Wijzigingen van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) 2023 (2026-1)

De raad van de gemeente Harderwijk;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 21 april 2026,

nummer 02430000242639 / 02430000877534;

 

besluit:

 

De volgende wijzigingen van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) 2023 (2026-1) vast te stellen:

 

Wjzigingen van “Algemene Plaatselijke Verordening (APV) 2023” (2026-1) (“Was – wordt” tabel)

 

Vigerend artikel (was)

Nieuw Artikel (WORDT)

(NIEUWE TEKST BLAUW GEARCEERD

Artikel 1:1 BEGRIPSBEPALINGEN

In deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

  • f.

    gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid van de Woningwet daaronder wordt verstaan;

 

In deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

  • f.

    gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

ARTIKEL 2:24 BEGRIPSBEPALING

  • 2.

    Onder evenement, zoals bedoeld in het eerste lid wordt ter verduidelijking mede verstaan:

    • a.

      een herdenkingsplechtigheid;

    • b.

      een braderie;

    • c.

      een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op een openbare plaats;

    • d.

      een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op een openbare plaats;

    • e.

      een klein evenement.

    • f.

      een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

  • 2.

    Onder evenement, zoals bedoeld in het eerste lid wordt ter verduidelijking mede verstaan:

    • a.

      een herdenkingsplechtigheid;

    • b.

      een braderie;

    • c.

      een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op een openbare plaats;

    • d.

      een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op een openbare plaats;

    • e.

      een klein evenement.

    • f.

      een full contact vechtsportevenement of -gala

    • g.

      voetbalwedstrijden als bedoeld in artikel 2:26A

ARTIKEL 2:25 EVENEMENT

  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  • 2.

    Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien:

    • a.

      het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen;

    • b.

      het evenement tussen 09:00 en 24.00 uur plaats vindt;

    • c.

      geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na 23.30 uur;

    • d.

      het evenement geen belemmering vormt voor het doorgaand verkeer en de hulpdiensten;

    • e.

      slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object;

    • f.

      er een organisator is;

    • g.

      de organisator minimaal 7 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.

  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  • 2.

    Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien:

    • a.

      het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen;

    • b.

      het evenement tussen 09:00 en 24.00 uur plaats vindt;

    • c.

      geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na 23.30 uur;

    • d.

      het evenement geen belemmering vormt voor het doorgaand verkeer en de hulpdiensten;

    • e.

      slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object;

    • f.

      er een organisator is;

    • g.

      de organisator minimaal 7 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester;

    • h.

      het geen full contact vechtsportevenement of -gala is.

    • i.

      het geen voetbalwedstrijd is als bedoeld in art. 2:26A

ART. 2:26A VERGUNNINGPLICHT BETAALD VOETBAL WEDSTRIJDEN

Artikel 2:26A Voetbalwedstrijden

  • 1.

    Voor de toepassing van dit artikel wordt onder organisator verstaan degene die een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij ten minste één betaald voetbalorganisatie betrokken is.

  • 2.

    Het is de organisator verboden een voetbalwedstrijd te houden zonder vergunning van de burgemeester.

  • 3.

    De burgemeester kan het doen spelen van een voetbalwedstrijd verbieden:

    • a.

      uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van de openbare orde en veiligheid;

    • b.

      indien de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd.

  • 4.

    Het is verboden een voetbalwedstrijd te doen spelen, indien een verbod, als bedoeld in het derde lid, is uitgevaardigd.

  • 5.

    Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

ARTIKEL 2:50A GEBIEDSONTZEGGING

Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen

  • 1.

    De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde gebieden aanwijzen waar naar zijn oordeel ernstige overlast door verstoringen van de openbare orde is te verwachten (overlastgebieden).

  • 2.

    De burgemeester kan aan degene die in een overlastgebied de openbare orde verstoort bevelen zich uit dat gebied te verwijderen en een verbod opleggen zich in dat gebied te begeven.

  • 3.

    Het verbod bedoeld in het tweede lid geldt ten hoogste tot en met het gehele weekeinde volgend op het weekeinde waarin of het tijdstip waarop het verbod wordt opgelegd.

  • 4.

    Indien Oudejaarsdag, Nieuwjaarsdag, nationale of plaatselijke feestdagen vallen op een dag in de week waarin een verbod bedoeld in het tweede lid eindigt, kan dat verbod tevens voor die dag of dagen en de daarop volgende nacht of nachten tot 6.00 uur in de ochtend worden opgelegd.

  • 5.

    De burgemeester kan aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het tweede lid is opgelegd en die binnen zes maanden na het opleggen van dat verbod opnieuw de openbare orde verstoort in een overlastgebied, het verbod opleggen zich te begeven in een of meer bij het opleggen van het verbod vermelde overlastgebieden voor ten hoogste twaalf weekeinden.

  • 6.

    De burgemeester beperkt de reikwijdte van een bevel of verbod ingevolge een van de voorgaande leden zoveel als nodig is wegens persoonlijke omstandigheden van degene tot wie het bevel of verbod zich richt.

  • 7.

    Onder weekeinde wordt in dit artikel verstaan: van donderdag 18.00 uur tot maandag 04.00 uur.

  • 8.

    Het is verboden te handelen in strijd met een op grond van dit artikel opgelegd verbod.

  • 1.

    Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

ARTIKEL 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats

ARTIKEL 2:54 BEWAKINGSAPPARATUUR

(gereserveerd)

  • 1.

    Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden:

    • a.

      tussen zonsondergang en zonsopgang in door het college aan te wijzen gebieden;

    • b.

      in andere gevallen dan onder a voor zover:

      • 1°.

        sprake is van overlast of hinder voor de omgeving;

      • 2°.

        er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of

      • 3°.

        het woon- of leefklimaat wordt aangetast.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 3.

    Het verbod geldt niet:

    • a.

      voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van de “Regeling Openbaar water en waterstaatswerken Harderwijk 2024” is toegestaan;

    • b.

      voor woonwagens met een woonbestemming;

    • c.

      op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd;

    • d.

      op kampeerplaatsen die op grond van art. 2:12 Verordening Fysieke Leefomgeving Harderwijk zijn aangewezen.

ARTIKEL 2:72 TER BESCHIKKING STELLEN VAN CONSUMENTENVUURWERK TIJDENS DE VERKOOPDAGEN

Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college.

Vervallen

ARTIKEL 2:74 DRUGSHANDEL EN DRUGSGEBRUIK OP STRAAT

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen of op een openbare plaats in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingshandelingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen of op een openbare plaats in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen of substanties als bedoeld in artikel 2, 2aof 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen of substanties als bedoeld in artikel 2, 2a of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingshandelingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen

Niet overgenomen.

  • 1.

    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid, aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 72 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  • 2.

    Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen, kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  • 3.

    De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.

  • 4.

    Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.

  • 5.

    Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.

ARTIKEL 6:2 TOEZICHTHOUDERS

  • 1.

    Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:

    • a.

      personen in dienst bij de eenheid Stadstoezicht;

    • b.

      personen belast met het toezicht op artikel 41, lid 1 onder b van de Alcoholwet;

    • c.

      personen in dienst bij Leisurelands B.V. en Leisurelands Exploitatie B.V. voor zover het gaat om gronden die liggen binnen de grenzen van Recreatiegebied Horst, zijnde de kadastrale eigendommen van deze B.V.’s.

    • d.

      buitengewoon opsporingsambtenaren (boa's) in dienst van de Omgevingsdienst Noord Veluwe (of een rechtsopvolger van de Omgevingsdienst).

  • 2.

    Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

  • 3.

    Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften.

  • 4.

    Met de opsporing van feiten strafbaar gesteld bij of krachtens deze verordening zijn belast de ambtenaren als bedoeld in de artikelen 141 en 142 Wetboek van Strafvordering.

  • 1.

    Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:

    • a.

      personen in dienst bij de eenheid Stadstoezicht;

    • b.

      personen belast met het toezicht op artikel 41, lid 1 onder b van de Alcoholwet;

    • c.

      personen in dienst bij Leisurelands B.V. en Leisurelands Exploitatie B.V. voor zover het gaat om gronden die liggen binnen de grenzen van Recreatiegebied Horst, zijnde de kadastrale eigendommen van deze B.V.’s.

    • d.

      buitengewoon opsporingsambtenaren (boa's) in dienst van de Omgevingsdienst Veluwe (of een rechtsopvolger van de Omgevingsdienst).

    • e.

      terreinopzichters (boa's) van defensieterreinen en de omgeving van deze terreinen, in dienst van het Ministerie van Defensie.

  • 2.

    Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

  • 3.

    Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b en ambtenaren in dienst van de Koninklijke Marechaussee, bedoeld in artikel 141, onder c van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften.

 

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente

Harderwijk in zijn openbare vergadering van

21 mei 2026.

de heer J. Joon

voorzitter

de heer H.R. Lanning

raadsgriffier

Toelichting bij de wijzigingen van de “Algemene plaatselijke verordening Harderwijk 2023” (2026-1):

 

Artikel 1:1 BEGRIPSBEPALINGEN

Deze wijziging houdt verband met het overhevelen van de definitie van ‘gebouw’ in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving naar de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet (artikel II, onderdeel V, Verzamelbesluit Omgevingswet, Stb. 2023, 298, resp. artikel I, onderdeel CW van de Verzamelwet Omgevingswet 20.., Stb. 2023, 376). Inhoudelijk is de definitie niet gewijzigd.

 

Wijziging van de VNG, model apv zomer 2024:

aanpassing verwijzing in definitie gebouw (geen inhoudelijke wijziging).

Art. 2:24 Begripsbepaling en 2:25 Evenement

Door deze wijziging is een evenementenvergunning vereist voor:

 

  • -

    een full contact (kickboksen, thaiboksen en mma (mixed martial arts)) vechtsportevenement of -gala; en

  • -

    voor een voetbalwedstrijd waarbij ten minste één betaald voetbalorganisatie betrokken is.

Full contact vechtsport

Zowel het RIEC als de vechtsportautoriteit (zie de handreiking regulering vechtsportgala's) adviseren regulering van full contact vechtsportgala’s om te komen tot veilige, kwalitatief goed georganiseerde full vechtsportgala's waarin de sporter centraal staat. Onder full contact vechtsporten verstaat de Vechtsportautoriteit: kickboksen, thaiboksen en mma (mixed martial arts).

 

Dat kan door een vergunningplicht op te nemen in de APV door wijziging van art. 2:24 en 2:25.

 

Verder zijn in de “Beleidsregel Wet Bibob 2024 gemeente Harderwijk” vechtsportgala’s benoemd als risicocategorie waarbij in beginsel de Wet Bibob zal worden toegepast. Dat kan echter alleen als vechtsportgala’s vergunningplichtig zijn.

 

Voetbalwedstrijden

Zie art. 2:26A verderop t.a.v. voetbalwedstrijden als bedoeld in artikel 2:26A.

ART. 2:26A VERGUNNINGPLICHT BETAALD VOETBAL WEDSTRIJDEN

Verzoek van de driehoek.

 

Nieuw artikel zodat de burgemeester tijdig bekend is met het feit dat een dergelijke wedstrijd plaats gaat vinden. De burgemeester kan dan vooraf mogelijke openbare orde verstoringen voorkomen als daartoe vrees bestaat

Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen

Wijziging van de VNG, model apv najaar 2023, nieuw artikel.

 

Dit artikel 2:50a t.a.v. messen is tot nu toe niet in de APV Harderwijk opgenomen.

 

Totdat dit artikel ogv art. 122 Gemeentewet onverbindend wordt en van rechtswege komt te vervallen door de invoering/inwerkingtreding van de “Wijziging van de Wet wapens en munitie in verband met de invoering van een verbod op de verkoop van bepaalde gebruiksmessen aan minderjarigen en het dragen daarvan in de openbare ruimte” is het mogelijk deze bepaling in de APV op te nemen.

Onbekend is wat het gevolg is van een uitspraak van de rechtbank Rotterdam op 14 maart 2023 waarin een dergelijk messenverbod in de APV van Rotterdam onverbindend werd verklaard in dat concrete geval.

 

In de APV Harderwijk is art. 2:50a echter al in gebruik: artikel 2:50A “Gebiedsontzegging

 

Het advies is om het huidige “artikel 2:50a Gebiedsontzegging” te laten vervallen, zie hierover verder bij art. 2:78 Gebiedsontzeggingen, en te vervangen door het nieuwe “art. 2:50a messen en andere voorwerpen als steekwapen”.

 

In de APV Harderwijk staat bij art. 2:78 het volgende:

Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen

Niet overgenomen.

 

Daar wordt nu een nieuw “art. 2:78 gebiedsontzeggingen” opgenomen conform de model APV van de VNG. Dit artikel zal het huidige “artikel 2:50a Gebiedsontzegging” dus vervangen.

 

VNG - Bijlage 3 bij Wijziging Model-APV (najaar 2023) / Implementatiehandleiding

Eerste lid

De raad geeft het college de bevoegdheid openbare plaatsen of daaraan grenzende voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven aan te wijzen waar het bij zich hebben van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt verboden is. Een dergelijke gebiedsaanwijzing voor het messenverbod gaat vaak samen met de aanwijzing van een gebied als overlastgebied. Met het artikel kan aantasting van de openbare orde preventief worden voorkomen en wordt de veiligheid bevorderd.

 

Tweede lid

Het ligt voor de hand te bepalen dat het verbod niet geldt voor messen of voorwerpen die zijn ingepakt, bijvoorbeeld omdat deze in een winkel zijn aangeschaft en nog in de verpakking zitten. De openbare orde en veiligheid zijn dan niet in het geding.

 

Derde lid

De Wet wapens en munitie gaat voor op de APV-regeling. Dit lid moet daarom worden opgenomen. Als het dragen van het mes of (steek)voorwerp onder de reikwijdte van de Wet wapens en munitie valt, moet handhaving op grond van die wet plaatsvinden.

ARTIKEL 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats

Wijziging van de VNG, model apv zomer 2024, nieuw artikel.

De noodzaak voor het APV artikel over bewakingsapparatuur is vervallen sinds op 1 januari 2004 de wijziging van artikel 139f en 441b van het Wetboek van Strafrecht in werking getreden (Stb. 2003, 365). De bepalingen gaan over de uitbreiding van de strafbaarstelling heimelijk cameratoezicht. Deze wijziging wordt ook wel aangehaald als de Wet heimelijk cameratoezicht.

 

In de model APV wordt artikelnummer 2:54 door de VNG nu gebruikt voor dit nieuwe artikel over openbare plaatsen als slaapplaats.

 

Toelichting VNG, model APV zomer 2024:

Het verbod heeft als doel het voorkomen en tegengaan van hinder en overlast, brandgevaar, verontreiniging van de openbare ruimte en risico's voor de volksgezondheid. Het slapen op openbare plaatsen draagt bij aan de verloedering van de stad. Ook het ontbreken van sanitaire voorzieningen ter plekke draagt daaraan bij. Tussen zonsondergang en zonsopgang geldt daarom een verbod in aangewezen gebieden. De raad kan de gebieden zelf in het artikel aanwijzen of de bevoegdheid daartoe aan het college laten (lid 1, aanhef en onder a). In andere gevallen –’s nachts in niet aangewezen gebieden en overdag – geldt het verbod voor zover het gebruik als slaapplaats leidt tot overlast of hinder, gevaar voor de omgeving of aantasting van het woon- en leefklimaat (lid 1, aanhef en onder b).

Bij het toezicht op de naleving van het verbod moet de opsporingsambtenaar of toezichthouder afwegen welk handhavingsmiddel hij in de concrete situatie proportioneel acht. In de meeste gevallen zal kunnen worden volstaan met een waarschuwing, tenzij sprake is van recidive. Het is weinig zinvol om dakloze mensen te beboeten als zij noodgedwongen buiten moeten slapen of om mensen te beboeten die dat niet kunnen betalen. Dan fungeert het verbod meer als stok achter de deur voor toeleiding naar ondersteuning of (maatschappelijke) opvang.

Op grond van het tweede lid kan het college in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het verbod. Een ontheffing is denkbaar in het kader van overnachten in een voertuig door aanbieders van een in de gemeente te houden evenement.

Het derde lid bakent de verbodsbepaling af. Voor het innemen van een ligplaats met een vaartuig of woonboot (hieronder begrepen ook woonark en woonschip) (a) of voor woonwagens met een woonbestemming (b) bestaan afzonderlijke voorschriften. Ook is nachtverblijf toegestaan op daartoe bestemde kampeerterreinen (c) of door het college op grond van artikel 4:19 aangewezen kampeerplaatsen buiten een kampeerterrein (d).

ARTIKEL 2:72 TER BESCHIKKING STELLEN VAN CONSUMENTENVUURWERK TIJDENS DE VERKOOPDAGEN

Uit de toelichting van de VNG volgt dat dit artikel ziet op het belang van de handhaving van de openbare orde en het tegengaan van hinder en overlast. Met het oog op deze belangen kunnen voorschriften aan de vergunning worden verbonden zoals voorschriften betreffende het verkeer, het voorkomen van parkeerproblemen en de leefbaarheid vanwege de korte verkoopperiode en de vele klantcontacten die er in die periode zijn. Verkooppunten kunnen zo bijv. worden verplicht verkeersregelaars in te schakelen om verkeersproblemen in de verkoopperiode te voorkomen.

Gelet op de landelijke ontwikkelingen rond vuurwerk (Wet Veilige Jaarwisseling) en in het kader van deregulering (waar het kan), kan deze vergunning vervallen. De verwachting is dat er eerder minder dan meer klantcontacten zullen zijn bij dergelijke verkooppunten (als ze al blijven bestaan). Ook zonder deze APV vergunning gelden andere regels, zoals het Vuurwerkbesluit, onverkort. Er zijn meer gemeenten die dit artikel al lang niet meer in de APV hebben opgenomen, zoals Putten, Zeewolde, Oldebroek en Enschede.

ARTIKEL 2:74 DRUGSHANDEL EN DRUGSGEBRUIK OP STRAAT

Deze aanpassing hangt samen met een wijziging van de Opiumwet.

Wijziging van de VNG, model apv november 2025

 

Toelichting VNG:

Met ingang van 1 juli 2025 is artikel 2a (en lijst Ia) aan de Opiumwet toegevoegd. Daarin zijn nieuwe psychoactieve stoffen (zogenaamde designerdrugs) onder de werking van de Opiumwet gebracht. Het betreft een aantal groepen stoffen dat sterk lijkt op middelen die op lijst I van de Opiumwet zijn geplaatst. De artikelen 2:74 en 2:74a van de Apv zijn erop gericht hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid door drugshandel en drugsgebruik op straat te voorkomen. Hoewel deze designerdrugs kunnen worden aangemerkt als ‘daarop gelijkende waar’ in de Apv-artikelen, is het wenselijk hierin ook substanties als bedoeld in artikel 2a van de Opiumwet expliciet te noemen.

ARTIKEL 2:78 GEBIEDSONTZEGGINGEN

Er is intern behoefte aan en verzocht om een gebiedsontzegging in de APV: art.2:78 APV.

In de APV Harderwijk bestaat al jaren een artikel over gebiedsontzegging, art. 2:50a APV. Art. 2:50a geeft de burgemeester de bevoegdheid om een overlastgebied aan te wijzen. Binnen dat overlastgebied kan de burgemeester degene die de openbare orde verstoort bevelen zich te verwijderen en verbieden om zich in dat overlastgebied te begeven.

 

Het blijkt dat art. 2:78 Gebiedsontzeggingen van de Model APV van de VNG niet vereist dat eerst een overlastgebied moet worden aangewezen en is daarmee beter inzetbaar. Art. 2:78 vervangt ook “bevel” door “opleggen van een verbod” omdat een gebiedsontzegging juridisch gezien geen bevel is waarvan het niet nakomen een misdrijf is (artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht), maar een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarvan het niet nakomen een overtreding is. Op het besluit van de burgemeester zijn de waarborgen van de Awb van toepassing.

 

Art. 2:78 (gebiedsontzegging) vervangt het vervallen art. 2:50a. (gebiedsontzegging)

 

VNG - Bijlage 3 bij Wijziging Model-APV (najaar 2023) / Implementatiehandleiding

Dit artikel strekt ertoe de burgemeester de bevoegdheid te geven tot het opleggen van een gebiedsontzegging bij (ernstige vrees voor) een openbare ordeverstoring of overlastgevend gedrag. Afhankelijk van hoe de bepaling wordt ingevuld, kan de gebiedsontzegging bijvoorbeeld worden toegepast bij overlast veroorzaakt door drugshandel en drugsgebruik, samenscholing, hinderlijk drankgebruik, geweldpleging etc. In het licht van proportionaliteit en subsidiariteit verdient het aanbeveling, alvorens over te gaan tot oplegging van een gebiedsontzegging, eerst een waarschuwing te geven. Het besluit tot oplegging van een gebiedsontzegging vereist een gedegen motivering.

 

Tot nu toe bood de VNG een facultatieve APV-bepaling over gebiedsontzeggingen aan. Vanwege het belang van dit onderwerp in de praktijk heeft de VNG hier een structurele bepaling van gemaakt. Om onveiligheidsgevoelens en overlast te verminderen, passen veel gemeenten dit instrument nu al toe.

De bepaling is inhoudelijk gewijzigd. De belangrijkste wijzigingen zijn:

  • -

    Vervanging van het ‘bevel om zich niet op een openbare plaats op te houden’ door ‘het opleggen van een tijdelijk verbod om op een openbare plaats aanwezig te zijn’. Juridisch gezien is een gebiedsontzegging namelijk niet een bevel waarvan het niet nakomen een misdrijf is (artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht), maar een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarvan het niet nakomen een overtreding is. Op het besluit van de burgemeester zijn de waarborgen van de Awb van toepassing.

  • -

    Samenvoeging van het huidige tweede en derde lid.

  • -

    Toevoeging van een voorrangsbepaling als de officier van justitie een gebiedsontzegging oplegt op grond van artikel 509hh van het Wetboek van Strafvordering.

De overtreding van de gebiedsontzegging moet worden opgenomen in artikel 6:1 van de APV.

De Commissie Feiten en Tarieven van het Openbaar Ministerie heeft besloten om geen feitcode voor een gebiedsontzegging open te stellen. De commissie vraagt zich hierbij vooral af hoe een verbalisant weet om welke gebiedsontzegging het gaat en hoe de verdachte voldoende bereikt kan worden in het proces van vervolging. De commissie verwacht dat het veelal verdachten zijn zonder vaste woon‐ of verblijfplaats. Dit soort overtredingen zijn goed ingebed in de ZSM‐praktijk 1 en het maatwerksysteem van de arrondissementsparketten.

 

Afbakening met andere gebiedsontzeggingen

Naast artikel 2:78 zijn er andere grondslagen op basis waarvan een burgemeester een gebiedsontzegging kan opleggen:

  • -

    Artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet (de ‘lichte bevelsbevoegdheid’). Een licht bevel moet in overeenstemming zijn met geldende regelgeving, inclusief de lokale verordeningen. De wetgever heeft de lichte bevelsbevoegdheid in het leven geroepen voor situaties waarin geldende regelgeving, waaronder de lokale verordeningen, geen voorziening bevat voor een concreet openbare-ordeprobleem. Kan zowel de APV als artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet toepassing vinden voor een gebiedsontzegging, dan gaat de APV voor (Hoge Raad 11-03-2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4096). Als echter van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet gebruik wordt gemaakt, omdat er geen APV-bepaling voorhanden is, dan kan de rechter aangeven dat er voldoende gelegenheid is geweest om een dergelijke regeling op te stellen (zie bijvoorbeeld Voorzieningenrechter Rb Alkmaar 15-07-2008, ECLI:NL:RBALK:2008:BD9134). Bij structurele problemen is het nodig dat de raad een regeling in een democratisch gelegitimeerde verordening zoals de APV opneemt.

  • -

    Artikel 172a van de Gemeentewet (in 2012 ingevoegd via de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast). Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen ernstige en niet-ernstige verstoringen van de openbare orde. In het geval van een ernstige verstoring van de openbare orde is niet vereist dat deze ordeverstoring herhaaldelijk heeft plaatsgevonden alvorens een bevel gegeven kan worden. In het geval van een niet-ernstige openbare-ordeverstoring is een enkel incident onvoldoende om een bevel op te kunnen leggen. Deze gebiedsontzeggingen kunnen voor drie maanden met hoogstens driemaal verlenging voor telkens die duur tot maximaal één jaar gelden en in combinatie met een van de andere instrumenten (groepsverbod, meldingsplicht) uit dat artikel worden opgelegd.

  • -

    Artikel 175, eerste lid, van de Gemeentewet (‘noodbevelsbevoegdheid’). Een noodbevel mag afwijken van geldende regelgeving, uitgezonderd de Grondwet en hogere regelingen dan de Grondwet.

Eerste lid

De invulling van het eerste lid vereist een keuze van de gemeente. Zo kan in de bepaling zelf worden bepaald bij overtreding van welke bepalingen de gebiedsontzegging kan worden ingezet, waarbij gedacht kan worden aan diverse bepalingen uit de APV, maar ook aan bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet, de Wet wapens en munitie, etc. Hierbij moet in het oog worden gehouden dat het voorkomen dat die delicten gepleegd worden (door een gebiedsontzegging op te leggen) de doelstelling van de APV-bepaling (handhaving openbare orde, bescherming woon- en leefklimaat enz.) moet dienen.

Het voordeel van een opsomming is dat er een zekere voorzienbaarheid geboden wordt en dat er democratische legitimatie is. Nadeel is dat iedere wijziging langs de raad moet en daardoor tijd in beslag neemt. Het is daarom ook mogelijk in een beleidsregel (of een dan noodzakelijke waarschuwing wanneer het tot een daadwerkelijke ontzegging komt) vast te leggen bij welke overtredingen de gebiedsontzegging ingezet kan worden. Daarin zal dan in ieder geval vastgelegd moeten worden wat er onder ‘openbare ordeverstorende handelingen’ wordt verstaan. Voordeel hiervan is dat er een zekere flexibiliteit is ingebouwd (aanpassen van een beleidsregel is immers een stuk ‘makkelijker’ dan aanpassen van de APV). Nadeel is dat de raad minder controle heeft over de invulling.

 

Los daarvan zal bepaald moeten worden hoe lang de kortdurende gebiedsontzegging duurt. Met kortdurend wordt op een periode tot 48 uur gedoeld. Vaak wordt een periode van 24 uur gehanteerd. Denkbaar is ook om naast deze algemene regeling, een bijzondere regeling op te nemen. Bijvoorbeeld door te bepalen dat de burgemeester aan iemand die tussen donderdag 18.00 uur en zondag 24.00 uur in het uitgaansgebied bepaald horeca-overlastgevend gedrag vertoont, een tijdelijk verbod oplegt om gedurende het restant van die periode daar weg te blijven. Hetzelfde is denkbaar bij kermissen, voetbalwedstrijden of andere evenementen.

 

Tweede lid

In het licht van proportionaliteit en subsidiariteit is het geboden om slechts tot oplegging van een langdurige gebiedsontzegging, als bedoeld in het tweede lid over te gaan, wanneer de gedraging waarop deze oplegging betrekking heeft binnen een bepaalde periode na oplegging van de eerdere gebiedsontzegging plaatsvindt. Het aantal maanden dat tussen de overtredingen verstrijkt, is van belang voor de toegestane looptijd van een gebiedsontzegging en dient te worden bepaald en te worden onderbouwd. Veelvoorkomend is een termijn van zes maanden, al komt twaalf maanden ook voor.

Voor de lang(er)durende gebiedsontzegging zal moeten worden bepaald en onderbouwd hoe lang deze maximaal kan duren. Een looptijd van maximaal twaalf weken is in de rechtspraak aanvaardbaar geacht. Desondanks hanteren de meeste verordeningen een maximum van acht weken. Vier weken is ook een veelvoorkomend maximum. Desgewenst kan dit – zeker bij een langere periode – ook nader worden getrapt in een beleidsregel, wat de flexibiliteit ten goede komt.

Verder dient het tweede lid, afhankelijk van de invulling en formulering van het eerste lid, tekstueel op het eerste lid afgestemd te worden.

ARTIKEL 6:2 TOEZICHTHOUDERS

Verzoek van KMAR.

We verwachten nog een brief van de Marechaussee met een verzoek hiertoe met motivatie.

De Omgevingsdienst Noord Veluwe (ODNV) heet tegenwoordig Omgevingsdienst Veluwe (ODV).

Lid 4 vervalt (opsporing valt onder bevoegdheid OM).

 


1

ZSM staat voor Zorgvuldig, Snel en Maatwerk; een aanpak die recht doet aan de belangen van de dader, het slachtoffer en de maatschappij.

Naar boven