Gemeenteblad van Doetinchem
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Doetinchem | Gemeenteblad 2026, 289865 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Doetinchem | Gemeenteblad 2026, 289865 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Het college van burgemeester en wethouders van Gemeente Doetinchem
gelezen de tekstinhoud van ”Programma - Water en Riolering” d.d. 9 juni 2026.
Besluit;
Het ontwerp "Programma - Water en Riolering", zoals opgenomen in Bijlage A vast te stellen.
De raad te informeren met de bijgaande Raadsmededeling ontwerp Water - en rioleringsprogramma Doetinchem 2026-2035.
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Gemeente Doetinchem op 9 juni 2026.
IR.JA Wannink
Secretaris
mr. M. Boumans MBA MPM
Burgemeester
Dit Water en Rioleringsprogramma (Wrp) is de opvolger van het gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2016-2020. Het Wrp is een omgevingsprogramma onder de Omgevingswet en de doorvertaling van het beleid in onze omgevingsvisie naar een omgevingsprogramma voor de komende 10 jaar (2026-2035).
Het Wrp beschrijft hoe we als gemeente voldoen aan onze gemeentelijk zorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Het bevat de beleidsuitwerking van onze visie hoe we om willen gaan met water en sluit aan op de Omgevingsvisie. Ook beschrijft het Wrp de maatregelen en onderzoeken die we komende planperiode gaan uitvoeren.\\
De rioleringszorg in Doetinchem is goed geregeld. De meeste knelpunten ten aanzien van milieutechnisch en hydraulisch functioneren zijn in de afgelopen jaren opgelost. Er zijn geen grote knelpunten bekend in de waterkwaliteit van het oppervlaktewater die worden veroorzaakt door lozingen vanuit de rioolstelsels. Het beheer is goed geregeld. Bovendien is er een duidelijk rioleringsbeleid.
De laatste jaren zijn diverse onderzoeken uitgevoerd ter ondersteuning en uitwerking van het rioleringsbeleid en zijn oplossingen voorgesteld om de laatste knelpunten op te lossen en de rioleringszorg te verbeteren. Dankzij deze onderzoeken wordt het rioolbeheer zo doelmatig en efficiënt mogelijk uitgevoerd en wordt onnodige kostenstijging voor de burger voorkomen.
De gemeente Doetinchem heeft ruim 390 km vrijvervalriolering in beheer, 19.300 kolken, 48 grotere rioolgemalen, 6 randvoorzieningen, ruim 500 drukrioleringsgemaaltjes en 123 IBA's. Er is voldoende inzicht in de toestand van het gemeentelijke rioolstelsel om een goede werking te garanderen. De toestand is overwegend goed te noemen.
Er is geen sprake van regelmatig optredende wateroverlast vanuit het rioolstelsel. We zien wel dat door de optredende klimaatverandering zomers vaker forse regenbuien voorkomen die zorgen voor hinder voor de omgeving. De gemeentelijke rioolgemalen, randvoorzieningen en overstorten van de gemengde riolering zijn aangesloten op een telemetriesysteem, waarmee de actuele status en storingen worden geregistreerd en bijgehouden.
Binnen de gemeente is geen sprake van structurele grondwateroverlast. Incidenteel zijn er wel plekken waar af en toe sprake is geweest van een tijdelijk hoge grondwaterstand of water in de kruipruimtes. De gemeentelijke grondwatermeetpunten zijn aangesloten op een telemetriesysteem waarmee de actuele grondwaterstanden worden vastgelegd.
Een goede rioleringszorg dient de volgende drie hoofddoelen:
duurzame bescherming volksgezondheid: de aanleg en het beheer van voorzieningen voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater bewerkstelligt dat verontreinigd afvalwater uit de directe leefomgeving wordt verwijderd;
handhaving goede leefomgeving: riolering en drainage zorgen voor de ontwatering van de bebouwde omgeving en het voorkomen van overlast door naast het afvalwater van huishoudens en bedrijven ook het hemelwater van daken, pleinen, wegen en dergelijke en het teveel aan grondwater in te zamelen en af te voeren;
duurzame bescherming van natuur en milieu: door de aanleg van riolering of individuele afvalwatersystemen wordt de directe ongezuiverde lozing van afvalwater op bodem of oppervlaktewater voorkomen.
Daarnaast hebben we belangrijke doelen op het gebied van schoon oppervlaktewater en klimaatadaptatie. We sluiten aan op het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) waarin onder andere beschreven staat dat elke gemeente in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust moet zijn.
De strategie is erop gericht situaties met wateroverlast te voorkomen, ook in de toekomst, wanneer door de klimaatverandering rekening gehouden moet worden met meer en heftige buien. Verder is het belangrijk om helderheid aan de burgers te geven over wat er van hen wordt verwacht en wat zij van de gemeente kunnen verwachten op het gebied van inzameling en transport van afvalwater, hemelwater en grondwater.
Dit Wrp sluit aan op de klimaatadaptatiestrategie Doetinchem die in 2022 is vastgesteld. Hierin staat beschreven hoe Doetinchem in 2050 een klimaatbestendige en waterrobuuste gemeente wil zijn.
Voor de komende planperiode zijn daarnaast een aantal onderzoeken en maatregelen gepland om de waterkwaliteit en de kwaliteit van de leefomgeving verder te verbeteren, de samenwerking in de waterketen nog meer te bevorderen en de efficiëntie en doelmatigheid in het rioolbeheer verder te vergroten.
Naast eenmalige verbeteringen zijn er structurele verbeteringsmaatregelen die de komende jaren zullen doorgaan. Hierbij wordt met name gedacht aan het verder afkoppelen van verharde oppervlakken en het herinrichten van de openbare ruimte. In combinatie met andere werkzaamheden aan de infrastructuur, zal steeds bekeken worden welke verharde oppervlakken op een duurzame wijze van het gemengde rioolstelsel kunnen worden afgehaald. Door het afkoppelen van verharde oppervlakken anticiperen we op de klimaatverandering, worden afvalwater en hemelwater gescheiden en wordt de kans op wateroverlast vanuit de gemengde rioolstelsels verkleind.
Om de ambities waar te kunnen maken en om al onze geplande werkzaamheden uit te voeren is allereerst voldoende personele bezetting benodigd. De huidige bezetting van de binnendienst voor de huidige watertaken is 6,0 fte, waar we 8,2 fte nodig hebben volgens de formatietool van branchevereniging Stichting RIONED. Dat betekent dat er een tekort is berekend van ongeveer 2,2 fte. Dat tekort openbaart zich vooral bij de rol van (gegevens) beheerder en projectleider/werkvoorbereiding-toezichthouder. Uitbreiding van de formatie is nodig om alle werkzaamheden adequaat te kunnen uitvoeren. Een uitbreiding van 2,2 fte is meegenomen in de rioolheffingsberekening vanaf 2027.
De rioolheffing wordt geheven naar een vast bedrag per perceel en bedraagt in 2026 € 255,60. Een burger betaalt momenteel evenveel rioolheffing als een bedrijf onafhankelijk van de kwaliteit en hoeveelheid (afval)water die op het gemeentelijk riool wordt geloosd. We willen toe naar een meer eerlijke verdeling van de kosten. Daarom gaan we de wijze van rioolheffing in 2026 evalueren en mogelijk aanpassen.
De heffing kan de komende jaren stabiel blijven en vanaf 2035 stijgt deze met 5 euro per jaar. De berekening is uitgevoerd op prijspeil 2026. Jaarlijks moeten de bedragen nog worden geïndexeerd met de werkelijk opgetreden inflatie, dit geldt ook voor het berekende rioolheffingstarief.
Dit Water- en rioleringsprogramma Doetinchem is het eerste programma onder de Omgevingswet. Het is een uitwerking van de Doetinchemse Omgevingsvisie op het gebied van de gemeentelijke watertaken voor stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwatermaatregelen. Met de strategie en keuzen zoals in dit Wrp verwoord, kunnen de doelen voor de gemeentelijke watertaken worden bereikt, zodat in de gemeente Doetinchem op het gebied van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater een goed en duurzaam woon-, leef- en werkklimaat gehandhaafd blijft.
Dit Water en Rioleringsprogramma (Wrp) is de opvolger van het gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2016-2020. Het Wrp is een omgevingsprogramma onder de Omgevingswet.
Het Wrp beschrijft hoe we als gemeente voldoen aan onze gemeentelijk zorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Het bevat de beleidsuitwerking van onze visie hoe we om willen gaan met water en sluit aan op de Omgevingsvisie. Ook beschrijft het WRP de maatregelen en onderzoeken die we komende planperiode gaan uitvoeren.
Beleidsvoortzetting
Het beleid uit het vorige GRP wordt zoveel mogelijk voorgezet in het nieuwe Wrp. Wel zijn meerdere onderdelen geactualiseerd. Zo houden we bijvoorbeeld rekening met de nieuwste inzichten op het gebied van klimaatadaptatie, zoals het benodigde beschermingsniveau voor extreme buien. Ook beschrijven we de nieuwe investeringen die we verwachten en welke onderzoeken en onderhoudsbudgetten benodigd zijn voor de komende jaren. Ook bepalen we het verwachte verloop van de rioolheffing voor de komende jaren.
Van GRP naar Wrp
Het vorige Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) had een looptijd van 2016 tot en met 2020, met een paar jaar verlenging. Het nieuwe Wrp krijgt een looptijd van 2026 tot en met 2035. De Omgevingswet is sinds 1 januari 2024 in werking. Onder de Omgevingswet vervalt de verplichting om een GRP op te stellen. In de memorie van toelichting bij de Omgevingswet is echter wel aangegeven dat het opstellen van een omgevingsprogramma voor water en riolering belangrijk blijft. Gemeenten zijn nog steeds verplicht om invulling te geven aan hun gemeentelijke watertaken, die af te stemmen met het waterschap en de financiën voor de rioolheffing te verantwoorden, dit Wrp is daar het instrument voor.
De gemeente is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de openbare ruimte en het woon- en leefmilieu. De voorzieningen voor stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater dragen daaraan bij. Ze kunnen maatschappelijke belangen waarborgen, zoals:
bescherming van de volksgezondheid: de gemeente voert het stedelijke afvalwater uit de directe leefomgeving af;
droge voeten: door de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (en mogelijk overtollig grondwater) verwijdert de gemeente overtollig water uit de bebouwde omgeving en beperkt daarmee wateroverlast;
schoon water en een schone bodem: door de aanleg van voorzieningen voorkomt de gemeente dat ongezuiverd stedelijk afvalwater of verontreinigd hemelwater op of in de bodem of het oppervlaktewater terecht komt.
In dit Wrp geven wij aan hoe wij onze wettelijke zorgplichten invullen:
Het college van burgemeester en wethouders stelt het Wrp vast. De financiële gevolgen van het Wrp worden via de jaarbegroting vastgesteld door de gemeenteraad. Dit is namelijk de onderbouwing van de jaarlijkse rioolheffingsverordening. Architecten- en ingenieursadviesbureau Sweco Nederland is betrokken geweest bij het opstellen van het Wrp.
Het Wrp is een omgevingsprogramma onder de Omgevingswet. Het visiedeel (H3) is een uitwerking van wat in de Omgevingsvisie staat, aangevuld met de beleidsuitwerking voor de waterzorgplichten. Het plandeel (H4) schept een kader voor wat aan regels in het Omgevingsplan wordt opgenomen. Het programmadeel (H5 en verder) beschrijft de maatregelen, onderzoeken, budgetten en kostendekking.
Eerst blikken we terug op de afgelopen periode (H2: Evaluatie). Daarna kijken we in de visie vooruit naar wat we willen bereiken (H3: wat willen we). In het plandeel (H4: wie doet wat) beschrijven we de verantwoordelijkheden van de partijen in de waterketen, en wat we van elkaar mogen verwachten. Dit plandeel vormt de basis voor het toekomstige Omgevingsplan. Vervolgens beschrijven we de huidige situatie (H5: wat hebben we), en de gevolgen van klimaatverandering (H6: Klimaatadaptatie) De maatregelen en onderzoek voor de komende jaren staan in (H7: wat gaan we doen) en de middelen die we nodig hebben in (H8: Wat kost het).
We hebben de afgelopen periode veel van de plannen uit het vorige GRP uitgevoerd. Ook hebben we extra zaken opgepakt die niet in het GRP beschreven waren. Het GRP is een goede leidraad geweest bij het handelen. Er is een flinke stap gezet richting een klimaatbestendige omgeving. Op meerdere locaties is er gewerkt om de kans op wateroverlast te verminderen. Hiervoor zijn bijvoorbeeld vele straten afgekoppeld waardoor het rioolstelsel wordt ontlast.
Er is in de zomer van 2024 twee keer forse wateroverlast geweest op bekende locaties. Op 2 september viel zo’n 68 mm in een uur. Dit is statistisch gezien een bui die ongeveer eens per 100 jaar valt. Wateroverlast op de eerste hulp van het Slingeland Ziekenhuis is in het landelijke nieuws geweest. Het is belangrijk dat dit voor nieuwbouw meteen goed gaat. De bekende overlastlocaties zijn in 2024 opgenomen in het actieplan aanpak wateroverlast, hitte en droogte. In 2022 is de Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem vastgesteld. Het Wrp sluit hierop aan.
Riolen, gemalen en pompunits zijn onderhouden en waar nodig vervangen. Ook zijn meerdere onderzoeken en andere projecten uitgevoerd. Zie hiervoor Bijlage 1. Er zijn ook zaken blijven liggen waar we niet aan toe zijn gekomen. Dit komt voornamelijk doordat een tekort wordt ervaren op het gebied van personele capaciteit. De opgaves zijn groot en het aantal mensen dat eraan werkt is beperkt.
De samenwerking intern binnen de gemeente en BUHA verloopt goed. Men weet elkaar goed te vinden en de watervragen komen bij de goede mensen terecht. Ook de samenwerking met het waterschap verloopt goed. Een aandachtspunt hierin is dat er betere afstemming mag zijn over de exacte eisen die gelden voor nieuwe ontwikkelingen op het gebied van waterberging.
Er zijn flinke slagen gemaakt op het gebied van klimaatadaptatie. In 2024 is de aanpak wateroverlast, hitte(stress) en droogte vastgesteld. Voor de aanpak van wateroverlastgebieden in de bebouwde omgeving zijn in de begroting 2025 extra middelen opgenomen. Er is voor totaal 22,3 miljoen euro (prijspeil 2023) aan middelen opgenomen voor maatregelen in de periode 2025 t/m 2034.
In Bijlage 1 is opgenomen welke van de projecten uit het vorige GRP uitgevoerd zijn en welke in het nieuwe Wrp terug moeten komen.
In Bijlage 3 is de woordenlijst opgenomen.
In dit hoofdstuk wordt de gewenste situatie beschreven. Het Wrp sluit aan op de vastgestelde Omgevingsvisie van Doetinchem. Hierin is op het gebied van water en riolering het volgende opgenomen:
Een klimaatbestendige gemeente
De gemeente is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Om toe te werken naar een klimaatbestendige en water robuuste inrichting in 2050 heeft onze gemeenteraad in 2022 de ‘Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem’ vastgesteld. In de ‘Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie 2022-2026’ staat wat we in deze periode doen. Via het project ‘Aanpak Droogte Achterhoek’ is de huidige situatie voor droogte in beeld gebracht voor de Achterhoek. Om droogte te bestrijden, moeten we meer water vasthouden.
Vijf pijlers
We willen schade en overlast bij extreme weersomstandigheden zoveel als mogelijk voorkomen (droogte, hitte, wateroverlast, overstromingen). Binnen deze algemene ambitie uit de ‘Klimaatadaptatiestrategie’ onderscheiden wij vijf pijlers:
Stad en dorp gezond en groen: de bestaande stedelijke omgeving transformeren we samen waar nodig.
Adaptief landelijk gebied: watersysteem, natuur en landbouw innoveren we samen waar nodig.
Robuuste vitale infrastructuur: de essentiële infrastructuur is klimaatbestendig.
Ontwikkelingen klimaatbestendig: alle nieuwbouw en herinrichting doen we klimaatbestendig.
Betrokken en actieve mensen: we maken mensen bewust en stimuleren klimaatbestendig gedrag.
Groenblauwe structuren
We zorgen voor voldoende ruimte voor water en groen. We borgen een robuuste aaneengesloten groenblauwe structuur. We versterken de koppeling tussen de groene en blauwe (water) structuur. Om dit te doen, zijn wij gestart met het onderzoeken waar hiervoor knelpunten en kansen liggen. In de loop van 2026 hebben we voor alle kernen een hemelwaterstructuur(kansen)kaart (HWSP-kaart) opgesteld.
Water en bodem sturend
Vanuit het Rijk is bepaald dat rekening moet worden gehouden met water en bodem bij ruimtelijke keuzes. Dat betekent dat we bij alle plannen voor de leefomgeving moeten nadenken over hoe de bodem en het water daarop van invloed zijn. We houden dus rekening met bodem en water en focussen ons op wat wel kan binnen de mogelijkheden van het water- en bodemsysteem. Binnen de regionale samenwerking Water Achterhoek+ (gemeenten, waterschap, provincie) is in juli 2025 een signaleringskaart ‘water en bodem sturend’ opgeleverd. Met de signaleringskaart kunnen we de werking van het water- en bodemsysteem een plek geven in de afweging rond locatiekeuze en inrichting bij stedelijke ontwikkeling.
Duurzame Ontwikkelingsdoelen
De Duurzame Ontwikkelingsdoelen zijn wereldwijd bekend als de Sustainable Development Goals (SDG's). In 2015 hebben alle 193 landen die lid zijn van de Verenigde Naties (VN) de doelen aangenomen. Met deze doelen willen zij in 2030 een duurzame wereld voor iedereen bereiken, waarin niemand wordt buitengesloten. In totaal zijn er 17 Duurzame Ontwikkelingsdoelen.
De gemeente Doetinchem onderschrijft de Duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s). Met het Wrp geeft de gemeente onder andere invulling aan de SDG’s ‘Schoon water en sanitaire voorzieningen en duurzaam omgaan met water’, ‘Duurzame, veilige en veerkrachtige steden en gemeenschappen’ en ‘Klimaatverandering tegengaan’. Met het Wrp zetten we in op het inzamelen en verwerken van stedelijk afvalwater en het klimaatadaptief en waterrobuust maken van de leefomgeving.
Een goede rioleringszorg dient de volgende drie hoofddoelen:
Duurzame bescherming volksgezondheid: de aanleg en het beheer van voorzieningen voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater bewerkstelligt dat verontreinigd afvalwater uit de directe leefomgeving wordt verwijderd;
Handhaving goede leefomgeving: riolering en drainage zorgen daar waar nodig voor de ontwatering van de bebouwde omgeving en voorkomen overlast door naast het afvalwater van huishoudens en bedrijven daar waar nodig ook het hemelwater van daken, pleinen, wegen en dergelijke en het teveel aan grondwater in te zamelen en af te voeren;
Duurzame bescherming van natuur en milieu: door de aanleg van riolering of individuele afvalwatersystemen wordt de directe ongezuiverde lozing van afvalwater op bodem of oppervlaktewater voorkomen.
De hoofddoelen zijn in het kader van dit Water en Rioleringsprogramma als volgt vertaald:
inzameling van binnen het gemeentelijk gebied geproduceerde stedelijk afvalwater;
inzameling van afvloeiend hemelwater dat niet mag of kan worden gebruikt voor de lokale waterhuishouding;
transport van ingezameld stedelijk afvalwater naar het ontvangstpunt van de zuiveringsinstallatie;
verwerken van hemelwater en het voorkómen van wateroverlast;
zorgen dat het grondwater de bestemming van een gebied niet structureel belemmert;
streven naar een duurzaam milieu (bodem, grond- en oppervlaktewater) door lozing van zo weinig mogelijk vervuilende stoffen;
het voorkomen van overlast voor de gemeenschap (anders dan door wateroverlast).
Naast bovenstaande vertaling van de hoofddoelen is een doelmatig beheer en een goed gebruik van de riolering binnen het bredere kader van de afvalwaterketen het uitgangspunt.
Ook is regionale samenwerking van groot belang. Dit gebeurt onder andere in het samenwerkingsverband Water Achterhoek+ en in het afvalwaterteam Etten. In paragraaf 4.2 wordt hier verder op ingegaan.
Verantwoordelijkheid
De gemeentelijke verantwoordelijkheid voor het inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater is vastgelegd in de Omgevingswet art. 2.16 lid 1a-3. Bij deze zorgplicht gaat het in het buitengebied om de keuze voor afvoer naar een RWZI of lokale behandeling in een individueel systeem (IBA).
Nieuwbouw aansluiten op de riolering
Het huishoudelijk afvalwater van nieuwe percelen binnen de bebouwde kom wordt zonder uitzondering aangesloten op de riolering. Van bedrijven wordt in ieder geval het huishoudelijk
afvalwater afgevoerd. Bij bedrijfsafvalwater of proceswater wordt, afhankelijk van de hoeveelheden en samenstelling, onderzocht of dit afvalwater via de riolering afgevoerd kan worden zonder dat de doelmatige werking in gevaar komt of dat het betreffende bedrijf zelf voor verwerking zorg moet dragen.
Voor woningen en bedrijven in nieuw te ontwikkelen gebieden zijn de aansluit- of aanlegkosten verdisconteerd in de grondprijs (grondexploitatie, grex). In andere gevallen, bijvoorbeeld bij nieuwbouw buiten gemeentelijke exploitatieplannen, worden de werkelijk gemaakte kosten voor aanleg van de riolering volledig in rekening gebracht bij de perceeleigenaar. Hierbij bepaalt de gemeente op welke wijze het betreffende perceel het beste aangesloten kan worden. Het is belangrijk dat er geen foutieve aansluitingen komen. Na de oplevering komt het beheer (inclusief onderhoud) van deze nieuwe voorzieningen in het openbare gebied voor rekening van de gemeente, de eigenaren betalen immers rioolheffing.
Indirecte lozingen (bedrijfslozingen op het riool)
Lozingen op de riolering door bedrijven worden ook wel ‘indirecte lozingen’ genoemd. Indirect omdat via de riolering het afvalwater van het bedrijf ook op de RWZI terecht komt. De lozing op het riool is een milieubelastende activiteit. Het is belangrijk om stoffen die nadelig zijn voor de kwaliteit van het rioolstelsel, voor de RWZI of voor het oppervlaktewater, te weren. Toezicht op indirecte lozingen is daarom nodig. Deze taak en de verantwoordelijkheid voor indirecte lozingen door bedrijven is door de gemeente belegd bij de ODA (Omgevingsdienst Achterhoek).
Voor deze activiteiten geldt artikel 1.7 Omgevingswet waarin staat: “Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen,
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken,
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.”
In onder andere het Besluit Activiteiten Leefomgeving artikel 2.11 zijn nadere regels opgenomen.
Op grond van deze regels kunnen lozers worden aangesproken op hun lozingsgedrag, waarbij de gemeente en/of het waterschap ook een rol hebben in de voorlichting hierover. De gemeente kan eisen stellen aan zowel de kwaliteit als de kwantiteit van het geloosde water.
Individuele behandeling afvalwater (IBA)
De gemeente kan in plaats van aanleg en beheer van een openbaar vuilwaterriool ook gebruik maken van afzonderlijke systemen of andere passende systemen (zoals IBA’s), als daarmee eenzelfde graad van milieubescherming wordt bereikt. In Doetinchem zijn in het buitengebied 123 IBA's toegepast. De aanleg en het beheer van de IBA’s wordt verzorgd door de gemeente. In de toekomst worden in- en uitbreidingen binnen de kernen aangesloten op vuilwaterriolering of de droogweerafvoer wordt aangesloten op aanwezige gemengde rioolstelsels. In het buitengebied kunnen in uitzonderlijke gevallen bij nieuwbouw, waarbij aansluiting op de riolering niet doelmatig is, IBA’s of 6 m³ septic tanks worden toegepast.
Verantwoordelijkheid
In tegenstelling tot het stedelijk afvalwater is het niet vanzelfsprekend dat de gemeente al het hemelwater inzamelt. De Omgevingswet art. 2.16 lid 1-a1 hanteert hier de term ‘doelmatig’ vanuit de gedachte dat de perceeleigenaar in eerste instantie zelf verantwoordelijk is voor verwerking van het hemelwater dat op zijn perceel valt.
Wanneer het ingezamelde hemelwater te verontreinigd is of verontreiniging van het hemelwater niet te voorkomen valt, dan moet het water ter plaatse worden gezuiverd (via een bodempassage, een helofytenfilter, een zuiveringsfilter of een gelijksoortige voorziening). De gemeente is aan zet als redelijkerwijs niet van de perceeleigenaar kan worden verwacht dat hij zelf het hemelwater verwerkt. Overtollig hemelwater dat hij redelijkerwijs niet zelf kan afvoeren, moet hij kwijt kunnen bij de gemeente, mits dit doelmatig is. De doelmatigheidsafweging ligt bij de gemeente.
Oppervlaktewater
Hemelwater dat niet infiltreert, wordt uiteindelijk afgevoerd via oppervlaktewateren zoals vijvers, sloten, kanalen en rivieren (zoals de Oude IJssel). Deze zijn veelal in beheer bij waterschap Rijn en IJssel. De gemeente en het waterschap zetten zich beide in voor voldoende capaciteit in de watergangen en voor een goede waterkwaliteit. In 2020 heeft het waterschap Rijn en IJssel het beleid “Doelen Overig water” vastgesteld. In dit kader wordt stedelijk water gemonitord om te kunnen beoordelen of stedelijk water een minimale basiskwaliteit heeft, waarbij zich geen knelpunten voordoen zoals stank, vissterfte, blauwalgenbloei, of deklagen van kroos of draadalgen. Voor Doetinchem betekent dit, dat in een 3-jarige cyclus 11 meetpunten worden bezocht. Als uit dit onderzoek blijkt dat er een knelpunt is dan wordt een aanvullend onderzoek geadviseerd. In samenspraak met de gemeente kan vervolgens naar maatregelen worden gezocht voor het oplossen van het knelpunt.
Waterkwaliteit en KRW
De waterkwaliteit wordt steeds belangrijker. In 2000 is de Kaderrichtlijn Water (KRW) vastgesteld. Doel hiervan is de waterkwaliteit binnen Europa te verbeteren; in 2027 moet de kwaliteit van alle waterlichamen in Europa zowel chemisch als ecologisch op orde zijn en hiermee een gezond leefgebied vormen voor diverse planten, dieren en mensen. Het blijkt dat de waterkwaliteit sinds 2000 al wel aanzienlijk is verbeterd, maar het doel om het stroomgebied van de Oude IJssel ecologisch en chemisch op orde te hebben is tot op heden nog niet behaald. Gemeente Doetinchem en waterschap Rijn en IJssel moeten deze komende periode daarom gezamenlijk onderzoeken hoe de waterketen als geheel functioneert; niet langer op woonkern- en bemalingsgebied niveau maar naar het hele zuiveringsgebied waarbij ook overstorten, grond- en hemelwaterafvoeren en het functioneren van RWZI's wordt meegenomen.
Het streven is daarbij dat de doelen van de Kaderrichtlijn Water gehaald worden en dat er geen verslechtering plaatsvindt van de kwaliteit van het oppervlaktewater. Als uit de immissietoets blijkt dat er een verslechtering van de waterkwaliteit mogelijk is en daarmee ook aanvullende maatregelen, en daarmee hogere kosten, nodig zijn, gaan we daar de redelijkheid van bepalen aan de hand van het rapport “kosteneffectiviteit van maatregelen ter beperking van wateremissies (invulling BBT en BBT+) 2018”. Maatregelen moeten altijd doelmatig zijn.
In 2025 is door het waterschap in samenwerking met betrokken gemeenten een ketenaanpak opgesteld over hoe we kunnen voldoen aan de KRW en welke opgaven we nader moeten duiden en welke maatregelen we kunnen treffen in de afvalwaterketen om de waterkwaliteit te verbeteren. De afvalwaterketen RWZI Etten fungeert daarbij als pilotproject.
Particulier terrein
Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. Als de perceeleigenaar het hemelwater goed in de bodem of het oppervlaktewater kwijt kan, hoeft de gemeente dit niet in te zamelen.
De gemeentelijke hemelwaterzorgplicht treedt pas in werking als de houder van het verzamelde hemelwater zich er niet op een andere wijze van kan ontdoen. Deze zorgplicht omvat niet meer dan een door de gemeente aangeboden voorziening waar het hemelwater in geloosd kan worden. Het is aan de gemeente (in overleg met het waterschap) welke voorziening dat is. Dat zou ook een gemengd riool kunnen zijn, alhoewel het rijksbeleid uitgaat van een voorkeur voor gescheiden inzameling. Voorwaarde voor het teruggrijpen op de gemeentelijke zorgplicht is dat van de perceeleigenaar redelijkerwijs niet verlangd kan worden het hemelwater zelf te verwerken. Bijvoorbeeld omdat de grondwaterstand dermate hoog is dat infiltratie niet mogelijk is en er geen oppervlaktewater in de buurt is, waarop geloosd kan worden. Een situatie waarbij de perceeleigenaar zijn gehele perceel verhard heeft waardoor infiltratie onmogelijk is geworden, is geen reden om een beroep te doen op de gemeentelijke zorgplicht.
Openbaar terrein
De zorg voor de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater heeft naast het hemelwater dat door particulieren vanaf particulier terrein wordt aangeboden ook betrekking op het afvloeiend hemelwater van openbaar terrein.
Hierbij zijn drie situaties te onderscheiden:
gemeente zamelt in het geheel geen hemelwater in (bijvoorbeeld buitengebied);
gemeente zamelt hemelwater en vuilwater in via (verbeterd) gescheiden systeem (bijvoorbeeld nieuwbouw);
gemeente zamelt hemelwater en vuilwater in via gemengd systeem (bestaand).
Nieuwbouw
Bij uitbreidingswijken moet de initiatiefnemer onderzoek verrichten op welke wijze het hemelwater verwerkt kan worden. Bij incidentele nieuwbouw of inbreidingen binnen bestaand stedelijk gebied verlangt de gemeente van de perceeleigenaar om te onderzoeken of het hemelwater op eigen terrein kan worden verwerkt. Bij de aanvraag aan de gemeente dient de perceel eigenaar aan te geven hoe het hemelwater verwerkt of afgevoerd wordt. Hierbij wordt de landelijke vastgestelde voorkeursvolgorde vasthouden - bergen - afvoeren toegepast.
Bovenstaande betekent dat bij nieuwbouw de onderzoekplicht bij de initiatiefnemer ligt. De initiatiefnemer dient gemotiveerd aan te geven bij het indienen van de bouwvergunning wat er met het hemelwater gebeurt. De gemeentelijke hemelwaterzorgplicht treedt pas in werking nadat de initiatiefnemer heeft aangetoond dat hij redelijkerwijs geen mogelijkheid heeft om zich van het hemelwater te ontdoen op eigen terrein.
Met de weging van het waterbelang (voorheen watertoets) worden nieuwe ontwikkelingen getoetst op eisen met betrekking tot waterkwantiteit. Nieuwbouw houdt ook rekening met de uitgangspunten van het Waterschap Rijn en IJssel Vastgelegd in het koersdocument Stad en Dorp 2025-20341
Bergingseisen ruimtelijke ontwikkelingen
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan waterbergingseisen. Deze sluiten zoveel mogelijk aan op de eisen van het waterschap.
De eisen zijn afhankelijk van verschillende criteria:
Is de ontwikkeling in het buitengebied of in de bebouwde kom;
Gaat het om sloop en herbouw of om een nieuwe locatie;
Is de toename van het verharde oppervlak tot en/of meer dan 250 m2, meer dan 1500 m2 en/of is de plangebiedsgrootte tot of meer dan 10.000 m2
In de tabel in Bijlage 2 is te vinden hoeveel waterberging benodigd is en welke eisen voor gemeente Doetinchem gelden bij de verschillende situaties.
Klimaatadaptatie
We willen bij werkzaamheden in de openbare ruimte in principe altijd klimaat adaptief herontwikkelen, als dat doelmatig kan. We houden zoveel mogelijk rekening met onze uitgangspunten voor klimaat adaptief inrichten zoals beschreven in paragraaf 6.4.
Doelmatigheid
Bij het stellen van eisen richting perceeleigenaren staat doelmatigheid centraal. Zo dienen bij het afdwingen van afkoppelen de kosten en baten in redelijke verhouding tot elkaar te staan. Afdwingen van afkoppelen is niet doelmatig als dit tot extreem hoge kosten leidt, of als de baten beperkt zijn of daarover twijfels bestaan. Het is ook niet doelmatig perceeleigenaren tot afkoppelen te dwingen, als verharde oppervlakken niet schoon zijn en/of redelijkerwijs niet schoongehouden kunnen worden.
Wateroverlast en water op straat
Binnen de gemeente Doetinchem is géén sprake van regelmatig optredende wateroverlast vanuit het rioolstelsel. Een van de doelen is dat wateroverlast en schade zo veel mogelijk voorkomen moet worden. De gemeente heeft een beleidsvrijheid bij het vaststellen wat onder wateroverlast wordt verstaan. Voor wateroverlast wordt de volgende definitie gehanteerd.
Wateroverlast
Het hemelwater, of met hemelwater verdund afvalwater, kan niet snel genoeg door het rioolstelsel afgevoerd worden en blijft daardoor langdurig (> 60 minuten) en op grote schaal op de straat staan. Ook is er sprake van hemelwater, of met hemelwater verdund huishoudelijk afvalwater in winkels of woningen met materiële schade tot gevolg of ernstige belemmering van het (economische) verkeer.
Wateroverlast is voor het bepalen van de TOP15 klimaatoverlastgebieden gedefinieerd als de kans* dat tijdens een specifieke neerslagreeks door plasvorming (in dit geval gebaseerd op bui T=100 en bui T=1000) wegen onbegaanbaar worden voor calamiteitenverkeer en/of overig verkeer en gebouwen een gemiddelde tot grote kans op waterschade lopen.
* Deze kans is het grootst in lager gelegen, (dicht) bebouwde gebieden.
Water op straat
Op een aantal locaties is tijdens hevige regenval wel eens sprake van water-op-straat. We zien echter wel dat er vaker zwaardere regenbuien ontstaan als gevolg van de klimaatontwikkeling. De omvang en de herhalingstijd dienen voor sommige locaties nog nader gekwantificeerd te worden. Een aantal knelpunten is in de afgelopen planperiode door afkoppelen en rioolvergrotingen opgelost. Duidelijk is dat we water op straat steeds meer moeten accepteren.
Het hemelwater, of met hemelwater verdund huishoudelijk afvalwater, kan niet snel genoeg door het rioolstelsel afgevoerd worden en blijft daardoor op de straat staan. De hoeveelheid water-op-straat is beperkt tot enkele centimeters (tussen de trottoirbanden) en het water is binnen 60 minuten verdwenen. Bij nieuwbouw adviseert de gemeente dat het vloerpeil (drempelpeil) minimaal 0,20 m boven de as van de weg wordt aangelegd. Hiermee wordt voorkomen dat bij eventueel water-op-straat het water een woning kan binnenstromen.
Overige beleidsuitgangspunten hemelwater
In gebieden, waar de komende jaren herinrichtingsplannen of rioolvervangingen plaatsvinden, wordt hemelwater afgekoppeld van het gemengde rioolstelsel, mits dit op een doelmatige manier en tegen acceptabele kosten te realiseren is. Hierbij wordt uitgegaan van het afkoppelen van de voorzijde van de woningen en van het wegoppervlak. Het initiatief voor het afkoppelen van een woning ligt bij de eigenaar van de woning. Als gemeente stimuleren wij dit door de afkoppelsubsidieregeling. Op deze manier wordt geanticipeerd op de klimaatverandering en wordt tegen redelijke kosten duurzaam met het stedelijke water omgegaan;
Hemelwater verstoort de werking van het drukrioleringssysteem en IBA´s. Bij drukriolering en IBA's mag in geen enkel geval hemelwater worden aangesloten, tenzij dit gedaan is voor een doelmatige werking. Als na onderzoek door de gemeente blijkt dat hemelwater op de drukriolering of IBA is aangesloten en dit de doelmatige werking van het systeem verstoord dan moeten de perceeleigenaren het op de riolering aangesloten hemelwater op eigen kosten afkoppelen;
Bij grootschalige nieuwbouwontwikkelingen kiezen we waar mogelijk voor collectieve robuuste systemen om hemelwater te verwerken;
Nieuwbouw dient te voldoen aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl): hemelwater dient op eigen terrein te worden opgevangen. Als de grondslag of de beschikbare ruimte, opvang op eigen terrein niet toelaat en rechtstreekse afvoer naar oppervlaktewater niet mogelijk of niet wenselijk is, dient het hemelwater op de erfgrens gescheiden van het huishoudelijke of bedrijfsmatige afvalwater te worden aangeboden. Met nieuwbouw wordt ook aanbouw aan bestaande woningen bedoeld;
Bij nieuwbouw en verbouw wordt zo min mogelijk gebruik gemaakt van uitloogbare materialen en metalen als koper, lood en zink, om uitloging en verspreiding van deze stoffen in oppervlaktewater of de bodem te voorkomen. Zo wordt verontreiniging van hemelwater voorkomen of beperkt;
Mogelijke verontreiniging van hemelwater door hondenpoep, onkruidbestrijdingsmiddelen of het wassen van auto’s wordt tegengegaan door het geven van voorlichting en communicatie naar bewoners; er is een gemeentelijke subsidieregeling water en groen om het afkoppelen van hemelwater van de riolering van bestaande gebouwen te bevorderen;
We handhaven de subsidieregeling water en groen. Dit heeft als voordeel dat bespaard kan worden op capaciteitsvergroting van de gemengde riolering of afkoppelen van de openbare ruimte. Bovendien raken inwoners hierdoor meer betrokken bij het functioneren van het rioolstelsel, het belang van ontstenen en de gemeentelijke ambities op het gebied van water en groen. De stimuleringsregeling geldt niet bij de sloop van bestaande gebouwen.
De subsidieregeling water en groen
Gemeente Doetinchem heeft sinds 2024 de water- en groensubsidie waar inwoners een vergoeding kunnen krijgen voor bijvoorbeeld het planten van een boom, tegels te vervangen met groen of het afkoppelen van het hemelwater.
Deze subsidie is bedoeld om bestaand stedelijk gebied in de bebouwde komkernen van de gemeente Doetinchem meer klimaatproof te maken. Binnen deze komkernen liggen de grootste uitdagingen op het gebied van klimaatverandering (o.a. overlast door water en hitte). Daarnaast liggen in dit gebied volop kansen voor het versterken van de biodiversiteit.
De voorwaarden voor deze subsidie zijn te vinden op de pagina: https://www.buha.nl/waterengroen
1Uitgangspunten voor waterneutraal bouwen, Waterschap Rijn en IJssel juni 2021
Verantwoordelijkheid
De grondwaterzorgplicht is beschreven in de Omgevingswet art. 2.16 lid 1-a2. Net als bij het hemelwater heeft de particulier ook bij het grondwater een eigen verantwoordelijkheid. Overtollig grondwater dat hij redelijkerwijs niet zelf kan afvoeren, moet hij kwijt kunnen bij de gemeente, mits dit doelmatig is. De doelmatigheidsafweging ligt bij de gemeente. Wel moet de gemeente ongewenste beïnvloeding van de grondwaterstand door het uitvoeren van activiteiten zoveel mogelijk voorkomen. Ook de provincie en het waterschap hebben deeltaken en verantwoordelijkheden op dit gebied.
De grondwaterzorgplicht is een inspanningsverplichting: de gemeente is niet verantwoordelijk voor handhaving van het grondwaterpeil in bebouwd gebied, maar heeft wel een rol bij het helpen om problemen op te lossen. De zorgplicht werkt niet met terugwerkende kracht en geeft geen aansprakelijkheid voor schadesituaties uit het verleden.
Aanspreekpunt
De wetgeving wijst de gemeente aan als overheid, die aanspreekbaar is op aanwezige grondwaterproblemen in bebouwd gebied. Voor alle duidelijkheid: ‘aanspreekbaar’ en ‘aansprakelijk worden gesteld’ zijn twee verschillende dingen. Aanspreekbaar voor problemen zijn betekent dat de burger met zijn grondwaterproblemen bij de gemeente terecht kan (loket). Het gaat er om, dat de gemeente klachten van burgers over grondwaterproblemen serieus onderzoekt en kijkt welke maatregelen getroffen kunnen worden om de problemen te verminderen (adviesfunctie)
In Doetinchem is het meldpunt onderhoud van Buha het eerste aanspreekpunt voor (grond)wateroverlast. Het meldpunt neemt de klacht in behandeling en onderneemt zo nodig actie, indien nodig met het waterschap en/of provincie. Het meldpunt is telefonisch en digitaal bereikbaar.
Particulier terrein
Belangrijk uitgangspunt in de wetgeving is de verantwoordelijkheid die de perceeleigenaar op eigen terrein heeft voor maatregelen tegen grondwaterproblemen. De perceeleigenaar is verantwoordelijk voor de staat van zijn woning en perceel, en voor het op eigen perceel treffen van maatregelen tegen grondwateroverlast. Uitzondering hierop vormt de situatie, dat grondwateroverlast aantoonbaar wordt veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van de buurman (de veroorzaker blijft verantwoordelijk).
Bij grondwaterproblemen mag dus in de eerste plaats van de perceeleigenaar worden verwacht, dat hij de vereiste (waterhuishoudkundige en/of bouwkundige) maatregelen neemt. De verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar voor de staat van zijn eigen woning en perceel komt neer op het voldoen aan de bouwregelgeving uit de Woningwet en de daarop gebaseerde regelgeving (het Besluit bouwwerken leefomgeving Bbl en Besluit kwaliteit leefomgeving Bkl). Met de komst van de Omgevingswet, is de gemeentelijke bouwverordening vervallen. Bepalingen over bouwen op verontreinigde bodem zijn via de bruidsschat naar het omgevingsplan overgegaan. De gemeenteraad heeft op grond van artikel 17.9 Omgevingswet opnieuw een welstandscommissie ingesteld. Deze is een gemeentelijke adviescommissie geworden.
Waterdicht bouwen
In dit kader zijn van belang de voorschriften rond de vochtdichtheid van verblijfsruimten. De bouwregelgeving (Besluit bouwwerken leefomgeving Bbl) verplicht tot het waterdicht maken van verblijfsruimten, ook als ze beneden de begane grondvloer zijn gelegen (kelders). Het is de verantwoordelijkheid van de eigenaar zelf om hiervoor te zorgen. Hiervoor is in de bouwregelgeving bewust gekozen. Gemeenten hoeven in hun beleid dan ook niet als uitgangspunt een grondwatersituatie te hanteren, waarbij kelders of kruipruimten gevrijwaard worden van grondwateroverlast. Concreet is deze passage voor gemeenten van belang bij discussies met particulieren over aanpak van wateroverlast in kelders of kruipruimten.
De gemeente aan zet
De verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar geldt ook voor de gemeente als eigenaar van de openbare ruimte. Gemeentelijke maatregelen in het openbaar gebied zijn alleen aan de orde bij ‘structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand’ voor de functie van het gebied. In de eerste plaats moet er dus sprake zijn van een probleem. Een hoge grondwaterstand hoeft immers geen probleem te veroorzaken. Zo is er in een woonboot in het algemeen geen sprake van vochtoverlast, omdat deze waterdicht is gebouwd. Op dezelfde wijze dienen verblijfsruimten vanuit de bouwregelgeving vochtdicht te zijn, waardoor vochtoverlast in gebouwen als gevolg van hoge grondwaterstanden in principe uitgesloten zijn.
Verder moet dit probleem veroorzaakt worden door grondwater. Vochtproblemen in woningen worden namelijk niet altijd door een hoge grondwaterstand veroorzaakt. Bouwkundige gebreken, de inrichting van percelen, slechte ventilatie, wijze van beplanting en kapotte regenpijpen, waterleidingen of rioolaansluitingen zijn ook vaak een oorzaak van vochtproblemen.
Tenslotte moet het grondwaterprobleem een structureel karakter hebben. Bij incidentele grondwaterproblemen heeft de gemeente geen taak. Zo is na extreme regenval de grondwaterstand wellicht tijdelijk hoger, maar dat betekent niet dat dit ook op langere termijn zo is. De wet laat een zeker (normaal maatschappelijk) risico bij de perceel eigenaar, zodat incidentele gevallen van grondwateroverlast voor zijn/haar rekening blijven.
Definitie grondwateroverlast
Voor het stedelijk gebied zijn de inspanningen vanuit het waterbeheer voornamelijk gericht op het voorkomen van wateroverlast. De benodigde ontwateringsdiepte is afhankelijk van het type stedelijk gebied. Richtinggevende waarden zijn weergegeven in onderstaand overzicht.
Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de minimale waarde niet structureel wordt overschreden = niet langer dan dertien weken per jaar, ofwel zeven achtereenvolgende meetwaarden per jaar bij een tweewekelijkse uitleesronde of een periode van meer dan dertien weken waarbij de grondwaterstand overwegend boven de minimale waarde staat bij continue metingen in de toekomst.
Als de minimale waarde langer dan dertien weken wordt overschreden, is sprake van structurele nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor het stedelijk gebied, ofwel grondwateroverlast.
Taakverdeling grondwater
de burger (huiseigenaar) is verantwoordelijk voor eigen bouwwerken en eigen grond. Zo moet zijn pand voldoen aan de waterdichtheidseisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Ook is hij verantwoordelijk voor ontwateringsvoorzieningen op eigen terrein, waarbij natuurlijk wel rekening moet worden gehouden met de buren;
de bouwpraktijk (van ontwerpers tot uitvoerders) houdt rekening met grondwater en realiseert waterbestendige woningen en gebouwen;
de gemeente heeft een centrale rol en beheert een waterloket waar burgers terecht kunnen met klachten en vragen over grondwater. De gemeente zorgt ervoor dat de vragen snel en goed worden afgehandeld door de aangewezen partij: het waterschap, de provincie, het Waterleidingbedrijf of de gemeente zelf. In de optimale situatie zoekt de gemeente ook actief contact met bewoners over de grondwatersituatie in hun straat of wijk. Waar andere maatregelen falen, zorgt de gemeente voor een doelmatige inzameling en afvoer van overtollig grondwater, een taak die wettelijk verankerd is. De gemeente heeft daarnaast een belangrijke rol in het bouw- en woningtoezicht. Bij wijzigingen in het bestemmingsplan wordt de procedure weging van het waterbelang (voorheen watertoets) doorlopen, waarbij o.a. gekeken wordt naar de mogelijke grondwateroverlast;
het Rijk is verantwoordelijk voor de wettelijke verankering van de zorgplicht voor gemeenten en zorgt er ook voor dat gemeenten de benodigde financiële middelen voor de invulling van die zorgplicht kunnen genereren.
het waterschap is als beheerder van het watersysteem verantwoordelijk voor het oppervlaktewatersysteem. Door het opstellen, actualiseren en handhaven van peilbesluiten en streefpeilen wordt mede het grondwaterpeil in een deel van het stedelijk gebied (nabij oppervlaktewater) bepaald. Het waterschap kan waar nodig (grond)waterkennis inbrengen. Het waterschap is ook vergunningverlener voor onttrekkingen tot 150.000 m³/jaar. Ook speelt het waterschap een belangrijke rol m.b.t. de weging van het waterbelang (voorheen watertoets);
de provincie brengt in kaart wat de effecten zijn op steden en dorpen als grondwaterwinningen stoppen. Bovendien neemt zij in vergunningen voor grondwateronttrekkingen de plicht op dat vergunninghouders tijdig melden wanneer ze een winning stoppen. De provincie is vergunningverlener voor onttrekkingen vanaf 150.000 m³/jaar en voor onttrekkingen door bedrijven; de provincie is verantwoordelijk voor grondwater en grondwateronttrekkingsbeleid;
drinkwaterbedrijven en andere grote onttrekkers zullen hun voornemen om een onttrekking stop te zetten vroegtijdig melden bij de provincie. Bestaande en nieuwe onttrekkingen kunnen een bijdrage leveren aan het oplossen van grondwateroverlast. Daarbij zal nadrukkelijk worden gezocht naar een duurzame toepassing van het overtollige grondwater. Provincies dienen hiervoor de criteria aan te geven in hun grondwater- en onttrekkingsbeleid.
Om bovenstaande doelen te kunnen verwezenlijken worden eisen aan de toestand en het functioneren van de gemeentelijke riolering gesteld. Deze doelen, functionele eisen, maatstaven en meetmethoden (DoFeMaMe) zijn weergegeven in tabel 6.1 van Bijlage 6.
Het stellen van functionele eisen en maatstaven, heeft alleen zin als ze kunnen worden getoetst met een eenduidige en reproduceerbare meet- of berekeningsmethode. In tabel 6.3 in Bijlage 6 hebben we bij de genoemde maatstaven waar mogelijk een meetmethode vermeld.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen bestaande bouw en nieuwbouw in de DoFeMaMe (Doelen, Functionele eisen, Maatregelen en Meetmethoden). Nieuwbouw wordt aan andere maatstaven getoetst dan bestaande bouw omdat nieuwbouw makkelijker bij te sturen is.
Dit hoofdstuk beschrijft de regels en verantwoordelijkheden voor de gemeente, andere overheden en voor particulieren. Dit onderdeel sluit aan bij het nog op te stellen Omgevingsplan, waarin de regels voor de fysieke leefomgeving worden opgenomen
Als gemeente zijn we verantwoordelijk voor een goede invulling van onze gemeentelijke watertaken. Andere overheden en inwoners hebben echter ook taken en verantwoordelijkheden in het waterbeheer. Een overzicht van deze verantwoordelijkheden is te vinden in Figuur 4-1.
Samenwerken was, is en blijft uitermate belangrijk. Afstemming tussen verschillende disciplines binnen de gemeente is met de introductie van de Omgevingswet nog belangrijker dan het nu al is. Door gedeelde verantwoordelijkheden tussen burger en overheid wordt rioleringszorg steeds complexer. Gezien de huidige ontwikkelingen kan water niet ‘continu’ via de riolering worden afgevoerd. Het lokaal vasthouden van en zuinig omgaan met water wordt steeds belangrijker. Integraal werken is noodzakelijk, net als afstemming en participatie met anderen partijen. Zo is het bijvoorbeeld noodzaak dat zowel openbaar als particulier terrein vergroent.
Afvalwaterteam Etten
In het afvalwaterteam Etten (AWTE) werken de gemeenten Doetinchem, Montferland, en Oude IJsselstreek en Waterschap Rijn en IJssel samen sinds 2007. Dit afvalwaterteam is werkzaam binnen de grenzen van de afvalwatersystemen van rioolwaterzuiveringen Etten, Varsseveld en Wehl. Over de wijze van samenwerking zijn afspraken vastgelegd binnen het vigerende Afvalwaterakkoord. De afvalwaterteams zijn autonome samenwerkingsverbanden die niet onder verantwoordelijkheid vallen van het Bestuurlijk Overleg Water. Wel delen we de resultaten en leren we van elkaar.
De vier organisaties willen goede bestuurlijke besluiten nemen over maatregelen en in het dagelijks beheer en onderhoud. Er moet een integrale afweging zijn over het inzamelen, transporteren en zuiveren van afvalwater. Zo zoeken we een balans tussen ‘haalbaar en betaalbaar’ (vergroten doelmatigheid), ‘ecologie en economie’ (vergroten duurzaamheid) en de urgentie van de knelpunten (transparantie voor burgers).
Gestreefd wordt in 2026 een nieuw afvalwaterakkoord bestuurlijk vast te leggen, waarin vanuit de ketenaanpak gezamenlijk duiding aan de mogelijke opgaven gegeven wordt en de acties en verantwoordelijkheden worden vastgelegd. Dit met als doel samen zicht en grip te houden op het functioneren van de keten en uiteindelijk te kunnen voldoen aan de KRW-opgave.
Waterschap Rijn en IJssel
Samenwerking tussen de gemeente en het waterschap is op diverse thema’s, zoals waterkwaliteit en klimaatadaptatie, gewenst. We sluiten zoveel mogelijk aan op in 2025 vastgestelde Koers Stad en Dorp 2025-2034. Het waterschap geeft hierin duidelijk aan hoe zij haar rol ziet binnen het stedelijk waterbeheer.
Het waterschap krijgt graag meer zicht op hetgeen in de rioolwaterzuiveringen terechtkomt. Met behulp van bijvoorbeeld een dataviewer kan dit overzichtelijk in beeld worden gebracht. Op dit moment zijn er goede contacten met het waterschap in regioverband. Via het regionale meet- en monitoringssysteem (RMRIJ) kan bij elkaar in de keuken gekeken worden. Wij zijn niet aangesloten op het regionale meet- en monitoringssysteem. Ons meet- en monitoringssysteem draait wel op hetzelfde platform. Een eventuele toekomstige integratie van beide systemen is daarom goed mogelijk. Het waterschap kan wel inloggen op ons meet- en monitoringssysteem voor het aan- en uitzetten van een aantal grote gemalen als er zich calamiteiten voordoen. Ook zijn gemeente en waterschap actief betrokken bij de Beleidstafel Water en Riolering Achterhoek+.
Tot slot kunnen gemeente en waterschap op het gebied van communicatie meer in gezamenlijkheid optrekken. Informatie kan bijvoorbeeld gedeeld worden over waar welk water naartoe gaat, welke maatregelen inwoners zelf kunnen treffen en hoe een klimaat adaptieve inrichting eruitziet op zowel openbaar als privaat terrein. Dit is voor een deel al gestart onder de samenwerking Weet van Water en Groen.
Water Achterhoek+
Binnen Samenwerking Water Achterhoek+ werken de gemeenten Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Montferland, Oost-Gelre, Oude IJsselstreek, Winterswijk, Lochem en Zutphen en het Waterschap Rijn en IJssel samen.
In 2024 is de visie ‘samenwerken aan water’ door de bestuurders van het Bestuurlijk Overleg Water Achterhoek+ (BOW) ondertekend. Zowel ambtelijk als bestuurlijk is een overlegstructuur opgezet. In deze structuur komen de wateropgaven aan bod. Het BOW geeft richting en inhoud aan het ambtelijk Beraad Water Achterhoek+ (BWA) en het Technisch Overleg Riolering (TOR).
De 6 hoofddoelen voor de komende jaren zijn:
Vanuit het beleidsveld water en klimaatadaptatie bijdragen aan het duurzaam optimaliseren van de leefomgeving in de Achterhoek voor nu en in de toekomst.
Via DPRA en het programma Aanpak Droogte Achterhoek bijdragen aan een klimaatbestendige en water robuuste inrichting van het gebied in 2050.
Bijdragen aan voldoende waterkwaliteit door de emissie (vuiluitworp) vanuit de keten naar oppervlaktewater terug te dringen.
Bijdragen aan drinkwaterbesparing.
Samen lerend water en bodem sturend implementeren.
Bewustwording en gedragsverandering.
In 2025 is het “Programmaplan Aanpak Droogte Achterhoek en Liemers” opgesteld. In 2025 is ook de voortzetting van de bestuurlijke samenwerking bij de Aanpak van Droogte door betrokken partijen bekrachtigd en daarmee de samenwerking aan de ontwikkeling van een klimaatbestendige regio. In deze aanpak werken de Achterhoek+ en de Liemers gemeentes samen met de provincie Gelderland, Waterschap Rijn en IJssel, natuurorganisaties, waterbedrijf Vitens en landbouworganisatie LTO samen om de gevolgen van de droogte in de regio te beperken. Met name door zich te richten op het vasthouden van water, het anders telen van gewassen en het bepalen van geschikte bouwlocaties. Voor gemeente Doetinchem is het sleutelproject “Slangenburg, Gaanderen, De Zumpe in het Programmaplan Droogte opgenomen. Dit project zit momenteel (begin 2026) in de (pre)verkenningsfase.
Wij kunnen als gemeente veel regelen en sturen in het functioneren van de riolering, maar kunnen niet alles zelf uitvoeren. Onze inwoners en bedrijven hebben ook een belangrijke invloed op het functioneren. Wij willen dat onze inwoners helpen bij het goed laten functioneren van de riolering. Daarom spreken we ook in dit Wrp een aantal verwachtingen uit.
Wij verwachten:
Dat inwoners en bedrijven het (druk)riool verstandig gebruiken (o.a. geen doekjes, verfresten of vet door het riool spoelen);
Dat rioolaansluitingen zorgvuldig worden aangelegd en onderhouden (o.a. aansluiten op het juiste riool, voldoende diep);
Dat inwoners en bedrijven hemelwater van dak en het eigen perceel zelf opvangen en bergen en verwerken als dat redelijkerwijs mogelijk is en dit niet lozen op (druk)riolering en IBA's.
Dat water op straat vaker, binnen marges, wordt geaccepteerd;
Dat inwoners en bedrijven bij grondwateroverlast controleren of hun woning of bedrijf voldoende waterdicht is. In het Bouwbesluit 2012 is opgenomen dat een kelder waterdicht moet zijn als dit een verblijfsruimte is. In een kruipruimte mag water staan.
Vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH)
Er zijn rijksregels voor grondwateronttrekkingen en het lozen van afvalwater op riolering en in het milieu. Bedrijven en particulieren zijn verplicht zich hieraan te houden en in sommige gevallen vergunning plichtig. De vergunningverlening, toezicht en handhaving van omgevingsvergunningen hebben we deels ondergebracht bij de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) en doen we deels zelf.
De komende jaren zullen we in het Omgevingsplan regels opnemen om de goede werking van de waterketen te waarborgen. Vanuit de Bruidsschat zijn er tijdelijke regels over riolering en stedelijk water in het tijdelijke deel van ons Omgevingsplan opgenomen, daar moeten we vóór 2032 van bepalen of we de regels handhaven, aanpassen of verwijderen.
Ook komen de bergingseisen voor ruimtelijke ontwikkelingen (Bijlage 2) uiteindelijk in het Omgevingsplan.
Gemeente Doetinchem ligt vooral op de hogere zandgronden en deels in het rivierengebied. In het zandige gebied is infiltratie van hemelwater meestal goed mogelijk. De gebieden buiten het stedelijk gebied kenmerken zich door akkers met bosranden en diepe grondwaterstanden.
In de buurt van de Oude IJssel is meer kleiige grond te vinden. Hier is infiltratie soms minder goed mogelijk en zijn de grondwaterstanden hoger.
Onderstaand volgt een korte opsomming van kengetallen die betrekking hebben op het gemeentelijk rioolstelsel. In de afbeeldingen onder de tabel is te zien hoe de totale lengte van de vrijvervalriolering is verdeeld naar bemalingsgebied en naar type stelsel.
Jaarlijks wordt er ongeveer 10% vrijvervalriolering gereinigd en gedetailleerd geïnspecteerd.
Alle inspecties worden ingelezen in het beheerbestand. Het totale stelsel is nagenoeg helemaal geïnspecteerd. De beschikbare inspectieresultaten zijn relatief jong (50% tussen de 5 en 10 jaar oud en 50% minder dan 5 jaar oud), waardoor het strategisch inzicht in de toestand van de riolering goed is. Het operationele inzicht is bovengemiddeld, doordat de gemeente alle inspecties als video-inspectie laat uitvoeren. Verder zijn diverse rioolstrengen inmiddels vaker geïnspecteerd waarbij is geconstateerd dat de toestand niet significant is achteruitgegaan.
De gemeente Doetinchem is van mening voldoende inzicht te hebben in de toestand van het gemeentelijke rioolstelsel om een goede werking te kunnen garanderen. De toestand van het rioolstelsel is overwegend goed te noemen. Riolen die slecht zijn worden de komende jaren vervangen of gerenoveerd.
Niet aangesloten percelen
Voor alle percelen in het buitengebied is drukriolering aangelegd of een IBA gebouwd. 99,9 % van de percelen is hierop aangesloten.
Percelen die nu nog niet zijn aangesloten (bijvoorbeeld nieuwbouw) dienen zelf in een aansluiting op de riolering of IBA te voorzien. De kosten die hiermee gemoeid zijn komen volledig voor rekening van de perceeleigenaar. Als de eigenaar reeds rioolheffing betaald dan komt een deel van de kosten voor de aanleg van een IBA of van de aansluitkosten op het rioolstelsel voor rekening van de gemeente. De eigen bijdrage van de perceeleigenaar bedraagt in dat geval € 1.400,-. Hierbij bepaalt de gemeente op welke wijze het betreffende perceel het beste aangesloten kan worden.
Telemetrie
De gemeentelijke rioolgemalen, randvoorzieningen, riooloverstorten en grondwatermeetpunten zijn allemaal aangesloten op het telemetriesysteem. De actuele status van al deze objecten wordt geregistreerd en bijgehouden.
Stedelijk oppervlaktewater
Met ingang van 1 januari 2016 is het stedelijk oppervlaktewater met een functie voor de regionale waterhuishouding overgedragen aan het waterschap Rijn en IJssel. We zijn enkel nog verantwoordelijk voor het beheer van functionele beschoeiingen langs stedelijk water. Er is echter één uitzondering, namelijk de gerealiseerde bypass bij project Iseldoks. De gemeente is hiervan eigenaar en doet zelf het beheer en onderhoud van de bypass. Het waterschap heeft hier bestuurlijk mee ingestemd.
Binnen de gemeente Doetinchem is weinig sprake van structurele grondwateroverlast. Incidenteel zijn er wel plekken waar af en toe sprake is van een tijdelijk hoge grondwaterstand of water in de kruipruimtes. Afgelopen planperiode hebben we een beperkt aantal klachten gehad over water in de kruipruimtes en/of water in de kelder. Bij het merendeel van deze klachten hebben we door het geven van informatie kunnen helpen.
Grondwatermeetnet
De gemeente heeft op dit moment een grondwatermeetnet met 86 peilbuizen. De peilbuizen zijn verspreid over de kernen geplaatst, niet afhankelijk van klachten. In het kader van bouwprojecten worden vaak peilbuizen bijgeplaatst voor het opstellen van het vereiste waterhuishoudkundig plan, deze peilbuizen worden na verloop van tijd vaak weer opgeheven. Verder plaatsen we voorafgaand aan grote afkoppelprojecten extra grondwatermeetpunten in zo’n gebied om de gevolgen van het afkoppelen te kunnen monitoren. Deze worden tijdelijk voorzien van digitale meetapparatuur en aangesloten op het telemetriesysteem. Een jaar na afronding van de werkzaamheden wordt bekeken of de meetpunten weggehaald kunnen worden of dat deze opgenomen worden in ons reguliere grondwatermeetnet.
De grondwaterstanden in Doetinchem worden dus digitaal geregistreerd. Als blijkt dat het grondwatermeetnet niet geheel gebied dekkend is, dan worden de eventuele hiaten opgevuld door een aantal meetpunten bij te plaatsen.
Het klimaat verandert. In de actuele klimaatscenario’s van het KNMI (2023) zijn vier scenario’s geschetst, waarbinnen het klimaat zich de komende decennia lijkt te gaan ontwikkelen. In alle scenario’s nemen perioden van droogte en hitte toe. Ook de intensiteit van buien neemt toe. Bovendien wordt de kans groter dat extreme buien voorkomen.
In 2022 is de klimaatadaptatiestrategie Doetinchem vastgesteld. Hierin staat beschreven hoe gemeente Doetinchem in 2050 een klimaatbestendige en water robuuste gemeente is. De belangrijkste onderdelen van het plan staan hieronder opgesomd:
We werken integraal en toekomstgericht naar een basisveiligheidsniveau voor klimaatadaptatie. We benutten meekoppelkansen maximaal en geven het goede voorbeeld.
We houden neerslag zo veel mogelijk vast waar het valt en we zetten de bodem in als spons.
We leggen groenblauwe koele structuren aan door het bebouwd gebied.
We zetten in op minder verharding en meer groen en meer schaduw.
Bebouwing en vitale infra objecten worden hoog en droog aangelegd.
Groot onderhoud in de openbare ruimte doen we voortaan klimaatbestendig
Naast het bovenstaande blijven we verhard oppervlak afkoppelen, om daarmee grondwatertekorten aan te vullen, wateroverlast te voorkomen, de gemengde riolering te ontlasten en de RWZI niet onnodig te belasten met schoon hemelwater.
De huidige uitvoeringsagenda heeft een looptijd van 2022-2026. In 2026 wordt in regionaal verband de tweede klimaatstresstest uitgevoerd. Op basis daarvan wordt de strategie mogelijk aangepast en wordt een nieuwe uitvoeringsagenda opgesteld.
We hanteren de volgende uitgangspunten voor klimaat adaptief ontwerpen:
Wateroverlast
Aansluiten op de “Bergingseisen voor Ruimtelijke Ontwikkelingen”, zie Bijlage 2.
Bij nieuwbouw klimaatbestendig ontwerpen: Ruim voldoende hemelwaterberging/ oppervlaktewater inplannen en zorgen dat het regenwater bij overbelasting van het rioolstelsel over het maaiveld kan afstromen naar oppervlaktewater en nergens kelders of laaggelegen woningen en winkels kan instromen. Als er niet voldoende ruimte is om voldoende oppervlaktewater te realiseren dan mag deze berging ook gezocht worden in blauwe/groene daken en/of hergebruik van regenwater waarbij voldoende berging wordt gerealiseerd. Ook wordt geadviseerd om het vloerpeil van de woning minimaal 20 cm boven het peil van de weg te realiseren. Verder sluiten we aan op het koersdocument “Stad en Dorp 2025-2034, Krachten bundelen in stedelijk waterbeheer” van het waterschap.
In bestaand stedelijk gebied worden knelpunten aangepakt, waar nu al water-op-straat of wateroverlast optreedt bij bui 08 of een bui die vaker voorkomt. Bij voorkeur leiden we het regenwater over het maaiveld naar lagergelegen delen waar het water geen schade aanricht. Als bovengronds geen ruimte is, kijken we naar ondergrondse oplossingen voor waterberging.
We gaan door met het afkoppelen van verhard oppervlak van gemengde rioolstelsels. Voorwaarde is wel dat de afkoppelsystemen klimaatbestendig worden ontworpen en niet zelf voor overbelasting en overlast zorgen.
De aanvoer van afstromend hemelwater van percelen naar het gemeentelijke riool is groter wanneer tuinen volledig bestraat zijn. Door groen op eigen terrein kan water worden vastgehouden (sponswerking van de ondergrond) en wordt het gemeentelijke riool minder belast. Door voorlichting, communicatie en met de stimuleringsregeling water en groen wil de gemeente het afkoppelen van verhard oppervlak bij particulieren stimuleren en ook de steeds verdergaande verharding van tuinen tegengaan.
We maken openbaar groen geschikt om afstromend regenwater te ontvangen. We sluiten het verharde oppervlak hierop aan waar het kan. We vormen weinig gebruikte trottoirs (ook wel niet-functionele, zinloze verharding genoemd) om naar openbaar groen waar het kan. We planten bomen en we zetten in op meer heesters en struiken in plaats van gras.
We stimuleren de aanleg van groene en blauwe daken.
Waterkwaliteit
We verminderen de invloed van overstorten op de waterkwaliteit door het afkoppelen van verharde oppervlakken van gemengde rioolstelsels. Hierdoor wordt de afvoer van vervuild overstortwater naar oppervlaktewater tijdens hevige neerslag verminderd. Door de toename van hevige neerslag zal de vuiluitworp van de bestaande gemengde overstorten mogelijk weer toenemen. Daarnaast kunnen bestaande (en nieuw ontworpen) hemelwateruitlopen van invloed zijn op de waterkwaliteit.
De gemeente Doetinchem wil door het verdergaand afkoppelen van verhard oppervlak toename van de vuiluitworp voorkomen en verminderen en de waterkwaliteit niet nadelig beïnvloeden door (nieuwe) hemelwateruitlopen.
In overleg met waterschap Rijn en IJssel wordt in de gaten gehouden of deze maatregelen in de pas lopen met de toename van de neerslag of dat verdergaande maatregelen nodig en doelmatig zijn. Het afkoppelen van hemelwater van gemengde rioolstelsels ontlast het bestaande rioolsysteem en de RWZI Etten en Wehl.
Ten gevolge van langdurige droogte en hitte kan de waterkwaliteit in watergangen en vijvers verslechteren. Samen met het waterschap Rijn en IJssel wordt onderzocht waar eventuele knelpunten kunnen ontstaan voor de waterkwaliteit als gevolg van hitte en droogte.
Hittestress
Hittestress is geen onderdeel van dit Wrp. Echter de maatregelen die genomen kunnen worden om hittestress tegen te gaan, gaan in veel gevallen samen met andere maatregelen in de openbare ruimte, zoals maatregelen voor riolerings- en wegbeheer. Ook het aanleggen van meer groen (bomen, groenstroken, groene daken) en blauw (oppervlaktewater) zijn maatregelen die nuttig zijn om hittestress tegen te gaan. Het nemen van slimme oplossingen in stedelijk gebied en het toepassen van nieuwe technologieën biedt kansen voor het beter laten functioneren van watersystemen en het tegengaan van hittestress.
Waterveiligheid
We hanteren voor waterveiligheid het concept meerlaagse veiligheid. De Beleidstafel Hoogwater en Wateroverlast heeft geadviseerd meerlaagse veiligheid uit te breiden met twee nieuwe lagen: waterbewustzijn en herstel.
Meerlaagsveiligheid bestaat dan uit de volgende lagen (zie figuur):
Laag 0 – Waterbewustzijn: Het vergroten van het bewustzijn en kennis over waterveiligheid bij de bewoners.
Laag 1 – Preventie: Het voorkomen van een overstroming en wateroverlast (gegeven de daarvoor vigerende normen). Voorbeelden van maatregelen in deze laag zijn het aanleggen, onderhouden en versterken van dijken en waterkeringen om ervoor te zorgen dat ze in goede staat verkeren en effectief functioneren.
Laag 2 – Gevolgenbeperking: Schade en overlast voorkomen of beperken via de ruimtelijke ordening en inrichting van een gebied. Voorbeelden hiervan zijn het verhoogd aanleggen van belangrijke ontsluitingsroutes en water robuust aanleggen en renoveren van vitale objecten.
Laag 3 – Crisisbeheersing: Een goed werkende crisisbeheersing, om bij een dreigende overstroming schade en slachtoffers te minimaliseren. Gedetailleerde noodplannen voor evacuatie en rampenbestrijding, calamiteitenoefeningen en waarschuwingssystemen kunnen hiervan deel uitmaken.
Laag 4 - Duurzaamherstel: Deze laag richt zich op de fase na een overstroming, waarbij een spoedig herstel centraal staat. Dit kan gaan om verzekeringen en financiële steun voor slachtoffers van overstromingen of het heropbouwen van getroffen gebieden met verbeterde infrastructuur. Herstel moet klimaatbestendig en water robuust.
Tot 2023 bestond meerlaagse veiligheid uit drie lagen, de Beleidstafel heeft geadviseerd om meerlaagse veiligheid uit te breiden van drie naar vijf lagen door het toevoegen van een integrale basislaag ‘waterbewustzijn’ en een extra, vierde laag ‘herstel’.
Vanuit het gemeentelijk perspectief richten we ons vooral op laag 0, 2 en 3. Bij nieuwbouw houden we o.a. rekening met de gevolgen van overstromingen voor de ruimtelijke inrichting. Dit bepaalt mede waar we bouwen, hoe hoog we bouwen en of we aanvullende maatregelen moeten nemen. Hiervoor is als instrument de signaleringskaart water en bodem sturend ontwikkeld door de Samenwerking Water Achterhoek+.
Droogte
In de stad leidt toenemende droogte tot schade aan het groen. De meeste grassoorten zijn slecht bestand tegen langere droogteperioden. Bomen en struiken kunnen ernstig en zelfs onherstelbaar beschadigd raken door langere droge perioden. Om deze effecten op het stedelijk groen te beperken moet er besproeid worden. Dit gaat dan ten koste van de toch al schaarse zoetwatervoorraad tijdens droogteperioden. We gaan onderzoeken of we een gedeelte van het geborgen hemelwater in ons bestaande HWA-stelsel kunnen inzetten in droge perioden.
Als het langere tijd droog en warm is, wordt deze periode vaak afgewisseld met hevige regenbuien. De uitgedroogde bodem is vaak niet in staat om veel water op te nemen. Hierdoor vinden na droogteperioden vaker riool overstorten plaats met relatief groot effect op de door de droogte toch al kwetsbare watersystemen. Ook neemt het risico op wateroverlast toe.
Om verdroging in stedelijk gebied tegen te gaan zetten we in op het zoveel mogelijk lokaal infiltreren van hemelwater. Zo wordt het grondwater aangevuld en is er meer water beschikbaar voor vegetatie.
Acceptatie van water-op-straat vergt draagvlak bij iedereen. Het is een opgave van alle overheden om met voorlichting hieraan voortdurend te werken. Gemeenten en waterschappen moeten maatregelen nemen. Dat geldt ook voor gebouweigenaren. Eigenaren van woningen en andere gebouwen kunnen bijdragen door de hoeveelheid verharding te beperken en te zorgen voor infiltratie van regenwater op eigen terrein. Bij het ontwerpen van nieuwe woningen en gebouwen moet meer gelet worden op zaken als: hoogte vloer begane grond (verschil met straatpeil), drempels, afvoervoorzieningen in kelders en het vasthouden van water op daken en op eigen terrein.
Daarnaast dienen eigenaren van woningen en gebouwen voorlichting te krijgen om verdergaande verharding van tuinen en percelen tegen te gaan en om het ontharden van tuinen te stimuleren. Gemeente en waterschap hebben hiervoor o.a. een gezamenlijke internetpagina ‘Weet van Water en Groen’ gemaakt (www.weetvanwater.nl)
Dit ontharden van tuinen heeft niet alleen effect op het voorkomen van water-op-straat en wateroverlast, maar ook op aanvulling van het grondwater en het verminderen van hittestress. Bomen en groen zorgen voor schaduw en een koelere omgeving.
Bewoners kunnen daarnaast gebruik maken van de stimuleringsregeling water en groen (zie hiervoor paragraaf 3.4)
We willen onze doelen bereiken zoals die in hoofdstuk 3 beschreven zijn. Dit doen we door het huidige stelsel in stand te houden en te verbeteren waar dat nodig is. Hiervoor leggen we nieuwe, klimaat robuuste systemen aan, voeren we onderzoeken uit, onderhouden we het stelsel en repareren, vervangen of verbeteren we het bestaande systeem.
In 2024 is de aanpak wateroverlast, hitte(stress) en droogte vastgesteld. Hierin zijn voor de aanpak van wateroverlast ‘overlastgebieden’ opgenomen voor 2025 t/m 2034. De benodigde middelen zijn opgenomen in de gemeentebegroting van 2025 (raadsbesluit 7 november 2024). De maatregelen voor de aanpak van wateroverlast bij extreme buien worden volledig bekostigd vanuit de rioolheffing. De maatregelen voor droogte en hittestress worden niet betaald uit de rioolheffing maar uit de algemene middelen van de gemeente. In de tabel hieronder zijn jaartal, bedragen (prijspeil 2023) en wateroverlastgebieden opgenomen. Jaarlijks worden de bedragen van deze maatregelen geïndexeerd
Bij het concretiseren van verdere maatregelen sluiten we aan op de hemelwaterstructuur(plan)kaart. Hierin zijn globale oplossingsrichtingen weergegeven per bebouwde kom / kern om extreme regenval goed te kunnen verwerken. Op basis hiervan gaan we de blauwe aderstructuur opstellen per wateroverlastgebied.
Afkoppelen verhard oppervlak
In de kernen wordt bij herinrichting van wegen en reconstructies van wijken per project gekeken welke schone verharde oppervlakken kunnen worden afgekoppeld van het gemengde rioolstelsel. Afgelopen jaren hebben wij geconstateerd dat de kosten voor het afkoppelen van verharde oppervlaktes in situaties waarbij weinig ruimte was, denk daarbij aan o.a. smalle straatjes, niet voldoende gedekt werden binnen de beschikbare middelen. Bij deze situaties moet vaak gekozen worden voor ondergrondse oplossingen voor het bergen en verwerken van het regenwater. De kosten hiervoor zijn hoger dan bij de situatie dat regenwater afgevoerd en verwerkt kan worden via wadi's, watergangen etc. De kosten voor het extra afkoppelen van verhard oppervlak bij herinrichtingen en reconstructies wordt ingeschat op een jaarlijks bedrag van € 1.273.000. Dit is gebaseerd op gemiddeld 2,5 ha per jaar afkoppelen.
Daarnaast wordt een bedrag van € 75.000 per jaar beschikbaar gesteld voor de subsidieregeling water en groen.
Grondwatermaatregelen
Indien klachten van inwoners veroorzaakt worden door structurele grondwateroverlast in het openbaar gebied, treft de gemeente passende maatregelen om de overlast op te lossen als dat doelmatig is. De uitgangspunten hiervoor staan beschreven in paragraaf 3.5.
Conform het vorige GRP wordt het beheer (inclusief onderhoud) van vrijvervalriolen, gemalen en andere onderdelen voortgezet. Dat betekent dat jaarlijkse ongeveer 10% vrijvervalriool wordt gereinigd en gedetailleerd geïnspecteerd, straat- en trottoirkolken gemiddeld tweemaal per jaar worden gereinigd, gemalen viermaal per jaar worden onderhouden en gereinigd en drukrioleringsunits en tunnelgemalen tweemaal per jaar worden onderhouden. De IBA’s worden jaarlijks gecontroleerd op de juiste werking en gereinigd.
Wanneer bij inspecties van de (vrijverval) riolering, wortel ingroei of andere toestandsaspecten worden waargenomen die de juiste werking van de riolering belemmeren dan worden passende maatregelen genomen. Verder worden de waterdoorlatende verhardingen één keer per vier jaar gereinigd met behulp van een aangepaste reinigingsmethode, zodat de infiltrerende werking van de verharding gewaarborgd blijft. Om de waterdoorlatende werking te borgen worden gedurende de komende planperiode metingen verricht naar het functioneren van infiltratievoorzieningen en waterdoorlatende verhardingen.
Het onderhoud van wadi’s is momenteel onderdeel van het groenonderhoud (maaien, opruimen afval etc.). Door het gebruik wordt op termijn een belangrijke functie, het water infiltrerend vermogen, van de wadi’s naar verwachting minder. Door het uitvoeren van groot onderhoud wordt dit hersteld.
De inspectieresultaten worden digitaal bewaard in het rioolbeheersysteem, waardoor de beheerder inzicht heeft in de actuele toestand van het rioolstelsel. Ook verslechtering van toestandsaspecten wordt bijgehouden, evenals uitgevoerde reparaties en onderhoud. Op deze manier kan een maximale levensduur van het rioolstelsel worden bereikt, waardoor de kosten voor vervanging worden teruggedrongen. Met plaatselijke reparaties en renovaties zijn in de afgelopen jaren diverse vervangingen voorkomen.
Een gemiddelde technische levensduur voor alle rioolbuizen van 60 jaar lijkt nog steeds een realistische aanname. Hiermee bedoelen we alle rioolbuizen die gemaakt zijn van kunststof (al dan niet versterkt) en aardewerk (Gres).
Voor het bepalen van de levensduur van betonnen riolering hanteren we een verwachte levensduur die gebaseerd is op het jaar van aanleg van de buizen. Dit doen we omdat bekend is dat er gedurende bepaalde periodes de toegepaste materialen kwalitatief minder waren. Hierbij geldt de volgende verdeling:
aanlegjaar tot 1950, gemiddelde levensduur van 60 jaar;
aanlegjaar tussen 1950 en 1970, gemiddelde levensduur van 70 jaar;
aanlegjaar vanaf 1970, gemiddelde levensduur van 80 jaar.
Omdat vanaf de vijftiger jaren in de vorige eeuw is begonnen met de grootschalige aanleg van riolering in onze gemeente gaan we de komende jaren zien of de werkelijke levensduren overeenkomen met het hierboven geschetste beeld. Afhankelijk hiervan kan de technische levensduur op termijn aangepast worden. Op basis van eigen inzichten komen de gemiddelde levensduren nog steeds overeen met de uitgangspunten. Op dit moment worden buizen vaak gerelined omdat de kwaliteit van de buizen nog prima is maar dat de vroeger gebruikte afdichtingen, touw en kit niet meer waterdicht zijn met infiltratie en exfiltratie tot gevolg. Door relinen kunnen deze buizen weer decennia mee.
Voor de strategische vervangingsplanning voor de periode na het MIP (vanaf 2036) gaan we ook uit van:
Eenheidsprijzen voor rioolvervanging zijn bepaald aan de hand van kostenkengetallen van Stichting RIONED;
75% van de gemengde riolering wordt afgekoppeld tegen 40% hogere kosten. Dit zijn ook de kosten voor het klimaat adaptief inrichten van de openbare ruimte;
50% vervangen door ontgraven en 50% relinen.
In onderstaande overzicht zijn de maatregelen voor de komende planperiode (2026-2035) weergegeven, inclusief de geraamde uitgaven (exclusief BTW).
Om de beschreven plannen uit te voeren is voldoende personeel nodig. Om inzichtelijk te maken hoeveel personele capaciteit (fte) nodig is om de gemeentelijke watertaken goed uit kunnen voeren, maken wij gebruik van formatietool ‘personele capaciteit’ uit de Kennisbank Stedelijk Water van Stichting RIONED.
De benodigde formatie is gebaseerd op het te beheren areaal, de geplande investeringen voor de komende jaren en de mate van uitbesteding. De benodigde eigen formatie vergelijken we met de huidige formatie, hieruit volgt het verschil. Dit is te zien in de tabel hieronder.
Tekort aan fte
Voor de goede invulling van de huidige watertaken is een personele inzet van ongeveer 16 fte nodig. Een groot deel van de werkzaamheden besteden wij uit waardoor een benodigde eigen inzet van de 8,2 fte overblijft.
De huidige bezetting van de binnen- en buitendienst bedraagt 6 fte. Uit de analyse blijkt een totaaltekort van 2,2 fte, verdeeld over de rollen van beleidsmedewerker, beheerder, gegevensbeheerder, en projectleider/werkvoorbereider/toezichthouder. Dit wordt herkend door de medewerkers van de ambtelijke organisatie. Uitbreiding van de capaciteit is dan ook nodig om de werkzaamheden volgens plan uit te kunnen voeren.
Langdurig werken met te weinig personeel leidt tot overbelasting van het zittende personeel, uiteindelijk suboptimale oplossingen, mogelijke kapitaalvernietiging en vergroot ook het risico op het optreden van calamiteiten. Daarom is het voorstel om de formatie structureel uit te breiden met 2,2 fte vanaf 2027. Dit is al opgenomen in de exploitatiekosten van de kostendekkingsberekening.
Uitbreiding takenpakket
Naast de huidige watertaken komen er steeds meer taken bij. Met de invoering van de Omgevingswet per 1‑1‑2024 is participatie en integraal werken steeds belangrijker. Dit brengt extra werkzaamheden met zich mee. Ook klimaatverandering zorgt voor extra werkzaamheden om ervoor te zorgen dat extreme weersomstandigheden tot zo min mogelijk overlast leiden. Dat wordt meegenomen bij alle projecten in de openbare ruimte (met interne én externe partijen) en dat vraagt tijd en aandacht.
Ook komen er (nieuwe) ontwikkelingen op de gemeente af zoals grotere aandacht voor duurzaamheid, circulariteit en energietransitie. Deze extra taken zijn nog niet in de formatietool van Stichting RIONED meegenomen.
Om de ambities en werkzaamheden van dit plan uit te voeren zijn naast voldoende personeel ook voldoende financiële middelen nodig. Voor de komende 40 jaar hebben wij op basis van de actuele situatie, ervaringen uit het verleden en landelijke kengetallen de totale kosten geraamd. De uitgangspunten van het kostendekkingsplan staan in Bijlage 4 De financiële tabellen staan in Bijlage 5.
In de lange termijnberekening is rekening gehouden met 2% inflatie, een rente van 2% op de kapitaallasten en geen rentetoevoeging aan de rioolvoorziening. Investeringen worden annuïtair afgeschreven. Alle bedragen zijn op prijspeil januari 2026. Jaarlijks moeten de bedragen worden geïndexeerd met de werkelijk opgetreden inflatie, dit geldt ook voor het berekende rioolheffingstarief.
Exploitatie
Voor de exploitatie (het dagelijks beheer) en onderzoeken is in 2026 een bedrag van € 4.208.198 nodig, exclusief BTW. Dit is inclusief extracomptabele posten zoals kwijtschelding, overhead en extracomptabele rente. Een overzicht van de exploitatiekosten is opgenomen in Bijlage 5.
Investeringen
De investeringen bestaan vooral uit rioolvervanging, afkoppelen, maatregelen voor klimaatadaptatie (DPRA), vervanging van de pompen en gemalen, zie Figuur 8-1. De investeringen worden gekapitaliseerd en over 15 of 60 jaar afgeschreven, hierdoor worden de investeringskosten uitgespreid over de lange termijn, zie Figuur 8-2.
Om alle kosten te kunnen dekken, wordt rioolheffing geheven volgens de “Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing”. De hoogte van het tarief voor 2026 is een bedrag van € 255,60 per jaar per perceel. We gaan de wijze van rioolheffing in 2026 evalueren.
Voorziening
Wij maken gebruik van een financiële voorziening riolering. Per 1‑1‑2026 wordt de stand geraamd op € 7.289.000. Via de rioolheffing geïnd geld moet voor het rioleringsdoel worden aangewend en blijft daarom in een voorziening. Deze voorziening is in de rioolheffingsberekening als een tariefsegalisatievoorziening (artikel 44 lid 2 BBV) meegenomen.
Heffingseenheden
Voor de berekening van het aantal heffingseenheden delen we de rioolheffingsinkomsten door het tarief van een gemiddeld huishouden. Dit brengt het totaal aantal heffingseenheden voor 2026 op 28.273. Dit aantal stijgt met de verwachte woningbouwprognose in de woondeal: 400-600 extra woningen per jaar in de periode 2026-2035.
Als we per 1‑1‑2026 een rioolheffing zouden heffen die over de komende 40 jaar gelijk en kostendekkend is, zou die rioolheffing € 332 per perceel per jaar moeten bedragen.
De huidige rioolheffing is lager dan de berekende kostendekkende heffing op lange termijn. In de komende acht jaar is geen stijging van het tarief nodig om kostendekkend te blijven (exclusief inflatiecorrectie). Vanaf 2035 is een stijging nodig van € 5,- per jaar om daarna ook kostendekkend te blijven. Hierdoor blijft de voorziening positief en sluit deze na 40 jaar op 0 euro. Zo wordt geen winst of verlies gemaakt met de rioolheffing. De berekening is uitgevoerd op prijspeil 2026. Jaarlijks moeten de bedragen nog worden geïndexeerd met de werkelijk opgetreden inflatie, dit geldt ook voor het berekende rioolheffingstarief.
/join/id/regdata/gm0222/2026/782dfb06863f4a99838cf70240ee98c5/nld@2026‑06‑16;08062964
/join/id/regdata/gm0222/2026/ceb9223b5bcb487284d3c3dd4a55f370/nld@2026‑06‑16;08062964
/join/id/regdata/gm0222/2026/c922737189ba4ad0b26175829f9d74a5/nld@2026‑06‑16;08062964
/join/id/regdata/gm0222/2026/ef25e160d56a4d30ab3e2c9afbc1af63/nld@2026‑06‑16;08062964
/join/id/regdata/gm0222/2026/c7b89b3d56df4e9b8ae079f0099d97c3/nld@2026‑06‑16;08062964
/join/id/regdata/gm0222/2026/8f5dee179b1949c5a8d58e7da9570d99/nld@2026‑06‑16;08062964
/join/id/pubdata/gm0222/2026/63268c55e44f4d9e9e4ae57bf4671acd/nld@2026‑06‑16;08062964
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-289865.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.