan de relevante internationale verdragen. Met de in de verdragen van Granada en Valletta en het Werelderfgoedverdrag opgenomen verplichtingen en uitgangspunten moet rekening gehouden worden. Deze verdragen laten het aan de nationale wetgever over bij welke overheidslaag van de verdragsstaat de implementatie van de verdragsverplichtingen wordt belegd. Gelet op het gedecentraliseerde karakter van het wettelijke stelsel met betrekking tot de fysieke leefomgeving zijn de gemeenten voor veel verdragsverplichtingen de verantwoordelijke overheidslaag. Om deze verantwoordelijkheid nader te duiden en te concretiseren geeft artikel 5.130 van het Bkl enige sturing op het te betrekken belang zonder de beslisruimte van het bevoegd gezag aan te tasten. Zo verplicht het verdrag van Granada onder meer om te beschermen monumenten, stads- of dorpsgezichten («gebouwen die een architectonische eenheid vormen») en cultuurlandschappen («waardevolle gebieden») te inventariseren, passende beschermingsmaatregelen te treffen en in dat kader controle- en goedkeuringsprocedures in te richten. Die dienen onder meer betrekking te hebben op plannen tot wijziging of sloop van (onderdelen van) beschermd cultureel erfgoed of projecten waardoor de omgeving van beschermde monumenten wordt aangetast. Met het toedelen van de functie van gemeentelijk monument, (gemeentelijk) beschermd stads- of dorpsgezicht of cultuurlandschap voor bepaalde locaties in een omgevingsplan en passende regels, kunnen gemeenten dus voorzien in de uitvoering van het verdrag van Granada. Met het inventariseren en beoordelen van cultuurlandschappen en het opnemen daarvan in de omgevingsvisie en het omgevingsplan, wordt ook uitvoering gegeven aan het Europees landschapsverdrag. Uit het Verdrag van Valletta volgt onder meer dat bij projecten in de fysieke leefomgeving vroegtijdig rekening gehouden moet worden met bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten, die bij voorkeur in situ behouden moeten worden.
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In de gemeente Meppel liggen de industrieterreinen Oevers en Noord I. Dit zijn industrieterreinen zoals bedoeld in artikel 2.11a van de Omgevingswet. Op grond van dit artikel moet de gemeente Meppel in haar omgevingsplan rond deze industrieterreinen zogenoemde geluidproductieplafonds als omgevingswaarde vaststellen. Totdat het omgevingsplan voor deze deelgebieden is aangepast, geldt hiervoor de planologische regeling van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Hierin is de zone zoals bedoeld in hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder vastgesteld. Op grond van artikel 3.6 van de Aanvullingswet geluid geldt voor het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen deze zone nog het beoordelingskader van de voormalige Wet geluidhinder. Dit betekent dat als het omgevingsplan voor het deelgebied waarbinnen deze zone ligt (per definitie buiten het industrieterrein) wordt gewijzigd, in dit nieuwe deel van het omgevingsplan alsnog de 'oude' zone moet worden overgenomen. Anders ontstaat er een manco bij het toepassen van hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder. Deze gaat namelijk uit van de aanwezigheid (juridisch/planologisch) van een complete, gesloten zone rond het industrieterrein. Dit is dan ook de reden dat (totdat alle industrieterreinen binnen het ambtsgebied van de gemeente Meppel zijn omgezet naar de systematiek van geluidproductieplafonds) in het omgevingsplan van de gemeente Meppel locaties worden aangewezen als zone zoals bedoeld in hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder.
[Vervallen]
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
Voor sectie 6.64 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
In het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Meppel voor het deelplangebied Binnenstad/Centrumschil is een evenemententerrein aangewezen. In het tijdelijke deel zijn hiervoor enkele regels opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente Meppel een eigen evenementenbeleid, dat tijdens de voorbereidingen voor het wijzigen van het omgevingsplan werd herzien en aangevuld naar de thema's die onder de verruimde reikwijdte van de Omgevingswet vallen. Omdat het merendeel van de regels uit het tijdelijke deel én de herziening van het evenementenbeleid merendeels onder de doelen van de Omgevingswet en de fysieke leefomgeving worden begrepen, zijn deze opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Meppel. Het deel van de regels dat onder de bevoegdheid van de burgemeester in het kader van de openbare orde en veiligheid valt, wordt opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening.
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Meppel voor het deelplangebied Binnenstad/Centrumschil is een evenemententerrein aangewezen. In het tijdelijke deel zijn hiervoor enkele regels opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente Meppel een eigen evenementenbeleid, dat tijdens de voorbereidingen voor het wijzigen van het omgevingsplan werd herzien en aangevuld naar de thema's die onder de verruimde reikwijdte van de Omgevingswet vallen. Omdat het merendeel van de regels uit het tijdelijke deel én de herziening van het evenementenbeleid merendeels onder de doelen van de Omgevingswet en de fysieke leefomgeving worden begrepen, zijn deze opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Meppel. Het deel van de regels dat onder de bevoegdheid van de burgemeester in het kader van de openbare orde en veiligheid valt, wordt opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening.
[Vervallen]
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVVVVVVVVVVVVVVV
Voor sectie 7.1.5.3 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Het is van belang om aan te geven wanneer de omgevingsvergunning wordt verleend. De beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt getoetst, zijn opgenomen in dit artikel. Indien de beeldbepalende verschijningsvorm van het beeldbepalend pand intact blijft, wordt de vergunning verleend. De beginselen met betrekking tot het behoud en het gebruik van monumenten uit het verdrag van Granada en opgenomen in artikel 5.130 van het Bkl worden bij de beoordeling betrokken, omdat beeldbepalende panden doorgaans als monument als daar bedoeld zullen kwalificeren.
WWWWWWWWWWWWWWWWWWWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYYYYYYYYYYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZ
Na sectie 7.1.5 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Van een bouwwerk mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare ruimte van de stad of het landschap. Daarbij worden hogere eisen gesteld aan het ontwerp en het effect ervan op zijn omgeving, naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is.
Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe grenzen van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context. Het bestaansrecht van het gebouw ligt niet uitsluitend in het eigen functioneren voor het doel waarvoor het is gebouwd, maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren kunnen de gebiedskenmerken duidelijkheid verschaffen.
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand, mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft.
Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht is gericht op de verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie bepalen in belangrijke mate de vorm. Daarmee is niet gezegd dat de vorm ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm meer is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie.
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand, mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit.
Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen, krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels; transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl is gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders al aanwezig was of naar wat in de toekomst is te verwachten. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties zijn verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat een bouwwerk ontstaat dat integer is ten opzichte van zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd is geplaatst waarin het is gebouwd of verbouwd.
Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving heeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simplisme. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren waarbij best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger mag worden gedaan. Van oudsher zijn daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie.
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand, mag worden verwacht dat structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht verloren gaat.
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand, mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft, dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen.
Ieder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn, maar zijn onherkenbaar en ongeloofwaardig wanneer ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. Kleine bouwwerken kunnen daarentegen imposant overkomen. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan en vormen tegelijk enkele van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk. Waarom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast, kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen samen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst.
Door materialen en kleuren krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het is zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren te veel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts zijn gekozen als decoratie, wordt de betekenis ervan toevallig en kan het afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat.
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand, mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken.
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand, mag worden verwacht dat sprake is van een zorgvuldige en op duurzaamheid gerichte bouwkundige detaillering.
De wijze waarop materialen en bouwkundige constructies zijn gedimensioneerd en onderling samengebracht, evenals de wijze waarop het materiaal naar zijn eigenschappen is gevormd en toegepast, bepalen in hoge mate de esthetische kwaliteiten van een gebouw. Ook zijn ze bepalend voor de duurzaamheid en het instandhouden van het gebouw en dus voor de welstand en ruimtelijke kwaliteit van hun omgeving.
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Van een bouwwerk mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare ruimte van de stad of het landschap. Daarbij worden hogere eisen gesteld aan het ontwerp en het effect ervan op zijn omgeving, naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is.
Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe grenzen van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context. Het bestaansrecht van het gebouw ligt niet uitsluitend in het eigen functioneren voor het doel waarvoor het is gebouwd, maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren kunnen de gebiedskenmerken duidelijkheid verschaffen.
[Vervallen]
BBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand, mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft.
Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht is gericht op de verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie bepalen in belangrijke mate de vorm. Daarmee is niet gezegd dat de vorm ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm meer is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie.
[Vervallen]
DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand, mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit.
Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen, krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels; transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl is gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders al aanwezig was of naar wat in de toekomst is te verwachten. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties zijn verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat een bouwwerk ontstaat dat integer is ten opzichte van zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd is geplaatst waarin het is gebouwd of verbouwd.
[Vervallen]
EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving heeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simplisme. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren waarbij best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger mag worden gedaan. Van oudsher zijn daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie.
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand, mag worden verwacht dat structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht verloren gaat.
[Vervallen]
FFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand, mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft, dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen.
Ieder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn, maar zijn onherkenbaar en ongeloofwaardig wanneer ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. Kleine bouwwerken kunnen daarentegen imposant overkomen. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan en vormen tegelijk enkele van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk. Waarom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast, kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen samen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst.
[Vervallen]
GGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Door materialen en kleuren krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het is zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren te veel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts zijn gekozen als decoratie, wordt de betekenis ervan toevallig en kan het afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat.
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand, mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken.
[Vervallen]
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand, mag worden verwacht dat sprake is van een zorgvuldige en op duurzaamheid gerichte bouwkundige detaillering.
De wijze waarop materialen en bouwkundige constructies zijn gedimensioneerd en onderling samengebracht, evenals de wijze waarop het materiaal naar zijn eigenschappen is gevormd en toegepast, bepalen in hoge mate de esthetische kwaliteiten van een gebouw. Ook zijn ze bepalend voor de duurzaamheid en het instandhouden van het gebouw en dus voor de welstand en ruimtelijke kwaliteit van hun omgeving.
[Vervallen]
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is van belang om aan te geven wanneer de omgevingsvergunning wordt verleend. De beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt getoetst, zijn opgenomen in dit artikel. Indien de beeldbepalende verschijningsvorm van het beeldbepalend pand intact blijft, wordt de vergunning verleend. De beginselen met betrekking tot het behoud en het gebruik van monumenten uit het verdrag van Granada en opgenomen in artikel 5.130 van het Bkl worden bij de beoordeling betrokken, omdat beeldbepalende panden doorgaans als monument als daar bedoeld zullen kwalificeren.
[Vervallen]
JJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJJ
Na sectie 7.2 worden twee secties ingevoegd, luidende:
Of sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt beoordeeld aan de hand van de Nota Parkeernormen Gemeente Meppel. Er kan worden afgeweken van de eis dat parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden, mits dit geen onevenredige gevolgen heeft voor de omgeving en wordt voldaan aan de regels en voorwaarden die zijn opgenomen in de Nota Parkeernormen Gemeente Meppel [afwijkingsbevoegdheid opnemen in apart artikel, of schrappen met oog op mogelijkheden ogv artikel 4:84 Awb?].
Of sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt beoordeeld aan de hand van de Nota Parkeernormen Gemeente Meppel. Er kan worden afgeweken van de eis dat parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden, mits dit geen onevenredige gevolgen heeft voor de omgeving en wordt voldaan aan de regels en voorwaarden die zijn opgenomen in de Nota Parkeernormen Gemeente Meppel [afwijkingsbevoegdheid opnemen in apart artikel, of schrappen met oog op mogelijkheden ogv artikel 4:84 Awb?].
KKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1:
Dit artikel regelt de binnenplanse vergunningvrije activiteiten waarmee is beoogd de regeling uit artikel 22.36 aanhef en onder a jo. artikel 22.27 aanhef en onder a van de Bruidsschat materieel om te zetten naar een integrale omgevingsplanregel. Gelet op artikel 5.130 Bkl houdt een omgevingsplan rekening met de belangen van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.
De regeling over de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het eerste lid onder a en b geldt (op grond van artikel Artikel 7.727.101) ook voor vergunningplichtige bouwwerken.
NNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De artikelen in deze afdeling zijn van toepassing op beeldbepalende panden in de gemeente Meppel. De waardering van de beeldbepalende panden is opgenomen als bijlage Lijst met beeldbepalende pandenbeeldbepalende panden
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel omvat de meest voorkomende provinciale monumentenactiviteiten. Onder het wijzigen van een monument vallen bijvoorbeeld het restaureren, reconstrueren, renoveren, verbouwen, uitbouwen, aanbouwen, of het bijvoorbeeld op een andere manier wijzigen van een gebouwd monument of een aangelegd (groen) monument. Denk hierbij ook aan het in een afwijkende kleur schilderen van een gevel of het hanteren van een ander verfsysteem. Voorbeelden van het herstellen van een monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, zijn het met golfplaten repareren van een rieten dak, of het reinigen of herstellen van een interieurschildering, of gevel, waarbij een onvoldoende deskundige uitvoering in potentie grote gevolgen kan hebben voor de technische staat en de monumentale waarde van het onderdeel (bij een gevel ook het patina).
Eerste lid, onderdeel a: De foto’s in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument, zodat de noodzaak van de voorgenomen activiteit voldoende wordt geïllustreerd. Het mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.
Eerste lid, onderdeel b: Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Welke soort tekeningen in een concreet geval nodig zijn, hangt af van de aard van de activiteit. In de regel zullen plattegronden en doorsnedetekeningen nodig zijn. Als de activiteit ook impact heeft op het exterieur of het aangezicht van het monument, zullen ook geveltekeningen en in voorkomend geval een dakaanzicht nodig zijn. Gebrekentekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3°, zijn nodig als er gebreken worden hersteld. Het betreft feitelijk opnametekeningen waarop de te verhelpen gebreken adequaat zijn weergegeven. Plantekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 4°, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na afloop van de voorgenomen activiteit) is weergeven. Als er in het kader van de activiteit ook materiaal wordt verwijderd, moeten er in een dergelijk geval ook enkele gegevens en bescheiden als bedoeld in Artikel 8.338.32 (slopen) worden overgelegd. Zoals blijkt uit de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt onder slopen ook verstaan het gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. In de praktijk van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bleek dat een aanvrager die zijn monument wil restaureren of verbouwen zich niet altijd realiseert dat het wegnemen van materialen ook onder slopen valt en noodzakelijke gegevens en bescheiden daardoor geregeld ontbraken. Daarom zijn de aanvraagvereisten uit Artikel 8.338.32 expliciet (en niet met een verwijzing) in dit artikel opgenomen. Op grond van onderdeel b, onder 5°, moet de aanvrager in een dergelijk geval ook slooptekeningen overleggen, waaruit blijkt welke materialen of onderdelen verwijderd worden. De slooptekeningen moeten de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken.
Eerste lid, onderdeel c: Op grond van onderdeel c moet in het bestek of in de werkomschrijving de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal worden omschreven. Aan de omgevingsvergunning kan namelijk het voorschrift worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen.
Tweede lid, onderdeel b: Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem.
Tweede lid, onderdeel c en d: Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c kan bijvoorbeeld nodig zijn in geval van het herstellen van technische gebreken. Als deze beschrijving en de foto’s niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d). Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een (complexe) restauratie.
Tweede lid, onderdeel e: Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel e kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument na verrichting van de activiteit, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.
Tweede lid, onderdeel f: Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel f moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Tweede lid, onderdeel g: Een beheervisie als bedoeld in onderdeel g is een visie op het beheer van een groenaanleg, gebaseerd op een analyse en een waardering op grond van (cultuur)historisch onderzoek en inventarisaties van natuurwaarden, recreatieve en belevingswaarden, waterhuishouding en bodem, en wensen van belanghebbenden (eigenaar en gebruikers). De beheervisie maakt duidelijk welke keuzes zijn gemaakt voor het beheer en is richtinggevend voor een langere periode, bijvoorbeeld 12 tot 18 jaar, of langer. De visie kan ook worden weergegeven in streefbeelden.
PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in Artikel 8.338.32, Artikel 8.348.33 en artikel 8.358.34. Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling.
QQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het bevoegd gezag verbindt die voorschriften aan de omgevingsvergunning die nodig zijn met het oog op de beoordelingsregels in Artikel 8.388.37. Dit betreft voorschriften in het belang van de monumentenzorg. Daaronder valt het belang van het behoud van het gemeentelijk monument zelf, maar ook dat van de monumentenzorg als geheel of meer specifiek om te bewerkstelligen dat rekening wordt gehouden met de in Artikel 8.388.37, tweede lid bedoelde beginselen. Het tweede lid ziet specifiek op voorschriften die van toepassing zijn bij het geheel of gedeeltelijk verplaatsen van een provinciaal monument. Deze specifieke voorschriften zijn verplicht en vloeien voort uit artikel 5 van het Verdrag van Granada.
RRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel biedt de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen met betrekking tot de specifieke zorgplicht uit artikel 8.438.42, die dient om beschadiging of vernieling van beeldbepalende panden, gemeentelijke monumenten en provinciale monumenten te voorkomen. Artikel 4.5 van de Omgevingswet biedt de mogelijkheid om binnen decentrale regels de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften op te nemen. Maatwerkvoorschriften zijn individuele beschikkingen die zowel ambtshalve, op verzoek van degene die de activiteit verricht of op verzoek van andere belanghebbenden kunnen worden gesteld aan degene die de activiteit verricht. Maatwerkvoorschriften bieden de mogelijkheid om de voordelen van het stellen van algemene regels te combineren met een individuele benadering waar dat nodig is. Die individuele benadering kan gewenst zijn om een algemene regel nader in te vullen. Net als bij ieder ander besluit moet het bevoegd gezag voldoende onderzoek doen naar de belangen die met een maatwerkvoorschrift zijn gemoeid. Het besluit moet daarnaast worden voorzien van een draagkrachtige motivering en bij de voorbereidingsprocedure moeten belanghebbenden worden betrokken. Specifiek voor beeldbepalende panden, gemeentelijke monumenten en provinciale monumenten zou een maatwerkvoorschrift bijvoorbeeld kunnen worden ingezet om zo nodig nader aan te geven wat degene die een activiteit verricht in een concreet geval moet doen om beschadiging van het monument te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan een maatwerkvoorschrift gericht op de uitvoering van een activiteit in de directe nabijheid van beeldbepalende panden, gemeentelijke monumenten en provinciale monumenten, die tot beschadiging of zelfs vernieling van dit monument zou kunnen leiden, zoals de wijze van slopen van een buurpand en het zo nodig stutten van het monument. In het geval van monumentenactiviteiten gaat het vooral om activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is. Op het moment dat de vergunningplicht wel geldt, kan immers gebruik worden gemaakt van de opgenomen bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor de of de wijziging daarvan, zie artikel 8.11, artikel 8.24 en artikel 8.398.38.
SSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSSS
Na sectie 13.1.1 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Artikel 13.15, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet schrijft voor dat ook een maximaal te verhalen bedrag per activiteit wordt vermeld. Met activiteit wordt bedoeld de vastgoedsoort. In dit artikel is per te ontwikkelen vastgoedsoort het maximaal te verhalen bedrag vastgelegd.
In de Omgevingsregeling zijn geen aanvraagvereisten voor een kostenverhaalbeschikking voorgeschreven. Dat wordt aan de gemeente overgelaten. Die aanvraagvereisten kunnen in het omgevingsplan worden gesteld. Het minimum aan eisen dat bij elke aanvraag aan de orde is, is in dit artikel voorgeschreven. De gemeente kan zo nodig aanvullende aanvraagvereisten stellen.
Artikel 13.14 tweede lid van de Omgevingswet schrijft voor dat gemeenten in het omgevingsplan regels moeten stellen over de eindafrekening. In dit artikel zijn regels gesteld over het moment waarop de eindafrekening wordt vastgesteld, de bij de eindafrekening toe te passen rekenmethodiek en de periode waarover bij terugbetaling een rentevergoeding wordt uitgekeerd.
Artikel 13.20, vierde lid, van de Omgevingswet maakt het mogelijk dat degene die een kostenverhaalbijdrage heeft betaald na verloop van vijf jaren kan vragen om een eindafrekening. Dit artikel regelt dat de gemeente eenmaal per jaar de verzoeken om eindafrekening kan afhandelen, zodat er niet telkens een geactualiseerde berekening nodig is.
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is een voortzetting van de regeling in artikel 2.22, tweede lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.2 van het voormalige Besluit omgevingsrecht.
Eerste lid
In het eerste lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een werk, dat geen bouwwerk is, of het uitvoeren van een werkzaamheid -ook wel een aanlegactiviteit genoemd - die van invloed is op een archeologisch monument, in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval de onder a tot en met d bedoelde voorschriften kunnen worden verbonden.
Eerste lid, onderdeel a
Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften die een plicht inhouden tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden. Voorbeelden zijn voorschriften die verplichten tot het treffen van technische maatregelen, zoals het aanbrengen van een ophogingslaag, het aanpassen van de funderingswijze of het beperken van het aantal heipalen.
Eerste lid, onderdeel b
Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften over het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 in samenhang met artikel 5.1, eerste lid, van de Erfgoedwet. Dit betreft dus voorschriften over handelingen bij het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem, of verstoring of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt, tenzij het een op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Erfgoedwet uitgezonderd geval betreft.
Eerste lid, onderdeel c
Onderdeel c heeft betrekking op voorschriften over de begeleiding door een archeologisch deskundige van uitvoeringswerkzaamheden. Deze deskundige is bij de werkzaamheden aanwezig en documenteert eventuele overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden die hierbij aan het licht komen.
Het instrument van archeologische begeleiding is bedoeld voor situaties waarin adequaat vooronderzoek niet mogelijk is door fysieke belemmeringen, zoals een te slopen bouwwerk, waardoor niet tot een betrouwbare waardenstelling kan worden gekomen. Ook kan de begeleiding worden ingezet voor situaties waarin civieltechnische werkzaamheden archeologisch onderzoek niet mogelijk maken of op grond van de beschikbare archeologische informatie is geconcludeerd dat het doen van een opgraving niet (meer) nodig is, maar men toch graag het zekere voor het onzekere wil nemen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de aanleg van een pijpleiding voor aardgas, omdat de gegraven sleuf te smal is om een goede documentatie mogelijk te maken. Daarnaast kan er bij uitvoeringstrajecten sprake zijn van bijzondere onderzoeksvragen, die juist door archeologische begeleiding kunnen worden beantwoord. Het gaat daarbij om gebieden of complextypen waar wel een archeologische verwachting is, maar waaraan door inventariserend veldonderzoek geen specifieke locatie kan worden gekoppeld. Archeologische begeleiding is nadrukkelijk niet bedoeld als een vervanging voor een inventariserend veldonderzoek of een opgraving. Aan dit onderdeel kan niet worden voldaan met een verwijzing naar een gecertificeerde opgravingsdeskundige, omdat niet alle handelingen waaruit een archeologische begeleiding kan bestaan, handelingen zijn waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het uitzeven van grond afkomstig uit een bouwput of een baggerlocatie om archeologische overblijfselen of voorwerpen te verzamelen. Voor die gevallen kan het bevoegd gezag op basis van dit onderdeel specifieke eisen stellen aan de deskundigheid van de bij de archeologische begeleiding betrokken personen. Denk bijvoorbeeld aan de voorwaarde dat de deskundige kennis moet hebben van de archeologie van het rivierengebied of van de Romeinse tijd. Veelal zullen deze eisen via het programma van eisen worden afgedwongen (zie onderdeel d). Maar het bevoegd gezag kan ook eisen stellen aan de kwalificaties van de deskundige zonder dat het een specifiek programma van eisen als voorschrift opneemt. Dit laat onverlet dat de uitvoerder van de archeologische begeleiding voor zover het handelingen betreft waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is, in ieder geval moet voldoen aan het bepaalde in artikel 5.4, eerste en tweede lid, van die wet.
Eerste lid, onderdeel d
Met het voorschrift dat de opgraving of begeleiding op een bepaalde wijze, die in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet, moet worden verricht, wordt beoogd aan te sluiten bij de Erfgoedwet en vooral bij het in die wet opgenomen certificatiesysteem, waarbij de nadruk meer is komen te liggen op de professionele standaarden uit het veld zoals tot nu toe neergelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Met deze voorschriften worden die voorschriften bedoeld die ook wel als een programma van eisen of een plan van aanpak worden aangeduid en voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet en de Omgevingswet werden gebaseerd op artikel 38, eerste lid, onder a, van de Monumentenwet 1988. In het programma van eisen en plan van aanpak kunnen randvoorwaarden aan het archeologisch onderzoek worden meegegeven, in het bijzonder de doel- en vraagstelling van het onderzoek, en kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van uitvoering. Er wordt bijvoorbeeld aangegeven welke onderzoeksmethodiek moet worden ingezet en over welke specifieke kennis en ervaring de actoren moeten beschikken om het onderzoek te kunnen uitvoeren.
Voorkomen moet worden dat de inhoud van de voorschriften in strijd is met de professionele kwaliteitsnorm voor archeologisch onderzoek binnen het in de Erfgoedwet opgenomen certificatiesysteem. Dit betekent dat de voorschriften wel aanvullende eisen mogen bevatten, maar geen eisen die onder het niveau van deze normen van de beroepsgroep liggen. De voorschriften kunnen tenslotte ook betrekking hebben op non-destructief archeologisch onderzoek, zoals een veldkartering of een sonaropname van de zeebodem.
Tweede lid
In het tweede lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht voorschriften kunnen worden verbonden over de wijze van slopen. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, derde lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het doel van een dergelijk voorschrift is de sloopmethode zo te kiezen dat de nadelige gevolgen voor de archeologische waarden ter plaatse zoveel mogelijk beperkt blijven. Ook kan zo de inzet van het instrument van archeologische begeleiding als bedoeld in het eerste lid, onder c, mogelijk worden gemaakt.
Gereserveerd
UUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gereserveerd
Subparagraaf 3.10.1 Drinkwater
Subsubparagraaf 3.10.1.1 Omgevingswet
Subsubparagraaf 3.10.1.2 Instructieregels Rijk
Subsubparagraaf 3.10.1.3 Instructieregels provincie
Subsubparagraaf 3.10.1.4 Instructieregels Waterschap Drents Overijsselse Delta
Subsubparagraaf 3.10.1.5 Relevante bepalingen uit de Bruidsschat
Subsubparagraaf 3.10.1.6 Kaders uit gemeentelijk beleid
Subparagraaf 3.10.2 Natuurbescherming
Subparagraaf 3.10.3 Klimaatverandering
Subparagraaf 3.10.4 RES Drenthe 1.0
Subparagraaf 3.10.5 Regionale Adaptatiestrategie (RAS) en Uitvoeringsagenda 2022-2027
Subparagraaf 3.10.6 Transitievisie warmte Meppel
Subparagraaf 3.10.7 Kwaliteit en gebruik van bouwwerken
Subparagraaf 3.10.8 Beheer van geobiologische-, geothermische- en ecosystemen
Subparagraaf 3.10.9 Beheer van natuurlijke hulpbronnen
Subparagraaf 3.10.10 Beheer van natuurgebieden
Subparagraaf 3.10.11 Windhinder
Subparagraaf 3.10.1 Drinkwater
Subsubparagraaf 3.10.1.1 Omgevingswet
Subsubparagraaf 3.10.1.2 Instructieregels Rijk
Subsubparagraaf 3.10.1.3 Instructieregels provincie
Subsubparagraaf 3.10.1.4 Instructieregels Waterschap Drents Overijsselse Delta
Subsubparagraaf 3.10.1.5 Relevante bepalingen uit de Bruidsschat
Subsubparagraaf 3.10.1.6 Kaders uit gemeentelijk beleid
Subparagraaf 3.10.2 Natuurbescherming
Subparagraaf 3.10.3 Klimaatverandering
Subparagraaf 3.10.4 RES Drenthe 1.0
Subparagraaf 3.10.5 Regionale Adaptatiestrategie (RAS) en Uitvoeringsagenda 2022-2027
Subparagraaf 3.10.6 Transitievisie warmte Meppel
Subparagraaf 3.10.7 Kwaliteit en gebruik van bouwwerken
Subparagraaf 3.10.8 Beheer van geobiologische-, geothermische- en ecosystemen
Subparagraaf 3.10.9 Beheer van natuurlijke hulpbronnen
Subparagraaf 3.10.10 Beheer van natuurgebieden
Subparagraaf 3.10.11 Windhinder
Subparagraaf 3.10.1 Drinkwater
Subsubparagraaf 3.10.1.1 Omgevingswet
Subsubparagraaf 3.10.1.2 Instructieregels Rijk
Subsubparagraaf 3.10.1.3 Instructieregels provincie
Subsubparagraaf 3.10.1.4 Instructieregels Waterschap Drents Overijsselse Delta
Subsubparagraaf 3.10.1.5 Relevante bepalingen uit de Bruidsschat
Subsubparagraaf 3.10.1.6 Kaders uit gemeentelijk beleid
Subparagraaf 3.10.2 Natuurbescherming
Subparagraaf 3.10.3 Klimaatverandering
Subparagraaf 3.10.4 RES Drenthe 1.0
Subparagraaf 3.10.5 Regionale Adaptatiestrategie (RAS) en Uitvoeringsagenda 2022-2027
Subparagraaf 3.10.6 Transitievisie warmte Meppel
Subparagraaf 3.10.7 Kwaliteit en gebruik van bouwwerken
Subparagraaf 3.10.8 Beheer van geobiologische-, geothermische- en ecosystemen
Subparagraaf 3.10.9 Beheer van natuurlijke hulpbronnen
Subparagraaf 3.10.10 Beheer van natuurgebieden
Subparagraaf 3.10.11 Windhinder
Subparagraaf 3.10.1 Drinkwater
Subsubparagraaf 3.10.1.1 Omgevingswet
Subsubparagraaf 3.10.1.2 Instructieregels Rijk
Subsubparagraaf 3.10.1.3 Instructieregels provincie
Subsubparagraaf 3.10.1.4 Instructieregels Waterschap Drents Overijsselse Delta
Subsubparagraaf 3.10.1.5 Relevante bepalingen uit de Bruidsschat
Subsubparagraaf 3.10.1.6 Kaders uit gemeentelijk beleid
Subparagraaf 3.10.2 Natuurbescherming
Subparagraaf 3.10.3 Klimaatverandering
Subparagraaf 3.10.4 RES Drenthe 1.0
Subparagraaf 3.10.5 Regionale Adaptatiestrategie (RAS) en Uitvoeringsagenda 2022-2027
Subparagraaf 3.10.6 Transitievisie warmte Meppel
Subparagraaf 3.10.7 Kwaliteit en gebruik van bouwwerken
Subparagraaf 3.10.8 Beheer van geobiologische-, geothermische- en ecosystemen
Subparagraaf 3.10.9 Beheer van natuurlijke hulpbronnen
Subparagraaf 3.10.10 Beheer van natuurgebieden
Subparagraaf 3.10.11 Windhinder
Subparagraaf 3.10.1 Drinkwater
Subsubparagraaf 3.10.1.1 Omgevingswet
Subsubparagraaf 3.10.1.2 Instructieregels Rijk
Subsubparagraaf 3.10.1.3 Instructieregels provincie
Subsubparagraaf 3.10.1.4 Instructieregels Waterschap Drents Overijsselse Delta
Subsubparagraaf 3.10.1.5 Relevante bepalingen uit de Bruidsschat
Subsubparagraaf 3.10.1.6 Kaders uit gemeentelijk beleid
Subparagraaf 3.10.2 Natuurbescherming
Subparagraaf 3.10.3 Klimaatverandering
Subparagraaf 3.10.4 RES Drenthe 1.0
Subparagraaf 3.10.5 Regionale Adaptatiestrategie (RAS) en Uitvoeringsagenda 2022-2027
Subparagraaf 3.10.6 Transitievisie warmte Meppel
Subparagraaf 3.10.7 Kwaliteit en gebruik van bouwwerken
Subparagraaf 3.10.8 Beheer van geobiologische-, geothermische- en ecosystemen
Subparagraaf 3.10.9 Beheer van natuurlijke hulpbronnen
Subparagraaf 3.10.10 Beheer van natuurgebieden
Subparagraaf 3.10.11 Windhinder
Subparagraaf 3.10.1 Drinkwater
Subsubparagraaf 3.10.1.1 Omgevingswet
Subsubparagraaf 3.10.1.2 Instructieregels Rijk
Subsubparagraaf 3.10.1.3 Instructieregels provincie
Subsubparagraaf 3.10.1.4 Instructieregels Waterschap Drents Overijsselse Delta
Subsubparagraaf 3.10.1.5 Relevante bepalingen uit de Bruidsschat
Subsubparagraaf 3.10.1.6 Kaders uit gemeentelijk beleid
Subparagraaf 3.10.2 Natuurbescherming
Subparagraaf 3.10.3 Klimaatverandering
Subparagraaf 3.10.4 RES Drenthe 1.0
Subparagraaf 3.10.5 Regionale Adaptatiestrategie (RAS) en Uitvoeringsagenda 2022-2027
Subparagraaf 3.10.6 Transitievisie warmte Meppel
Subparagraaf 3.10.7 Kwaliteit en gebruik van bouwwerken
Subparagraaf 3.10.8 Beheer van geobiologische-, geothermische- en ecosystemen
Subparagraaf 3.10.9 Beheer van natuurlijke hulpbronnen
Subparagraaf 3.10.10 Beheer van natuurgebieden
Subparagraaf 3.10.11 Windhinder
Subparagraaf 3.10.1 Drinkwater
Subsubparagraaf 3.10.1.1 Omgevingswet
Subsubparagraaf 3.10.1.2 Instructieregels Rijk
Subsubparagraaf 3.10.1.3 Instructieregels provincie
Subsubparagraaf 3.10.1.4 Instructieregels Waterschap Drents Overijsselse Delta
Subsubparagraaf 3.10.1.5 Relevante bepalingen uit de Bruidsschat
Subsubparagraaf 3.10.1.6 Kaders uit gemeentelijk beleid
Subparagraaf 3.10.2 Natuurbescherming
Subparagraaf 3.10.3 Klimaatverandering
Subparagraaf 3.10.4 RES Drenthe 1.0
Subparagraaf 3.10.5 Regionale Adaptatiestrategie (RAS) en Uitvoeringsagenda 2022-2027
Subparagraaf 3.10.6 Transitievisie warmte Meppel
Subparagraaf 3.10.7 Kwaliteit en gebruik van bouwwerken
Subparagraaf 3.10.8 Beheer van geobiologische-, geothermische- en ecosystemen
Subparagraaf 3.10.9 Beheer van natuurlijke hulpbronnen
Subparagraaf 3.10.10 Beheer van natuurgebieden
Subparagraaf 3.10.11 Windhinder
Subparagraaf 3.10.1 Drinkwater
Subsubparagraaf 3.10.1.1 Omgevingswet
Subsubparagraaf 3.10.1.2 Instructieregels Rijk
Subsubparagraaf 3.10.1.3 Instructieregels provincie
Subsubparagraaf 3.10.1.4 Instructieregels Waterschap Drents Overijsselse Delta
Subsubparagraaf 3.10.1.5 Relevante bepalingen uit de Bruidsschat
Subsubparagraaf 3.10.1.6 Kaders uit gemeentelijk beleid
Subparagraaf 3.10.2 Natuurbescherming
Subparagraaf 3.10.3 Klimaatverandering
Subparagraaf 3.10.4 RES Drenthe 1.0
Subparagraaf 3.10.5 Regionale Adaptatiestrategie (RAS) en Uitvoeringsagenda 2022-2027
Subparagraaf 3.10.6 Transitievisie warmte Meppel
Subparagraaf 3.10.7 Kwaliteit en gebruik van bouwwerken
Subparagraaf 3.10.8 Beheer van geobiologische-, geothermische- en ecosystemen
Subparagraaf 3.10.9 Beheer van natuurlijke hulpbronnen
Subparagraaf 3.10.10 Beheer van natuurgebieden
Subparagraaf 3.10.11 Windhinder
Subparagraaf 3.10.1 Drinkwater
Subsubparagraaf 3.10.1.1 Omgevingswet
Subsubparagraaf 3.10.1.2 Instructieregels Rijk
Subsubparagraaf 3.10.1.3 Instructieregels provincie
Subsubparagraaf 3.10.1.4 Instructieregels Waterschap Drents Overijsselse Delta
Subsubparagraaf 3.10.1.5 Relevante bepalingen uit de Bruidsschat
Subsubparagraaf 3.10.1.6 Kaders uit gemeentelijk beleid
Subparagraaf 3.10.2 Natuurbescherming
Subparagraaf 3.10.3 Klimaatverandering
Subparagraaf 3.10.4 RES Drenthe 1.0
Subparagraaf 3.10.5 Regionale Adaptatiestrategie (RAS) en Uitvoeringsagenda 2022-2027
Subparagraaf 3.10.6 Transitievisie warmte Meppel
Subparagraaf 3.10.7 Kwaliteit en gebruik van bouwwerken
Subparagraaf 3.10.8 Beheer van geobiologische-, geothermische- en ecosystemen
Subparagraaf 3.10.9 Beheer van natuurlijke hulpbronnen
Subparagraaf 3.10.10 Beheer van natuurgebieden
Subparagraaf 3.10.11 Windhinder
Subparagraaf 3.10.1 Drinkwater
Subsubparagraaf 3.10.1.1 Omgevingswet
Subsubparagraaf 3.10.1.2 Instructieregels Rijk
Subsubparagraaf 3.10.1.3 Instructieregels provincie
Subsubparagraaf 3.10.1.4 Instructieregels Waterschap Drents Overijsselse Delta
Subsubparagraaf 3.10.1.5 Relevante bepalingen uit de Bruidsschat
Subsubparagraaf 3.10.1.6 Kaders uit gemeentelijk beleid
Subparagraaf 3.10.2 Natuurbescherming
Subparagraaf 3.10.3 Klimaatverandering
Subparagraaf 3.10.4 RES Drenthe 1.0
Subparagraaf 3.10.5 Regionale Adaptatiestrategie (RAS) en Uitvoeringsagenda 2022-2027
Subparagraaf 3.10.6 Transitievisie warmte Meppel
Subparagraaf 3.10.7 Kwaliteit en gebruik van bouwwerken
Subparagraaf 3.10.8 Beheer van geobiologische-, geothermische- en ecosystemen
Subparagraaf 3.10.9 Beheer van natuurlijke hulpbronnen
Subparagraaf 3.10.10 Beheer van natuurgebieden
Subparagraaf 3.10.11 Windhinder
Drinkwater
Omgevingswet
Instructieregels Rijk
Instructieregels provincie
Regels Waterschap Drents Overijsselse Delta
Relevante bepalingen uit de Bruidsschat
Kaders uit gemeentelijk beleid
Natuurbescherming
Klimaatverandering
RES Drenthe 1.0
Regionale Adaptatiestrategie (RAS) en Uitvoeringsagenda 2022-2027
Transitievisie warmte Meppel
Kwaliteit en gebruik van bouwwerken
Beheer van geobiologische-, geothermische- en ecosystemen
Beheer van natuurlijke hulpbronnen
Beheer van natuurgebieden
Windhinder
[Vervallen]
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Vanaf deze datum bestaat het omgevingsplan gemeente Meppel uit een tijdelijk deel dat bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkings- en wijzigingsplannen, exploitatieplannen, inpassingsplannen, bodemkwaliteitskaarten en de Bruidsschat van het Rijk. Dit tijdelijke deel voldoet echter nog niet aan de vereisten die gelden voor het omgevingsplan zoals bedoeld in de Omgevingswet. De gemeente Meppel heeft tot 1 januari 2032 de tijd om het tijdelijke deel van het omgevingsplan om te zetten naar een volwaardig omgevingsplan voor het hele grondgebied dat aan alle eisen van de Omgevingswet, de instructieregels vanuit het Rijk en de provincie Drenthe en de digitale standaarden voldoet.
De gemeente Meppel heeft inmiddels een eerste wijziging van het omgevingsplan vastgesteld (24 april 2025) voor de deelgebieden Binnenstad-Centrumschil en Transformatiegebied Noordpoort. De ligging van het gebied waarop de wijziging ziet is weergegeven in de volgende figuur.
Figuur 1.1 Ligging wijziging omgevingsplan gemeente Meppel
Met deze eerste wijziging van haar omgevingsplan heeft de gemeente Meppel de structuur waarin de regels van het nieuwe deel wordt opgebouwd vormgegeven. Bovendien zijn met deze wijziging voor veel activiteiten die met het omgevingsplan voor de deelgebieden Binnenstad, Centrumgebied en het transformatiegebied Noordpoort moeten worden geregeld, de daarvoor benodigde regels in het omgevingsplan opgenomen. Veel van deze regels kunnen worden ‘hergebruikt’ voor andere deelgebieden. Zo kunnen bijvoorbeeld de regels voor de gebruiksactiviteit ‘wonen’ de activiteit ‘bouwen van een hoofdgebouw’ uit deze eerste wijziging van het omgevingsplan, ook van toepassing worden verklaard op de gebruiksactiviteiten die in nieuwe deelgebieden worden toegestaan.
Met deze eerste wijziging heeft de gemeente Meppel voor de deelgebieden Binnenstad, Centrumgebied en het transformatiegebied Noordpoort een deel dat voldoet aan de vereisten vanuit de Omgevingswet. Voor de rest van het grondgebied moet Meppel voor 1 januari 2032 het Omgevingsplan wijzigen. De gemeente Meppel heeft daarom besloten om de eerstvolgende wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Meppel voor te bereiden voor de bedrijventerreinen en industrieterreinen binnen haar ambtsgebied. Het gaat dan om de bedrijventerreinen en industrieterreinen Oevers, Spijkerserve (Nijeveen), Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat. Daarnaast zal deze wijziging van het omgevingsplan voorzien in het ontwikkelen van een nieuw bedrijventerrein Noord IV ten noorden van de bestaande terreinen Noord I, II en III. In de volgende figuur worden deze verschillende bedrijventerreinen en industrieterreinen binnen het gemeentelijke ambtsgebied weergegeven.
Figuur 1.2 Ligging deelgebied Industrie- en bedrijventerreinen en het zoekgebied Noord IV
In de volgende paragraaf worden de verschillende bedrijventerreinen en industrieterreinen beschreven waarop deze wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Meppel ziet.
Het industrieterrein Oevers is onderverdeeld in vijf verschillende deelgebieden: A, B, C, D en E. Deze deelgebieden worden in de volgende figuur weergegeven. Het totale gebied ‘Oevers’ is in de jaren tachtig bij koninklijk besluit aangewezen als een gezoneerd Industrieterrein.
Van oudsher werd Oude Vaart/Buitenhaven e.o als een apart industrieterrein beschreven. Dit industrieterrein besloeg een groter oppervlakte langs de Drentsche Hoofdvaart en liep door tot aan het viaduct van de N375 over de Hoofdvaart. Een groot deel van dit bedrijventerrein is verdwenen of gaat verdwijnen als gevolg van de transformatieopgave in Noordpoort zoals vastgesteld in het Omgevingsplan gemeente Meppel (na de inwerkingtreding van de wijziging op 11 juni 2025, 24 april 2025 vastgesteld). Het resterende gedeelte van dit oude terrein is te weinig onderscheidend om nog als apart industrieterrein te beschrijven. In het nieuwe omgevingsplan wordt dit resterende gedeelte daarom onderdeel van Oevers C.
Figuur 1.3 Industrieterrein Oevers A, B. C. D en E
Oevers A ligt op het zuidoostelijke deel van het industrieterrein. Dit deelgebied wordt begrensd door het water van het Meppelerdiep, de Reest en de groenzone (Wijkpark Hesselingen) rondom Hesselingen en de Handelsweg. Deze groenzone vormt een buffer tussen de woonwijk (met als eerste straat de Jan Tooroplaan) en het industriegebied. Oevers A wordt doorkruist door de Industrieweg. Dit deelgebied kan worden getypeerd als een traditioneel en gemengd industrieterrein. Het industrieterrein had op basis van het oude beheersverordening een hoge milieucategorie (5) met uitzondering van de percelen aan De Reest tegenover Molen de Weert. Het noordelijke deel van dit deelgebied heeft aan het Meppelerdiep een insteekhaven aan de Kaapweg. Op Oevers A zijn bedrijven gevestigd die zowel over de weg als over het water worden ontsloten.
Oevers B ligt ten zuidwesten van Oevers A en wordt van Oevers A gescheiden door de Handelsweg. Dit deelgebied lijkt qua karakter sterk op Oevers A. Ook hier is zwaardere industrie mogelijk op basis van de voormalige beheersverordening waarin opgenomen stond dat milieucategorie 5 mogelijk is. Het deelgebied wordt aan de noordzijde begrensd door het water van het Meppelerdiep, aan de zuidzijde door het Wijkpark Hesselingen en aan de westzijde door de provinciegrens tussen Drenthe en Overijssel. De ligging aan zowel het Meppelerdiep als de Handelsweg en Industrieweg maakt dat Oevers B uitstekend ontsloten kan worden over de weg en het water.
Oevers C wordt begrensd door de Zomerdijk aan de noordwestzijde, de Steenwijkerstraatweg/Ceintuurbaan aan de noordzijde en het water van het Mallegat en Buitenhaven Meppel aan de zuidoostzijde. Oevers C wordt in tweeën gesplitst door het water van het Meppelerdiep. Het schiereiland dat hierdoor aan de meer oostzijde van het Meppelerdiep ontstaat wordt ook wel aangeduid als het Betoneiland of De Bult. Het langgerekte deelgebied biedt ruimte aan lichte, middelzware en zware bedrijvigheid. Aan de noordzijde heeft het deelgebied aan de K.E. Borgerlaan een (particuliere) insteekhaven. Voor Oevers C geldt dat er zware industrie met milieucategorie 5 gevestigd mag zijn op dit deelgebied. Op het Betoneiland zitten enkele zwaardere bedrijven maar is ook langs de Buitenhaven sprake van minder zware bedrijvigheid en enige mate van leegstaande bedrijfsgebouwen.
Oevers D wordt begrensd door de N375 aan de noordzijde, de provinciegrens aan de zuidwestzijde, het water van het Meppelerdiep aan de zuidoostzijde en de Handelsweg aan het noordoosten. In het hart van dit deelgebied is de Sethehaven aangelegd, waar schepen met een diepgang van bijna 3 meter kunnen aanmeren. Dit maakt Oevers D uniek: het is daarmee de meest landinwaarts gelegen zeehaven van Noord-Nederland. Elk kavel dat aan het water grenst, heeft haar eigen afmeergelegenheid. In dit havengebied is het vestigen van zwaardere milieucategorieën tot en met 5.1 mogelijk op enkele gebieden aan de grens van Oevers D na. Dit maakt dit deelgebied uitermate geschikt voor havengebonden- en logistieke bedrijven. Daarnaast kunnen zwaardere bedrijven zich op dit industrieterrein vestigen.
Tot slot wordt het deelgebied Oevers E aan de noordwestzijde begrensd door de N375, aan de zuidwestzijde door de Handelsweg, aan de zuidoostzijde door de Zomerdijk en aan de noordoostzijde door de Willem Barentszstraat. Het bedrijventerrein wordt door de in het hart gelegen lommerrijke begraafplaats in oostelijk en een westelijk deel gesplitst. Op het oostelijke deel is een kuikenbroederij gevestigd, die dit hele deel in beslag neemt. Op het westelijke deel zijn verschillende bedrijven gevestigd, deels in combinatie met bedrijfswonen. Hier is met name de combinatie van wonen/werken mogelijk. Daardoor was de milieucategorie in het bestemmingsplan relatief laag met een categorie 2. Bestaande bedrijven met eventueel hogere categorie mochten destijds blijven zitten. Het bedrijventerrein is goed ontsloten via de Handelsweg en Zomerdijk. Het bedrijventerrein is bijzonder geschikt voor kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid. De inrichting en het onderhoud zijn op het hoge niveau dat bij een woonwijk past.
Het industrieterrein Noord is opgedeeld in drie deelgebieden: Noord I, Noord II en Noord III. Deze deelgebieden worden in de hiernaast opgenomen figuur weergegeven. Noord I en II zijn deelgebieden die in elkaar overlopen. Noord III is op moment van opstellen van het wijzigingsbesluit nog in ontwikkeling.
Het deelgebied Noord I wordt begrensd door het water van de Drentsche Hoofdvaart aan de westzijde, de provinciale weg N375 aan de zuidzijde en de spoorlijn tussen Meppel en Leeuwarden aan de oostzijde en het water van de Oude Vaart aan de noordzijde. Het terrein heeft een milieucategorie van maximaal 4.2 maar op een enkele kavel is maximaal categorie 4.1 mogelijk. Aan de N375 liggen ook enkele percelen met maximaal categorie 3.2.
Direct ten noorden van Noord I ligt het deelgebied Noord II dat eveneens aan de westzijde wordt begrensd door de Drentsche Hoofdvaart, aan de zuidzijde door de Oude Vaart en aan de oostzijde door de spoorlijn tussen Meppel en Leeuwarden. Zowel Noord I als Noord II zijn geschikt voor groothandel, logistiek en productie. Ook Noord II heeft voornamelijk 4.2 als maximale categorie met aan de kant van de Drentsche Hoofdvaart 3.2. De terreinen zijn goed ontsloten via zowel de snelweg als de Meppeler haven op korte afstand. Omdat op het terrein relatief zware bedrijvigheid is toegestaan, is dit terrein zeer geschikt voor productiewerkzaamheden.
Ten noordoosten van het deelgebied Noord II, aan de andere kant van de spoorlijn ligt het deelgebied Noord III, ingeklemd tussen de spoorlijn tussen Meppel en Leeuwarden en de snelweg A32. De Drentsche Hoofdvaart begrenst het noordelijke deel van dit deelgebied en het klein stukje aan de zuidkant wordt door de Oude Vaart begrenst.
Figuur 1.4 Industrieterrein Noord I, Noord II en Noord III
Op Noord III zijn, volgens het oude bestemmingsplan, bedrijven tot en met categorie 3.2 toegestaan. Op het zuidelijke deel van het bedrijventerrein Noord III is een hoogspanningsstation toegestaan. Rondom het hoogspanningsstation is een geluidzone vastgesteld. De omgevingsvergunning voor dit station is al onherroepelijk en de bouwwerkzaamheden voor dit station zijn inmiddels gestart. De rest van Noord III is nog in ontwikkeling en grotendeels in gebruik als grasland. Tegen het bestemmingsplan Noord III is beroep ingesteld, het plan is wel in werking maar nog niet onherroepelijk.
Het bedrijventerrein Blankenstein ligt ingeklemd tussen de centrumschil van de gemeente Meppel, dat aan de westzijde ligt met daarvoor de spoorlijn en aan de andere kant de A32 met daarachter de wijk Oosterboer dat aan de oostzijde ligt. Aan de zuidzijde wordt het bedrijventerrein begrensd door de Hoogeveenseweg. Blankenstein heeft daarmee vanuit meerdere kanten eersterangs zichtlocaties. De ontsluiting van Blankenstein is goed met het station en de binnenstad op loopafstand, de A32 vlakbij en de A28 op korte afstand. Blankenstein heeft als kenmerk dat er met name zakelijke dienstverlening en grootschalige detailhandel gevestigd is.
Figuur 1.5 Bedrijventerrein Blankenstein
Het industrieterrein Spijkerserve in Nijeveen wordt aan de noordzijde begrensd door de Tussenboersweg en aan de oostzijde door de Schuurmansweg en de woonbebouwing van Nijeveen. Aan de zuid- en westzijde wordt het industrieterrein begrensd door agrarische gronden. Het industrieterrein kenmerk zich door relatief kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten tot en met categorie 3.2. Niettemin is rond dit industrieterrein een zone op grond van hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder vastgesteld. Op dit terrein zijn bedrijfswoningen (dienstwoningen genoemd in het bestemmingsplan) mogelijk. Het heeft dan ook een lokaal karakter met bedrijfswoningen.
Figuur 1.6 Industrieterrein Spijkerserve
Rogat is ontstaan als een dorp maar inmiddels is het bedrijventerrein rondom Rogat qua oppervlakte groter dan de woonkern. Rogat vormde oorspronkelijk het bedrijventerrein van het nabijgelegen De Wijk. Dat verklaart de wat merkwaardige ruimtelijke indeling, waarbij de oude woonkern van Rogat als het ware ingesloten is door bedrijven aan de oostzijde en zuidwestzijde. In het noorden vormt de Hoogeveense Vaart de grens en aan de zuidzijde de A28. De directe ontsluiting via de A28 is de grote kracht van Rogat. Daarnaast is de A32 dichtbij gelegen. De mogelijkheid van vervoer over water wordt zeer beperkt benut. Rogat kenmerkt zich door een grote diversiteit aan bedrijvigheid.
Het bedrijventerrein Rogat ligt ingeklemd tussen de Omgelegde Hoogeveense Vaart aan de noordzijde en de snelweg A28 aan de zuidzijde. Aan de westzijde wordt het bedrijventerrein begrensd door agrarische gronden.
Figuur 1.7 Bedrijventerrein Rogat
Het deelgebied Noord IV ligt ter hoogte van het deelgebied Noord III aan de oostzijde van de snelweg A32. In dit gebied wordt ruimte gezocht voor de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein. Dit deelgebied wordt aan de noordzijde begrensd door de N371 en de kavelgrens van het agrarische bedrijf aan de Meenteweg 18. Aan de oostzijde wordt het deelgebied Noord IV begrensd door de Oude vaart en de watergang die vanaf het agrarische bedrijf aan het Boerpad 24 zuidwaarts richting de Rijksomweg loopt.
In de volgende afbeelding is het zoekgebied voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein Noord IV opgenomen. Dit betreft een zoekgebied van ongeveer 80 hectare waarbinnen uiteindelijk 50 hectare een bedrijventerrein gezocht wordt. Deze 50 hectare is het bruto oppervlakte bedrijventerrein waarvan een deel uitgeefbaar zal zijn, naar verwachting 27 hectare netto.
Op dit moment is Noord IV nog in gebruik als agrarisch gebied met voornamelijk weidelanden. Daarnaast ligt er de boerderij aan de Rijksomweg in het plangebied. Deze boerderij is inmiddels niet meer in gebruik. De weidegronden zijn nog wel in gebruik.
Figuur 1.8 Zoekgebied bedrijventerrein Noord IV
Op het gezoneerde industrieterrein Oevers liggen nu de panden aan de Molenhoek, de Boompjes en het Noordeinde. Het gezoneerde industrieterrein loopt ook over ‘Kasteel Noordeinde’ en over het Spectrum Medisch Centrum. De gebruiksfuncties van voorgenoemde percelen zijn niet van industriële aard. Dat ligt ook niet voor de hand op deze locaties. In de onderstaande figuur is de begrenzing van het industrieterrein in de bestaande situatie (niet ingekleurd) en de daaromheen liggende geluidzone (doorzichtig rood ingekleurd). Eerder heeft de gemeenteraad van Meppel op 28 november 2024 besloten om de zone voor Oevers aan te passen.
Figuur 1.9 Bestaande situatie, woningen óp het industrieterrein
In de onderstaande figuur is de begrenzing van het industrieterrein in de nieuwe situatie (niet ingekleurd) en de daaromheen liggende nieuwe grens van de geluidzone (doorzichtig rood ingekleurd).
Figuur 1.10 Gewenste situatie, verkleinen industrieterrein, woningen in het geluidaandachtsgebied.
In beide gebieden is sprake van een ‘integrale’ wijziging van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, hier worden alle regels uit het tijdelijk deel vervangen door regels in het nieuwe deel. De hiervoor beschreven bedrijventerreinen en industrieterreinen vormen samen het eerste deelgebied dat integraal wordt opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan van de gemeente Meppel. Met uitzondering van het nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein Noord IV (waarvoor nieuwe gebruiks- en bouwactiviteiten in het omgevingsplan zullen worden opgenomen) is de omzetting voor de overige bedrijventerreinen en industrieterreinen zo veel mogelijk beleidsneutraal.
Als gevolg van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan komen de volgende ruimtelijke plannen, voor zover gelegen binnen het deelgebied ‘bedrijventerreinen en industrieterreinen’, geheel of gedeeltelijk te vervallen:
|
Type plan |
Plannaam |
Planstatus (datum) |
|
Industrieterrein Oevers |
||
|
Bestemmingsplan |
Meppel - Oevers D 2010 |
30‑06‑2011 |
|
Beheersverordening |
Meppel - Bedrijventerreinen |
30‑05‑2013 |
|
Bestemmingsplan |
Meppel - Oevers E 2015 |
19‑10‑2017 |
|
Beheersverordening |
Partiële herziening beheersverordening Meppel - Bedrijventerreinen |
15‑11‑2018 |
|
Bestemmingsplan |
Meppel - Paraplubestemmingsplan Parkeren |
15‑11‑2018 |
|
Bestemmingsplan |
Meppel - Transformatiegebied Noordpoort |
18‑06‑2019 |
|
Bestemmingsplan |
Meppel - Industrieweg 2 e.o. |
28‑01‑2021 |
|
Bestemmingsplan |
Partiële herziening Meppel - Bedrijventerrein Oevers E |
22‑12‑2022 |
|
Beheersverordening |
Partiële herziening beheersverordening Meppel - Bedrijventerreinen woningsplitsing |
22‑12‑2022 |
|
Bestemmingsplan |
Paraplubestemmingsplan woningsplitsing en woningomzetting |
22‑12‑2022 |
|
Industrie en bedrijventerreinen Noord I, II en III |
||
|
Bestemmingsplan |
Parapluherziening Geluidzone bedrijventerrein Noord I |
26‑09‑2013 |
|
Bestemmingsplan |
Noord |
26‑09‑2013 |
|
Bestemmingsplan |
Meppel - Paraplubestemmingsplan Parkeren |
15‑11‑2018 |
|
Bestemmingsplan |
Paraplubestemmingsplan woningsplitsing en woningomzetting |
22‑12‑2022 |
|
Bestemmingsplan |
Bedrijventerrein Meppel - Noord III |
22‑06‑2023 |
|
Bestemmingsplan |
Bedrijventerrein Meppel - Noord III (herstelbesluit) |
09‑11‑2023 |
|
Spijkerserve |
||
|
Bestemmingsplan |
Nijeveen |
03‑09‑2009 |
|
Bestemmingsplan |
Nijeveen - Spijkerserve V en geluidzone |
26‑01‑2017 |
|
Bestemmingsplan |
Meppel - Paraplubestemmingsplan Parkeren |
15‑11‑2018 |
|
Bestemmingsplan |
Paraplubestemmingsplan woningsplitsing en woningomzetting |
22‑12‑2022 |
|
Uitwerkingsplan |
Nijeveen - uitwerking Energieweg 19 |
25‑09‑2018 |
|
Blankenstein |
||
|
Bestemmingsplan |
Blankenstein, Ezinge en Spoorzone |
26‑01‑2012 |
|
Bestemmingsplan |
Meppel - Paraplubestemmingsplan Parkeren |
15‑11‑2018 |
|
Bestemmingsplan |
Paraplubestemmingsplan woningsplitsing en woningomzetting |
22‑12‑2022 |
|
Rogat |
||
|
Bestemmingsplan |
Buitengebied |
03‑09‑2009 |
|
Bestemmingsplan |
Rogat |
24‑01‑2013 |
|
Bestemmingsplan |
Meppel - Buitengebied, herziening Schiphorsterweg en Kosterweg |
1606-2016 |
|
Bestemmingsplan |
Meppel - Paraplubestemmingsplan Parkeren |
15‑11‑2018 |
|
Bestemmingsplan |
Paraplubestemmingsplan woningsplitsing en woningomzetting |
22‑12‑2022 |
|
Noord IV |
||
|
Bestemmingsplan |
Buitengebied |
03‑09‑2009 |
|
Bestemmingsplan |
Parapluherziening Geluidzone bedrijventerrein Noord I |
26‑09‑2013 |
|
Bestemmingsplan |
Paraplubestemmingsplan woningsplitsing en woningomzetting |
22‑12‑2022 |
|
Bestemmingsplan |
Bedrijventerrein Meppel - Noord III |
22‑06‑2023 |
|
Bestemmingsplan |
Bedrijventerrein Meppel - Noord III (herstelbesluit) |
09‑11‑2023 |
Tabel 1.1 Lijst met alle relevante bestemmingsplannen in het tijdelijk deel omgevingsplan
Het voorliggende plan betreft een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Meppel. Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt de geldende bestemmingsplannen voor de bedrijventerreinen en industrieterreinen Oevers, Spijkerserve, Noord I, II en III, Rogat, Blankenstein en de gronden waarop het bedrijventerrein Noord IV zal worden gerealiseerd. Daarnaast zal de geluidszone Oevers verkleind worden, de geluidszones zullen omgezet worden naar geluidsproductieplafonds en de nieuwe systematiek voor activiteiten en milieuzonering toegepast worden waardoor de milieucategorieën losgelaten zullen worden.
De gemeente Meppel heeft besloten om het omzetten van de bestemmingsplannen en beheersverordeningen naar het omgevingsplan gebiedsgericht aan te pakken. De eerste wijziging betrof de deelgebieden Binnenstad en Centrumschil & Noordpoort. Na de afronding van deze eerste inhoudelijke wijziging wil de gemeente door met het opstellen van het volgende wijzigingsbesluit. Dit wijzigingsbesluit betreft alle industrie- en bedrijventerreinen in Meppel. Door in deelgebieden te werken blijft het wijzigen van het omgevingsplan behapbaar. Tegelijk wordt wel gewerkt aan het omzetten van alle bestemmingsplannen en beheersverordeningen naar één omgevingsplan voor 1 januari 2032. Met de eerste inhoudelijke wijziging is ook de structuur van het omgevingsplan grotendeels opgetuigd. Daarnaast staan een groot aantal basisregels en begrippen nu al in het ‘Omgevingsplan gemeente Meppel’. Deze regels voor bijvoorbeeld bouwen en aanleggen zijn ook in deze wijziging te gebruiken.
Figuur 2.1 Ligging Industrie- en bedrijventerreinen
Figuur 2.2 Ligging bestaande geluidaandachtsgebieden
De gemeente Meppel heeft in 2019 het ‘Ambitiedocument Omgevingswet gemeente Meppel’ vastgesteld. Daarin heeft de gemeente op hoofdlijnen de implementatie van de Omgevingswet en de bijbehorende instrumenten vormgegeven. De gemeenteraad heeft niet de ambitie om “zomaar” alle regels te schrappen of zeer ruim te formuleren. Aan de andere kant is het ook niet wenselijk om bij elk mogelijk planologisch risico als voorzorg maar een regel te stellen. Toename van de regeldruk is ook niet wenselijk. Voor het omgevingsplan geldt dat wordt aangesloten bij de bestaande juridisch planologische rechten en plichten. Deze wijziging is dan ook voornamelijk gericht op het behoud van de bestaande situaties. Dit betekent dat de bestaande juridisch-planologische mogelijkheden uit de hiervoor geldende bestemmingsplannen en beheersverordeningen zo goed als mogelijk overgenomen worden. Deze mogelijkheden worden echter wel vertaald naar de nieuwe omgevingsplansystematiek in de bestaande structuur van het ‘Omgevingsplan gemeente Meppel’. Hierbij wordt gestreefd naar een zo beleidsneutraal mogelijke overgang. Dit betekent dat naast de geldende bestemmingsplannen en/of beheersverordeningen daar waar mogelijk ook het vastgestelde beleid verwerkt wordt. De uitgangspunten voor de wijziging van het omgevingsplan heeft de gemeenteraad van Meppel op 19 juni 2025 in een Nota van Uitgangspunten vastgelegd.
Voor alle industrie- en bedrijventerreinen wil de gemeente afscheid nemen van de oude Bedrijven en milieuzonering systematiek. De gemeente wil de nieuwe Activiteiten en milieuzonering in het omgevingsplan verwerken. Daarmee regelt de gemeente tegelijkertijd de toelaatbare geluid en geurbelasting. Bij de industrieterreinen wordt dit met de systematiek van de geluidproductieplafonds verweven.
Met het vaststellen van de Omgevingsvisie heeft de gemeenteraad aangegeven meer te willen inzetten op meer watergebonden bedrijvigheid en een optimaler gebruik van de kades. Op dit onderdeel is in Port of Zwolle verband ook de wens om havengebieden weer meer voor watergebonden activiteiten te gebruiken. Daarnaast is het bieden van ruimte voor een circulaire economie een belangrijke wens vanuit de gemeente voor dit industrieterrein. Daarnaast ligt op dit industrieterrein de geluidszone op basis van de Wet geluidhinder. Deze geluidszone wordt omgezet naar een Geluidproductieplafond (Gpp). Daarbij wordt aangesloten bij de bestaande bedrijfsactiviteiten en zoveel als mogelijk bij bestaande rechten. Wel betekent het dat de geluidsruimte volgens de nieuwe systematiek uitgezet wordt.
Verder wordt het gezoneerd industrieterrein verkleind om de panden aan de Molenhoek, de Boompjes en het Noordeinde de functie wonen toe te kennen. Ook het ‘Kasteel Noordeinde’ en het Spectrum Medisch Centrum liggen daardoor in de nieuwe situatie niet op een gezoneerd industrieterrein.
Oevers E is hierop een uitzondering. Dit bedrijventerrein ligt niet direct aan de haven. Het bestemmingsplan maakte hier een combinatie van wonen en werken mogelijk. Dat concept blijft in het omgevingsplan mogelijk.
Noord I en II zijn meer recentere bedrijventerreinen. Hier hebben zich middelgrote en grote ondernemers gevestigd. Hier is de ambitie om daar waar mogelijk meer ruimte te bieden aan circulaire economie. Verder blijven de bestaande rechten intact. Wel wordt de geluidszone van dit bedrijventerrein gehaald. Deze is destijds opgenomen vanwege met name de Rioolwaterzuiveringsinstallatie. Omdat de RWZI geen geluidszone nodig heeft en de overige bedrijven ook niet, komt de geluidszone hier te vervallen.
Noord III heeft eenzelfde beeld als Noord I en II. Echter is dit bedrijventerrein het meest recent de ruimtelijke procedure doorlopen. Daarna is beroep aangetekend tegen dit bestemmingsplan wat nog bij de Raad van State ligt op moment van ontwerp wijzigingsbesluit.
Blankenstein is een bedrijventerrein met lichte milieucategorieën. Er zijn hier weinig grote milieubelastende bedrijven. Het is een gemengde werklocatie die overigens ook een zichtlocatie is. Hier zijn de minste opgaven van alle industrie- en bedrijventerreinen op dit moment.
De geluidzone van het bedrijventerrein Rogat is jaren geleden al opgeheven. Hierdoor is er sprake van alleen een bedrijventerrein, geen industrieterrein. Daarnaast ligt het bedrijventerrein tegen het dorp aan. Ruimte bieden voor circulaire economie zal, wanneer extra milieubelasting noodzakelijk is, een uitdaging zijn in het plan.
Spijkerserve is een industrieterrein volledig gericht op de vraag van lokale ondernemers. Spijkerserve heeft echter wel een geluidszone. Deze wordt omgezet naar een Geluidsproductieplafond systematiek. Daarnaast zal, indien mogelijk, ruimte geboden worden aan circulaire economie.
Noord IV wordt in de omgevingsvisie van Meppel als een nieuw ontwikkelgebied benoemd. Al voor de vaststelling van de omgevingsvisie heeft de gemeente Meppel al de nodige stappen gezet om hier ontwikkeling mogelijk te maken. Eerst door gebruik te maken van het voorkeursrecht. Daarna is de structuurvisie vastgesteld met daarin de ambitie voor een groot themapark met de benodigde milieubelasting, waar overigens ook een MER aan ten grondslag lag. De terugvaloptie is een bedrijventerrein en wind- en wateropgaven in Noord IV. Met het vaststellen van de omgevingsvisie is de ambitie van het themapark vervallen en is de terugvaloptie uit de structuurvisie de ambitie voor het gebied. In deze wijziging wordt het bedrijventerrein ruimtelijk mogelijk gemaakt. De windopgave en de wateropgave kent elk een ander bevoegd gezag en ook een andere ruimtelijke procedure. Wel moeten deze opgaven elkaar niet in de weg zitten. Daar dient deze gebiedsontwikkeling rekening mee te houden in deze wijziging van het omgevingsplan.
Zoals hierboven aangegeven, ligt er al langer de wens om een bedrijventerrein in Noord IV mogelijk te maken. Om grip te houden op ontwikkelingen in Noord IV is in 2020 voorkeursrecht gevestigd op geheel Noord IV. Daarmee werd destijds het gehele gebied tussen de A32 en de Arendsweg en de gemeentegrenzen als Noord IV gezien. Bij de vaststelling van de structuurvisie omgevingsprogramma Noord IV in 2023 is destijds voor een groot deel van het gebied het voorkeursrecht verlengt. Na deze structuurvisie zou de ruimtelijke procedure doorlopen worden. In de Omgevingsvisie gemeente Meppel uit 2025 is opgenomen dat in Noord IV een bedrijventerrein van 50 hectare bruto zal komen. Daarvan zal een gedeelte gebruikt worden als uitgeefbare grond (ongeveer 27 hectare) en een deel voor infrastructuur, groen, water en nutsvoorzieningen. Een gedeelte van het beoogde bedrijventerrein is inmiddels in handen van de gemeente, maar nog niet het volledige terrein. Het beoogde bedrijventerrein wordt groter dan het huidige bezit van de gemeente op de beoogde locatie. Met de wijziging van het omgevingsplan wordt het voorkeursrecht verlengd. Voor bedrijvigheid in Noord IV zal met name ook energie (stroom) nodig zijn ook vanwege de aardgasloze karakter van het bedrijventerrein. Het uitbreiden van het elektriciteitsnet naar Noord IV zal vermoedelijk niet voor 2032 plaatsvinden, maar is op dit moment nog onbekend. Het aanleggen en bouwen van Noord IV zal daarom vermoedelijk na 2032 gebeuren, tenzij bedrijven volledig zelfvoorzienend zouden kunnen zijn. Wel heeft Meppel nog Noord III dat nog niet bebouwd is en dat nog uitgeefbaar is totdat gestart kan worden met Noord IV. Op onderstaande kaart is weergeven hoe de uiteindelijke 50 hectare bruto bedrijventerrein zich verhoudt tot het zoekgebied van 80 hectare. Het volgekleurde oppervlakte en het met strepen gearceerde deel vormen samen het zoekgebied. Het volgekleurde vlak is het uiteindelijke bedrijventerrein zoals opgenomen in het wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Meppel voor de Industrie- en bedrijventerreinen. Het volledige zoekgebied is gebruikt bij het opstellen van de MER (zie paragraaf 6.5). Mede gebaseerd op het MER is het volgekleurde vlak als bedrijventerrein opgenomen.
Figuur 2.3 Verhouding zoekgebied tot plangebied
Naast de behoefte aan schuifruimte vanwege de transformatie van bestaande bedrijventerreinen, is er behoefte aan nieuwe werklocaties, zo blijkt uit behoefteramingen uitgevoerd door de provincie Drenthe, de Regio Zwolle en de gemeente zelf. Op dit moment is Noord III in ontwikkeling. De volgende grotere uitbreidingslocatie is Noord IV. Noord IV is in de omgevingsvisie aangewezen als ontwikkelgebied. Hier ontwikkelen we bedrijvigheid in combinatie met onze verduurzamingsopgaven.
Voor Noord IV wordt voortgebouwd op de vastgestelde structuurvisie omgevingsprogramma Noord IV. Deze visie is verwerkt in de Omgevingsvisie van Meppel. Tegelijk is de programmering (kwalitatief en kwantitatief) geactualiseerd in de Omgevingsvisie om zo de grootste meerwaarde voor Meppel te bereiken. Bijvoorbeeld als belangrijke schakel in de energietransitie. De lijn is om tot 2040 een bedrijventerrein van 16 tot 27 hectare netto te ontwikkelen. Met een bebouwingspercentage van 60% betekent dit een ontwikkeling van ongeveer 50 hectare bruto bedrijventerrein en 27 hectare uitgeefbare grond. Meppel gaan uit van een regulier gemengd terrein met bedrijfskavels van maximaal 3 hectare, geschikt voor milieubelastende activiteiten vergelijkbaar met de oude milieucategorieën 3.1 t/m 4.
In dit hoofdstuk wordt het relevante gemeentelijke beleid en/of programma’s ten aanzien van de ruimtelijke- en functionele structuur die zijn opgenomen in de algemene toelichting van het omgevingsplan Meppel, getoetst en wordt de doorwerking op het omgevingsplan beknopt weergegeven.
De gemeenteraad heeft op 16 december 2021 "Samen bouwen aan kwaliteit - Visie op de fysieke leefomgeving” vastgesteld. Dit is een toekomstbeeld van de gemeente Meppel, gericht op de fysieke leefomgeving. Hierin komen verschillende onderwerpen en thema’s integraal bij elkaar. Deze visie op de fysieke leefomgeving is een ‘tussenproduct’ die als overdracht aan de nieuwe gemeenteraad (na de verkiezingen in 2022) is meegegeven. De Visie op de fysieke leefomgeving is formeel niet ingetrokken maar heeft aan invloed ingeboet omdat de Omgevingsvisie in 2025 is vastgesteld waarin keuzes worden gemaakt en bovendien een instrument is als bedoeld in de Omgevingswet. Dat is in tegenstelling tot de visie op de fysieke leefomgeving dat geen formeel instrument is, en ook niet als zodanig is gepubliceerd.
De gemeente heeft delen bestaand beleid én de Visie op de fysieke leefomgeving meegenomen bij het opstellen van de Omgevingsvisie. Voor een aantal belangrijke uitdagingen naar de toekomst moet de gemeente nog richting bepalen. In deze visie heeft de gemeente Meppel het toekomstbeeld (2040) aan de hand van de vijf centrale kwesties geschetst, namelijk:
verstedelijking;
verduurzaming;
gezonde leefomgeving;
bedrijvigheid;
toekomstbestendig buitengebied.
Voor deze wijziging geldt daarom de Omgevingsvisie als leidend kader. De Visie op de fysieke leefomgeving wordt beschouwd als verwerkt of nader uitgewerkt in de Omgevingsvisie van Meppel. Daarmee vormt de Omgevingsvisie, een kerninstrument onder de Omgevingswet, het belangrijkste strategische kader en visie voor een wijziging van het Omgevingsplan.
De omgevingsvisie van de gemeente Meppel is op 24 april 2025 vastgesteld. De omgevingsvisie vervangt een aantal bestaande beleidsdocumenten, deze beleidsdocumenten zijn daadwerkelijk ook ingetrokken. Het niet ingetrokken beleid blijft naast de omgevingsvisie bestaan en zal op termijn opgaan in omgevingsprogramma’s. Het niet ingetrokken beleid daarom nog van toepassing. Tijdens de ontwikkeling van de omgevingsvisie is in 2021 al wel een tussendocument vastgesteld. Dit is de Visie op de fysieke leefomgeving. Deze is niet ingetrokken en geldt daarom nog steeds. In paragraaf 3.2 is ingegaan op deze vastgestelde visie. De inhoud van de omgevingsvisie is sinds die tijd steeds duidelijker aan het worden. Hier wordt in deze paragraaf (3.3) op ingegaan.
In de omgevingsvisie heeft de gemeente vastgelegd wat zij wil met de leefomgeving. Daarbij is gekeken naar 2040. Het is van belang om met een blik op de lange termijn naar de buitenruimte, de maatschappij en de economie te kijken. Dat helpt bij de grote en kleine keuzes die zijn gemaakt over de leefomgeving. De omgevingsvisie van Meppel heeft twee belangrijke functies, en ze valt daarom ook uiteen in twee delen.
Binnen de Omgevingsvisie staan het beschermen, transformeren en ontwikkelen centraal. Op kaarten in de visie staat aangegeven waar deze drie strategieën spelen en welke aspecten het betreft.
Het beleidsneutraal wijzigen van het omgevingsplan kent in principe weinig andere gebruiksrechten of bouwmogelijkheden toe. Enkele uitzonderingen zijn bijvoorbeeld het verkleinen van het Industrieterrein Oevers rondom het Noordeinde en de Boompjes. Daarnaast worden beeldbepalende panden aangewezen met dit wijzigingsbesluit. Dit laatste sluit aan bij de strategie beschermen. Verder wordt Noord IV mogelijk gemaakt wat echt het ontwikkelen van een nieuw bedrijventerrein betreft. In zoverre voert hier de strategie ontwikkelen de boventoon. Wel vragen alle strategieën een zorgvuldige afweging waarbij Deel A en Deel B en met name de ontwikkelprincipes van de omgevingsvisie handvaten geven.
Deel A Koers voor de leefomgeving
Deel A bevat de koers voor de leefomgeving. Deze valt uiteen in vier ambities. Samen bieden ze een antwoord op de uitdagingen van deze tijd. Het gaat om: duurzaam in alle opzichten (hoofdstuk 2), schoon, natuurlijk en gezond (hoofdstuk 3), levendig en leefbaar (hoofdstuk 4), en kwalitatieve en inclusieve groei (hoofdstuk 5). In deze motivering wordt voor beide plangebieden getoetst of sprake is van directe doorwerking van deel A van de omgevingsvisie in deze wijziging van het omgevingsplan.
Deel B Werken aan de leefomgeving
Deel B laat zien hoe de omgevingsvisie in de praktijk moet worden toegepast. Als de gemeente Meppel werkt aan de leefomgeving is de omgevingsvisie het kader. Het biedt handvatten voor specifieker beleid over bepaalde gebieden of bepaalde onderwerpen.
Het toepassen van Deel B is daarbij bedoeld als handvat bij nieuwe ontwikkelingen en bij deze wijziging van het omgevingsplan enkel van toepassing op het deelgebied Noord IV.
De vier ambities die onder de koers voor de leefomgeving vallen worden hierna behandeld. Per ambitie is beoordeeld wat dit betekent voor de bestaande Industrie- en bedrijventerreinen en het deelgebied Noord IV. Voor Noord IV wordt in deze paragraaf ook getoetst hoe de ambities uit de omgevingsvisie in de praktijk wordt toegepast bij de ontwikkeling in het gebied. Alleen doelen en ambities die directe doorwerking hebben op deze wijziging van het omgevingsplan staan genoemd.
Duurzaam in alle opzichten
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I en II en Rogat
Binnen het plangebied van Oevers, Spijkerserve, Blankenstein en Noord I en II en Rogat zal de energie-infrastructuur een transformatie ondergaan. De vraag naar elektriciteit zal toenemen en waarschijnlijk zullen er meer kabels aangelegd moeten worden. Op dit moment is het nog onduidelijk hoe de zittende bedrijven van het aardgas afgaan. De transitie van aardgas naar een nieuwe bron zal voor deze gebieden nog nader uitgewerkt worden. Daarom wordt in dit wijzigingsbesluit geen regels opgenomen op dit onderdeel. Binnen de regels van het wijzigingsbesluit is en blijft het aanleggen van kabels mogelijk.
Doorwerking deelgebied Noord III
In Noord III blijft het bouwen en in gebruik houden van een HS/MS station mogelijk. Daarnaast was in het bestemmingsplan (herstelbesluit) al een regeling opgenomen waarin staat dat bedrijven geen gebruik mogen maken van (aard)gas in het productieproces en/of voor de verwarming van het bedrijfsgebouw of de bedrijfsgebouwen. Deze regels blijven in stand in het wijzigingsbesluit van het omgevingsplan.
In 2040 is de gemeente Meppel CO2 neutraal, wordt energie door middel van wind en zon (op dak) binnen de regio en samen met de buurgemeenten op een duurzame wijze geproduceerd. De regels in het omgevingsplan staan dit niet in de weg.
Circulaire economie is mogelijk op Noord III. De bestaande bedrijfscategorieën zijn omgezet naar de nieuwe systematiek van activiteiten en milieuzonering. Dit is met oog op de motivatie omtrent stikstof zo beleidsneutraal als mogelijk gedaan. Daardoor is er niet meer milieuruimte gecreëerd waar bij circulaire bedrijven wel behoefte aan is. Tegelijk is het voor bedrijven met minder milieubelasting dan een hogere categorie wel mogelijk om zich op Noord III te vestigen.
Doorwerking deelgebied Noord IV
In Noord IV zal met name zon op dak een belangrijke rol spelen. Dit wordt bij recente nieuwbouw vaak al toegepast. Daarnaast is zonnepanelen op dak al vergunningsvrij. Eisen stellen aan bouwkundige zaken kan niet omdat de Wet kwaliteitsborging hieraan in de weg staat. Het plaatsen van zonnepanelen op bedrijfsdaken of als overkapping wordt niet onmogelijk gemaakt. Dit is op de bestaande industrie- en bedrijventerreinen ook al mogelijk. Knelpunt zowel in Noord IV als de bestaande industrie- en bedrijventerreinen betreft vooral netcongestie.
Circulaire economie is op Noord IV mogelijk binnen de opgenomen regels. De systematiek van activiteiten en milieuzonering geeft de grenzen aan van wat kan en wat niet toelaatbaar is in verband met de impact op de omgeving.
Schoon, natuurlijk en gezond
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
Meppel heeft al een goede basis voor de groenblauwe structuur. Wel wil Meppel inzetten op de versterking van deze groenblauwe structuur. Op de bestaande industrie- en bedrijventerreinen is ligt het gebied van groen de nodige opgaven. De omgevingsvisie is maar in beperkte mate richtinggevend op dit gebied. Wel staat er duidelijk in de omgevingsvisie dat het behouden en herstellen van groen en blauw erfgoed een opgave is voor Meppel net als de groenblauwe hoofdstructuur. Met het wijzigingsbesluit blijft dat wat als groen en water is bestemd ook in het omgevingsplan planologisch geregeld. Nieuwe of herstel van bestaande structuren zijn onvoldoende geduid qua beleid waardoor opgaven op dit onderdeel niet zijn meegenomen.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Met de proefverkaveling van Noord IV is rekening gehouden met de ambities en de ontwikkelprincipes van de omgevingsvisie. Voor biodiversiteit wordt ruimte gereserveerd omdat ongeveer 27 hectare uitgeefbaar zal zijn en de rest gebruikt zal worden voor groen, water, infrastructuur en nutsvoorzieningen. Daarnaast worden in concrete regels natuurinclusief bouwen geborgd. Daarmee draagt het plan bij aan een natuurlijke en zo gezond en schoon mogelijk Meppel zoals de ambitie uit de Omgevingsvisie van Meppel luidt.
Figuur 3.1 Proefverkaveling Noord IV
Levendig en leefbaar voor iedereen
Het onderdeel levendig en leefbaar voor iedereen kent een grote focus op voorzieningen, inrichting en beheer van de openbare ruimte, toerisme en recreatie en de binnenstad. Deze thema’s spelen beperkt een rol op de industrie- en bedrijventerreinen. Zaken als toerisme, levendige binnenstad spelen met name af buiten het gebied waar deze wijziging van het omgevingsplan op toe ziet. Voorzieningen speelt wel een rol maar ook daarvoor geldt dat een groot deel van de voorzieningen ook buiten het gebied ligt waar deze wijziging op toe ziet. Zo worden bijvoorbeeld bij voorzieningen stilgestaan bij ongelijkheidheid, ontmoetingsplekken in wijken, sterke gemeenschappen. Deze zaken spelen in mindere mate op de industrie- en bedrijventerreinen.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
Op de bestaande industrie- en bedrijventerreinen gaat leefbaarheid en het inrichten van de openbare ruimte hand in hand. Meppel heeft een opgave op het gebied van klimaatadaptatie en groen op de bedrijventerreinen. Tegelijk geeft het uitvoerende beleid op dit moment nog te weinig kaders om daadwerkelijk het één en ander in regels vast te leggen voor bestaande openbare ruimte. Daarnaast was het aanleggen van groen op grond van bestemmingsplannen op veel plekken al mogelijk zolang het ondergeschikt was. De aanleg van groen is op vergelijkbare manier ook mogelijk gemaakt in deze wijziging van het omgevingsplan.
Op het gebied van voorzieningen zitten diverse maatschappelijke functies wel op de bedrijventerreinen. Zo is op diverse plekken volumineuze detailhandel mogelijk, maar ook handel in auto’s, motoren, campers en dergelijke. Met oog op het beleidsneutrale karakter van deze wijziging blijven deze, bij recht al toegestane activiteiten, ook mogelijk volgens de nieuwe regels van het omgevingsplan zoals verwoord in deze wijziging.
Op het gebied van toerisme en recreatie ligt het aandachtsgebied met name buiten het werkingsgebied. Wel is een hotel (MyHotel) gevestigd op Blankenstein. Deze functie is al toegestaan en blijft ook mogelijk op grond van de nieuwe regels. Het mogelijk maken van overnachtingen sluit aan bij de Omgevingsvisie waar het versterken van overnachtingen in Meppel beschreven staat.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Voor Noord IV geldt dat bij de inrichting van de openbare ruimte kansen liggen voor het duurzaam inrichten. Het mogelijk maken van langzaamverkeersroutes voor fietsers en wandelaars stimuleert het bewegen. Een aantrekkelijke openbare ruimte nodigt ook uit tot ontmoeten en meer verbinding. Dit is bij uitstek mogelijk om bij nieuwe ontwikkelingen te realiseren. Koppelkansen liggen bij waterberging, klimaatadaptatie, groen- en biodiversiteitsambities. Door deze opgaven te combineren kan een aantrekkelijke ruimte gecreëerd worden. Dit is onder andere gedaan door bij de proefverkaveling rekening te houden met genoeg ruimte voor deze opgaven. Deels wordt dit gedaan tijdens de civiele uitwerking van de openbare ruimte, op een later moment. Deels wordt dit gedaan door planregels waarin natuurinclusief bouwen wordt afgedwongen. Daarnaast is in de regels de vereisten, vergunningsplicht, beoordelingsregels voor water opgenomen voor hemelwaterafvoer, wateroverlast en waterberging.
Kwalitatieve en inclusieve groei
De doelen voor woningbouw zijn voor deze wijziging niet interessant. Nieuwe woningbouwmogelijkheden worden niet toegestaan. Wel worden voor de panden aan de Molenhoek, de Boompjes en het Noordeinde de activiteit wonen planologisch mogelijk gemaakt. Dit is echter in lijn met het huidige gebruik. Daarmee heeft deze wijziging geen invloed op de woningbouwambities van Meppel.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
De omgevingsvisie gaat specifiek in op de bedrijventerreinen. In de visie worden de ambities voor de nieuwe economie beschreven waarbij circulariteit, verduurzaming en transformatie belangrijke elementen zijn. Kernpunten zijn daarbij dat circulaire bedrijven vaak meer ruimte nodig hebben. Dat kan door bijvoorbeeld grotere kavels. Daarnaast is het verduurzamen van bedrijven qua gebouwen en terreinen een belangrijke ambitie voor Meppel. Transformatie, herstructurering en beter benutten van bestaande bedrijventerreinen worden in de visie nadrukkelijk omschreven als opgaven voor Meppel. Tegelijk is een groot deel van deze opgaven nog onvoldoende uitgewerkt om daadwerkelijk te kunnen bepalen of hier regels voor gesteld kunnen worden.
Diverse elementen van bovenstaande vragen vaak ook om een andere dan regulerende aanpak. Het verduurzamen van bestaande panden laat zich niet regelen in een omgevingsplan. Bij nieuwvestiging van bedrijven kunnen regels beperkt sturen op hoe het nieuwe gebruik er wel of niet uit mag zien. Dat is in het omgevingsplan opgenomen met een verbod op garageboxen en bedrijfsverzamelgebouwen. Daarnaast zijn voor het havengebied regels opgenomen om ruimte te geven aan watergebonden activiteiten. Bij nieuwvestiging op diverse plekken mogen alleen water- en havengebonden bedrijven zich vestigen. Voor nieuwbouw van bedrijfspanden kunnen ook regels gesteld worden bijvoorbeeld op het gebied van natuur-inclusief bouwen. Hiervoor zijn regels in het omgevingsplan opgenomen. . De bestaande bedrijven verduurzamen of transformeren vraagt eerst verdere uitwerking van het beleid. Eventuele regels kunnen later, als dat gewenst is, opgenomen worden in het omgevingsplan bij een volgende wijziging.
Het verkleinen van de bedrijventerreinen is onwenselijk volgens de visie. Planologisch gezien wordt het industrieterrein Oevers wel kleiner. De Molenhoek, de Boompjes, het Noordeinde en ook het medisch centrum liggen nu nog op een gezoneerd industrieterrein. De bestemmingen op zijn voor diverse van deze locaties al langer of al zeer geruime tijd anders dan de functie bedrijf in diverse bestemmingsplannen. Met deze wijziging wordt het industrieterrein dus verkleind. De gemeenteraad van Meppel heeft deze keuze voorafgaand aan het vaststellen van de omgevingsvisie al gemaakt. En na vaststelling van de visie nogmaals herhaalt in de Nota van uitgangspunten. Belangrijke reden hierbij is de unieke situatie van deze omgeving in combinatie met de voorgeschiedenis.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Als vierde ontwikkelprincipe wil Meppel Kwalitatief en inclusief groeien. Groei moet bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving én samenleving. De visie geeft op dit onderdeel ook nadrukkelijk richting voor wijken. Dit speelt natuurlijk minder voor het bedrijventerrein. Toch moet ook het bedrijventerrein toekomstbestendig ingericht worden. In de proefverkaveling die is opgesteld voor de mogelijke inrichting van Noord IV. Hierbij is rekening gehouden met de inrichting van de openbare ruimte met opgaven op het gebied van waterberging, langzaamverkeersroutes en de gebruikelijke infrastructuur voor een bedrijventerrein. Met ongeveer 27 hectare uitgeefbare grond blijft ongeveer 23 hectare over voor opgaven op het gebied van groen, infrastructuur en waterberging.
In de omgevingsvisie staat dat bij nieuwe ontwikkelingen eerst de mogelijkheden binnen de bebouwde kom, dus inbreiden, onderzocht worden voordat gekozen wordt voor uitbreiding. Dit sluit aan op de instructieregel in het Bkl over de ladder stedelijke ontwikkeling. Bij het wijzigingsbesluit is daarom een laddertoets opgenomen om te onderbouwen dat deze ontwikkeling niet binnenstedelijk past en dat daarom uitbreiding nodig is.
De groei van Meppel met een bedrijventerrein zal tot werkgelegenheid leiden. Meppel ziet als ambitie om in inwoneraantal te groeien. In de omgevingsvisie staan de bekende bouwprojecten opgenomen. Verstedelijking bestaat nooit alleen uit het toevoegen van woningen maar ook uit het toevoegen van werkgelegenheid. In Meppel bestaat al behoefte aan meer bedrijventerreinen zoals in onder andere het behoefterapport van de STEC Groep staat (zie bijlage A bij motivering) en in de laddertoets is weergegeven. Door zowel nieuwe bedrijventerreinen toe te voegen als nieuwe woningen bij te blijven bouwen blijft er een balans tussen wonen en werken. Voor woningbouw heeft Meppel diverse ontwikkelingen lopen waarvan de grootsten Nieuwveense Landen en Noordpoort zijn. De ontwikkeling van Noord IV is ook een logische aanvulling voor de goede balans tussen wonen en werken. Dit onderdeel is daarom ook in de omgevingsvisie opgenomen in paragraaf 5.3.
In deel B staan de ontwikkelprincipes beschreven. Omdat alle bestaande industrie- en bedrijventerreinen beleidsneutraal worden overgezet van bestemmingsplan naar omgevingsplan is deel B minder relevant. Er wordt immers geen nieuwe ontwikkeling of gebiedsontwikkeling mogelijk gemaakt. Op onderdelen zoals hierboven beschreven maken de regels met name het realiseren van doelen niet onmogelijk: dat wil zeggen dat de regels er niet aan in de weg staan. Maar de regels dwingen niet om bepaalde doelen te halen omdat daar vaak nog beleidsuitwerking voor nodig is. Niet in de laatste plaats de afweging of het regulerend geregeld moet worden.
Op enkele onderdelen maakt het omgevingsplan het wel mogelijk om doelen te behalen. Zo is het nemen van maatregelen met oog op klimaatadaptatie, groen, biodiversiteit en verduurzaming vaak al mogelijk binnen de bestaande planologische regels in bestemmingsplannen. Dit planologisch regime blijft in het omgevingsplan hetzelfde.
Noord IV
Voor Noord IV geldt dat het een nieuwe ontwikkeling is die mogelijk wordt gemaakt. Noord IV als nieuwe werklocatie staat ook redelijk uitgebreid beschreven in de Omgevingsvisie. Daar staan namelijk de nieuwe werklocaties op Noord III en Noord IV beschreven. Noord III was al in voorbereiding en er was bij vaststelling van de Omgevingsvisie al een bestemmingsplan. Noord IV staat opgenomen dat voortgebouwd wordt op de al eerder vastgestelde structuurvisie omgevingsprogramma Noord IV. De programmering is geactualiseerd en het themapark is in de Omgevingsvisie vervallen. Met het nieuwe bedrijventerrein ontstaat schuifruimte voor bestaande bedrijven die willen vergroten of veranderen. Daarnaast kunnen niet watergebonden bedrijven zich verplaatsen. Ook wordt het makkelijker om de bestaande terreinen te herstructureren wanneer Noord IV schuifruimte gaat bieden.
Meervoudig ruimtegebruik is een belangrijk ontwikkelprincipe. Op Noord IV wordt hier invulling aan gegeven door in het planningsproces rekening te houden met de thema’s bedrijventerrein, water en windenergie. Zo wordt bijvoorbeeld nu al rekening gehouden met eventuele windmolens en de eventuele belemmeringen en kansen die een bedrijventerrein biedt. Bij de inrichting van het bedrijventerrein. Deze wijziging van het omgevingsplan maakt de windmolens echter niet mogelijk, deze wijziging maakt het niet onmogelijk.
Daarnaast zijn in de openbare ruimte koppelkansen en meervoudig ruimtegebruik mogelijk. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om biodiversiteitsmaatregelen, waterberging en het aanleggen van groen te koppelen. Dit zal met name bij de aanleg van het openbare gebied moeten gebeuren (de civieltechnische uitwerking). Deze thema’s hebben van nature al een hoge mate van meervoudig ruimtegebruik omdat ze vaak in samenhang aangelegd worden. Dit wordt bij de civieltechnische planvorming nader uitgewerkt. In de proefverkaveling die is gemaakt is rekening gehouden met deze opgaven. Daarnaast is zoals eerder aangegeven natuur-inclusief bouwen in planregels opgenomen. Zoals aangegeven zal de realisatie op zijn vroegst pas in of na 2032 van start gaan. De precieze inrichting of de civieltechnische uitwerking is daarom nog niet gemaakt.
Uit de Bouwstenennotitie Wonen ten behoeve van de Omgevingsvisie 2022 (hierna: Bouwstenennotitie) volgt dat de gemeente momenteel bezig is met het opstellen van de Omgevingsvisie, waar het Omgevingsprogramma Wonen onderdeel van wordt. De Bouwstenennotitie is opgesteld met het oog om tot die tijd het gemeentelijk woonbeleid te actualiseren. De onderwerpen waarop in de Bouwstenennotitie wordt ingegaan zijn gebaseerd op de volgende door het rijk voor de periode 2021-2025 benoemde volkshuisvestelijke prioriteiten:
de bouwopgave/verstedelijking;
betaalbaarheid en doelgroepen;
duurzaamheid;
wonen en zorg;
leefbaarheid in de wijken;
de behoefte aan huisvestiging van bijzondere doelgroepen, zoals spoedzoekers, statushouders en woonwagenbewoners.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
De bouwstenennotitie Wonen is minder relevant voor deze wijziging. Op alle industrie- en bedrijventerreinen mag in de basis niet gewoond worden. Uitzondering zijn de bedrijfswoningen op diverse bedrijventerreinen zoals Oevers en Spijkerserve. Daarnaast worden de panden aan het Noordeinde, de Boompjes en Molenhoek planologisch toegevoegd als woningen. Dit zijn panden waar op dit moment al gewoond wordt en mag worden onder het overgangsrecht. Formeel verandert dus de planologische situatie waarbij panden met een andere bestemming dan wonen, met dit wijzigingsbesluit dus formeel de activiteit wonen krijgen toebedeeld. Echter is er geen daadwerkelijke invloed op de woningvoorraad omdat er momenteel al gewoond wordt. Daarnaast zie de Bouwstenennotitie ook voornamelijk toe op de gehele woningvoorraad en op beleidsmatige wensen en eisen aan nieuwbouw. Met de voorliggende wijziging worden geen nieuwbouwwoningen mogelijk gemaakt. In de bouwstenennotitie wordt niet gesproken over bedrijfswoningen.
Voor Rogat geldt dat dit wijzigingsbesluit het oude bestemmingsplan Rogat vervangt. Binnen het werkingsgebied waar de wijziging op toeziet, staan ook woningen in Rogat. Deze woningen zijn ook beleidsneutraal omgezet. Dat betekent dat er geen extra woningen mogelijk worden gemaakt. Ook qua bouw- of gebruiksregels zijn geen veranderingen doorgevoerd. Daarmee is de bouwstenennotitie, die vooral op nieuwbouw toeziet, minder relevant voor dit onderdeel.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Voor Noord IV geldt dat de bouwstenennotitie wonen niet relevant is. Binnen Noord IV worden alleen bedrijfsactiviteiten planologisch mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt in de bouwstenennotitie niet gesproken over bedrijfswoningen.
De gemeente Meppel kent al een paar beleidsdocumenten die als omgevingsprogramma zijn vastgesteld. Daarnaast kent de gemeente ook nog beleid dat niet een omgevingsprogramma is maar nog wel van kracht is voor de fysieke leefomgeving. In deze paragraaf wordt ingegaan op het beleid dat als ‘omgevingsprogramma’ is vastgesteld.
In de omgevingsvisie staan de ambities en de doelen voor biodiversiteit beschreven. In de visie staat aangegeven dat voor dit onderwerp de uitgangspunten en maatregelen rond biodiversiteit uitgewerkt worden in een omgevingsprogramma. Het programma biodiversiteit is redelijk gelijktijdig met de omgevingsvisie opgesteld en is in de zomer van 2025 vastgesteld door het college.
Doorwerking omgevingsplan
In het omgevingsprogramma biodiversiteit staan de strategie beschreven voor de uitvoering. Omschreven staat dat de gemeente een regie- en voorbeeldfunctie heeft, dat de samenwerking met andere overheden en natuurorganisaties gezocht wordt en nodig is en dat de gemeente inwoners, bedrijven en agrariërs wil stimuleren om concrete natuurmaatregelen uit te voeren.
Voor het omgevingsplan is met name de regiefunctie een belangrijke. In het programma wordt niet aangegeven hoe gereguleerd kan worden maar wel dat er maatregelen uitgevoerd kunnen worden of nodig zijn. Daar wordt hieronder op ingegaan.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
In het programma wordt de basiskwaliteit van het deelgebied Oevers als voldoende/goed omschreven. Voor Nijeveen geldt dit ook. Voor Noord geldt dat er sprake is van voldoende. Blankenstein blijkt het grotere aandachtspunt te zijn met een onvoldoende/voldoende. De uitvoeringsagenda geeft aan dat maatregelen in de openbare ruimte en op eigen percelen en aan eigen gebouwen al uitvoert kunnen worden. De regels in het omgevingsplan staan hier niet aan in de weg, maar staan dit al toe. Daarmee staat de wijziging van het Omgevingsplan de uitvoering van het programma biodiversiteit niet in de weg.
Doorwerking Noord IV
In het omgevingsprogramma biodiversiteit valt Noord IV onder het gebied ‘Nijentap’. In het programma worden diverse knelpunten omschreven met ook oplossingen. Voor Noord IV kan gedacht worden aan een natuur inclusief bedrijventerrein. Hier liggen aanknopingspunten voor Noord IV. In de planregels is natuur-inclusief bouwen geregeld met afdwingbare regels. Daarnaast liggen er kansen bij de inpassing van Noord IV door groene zones rondom het bedrijventerrein te creëren. Bij de proefverkaveling is hier aandacht voor geweest. Verder biedt het omgevingsprogramma relatief weinig concrete input voor regulerende maatregelen.
Bij de inrichting van Noord IV kan in de schetsen rekening gehouden worden met een omgeving die uitnodigt tot bewegen. De opgave is ongeveer 50 hectare bedrijventerrein bruto en 26/27 hectare netto. In de inpassing is ruimte voor klimaatadaptatie zoals waterberging, groen maar ook voor maatregelen om de biodiversiteit te stimuleren. Bij de uitwerking die later zal volgen kan dit verwerkt worden naast de beleidsregel.
In de omgevingsvisie van Meppel staat als doel dat in 2040 de laadinfrastructuur de verduurzaming van ons mobiliteitssysteem faciliteert. Uitgangspunten en maatregelen voor mobiliteit als geheel worden in het omgevingsprogramma mobiliteit uitgewerkt. Dit programma is in maart 2026 vastgesteld door het college en op 8 april gepubliceerd.
Doorwerking in het omgevingsplan
In het omgevingsprogramma is een meer faciliterende rol voor de gemeente beschreven. Het omgevingsprogramma beschrijft vooral hoe de gemeente in haar faciliterende rol wil gaan werken. Zo staat beschreven hoe de omgegaan wordt met de toegankelijkheid, bij gebiedsontwikkelingen en laadpaalkleven en overige zaken. In hoofdstuk 3 wordt de uitvoeringsagenda beschreven voor de periode 2026 - 2030. Het omgevingsprogramma biedt geen input of kaders voor een wijzigingsbesluit van het Omgevingsplan. Daarnaast wordt in het omgevingsprogramma bij ‘Gebiedsontwikkeling en herinrichting’ alleen gesproken over herinrichting van buurten en ontwikkeling van nieuwe woonwijken. Met betrekking tot de industrie- of bedrijventerreinen staan er geen concrete opgaven voor planregels beschreven. Wel wordt de uitspraak gedaan om integraal de opgave te benaderen wat omschreven wordt als integraal in de zin van de elektriciteitsbehoefte. Daarmee voldoet deze wijziging aan het omgevingsprogramma ‘elektrisch laden 2026-2030.
De gemeente Meppel kent voor veel onderdelen nog meer sectoraal beleid. Veel van dit beleid gaat in de toekomst over in de nog op te stellen omgevingsprogramma's. Tot die tijd worden ontwikkelingen nog getoetst aan het bestaande, nog van kracht zijnde, beleidsstukken.
De algemene uitleg en teksten over die beleidsstukken zijn opgenomen in de algemene toelichting van het omgevingsplan van de gemeente Meppel. In deze paragraaf worden de onderdelen die van belang zijn voor deze wijziging van het omgevingsplan getoetst aan het geldende gemeentelijk beleid dat nog geen omgevingsprogramma is.
De Kadernotitie "Zo doen we Groen!" geeft de richting aan voor groen, natuur, landschap en water binnen de gemeente Meppel. De Kadernotitie heeft een reikwijdte van 2015 tot 2030. De ambitie van deze notitie ten aanzien van het groen in en rond de stad is: 'Drie keer Groener!':
Mooier en aantrekkelijker, een toename van esthetische waarde.
Nuttiger en bruikbaarder, een toename van de gebruikswaarde.
Gezonder en vitaler, een toename van de toekomstwaarde.
Per deelgebied staat beschreven wat aandachtspunten, knelpunten en ambities/wensen zijn.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
In de kadernotitie zijn de bedrijventerreinen Blankenstein, Noord II en III en het industrieterrein Oevers aangemerkt als woon- en werkgebieden. Het behoud en versterken van bestaande groenstructuren is een belangrijk aandachtspunt. Met name het onderzoeken naar het versterken of opzetten van een nevenstructuur zijn hier belangrijke opdrachten maar hierover geeft de kadernotitie vrij weinig richting. Deze wijziging van het Omgevingsplan staat het aanleggen van nevenstructuren en/of het versterken van groenstructuren niet in de weg. Dit is per industrie- en bedrijventerrein uitgewerkt.
Rogat en Spijkerserve zijn ook de aangemerkt in de notitie als woon- en werkgebieden maar met een iets ruimer gebied als onderdeel van respectievelijk heel Rogat en heel Nijeveen waardoor de opgaven niet alleen voor de bedrijventerreinen gelden maar voor de gehele bebouwing van beide dorpen. Met name de dorpsranden zijn aandachtsgebieden. Deze wijziging van het omgevingsplan staat niet in de weg van en belemmert deze opgaven ook niet. Daarmee voldoet deze wijziging aan het beleid van de kadernotitie - Zo doen we Groen!
Doorwerking deelgebied Noord IV
In de kadernotitie heeft Noord IV als thema ‘Oude Vaart buitengebied’. Door dit gebied lopen twee groenblauwe structuren namelijk de Drentsche Hoofdvaart. De Drentsche Hoofdvaart en de gemeentegrens met Westerveld vallen hier samen. Daarnaast loopt meer in het gebied zelf de Oude Vaart. Het gebied wordt omschreven als een open rationeel agrarisch gebied. De opgave die Meppel ziet voor dit gebied is het versterken van de herkenbaarheid van het verhaal van het landschap. Het behouden van kenmerkende landschapselementen is daarbij belangrijk. Knelpunten zijn met name in het Esgehuchtenlandschap dat hier niet van toepassing is, maar er zijn ook enkele in het slagenlandschap dat wel van toepassing is. Het behoud van resterende elzensingels en streekeigenheid van de erven zijn hier aandachtspunten.
In het beoogde plangebied van Noord IV is relatief weinig beplanting aanwezig. Langs de wegen (deel van de Rijksomweg en deel van de Meenteweg) staan bomen maar deze wegen vallen buiten het gebied waarop de functieverandering van agrarisch naar bedrijventerrein toeziet. De streekeigen erven worden zoveel als mogelijk ontzien al ligt de Rijksomweg 1 en 2 dat samen één erf vormt, wel in het plangebied.
Voor de groenblauwe structuur is de beleefbaarheid ervan belangrijk. Dat kan op het water maar ook langs het water met wandel- en/of fietspaden. Daarmee voldoet deze wijziging aan het beleid van de kadernotitie - Zo doen we Groen!
Daarnaast kan bij de inrichting van Noord IV in de schetsen rekening gehouden worden met een omgeving die uitnodigt tot bewegen. De opgave is ongeveer 50 hectare bedrijventerrein bruto en 26/27 hectare netto. In de inpassing is ruimte voor klimaatadaptatie zoals waterberging, groen maar ook eventueel routes die uitnodigen voor lopen of fietsen. Bij de uitwerking die later zal volgen kan dit verwerkt worden.
In het speelruimteplan wordt voor verschillende doelgroepen voorzien in veilige en veranderbare speelruimte, op bereikbare afstand, zodat de sociale en fysieke ontwikkeling wordt gestimuleerd. Er wordt onderscheid gemaakt in verschillende doelgroepen, zoals kinderen, jeugd en jongeren. Ook wil de gemeente voorzieningen bieden voor senioren of mensen met een beperking.
Het beleidsplan ziet met name toe op de speelvoorzieningen in woonwijken. Het aanleggen van speelvoorzieningen op industrie- of bedrijventerreinen is op zichzelf ook onlogisch gelet op de activiteiten die plaatsvinden. Het plan lijkt daarom ook minder relevant voor deze wijziging van het omgevingsplan. Vooral ook omdat het gaat over het zoveel als mogelijk in standhouden van bestaande speelvoorzieningen, die niet gesitueerd zijn op de industrie- en bedrijventerreinen.
De meeste detailhandel in Meppel vindt plaats in de binnenstad. De binnenstad vorm de top van de detailhandelsstructuur in de gemeente. Winkel- en horecavoorzieningen, in combinatie met een ondernemende binnenstad, zorgen voor regionale aantrekkingskracht. Het zwaartepunt in de detailhandelsstructuur ligt daarom ook hier. Het uitgangspunt hierbij is dat alle plannen en maatregelen zijn afgestemd op het verder versterken van de binnenstad. Er wordt rekening gehouden met een verdere, noodzakelijke, afname van het winkelaanbod. De focus van het beleid is het clusteren van detailhandel op logische plekken. Die plekken zijn met name de binnenstad (kernwinkelgebied hier) maar ook enkele kleinere winkelgebieden in Koedijkslanden en de Oosterboer. Deze wijziging van het omgevingsplan ziet niet toe op deze gebieden die in de binnenstad en centrumschil liggen of in de woonwijken.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
De wijziging ziet wel toe op de bedrijventerreinen waarvoor geldt dat met name Blankenstein diverse grootschalige detailhandelsmogelijkheden kent. Deze waren in het oude bestemmingsplan ook als zodanig bestemt en in lijn met het geldende beleid. Met name winkels zoals Praxis, Kwantum en Leenbakker zijn hier gevestigd als volumineuze detailhandel. Blankenstein kenmerkt zich planologisch dan ook anders dan de andere terreinen die meer gericht zijn op het vestigen van bedrijven.
Op Rogat is hier en daar detailhandel mogelijk maar komt waarschijnlijk doordat dit in de loop der tijd zo is gegroeid. In het verleden is één bedrijf dat zich hier heeft gevestigd en destijds is ingepast. In het beleid is dit strikt genomen geen cluster van grootschalige, volumineuze detailhandel.
Op de overige terreinen (Oevers, Spijkerserve, Noord I, II en III is detailhandel als hoofdfunctie niet mogelijk gemaakt. Hier en daar is een ondergeschikte vorm van detailhandel, passend bij de hoofdfunctie bedrijventerrein, wel mogelijk gemaakt en volumineuze detailhandel. Verspreide bewinkeling wil de gemeente tot een minimum beperken. De beleidsmatige wens was om met verspreide bewinkeling in gesprek te gaan over mogelijke verplaatsing. Voor deze bedrijventerreinen worden de regels niet gewijzigd. Gevestigde detailhandel wordt, als deze er mocht zitten, niet wegbestemd. Uitzondering op bovenstaande is de watergebonden detailhandel. Deze specifieke vorm van detailhandel wil de gemeente Meppel wel toelaten op het terrein Oevers D.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Noord IV wordt een bedrijventerrein waarop detailhandel als hoofdfunctie niet mogelijk wordt gemaakt. Dit is in lijn met het detailhandelsbeleid van de gemeente Meppel. De ruimte zal nodig zijn voor het vestigen van bedrijven en in een zekere mate als schuifruimte voor mogelijke herstructureringsopgaven in Meppel zoals in de Omgevingsvisie als is aangegeven.
Het Binnenstadplan Meppel 2017 is een al wat ouder beleidsstuk. Delen van dit plan zijn al enigszins achterhaald. Het beleidsstuk beschrijft de ambities, de opgaven, de prioritering van de opgaven en geeft een financieel overzicht. Het beleid heeft als focus de binnenstad maar analyseert ook onder andere entrees van het centrum. Daarnaast staat met name ook het (oude) transformatiegebied opgenomen in het kaartmateriaal van dit beleid. Dit (oude) transformatiegebied beslaat ook delen van het bestaande industrieterrein Oevers zoals een deel van het zogenaamde Betoneiland maar ook een gedeelte van het terrein langs de Zomerdijk.
In het beleidsstuk wordt vervolgens niet ingegaan op deze gebieden die onderdeel zijn van het industrieterrein Oevers. In de tekst wordt alleen de nieuwe stadsentree beschreven die in Noordpoort aangelegd gaat worden. Dit gebied Noordpoort is onderdeel geweest van een vorige wijziging van het omgevingsplan en valt buiten het werkingsgebied van deze wijziging van het omgevingsplan.
Het beleid heeft geen invloed op Noord IV omdat het daarop niet van toepassing is.
Verder wordt de parkeerplaats P1 Stadhuis/centrum beschreven waarvoor acties zoals vindbaarheid van deze parkeerplaats wordt beschreven. Het omgevingsplan blijft deze parkeerplaats planologisch toestaan na de wijziging. Het vinden van parkeerplaatsen is niet iets dat in het omgevingsplan geregeld kan worden.
Daarnaast wordt het toevoegen van groen langs de kades van het Mallegat beschreven. Zoals in paragraaf 3.5.2 en 3.6.2 is aangegeven staan de regels van deze wijziging van het omgevingsplan niet in de weg van vergroening. Op veel plekken was het vergroenen al mogelijk en die mogelijkheid blijft bij deze wijziging in stand.
Het beleid heeft geen invloed op Noord IV omdat de beschreven opgaven niet over Noord IV gaan. Daarnaast ziet ook het kaartmateriaal niet toe op Noord IV.
Het beleidsstuk Binnenstad in Balans focust zich op de Binnenstad. Omdat de Binnenstad (en centrumschil) dicht tegen het bedrijventerrein aanligt, zijn er wel (beperkt) relaties met dit beleid. Zo valt het Noordeinde en ook het medisch gezondheidscentrum binnen de gebiedsbegrenzing aanloopstraten. Daarmee is dit beleidsstuk ook van toepassing op deze wijziging.
Het beleidsstuk heeft evenwel zeer beperkte invloed op de wijziging. De meeste acties zien namelijk toe op de binnenstad zelf en niet op de schil om het centrum. Enkele aandachtspunten die erbuiten plaatsvinden, gaan met name over de fiets en parkeerbeleid. Beiden gaan met name over de openbare infrastructuur of acties in de binnenstad zelf. Daarnaast zijn wijzigingen of het (her)inrichten van de openbare ruimte mogelijk binnen deze wijziging. De fietsenstalling(en) waarover gesproken wordt zullen naar verwachting plaatsvinden buiten de werkingsgebieden waar dit omgevingsplan op toeziet. In het beleidsstuk staan geen locaties aangewezen maar meer globale zoekgebieden of opties die verkend moeten worden. Daarmee biedt dit geen input voor deze wijziging van het omgevingsplan. Deze wijziging staat daarmee de uitvoering van dit beleid niet in de weg.
Daarnaast worden er acties genoemd om meer te vergroenen. Zoals in paragraaf 3.5.2 en 3.6.1 is aangegeven staan de regels van deze wijziging van het omgevingsplan niet in de weg van vergroening. Op veel plekken was het vergroenen al mogelijk en die mogelijkheid blijft bij deze wijziging in stand.
Het beleid heeft geen invloed op Noord IV omdat de beschreven opgaven niet over Noord IV gaan. Daarnaast ziet ook het kaartmateriaal niet toe op Noord IV.
In het Actieplan Gezondheid, bewegen en sport 2020-2030 wordt voor de periode van 2020-2023 een nieuwe benadering gekozen voor thema’s als gezondheid, bewegen en sport. Er is gekozen voor een andere manier van benaderen, versterken van de rol en de kracht van de samenleving en meer samenhang creëren.
Vanuit deze benadering is een aantal ambities geformuleerd:
het bevorderen van het welzijn van de inwoners;
het ontwikkelen van een integrale visie op preventie;
verbeteren van de infrastructuur voor bewegen en sport.
De gemeente Meppel heeft ruim 70 verenigingen die verspreid over Meppel en Nijeveen liggen. Meppel scoort daarmee bovengemiddeld op het aantal publieke sportaccommodaties en de afstand die moet worden afgelegd om daar te komen. Het beleid is met name relevant daar waar het de fysieke leefomgeving raakt. Zo wordt aangegeven dat bij inrichting in de openbare ruimte aandacht moet zijn voor bewegen. Aanpassingen in de openbare ruimte lijkt voor de hand te liggen.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
Op dit moment zijn diverse langzaamverkeersroutes zoals fietspaden en voetpaden beschikbaar op de bestaande industrie- en bedrijventerreinen. Deze nodigen vaak nog niet direct uit tot meer bewegen wat (groten)deels een inrichtingsvraagstuk is. Deze wijziging van het omgevingsplan staat het herinrichten van de openbare ruimte niet in de weg. Zo is vergroenen mogelijk zowel in de openbare ruimte als op terreinen van derden waar andere functies zijn toegestaan. Daarmee blijft het mogelijk om de beleidsdoelen te realiseren van dit beleidsstuk.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Bij de inrichting van Noord IV kan in de schetsen rekening gehouden worden met een omgeving die uitnodigt tot bewegen. De opgave is ongeveer 50 hectare bedrijventerrein bruto en 26/27 hectare netto. In de inpassing is ruimte voor klimaatadaptatie zoals waterberging, groen maar ook eventueel routes die uitnodigen voor lopen of fietsen. Bij de uitwerking die later zal volgen kan dit verwerkt worden.
De gemeente heeft nieuwe taken gekregen op gebied van duurzaamheid. In het algemeen wordt de gemeentelijke rol bij de realisatie van (inter)nationale afspraken over duurzaamheid belangrijker. Veel (nieuwe) duurzaamheidstaken hangen samen met bestaande processen en beleidsprogramma's van de gemeente. De gemeente heeft hier een programma duurzaamheid voor opgesteld. Dit is een meer beleidsmatig, sectoraal stuk dat niet verward of gelijkgesteld moet worden met een omgevingsprogramma. In het Programma Duurzaamheid worden verschillende gemeentelijke duurzaamheidsambities gebundeld en wordt de inzet en de route bepaald voor de periode van 2021 tot en met 2023. Het programma voorziet daarmee in de behoefte aan samenhang en richting om gezamenlijk op te kunnen trekken naar een duurzaam, aantrekkelijk en vitaal Meppel.
De belangrijkste uitgangspunten staan hieronder samengevat:
in 2040 is Meppel energieneutraal
in 2050 is het stedelijk gebied van Meppel klimaatbestending
in 2050 100% bronscheiding, geen restafval meer
de gescheiden grondstoffen kunnen worden vermarkt en opnieuw worden gebruikt
in 2050 volledig circulaire economie
behoud en bevorderen biodiversiteit en natuurwaarden
inzetten op minder verharding of de toepassing van half-verharding
bewaken milieukwaliteiten, bodem, lucht geluid
het is belangrijk dat bij de bouw van installaties voor duurzame energie, het gebruik van primaire grondstoffen wordt beperkt en dat gebruik van zeldzame grondstoffen zoveel mogelijk wordt voorkomen
warmtepompen en windmolens moeten voldoen aan geluidsnormen d.m.v. een toetsing
verbetering van de fietsvoorzieningen wordt aangemerkt als een energiemaatregel
inzetten op wordt klimaatadaptatie mee-ontworpen, wat het stadsklimaat aangenamer maakt en bijdraagt aan de groenblauwe structuur
minstens één lokale aanbieder van elektrische deelauto’s
bedrijven nemen maatregelen die binnen 5 jaar zijn terugverdiend
kantoren hebben vanaf 2023 minimaal label C
bedrijven en inwoners krijgen de ruimte om meer initiatief te tonen
Het programma is eigenlijk verouderd gelet op de doorlooptijd van 2021-2023 maar is niet ingetrokken. Wel kan geconcludeerd worden dat sindsdien de Omgevingsvisie is vastgesteld waarin een integrale visie verwoord staat over de fysieke leefomgeving waarin ook de duurzaamheidsambities zijn verwerkt. Daarnaast is er een (nieuw) programma duurzaam vastgesteld die enigszins gerelateerd is aan de omgevingsvisie. Echter, zoals geschreven, dit beleidsstuk is niet ingetrokken bij vaststelling van de Omgevingsvisie of het nieuwe programma duurzaam.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
Voor de industrie- en bedrijventerreinen is het uitgangspunt een voornamelijk beleidsneutrale wijziging. Er zijn in Meppel op dit moment nog geen projecten die niet binnen de al bestaande regels passen. In het programma staan geen projecten beschreven die door middel van regels in het omgevingsplan gerealiseerd moeten worden. Daarnaast staan er ook geen projecten in beschreven waarvoor nieuwe regels nodig zijn.
Het plan staat verduurzamen van industrie- en bedrijventerreinen toe en maakt het zeker niet onmogelijk. Veel uitgangspunten zijn met name te realiseren door als overheid te stimuleren en faciliteren. De regels in deze wijziging laten hier ruimte voor. Daarmee voldoet de wijziging aan het beleid zoals in dit programma verwoord.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Voor Noord IV geldt dat dit een nieuwe opgave is. Het gaat om een nieuw bedrijventerrein dat waarschijnlijk na 2032 wordt aangelegd. Bij de aanleg moet zoveel als mogelijk rekening gehouden worden met de ambities van de gemeente Meppel op het gebied van duurzaamheid. Immers, het terrein zo inrichten en de gebouwen zo bouwen dat ze voldoen aan de normen in 2040/2050 zorgt ervoor dat dit bedrijventerrein niet onderhanden genomen moet worden zoals de bestaande bebouwde omgeving. Bij de uitwerking van Noord IV wordt rekening gehouden met deze opgaven. Voor de aanleg wordt geprobeerd zoveel mogelijk duurzaamheidsmaatregelen in te zetten zoals elektrisch materiaal maar mogelijk ook circulaire grondstoffen. Omdat het nog enige tijd duurt voordat Noord IV wordt aangelegd is het op dit moment nog lastig te zeggen hoe deze aanleg zal gaan. Wel is Meppel aangesloten bij het Convenant Schoon en Emissieloos Bouwen (collegebesluit 24 juni 2025: 3454253) met het ambitieuze niveau als uitgangspunt. Daarbij komt dat vanaf 2030 wettelijke beperkingen gaan gelden voor de emissie van licht bouwmaterieel. Het convenant sorteert hier op voor. Door deelname aan het convenant heeft Meppel aangetoond in principe emissieloos te willen bouwen.
Het programma staat de ambitie uit de Omgevingsvisie ‘In 2050 is Meppel een duurzame en toekomstbestendige gemeente’ centraal. Het programma maakt voor de ambitie behapbaar en uitvoerbaar voor een periode van ongeveer 4 jaar. In het programma zijn daarom vijf pijlers opgenomen van waaruit gewerkt wordt:
Energietransitie: De gemeente Meppel is CO₂-neutraal in 2040.
Klimaatadaptatie: De gemeente Meppel is klimaatadaptief in 2050.
Natuur, landschap en biodiversiteit: De gemeente Meppel heeft in 2050 een robuust en veerkrachtig ecosysteem, passend bij de kenmerken van Meppel en met behoud en herstel van bestaande landschaps- en natuurkwaliteiten.
Gezond leefmilieu: De gemeente Meppel voldoet aan de wettelijke milieunormen voor bodem, lucht, geur en geluid om zo veel mogelijk schade en/of hinder voor mens, dier en milieu te voorkomen.
Circulariteit: De gemeente Meppel is in 2050 100% circulair.
Hier is invulling aan gegeven met strategische doelen, operationele doelen en inspanningen en activiteiten. Bij elk van bovengenoemde pijlers geldt dat de gemeente een voorbeeldfunctie heeft, dat communicatie en participatie belangrijk is omdat de gemeente de doelen niet alleen kan realiseren. Daarnaast is monitoring en evaluatie nodig om inzicht te krijgen en houden om problemen en inefficiënties te identificeren.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
Voor energietransitie wordt veel geschreven over de wijken waarbij de focus impliciet gelegd wordt op de woonwijken. Wel relevant is het operationele doel dat alle gebouwen in de gemeente Meppel aardgasvrij moeten zijn. Hier wordt geen onderscheid gemaakt tussen woningen en bedrijfsgebouwen. Het omgevingsplan maakt dit voor de bestaande bebouwing niet onmogelijk maar diverse verdiepingen zijn, afhankelijk van de keuze van de warmtebron, wel nodig. Hiervoor is een keuze nodig per bedrijventerrein die nu nog niet aanwezig is.
Daarnaast staan nog diverse eisen aan de openbare ruimte zoals 25% van de openbare ruimte moet onverhard in 2030. Daarnaast moet in 2040 25% van de openbare ruimte beschaduwd zijn. Diverse maatregelen op het gebied van biodiversiteit en landschap zijn nu al mogelijk op grond van de regels maar zijn ook met de regels van de wijziging van het omgevingsplan mogelijk te maken.
Het thema circulariteit wordt vooral gestimuleerd maar biedt weinig aanknopingspunten voor het opstellen van regels. Daarnaast gaat het vooral over (huis)afval wat minder relevant is voor de bedrijventerreinen. De wijziging van het omgevingsplan staat het stimuleren van circulair gebruik van reststromen en/of afvalstromen niet in de weg. Daarnaast staan diverse acties in dit beleidsplan los van het omgevingsplan of is nog te weinig concreet om daar regels voor op te stellen.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Voor de energietransitie is rekening gehouden met windmolens. De wijziging van het omgevingsplan maakt windmolens op Noord IV niet mogelijk maar er is bij het schetsontwerp wel rekening gehouden met de mogelijkheid van windmolens in het aangrenzende gebied.
Diverse eisen zoals hierboven beschreven over klimaatadaptatie zijn bij de ontwikkeling van Noord IV mee te nemen in de toekomst. De wijziging van het omgevingsplan maakt het bedrijventerrein Noord IV globaal mogelijk maar nadere invulling vind later plaats. De aanleg zal na 2030 pas plaatsvinden waardoor in de aanlegfase aandacht besteed wordt aan deze facetten. Dat geldt ook voor natuurinclusiviteit en biodiversiteit. Dit geldt ook voor landschapselementen die Meppel wil versterken en uitbreiden. Noord IV biedt tijdens de aanlegfase voldoende mogelijkheden om een bijdrage aan deze doelen te behalen. Het omgevingsplan maakt het behalen van deze doelen niet onmogelijk. Tegelijk wordt in de wijziging van het omgevingsplan niet precies en te dwingend voorgeschreven hoe deze doelen behaald moeten worden. Dit is bewust gedaan omdat het bedrijventerrein later gerealiseerd wordt.
Het thema circulariteit wordt vooral gestimuleerd maar biedt weinig aanknopingspunten voor het opstellen van regels. Daarnaast gaat het vooral over (huis)afval wat minder relevant is voor de bedrijventerreinen. De wijziging van het omgevingsplan staat het stimuleren van circulair gebruik van reststromen en/of afvalstromen niet in de weg. Daarnaast staan diverse acties in dit beleidsplan los van het omgevingsplan of is nog te weinig concreet om daar regels voor op te stellen.
In het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoersplan, kortweg GVVP wordt het gemeentelijk beleid op het gebied van verkeer en vervoer beschreven. Een goede bereikbaarheid is van vitaal belang voor de werkgelegenheid, de economie, de doorstroming naar de binnenstad en voor de leefbaarheid van haar inwoners. Meppel is gunstig gelegen aan infrastructuur en Meppel kiest voor een toekomstbestendige infrastructuur. De gemeente zet in op het verbeteren van de externe en interne bereikbaarheid van Meppel en op het verbeteren van de leefbaarheid en verkeersveiligheid.
Het GVVP 2017 is medio 2017 door de gemeenteraad vastgesteld en kent geen einddatum of een doorkijk naar een toekomstbeeld dat gerealiseerd moet zijn in een bepaald jaar. Wel staan alle opgaven en knelpunten omschreven die destijds inzichtelijk waren. Deze GVVP uit 2017 heeft in eerste instantie een uitvoeringsprogramma 2019-2022. In 2021 het uitvoeringsprogramma geactualiseerd met het uitvoeringsprogramma GVVP 2021-2024.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
De verkeerssituatie en -ontsluitingen voor bestaande bedrijventerreinen staan beschreven in het GVVP. Diverse ontwikkelingen zijn beschreven maar hebben geen invloed op de planregels van het Omgevingsplan. Het betreft een grotendeels beleidsneutrale wijziging van het omgevingsplan voor wat betreft de bestaande bedrijventerreinen. Eventuele aanpassingen van de infrastructuur passen grotendeels binnen de huidige regels van het omgevingsplan. Voor eventuele nieuwe infrastructuur zijn in deze wijziging geen regels opgenomen omdat er geen concreet project speelt op basis van het GVVP of een uitvoeringsprogramma dat daar aanleiding toe geeft.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Het GVVP 2017 houdt enigszins rekening met de ontwikkeling van Noord III maar Noord IV was destijds nog niet bekend. Voor Noord III staat de ontsluiting via de op- en afrit 4 Havelte-Nijeveen beschreven zonder verder aandachtspunt of opgave. Voor Noord IV is in beleidsplan geen uitspraak gedaan. Deze ontwikkeling was destijds nog onbekend. Voor Noord IV is daarom een verkeersonderzoek uitgevoerd om te achterhalen of er knelpunten kunnen optreden (zie ook paragraaf 6.13). De realisatie van de rotonde op het kruispunt Buitenvaart N371-Rijksweg-Nijeveen wordt als positief beschreven in het onderzoek en een verbetering van de verkeersafwikkeling ook voor Noord IV. Daarmee valt de impact van Noord IV op de verkeersstructuur mee.
De cultuurnota gaat over het scala van culturele activiteiten die Meppel rijk is. De nota heeft tot doel mensen actief of passief aan cultuur te laten deelnemen. Cultuur heeft verschillende (publieke) effecten die waardevol zijn. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om educatieve, economische, sociale en gezondheidseffecten. Onder kunst en cultuur vallen verschillende sectoren (disciplines), zoals: erfgoed en musea (materieel en immaterieel erfgoed), Media en letteren (omroep, film, letteren en bibliotheken), beeldende kunst en ontwerp (architectuur, vormgeving en digitale cultuur) en podiumkunsten (muziek, muziektheater, theater en dans). De visie is dat deelname aan kunst en cultuur essentieel is voor de gezondheid, het geluk en het welzijn van de inwoners van Meppel en dat die hen stimuleert om actief aan de samenleving deel te nemen. De gemeentelijke missie is om cultuurdeelname vanzelfsprekend en binnen handbereik van al onze inwoners te maken. Daarnaast staat er een paragraaf in het beleidsstuk over erfgoed en de Omgevingswet. Daarin staat aangegeven dat binnen de Omgevingswet bescherming van fysiek cultureel erfgoed mogelijk is. Daarnaast is de verbinding gelegd met het erfgoedbeleid Meppeler erfgoed NU uit 2021. De cultuurnota zelf gaat daarom weinig in op het fysieke cultureel erfgoed maar laat dat bij het erfgoedbeleid. De cultuurnota gaat vooral in op de meer sociale kant van cultuur waarbij de investeringen vooral over subsidies aan musea gaan.
De Beleidsvisie Externe Veiligheid gemeente Meppel, uit 2014, is een actualisering van de Beleidsvisie Externe Veiligheid uit 2008 en geeft de visie van de gemeente Meppel op externe veiligheid. De gemeente Meppel wil door middel van het optimaal combineren van bedrijvigheid en ruimtelijke ontwikkeling een verantwoord niveau van fysieke veiligheid voor de samenleving binnen de gemeentegrenzen creëren. In deze visie staat omschreven wat Externe veiligheid is en welke kaders er al gelden op basis van het beleid van het Rijk en de provincie. Het beleidsstuk is op diverse punten verouderd omdat landelijke en provinciale kaders aangepast en gewijzigd zijn. Daarnaast wordt verwezen naar diverse instrumenten die niet meer bestaan en/of van kracht zijn zoals de structuurvisie van de provincie Drenthe. Daarnaast zijn diverse risicobronnen verdwenen en/of gewijzigd. Daarnaast is externe veiligheid een begrip vanuit de Wet ruimtelijke ordening met een engere blik dan omgevingsveiligheid onder de Ow waar naar een groter aantal aspecten breder wordt gekeken.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
Er is op gebiedsniveau een aantal veiligheidsambities vastgesteld. Deze veiligheidsambitie zegt vooral iets over de mogelijkheden die er in het betreffende gebied bestaan om ontwikkelingen te laten plaatsvinden. Helder wordt aangegeven welk standpunt de gemeente Meppel inneemt bij ruimtelijke ontwikkelingen van de stad en de ontwikkeling van bedrijvigheid. Belangrijk daarbij is dat bedrijven met gevaarlijke stoffen niet meer overal worden toegelaten en dat ruimte gewaarborgd blijft of gecreëerd wordt tussen risicobedrijven en kwetsbare objecten. Op de industrieterreinen en ook op bedrijventerreinen wordt wel ruimte geboden voor vestiging van dergelijke bedrijven.
De gebiedsgerichte ambities zijn weergegeven in tabel 1 van het beleidsstuk. Voor de industrie- en bedrijventerreinen is dit beleidsstuk minder relevant omdat de bestaande situatie beleidsneutraal overgaat. Alles wat voor de wijziging juridisch mogelijk was blijft na de wijziging juridisch mogelijk. Nieuwe bronnen worden niet direct mogelijk gemaakt.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Noord IV ligt aan de A32 die door de beleidsvisie als belangrijke transportader wordt beschreven waarover veel gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd. Hier wordt in de regels van het omgevingsplan rekening mee gehouden. Daarnaast moeten nieuwe bedrijven voldoen aan de wettelijke vereisten onder de Ow.
De laatste decennia verschiet Meppel van kleur. De fysieke opslag en distributie van goederen drukt nog steeds een groot stempel op de stad, maar is niet meer de belangrijkste motor van de stedelijke ontwikkeling. In een betrekkelijk korte tijd is de handelsstad Meppel een dienstenstad geworden. De binnenstad heeft een groeiende aantrekkingskracht op nieuwe stedelingen die op zoek zijn naar wooncomplexen met een hoog serviceniveau in de nabijheid van voorzieningen.
De verschuiving van handelscentrum naar dienstencentrum stelt nieuwe ruimtelijke en functionele eisen aan de stad. Binnen de hoogbouwvisie worden drie belangrijke tendensen uiteengezet, waarbij meer nadruk komt te liggen op de kwaliteit van de leefomgeving, de regionale oriëntatie van de stad en de toenemende druk op de aanwezige ruimte.
In Meppel groeit de bouwhoogte ook gestaag. Dit hangt nauw samen met het toenemende belang van de dienstverlening in de stad. Deze verschuiving stelt nieuwe eisen aan de stad en vraagt om nieuwe ontwikkelingsruimte. Naar aanleiding van de historische analyse van hoogbouw in Meppel en de inventarisatie van de bestaande vormen van hoogbouw in de stad, kan geconcludeerd worden dat nieuwe hoogbouwprojecten niet moeten worden gezien als een bedreiging. Nieuwe hoogbouw hoort bij de ontwikkeling die de stad doormaakt, het is een uitdrukking van een nieuwe tijd. Het is echter wel van belang te definiëren op welke plekken en in welke mate deze nieuwe tijd een plek kan krijgen, uitgaande van de kwaliteiten en gebreken van het huidige Meppel.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
In het beleidsstuk worden diverse hoge gebouwen beschreven die op het industrieterrein liggen zoals de UTD en Wessanen (35-40 meter), De Kievit (35-40 meter) en Agrifirm (54 meter). Daarnaast worden ook hoge gebouwen elders beschreven. Agrifirm is in het stuk in ieder geval het hoogste gebouw, hoger dan de Meppeler toren. Maar verder zijn het met name de voorgenoemde bedrijven die de lijst met hoogbouw aanvoeren. Hoogbouw wordt ook beschreven als iets dat de stad herkenbaar maakt, de leesbaarheid van stedelijke structuren versterken kan maar ook ruimte efficiënt benutten is een kenmerk. De visie geeft aan dat hoogbouw binnen Meppel past. Daarom wordt met deze visie ruimte gelaten voor hoogbouw. Hoewel over het algemeen dus gesteld kan worden dat hoogbouw en Meppel prima samengaan is er één gebied dat bijzonder waardevol en kwetsbaar is voor grootschalige ingrepen. Dit gebied moet gevrijwaard blijven van hoogbouw. Het gaat daarbij om de historische binnenstad met de Meppelertoren als middelpunt en daarop aansluitend het gebied rondom het Wilhelminapark inclusief de parkzones langs de Reest. Dit gebied is op de kaart aangewezen als vrijwaringzone. Dit gebied ligt echter buiten het gebied waar de wijziging op toe ziet. Wel loopt een deel van de geluidsproductieplafonds over dit gedeelte. Die regels zien alleen toe op geluid en schrijven (geluids)isolatie voor. Daarnaast is het plan voornamelijk conserverend van aard en wordt niet meer mogelijk gemaakt dan nu al kan.
De hoogbouwvisie geeft aan dat voor het ‘waterfront Meppel’, in deze visie met name de bedrijventerreinen Oevers en Noord I en II, geldt dat hoger dan 30 meter onder voorwaarden mogelijk is. Daarbij is aangegeven dat het ‘waterfront Meppel’ bijzonder geschikt is en blijft voor een groot aantal hoge gebouwen met industriële functies die gekoppeld zijn aan het water. De clustering van hoge gebouwen langs het Meppelerdiep kan versterkt worden volgens deze visie. Wel gelden voorwaarden waarvoor het adagium geldt dat Hoogbouw niet noodzakelijk is in Meppel en dat er dus een duidelijk motief moet bestaan voor een hoogbouwproject. Per locatie wordt dan een afweging gemaakt voor projecten die gebouwen mogelijk maken die hoger zijn dan 30 meter.
Noord III is omschreven als ‘uitgebreid Meppel bereikbaar’ waarbij besluiten over hoogte bij de planvorming gebeurd. In de visie staat dit duidelijk omschreven als gebieden waarvoor op moment van het beleidsstuk geen uitgangspunten kunnen worden vastgelegd.
De wijziging van het Omgevingsplan blijft alleen de bestaande hoogbouw mogelijk maken. Daarnaast is er een harmonisering gedaan van de bouwhoogtes op de bestaande industrie- en bedrijventerreinen. Deze bouwhoogtes blijven echter beneden de 30 meter in de terreinen die zijn meegenomen in dit beleidsstuk. Daarmee voldoet de wijziging aan dit beleidsstuk.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Noord IV is omschreven als ‘uitgebreid Meppel bereikbaar’ waarbij besluiten over hoogte bij de planvorming gebeurd. In de visie staat dit duidelijk omschreven als gebieden waarvoor op moment van het beleidsstuk geen uitgangspunten kunnen worden vastgelegd. Voor Noord IV is tijdens het opstellen van het wijzigingsbesluit een stedenbouwkundig schetsontwerp opgesteld. Met deze schets is onderzocht in hoeverre de doelstellingen voor ontwikkelingen haalbaar zijn in Noord IV én hoe dat vormgegeven kan worden. Deze schets geeft een globale, mogelijke indeling van Noord IV weer. Maatvoering voor het gehele terrein is niet uitgewerkt maar in een schets voorbeeld van een mogelijk ontwerp staat maximaal 15 meter als richtlijn. Daarmee is deze ontwikkeling in lijn met de hoogbouwvisie.
De gemeente Meppel beschikt sinds 2011 over een archeologische verwachtings- en beleidskaart. Sinds het verschijnen van deze kaart zijn er ruim 90 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Dit heeft geresulteerd tot nieuwe bevindingen. Hierdoor heeft de gemeente in 2023 de kaarten geactualiseerd. Deze actualisatie bouwt zoveel mogelijk voort op de oude archeologische beleidsadvieskaart. Met de archeologische beleidsadvieskaart heeft de gemeente een instrument in handen op basis waarvan zij op een verantwoorde manier met haar bodemarchief kan omgaan. De gemeente kan daarmee, indien wenselijk, gemotiveerd van de landelijke en provinciale richtlijnen afwijken en een eigen visie op het archeologisch landschap ontwikkelen.
Op basis van de landschappelijke ondergrond en de bekende archeologische waarden in en in de omgeving van Meppel is een vlakdekkende verwachtingskaart opgesteld. Op hoofdlijnen worden drie verwachtingszones onderscheiden: lage verwachting, middelhoge verwachting en hoge verwachting. Deze verwachtingswaarden geven op hoofdlijnen de verwachte dichtheid aan archeologische waarden weer (trefkans).
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
De beleidsadvieskaart kent gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Bij projecten groter dan 50 of 500 m2 die tevens dieper reiken dan 0,30 meter onder maaiveld moet in deze gebieden nader archeologisch onderzoek worden gedaan. Daarbij dient wel te worden opgemerkt dat het gaat om het totaal aan te verstoren bodemoppervlak binnen een plangebied of bouwblok van een samenhangend project dat niet opgedeeld kan worden in deeluitwerkingen.
Aan de legenda van de archeologische verwachtingswaarden zijn ten opzichte van 2011 een aantal nieuwe eenheden toegevoegd. Daarnaast is de oppervlaktevrijstelling van historische bewoningslinten en historische boerderijplaatsen aangescherpt van 500 m² naar 50 m². Deze aanscherping is doorgevoerd in deze wijziging van het omgevingsplan.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Zoals al aangegeven biedt de actualisatie van archeologische gegevens in de gemeente Meppel als handvat voor (toekomstige) ruimtelijke ontwikkelingen en archeologische bescherming. In het deelgebied Noord IV is sprake van een laag en middelhoog archeologisch verwachtingsgebied. Op het gebied van archeologie heeft Meppel een stap gezet met het actualiseren van de archeologische verwachtingskaart. Deze worden stapsgewijs verwerkt in het Omgevingsplan. Daarmee wordt voldaan aan dit onderdeel.
In 2050 willen de aangesloten gemeenten van de RES Drenthe energieneutraal zijn en geen aardgas meer gebruiken. Bovendien zetten ze in Drenthe maximaal in op energiebesparing onder het motto “wat je niet gebruikt, hoef je niet op te wekken”. In de RES is het uitgangspunt om 3,45 TWh duurzame energie op te wekken. De RES 1.0 vloeit uit in verschillende uitgangspunten om in 2050 energieneutraal te zijn. Veel onderdelen van de RES gaan over zon op land en de opwek van windenergie. Voor Meppel zijn de volgende uitgangspunten van belang vanuit de regionale structuur warmte:
besparen 15 procent op het gebruik van warmte in de gebouwde omgeving in 2030 van 3,9 TWh nu naar 3,3 TWh in 2030
motiveren en activeren inwoners en bedrijven tot het nemen van ‘geen-spijt-maatregelen’
stimuleren van lokale initiatieven, energiecoöperaties en het bouwen van een beweging van ambassadeurs
opdoen ervaring met collectieve warmtesystemen en het delen van kennis
realiseren tot 2030 minimaal tien experimenten op het gebied van warmte, inclusief experimenten met opslag en conversie van energie
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
Het omgevingsplan voor deelgebied Oevers, Spijkerserve, Rogat, Blankenstein, Noord I, II en III is voornamelijk conserverend van aard en zoveel mogelijk beleidsneutraal. Doelstellingen op het gebied van de RES worden met name elders gerealiseerd. Bestaande bouw laat zich niet dwingen voor zwaardere dakconstructies. Daarnaast is het besparen van energie een maatregel die buiten het omgevingsplan gezocht moet worden aangezien het omgevingsplan niet of nauwelijks hierop kan sturen. Eventuele collectieve warmtesystemen vragen verdere uitwerking om uitgewerkt te kunnen worden in een wijzigingsbesluit voor het wijzigen van het omgevingsplan.
Diverse doelstellingen uit de RES moeten eerst worden doorvertaald en uitgewerkt worden in gemeentelijk beleid, bijvoorbeeld in een omgevingsprogramma. Te zijner tijd worden indien nodig regels opgenomen in het omgevingsplan als dat mogelijk is gelet op de uitwerking van de doelstellingen en de juridische mogelijkheden binnen de Omgevingswet.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Zoals onder het programma duurzaam is aangegeven wordt in Noord IV rekening gehouden met de mogelijkheid voor windenergie dichtbij en eventueel ook op het bedrijventerrein. De wijziging van het omgevingsplan maakt windmolens op Noord IV niet mogelijk maar er is bij het schetsontwerp wel rekening gehouden met de mogelijkheid van windmolens in het aangrenzende gebied.
Het rioleringsbeheer in Meppel functioneert, maar loopt wel mank. Het afvalwater wordt ingezameld en het hemelwater wordt afgevoerd, dus er is sprake van een functionerend systeem. Maar tegelijk is er een te krappe formatie en daardoor achterstand in kennis van het functioneren van het systeem. Prioriteit ligt daarom bij het vergroten van de formatie en het inlopen op achterstanden. In het RWP wordt daarnaast aandacht besteed aan het verkrijgen van beter inzicht in de technische staat van het riool en start de planvorming voor renovaties, vervangingen en het hydraulisch functioneren van het systeem.
Het RWP heeft de volgende doelstellingen:
Het beleid formuleren voor de wettelijke gemeentelijke watertaken op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater.
De samenhang tonen met andere beleidsterreinen. Daarbij wordt ook ingegaan op de verhouding met de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan.
Verantwoording afleggen over het gevoerde beheer van het systeem.
Laten zien welke programmering wordt aangehouden in de planperiode.
Inzichtelijk maken welke kosten worden toegerekend aan de rioolheffing.
Aangeven hoe schommelingen in de rioolheffing worden geëgaliseerd.
Bespreken aan wie de rioolheffing wordt opgelegd en welk tariefsysteem geldt.
Berekenen welke hoogte van de rioolheffing nodig is in de planperiode, inclusief een doorkijk naar een periode van 20 jaar.
Het beleid heeft daarmee een voornamelijk uitvoerend karakter. Wel ligt hier een verband met hemelwater en het eventueel afkoppelen van hemelwater. Daarnaast heeft het een belangrijke relatie met klimaatadaptatie.
Diverse regels met betrekking tot hemelwater en riolering zijn opgenomen in de bruidsschat die vanaf 1 januari 2024 onderdeel is van het omgevingsplan van Meppel. Diverse regels uit de bruidsschat moeten voor 1 januari 2032 overgezet zijn naar definitieve (juiste) regels met werkingsgebieden en annotaties.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
De verbetering van de afvoer van (afval)water in het deelgebied Oevers, Spijkerserve, Rogat, Blankenstein en Noord I, II en III is een taak van de gemeente Meppel, die zij zal uitwerken in de openbare ruimte van het deelgebied. Omdat de uitwerking van het Riolerings- en Waterprogramma niet in de grond van de (overige) gebruikers van het deelgebied ligt, zijn hierover geen planregels in het omgevingsplan opgenomen.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Bij het aanleggen van de infrastructuur zal duidelijk moeten zijn welk soort bedrijven zich zal gaan vestigen op Noord IV. Op dit moment wordt bij deze wijziging nog geen keuzes gemaakt op dit onderdeel. Daarom is nog niet duidelijk hoe het rioolstelsel het beste vorm gegeven kan worden.
De RAS is een strategie die uiteenzet hoe de regio zich voorbereidt op extremere weersomstandigheden als gevolg van een veranderend klimaat; hevige neerslag, langdurige droogte, extreme hitte en overstromingen. Het is ook een strategie die het begin is van een andere inrichting van het gebied; van weilanden, sloten, wegen, schoolpleinen, daken en tuinen om een betere bescherming bij extreem weer te waarborgen. De nadruk van de RAS ligt daarbij voornamelijk op het klimaatbestendig inrichten van de openbare ruimte, waarbij rekening wordt gehouden met een basisveiligheidsniveau en actuele landelijke geldende richtlijnen.
De Regionale Adaptatie Strategie is door de gemeente Meppel uitgewerkt in een Lokale Adaptatie Strategie waarvan de maatregelen vervolgens zijn ondergebracht in een Lokale Uitvoeringsagenda. Deze Lokale Uitvoeringsagenda is op 28 maart 2024 vastgesteld de gemeenteraad. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen de uitwerking van maatregelen die de gemeente bij de uitoefening van haar reguliere werkzaamheden kan verzorgen en maatregelen die daarbij niet kunnen worden getroffen. Daarbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het afkoppelen van hemelwaterafvoer van het vuilwaterriool bij reguliere werkzaamheden aan het vuilwaterriool. Voor maatregelen die niet binnen de reguliere werkzaamheden kunnen worden getroffen, probeert de gemeente deze uit te (laten) voeren bij nieuwe of reeds geplande projecten en ontwikkelingen. De gemeente zet ook in op het verinnerlijken van klimaatadaptatie zowel binnen als buiten de gemeentelijke ambtelijke organisatie. Zo hoopt de gemeente dat het integreren van maatregelen om de gemeente klimaatadaptief te maken, een vanzelfsprekendheid wordt.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
De gemeente Meppel zal zich bij de in haar opdracht uitgevoerde werkzaamheden in de openbare ruimte, uitvoering geven aan het in de RAS opgenomen beleid. De regels in de oude bestemmingsplannen stonden het uitvoeren van deze werkzaamheden in de openbare ruimte ook al toe. Ook het vergroenen of het verminderen van verharding was op basis van de oude planologische regels al mogelijk. In deze wijziging van het omgevingsplan zijn geen planregels opgenomen om dit af te dwingen op bepaalde locaties. Veel acties op de bedrijventerreinen zien toe op bewustwordingscampagnes bij bedrijven en stimuleren van bedrijven om maatregelen te nemen. Op de regels van het wijzigingsbesluit heeft dit geen invloed.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Noord IV wordt niet genoemd maar in regionaal verband, zijn er langs en aan de Oude Vaart wel de nodige maatregelen nodig. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is hier met name mee bezig door diverse maatregelen te nemen op het gebied van waterberging en het verbeteren van de kwaliteit van natuur (onder andere in verband met de Kader Richtlijn Water). Deze opgave staat los van de realisatie van het bedrijventerrein Noord IV. Afstemming is gezocht met het Waterschap zodat het bedrijventerrein en de opvang van water niet met elkaar botsen qua belangen en locaties. Het aanleggen van een bedrijventerrein in Noord IV betekent wel het toevoegen van kwetsbare bouw in een voorheen agrarisch gebied. Daarmee neemt de waarde van dat wat kan overstromen toe. Gelet op de locatie en het feit dat het een beekdal is zal voor het bedrijventerrein een aparte (extra en bovenop de waterberging van het waterschap) gerealiseerd moeten worden. De berging van het waterschap en die voor het bedrijventerrein moeten los van elkaar staan. Voor Noord IV biedt een aparte berging in combinatie met landschappelijke inpassing, groen, het mogelijk maken van bewegen (lopen) en biodiversiteit koppelkansen. Bij het opstellen van de proefverkaveling voor het bedrijventerrein Noord IV is hier rekening mee gehouden. Tegelijk moet dit gerealiseerd worden bij de aanleg van de openbare ruimte waar groen, water en klimaatadaptatie gerealiseerd worden. Daarnaast is het voor bedrijfskavels geregeld dat voorzien wordt in een waterberging van 30mm per vierkante meter verhard oppervlakte.
De Lokale Uitvoeringsagenda (LUA) van de gemeente Meppel is een actieplan dat de gemeente heeft opgesteld om de Klimaatadaptatiestrategie voor de periode 2023-2028 concreet te maken. De agenda bevat maatregelen die de gemeente Meppel de komende vijf jaar zal uitvoeren om zich aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering zoals wateroverlast, droogte, hitte en overstromingen. De agenda vormt een concretisering van de Lokale Adaptatiestrategie (LAS).
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
De gemeente Meppel zal zich bij de in haar opdracht uitgevoerde werkzaamheden in de openbare ruimte, uitvoering geven aan het in de LUA opgenomen maatregelen. Omdat hiervoor geen planregels nodig zijn, zijn hiervoor dan ook geen regels met deze wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Meppel opgenomen. Voorbeelden van klimaatadaptieve maatregelen om wateroverlast, droogte en hittestress tegen te gaan zijn bijvoorbeeld het vervangen van verharding in de openbare ruimte voor groene verblijfsplekken om hittestress te verminderen en water beter te laten infiltreren, het aanleggen van natuurlijke oevers (draagt bij aan waterberging, biodiversiteit en verkoeling van het stedelijk gebied) en het afkoppelen van regenwater.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Voor het deelgebied Noord IV zijn de klimaatadaptieve maatregelen uit de LUA meegenomen. Dit is onder andere te zien in de inpassing van het bedrijventerrein. Tussen het bruto oppervlakte en het netto oppervlakte bedrijventerrein zit een verschil. Dit is bewust gedaan om onder andere met de openbare ruimte rekening te houden voor de aanleg van wegen en kabels maar ook om rekening te houden met klimaatadaptatie. Omdat sprake is van een ontwikkelgebied, kunnen hier meer innovatieve en structurele klimaat adaptieve maatregelen worden genomen in vergelijking met al bebouwde gebieden zoals de bestaande industrie- en bedrijventerreinen. Voor het deelgebied Noord IV ligt de focus op het creëren van een klimaatbestendig gebied met aandacht voor wateropvang, (water)hergebruik en biodiversiteit. Bij de inrichting van het terrein is ruimte om in of op de niet uitgeefbare grond de nodige maatregelen te realiseren. Daarnaast geldt dus dat per bedrijfskavel rekening gehouden moet worden met waterberging. In de regels is natuur-inclusief bouwen geborgd. Zo worden voor het ontwikkelen van Noord IV voorwaarden over klimaatadaptatie, biodiversiteit, circulariteit en leefbaarheid deels geborgd in regels en deels blijft het een opgave voor de inrichting van het gebied. Voorbeelden hiervan zijn regels over de maximum oppervlakte aan verhardingen en het minimum percentage waterberging.
In de transitievisie Warmte wordt richting gegeven aan hoe de aardgasvrije gebouwde omgeving er uit moet gaan zien. Het gaat hierbij over de warmtevoorziening van woningen, kantoren en bedrijven. De visie stelt de kaders voor huidige kansen en ontwikkelingen en is de basis voor nieuwe initiatieven en wijkuitvoeringsplannen. De doelen van de transitievisie warmte zijn ook opgenomen in de Omgevingsvisie. De transitievisie is ook na vaststelling van de Omgevingsvisie nog steeds van kracht. Veel van de inhoud van de transitievisie is niet opgenomen in de omgevingsvisie omdat het niveau van de transitievisie en de omgevingsvisie verschillend is. De transitievisie is naast hogere doelen ook uitvoerend. Op termijn moet dit in een omgevingsprogramma kunnen landen. In de transitievisie wordt ook de werkwijze met wijkuitvoeringsplannen beschreven. In deze uitvoeringsplannen wordt per wijk een plan gemaakt waarbij de stakeholders betrokken worden en ook de warmtetechniek nader wordt bepaald.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
In de planning van de transitievisie staat dat de bedrijven en industrieterreinen later aan de beurt zijn voor een uitvoeringsplan dan deze wijziging van het Omgevingsplan. Tijdens het opstellen van dit wijzigingsbesluit liep wel het proces om tot een uitvoeringsplan voor Blankenstein te komen. Voor Blankenstein sorteert de Transitievisie voorzichtig voor op individuele oplossingen door middel van besparen en warmtepompen. Het omgevingsplan maakt deze voornemens op voorhand niet onmogelijk. Daarnaast is op moment van het opstellen van het wijzigingsbesluit nog onduidelijk welke variant van warmte gekozen wordt. Daardoor is het niet mogelijk om concrete regels op te nemen over geluid (luchtwarmtepomp) of bodem (bodemwarmtepomp) in het Omgevingsplan.
Voor de overige bedrijventerreinen zijn nog geen wijkuitvoeringsplannen vastgesteld die aanleiding geven tot het opnemen van specifieke regels voor de warmtetransitie.
Doorwerking deelgebied Noord IV
De transitievisie lijkt zich nagenoeg alleen toe te spitsen op de bestaande bebouwde omgeving. Hoewel de inleiding aangeeft dat de visie ook een kader is voor nieuwe projecten, staan nagenoeg geen uitgangspunten in voor nieuwe initiatieven of een nieuw bedrijventerrein. Wel staat in de transitievisie (en de Omgevingsvisie) dat Meppel in 2040 van het aardgas af wil zijn. Het ligt daarom voor de hand om zoveel als mogelijk nieuwe energiebronnen te gebruiken op het nieuwe bedrijventerrein voor het verwarmen van panden en productieprocessen. In het omgevingsplan is daarom het gebruik van aardgas en andere bronnen van verwarmen waarbij broeikasgassen of stikstof vrijkomen verboden.
Het erfgoedbeleid van Meppel is vastgesteld in het beleidsstuk Meppeler Erfgoed NU! Dit beleidsstuk is in 2021 vastgesteld en schetst de opgaven en actiepunten die Meppel de komende tijd voor zich ziet. In de karakteristiek van de leefomgeving is het rijke verleden dagelijks terug te zien. De vele waterlopen, de oude cultuurlandschappen, de lintdorpen en de prachtige historische binnenstad vertellen het cultuurhistorische verhaal van Meppel. Daaruit wordt duidelijk waar Meppel vandaan komt, wie Meppel vandaag is en hoe Meppel zich met respect voor het verleden nu kan ontwikkelen. In het beleidsstuk staat omschreven wat het beleid is ten opzichte van cultureel erfgoed. Dit is vervolgens uitgewerkt in een uitvoeringsagenda met een 15-tal acties.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
In de actiepunten staat omschreven dat de archeologische verwachting- en beleidskaarten geactualiseerd worden. Dat heeft Meppel gedaan en deze kaarten worden bij een wijziging van het Omgevingsplan voor dat gebied meegenomen in de wijziging. Dat is ook bij deze wijziging gebeurd. Daarnaast is opgenomen dat gemeentelijke monumenten aangewezen worden en of het aanduiden van beeldbepalende monumenten aan de orde is. Op de bestaande industrie- en bedrijventerreinen zijn diverse beeldbepalende panden aanwezig. Daarnaast zijn er nog enkele panden die de waarde van een gemeentelijk monument hebben. De gemeenteraad heeft daarom op 18 december 2025 een voorbereidingsbesluit genomen, om vooruitlopend op het daadwerkelijk aanwijzen en het van kracht worden van de nieuwe regels, de in beeld gebrachte panden en/of bebouwing te beschermen.
Qua archeologie geldt dat op diverse plekken de borging van archeologische waarden is geregeld in de bouw- en aanlegregels in het omgevingsplan. De geactualiseerde beleids- en verwachtingskaarten zijn daarbij verwerkt in de werkingsgebieden die horen bij de regels van het wijzigingsbesluit.
Daarmee wordt concreet invulling gegeven aan acties 2, 3, 4, 5, 6 en 8 van de erfgoednota. Daarnaast draagt het opnemen van bovenstaande in deze wijziging van het omgevingsplan bij aan diverse andere acties die benoemd zijn maar minder concreet zijn, zoals: het verbinden van erfgoed aan actuele opgaven.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Voor Noord IV geldt dat met dit wijzigingsbesluit geen beeldbepalende panden of gemeentelijke monumenten aangewezen worden. Het gaat met name ook over agrarische grond waarvan de gebruiksfunctie wijzigt van agrarisch naar bedrijventerrein en een voormalige boerderij die niet als beeldbepalend is aangemerkt.
In het kwaliteitsmanifest Meppel wordt de ambitie uitgesproken als het gaat om ruimtelijke kwaliteit. De gemeente wil meer sturing op de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente en wil de aanwezige kwaliteiten van de gemeente beter benutten. Dit wordt gedaan door enerzijds duidelijke keuzes te maken op het proces.
Er worden drie ruimtelijke ambities gekozen:
We benutten de ondergrond en waterhuishouding van Meppel bij nieuwe ontwikkelingen. Zij zijn al eeuwenlang vormend voor de ontwikkeling van Meppel en daarmee hét fundament voor alle ontwikkelingen.
We zetten groene en openbare verbindingen en overgangen in; sterke lijnen verbinden de bebouwing in de stad met het buitengebied en vice versa.
We maken gebruik van de bestaande cultuurhistorische structuren en bebouwing (reagerend op de bodem en fijnmazige historische infrastructuur) en de identiteit van een plek. Dit betekent: wonen in een leefbare omgeving met een herkenbaar DNA.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
Zoals ook al eerder aangegeven is deze wijziging conserverend van aard, er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt op de bestaande industrie- en bedrijventerreinen. Dit houdt in dat er geen aanleiding zal zijn op grond van deze wijziging van het omgevingsplan, de ondergrond en waterhuishouding te benutten zoals bedoeld onder punt 1. Wijzigingen aan openbare verbindingen en overgangen zoals bedoeld onder punt 2, zullen zich beperken tot werken en onderhoud in de openbare ruimte door de gemeente. Deze structuren zijn in diverse beleidsstukken (zoals Zo doen we Groen!) al geborgd en ze zijn in veel gevallen al in de bestaande planologische regels verwerkt. Ook dit leidt dus niet tot uitwerking in de planregels met deze wijziging van het omgevingsplan. Tenslotte hangt ook punt 3 samen met de ontwikkeling van nieuwe initiatieven, waar deze wijziging van het omgevingsplan geen ruimte voor biedt.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Bij de ontwikkeling van Noord IV wordt rekening gehouden met de bodem en het water als bron voor ontwikkelingen. In het ontwerp wordt met name rekening gehouden met de Oude Vaart, zo mag er niet te dicht bij de Oude Vaart gebouwd worden. Bij het ontwerp van het bedrijventerrein wordt aangesloten bij de meer landschappelijke structuur van het gebied waarbij de Oude Vaart een soort grens vormt. Wel wordt het bedrijventerrein in een beekdal aangelegd met natuurlijke laagtes. Bij de aanleg zal hier rekening mee gehouden moeten worden. Een deel van de laagtes gaat gebruikt worden voor waterberging waardoor de bodemstructuur ook gebruikt wordt. De groenblauwe verbinding wordt met name in stand gehouden of versterkt door de Oude Vaart te laten zoals die is en te voorzien van groen langs de oevers. Daarnaast wordt bij de inrichting aangesloten bij het landschapstype waar bomen langs de wegen kenmerkend zijn. Zo wordt zoveel als mogelijk aangesloten bij landschappelijke structuren en kenmerken zoals in Noord IV kenmerkend zijn. Zo wordt invulling gegeven aan het kwaliteitsmanifest. Op basis daarvan is de proefverkaveling opgesteld zoals hieronder opgenomen.
Sinds de invoering van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeente verplicht de parkeernormen als onderdeel van de nieuw op te stellen bestemmingsplannen op te nemen. Om te voorkomen dat bij elk afzonderlijk bestemmingsplan discussie zal ontstaan over de toe te passen parkeernormen heeft de gemeente ‘Nota parkeernormen Gemeente Meppel’ opgesteld, waarin is aangegeven wat de parkeernormen zijn voor diverse doeleinden. Deze Nota is ook van toepassing voor het omgevingsplan. De uitgangspunten voor de parkeernormen zijn:
Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling is er een initiatiefnemer die verantwoordelijk is voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid voor fietsen en auto’s.
Uitgangspunt is dat parkeren op eigen terrein opgelost wordt. Hier zijn enkele uitzonderingen mogelijk onder voorwaarden.
Bij de parkeernormen is ook een bijlage met berekeningsaantallen gevoegd voor parkeren op eigen terrein. Deze berekeningen zijn van toepassing.
Voor bedrijven in de vorm van eenmanszaken geldt een vrijstelling van de autoparkeereis. De vrijstelling is beperkt tot maximaal 1 parkeerplaats.
Daarnaast is opgenomen dat de richtlijnen van het CROW als basis dienen. Ook wordt in de parkeernormennota gesproken over een mobiliteitsfonds. Daarover is nog wel aparte besluitvorming nodig door de gemeenteraad. Op moment van wijzigen van het omgevingsplan is dit fonds er nog niet.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en Rogat
Op de bestaande bedrijventerreinen blijft het huidige gebruik mogelijk. Er worden geen veranderingen doorgevoerd. Het is een overwegend beleidsneutrale wijziging van het omgevingsplan voor de bestaande industrie- en bedrijventerreinen. De parkeernormennota ziet vooral toe op nieuwe (gebieds)ontwikkelingen. De bestaande bedrijventerreinen kennen daarnaast op dit moment geen grote knelpunten. Daar waar wel knelpunten zijn op meer individuele casuïstiek, zijn oplossingen mogelijk binnen de huidige bebouwing en aangelegde terreinen.
Met het vaststellen van het wijzigingsbesluit voor het omgevingsplan veranderen de rechten niet. Daardoor zal de situatie blijven zoals hij nu is. Natuurlijke ontwikkelingen zijn wel mogelijk maar vonden ook onder het vorige planologische regime plaats. Eventuele aanpassingen van de parkeernormennota kunnen verwerkt worden als beleidsregel. Het wijzigingsbesluit voldoet daarmee aan de parkeernormennota.
Doorwerking deelgebied Noord III
Voor Noord III is op 22 juni 2023 een bestemmingsplan vastgesteld waarvoor op 9 november 2023 een herstelbesluit is vastgesteld. Dit plan is op moment van opstellen van het wijzigingsbesluit nog niet onherroepelijk.
In de toelichting wordt ook hier het uitgangspunt omschreven dat nieuwe bedrijven op dit bedrijventerrein zelf moeten voorzien op eigen terrein in de parkeerbehoefte. Daarmee voldoet het wijzigingsbesluit aan de vereisten van het nieuwe parkeerbeleid voor wat betreft Noord III.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Ook voor Noord IV is het uitgangspunt dat parkeren op eigen terrein geregeld moet worden. Daarmee sluit het wijzigingsbesluit aan op de parkeernormennota van de gemeente Meppel.
In 2014 heeft de gemeente Meppel haar evenementenbeleid opgesteld. Dit beleid gaat er van uit dat evenementen een uitstraling op de omgeving hebben en van betekenis zijn voor de beleving en waardering van Meppel. Een evenement in de zin van het evenementenbeleid is ‘een voor publiek toegankelijke gebeurtenis op of aan de weg, binnen gebouwen of op het openbare water, met uitzondering van betogingen, samenkomsten en vergaderingen, jaar- en weekmarkten, bioscoop- en theatervoorstellingen’.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt in drie verschillende categorieën van evenementen:
Categorie A: lokale evenementen op dorps/wijk en buurtniveau. Deze evenementen dragen in belangrijke mate bij aan de binding tussen inwoners in de stad. Deze evenementen zijn vooral gericht op participatie, ontmoeting tussen burgers en toeristisch-recreatieve promotie van de stad.
Categorie B: lokale en regionale evenementen met groeipotentie. Dit zijn middelgrote evenementen die zich kenmerken door een min of meer vaste deelnemers/publieksgroep en die zich door een onderscheidende programmering/activiteiten richten op groei. De economische spin-off is er wel maar kan nog verder in omvang toenemen. Het programma richt zich in eerste instantie op een duidelijke hoofdactiviteit maar heeft kansen om door het toevoegen van side-events en/of versterking van de promotie verder te groeien. Bij deze categorie evenementen is een sterke variatie in bezoekersaantallen van een paar honderd tot enkele duizenden.
Categorie C: boegbeeldevenementen. Dit zijn (jaarlijks) terugkerende evenementen met een internationaal karakter, bovenregionale uitstraling die een belangrijke bijdrage leveren aan de promotie van de stad. De evenementen vinden vooral plaats in het historisch centrum, in en rond het water en hebben een economische spin-off voor de stad. De evenementen kenmerken zich door authenticiteit, uitstraling, goede organisatie en promotie. Evenementenorganisaties zoeken hierbij een actieve samenwerking met andere partijen (bedrijfsleven, onderwijs, sport, cultuur, recreatie en toerisme) in de stad.
Op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening zijn kleine evenementen (minder dan 50 personen) vergunningvrij, zijn middelgrote evenementen meldingplichtig en zijn grote evenementen vergunningplichtig. In het evenementenbeleid wordt ervan uitgegaan dat de volgende zaken van belang zijn voor een goed verloop van een evenement:
beperken van de geluidbelasting
beperken van het ontstaan van afval
voorkomen van vervuiling van het evenemententerrein en de omgeving
beheersen van het alcoholgebruik
borgen van de verkeersveiligheid
beperken van overlast door parkeren en omleiding van verkeer
borgen van draagvlak bij omwonenden
het hanteren van duidelijke eindtijden
evenement ondersteunende handhaving door de gemeente en hulpdiensten.
Om het aantal evenementen op de diverse evenementenlocaties te reguleren, wordt in het evenementenbeleid uitgegaan van een evenementenkalender.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
Voordat de Omgevingswet in werking is getreden waren evenementen in de Algemene plaatselijke verordening geregeld. Bepaald was dat bepaalde kleinschalige evenementen vergunningsvrij mochten plaatsvinden. Evenementen van categorie A worden onder voorwaarden mogelijk gemaakt op de voorgenoemde deelgebieden. Hiermee wordt aangesloten bij het deelgebied binnenstad en centrumschil waar de evenementen op deze manier zijn geregeld. Daardoor wordt uniformiteit in regels tot stand gebracht.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Voor Noord IV geldt dat dezelfde mogelijkheden wordt geboden op het onderdeel evenementen als op de bestaande bedrijventerreinen. Daarmee is beoogt zoveel als mogelijk eenduidigheid te creëren voor wat betreft de evenementen van categorie A klasse.
In dit hoofdstuk wordt de wijziging getoetst aan de regels die het Rijk heeft opgenomen in de AmvB’s en de provincie Drenthe in de omgevingsverordening. Tevens wordt beschreven welke instructieregel overgenomen en/of uitgewerkt dient te worden in het omgevingsplan.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. Deze NOVI is op 23 februari 2021 in werking getreden. Op 26 september 2025 heeft de minister van Volksbuisvesting en Ruimtelijke Ordening het ontwerp van de Nota Ruimte vastgesteld. Deze Nota Ruimte zal, bij definitieve vaststelling als Rijksomgevingsverordening de NOVI vervangen. Tot die tijd blijft de NOVI als Rijksomgevingsverordening van kracht. In het navolgende wordt daarom het beleid beschreven dat in de NOVI is opgenomen.
De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden, en er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI is een aantal aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied.
Opgaven
Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:
ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie;
de economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden;
steden en regio's sterker en leefbaarder maken;
een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Realiseren 4 opgaven
In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:
Voor Oost-Nederland (regio Zwolle) is een omgevingsagenda opgesteld, waar gemeente Meppel deel van uitmaakt. In de Omgevingsagenda agenderen het Rijk en regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevings-agenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio.
Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie.
Regio Zwolle doet dat sinds juni 2021 vanuit haar status als NOVI-gebied. Deze speciale positie in de Nationale Omgevingsvisie heeft de regio verworven vanwege de mogelijkheden die we te bieden hebben op het gebied van klimaatadaptie en water.
Gelet op de te realiseren opgaven uit de NOVI wordt de conclusie getrokken dat het voorliggende in overeenstemming is met de NOVI.
Zoals al eerder is aangegeven is de Omgevingswet de grondslag voor het opstellen van deze wijziging van het omgevingsplan. De Omgevingswet richt zich op de fysieke leefomgeving. Het gaat daarbij onder andere om wet- en regelgeving over bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur:
Omgevingsbesluit: hierin staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering, en over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): hierin stelt het Rijk algemene regels bij activiteiten in de fysieke leefomgeving. In het Bal staat ook of voor die activiteiten een melding of omgevingsvergunning nodig is. Algemene rijksregels die gelden voor diverse activiteiten zijn in dit besluit opgenomen. Het Bal is direct gericht op burgers en bedrijven.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl): dit besluit bevat regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor gemeenten, provincies en waterschappen voor het vaststellen van omgevingsverordeningen, omgevingsplannen en waterschapsverordeningen.
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl): dit besluit bevat met name regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Daarnaast heeft het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk. En over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Het Bbl is vooral gericht op burgers of bedrijven.
In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de inhoud van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Nagegaan wordt welke omgevingswaarden, instructie- en beoordelingsregels relevant zijn voor de industrie- en bedrijventerreinen en Noord IV.
De regels van het Bal zijn afkomstig uit een tiental AMvB’s en wetten. In het Bal stelt het Rijk algemene regels voor de volgende activiteiten:
Milieubelastende activiteiten
Activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk
Activiteiten rond rijkswegen, spoorwegen en luchthavens
Activiteiten die de natuur raken
Activiteiten die cultureel erfgoed of werelderfgoed raken
Landinrichtingsactiviteiten
Gelegenheid bieden tot zwemmen en baden in een badwaterbassin
Wateronttrekking voor industriële toepassingen en voor de drinkwatervoorziening
Ontgrondingsactiviteit op land en regionale wateren
Lozingsactiviteit van schepen
In het Bal wordt in hoofdstuk 2 voor de bovengenoemde activiteiten het bevoegde gezag aangewezen. In hoofdstuk 3 worden de hoofdcategorieën van de milieubelastende activiteiten benoemd én worden de procedureregels (meldplicht, vergunningsplicht, bevoegd gezag) vastgesteld. In hoofdstuk 4 worden voor deze hoofdcategorieën en daarbij behorende nevengeschikte milieubelastende activiteiten de gedragsregels vastgesteld. Daarnaast zijn in het Bal regels opgenomen over thematische onderwerpen zoals bodem, luchtkwaliteit en industrielawaai; activiteiten bij rijkswaterstaatswerken en -infrastructuur; activiteiten die de natuur beïnvloeden, en overige activiteiten van nationaal belang. Het is onder voorwaarden toegestaan aanvullend op de regels uit het Bal regels in het omgevingsplan op te nemen. Daarnaast is het toegestaan om in het omgevingsplan onder beperkingen af te wijken van de regels uit het Bal. Hoofdregel daarbij is dat deze decentrale regels geen verruiming mogen inhouden ten opzichte van het beschermingsniveau dat het Bal biedt. In het Bal wordt aangegeven aan welke regels met name de zwaardere milieubelastende activiteiten moet voldoen en bevat regels voor locatie specifieke en onderwerp specifieke activiteiten. Het Bal voor een aantal milieubelastende activiteiten binnen daarbij aangegeven grenzen de mogelijkheid om af te wijken van de daarop op grond van het Bal van toepassing zijde Rijksregels. Hiervoor mogen in het omgevingsplan maatwerkregels worden opgenomen. Voor de milieubelastende activiteiten waarvoor in het Bal Rijksregels zijn opgenomen, mogen uiteraard aanvullende regels in het omgevingsplan worden opgenomen, zolang deze maar geen afbreuk doen aan het beschermingsniveau dat met het Bal wordt geboden.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III, Rogat en Noord IV
Op de bedrijventerreinen en industrieterreinen (met inbegrip van het te ontwikkelen industrieterrein Noord IV) is een grote verscheidenheid aan milieubelastende activiteiten toegestaan. Binnen de bedrijven- en industrieterreinen liggen geen waterstaatswerken die bij het Rijk in beheer zijn. Ook worden deze bedrijven- en industrieterreinen niet doorkruist door rijkswegen, spoorwegen. Onder de milieubelastende activiteiten die op de bedrijven- en industrieterreinen (zullen) worden uitgevoerd, bevindt zich geen luchthaven. Wel kunnen er activiteiten worden uitgeoefend die de natuur raken. Hierop wordt elders in deze motivering in detail ingegaan. Op de bedrijven en industrieterreinen staan geen Rijksmonumenten en de bedrijven- en industrieterreinen maken geen onderdeel uit van de exclusieve economische zone; de regels over cultureel erfgoed uit het Bal zijn niet op de bedrijven- en industrieterreinen van toepassing. Daarnaast worden er op de bedrijven en industrieterreinen geen landinrichtingsactiviteiten uitgeoefend, wordt er geen gelegenheid gegeven om te baden in een badwaterbassin, vindt er geen wateronttrekking voor industriële activiteiten of drinkwatervoorziening plaats en worden er geen ontgrondingsactiviteiten op land en regionale wateren uitgevoerd. Wel worden er op het Meppelerdiep (industrieterrein Oevers) schepen afgemeerd, waarvan op het oppervlaktewater wordt geloosd. Op de activiteiten die met deze wijziging van het omgevingsplan (opnieuw) mogelijk worden gemaakt, zijn dus de regels uit hoofdstuk 2, 3, 4, 5, 11 en 17 van het Bal van toepassing. Met deze wijziging van het omgevingsplan zijn op het gebied van graven in de bodem (de paragrafen 4.119 en 4.120 van het Bal) op advies van de Omgevingsdienst Drenthe aanvullende regels opgenomen. Dit wordt toegelicht onder het thema ‘bodem’ elders in deze motivering.
Het Bkl richt zich op bestuursorganen en geeft inhoudelijke normen waaraan zij hun taken en bevoegdheden, onder andere bij het opstellen van omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en het vaststellen van omgevingsvergunningen en projectbesluiten. In hoofdstuk 5 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die de gemeente bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moet nemen. Deze instructieregels kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoen.
Deze instructieregels richten zich op de volgende thema's:
|
Paragraafnr. |
Inhoud |
Onderwerp |
|
§5.1.1 |
Algemene bepalingen |
Dienstenrichtlijn |
|
§5.1.2 |
Waarborgen van de veiligheid |
(Externe) veiligheid |
|
§5.1.3 |
Beschermen van de waterbelangen |
Waterkwaliteit en veiligheid |
|
§5.1.4 |
Beschermen van de gezondheid en van het milieu |
Lucht, geluid, trillingen, windturbines, bodem, geur |
|
§5.1.5 |
Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed |
Ladder duurzame verstedelijking, Cultureel erfgoed, werelderfgoed |
|
§5.1.6 |
Behoud van ruimte voor toekomstige functies |
Autowegen, buisleidingen |
|
§5.1.7 |
Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten |
Landsverdediging en nationale veiligheid, radar, vliegroutes, elektriciteit, vaarwegen, woningbouwcategorieën |
|
§5.1.8 |
Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen |
Voor personen met een functiebeperking |
|
§5.2 |
De uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving |
|
|
§5.3 |
Ontheffingsmogelijkheden van instructieregels omgevingsplan |
|
Tabel 4.1 overzicht instructieregels Bkl
Op het nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein Noord IV zullen bedrijfsmatige dienstverlenende activiteiten worden toegelaten. Daarbij zal moeten worden voldaan aan de instructieregel op gebied van de Dienstenrichtlijn. Hierop wordt in paragraaf 6.2 van deze motivering inhoudelijk ingegaan.
Op gebied van veiligheid (het voorkomen van en beperken van de gevolgen van branden, rampen en crises) spelen er op de verschillende bedrijven- en industrieterreinen, verschillende aspecten. Hierop wordt in paragraaf 6.3 van deze motivering inhoudelijk ingegaan.
Het nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein Noord IV ligt in de delta van het Drents Plateau. Het waterschap is voornemens in de omgeving van dit nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein een waterbergingsopgave uit te werken. Hierop wordt in paragraaf 6.4 van deze motivering dieper ingegaan.
Op de bedrijven- en industrieterreinen binnen de gemeente Meppel, spelen tal van zaken op gebied van de gezondheid en het milieu. Zo zal met deze wijziging van het omgevingsplan de systematiek van Activiteiten en milieuzonering worden toegepast, waarmee de systematiek van Bedrijven en milieuzonering (die in het tijdelijke deel is toegepast) wordt vervangen. Daarnaast worden de zones op grond van de Wet geluidhinder rond de industrieterreinen Oevers, Spijkerserve en Noord III omgezet in de systematiek van de gpp’s volgens de Omgevingswet. De bodemregels die op advies van de OmgevingsDienst Drenthe al in het omgevingsplan – in aanvulling op de regels uit het Bal – zijn opgenomen, worden ook van toepassing op de bedrijven- en industrieterreinen en de geurruimte voor de mengvoerbedrijven en de waterzuivering, die op de bedrijven- en industrieterreinen in bedrijf zijn, worden gecontinueerd. Op deze onderwerpen wordt in paragraaf 6.7 van deze motivering dieper ingegaan.
Op de industrie- en bedrijventerreinen zijn twee provinciale monumenten aanwezig en staan verschillende beeldbepalende panden. In paragraaf 6.12 van deze motivering wordt nader ingegaan op de regels die ter bescherming van dit cultureel erfgoed aan het omgevingsplan van de gemeente Meppel worden verbonden.
Het nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein Noord IV wordt doorkruist door een ondergrondse buisleiding. In de regels van het omgevingsplan wordt een vrijwaringsgebied opgenomen, waarmee de integriteit van deze buisleiding wordt geborgd.
Tot slot is de instructieregel uit paragraaf 5.1.8 van het Bkl op deze wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Meppel van toepassing. Bij de uitoefening van haar taken bij de aanleg en het beheer van de openbare ruimte draagt de gemeente Meppel er zorg voor dat deze toegankelijk is voor personen; in het bijzonder voor personen met een beperking. Hiervoor zullen geen regels in het omgevingsplan van de gemeente Meppel worden opgenomen.
Het Bbl bevat rechtstreeks werkende, algemene rijksregels over activiteiten die betrekking hebben op bouwwerken, zoals gebruik, bouwen en slopen, maar ook over aspecten als veiligheid, duurzaamheid en gezondheid. Met de Omgevingswet wordt de omgevingsvergunning voor bouwen in een technisch en ruimtelijk deel gescheiden. Dit is de zogenoemde knip. Dat maakt dat de activiteit bouwen feitelijk uit twee afzonderlijke activiteiten bestaat: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk.
Het Bbl regelt de technische aspecten van een bouwwerk. Daarbij biedt het Bbl ruimte om in het omgevingsplan op twee thema’s maatwerkregels in het omgevingsplan op te nemen:
op het gebied van de bruikbaarheid van gebouwen (aanwezigheid en afmetingen van verblijfsgebieden en -ruimten, afdeling 4.5 Bbl),
afwijken van het aantal personen in gebouwen waarboven een melding moet worden gemaakt van het starten van het gebruik van gebouwen (afdeling 6.7 Bbl).
Voor het overige kunnen er in het omgevingsplan geen regels worden opgenomen die afwijkingen toestaan van de bouwtechnische regels van het Bbl. Wel kunnen er regels in het omgevingsplan worden opgenomen op gebied van de technische bouwactiviteit, aanvullend op de regels uit het Bbl; bijvoorbeeld over onderwerpen die in het Bbl niet zijn geregeld. Het ruimtelijke deel van de bouwactiviteit wordt in het geheel met de regels uit het omgevingsplan geregeld.
De technische bouwactiviteit
Deze activiteit gaat over de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit uit het Bbl. Denk bijvoorbeeld aan de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Het is niet mogelijk af te wijken van de regels over de technische bouwactiviteit uit het Bbl in het omgevingsplan.
De omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk
Deze activiteit gaat over de toets van het bouwen van een bouwwerk voor het ruimtelijk bouwen, het in stand houden en het gebruiken van een bouwwerk aan het omgevingsplan. Deze omgevingsplanactiviteit bestaat dus uit het juridisch mogelijk maken van de feitelijke bouwactiviteit. Hierbij gaat het onder andere om regels over de beperking van de omvang van het bouwwerk (hoogte, oppervlakte en dergelijke), alsmede om het uiterlijk van een bouwwerk (welstand). Deze regels zijn niet alleen opgenomen in het Bbl, maar staan ook in de Bruidsschat. Van de regels in de Bruidsschat kan worden afgeweken in het omgevingsplan. Door de knip bepaalt de gemeente nu zelf in het omgevingsplan voor welke omgevingsplanactiviteiten een vergunningplicht geldt.
Vergunningvrij bouwen
Zowel voor de technische bouwactiviteit als voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk, heeft het Rijk vergunningvrije gevallen aangewezen in het Bbl. Hier kan lokaal niet van worden afgeweken. Voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk zijn ook vergunningvrije gevallen aangewezen in de Bruidsschat. De Bruidsschat werkt hierin aanvullend op het Bbl. Voor deze gevallen kan in het omgevingsplan worden bepaald welke daarvan in het (nieuwe) deel van het omgevingsplan worden opgenomen.
Onder de Omgevingswet verhuizen veel regels van het Rijk naar gemeenten en waterschappen. De wetten en uitvoeringsbesluiten waarin deze regels zijn opgenomen zijn ingetrokken per 1 januari 2024. De bedoeling is dat gemeenten deze regels in het omgevingsplan opnemen. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt en dus deze Rijksregels komen te vervallen, zal het merendeel van de gemeenten geen gemeentedekkend omgevingsplan vastgesteld hebben. De op dat moment van kracht zijnde bestemmingsplannen gaan dan over in een omgevingsplan van rechtswege. De vervallen Rijksregels zijn niet in deze bestemmingsplannen (feitelijk op dat moment omgevingsplannen van rechtswege) opgenomen. Om te voorkomen dat op de activiteiten die het betreft door het vervallen van de Rijksregels geen regels van toepassing zijn, heeft het Rijk deze vervallen regels opgenomen in de zogenoemde Bruidsschat. Deze Bruidsschat maakt deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. De Bruidsschat bevat een groot deel van de vervallen voormalige Rijksregels die zijn geherformuleerd naar het systeem en het woordgebruik van de Omgevingswet. Door opname van de Bruidsschat in het omgevingsplan van rechtswege, wordt voorkomen dat deze regels die nodig zijn voor de fysieke leefomgeving niet meer zouden gelden.
De regels uit de Bruidsschat hebben betrekking op verschillende milieubelastende activiteiten (detailhandel, horeca overige bedrijfsmatige activiteiten) en aanlegactiviteiten. Daarnaast bevat de Bruidsschat regels over bouwen en gebruiken, welstand, cultureel erfgoed en aanvraagvereisten.
De Bruidsschatregels zijn ontleend aan onder andere het Activiteitenbesluit, het Bouwbesluit en het Besluit omgevingsrecht. De regels zijn beleidsneutraal of beleidsarm overgenomen, de essentie van de regels is niet gewijzigd. Wel zijn de regels zoals gezegd aangepast aan de Omgevingswet. De Bruidsschat is opgenomen in de hoofdstukken 1 en 22 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.
Schrappen, overnemen of wijzigen
De gemeente weegt bij het maken van een omgevingsplan af of deze regels geschrapt, overgenomen of gewijzigd worden en geeft daarmee invulling aan de decentrale afwegingsruimte. Na de transitieperiode vervallen de regels uit de Bruidsschat niet van rechtswege. Dit houdt in dat de Bruidsschat deel blijft uitmaken van het omgevingsplan van rechtswege.
Voorrangsregel
In de Bruidsschat is een voorrangsregel opgenomen die regelt welke regel voorgaat bij strijdigheid met andere regels uit het tijdelijk omgevingsplan zoals het bestemmingsplan, een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte of een beheersverordening (zie de opsomming in artikel 4.6, eerste lid van de Invoeringswet Omgevingswet). In geval van strijdigheid prevaleert de regel uit het tijdelijk omgevingsplan boven de regel uit de Bruidsschat.
Regels Bruidsschat en integratie Omgevingsplan
Bij het opstellen van de voorgaande wijziging van het omgevingsplan voor de industrie- en bedrijventerreinen zijn de regels uit de Bruidsschat geanalyseerd. Er heeft afstemming plaatsgevonden met de ketenpartner die bij een activiteit betrokken is en er is bekeken welke regels worden geschrapt, dan wel (gewijzigd) overgenomen. Voor de uitwerking per deelgebied worden de regels uit de bruidsschat beoordeeld op strijdigheid met het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en/of lokale regels, zoals het bestemmingsplan uit het tijdelijk deel of een lokale verordening.
Met deze wijziging van het omgevingsplan voor de bedrijven- en industrieterreinen binnen de gemeente Meppel wordt de systematiek van Activiteiten en milieuzonering in de planregels uitgewerkt. Dit heeft tot gevolg dat de in de bruidsschat opgenomen regels over de toelaatbare geluidbelasting door de milieubelastende activiteiten op de bedrijven- en industrieterreinen buiten werking wordt gesteld. In de plaats daarvan worden er geluidregels opgenomen in de hoofdstukken 5 en 6 van het omgevingsplan, waar de gebruiksactiviteiten die op de bedrijven en industrieterreinen zijn toegestaan worden geregeld.
De Omgevingsvisie Drenthe is op 3 oktober 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. De Omgevingsvisie vormt het strategisch kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van de provincie. De Omgevingsvisie formuleert de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijk domein.
De Omgevingsvisie heeft met name een interne binding, wat betekent dat de provincie Drenthe bij de uitoefening van haar taken en bevoegdheden aan de Omgevingsvisie gebonden is. Wel zijn afwijkingen mogelijk, mits binnen de wettelijke kaders en zolang de ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie niet worden aangetast.
De provincie stelt zich tot doel de Drentse kernkwaliteiten te waarderen en een bruisend Drenthe te ontwikkelen, passend bij deze kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit het landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur. Onder een ‘bruisend Drenthe’ wordt een provincie verstaan: ’waarin het goed wonen en werken is en waar voor jong en oud veel te beleven valt.’ Een provincie waar ondernemerschap, cultuur en sport floreren. Deze doelstelling laat zien dat de provincie streeft naar ruimtelijke kwaliteit, door nieuwe ontwikkelingen en bestaande kwaliteiten in samenhang te bezien.
Zorgvuldig ruimtegebruik
In Drenthe kunnen mensen nog ruimte beleven. Dat wil de provincie bewaken, ook wanneer er nieuwe ontwikkelingen zijn. Zorgvuldig ruimtegebruik is van provinciaal belang.
Gebied specifieke ambities
Specifiek voor Meppel is een kernkwaliteit met bijbehorende ambitie vastgelegd in de Omgevingsvisie. Meppel ligt in een gebied met een waaier van waterlopen waartussen de randveenontginningen liggen met hun bebouwingslinten. Waar de waterlopen samenkomen heeft Meppel zich vanaf de middeleeuwen ontwikkeld als handelsstad en doorvoerhaven.
Voor Meppel gelden de volgende kenmerken:
vormende middeleeuwse water- en wegenlopen in het centrum grotendeels aanwezig en herkenbaar;
de Drentse Hoofdvaart buiten Meppel als sterke zelfstandige beelddrager met haar sluizencomplex en aanverwante bebouwing;
de bebouwingsstructuren in het centrum veelal functioneel gekoppeld aan de markt- en havenfunctie, waarbij hoge verwachtingen van interne en ondergrondse sporen van de middeleeuwse stad;
villawijken en -park, tuinwijken en havenbebouwing uit de periode 1860-1940 als representanten van de economische bloei en van stedenbouwkundige concepten uit die tijd.
De provincie speelt op deze kenmerken in door middel van de volgende ambities:
het versterken van het karakter van de Drentse Hoofdvaart als beelddrager van een ensemble van kanaal, sluis- en brugcomplexen en gerelateerde bebouwing;
het herkenbaar houden van de historische kern van Meppel als markt- en handelsstad, zowel bovengronds als ondergronds, met alle elementen die daaraan refereren, zoals bebouwingsstructuren, waterlopen, pleinen en parken.
Van de Provinciale Omgevingsverordening is de meest recente versie in werking getreden op 10 april 2026. De Provinciale Omgevingsverordening (POV) is een instrument om het omgevingsbeleid uit te kunnen voeren. Het omgevingsbeleid omvat vele aspecten, onder andere ruimtelijke ontwikkeling, duurzame energie, bodemsanering, bescherming van het grondwater en verkeer en vervoer.
In de POV zijn met betrekking tot deze onderwerpen regels gesteld. Soms hebben deze regels betrekking op gemeenten of waterschappen, maar soms zijn deze regels ook rechtstreeks van toepassing op het handelen van burgers. In de POV zijn onder meer regels opgenomen over de uitvoering van het provinciale ruimtelijke omgevingsbeleid, natuurbescherming, bodembeheer, grondwater, stiltegebieden, ontgrondingen, het thema water, provinciale infrastructuur, zwemwater, provinciale monumenten en handhaving en toezicht.
Voor de deelgebieden werkt de POV verschillend door mede gelet op de aard van de gebieden. Het gaat om een beleidsneutraal deel, waar de industrie- en bedrijventerreinen al gesitueerd zijn. Voor Noord IV gaat het om een nieuwe ontwikkeling.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
Voor de bestaande industrie en bedrijventerreinen geldt dat deze al bestaan. Een aantal instructieregels zien toe op nieuwe ontwikkelingen waar hier geen sprake van is. Wel zijn de instructieregels voor Provinciale Monumenten van belang die in hoofdstuk 13 zijn opgenomen. In het deelgebied Oevers staan immers twee provinciale monumenten. Aan deze instructieregels is invulling gegeven door in hoofdstuk 4 afdeling 4.3 de aanwijzing provinciale monumenten op te nemen en in hoofdstuk 8 afdeling 8.3 de monumentenactiviteiten te regelen.
Het omgevingsplan verbiedt aanwezige monumenten zoals verwoord in de redengevende omschrijving te vernielen, beschadigen of te wijzigen, onderhoud te onthouden dat voor instandhouding noodzakelijk is. Een vergunning is nodig voor slopen, verplaatsen of wijzigen, herstellen en gebruik of laten gebruiken waardoor het ontsierd of in gevaar gebracht wordt en werkzaamheden aan de fundering of riolering van een monument te verrichten zonder voorafgaand archeologisch onderzoek. In het omgevingsplan is voor de provinciale monumenten Gedeputeerde Staten aangewezen als adviseur bij een omgevingsvergunning voor provinciale monumenten. Ook de commissie voor monumenten (artikel 17.9 Ow) is als adviseur aangewezen.
De kernkwaliteit Landschap is niet op de bestaande terreinen van toepassing en voor cultuurhistorie staat hierover ook niets opgenomen. Voor archeologie is de waardenkaart van de gemeente geüpdatet en verwerkt in het omgevingsplan. Deze sluit aan op het gebied Waarde-Archeologie die in de POV vermeldt staat.
Doorwerking deelgebied Noord IV
De kernkwaliteiten van het landschap is een mengeling van Esdorpenlandschap en Wegpanorama. De kernkwaliteit van esdorpenlandschap zijn de essen, welke in het plangebied bedrijventerrein Noord IV niet aanwezig zijn. Met name de essen en esdorpen staan centraal in dit onderdeel. Het stuk in Noord IV is in de POV daar onderdeel van maar het plangebied was van oorsprong een gebied met één of meerdere made(s) zoals in onderstaande uitsnede van Topotijdreis blijkt.
Voor wat betreft het landschap maakt het met name dus onderdeel uit van het Wegpanorama. Doel hiervan is de karakteristieken van de landschapstypen en contrast tussen stad en land zichtbaar blijft. De N371 heeft, hoewel in de POV regels niet genoemd, ook een werkingsgebied van panorama. De afwisseling tussen bebouwd en niet bebouwd moet blijven. Voor Noord IV geldt dat hier een toevoeging plaatsvind van stedelijke uitstraling door middel van een nieuw bedrijventerrein. Dit bedrijventerrein zal 50 hectare bruto worden en 27 hectare netto. Daardoor zal Noord IV een ruim opgezet bedrijventerrein vormen dat toch enige openheid zal weergeven. Daarnaast wordt het bedrijventerrein dicht tegen de snelweg A32 geprojecteerd waardoor Noord IV ook aansluit op Noord III. Alles ten noorden van Noord IV blijft het open karakter van het landschap behouden. Met Noord IV komt er ook een, nieuwe, grens tussen stad en land. Er blijft wel sprake van een grens. De Oude Vaart en de Drentse Hoofdvaart blijven in stand. Noord IV krijgt een groene inpassing langs de Oude Vaart. Voor de Drentse Hoofdvaart geldt dat de huidige infrastructuur en sloten langs de N371 behouden kunnen worden omdat het bedrijventerrein nagenoeg niet raakt aan de Drentse Hoofdvaart omdat de noordelijke grens ten hoogte van de Rotonde bij de Pijlebrug ligt. Voor archeologie is het nodige opgenomen op basis van de archeologische verwachtingskaart.
Ruimtelijk omgevingsbeleid
Basisbepaling POV:
In een omgevingsplan wordt bij vaststelling uiteengezet hoe de met het plan beoogde ontwikkelingen passen binnen de strategische opgaven - voor zover van provinciaal belang - zoals weergegeven op de kaart Strategische Opgaven 2030 die in de omgevingsvisie voor het desbetreffende gebied is neergelegd.
Ondergrond:
In een omgevingsplan waarin realisering van woonwijken, bedrijventerreinen en/of glastuinbouw is voorzien, wordt aangegeven hoe dat plan bijdraagt aan de provinciale beleidsdoelen voor bodemenergie.
Op grond van artikel 3.17 van de provinciale omgevingsverordening kan met het omgevingsplan alleen op regionale bedrijventerreinen worden voorzien in de vestiging van bedrijven van categorie 4.1 tot en met categorie 6. Geen van de bedrijven- en industrieterreinen (met inbegrip van het nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein Noord IV) binnen de gemeente Meppel is aangewezen als een Regionaal bedrijventerrein. Bovendien wordt op Noord IV ten hoogste categorie 4.2 toegestaan. Op industrieterrein Oevers (het zwaarste industrieterrein binnen het ambtsgebied) is ten hoogste categorie 5.2 toegestaan.
Voor wat betreft het onderdeel ‘Water’ staat in artikel 3.36 opgenomen dat een omgevingsplan niet voorziet in nieuwe kapitaalintensieve functies in het Beekdal. Hiervan mag afgeweken worden onder voorwaarden dat er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang, er geen reële alternatieven zijn de functie geen feitelijke belemmering vormt om in de toekomst de afvoer- en bergingscapaciteit van het regionale systeem te vergroten en het negatieve effect op het watersysteem in het plan zelf wordt gecompenseerd.
Gelet op deze regel en de afwijkingsmogelijkheid heeft de gemeente een locatiestudie (Locatiestudie Noord IV, bijlage C) laten doen om te onderzoeken of er sprake is van een mogelijk alternatief. Uit de locatiestudie blijkt dat Noord IV eigenlijk de enige locatie is voor een dergelijk bedrijventerrein. De gemeente heeft ook een laddertoets (zie ook 6.11 Laddertoets) gedaan voor de noodzaak van uitbreiden met daarbij een onderbouwing van de noodzaak van een bedrijventerrein. In de Omgevingsvisie is daarnaast de noodzaak van Noord IV omschreven. Het betreft daarmee een zwaarwegend maatschappelijk belang. Namelijk het toekomstbestendig houden van economie van Meppel. Een groeiende stad qua woningen en bevolking vraagt ook wat van de werkgelegenheid. Meppel wil immers inzetten op een goede balans tussen wonen en werken zoals in de omgevingsvisie is opgenomen. Tijdens het traject is voor Noord IV afstemming geweest met Waterschap Drents Overijsselse Delta over de KRW opgaven én uitbreiding van de waterberging rondom de Oude Vaart. Dit maakt onderdeel uit van meerdere opgaven in het regionale systeem. Door goede afstemming belemmert de ontwikkeling van een bedrijventerrein Noord IV deze afvoer- en bergingscapaciteit van het regionale watersysteem niet. Daarnaast is de voorkeursvariant West gekozen mede om te voorkomen dat er bruggen met stuwend effect op afvoer van water, nodig waren (zie ook 6.4 Milieueffectrapportage).
Voor het bedrijventerrein Noord IV heeft de gemeente voor plangebied een waternotitie op laten stellen. Uitgangspunt was en is dat berging van bij piekbuien de opvang van water binnen het plangebied wordt opgevangen om negatieve effecten op het watersysteem te voorkomen. Gelet op de verhouding tussen bruto 50 hectare en netto 27 hectare uitgeefbare grond is er ruimte voor waterberging in de openbare ruimte. Daarnaast zijn in hoofdstuk 5 regels opgenomen met betrekking tot de waterhuishouding om zo negatieve gevolgen op het watersysteem te voorkomen. Daarmee voldoet het plan aan de afwijkingsvereisten om een nieuwe kapitaalintensieve functie te voorzien in het beekdal.
In Meppel is door de raad een Verordening fysieke leefomgeving (VFL) vastgesteld voor de onderdelen uit de gemeentelijke verordeningen die moeten en mogen worden opgenomen in het omgevingsplan. De regels uit de VFL worden naar verwachting in 2025 als wijziging van het omgevingsplan voor het gehele gemeentelijk grondgebied opgenomen in het omgevingsplan Meppel. Voor ontwikkelingen betekent dit dat de regels of nog zijn opgenomen in de VFL of al in het omgevingsplan. Alleen als het voor een ontwikkeling nodig is om de verordeningsregels aan te passen wordt dit meegenomen bij de betreffende wijziging van het omgevingsplan. In dat geval is er sprake van maatwerk, uitgangspunt is dat de verordeningsregels ook van toepassing zijn op de ontwikkeling.
In de motivering van het omgevingsplan wordt beschreven hoe om wordt gegaan met deze regels en of de ontwikkeling hier binnen past. Als een ontwikkeling niet past binnen de regels, kan in sommige gevallen worden afgeweken. Hierbij geldt dat is gemotiveerd en/of onderzocht en goedgekeurd door de gemeente Meppel.
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de regels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de afzonderlijke activiteiten. Dit is van belang in verband met de mogelijkheid om voor alle activiteiten een gerichte motivering te kunnen opvragen. De in de regels opgenomen regelingen en/of beperkingen dienen te worden gemotiveerd.
Door de gemeente Meppel is een ‘Leidraad wijzigen omgevingsplan’ opgesteld. Deze leidraad bevat beleidsregels als bedoeld in Titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht om te komen tot een wijzigingsbesluit van het omgevingsplan. Hierin zijn de bouwstenen voor de regels van het omgevingsplan opgenomen en is de structuur van de regels uitgewerkt. In het omgevingsplan gaat de gemeente uit van de activiteitgerichte benadering. Dit houdt in dat de regels zijn ingedeeld in de soort activiteiten die het betreft: gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, gemeentelijke monumentactiviteit, sloopactiviteiten en milieubelastende activiteiten. Per hoofdstuk zijn de regels opgenomen en onderverdeeld in of de betreffende activiteit is toegestaan (toestemmingsvrij), of er een melding-, informatie- of vergunningplicht geldt of dat de activiteit verboden is (verbod).
In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe het plan, zoals verwoord in Hoofdstuk 2, wordt uitgewerkt in de regels die in het Omgevingsplan gemeente Meppel worden opgenomen. Ook wordt in dit hoofdstuk de verhouding met de wet- en regelgeving aangegeven. Een opmerking vooraf bij dit hoofdstuk: waar gesproken wordt over de ‘overgangsfase’ of ‘overgangsfaserecht’ wordt gedoeld op de overgangsrechtelijke regels uit de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet (of daarop gebaseerde regelgeving). Waar gesproken wordt over ‘overgangsrecht’ wordt gedoeld op een regeling in het omgevingsplan voor bestaande situaties die in strijd zijn met de regels in het omgevingsplan.
Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden de ‘oude’ bestemmingsplannen samen met gedecentraliseerde rijksregels (de ‘Bruidsschat’, zie ook paragraaf 4.2.6) van rechtswege onderdeel van het Omgevingsplan. Dit wijzigingsbesluit voorziet in een wijziging van het Omgevingsplan voor de deelgebieden industrie- en bedrijventerreinen en Noord IV. Met dit wijzigingsbesluit worden de gedecentraliseerde rijksregels (gedeeltelijk) omgezet in een definitieve regeling. Daarnaast worden de bestemmingsplannen voor de locaties waarop dit wijzigingsbesluit ziet ook omgezet in een definitieve regeling in het omgevingsplan. Op termijn is het de bedoeling dat ook regels uit lokale verordeningen (voor zover die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving en/of de fysieke leefomgeving wijzigen) worden opgenomen in het Omgevingsplan.
Met dit wijzigingsbesluit krijgen de planologische activiteiten uit de bestemmingsplannen in de deelgebieden Industrie- en bedrijventerreinen een nieuwe juridische regeling in het Omgevingsplan. Daarbij is een aantal van de voor deze activiteiten relevante bepalingen uit de Bruidsschat zoveel mogelijk geïntegreerd in de nieuwe regeling. Uitgangspunt bij de totstandkoming van het wijzigingsbesluit voor de bestaande industrieterreinen is steeds geweest om geen materiële wijzigingen door te voeren, uiteraard voor zover dit op basis van de instructieregels (zie hoofdstuk 4) mogelijk is. Dat gezegd hebbende is in de tussentijd gebleken dat er toch behoefte is aan enerzijds het integreren van verschillende ontwikkelingen in dit wijzigingsbesluit. Bovendien is er mede met oog op de beperkingen vanuit de software om het deelgebied Noord IV bij te schakelen in dit wijzigingsbesluit.
Dit betekent dat dit wijzigingsbesluit voorziet in een regeling die voldoet aan alle (instructie)regels waaraan een omgevingsplan bij en/of krachtens de Omgevingswet moet voldoen voor de activiteiten die nu door de bestemmingsplannen in deze deelgebieden worden geregeld. Voor de verdere integratie van de Bruidsschatregels in het Omgevingsplan zal aansluiting worden gezocht bij de omzetting van andere deelgebieden uit het tijdelijke deel van het Omgevingsplan. Omdat de regels uit de Verordening fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente gelden, vraagt de vertaling van die regels naar het Omgevingsplan om een afzonderlijk wijzigingsbesluit. Die regels zijn dus niet bij deze wijziging betrokken.
Net als bij een gemeentelijke verordening gelden regels in het Omgevingsplan in beginsel voor het gehele grondgebied van de gemeente (het zogenaamde ‘ambtsgebied). Mede in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan de werking van een regel ook beperkt worden tot één of meerdere locaties (ook wel werkingsgebieden genoemd). Anders dan bij bestemmingsplannen hoeft dus niet voor iedere activiteit een regeling voor (bijvoorbeeld) het bouwen van een hoofdgebouw te worden opgenomen. Er is één regeling voor het bouwen van een hoofdgebouw en voor zover op een locatie een bijzondere regeling geldt, zal daarvoor in aanvulling op de algemene regeling een verbijzondering gelden op grond van een specifiek artikel voor die locatie.
In zoverre zijn er in het omgevingsplan twee typen regels te vinden: regels die overal in de gemeente van toepassing zijn en regels waarvan de werking beperkt is tot specifieke locaties. Voor wat betreft de laatstgenoemde categorie moet bovendien worden opgemerkt dat (bijvoorbeeld) een vergunningplicht als bedoeld in Afdeling 7.2 (Hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht) die geldt voor de locatie ‘hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht’ niet betekent dat buiten die locaties géén vergunningplicht geldt. Dit volgt uit artikel 6.2 (Verboden bouwactiviteiten), waarin een algemeen verbod op bouwactiviteiten is opgenomen. Dit algemene verbod geldt, tenzij de bouwactiviteit op een bepaalde locatie door enige bepaling in hoofdstuk 7 van het Omgevingsplan is toegestaan.
Zoals hierboven aangegeven kan de werking van een regel in het Omgevingsplan beperkt worden tot één of meer locaties. Anders dan de titel van hoofdstuk 4 (van de regels van het omgevingsplan) doet vermoeden wordt met ‘aanwijzingen in de fysieke leefomgeving’ niet de aanwijzing van de locaties waarop een regel ziet bedoeld. Het aanwijzen van de locatie(s) waarop een regel van toepassing is, wordt gedaan door de regel te ‘annoteren’.
Met het annoteren wordt het toepassingsgebied van een regel op het niveau van artikel(leden) bepaald. Enerzijds maakt dit het Omgevingsplan fijnmaziger dan bestemmingsplannen en verordeningen, maar tegelijk zorgt annoteren voor ‘slimme’ regels doordat regels digitaal ‘leesbaar’ zijn. Annoteren zorgt er zo voor dat het Omgevingsplan anders werkt dan gemeentelijke verordeningen en bestemmingsplannen, terwijl de digitale leesbaarheid het mogelijk maakt om met slimme toepassingen dienstverlening richting eindgebruikers te vereenvoudigen.
Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving zijn aanwijzingen waarbij gebieden, gebouwen of locaties worden aangewezen met als gevolg dat er bijzondere regelgeving van toepassing wordt voor die locaties. Naast de aanwijzing van aandachtsgebieden en beperkingengebieden kan gedacht worden aan de aanwijzing van gemeentelijke monumenten en ander cultureel erfgoed en evenemententerreinen. In zoverre wordt dus ook de aanwijzing in de fysieke leefomgeving geannoteerd omdat er aan de aanwijzing (de regel) een locatie wordt gekoppeld.
Omdat de koppeling tussen de locatie en de regel volgt uit de annotatie, is het niet nodig de locatie nog afzonderlijk aan te wijzen. De annotatie regelt het toepassingsbereik van een regel. Formuleringen die onder de Wet ruimtelijke ordening vaak in bestemmingsplannen werden gebruikt (zoals ‘De voor “Wonen” aangewezen gronden...'), volgen nu al uit de annotatie. Dit betekent ook dat in hoofdstuk 4 slechts aanwijzingen in de fysieke leefomgeving zijn opgenomen voor zover een instructieregel dat voorschrijft.
Daarbij gaat het voor wat betreft de aandachtsgebieden om de aanwijzing van brandaandachtsgebieden (artikel 5.12, lid 1, Bkl), explosieaandachtsgebieden (artikel 5.14 lid 2 Bkl), het geluidaandachtsgebied industrie (artikel 3.20 Bkl), het geluidsaandachtsgebied spoor (artikel 5.12, lid 1, Bkl) en het geluidaandachtsgebied gemeentewegen (artikel 3.20 Bkl). Voor wat betreft de beperkingengebieden gaat het om de aanwijzing van een brandvoorschriftengebied (artikel 5.14 lid 2 onder a Bkl), een explosievoorschriftengebied (artikel 5.14, lid 2 onder b Bkl), bodemfunctieklasse(n) zoals bedoeld in artikel 5.89p Bkl en de bebouwingscontouren geur (artikel 5.97 Bkl), jacht (artikel 5.165a Bkl) en houtkap (artikel 5.165b Bkl) en de omgeving van het monument (artikel 5.130 Bkl). Voor cultureel erfgoed gaat het om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten, beeldbepalende panden, aangewezen provinciale monumenten en de molenbiotopen.
Voor de in het omgevingsplan opgenomen vergunningplichten is gekozen voor een systematiek waarbij in het omgevingsplan voor bepaalde categorie omgevingsplanactiviteiten een algeheel verbod is opgenomen, behoudens de op grond van het betreffende hoofdstuk van het omgevingsplan toegestane omgevingsplanactiviteiten. Per subcategorie van die omgevingsplanactiviteiten is vervolgens een generieke regeling voor de vergunningplicht opgenomen. Differentiatie vindt plaats door de werking specifieke beoordelingsregels ruimtelijk te begrenzen. Dat betekent dat steeds dezelfde vergunning wordt aangevraagd, maar dat de beoordelingscriteria per locatie kunnen verschillen. Alle vergunningplichten in het omgevingsplan (ook toekomstige) worden volgens dezelfde systematiek opgezet.
Ter illustratie: voor bouwen, anders dan toegestaan op grond van het hoofdstuk bouwactiviteiten, is een algeheel verbod opgenomen. Dat verbod geldt voor het totale gebied van het wijzigingsbesluit en zal in de toekomst voor het hele ambtsgebied gelden. Vervolgens is voor de specifieke categorie bouwen van een hoofdgebouw bepaald dat het niet toegestaan is zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen. Deze vergunningplicht is ruimtelijk begrensd tot de specifieke locaties waarop hoofdgebouwen - onder voorwaarden - toegestaan zijn. Voor het bepalen van de locaties is aansluiting gezocht bij de bestaande bouwvlakken uit de bestemmingsplannen.
De werking van deze regel is beperkt tot de locaties van de voormalige bouwvlakken uit de bestemmingsplannen. De bedoeling (in dit voorbeeld) is dat met dit algehele verbod en de bijbehorende vergunningplicht in de toekomst de bouw van alle hoofdgebouwen binnen het ambtsgebied geregeld worden. Nadere locatie-afhankelijke differentiatie van de beoordeling van een aanvraag vindt plaats door voor de verschillende beoordelingsregels afzonderlijke artikelen in het plan op te nemen, waarbij vervolgens afhankelijk van de locatie verschillende combinaties van beoordelingsregels op de beoordeling van de aanvraag voor de bouw van een hoofdgebouw van toepassing zullen zijn.
Met dit wijzigingsbesluit worden enkele zogenaamde ‘open normen’ opgenomen in het Omgevingsplan. Naast ‘bekende’ open normen uit de bestemmingsplannen (zoals ‘voldoende parkeergelegenheid’) zijn omgevingsplanbrede regels over het uiterlijk van bouwwerken (artikel 4.19 Ow) opgenomen. De onder de Woningwet gebruikelijke term ‘redelijke eisen van welstand’ is te algemeen en het is niet voldoende duidelijk wat hieronder wordt verstaan. In de regels is dit begrip uitgesplitst in acht verschillende beoordelingsregels. In de regels voor de industrie- en bedrijventerreinen is een verwijzing opgenomen naar de bestaande Welstandsnota Meppel. Voor het gebied Noord IV zal op een later moment een beleidsregel over het uiterlijk van bouwwerken worden vastgesteld als er meer zicht is op de uitvoering van het bedrijventerrein.
Bij het opstellen van deze zogenaamde ‘open normen’ is de onder de Wro en Chw gevormde jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak nadrukkelijk betrokken. Dat betekent dat het onderwerp van de regel steeds nadrukkelijk een plaats krijgt in de specifieke regel en dat - waar mogelijk - het onderwerp ook in de titel van het artikel terugkomt. Gecombineerd met de oogmerkbepaling aan het begin van een hoofdstuk, afdeling of paragraaf en - voor zover van toepassing - verdere afbakening in gerelateerde artikelen waarin (bijvoorbeeld) functiekaders zijn omschreven waarmee de open norm concreet en objectief wordt begrensd wordt. Voor zover de uitleg van een open norm is geregeld in een beleidsregel wordt verwezen naar (de titel van) die beleidsregel.
Gemeenten moeten op grond van artikel 22.6 voorafgaand aan een bij Koninklijk Besluit te bepalen tijdstip de op grond van een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder (o.a.) g (en l) Invoeringswet Omgevingswet geldende regels opnemen in het niet-tijdelijke deel van het Omgevingsplan. De datum is bepaald op 1 januari 2032.
Doorwerking deelgebieden Oevers, Spijkerserve, Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat
Gebruiksactiviteiten
De bestemmingsregels (of gebruiksregels) uit de bestemmingsplannen en beheersverordeningen van het tijdelijk deel van het omgevingsplan keren hoofdzakelijk terug in hoofdstuk 5 (Gebruiksactiviteiten) van het Omgevingsplan. Zoals aangegeven in paragraaf 5.2.4 staat het Omgevingsplan de planwetgever toe activiteiten fijnmaziger te regelen dan in een bestemmingsplannen (op grond van de SVBP 2012) mogelijk was. Dat gezegd hebbende vertoont hoofdstuk 5 van het Omgevingsplan in eerste oogopslag veel gelijkenis met het voormalige hoofdstuk 2 in de meeste bestemmingsplannen die gelden voor de industrie- en bedrijventerreinen. Belangrijk verschil is dat in plaats van bestemmingsregels wordt gesproken over gebruiksactiviteiten.
In dit ogenschijnlijk kleine terminologische verschil zit weldegelijk een meer systematische verandering ‘verstopt’: het omgevingsplan staat op een locatie één of meerdere gebruiksactiviteiten toe (en nodigt een initiatiefnemer zo uit om - binnen grenzen - die activiteiten te ontplooien), terwijl een bestemmingsplan aan gronden een bepaalde bestemming toedichtte. Wilde de planwetgever onder de Wro meerdere functies mengen dan werden gronden dikwijls bestemd als ‘Gemengd’.
In een omgevingsplan kunnen meerdere gebruiksactiviteiten (of functies) tegelijkertijd (en binnen de kaders van artikel 4.2 Omgevingswet) worden toegestaan op een locatie. Dit maakt gemengde bestemmingen en specifieke functieaanduidingen (zoals die veelvuldig in bestemmingsplannen werden gebruikt) overbodig. In zoverre keren eigenlijk alleen de ‘zuivere enkelbestemmingen’ uit de bestemmingsplannen als gebruiksactiviteit terug in het Omgevingsplan.
Cultureel erfgoed
Voor cultureel erfgoed is dit wijzigingsbesluit niet een uitsluitend juridisch-technische wijziging. De bescherming voor gemeentelijke en provinciale monumenten blijft grotendeels vergelijkbaar met de regels uit de gemeentelijke VFL en de provinciale regels. Wel voorziet dit wijzigingsbesluit in een beschermingsregime voor de omgeving van het monument. De omgeving is gelegd rondom alle monumenten in het gebied en ook rondom een aantal met dit plan aan te wijzen beeldbepalende panden.
Bouwactiviteiten
Bouwactiviteiten zijn geregeld in een afzonderlijk hoofdstuk 7 van de regels. Voor bouwactiviteiten geldt dat de bouwactiviteit op zichzelf los staat van de gebruiksactiviteit. Voor het bouwen van bouwwerken geldt een algemene overkoepelende regeling. Voor zover een bepaalde gebruiksactiviteit vraagt om een afwijkende of aanvullende regeling wordt die verbijzondering in een aparte aanvullende regeling opgenomen. Datzelfde geldt voor mogelijke beperkingen van de algemene bouwregels, bijvoorbeeld omdat de beoogde locatie van het bouwwerk in een beperkingengebied ligt. De bouwmogelijkheden uit de geldende plannen zijn zoveel mogelijk overgenomen waarbij er voor de ‘omgeving van het monument’ beperkingen gelden en ter voorkoming van ontsiering of beschadiging van dit monumenten lagere bouwhoogtes van toepassing zijn.
Overgangs- en slotbepalingen
Een bijzondere categorie bij de overige regels zijn de anti-dubbeltelregel en de overgangs- en slotregels. Artikel 3.2.1 en artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening schreef dwingend het opnemen van het daar opgenomen overgangsrecht voor respectievelijk bouwwerken en gebruik in een bestemmingsplan voor. Deze instructieregel geldt niet voor het Omgevingsplan. Enerzijds kan dat verklaard worden vanuit het perspectief dat het Omgevingsplan (anders dan een bestemmingsplan) geen tijdshorizon heeft, anderzijds heeft een Omgevingsplan meer het karakter van een verordening en bovendien een meer locatiegerichte regeling mogelijk maakt. Om te voorkomen dat het overgangsrecht een soort verkapte bouw- of gebruiksactiviteit wordt zal het overgangsrecht in tijd beperkt moeten worden en gericht moeten zijn op beëindiging van het met het Omgevingsplan strijdige gebruik.
Doorwerking deelgebied Noord IV
Voor het bestaande, voornamelijk agrarische gebruik, in Noord IV wordt het standaard overgangsrecht opgenomen net als voor de bestaande industrie- en bedrijventerreinen. Het bestaande gebruik kan de komende jaren worden voortgezet.
Voor wat betreft het verhaal van kosten op initiatieven waarvoor een omgevingsvergunning binnen het bedrijventerrein Noord IV worden verleend, is gekozen voor het systeem zonder tijdvak. Op dit moment is namelijk nog niet duidelijk hoe de invulling precies zal plaatsvinden. Het kostenverhaal is nader uitgewerkt in Hoofdstuk 7 van deze motivering.
In de vorige paragraaf is toegelicht hoe de planologische activiteiten zijn vertaald in het Omgevingsplan en in welke opzichten de nieuwe regeling verschilt van het Omgevingsplan van rechtswege.
Zoals in de voorgaande paragrafen werd opgemerkt is steeds getracht om op de verschillende locaties binnen de deelgebieden geen wijzigingen aan te brengen in hetgeen in materiële zin aan gebruiksactiviteiten op die locatie is toegestaan. Waar meerdere gebruiksactiviteiten op grond van het bestemmingsplan (of tijdelijke deel van het Omgevingsplan) waren toegestaan, zullen die activiteiten afzonderlijk als toegestane gebruiksactiviteit terugkeren op die locatie. In zoverre wordt met dit wijzigingsbesluit beoogt datgene toe te staan wat voorheen ook al toegestaan was.
Met dit wijzigingsbesluit wordt voorzien in een omzetting van het bestaande planologische regime naar de nieuwe systematiek van de Omgevingswet, daarom moet ook voorzien worden in een regeling voor die situaties waarvoor een overgangsrechtelijke aanspraak gold onder het oude recht. In deze paragraaf wordt uiteengezet hoe daar in het omgevingsplan mee om wordt gegaan.
Anders dan onder de Wet ruimtelijke ordening is het met de invoering van de Omgevingswet niet langer verplicht en dus ook niet vanzelfsprekend om bouw- en gebruiksovergangsrecht op te nemen. Dat betekent ook dat de door de omgevingsplanwetgever gemaakte keuzes op het gebied van het overgangsrecht nadrukkelijk gemotiveerd moeten worden.[1] Voor een goed begrip van de aan de gemaakte keuzes ten grondslag liggende redenen en uitgangspunten zal in deze paragraaf kort ingegaan worden op de achtergrond van het overgangsrecht zoals dat op grond van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht moest worden opgenomen in een bestemmingsplan (of beheersverordening) en het ontbreken van een dergelijke verplichting in de Omgevingswet. Daarbij is het steeds goed om te bedenken dat met de Omgevingswet is beoogd een omgevingsplan een meer uitnodigend karakter te geven, waarbij bovendien geen tijdshorizon geldt.
Het één op één overnemen van het bouw- en gebruiksovergangsrecht uit het Besluit ruimtelijke ordening in het omgevingsplan zou in zoverre dan ook oneindig overgangsrecht betekenen. Daarmee zou dat overgangsrecht nagenoeg gelijk komen te staan met het positief ‘bestemmen’ of toestaan van die bouw- of gebruiksactiviteiten op die specifieke locatie, wat haaks staat op de overbruggende bedoeling van het overgangsrecht dat uiteindelijk gericht is op het beëindigen of juist expliciet toestaan van die bouw- of gebruiksactiviteiten. Daarbij is het bovendien maar de vraag hoe dat zich zou verhouden tot de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het andere uiterste - niet opnemen van overgangsrecht - betekent dat de met een wijzigingsbesluit in het omgevingsplan opgenomen regels direct na inwerkingtreding van dat wijzigingsbesluit (ook voor bestaande situaties) van toepassing zijn.
Omgevingsplanovergangsrecht volgens de wetgever
Anders dan in de Wro schrijft de Omgevingswet geen (standaard) overgangsbepalingen voor. In de Memorie van Toelichting bij de Omgevingswet[2] en de Nota van Toelichting bij het Omgevingsbesluit[3] komt tot uitdrukking dat het (anders dan in bestemmingsplannen) niet vanzelfsprekend is dat bestaande situaties bij een planologische wijziging onder het eerbiedigende overgangsrecht komen te vallen. Dat betekent evenwel niet dat in het geheel geen overgangsrecht in het omgevingsplan kan of moet worden opgenomen. Algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, alsmede het (Eerste Protocol bij) het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) brengen met zich mee dat bij wijziging van het omgevingsplan in beginsel een overgangsrechtelijke regeling wordt opgenomen.
Alleen als directe en onvoorwaardelijke werking van een regel gerechtvaardigd en wenselijk is kan worden afgezien van het opnemen van overgangsrecht.[4] Dat betekent ook dat een overgangsrechtelijke regeling, mede gelet op het bepaalde in artikel 4.2 van de Omgevingswet, net als de overige planregelingen naar aard en inhoud (en zoals in paragraaf 5.2.4 Aanwijzingen en annotaties ook aangegeven) fijnmaziger is en van locatie tot locatie kan verschillen.
Overgangsrecht en/of nadeelcompensatie?
Overgangsrecht is gericht op een beëindiging van een bepaalde activiteit binnen een bepaalde - bij het wijzigingsbesluit nader te bepalen - termijn. Net als onder de Wro is, zoals hierboven aangegeven, ook onder de Omgevingswet het uitgangspunt dat een overgangsrechtelijke bepaling gericht is op de beëindiging van die activiteit. Na afloop van de termijn zal dus een keuze moeten worden gemaakt: ofwel de onder het overgangsrecht vallende activiteit of functie moet worden toegestaan, of de activiteit moet worden beëindigd.
Voor zover een wijzigingsbesluit voorziet in een overgangsrechtelijke bepaling kan dat besluit onder omstandigheden aangemerkt worden als een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 4:126 Awb jo. artikel 15.1 Omgevingswet. Het nemen van een wijzigingsbesluit is immers een rechtmatige uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid. Zoals hieronder toegelicht wordt, vereisen verschillende soorten wijzigingen van het omgevingsplan ook verschillende soorten overgangsrechtelijke bepalingen. Omdat overgangsrechtelijke bepalingen meer ruimte kunnen geven voor maatwerk, biedt dat ook ruimte om mede met oog op het evenredigheidsbeginsel voorafgaand aan een wijzigingsbesluit afspraken te maken met betrokkenen over onder andere het aanbieden van nadeelcompensatie.
Uitgangspunten voor het overgangsrecht in het Omgevingsplan
De beleidsruimte die ontstaat als gevolg van het schrappen van de verplichting om standaard bepalingen van overgangsrecht op te nemen vraagt om een beleidsmatige keuze voor het opnemen van overgangsrecht in het omgevingsplan. Daarbij moet in grote lijnen worden bepaald in welke situaties welk type overgangsrechtelijke regeling opgenomen wordt. Juist omdat het overgangsrecht van locatie tot locatie kan verschillen en het omgevingsplan (in tegenstelling tot het instrumentarium onder de Wro) één geheel is, vraagt het gelijkheidsbeginsel om een solide motivering van de wijze waarop het bevoegd gezag, mede in het licht van de hierboven bedoelde rechtsbeginselen, invulling geeft aan die beleidsruimte.
Met betrekking tot het overgangsrecht kunnen grosso modo drie verschillende situaties worden onderscheiden: 1) de juridisch-technische omzetting van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het niet-tijdelijke deel van het omgevingsplan, 2) een wijzigingsbesluit om een geheel nieuwe ontwikkeling mogelijk te maken en 3) een transformatie van een bestaande situatie (al dan niet in combinatie met de juridisch-technische omzetting als bedoeld hierboven onder 1) naar een nieuwe ontwikkeling. De verschillende situaties vragen ook om een verschillende soorten overgangsrechtelijke regelingen.
1) De juridisch technische wijziging
Met dit wijzigingsbesluit wordt onder andere voorzien in het omzetten van de planologische bouw- en gebruiksregels voor de bovengenoemde deelgebieden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het niet-tijdelijke deel van het omgevingsplan (situatie 1). Omdat de in artikel 4.6, eerste lid, Invoeringswet bedoelde besluiten op grond van artikel 3.2.1 en artikel 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening verplicht regels over bouw- en gebruiksovergangsrecht moesten bevatten kan niet op voorhand worden uitgesloten dat er bestaande situaties zijn die onder dit bouw- en gebruiksovergangsrecht vallen. Gelet op de hierboven bedoelde (verdragsrechtelijke) rechtsbeginselen zal voor een algemene omzetting van de bouw- en gebruiksregels zoals met het onderhavige wijzigingsbesluit beoogd is een ruime overgangsrechtelijke regeling moeten worden opgenomen.
Bij bovenstaande moet bovendien in aanmerking worden genomen dat hoewel het omgevingsplan als instrument mogelijkheden biedt om per locatie en ook binnen afzonderlijke functies verschillende activiteiten toe te staan of juist uit te sluiten, bij de omzetting van het tijdelijke deel naar het niet-tijdelijke deel van het omgevingsplan het tijdelijke deel (en niet de feitelijk bestaande situatie) als uitgangspunt wordt genomen. Dit betekent ook dat voor zover de feitelijke situatie niet in overeenstemming is met het tijdelijke deel, dit dus ook voor het niet tijdelijke deel zal (gaan) gelden. Om te voorkomen dat dit voor bestaande situaties tot problemen leidt, is gekozen voor een ruime overgangsrechtelijke regeling die aansluit bij de algemeen gangbare looptijd voor hypothecaire leningen om te voorkomen dat mensen in de knel komen door dit wijzigingsbesluit. Voor bestaande situaties wordt aldus recht gedaan aan bovengenoemde (verdragsrechtelijke) rechtsbeginselen, terwijl voorkomen wordt dat het gebruik als zodanig de facto bij recht wordt toegestaan.
Voor bestaande situaties betekent dit echter wel dat opvolgend kopers (meer dan onder de Wro) zich bewust zullen moeten zijn van het belang dat de feitelijke situatie overeenkomt met de planologisch toegestane bouw- en gebruiksmogelijkheden. Voor makelaars, notarissen en andere partijen die bij vastgoedtransacties betrokken zijn zoals hypotheekverstrekkers wordt het daarom temeer belangrijk dat zij zich vergewissen van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van een bepaald object, juist omdat de omgevingsplanwetgever voor de overgangsrechtelijke bepalingen het wijzigingsbesluit voor het omzetten van het tijdelijke deel naar het niet-tijdelijke deel als peilmoment hanteert.
De overgangsrechtelijke regeling in dit wijzigingsbesluit ziet nadrukkelijk slechts op situaties die reeds onder de Wro tot stand gekomen zijn en aldus onder het voor 1 januari 2024 geldende planologische overgangsrecht vielen. Dat planologische overgangsrecht is op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet vanaf die datum van rechtswege onderdeel geworden van het omgevingsplan. Voor situaties die onder de vigeur van het tijdelijk deel onder het overgangsrecht zijn komen te vallen geldt in principe hetzelfde: dit overgangsrecht vervalt in principe van rechtswege op een bij AMvB te bepalen tijdstip.[5] Voor die situaties moet het wijzigingsbesluit daarom voorzien in een overgangsrechtelijke regeling.
2) Nieuwe ontwikkelingen
Voor nieuwe ontwikkelingen ligt een ruime overgangsrechtelijke regeling minder voor de hand. Bij nieuwe ontwikkelingen in deze zin moet vooral gedacht worden aan de zuivere ontwikkeling van nieuwe functies op tot dat moment onbebouwde locaties. Gewenste bouw- of gebruiksmogelijkheden kunnen bij de wijziging van een omgevingsplan voor een specifieke locatie bij recht worden toegestaan. Zoals hierboven eerder al genoemd is een omgevingsplan qua mogelijkheden en beperkingen voor een specifieke locatie veel fijnmaziger dan de instrumenten in de Wro.
Dat betekent ook dat specifieke bouw- en gebruiksmogelijkheden voor nieuwe ontwikkelingen op perceelniveau kunnen worden geregeld, waardoor, zeker voor nieuwe ontwikkelingen het opnemen van een overgangsrechtelijke bepaling niet, althans minder voor de hand ligt. De afwegingen die een omgevingsplanwetgever moet maken in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ziet daarbij hoofdzakelijk op de onderlinge verenigbaarheid van de aan de locaties toegedachte functies met bijbehorende bouw- en gebruiksmogelijkheden.
Voor zover toekomstige eigenaren of gebruikers van gronden of bouwwerken wijzigingen wensen kan dat met inachtneming van de in het omgevingsplan opgenomen regels (vergunningvrij of met een omgevingsvergunning voor een (binnenplanse) omgevingsplanactiviteit), met een wijziging van het omgevingsplan of met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Deze laatste moet overigens op grond van artikel 4.17 Ow, voor zover het een voortdurende omgevingsvergunning is voor a) het in stand houden van een bouwwerk, of andere omgevingsplanactiviteit die niet in overeenstemming is met de aan die locatie gegeven functieaanduiding binnen vijf jaar na onherroepelijk worden van die vergunning worden verwerkt in het omgevingsplan. In zoverre is het evenmin nodig om, voor zover het nieuwe ontwikkelingen betreft, een overgangsrechtelijke regeling op te nemen.
3) Transformaties
Transformaties vragen om maatwerk. Bestaande functies zijn niet altijd verenigbaar met aan locaties toegedachte functies. Onder de Crisis- en herstelwet hebben verschillende gemeenten vooruitlopend op het instrumentarium van de Omgevingswet al geëxperimenteerd met transformatiegebieden. De inwerkingtreding van de Omgevingswet biedt gemeenten ten opzichte van de regeling onder de Wro meer mogelijkheden. Uiteraard moeten gemeenten daarbij steeds rekening houden met de hierboven besproken (verdragsrechtelijke) rechtsbeginselen, maar binnen die kaders zijn er met de Omgevingswet wel meer mogelijkheden ontstaan. Zo biedt de Omgevingswet voor transformatiegebieden kansen voor de onder de Wro weinig populaire regeling van de voorlopige bestemming.
Met een overgangsrechtelijke regeling kan, bijvoorbeeld door het voorschrijven van faseringen (al dan niet via een aan het college gedelegeerde bevoegdheid met oog op flexibiliteit),[6] ervoor gezorgd worden dat onverenigbare functies op grond van het omgevingsplan niet gelijktijdig naast elkaar kunnen bestaan.
Overgangsrecht onder de Omgevingswet is, net als onder de Wro, immers gericht op beëindiging van de onder het overgangsrecht gebrachte (bouwwerk of) gebruik. In zoverre zal dit type overgangsrecht voor transformatiegebieden naar verwachting effectiever zijn in het bieden van een tijdelijke regeling voor de te beëindigen gebruiksactiviteit of het te verwijderen bouwwerk. Dat neemt niet weg dat het ook onder omgevingswet nodig is om in overleg te blijven met betrokkenen en hun eventueel tegemoetkomen door middel van een vergoeding van geleden schade.
Voor de aan de locatie toegedachte toekomstige functie geldt dat daarvoor de situatie geldt zoals hierboven onder 2 omschreven. Dergelijke toekomstige functies kunnen (mede door het transformatieovergangsrecht) vooraf goed in beeld gebracht worden, waardoor er in beginsel geen reden is voor het opnemen van specifieke overgangsrechtelijke regels. In dit wijzigingsbesluit is van een transformatie geen sprake.
4) Nieuwe regelgeving
Tot slot kan nog gedacht worden aan het scenario dat nieuwe (instructie)regels bij een nieuw wijzigingsbesluit in de weg staan aan het laten voortbestaan van een bepaalde functie op een locatie. In dat geval zal een opvolgend wijzigingsbesluit in een overgangsrechtelijke regeling moeten voorzien. Daarbij ligt het voor de hand om aansluiting te zoeken bij de hierboven beschreven derde typologie (‘Transformaties’) omdat met een maatwerkoplossing zal moeten worden gezocht naar een met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbare situatie. Dat kan betekenen dat een functie (op termijn) zal moeten verdwijnen, wat (anders dan in een bestemmingsplan onder de Wro) vraagt om een maatwerkoplossing. Hoewel die situatie (net als scenario 2) zich bij dit wijzigingsbesluit niet voordoet, illustreren deze typologieën in welke gevallen wel of niet voor het opnemen van een overgangsrechtelijke regeling kan worden gekozen en wat voor regeling in dat geval het meest voor de hand ligt.
Voor de deelgebieden industrie- en bedrijventerreinen voorziet dit wijzigingsbesluit hoofdzakelijk in een beleidsarme juridisch-technische wijziging waarbij het tijdelijke deel van het omgevingsplan (grotendeels) wordt omgezet naar het niet-tijdelijke deel. Dit betekent ook dat het omgevingsplan moet voorzien in een ruime overgangsrechtelijke regeling waarmee betrokkenen rechtszekerheid wordt geboden die enerzijds recht doet aan het doel van het overgangsrecht: beëindiging van een met het omgevingsplan strijdige situatie en anderzijds evenredig te achten is met oog op de gevolgen van dat overgangsrecht voor alle betrokkenen, mede in het licht van eerste protocol bij het EVRM.
Zoals hierboven aangegeven heeft een omgevingsplan (anders dan een bestemmingsplan) geen tijdshorizon en maakt het meer uitnodigende karakter van het omgevingsplan dat omgevingsplanovergangsrecht niet vanzelfsprekend is. Het omgevingsplan beoogt immers (veel) minder dan een bestemmingsplan te sturen op een in de toekomst beoogde eindsituatie en dus ook minder te sturen op beëindiging van bepaald gebruik of het verdwijnen van bepaalde bouwwerken. Als functiebeëindiging nodig is voor een toekomstige, aan een locatie toegedachte, functie kan het omgevingsplan voorzien in een specifiek op die locatie toegesneden overgangsregeling. Ten behoeve van verleende omgevingsvergunningen waarbij is afgeweken van een bestemmingsplan of beheersverordening geldt dat deze zoveel mogelijk zijn verwerkt bij deze juridische-technische wijziging. Dergelijke omgevingsvergunningen vallen daarmee buiten de reikwijdte van het overgangsrecht.
Voor gebruik (en/of bouwwerken) dat is ontstaan onder Wro en op enig moment onder het overgangsrecht is komen te vallen, is het wenselijk dat ook (na omzetting na het niet-tijdelijke deel) een overgangsrechtelijke bepaling als vangnet wordt opgenomen. Daarbij is gekozen voor een regeling die (in aansluiting op de maximale invulling van het overgangsrecht onder de Wro, alsmede op de gangbare looptijd van hypothecaire leningen) uitgaat van een ruime overgangstermijn van 30 jaar na inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit. Binnen die termijn hebben betrokkenen dan de mogelijkheid om het gebruik en/of de bouwwerken in overeenstemming te brengen met het omgevingsplan (of vice versa).
In de overgangsfase van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het niet tijdelijke deel van het omgevingsplan zullen verschillende regelingen van voor 1 januari 2024 vertaald worden naar een nieuwe regeling in het omgevingsplan Meppel. Het wijzigingsbesluit voor de deelgebieden Industrie- en bedrijventerreinen en Noord IV voorziet in een eerste vertaling. In deze paragraaf wordt gemotiveerd hoe dit wijzigingsbesluit zich verhoudt tot het bepaalde in hoofdstuk 22 van de Omgevingswet.
Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat (op grond van artikel 22.1 aanhef en onder a Ow en voor zover relevant voor de motivering van dit wijzigingsbesluit) uit: de besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet en de regels waarvoor op grond van artikel 22.1, aanhef en onder c jo. artikel 22.2, eerste lid Ow is bepaald dat ze tijdelijk deel uitmaken van het omgevingsplan.
Artikel 22.2 Ow voorziet in een overgangsrechtelijke regeling voor de gedecentraliseerde rijksregels (bruidsschat), terwijl artikel 22.6 Ow voorziet in een overgangsrechtelijke regeling voor de ruimtelijke decentrale regels in (o.a.) bestemmingsplannen en beheersverordeningen. Voor dit wijzigingsbesluit is vooral belangrijk dat in artikel 22.6, eerste lid, Ow is bepaald dat de daar bedoelde delen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan alleen alle tegelijk kunnen komen te vervallen. Aangezien de in artikel 22.2 Ow bedoelde gedecentraliseerde rijksregels daar niet genoemd worden kan met een wijzigingsbesluit óók slechts een gedeelte van de bruidsschat komen te vervallen.
Met dit wijzigingsbesluit worden de regels uit de bestemmingsplannen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan geheel vervangen door een nieuwe regeling in het niet-tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voor de bruidsschat geldt dat dit wijzigingsbesluit met name voorziet in een definitieve regeling voor de regels in Afdeling 22.2 (Activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen). Voor geluid worden voor alle terreinen van de bruidsschat afwijkende regels opgenomen. Zoals hierboven gemotiveerd wordt daarmee voorzien in een wijzigingsbesluit dat voldoet aan de randvoorwaarden die voortvloeien uit paragraaf 22.1.1 van de Omgevingswet.
Met dit wijzigingsbesluit worden geen regels uit lokale verordeningen in het omgevingsplan opgenomen. Zoals aangegeven in paragraaf 4.4.1 Verordening fysieke leefomgeving is het de bedoeling dat die regels met een afzonderlijk wijzigingsbesluit in het omgevingsplan geïntegreerd worden. Ook voorziet dit wijzigingsbesluit niet in een niet-tijdelijke regeling voor de gedecentraliseerde milieuregels in de bruidsschat.
Met de Omgevingswet komen alle aspecten van de fysieke leefomgeving samen. Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving en de mogelijke gevolgen daarop door de beoogde ontwikkeling. Thema's als gezondheid, veiligheid, geluid, natuur, bouw en water maken integraal deel uit van het omgevingsplan. Het hoofdstuk bevat een omschrijving van de uitgevoerde onderzoeken en de resultaten hiervan. Uitsluitend aspecten die voor de wijziging van het omgevingsplan relevant zijn dienen te worden genoemd. Hieronder staan alle thema's voor u bij elkaar.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient het omgevingsplan te voldoen aan artikel 14, aanhef en onder 5. van Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 376).
De Dienstenrichtlijn heeft betrekking op dienstverleners, wat verwijst naar natuurlijke personen of rechtspersonen die diensten aanbieden in de uitoefening van een economische activiteit. Het kan gaan om diverse soorten diensten, zoals zakelijke dienstverlening, toerisme, bouw, detailhandel, enzovoort.
Artikel 14 van de Dienstenrichtlijn bevat specifieke bepalingen met betrekking tot regels in omgevingsplannen. Onder artikel 14, aanhef en onder 5, wordt gesteld dat omgevingsplannen geen specifieke regels hoeven op te nemen die gericht zijn op dienstverleners.
Met deze wijziging van het omgevingsplan worden diensten mogelijk gemaakt. In de planregels die met deze wijziging worden doorgevoerd is rekening gehouden met de Dienstenrichtlijn en zijn er in beperkte mate specifieke regels worden opgenomen. Dit sluit aan op het gemeentelijke detailhandelsbeleid waar detailhandel zich vooral concentreert in de binnenstad en niet daarbuiten. Dit met uitzondering van de perifere detailhandel locaties, zoals op bedrijventerrein Blankenstein. Alleen daar waar in de geldende plannen specifieke vormen van detailhandel waren opgenomen zijn die regels ook weer in het omgevingsplan opgenomen.
Het waarborgen van de veiligheid is één van de thema’s die op grond van artikel 2.1 (lid 3) van de Omgevingswet deel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Met het omgevingsplan gemeente Meppel moet worden bijgedragen aan de doelen van de Omgevingswet en moet het omgevingsplan dus ook voldoende waarborgen voor de veiligheid bieden. In paragraaf 5.1.2 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen met de minimale vereisten voor de uitwerking van dit thema in de motivering van de wijziging en regels van het omgevingsplan. In de artikelen 5.3 tot en met 5.35 van de instructieregels wordt vervolgens ingegaan op de uitwerking die voor het subthema externe veiligheid rond risicobronnen als het basisnet, hogedruk aardgasleidingen, vuurwerkopslagen, ontplofbare stoffen en Seveso-activiteiten in het omgevingsplan moet worden opgenomen. Hiervoor geldt dat op grond van de instructieregel de norm voor het plaatsgebonden risico in acht moet worden genomen en geldt daarnaast een motiveringsplicht voor het mogelijk maken van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen (en locaties) binnen het aandachtsgebieden of risicozones rond dergelijke bronnen.
Behalve door het werken met, opslaan van of vervoeren van gevaarlijke stoffen, kunnen ook andere activiteiten binnen of buiten het deelgebied in kwestie aanleiding geven tot branden, rampen of crises. In de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan van Brandweer Nederland zijn hiervoor de volgende thema’s aangewezen:
bluswater en bereikbaarheid
externe veiligheid
natuurbranden
windturbines
overstroming en klimaatadaptatie
evenementen
het gebruik van gebouwen en
rookoverlast
Bij het opstellen van de wijziging van het omgevingsplan wordt aangesloten bij de uitwerking volgens de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan. Daarnaast is er op verschillende momenten tijdens de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan overleg geweest met de Veiligheidsregio Drenthe.
Naast de in het voorgaande beschreven Rijksbeleid en beleidslijn, heeft de gemeente Meppel in 2014 en gebiedsgericht beleid op de externe veiligheid vastgesteld: de Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeente Meppel.
Op grond van artikel 22.13 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Meppel, moet op ten hoogste 40 meter van de gebouwen een bluswatervoorziening aanwezig zijn. De Veiligheidsregio Drenthe maakt bij de hulpdienstverlening gebruik van bluswatervoertuigen die een eigen voorraad bluswater aan boord hebben. Daarom wordt artikel 22.13 van de bruidsschat zo aangepast, dat deze eis binnen het ambtsgebied van de gemeente Meppel komt te vervallen.
In de onderstaande figuur is het ambtsgebied van de gemeente Meppel ingetekend samen met natuurgebieden waar grote branden kunnen ontstaan, die een gevaar voor daar verblijvende personen kunnen vormen of maatschappelijke ontwrichting kunnen veroorzaken (paars ingekleurd). Uit deze figuur kan worden opgemaakt dat het ten noorden van de gemeente Meppel gelegen brandgevaarlijke natuurgebied Bisschopsberg op ruime afstand van het de bedrijventerreinen en industrieterreinen binnen Meppel ligt. Dit natuurgebied vormt daarom geen bedreiging voor de veiligheid van de gebruikers van de bedrijven- en industrieterreinen.
In de onderstaande afbeelding zijn de locaties van bestaande windturbines als rode stippen binnen en rond het ambtsgebied van de gemeente Meppel weergegeven.
Uit deze afbeelding kan worden opgemaakt dat deze windturbines op zodanig grote afstand van de bedrijven- en industrieterreinen liggen, dat daardoor geen nadelige gevolgen voor de veiligheid van de gebruikers van deze bedrijventerreinen en industrieterreinen samenhangen.
De VRD adviseert om in het omgevingsplan regels op te nemen over het maximale aantal aanwezige personen in gebouwen. In artikel 6.140 van het omgevingsplan van de gemeente Meppel is een beperking aan het aantal bewoners van woningen binnen de deelgebieden binnenstad, centrumschil en Noordpoort gesteld. In artikel 22.16 wordt voor het overige van het ambtsgebied een maximum aan het aantal bewoners van woningen gesteld. Voor andere gebouwen dan woningen is in het omgevingsplan geen beperking van het aantal aanwezigen opgenomen (met uitzondering van in geval van evenementen). De gebruiksactiviteiten die op industrieterrein Oevers worden toegestaan, maken het niet aannemelijk dat binnen de gebouwen op het industrieterrein zich grote aantallen personen zullen ophouden. Daarom is de gemeente Meppel van mening dat het niet nodig is om met planregels beperkingen aan het maximaal aantal aanwezigen in gebouwen te stellen om de veiligheid te waarborgen.
Om ontwrichtende gevolgen door excessieve rookoverlast gedurende langere tijd te voorkomen, worden in het omgevingsplan regels opgenomen over de maximaal toelaatbare hoeveelheid niet milieugevaarlijk brandbaar materiaal op het buitenterrein van bedrijven. Daarmee wordt de veiligheid van gebruikers van de bedrijventerreinen en industrieterreinen voldoende gewaarborgd.
Binnen bedrijventerreinen Blankenstein en Rogat en de industrieterreinen Oevers en Spijkerserge zijn op grond van het omgevingsplan van de gemeente Meppel alleen evenementen van categorie A bij recht toegestaan. Daarmee is de veiligheid van gebruikers van het industrieterrein bij evenementen voldoende gewaarborgd. Op de evenementen die op bedrijventerrein Noord zijn toegestaan, wordt in het onderstaande teruggekomen.
De VRD heeft blauwdrukregels opgesteld, waarin aanvullende eisen gesteld worden over het aantal ontsluitingsroutes naar deze gebouwen, het profiel van vrije ruimte en de draagkracht van deze wegen. Deze regels zijn overgenomen in artikel 7.11 van het omgevingsplan van de gemeente Meppel. Op grond van lid 2, onder d van dit artikel hoeft de eigenaar van een gebouw op eigen terrein geen opstelplaats te realiseren als dit gebouw binnen 10 meter van een openbare weg ligt. Uit de onderstaande analyse voor industrieterrein Oevers kan worden opgemaakt dat voor het merendeel van de gebouwen geldt dat deze binnen 10 meter van een openbare weg liggen.
Voor de gebouwen die op grotere afstand dan 10 meter van de openbare weg liggen geldt dat het terrein rond deze gebouwen voor in ieder geval een deel is voorzien van verharding, zodat deze geschikt zijn als opstelplaats. In de bestaande situatie, die met de wijziging van het omgevingsplan opnieuw mogelijk is gemaakt, wordt dus voldaan aan artikel 7.11 van het omgevingsplan van de gemeente Meppel.
In de onderstaande figuur is een overzicht opgenomen van alle contouren voor het plaatsgebonden risico waar de kans op overlijden van een persoon door een ongewenste gebeurtenis ééns in de 106 jaar is.
Op grond van artikel 5.7, lid 1 van het Bkl moet in een omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht genomen worden van ten hoogste 1 op 106 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Geen van de in de bovenstaande figuur weergegeven gebouwen die door de (rode) pr-10-6-contouren worden geraakt is aan te merken als zeer kwetsbaar of kwetsbaar. Binnen het industrieterrein Oevers wordt dus aan deze instructieregel voldaan.
Op grond van artikel 5.11 van het Bkl moet in het omgevingsplan rekening gehouden worden met het plaatsgebonden risico van 1 op 106 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen. Uit de bovenstaande figuur kan worden opgemaakt dat binnen Oevers verschillende bedrijfsgebouwen binnen een pr-10-6-contour vallen. Dit zijn gebouwen die respectievelijk in 1980 en 2007 in gebruik zijn genomen. Op grond van artikel 5.3a, lid 1 jo artikel 5.2 van het Bkl, leidt in dat geval de instructieregel uit artikel 5.11 er niet toe dat de betreffende panden moeten worden gesaneerd of er maatregelen moeten worden getroffen om aan de instructieregel te voldoen. In beide gevallen (parkeerterrein bij LPG-vulpunt en een buitenopslag bij propaantanks) is het gebruik van de buitenruimte zo extensief, dat naar de mening van de gemeente sprake is van een aanvaardbare situatie.
In de onderstaande figuur zijn activiteiten met gevaarlijke stoffen op de bedrijven- en industrieterreinen van de gemeente Meppel en brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden rond risicovolle activiteiten op industrieterrein Oevers weergegeven.
Uit de bovenstaande figuur kan worden opgemaakt dat binnen industrieterrein Oevers één gifwolkaandachtsgebied ligt (blauwe cirkel), verschillende explosie-aandachtsgebieden (groene cirkels) en verschillende brandaandachtsgebieden (oranje cirkels en contouren) liggen. Daarnaast zijn er worden er op industrieterrein Oevers verschillende risicovolle activiteiten uitgevoerd, waaronder:
een meet- en regelstation voor aardgas
verschillende opslagen van gevaarlijke stoffen
een lpg-tankstation
transport van aardgas onder hoge druk door een ondergrondse buisleiding.
Binnen de aandachtsgebieden rond een aantal van deze activiteiten liggen geen zeer kwetsbare gebouwen. Wel liggen er verschillende kwetsbare gebouwen (bedrijfswoningen) en beperkt kwetsbare gebouwen (bedrijfspanden) binnen de brand- en explosie-aandachtsgebieden rond enkele van deze risicovolle activiteiten. Op grond van artikel 5.14 van het Bkl moet de gemeente overwegen of binnen het brand- en/of explosie-aandachtsgebied een zogenoemd voorschriftengebied moet worden vastgesteld. Het vaststellen van een voorschriftengebied maakt dat op de bouw van gebouwen binnen dit voorschriftengebied, de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Bbl van toepassing zijn. Op grond van deze Bbl-regels moeten bij de nieuwbouw van gebouwen aanvullende brand- en explosiebestendige constructiedelen worden toegepast. In overleg met de VRD en Omgevingsdienst Drenthe heeft de gemeente Meppel besloten dat dergelijke eisen aan gebouwen niet nodig zijn om de veiligheid van de gebruikers van (nieuw te bouwen) gebouwen te borgen. Tijdige attendering bij calamiteiten en veiligheidscommunicatie is hiervoor voldoende.
In het omgevingsplan van de gemeente Meppel worden daarom geen regels opgenomen om de externe veiligheid binnen industrieterrein Oevers te borgen.
In de onderstaande figuur is de kans op overstroming binnen industrieterrein Oevers weergegeven:
geel gekleurde gebieden overstromen niet,
groen gekleurde gebieden hebben een kans op overstromen van ééns in de 100.000 jaar
turkoois gekleurde gebieden hebben een kans op overstromen van ééns in de 1000 jaar
blauw gekleurde gebieden hebben een kans op overstromen van ééns in de 100 jaar.
Uit deze afbeelding kan worden afgeleid dat binnen industrieterrein Oevers, langs de Bremenbergweg sprake is van een overstromingskans van ééns in de 1.000 jaar. In geval van een overstroming is in dit gebied de waterdiepte kleiner dan 50 cm, zodat het gebied goed bereikbaar blijft voor hulpdiensten. Bij een regenbouw van 70 millimeter per 2 uur bedraagt de maximale waterdiepte binnen industrieterrein Oevers 30 cm, zoals geïllustreerd met de onderstaande figuur.
Daarom is in geval van overstroming of een regenbui de hulpdienstverlening en daarmee ook de veiligheid van gebruikers van industrieterrein Oevers geborgd.
De VRD heeft blauwdrukregels opgesteld, waarin aanvullende eisen gesteld worden over het aantal ontsluitingsroutes naar deze gebouwen, het profiel van vrije ruimte en de draagkracht van deze wegen. Deze regels zijn overgenomen in artikel 7.11 van het omgevingsplan van de gemeente Meppel. Op grond van lid 2, onder d van dit artikel hoeft de eigenaar van een gebouw op eigen terrein geen opstelplaats te realiseren als dit gebouw binnen 10 meter van een openbare weg ligt. Uit de onderstaande analyse voor industrieterrein Spijkerserve kan worden opgemaakt dat voor het merendeel van de gebouwen geldt dat deze binnen 10 meter van een openbare weg liggen.
Voor de gebouwen die op grotere afstand dan 10 meter van de openbare weg liggen geldt dat het terrein rond deze gebouwen voor in ieder geval een deel is voorzien van verharding, zodat deze geschikt zijn als opstelplaats. In de bestaande situatie, die met de wijziging van het omgevingsplan opnieuw mogelijk is gemaakt, wordt dus voldaan aan artikel 7.11 van het omgevingsplan van de gemeente Meppel.
Binnen industrieterrein Spijkerserve liggen geen contouren voor het plaatsgebonden risico waar de kans op overlijden van een persoon door een ongewenste gebeurtenis ééns in de 106 jaar is.
In de onderstaande figuur zijn activiteiten met gevaarlijke stoffen op industrieterrein Spijkerserve weergegeven. Aan de Namweg is een propaantank in gebruik, waar rond de tank een brand- en explosieaandachtsgebied geldt.
Binnen de aandachtsgebieden rond deze activiteit ligt één beperkt kwetsbaar gebouw. Op grond van artikel 5.14 van het Bkl moet de gemeente overwegen of binnen het brand- en/of explosie-aandachtsgebied een zogenoemd voorschriftengebied moet worden vastgesteld. Het vaststellen van een voorschriftengebied maakt dat op de bouw van gebouwen binnen dit voorschriftengebied, de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Bbl van toepassing zijn. Op grond van deze Bbl-regels moeten bij de nieuwbouw van gebouwen aanvullende brand- en explosiebestendige constructiedelen worden toegepast. In overleg met de VRD en Omgevingsdienst Drenthe heeft de gemeente Meppel besloten dat dergelijke eisen aan gebouwen niet nodig zijn om de veiligheid van de gebruikers van (nieuw te bouwen) gebouwen te borgen. Tijdige attendering bij calamiteiten en veiligheidscommunicatie is hiervoor voldoende.
In het omgevingsplan van de gemeente Meppel worden daarom geen regels opgenomen om de externe veiligheid binnen industrieterrein Spijkerserve te borgen.
In de onderstaande figuur is de kans op overstroming binnen industrieterrein Spijkerserve weergegeven:
geel gekleurde gebieden overstromen niet,
groen gekleurde gebieden hebben een kans op overstromen van ééns in de 100.000 jaar
turkoois gekleurde gebieden hebben een kans op overstromen van ééns in de 1000 jaar
blauw gekleurde gebieden hebben een kans op overstromen van ééns in de 100 jaar.
Uit deze afbeelding kan worden afgeleid dat binnen industrieterrein Spijkerserve sprake is van een overstromingskans van ééns in de 100.000 jaar. In geval van een overstroming is in dit gebied de waterdiepte kleiner dan 50 cm, zodat het gebied goed bereikbaar blijft voor hulpdiensten. Bij een regenbouw van 70 millimeter per 2 uur bedraagt de maximale waterdiepte binnen industrieterrein Spijkerserve 30 cm, zoals geïllustreerd met de onderstaande figuur.
Daarom is in geval van overstroming of een regenbui de hulpdienstverlening en daarmee ook de veiligheid van gebruikers van industrieterrein Spijkerserve geborgd.
De VRD heeft blauwdrukregels opgesteld, waarin aanvullende eisen gesteld worden over het aantal ontsluitingsroutes naar deze gebouwen, het profiel van vrije ruimte en de draagkracht van deze wegen. Deze regels zijn overgenomen in artikel 7.11 van het omgevingsplan van de gemeente Meppel. Op grond van lid 2, onder d van dit artikel hoeft de eigenaar van een gebouw op eigen terrein geen opstelplaats te realiseren als dit gebouw binnen 10 meter van een openbare weg ligt. Uit de onderstaande analyse voor de bedrijventerreinen Noord I, Noord II en Noord III kan worden opgemaakt dat voor het merendeel van de gebouwen geldt dat deze binnen 10 meter van een openbare weg liggen.
Voor de gebouwen die op grotere afstand dan 10 meter van de openbare weg liggen geldt dat het terrein rond deze gebouwen voor in ieder geval een deel is voorzien van verharding, zodat deze geschikt zijn als opstelplaats. In de bestaande situatie, die met de wijziging van het omgevingsplan opnieuw mogelijk is gemaakt, wordt dus voldaan aan artikel 7.11 van het omgevingsplan van de gemeente Meppel.
Binnen de bedrijventerreinen Noord I, Noord II en Noord III liggen geen contouren voor het plaatsgebonden risico waar de kans op overlijden van een persoon door een ongewenste gebeurtenis ééns in de 106 jaar is.
In de onderstaande figuur zijn activiteiten met gevaarlijke stoffen op de bedrijventerreinen Noord I, Noord II en Noord III weergegeven.
Binnen de brand- en explosie-aandachtsgebieden rond het spoor en de snelweg, liggen verschillende beperkt kwetsbare gebouwen. Binnen Noord III kunnen binnen deze aandachtsgebieden verschillende nieuwe beperkt kwetsbare gebouwen worden gerealiseerd. Op grond van artikel 5.14 van het Bkl moet de gemeente overwegen of binnen het brand- en/of explosie-aandachtsgebied een zogenoemd voorschriftengebied moet worden vastgesteld. Het vaststellen van een voorschriftengebied maakt dat op de bouw van gebouwen binnen dit voorschriftengebied, de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Bbl van toepassing zijn. Op grond van deze Bbl-regels moeten bij de nieuwbouw van gebouwen aanvullende brand- en explosiebestendige constructiedelen worden toegepast. In overleg met de VRD en Omgevingsdienst Drenthe heeft de gemeente Meppel besloten dat dergelijke eisen aan gebouwen niet nodig zijn om de veiligheid van de gebruikers van (nieuw te bouwen) gebouwen te borgen. Tijdige attendering bij calamiteiten en veiligheidscommunicatie is hiervoor voldoende.
In het omgevingsplan van de gemeente Meppel worden daarom geen regels opgenomen om de externe veiligheid binnen de bedrijventerreinen Noord I, II en III te borgen.
In de onderstaande figuur is de kans op overstroming binnen de bedrijventerreinen Noord I, II en III weergegeven:
geel gekleurde gebieden overstromen niet,
groen gekleurde gebieden hebben een kans op overstromen van ééns in de 100.000 jaar
turkoois gekleurde gebieden hebben een kans op overstromen van ééns in de 1000 jaar
blauw gekleurde gebieden hebben een kans op overstromen van ééns in de 100 jaar.
Uit deze afbeelding kan worden afgeleid dat binnen de bedrijventerreinen Noord I, II en III sprake is van een overstromingskans van ééns in de 100.000 jaar. In geval van een overstroming is in dit gebied de waterdiepte kleiner dan 50 cm, zodat het gebied goed bereikbaar blijft voor hulpdiensten. Bij een regenbouw van 70 millimeter per 2 uur bedraagt de maximale waterdiepte binnen de bedrijventerreinen Noord I, II en III 30 cm, zoals geïllustreerd met de onderstaande figuur.
Daarom is in geval van overstroming of een regenbui de hulpdienstverlening en daarmee ook de veiligheid van gebruikers van Noord I, II en III geborgd.
Op grond van artikel 22.13 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Meppel, moet op ten hoogste 40 meter van de gebouwen een bluswatervoorziening aanwezig zijn. Bij de aanleg van het bedrijventerrein zal de gemeente daar samen met het Waterschap in voorzien.
De VRD heeft daarnaast blauwdrukregels opgesteld, waarin aanvullende eisen gesteld worden over het aantal ontsluitingsroutes naar deze gebouwen, het profiel van vrije ruimte en de draagkracht van deze wegen. Deze regels vormen één van de uitgangspunten die zijn gebruikt bij het stedenbouwkundige ontwerp dat voor Noord IV is gemaakt. In de onderstaande figuur is een indicatief stedenbouwkundig ontwerp van Noord IV opgenomen, om na te gaan hoe de bereikbaarheid voor hulpdiensten binnen dit deelgebied zal uitpakken.
Zoals uit de bovenstaande afbeelding kan worden opgemaakt, zal de hoofdstructuur van de wegen binnen het bedrijventerrein zo worden ingericht, dat alle aanpalende bebouwing binnen 10 meter van één van deze wegen ligt. De in de bovenstaande figuur ingetekende bouwblokken zullen in de feitelijk gerealiseerde situatie bestaan uit verschillende afzonderlijke bedrijfsgebouwen. Om ervoor te zorgen dat ook binnen 10 meter van deze bedrijfsgebouwen een opstelplaats beschikbaar is, als dit gebouw op meer dan 10 meter van de hoofdinfrastructuur ligt, worden regels aan het omgevingsplan verbonden.
Binnen bedrijventerrein Noord IV liggen geen contouren voor het plaatsgebonden risico waar de kans op overlijden van een persoon door een ongewenste gebeurtenis ééns in de 106 jaar is.
In de onderstaande figuur zijn activiteiten met gevaarlijke stoffen op de bedrijventerreinen Noord I, Noord II en Noord III weergegeven.
Binnen de brand- en explosie-aandachtsgebieden rond de hogedruk aardgasleiding en de snelweg die binnen het bedrijventerrein liggen, zal de bouw van beperkt kwetsbare gebouwen worden toegestaan. Op grond van artikel 5.14 van het Bkl moet de gemeente overwegen of binnen het brand- en/of explosie-aandachtsgebied een zogenoemd voorschriftengebied moet worden vastgesteld. Het vaststellen van een voorschriftengebied maakt dat op de bouw van gebouwen binnen dit voorschriftengebied, de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Bbl van toepassing zijn. Op grond van deze Bbl-regels moeten bij de nieuwbouw van gebouwen aanvullende brand- en explosiebestendige constructiedelen worden toegepast. In overleg met de VRD en Omgevingsdienst Drenthe heeft de gemeente Meppel besloten dat dergelijke eisen aan gebouwen niet nodig zijn om de veiligheid van de gebruikers van (nieuw te bouwen) gebouwen te borgen. Tijdige attendering bij calamiteiten en veiligheidscommunicatie is hiervoor voldoende.
In het omgevingsplan van de gemeente Meppel worden daarom geen regels opgenomen om de externe veiligheid binnen bedrijventerrein Noord IV te borgen.
In de onderstaande figuur is de kans op overstroming binnen het bedrijventerrein Noord IV weergegeven:
geel gekleurde gebieden overstromen niet,
groen gekleurde gebieden hebben een kans op overstromen van ééns in de 100.000 jaar
turkoois gekleurde gebieden hebben een kans op overstromen van ééns in de 1000 jaar
blauw gekleurde gebieden hebben een kans op overstromen van ééns in de 100 jaar.
Uit deze afbeelding die is ontleend aan de Atlas van de leefomgeving kan worden afgeleid dat binnen bedrijventerrein Noord IV overstromingskans nihil is.
Bij een regenbouw van 70 millimeter per 2 uur bedraagt de maximale waterdiepte binnen bedrijventerrein Noord IV ten hoogste 10 cm, zoals geïllustreerd met de onderstaande figuur.
Daarom is in geval van overstroming of een regenbui de hulpdienstverlening en daarmee ook de veiligheid van gebruikers van bedrijventerrein Noord IV geborgd.
De VRD heeft blauwdrukregels opgesteld, waarin aanvullende eisen gesteld worden over het aantal ontsluitingsroutes naar deze gebouwen, het profiel van vrije ruimte en de draagkracht van deze wegen. Deze regels zijn overgenomen in artikel 7.11 van het omgevingsplan van de gemeente Meppel. Op grond van lid 2, onder d van dit artikel hoeft de eigenaar van een gebouw op eigen terrein geen opstelplaats te realiseren als dit gebouw binnen 10 meter van een openbare weg ligt. Uit de onderstaande analyse voor bedrijventerrein Blankenstein kan worden opgemaakt dat voor het merendeel van de gebouwen geldt dat deze binnen 10 meter van een openbare weg liggen.
Voor de gebouwen die op grotere afstand dan 10 meter van de openbare weg liggen geldt dat het terrein rond deze gebouwen voor in ieder geval een deel is voorzien van verharding, zodat deze geschikt zijn als opstelplaats. In de bestaande situatie, die met de wijziging van het omgevingsplan opnieuw mogelijk is gemaakt, wordt dus voldaan aan artikel 7.11 van het omgevingsplan van de gemeente Meppel.
Binnen de begrenzing van bedrijventerrein Blankenstein liggen geen contouren voor het plaatsgebonden risico waar de kans op overlijden van een persoon door een ongewenste gebeurtenis ééns in de 106 jaar is.
In de onderstaande figuur zijn de brandaandachtsgebieden binnen en rond de begrenzing van bedrijventerrein Blankenstein weergegeven.
Uit deze afbeelding kan worden opgemaakt dat binnen het bedrijventerrein Blankenstein geen gebouwen binnen het brandaandachtsgebied liggen.
In de onderstaande afbeelding zijn de explosieaandachtsgebieden binnen de begrenzing van het bedrijventerrein Blankenstein weergegeven.
Op grond van artikel 5.14 van het Bkl moet de gemeente overwegen of binnen het brand- en/of explosie-aandachtsgebied een zogenoemd voorschriftengebied moet worden vastgesteld. Het vaststellen van een voorschriftengebied maakt dat op de bouw van gebouwen binnen dit voorschriftengebied, de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Bbl van toepassing zijn. Op grond van deze Bbl-regels moeten bij de nieuwbouw van gebouwen aanvullende brand- en explosiebestendige constructiedelen worden toegepast. In overleg met de VRD en Omgevingsdienst Drenthe heeft de gemeente Meppel besloten dat dergelijke eisen aan gebouwen niet nodig zijn om de veiligheid van de gebruikers van (nieuw te bouwen) gebouwen te borgen. Tijdige attendering bij calamiteiten en veiligheidscommunicatie is hiervoor voldoende.
Op grond van artikel 5.14, lid 5 van het Bkl geldt het brandaandachtsgebied langs de spoorlijn tussen Meppel en Hoogeveen als brandvoorschriftengebied van rechtswege. Binnen dit voorschriftengebied zijn de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Bbl dus van toepassing op de bouw van bouwwerken.
In het omgevingsplan van de gemeente Meppel worden daarom geen regels opgenomen om de externe veiligheid binnen de bedrijventerreinen Noord I, II en III te borgen.
In de onderstaande figuur is de kans op overstroming binnen bedrijventerrein Blankenstein weergegeven:
geel gekleurde gebieden overstromen niet,
groen gekleurde gebieden hebben een kans op overstromen van ééns in de 100.000 jaar
turkoois gekleurde gebieden hebben een kans op overstromen van ééns in de 1000 jaar
blauw gekleurde gebieden hebben een kans op overstromen van ééns in de 100 jaar.
Uit deze afbeelding kan worden afgeleid dat voor het merendeel van het bedrijventerrein Blankenstein een overstromingskans van ééns in de 1000 jaar geldt. In geval van een overstroming is in dit gebied de waterdiepte kleiner dan 50 cm, zodat het gebied goed bereikbaar blijft voor hulpdiensten. Bij een regenbouw van 70 millimeter per 2 uur bedraagt de maximale waterdiepte binnen bedrijventerrein Blankenstein 30 cm, zoals geïllustreerd met de onderstaande figuur.
Daarom is in geval van overstroming of een regenbui de hulpdienstverlening en daarmee ook de veiligheid van gebruikers van bedrijventerrein Blankenstein geborgd.
De VRD heeft blauwdrukregels opgesteld, waarin aanvullende eisen gesteld worden over het aantal ontsluitingsroutes naar deze gebouwen, het profiel van vrije ruimte en de draagkracht van deze wegen. Deze regels zijn overgenomen in artikel 7.11 van het omgevingsplan van de gemeente Meppel. Op grond van lid 2, onder d van dit artikel hoeft de eigenaar van een gebouw op eigen terrein geen opstelplaats te realiseren als dit gebouw binnen 10 meter van een openbare weg ligt. Uit de onderstaande analyse voor bedrijventerrein Rogat kan worden opgemaakt dat voor het merendeel van de gebouwen geldt dat deze binnen 10 meter van een openbare weg liggen.
Voor de gebouwen die op grotere afstand dan 10 meter van de openbare weg liggen geldt dat het terrein rond deze gebouwen voor in ieder geval een deel is voorzien van verharding, zodat deze geschikt zijn als opstelplaats. In de bestaande situatie, die met de wijziging van het omgevingsplan opnieuw mogelijk is gemaakt, wordt dus voldaan aan artikel 7.11 van het omgevingsplan van de gemeente Meppel.
Binnen het bedrijventerrein Rogat liggen drie contouren voor het plaatsgebonden risico waar de kans op overlijden van een persoon door een ongewenste gebeurtenis ééns in de 106 jaar is. Deze contouren liggen op het buitenterrein ten noorden en noordoosten van restaurant
In de onderstaande figuur zijn activiteiten met gevaarlijke stoffen op het bedrijventerrein Rogat en de omgeving daarvan weergegeven, met inbegrip van de daarbij behorende contouren.
Binnen de brand- en explosie-aandachtsgebieden rond de snelweg, de hoge druk aardgasleiding en het LPG-tankstation bij wegrestaurant annex hotel De Raket, liggen verschillende beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen. Op grond van artikel 5.14 van het Bkl moet de gemeente overwegen of binnen het brand- en/of explosie-aandachtsgebied een zogenoemd voorschriftengebied moet worden vastgesteld. Het vaststellen van een voorschriftengebied maakt dat op de bouw van gebouwen binnen dit voorschriftengebied, de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Bbl van toepassing zijn. Op grond van deze Bbl-regels moeten bij de nieuwbouw van gebouwen aanvullende brand- en explosiebestendige constructiedelen worden toegepast. In overleg met de VRD en Omgevingsdienst Drenthe heeft de gemeente Meppel besloten dat dergelijke eisen aan gebouwen niet nodig zijn om de veiligheid van de gebruikers van (nieuw te bouwen) gebouwen te borgen. Tijdige attendering bij calamiteiten en veiligheidscommunicatie is hiervoor voldoende.
In het omgevingsplan van de gemeente Meppel worden daarom geen regels opgenomen om de externe veiligheid binnen bedrijventerrein Rogat te borgen.
In de onderstaande figuur is de kans op overstroming binnen de bedrijventerreinen Noord I, II en III weergegeven:
geel gekleurde gebieden overstromen niet,
groen gekleurde gebieden hebben een kans op overstromen van ééns in de 100.000 jaar
turkoois gekleurde gebieden hebben een kans op overstromen van ééns in de 1000 jaar
blauw gekleurde gebieden hebben een kans op overstromen van ééns in de 100 jaar.
Uit deze afbeelding kan worden afgeleid dat binnen bedrijventerrein Rogat het risico op overstroming nihil is.
Bij een regenbui van 70 millimeter per 2 uur bedraagt de maximale waterdiepte binnen bedrijventerrein Rogat 30 cm, zoals geïllustreerd met de onderstaande figuur.
Daarom is in geval van overstroming of een regenbui de hulpdienstverlening en daarmee ook de veiligheid van gebruikers van bedrijventerrein Rogat geborgd.
De belangrijkste consequentie van de Omgevingswet voor het (stedelijk) waterbeheer is dat de beleidsvrijheid van gemeenten en waterschappen verder toeneemt. Als gevolg van deregulering is een deel van de nationale regelgeving op gebied van waterbeheer uitgewerkt in de bruidsschat van het omgevingsplan en deels onder verantwoordelijkheid gekomen van het Waterschap. Het gaat daarbij onder andere om de regels voor lozingen in de riolering, op of in de bodem en op het oppervlaktewater en het aansluiten op de riolering.
De Waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Samen met het omgevingsplan bevat de Waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau voor verschillende activiteiten die van invloed kunnen zijn op de waterkwaliteit, waterkwantiteit en de waterberging. Voor het ambtsgebied van de gemeente Meppel is het waterschap Drents Overijsselse Delta het bevoegde gezag. Dit waterschap heeft vanaf inwerkingtreding van de Omgevingswet twee verordeningen: de Waterschapsverordening (combinatie van de huidige Keur en Algemene regels, maar zonder bepalingen over onderhoudsplichten) en de Onderhoudsverordening (ontleend aan de Keur). In de Waterschapsverordening zijn regels opgenomen over beperkingengebied activiteiten, wateronttrekkingsactiviteiten, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuivering technisch werk. Voor de gemeente Meppel zijn dus de Waterschapsverordening en de Onderhoudsverordening van het waterschap Drents-Overijsselse Delta van toepassing.
In de waterschapsverordening van het waterschap Drents-Overijsselse Delta zijn regels opgenomen over:
aanwijzing en begrenzing van beperkingengebieden (waar bepalingen van toepassing zijn)
normadressaat (tot wie de verordening is gericht)
waterontrekkingsactiviteiten
lozingsactiviteiten
calamiteiten
waterveiligheid
specifieke zorgplicht en maatwerkvoorschriften
gegevens en bescheiden die bepaalde situatie verstrekt moeten worden
beoordelingsregels voor de behandeling van vergunningaanvragen en algemene voorschriften omgevingsvergunning
In het gebied waar het wijzigingsbesluit op toe ziet, ligt een waterkering met een beperkingengebied.
Uitgangspunt is dat voor activiteiten waarvoor een wijziging van het omgevingsplan nodig is, geen regels ter bescherming van de waterbelangen hoeven (of zelfs mogen) worden opgenomen als dit al in de Waterschapsverordening is geregeld. Voor bepaalde aspecten zijn wel regels nodig in het omgevingsplan.
In de waterschapsverordening zitten geen instructieregels voor een omgevingsplan. De beperkingsgebieden voor waterkeringen staat wel beschreven met een beschermingszones A en B. Voor deze gebieden gelden belemmeringen qua bouwen en aanleggen maar in sommige gevallen ook qua gebruik. Vaak geldt daarnaast een vergunningplicht voor bepaald gebruik of bepaalde bouw- of aanlegactiviteiten. Het waterschap is hiervoor het bevoegde gezag. In het omgevingsplan worden deze regels niet opgenomen, mede omdat er geen instructieregels zijn. Daarnaast moet bij iedere wijziging in de waterschapsverordening de regels in het omgevingsplan van de gemeente tegen het licht gehouden worden.
Inleiding
In opdracht van de gemeente Meppel heeft RB-water een waternotitie opgesteld. De uitgangspunten van een eerdere verkenning naar de uitgangspunten voor een klimaat robuuste inrichting van het gebied vertaald naar de toekomstige waterhuishouding in het gebied en concrete uitgangspunten voor het ontwerp (zie bijlage E en bijlage G bij deze motivering). Navolgend zijn de belangrijkste uitgangspuntenpunten uit het rapport van RB-Water beschreven. Voor de inhoudelijke onderbouwing wordt verwezen naar voornoemde rapportage dat is opgenomen in de bijlage.
Omgevingsaspecten
Bodem en grondwater
De bodem bestaat uit overwegend Beekeerdgrond die voornamelijk is opgebouwd uit lemig fijn zand. Verder komen er ook moerige eerdgronden en Meerveengronden voor. Hierbij liggen moerige of veendelen op zand. De bovengrond blijkt op tot 0,2 à 0,50 meter beneden maaiveld te zijn opgebouwd uit een deklaag van zwak tot matig humus, fijn zand. Deze lagen kunnen lokaal zeer sterk variëren. Daaronder is ook veen en ijzerroer aangetroffen. Lokaal kan de veenlaag tot meer dan 3 meter beneden maaiveld doorlopen.
De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) wordt verwacht op een diepte van 0,4 tot 0,8 meter beneden maaiveld. De Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) wordt verwacht op een diepte van 0,8 tot 1,5 meter beneden maaiveld.
De planlocatie ligt niet een grondwaterbeschermings-, grondwaterwin-, 100-jaatrszone, intrekgebied of boringsvrijezone.
Oppervlaktewater
Aan de oost-/zuidoostzijde van het plangebied ligt het kanaal ‘Oude Vaart’. Centraal in de planlocatie en daaraan grenzend liggen diverse primaire watergangen. Daarnaast bevind zich ook een schotbalkstuw zich aan de noordzijde. Daarnaast ligt aan de noordzijde ook nog een secundaire watergang. In het peilgebied geldt een minimaalpeil van 0,60 meter -NAP en een maximaalpeil van 0,25 m -NAP.
De primaire watergangen hebben een beschermingszone van 5 meter. Binnen de beschermingszones gelden conform de waterschapsverordening van Waterschap Drents Overijsselse Waterschap beperkingen voor bouwen en aanleggen ter bescherming van en om onderhoud van de watergang mogelijk te houden.
Veiligheid en waterkeringen
In het plangebied ligt rondom de Oude Vaart een beperkingengebied op grond van de waterschapsverordening in verband met een waterkering. In de inrichtingsschets is hier rekening mee gehouden door een groene inpassing langs de Oude Vaart. Hiermee wordt voorkomen dat er gebouwd of iets aangelegd zal worden in het beperkingengebied. Wanneer de inrichting van de groenzone plaatsvindt zal de verordening van het waterschap gevolgd moeten worden voor die inrichting betreft.
Afvalwaterketen en riolering
Het gebied Noord IV is op dit moment voornamelijk in gebruik als agrarische grond. In het gebied ligt een enkele boerderij maar verder is er geen bebouwing in het beoogde plangebied.
Oppervlakteverdeling en waterberging
Bestaande situatie
De bestaande situatie betreft verharding van bebouwing en een erf aan de Rijksomweg 1 en 2. Daarnaast zijn er overwegend agrarische weidegronden en gronden langs sloten.
Toekomstige situatie
De precieze toekomstige situatie is nog enigszins onduidelijk. De daadwerkelijke realisatie zal, mede gelet op het nog te ontwikkelen bedrijventerrein Noord III en netcongestie, nog enige tijd op zich laten wachten. De schets vanuit stedenbouw/landschap is daarom nog globaal. Voor de inrichting is daarom met kerngetallen gewerkt, zo ook voor de toekomstige verharding. In onderstaande tabel worden de gegevens van de toekomstige bebouwing aangegeven (uitgeefbaar is gedefinieerd als: 60% daken 30% wegen en terrein).
|
Type verharding |
Oppervlak (m²) |
Verhardingspercentage |
Verhard (m²) |
|
Uitgeefbaar/kavels |
253.633 |
90% |
228.270 |
|
Rijbaan |
13.805 |
100% |
13.805 |
|
Fietspad |
3.553 |
100% |
3.553 |
|
Totaal |
|
|
245.630 |
Tabel 6.1: kerngetallen Noord IV oppervlakte
De toename van verhard oppervlak zorgt voor versnelde afvoer van hemelwater. Dit is niet wat het waterschap en de gemeente met hun beleid beogen. Daarin staat juist vasthouden-bergen-afvoeren centraal net als klimaatadaptatie waarbij ook rekening met droogte gehouden moet worden. De opgave voor waterberging wordt berekend op basis van de kerngetallen die gehanteerd zijn zoals hiervoor aangegeven. De compensatienorm is 92 mm ten opzichte van het verharde oppervlak. Bij de eis van 92 mm per m² is ca. 22.573 m³ waterberging/-compensatie nodig.
Hemelwater
Randvoorwaarden en uitgangspunten zijn in de notitie opgenomen op basis waarvan de notitie is opgesteld zodat gekeken kan worden of er afdoende rekening is gehouden met water.
In de proefverkaveling uit een eerste schets is 23.675 m² gereserveerd gehouden voor water. De schets voorziet binnen de gereserveerde gebieden in de mogelijkheid tot het aanleggen van wadi’s of waterpartijen. De schets voorziet in afdoende mate in compensatiemogelijkheden voor het hemelwater.
Oppervlaktewater
Door het gebied loopt een primaire watergang. Aan de noordzijde bevindt zich ook nog een secundaire watergang. Beide zullen worden gedempt of eventueel aangepast/verlegt worden. Onder dempen wordt ook verkleinen van het profiel verstaan.
De primaire watergang heeft een oppervlak van in totaal ca. 4.645 m², waarvan 1.782 m² watervoerend en 2.863 m² ondersteunend. De secundaire watergang heeft een oppervlak van in totaal ca. 2.000 m², waarvan 1.000 m² watervoerend en 1.000 m² ondersteunend.
Het dempen kan invloed hebben op de werking van het watersysteem. Maar het zal geen nadelige invloed hebben op de vergunde of anderszins rechtmatige lozingen of op de wateraanvoer naar en waterafvoer van het achterliggende gebied. Voor het dempen (en/of verleggen) is een omgevingsvergunning nodig. Compensatie is nodig voordat gedempt wordt. Dit zal bij de daadwerkelijke (civieltechnische) uitvoering een aandachtspunt zijn.
Het waterschap WDOD stelt voorwaarden/eisen aan de compensatie die opgevolgd moeten worden bij de aanvraag en uitvoering van de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning. Deze omgevingsvergunning moet bij het waterschap aangevraagd worden.
Het lozen van afvalwater is met de regels uit het Bal gereguleerd.
De Omgevingswet maakt onderscheid tussen een plan-mer(beoordelings)plicht en een project-merplicht. Er zijn twee aanleidingen voor een plan-mer(beoordelings)plicht:
het Omgevingsbesluit benoemt activiteiten waarop de mer-plicht of mer-beoordelingsplicht van toepassing is. Daarbij is aangegeven wat het mer-(beoordelings)plichtige plan of besluit is. Voor het omgevingsplan is in beginsel een plan-mer-procedure nodig wanneer het plan kaderstellend is voor (vergunning)besluiten over project-mer(beoordelings)plichtige activiteiten (artikel 16.36 lid 1 Omgevingswet);
plannen, zoals een omgevingsplan, waarvoor een Passende Beoordeling in het kader van de Omgevingswet moet worden opgesteld zijn plan-merplichtig (artikel 16.36 lid 2 Omgevingswet).
Voor het wijzigingsbesluit van het omgevingsplan zijn beide categorieën niet uitgesloten. De gemeente Meppel is niet voornemens om op voorhand mer-(beoordelingsplichtige) bedrijven uit te sluiten. Dat betekent ook dat ten behoeve van het wijzigingsbesluit daarom een mer-procedure moet worden doorlopen. Mede gelet op de recente ontwikkelingen in de jurisprudentie op het gebied van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied zal naar verwachting de referentiesituatie bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het wijzigingsbesluit betrokken moeten worden. Aangezien het betrekken van de referentiesituatie op basis van recente jurisprudentie slechts toegestaan is in een Passende Beoordeling en op voorhand niet aannemelijk is dat negatieve significante effecten kunnen worden uitgesloten met een voortoets, ziet de gemeente ook hierin aanleiding om een mer-procedure te doorlopen.
Daarnaast zijn categorieën J10 en J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit van toepassing op Noord IV1. Categorie J10 betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van industrieterreinen. Categorie J11 betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Uit tabel 2.1 blijkt dat in beginsel sprake is van een mer-beoordelingsplicht voor het aanleggen, wijzigen of uitbreiden van een industrieterrein of stedelijk ontwikkelingsproject. Vanwege de te verwachten effecten kiest de gemeente Meppel ervoor om een project-MER op te stellen
Uit het voorgaande volgt dat in dit geval zowel sprake is van een plan-mer-plicht als een project-mer-plicht. Voor het wijzigingsbesluit wordt daarom een gecombineerde plan-mer en project-mer doorlopen. Mer-plichtige bedrijven die willen vestigen doorlopen daarnaast (als dit aan de orde is) afzonderlijk de mer-procedure ten behoeve van de vergunningaanvraag voor bijvoorbeeld milieu.
De procedure milieueffectrapportage is gestart met de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). De NRD is op 24 juni 2025 door het college van de gemeente Meppel vastgesteld. De NRD beschrijft het onderzoeksvoorstel voor het MER.
Dit MER is het resultaat van het onderzoek naar de milieueffecten van de alternatieven. Het MER wordt zes weken ter inzage worden gelegd. De resultaten van het MER geven milieu-informatie voor het omgevingsplan, echter biedt het omgevingsplan ook input voor de te onderzoeken beleidskeuzes in het MER. Dit proces is daarom in samenhang georganiseerd.
Nadat het omgevingsplan is afgerond, wordt het MER als bijlage J bijgevoegd bij het vastgestelde omgevingsplan.
De NRD heeft zes weken ter inzage gelegen. Hierop zijn zienswijzen ingediend. De NRD heeft zes weken ter inzage gelegen en eenieder kon hierop reageren. In de reactiebundel zijn alle zienswijzen van een reactie voorzien door de gemeente. In de reactiebundel is aangegeven op welke manier de zienswijzen worden meegenomen in het MER.
Meppel heeft als voornemen om alle bestaande industrie- en bedrijventerreinen van oude bestemmingsplannen en beheersverordeningen ‘om te zetten’ naar Omgevingsplan gemeente Meppel conform de standaarden en regelgeving van de Omgevingswet en de geldende AMvB’s. Daarnaast wil Meppel een nieuw bedrijventerrein mogelijk maken op Noord IV, zoals in de omgevingsvisie opgenomen als ambitie en doel.
Bestaande industrie- en bedrijventerreinen
De gemeente Meppel staat voor opgave om alle bestemmingsplannen, beheersverordeningen en overige verordeningen die samen het tijdelijke deel van het Omgevingsplan vormen, ‘om te zetten’ naar één Omgevingsplan. Bij Koninklijk besluit is geregeld dat dit vóór 1 januari 2032 gebeurd moet zijn. Dit omgevingsplan moet op uiterlijk 1 januari 2032 gebiedsdekkend zijn en alle regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving bevatten. De gemeente Meppel is daarmee aan de slag gegaan. Het nu voorliggende wijzigingsbesluit is onderdeel van deze transitie van oude planologische regels naar nieuwe planologische regels conform de Omgevingswet. Dit onderdeel betreft de bestaande industrie- en bedrijventerreinen.
Noord IV
Het doel van deze wijziging is om voor de bestaande industrie- en bedrijventerreinen een actuele regeling te maken conform de Omgevingswet. Met deze wijziging worden ook al verleende omgevingsvergunningen verwerkt en worden geluidsproductieplafonds vastgesteld.
Daarnaast wil de gemeente Meppel een nieuw bedrijventerrein mogelijk maken op Noord IV. Dit bedrijventerrein is al langer een wens van de gemeente en staat onder andere in de Omgevingsvisie. Destijds is dit onderdeel ook in de Omgevingseffectrapportage voor de Omgevingsvisie meegenomen en onderzocht. Eerder was voor dit gebied al een structuurvisie vastgesteld. De doelen voor onder andere het bedrijventerrein zijn verwerkt in de al genoemde Omgevingsvisie van de gemeente Meppel.
Het MER is opgebouwd uit deel A en deel B met bijbehorende bijlagen en alle deelonderzoeken.
Bestaande industrie- en bedrijventerreinen
Deel A ziet toe op alle bestaande industrie- en bedrijventerreinen. In dit deel A is een basisalternatief onderzocht (alternatief 0). Daarnaast is als alternatief 1 een Circulaire economie onderzocht. Als alternatief 2 zijn diverse sturing-filosofieën onderzocht (alternatief 2a-c). Omdat alle industrie- en bedrijventerreinen uniek zijn met eigen kenmerken en opgaven, is in een tabel in het MER weergegeven welke scenario’s waar gelden. Voor de volledigheid wordt deze tabel hieronder weergegeven.
Tabel 6.2
Noord IV
Het planologisch mogelijk maken van een nieuw bedrijventerrein in Noord IV betreft een andere opgave. Hier wordt het gebruik immers aangepast van agrarisch naar bedrijventerrein. In deel B is van het MER is Noord IV onderzocht. Voor het onderzoek naar Noord IV zijn twee alternatieven onderzocht. Alternatief 1 betreft de zoeklocatie West en alternatief 2 betreft de zoeklocatie West en Oost. In variant West komt het bedrijventerrein ten westen van De Oude Vaart te liggen en loopt daarom iets verder uit naar het noorden ten opzichte van variant West en Oost. In de variant West en Oost komt het bedrijventerrein deels ten westen en deels ten oosten van De Oude Vaart. Dit betekent dus dat De Oude Vaart het bedrijventerrein in deze variant zal doorkruisen wat betekent dat er een brug nodig zal zijn.
Op basis van uitgangspunten is vervolgens een beoordelingsaanpak opgenomen in het MER. Met de daar benoemde hoofdthema’s verkeer, geluid en trillingen, lucht, geur, omgevingsveiligheid, gezondheid, natuur, water en klimaat, bodem, duurzaamheid en landschap, cultuurhistorie en archeologie wordt vervolgens de effecten van beide alternatieven beoordeeld met een schaal van sterk negatief effect tot sterk positief effect (5 schaalniveau’s). Voor Noord IV is eerder al een MER gemaakt ten behoeve van de structuurvisie omgevingsprogramma Noord IV. Er is gekozen om aan te sluiten bij het al gevoerde onderzoek.
Het MER onderzoek leidt tot inzicht in de effecten op de omgeving. Het MER is opgebouwd uit een deel A dat bestaat uit de bestaande industrie- en bedrijventerreinen en een consoliderend deel betreft. Daarnaast bevat deel B het nieuwe bedrijventerrein Noord IV, dat een nieuwe gebiedsontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied betreft. Voor zowel deel A als deel B is een voorkeursalternatief opgesteld in het MER
Bestaande industrie- en bedrijventerreinen (Deel A)
Het MER deel A heeft inzicht gegeven in de effecten van de bestaande terreinen op de omgeving. De gemeente Meppel had al een zo beleidsneutrale wijziging als mogelijk voorgenomen. Tegelijk wilde Meppel ook onderzoeken of eventuele beleidsmatige wijzigingen ook nog verwerkt konden worden. Mede op basis van het MER is besloten om hier bij deze wijziging geen invulling aan te geven. Daardoor wordt met name de bestaande rechten zoals weergegeven in de juridische regels in de bestemmingsplannen en beheersverordeningen ‘overgeheveld’ naar het Omgevingsplan conform de Ow. Dat betekent dat in het wijzigingsbesluit een andere manier van milieuregels zijn opgenomen. De Staat van Bedrijfsactiviteiten is losgelaten en vervangen door een activiteiten en milieuzoneringsmethode. Daarnaast worden geluidszones vervangen door Geluid ProductiePlafonds (GPP’s). Alleen voor Noord I komt deze zone te vervallen. In de haven wordt voor nieuwvestiging geëist dat het gaat om bedrijven die een haven nodig hebben. Daarnaast wordt natuurinclusief bouwen bij nieuwbouw een belangrijke wijziging. Ook op het gebied van cultuurhistorie en erfgoed wordt een stap gezet met meer bescherming. Deze wijzigingen zijn betrekkelijk klein qua impact op de omgeving (cultuurhistorie en erfgoed) of volgen uit wettelijke verplichting (GPP’s). Daarmee wordt het advies van Deel A van het MER opgevolgd.
Nieuw bedrijventerrein (Deel B)
Dat een nieuw bedrijventerrein in Noord IV geplaatst wordt is een logisch gevolg volgende op (beleids)keuzes uit het verleden waar de (inmiddels ingetrokken) structuurvisie een belangrijke afweging heeft gevormd. Daarnaast is Noord IV in de omgevingsvisie opgenomen en destijds op hoofdlijnen onderzocht bij het OER. Daarnaast is daarbovenop nog een locatiestudie uitgevoerd.
De impact van Noord IV is uiteraard van een andere aard. Op dit moment is het een voornamelijk agrarisch gebied met bijbehorende infrastructuur. Wel licht het gebied dichtbij de afrit 4, de afslag Havelte. Daar ligt mogelijk in de toekomst een opgave voor het verkeer. Met name de Rijksweg kan druk worden. Hiervoor zijn mogelijk ingrepen nodig op gebied van verkeer. Deze knelpunten zijn als dat nodig blijkt te zijn, op te lossen binnen de bestaande ruimtelijke regels. Dit vereist mogelijk in een later stadium extra aandacht, bijvoorbeeld bij de uitwerking van de exacte ontsluiting van het bedrijventerrein en de civieltechnische uitwerking daarvan.
Voor geluid geldt dat de aanlegfase voor geluidsbelasting en trilling kan zorgen. Hieraan is echter niet te ontkomen. Geluidgevoelige gebouwen zijn zeer beperkt aanwezig in het gebied waarbij opgemerkt dient te worden dat de Rijksomweg 1/2 al in bezit is van de gemeente vooruitlopend op ontwikkeling.
Voor geur geldt dat de West variant minder scoort omdat er binnen deze geurzone enkele woningen bevinden, meer ten noorden van het kanaal. Daar staat tegenover dat de variant Oost-west juist minder scoort op het onderdeel beschermde soorten. Op onderdeel biologische bodemkwaliteit scoort de Oost-west variant weer net iets beter.
De verschillen in impact op de omgeving tussen de varianten zijn niet bijzonder groot. Desalniettemin is in het wijzigingsbesluit een voorkeursvariant uitgewerkt. Dit betreft de West variant die makkelijker te verkavelen is en eventueel, als dat nodig is, makkelijker uit te bereiden is. Daarnaast biedt deze variant meer kansen voor een samenhangend netwerk.
Voor verkeer worden in de planregels geen extra maatregelen genomen. Bij de inrichting van het terrein zal met name de ontsluiting van het nieuwe bedrijventerrein een ontwerpopgave zijn. Dit is vooral ook een civieltechnische ontwerpopgave voorafgaand aan de aanlegfase.
Voor geluid en trillingen zijn voor de gebruiksfase gelden de activiteiten en milieuzonering waardoor hier grenzen aan gesteld zijn. Met name kwetsbare gebouwen bepalen daarvoor de afstand. Hiermee is rekening gehouden bij het opstellen van de activiteiten en milieuzonering. Voor de aanleg- en bouwfase kan tijdelijke overlast optreden. Bij de aanleg- en bouwfase kunnen maatregelen genomen worden om overlast te voorkomen. Deze zijn niet in planregels opgenomen maar vormen goede input voor de bouw- en aanlegfase van het nieuwe bedrijventerrein.
In zekere mate geldt dat ook voor omgevingsveiligheid voor wat betreft het gaat om gevaarlijke stoffen en risicobronnen in relatie tot kwetsbare gebouwen. Dit is meegenomen in de activiteiten en milieuzonering waardoor dit geborgd is.
Voor ecologie geldt dat de compensatiemaatregelen later beschouwd zullen worden. De ecologische QuickScan is uitgevoerd voor Noord IV (Bijlage bij het MER en bijlage D bij de motivering). De aandachtspunten zullen bij het uitwerken van het openbaar gebied betrokken worden. Hiervoor zijn geen planregels opgesteld. Wel zijn er met oog op natuur regels opgenomen voor natuur-inclusief bouwen.
Voor water en klimaat is in regels vastgesteld dat er waterberging per bedrijfskavel nodig is. Daarnaast zijn er ook regels gesteld voor hemelwater en wateroverlast die opgenomen zijn in hoofdstuk 5 van de regels. De waterberging vind daarmee binnen het bedrijventerrein plaats. Voor de aanleg van het bedrijventerrein zijn nog wel diverse vergunningen van het waterschap nodig. Deze zullen voorafgaand aan het bouwrijp maken, aangevraagd moeten worden. Tijdens het opstellen van de precieze (civieltechnische) inrichtingstekeningen moet met deze belangen rekening gehouden worden. Uit deze ontwerpen volgen ook de precieze benodigde vergunningen. Daarnaast kan de openbare ruimte zo ingericht worden dat deze uitnodigt tot bewegen.
Voor de bestaande bedrijventerreinen is op basis van het MER gekozen om de bestaande rechten uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan (de bestemmingsplannen) om te zetten naar de nieuwe regels van het omgevingsplan zonder inhoudelijke grote wijzigingen. Uitzondering hierop is harmonisatie van regels.
Voor Noord voor geldt dat het voorkeursalternatief wordt doorvertaald in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is een ruimtebeslag van circa 50 hectare opgenomen, zodat bij de invulling voldoende ruimte is voor (energie)infrastructuur, groen en water(berging). In het plan worden regels opgenomen met betrekking tot geluid, geur, landschap, licht, stikstof, natuur-inclusief bouwen en waterberging. Er wordt voldoende afstand aangehouden tot de toekomstige ondergrondse hoogspanningsleiding (DON-West), de Oude Vaart en een bestaande natgastransportleiding.
Op grond van de artikelen 5.50 en 5.51 van het Bkl zijn de daarin opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin op grond van het omgevingsplan de aanleg van een autoweg een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook als de gemeente in kwestie deel uitmaakt van één van de aangewezen agglomeraties, moeten bij het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen.
De gemeente Meppel is niet aangewezen als een agglomeratie zoals bedoeld in het Bkl. Met de wijziging van het omgevingsplan voor de bedrijventerreinen en industrieterreinen wordt evenmin een tunnel voor het wegverkeer mogelijk gemaakt. Daarom is deze instructieregel niet op deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing. Op de milieubelastende activiteiten die emissies naar de lucht met zich meebrengen, is paragraaf 5.4.4 van het Bal van toepassing. In de wijziging van het omgevingsplan voor de bedrijventerreinen en industrieterreinen worden geen maatwerkregels op het gebied van luchtkwaliteit opgenomen.
Met het in werking treden van de Omgevingswet is de regelgeving over de geluidbelasting door het verkeer op gemeentewegen, lokale spoorlijnen, industrieterreinen en overige bedrijvigheid onder verantwoordelijkheid van de gemeente gekomen. In het onderstaande wordt beknopt ingegaan op het reguleren van de geluidbelasting door deze verschillende bronnen in het omgevingsplan.
Op grond van artikel 5.59 van het Bkl moet in het omgevingsplan rekening gehouden worden met het geluid door milieubelastende activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. In paragraaf 5.1.4.2.2 van het Bkl is de instructie opgenomen om hiervoor grenswaarden op te nemen in de planregels. Dit voor zover deze milieubelastende activiteiten niet onder één van de volgende bronnen vallen:
activiteiten in de openbare ruimte
evenementen
niet representatieve activiteiten
wegverkeer op de openbare weg
railverkeer
scheepvaart
milieubelastende activiteiten op een industrieterrein met geluidproductieplafonds
windturbineparken met meer dan 3 windturbines.
Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl is van toepassing op de geluidbelasting door wegverkeer, railverkeer en milieubelastende activiteiten op een industrieterrein. In paragraaf 5.1.4.2a is hiertoe de verplichting opgenomen om - bij het projecteren van geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied of het mogelijk maken van (wijzigingen aan) wegen, spoorwegen of industrieterreinen - de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting in de motivering te betogen. Daarnaast moet op grond van de artikelen 5.78q en 5.78ad van het Bkl het gezamenlijke geluid in het omgevingsplan worden opgenomen. In hoofdstuk 3 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen over de geluiduitstraling door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.
In hoofdstuk 3 (afdeling 3.5) zijn bedoeld voor het beheersen van de geluidemissie door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (gericht op de bronbeheerder, vaststellen geluidproductieplafonds).
De instructieregels in hoofdstuk 5 zijn specifiek bedoeld voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij het toestaan van milieubelastende activiteiten, de aanleg of wijziging van het gebruik van gemeentewegen, waterschapswegen of lokale spoorwegen (zonder geluidproductieplafonds) en het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied, waarbij rekening wordt gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Daarnaast regelt hoofdstuk 5 het geluid van activiteiten.
Voor de beheersing van het geluid van rijkswegen, hoofdspoorwegen, provinciale wegen, en sommige lokale spoorwegen wordt het systeem van geluidproductieplafonds (gpp) gehanteerd. Rond geluidbronnen met gpp's ligt een geluidaandachtsgebied; een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg of spoorweg waarbinnen het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger kan zijn dan de van toepassing zijnde standaardwaarde in de dosismaat Lden.
Industrielawaai en gpp's
Onder de Omgevingswet wordt de geluidbelasting door industrieterreinen met geluidproductieplafonds (gpp's) beheerst. Deze gpp's bestaan uit grenswaarden voor het equivalente geluidimmisieniveau op referentiepunten rond het industrieterrein. Voor bestaande industrieterreinen mag op grond van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet tot 1 januari 2032 gebruik worden gemaakt van het stelsel van de voormalige Wet geluidhinder. Voor nieuwe industrieterreinen en bij wijziging van de begrenzing van een bestaand industrieterrein moet met de wijziging van het omgevingsplan waarmee deze mogelijk worden gemaakt, gebruik worden gemaakt van de systematiek van gpp's. Daarnaast moeten de regels in het omgevingsplan borgen dat de geluidbelasting door de milieubelastende activiteiten op het industrieterrein niet hoger wordt dan de gpp's. De gpp's worden vastgelegd in de dosismaten Lden en Lnight. Dit zijn jaargemiddelde waarden, in tegenstelling tot de huidige beoordeling op basis van langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de representatieve bedrijfssituatie.
Cumulatie
Naast het bestaande begrip cumulatie wordt onder de Omgevingswet het begrip 'gezamenlijk geluid' geïntroduceerd:
Bij cumulatie van geluid wordt rekening gehouden met de verschillen in hinderlijkheid tussen geluidbronsoorten (wegverkeer, industrielawaai, railverkeerslawaai).
Bij het nieuwe begrip 'gezamenlijk geluid' worden de geluidniveaus van verschillende geluidbronsoorten bij elkaar opgeteld zonder correcties. Het gezamenlijke geluid wordt gebruikt bij het bepalen van de geluidwering van nieuwe woningen.
Het gecumuleerde niveau wordt berekend om de aanvaardbaarheid van het totale geluidaanbod te kunnen beoordelen. Deze aanvaardbaarheid kan worden beoordeeld aan de hand van een zogenoemde milieu-kwaliteits-maat waarmee de akoestische kwaliteit van de leefomgeving tot uitdrukking wordt gebracht, zie de navolgende tabel.
|
geluidbelasting Lcum [dB] |
geluidkwaliteit |
|
<45 |
zeer goed |
|
46-50 |
goed |
|
51-55 |
redelijk |
|
56-60 |
matig |
|
61-65 |
tamelijk slecht |
|
66-70 |
slecht |
|
= 71 |
zeer slecht |
Tabel 6.3 - kwaliteitsindicatie cumulatieve geluidbelasting
Overig wegverkeerslawaai
Voor wegen van gemeenten en waterschappen en de meeste lokale spoorwegen wordt het systeem van de basisgeluidemissie gehanteerd. Het geluid wordt gemonitord door het volgen van de verkeersontwikkeling. Deze monitoring wordt gefaseerd ingevoerd: eerst voor wegen met meer dan 4.500 motorvoertuigen per etmaal en uiterlijk vijf jaar later voor wegen tussen 1.000 en 4.500 motorvoertuigen per etmaal. Voor rustige wegen tot 1.000 motorvoertuigen per etmaal is monitoring niet vereist.
Het monitoringsresultaat wordt vergeleken met de basisgeluidemissie: als het geluid met 1,5 dB is gegroeid ten opzichte van de basisgeluidemissie, moet de wegbeheerder afwegen of er maatregelen getroffen worden om het geluid te beperken. Als die maatregelen niet of onvoldoende helpen en het geluid binnen geluidgevoelige gebouwen boven de grenswaarde komt, moeten maatregelen getroffen worden die het binnengeluid verminderen.
Maximaal geluidniveau
Voor de beoordeling van hinderlijkheid van geluid zijn ook piekgeluiden van belang. In het tijdelijke deel van het omgevingplan van de gemeente Meppel zijn grenswaarden opgenomen voor het maximale geluidniveau dat door milieubelastende activiteiten op mag treden.
Oevers, Spijkerserve, Noord I en Noord III zijn (deels) industrieterreinen in de zin van de Omgevingswet. Rond deze industrieterreinen zijn op grond van hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder zogenoemde zones vastgesteld. Op deze industrieterreinen zijn activiteiten toegestaan die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Deze zones zijn vastgesteld met de volgende bestemmingsplannen die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Meppel:
|
Bestemmingsplan/Omgevingsplan |
Vastgesteld |
|
Industrieterrein Oevers |
|
|
Bestemmingsplan Meppel - Nieuwveense Landen |
23‑02‑2012 |
|
Meppel - Paraplubestemmingsplan geluidzone scheepswerf |
18‑06‑2020 |
|
Omgevingsplan gemeente Meppel (nieuw deel) |
14‑05‑2025 |
|
Meppel-Zuid |
24‑01‑2013 |
|
Meppel - Berggierslanden 2015 |
28‑09‑2017 |
|
Bestemmingsplan Buitengebied Staphorst |
25‑06‑2013 |
|
Beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014 |
09‑12‑2014 |
|
Buitengebied Nijeveen |
23‑08‑1990 |
|
Industrieterrein Noord I |
|
|
Bestemmingsplan Meppel - Nieuwveense Landen |
23‑02‑2012 |
|
Meppel - Haveltermade 2017 |
27‑09‑2018 |
|
Noord |
26‑09‑2013 |
|
Industrieterrein Noord III |
|
|
Bedrijventerrein Meppel - Noord III |
22‑06‑2023 |
|
Spijkerserve |
|
|
Nijeveen |
03‑09‑2009 |
|
Buitengebied |
03‑09‑2009 |
|
Nijeveen - Spijkerserve V en geluidzone |
26‑01‑2017 |
Tabel 6.4: overzicht bestemmingsplannen
Deze zones die op grond van hoofdstuk V van de voormalige Wet geluidhinder zijn opgesteld, moeten vóór 1 januari 2032 worden omgezet naar de systematiek van de Omgevingswet. Zoals hiervoor beschreven moet op grond van de Omgevingswet de geluidbelasting door industrieterreinen worden beheerst met zogenoemde geluidproductieplafonds. Om aan deze datum te kunnen voldoen, heeft de gemeente besloten om met het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Meppel voor de industrieterreinen en bedrijventerreinen binnen het ambtsgebied ook over te stappen op de systematiek van geluidproductieplafonds.
Op de omzetting van de zone die op grond van hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder naar de systematiek van gpp's, moet op grond van artikel 12.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden uitgegaan van de geluidproductie op het industrieterrein die is toegestaan bij maximale benutting van de grenswaarden die daarop op grond van de voormalige Wet geluidhinder van toepassing zijn. Dit betekent dat met het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan waarmee de uitbreiding Rollepaal Oost mogelijk wordt gemaakt:
eerst de bestaande zone moet worden omgezet in gpp's, waarbij wordt uitgegaan van de maximaal mogelijke invulling die de wettelijke grenswaarden die op grond van hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder gelden
vervolgens op basis van deze maximale invulling de geluidbelasting op referentiepunten rond het bestaande industrieterrein de geluidbelasting uitgedrukt in de dosismaten Lden en Lnight niet worden berekend, die als gpp's moeten worden vastgesteld.
hierop een nieuwe berekening moet worden uitgevoerd, waarbij daarnaast rekening wordt gehouden met de uitbreiding van het industrieterrein met het deelgebied Rollepaal Oost en daarmee op nieuwe referentiepunten opnieuw de geluidbelasting uitgedrukt in Lden en Lnight moeten worden berekend die uiteindelijk als definitieve gpp's in het omgevingsplan moeten worden vastgesteld
tot slot moeten er regels in het omgevingsplan worden opgenomen die er voor zullen zorgen dat de milieubelastende activiteiten op het industrieterrein gezamenlijk geen grotere geluidbelasting veroorzaken dan de grenswaarden die op grond van de gpp's gelden.
De berekeningen die hiervoor nodig waren zijn beschreven in het akoestisch onderzoek van DGMR dat als bijlage L bij deze motivering is gevoegd. Naast de uitwerking in de regels van het omgevingsplan, zijn deze gegevens ook opgenomen in de zogenoemde Centrale Voorziening GeluidGegevens (CVGG) van het Rijk.
Op het vastleggen van de begrenzing van de industrieterreinen op grond van artikel 5.78e van het Bkl wordt in paragraaf 6.7.8 op de gedeeltelijke dezonering van industrieterrein Oevers ivm Molenhoek, Boompjes en Noordeinde van deze motivering ingegaan.
Op grond van artikel 5.78f van het Bkl moeten er in het omgevingsplan ook regels worden opgenomen die er voor zorgen dat wordt voldaan aan de geluidproductieplafonds die als omgevingswaarde zijn vastgesteld. Deze regels moeten een duidelijke normadressaat hebben en handhaafbaar zijn. In het omgevingsplan van de gemeente Meppel wordt er voor gekozen om de uitwerking van de instructieregel van artikel 5.78e uit te werken volgens de systematiek van ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG. Dit houdt in dat de regels van het omgevingsplan waarmee gebruiksactiviteiten op het industrieterrein worden toegelaten, aan de bedrijfsactiviteiten op het industrieterrein voor elk afzonderlijk referentiepunt een ‘geluidquotum’ toekennen. Dit geluidquotum is zo vastgesteld dat de som van alle quota op een referentiepunt gelijk is aan het geluidproductieplafond dat voor het betreffende referentiepunt is vastgesteld. Daarnaast is in de regels van het omgevingsplan een aanvulling opgenomen op het meet- en rekenvoorschrift van bijlage IVh bij de Omgevingsregeling, voor gevallen dat een bedrijf slechts een deel van een kavel beslaat of meerdere kavels beslaat.
De regels waarmee aan de kavels binnen het industrieterrein een geluidquotum is toegekend, zijn vormgegeven als regel waarmee gebruiksactiviteiten op de betreffende locatie worden toegelaten alsook gedragsregel waaraan de activiteit moet voldoen na de vestiging op de betreffende locatie. Deze regels sluiten aan bij de systematiek van de VNG-publicatie Activiteiten en Milieuzonering. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn de gebruiksactiviteiten op de industrieterreinen toegelaten door deze volgens de systematiek van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering in te delen in categorieën. Deze categorieën zijn onderverdeeld in toenemende mate van beïnvloeding van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving op gebied van geur, stof, geluid en gevaar. De systematiek heeft aan elke categorie een afstand toegekend, waarbinnen bedrijven die binnen de categorie vallen aan de gebruikelijke normen voor de verschillende milieuthema’s kan voldoen. In de planregels is aan verschillende gebieden binnen de industrieterreinen een ten hoogste toegelaten categorie toegekend.
Bij het overhevelen van de bestemmingsplannen voor de bedrijventerreinen en industrieterreinen naar het nieuwe deel van het omgevingsplan, heeft de gemeente Meppel er voor gekozen om aan te sluiten bij de opvolger van de VNG systematiek van Bedrijven en Milieuzonering: de VNG-systematiek Activiteiten en Milieuzonering. Kort gezegd bestaat de nieuwe systematiek eruit dat in de planregels de toegelaten gebruiksactiviteiten niet met categorieën van bedrijfsactiviteiten wordt begrensd, maar door de mate van geluidbelasting en geurbelasting door deze bedrijfsactiviteiten.
Om er voor te zorgen dat met de regels voor uitwerking van artikel 5.78f van het Bkl geen strijdigheid ontstaat met artikel 22.63 uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan, is de locatie van deze regel zodanig aangepast, dat deze niet meer van toepassing is binnen de begrenzing van de industrieterreinen binnen het ambtsgebied van de gemeente Meppel.
Industrieterrein Noord I is voorzien van een zone op grond van de Wet geluidhinder. Op grond van de Omgevingswet moet deze zone dus worden omgezet naar het systeem van geluidgrenswaarden die op referentiepunten rond het industrieterrein gelden (de zogenoemde geluidproductieplafonds).
Uit de toelichting op het bestemmingsplan Noord blijkt dat de zone rond Noord I is vastgesteld in verband met de rioolwaterzuivering die op het industrieterrein is gevestigd. Op grond van artikel 2.4 van het Inrichtingen en vergunningenbesluit, dat indertijd gold, was daardoor sprake van een industrieterrein. Met het vervallen van het Inrichtingen en vergunningenbesluit en de overheveling daarvan naar het Besluit omgevingsrecht in 2010, werden rioolwaterzuiveringen niet meer aangemerkt als een type bedrijf dat maakte dat sprake was van een industrieterrein. Omdat het bestemmingsplan Noord voor het overige de vestiging van bedrijven die maken dat sprake is van een industrieterrein niet toestaat, bestaat er voor Noord I dus ook geen noodzaak om de zone om te zetten in geluidproductieplafonds. Ook deze zone kan dus komen te vervallen.
In het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Meppel voor de bedrijventerreinen Noord II, Noord III, Rogat en Blankenstein (respectievelijk de bestemmingsplannen ‘Noord’, ‘Bedrijventerrein Meppel – Noord III’, ‘Rogat’, ‘Meppel – Buitengebied, herziening Schiphorsterweg en Kosterweg’ en ‘Blankenstein, Ezinge en Spoorzone’), zijn geen regels over de geluidbelasting opgenomen, buiten de geluidregels die onderdeel uitmaken van de bruidsschat. De gemeente Meppel wil met de omzetting van de gebruiksregels uit het tijdelijke deel naar het nieuwe deel, aansluiten bij de systematiek van de VNG publicatie Activiteiten en milieuzonering. Dit betekent dat voor de milieubelastende activiteiten op het bedrijventerreinen Noord II en Blankenstein, artikel 22.63 van het tijdelijke deel zal worden uitgezet. In plaats daarvan zullen de gebruiksactiviteiten door het opnemen van (onder meer) geluidquota op het bedrijventerreinen (bij recht) worden toegelaten.
De gebruiksregels uit het tijdelijke deel zijn voor de bedrijventerreinen Noord I, Noord II, Rogat en Blankenstein dus gebaseerd op de categorie-indeling van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering. Deze regels zullen bij de wijziging van het omgevingsplan voor deze bedrijventerreinen worden omgezet in de systematiek van de VNG-publicatie Activiteiten en milieuzonering. Op het bedrijventerrein Noord I zijn bedrijven van categorie 3.2 tot en met categorie 4.2 toegestaan. Op Noord II zijn bedrijven van categorie 3.2 tot en met categorie 4.2. Op het bedrijventerrein Rogat zijn bedrijven van categorie 2 tot en met categorie 3.2 toegestaan. En tenslotte zijn op het bedrijventerrein Blankenstein bedrijven van categorie 1 tot en met categorie 3.2 toegestaan. In het volgende overzicht is aangegeven hoe de omzetting van deze categorieën volgens de systematiek van de voormalige VNG brochure Bedrijven en milieuzonering naar de nieuwe systematiek van Activiteiten en milieuzonering eruit ziet.
|
Categorie |
Bedrijven en milieuzonering |
Activiteiten en milieuzonering |
|
1 |
10 meter tot rustig woongebied |
Etmaalwaarde van 50 dB(A) op 5 meter van de terreingrens |
|
2 |
30 meter tot rustig woongebied |
Etmaalwaarde van 50 dB(A) op 15 meter van de terreingrens |
|
3.1 |
50 meter tot rustig woongebied |
Etmaalwaarde van 50 dB(A) op 30 meter van de terreingrens |
|
3.2 |
100 meter tot rustig woongebied |
Etmaalwaarde van 50 dB(A) op 50 meter van de terreingrens |
|
4.1 en 4.2 |
300 meter tot rustig woongebied |
Etmaalwaarde van 50 dB(A) op 100 meter van de terreingrens |
Tabel 6.5: van milieu categorie naar activiteiten en milieuzonering
Deze geluidgrenswaarden worden voor het toelaten van nieuwe bedrijfsactiviteiten aan de gebruiksregels van het omgevingsplan opgenomen voor deze beide bedrijventerreinen. Deze geluidgrenswaarden gelden ook voor het daadwerkelijk uitoefenen van de bedrijfsactiviteiten na de vestiging van de betreffende bedrijven op het bedrijventerrein. Door de keuze van de locatie waar de verschillende afstandscriteria voor de geluidnorm gelden, kan de geluidbelasting door de milieubelastende activiteiten op het bedrijventerrein worden gereguleerd, die in de omgeving van het bedrijventerrein wordt veroorzaakt. In de onderstaande afbeelding is de omzetting van de categorie-indeling op bedrijventerreinen Blankenstein, Noord I, II en III en Rogat op grond van het tijdelijke deel, naar de systematiek van Activiteiten en milieuzonering geprojecteerd op de topografische ondergrond weergegeven.
Op het bedrijventerrein Noord IV zullen bedrijven van categorie 3.1 tot en met categorie 4.2 gevestigd kunnen worden. Zoals in het voorgaande al is aangegeven, zal de gemeente bij de wijziging van het omgevingsplan waarmee de ontwikkeling van bedrijventerrein Noord IV mogelijk wordt gemaakt, gebruik worden gemaakt van de VNG systematiek Activiteiten en milieuzonering. In de gebruiksregels wordt hiervoor een geluidquotum opgenomen. Als een nieuw te vestigen bedrijf binnen dit geluidquotum past (en ook aan andere voorwaarden voldoet) is de bedrijfsvestiging bij recht toegestaan. Deze geluidquota zijn zo gekozen, dat de akoestische invloed van alle milieubelastende activiteiten op het bedrijventerrein op haar omgeving aanvaardbaar is. Daarmee wordt de evenwichtige toedeling van functies aan locaties geborgd. In de onderstaande afbeelding is een voorbeeld opgenomen van de uitwerking van deze systematiek op een fictief ingetekende ligging van het bedrijventerrein Noord IV.
Om na te gaan of met het toepassen van de VNG-systematiek Activiteiten en milieuzonering bij het vaststellen van het omgevingsplan voor de bedrijventerreinen en industrieterreinen in voldoende mate rekening gehouden is met geluidhinder, heeft de gemeente hier onderzoek naar verricht. Daarbij is met een akoestisch rekenmodel een geluidberekening gemaakt. In deze berekening is de geluidverkaveling die in de voorgaande afbeeldingen is weergegeven doorgerekend naar de daarmee corresponderende geluidbelasting ter hoogte van de rond de terreinen gelegen geluidgevoelige gebouwen. Daarbij is gebruik gemaakt van de volgende omzetting van categorieën op grond van het tijdelijke deel naar geluidbronvermogenniveau voor de berekening van de geluidbelasting:
Tabel 6.6: Milieu categorieën in geluidbronniveau
Op basis van deze uitgangspunten, is ter hoogte van de verschillende geluidgevoelige gebouwen die rond de verschillende bedrijventerreinen liggen, de volgende maximale geluidbelasting berekend:
Tabel 6.7: Milieu categorieën in geluidbronniveau
Daarmee wordt met de uitwerking van de systematiek van Activiteiten en milieuzonering in het omgevingsplan van de gemeente Meppel voor de bedrijventerreinen Blankenstein, Noord I, II, III en IV en Rogat dezelfde of een hogere bescherming tegen geluidhinder geboden dan met de regels uit de bruidsschat. Op grond van de bruidsschat mogen de individuele bedrijven op het bedrijventerrein ter hoogte van de omliggende geluidgevoelige gebouwen een geluidbelasting van ten hoogste 50 dB(A) als Lden veroorzaken. Gelet op artikel 5.64 van het Bkl kan er van worden uitgegaan dat, als deze grenswaarde voor individuele bedrijven wordt aangehouden, er met het omgevingsplan in voldoende mate rekening met geluid door activiteiten ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen wordt gehouden.
Als deze individuele bijdragen per bedrijf ter hoogte van een omliggend geluidgevoelig gebouw bij elkaar worden opgeteld, dan resulteert dit in een gezamenlijke geluidbelasting van 55 dB(A) als Lden. Dit beschermingsniveau op grond van de bruidsschat komt dus overeen met het beschermingsniveau dat het toepassen van de systematiek van Activiteiten en milieuzonering biedt voor de geluidgevoelige gebouwen rondom bedrijventerrein Rogat. Het gebruik van deze systematiek leidt tot een hoger beschermingsniveau dan de geluidnormen van de bruidsschat ter hoogte van de geluidgevoelige gebouwen rondom Blankenstein en Noord I, II, III en IV. Dit laatste komt doordat de geluidgevoelige gebouwen rondom Rogat grotendeels door het bedrijventerrein worden omsloten. Dat is bij Blankenstein minder het geval. Bij Noord I, II, III en IV liggen de geluidgevoelige gebouwen op grotere afstand dan dat dat bij Rogat het geval is.
Op grond van het voorgaande kan gelet op artikel 5.64 van het Bkl worden gesteld dat met toepassing van de systematiek van Activiteiten en milieuzonering voldoende rekening met geluid door activiteiten ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen wordt gehouden.
Naast de geluidbelasting door de bedrijfsmatige milieubelastende activiteiten, zal de ontwikkeling van het bedrijventerrein Noord IV ook van invloed zijn op de verkeersbewegingen van en naar het gebied waar het industrieterrein wordt gerealiseerd. Door Goudappel BV is onderzocht[7] gevolgen het realiseren van het bedrijventerrein op de verkeersintensiteiten van het omliggende wegennetwerk heeft. Uit dit verkeersonderzoek volgt dat het realiseren van het bedrijventerrein Noord IV een beperkte toename van het verkeer op het ontsluitende wegennetwerk tot gevolg heeft. Deze toename wordt voor het peiljaar 2040 in het volgende overzicht weergegeven.
|
|
Autonoom 2040 |
Plan 2040 |
Toename in dB |
|
1. Afrit A32 R Zuid |
7000 |
7200 |
0,12 |
|
2. Rijksomweg |
|
1400 |
# |
|
3. Rijksweg N371 (Oost) |
12500 |
12700 |
0,06 |
|
4. Pijlebrug N371 |
6000 |
6500 |
0,34 |
|
5. Toerit A32 R Noord |
2800 |
2900 |
0,15 |
|
6. A32 (Noord) |
51100 |
51400 |
0,03 |
|
7. Afrit A32 L Noord |
2600 |
2700 |
0,16 |
|
8. Nijeveen |
5400 |
5600 |
0,16 |
|
9. Rijksweg N371 |
8500 |
8800 |
0,15 |
|
10. Buitenvaart N371 |
8300 |
8500 |
0,10 |
|
11. Rijksweg N371 (Zuid) |
6800 |
7100 |
0,19 |
|
12. Toerit A32 L Zuid |
6400 |
6700 |
0,20 |
|
13. A32 (Zuid) |
59100 |
59700 |
0,04 |
Tabel 6.8: Toename Wegverkeerslawaai Noord IV
Uit het voorgaande overzicht kan worden opgemaakt dat door het realiseren van Noord IV de toename van de geluidbelasting door het verkeer op het omliggende wegennetwerk met aanzienlijk minder dan 1,5 dB toeneemt. Daarmee wordt dus ruimschoots voldaan aan de drempelwaarde van 1,5 op grond van Artikel 5.78af. (indirecte akoestische effecten) van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Uit het bovenstaande overzicht kan eveneens worden opgemaakt dat in de huidige situatie nauwelijks verkeer over de Rijksomweg rijdt. Door het realiseren van Noord IV zal een deel van het verkeer van en naar dit bedrijventerrein de Rijksomweg kiezen. Deze route is echter zo onaantrekkelijk dat de intensiteit in het peiljaar ten hoogste 1400 voertuigen per etmaal zal zijn. Dit is aanzienlijk minder dan de drempelwaarde van 2500 motorvoertuigen per etmaal die in artikel 5.78ae van het Bkl als toepassingsbereik voor de beoordeling en verantwoording van de indirecte akoestische effecten van veranderend verkeer is opgenomen. Dit betekent dat ook de toename van het verkeer op de Rijksomweg in overeenstemming is met de kaders die daaraan op grond van de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl zijn gesteld.
Aan de Molenhoek, De Boompjes en het Noordeinde in Meppel staan gebouwen die worden bewoond. Op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Meppel (het voormalige Chw bestemmingsplan Meppel - Transformatiegebied Noordpoort (Chw be stemmingsplan)) geldt ter plaatse van De Boompjes en Molenhoek de bestemming ‘Bedrijven terrein - MG’. Ter plaatse van het Noordeinde geldt de bestemming ‘Maatschappelijk - SLS’. Het omgevingsplan staat op deze locaties de activiteit wonen niet toe. Bovendien liggen deze woningen alle binnen de begrenzing van het geluidgezoneerde industrieterrein Oevers. Dit industrieterrein is op grond van hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder gezoneerd. In de volgende figuur is de ligging van de woningen, de begrenzing van het industrieterrein en de ligging van een deel van de geluidzone rondom het industrieterrein weergegeven.
Het groen gekleurde gebied maakt op grond van het omgevingsplan van de gemeente Meppel onderdeel uit van het industrieterrein Oevers. Binnen dit ingekleurde gebied liggen de gebouwen aan de Molenhoek, De Boompjes en het Noordeinde. De gebouwen aan het Noordeinde bestaan al sinds het einde van de 19e eeuw (1870-1890), de gebouwen aan de Molenhoek sinds 1953 en die aan De Boompjes sinds 1900. Deze gebouwen worden sindsdien feitelijk al als woning gebuikt. De gemeente Meppel heeft besloten om met de wijziging van het omgevingsplan voor de industrieterreinen en bedrijventerreinen, de activiteit wonen op deze locaties toe te staan. Dit betekent dat deze gronden aan het industrieterrein Oevers worden onttrokken. Daardoor komen de woningen aan de Molenhoek, De Boompjes en het Noordeinde (die voorheen op het industrieterrein stonden) binnen het geluidaandachtsgebied rond industrieterrein Oevers te liggen. Ter hoogte van deze ‘nieuwe’ woningen moet worden voldaan aan paragraaf 5.1.4.2a.4 van het Bkl. Op grond van artikel 5.78t geldt voor de geluidbelasting door het industrieterrein op de buitengevel van deze ge bouwen een standaardwaarde van 50 dB voor het Lden en 40 dB voor het Lnight. Op grond van artikel 5.78u mag de standaardwaarde worden overschreden tot een grenswaarde van 55 dB voor het Lden en 45 dB voor het Lnight. Daarnaast biedt artikel 5.78w ruimte om in geval van functiewijziging de geluidbelasting ter hoogte van de buitengevel van deze geluidgevoelige gebouwen op te laten lopen tot 60 dB voor het Lden en 50 dB voor het Lnight.
Uit het akoestisch onderzoek dat door DGMR voor de omzetting van de zone naar gpp’s is uitgevoerd, volgt dat ter hoogte van de ‘nieuwe woningen’ de volgende geluidbelastingniveaus optreden:
|
|
Lden [dB] |
Lnight [dB] |
|
Molenhoek |
.. |
.. |
|
De Boompjes |
.. |
.. |
|
Noordeinde 3, 5 en 7 |
.. |
.. |
|
Noordeinde 22 - 40 |
.. |
.. |
De geluidbelasting ter hoogte van de buitengevel van de woningen aan de Molenhoek, De Boomp[jes en het Noordeinde is zonder uitzondering hoger dan de standaardwaarde op grond van artikel 5.78t van het Bkl. Maar de geluidbelasting is (met uitzondering van de gebouwen aan de Molenhoek) lager dan de grenswaarde in geval van functiewijziging op grond van artikel 5.78w van het Bkl. De geluidbelasting ter hoogte van de buitengevel van de woningen aan de Molenhoek loopt op tot 61 dB(A) en dus meer dan de grenswaarde. Dit is de geluidbelasting op de blinde noordgevel van deze gebouwen. Hiervan kan worden betoogd dat dit een niet geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is zoals bedoeld in artikel 5.78y van het Bkl. Als met het wijzigen van het omgevingsplan, waarmee deze gebouwen buiten het industrieterrein komen te liggen, deze gevel wordt aangewezen als een ‘niet geluidgevoelige gevel’ wordt de geluidbelasting op deze gevel niet getoetst aan de hiervoor genoemde grenswaarde. De geluidbelasting aan de voor- en achtergevel van dit gebouw bedraagt dan 60 en respectievelijk 56 dB(A). Als dus de noordgevel als niet geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen wordt bestempeld, kan worden geconcludeerd dat ter hoogte van de gebouwen aam de Molenhoek sprake van een aanvaardbare geluidbelasting.
Eén van de voorwaarden voor het toelaten van deze geluidbelasting is dat bij het nemen van het daartoe strekkende besluit het gecumuleerde geluidniveau wordt beoordeeld. In de toe lichting op het besluit moet worden betoogd dat de geluidbelasting niet door maatregelen kan worden teruggebracht en dat sprake is van een aanvaardbaar gecumuleerde geluidbelasting als ook rekening gehouden wordt met de geluidbelasting door het wegverkeer. Dit gecumu leerde niveau uitgedrukt in ‘milieukwaliteitmaat’ ligt ter hoogte van de gebouwen aan het Noordeinde en de Molenhoek op ‘tamelijk slecht’ en ter hoogte van de gebouwen aan De Boompjes op ‘matig’. Maar ook hiervoor geldt dat hier sprake is van een al jaren bestaande situatie en daarmee een aanvaardbare kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat bij toetsing aan de grenswaarden die ter hoogte van de buitengevel van de geluidgevoelige gebouwen aan de Molenhoek, De Boompjes en het Noordeinden gelden op grond van artikel 5.78w van het Bkl sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting.
Op grond van artikel 5.83 van het Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen, activiteiten in de openbare buitenruimte, evenementen buiten een evenementenlocatie en verkeer op wegen, spoorwegen en waterwegen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat aan de instructieregel wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden.
In artikel 22.88 van het omgevingsplan gemeente Meppel zijn de bedoelde standaardwaarden voor continue trillingen opgenomen. Met de wijziging van het omgevingsplan zijn daarom aanvullend hierop standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen, in overeenstemming met artikel 5.78a van het Bkl aan het omgevingsplan verbonden. Gelet op de aard van de activiteiten op de bedrijven- en industrieterreinen en de afstand tot de omliggende trillinggevoelige gebouwen is aannemelijk dat aan deze trillinggrenswaarden kan worden voldaan.
Op de industrieterreinen Spijkerserve en Oevers zijn bedrijfswoningen toegestaan, die binnen het toepassingsbereik van artikel 5.79 van het Bkl vallen. Rond bedrijventerrein Rogat liggen een aantal clusters woningen, die als het ware als enclaves worden omsloten door het bedrijventerrein. Door de relatief korte afstand tussen de bedrijfsmatige activiteiten op deze industrieterreinen en het bedrijventerrein en de betreffende (bedrijfs)woningen, kan niet worden uitgesloten dat in voorkomende gevallen niet aan de hiervoor genoemde trillinggrenswaarden kan worden voldaan. De ligging van deze woningen maakt dat hier een lager beschermingsniveau passend is. In het omgevingsplan van de gemeente Meppel wordt een voorrangsbepaling opgenomen voor Spijkerserve, Oevers en Rogat zodat deze bestaande milieubelastende activiteiten kunnen worden gecontinueerd zonder dat daardoor strijdigheid optreedt met daarop van toepassing zijnde trillinggrenswaarden.
Noord IV ligt op enige afstand van woonwijken van Meppel. In de buurt zijn enkele boerderijen waarvan Meenteweg 18 het dichtst bij de ontwikkeling ligt. Aan de noordelijke rand van het beoogde bedrijventerrein is een groene rand voorzien waardoor de bedrijven op enige afstand tot deze woning komt te liggen. Daarnaast betreft het een bedrijfswoning behorende bij een agrarisch bedrijf.
In de aanlegfase van Noord IV valt niet uit te sluiten dat er trillingen optreden. Dit betreft echter een tijdelijke situatie die ook niet te vermijden is. Bij de aanleg en de bouw van het bedrijventerrein zal hiervoor aandacht nodig zijn. Voor de gebruiksfase wordt geen bovenmatige trilling verwacht. Het bestaande bedrijventerrein heeft het systeem van activiteiten en milieuzonering waarbij gekeken wordt naar de impact van de te vestigen bedrijven op de omgeving. De al eerder genoemde boerderij is de dichtstbijzijnde. Daarnaast liggen enkele woningen aan de overkant van de Drentsche Hoofdvaart. Gelet op de activiteiten die worden toegelaten zal voor deze woningen hetzelfde gelden: in de bouw- en aanlegfase kan eventueel enige trilling ontstaan, in de gebruiksfase wordt dit niet verwacht.
Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl moeten er in het omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem waaraan moet worden voldaan, om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. Een omgevingsplan kan deze bouwactiviteit toestaan als op een locatie deze grenswaarden worden overschreden, als daarbij wordt voorgeschreven dat sanerende of andere beschermende maatregelen getroffen worden. Daarnaast moet in het omgevingsplan op zijn minst een meldingsplicht worden ingesteld voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Ook moeten er regels in het omgevingsplan worden opgenomen die het in stand houden van de sanerings- en andere beschermende maatregelen borgen.
Naast regels over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, moeten er op grond van de instructieregels regels aan het plan worden verbonden over het op of in de grond brengen van grond en baggerspecie. Zo kan er in het omgevingsplan een zogenoemd bodembeheergebied worden aangewezen en moet in het omgevingsplan de landbodem worden ingedeeld in bodemfunctieklassen.
Op 10 oktober 2020 heeft de gemeenteraad van de gemeente Meppel de regionale Nota Bodembeheer en de bijbehorende bodemkwaliteitskaart vastgesteld. Deze Nota Bodembeheer heeft een geldigheidsduur van 10 jaar. Op grond van het overgangsrecht zijn de bodemfunctiekaart en het gebiedsspecifieke beleid dat in deze Nota Bodembeheer zijn opgenomen, gelijkgesteld aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Meppel, tot dit beleid haar geldigheid verliest.
De OmgevingsDienst Drenthe heeft in de voorbereiding op deze wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Meppel verschillende keren meegedacht over de uitwerking van milieuthema’s in het omgevingsplan. De ODD heeft op eigen initiatief voorbeeldregels voor bodembeheer opgesteld, om de gemeenten in haar verzorgingsgebied te ondersteunen bij het wijzigen van het omgevingsplan. De gemeente Meppel heeft deze regels, voor zover deze niet strijdig zijn met het beginsel van beleidsneutraal overgaan, overgenomen in haar omgevingsplan.
In artikel 6.22 zijn de grenswaarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vastgesteld. Daarbij heeft de gemeente Meppel aangesloten bij de interventiewaarden, die als bijlage IIa bij het Besluit activiteiten leefomgeving zijn opgenomen. Dit met uitzondering van de daarin opgenomen interventiewaarde voor lood. De landelijke werkgroep Bodem van de GGD heeft op 2 november 2020 een memorandum gepubliceerd over de gevolgen van lood in de bodem op de cognitieve ontwikkeling van kinderen. Gelet op dit memorandum en het advies van de Omgevingsdienst Drenthe heeft de gemeente de grenswaarde voor de toelaatbare waarde van het gehalte lood in de bodem aangepast van de interventiewaarde van 530 mg/kgds naar 390 mg/kgds. Daarnaast ontbreken er in bijlage IIa van het Besluit activiteiten leefomgeving grenswaarden voor zogenaamde Per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS). Om ook op dit punt met het omgevingsplan voldoende waarborgen voor de kwaliteit van de bodem onder bodemgevoelige gebouwen te bieden, heeft de gemeente Meppel besloten om hiervoor aan te sluiten bij de grenswaarden voor de bodemfunctieklasse wonen volgens het Handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie van het Ministerie van IenW van december 2021. In overeenstemming met dit handelingskader zijn voor perfluoroctaansulfonaat (PFOS) een grenswaarde opgenomen van 3 mg/kgds, voor perfluoroctaanzuur (PFOA) een grenswaarde van 7 mg/kgds en voor overige PFAS een grenswaarde van eveneens 3 mg/kgds.
Aanvullend op het vaststellen van de grenswaarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, is met de wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Meppel van 11 juni 2025 het bouwen van een bodemgevoelig gebouw vergunningplichtig gemaakt. Deze vergunningsplicht en de informatieplicht voor het in gebruik nemen van een bodemgevoelig gebouw na het treffen van saneringsmaatregelen zijn opgenomen in hoofdstuk 7 van het omgevingsplan. Met de onderhavige wijziging van het omgevingsplan voor de bedrijventerreinen en industrieterreinen van de gemeente Meppel zijn deze vergunningplicht en meldplicht ook van toepassing geworden op het bouwen en gebruiken van bodemgevoelige gebouwen binnen dit deelplangebied.
Met deze wijziging van het omgevingsplan worden de daarin opgenomen regels over het op of in de bodem brengen van grond en/of baggerspecie ook op de bedrijventerreinen en industrieterreinen van toepassing.
Met deze uitwerking in deze wijziging van het omgevingsplan, is voldaan aan de instructieregel in het Bkl op dit gebied en wordt met dit besluit voldoende waarborg voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties geboden.
Zoals hiervoor is beschreven, heeft de ODD voorbeeldregels opgesteld waarmee uitwerking kan worden gegeven aan de instructieregel over bodem uit hoofdstuk 5 van het Bkl. In deze wijziging van het omgevingsplan is aangesloten bij de voorbeeldregels van de ODD over:
aanvraagvereisten voor de omgevingsvergunning voor bouwen van bodemgevoelige gebouwen
graven meer dan 25 m3 onder of gelijk aan de interventiewaarden
graven meer dan 25 m3 boven de interventiewaarden
kleinschalig graven boven de interventiewaarden
saneren van de bodem
andere sanerende maatregelen
het opslaan van grond of baggerspecie
het toepassen van bouwstoffen en grondstabilisatie en
het toepassen van grond of baggerspecie (hoeveelheid bodemvreemd materiaal).
Deze regels zijn opgenomen in de hoofdstukken 7 en 11 van het omgevingsplan van de gemeente Meppel.
De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelgebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelgebied optreedt. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn.
Geur door agrarische activiteiten
Op de bedrijven en industrieterreinen zijn geen agrarische bedrijven gevestigd. De op de bedrijven- en industrieterreinen aanwezige geurgevoelige bedrijfswoningen liggen allen op voldoende grote afstand van omliggende veehouderijen. Er is daarom geen sprake van een onaanvaardbare geurbelasting van deze bedrijfswoningen.
Overige geurbelastende activiteiten
Op industrieterrein Oevers zijn verschillende mengvoerbedrijven in werking en op het deel dat binnen het ambtsgebied van de gemeente Staphorst ligt, is een asfaltcentrale in werking. Met deze wijziging van het omgevingsplan worden geen nieuwe geurgevoelige gebouwen binnen het invloedsgebied van de asfaltcentrale mogelijk gemaakt. Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt voor de bedrijfsmatige activiteiten op het industrieterrein Oevers de systematiek van Activiteiten en milieuzonering toegepast. Daarbij worden in de gebruiksregels ook grenswaarden voor de geurbelasting door de milieubelastende activiteiten opgenomen. Deze grenswaarden zijn strenger dan de geurvoorschriften die aan de omgevingsvergunning voor de mengvoerbedrijven verbonden. Deze geurvoorschriften prevaleren boven de regels van dit omgevingsplan. Daarmee zijn de bestaande rechten van de mengvoerbedrijven bestendigd en is ook op dit punt sprake van een beleidsneutrale wijziging van het omgevingsplan. Dit geldt ook voor de Riool Waterzuiveringsinstallatie (RWZI) die op bedrijventerrein Noord I is gevestigd.
Onder de Omgevingswet is in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
Indien een stedelijke ontwikkeling bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening én die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) legt hiervoor geen grens vast. Volgens vaste jurisprudentie[8] is sprake van een stedelijke ontwikkeling van ‘substantiële omvang’ bij het planologisch toevoegen van:
12 of meer woningen of;
meer dan 500 m2 bvo (bruto vloeroppervlak) voorzieningen of;
een functiewijziging groter dan 500 m2.
Daarnaast volgt uit artikel 5.129g lid 4 Bkl dat als wordt voorzien in een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet én de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, de behoeftebeoordeling alleen tot doel heeft om na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. Echte, iIn uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. De geldende planologische mogelijkheden zijn vertrekpunt bij de beoordeling. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.
Toetsing
Noord IV is een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit beoogde bedrijventerrein ligt buiten het stedelijk gebied en het stedelijk groen. Op dit moment heeft Noord IV een agrarische functie met daarin ook een agrarisch erf. Hiervoor wil de gemeente de functie veranderen van agrarische activiteiten naar bedrijfsactiviteiten door middel van een wijziging van het Omgevingsplan voor de locatie Noord IV.
De gemeente heef als ambitie om 26-27 hectare aan bedrijventerrein te realiseren in Noord IV. Het gaat bij deze nieuwe stedelijke ontwikkeling dus om een bedrijventerrein van meer dan 500 m² bvo en een functiewijziging van meer dan 500 m². Het mogelijk maken van dit bedrijventerrein is gelet op de instructieregel uit het Bkl en jurisprudentie voldoende substantieel.
Met deze wijziging van het Omgevingsplan worden activiteiten in het stedelijk gebied van Meppel toegestaan. Deze omgevingsplanactiviteiten kunnen worden beschouwd als stedelijke ontwikkeling. Het betreffen echter geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen zoals bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het kan ook gaan om omgevingsplanactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning vereist is. Op basis van artikel 5.129g lid 3 sub a worden deze omgevingsplanactiviteiten nog niet aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling.
In de eerste plaats kan de ontwikkeling van Noord IV worden beschouwd als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Momenteel heeft het gebied voor een groot deel een bestemming waarmee agrarische activiteiten zijn toegestaan. De boerderij aan de Rijksomweg 1 (& 2) is in het verleden aangekocht door de gemeente. De rest van het beoogde nieuwe bedrijventerrein zijn nu nog voornamelijk weilanden. Het project is gelet op de vaste jurisprudentie voldoende substantieel. In de tweede plaats ligt de locatie buiten het bestaand stedelijk gebied waardoor een laddertoets nodig is.. In de derde plaats kan worden geconcludeerd dat als gevolg van de grote behoefte aan bedrijventerreinen in de gemeente Meppel geen sprake zal zijn van (onaanvaardbare) leegstand. De ladderonderbouwing is opgenomen als bijlage B bij deze motivering.
De conclusie van de ladderonderbouwing is dat er behoefte is aan nieuw bedrijventerrein. Dit nieuwe bedrijventerrein betreft een stedelijke ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied. Leegstand wordt niet verwacht wanneer Noord IV gerealiseerd wordt. Dit is aangetoond op basis van behoefte die er in regio en in Meppel zelf is. Daarnaast is ook gekeken naar ontwikkelingen in Port of Zwolle die nog niet ‘hard’ zijn maar wel in lijn zijn met de ambities van Port of Zwolle en de Omgevingsvisie van Meppel. Hieruit volgt mogelijk een nog nader te definiëren extra vraag naar verplaatsingsruimte. Met het oplossen van netcongestie zal elders op de bestaande bedrijventerreinen mogelijk ook extra ruimte nodig zijn. Met deze nog niet gedefinieerde ontwikkelingen, is het logisch dat er een nieuw bedrijventerrein buiten het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd gaat worden. Hierdoor wordt voldaan aan de vereisten van de ladder voor duurzame verstedelijking.
De instructieregels van het Rijk ten aanzien van cultureel erfgoed staan in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 5.130 wordt bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog hierop worden er in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed. Op de industrie- en bedrijventerreinen van Meppel zijn een relatief beperkt aantal cultureel waardevolle gebouwen. Cultureel erfgoed is op te delen in een aantal onderdelen. Het gaat hierbij over onder andere archeologische waarden, monumenten, hun omgeving en het beschermde dorps- of stadsgezichten. Cultuurhistorische waarden kunnen aan meer onderwerpen worden gekoppeld, dit kan immaterieel zijn, zoals gebruiken en gewoontes die kenmerkend zijn voor een stad of gebied, maar ook objecten zoals schilderijen, kunst etc. Voor de Industrie- en bedrijventerreinen en Noord IV wordt in deze paragraaf per onderdeel beschreven of hiervan sprake is, waar hiervan sprake is en hoe de gemeente Meppel hiermee omgaat in het omgevingsplan.
Archeologische bescherming zorgt ervoor dat archeologische waarden van gronden worden behouden en beschermd. In de regels horende bij dit Omgevingsplan wordt de bescherming en het gebruik geregeld. In het omgevingsplan gebruiken we de term te verwachten archeologisch monument. Hiermee wordt aangesloten op artikel 5.130 van het Bkl waarin wordt aangegeven dat rekening gehouden dient te worden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.
Het begrip ‘aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten’ verschilt met het recht van voor de Omgevingswet in die zin dat het woord ‘aantoonbaar’ is toegevoegd. Hierdoor is duidelijker dat de gemeente de archeologische verwachtingen moet motiveren op basis van (bestaand of zo nodig aanvullend) onderzoek. Gedegen studie van de archeologische, historische en bodemkundige informatie van het gebied of vergelijkbare gebieden, gecombineerd met informatie over mogelijke verstoringen van de bodem, is noodzakelijk om grip te krijgen op de mogelijke aanwezigheid van archeologische monumenten (archeologische vindplaatsen). De insteek van de regelgeving is immers om van aanvragers alleen nader archeologisch onderzoek te eisen waar archeologische monumenten in de grond verwacht worden. Uiteraard zal vaak pas tijdens graafwerkzaamheden of het uitvoeren van andere activiteiten duidelijk worden of er daadwerkelijk archeologische monumenten aanwezig zijn of niet. De gemeente is verantwoordelijk voor goed onderbouwde archeologische verwachtingen in het omgevingsplan op basis van locatie-specifieke archeologische, bodemkundige en historische informatie. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet maken de regels voor archeologische (verwachtings)waarden uit bestemmingsplannen en regels over archeologie in de erfgoedverordening voor zover die onder de Monumentenwet 1988 niet in een bestemmingsplan konden worden opgenomen deel uit van het tijdelijk omgevingsplan. In de bestemmingsplannen voor Rogat, Oevers E, Transformatiegebied Noordpoort, Nijeveen (Spijkerserve), Blankenstein, Industrieweg 2 e.o. en Noord waren dubbelbestemmingen voor archeologie opgenomen, deze plannen dateren van 2011 tot resp. 2023. In december 2023 is de archeologische beleidsadvieskaart geupdate. Deze kaart wordt per wijziging van het omgevingsplan meegenomen voor juridische borging. In dit wijzigingsbesluit is de archeologische verwachtingskaart vertaald in het omgevingsplan.
Figuur 6.12.1: Te verwachten archeologisch monument Oevers
Figuur 6.12.2: Te verwachten archeologisch monument Rogat
Figuur 6.12.4: Te verwachten archeologisch monument Blankenstein
Voor provinciale monumenten heeft de provincie Drenthe een voorbereidingsbesluit genomen met instructieregels voor de Drentse gemeenten. In Meppel heeft de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit genomen voor beeldbepalende panden en gemeentelijke monumenten. Hiervoor zijn brieven verstuurd met het voornemen om deze aan te wijzen. Daarmee zijn de eigenaren op de hoogte gesteld van het voornemen van de gemeente.
Rijksmonumenten
Een rijksmonument is een zaak die van algemeen landelijk belang is wegens de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Binnen de gemeente Meppel zijn 81 rijksmonumenten. Op de Industrie- en bedrijventerreinen en Noord IV zijn geen Rijksmonumenten aanwezig.
Provinciale monumenten
Waar rijksmonumenten van algemeen landelijk belang zijn, zijn provinciale monumenten dat voor de provincie. De provincie Drenthe heeft verschillende karakteristieke gebouwen en objecten aangewezen als provinciaal monument. De provincie Drenthe heeft met oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet een voorbereidingsbesluit genomen om Provinciale monumenten alvast te beschermen. Daarin staan ook instructieregels hoe die monumenten verwerkt moeten worden in het omgevingsplan. De provincie Drenthe wil hiermee haar cultuurhistorische waarden beschermen en daarbij het cultureel erfgoed beleefbaar houden. Provinciale monumenten zijn opgenomen in de provinciale monumentenlijst waar ook een beschrijving van het monument staat.[9] Op de industrie- en bedrijventerreinen zijn twee provinciale monumenten aanwezig: namelijk de (voormalige) graansilo van de Coöperatieve Landbouwbank aan het Molenpad en het garagebedrijf aan het Noordeinde waar vroeger ‘Garage Automobielen G. Greve en Zn.’ gevestigd was. Het pand waar de Coöperatieve landbouwbank zelf gevestigd was, is geen provinciaal monument.
In het Omgevingsplan zijn de provinciale monumenten voorzien van de locatie ‘provinciaal monument’. De regels hiervoor zijn overgenomen uit de omgevingsverordening. Voordat dit wijzigingsbesluit in werking treedt gelden deze regels al via een door de provincie genomen voorbereidingsbesluit. Met dat besluit gelden de regels als voorlopige regels in het omgevingsplan.
Figuur 6.12.5: Provinciale monumenten Oevers
Gemeentelijke monumenten
Naast rijks- en provinciale monumenten zijn er ook gemeentelijke monumenten in Meppel. De gemeente Meppel kent redelijk veel gemeentelijke monumenten. Op de industrie- en bedrijventerreinen bevinden zich nagenoeg geen gemeentelijke monumenten. Onder een gemeentelijk monument wordt op grond van de begripsbepalingen in het Bbl verstaan: ‘een monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven’. In het Omgevingsplan zijn de gemeentelijke monumenten voorzien van de locatie ‘gemeentelijk monument’. Op grond van artikel 2.30 Bbl is het vergunningvrij bouwen voor provinciale en gemeentelijke monumenten ingeperkt. In de Bruidsschat is het vergunningvrij bouwen van bepaalde bouwwerken ook ingeperkt voor omgevingsplanactiviteiten (artikel 22.30 Omgevingsplan Meppel). Deze regeling is vertaald in de regels van het omgevingsplan.
Daarnaast is onderzoek gedaan naar monumentale waarden van de panden aan de Meursingerweg 4 (bijlage H bij deze motivering) en Jan van de Boschkade 6 (bijlage I bij deze motivering). Deze blijken monumentale waarde te hebben volgens een onafhankelijk advies op basis van het afwegingskader zoals beschreven staat in de beleidsnota Meppeler erfgoed NU. Het aanwijzen van deze monumenten is dan ook een logisch vervolg op basis van het beleid van de gemeenteraad. De aanwijzing vindt plaats met deze wijziging van het omgevingsplan.
Figuur 6.12.6: Gemeentelijke monumenten
Beeldbepalende panden
In de Meppeler efgoed NU beleidsnota staat ook aangegeven dat beeldbepalende panden aangewezen worden. Hiervoor is een inventarisatie uitgevoerd van beeldbepalende panden op de industrie- en bedrijventerreinen. Uit de inventarisatie zijn panden gekomen die aangewezen zijn in de wijziging van het Omgevingsplan.
Figuur 6.12.7: Beeldbepalende panden Oevers
Figuur 6.12.8: Beeldbepalende panden Rogat
Artikel 5.130, tweede lid, onder d, van het Bkl implementeert (deels) artikel 4 van het verdrag van Granada. Onderdeel 1°, van dit tweede lid, onder d, vraagt gemeenten om in het omgevingsplan regels te stellen om aantasting van de omgeving van (voor)beschermde monumenten te voorkomen, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd. Het gaat hier om Rijks-, provinciale en gemeentelijke monumenten. Dit onderdeel van de instructieregels maakt dat deze wijziging van het omgevingsplan niet helemaal beleidsneutraal kan worden opgesteld. Op dit punt is er nog geen juridische regeling in bestemmingsplannen of verordeningen en er is geen beleid dat hier invulling aan geeft. Dat houdt in dat met deze wijziging van het omgevingsplan voor de industrie- en bedrijventerreinen hier invulling aan moet worden gegeven.
In het deelgebied Oevers bevinden zich monumenten. Daarom moet met ontwikkelingen in dit gebied rekening worden gehouden met de omgeving van die monumenten. Daarbij gaat het niet zozeer om de omgeving zelf, maar wel de invloed die ontwikkelingen (hoe klein ook) in de omgeving van die monumenten eventueel kunnen hebben op de waarden van die monumenten. In het omgevingsplan is een contour opgenomen die bestaat uit de gebieden die worden aangemerkt als de ‘omgeving’ van de monumenten. Hierbij is gebruik gemaakt van de methode ‘eenvoudig en objectgericht’, zoals beschreven in de Handreiking omgeving van het monument die door het Gelders Genootschap is opgesteld voor de omgeving van het monument.[10] Rondom alle monumenten op industrie- en bedrijventerreinen is een ‘monumentenbiotoop’ opgenomen met een diameter van 40 meter. Binnen dit gebied moet bij bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan rekening worden gehouden met de monumenten. Het is niet zo dat er niet gebouwd mag worden, maar de bouwactiviteiten worden aan een vergunningplicht gekoppeld en voordat er vergunning wordt verleend geeft de gemeentelijke adviescommissie advies. De ligging en omvang van de locaties ‘omgeving van het monument’ sluit grotendeels aan op een vuistregel van twee zones waarin de bouwhoogten wisselend geregeld worden. De eerste zone is een ‘vrijwaringszone’ en de tweede zone is een gebied met een maximale bouwhoogte berekend ten opzichte van de hoogte van het monument. Deze twee zones samen vormen de ‘omgeving van het monument’. Zo wordt voorkomen dat de monumenten verdwijnen in omliggende bebouwing of dat er allerlei bouwwerken voorgebouwd of tegenaan gebouwd worden.
Figuur 6.12.9: Omgeving van het monument Blankenstein
Figuur 6.12.10: Omgeving van het monument
https://www.provincialemonumentendrenthe.nl/site/gemeente/meppel/. [11]
Handreiking voor gemeenten ‘Op weg naar passende zorg voor beschermde monumenten in hun omgeving. Stappenplan om te komen tot beleid voor borging van de kwaliteit van de omgeving van beschermde monumenten’, Gelders Genootschap, 2023, p. 13. [12]
Op basis van de Omgevingswet dient de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid te worden onderbouwd. Verder wordt rekening gehouden met bestaand beleid zoals beschreven in hoofdstuk 3 van deze motivering.
Oevers, Spijkerserve, Rogat, Noord I & II en Noord III
Met het wijzigen van het omgevingsplan verandert de bestaande verkeerssituatie op de bestaande industrie- en bedrijventerreinen niet. Voor Noord III geldt dat deze nog aangelegd moeten worden maar dat dit planologisch al wel mogelijk is gemaakt met het bestemmingsplan. Er worden namelijk geen extra wegen, extra parkeerplaatsen of dergelijke mogelijk gemaakt. Ruimtelijk gezien verandert de verkeer- en parkeerstructuur niet. De regels hoeven dan ook niet aangepast te worden omdat het gebruik hetzelfde blijft als nu al mogelijk is. Hier worden ook geen beleidsmatige aanpassingen doorgevoerd in deze wijziging.
Noord IV
Voor Noord IV is door Meppel een studie naar de verkeerssituatie gedaan ten behoeve van de planontwikkeling. In dit onderzoek is gebruik gemaakt van drie situaties: het huidige gebruik, de autonome situatie in 2040 als Noord IV er niet zou komen en Plan 2040 met daarin het nieuwe bedrijventerrein. Dit verkeersonderzoek is toegevoegd als bijlage F bij de motivering van dit wijzigingsbesluit. In het onderzoek zijn kengetallen van verkeersbewegingen opgenomen. Daarnaast is ingeschat hoeveel verkeersbewegingen er bij een dergelijke ontwikkeling zouden kunnen ontstaan. Op basis hiervan is in het onderzoek gekeken naar de effecten op dertien wegvakken in de omgeving. Daarbij is aangegeven wat de verwachte verliestijden zijn en waar mogelijkerwijs knelpunten kunnen ontstaan. Daarbij is nadrukkelijk naar de kruispunten gekeken. Hieruit zijn geen harde knelpunten naar voren gekomen. Wel zijn er twee aandachtspunten: de rotonde afrit A32 R zuid - Pijlebrug en de T-kruispunt Buitenvaart N371 - Rijksweg.
Bij het eerste aandachtspunt is de conclusie dat incidenteel in de avondsspits oprijdend verkeer vanuit bedrijventerrein Noord III belemmert kan worden. Voor het tweede aandachtspunt geldt dat de kruising redelijk scoort. Een aanbeveling is een reconstructie van dit kruispunt naar rotonde om verdere groei na 2040 de ruimte te geven. De conclusie is dat er op individuele kruispunten rondom aansluiting Diever nergens lange wachtrijen zullen ontstaan. De verliestijden beperkt blijven en de I/C waarden over het algemeen goed zijn.
De realisatie van een rotonde zou een goede oplossing kunnen zijn voor de verkeersafwikkelingen. Het parkeren zal op eigen terrein plaatsvinden. Hiervoor is afdoende ruimte beschikbaar binnen het nog uit te geven terrein.
Conclusie
De ontwikkeling van Noord IV leidt niet tot noodzaak om grootschalige aanpassingen aan de infrastructuur. Het aanpassen van de bewuste kruising is, als dat in de toekomst nodig mocht blijken, een relatief kleine aanpassing. In Noord IV zelf zal de nodige verkeersstructuren aangelegd moeten worden. Noord IV aansluiten op de bestaande infrastructuur is relatief eenvoudig te realiseren en vormt geen belemmering.
Eén van de thema's die op grond van de Omgevingswet deel uitmaken van de fysieke leefomgeving is natuur. De Omgevingswet schrijft voor dat bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten (planten en dieren) en (natuur)gebieden.
De soortenbescherming is gericht op het beschermen van de nationaal en internationaal aangewezen beschermde plant- en diersoorten. De Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn verplichten nationale overheden om de bescherming van de daarin genoemde soorten in nationale wetgeving te verankeren. Nederland heeft dat gedaan in de Omgevingswet en de bij of krachtens die wet gestelde regels. In aanvulling daarop is in die regelgeving ook de bescherming van nationaal beschermde plant- en diersoorten geregeld. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden.
Bevoegd gezag voor de VTH-taken op het gebied van soorten- en gebiedsbescherming is de provincie. Dat betekent dat de activiteiten die op grond van het omgevingsplan (al dan niet met omgevingsvergunning) toegestaan zijn, daarnaast ook nog vergunningplichtig kunnen zijn als flora & fauna-activiteit of als Natura 2000-activiteit. In deze paragraaf wordt aangegeven op welke wijze bij de vaststelling van dit wijzigingsbesluit omgegaan wordt met de wettelijke eisen die gelden voor de verschillende deelaspecten voor natuur.
Voor soortenbescherming geldt geen specifieke instructieregel waar de gemeenteraad als bevoegd gezag iets mee moet doen bij de vaststelling van een omgevingsplan. Voor gebiedsbescherming geldt dat het bevoegd gezag de zekerheid moet hebben dat een plan geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden in de directe omgeving.
Dit wijzigingsbesluit regelt de omzetting van de bestaande bestemmingsplannen en beheersverordeningen uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het niet-tijdelijke deel van het omgevingsplan. Daarnaast voorziet dit wijzigingsbesluit in de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein: Noord IV.
Omdat de omzetting een hoofdzakelijk consoliderend karakter heeft, waarmee de nieuwe regelsystematiek van de Omgevingswet wordt doorgevoerd voor de bestaande bestemmingsplannen en beheersverordeningen (zonder daarmee materiële en/of inhoudelijke wijzigingen te beogen voor de bouw- en gebruiksregels) is met betrekking tot dit onderdeel geen sprake van een plan als bedoeld in de Habitatrichtlijn.
Dat ligt anders ten aanzien van de beoogde ontwikkeling van het nieuwe bedrijventerrein Noord IV. Voor de ontwikkeling van dit bedrijventerrein worden met dit wijzigingsbesluit nieuwe bouw- en gebruiksregels geïntroduceerd om die gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Voor dit deelaspect kunnen op basis van de voortoets significante effecten niet uitgesloten worden en is een passende beoordeling nodig. Uit de passende beoordeling blijkt dat (met gebruikmaking van interne saldering) de zekerheid verkregen is dat de natuurlijke kenmerken van omliggende Natura 2000-gebieden niet aangetast worden (zie bijlage M).
Aangezien een groot deel van dit wijzigingsbesluit een consoliderende regeling is met regels voor een bestaande situatie en niet ziet op de realisering of uitvoering van de daarin opgenomen bouw- en gebruiksmogelijkheden, heeft de raad aanleiding gezien geen nader onderzoek te verrichten naar de verschillende uitvoerbaarheidsaspecten daarvan. Het merendeel van de daarin opgenomen bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn reeds benut. Voor eventuele nieuwe ontwikkelingen binnen de in het omgevingsplan geboden kaders geldt dat op het moment van uitvoering zal moeten worden aangetoond dat daarvoor geen omgevingsvergunning voor een flora & fauna-activiteit nodig is, althans, dat de initiatiefnemer bij de uitvoering over een dergelijke omgevingsvergunning beschikt.
Voor het deelgebied Noord IV ligt dit anders. Daarvoor moet wel gemotiveerd worden dat er geen objectieve belemmeringen zijn die niet binnen een redelijke termijn weggenomen kunnen en/of zullen worden. In dit kader is door Eco Reest een quickscan uitgevoerd (bijlage D).
In de quickscan wordt geadviseerd nader onderzoek te doen naar de aanwezigheid (van verblijfplaatsen) van gierzwaluwen, huismussen en/of vleermuizen in de bestaande bebouwing en/of bomen en - indien nodig - een omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit aan te vragen. Dit onderzoek wordt uitgezet. Voor overige broedvogels wordt geadviseerd een ecologisch werkprotocol op te stellen om te voorkomen dat er verstoringen van beschermde soorten in het broedseizoen plaats vinden. Uit de quickscan komt evenwel niet naar voren dat de voorgestelde ontwikkeling evident onuitvoerbaar is, waardoor de conclusies van deze quickscan niet in de weg staan aan de wijziging van het omgevingsplan.
Beschermen van gezondheid
Binnen de Omgevingswet heeft het beschermen en bevorderen van de gezondheid een prominente plek gekregen. Artikel 2.1 van de Omgevingswet geeft aan dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. De gemeente Meppel moet bij elke keuze die wordt gemaakt de kwaliteit van de fysieke leefomgeving waarborgen. Hierdoor zal bij elke ruimtelijke keuze worden beoordeeld wat dit doet met de gezondheid van de mens.
Afdeling 2.2 van het Bkl gaat over de omgevingswaarden beschermen van de gezondheid en het milieu. Milieueisen worden gesteld om de kwaliteit van het milieu te beschermen. Met het beschermen van de kwaliteit van milieu wordt tevens de gezonde leefomgeving beschermd.
Bevorderen van gezondheid
De gemeente Meppel kan naast gezondheidsbescherming ook het belang gezondheidsbevordering meewegen. De fysieke leefomgeving kan positieve gezondheidseffecten hebben als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten.
Zoals in paragraaf 3.6 van deze motivering is beschreven, heeft de gemeente Meppel twee beleidsstukken die op (onder meer) het thema gezondheid zien, namelijk het Beleids- en actieplan Gezondheid, Bewegen en Sport 2020-2030 en het Evenementenbeleid. Deze beleidsregels zijn beiden niet van toepassing op bestaande en nieuwe bedrijventerreinen en industrieterreinen.
Beschouwing invloed omgevingsplan op gezondheid
Op 24 april 2025 heeft de raad van de gemeente Meppel de wijziging van haar omgevingsplan voor de gebiedsdelen Binnenstad, Centrumschil en Noordpoort vastgesteld. In de motivering van deze wijziging van het omgevingsplan is ingegaan op de gevolgen van deze wijziging voor de gezondheid. Daarbij is gebruik gemaakt van een zogenaamde gezondheidsscan. Deze gezondheidsscan richtte zich op de mogelijkheden om bij de transformatie van het deelgebied Noordpoort, van bedrijventerrein naar woongebied, de gezondheid van de ingezetenen te bevorderen. Daarmee richtte deze gezondheidsscan zich op gezondheidsbevorderende maatregelen in een woongebied.
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Meppel is anders van aard dan de wijziging van het omgevingsplan die op 24 april 2025 is vastgesteld. De wijziging in 2025 zag op een conserverend deel voor de gebiedsdelen Binnenstad en Centrumschil en een ontwikkeldeel voor het woongebied Noordpoort. De huidige wijziging van het omgevingsplan ziet op een conserverend deel voor de bestaande bedrijven en industrieterreinen en een ontwikkeldeel voor de transformatie van een deel van het buitengebied van de gemeente Meppel naar een nieuw bedrijventerrein; Noord IV. Omdat de eisen die aan het gezondheid bevorderende karakter van een bedrijventerrein worden gesteld anders zijn dan de eisen die aan een woongebied worden gesteld, is voor deze wijziging van het omgevingsplan gebruik gemaakt van een andere methode dan de gezondheidsscan. Ter voorbereiding op het nemen van het besluit tot vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan voor onder meer de ontwikkeling van Noord IV is uitgegaan van de kernwaarden Gezonde Leefomgeving van de GGD. Dit wordt in het navolgende beschreven.
De GGD heeft zogenoemde Kernwaarden voor een Gezonde Leefomgeving opgesteld. Zij is hiertoe overgegaan omdat in de Omgevingswet aan gemeenten op gebied van verschillende milieuaspecten een grotere afwegingsruimte is toegekend én omdat de gemeente met haar omgevingsplan meer thema’s op gebied van de fysieke leefomgeving mag regelen. Om binnen deze verruimde reikwijdte en afwegingsruimte van de Omgevingswet in voldoende mate aandacht te kunnen geven aan gezondheid bevorderende randvoorwaarden, hoopt de GGD de gemeenten met deze kernwaarden te kunnen ondersteunen. De GGD Kernwaarden Gezonde Leefomgeving geven handvatten om in gesprek te gaan met of binnen gemeenten over een gezonde leefomgeving. zijn opgesteld door de werkgroep Ruimtelijke Ordening van GGD GHOR Nederland Vakgroep Milieu en Gezondheid, in samenwerking met het RIVM en vele andere GGD-collega’s. De GGD heeft tien kernwaarden geformuleerd:
rookvrije omgeving
Omdat de gevolgen van roken de belangrijkste oorzaak van sterfte en ziekte zijn en meeroken een nadelige invloed op de gezondheid heeft, streeft de GGD naar een rookvrije omgeving.
aantrekkelijke plekken
Waar we onze tijd doorbrengen heeft een belangrijk effect op onze kwaliteit van leven. Aantrekkelijke plekken bieden mensen gelegenheid te ontmoeten, ontspannen, bewegen en gezond te genieten.
gezond gewicht
Bijna de helft van de Nederlanders van 18 jaar en ouder heeft overgewicht, een op de drie beweegt weinig. Overgewicht hangt samen met tal van ziekten. Het risico op ziekten en aandoeningen zoals diabetes en hart- en vaatziekten wordt groter naarmate de buikomvang toeneemt. De leefomgeving bepaalt vaak direct of gezond gedrag mogelijk is. Het kan gezond gedrag bevorderen of juist belemmeren.
wonen en druk verkeer
Intensief verkeer geeft veel lawaai en luchtverontreiniging. Langdurig verblijven nabij drukke wegen (bijvoorbeeld woning, school, kinderdagverblijf of verzorgingshuis) geeft een verhoogd risico op hart- en vaatziekten en luchtwegaandoeningen. De groei van kinderlongen op dergelijke plekken blijft achter.
nabijheid van voorzieningen
Een goede menging van functies zorgt voor een prettige woon- en werkomgeving gedurende de hele dag. In een buurt waar wonen, werken en een gevarieerd aanbod van voorzieningen (op het gebied van zorg, winkelen, ontspanning, ontwikkeling) goed gemengd zijn, wordt meer bewogen omdat zij lopend of met de fiets bereikbaar zijn. Dit zorgt er voor dat meer mensen de auto laten staan (en dus minder luchtverontreiniging, geluidsoverlast en verkeersproblemen). Goede functiemenging draagt tenslotte bij aan levendigheid en het ontmoeten van buurtgenoten.
actief vervoer
Lopen of fietsen in plaats van met auto of OV is gezonder, beter voor de omgeving en beter voor het klimaat. Dit moet centraal uitgangspunt zijn in beleid en ontwerp. Door voor dagelijkse verplaatsingen, naar werk, school en winkel, te fietsen en lopen kan iedereen voldoen aan de nationale beweegnorm.
fiets- en openbaar vervoer verbindingen
Met goede verbindingen voor de (elektrische) fiets en openbaar vervoer (OV) tussen kernen (wijken, steden, dorpen) is autogebruik veelal onnodig. Een goede OV- en fietsverbinding tussen kernen stimuleert het lopen en fietsen in de nabije omgeving. Minder automobiliteit voorkomt uitstoot en lawaai van gemotoriseerd verkeer met daardoor minder hinder, hart- en vaatziekten, luchtwegaandoeningen en longkanker. Het heeft minder negatieve invloed op het klimaat en draagt ook bij aan een gezonde woonomgeving.
gezond binnenklimaat
Mensen zijn veel in gebouwen en circa 70% van de tijd in hun eigen woning. Daarom is het voor iedereen belangrijk dat het binnenklimaat prettig en gezond is. Hetzelfde geldt voor gebouwen zoals scholen, kinderdagverblijven, verpleeg- en verzorgingshuizen. Door zorg te dragen voor een prettige temperatuur en luchtvochtigheid, voldoende rust in het gebouw en een goede binnenluchtkwaliteit, kunnen gezondheidsklachten die samenhangen met het gebouw worden voorkomen.
prettig wonen
In dorpen en steden biedt de straat (met daarop aanwezig verkeer en aan de straat gelegen bedrijvigheid) naast positieve effecten ook vaak onrust, lawaai en luchtverontreiniging. Minimaal één zijde die rustig is, waar geen geur of geluid van bijvoorbeeld horeca overheerst, met schone lucht en met een prettig (zo mogelijk natuurlijk) uitzicht en/of buitenruimte vergroot het wooncomfort.
geschikte woningen
De vergrijzing en de wens om langer thuis te blijven wonen, hebben gevolgen voor de woningvoorraad en inrichting van buurten. Een geschikte woning is een zelfstandige woning die geschikt is (te maken) voor bewoning in alle levensfasen, met minimale fysieke inspanning en minimale kans op ongevallen. Op die manier kunnen ouderen of mensen met een lichamelijke beperking prettig en comfortabel wonen. Men hoeft niet noodgedwongen bestaande sociale contacten te verbreken en de vertrouwde sociale omgeving te verlaten.
Ook voor deze kernwaarden geldt dat deze deels niet van toepassing zijn op deze wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Meppel. Deze wijziging ziet immers niet op het mogelijk maken van woongebieden, maar op het beleidsneutraal omzetten van het tijdelijke deel naar het nieuwe deel voor de bestaande bedrijventerreinen en industrieterreinen en het mogelijk maken van Noord IV. Hierdoor zijn de kernwaarden ‘rookvrije omgeving’, ‘gezond gewicht’, ‘wonen en druk verkeer’, ‘voorzieningen dichtbij’, ‘gezond binnenklimaat’, ‘prettig wonen’ en ‘geschikte woningen’ niet op deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing. In het navolgende zal daarom voor de bestaande bedrijventerreinen en industrieterreinen en afzonderlijk voor Noord IV worden ingegaan op de resterende drie kernwaarden.
Op gebied van actief vervoer en ontsluiting voor fietsverkeer scoren de Meppeler bedrijventerreinen en industrieterreinen ook niet slecht. Uit de Atlas van de leefomgeving blijkt dat 43 van de gebruikers van industrieterrein Oevers op de fiets naar het werk komt. Op bedrijventerrein Blankenstein gebruikt bijna 80 procent van de werknemers de fiets. Spijkerserve, Noord en Rogat scoren lager; hier komt minder dan 35 procent van de werknemers op de fiets. Alle bedrijventerreinen en industrieterreinen zijn uiteraard.
In het navolgende wordt voor de bestaande bedrijventerreinen en industrieterreinen Oevers, Noord I, II en III, Blankenstein, Spijkerserve en Rogat ingegaan op de kernthema’s ‘aantrekkelijke plekken’, ‘actief vervoer’ en ‘fiets- en openbaar vervoer verbindingen’.
Aantrekkelijke plekken
De kernwaarde ‘aantrekkelijke plekken’ richt zich erop dat de gebruikers van een gebied de beschikking moeten hebben over aantrekkelijke plekken om elkaar te ontmoeten, te ontspannen, te bewegen en te genieten. Deze kernwaarde is ook van toepassing op werklocaties. Werklocaties worden, anders dan woonlocaties, in mindere mate gebruikt om aangenaam te verpozen. Maar een aangename omgeving om tijdens pauzes te verpozen buiten de omsluiting van de werklocatie draagt bij aan het algeheel welbevinden en daarmee de gezondheid. De inrichting van de bedrijventerreinen en industrieterreinen binnen het ambtsgebied van de gemeente is vanzelfsprekend functioneel en overwegend stenig. Maar zoals uit de kaarten van de Atlas van de Leefomgeving kan worden opgemaakt (kaartlaag ‘Groenkaart’ zijn er op en in de directe omgeving van zowel Oevers, Noord, Blankenstein, Spijkerserve en Rogat groene gebieden waar de werknemers tijdens een pauze kunnen verpozen. De grootste afstand die gebruikers van het gebied moeten lopen om vanaf het bedrijfsterrein naar een groene omgeving te komen bedraagt 300 meter. Deze afstand is kort genoeg om de gebruikers in de gelegenheid te stellen om in hun pauzes in een groene omgeving te kunnen verpozen.
Actief vervoer, fiets- en openbaar vervoer verbindingen
Op gebied van actief vervoer en ontsluiting voor fietsverkeer scoren de Meppeler bedrijventerreinen en industrieterreinen ook niet slecht. Uit de Atlas van de leefomgeving blijkt dat 43% van de gebruikers van industrieterrein Oevers op de fiets naar het werk komt. Op bedrijventerrein Blankenstein gebruikt bijna 80% van de werknemers de fiets. Spijkerserve, Noord en Rogat scoren lager; hier komt minder dan 35% van de werknemers op de fiets. Alle bedrijventerreinen en industrieterreinen zijn uiteraard over de weg uitstekend te bereiken. In de omgevingsvisie van de gemeente Meppel is aangegeven dat de gemeente wandelen en fietsen als gezond en duurzaam alternatief voor de auto stimuleert. Daarvoor zet zij in op verbetering van een samenhangend netwerk van aantrekkelijke, klimaatbestendige wandel- en fietsroutes met voldoende schaduw. Het gaat om de doorgaande wandel- en fietsroutes, maar ook om een fijnmazig netwerk in wijken en buurten. De gemeente gaat ontbrekende schakels verhelpen, gaat koppelingen tussen stad, dorpen en buitengebieden leggen en verhoogt daarmee het comfort voor het gebruik van deze routes. Daarmee zal op termijn het actieve vervoer van de gebruikers van de bedrijventerreinen en industrieterreinen gaan toenemen. Hiervoor zijn geen maatregelen nodig die met deze wijziging van het omgevingsplan moeten worden geborgd.
Noord IV is nog geen uitwerking gemaakt voor de aanleg van het gebied. Voor Noord IV is een proefverkaveling gemaakt waarin rekening is gehouden met waterberging, langzaam verkeerroutes en groene inpassingsmogelijkheden. Hoewel de proefverkaveling niet de definitieve inrichting van het gebied is, is met de ongeveer 23 à 24 hectare niet uitgeefbare ruimte voor waterberging en infrastructuur. Daarmee blijft voldoende ruimte voor de invulling in Noord IV om zo te zorgen dat er een gezonde leefomgeving ontstaat die uitnodigt tot bewegen. Tegelijkertijd is het wel een bedrijventerrein en geen woonwijk. Dit betekent dat de hoofdfunctie werken is met bijbehorende verkeersbewegingen, geluid en eventueel geur. Wel heeft het de potentie om zoveel als mogelijk bij te dragen aan een gezonde leefomgeving.
Bij wijzigingen van het omgevingsplan waarbij kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk worden gemaakt is de gemeente verplicht de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen voor het aanleggen van openbare voorzieningen naar evenredigheid te verhalen op initiatiefnemers van kostenverhaalplichtige activiteiten die profijt hebben hiervan. Kostenverhaalplichtige activiteiten zijn gedefinieerd in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Het betreft:
de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie;
de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie;
de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie;
de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte;
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt.
Op grond van artikel 13.12 is het verboden een kostenverhaalplichtige activiteit uit te voeren voordat het kostenverhaal is verzekerd. Het kostenverhaal kan via een van onderstaande opties verzekerd worden:
anderszins, via een overeenkomst, bijvoorbeeld:
via regels kostenverhaal in het omgevingsplan, waarbij gekozen wordt tussen:
een systeem met tijdvak: vergelijkbaar met het systeem uit de Wro, waarbij plannen een duidelijk eindbeeld, een fasering en een einddatum hebben, zodat kosten en opbrengsten op voorhand relatief goed te berekenen zijn;
of zonder tijdvak: een nieuw systeem voor gebiedsontwikkelingen zonder een duidelijk eindbeeld, zonder fasering en zonder einddatum, waardoor kosten en opbrengsten op voorhand moeilijker te berekenen zijn en er gewerkt wordt met scenario's.
Ongeacht de systeemkeuze hebben de regels kostenverhaal in ieder geval betrekking op het verhalen van kosten (gekoppeld aan een kostenverhaalsgebied). Net als in een exploitatieplan (onder de Wro) kunnen in dit verband ook regels in het omgevingsplan worden opgenomen over:
fasering van en koppelingen tussen werkzaamheden en/of activiteiten;
locatie-eisen;
woningbouwcategorieën (artikel 5.161c Bkl).
In het wijzigingsbesluit van het omgevingsplan moet de keuze voor een van de opties voor het kostenverhaal gemotiveerd worden (in de motivering). Als er gekozen wordt voor het opnemen van regels kostenverhaal, dienen deze op maat te worden gemaakt voor elke ontwikkeling met kostenverhaalplichtige activiteiten. Het kostenverhaal dient te worden verzekerd voor elke wijziging van het omgevingsplan.
De bestaande industrie- en bedrijventerreinen bevatten geen gebiedsontwikkeling. Voor deze terreinen is geen aanleg of bouwrijp maken van toepassing. Regels kostenverhaal zijn voor de bestaande terreinen dan ook niet opgenomen omdat deze kosten voor deze terreinen in het verleden al zijn verhaald of anderszins geregeld zijn.
Het Omgevingsplan Industrie- en Bedrijventerreinen voorziet voor het bedrijventerrein Noord IV in het mogelijk maken van kostenverhaalplichtige activiteiten op gronden die niet in eigendom van de gemeente zijn. De gemeente heeft de plicht publiekrechtelijk kosten te verhalen. Dit gebeurt door het opnemen van regels kostenverhaal in het voorliggende Omgevingsplan. Hierbij wordt uitgegaan van het systeem zonder tijdvak. De verantwoording voor de keuze voor dit systeem is in de volgende paragraaf toegelicht. De regels kostenverhaal zijn van toepassing op de gronden die zijn aangeduid als ‘kostenverhaalsgebied - Noord IV’. Het kostenverhaalsgebied betreft het bedrijventerrein Noord IV.
De gemeente Meppel voert proactief faciliterend grondbeleid, waarbij per ontwikkeling wordt beoordeeld welke rol (actief/facilitair/een tussenvorm) het beste door de gemeente ingenomen kan worden. Binnen het bedrijventerrein Noord IV is de gemeente voornemens om zich actief op te stellen. Dat betekent dat zij probeert om alle gronden ter verwerven en te ontwikkelen. Alle gronden zijn nog niet in eigendom van de gemeente.
Omdat de kosten en opbrengsten aan de voorkant niet exact zijn vast te stellen, maar gedurende de ontwikkeling bekend worden, heeft de gemeente gekozen om uit te gaan van het systeem zonder tijdvak. Om rechtszekerheid te bieden aan eventuele initiatiefnemers dient de gemeente in het Omgevingsplan een kostenplafond aan te geven (en dus wel een maximum bekend te maken van de te verhalen kosten) alsmede de eenheidsprijzen per activiteit (type grondgebruik). De omvang van de opbrengsten wordt vervolgens bepaald door het bouwplan waarvan de initiatiefnemer uitgaat bij de indiening van een aanvraag omgevingsvergunning.
Begrenzing kostenverhaalsgebied
De begrenzing van het kostenverhaalsgebied komt nagenoeg overeen met de begrenzing van het gebied van Noord IV in dit Omgevingsplan. Het gaat zowel om de gronden waar de kostenverhaalplichtige activiteiten zijn voorzien als om de gronden voor openbare ruimte en andere voorzieningen.
Bovenwijkse kosten
De kosten van werken, maatregelen en voorzieningen die ook van belang zijn voor andere kostenverhaalsgebieden en/of bestaande wijken zijn kosten voor bovenwijkse voorzieningen. De kosten hiervoor moeten worden verhaald met in achtneming van de PPT-criteria. Deze zijn:
Profijt: de grondexploitatie moet nut ondervinden van de investering;
Proportionaliteit: De kosten dienen op basis van evenredigheid te worden verdeeld over de betrokken gebieden;
Toerekenbaarheid: de kosten zouden zonder de ontwikkeling van het gebied niet gemaakt worden of de kosten worden mede ten behoeve van het gebied gemaakt.
In de regels kostenverhaal behorend bij dit Omgevingsplan zijn op basis van de PPT-criteria geen kosten voor bovenwijkse voorzieningen opgenomen.
Kostenplafond
Op basis van de keuzes ten aanzien van de begrenzing van het kostenverhaalsgebied, de bovenwijkse kosten en het, bij de structuur passende, aangenomen grondgebruik voor de inrichting van de openbare ruimte en de doorgaande infrastructuur is het maximum van de globaal te verhalen kosten voor het gehele kostenverhaalsgebied bepaald.
Eindafrekening
De gemeente Meppel hecht eraan dat het kostenverhaalsgebied volledig ontwikkeld wordt en dat alle grondeigenaren die ontwikkelen meebetalen aan het kostenverhaal ten behoeve van de inrichting van de openbare ruimte. Om die reden is ervoor gekozen dat de eindafrekening opgemaakt wordt op het moment dat alle percelen zijn ontwikkeld.
Op het moment dat de wijziging van het Omgevingsplan onherroepelijk is geworden, zijn de regels kostenverhaal van kracht voor alle eigenaren/ontwikkelaars binnen het kostenverhaalsgebied. Daarmee zijn de kaders geschapen voor de berekening van de afdracht kostenverhaal per initiatief.
De volgende stap in het proces van het kostenverhaal is aan de orde op het moment dat een initiatiefnemer een aanvraag omgevingsvergunning indient bij de gemeente. Afhankelijk van het initiatief kan de bijdrage kostenverhaal berekend worden op basis van de bijdragen per activiteit, de te realiseren openbare ruimte op het perceel van de initiatiefnemer en de aansluiting op de doorgaande infrastructuur. Dit zal in overleg met de gemeente in het vooroverleg over de omgevingsvergunning afgestemd moeten worden.
Op het moment dat sprake is van een ontvankelijke aanvraag omgevingsvergunning dient de gemeente bij de afgifte van de vergunning een geldbeschikking samen te stellen op basis van artikel 13.18 en artikel 13.19 Ow met een overzicht van de kosten waarop de beschikking gebaseerd is. Daarbij dient de gemeente tevens een waardevermeerderingstoets uit te voeren. In de waardevermeerderingstoets wordt de waarde van het eigendom voor de wijziging van het omgevingsplan (waarde d.d. 1 september 2026) vergeleken met de opbrengst van de grond op basis van het bouwplan.
De stap van het berekenen van de afdracht kostenverhaal uitmondend in een geldbeschikking kostenverhaal in combinatie met de afgifte omgevingsvergunning wordt herhaald per ingediende aanvraag totdat alle percelen zijn ontwikkeld.
Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of het plan op voorhand niet evident financieel onuitvoerbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt.
Wanneer een vergunning voor een ontwikkeling wordt aangevraagd, dient initiatiefnemer aan te tonen dat de aangevraagde ontwikkeling financieel uitvoerbaar is. Daarbij geldt ook dat de kostenverhaalsbeschikking die op basis van de regels kostenverhaal is opgesteld wordt betaald (of dat zekerheid over betaling is geboden).
De kosten die de gemeente voor de aanleg van de hoofdinfrastructuur maakt worden volledig op initiatiefnemers binnen het gebied verhaald. Voor wat betreft de aanleg van bovenwijkse voorzieningen geldt deze naar evenredigheid (op basis van de PPT-criteria) op initiatiefnemers binnen het gebied verhaald worden.
Monitoring en evaluatie zijn belangrijke fundamenten voor wie werkt aan de continue verbetering van de leefomgeving. Monitoringsinformatie helpt om goede besluiten te kunnen nemen over activiteiten in de fysieke leefomgeving. Ambities in de omgevingsvisie werken door in omgevingsprogramma’s, het omgevingsplan en de vergunningverlening.
De omgevingsvisie is in april 2025 vastgesteld door de gemeenteraad. Bij vaststelling van de visie is ook een opzet voor een monitoringsplan door de raad vastgesteld. Daarbij is in het raadsvoorstel aangegeven dat voortschrijdend inzicht en ervaring door het werken met de omgevingsvisie zeer waarschijnlijk zullen leiden tot bijstelling van het monitoringsplan. Het is daarmee een opdracht van de gemeenteraad aan het college om met de evaluatie aan de slag te gaan op het behalen van de doelen uit de visie. Daarbij spelen twee vormen van evaluatie een belangrijke rol:
De evaluatie of de beleidsdoelen worden gehaald en bijsturing indien dat nodig is of kan;
De evaluatie of de regelgeving werkt, actueel is en werkbaar blijft. Het Omgevingsplan is immers in de basis een juridisch plan zonder einddatum of tijdperk.
Op beleidsniveau wordt een monitoring en evaluatie opgezet die onder andere te koppelen is, en deels gebeurd dat al, met de P&C cyclus stukken. De foto van de leefomgeving is een belangrijke nulmeting/basis aan de hand waarvan de monitoring en evaluatie gedaan kan worden. Het omgevingsplan is in zichzelf voornamelijk beleidsneutraal gedaan en vormt daardoor, in combinatie met de uitgevoerde MER ook een soort fundament waarop doorontwikkeld kan worden. Of de regels daarvoor gewijzigd moeten worden zal afhangen van beleidsmatige keuzes én de monitoring en evaluatie.
Bij het omgevingsplan zelf geldt dat gedurende de overgang naar één omgevingsplan op 1 januari 2032, technische verbeteringen en optimalisaties bij toekomstige wijzigingen worden meegenomen. Zo is met dit wijzigingsbesluit een aantal technische zaken in de Binnenstad aangepast. Door bij te houden waar dit speelt wordt bij iedere wijziging schoonheidsfoutjes en praktische en/of technische foutjes uit eerdere wijzigingen hersteld. Dit is eenvoudig mogelijk omdat de gemeente één omgevingsplan voor de hele gemeente heeft waardoor wijzigen op meerdere plekken binnen het ambtsgebied mogelijk is.
Op deze manier wordt de monitoring en evaluatie op twee niveaus vormgegeven. De beleidsmatige evaluatie en de meer technische evaluatie. Zo blijft het omgevingsplan van de gemeente Meppel actueel.
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe het participatietraject er voor de wijziging van het omgevingsplan uitziet. Welke adviezen zijn gevraagd en uitgebracht, Welke ketenpartners zijn geconsulteerd. Welke andere belanghebbenden zijn op de hoogte gebracht en hoe zag dit traject eruit.
Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. De Omgevingswet voorziet in een andere manier van werken en denken, waarbij minder en overzichtelijke regels, ruimte voor initiatieven en lokaal maatwerk centraal staan. De Omgevingswet heeft daarom een uitnodigend karakter, waarbij publieksparticipatie een belangrijke rol speelt.
Omdat de Omgevingswet uitnodigt tot maatwerk is in de wet opgenomen dat participatie onderdeel wordt van ruimtelijke processen. Op deze manier wordt ingezet op een integrale afweging, waarbij de verschillende belangen en afwegingen worden meegenomen. De verwachting is dat participatie bijdraagt aan draagvlak en kortere juridische procedures. Goede participatie is zo georganiseerd dat het bijdraagt aan de kwaliteit van het openbaar bestuur en de betrokkenheid van de inwoners e.a. bij het bestuur. Participatie moet tijdig en zorgvuldig plaatsvinden. In de Omgevingswet is daaraan toegevoegd dat “eenieder” moet kunnen reageren op en meedenken aan plannen, in plaats dus van alleen direct belanghebbenden.
In Meppel zijn bij het opstellen van het wijzigingsbesluit twee beleidsstukken voor participatie relevant. Het participatiebeleid omgevingswet (vastgesteld op 2 juni 2022) en het Participatiebeleid gemeente Meppel (vastgesteld op 21 december 2023).
Beleid 2022
Het beleid voor de omgevingswet biedt houvast voor de gemeente zelf bij ruimtelijke projecten. In dit beleidsstuk uit 2022 wordt met stappen aangegeven hoe participatie goed vormgegeven kan worden.
Bij stap 1 worden de randvoorwaarden opgesteld
bij stap 2 volgt de verdieping op de randvoorwaarden.
Daarna volgt stap 3 met een globale planning en
stap 4 is het opstellen van een participatieplan.
Beleid 2023
Het beleid uit 2023 is meer een aanvulling op het stuk uit 2022. Hierin staan de vormen en niveaus van participatie beschreven. Daarnaast staan ook voorbeelden en middelen omschreven. In de ‘ Meedoen in Meppel, Leidraad Participatie Meppel’ staat een stappenplan weergegeven om tot participatie te komen.
Stap 1 is het bepalen of er wel of geen participatie wordt gedaan
Stap 2 is de voorbereiding met daarbij aandacht voor vormen en rollen. Daarnaast kan ook gekeken worden naar de rol van de raad
Stap 3 is de uitvoering
Stap 4 is de afronding
Het beleid sluit daarmee op elkaar aan en is in het verlengde van elkaar te zien.
In de inleiding van dit hoofdstuk is aangegeven dat participatie nodig is onder de Omgevingswet. Artikel 10.2, lid 1 Omgevingsbesluit vraagt dat de gemeente aangeeft hoe belanghebbenden worden betrokken bij de wijziging van het Omgevingsplan. De gemeente moet dat voorafgaand aan de start van de officiële procedure doen. Dit volgt uit artikel 16.29 Omgevingswet waarin staat dat de gemeente een voornemen tot wijzigen van het omgevingsplan moet publiceren. Daarbij moet de gemeente aangeven hoe geparticipeerd wordt.
Daarmee is de overweging of aan participatie moet worden gedaan niet meer relevant. Participatie is een verplichting. Daarbij dient onderscheid gemaakt te worden tussen de vormvrije participatie en de juridisch verplichte participatie. Het vormvrije betreft het proces dat niet gekaderd is door landelijke wetgeving maar door lokaal beleid. Het juridisch verplichte onderdeel betreft het ter inzage leggen van het ontwerp wijzigingsbesluit waarop iedere belanghebbende een zienswijze kan indienen. Deze zienswijzen worden door het bevoegd gezag afgehandeld (in dit geval de gemeenteraad).
In de Nota van Uitgangspunten, die de gemeenteraad van Meppel heeft vastgesteld op 19 juni 2025, staat dat de wijziging zoveel als mogelijk beleidsneutraal wordt opgepakt. Dat betekent dat voor onderdelen waar nog niet voldoende concreet beleid is of daar waarvoor nog geen beleid is, niet meegenomen wordt in deze wijziging. Daarom is voor participatie beperkt ruimte in deze wijziging. Daarom is dit meer raadplegend van aard waarbij op onderdelen ook advies gevraagd kan worden aan bedrijven. Gelet op de meer beleidsneutrale overgang zal de inbreng vanuit de belanghebbenden beperkt zijn.
Met name voor Noord IV geldt een iets ander scenario omdat dit een nieuw bedrijventerrein wordt. Hierover is meer ruimte om het gesprek met inwoners te voeren. Hier worden de inwoners van Noord IV actief in meegenomen. Dat begint met een goede informatievoorziening. Daarbij staat het raadplegen van de omwonenden centraal. Daar waar de inbreng van inwoners meegenomen kan worden, zal dit niet nagelaten worden om door te voeren. Feit is wel dat er een bedrijventerrein komt waar ook groen, hemelwateropvang, kabels en leidingen en netverzwaring een rol hebben. De ruimte is daarmee enigszins beperkt.
Gelet op de beperkte mogelijkheden voor inbreng heeft het college een participatieplan opgesteld dat op 24 juni 2025 door het college is vastgesteld. Daarna heeft het college de kennisgeving voornemen tot het wijzigen van het Omgevingsplan, waarin het participatieplan is benoemd, en de Notitie reikwijdte en detailniveau gepubliceerd op 3 juli 2025.
De gemeenteraad heeft gelet op de Nota van Uitgangspunten een geen rol gekregen bij het participatieproces. Een startnotitie is niet opgesteld maar wel en participatieplan.
STARTNOTITIE
In het beleid staat een startnotitie genoemd als instrument dat voorgelegd kan worden aan de gemeenteraad. Voor deze wijziging heeft het college besloten om geen startnotitie participatie voor de gemeenteraad op te stellen. Dit heeft het college gedaan vanwege de beleidsneutrale uitgangspunten zoals verwoord in de Nota van Uitgangspunten van de gemeenteraad. De rechtspositie van onze inwoners verandert in principe niet voor het grootste gedeelte, alleen de juridische regels en de wettelijke basis verandert. Alleen Noord IV en de aanpassing van het gezoneerd industrieterrein zijn hierop uitzonderingen. Voor Noord IV liepen al informatie- en participatiebijeenkomsten, mede op aandringen van de gemeenteraad. Deze bijeenkomsten zijn voortgezet en staan ook opgenomen in het participatieplan.
PARTICIPATIEPLAN
Het college heeft een participatieplan opgesteld en vastgesteld waarin staat hoe geparticipeerd is. De gemeenteraad heeft kaders gegeven door middel van twee beleidsstukken. Gelet op de Nota van Uitgangspunten, de formele rol van het college om beslissingen van de raad voor te bereiden op grond van artikel 160 lid 1 onder b, de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit en het door de raad vastgestelde beleid, was er voldoende kader voor participatie was. Het participatieplan is als bijlage bij het participatieverslag opgenomen bij het wijzigingsbesluit van het omgevingsplan. Het participatieverslag is bijlage K.
PARTICIPATIEVERSLAG
Op basis van het participatieplan is er een participatieproces gevoerd. Daarin is met name informatie gedeeld en zijn gesprekken gevoerd met belanghebbenden. Dit alles is in het bijgevoegde participatieverslag opgenomen.
Naast het meer vormvrije participatieproces moet het bestuursorgaan ook het ontwerp van het te nemen besluit ter inzage leggen op grond van artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht. In dezelfde wet is in artikel 3:16 aangegeven dat de termijn een periode van zes weken moet zijn. Hoewel dit een vrij juridisch onderdeel is, waarbij de zienswijzen juridisch beantwoord dienen te worden, is dit wel een vorm van inbreng en advies. De gemeenteraad wordt in staat gesteld om met een conceptreactienota de inbreng van inwoners zwaarwegend mee te laten wegen bij besluitvorming. Dit laatste staat ook nadrukkelijk in het participatiebeleid uit 2023.
De reactienota zienswijzen op het ontwerp wijzigingsbesluit is als bijlage bij het wijzigingsbesluit gevoegd. Het vormt een integraal onderdeel van het wijzigingsbesluit, net als het participatieverslag overigens.
Het formele adviesrecht is in de Omgevingswet geregeld in artikel 16.15, tweede lid. Op basis van dit artikel kan in het omgevingsplan een adviesrecht aan een bestuursorgaan of een andere instantie worden toegekend. Dit is alleen mogelijk als het een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit betreft.
Voor een aantal gevallen is met deze wijziging van het omgevingsplan een adviesrecht opgenomen in de regels:
een gemeentelijke monumentenactiviteit is een omgevingsplanactiviteit. Op basis van de artikelen 17.9 en 16.15a van de Omgevingswet en artikel 4.22 van het Omgevingsbesluit adviseert de gemeentelijke adviescommissie over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument. Het verdient aanbeveling dat deze commissie in navolging hiervan zich ook buigt over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een gemeentelijke monumentenactiviteit. Dit wordt in het omgevingsplan geregeld en is gekoppeld aan de vergunningplicht;
hetzelfde geldt voor beeldbepalende panden;
en hetzelfde geldt voor provinciale monumenten. Op grond van de instructieregels in de omgevingsverordening zijn Gedeputeerde Staten adviseur voor de omgevingsvergunning voor de provinciale monumentenactiviteit. Hier is niet de gemeentelijke adviescommissie adviseurs, maar GS; voor de twee molens in Meppel is de molenaar adviseur als er een omgevingsvergunning wordt verleend voor activiteiten in de molenbiotopen;
als in een gebied met archeologische waarden een vergunningaanvraag wordt ingediend en een archeologisch rapport bij de aanvraag wordt gevoegd, dan is een archeologisch deskundige adviseur bij de omgevingsvergunning;
Voor bouw en aanlegactiviteiten binnen de werkingsgebieden ‘hoogspanningtransportnet bovengronds (beperkingen)‘ geldt dat TenneT hiervoor adviseur is. Gelet op het belang van de hoogspanningsleidingen zowel bovengronds als ondergronds, heeft TenneT bij aanvragen om een omgevingsvergunning adviesrecht met oog op het bereikbaar houden en instandhouden van het hoogspanningsnet.
Bijlage: Laddertoets
Bijlage: Locatiestudie bedrijventerrein Noord IV gemeente Meppel
Bijlage: Waternotitie Meppel Noord IV
Bijlage: Onderzoek en advies Meursingeweg 4 monumentale waarden
Bijlage: Waardestelling Het Oversticht Jan van den Boschkade 6&7 Meppel
Bijlage: MER rapportage met bijlagen
Bijlage: Participatieverslag Industrie- en bedrijventerreinen
Bijlage: Akoestisch onderzoek geluidswering woningen en Kasteel Noordeinde
Bijlage: Passende beoordeling Noord IV
Zie in dit verband ook paragraaf 5.14 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Terug naar link van noot.
Memorie van Toelichting Omgevingswet, Kamerstukken II, 2013-2014, 33 962, nr. 3, p. 140 Terug naar link van noot.
Nota van Toelichting Omgevingsbesluit, Stb, 2018, 290, p. 90. Terug naar link van noot.
Nota van Toelichting Omgevingsbesluit, Stb, 2018, 290, p. 98. Terug naar link van noot.
Artikel 22.5 Ow, zie ook: Besluit van 10 juli 2023 tot vaststelling van een aantal tijdstippen waarvan in de Omgevingswet en daarmee verband houdende wet- en regelgeving is aangegeven dat deze bij koninklijk besluit worden bepaald en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.8, onderdeel B, van de Invoeringswet Omgevingswet, Stb 2023, 267. Terug naar link van noot.
Vergelijk Kamerstukken II, 2013-2014, 33 962, nr. 3, p. 404 Terug naar link van noot.
Goudappel b.v., Verkeersonderzoek bedrijventerrein Noord-IV, 5‑11‑2025 Terug naar link van noot.
ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL: RVS: 2017:1724. Terug naar link van noot.
https://www.provincialemonumentendrenthe.nl/site/gemeente/meppel/. Terug naar link van noot.
Handreiking voor gemeenten ‘Op weg naar passende zorg voor beschermde monumenten in hun omgeving. Stappenplan om te komen tot beleid voor borging van de kwaliteit van de omgeving van beschermde monumenten’, Gelders Genootschap, 2023, p. 13. Terug naar link van noot.
Noot tekst Terug naar link van noot.
Noot tekst Terug naar link van noot.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-291930.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.