Gemeenteblad van Beuningen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Beuningen | Gemeenteblad 2026, 289290 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Beuningen | Gemeenteblad 2026, 289290 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026
De raad van de gemeente Beuningen;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 31 maart 2026;
gelet op het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;
gelet op het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind;
gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet;
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
budgetplan: plan waarin de budgethouder of zijn wettelijk vertegenwoordiger beschrijft hoe hij1 de ondersteuning gaat inkopen en op welke wijze de kwaliteit gewaarborgd wordt.
cliëntondersteuner: onafhankelijk persoon die de jeugdige/en of ouders ondersteunt met informatie, advies en algemene ondersteuning, die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.
informele hulp: niet-professionele hulp, verleend vanuit het sociale netwerk of iemand die door de jeugdigen en/of ouders zelf is gezocht en gevonden. Er hoeft tussen de jeugdige en/of ouders en de hulpverlener geen bestaande relatie te zijn en de ondersteuning wordt niet verleend vanuit een hulpverlenend beroep. Deze inzet vindt alleen plaats op basis van een persoonsgebonden budget.
HOOFDSTUK 3. INDIVIDUELE VOORZIENINGEN
Artikel 3. Beschikbare individuele voorzieningen
De hiervoor in lid 1 t/m 4, 5a t/m c genoemde voorzieningen zijn nader beschreven in de bouwstenen en tarieven op https://www.robregionijmegen.nl/producten-tarieven
Artikel 7. Kinderopvang, buitenschoolse opvang en een Sociaal medische indicatie
In uitzonderlijke situaties kan als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, vanuit de Jeugdwet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet.
Paragraaf 2. Toegang tot een individuele voorziening
Toegang tot jeugdhulp is mogelijk door een verwijzing via de gemeente (met een beschikking van het college), via verwijzing vanuit het medisch domein (huisarts, medisch specialist of jeugdarts), via een bepaling van de Gecertificeerde Instelling (GI), via de rechter, het openbaar ministerie of via de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht.
Artikel 10. Aanvraag jeugdhulp via de gemeente
Het college bevestigt de ontvangst van de hulpvraag schriftelijk en wijst de jeugdige en zijn ouders voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning en op de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen. Als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan.
In spoedeisende gevallen zet het college na een melding voor maximaal 3 maanden een individuele voorziening in. In afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de jeugdige of zijn ouders of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.
Artikel 12. Toegang jeugdhulp via de Gecertificeerde Instelling, de rechter, het openbaar ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht
Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de Gecertificeerde Instelling (GI) nodig vindt bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Ook draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, het openbaar ministerie of de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting nodig vindt bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.
Paragraaf 3. Beoordeling aanvraag en nemen van een besluit
Artikel 15. Algemene Weigeringsgronden
De jeugdige en/ of ouders aanspraak maken op een algemene of andere voorziening die voorziet in de ondersteuningsbehoefte, of de mogelijkheid bestaat dat zij aanspraak kunnen maken op een andere voorziening die voorziet in de ondersteuningsbehoefte, maar zij hiervoor geen aanvraag wensen in te dienen. Voorziet de algemene of andere voorziening gedeeltelijk in de ondersteuningsbehoefte dan kan zo nodig aanvullend alsnog een individuele voorziening worden afgegeven;
HOOFDSTUK 4 BEOORDELING EIGEN MOGELIJKHEDEN EN PROBLEEMOPLOSSEND VERMOGEN
Artikel 19. Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders, gelet op de wettelijke plicht (artikel 1:247, Burgerlijk wetboek) en het recht van de gezaghebbende ouder om zijn minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden. Daaronder valt hen te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.
Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
Een gezonde balans tussen draagkracht en draaglast betekent dat ouders of andere huisgenoten onderling zorg kunnen dragen voor normale, dagelijkse hulp. Ouder(s) zijn verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als sprake is van een minderjarig kind met een ziekte, aandoening of beperking. Voor zover het van toepassing is en tot de mogelijkheden behoort dat ouders hun kinderen zelf hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf bieden, kent het college geen individuele voorziening jeugdhulp toe.
Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.
HOOFDSTUK 5 PERSOONSGEBONDEN BUDGET
Een individuele voorziening kan in de vorm van een persoonsgebonden budget worden verstrekt. In dit hoofdstuk wordt beschreven welke regels gelden voor een persoonsgebonden budget en hoe de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt bepaald. De jeugdige is de budgethouder, de ouders zijn de budgetbeheerder (zie ook artikel 23).
Artikel 20. Toekenningscriteria persoonsgebonden budget
Pas als een jeugdige en/of ouders in aanmerking komen voor een individuele voorziening en de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een persoonsgebonden budget, toetst het college aan de hand van het in lid 2 genoemde budgetplan en een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 4.1.6 van de Jeugdwet of voldaan wordt aan de in artikel 8.1.1. lid 2 van de Jeugdwet opgenomen voorwaarden.
De persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt kan iemand die behoort tot het sociale netwerk inzetten voor het bieden van jeugdhulp, met uitzondering van ggz-behandeling. Deze behandeling kan alleen door een professional worden verleend die niet tot het sociale netwerk van de jeugdige behoort.
Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het persoonsgebonden budget voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de jeugdige en/of ouders het persoonsgebonden budget in die periode anders ten onrechte kan inzetten.
De hoogte van het persoonsgebonden budget voor informele ondersteuning is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het wettelijk minimumloon vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget verhoogd met het hoogste percentage werkgeverslasten.
Artikel 23. Regels voor persoonsgebonden budget-beheer
Het beheer van het persoonsgebonden budget vraagt regievoeren over de ingekochte ondersteuning. De jeugdige is budgethouder. Van een jeugdige jonger dan achttien jaar verwacht het college niet dat hij de taken die verbonden zijn aan het persoonsgebonden budget beheer op een verantwoorde wijze uit kan voeren.
Artikel 24. Onderscheid formele en informele hulp
personen die werkzaam zijn bij een organisatie met een aanbod dat past bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of de ouders het persoonsgebonden budget krijgen. De organisatie staat ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). De personen beschikken over de relevante diploma’s om de werkzaamheden die nodig zijn uit te voeren, of
personen die als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) werkzaamheden uitvoeren die passen bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of ouders het persoonsgebonden budget krijgen. De zzp’er staat voor deze werkzaamheden ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). Ook beschikt de zzp’er over de relevante diploma’s of werkervaring die nodig zijn voor uitoefening van deze werkzaamheden, of
Personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het persoonsgebonden budget uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), die beschikken over de relevante diploma’s en een SKJ-registratie die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, een SKJ-registratie en een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 4.1.6. van de Jeugdwet, of
Personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het persoonsgebonden budget uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, een SKJ-registratie en een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 4.1.6. van de Jeugdwet.
Naast de verantwoording over het bestede bedrag aan de SVB, verplicht het college de budgethouder om bij een (tussen)evaluatie van het budgetplan ook aan te geven wat de behaalde resultaten zijn met het persoonsgebonden budget en de daaraan verbonden voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet zoals beschreven in bijlage 1. Ook bij maandbedragen moet de persoonsgebonden budgethouder en de betrokken zorgverlener de geleverde zorg (kunnen) verantwoorden in uren en/of dagdelen.
De zorgaanbieder dient te voldoen aan de kwaliteitscriteria zoals vastgelegd in bijlage 1 en het programma van eisen ten aanzien van het betreffende product. Indien de kwaliteitscriteria bij een zorgaanbieder zijn beoordeeld door het college, bijvoorbeeld in een aanbestedingstraject, en het college van oordeel is dat de zorgaanbieder niet voldoet aan de kwaliteitscriteria, worden gedurende 1 jaar (vanaf moment van constatering van niet voldoen) geen persoonsgebonden budgetten toegekend waarbij de betreffende zorgaanbieder partij is. Als na afloop van dat jaar de kwaliteit zodanig verbeterd is dat wel aan de eisen wordt voldaan, kan de zorgaanbieder een verzoek indienen bij het college om opnieuw te toetsen aan de kwaliteitseisen.
Artikel 26. Regels voor persoonsgebonden budget sociaal netwerk/informele hulp
De jeugdige en/of ouders dienen een persoonsgebonden budgetplan op te stellen met daarin de doelen, activiteiten en evaluatiemomenten. In het persoonsgebonden budgetplan worden de activiteiten aan de doelen verbonden en inzichtelijk gemaakt wie wat in die activiteiten kan doen (gezin, sociaal netwerk, school, algemene voorziening) en voor welke activiteiten een individuele voorziening nodig is. Deze activiteiten kunnen vervolgens in uren per week worden uitgedrukt. Deze activiteiten en doelen zijn dan ook de basis voor de (periodieke) evaluatie met de budgethouder.
De persoon uit het sociaal netwerk ondersteuning bieden kan die doeltreffender en doelmatiger is dan formele hulp doordat die persoon bijvoorbeeld een grotere flexibiliteit kan bieden of omdat de jeugdige vanwege de beperking of problematiek moeite heeft om vreemden toe te laten en professionele distantie of reflectie niet nodig is voor het bereiken van doelen.
HOOFDSTUK 6 VERHOUDING PRIJS - KWALITEIT, KLACHTEN
Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen en deskundige beroepskrachten door voorzieningen op de persoonlijke situatie van de jeugdige en/of ouders en andere vormen van zorg af te stemmen en toe te zien dat het personeel tijdens het leveren van voorzieningen handelen volgens de professionele standaard.
Het college controleert naleving van de kwaliteitseisen door middel van handhavingsbevoegdheden. Deze bevoegdheden worden uitgewerkt in hoofdstuk 7 van deze verordening. Daarnaast houdt het college een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Indien nodig controleert het college met de jeugdige en/of ouders ter plaatse de geleverde voorzieningen.
Artikel 29. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
Artikel 31. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid
Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
HOOFDSTUK 7 CONTROLE, TOEZICHT EN HANDHAVING
Dit hoofdstuk gaat over controle, toezicht en handhaving op de ondersteuning die op grond van de Jeugdwet, nadere regelgeving, afgesloten overeenkomsten of subsidiebesluiten plaatsvindt of zou moeten plaatsvinden. Deze ondersteuning kan een individuele voorziening zijn of een persoonsgebonden budget.
Fraudeonderzoek, onderzoek waarbij nagegaan wordt of degene die bij de gemeente of de SVB een bedrag in rekening brengt, valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of tracht te plegen ten nadele van de gemeente, met het doel een betaling of een ander voordeel te verkrijgen waarop hij geen recht heeft of kan hebben.
De toezichthouder kan namens het college een schriftelijk bevel geven aan een aanbieder indien hij oordeelt dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden. Betreft het een aanbieder, betaald vanuit een persoonsgebonden budget, dan wordt de budgethouder onverwijld door de toezichthouder in kennis gesteld van het gegeven bevel.
Voordat het rapport definitief wordt, stelt de toezichthouder de aanbieder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en feitelijke onjuistheden daarover binnen 14 dagen kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de reactie van de aanbieder in een bijlage bij het rapport of past het rapport hierop aan.
Het hersteltraject start met een schriftelijke aanwijzing, tenzij de aard en omvang van de onrechtmatigheid zich daartegen verzet. Met name bij fraude kan het college, gelet op de ernst, direct overgaan tot het opleggen van sancties of het ontbinden van de overeenkomst of intrekken van het subsidiebesluit.
Artikel 41. Handhavingsmaatregelen
Artikel 42. Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling
De sanctiemogelijkheden op grond van deze verordening kunnen eveneens gepaard gaan met een verzoek van het college aan de Sociale Verzekeringsbank tot geheel of gedeeltelijke beëindiging, weigering of opschorting van een betaling uit het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8b, lid 6 sub g van de Regeling Jeugdwet.
HOOFDSTUK 8. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN
Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er:
naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of
Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen.
Artikel 46. Afstemming met algemene en andere voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (zoals Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet.
Artikel 49. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
Een jeugdige en/of ouders houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van eerdere Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of de indicatietermijn is verstreken.
Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 12 mei 2026
De griffier,
De voorzitter.
Met de verordening voert de gemeente Beuningen de Jeugdwet uit. De gemeente heeft een jeugdhulpplicht. Dat betekent dat als jeugdige of ouders een jeugdhulpvoorziening nodig hebben, zij die geven. Daarvoor doet zij eerst onderzoek. De jeugdhulpvoorziening moet helpen bij problemen met veilig opgroeien, groeien naar zelfredzaamheid of deelname aan de maatschappij. Welke en hoeveel jeugdhulp nodig is, bepaalt het Sociaal team van de gemeente Beuningen (tenzij er sprake is van externe verwijzing, zie verder onder het kopje “Toeleiding naar jeugdhulp”). Dat noemen we maatwerk. De consulenten en procesregisseurs van het Sociaal team besluiten namens het college.
Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan Vitaal Beuningen dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet heeft vastgesteld en het Regioprogramma Jeugd. In deze plannen wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.
In de verordening gebruiken we consequent ‘hij’ als verwijzing. Hier bedoelen we ook ‘zij’ of 'hen’ mee wanneer dat van toepassing is. Op verschillende plekken spreken we "jeugdige en/of ouders". Het is afhankelijk van de leeftijd van de jeugdige (als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet) wie wordt bedoeld:
Een voorziening voor jeugdhulp kan verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg zijn. De verordening maakt verschil tussen algemene (vrij toegankelijke) en individuele (niet vrij toegankelijke) jeugdhulpvoorzieningen. Voor sommige hulpvragen is een algemene voorziening genoeg. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor een algemene voorziening rechtstreeks bij de aanbieder melden.
Een individuele voorziening is vaak meer gespecialiseerde zorg. Voor deze niet-vrij toegankelijke vormen van hulp beoordeelt het college eerst of de jeugdige of zijn ouders deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij-toegankelijk is en welke niet. In deze verordening zijn de beschikbare algemene en individuele voorzieningen uitgewerkt in artikel 2 en artikel 3.
In de Jeugdwet staat dat de jeugdhulp ook bereikbaar is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk bepalen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet zelf welke hulp nodig is. Zij verwijzen naar een van de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. Dit noemen we externe verwijzing. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt dan op basis van zijn professionele kennis welke begeleiding of behandeling nodig is, hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). De jeugdhulpaanbieder moet zich houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in contracten en subsidies, en de regels gemaakt in deze verordening. De contractering van jeugdhulp en het contractbeheer wordt voor gemeente Beuningen en andere gemeenten uit het Rijk van Nijmegen uitgevoerd door het Regionaal ondersteuningsbureau (ROB).
De gecertificeerde instelling kan zelf bepalen of jeugdhulp nodig is als zij een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert. De rechter, officier van justitie, en de justitiële jeugdinrichting kunnen bij een strafrechtelijke beslissing ook beslissen dat jeugdhulp nodig is. Ook dit noemen we externe verwijzing.
Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling. Op basis van een melding onderzoekt Veilig Thuis, als dat nodig is of sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Als uit dit onderzoek blijkt dat jeugdhulp nodig is, begeleidt Veilig Thuis ouders om jeugdhulp te accepteren en legt contacten met het Sociaal Team van de gemeente.
Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de Jeugdwet al veel definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb).
Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor jeugdigen en/of ouders voor ondersteuning of hulp. Een toegangsbeoordeling is niet nodig. Dit betekent dat het college voorafgaand geen onderzoek doet naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of ouders. Voor een algemene voorziening is geen beschikking nodig (zie ook artikel 2 van deze verordening en de toelichting daarbij). Het is wel mogelijk dat de voorziening geld kost voor de jeugdige en/of ouders. Een algemene voorziening kan ook een collectieve voorziening zijn, waar jeugdigen in een groep, laagdrempelig ondersteuning ontvangen waar geen toegangsbeoordeling voor nodig is. Let op: niet alle collectieve jeugdhulp is vrij toegankelijk. Denk bijvoorbeeld aan groepsbehandeling; daarvoor is een individuele voorziening nodig.
Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wmo 2015, Wet Kinderopvang, Wet Passend onderwijs (Wpo), de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Of op basis van een subsidieregeling van de gemeente, zoals voor peuteropvang en voorschoolse educatie.
Lid 2 onderdeel d: budgethouder
De budgethouder is degene die op grond van de Jeugdwet een persoonsgebonden budget (persoonsgebonden budget) ontvangt om daarmee jeugdhulp in te kunnen kopen. Zowel jeugdigen en ouders kunnen jeugdhulp krijgen. Als jeugdhulp aan een jeugdige wordt toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget, voeren zijn ouders daarover het beheer, in ieder geval zolang de jeugdige nog minderjarig is. Dat staat in artikel 1:253i BW.
Onafhankelijke cliëntondersteuning binnen de Jeugdwet is een gratis voorziening die bedoeld is om jeugdige en ouders die te maken hebben met jeugdhulp te ondersteunen. De cliëntondersteuner kan helpen bij het vinden van de juiste informatie, het aanvragen van zorg of het voorbereiden op gesprekken met de gemeente. Contactgegevens zijn te vinden via de website van de gemeente Beuningen: www.beuningen.nl/ondersteuning-voor-clienten.
Onder het college wordt het dagelijks bestuur van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen bedoeld.
Lid 2 onderdelen h (draagkracht), i (draaglast) en j (eigen kracht)
Deze begrippen zijn toegevoegd naar aanleiding van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 2024 (ECLI:NL: CRVB:2024:1095, ECLI:NL: CRVB:2024:1096 en ECLI:NL: CRVB:2024:1097).
Lid 2 onderdeel k: gebruikelijke hulp
Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Gezaghebbende ouders hebben de wettelijke verplichting en het recht (artikel 1:247 Burgerlijk Wetboek) om hun minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden. Daaronder wordt in deze verordening ook verstaan: hen te begeleiden en toezicht op hen te houden. Onder ‘andere verzorgers of opvoeders’ kunnen ook pleegouders vallen. Jeugdhulp kan slechts ingezet worden voor de hulp die de gebruikelijke hulp te boven gaat. Dat is bepaald in deze verordening. In hoofdstuk 4 van deze verordening is bepaald in welke situaties sprake is van (boven) gebruikelijke hulp.
De hulpvraag is de behoefte aan jeugdhulp. Als een inwoner van de gemeente Beuningen die behoefte heeft aan jeugdhulp zich tot het college of een andere verwijzer wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet van tevoren duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Zorgvuldig onderzoek is noodzakelijk.
Lid 2 onderdeel o: onderzoeksverslag
Het onderzoeksverslag is het resultaat van het onderzoek dat de gemeente uitvoert naar de hulpvraag van jeugdigen en/of ouders. Het verslag beschrijft de bijdragen die zowel het college, de hulpvrager als het sociale netwerk gaan leveren om gezamenlijk een oplossing te bieden voor de hulpvraag.
Lid 2 onderdeel q: persoonsgebonden budget
Een jeugdige of ouder kan de individuele voorziening ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget. Met dit budget kan de jeugdige of ouder zelf de benodigde hulp inkopen. Zie ook de toelichting op artikel 23 over het beheer van het persoonsgebonden budget. Het gaat om een persoonsgebonden budget dat verleend kan worden op grond van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet.
Lid 2 onderdeel s: sociaal netwerk
Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (o.a. (ex-)partners, gezinsleden, familieleden of mantelzorgers) en andere personen met wie iemand een sociale relatie heeft. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de jeugdige of ouder regelmatig contacten onderhoudt, zoals buren, medeleden van een vereniging etc. Het begrip ‘sociaal netwerk’ komt ook voor in de Wmo 2015. Bij de uitvoering van de Jeugdwet wordt aangesloten bij deze begripsomschrijving.
Lid 2 onderdeel t: zorg in natura
Als het college aan de jeugdige en/of ouders een individuele voorziening toekent, gaat het meestal om zorg in natura. De toegekende jeugdhulp wordt dan verleend door een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft en door de gemeente rechtstreeks aan de zorgaanbieder betaald.
Een aantal voorbeelden zijn genoemd van algemene voorzieningen in gemeente Beuningen. Onder opvoedondersteuning wordt bijvoorbeeld verstaan: workshops, lezingen of cursussen over opvoeden, opgroeien of ouderschap. Er is bijvoorbeeld ook het ondersteuningsteam 0-6 jaar voor ontwikkel- en opvoedvragen op de kinderopvang en basisschool.
Het is mogelijk dat iemand een aanvraag indient voor een individuele voorziening en het college vervolgens na het onderzoek tot de conclusie komt dat een algemene of andere voorziening beschikbaar en passend is. Het college verwijst dan naar die voorziening en wijst de aanvraag voor een individuele voorziening dan af. Zie hiervoor ook artikel 13 lid 1 onder g van deze verordening.
Soms is een algemene voorziening niet passend of niet voldoende compenserend. Dan kan een jeugdige en/of ouders misschien gebruik maken van een individuele voorziening. Hiervoor is voorafgaand onderzoek naar de hulpvraag en de behoefte en persoonskenmerken van de jeugdige nodig. De toegang tot een individuele voorziening is geregeld in artikelen 10 t/m 12 van deze verordening.
Er zijn verschillende soorten en vormen van jeugdhulp in de gemeente Beuningen. De omschrijving is te vinden in de bouwstenen van de jeugdhulp te vinden op www.robregionijmegen.nl/bouwstenen-tarieven/
In dit artikel worden voorwaarden genoemd wanneer en waarvoor respijtzorg wordt ingezet als individuele voorziening. Respijtzorg is bedoeld voor de ontspanning en ontlasting van ouders met een kind dat een bovengebruikelijke zorgvraag heeft. Wanneer sprake is van overbelasting van ouders, heeft het de voorkeur hen daarnaast te begeleiden om de overbelasting in de toekomst te verminderen.
Als uitgangspunt geldt dat de ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer (lid 1). Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken (lid 2). Of daarvan sprake is staat ter beoordeling van het college (lid 3). Om te benadrukken dat het college daarbij de eigen verantwoordelijkheid van ouders als uitgangspunt neemt, wordt in het vierde lid expliciet gemaakt dat het college in elke individuele situatie een afweging moet maken of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de ouders) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat. Daarnaast geldt het uitgangspunt dat de met het oog op de vervoerskosten goedkoopste adequate voorziening kan worden getroffen. Dit wordt ten uitdrukking gebracht in het vijfde lid.
Gemeente Beuningen werkt al jaren samen met het Beuningse onderwijs, dat een poortwachtersfunctie heeft. Het onderwijs heeft hierin een kritische (poortwachters)rol. De aanvragen lopen dan ook via het onderwijs (Interne begeleiders (IB-ers), taaldeskundigen en via aanmelding bij de coördinator van het IB-netwerk Onderwijs Beuningen). Er wordt met het programma BOUW gewerkt voor taal-en leesbevordering en het signaleren van dyslexie. Er is een maandelijkse monitoring van dyslexieaanmeldingen.
Verwijzing: Bij een vermoeden van dyslexie stelt school een leerlingdossier op, dat voldoet aan de eisen van het protocol. Dit leerlingdossier wordt aan de ouders verstrekt, zodat zij een onderzoek naar ernstige dyslexie (ED) kunnen aanvragen bij één van de gecontracteerde zorgaanbieders. De zorgaanbieder maakt een melding bij de gemeente vóórdat het onderzoek naar ED wordt uitgevoerd. Een beschikking wordt afgegeven. De zorgaanbieder doorloopt het dyslexieprotocol. Het leerlingdossier wordt inhoudelijk beoordeeld door de dyslexiespecialist en geeft in de dossierbeoordeling aan of verder onderzoek geïndiceerd kan worden. Bij een positieve indicatie wordt de cliënt aangemeld bij de gemeente. De gemeente geeft vervolgens een beschikking af. Als onderzoek is geïndiceerd, wordt gestart met het diagnostisch onderzoek. Indien de diagnose ernstige dyslexie (ED) is gesteld, kan worden gestart met de dyslexiebehandeling.
Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van ouders, werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouders en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet op de kinderopvang.
Alleen indien er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek.
Wanneer er sprake is van een sociale, of medische situatie bij jeugdige en/of ouders waardoor kinderopvang tijdelijk noodzakelijk is, danwel voor de ontwikkeling van het kind, danwel voor de ontlasting van ouders, kan een Sociaal medische indicatie worden afgegeven. In beleidsregels is weergegeven via welke werkwijze en voorwaarden een sociaal medische indicatie wordt afgegeven door het college.
Als de jeugdige na het 18e jaar nog hulp nodig heeft, waarborgt het college de continuïteit van de hulp en de ondersteuning. Dit houdt in dat de overgang naar een andere wet door het college begeleid wordt. Of dat tijdig passende jeugdhulp wordt ingezet. Om voor een jeugdige een goede overgang te hebben van de ingezette hulp wordt al vóór het 18e jaar gekeken naar wat na het 18e jaar nodig is aan hulp. Het doel hiervan is om overgangsproblemen te voorkomen en om vanaf het 18e jaar de ondersteuningsbehoefte zo klein mogelijk te houden. Als inzet van (extra) hulp kan leiden tot meer zelfredzaamheid vanaf het achttiende jaar heeft dit de voorkeur. Dit vraagt wel extra bewustwording bij jeugdige, ouders en hulpverleners. In het perspectiefplan wordt ook aandacht besteed aan aspecten als huisvesting, inkomen, werk/opleiding en welzijn na het 18e jaar.
Het college wijst jeugdigen en ouders op de mogelijkheid om gebruik te maken van cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning door middel van informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van o.a. jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning (dit volgt uit artikel 1.1.1 Wmo 2015).Het familiegroepsplan is een hulpverleningsplan of plan van aanpak dat de ouders opstellen samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren.
De jeugdhulpaanbieder moet de jeugdige of ouders bij het leveren van hulp als eerste de mogelijkheid bieden een familiegroepsplan op te stellen. Dat geldt ook voor de gecertificeerde instelling als sprake is van een ondertoezichtstelling. Aanbieders en instellingen kunnen het familiegroepsplan gebruiken bij het bieden van hulp.
De bedoeling van het familiegroepsplan is dat ouders, familieleden en anderszins direct betrokkenen de mogelijkheid krijgen mee te denken en te helpen aan een oplossing voor gedwongen of vrijwillige jeugdhulp. Het familiegroepsplan is erop gericht om ouders en hun netwerk (met eventuele ondersteuning) in eigen kring de problemen op te kunnen laten lossen, in een prille fase waarin opgroei- en opvoedingsproblemen zijn gesignaleerd.
Een jeugdige en/of ouders kunnen een aanvraag (laten) indienen voor een individuele jeugdhulpvoorziening. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan regels over de aanvraag(procedure). Deze verordening wijkt daarvan niet af. Dat betekent in ieder geval dat - op grond van artikel 4:1 van de Awb - een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk of digitaal moet worden ingediend bij het college. Daarnaast is het in deze gemeente ook mogelijk een mondelinge aanvraag in te dienen, maar dat heeft niet de voorkeur.
De verwijzende kracht in het medisch domein is beperkt tot de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. De definitie van een jeugdarts en medisch specialist staat vermeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Of een verwijzer een huisarts, medisch specialist of jeugdarts is, kan zonodig worden nagegaan in het specialistenregister dat ook in het BIG-register vermeld wordt. Zie de specialistenregisters op https://www.bigregister.nl/registratie/nederlands-diploma-registreren/specialisatie.
Om de juiste hulp te kunnen inzetten en een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, is het belangrijk dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. Uitgangspunt is dat persoonlijk contact tussen de gemeente en de jeugdige en/of ouders plaatsvindt.
De onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen waar het college in ieder geval onderzoek naar moet doen. Zijn de jeugdige en/of ouders al bekend bij de gemeente? Dan hoeven een aantal zaken niet meer uitgediept te worden en kan het college bijvoorbeeld alleen vragen of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Ook kan besloten worden om helemaal van het gesprek af te zien als een gesprek gelet op de beschikbare informatie niet meer nodig is (lid 6). Komen een jeugdige en/of ouders voor het eerst bij de gemeente? Dan is het gesprek nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en/of ouders en hun situatie te krijgen.
Het college informeert de jeugdige en/of de ouders over de mogelijkheid om een persoonsgebonden budget (persoonsgebonden budget) aan te vragen. Het college moet hen dan volledig, objectief en in begrijpelijke woorden inlichten over de gevolgen van de keuze (waaronder de risico's) voor een persoonsgebonden budget in plaats van zorg in natura (artikel 8.1.6 Jeugdwet). Met deze informatie kunnen de jeugdige en/of ouders een verantwoorde keuze maken en instemmen met de verplichtingen bij een persoonsgebonden budget.
Uit het gesprek tussen de jeugdige en/of ouders en de hulpverlener kan naar voren komen dat er al professionals betrokken zijn. In dat geval kan het Sociaal team ervoor kiezen informatie op te vragen namens de jeugdige en/of ouders. Ook kan ervoor gekozen worden dat gezamenlijk het gesprek aangegaan wordt met deze andere professional(s). Of de jeugdige en/of ouder kan zelf voor de nodige informatie uit andere domeinen zorgen. De jeugdige en/of ouders hebben een medewerkingsplicht. Dit houdt in dat de benodigde informatie om een besluit te kunnen nemen op de hulpvraag op verzoek van het college verstrekt moet worden. Als de jeugdige en/of ouders dit weigeren, moet het college een besluit nemen op basis van de informatie die er is. Dit kan dan betekenen dat de aanvraag wordt afgewezen.
Dat de gemeente de informatie mag opvragen betekent niet gelijk dat de andere partij dat zonder instemming van jeugdige en/of ouder mag verstrekken. Dat geldt bijvoorbeeld voor de huisarts. Bij jeugdigen tot 12 jaar stemmen ouders in, van 12- 16 jaar stemmen zowel jeugdige als ouders in, vanaf 16 jaar is alleen instemming van de jeugdige nodig.
De uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag wordt vastgelegd in het onderzoeksverslag. Uit het verslag moet blijken welke doelen zijn opgesteld, hoe die gerealiseerd gaan worden en welke bijdragen daarin van alle partijen verwacht wordt. De in lid 1 van deze bepaling genoemde onderzoeksvragen moeten terugkomen in het onderzoeksverslag.
Daarna onderzoekt het Sociaal team welke hulp de jeugdige gelet op deze problematiek nodig heeft om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en/of voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren (artikel 2.3 Jeugdwet). Vervolgens onderzoekt het Sociaal team wat jeugdige en/of ouders zelf kunnen doen. Dit noemen we ook wel eigen kracht (zie meer hierover onder artikel 19).
Tot slot kijkt het Sociaal team of er een algemene voorziening of een andere voorliggende voorziening is die een oplossing biedt voor de hulpvraag. Een algemene voorziening gaat daarbij voor op een individuele voorziening. Dus als er een algemene voorziening passend is voor de hulpvraag van de jeugdige hoeft het college geen individuele voorziening te verstrekken. Hetzelfde geldt als jeugdige en/of ouders gebruik kunnen maken van een andere voorliggende voorziening op grond van een andere wet als de Jeugdwet (artikel 1.2 Jeugdwet).
In dit artikel beschrijven we wanneer we het verzoek om een individuele voorziening kunnen weigeren. Bijvoorbeeld als er andere voorzieningen zijn waar de jeugdige en/of ouders gebruik van kunnen maken, of wanneer blijkt uit het onderzoek van het Sociaal team dat de gevraagde ondersteuning past bij wat je gebruikelijk verwacht van het gezin.
Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt door het college altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders en de ingediende aanvraag.
In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking.
Het college geeft een schriftelijke beschikking als het jeugdhulp toekent of als in de tussentijd de rechten en plichten rondom een jeugdhulpvoorziening wijzigen. Hiertegen kan de jeugdige en/of zijn ouders bezwaar en beroep indienen. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daaropvolgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en geldt in beginsel voor alle beschikkingen.
Het is belangrijk dat jeugdige en/of ouders het college alle informatie verstrekken die van belang kan zijn voor de verlening van jeugdhulp. Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2 lid 1 van de Jeugdwet, die geldt met name voor het gebruik van een persoonsgebonden budget. In deze verordening verbreden we de informatieplicht naar de voorzieningen in natura. Want ook van jeugdigen en/of ouders met jeugdhulp in natura verlangen we dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen om te beoordelen of (nog steeds) terecht een beroep op de voorziening wordt gedaan.
Dit artikel geeft weer hoe het college kijkt naar eigen kracht, wanneer er sprake is van eigen kracht en biedt een duidelijk (afwegings)kader. In dit artikel geeft het college aan wat zij verstaat onder gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp, alsook hoe zij de situatie beoordeelt in kortdurende en langdurende situaties.
Het college ziet ouders als eerste verantwoordelijke om gebruikelijke hulp te bieden in alle redelijkheid. Dat is ook het uitgangspunt van de Jeugdwet. Het college verwacht daarbij ook dat wanneer opvoeden of zorgen zwaarder wordt ouders binnen hun eigen mogelijkheden kijken waar ze het zelf kunnen opvangen. Bijvoorbeeld door hun werktijden te veranderen, zorg af te wisselen onder elkaar (ook bij scheiding), of het eigen netwerk in te zetten.
De publicatie Opgroeien en opvoeden; normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en hun ouders (2020) is te vinden op https://www.nji.nl/publicaties/opgroeien-en-opvoeden
Als een jeugdige en/of ouders in aanmerking willen komen voor een persoonsgebonden budget, moeten zij een budgetplan opstellen. In lid 2 van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken vloeien rechtstreeks voort uit de wet. De Jeugdwet noemt in artikel 8.1.1 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een persoonsgebonden budget. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Het college toetst ook met behulp van het overzicht van het Rijk of de jeugdige en/of ouders voldoende vaardig zijn om een persoonsgebonden budget te beheren.
Het in artikel 20 lid 3 genoemde overzicht is te vinden op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/persoonsgebonden-budget-pgb/vraag-en-antwoord/pgb-vaardigheid en de aldaar te downloaden infographic "10 punten pgb-vaardigheid"
Voordat het college een persoonsgebonden budget toekent, toetst het college aan de criteria zoals vastgelegd in artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet. Eén van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van het college geborgd is. In dat kader moet het college, bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden.
Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het persoonsgebonden budget te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd. Tegen deze achtergrond is in deze verordening een uitsluitingsgrond opgenomen voor het ontvangen van ggz-behandeling die wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk. GGZ-behandeling kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp.
In deze verordening wordt bepaald hoe de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel c van de Jeugdwet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen bij tenminste één aanbieder. Ook moet de informele hulp bekostigd kunnen worden met het beschikbaar gestelde tarief. De tarieven zijn afgeleid van Zorg-in-Natura tarieven. Deze staan gepubliceerd op: https://robregionijmegen.nl/producten-tarieven/,
Het tarief voor informele zorg is in deze verordening gelijkgesteld aan het minimumloon plus werkgeverslasten. De landelijke indexatie voor het minimumloon wordt gevolgd. In sommige gevallen hebben inwoners arbeidscontracten met een hoger informeel tarief. Deze is volgens de tarieven van de vorige verordening vastgesteld. Het college verlaagt deze tarieven niet; deze tarieven worden echter ook niet geïndexeerd tótdat zij door de tijd heen weer gelijklopen met het wettelijk minimumloon plus werkgeverslasten.
In dit artikel zijn enkele nadere eisen opgenomen waar pgb-beheer aan moet voldoen. Bovendien is verduidelijkt dat pgb-beheer de jeugdige en/of zijn ouders kan ondersteunen, maar niet in de plaats van de hen treedt. Dit blijkt uit de woorden "met hulp uit…" in artikel 8.1.1 lid 2 sub a van de Jeugdwet. Als de jeugdige en/of zijn ouders in het geheel geen regie kunnen voeren, is een persoonsgebonden budget niet de aangewezen verstrekkingsvorm. De combinatie van zorgverlener en pgb-beheerder in één persoon of instantie is daarnaast, gezien de belangenverstrengeling, onwenselijk en niet toegestaan. Voor familieleden in de eerste en tweede graad geldt een uitzondering. Dit neemt niet weg dat het college wel beoordeelt hoe de verhouding is tussen de jeugdige en de pgb-beheerder en de mate van afhankelijkheid van de jeugdige en/of zijn ouders ten opzichte van de pgb-beheerder. Dit alles in het kader van de (financiële) bescherming van kwetsbare inwoners.
Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (zzp-er), die onder toezicht staan van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG- of SKJ-registratie heeft.
Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener uit het sociaal netwerk van de budgethouder komt. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociaal netwerk, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling. In het kader van deze verordening geldt dat als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook personen uit het sociaal netwerk met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende persoonsgebonden budget-tarief.
Als de budgethouder met het persoonsgebonden budget een professionele zorgaanbieder inschakelt, is het in ieders belang dat deze aanbieder zich niet aan kwaliteitskaders kan onttrekken, omdat hij niet gecontracteerd is bij de gemeente. Ook via deze constructie dient de jeugdige en /of ouders kwalitatief goede zorg en ondersteuning te ontvangen. Het college dient zich te vergewissen van die kwaliteit. Om die reden wordt er in deze verordening verwezen naar de kwaliteitseisen in de bijlage.
Professioneel staat niet gelijk aan beroeps- of bedrijfsmatige dienstverlening. Het hebben van een bepaalde expertise (of professionaliteit) maakt op zichzelf niet dat sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige dienstverlening. Uit de rechtspraak volgt dat iemand uit het sociaal netwerk geen professioneel of bedrijfsmatig tarief hoeft te ontvangen, ook niet als deze beschikt over relevante diploma’s of werkervaring.
De term professioneel gaat over de deskundigheid (professionaliteit). De deskundigheid speelt alleen een rol bij de beoordeling of voor de benodigde ondersteuning een specifieke deskundigheid vereist is. Bijvoorbeeld als sprake is van een bepaalde soort problematiek. Beschikt een zorgverlener niet over de benodigde deskundigheid dan kan vanuit het persoonsgebonden budget de betreffende zorgverlener niet worden ingehuurd. Dus ook niet vanuit het informele tarief.
Dit artikel beschrijft in welke situaties en tegen welke voorwaarden hulp of ondersteuning kan worden ingekocht bij het sociaal netwerk. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, kennissen, etc. Daarbij is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. De jeugdige en/of ouders leggen dat vast in het budgetplan.
Mantelzorg is informele zorg die door het eigen netwerk wordt geboden en dit gaat dus voor op een maatwerkvoorziening. Aan de keuze tussen zorg in natura en een persoonsgebonden budget gaat vooraf of naast de bijdrage van het eigen netwerk aanvullend extra ondersteuning nodig is in de vorm van een individuele voorziening. Als dat het geval is, hebben de jeugdige en/of ouders de keuze tussen zorg in natura of een persoonsgebonden budget.
In beginsel is het gezien de volgorde niet logisch dat iemand uit het eigen netwerk de ondersteuning in het kader van het persoonsgebonden budget gaat uitvoeren als in een eerder stadium al is afgesproken wat mensen uit het eigen netwerk (onbetaald) willen betekenen voor de jeugdige en/of ouders. Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn denkbaar. Bijvoorbeeld als de mantelzorger zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste. Het is echter niet mogelijk om de uitzonderingen te vangen in algemene, voor iedereen geldende voorwaarden. Niet voor iedereen die zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste komt in aanmerking voor een persoonsgebonden budget. Het blijft altijd maatwerk.
Het college kijkt ook naar de verhouding van de jeugdige en/of ouders tot de zorgverlener en de mate van afhankelijkheid ten opzichte van de zorgverlener. Dit is bedoeld om zowel voorafgaand aan de verstrekking als op een later moment te (kunnen) onderzoeken of het persoonsgebonden budget veilig, doeltreffend en cliëntgericht gebruikt wordt, ook als jeugdige en/of ouders en zorgverlener een sociale relatie onderhouden. Dit alles in het kader van de (financiële) bescherming van kwetsbare inwoners.
De wet bepaalt dat de verordening regels moet bevatten over de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs en kwaliteit van een voorzieningen. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs, bevat dit artikel een aantal andere aspecten waar het college rekening mee dient te houden.
In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, ofwel een vaste prijs vaststelt, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan is het tarief voor de inschrijvers gelijk aan de vaste prijs.
Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de Jeugdwet in samenhang met artikel 2.1.3 lid 3 van de Wmo 2015. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen en ouders, worden betrokken bij de vormgeving van het jeugdbeleid.
Op grond van artikel 2.9, onderdeel d, van de Jeugdwet dienen in de verordening regels te worden gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van een individuele voorzieningen (natura of persoonsgebonden budget), alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet. Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van de Jeugdwet. In dit artikel van de verordening wordt de basis gevormd voor de aanwijzing van toezichthouders rechtmatigheid op grond van de Jeugdwet. Toezicht op de kwaliteit van jeugdhulp is belegd bij de IGJ.
De gemeente is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving van de rechtmatigheid van de ingezette jeugdhulp. In dit artikel wordt ondubbelzinnig weergegeven hoe de gemeente de reikwijdte van deze verantwoordelijkheid ziet. Toezicht en handhaving strekt zich uit tot zorg in natura als ook een met persoonsgebonden budget-gefinancierde zorg. Het strekt zich uit tot de wettelijke bepalingen, de onderliggende landelijke en lokale regelgeving en de afgesloten overeenkomsten en subsidierelaties.
In dit artikel worden allerlei verschillende typen onderzoek uiteengezet. Ook dit heeft te maken met de reikwijdte van de toezicht- en handhavingsbevoegdheid van het college. Uiteraard dient bij de inzet van de verschillende typen onderzoek in het oog te worden gehouden dat deze proportioneel moeten worden ingezet. Om dit te borgen wordt een controleplan opgesteld dat de escalatieladder in kaart zal brengen.
Het bevel is een zwaar middel dat niet lichtzinnig moet worden ingezet. De door de toezichthouder aangetroffen situatie is dermate ernstig dat het treffen van maatregelen geen uitstel kan lijden. Bij zorg in natura zal het bevel zich richten tot de zorgaanbieder. Bij pgb-gefinancierde zorg zal het bevel zich richten tot de budgethouder, omdat we als gemeente daar de juridische relatie mee hebben. De budgethouder zal de aanbieder moeten aansporen om de noodzakelijke veranderingen onverwijld door te voeren.
De geconstateerde bevindingen worden door de toezichthouder vastgelegd in een inspectierapport. Bij fraudesignalen zal dit een frauderapport zijn. Dit rapport zal doorgezet worden naar de gemeente. Daarna zal het in de regel, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten, openbaar worden gemaakt door publicatie.
In het derde lid is verduidelijkt dat de reactiemogelijkheid zich beperkt tot feitelijke onjuistheden. Dit is nog geen hoor-wederhoor in het kader van een voorgenomen besluit. Dat zal immers plaatsvinden vanuit de gemeente. Dat is ook de reden dat de budgethouder in deze reactiemogelijkheid nog niet betrokken wordt. De budgethouder wordt gehoord in de voorbereiding van een besluit.
In het vijfde lid is opgenomen dat de hoofdregel openbaarmaking van het rapport is. Zwaarwegende redenen kunnen maken dat openbaarmaking achterwege blijft. Dit zal zich vooral kunnen voordoen bij fraudeonderzoeken, waar het onderzoek zich meer richt op het handelen (en daarmee verdenkingen tegen) van individuen.
Een cliëntenstop dient een dubbel doel. In de eerste plaats is het een middel om de situatie te bevriezen. Het is onwenselijk dat er nieuwe cliënten blijven instromen in een situatie die we als ondermaats of onrechtmatig beschouwen. Het moet prioriteit hebben om de huidige situatie te herstellen, voordat er sprake kan zijn van nieuwe cliënten. In de tweede plaats is een cliëntenstop ook een financiële prikkel voor de aanbieder om vaart te maken met het doorvoeren van de noodzakelijke wijzigingen.
Bij geconstateerde misstanden volgt handhaving. Dit artikel is de kern van de mogelijkheden die het college daarbij heeft. De rechter heeft eerder in een zaak van de gemeente Almelo geoordeeld dat er een concrete wettelijke basis moet zijn om in het kader van de Jeugdwet een last onder dwangsom op te mogen leggen. Om die reden is deze mogelijkheden opgenomen in deze verordening.
De maatregelen van artikel 37 zijn bestuursrechtelijk van aard. Met de aanbieders van zorg in natura hebben we daarnaast veelal een contractuele relatie. In lid 1 is nog eens benadrukt dat ook civielrechtelijk tegen misstanden kan worden opgetreden. Deze keuze is aan het college en is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Jeugdigen en/of ouders die zorg of ondersteuning krijgen mogen een voorkeur aangeven voor een bepaalde aanbieder. Bij een persoonsgebonden budget zijn ze zelfs verantwoordelijk voor de inkoop bij een bepaalde aanbieder. Goede informatie is daarbij essentieel. Om die reden worden inspectierapport bij hoofdregel ook openbaar gemaakt. Op de website van het Regionaal ondersteuningsbureau (ROB) zal het genoemde overzicht worden bijgehouden.
Bij toezicht hebben we te maken met schaarse capaciteit. Dit betekent dat in 2015 de keuze is gemaakt om signaalgestuurd te gaan werken. Signalen kunnen afkomstig zijn van (oud-)cliënten, (oud-)werknemers en ook de aanbieder zelf. Als een aanbieder ziet aankomen dat hij niet langer aan de afspraken met de gemeente kan voldoen, is het primair zijn verplichting om dit proactief bij het college te melden. Op die manier kunnen partijen vroegtijdig met elkaar in gesprek gaan om passende afspraken te maken.
Waar het de afbakening met andere wetgeving betreft, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wmo 2015, is artikel 1.2, van de wet van toepassing. Als de jeugdige aanspraak kan maken op zorgverlening op grond van één van deze (andere) wetten, dan is de Jeugdwet niet van toepassing. Als echter i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de Jeugdwet, dan is het college gehouden een voorziening te treffen op basis van de Jeugdwet. Ook de voorziening als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, van de Jeugdwet is uitgezonderd van het uitgangspunt dat geen voorziening op grond van de Jeugdwet hoeft te worden verstrekt als aanspraak bestaat op de Wlz, de Zvw, of de Wmo 2015.
Een andere belangrijke wettelijke afbakening is te vinden met onderwijswetgeving. Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit onderwijswetgeving is deze wetgeving voorliggend op de Jeugdwet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de Jeugdwet.
Als een gedragswetenschapper Ernstige Dyslexie (ED) vaststelt, maar daarvoor géén behandelindicatie afgeeft, dan is geen sprake van jeugdhulp. Dat betekent dat onderwijs in dat geval (ook voor deze jeugdige) verantwoordelijk blijft voor goed lees- en spellingsonderwijs in de klas, eventuele extra begeleiding in de klas en andere specifieke interventies. Het onderzoek van de gedragswetenschapper is overigens wél een vorm van jeugdhulp onder de Jeugdwet.
Intelligentietesten die worden afgenomen met een ander doel dan ten behoeve van onderwijs en het vaststellen van de behoefte aan behandeling van leerstoornissen, huiswerkbegeleiding, remedial teaching of motorische remedial teaching (MRT), begeleiding op school (voor zover gericht op het leerproces), dyscalculie, behandeling stoornis op gebied van leren en begeleiding bij ernstige taal- en spraakmoeilijkheden, kunnen wel onder jeugdhulp vallen. Dat is bijvoorbeeld het geval als intelligentieonderzoek nodig is om onduidelijkheid op te lossen die is ontstaan door een opvoedingsprobleem van de ouders over de onderwijsbehoefte van een jeugdige. Of als intelligentieonderzoek onderdeel is van een diagnostisch proces in het kader van jeugdhulp.
Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder a, van de Jeugdwet is het college niet gehouden een voorziening te treffen op grond van de Jeugdwet als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wlz, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een zorgverzekering als bedoel in de Zorgverzekeringswet. Evenmin is het college gehouden een voorziening op grond van de Jeugd wet te treffen indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015. Kan de jeugdige aanspraak maken op zorgverlening op grond van één van deze wetten, dan is de Jeugdwet niet van toepassing.
Wel geldt volgens dit artikel dat als (i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en (ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de Jeugdwet, het college gehouden is een voorziening te treffen op basis van de Jeugdwet.
Op het moment dat er een aanvraag wordt gedaan, terwijl er aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling dan worden de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger naar de juiste instantie verwezen. Daarmee wordt voorkomen dat ze tussen de wal en het schip vallen.
Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de Jeugdwet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de Jeugdwet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere Jeugdwet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten.
Het eerste lid bevat een opsomming van wetten en beleidsregels op basis waarvan recht zou kunnen bestaan op voorzieningen die ook relevant kunnen zijn bij het inzetten van jeugdhulp. Met de opname van deze wetten krijgt het college een uitdrukkelijke opdracht en bevoegdheid om de inzet van jeugdhulp in elk geval hierop af te stemmen. De lijst is niet limitatief.
Het zorgen voor afstemming van voorzieningen is een uitdrukkelijke opdracht aan het college. Het college is daarbij echter afhankelijk van de medewerking van de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. Het vierde lid maakt duidelijk dat het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening. Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen.
Het vijfde en zesde lid regelen de afstemming van het recht op voorzieningen bij de overgang naar volwassenheid. Het is belangrijk dat jeugdigen bij het bereiken van het achttiende levensjaar, of het eenentwintigste of drieëntwintigste levensjaar bij verlengde jeugdhulp, niet plotseling zonder passende voorzieningen komen te zitten. Deze bepaling regelt dat er daarom al vanaf het zestiende levensjaar van de jeugdige bij de inzet van voorzieningen wordt gekeken naar de afstemming van de in te zetten voorziening op de mogelijk in de toekomst in te zetten voorzieningen.
Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of ouders kan afwijken van de bepalingen van deze verordening. Dit geldt dus niet van de in de Jeugdwet zelf genoemde bepalingen. Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen bij een expert. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken jeugdige of ouders.
Verder staat uitdrukkelijk opgenomen: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Gaat het om het verlenen van individuele jeugdhulpvoorzieningen, dan verplicht artikel 2.3 Jeugdwet het college maatwerk te verrichten. Gebruik van de hardheidsclausule zal daarom in dat opzicht niet snel aan de orde komen. In uitzonderingsgevallen kan het bijvoorbeeld spelen bij de regels rondom het verstrekken van een persoonsgebonden budget.
Bijlage 1 Protocol (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht in het kader van de Jeugdwet
In deze bijlage wordt nader gedefinieerd wat het college verstaat onder het benutten van de eigen kracht en gebruikelijke hulp zoals bedoeld in hoofdstuk 4, artikel 13: beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. In elk individueel geval past een deskundige de richtlijnen zoals opgenomen in dit document toe afgestemd op de individuele situatie.
Gebruik te maken van informele en professionele- voorzieningen die mogelijkheden bieden tot opvang (zoals de Wet kinderopvang), vrijetijdsbesteding (zoals sporten) of ontlasting (zoals buurtgezinnen of de logeervoorziening (het Respijt) van Ixta Noa), voor de jeugdige met een hulpvraag, voor andere kinderen en de ouder(s);
De eigen problematiek te verminderen en eigen vaardigheden te vergroten, bijvoorbeeld door informatie of steun te zoeken, het deelnemen aan oudergroepen of coaching trajecten vanuit het voorliggende aanbod, hulp te accepteren bij financiële problemen of door een beroep te doen op de Zorgverzekeringswet voor behandeling.
Zaken die op ouderniveau tot conflicten leiden zo goed als mogelijk buiten de interactie met de jeugdige te houden, zich in te spannen voor het maken van afspraken over de omgang met de jeugdige en zich in te zetten voor het staken van eventuele inter-ouderstrijd, ook buiten de aanwezigheid van het kind om. Ook van gescheiden ouders wordt verwacht dat zij, in het belang van het kind, communiceren of ondersteuning zoeken via bijvoorbeeld mediation.
Gebruikelijke hulp is de hulp waarvan wij verwachten dat ouders deze aan hun kinderen geven en die past bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Ouders zijn verplicht deze hulp te bieden vanuit hun verzorgings- en opvoedingsplicht. Ouders zijn eerstverantwoordelijken voor de opvoeding van hun kinderen. Dit betekent niet per definitie dat de ouder alle gebruikelijke hulp zelf moet bieden. De ouder kan ook organiseren dat een andere persoon deze hulp gedeeltelijk biedt.
Voor de definitie van wat gebruikelijk is, maken wij gebruik van het rapport 'Opgroeien en opvoeden: normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en ouders' van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI). In dit rapport (pagina 26 t/m 29) weergeeft het NJI vanuit het levensloopmodel per leeftijdsgroep een overzicht van belangrijke gebruikelijke ontwikkelingstaken, gebruikelijke opvoedingsopgaven en uitdagingen. De hulp van de ouder die hiervoor nodig is, begrijpen wij als gebruikelijke hulp.
Gebruikelijke hulp kan daarbij zowel bestaan uit handelingen gericht op 'ondersteunen en stimuleren' als op 'structureren en begrenzen'. Dit in lijn met de twee pijlers voor opvoeding die het NJI schetst in het eerdergenoemde rapport (pagina 11):
'De eerste pijler betreft de affectieve band tussen ouders en kinderen, de mate waarin ouders betrokken zijn bij hun kind, de emotionele ondersteuning die zij hun kind bieden en de ruimte die zij hun kind geven om eigen initiatieven te ontplooien. Bij de eerste pijler hoort ook het ondersteunen en stimuleren van de ontwikkeling van het kind: samen praten, uitleg geven, spelen, voorlezen. De tweede pijler betreft het bieden van structuur en houvast en de noodzaak om ongewenst gedrag tijdig te corrigeren. Het gaat dan om het stellen van regels en grenzen aan het gedrag van kinderen en het toezicht houden op wat ze doen. Het evenwicht tussen ondersteunen en structureren wordt als belangrijk kenmerk genoemd voor het beoordelen van een opvoedingssituatie'
De aard van de (zorg)handelingen
Gebruikelijke hulp kan ook bestaan uit handelingen die niet standaard zijn bij alle jeugdigen, maar wel andere gebruikelijke handelingen vervangen. Voorbeelden hiervan zijn het geven van medicijnen of het geven van sondevoeding in plaats van eten, het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen of het oefenen met pictogrammen in plaats van topografie.
De samenloop, ofwel de frequentie en het patroon, van (zorg)handelingen
Handelingen die plaatsvinden binnen de normale dagelijkse hulp aan een kind kunnen gebruikelijke hulp zijn. Voorbeeld hiervan is het aanreiken van spullen of speelgoed na een maaltijd of drinkmoment bij jeugdigen met een lichamelijke beperking.
Gebruikelijke hulp voor jeugdigen vanaf 12 jaar
Deze jeugdigen hebben aanvullend nodig:
Hulp bij normale uitdagingen: onzekerheid over bijvoorbeeld uiterlijk; onderschatting of soms overschatting van zichzelf; wisselend humeur; incidenteel spijbelen; incidenteel gebruik van alcohol en drugs; twijfels over identiteit of toekomst; problemen met autoriteiten; overmatig gamen/mediagebruik, cyberpesten, sexting (dader en slachtoffer).
Bijlage 2: Kwaliteitseisen persoonsgebonden budget
Het college is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van jeugdhulp, ook als deze wordt geboden via een persoonsgebonden budget. Daarom stelt het college ook kwaliteitseisen aan deze zorgaanbieders. Deze eisen sluiten aan op wet- en regelgeving en kwaliteitseisen gesteld aan gecontracteerde aanbieders.
De zorgaanbieder is integer. Er is in de afgelopen drie jaar geen sprake geweest van een ernstige fout in de uitoefening van het beroep ofwel gedragingen en omstandigheden met een kwade opzet of nalatigheid van een zekere ernst. Er is geen gevaar dat het persoonsgebonden budget zal worden gebruikt om (i) uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of (ii) strafbare feiten te plegen.
De zorgaanbieder draagt zorg voor de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit door aantoonbaar met een kwaliteitsmanagementsysteem te werken. De zorgaanbieder kan dit aantonen door te overleggen
een voor de individuele voorziening relevant keurmerk/certificaat. Onder een relevant/keurmerk wordt in ieder geval verstaan een voor de individuele voorziening relevant HKZ (voor zzp’ers), ISO 9001, Prezo, ISO 9001 voor de zorg (NEN-EN 15224) certificaat of een ter zake relevant keurmerk zoals het Keurmerk Kwaliteitskompas Gehandicaptenzorg 2023-2028; of
De zorgaanbieder zet continu in op de ontwikkeling van het vakmanschap van zijn beroepskrachten. De zorgaanbieder maakt ten behoeve van de doorontwikkeling van beroepskrachten gebruik van de kennis/richtlijnen/instrumenten die door diverse beroepsverenigingen, brancheverenigingen en kennisinstituten worden ontwikkeld en maakt gebruik van methoden (denk aan casusbesprekingen), zorgaanbieder draagt in ieder geval zorg voor een professionele en werkbare kennisbank voor beroepskrachten.
De zorgaanbieder beschikt over een klachtenregeling die ook voorziet in de toegang tot een onafhankelijke klachtencommissie om de onafhankelijke afhandeling van klachten in tweede aanleg mogelijk te maken. Hiertoe kan de zorgaanbieder zich aansluiten bij een geschillencommissie. De leden van de geschillencommissie zijn in de afgelopen drie jaar op geen enkele manier betrokken geweest bij de zorgaanbieder of personen die invloed of financieel belang hebben in/bij de zorgaanbieder. De waarborgen die de onafhankelijke afhandeling borgen liggen vast (bijv. in klachtenregeling of reglement).
De zorgaanbieder doet periodiek, minstens 1 keer per drie jaar, onderzoek naar de tevredenheid en ervaringen van cliënten en beroepskrachten. De zorgaanbieder richt dit onderzoek zodanig in dat de afhankelijkheidsrelatie tussen de jeugdige en de zorgaanbieder de uitkomsten van het onderzoek niet beïnvloed. De zorgaanbieder gebruikt de resultaten van dit onderzoek aantoonbaar om de hulp/dienstverlening aan cliënten te verbeteren.
De zorgaanbieder beschikt over voor de hulp/dienstverlening relevante ervaring. Bijvoorbeeld als (voormalig) werknemer of opdrachtnemer van een andere aanbieder. De zorgaanbieder heeft in het afgelopen jaar naar tevredenheid van de werkgever c.q. opdrachtgever vergelijkbare hulp/diensten geboden aan ten minste drie cliënten.
De zorgaanbieder werkt conform het “Protocol Meldingen calamiteiten/geweld Jeugdhulp Gelderland-Zuid en Mook en Middelaar'' (zie actuele versie website). Naast de verplichte melding aan de gemeente informeert de zorgaanbieder ook de betrokken verwijzer over de calamiteit en de eventuele effecten hiervan op de zorgvraag van de betreffende jeugdige.
De zorgaanbieder beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) screeningsprofiel ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ OF ‘screeningsprofiel 75’ OF ‘screening nummers 12, 41, 43, 84 en 85’ van alle personen die beroepsmatig of als vrijwilliger in contact kunnen komen met cliënten. Deze VOG is bij de start van de hulp (zzp'er) dan wel het dienstverband (medewerker organisatie) nooit ouder dan 3 maanden. Als de zorgaanbieder een zzp’er is (al dan niet onderdeel van een samenwerkingsverband van meerdere zzp’ers), mag de VOG tijdens de hulp nooit ouder zijn dan drie (3) jaar. Indien een persoon over een registratie bij een beroepsregister (o.a. BIG/SKJ) beschikt waarvoor een VOG een registratie-vereiste is, geldt deze eis niet.
De zorgaanbieder doet geen intake met de jeugdige of inzet van hulp voordat een individuele voorziening is toegekend. Ook is de zorgaanbieder niet betrokken bij het onderzoek, tenzij het college of de andere organisatie daarom verzoekt. Het onderzoek moet onafhankelijk, zonder invloed van de zorgaanbieder, kunnen worden uitgevoerd.
Het college kent een specifieke individuele voorziening toe, omdat deze specifieke voorziening het beste past bij het te bereiken resultaat. De hulp geboden middels het persoonsgebonden budget dient te voldoen aan de eisen zoals geformuleerd in de productbeschrijving van deze individuele werkvoorziening. Alle productbeschrijvingen zijn te vinden via de website. In de productbeschrijvingen kan ook zijn opgenomen dat de hulp gelijktijdig aan een bepaald aantal cliënten moet worden geboden en/of dat er gelijktijdig meerdere hulpverleners de hulp moeten bieden. In geval van beschermd wonen voor jeugdigen, dient de zorgaanbieder ook nadrukkelijk te voldoen aan de beschikbaarheids- en bereikbaarheidseisen zoals opgenomen in de productbeschrijvingen.
Het college of de andere organisatie bepaalt in het onderzoek wat het te bereiken resultaat is van de inzet van de individuele voorziening. De zorgaanbieder en budgetbeheerder stellen binnen drie maanden na de start van de hulp het hulpverleningsplan in lijn met deze afspraken op. De zorgaanbieder vraagt het onderzoeksverslag op bij de jeugdige en/of ouders. Er worden alleen doelen geformuleerd die zijn opgenomen in het verslag van het onderzoek of anderszins zijn afgesproken met het college of de andere organisatie.
Het hulpverleningsplan zoals genoemd in eis 17 is perspectiefgericht ver de mening van de jeugdige daarover en de mate waarin de doelen zijn gerealiseerd. Er wordt gezamenlijk met de budgetbeheerder en jeugdige beoordeeld of de gekozen aanpak nog steeds de best passende is. Hierbij wordt expliciet gekeken of de hulp goed verankerd is in de directe leefomgeving. De uitkomsten van de evaluatie resulteren in een bijgesteld hulpverleningsplan, waarin de doelen en activiteiten zijn aangepast aan de uitkomsten van de evaluatie, of afsluiting van de hulp. De zorgaanbieder en budgetbeheerder plannen de evaluatie van het hulpverleningsplan tijdig, zodat uiterlijk 8 weken voor einddatum van de indicatie de laatste evaluatie en het bijgestelde hulpverleningsplan beschikbaar zijn voor het college of de andere organisatie.
De zorgaanbieder biedt verantwoorde hulp van goede kwaliteit. Dit betekent in ieder geval dat (in) de hulp:
normaliserend is en gericht op het versterken van de veerkracht, mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn sociale netwerk, zodat de zelfregie, zelf- en samenredzaamheid groter wordt. De jeugdige is eigenaar van de hulpvraag en wordt geholpen zichzelf te helpen en de eigen krachtbronnen in te zetten om de eigen doelen in stapjes te bereiken;
bestaat uit evidence-based en practice-based methodieken. Als de zorgaanbieder kan aantonen dat deze niet aanwezig zijn of dat deze, gezien de gestelde doelen, niet afdoende zijn, dan maakt de zorgaanbieder gebruik van historisch en in de branche gangbare methodieken. Als de zorgaanbieder eveneens kan aantonen dat deze niet aanwezig zijn of dat deze, gezien de gestelde doelen, niet afdoende zijn, dan dient de zorgaanbieder aan te tonen dat de gebruikte methodieken gelijkwaardig zijn aan evidence-based, practice-based of historisch en in de branche gangbare methodieken.
De hulp wordt geboden door beroepskrachten die voldoen aan de deskundigheidsvereisten. Deze vereisten zijn afhankelijk van de te leveren hulp als volgt:
Beroepskrachten worden ingezet conform het Kwaliteitskader Jeugd ofwel de norm van verantwoorde werktoedeling. De zorgaanbieder vertaalt de norm naar de rol, taak en verantwoordelijkheidsverdeling tussen personen werkzaam voor de aanbieder. De zorgaanbieder, zijnde een zzp'er, is geregistreerd bij het SKJ of een register dat naar het oordeel va het SKJ gelijkwaardig is.
Behandeling wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde behandelaar. Een behandelaar beschikt over een registratie bij het SKJ/BIG/NVRG of indien er sprake is van ggz registratie bij het NVO/NIP/KNMG. De behandelaar bewaakt de continuïteit en samenhang van de zorgverlening en zorgt dat waar nodig een aanpassing van de gezamenlijke behandeling in gang wordt gezet. Hij/zij zorgt voor voldoende overleg en afstemming tussen betrokken zorgverleners en ziet erop toe dat er één vast aanspreekpunt is voor de jeugdige.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-289290.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.