Wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Nijmegen

De raad van de gemeente Nijmegen,

 

Gelet op artikel 149 gemeentewet.

 

Besluit

Vast te stellen de volgende wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Nijmegen

Artikel I  

De Algemene plaatselijke verordening gemeente Nijmegen wordt als volgt gewijzigd:

 

  • A.

    Aan artikel 1:1 wordt de volgende definitie toegevoegd:

    • Fossiele reclame: Handelsreclame waarbij kennelijk beoogd wordt de volgende producten en/of diensten aan te prijzen: fossiele brandstoffen, vliegvakanties, vliegtickets, gascontracten, grijze stroomcontracten, cruisereizen en/of voertuigen met een fossiele of hybride verbrandingsmotor.

  • B.

    Aan artikel 2:24a wordt een nieuw lid 9 toegevoegd luidende;

    • 9.

      Activiteiten met vermaak, die langs de route van de Vierdaagsemarsen plaatsvinden en gedurende de doortocht van de Vierdaagsemarsen plaatsvinden en geen zelfstandige bezoekersstroom genereren, worden niet als een evenement in de zin van artikel 2:24 en 2:24a, achtste lid beschouwd.

  • C.

    Het huidige lid 9 van artikel 2:24a wordt hernummerd naar lid 10.

     

  • D.

    Van artikel 2:32 wordt de titel gewijzigd, de huidige tekst wordt lid 1 en een nieuw lid 2 wordt toegevoegd. Artikel 2:32 komt als volgt te luiden;

    Artikel 2:32 Aanwezigheid van exploitant en beheerder en vergunning

    • 1.

      Het is verboden de inrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 2:31, zesde lid op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is.

    • 2.

      Het is verboden de inrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de vergunning of een afschrift daarvan in de inrichting aanwezig is. Deze vergunning dient op eerste verzoek aan een ambtenaar van politie of toezichthouder ter inzage te worden getoond.

  • E.

    In artikel 2:34b lid 1 onder b wordt de verwijzing naar artikel 2:34a vervangen door 2:28a.

     

  • F.

    Er wordt een nieuw artikel 2:43g toegevoegd luidende:

     

    Artikel 2:34g Proeverijen in slijtlokaliteiten

    Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit.

     

  • G.

    Er wordt een nieuw artikel 2:73a toegevoegd luidende:

     

    Artikel 2:73a Carbidschieten

    • 1.

      Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.

    • 2.

      Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.

  • H.

    In de artikelen 2:74, 2:74a en 2:74 b lid 1 worden het zinsdeel ‘middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet’ worden vervangen door ‘middelen en substanties als bedoeld in artikelen 2 en 2a van de Opiumwet’. waardoor de artikelen als volgt komen te luiden:

     

    2:74

    Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen en substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet’ of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

     

    2:74a

    Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen en substanties als bedoeld in de artikelen 2 en 2a van de Opiumwet of distikstofmonoxide(lachgas) als opgenomen op de in artikel 3 van de Opiumwet bedoelde lijst II of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

     

    Artikel 2:74b

    • 1.

      Het is verboden op of aan een openbare plaats, aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen, indien deze verzameling verband houdt met het openlijk gebruik van of de handel in middelen en substanties als bedoeld in artikelen 2 en 2a van de Opiumwet of distikstofmonoxide(lachgas) als opgenomen op de in artikel 3 van de Opiumwet bedoelde lijst II of daarop gelijkende waar te gebruiken, of indien deze verzameling verband houdt met de handel in middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet.

  • I.

    Aan artikel 4:15 worden nieuwe leden 5, 6 en 7 toegevoegd luidende:

    • 5.

      Het is verboden fossiele reclame te maken op of aan een onroerende zaak, zichtbaar vanaf een openbare plaats.

    • 6.

      Het verbod in lid 5 geldt niet als het gaat om:

      • a.

        bedrijfsnamen, bedrijfslogo's en reclames aan, op of in het pand of in de directe nabijheid van de verkooplocatie waar de activiteiten plaatsvinden waar de reclame betrekking op heeft;

      • b.

        wegwijzers op bedrijventerreinen.

    • 7.

      Voor de reclame-uitingen als bedoeld in lid 6 dient een vergunning te worden aangevraagd als bedoeld in lid 1.

Artikel II Toelichting

De toelichting behorende bij de Algemene plaatselijke verordening wordt als volgt gewijzigd:

  • A.

    Aan de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2:24 wordt toegevoegd:

    Negende lid

    Het betreft veelal kleine activiteiten met muziek. Dat deze niet als een (verboden) evenement worden beschouwd betekent niet dat ze geheel vergunningvrij zijn. Er zal in het algemeen een geluidsontheffing en eventueel een objectvergunning noodzakelijk zijn.

     

  • B.

    Aan de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2:32 wordt de volgende zin toegevoegd:

    De aanwezigheid van de vergunning of een afschrift daarvan en de toonplicht is wenselijk zodat tijdens controles en incidenten voor politie en toezichthouders inzichtelijk is wie aangesproken kan worden en ter controle van de vergunningbepalingen.

     

  • C.

    Toevoegen van een artikelsgewijze toelichting op artikel 2:34g

     

    Artikel 2:34g Proeverijen in slijtlokaliteiten

     

    Algemeen

    Het is voor slijters verboden in hun slijterij een proeverij te organiseren. Dat volgt uit de artikelen 3 en 14 van de Alcoholwet. Het is alleen toegestaan de klant te laten proeven als hij daarom verzoekt en dat proeven moet bovendien gratis zijn (artikel 13, tweede lid, van de Alcoholwet).

     

    Artikel 25e van de Alcoholwet maakt het mogelijk om bij verordening vrijstelling te verlenen van de in artikel 3 en 14 neergelegde verboden, zodat betaalde proeverijen in slijtlokaliteiten zijn toegestaan. Deze vrijstelling geldt voor alle slijters in de gemeente.

     

    Andere winkels, zoals bijvoorbeeld supermarkten, die op basis van de Alcoholwet zwak-alcoholhoudende drank mogen verkopen, mogen geen proeverijen in hun winkel organiseren. Deze winkels zijn geen slijtlokaliteit in de zin van de Alcoholwet. De vrijstelling geldt alleen voor slijtersbedrijven. Sommige supermarkten hebben bij hun winkel een kleine slijterij (de zogenaamde borrelshop), waarvoor men over een alcoholwetvergunning beschikt. Als proeverijen zijn toegestaan dan kunnen deze ook in een borrelshop worden georganiseerd.

     

    Voorwaarden

    De voorwaarden waaraan een proeverij moet voldoen staan genoemd in artikel 6.1 van het Alcoholbesluit. Zo mogen maximaal 1 proeverij per dag en maximaal 3 proeverijen per week worden gegeven. Vóór aanvang van de proeverij moeten de kosten van deelname door een leidinggevende van het slijtersbedrijf zijn vastgesteld. De deelnemers aan de proeverij moeten vóór aanvang bekend zijn bij de leidinggevende. De deur van de slijterij is tijdens de proeverij gesloten voor publiek. Alleen de deelnemers hebben toegang. Tijdens de proeverij mag alleen die (alcoholhoudende en alcoholvrije) drank worden verkocht die in het kader van de proeverij aan de deelnemers is verstrekt.

     

    Door het verlenen van een (algemene) vrijstelling aan slijtersbedrijven om tegen betaling een proeverij in hun slijtlokaliteit te organiseren wordt een uitzondering gemaakt op twee verboden in de Alcoholwet, te weten een uitzondering op het verbod om zonder horecavergunning het horecabedrijf uit te oefenen (artikel 3, eerste lid, van de Alcoholwet). Vrijstelling van dat verbod is nodig omdat het geven van een betaalde proeverij geldt als het uitoefenen van het horecabedrijf. Ten tweede wordt een uitzondering gemaakt op het verbod om een slijtlokaliteit in gebruik te hebben voor ook andere bedrijfsactiviteiten dan slijtersactiviteiten (artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet).

     

    De vrijstelling voor het organiseren van een proeverij in een slijtlokaliteit geldt voor alle slijtersbedrijven. Het is niet mogelijk om te differentiëren, dat staat de Alcoholwet niet toe. Het geven van een proeverij kan dus niet nader afhankelijk gesteld worden van een vergunning of een ontheffing. Proeverijen mogen uitsluitend tegen betaling worden georganiseerd.

     

    Tijdens de proeverij mogen alleen de deelnemers aan de proeverij aanwezig zijn in de slijtlokaliteit (artikel 6.1 van het Alcoholbesluit). Een proeverij mag alleen plaatsvinden op een tijdstip dat de slijterij normaal gesproken is gesloten maar bij of krachtens de Winkeltijdenwet wel geopend zou mogen zijn (artikel 25e van de Alcoholwet). Dus als een slijterij gebruikelijk sluit om 18.00 uur, dan zou tussen 18.00 en 22.00 uur een proeverij kunnen worden gegeven. Als echter een slijterij gebruikelijk pas om 22.00 uur sluit, dan is een proeverij in de avonduren dus niet toegestaan. Het is niet mogelijk een slijtlokaliteit eerder dan normaal te sluiten om vervolgens een proeverij te organiseren.

     

  • D.

    Wijziging van de artikelsgewijze toelichting op artikel 2:49a Verbod slapen op of aan een openbare plaats

    Onder de bestaande tekst wordt de volgende alinea toegevoegd:

    Dit verbod is niet alleen bedoeld voor de aanpak van dak- en thuislozen, maar geldt in het algemeen voor overlastgevende situaties door slapen op of aan de weg. De toepassing van dit verbod bij dak- en thuislozen geldt als ultimum remedium. Dat betekent dat het verbod in het algemeen wordt gebruikt wanneer er sprake is van aanhoudende of ernstige overlast en alle andere interventies niet werken. In individuele gevallen kan het artikel worden toegepast bij overlast, met als uiteindelijke doel om de betrokken persoon toe te leiden naar zorg.

     

  • E.

    Toevoegen artikelsgewijze toelichting bij artikel 2:73a luidende:

    Hoewel carbidschieten ook (deels) onder de bepalingen van artikel 4:6 zou kunnen vallen, is er voor gekozen om een verbod expliciet te regelen. Nijmegen bestaat voornamelijk uit bewoonde gebieden zonder uitgestrekte landelijke gebieden. Het afschieten van carbid zal dan ook onvermijdelijk leiden tot overlast. Bovendien kent Nijmegen niet een dergelijke traditie en is het niet wenselijk deze te laten ontstaan ter vervanging van vuurwerk.

     

  • F.

    De artikelsgewijze toelichting op artikel 2:74 Drugshandel op straat wordt in zijn geheel vervangen door onderstaande tekst en komt als volgt te luiden:

    Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het bepaalde in de Opiumwet” opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen en substanties die worden genoemd op lijst I en IA (‘harddrugs’) en II (‘softdrugs’) die behoren bij deze wet. Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel heeft.

     

    Drugshandel op straat

    Artikel 2:74 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde en tot gevoelens van onveiligheid bij bewoners en bezoekers van de stad. Om daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen, die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten. In de praktijk gaat het met name om harddrugs. In het artikel wordt evenwel gesproken over middelen en substanties uit de artikelen 2, 2a en 3 van de Opiumwet, dus zowel hard- als softdrugs en “daarop gelijkende waar”. Bij “daarop gelijkende waar” kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nieuwe middelen die niet onder de substanties van artikel 2a vallen, maar ook aan nepdrugs (bijvoorbeeld waspoeder) of geneesmiddelen die als genotsmiddel worden gebruikt. Ook de verkoop van ‘nepmiddelen’ zorgt voor dezelfde overlast en gevoelens van onveiligheid, want ook deze verkoop trekt kopers aan.

     

    In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars (‘drugsrunners’) strafbaar gesteld. Het ‘kennelijke doel’ kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties, enzovoorts.

    Waar in dit artikel gesproken wordt over ‘zich ophouden op’ wordt hieronder ook uitdrukkelijk begrepen het zich bevinden in een voertuig en hiermee (blijven rond)rijden.

     

    Jurisprudentie

    HR 17-11-1992, ECLI:NL:PHR:1992:AD1779, NJ 1993, 409. Doel van het Amsterdamse verbod op drugshandel op of aan de openbare weg in de APV is het voorkomen van een aantasting van de openbare orde en strafbare feiten. De bepaling heeft derhalve betrekking op andere gedragingen dan strafbaar gesteld in de Opiumwet. Ook de klacht dat de bepaling onverbindend is wegens te grote onbepaaldheid faalt, aangezien de bepaling — ook voor zover zij melding maakt van 'daarop gelijkende waar', waarmee kennelijk is bedoeld waar die voor enig verdovend middel kan doorgaan, voldoende duidelijk maakt welke gedraging daarbij is verboden en strafbaar gesteld.

     

  • G.

    Wijziging van de artikelsgewijze toelichting op artikel 4:15 Reclame.

    Onder de bestaande tekst wordt de volgende alinea toegevoegd.

    In het vijfde en zesde lid wordt geregeld dat het verboden is om handelsreclame te maken voor fossiele reclame. In de definitie van fossiele reclame wordt aangegeven om welke producten en diensten het gaat. Het verbod geldt alleen voor fossiele reclame op of aan een onroerende zaak zoals gebouwen, bushokjes, lichtmasten e.d. die zichtbaar is vanaf een openbare plaats. In het zesde lid wordt beoogd om lokale ondernemers de mogelijkheid te blijven bieden om fossiele reclame te maken op of aan hun pand of in de directe nabijheid voor de producten en diensten die zij aanbieden. Zo kan bijvoorbeeld de slager en de autodealer reclame maken voor hun producten

    In het zevende lid wordt geborgd dat als het verbod van lid 5 niet geldt voor reclame op grond van lid 6, deze reclame-uiting wel vergunningplichtig blijft.

Artikel III Inwerkingtreding

  • 1.

    Artikel I onder I (artikel 4:15) drie maanden na besluitvorming inwerking te laten treden.

  • 2.

    De overige artikelen inwerking te laten treden op de dag na bekendmaking.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering d.d. 10 juni 2026

De raadsgriffier

Drs S.J. Ruta

De voorzitter

H.M.F. Bruls

Naar boven