U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Wijzigen van het Omgevingsplan gemeente Bronckhorst - Stokhorsterpark

De gemeenteraad van Gemeente Bronckhorst publiceert hierbij het vastgestelde wijzigingsbesluit op het omgevingsplan.

Artikel I

"Omgevingsplan gemeente Bronckhorst" opgenomen in Bijlage A wordt vastgesteld.

Artikel II

Als u het niet eens bent met het besluit kunt u het met ingang van 18‑06‑2026 gedurende zes weken schriftelijk beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State : Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

U kunt ook digitaal beroep instellen bij de Raad van State. Zie voor de mogelijkheden de website van de Raad van State.

Het plan treedt 16‑07‑2026 in werking.  

Artikel III

Door dit besluit vervallen de delen van het bestemmingsplannen aangegeven in dit besluit, behorende bij de pons met identificatie /join/id/regdata/gm1876/2025/d0237fcec7124263a1b783a84347a25a/nld@2026‑06‑15;13491889.

Aldus vastgesteld door Gemeente Bronckhorst, 11‑06‑2026

Gemeente Bronckhorst, 11 juni 2026



De gemeenteraad van Gemeente Bronckhorst

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Artikel 21.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.64 Bouwregels bedrijfswoningen - algemeen

  • 1.

    Per functievlak is maximaal één bedrijfswoning toegelaten.

  • 2.

    Het is verboden om een bedrijfswoning te realiseren buiten een hoofdgebouw.

  • 3.

    Het aantal bedrijfswoningen en de verdeling van de woningen over de hoofdgebouwen voldoet aan Artikel 21.65.

  • 4.

    De inhoud van het hoofdgebouw (tezamen met aan- en uitbouwen), waarbinnen de bedrijfswoning is gelegen, is maximaal 750 m³.

  • 5.

    Het vorige lid geldt niet als het hoofdgebouw op 25 oktober 2016 een grotere inhoud had dan 750 m3. In dat geval geldt de grotere inhoud als maximum.

  • 6.

    De goothoogte van een bedrijfswoning is maximaal 4,5 meter.

  • 7.

    De bouwhoogte van een bedrijfswoning is maximaal 10 meter.

  • 8.

    Ter plaatse van de Bedrijfswoning uitgesloten uitgesloten is geen bedrijfswoning toegestaan. 

B

Na afdeling 21.6 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 21.20 Groen

Paragraaf 21.20.1 Inleidende bepalingen

Artikel 21.223 Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat regels over het gebied Groen

Paragraaf 21.20.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving

Artikel 21.224 Toelaten activiteiten - groen

In het gebied Groen - algemeen mogen gronden worden gebruikt voor:

 

  • a.

    groenvoorzieningen;

  • b.

    parken en plantsoenen;

  • c.

    voet- en fietspaden;

  • d.

    sport- en speelvoorzieningen;

  • e.

    water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

  • f.

    waterberging;

  • g.

    straatmeubilair;

  • h.

    beeldende kunstwerken;

  • i.

    hondenuitlaatplaatsen;

  • j.

    dierenweide;

  • k.

    nutsvoorzieningen;

  • l.

    behoud, beheer en/of herstel van lanenstructuren. 

Paragraaf 21.20.3 Bouwen

Artikel 21.225 Bouwregels gebouwen

Het is verboden een gebouw te bouwen buiten het bouwvlak. 

Artikel 21.226 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat wordt gebouwd buiten het bouwvlak; 

  • 2.

    De bouwhoogte van erf- of terreinscheidingen bedraagt maximaal 2 meter;

  • 3.

    De bouwhoogte van sport- en speelvoorzieningen bedraagt maximaal 6 meter;

  • 4.

    De bouwhoogte van een zend- en ontvangstinstallatie bedraagt maximaal 40 meter;

  • 5.

    De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 4 meter. 

C

Na afdeling 21.10 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 21.19 Tuin

Paragraaf 21.19.1 Inleidende bepalingen

Artikel 21.219 Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat regels over het gebied Tuin

Paragraaf 21.19.2 Gebruiken van de fysieke leefomgeving

Artikel 21.220 Toegelaten activiteiten - tuin

In het gebied Tuin - algemeen mogen gronden worden gebruikt voor: 

 

  • a.

    tuinen ten dienste van de aangrenzende functie Wonen (stedelijk gebied);

  • b.

    bouwwerken ten dienste van de aangrenzende functie Wonen (stedelijk gebied). 

Paragraaf 21.19.3 Bouwen

Artikel 21.221 Bouwregels gebouwen

Het is verboden een gebouw te bouwen buiten een bouwvlak.

Artikel 21.227 Bouwregels bouwwerken, gebouwen zijnde binnen het bouwvlak
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing voor het bouwen van een bouwwerk, gebouw zijnde, dat wordt gebouwd binnen het bouwvlak. 

  • 2.

    Het gebouw mag een maximale oppervlakte hebben van 12 m2. 

  • 3.

    De maximale goothoogte bedraagt 1,80 meter en de maximale bouwhoogte 2,2 meter. 

Artikel 21.222 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat wordt gebouwd buiten het bouwvlak. 

  • 2.

    De bouwhoogte van hekken en andere erfafscheidingen, klim- en speeltoestellen, trappen en toegangsbruggen en bouwwerken met een maximale oppervlakte van 6 m2 bedraagt maximaal 1 meter. 

  • 3.

    De bouwhoogte van antennes bedraagt maximaal 1 meter boven de maximale hoogte van op de functie toegestane gebouwen.

  • 4.

    De bouwhoogte van pergola's en tuinverlichting bedraagt maximaal 2,25 meter.

  • 5.

    De bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt maximaal 6 meter. 

  • 6.

    Per perceel is er maximaal één vlaggenmast toegestaan. 

D

Na artikel 21.143 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 21.228 Toegelaten activiteit - brug

In het gebied Water - brug is een brug toegestaan. 

E

Artikel 21.156 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.156 Toegelaten activiteiten – wonen

  • 1.

    In het gebied Wonen mogen gronden worden gebruikt voor:

    • a.

      woondoeleinden;

    • b.

      aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf waaronder internetverkoop;

    • c.

      bed & breakfast; 

    • d.

      groen, zoals tuinen en andere beplanting;

    • e.

      beheer, berging en afvoer van water;

    • f.

      wegen en paden.

  • 2.

    In het gebied Wonen - landelijk gebied mogen gronden ook worden gebruikt voor grondgebonden zonnepanelen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen voor de opwekking van duurzame energie bedoeld voor de eigen energievoorziening.

F

Artikel 21.165 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.165 Bouwregels hoofdgebouwen - aantal woningen

G

Artikel 21.173 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.173 bouwregels bijbehorende bouwwerken algemeen - stedelijk gebied

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen (stedelijk).

  • 2.

    Bijbehorende bouwwerken worden alleen gebouwd:

    • a.

      in een bouwvlak;

    • b.

      in het achtererfgebied;

    • c.

      in het zijerfgebied of

    • d.

      voor de voorgevel.

  • 3.

    In het gebied Bijbehorende bouwwerken uitgesloten worden geen bijbehorende bouwwerken gebouwd.

    In het gebied Bijbehorende bouwwerken uitgesloten uitgesloten geen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd.

  • 4.

    De goothoogte is maximaal 3 meter, tenzij artikel 21.175, artikel 21.176of artikel 21.177 van toepassing is.

  • 5.

    De bouwhoogte is maximaal 5 meter, tenzij artikel 21.175, artikel 21.176 of artikel 21.177 van toepassing is.

H

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

aantal recreatiewoningen

/join/id/regdata/gm1876/2025/2d052ea118704f66a6035e98910f6848/nld@2025‑07‑30;11354153

Aantal woningen 

/join/id/regdata/gm1876/2026/2484285f80df4b1aa2c65d8a843d9fd9/nld@2026‑06‑15;13491889

Agrarisch

/join/id/regdata/gm1876/2024/32a323a0a07b450584bf72589c39031b/nld@2026‑02‑12;11061058

Agrarisch - landelijk gebied

/join/id/regdata/gm1876/2026/7768c89b6bb54348839cd264237964af/nld@2026‑02‑12;11061058

Agrarisch - parkeerterrein

/join/id/regdata/gm1876/2025/e7bc50aa3bd74b4f84856784f23f081d/nld@2025‑07‑30;11354153

Agrarisch - stedelijk gebied

/join/id/regdata/gm1876/2026/04795ff993d943d5850e2c891e6bc950/nld@2026‑02‑12;11061058

Agrarisch (landelijk gebied)

/join/id/regdata/gm1876/2025/38071b4914be4858b480eb3435960963/nld@2026‑02‑12;11061058

Agrarisch met waarden - Landschap (landelijk gebied)

/join/id/regdata/gm1876/2026/251a707eb5e0481594261f132c71ddb2/nld@2026‑02‑12;11061058

Agrarisch met waarden - Landschap en natuur

/join/id/regdata/gm1876/2025/e5bdb49045604561bdbf946b0cbbc201/nld@2026‑02‑12;11061058

Agrarisch met waarden (landelijk gebied)

/join/id/regdata/gm1876/2026/1a8987293f974c44b6875b376fe0a59d/nld@2026‑02‑12;11061058

Agrarisch-kringlooplandbouw

/join/id/regdata/gm1876/2025/3d6be2f09b704a3292a8d4868a8fc95a/nld@2025‑07‑30;11354153

Archeologie

/join/id/regdata/gm1876/2024/604671af7ce04c548341126d7939748f/nld@2026‑02‑12;11061058

/join/id/regdata/gm1876/2024/604671af7ce04c548341126d7939748f/nld@2026‑06‑15;13491889

Archeologische verwachting

/join/id/regdata/gm1876/2024/b4fc8c0d86b44f7aa236772822b85612/nld@2026‑02‑12;11061058

/join/id/regdata/gm1876/2024/b4fc8c0d86b44f7aa236772822b85612/nld@2026‑06‑15;13491889

Bebouwingspercentage

/join/id/regdata/gm1876/2025/e9fe49fecd724da19193981c5aa5bddf/nld@2026‑02‑12;11061058

Bedrijf

/join/id/regdata/gm1876/2024/c4b3fcd502c844afbb51a453a48474b9/nld@2025‑07‑30;11354153

Bedrijf (landelijk gebied)

/join/id/regdata/gm1876/2025/bdedccc8b9254f1e91b267ae52e12017/nld@2025‑07‑30;11354153

Bedrijf Pluimersdijk 25-25A Halle

/join/id/regdata/gm1876/2025/13a6cfaf4f21475a93bc1749375c781d/nld@2025‑07‑30;11354153

Bedrijf Zanddijk 1 en 1a Halle

/join/id/regdata/gm1876/2024/c36bdc2dea5643d492e0c8ab6c94f457/nld@2025‑01‑13;12235845

Bedrijfswoning uitgesloten

/join/id/regdata/gm1876/2025/ea991e2855904e44a54d59a643102233/nld@2025‑07‑30;11354153

Beperkingsgebied natte natuurparel

/join/id/regdata/gm1876/2024/b3a48cfa6daf4bd2b49ea13e1c86826d/nld@2026‑02‑12;11061058

Beperkingsgebied natte natuurparel  

/join/id/regdata/gm1876/2025/80dbfa8c79ed4d2c96a05a2916f242ee/nld@2026‑02‑12;11061058

Bijbehorende bouwwerken uitgesloten

/join/id/regdata/gm1876/2026/33750032f916427eb78c91f90a92af95/nld@2026‑06‑15;13491889

Bos

/join/id/regdata/gm1876/2026/6375120e90ee44fdb3d9a8b72922cc26/nld@2026‑02‑12;11061058

Bos

/join/id/regdata/gm1876/2026/fd622ab3d1f245b6b489aa3509ce50e9/nld@2026‑02‑12;11061058

Bouwaanduiding aaneengebouwd

/join/id/regdata/gm1876/2025/19009ef5cd2b4ca3b24ae3d01fe47d61/nld@2025‑07‑30;11354153

/join/id/regdata/gm1876/2025/19009ef5cd2b4ca3b24ae3d01fe47d61/nld@2026‑06‑15;13491889

Bouwaanduiding twee-aaneen

/join/id/regdata/gm1876/2025/14782d80ead246f8ab383988a5dd9242/nld@2025‑07‑30;11354153

/join/id/regdata/gm1876/2025/14782d80ead246f8ab383988a5dd9242/nld@2026‑06‑15;13491889

Bouwaanduiding vrijstaand

/join/id/regdata/gm1876/2025/9b64ccef8f1d45cfbb5a77a31c38b36d/nld@2026‑02‑12;11061058

/join/id/regdata/gm1876/2025/9b64ccef8f1d45cfbb5a77a31c38b36d/nld@2026‑06‑15;13491889

Bouwhoogte erfafscheiding

/join/id/regdata/gm1876/2025/e993e1072810477eaf0bfeab2d68997b/nld@2026‑02‑12;11061058

Bouwvlak

/join/id/regdata/gm1876/2025/57e2badc76ce497eaf1b95ff591ff4a4/nld@2026‑02‑12;11061058

/join/id/regdata/gm1876/2025/57e2badc76ce497eaf1b95ff591ff4a4/nld@2026‑06‑15;13491889

Groen

/join/id/regdata/gm1876/2026/a9a96f796347403ea28cfb722cd30e99/nld@2026‑06‑15;13491889

Groen - algemeen

/join/id/regdata/gm1876/2026/bd858563cb9746ffb792f2895f61f2f4/nld@2026‑06‑15;13491889

Laagvliegroute

/join/id/regdata/gm1876/2024/5fae78dba60d47898912e9bc98daf9d1/nld@2026‑02‑12;11061058

Landschappelijke inpassing

/join/id/regdata/gm1876/2024/122d7e8b90ba493bb2e789ea40a37fdc/nld@2026‑02‑12;11061058

Maatschappelijk 

/join/id/regdata/gm1876/2026/e4bb4a052ae84a59868c480f1a4ebefe/nld@2026‑02‑12;11061058

Maatschappelijk 

/join/id/regdata/gm1876/2026/a7dd2d05932d4e8db8cc2d8744681f3d/nld@2026‑02‑12;11061058

Maximum bouwhoogte gebouwen stedelijk gebied

/join/id/regdata/gm1876/2025/f0bc405a3ff742b2be38e57decabe400/nld@2026‑02‑12;11061058

/join/id/regdata/gm1876/2025/f0bc405a3ff742b2be38e57decabe400/nld@2026‑06‑15;13491889

Maximum goothoogte gebouwen stedelijk gebied

/join/id/regdata/gm1876/2025/4cd165c00d304a3f809a798b9f2957ee/nld@2026‑02‑12;11061058

/join/id/regdata/gm1876/2025/4cd165c00d304a3f809a798b9f2957ee/nld@2026‑06‑15;13491889

maximum oppervlakte nevenfunctie

/join/id/regdata/gm1876/2025/cf19671b360a4e34ace593884d1dd0ac/nld@2026‑02‑12;11061058

Molenbiotoop

/join/id/regdata/gm1876/2026/330b47cce3e84f62880f3d1112d4a9f7/nld@2026‑02‑12;11061058

Natuur

/join/id/regdata/gm1876/2026/9a82cc2201274c5e8ac7314f1df20771/nld@2026‑02‑12;11061058

Natuur

/join/id/regdata/gm1876/2026/b54897d7a87c4065b1482387faaeaf2f/nld@2026‑02‑12;11061058

Omgevingsnorm kampeerplaatsen

/join/id/regdata/gm1876/2025/f9ff3e3c9a234581aa35ccc341a073c8/nld@2026‑02‑12;11061058

Ontwikkelingen in de transitiefase

/join/id/regdata/gm1876/2024/21d495ae9c064d5ca006d596d14c3555/nld@2026‑02‑12;11061058

/join/id/regdata/gm1876/2024/21d495ae9c064d5ca006d596d14c3555/nld@2026‑06‑15;13491889

Plangebied Halsedijk 8 Halle

/join/id/regdata/gm1876/2025/5fd850bbb84e49a1aec3eb61b18ca534/nld@2025‑07‑30;11354153

Plangebied Heisterboomsdijk 20-22 Halle

/join/id/regdata/gm1876/2025/88803c78e67a4acaa7837a34d1fd3706/nld@2025‑07‑30;11354153

Plangebied Heurneweg 2-4 Halle

/join/id/regdata/gm1876/2025/27c132f0eb134b259811d999b77bc63f/nld@2025‑07‑30;11354153

Plangebied Pluimersdijk 25-25B Halle

/join/id/regdata/gm1876/2024/2530af5d7b364aa78ca501714f58ab7a/nld@2025‑01‑13;12235845

Plangebied Pluimersdijk 45A Halle

/join/id/regdata/gm1876/2026/f05cf805ab8547b6af6718ab0d946800/nld@2026‑02‑12;11061058

Plangebied Prinsenmaatweg 12 Rha

/join/id/regdata/gm1876/2026/443d37f46ac946a2a8c38d3dbf323712/nld@2026‑02‑12;11061058

Plangebied Ruurloseweg 30-30a Zelhem

/join/id/regdata/gm1876/2026/1cc1c6e952c84d92a37f098f9588bc52/nld@2026‑02‑12;11061058

Plangebied Zanddijk 1 en 1a Halle

/join/id/regdata/gm1876/2025/9bad1ea2f9984137b057ad8b814ce5e8/nld@2025‑07‑30;11354153

Recreatiewoning

/join/id/regdata/gm1876/2025/2f1d1218d4f34a1e9e2612bcbb133c0a/nld@2025‑07‑30;11354153

Recreatiewoning

/join/id/regdata/gm1876/2025/9414517c43934b33b1175b02282ade30/nld@2025‑07‑30;11354153

Recreatiewoning - bijbehorend bouwwerk uitgesloten

/join/id/regdata/gm1876/2025/e27bcabe77d84ddc8e0dd2318255b946/nld@2025‑07‑30;11354153

Rioolleiding

/join/id/regdata/gm1876/2025/07dbe648b4ad4fd6bd3658c7a5879475/nld@2025‑07‑30;11354153

Rioolleiding

/join/id/regdata/gm1876/2025/ce2b169c64de4fbe82792bd7f592537b/nld@2025‑07‑30;11354153

specifieke vorm van recreatie - 10

/join/id/regdata/gm1876/2026/5d25929820494f488c1bd2be909df80a/nld@2026‑02‑12;11061058

Specifieke vrom van recreatie - 43

/join/id/regdata/gm1876/2026/8c7c26282dd94cf1946ebdc51342cea7/nld@2026‑02‑12;11061058

Tuin

/join/id/regdata/gm1876/2026/2383cade4c46460c933a408af39c5549/nld@2026‑06‑15;13491889

Tuin - algemeen

/join/id/regdata/gm1876/2026/acf5ba8b605f4de28e5db35c718179d4/nld@2026‑06‑15;13491889

Venderinkweg 2 en 2A

/join/id/regdata/gm1876/2026/fb3e93655e9e414e8548c5e9d19d80ab/nld@2026‑02‑12;11061058

Verblijfsrecreatie

/join/id/regdata/gm1876/2026/536db2c798da49d885801866ee9e86ef/nld@2026‑02‑12;11061058

Verblijfsrecreatie

/join/id/regdata/gm1876/2026/749c469ec70f4d01b98cb6ae500c5a15/nld@2026‑02‑12;11061058

Verkeer

/join/id/regdata/gm1876/2025/f4ec33c1f08544f3882a4acaef40b26b/nld@2025‑07‑30;11354153

/join/id/regdata/gm1876/2025/f4ec33c1f08544f3882a4acaef40b26b/nld@2026‑06‑15;13491889

Verkeer (landelijk gebied)

/join/id/regdata/gm1876/2025/b81126f2d47147c1a0cf8ce901196322/nld@2025‑07‑30;11354153

Verkeer (stedelijk gebied)

/join/id/regdata/gm1876/2025/43c7a123d2264a8c837aec3c83938125/nld@2025‑07‑30;11354153

/join/id/regdata/gm1876/2025/43c7a123d2264a8c837aec3c83938125/nld@2026‑06‑15;13491889

Water

/join/id/regdata/gm1876/2026/3038f843df97420aa21ec9e3e29b416c/nld@2026‑02‑12;11061058

/join/id/regdata/gm1876/2026/3038f843df97420aa21ec9e3e29b416c/nld@2026‑06‑15;13491889

Water

/join/id/regdata/gm1876/2026/fededd8e447c473ba82569797d256cd7/nld@2026‑02‑12;11061058

/join/id/regdata/gm1876/2026/fededd8e447c473ba82569797d256cd7/nld@2026‑06‑15;13491889

Water - brug

/join/id/regdata/gm1876/2026/bfae2d90f8214b1293e9d8ed42e41c56/nld@2026‑06‑15;13491889

Waterberging

/join/id/regdata/gm1876/2026/946d8a382ec84207befc1e1783f20dfd/nld@2026‑02‑12;11061058

Waterberging 

/join/id/regdata/gm1876/2026/7b6470734d5948d5a4da67d7036062ec/nld@2026‑02‑12;11061058

Waterkering

/join/id/regdata/gm1876/2026/feb5ec262be0483983f8d9658140a8a3/nld@2026‑02‑12;11061058

Waterkering

/join/id/regdata/gm1876/2026/e8e5ac1b16d24863a68288aafa8a8a13/nld@2026‑02‑12;11061058

Wonen

/join/id/regdata/gm1876/2024/a8e60f636e01463483402ff63e8ee021/nld@2026‑02‑12;11061058

/join/id/regdata/gm1876/2024/a8e60f636e01463483402ff63e8ee021/nld@2026‑06‑15;13491889

Wonen - 1

/join/id/regdata/gm1876/2025/ca615e850e274011ae6bccf670855b87/nld@2026‑02‑12;11061058

Wonen - landelijk gebied

/join/id/regdata/gm1876/2026/49d4bc733c4f45fc89782fc4e1996495/nld@2026‑02‑12;11061058

Wonen (landelijk wonen)

/join/id/regdata/gm1876/2025/556887b350e64066b194998b7c4f50b2/nld@2026‑02‑12;11061058

Wonen (stedelijk)

/join/id/regdata/gm1876/2025/a15f2233670c479683497cfb4d5464ab/nld@2026‑02‑12;11061058

/join/id/regdata/gm1876/2025/a15f2233670c479683497cfb4d5464ab/nld@2026‑06‑15;13491889

Wonen-stedelijk gebied-aantal woningen

/join/id/regdata/gm1876/2026/b3157cf4c0db4a4fb326ac0199736f34/nld@2026‑02‑12;11061058

Zorginstelling

/join/id/regdata/gm1876/2026/fc177d1da91b4d01a37a38b74afbbb0e/nld@2026‑02‑12;11061058

Motivering

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In Hummelo bestaat reeds langere tijd de behoefte nieuwe woningen te realiseren. In samenspraak met inwoners, woningcorporatie Sité, zorgorganisatie Marken-heem en grondeigenaren zijn in november 2022 charettes georganiseerd. De charettes dienden tot het gezamenlijk besluiten over de locatiekeuze voor nieuwe woningen en het woningbouwprogramma. Uit de bijeenkomsten kwam het advies naar voren om betaalbare woningen voor jongeren, starters, doorstromers (‘empty nesters’) en inwoners met een zorgvraag te realiseren op de locatie van het Stokhorsterpark.

Het Stokhorsterpark betreft een locatie van circa 4,6 hectare aan de westzijde van de kern Hummelo. De beoogde woningbouwontwikkeling bestaat uit maximaal 65 woningen voor diverse doelgroepen, zoals starters, doorstromers en inwoners met een zorgvraag. Hiermee wordt invulling gegeven aan de woningbehoefte binnen de gemeente Bronckhorst en de kern Hummelo. In de woonwijk zal veel ruimte zijn voor groen, (pluk)tuinen en recreatie.

Het besluitgebied kent in de huidige situatie de functie ‘Agrarisch’. Hierbinnen zijn geen reguliere burgerwoningen toegestaan. Dit maakt dat de ontwikkeling niet past binnen de juridisch-planologische kaders die ter plaatse gelden op grond van het tijdelijk omgevingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet een wijzigingsbesluit omgevingsplan worden opgesteld. Voorliggend document voorziet in de motivering behorende bij de wijziging van het omgevingsplan.

1.2 Leeswijzer algemeen

De motivering bij het wijzigingsbesluit omgevingsplan is als volgt opgebouwd.

Hoofdstuk 1 Inleiding

Dit hoofdstuk bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 1.1)) en de leeswijzer (paragraaf 1.4).

Hoofdstuk 2 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het algemene ruimtelijke beleidskader weergegeven. De paragrafen bevatten samenvattingen van het rijksbeleid (paragraaf 3.1), provinciaal beleid (paragraaf 3.2), regionaal beleid (paragraaf 3.3) en gemeentelijk beleid (paragraaf 3.4) en een toets van het initiatief aan dit beleid.

Hoofdstuk 3 Planonderdelen

In dit hoofdstuk worden de planonderdelen, die deel uitmaken van de wijziging van het omgevingsplan, toegelicht. Dit wijzigingsbesluit ziet alleen op de woningbouw-ontwikkeling Stokhorsterpark, Hummelo. Bij de uitvoerbaarheid wordt ingegaan op omgevingsaspecten, volkshuisvestelijke aspecten, economische aspecten, maatschappelijke aspecten, overleg en inspraak en wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is. De laatste paragraaf geeft een toelichting op de activiteiten voor Stokhorsterpark, Hummelo.

2 Beleidskader

2.1 Inleiding 

2.1.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het algemene ruimtelijke beleidskader weergegeven. De paragrafen bevatten samenvattingen van het beleid het rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid.

2.2 Rijksbeleid

2.2.1 Nationale Omgevingsvisie (Novi)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze visie biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de visie wordt beoogd de grote opgaven aan te pakken. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat de grote opgaven niet meer apart van elkaar worden opgelost maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.



De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

 

  • a.

    Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte.

  • b.

    Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere.

  • c.

    Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten:

− ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

− duurzaam economisch groeipotentieel

− sterke en gezonde steden en regio's

− toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied



Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

Een van de nationale belangen is het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. Vitale functies in de maatschappij zijn afhankelijk van een betrouwbare toelevering en uitwisseling van energie. Voor iedereen moet deze energie betaalbaar zijn. Energie moet veilig worden opgewekt, gewonnen, getransporteerd, opgeslagen en gebruikt. Met betrekking tot 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' is in de NOVI aangegeven dat de transitie naar hernieuwbare energie meer ruimte vraagt voor transport, distributie, conversie en opslag van energie, zowel boven- als ondergronds. In plaats van enkele relatief grote 'puntbronnen' (centrales) en transport van energie in één richting zal sprake zijn van meerdere, vaak decentrale en sterk in grootte verschillende bronnen (zon-, wind- en bodem-energie) en tweerichtingsverkeer (gebruik en productie) van energie.

Duurzaam economisch groeipotentieel

In het kielzog van de COVID-19-pandemie werken we hard om de gevolgen voor onze economie zoveel als mogelijk te beperken. Dat vraagt op de korte termijn om ongekende overheidsingrepen en investeringen. De kunst is om interventies en investeringen ook ten goede te laten komen aan onze ambitie voor de lange termijn: het duurzaam en circulair maken van onze economie en energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van onze leefomgeving. Bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra houden we naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, de aansluiting op het verkeers- en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk rekening met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. We zetten daarbij in op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors.

Sterke en gezonde steden en regio’s

Met de NOVI bouwen we aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden. Daar willen we naartoe groeien en een goed bereikbaar netwerk van steden en regio’s realise-ren. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Het kabinet heeft voor de korte termijn daarom een pakket aan maatregelen voorgesteld om de woningbouw een nieuwe, stevige impuls te geven. De locaties bevinden zich in het Stedelijk Netwerk Nederland. De ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden houden hun groene karakter. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd.

Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied 

De stikstofproblematiek raakt zowel het landelijk gebied als diverse economische sectoren zwaar. De waarde van onze natuur, het landschap én de toekomst van de landbouw staan onder druk. Daarbij is verbetering van de biodiversiteit niet alleen een ecologische, maar nadrukkelijk ook een economische uitdaging, die op de korte termijn om een doortastende aanpak vraagt. Houdbare oplossingen vragen echter tijd. Voor de lange termijn werken we daarom aan geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied, onder meer gericht op kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap. Dit draagt bij aan een landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland.

De NOVI gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoerings-agenda vindt u onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma’s op de verschillende beleidsterreinen. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd.



Met de NOVI presenteert het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak. Een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie in één, waarbinnen we gezamenlijk optimaal kunnen werken aan het behoud van een gezond, leefbaar en economische sterk Nederland

Toetsing

Voor kleinschalige lokale ontwikkelingen is er geen directe binding met de maatschappelijke opgaven uit de NOVI. Wel kan gesteld worden dat de uitgangspunten van de voorgenomen ontwikkeling passend zijn binnen de uitganspunten van de NOVI.

2.2.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)

De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s).

 

  • a.

    het Omgevingsbesluit (Ob).

  • b.

    het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

  • c.

    het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)

  • d.

    het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)

In deze AMvB’s staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels uit het Bkl:

− Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2);

− Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3);

− Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid, geur en bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4);

− Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (paragraaf 5.1.5);

− Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (paragraaf 5.1.6);

− Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (paragraaf 5.1.7),

− Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van be-paalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.

Per instructieregels is het toepassingsbereik bepaald. Daardoor kan het zijn dat een thema waarvoor het Bkl instructieregels bevat, niet geldt voor een specifieke activiteit.



Toetsing

Het project raakt geen nationale belangen en is niet in strijd met het gegeven uit het Ob, Bkl, Bal of Bbl.

2.2.3 Ladder van duurzame verstedelijking

De 'ladder voor duurzame verstedelijking' ziet toe op een zorgvuldig ruimtegebruik in Nederland. De benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies moet gebaseerd zijn op een goede onderbouwing van nut en noodzaak. Dit om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten te bereiken. Ook wordt de nieuwe ontwikkeling zorgvuldig ruimtelijk ingepast. Alle ontwikkelingen die worden aangemerkt als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ (binnen en buiten bestaand stedelijk gebied) moeten de Ladder doorlopen en moet de behoefte worden beschreven in de plantoelichting.



De Ladder is onder de Omgevingswet in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) opgenomen als een instructieregel’. Deze regel is van toepassing bij het wijzigen van het omgevingsplan en bij een omgevingsvergunning buiten-planse omgevingsplanactiviteit waarbij sprake is van een nieuwe stedelijke ontwik-keling. Op grond van de Bkl is dit een ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijven-terrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Het Bkl geeft niet aan wat substancieel is waardoor we de rechtspraak hierover re-levant blijft.



Om te bepalen of we te maken hebben met een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet beoordeeld worden in hoeverre er sprake is van een nieuw of groter planologisch ruimtebeslag en/of een functiewijziging. Het beoogde en huidige planolo-gische regime moeten daarbij met elkaar vergeleken worden. Een verleende omge-vingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit waarbij wordt afgeweken van het omgevingsplan mag daarbij ook worden meegenomen.



Het Bkl hanteert de volgende definitie van stedelijk gebied: op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen. Uitgangspunt is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Als dat niet mogelijk is, dan dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Daarbij kunnen de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden een rol spelen. De behoefte wordt onderbouwd en afgewogen op het niveau van het verzorgingsgebied van de ontwikkeling.



De ladder is specifiek gericht op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden (o.a. tegengaan leegstand) en cultureel erfgoed. Deze instructieregel geldt ook voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevings-planactiviteit.



Het beter benutten van het bestaand stedelijk gebied kent randvoorwaarden en een concurrerende ruimtevraag die wordt opgelost door maatwerk te bieden binnen de kaders die wet- en regelgeving stellen. Uitgangspunt hierbij is een goede ruimtelijke afweging gericht op een duurzame ruimtelijke kwaliteit. Met de huidige maatschappelijke opgaven op o.a. het gebied van klimaat en energie is het duidelijk dat er meerdere claims liggen op de ruimte binnen bestaand stedelijk gebied. Deze claims moeten onderling afgewogen worden om tot zorgvuldig ruimtegebruik en een duurzame ruimtelijke kwaliteit te komen. Het transparant en helder motiveren is de essentie van het werken aan een duurzame verstedelijking.



De Ladder-instructieregel is van het type ‘rekening houden met’ dat aan het bevoegd gezag de vrijheid geeft om met goede argumenten af te wijken van de instructieregel. Zo kan een ontwikkeling doorgang vinden omdat de totale belangen-afweging positief beeld laat zien terwijl de specifieke behoefte van de ontwikkeling niet kan worden aangetoond.



Voor 1 januari 2024 moest de Ladder ook worden toegepast bij globale en flexibele plannen, op een moment dat de ontwikkeling nog niet concreet was. Omdat op een later moment ook het een uitwerkingsplan aan de Ladder werd getoetst was in zo’n geval sprake van een dubbele laddertoets. In de Omgevingswet is geregeld dat het zwaartepunt van de te verrichten onderzoeken ligt op het moment dat ontwikkelingen meer concreet zijn. Dit heeft het voordeel dat concrete plannen makkelijker kunnen worden beoordeeld op hun kwantitatieve en kwalitatieve behoeften. Het nadeel van het doorschuiven van de laddertoets naar een fase waarin het plan meer concreet is, is dat de locatie niet is opgenomen in het bestaande aanbod van de stedelijke ontwikkeling. Omdat de vraag-aanbodbalans in de praktijk kan verschillen van het moment van vaststellen van het omgevingsplan en het realisatiemoment van de ontwikkeling ontstaat er een risico.



Toetsing

Voorliggend project ziet op de realisatie van maximaal 65 woningen. Hiervoor is een toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking uitgevoerd (zie bijlage Toets aan de Ladder van duurzame verstedelijking). Hierin is de toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking positief doorlopen. De ontwikkeling voorziet in een behoefte die niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. De buiten bestaand stedelijk gebied gelegen ontwikkeling is daarmee gerechtvaardigd. Dit tezamen maakt dat de ontwikkeling als haalbaar geacht voor wat betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking.

2.2.4 Monumentenzorg en cultureel erfgoed

De Omgevingswet gaat over beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Er zijn vijf typen maatschappelijke opgaven op het terrein van de fysieke leefomgeving waarvoor het Rijk regels stelt. Eén ervan is het cultureel erfgoed, een kwetsbaar belang, waarvoor in het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels zijn gesteld. De wettelijke grondslagen hiervoor in hoofdstuk 2 van de wet zien op het behoud van respectievelijk cultureel erfgoed en werelderfgoed. De verplichtingen houden met name verband met de verplichtingen uit het verdrag van Granada, het verdrag van Valletta en het werelderfgoedverdrag. De instructieregels zien behalve op het omgevingsplan op projectbesluiten.

Rekening houden met cultureel erfgoed

De instructieregel over het omgevingsplan met de formulering «rekening houden met» in dit besluit is – onder meer – een voortzetting van de Monumentenwet 1988, waarbij de reikwijdte is verbreed van alleen archeologie tot al het cultureel erfgoed dat onder de Omgevingswet valt. Dit naar analogie van de met de modernisering van de monumentenzorg (MoMo) doorgevoerde verbreding van de reikwijdte Het doel van deze instructieregel is om in een vroeg stadium inzicht te verschaffen in het in het desbetreffende gebied aanwezige cultureel erfgoed en dit voldoende te beschermen. Het belang moet, naast andere belangen, uitdrukkelijk worden meegewogen bij het vaststellen van omgevingsplannen. Dat betekent dat het bevoegd gezag een analyse moet maken van het aanwezige cultureel erfgoed en de conclusies daarvan moet vertalen in het omgevingsplan. Het bevoegd gezag moet daartoe een toereikend beschermingsregime instellen. Daarbij kan de aanwezigheid van cultureel erfgoed van invloed zijn op onder meer de toedeling van functies aan locaties – bijvoorbeeld de keuze om geen parkeergarage toe te staan op een locatie met hoge archeologische waarden – of op de inhoud van in het omgevingsplan op te nemen beschermende regels of beoordelingsregels voor afwijkactiviteiten.

Ook kan cultureel erfgoed onderdeel zijn van een milieueffectrapport. Hiervoor gelden dan ook de specifieke mer-vereisten, wat ook leidt tot doorwerking in het om-gevingsplan. Burgers en belangengroepen worden bij het vaststellen van een omgevingsplan al in een vroeg stadium betrokken. Dit is eveneens een verplichting die voortvloeit uit het verdrag van Granada. Het biedt burgers, ontwikkelaars en bevoegd gezag de mogelijkheid om vroegtijdig het gesprek aan te gaan over de aanwezige waarden. Dit kan onnodige vertraging in een later stadium van planvorming of uitvoering voorkomen.



Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de monumentenzorg al zoveel mogelijk gedecentraliseerd en is de regelgeving zoveel mogelijk vereenvoudigd. De formulering van de instructieregel is ‘rekening houden met’ . Dit betekent dat het bevoegd gezag het cultureel erfgoed zelf in beeld brengt. Dit kan door het opstellen van een cultuurhistorische waardenkaart, maar dat hoeft niet. De mate en wijze van bescherming betreft een discretionaire bevoegdheid, al worden rijksmonumenten van rijkswege beschermd en is de bescherming van rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten ingekaderd door een instructiebesluit. Het rekening houden met cultureel erfgoed vertaalt zich over het algemeen in regels in het omgevingsplan, die ertoe kunnen leiden dat bepaalde activiteiten in het geheel niet kunnen plaatsvinden of dat activiteiten slechts onder beperkingen kunnen plaatsvinden. Die beperkingen kunnen in de vorm van voorschriften aan een in het omgevingsplan opgenomen omgevingsvergunning worden verbonden.

Internationaalrechtelijke verplichtingen

De ruimte voor gemeenten om zelf invulling te geven aan de wijze waarop het behoud van cultureel erfgoed wordt verankerd in het omgevingsplan laat onverlet dat zij – net als het Rijk, de provincies en de waterschappen – gehouden zijn uitvoering te geven aan de relevante internationale verdragen. Met de in de verdragen van Granada en Valletta en het werelderfgoedverdrag opgenomen verplichtingen en uitgangspunten moet rekening gehouden worden. Deze verdragen laten het aan de nationale wetgever over bij welke overheidslaag van de verdragsstaat de implementatie van de verdragsverplichtingen wordt belegd. Gelet op het gedecentraliseerde karakter van het wettelijke stelsel met betrekking tot de fysieke leefomgeving zijn de gemeenten voor veel verdragsverplichtingen de verantwoordelijke overheidslaag. Om deze verantwoordelijkheid nader te duiden en te concretiseren geeft artikel 5.130 van het Bkl enige sturing op het te betrekken belang zonder de beslisruimte van het bevoegd gezag aan te tasten. Zo verplicht het verdrag van Granada onder meer om te beschermen monumenten, stads- en dorpsgezichten (gebouwen die een architectonische eenheid vormen) en cultuurlandschappen (waardevolle gebieden) te inventariseren, passende beschermingsmaatregelen te treffen en in dat kader controle- en goedkeuringsprocedures in te richten. Die dienen onder meer betrekking te hebben op plannen tot wijziging of sloop van (onderdelen van) beschermd cultureel erfgoed of projecten waardoor de omgeving van beschermde monumenten wordt aangetast. Met het toedelen van de functie van gemeentelijk monument, (gemeentelijk) beschermd stads- of dorpsgezicht of cultuurlandschap voor bepaalde locaties in een omgevingsplan en passende regels, kunnen gemeenten dus voorzien in de uitvoering van het verdrag van Granada.

Kwaliteit

De Rijksdienst staat de restauratiesector bij in het uitwerken van normen om de kwaliteit van restauraties te borgen. Het behoud en de overdracht van vakkennis vormen onderdeel van dat project.



Het opzetten van een kennisinfrastructuur

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is binnen de monumentenzorg het kenniscentrum bij de rijksoverheid. Daarnaast zijn er nog veel instanties die kennis hebben van het erfgoed. Kennis op academisch niveau, vakinhoudelijke en operationele kennis en ervaring in de praktijk. De Rijksdienst heeft hierbij een stimulerende en verbindende rol.



Toetsing

In paragraaf 2.1.3.2.11 is voorliggend project getoetst aan de aspecten archeologie en cultuurhistorie. Geconcludeerd is dat het plan voldoet aan de kaders voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie.

2.2.5 Nationaal Water Programma 2022-2027

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is vastgesteld op 18 maart 2022. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen.

Opgaven

Er liggen de volgende grote opgaven voor het waterdomein:

− Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering

− We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte.

− Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.



Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen.

Inhoudelijke thema’s

Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van:

− klimaatadaptatie;

− waterveiligheid;

− zoetwater en waterverdeling;

− waterkwaliteit en natuur;

− scheepvaart;

− de functies van de rijkswateren. 

Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij kijken we naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast laten we de raakvlakken zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en kli-maatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat ons nu en in de toekomst te wachten staat.

Wettelijke bijlagen bij het NWP

Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het over-stromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. Deze zijn als wettelijke bijlagen opgenomen.



Op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW) worden elke 6 jaar Stroomgebiedbe-heerplannen (SGBP’s) opgesteld voor de Nederlandse delen van de stroomgebieds-districten Rijn, Maas, Schelde en Eems. Hierin staan de doelen, het waterkwaliteitsbeeld en de maatregelen om de waterkwaliteit verder te verbeteren.



Het Overstromingsrisicobeheerplan (ORBP) beschrijft de doelen en maatregelen van het overstromingsrisicobeheer in Nederland.



Het Programma Noordzee combineert onder meer de opgave voor windenergie op de Noordzee met natuurontwikkeling (vergroten biodiversiteit), duurzame visserij en ruimte voor de scheepvaart. Onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie worden maatregelen genomen om de milieutoestand van de Noordzee te verbeteren.

Toetsing

In paragraaf 2.1.3.2.9 is het voorliggende project getoetst aan het aspect water en in paragraaf 2.1.3.2.10 aan het aspect klimaat. Hierin wordt geconcludeerd dat het plan voldoet aan de kaders voor wat betreft het aspect water en klimaat.

2.2.6 Waterbeleid van de 21e eeuw

De kern van het Waterbeleid 21e eeuw is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Het water de ruimte geven betekent dat in het landschap en in de stad ruimte gemaakt wordt om water op te slaan. Daarmee worden problemen in andere, lager gelegen gebieden voorkomen.



Het Waterbeleid 21e eeuw breekt met de traditie van zoveel mogelijk pompen en zo snel mogelijk lozen. De waterbeheerders hebben samen gekozen voor een drie-trapsstrategie, die uitgaat van het principe dat een overvloed aan water wordt opgevangen waar deze ontstaat. Dat betekent dat het water niet meer zo snel mogelijk afgevoerd wordt, maar dat het water zolang mogelijk wordt vastgehouden onder andere in de bodem. Is vasthouden niet meer mogelijk, dan bergen de water-beheerders het in gebieden die daarvoor zijn uitgekozen. Door het water zo lang mogelijk vast te houden wordt tevens verdroging voorkomen De strategie vasthou-den, bergen, afvoeren betekent ook dat het water meer dan nu de kans krijgt om langzaam in de grond te zakken. Zo bestrijden we het watertekort. Pas als het niet anders kan, wordt het water afgevoerd.



In het kader van het actualiseren van omgevingsplannen betekent dit dat het aanbeveling verdient om ook in het bestaand stedelijk gebied ruimte te reserveren voor waterberging; bijvoorbeeld door deze mogelijkheid toe te voegen aan een bestemming 'Groen'.

Toetsing

In paragraaf 2.1.3.2.9 is het voorliggende project getoetst aan het aspect water. Hierin wordt geconcludeerd dat het voldoet aan de kaders voor wat betreft het aspect water.

2.2.7 Natuurbescherming

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze nieuwe wet verving drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving. Het gaf invulling aan de decentralisatieafspraken die het Rijk met de provincies had gemaakt in het Bestuursakkoord natuur en in het Natuurpact. Het bracht ook vereenvoudiging ten opzichte van het bestaande stelsel, onder meer door een betere aansluiting op het Europese recht en op het omgevingsrecht. Slechts één wet en minder regels maakt de regelgeving omtrent natuurbescherming overzichtelijker en wordt het makkelijker om de wet toe te passen.



Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet (Ow). In hoofdstuk 4 Ow is geregeld dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de natuur. Hoofdstuk 5 Ow regelt de vergunningsplicht voor dit soort activiteiten. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) worden in aanvulling op de Omgevingswet de voor eenieder relevante regels opgenomen die bepalen of een activiteit met betrekking tot de natuur wel of niet vergunningplichtig is. Daarnaast worden in dat hoofdstuk algemene regels opgenomen waaraan eenieder moet voldoen: over jacht, over het bezit en gebruik van middelen voor het vangen of doden van dieren, over het bezit en verhandelen van exemplaren van beschermde soorten, over activiteiten die kunnen leiden tot verspreiding van invasieve exoten, over walvisvangst en over het vellen van houtopstanden. Voor de toegankelijkheid zijn de onderwerpen in dit hoofdstuk zoveel mogelijk op gelijke wijze en in dezelfde volgorde geclusterd als voorheen in de Wet natuurbescherming het geval was: gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden.



Rolverdeling Rijk, provincie en gemeente De provincies bepalen wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. De gemeenten komen, bij de uitvoering in beeld als de aanvrager van een natuurvergunning of -ontheffing wil aanhaken bij een door de gemeente te verlenen omgevingsvergunning; Voor burgers en bedrijven is het belangrijk dat zij makkelijk en snel weten of een activiteit met mogelijke schade voor de natuur is toegestaan. Het blijft mogelijk om bij de provincie een aparte natuurvergunning aan te vragen.



Gebiedsbescherming

Wat betreft gebiedsbescherming verandert er voor Natura 2000 weinig. De be-scherming van de Natura 2000-gebieden is gebaseerd op internationale verplichtin-gen. Die veranderen niet en daarom zal vanaf 2024 op de dezelfde manier worden getoetst als nu het geval is.



Bescherming van dieren en planten 

Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Sommige diersoorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is belangrijk. Onder de Omgevingswet geldt, net als on-der de Natuurbeschermingswet een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat men werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor die-ren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om on-nodige schade aan dieren en planten te voorkomen.

Er wordt gewerkt met lijsten met beschermde soorten.



Bescherming van bosopstanden

De regels van de Natuurbeschermingswet zijn grotendeels onveranderd opgenomen in de Omgevingswet.



Jacht om schade te beperken 

Er mag worden gejaagd wanneer dieren schade veroorzaken of om te beheren. Provincies, grondeigenaren, dieren- of natuurorganisaties en jagers maken samen vooraf een faunabeheerplan. Daarin staat op welke en op hoeveel dieren gejaagd mag worden. Na het jachtseizoen moeten de jagers volgens de nieuwe wet laten weten welke dieren zijn afgeschoten. Dit zorgt voor beter inzicht in de jacht.



Toetsing

In paragraaf 2.1.3.2.12 is het voorliggende project getoetst aan het aspect flora en fauna. Geconcludeerd is dat het plan voldoet aan de kaders voor het aspect flora en fauna.

2.2.8 Externe veiligheid

Uitgangspunt van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen ervan beperken. Externe veiligheid krijgt daarom een belangrijke plaats het omgevingsplan. In dit plan stelt de gemeente regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling houdt ook in dat ze voldoende rekening houdt met het belang van een veilige leefomgeving. Het gaat daarbij om:

− de bescherming van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van een risicovolle activiteit, en

− het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving in bredere zin (schade aan gebouwen en het milieu) bij een ongeval bij een risicovolle activiteit.

Zelfredzaamheid

Bij de inrichting van een gebied houdt het bevoegd gezag rekening met onder meer zelfredzaamheid. Dit is het vermogen van mensen om zich in veiligheid te brengen in een gebied waar een ramp of zwaar ongeval optreedt. Ook houdt het bevoegd gezag rekening met de mogelijkheden tot hulpverlening. Hierbij gaat het om:

− de toegankelijkheid van het gebied voor de hulpdiensten (brandweer, ambulance en politie)

− de mogelijkheden voor de rampbestrijding (bestrijdbaarheid en bluswatervoorzieningen)

− voldoende schuilmogelijkheden in de omgeving. 

Vitale infrastructuur

Daarnaast houdt het bevoegd gezag rekening met de mogelijke effecten van een ramp of zwaar ongeval op vitale infrastructuur. Een ramp of zwaar ongeval kan er bijvoorbeeld toe leiden dat:

− een groot gebied zonder stroom komt te zitten

− of de drinkwatervoorziening uitvalt.

Andere effecten kunnen zijn dat een belangrijke verkeersader uitgeschakeld raakt of een gebied niet langer bereikbaar is voor mobiel telefoonverkeer. Die effecten op de infrastructuur leiden dan tot (verdere) maatschappelijke ontwrichting.



Drie categorieën gebouwen en locaties

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan 3 categorieën ‘gebouwen en locaties’ waarvoor de regels bescherming beiden:

 

  • a.

    zeer kwetsbaar zijn bijvoorbeeld basisscholen, kinderopvang, dagverblijven voor personen met een lichamelijke of geestelijke beperking;

  • b.

    kwetsbaar: zijn bv. Woon functies, kantoorfunctie, sportfunctie, evenement in open lucht voor min 5000 personen;

  • c.

    beperkt kwetsbaar zijn de overige gebouwen en locaties.

Plaatsgebonden risico

Gemeenten moeten op grond van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het omgevingsplan een grenswaarde in acht nemen voor het plaatsgebonden risico. In acht nemen van de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico betekent dat de gemeente alleen van de grenswaarde mag afwijken onder de voorwaarden die in het Bkl staan.



Voor het toedelen van locaties voor zeer kwetsbare- en kwetsbare gebouwen en locaties geldt een plaatsgebonden risico van1 op 1.000.000 per jaar. (1 van de 1 miljoen personen overlijdt als gevolg van een ramp/ongeluk per jaar). De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebou-wen en locaties. Zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen niet bin-nen de PR-10-6-contour van een activiteit komen. 

Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt dat met dit plaatsgebonden risico (PR- 10-6 contour) rekening moeten worden gehouden. Dit betekent dat een gemeente binnen de contouren van 1 op de miljoen die beperkt kwetsbare gebouwen alleen mogelijk kan maken na een belangenafweging en goede motivatie.

Aandachtsgebieden en groepsrisico

Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten.

Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden:

• brandaandachtsgebied

• explosieaandachtsgebied

• gifwolkaandachtsgebied



Binnen een aandachtsgebied moet de gemeente rekening houden met het groepsrisico. Ook gaat het om het afwegen van beschermende maatregelen voor mensen die in dat gebied wonen, werken of recreëren. De aandachtsgebieden gelden zodra de activiteit wordt verricht.

Het bevoegd gezag kan in een omgevingsplan een locatie waar een brand- of explosieaandachts-gebied geldt, aanwijzen als een brand- of explosievoorschriftenge-bied. Binnen de voorschriftengebieden gelden dan bouwvoorschriften voor nieuwe bouwwerken bovenop de standaard bouweisen. Het gaat daarbij om bouweisen die extra beschermen tegen de gevolgen van een van buiten komende brand of explosie. Deze extra bouweisen gelden dan alleen voor nieuwbouw.

Het aanwijzen van een voorschriftengebied is verplicht als op die locatie ook zeer kwetsbare gebouwen (zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven) zijn toegelaten.

Het werken met aandachtsgebieden is een andere manier van omgaan met het groepsrisico. De regels hiervoor staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De regels over extra bouweisen bij nieuwbouw in een (brand- of explosie)voor-schriftengebied staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Bal: algemene rijksregels voor milieubelastende activiteiten

In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan maatregelen die een initiatiefnemer van een risicovolle milieubelastende activiteit moet toepassen. Het gaat om maatregelen voor activiteiten met gevaarlijke stoffen, met vuurwerk, met ontplofbare stoffen voor militair of civiel gebruik en om windturbines.

Bkl: beoordelingsregels vergunningen voor milieubelastende activiteiten

Een aantal risicovolle milieubelastende activiteiten is vergunningplichtig. Beoorde-lingsregels hiervoor staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het gaat bijvoorbeeld om regels voor de opslag van gevaarlijke stoffen en regels voor Seveso-inrichtingen.



Toetsing

In paragraaf 2.1.3.2.8 is het voorliggende project getoetst aan het aspect omgevingsveiligheid. Hier wordt geconcludeerd dat het project voldoet aan de kaders voor het aspect omgevingsveiligheid.

2.2.9 M.e.r.-beoordeling

Bijna alle activiteiten die mensen ondernemen hebben milieugevolgen. Voor activi-teiten die nadelige milieugevolgen kunnen hebben, kan het vereist zijn dat een milieu-effectrapportage (m.e.r.) moet worden opgesteld. Het doel van de m.e.r. is dat het milieubelang volwaardig wordt meegewogen in de besluitvorming. De procedure voor de milieu-effectrapportage is geregeld in de Omgevingswet. De uitvoeringsregels staan in het Omgevingsbesluit.

In het Omgevingsbesluit (bijlage 5) wordt onderscheid gemaakt in de volgende typen m.e.r:

− m.e.r.-plicht; bevat de projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

− m.e.r.-beoordelingsplicht; bevat de projecten, waarvoor moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.



Ook is in het Omgevingsbesluit vastgelegd op welke besluiten en plannen de mer van toepassing is.

In het geval dat sprake is van een plan of programma dat een kader vormt voor een MER-beoordelingsplichtig project of mer-plichtig project, waarin het gebruik van kleine gebieden op lokaal niveau wordt bepaald, of bij kleine wijzigingen van zo’n plan of programma, hoeft onder het stelsel van de Omgevingswet niet meteen een MER te worden gemaakt. Eerst moet worden beoordeeld of dat plan of programma belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

Voor een plan of programma dat een kader vormt voor een project dat niet MER-plichtig of MER-beoordelingsplichtig is gold doorgaans geen plan-MER-plicht. De wetgever heeft onder de Omgevingswet voor deze gevallen toch een MER-beoordelingsplicht in het leven geroepen. Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal dus in deze gevallen moeten worden nagegaan of dat plan of programma vooralsnog belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben zodat een MER moet worden gemaakt.

In de Omgevingswet is bepaald dat de beschrijving van redelijke alternatieven voor een locatie of tracé in een project-MER niet nodig is wanneer die locatie of dat tracé al in een MER-plichtig plan of programma is aangewezen, en daarvoor ook al een MER is gemaakt.



Er geldt nog maar één procedure voor het project-MER. Het advies over reikwijdte en detailniveau als het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r. is facultatief voor alle projecten.



Er is onder de Omgevingswet geen verplichting meer om van het voornemen van een plan, programma of project kennis te geven. Onder het nieuwe stelsel hoeft bij de voorbereiding van een plan, programma of besluit waarvoor een MER moet worden gemaakt alleen nog maar de uitgebreide voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 Awb te worden gevolgd.



Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. We kennen nog maar één MER-beoordelingsprocedure.



Het resultaat en de motivering van de MER-beoordeling moeten in het (ont-werp)plan of (-)programma of in het (ontwerp)besluit worden opgenomen. Er hoeft geen aparte kennisgeving en terinzagelegging van het MER-beoordelingsbesluit plaats te vinden.



Toetsing

In paragraaf 2.1.3.2.1 is het voorliggende project getoetst aan het aspect milieueffectrapportage. In het kader van het project is een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen nadelige effecten te verwachten zijn als gevolg van de ont-wikkeling.

 

2.3 Provinciaal beleid

2.3.1 Omgevingsvisie

De omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie Gaaf Gelderland beschrijft de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn. Deze zijn onderverdeeld in zeven thema’s, te weten energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving.



Doelstellingen, ambitie en visie

De provincie verwoordt de doelstellingen, de ambitie en de visie als volgt:

Deze Omgevingsvisie gaat over ‘Gaaf Gelderland’. ‘Gaaf’ is een woord met twee betekenissen. ‘Gaaf’ betekent ‘mooi’ en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard! Maar ‘Gaaf’ verwijst ook naar dat wat ‘cool’ en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard! Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in onze Gelderse Omgevingsvisie. Wij benoemen wat voor ons van waarde is en wat we willen beschermen. En: we geven richting aan wat we willen en ook moeten veranderen en ontwikkelen. Zo kunnen we met overtuiging en in vertrouwen de provincie doorgegeven aan volgende generaties. Een Gelderland van en voor ons allemaal en voor de kinderen van de toekomst.



Willen we Gelderland in de toekomst ‘gaaf’ houden, dan moeten we daar nu wat voor doen. We staan voor stevige uitdagingen. De wereld verandert ingrijpend en snel. Er zijn grote, grensoverschrijdende ontwikkelingen die ook Gelderland raken. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, verdere verstedelijking in combinatie met krimp, toenemende mobiliteit op de weg en in de lucht, digitalisering, internationalisering. Uitdagingen die om antwoorden vragen. Daar hebben we elkaar voor nodig: inwoners, bedrijven, organisaties, overheden. De vraagstukken van nu zijn te groot en te ingewikkeld om los van elkaar aan te pakken. Niemand heeft de oplossing alleen in handen. Samen de krachten bundelen. Dat vraagt een andere rolinvulling, ook van ons. Steeds weer en meer samen met partners optrekken op basis van gelijkwaardigheid. En, waar dat kan en nodig is, het initiatief en de ruimte aan anderen laten. Of zelf de handschoen oppakken en doorpakken.



Om samen stappen te zetten, hebben we een gezamenlijke horizon nodig: een gedeeld vergezicht, een gedeelde ambitie dat dient als leidraad voor ons handelen. In onze Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ beschrijven wij dit vergezicht: het beeld op de toekomst. Dit beeld is het resultaat van vele vruchtbare gesprekken met part-ners: inwoners, ondernemers, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties, overheden. Een vergezicht dat het accent legt op wat wij samen belangrijk vinden. Een vergezicht dat tot de verbeelding spreekt en uitnodigt en aanspoort tot actie. En: dat ons helpt bij het gesprek over de keuzes die te maken zijn bij het vinden van concrete oplossingsrichtingen.



Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal. Dat is het streven. Dat is waar wij aan willen werken. Dit doen wij door bij de uitoefening van onze taken de focus te leggen op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities – op het terrein van energie-transitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en op het woon- en leefklimaat – geven wij hier richting aan. En door vier 'spelregels’ of ‘DOE-principes’ – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geven we hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen wij werken en afwegingen maken.



Welke afwegingen we van geval tot geval maken? Graag nodigen wij u uit om met ons hierover in gesprek te gaan: over de keuzes die gemaakt moeten worden, de prioriteiten die we daarbij stellen en de acties die wij samen inzetten. En: om afspraken te maken en deze vast te leggen in uitvoeringsprogramma’s waar we samen – ieder vanuit zijn of haar kracht en verantwoordelijkheid – aan werken. Zo geven we invulling aan de Gelderse Omgevingsvisie en realiseren we ons wens-beeld. Als koersen wijzigen en droombeelden veranderen, dan gaan wij opnieuw met u in gesprek en passen desgewenst de Gelderse Omgevingsvisie aan. De weg naar de toekomst is immers geen rechte lijn. Maar het begin van de toekomst is nu!

Ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer

Een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving gaat sinds 2014 op in de Omgevingsvisie. Dit gaat over planfiguren voor ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Daarbij zijn gebieden en functies aangewezen. Deze blijven voortbestaan onder deze omgevingsvisie. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura-2000 gebieden en van bijzondere natuurgebieden. Andere kaarten en functiebeschrijvingen uit de oude Omgevingsvisie Gelderland hebben een uitvoerend of informerend karakter en worden daarom overgeheveld naar programma’s of andere beleidsdocumenten, zoals het Regionaal Waterprogramma, de Handreiking Plussenbeleid en de Beleidslijn Windenergie.

Ruimtelijk beleid

Al sinds 2014 is de ruimtelijke ontwikkeling van Gelderland een maatschappelijke opgave met verantwoordelijkheden voor overheden, organisaties en partners. De provincie draagt op een toekomstbestendige manier bij, met beleid dat een duurzame economische structuur in de provincie en regio’s versterkt en dat richting geeft aan de vestigingsmogelijkheden en milieugebruiksruimte voor bedrijven. Het provinciaal belang is gelegen in het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit. Onze klimaatbestendigheid wordt vergroot, de mogelijkheden om zonne- en windenergie op te wekken zijn in kaart gebracht (zie themakaart) en onze natuur- en landschappelijke kwaliteit blijft behouden. De provincie zet zich in voor vitale steden en dorpen en voor een duurzame verstedelijking, gericht op versterking van de stedelijke netwerken, gecombineerd met aandacht voor de vitaliteit van kleine kernen en dorpen. De kwalitatieve regionale opgave voor wonen is van provinciaal belang, net als het belang dat bij locaties met een bovenlokaal ontwikkelpotentieel die potenties benut worden. Het beleid voorziet in provinciale kaders voor het terugdringen van leegstand en overcapaciteit in gemeentelijke plannen en voor zorgvuldige locatie-afwegingen op regionaal niveau, waarbij de ladder voor duurzame verstedelijking wordt ingezet. Voor wonen en werken geldt een regionale aanpak die gericht is op een gezonde en veilige woonomgeving, waarin mensen zich met elkaar verbonden voelen en die goed bereikbaar is en goede voorzieningen heeft. Voor ontwikkelingen in de niet grondgeboden landbouw hanteert de provincie het ‘plussenbeleid’. Daarmee geeft de provincie veehouders de ruimte om hun bedrijf te ontwikkelen, maar onder voorwaarden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en bij het beheer van terreinen wil de provincie dat aandacht wordt besteed aan onder andere het risico op natuurbranden.

Waterbeleid

De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte land-natuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden.

Milieubeleid

Een gezonde en veilige leefomgeving is de hoofdzaak van het milieubeleid. Dit vraagt om provinciaal beleid dat zorgt voor goede milieukwaliteit en veilige ruimtelijke keuzes. Gezondheidsschade, onacceptabele risico's en onaanvaardbare geur- en geluidhinder moeten worden voorkomen. Er wordt voldaan aan milieukwaliteits-eisen. Spoedeisende bodemverontreiniging wordt gesaneerd. Ook is het van belang om op toekomstige ontwikkelingen te anticiperen, met name vanwege de energietransitie en klimaatverandering. Vooral in het stedelijk gebied kunnen de gevolgen hiervan van invloed zijn op de gezondheid. De provincie streeft naar een op gezondheid gericht benadering van de kwaliteit van de leefomgeving en het milieu.

Natuur- en landschapsbeleid

De provincie spant zich in voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap. Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) worden beschermd tegen aantasting van de kernkwaliteiten: dat zijn de natuurwaarden, de potentiële waarden en de omgevingscondities. Het GNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Het uitgangspunt is dat in het GNN geen nieuwe initiatieven plaatsvinden, behalve ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor geen alternatieven bestaan. In de GO is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De ecologische verbindingszones maken deel uit van de GO, evenals de weidevogelgebieden en de rustgebieden voor winterganzen. De provincie treft maatregelen vanwege de bescherming, de instandhouding of het herstel van biotopen, leefgebieden, een gunstige staat van instandhouding en het Natuurnetwerk Nederland. De provincie beschermt de achttien Natura2000 gebieden die in het GNN liggen. Verder richt het beleid zich op behoud van de basiskwaliteit van landschappen in Gelderland. Voor de landschappen van bovenregionale waarde geldt een beschermingsregiem met kernkwaliteiten en met een juridisch vangnet in de verordening, zodat de provincie in gesprek kan komen indien het provinciaal belang in het geding raakt.

Verkeers- en vervoerbeleid

De provincie streeft naar een veilige, betrouwbare en duurzame mobiliteit, als hoofdzaak van het verkeers- en vervoersbeleid. Dit wordt benaderd als een sys-teem waarin verschillende mobiliteitsnetwerken op elkaar inwerken, ook over pro-vinciegrenzen heen, ter ondersteuning van een sterke economie, welvaart en wel-zijn. Hierbij houden wij rekening met de kwaliteit van de leefomgeving, de doorstroming binnen elk netwerk en verkeersveiligheid. De provincie heeft speci-fiek aandacht voor de wisselwerking en knooppunten in het systeem en gaat uit van drie principes: voorkomen, benutten en bouwen. Dit gebeurt op basis van een meerjaren-investeringsagenda en met een regionale aanpak. Via die aanpak wordt het provinciaal beleid afgestemd op het beleid van het rijk en de gemeenten. Het beleid richt zich ook op een goede regionale ontsluiting over water en ontwikkelingen van de luchtvaart.

Toetsing

Ten aanzien van voorliggend plan kan gesteld worden dat deze ontwikkeling passend is binnen de kaders van de omgevingsvisie. Voorliggend plan voorziet in de toevoeging van in totaal 65 woningen in verschillende typologieën en prijssegmenten. Deze woningen worden gerealiseerd in tandem met de aanleg van een landschapspark. Hiermee zorgt de voorgenomen ontwikkeling voor geschikte huisvesting voor een specifieke doelgroep en een kwaliteitsimpuls van de omgeving. Het besluitgebied is niet gelegen in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of de Groene Ont-wikkelingszone (GO) van de Gelderland.

2.3.2 Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening is op 21 december 2022 door de Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld. Deze verordening vormt de juridische doorwerking van het beleid uit de Omgevingsvisie in regels en is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Hij is gericht op zowel het beschermen als het duurzaam benutten van deze leefomgeving in Gelderland. Telkens wordt er gelet op een goede balans tussen het beschermen en borgen van belangen en het mogelijk maken van ontwikkelingen in een bepaald gebied binnen de provincie. Dit betekent dat voor vrijwel alle thema’s die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving instructieregels zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. De volgende instructieregels zijn opgenomen:

− Algemeen (afd.5.1);

− Natuur (afd. 5.2 );

− Landschap (afd. 5.3);

− Erfgoed (afd.5.4);

− Milieu (afd. 5.5)

− Provinciale wegen (afd. 5.6);

− Ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en regionale samenwerking (afd. 5.7).

Toetsing

Beschermen van het landschap

De omgevingsverordening is de uitwerking van de omgevingsvisie in juridische regels. Hoewel het besluitgebied niet is gelegen binnen het GNN en de GO, is het besluitgebied wel gelegen in de ‘Gelderse streek Achterhoek’. Voor zover een omgevings-plan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Achterhoek wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap.



Met onderhavig plan worden enkele agrarische gronden ontwikkeld tot een landschapspark met daarbinnen ruimte voor woningbouw. De woningen worden landschappelijk ingepast in het park, waarbij zoveel mogelijk streekeigen beplanting wordt toegepast. Geacht wordt dat de ontwikkeling zal zorgen voor een kwaliteits-impuls van de locatie, welke in lijn is met de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van de Gelderse streek ‘Achterhoek’. Op basis van het hiervoor genoemde kan geconcludeerd worden dat voorliggend plan past binnen de kaders van het beleid van de Provincie Gelderland.



Wonen

In artikel 5.64 van de Omgevingsverordening Gelderland is vastgelegd dat een omgevingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda. Het woningbouwprogramma sluit zowel kwantitatief als kwalitatief aan bij de (regionale)woonbehoefte. Met het plan wordt voorzien in een actuele behoefte aan woningen in de gemeente. Het gemeentelijke woonbeleid wordt behandeld in paragraaf 2.4.2. En in paragraaf 2.1.3 is de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking positief doorlopen. Daarmee is onderbouwd hoe voorliggend plan voldoet aan de regionale woonagenda, waarmee het plan derhalve voldoet aan de instructieregel uit artikel 2.2 lid 1 van de provinciale omgevingsverordening.



Klimaatadaptatie

In artikel 5.85 van de provinciale omgevingsverordening is vastgesteld dat in de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken. In de beschrijving worden in ieder geval de aspecten waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte betrokken. Daarnaast moet de opgestelde beschrijving worden opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap. Het aspect klimaatadaptatie wordt nader besproken in paragraaf 2.1.3.2.10, waarbij ingegaan wordt op de genoemde aspecten. Het plan voldoet hiermee aan artikel 5.85 van de omgevingsverordening. In paragraaf 2.1.3.2.10 is voorliggend plan getoetst aan het aspect klimaat. Hier zijn de aspecten waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte betrokken. Het plan voldoet hiermee aan artikel 5.85 van de omgevingsverordening.

2.4 Regionaal beleid

2.4.1 Algemeen

Als het gaat om de fysieke leefomgeving hebben de gemeenten in de Regio Achterhoek veel plannen op het gebied van wonen, infrastructuur, natuur, landbouw, recreatie, energieopwekking en bedrijven. Daarnaast moeten ze problemen oplossen op het gebied van stikstof, klimaat en de kwaliteit van de bodem en het watersysteem. Veel ruimtevragers zoals wonen, natuur en landbouw overlappen elkaar en onze ruimte is schaars. Daarom moeten slimme keuzes worden gemaakt voor de korte en lange termijn. Dat doen de regiogemeenten niet alleen maar samen met andere overheden. Die samenwerking is bijvoorbeeld gegoten in een regioarrangement. Dit is, naast het programma Vitaal landelijk gebied Gelderland één van de instrumenten om die uitwerkingen en keuzes voor te bereiden. Het regioarrangement is onderdeel van een langjarige samenwerking in de regio, tussen de regio- gemeenten, provincie, waterschap.

2.4.2 Achterhoek Visie 2030

Citaat: ‘De Achterhoek is een uniek gebied. Sterke waarden zijn onze prachtige woon- en werkomgeving, de bloeiende en innovatieve economie en een cultuur van samenwerken en vertrouwen. Innoveren en experimenteren: we zijn er niet alleen goed in, het hoort bij ons. Dit laten we ook zien met onze unieke samenwerking, waarin maatschappelijke organisaties, ondernemers en overheden samen de koers bepalen. In een open bestuurscultuur en met respect voor elkaar benutten we elkaars netwerk en leren we van elkaar. Met één gezamenlijk doel: de Achterhoek als geheel verder brengen. In onze ambities en doelen leggen we hiervoor nadrukkelijk de verbinding met de Sustainable Development Goals en zijn we de eerste SDG-regio van Nederland. We werken integraal aan onze opgaven en ambities vanuit zes verschillende thema’s. Deze thema’s staan niet los van elkaar, maar beïnvloeden elkaar, grijpen op elkaar in en dragen in gezamenlijkheid bij aan brede welvaart. We richten ons daarbij niet alleen op technische, maar ook op sociale en maatschappelijke innovatie. Ook constateren we dat stad en landelijk gebied steeds meer verbonden raken met elkaar. De opgaven in het landelijk gebied en de grote ruimtelijke opgaven die we in Nederland en de Achterhoek hebben, vragen om een goede afweging, balans en samenwerking om de gewenste ontwikkelingen op de juiste plaatsen tot stand te brengen. Nederland heeft met de Achterhoek een regio waar alles samenkomt: een aantrekkelijk én duurzaam werk-, leer-, woon- en leefklimaat’.

Toetsing

Voorliggend project ziet op de realisatie van maximaal 65 woningen met een mix van zowel sociale huurwoningen als middeldure en dure koopwoningen. Het plan is in samenspraak met inwoners van Hummelo ontwikkeld, met aandacht voor landschap, milieu en ruimtelijke kwaliteit. Het initiatief is in overeenstemming met de Achterhoek Visie 2030.

 

2.4.3 Nota bodembeheer Regio Achterhoek 2020 en bodemkwaliteitskaart Regio Achterhoek 2020

Op 1 juli 2021 heeft de gemeenteraad van Bronckhorst de geactualiseerde regionale bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer vastgesteld. In deze bodemkwaliteitskaart is voor de hele regio Achterhoek aan de hand van beschikbare bodemonderzoeken opnieuw de (chemische) bodemkwaliteit doorgerekend. Hierbij is gebruik gemaakt van in de afgelopen jaren verzamelde gegevens over de bodemkwaliteit. Doordat er meer data beschikbaar en gebruikt is, is de betrouwbaarheid van de informatie op de kaarten verbeterd.

De grootste wijzigingen ten opzichte van de voorgaande bodemkwaliteitskaarten zijn:

− Het uitbreiden van de regio Achterhoek met de gemeenten Lochem en Zutphen;

− Een eenduidiger beleid voor grondverzet binnen de regio Achterhoek, door het hebben van één bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer voor de regio;

− Toevoegen van PFAS aan het stoffenpakket. Door de bodemkwaliteitskaart uit te breiden met PFAS, kan meer grondverzet plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en is een partijkeuring niet altijd meer nodig. Dit bespaart geld en tijd.

De bodemkwaliteitskaart wordt met name ingezet voor het toepassen van grond. De regels voor het toepassen van grond zijn uitgewerkt in de bijbehorende nota bodembeheer. Het doel van de Nota bodembeheer is:

− Het stellen van regels voor duurzaam en efficiënt hergebruik van vrijkomende grond in de regio;

− Het verankeren van afspraken over grondverzet en hergebruik van grond.

Wanneer aan de regels van de beleidsnota wordt voldaan, mag grond zonder partijkeuring worden toegepast. Met de inzet van de kaart wordt hergebruik van kostbare grond gestimuleerd en wordt regionaal invulling gegeven aan verantwoord en duurzaam bodembeheer.

Met het vaststellen van de nota Bodembeheer wordt het volgende mogelijk gemaakt:

− De gemeenten heeft de mogelijkheden om milieuvriendelijk beheer van de grondstromen, dat praktisch uitvoerbaar, milieu hygiënisch verantwoord en transparant is, te optimaliseren;

− Meer grondstromen kunnen plaatsvinden zonder dat voorafgaand de kwaliteit van de grond moet worden onderzocht. Voor de gemeenten en derden kunnen besparingen worden gerealiseerd in uitvoeringstijd en kosten;

− Meer toepassingslocaties beschikbaar komen om vrijkomende grond milieuvriendelijk te hergebruiken;

− Het gebruik en de aankoop van primaire én secundaire bouwstoffen (bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank) wordt verminderd;

− De druk op het wegennet, de uitstoot van uitlaatgassen en fijnstof en het gebruik van energie wordt verminderd (grond hoeft minder ver te worden getransporteerd, geen extra productie door grondverwerker).

Toetsing

In paragraaf 2.1.3.2.3 is voor liggend project getoetst aan het aspect bodem. Geconcludeerd is dat het plan voldoet aan de kaders voor het aspect bodem. Wanneer er sprake is van vrijkomende grond, dan zal bij de toepassing van deze grond worden voldaan aan de regels uit de beleidsnota.

2.4.4 Watervisie 2030

Het Waterschap Rijn en IJssel (WRIJ) heeft op 7 mei 2013 de Watervisie 2030 vastgesteld.

Nederland is een delta. Zonder dijken, sloten, stuwen en gemalen, is Nederland grotendeels onbewoonbaar. Al in de middeleeuwen ontstonden er daardoor waterschappen die er voor zorgden dat het land niet om de haverklap overstroomde en het water op een gecontroleerde manier naar zee stroomde. Dat waterbeheer vraagt permanent onderhoud. WRIJ beheert het water in Noordoost Gelderland en een klein deel van Overijssel. Dat doet het WRIJ al meer dan 700 jaar. Daardoor konden steden groeien, werden gronden geschikt voor landbouw en is laatste halve eeuw ook de kwaliteit van het water sterk verbeterd.

Maar omstandigheden veranderen voortdurend. Zoals klimaatverandering en veranderende sociaaleconomische omstandigheden. Ook komen, dankzij steeds geavanceerdere computers, nieuwe technieken beschikbaar. WRIJ ziet deze veranderende omstandigheden als dé uitdagingen voor de toekomst, omdat deze de vorm en inhoud van het waterbeheer direct raken. Hoe gaat WRIJ daarmee om en wat betekenen deze voor het waterbeheer in deze regio?

Samen met andere overheden, bedrijven en kennisinstellingen werkt WRIJ aan de toekomst. De manier waarop deze dat wil doen, staat in de Watervisie 2030. Water is daarbij het verbindende element in die samenwerking.

Een multischalig waterschap

WRIJ is en blijft een regionaal werkende overheid die staat voor een deskundige en betrouwbare uitvoering van zijn taken. De samenwerking met medeoverheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties is uitgebouwd, om doelen beter te kunnen bereiken of om kosten te beheersen. Daarvoor kennen betrokken partijen elkaars doelen en belangen en wisselen deze die in regelmatige dialogen uit. Kostenstijgingen worden door WRIJ ook beperkt door slimmer of duurzamer te werken en door, waar dit verantwoord is, taken aan anderen over te laten. De uitvoering van de ene taak vergt een ander schaalniveau van samenwerken dan een andere taak, voor WRIJ geen doel, omdat de gebiedsnabijheid -het werken in en dichtbij de stroomgebieden- wordt gekoesterd. WRIJ toont meerwaarde door de kennis en ervaring als gebiedsbeheerder maximaal te benutten, zowel in de stroomgebieden als daarbuiten.

Hoogwaterveiligheid op niveau 

Het doel is en blijft een robuuste en kosteneffectieve bescherming van de regio tegen hoogwater. De opgave om grotere hoeveelheden water veilig op de Rijn en IJssel te kunnen opvangen is aanzienlijk. De aanpassingen die daarvoor nodig zijn, heeft WRIJ in 2030 voor een deel uitgevoerd, samen met de partners in het nationale Deltaprogramma. Voor de rivierdijken worden verschillende beschermingsniveaus gehanteerd, omdat het ene gebied een hogere bescherming vraagt dan het andere gebied. WRIJ werkt met nieuwe soorten dijken en betrekt gebiedspartijen, andere overheden, ondernemers en burgers meer bij de bescherming van de binnendijkse gebieden. 

Helder regionaal waterbeheer

In 2030 wordt het regionale watersysteem klimaatbestendig beheerd en onderhouden. We kennen de risico's op wateroverlast en weten in welke gebieden extreme buien en droogte negatieve gevolgen hebben. In samenwerking met agrariërs, terreinbeheerders en gemeenten werken we aan maatregelen om die extremen op te vangen. Ook werken we samen aan een verbeterslag in de waterkwaliteit. Waar er risico's en knelpunten blijven, geven we dit aan. Als gebiedsbeheerder hebben we nieuwe allianties met ondernemers en burgers en stimuleren we hen om van de stroomgebieden een verdienlandschap te maken: een gebied waar economisch gewin en waterbeheer hand in hand gaan.

Stoffen winnen uit de waterketen 

In 2030 blijft het zuiveren van afvalwater met oog op de volksgezondheid de belangrijkste taak. Op basis van de modernste zuiveringstechnieken halen we schadelijke stoffen uit het water, voordat dit teruggaat in het milieu of verder wordt benut. De meeste zuiveringsinstallaties draaien in 2030 op energie die uit het afvalwater wordt opgewekt. Ook in het regionale watersysteem zijn kansen op we er zoveel mogelijk uit en deze worden opnieuw gebruikt. We stimuleren het scheiden van schadelijke stoffen aan de bron. De partners in de hele waterketen werken nauw samen in gebiedsverbanden, die zijn afgestemd op de kansen en mogelijkheden in het betreffende gebied.

Toetsing

In paragraaf 2.1.3.2.9 is het voorliggende project getoetst aan het aspect water. Hierin wordt geconcludeerd dat het voldoet aan de kaders voor wat betreft het aspect water.

2.4.5 Waterbeheerprogramma 2022-2027

Het Waterschap Rijn en IJssel (WRIJ) heeft op 13 januari 2022 het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld.

Aanleiding

Het waterbeheerprogramma (WBP) is een belangrijk instrument, waarmee WRIJ aangeeft welke beleidsdoelen het nastreeft, welke inspanningen het pleegt om dat beleid te realiseren en welke financiële middelen daarmee gemoeid zijn. De sturende werking ervan wordt mede bepaald door de mate waarin doelen en maatregelen geconcretiseerd worden. Voor het overgrote deel zijn de langetermijndoelen voor de beleidsthema’s al vastgesteld; het WBP geeft aan hoe WRIJ in de planperiode met deze doelen aan de gang gaat en waar WRIJ in 2027 denkt te staan. Gedurende de looptijd van het WBP kan/zal tussentijds bepaald worden of er aanleiding is het WBP te actualiseren; dit is aan de orde als koers of de kaders significant wijzigen.

WRIJ in uw omgeving

WRIJ zorgt voor het water in uw omgeving. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt WRIJ bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet WRIJ door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en stevige dijken. WRIJ doet dit met diepgewortelde vak- en gebiedskennis en verbinden beleid én uitvoering. WRIJ werkt met een ondernemende houding, gericht op maatschappelijk toegevoegde waarde, in samenwerking met de partners en inwoners in de Achterhoek, de Liemers en Overijssel, wendbaar en gebied-nabij. De beleidsdoelen worden in samenwerking met netwerkpartners opgesteld (open planvorming) en gebiedsgericht vertaald naar haalbare wateropgaven en programmaopdrachten (gebiedsprocessen). De programmaopdrachten worden in samenwerking met de betrokkenen in het gebied doorgezet naar uitvoering (co-creatie).

Wat komt er op ons af?

De wereld om ons heen is blijvend in verandering en die veranderingen lijken ook steeds sneller te gaan. Toenemende risico’s met betrekking tot droogte en wateroverlast, een groeiende vraag naar woningen, de natuur- en milieuopgaven zoals stikstofdepositie, maar ook de nieuwe mogelijkheden met onder andere informatietechnologie zien wij op ons afkomen. WRIJ zien dat de samenhang van de water-opgaven met andere opgaven in het gebied vragen om nauwe samenwerking met onze partners (zoals gemeenten en provincies), inwoners en bedrijven. Het betreft het samenwerken aan wateropgaven die WRIJ nu in beeld heeft en wateropgaven die de komende periode nog worden uitgewerkt. Hoe WRIJ dat de komende zes jaar wil gaan doen samen met de omgeving, dat wordt beschreven in dit WBP.

Wat gaat WRIJ doen in de periode tot aan 2027?

Ondanks dat er veel verandert in en rond het water, blijven de kerntaken van WRIJ in ieder geval:

− het peilbeheer van grond- en oppervlaktewater

− het onderhouden en beheren van de waterkeringen en watergangen

− het transporteren en zuiveren van afvalwater

− het verbeteren van de waterkwaliteit

− de vergunningverlening, toezicht en handhaving.

Daarbovenop is voor de periode 2022-2027 als belangrijkste speerpunt de opgave om het gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt WRIJ toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. Er wordt gebiedsbreed geïnvesteerd in een toename van de veerkracht, anticiperend op de nieuwe inzichten over de snelheid van klimaatverandering richting 2050. Hiervoor gaat WRIJ het volgende doen:

− Integrale aanpak, samen met omgevingspartners, om te komen tot een nieuwe inrichting, zowel van het watersysteem als het gebied/gebruik, landelijk en stedelijk.

− Voorraadbeheer actief oppakken op Achterhoeks plateau en verder brengen in de Landgoederenzone Baakse Beek (mogelijk verbreden), o.a. drainagebasis groter gebied omhoog.

− Gebiedsbrede aanpak stedelijk gebied (programmatisch).

− Intensiveren inzet van de voorbereidende trajecten (verkenningen, inrichten processen) voor structurele/integrale/brede systeem- en gebiedsaanpassingen.

− Intensiveren no-regret in het gehele gebied; sneller, op eigen initiatief en breder ‘elke druppel de grond in’.

− Agenderende rol richting omgevingspartners bij benoemen complexe keuzes om transities watersysteem te realiseren.

− Verbreden aanpak focusgebieden: gebiedsbrede aanpak in lopende (of extra) gebieden vanuit thema’s Gezonde Leefomgeving & Klimaatrobuust Gebied samen.

− Kwaliteitsverbetering stedelijk water door andere inrichting van de openbare ruimte.

− Water op Maat: realisatie van hergebruik effluent bij de 4 KRW-rioolwaterzuiveringen.

Klimaatrobuust gebied

De ambitie is om richting 2050 wendbaar invulling te geven aan het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem. Dit doet WRIJ in combinatie met aanpassingen in gebruik en inrichting van de omgeving, zodat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.

Veilig gebied

De bescherming tegen hoog water is een randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken in het gebied. WRIJ zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst, door dagelijks beheer van keringen en door continu inzicht in de keringen. WRIJ voert het beheer op een duurzame wijze uit en werkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. De ambitie is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar wordt ingespeeld op ontwikkelingen. Daarnaast heeft WRIJ een sterke adviesrol in de ruimtelijke ordening en zijn is het een sterke partner in de calamiteitenbestrijding.

Circulaire Economie en Energietransitie

WRIJ wil in het uitvoeren van de primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil WRIJ in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin de taken klimaatneutraal worden uitgevoerd. Hiervoor moeten zoveel mogelijk de grondstofbehoefte worden beperkt en ervoor worden gezorgd dat er geen sprake is van waardevermindering van grondstoffen. De afvalstromen moeten zo klein mogelijk zijn. En bovenal: WRIJ moet met diens werkwijze zorgen voor 95% minder emissie van broeikasgassen.

Gezonde leefomgeving

WRIJ zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het streven is naar dat water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. WRIJ verwacht met deze plannen de woon-, werk- en leefomgeving van de Achterhoek, Liemers en Overijssel nog toekomstbestendiger te maken.

Toetsing

In paragraaf 2.1.3.2.9 is het voorliggende project getoetst aan het aspect water. Hierin wordt geconcludeerd dat het voldoet aan de kaders voor wat betreft het aspect water.

2.4.6 Waterschapsverordening Waterschap Rijn en IJssel

De waterschapsverordening is de verordening op grond van de Omgevingswet, waarin vrijwel alle regels over de fysieke leefomgeving van het waterschap zijn opgenomen. Vrijwel alle regels, omdat enkele onderwerpen op grond van artikel 2.2 van het Omgevingsbesluit buiten de waterschapsverordening moeten blijven. Dat betreft bijvoorbeeld regels over onderhoudsplichten waarvoor de onderhoudslegger op grond van de Waterschapswet blijft bestaan.

De waterschapsverordening bestaat uit regels over activiteiten van burgers, bedrijven en mede-overheden die van invloed zijn op het watersysteem, de waterveiligheid en de zuiveringtechnische werken (rioolwaterzuiveringsinstallaties, RWZI). Voor de opbouw van de waterschapsverordening is daarom gekozen naar een indeling in de verschillende soorten activiteiten.

Hoofdstuk 2 van deze waterschapsverordening bevat alle regels over activiteiten bij waterstaatswerken, zoals oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen. Dit zijn regels over bijvoorbeeld het aanleggen van bruggen of steigers bij oppervlaktewaterlichamen, het aanleggen van kabels bij waterkeringen of het lozen van water in of onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam.

Hoofdstuk 3 gaat over activiteiten met betrekking tot grondwater. Daarbij kan gedacht worden aan grondwateronttrekkingen voor bijvoorbeeld beregening, veedrenking of bronneringen, maar ook het infiltreren van water in de bodem en het aanbrengen van drainage.

Hoofdstuk 4 bevat de regels over het aansluiten van de gemeentelijke riolering op de RWZI.

In de hoofdstukken 5, 6 en 7 zijn de voormalige rijksregels opgenomen (bruidsschat) die niet terugkomen onder de Omgevingswet. Het betreffen regels over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of de RWZI, het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem in samenhang met dergelijke onttrekkingen, en het onttrekken van oppervlaktewater) en regels voor activiteiten bij oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen, zoals bruggen en kabels.

Toetsing

In paragraaf 2.1.3.2.9 is het voorliggende project getoetst aan het aspect water. Hierin wordt geconcludeerd dat het voldoet aan de kaders voor wat betreft het aspect water.

2.4.7 Regionaal woonbeleid

Er is een grote behoefte aan extra woningen om te voorzien in het aanzienlijke tekort. In het nationale programma is daarom vastgelegd dat er op de schaal van heel Nederland 900.000 woningen moeten worden bijgebouwd. Omdat er vooral behoefte is aan betaalbare woningen, moet 2/3e van de te bouwen woningen behoren tot de categorie betaalbaar. Betaalbare koopwoningen zijn volgens het programma woningen tot de grens van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG); dit was € 355.000. In 2023 wordt de link met de NHG-grens losgelaten en het bedrag niet verder geïndexeerd. Betaalbare huurwoningen zijn de sociale huurwoningen en midden-huurwoningen tot € 1.000 per maand. Onderdeel van de woondeal is dat in ieder geval moet 28% van alle te realiseren woningen een sociale huurwoning is. Dit komt neer op 250.000 sociale huurwoningen op de schaal van Nederland.

De minister heeft de regie voor het sluiten van woondeals neergelegd bij de provincies. Op 13 oktober 2022 heeft de provincie Gelderland een bod tot het realiseren van 100.000 woningen in de hele provincie uitgebracht aan het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Woonagenda en woondeal

Vanaf het voorjaar van 2022 is op het niveau van de regio 8RHK veelvuldig overleg gevoerd met de provincie om te komen tot afspraken voor de Achterhoek. Dit heeft geresulteerd in een woondeal waar partijen zich in kunnen vinden.

De belangrijkste afspraken uit de Achterhoekse woondeal zijn:

− Er worden in ieder geval 8.390 woningen in de Achterhoek gebouwd tot en met 2030, met daarbij ruimte om adaptief te programmeren tot ca. 11.500 woningen (totale ambitie van de Achterhoekse gemeenten).

− 60 procent van de te realiseren woningen vallen in de betaalbare categorie, 28 procent in de sociale huur en 32 procent in de betaalbare koop.

− De Achterhoekse woningcorporaties zetten zich in voor de realisatie van 2.331 woningen, waarvan 105 in de middenhuur.

− In de gemeente Bronckhorst worden minimaal 1.000 woningen gebouwd tot en met 2030.

− We gaan uit van een benodigde plancapaciteit van minimaal 130%.

− Om deze doelen te behalen, dient een aantal randvoorwaarden geborgd te zijn. Daarbij gaat het om: financiering van onrendabele toppen, investering in bereikbaarheid, voldoende ambtelijke capaciteit en stikstofruimte. Over deze voorwaarden zijn we als regio nog in gesprek met de Provincie en het Rijk. In regionaal verband wordt er gewerkt aan een goed woonklimaat in de Achterhoek, in samenwerking met de provincie Gelderland. Sinds 2019 gebeurt dit onder de vlag van de “8RHK Ambassadeurs”.

Toetsing

Het voorliggende project is aangewezen als één van de sleutelprojecten in de Woondeal. Daarnaast wordt met de realisatie van een mix van woningtypen, waaronder een groot aandeel sociale huur, ingespeeld op de woningbehoefte in de Achterhoek. Het plan sluit hiermee aan op de Woonagenda en de woondeal.

2.5 Gemeentelijk beleid

2.5.1 Omgevingsvisie Bronckhorst 2035

De Omgevingsvisie Bronckhorst 2035 is op 24 februari 2022 vastgesteld. De kern van de visie is:

Bronckhorst twee keer zo mooi

Onze karakteristieke gemeenschappen en landschappen staan er in 2035 nóg beter voor. En hoe ziet het er dan uit in 2035? Onze dorpen en buurtschappen ontwikkelen zich, elk op hun eigen manier. Passend bij hun karakter en identiteit. Alle inwoners doen mee en dragen bij aan hun gemeenschap. Activiteiten, cultuur en tradities floreren.

Er is ruimte om te ondernemen voor onze toonaangevende, technologische en ambachtelijke ondernemingen. Bronckhorst staat op de kaart als ontwikkelaar van gezonde en innovatieve agrofood producten. De banen die onze ondernemers creëren zorgen voor interessant en passend werk. Er zijn voldoende woningen om in de eigen gemeenschap te blijven wonen. In de dorpen of binnen 20 minuten fietsen vinden we de basisvoorzieningen om prettig te leven. Onze leefomgeving stimuleert meedoen, bewegen en ontmoeten.

Inwoners en bezoekers genieten van prachtige, veelzijdige landschappen. Kenmerkende groenstructuren, bomen, andere landschapselementen en ons rijke erfgoed zijn verder versterkt. Het natuurlijke systeem is op orde en veerkrachtig. De kwaliteit van bodem, water en lucht zijn goed en het landschap is in staat de effecten van het veranderende klimaat op te vangen. Boeren voeren er een gezonde bedrijfsvoering met zorg voor de omgeving en oog voor dierenwelzijn.

Zo gaven we invulling aan de vele opgaven die de komende vijftien jaar op ons afkomen. Bronckhorst zal veranderen. Er komen woningen, bedrijven en locaties voor de opwek van hernieuwbare energie. Gemeenschappen en landschappen veranderen mee, zoals ze al eeuwen mee veranderen. En zo wordt Bronckhorst de komende jaren alles bij elkaar twee keer zo mooi. Deze bovenstaande ambities vertaalden we in concrete doelen voor 2035. Deze doelen helpen ons bij het formuleren van concrete acties. En het al dan niet ondersteunen van initiatieven van inwoners.

Samengevat zien de ambities en concrete doelen voor 2035 er als volgt uit:

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Toetsing

Het realiseren van 65 woningen in verschillende typologieën en voor verschillende portemonnees draagt bij aan het realiseren van voldoende woningen voor de juiste doelgroepen binnen de gemeente, maar ook specifiek voor de kern Hummelo. Daarnaast draagt de kwaliteitsimpuls van de gronden bij aan het creëren van een prettige omgeving, waarin inwoners en bezoekers kunnen genieten van het landschapspark en de overige beoogde activiteiten in het landschapspark.

2.5.2 Woonbeleid

Woonvisie

De raad van Bronckhorst heeft op 18 juli 2019 de lokale woonvisie 'Ruimte voor wonen in Bronckhorst' 2019-2025 vastgesteld. De vorige woonvisie van Bronckhorst is in 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Deze was gebaseerd op de regionale woonagenda die in 2015 is opgesteld en vastgesteld door de Achterhoekse gemeenten, woningcorporaties en provincie Gelderland. Dit beleid is niet meer actueel. Ten opzichte van een paar jaar geleden bevindt de gemeente Bronckhorst nu in een periode van economische groei en is - mede als gevolg daarvan - de druk op de woningmarkt enorm toegenomen. De gemeente ziet daarnaast dat vraag en aanbod onvoldoende op elkaar aansluiten. Ook is de energietransitie nog hoger op de agenda komen te staan. Tot slot ziet de gemeente in de samenleving steeds meer behoefte aan nieuwe (collectieve) woonvormen. De hierboven genoemde ontwikkelingen en opgaven die daarmee samenhangen, vormen de aanleiding om het lokale en regionale woonbeleid te actualiseren.

Op 27 mei 2021 heeft de gemeenteraad ingestemd met de actualisatie van de woonvisie. Hiermee komt er nog meer ruimte voor goede woningbouwplannen. De speerpunten uit de woonvisie blijven overeind. De gemeente geeft prioriteit aan het toevoegen van toekomstbestendige woningen in een betaalbaar segment en het benutten van inbreidingslocaties en bestaand vastgoed. Met de actualisatie van de woonvisie is het aantal te realiseren woningen verhoogd en daarnaast meer mogelijk voor doorstromers, collectieve woonvormen, flexibiliteit in bestaand vastgoed en bouwen aan de randen van dorpen. Burgemeester en wethouders hebben, ter uitwerking van bouwen aan de randen van dorpen, in elk van de kernen Hengelo, Hummelo, Steenderen, Vorden en Zelhem een locatie aangewezen waar uitbreiding aan de kernrand kan plaatsvinden. Daarmee wordt in deze kernen niet op andere locaties meegewerkt aan uitbreiding van de kern of bouwen in de kernrand. In de overige kernen zijn op voorhand geen uitbreidingsgebieden aangewezen. In deze kernen worden initiatieven op zichzelf beoordeeld aan woonbeleid en ruimtelijk beleid.

Bij het opstellen van nieuw beleid baseert de gemeente zich op trends en ontwikkelingen, maar houdt tegelijkertijd rekening met de onzekerheden in de maatschappij. De wereld om ons heen blijft in snel tempo veranderen en daarom is het moeilijk om ver in de toekomst te kijken. De ontwikkeling van de bevolking door geboorte en sterfte is redelijk goed te voorspellen, maar dit geldt niet voor de invloed van migratiestromen. Daarnaast zijn ook factoren als economische groei, consumentvertrouwen, aanscherping van hypotheekeisen en toewijzingsregels bij de sociale huur van invloed. Bij wijzigingen zullen er verschuivingen optreden op de woningmarkt. Daarom gaat de gemeente uit van adaptief beleid. Dit is beleid dat de gemeente kan aanpassen op basis van nieuwe inzichten en ontwikkelingen. Aan de andere kant moet is de gemeente zich ervan bewust dat een woning een statisch 'product' is en woningen meestal voor minimaal 50 jaar gebouwd worden.

Woningbouwambitie

Op 27 januari 2022 heeft de raad de woningbouwambitie vastgesteld op het toevoegen van 1.700 tot 2.200 woningen.

− Er is extra woningbouw nodig o.a. vanwege:

− Gezinsverdunning zet door: groeiend aantal (kleinere) huishoudens

− Meer vestiging dan vertrek: positief migratiesaldo

− Arbeidsmarkttekort loopt op: noodzaak om nieuwe arbeidskrachten aan te trekken en te huisvesten

− Blijvende wens en behoefte starters en (jonge) gezinnen om terug te keren naar waar men vandaan komt. Dit is ook belangrijk voor de leefbaarheid en een gezonde bevolkingsopbouw.

− Nieuwbouw blijft altijd nodig voor vernieuwing en verduurzaming van de woningvoorraad en het creëren van doorstroming.

We programmeren adaptief om in te kunnen spelen op nieuwe woningmarktontwikkelingen.

− Woningbouw realiseren we in de volgende categorieën:

− Woningbouw is mogelijk in alle kernen, naar de maat en behoefte van de kern (door inbreiding en transformatie);

− Uitbreidingslocaties in Hengelo, Hummelo (verdeeld over dorp), Vorden, Steenderen, Zelhem;

− Wonen in het buitengebied, door woningsplitsing en het mogelijk maken van wonen op locaties van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB);

− Woningbouw op gemeentelijke locaties, inzet van gemeentelijke locaties voor woningbouw in diverse kernen;

− Wonen door het inzetten en toevoegen van flexwoningen.

Uitbreidingslocaties woningbouw

Om mede invulling te geven aan de woningbouwambitie heeft het college op 1 februari 2022 een aantal uitbreidingslocaties vastgesteld. Naast inbreiding en transformatie hebben we aanvullend een aantal uitbreidingslocaties nodig voor de woningbehoefte in onze gemeente.

Toetsing

Voorliggend plan maakt onderdeel uit van de woningbouwopgave binnen de gemeente Bronckhorst. Het woningbouwprogramma met een mix aan zowel koop- als huurwoningen in het goedkope, middeldure en dure segment sluit zowel kwantitatief als kwalitatief aan bij de woonbehoefte. De ontwikkeling is in lijn met het woonbeleid van de gemeente.

2.5.3 Wonen en zorg

Net als de rest van Nederland heeft Bronckhorst te maken met een ouder wordende bevolking, die steeds langer vitaal blijft en zelfstandig blijft wonen. Op dit moment is ongeveer een derde van de inwoners 65-plus. De piek van de vergrijzing (hoog aandeel ouderen) zal tussen 2030 en 2040 zijn.

Langer zelfstandig thuis wonen

Een groot deel van de mensen wil niet verhuizen, tenzij het echt niet meer gaat. Men is tevreden met de eigen woning en vindt deze geschikt om in te blijven wonen. Daarnaast ervaren veel mensen een sterke sociale binding met de buurt waar ze wonen. Ook technologische ontwikkelingen maken het langer zelfstandig thuis wonen soms makkelijker. Zo kan onder andere door de aanleg van breedband meer zorg op afstand worden geleverd.

Vraag-aanbod woonzorg

Tegelijkertijd is er ook een groeiende groep ouderen met een zorgvraag die niet in de thuissituatie opgevangen kan worden. Uit onderzoek blijkt dat het tekort aan intramurale plaatsen voor ouderen oploopt. Met name het aantal mensen met dementie neemt naar verwachting fors toe. Ook wordt er op korte termijn een tekort verwacht aan geschikte plekken voor mensen met een verstandelijke beperking (VG) of psychiatrische problematiek (GGZ). Het gaat hier zowel om intramurale plekken als om geclusterde woonplekken voor begeleid wonen. Verwacht wordt dat de behoefte aan deze plekken (voor VG en GGZ) op langere termijn afneemt. Landelijk beleid is er op gericht om mensen zo kort mogelijk in een beschermde of beschutte woonvoorziening te laten verblijven en zo snel mogelijk zelfstandig of begeleid te laten wonen. Veel mensen stromen dan door naar reguliere (huur)woningen. Er worden (regionale) afspraken gemaakt met de Achterhoekse gemeenten, zorgpartijen en woningcorporaties.

Kijkend naar het woonzorgaanbod, zien we enerzijds een trend dat zorg steeds meer geclusterd wordt in de grootschalige instellingen. Zorgpartijen geven aan dat er een minimale omvang nodig is om de voorziening voor hun rendabel te maken. Anderzijds zien we in de samenleving een toenemende behoefte aan kleinschalige woonvormen of vormen van groepswonen waar (indien nodig) zorg kan worden geleverd. Hier gaat het vaak om mensen die nog geen zware (intramurale) zorg nodig hebben, maar die wel behoefte hebben aan ontmoeting en/of ondersteuning. Hierbij kan ook sprake zijn van een mantelzorgsituatie.

Hoewel een groot deel van de (vitale) ouderen niet wil verhuizen en de meeste woningen levensloopgeschikt te maken zijn, is er ook een deel dat wel graag wil doorstromen naar een andere woning. De voorkeur gaat vaak uit naar een kleinere betaalbare grondgebonden woning met tuin (koop of huur) in een van de grotere kernen (dichtbij voorzieningen). Op dit moment ervaart een deel van de ouderen dat er niet genoeg aanbod is dat past bij hun specifieke woonwensen.

Toetsing

In het besluitgebied worden 12 zorgwoningen gerealiseerd. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de in de gemeente Bronckhorst geconstateerde behoefte naar dergelijke woningen.

2.5.4 Monumenten, archeologisch en cultuurhistorisch beleid

De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. In het omgevingsplan worden de archeologische waarden en verwachtingen geborgd. Instrument daarvoor is de archeologische waarden- en verwachtingskaart.

De gemeente Bronckhorst heeft een archeologische waarden- en verwachtingskaart en een archeologische beleidskaart. De archeologische waarden- en verwachtingskaart is een kaart waarop bekende archeologische vindplaatsen en terreinen staan die door de provincie en de rijksoverheid zijn geoormerkt als terreinen met een archeologische status. Daarnaast geeft de archeologische waarden- en verwachtingskaart een vlakdekkend en zo gedetailleerd mogelijk overzicht van de archeologische verwachtingen binnen de gemeente. Op de hier vanaf geleide beleidsadvieskaart zijn aan de verschillende verwachtingszones uitvoeringsgerichte adviezen voor het gemeentelijk AMZ (Archeologische MonumentenZorg)beleid gekoppeld. Deze kaarten samen bieden daarmee zowel inzicht in de bestaande archeologische toestand van het landelijke en het bebouwde gebied van de gemeente alsmede een handvat voor een zorgvuldige omgang met archeologische waarden in de fysieke leefomgeving.  

De gemeente Brockhorst kent een Erfgoedverordening waarin de aanwijzing en bescherming van gemeentelijke monumenten is geregeld en waarin het archeologiebeleid is vastgelegd Dit beleid is gebaseerd op de regionale nota 'Archeologie met beleid - Afwegingskader voor het archeologiebeleid in de Achterhoek'. 

De gemeente Bronckhorst heeft een cultuurhistorische gebiedsbeschrijving gemaakt om inzichtelijk te krijgen wat de cultuurhistorische waarden in de gemeente zijn. Met deze cultuurhistorische beschrijving geeft de gemeente inzicht in de ontstaansgeschiedenis van het gemeentelijk grondgebied en in de bijbehorende cultuurhistorische waarden. In het bijbehorende SWOT-analyse is aangegeven wat op dit vlak de sterke en zwakke punten zijn en waar kansen en bedreigingen liggen. De beschrijving is bruikbaar voor het inpassen in diverse beleidsstukken. Daarnaast is het behulpzaam bij het ontwikkelen van een visie op toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen rondom de cultuurhistorische waarden. De doelgroep van dit project is tweeledig. Enerzijds zijn de resultaten bedoeld als bruikbare instrumenten voor de bestuurders en ambtenaren van de gemeente Bronckhorst. Anderzijds is het uiteindelijk de burger binnen gemeente Bronckhorst die gebaat is bij een degelijke cultuurhistorische beschrijving en aanvullende beleidsnotities. Omdat de gemeente Bronckhorst een groot belang hecht aan de bijdrage van cultuurhistorie aan de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente, en om de cultuurhistorische kenmerken en kansen te verankeren in beleid, koos de gemeente ervoor om cultuurhistorisch beleid vast te leggen in een thematische structuurvisie cultuurhistorie. De structuurvisie geeft input bij de onderbouwing van de omgang met cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplan. In de structuurvisie is de gemeente verdeeld in de volgende drie gebieden, hetgeen de basis vormt van het gemeentelijke cultuurhistorische beleid: 

  • Cultuurhistorisch vrije gebieden 

    − geen leidraad vanuit cultuurhistorie voor ontwikkelingen 

    −  cultuurhistorie als vrije inspiratie 

    −  gemeente vraagt niets en biedt enthousiasme en welwillendheid 

  • Cultuurhistorische kansgebieden 

    − cultuurhistorie als kans en inspirerende leidraad 

    − cultuurhistorie levert een bijdrage aan ontwikkelingen en de ontwikkelingen versterken de cultuurhistorie 

    − gemeente faciliteert en inspireert 

  • Cultuurhistorische topgebieden 

    − cultuurhistorie als uitgangspunt 

    − ontwikkeling versterkt cultuurhistorie 

    − gemeente faciliteert, stimuleert en werkt mee 

Naast deze drie gebieden zijn tevens cultuurhistorische ensembles en hotspots omschreven. Het gaat om cultuurhistorische structuren en elementen die op het schaalniveau van de gemeente van belang zijn. Ze geven karakter en kleur aan de deelgebieden en kunnen als inspiratie of leidraad dienen bij ontwikkelingen. 

De Structuurvisie cultuurhistorie Bronckhorst is op 31 oktober 2013 door de raad vastgesteld en op 9 januari 2014 in werking getreden. 

 

Toetsing

Hummelo ligt landschappelijk in het IJsselland. Dit gebied heeft de volgende kenmerken:

− rivierklei;

− open wijds landschap;

− onregelmatige blokverkaveling;

− oude meanders van de rivier liggen als kronkelende patronen in het landschap Oeverwallen en lage komgronden Rivierduinen met oude bewoningskernen als Olburgen, Rha, Bronkhorst en Steenderen;

− dijken;

− oversteekplaatsen, zoals de veren naar Dieren en Brummen Onderdelen van de IJssellinie uit de Koude Oorlog zijn te vinden bij Olburgen. 

Op de kaart bij structuurvisie cultuurhistorie Bronckhorst is het besluitgebied aangewezen als cultuurhistorisch topgebied en de Zutphenseweg als historische infrastructuur. De cultuurhistorische topgebieden kenmerken zich door cultuurhistorische ensembles, waar ondergrond, infrastructuur, bebouwing en beplanting één geheel vormen. De cultuurhistorische elementen en structuren zijn nog gaaf en herkenbaar. In deze gebieden is de cultuurhistorie (mede) uitgangspunt voor ontwikkelingen. Dat wil niet zeggen dat er maar weinig ontwikkelingen mogelijk zijn, maar ontwikkelingen in de topgebieden worden gekoppeld aan de cultuurhistorische hoofdstructuur en elementen, waardoor deze versterkt worden of in ieder geval bewaard blijven. 

Hummelo wordt omgeven door het bosrijke landgoed Enghuizen. Het grootste deel van het Stokhorsterpark is nu nog een akker die bij het landgoed hoort. Door het gebied ligt een restant van de historische route tussen Hengelo (Gld) en Doesburg die hier nog altijd loopt. De locatie ligt ingeklemd tussen een dorpsuitbreiding van decennia geleden en de recent aangelegde rondweg. Gezien voorgaande zijn de cultuurhistorische waarden van dit gebied relatief beperkt en weinig zichtbaar. Het stedenbouwkundig plan is ruim opgezet, waardoor veel open en groene ruimte overblijft. Daarnaast is rekening gehouden met het behoud van zichtlijnen op het open IJssellandschap. Het Doesburgsepad gaat functioneren als landschappelijke drager van het Stokhorsterpark. De Zutphenseweg wordt ter hoogte van het besluitgebied heringericht, maar blijft behouden. Deze historische structuur blijft hierdoor intact.

2.5.5 Welstandsnota

De herziening van de Woningwet, die 1 januari 2003 in werking is getreden, heeft ondermeer als doel, het inzichtelijk maken van de beoordeling van de aanvragen voor bouwplannen door de welstandscommissie. Die beoordeling zelf is niet veranderd en betreft 'de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in zijn omgeving, van het bouwwerk op zichzelf en van de toegepaste details, materialen en kleuren'. Nieuw is de vaststelling van de nota door de gemeenteraad.

De welstandsnota bevat de criteria die gelden bij de beoordeling van bouwplannen door de welstandscommissie. De reden voor dit nieuwe beleidsinstrument is én de gemeenteraad én de burger te betrekken bij het welstandsbeleid, zodat dit beleid voor eenieder inzichtelijk wordt.

De formulering luidt, dat de plannen moeten voldoen 'aan redelijke eisen van welstand'. Thans is het al lang niet meer zo dat overal op dezelfde wijze naar de plannen wordt gekeken; eerst wordt de aanvraag al getoetst aan het bestemmingsplan; in nieuwe plangebieden bepalen daarnaast beeldkwaliteitplannen waaraan de bouwplannen moeten voldoen. In beschermde stads- en dorpsgezichten wordt speciaal gelet op het historische kader. Wat 'redelijk' is voor welstand, hangt dus af van het kader waarbinnen de plannen worden getoetst.

De nota brengt samenhang in die toetsingskaders en de daarbij behorende criteria en presenteert deze overzichtelijk en inzichtelijk. Met vaststelling van de welstandsnota door de gemeenteraad kan de welstandsbeoordeling alleen nog maar gebaseerd worden op de criteria die in de welstandsnota worden genoemd.

Toetsing

In paragraaf 3.1.2.2.1 is ingegaan op het aspect welstand en de welstandsnota. De welstandseisen voor voorliggend besluitgebied zullen worden vastgelegd in een beeldkwaliteitsplan.

2.5.6 Groenstructuurplan

Het "Groenstructuurplan voor het openbaar groen" heeft tot doel om vanuit een gezamenlijke visie de gewenste groenstructuur en de gewenste kwaliteit van het groen vast te leggen en zowel kwantitatief als kwalitatief in stand te houden. Het in 2008 vastgestelde groenstructuurplan heeft een looptijd van 15 jaar en fungeert als toetsingskader voor het behouden, verwerven en afstoten van het groen. Het plan is ontwikkeld op basis van de ambities van de verschillende sleutelfiguren (onder andere ambtelijk apparaat, burgers, bestuur) in het openbaar groen. Samen hebben zij de inhoud bepaald. Het geeft een kader voor ontwerpen, inrichtingsvoorstellen en beheerplannen, levert randvoorwaarden voor de beleids- en beheerplannen voor alle deelproducten en behartigt het openbaar groen in de dorpen en de kernen in de gemeente, inclusief de sportcomplexen en begraafplaatsen die in de dorpen of kernen liggen of er aan grenzen. Tevens bevat het een aantal uitgangspunten voor het bereiken van de doelstelling.

Toetsing

De toekomstige woonwijk wordt zeer groen ingericht. Bijna driekwart van het besluitgebied bestaat uit openbaar en semi-openbaar (= gemeenschappelijk) groen. Met de realisatie van een parkzone aan de westzijde, wordt voorzien in een robuuste landschappelijke groenstructuur. De gemeente is verantwoordelijk voor het beheren en instandhouden van deze groenstructuur.

2.5.7 Samen voor biodiversiteit

Bronckhorst kent een prachtig buitengebied met een grote variatie in landschappen. De natuur is overal om ons heen te vinden. Maar de natuur is aan het veranderen. De diversiteit gaat hard achteruit. Het aantal soorten en de verspreiding ervan neemt af, tegelijkertijd zien we het aantal plaagsoorten toenemen. En het besef groeit dat de biodiversiteit van levensbelang is voor ons. De gemeente Bronckhorst ziet het keren van de achteruitgang als een essentiële taak om samen met inwoners op te pakken. Daarom heeft de raad van Bronckhorst op 31 oktober 2019 het beleidsplan 'Samen voor biodiversiteit' vastgesteld.

Lange termijn

De verbetering van de biodiversiteit vraagt om een lange termijn visie. Dit is een verandering van denken en handelen. Het herstel van het ecosysteem is een proces waar soms jaren van investering aan vooraf gaat. Dit vraagt van gemeente en samenleving om investering, vertrouwen en geduld. We richten ons daarom op vier sporen;

− verankering van het thema biodiversiteit in het gemeentelijk beleid (ruimtelijke processen)

− verankering van het thema biodiversiteit in het gemeentelijk beheer (beheer)

− vergroten van bewustwording en handelen (communicatie en participatie)

− activiteiten die bijdragen aan het vergroten van de biodiversiteit (projecten)

Huidige trend: verarming van de biodiversiteit

De toenemende druk op het gebruik van de buitenruimte, veranderingen in het klimaat en veranderingen in beheer hebben de laatste decennia een verarming van de biodiversiteit teweeg gebracht. Insecten verdwijnen, een groot aantal vogelsoorten neemt af en plantensoorten verdwijnen. Landschapselementen en akkerranden die voorheen vaak een onderdeel vormde van de agrarische bedrijfsvoering staan onder druk. Tegelijkertijd zien we het aantal ongewenste exotische invasieve soorten toenemen. Ook zien we een verstoring van het ecologisch evenwicht, bijvoorbeeld door de overlast van de eikenprocessierups.

Keer de trend om: Samen voor biodiversiteit!

Het herstel van de variatie aan soorten, ecosystemen en landschappen is van belang voor een rijke natuur en is de basis van ons welzijn. Ook economisch zijn wij afhankelijk van een gezond ecosysteem. Biodiversiteit gaat ons allemaal aan. Met dit plan zetten we de volgende stap om de inzet op het behoud en herstel van de biodiversiteit te vergroten, een structureel karakter te geven en zo de natuurwaarde meetbaar te versterken. Samen met bewoners, ondernemers en bedrijven geven we vanuit de gemeente Bronckhorst richting in een verbetering van de biodiversiteit en het natuurinclusief denken en doen. Dit doen we volgens het principe van 'behouden, versterken en verbinden van leefgebieden'. 

De Soortenatlas die bij het biodiversiteitsplan hoort geeft focus aan de vier sporen van het biodiversiteitsplan.

Toetsing

Ten behoeve van de ontwikkeling is uitgebreid ecologisch onderzoek uitgevoerd. Indien noodzakelijk worden er voor soorten aanvullende maatregelen getroffen. Daarnaast is in het besluitgebied veel ruimte voor groen en daarmee een inrichting die bijdraagt aan biodiversiteit. Het plan is in lijn met het biodiversiteitsplan.

2.5.8 Speelruimteplan

Het Speelruimteplan Gemeente Bronckhorst maakt op basis van demografische ontwikkelingen keuzes voor vermindering van het aantal speelplaatsen en -plekken. Doel is een passen en aantrekkelijke speelruimte die goed verdeeld is over de Bronckhorster jeugd. De landelijke gehanteerde richtlijn voor speelplekken in plattelandsgemeentes is 1 speelplek per 30 tot 100 kinderen. Uit de analyse van onze speelruimte blijkt dat Bronckhorst volgens deze richtlijn ruim bedeeld is wat betreft speelvoorzieningen. Terwijl in Bronckhorst een afname van het aantal kinderen wordt verwacht. Bronckhorst heeft gemiddeld 2,8 speelplekken per 100 kinderen. Wij streven naar het gemiddelde van 1 plek per 100 kinderen als basisniveau voor speelvoorzieningen. Concreet betekent dit voor wijken of dorpen met:

− minder dan ca. 30 kinderen geen traditionele speelplek maar informele speelruimte;

− tussen de ca. 30 tot 100 kinderen een kleine speelplek;

− rond de 100 kinderen een centrale speelplek, met iedere ca. 50 kinderen extra, een kleine speelplek extra. 

Toetsing

In het besluitgebied is op verschillende plekken in de openbare ruimte rekening gehouden met het realiseren van speelvoorzieningen. Dit betreft zowel informele als formele speelplekken. Het plan is in lijn met het speelruimteplan.

2.5.9 Handreiking inrichting openbare ruimte

De gemeente Bronckhorst streeft naar een kwalitatief goede openbare ruimte met een inrichting die is afgestemd op de verschillende functies en die we goed in stand kunnen houden. De kwaliteit van de openbare ruimte is gebaat bij samenwerking en onderlinge afstemming tussen alle vakgebieden die zich bezighouden met de openbare ruimte. Leefbaarheid en veiligheid staan daar voorop. Dit geldt zowel bij nieuwe aanleg als reconstructie en herstructurering van de bestaande omgeving.  Hiervoor moeten de juiste randvoorwaarden gehanteerd worden. Daarvoor is er nu het HIOR en geld voor elke ontwikkeling waar eventueel openbare ruimte gemaakt of aangepast wordt. 

Dit HIOR geeft de randvoorwaarden aan voor de inrichting van de openbare ruimte en verzekert daarmee de duurzame functionaliteit en het toekomstige beheer ervan. 

Het gaat om de openbare ruimte die in beheer komt van de gemeente. Dit HIOR is door het bestuur vastgesteld en geeft bindende eisen. Verder is het een uitgangspunt bij overeenkomsten met externe partijen. Wanneer de in dit handboek gehanteerde eisen, voorwaarden, maten of andere uitgangspunten afwijken van de genoemde landelijke normen, richtlijnen of bepalingen, dan prevaleert dit handboek. Ontwerpen blijft altijd maatwerk. Het is mogelijk dat zich een situatie voordoet, waarbij er gegronde redenen zijn om van de eisen af te wijken. In overleg met de gemeente kan, als het goed gemotiveerd is, worden afgeweken van de inrichtingseisen. 

Deze inrichtingseisen beschrijven de basiskwaliteit van de openbare ruimte.   

Omdat de openbare ruimte constant in ontwikkeling is net als de kaders die zijn gesteld ten aanzien van het ontwerp, zijn de inrichtingseisen dynamisch vormgegeven. Dit betekent dat deze van tijd tot tijd worden herzien.

Toetsing

De toekomstige inrichting van de openbare ruimte zal voldoen aan de HIOR.

2.5.10 Verkeersbeleid

Op 28 juni 2007 heeft de gemeenteraad het Gemeentelijk Verkeer en Vervoerplan (GVVP) vastgesteld. Dit plan geeft zodanig sturing aan de ontwikkeling van de mobiliteit dat de kwaliteit van zowel de bereikbaarheid, de leefbaarheid als de verkeersveiligheid in de gemeente wordt gewaarborgd.

Het GVVP is van cruciaal belang omdat hierin de toekomstige beleidskaders voor de gemeente Bronckhorst zijn vastgelegd. Er is onderscheid gemaakt in de volgende thema's:

− Verkeersveiligheid: eenduidige inrichting van wegen volgens de duurzaam veilig filosofie.

− Bereikbaarheid: definiëren van verkeersaantrekkende locaties (woon, werk of bijvoorbeeld recreatieve locaties), benoemen van routes tussen hoofdwegen en deze verkeersaantrekkende locaties, beschrijven van bereikbaarheidsniveaus, prioriteren van locaties.

− Leefbaarheid: benoemen van kwetsbare gebieden en robuuste wegen, beschrijven van acceptabele grenzen voor intensiteit, milieu en geluid en benoemen van voorwaarden.

In 2013 is dit GVVP geëvalueerd wat tot een aantal aanpassingen in het plan heeft geleid. 

Toetsing

In paragraaf 2.1.3.2.13 is het voorliggende plan getoetst aan het aspect verkeer. Geconcludeerd wordt dat de toekomstige verkeersbewegingen veilig kunnen worden afgewikkeld op het bestaande wegennet. Daarnaast is het plan in paragraaf 2.1.3.2.4 getoetst aan het aspect geluid. Geconcludeerd is dat het plan voldoet aan de kaders voor het aspect geluid. 

2.5.11 Parkeerbeleid

Op 16 december 2013 hebben burgemeester en wethouders de beleidsregels 'Parkeernormen Gemeente Bronckhorst' vastgesteld. Deze beleidsregels zijn op 25 december 2013 in werking getreden. De beleidsregels bevatten parkeernormen die dienen als toetsingskader voor het opstellen van ruimtelijke plannen en waar initiatiefnemers van ruimtelijke activiteiten aan moeten voldoen.

De parkeernormen geven aan hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn voor een bepaalde functie. Het kan gaan over woningen, kantoren en supermarkten maar bijvoorbeeld ook over een camping of een manege. Iedere functie heeft een eigen parkeernorm. De normen die in deze beleidsregels zijn opgenomen komen uit publicatie "kencijfers voor parkeren en verkeersgeneratie" van het CROW. Niet alle functies zijn opgenomen in de beleidsregels. Voor functies die niet in de beleidsregels staan hanteren wij als uitgangspunt de maximale norm uit de CROW publicatie 'kencijfers voor parkeren en verkeersgeneratie'.

Bij nieuwe ontwikkelingen of functieveranderingen moet gekeken worden naar het benodigde aantal parkeerplaatsen voor de nieuwe situatie. Is er sprake van een geheel nieuwe situatie dan moet de berekende parkeervraag in zijn geheel toegevoegd worden. Wanneer er sprake is van een functieverandering dan moet het verschil in parkeervraag tussen oude en nieuwe situatie worden toegevoegd. Vraagt de nieuwe functie om minder parkeerplaatsen dan hoeven de, eventueel, te veel aanwezige parkeerplaatsen niet verwijderd te worden.

Toetsing

Bij het bepalen van de parkeernorm wordt rekening gehouden met het type woning, de doelgroep die daarin komt te wonen en het verwachte autobezit. In het Stokhorsterpark wordt minimaal 70% van de woningen betaalbaar tot zeer betaalbaar. In het plan wordt daarom gemiddeld van een lagere parkeernorm uitgegaan dan in nieuwbouwwijken met veel dure vrije sectorwoningen. Hierbij wordt afgeweken van de parkeernormen uit het gemeentelijk parkeerbeleid. Het gemeentelijke parkeerbeleid biedt die ruimte voor maatwerk. Daar komt bij dat de CROW-norm, waar het gemeentelijke beleid op is gebaseerd, recent neerwaarts is bijgesteld. De gehanteerde normen en de bijbehorende parkeerbalans zijn opgenomen in paragraaf 2.1.3.2.13.

2.5.12 Beleidsvisie Externe Veiligheid Inrichtingen

Uitgangspunt van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen ervan beperken. Externe veiligheid krijgt daarom een belangrijke plaats het omgevingsplan. In dit plan stelt de gemeente regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling houdt ook in dat ze voldoende rekening houdt met het belang van een veilige leefomgeving. Gemeenten moeten de normen uit de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving in het Omgevingsplan vertalen. Deze instructieregels zijn in paragraaf 3.1.9. beschreven. 

Voor de totale gemeente Bronckhorst heeft de gemeenteraad op 25 september 2008 een Beleidsvisie Externe Veiligheid Inrichtingen vastgesteld. De ambitie van de gemeente is om “de gemeente Bronckhorst in subjectieve en objectieve zin veiliger te maken in samenwerking met alle partners”.De belangrijke beleidskeuzes zijn als volgt: 

Plaatsgebonden risico

In aansluiting op de ambitie is het plaatsgebonden risico het minimale beschermingsniveau die aan personen geboden moet worden. Gezien het wettelijke kader en de kosten die een passende oplossing met zich meebrengt, is het niet realistisch om de risico's voor de reeds aanwezige beperkt kwetsbare objecten, gelegen binnen de gestelde norm, te beperken. Binnen de gemeente Bronckhorst wordt de hoogst mogelijke bescherming van de kwetsbare objecten gegeven zonder de bestaande knelpunten direct te saneren. 

Bescherming nog te realiseren beperkt kwetsbare objecten:Beperkt kwetsbare objecten zijn binnen de richtwaarde toegestaan. Er wordt gestreefd (bij beslissingen Wet op de Ruimtelijke Ordening of Wet milieubeheer ) om de risico's zoveel mogelijk te beperken en eventueel te saneren. Nieuwe nog te realiseren beperkt kwetsbare objecten worden binnen de gestelde richtwaarde niet toegestaan. 

Groepsrisico

De visie van de gemeente Bronckhorst is om de gemeente in subjectieve en objectieve zin veiliger te maken. Bij deze visie sluit de beleidsmogelijkheid toename van het groepsrisico is niet toegestaan het meest aan. In deze situatie kunnen er geen nieuwe onveilige situaties ontstaan en zullen reeds aanwezige onveilige situaties worden bevroren. 

Een zeer groot nadeel is, dat deze visie voor bedrijven waarvoor het beleid van toepassing is een grote beperking oplegt. Reeds bestaande bedrijven kunnen door het hanteren van de deze ambitie niet meer uitbreiden en nieuwe (externe veiligheidrelevante) bedrijven kunnen zich niet binnen de gemeente vestigen. Daarnaast leidt deze ambitie ertoe dat er binnen de invloedssfeer van de inrichting geen planontwikkeling mogelijk is. Het realiseren van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten is niet mogelijk en het veranderen van bestemmingen is alleen nog mogelijk indien dit geen negatieve gevolgen heeft voor de risico's. Daarnaast is het de vraag of de algemene visie van de gemeente Bronckhorst strikt toegepast moet worden voor alle gebieden van de gemeente. 

Om de algemene visie van de gemeente Bronckhorst te volgen en tegemoet te komen aan de nadelen, wordt een gebiedsgerichte benadering toegepast die onderscheidt maakt in: 

Ruimte voor wonen: woongebieden, landelijk gebied, gemengd wonen en werken

Voor de woongebieden, het landelijk gebied en gemengd wonen en werken biedt de gemeente Bronckhorst de maximale bescherming aan (beperkt) kwetsbare objecten, ook als dit ten koste gaat van de ontplooiingsruimte van bedrijven. Voor deze gebieden is een toename van het groepsrisico niet toegestaan. Bij een beoordeling van een planontwikkeling of een aanvraag voor een Wet milieubeheer vergunning kan blijken dat het aantal personen in een invloedsgebied toeneemt maar dat de kans op een calamiteit of door een vergroting van de zelfredzaamheid de risico's ter plaatse afnemen. Het is in die situaties niet logisch om deze veranderingen niet door te voeren. In die gevallen is een toename van het groepsrisico toegestaan tot de oriëntatiewaarde onder de voorwaarde dat de risico's worden verbeterd ten opzichte van de dan geldende situatie ten gevolge van pro-actieve of preventieve maatregelen. 

Ruimte voor bedrijvigheid: bedrijven en industrieterreinen

Voor de gebieden waarvoor een bestemmingsplan is vastgesteld met de bestemming bedrijventerrein c.q. industrieterrein wordt gestreefd naar een optimale combinatie van gewenste ruimtelijke en economische ontwikkelingen. Daarbij zijn er mogelijkheden om te wonen en te werken waarbij bedrijven de mogelijkheid hebben om zich te vestigen en activiteiten te ontplooien. Voor dit gebied “ruimte voor bedrijvigheid” legt het hanteren van de algemene visie een ongewenst grote beperking op. Om deze reden mag in deze gebieden het groepsrisico toenemen tot aan de oriëntatiewaarde. 

Bij een beoordeling van een planontwikkeling of een aanvraag voor een Wet milieubeheer vergunning kan blijken dat het aantal personen in een invloedsgebied toeneemt tot boven de oriëntatiewaarde maar dat de kans op een calamiteit of door het vergroten van de zelfredzaamheid de risico's ter plaatse afnemen. Het is in die situaties niet logisch om deze veranderingen niet door te voeren. In die gevallen is een toename van het groepsrisico toegestaan tot boven de oriëntatiewaarde onder de voorwaarden: 

 

  • a.

    De risico's moeten ten gevolge van pro-actieve of preventieve maatregelen worden verbeterd ten opzichte van de dan geldende situatie. 

  • b.

    Binnen de invloedssfeer van de inrichting mogen uitsluitend nieuwe beperkt kwetsbare objecten worden gerealiseerd. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet binnen de invloedsfeer van de inrichting worden gerealiseerd. 

  • c.

    De oriëntatiewaarde mag worden overschreden. Het totaal aantal personen dat zich in de invloedssfeer bevindt in kwetsbare objecten mag de oriëntatiewaarde niet overschrijden. Een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het aantal personen in kwetsbare objecten is niet toegestaan. 

Toetsing

In paragraaf 2.1.3.2.8 is het voorliggende project getoetst aan het aspect omgevingsveiligheid. Hier wordt geconcludeerd dat het project voldoet aan de kaders voor het aspect omgevingsveiligheid.

2.5.13 Duurzaamheidsbeleid

Op 28 maart 2019 heeft de gemeenteraad de "Routekaart Energieneutraal Bronckhorst 2030" vastgesteld. Gelijktijdig is besloten om het "Koersdocument Duurzame energie in de Achterhoek; zichtbaar, merkbaar, onmiskenbaar" vast te stellen en om deel te nemen aan het “Fonds stimulering energietransitie Achterhoek” en ten behoeve van de oprichting en het beheer van dit fonds een stichting op te richten en een fondsbeheerder aan te stellen.

Routekaart

Het einddoel is dat de gemeente Bronckhorst in 2030 net zoveel duurzame energie opwekt als deze in totaal aan energie verbruikt. Het energieverbruik vermindert met 45% ten opzichte van het verbruik in 2015. De rest van de energie die wel wordt verbruikt, komt in zijn geheel uit duurzame (lokale) bronnen. Het doel 2030 energieneutraal staat vast. Met deze Routekaart stelt Bronckhorst tevens twee tussendoelen vast.

− Doel 2022: 15% schone energieopwekking en 10% besparing energieverbruik

− Doel 2026: 45% schone energieopwekking en 25% besparing energieverbruik

− Doel 2030: 100% schone energieopwekking en 45% besparing energieverbruik

In de Routekaart is gekozen voor een combinatie van duurzaam opwekken van stroom en het winnen van warmte uit diverse bronnen. Bronckhorst zet nadrukkelijk in op alle mogelijk duurzame bronnen. Diverse scenario's van een goed gebalanceerde energiemix zijn mogelijk.

Om de doelstelling te halen is verbreding van de samenwerking met inwoners en ondernemers noodzakelijk. Ook de dorpsbelangenorganisaties, energiecooperaties en maatschappelijke organisaties in Bronckhorst hebben een cruciale rol in de energietransitie. Zij krijgen een rol in een "Raad van Inspiratie" om hen te betrekken bij de uitvoering van de Routekaart. Alle partijen dragen immers bij aan deze verandering.

De gemeente neemt een belangrijke rol op zich door te informeren, stimuleren, faciliteren en zelf het goede voorbeeld te geven. Draagvlak en draagkracht staan daarbij centraal, omdat de gemeente graag wil dat de stappen op de Routekaart voor iedereen haalbaar en betaalbaar zijn. De Routekaart schept een kader, die voor uitvoering nader uitgewerkt zal worden:

− Het streven naar inzet van alle geschikte daken voor het opwekken van zonne-energie.

− Het streven naar kleinere zonneparken op land (rond 2 ha) die goed ingepast kunnen worden en een groot zonneveld (>10 ha), zodat Liander de infrastructuur hierop kan aanpassen.

− Het uitdagen van initiatiefnemers om zich maximaal in te zetten voor een meervoudig grondgebruik, met landbouw, natuur of andere geschikte doeleinden.

− De keuze voor windmolens in clusteropstelling en geen medewerking aan solitaire windmolens. Om het aantal zoveel mogelijk te beperken, is het streven gericht op grotere efficiente varianten.

− Bij windmolens is lokale participatie en eigendom van burgers en bedrijven een randvoorwaarde. Partijen werken gelijkwaardig samen in de ontwikkeling, bouw en exploitatie, zoals uitgesproken in het klimaatakkoord.

− Gezien het verdienmodel van grootschalige opwek moet de opbrengst zoveel mogelijk ten goede komen aan de lokale omgeving.

− Kleine windmolens voor eigen gebruik zijn, met uitzondering van woonwijken, toegestaan tot twee per perceel op het bouwblok.

− Minimaal 50% lokaal eigendom van zonnevelden en windenergie. Deze eigendomsverdeling (50% van de productie voor de lokale omgeving) is een harde eis voor medewerking.

− Een inspanningsverplichting voor de participatie in de planvorming van omwonenden van energieprojecten.

− Een inspanningsverplichting voor de participatie in de financiële revenuen van een zonnepark of windproject door de mogelijkheid van individueel mede-eigenaarschap en door een omgevingsfonds. Het omgevingsfonds wordt door de initiatiefnemers met een redelijk bedrag gevuld. Een lokaal bestuur kan met deze bijdrage investeren in de leefbaarheid van de directe omgeving of in duurzame projecten.

Koersdocument

Het Koersdocument is de basis waarop initiatieven voor duurzame energieopwekking worden getoetst en deze ruimtelijk worden ingepast. Het biedt inwoners en lokale initiatieven en ondernemers de mogelijkheid om mee te doen en mee te kunnen beslissen bij projecten voor duurzame energieopwekking in hun buurt. Daarnaast geeft het initiatiefnemers een handelingsperspectief waarmee zij projecten voor duurzame energieopwekking tot ontwikkeling kunnen brengen in de gemeente Bronckhorst. Het Koersdocument draagt daarmee bij aan het intensiveren van de beweging naar een energieneutraal Bronckhorst in 2030. Met dit Koersdocument wordt een zeer belangrijke stap gezet om invulling te gegeven aan de Routekaart.

Aanjaagfonds

Het Aanjaagfonds dient als aanjager en financieel middel voor lokale initiatieven. Met dit fonds kan de ontwikkelkosten van lokale (Achterhoekse) inwoners initiatieven voor duurzame energieopwekking worden voorgefinancierd en wordt de slagingskans van deze projecten vergroot. Bij de ontwikkelkosten vallen ondermeer de kosten voor de MER, vergunningen, technisch ontwerp, financieel en juridisch). Het is een fonds waar de lokale initiatieven gebruik van kunnen maken en bij realisatie van duurzame energieprojecten zij het weer terug moeten storten in het Aanjaagfonds.

Samenhang Routekaart, Koersdocument en Aanjaagfonds

De Routekaart is een realistisch en daadkrachtig plan om samen met alle betrokkenen aan de slag te gaan met de energietransitie. De Routekaart beschrijft de weg naar Bronckhorst energieneutraal in 2030 en vormt de start voor de uitvoering. Het Koersdocument en het Aanjaagfonds zijn instrumenten om invulling te geven aan het behalen van de doelstelling. Het Koersdocument is de basis waarop we initiatieven voor duurzame energieopwekking willen toetsen en ruimtelijk willen inpassen. Het biedt inwoners, lokale initiatieven en ondernemers de mogelijkheid om mee te doen en mee te beslissen bij projecten voor duurzame energieopwekking in hun buurt. Het Aanjaagfonds is een instrument die voor lokale initiatieven het financieel mogelijk maakt om duurzame energieprojecten te realiseren. We helpen hen daarmee om een versnelling in de duurzame energieopwekking op gang te brengen.

Toetsing

Het Stokhorsterpark staat voor verantwoord materiaalgebruik. De sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en Samen Thuus voldoen aan de grenswaarde van 0,8 per m² bruto vloeroppervlak uit de MilieuPrestatie Gebouwen (MPG). Voor de overige woningen ligt de lat hoger. Het streven is om die woningen voor 30% uit biobased materialen zoals plantaardige vezels, hout, stro, vlas en hennep te laten bestaan.

2.5.14 Waterbeleid

De gemeente Bronckhorst sluit ten aanzien van waterhuishouding aan op het rijksbeleid, zoals vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022-2027, het Waterbeleid voor de 21e eeuw en het beleid van het Waterschap Rijn en IJssel (WRIJ) ten aanzien van integraal waterbeheer, zoals vastgelegd in de Watervisie 2030, het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Waterverordening.  

Verordening op de afvoer van Hemelwater gemeente Bronckhorst 2022 (Hemelwaterverordening) 

Om het risico op wateroverlast bij bedrijven en inwoners te beperken houdt de gemeente Bronckhorst vast aan de ambitie uit het oude watertakenplan om in 2050 30% van het verhard oppervlak, ten opzichte van de peildatum 1 januari 2018, dat loost op een gemengd rioolstelsel afgekoppeld te hebben. Dat komt overeen met 2,2 ha per jaar. Volgens de KNMI valt er de komende decennia tijdens buien steeds meer water. Zowel de piek als het totaal volume per bui neemt toe. Door het afkoppelen van 30% van het verhard oppervlak daalt tijdens een bui zowel het totaal volume als de piek van het af te voeren afvalwater Met de vaststelling van de Hemelwaterverordening heeft de gemeente een juridisch kader waarmee zij inwoners kan verplichten mee te werken aan het afkoppelen van hemelwater. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet maakt deze verordening van rechtswege onderdeel uit van het Omgevingsplan.  

De Hemelwaterverordening regelt dat het college van burgemeester en wethouders gebieden kunnen aanwijzen waar afkoppelen verplicht is. Zolang het college deze gebiedsaanwijzing nog niet heeft gedaan, is deze verordening alleen van toepassing op alle nieuwe bouwwerken en bouwwerken die vanaf 2012 zijn gebouwd. Ook is de verordening meteen van toepassing op gebouwen die vanaf de inwerkingtreding van deze verordening ingrijpend gerenoveerd worden, een groter bebouwd oppervlak en/of er bouwlagen bij krijgen.  

Watertakenplan Olburgen 2023-2027   

Dit watertakenplan (WTPO) beschrijft de water- en rioleringsaspecten voor de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de uitvoeringsprogramma’s van Bronckhorst, Doesburg en Rheden.  

Met de Omgevingswet vervalt de plicht voor een gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Gemeenten en waterschap houden wel de zorgtaken voor water, riolering en zuivering. Beleid en plannen blijven nodig, maar hoeven niet meer apart vastgesteld te worden. Dit wordt onderdeel van de ‘nieuwe documenten’ van de Omgevingswet. Voor gemeenten zijn dat de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de programma’s. Het waterschap heeft het waterbeheerprogramma en de waterschapsverordening. 

Het WTPO bestaat uit vier onderdelen:  

− een visie op water die opgenomen kan worden in de omgevingsvisie,

− een voorstel voor regels in het omgevingsplan,

− een water-/rioleringsprogramma voor de komende planperiode                                                             

− en een kostendekkingsplan ter onderbouwing van de rioolheffing. 

Gezamenlijk plan

De rioleringen van Bronckhorst, Doesburg en Rheden brengen het afvalwater naar de afvalwaterzuivering Olburgen van Waterschap Rijn en IJssel. De rioolstelsels en rwzi vormen samen één afvalwatersysteem. De drie gemeenten en het waterschap werken samen om hun inspanningen op elkaar af te stemmen, van elkaar te leren en gezamenlijke projecten te ondernemen. Zodoende kunnen zij effectiever en efficiënter werken. Bronckhorst, Doesburg, Rheden en Waterschap Rijn en IJssel hebben een gezamenlijke visie en hebben samen één beleidsplan voor het afvalwatersysteem gemaakt: het WTPO. Op onderdelen is het beleid specifiek voor een van de gemeenten of het waterschap. 

Reikwijdte     

Het WTPO gaat over de drie gemeentelijke watertaken (afvalwater, hemelwater en grondwater), de zuiveringstaak van het waterschap (rwzi) en de raakvlakken met het oppervlaktewater, de ruimtelijke omgeving en klimaatadaptatie.

Gebied

Het besluitgebied is het grondgebied van de gemeenten Bronckhorst, Doesburg en Rheden, plus de delen van het afvalwatertransportstelsel van Olburgen die net buiten dit grondgebied liggen. Onder dit laatste valt bijvoorbeeld rioolgemaal Angerlo, dat via Doesburg afvoert naar rwzi Olburgen. Een deel van gemeente Rheden en een klein deel van Bronckhorst voeren water af naar andere rwzi’s en vallen daarmee buiten het afvalwatersysteem Olburgen. Toch zijn ook die gebieden onderdeel van dit WTPO, omdat het plan de gehele rioleringszorg van de gemeenten omvat. 

Klimaatadaptatie        

De risico’s op overstroming worden beperkt door maatregelen van het waterschap en Rijkswaterstaat. De risico’s op wateroverlast wil de gemeente beperken tot de streefwaarden die in 2018 zijn vastgesteld. Dit houdt in dat op alle plekken in de gemeente er elk jaar tot 5% kans is dat er een bui valt die schade veroorzaakt. Om dit te bereiken gaan we op meerdere plekken in gemeente afkoppelen, vijvers aanleggen en leidingen vergroten.

In 2018, 2019 en 2020 kampte we met droogte. Naar verwachting gaat dit vaker voorkomen. Gemeente en waterschap willen samen met bewoners en bedrijven bekijken wat we kunnen doen om problemen te verminderen. Dit is nog niet uitgewerkt in maatregelen.

Door de landelijke groene omgeving geeft hitte nog geen grote problemen in Bronckhorst. Dit willen we zo houden. Daarvoor moeten we zorgen voor voldoende groen, water en schaduw in de kernen. Dit nemen we mee bij alle projecten in de openbare ruimte. Groen en afkoppelen zijn goed te combineren en biedt kansen om de leefomgeving verder te verbeteren.

Toetsing

In paragraaf 2.1.3.2.9 is het voorliggende project getoetst aan het aspect water. Hierin wordt geconcludeerd dat het voldoet aan de kaders voor wat betreft het aspect water.

2.5.15 Prostitutiebeleid

Met ingang van 1 oktober 2000 is tengevolge van wijziging van zedelijkheidswetgeving de opheffing van het algemene bordeelverbod in werking getreden. Met de opheffing van dit verbod is een einde gekomen aan het illegale karakter van deze prostitutiebedrijven. De verwachting bestaat dat van deze wetswijziging een sanerende werking uitgaat en uiteindelijk zal leiden tot een betere regulering van de prostitutiebranche.

Ondanks het feit dat deze bedrijvigheid in Bronckhorst momenteel niet voorkomt, is de opheffing van het bordeelverbod voor de gemeente aanleiding geweest om de eventuele vestiging en exploitatie van de aan de seksindustrie gelieerde bedrijven/activiteiten planologisch nader te reguleren.

In de bestemmingsplannen van Bronckhorst is de vestiging van een seksinrichting in eerste aanleg uitgesloten. Middels een wijzigingsbevoegdheid kan onder voorwaarden het vestigen van maximaal één seksinrichting in een daarvoor aangewezen zone worden toegelaten. Bij het bepalen van die zone is rekening gehouden met de uitstraling die een seksinrichting heeft naar de omgeving.

Toetsing 

In de regels van het TAM-omgevingsplan is opgenomen dat een seksinrichting in het besluitgebied niet is toegestaan. Dit is in lijn met het prostitutiebeleid. 

2.5.16 Gezondheid

Op 23 februari 2023 heeft de gemeenteraad de Nota Lokaal Gezondheidsbeleid 2023-2026, ‘Gezonde keuzes in Bronckhorst’ vastgesteld. Volgens de wet publieke gezondheid is de gemeente verplicht om iedere vier jaar een gemeentelijke nota publieke gezondheid op te stellen. De afgelopen periode is gezondheid als integraal onderdeel van het beleidskader sociaal domein opgenomen. Voor de komende jaren wil de gemeente extra aandacht geven aan preventie en gezondheid. Het meerjarig doel van deze nota gericht op preventie en gezondheid van inwoners is: In 2026 maken meer mensen gezonde keuzes dan dat ze nu doen. Met de Nota geeft de gemeente vorm aan gezondheidsbeleid door een integrale benadering. Vanuit het gedachtengoed van Positieve gezondheid richten we ons hierbij op zowel de sociale als de fysieke leefomgeving en op individueel gedrag. Het gaat naast zorg, ook om welzijnsactiviteiten en specifieke interventies. Denk aan een aantrekkelijke (rookvrije) buitenruimte voor bewegen en ontmoeten. Het gaat ook over toegankelijke voorzieningen, het beperken van werkloosheid en schulden en het creëren van passende en betaalbare huisvesting.

Toetsing 

In paragraaf 2.1.3.2.15 is het voorliggende plan getoetst aan het aspect gezondheid. Hierin wordt geconcludeerd dat het plan voldoet aan de kaders voor het aspect gezondheid.

2.5.17 Hummelse woonboek

In 2024 is het Hummelse woonboek vastgesteld door het dorp Hummelo en het college van burgemeester en wethouders. Het Hummelse Woonboek gaat over de toekomst van het wonen en leven in het dorp Hummelo. Het is de uitwerking van de woonvisie ‘Ruimte voor wonen in Bronckhorst’. Daarin staat dat er in de gemeente ook vooral voor de eigen bewoners zal worden gebouwd. De gemeente gaat uit van ongeveer 50 extra woningen in Hummelo tot 2030. Dat kunnen er meer zijn, afhankelijk van de behoefte in het dorp. Bewoners, ondernemers en grondeigenaren zijn tijdens de Hummelse Charrettes aan de slag gegaan met de vraag: ‘Hoe gaan we Hummelo met ongeveer 50 woningen uitbreiden en wat is er verder nodig om ons mooie dorp klaar voor de toekomst te maken?’

Dit heeft geleid tot de volgende aanbevelingen:

− Breng een treintje op gang: bouwen voor empty nesters en bewoners die intensieve zorg nodig hebben, zodat andere woningen vrij komen voor gezinnen;

− Blijf experimenteren voor betaalbaarheid;

− Ga aan de slag met wonen en zorg;

− Kies voor locaties met een plus: locaties met maatschappelijke en ruimtelijke meerwaarde en waar de eigenaar positief in de wedstrijd zit. De volgende locaties zijn gevonden: Stokhorsterpark, Bergsma aan de Greffelinkallee, de Melkerij, het Hummelse Hofje en Overbeek Doe Normaal;

− Bouw voor eigen bewoners en nieuwkomers.

Toetsing

In het Hummelse woonboek zijn de woningbouwmogelijkheden aangeven voor de kern Hummelo. Het Stokhorsterpark is de belangrijkste en grootste woningbouwlocatie die is opgenomen in het boek.  Met het voorliggende plan wordt hier voorzien in de realisatie van woningen in categorieën waar in Hummelo en de gemeente Bronckhorst behoefte aan is. 

3 Planonderdelen

3.1 Stokhorsterpark, Hummelo

3.1.1 Inleiding
3.1.1.1 Aanleiding

In Hummelo bestaat reeds sinds langere tijd de behoefte nieuwe woningen te realiseren. In samenspraak met inwoners, woningcorporatie Sité, zorgorganisatie Markenheem en grondeigenaren zijn in november 2022 charettes georganiseerd. De charettes dienden tot het gezamenlijk besluiten over de locatiekeuze voor nieuwe woningen en het woningbouwprogramma. Uit de bijeenkomsten kwam het advies naar voren om betaalbare woningen voor jongeren, starters, doorstromers (‘empty nesters’) en inwoners met een zorgvraag te realiseren op de locatie van het Stokhorsterpark.

Zodoende is het voornemen ontstaan om op de locatie Stokhorsterpark, Hummelo een woningbouwontwikkeling mogelijk te maken. Het Stokhorsterpark betreft een locatie van circa 4,6 hectare aan de westzijde van de kern Hummelo. De beoogde woningbouwontwikkeling bestaat uit maximaal 65 woningen bedoeld voor een diverse groep van sociale huurders, starters, doorstromers en inwoners met een zorgvraag. Hiermee wordt invulling gegeven aan de woningbehoefte binnen de gemeente Bronckhorst en de kern Hummelo. In de woonwijk zal veel ruimte zijn voor groen, (pluk)tuinen en recreatie. 

Het besluitgebied kent in de huidige situatie de functie ‘Agrarisch’. Hierbinnen zijn geen reguliere burgerwoningen toegestaan. Dit maakt dat de ontwikkeling niet past binnen de juridisch-planologische kaders die ter plaatse gelden op grond van het tijdelijk omgevingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet een wijzigingsbesluit omgevingsplan worden opgesteld. Voorliggend document voorziet in de motivering behorende bij de wijziging van het omgevingsplan.

3.1.1.2 Besluitgebied

Het besluitgebied voor de woningbouwlocatie ligt in Hummelo tussen de Zutphenseweg (N314), Groeneweg en de Stokhorsterweg, grenzend aan de bebouwde kom van Hummelo. De percelen in het besluitgebied staan kadastraal bekend als:

− HML02-D-2403 (Hummelo);

− HML02-D-2405 (Hummelo);

− HML02-D-2406 (Hummelo);

− HML02-D-2421 (Hummelo);

− HML02-D-2422 (Hummelo);

− HML02-D-2597 (Hummelo);

− HML02-D-1316 (Hummelo)

Navolgende afbeeldingen geven het besluitgebied (globaal rood omlijnd) ten opzichte van de omgeving en de globale begrenzing hiervan weer.

afbeelding binnen de regeling
Besluitgebied (globaal rood omcirkeld) ten opzichte van de omgeving (bron: PDOK-Viewer)
afbeelding binnen de regeling
Besluitgebied (globaal rood omlijnd) ten opzichte van de directe omgeving (bron: PDOK-Viewer)

 

3.1.1.3 Vigerende planologische situatie

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn de vigerende bestemmingsplannen automatisch opgenomen in het (tijdelijke) omgevingsplan. Zo ook het bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied Bronckhorst’ dat is vastgesteld door de gemeenteraad van Bronckhorst op 31 maart 2016. Binnen dit bestemminsplan heeft het besluitgebied de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Naast de enkelbestemming zijn er nog de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’,  ‘Waarde – Archeologische verwachting 2’ en ‘Waarde – Archeologische verwachting 3’ aanwezig op het besluitgebied.

afbeelding binnen de regeling
Uitsnede vigerend bestemmingsplan, besluitgebied is rood omkaderd.

 

Binnen de agrarische bestemming is een woningbouwontwikkeling niet toegestaan. Deze bestemming voorziet hoofdzakelijk in het toestaan van agrarische activiteiten, maar ook voor bedrijfswoningen, een solarpark, ijsbaan, waterhuishoudkundige doeleinden etc. Ter plaatse van de archeologische dubbelbestemmingen zijn grenswaarden opgenomen, waarbij bij overschrijding een archeologisch rapport overlegd moet worden waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgelegd.

3.1.2 Initiatief
3.1.2.1 Bestaande situatie

3.1.2.1.1 Ontstaansgeschiedenis

Hummelo is van origine een esnederzetting die later het aanzien van een wegdorp heeft gekregen door de concentratie van bebouwing aan de weg van Zutphen naar Doetinchem. De lintbebouwing van het dorp is nog altijd goed zichtbaar. Al vanaf 828 wordt de plaats vermeld onder de naam 'Humelle' en vanaf de 12e eeuw onder de huidige naam Hummelo (-lo = bos).

Over de structurele ontwikkeling tot in de 19e eeuw is weinig bekend; wel zal de dorpskerk, gelegen voor de afslag naar Laag-Keppel en al in 1328 genoemd, een rol bij de concentratie gespeeld hebben. In 1817 zijn de belangrijkste gebouwen de kerk, de school en de 'Gouden Karper', één van de oudste hotels uit de streek, ontstaan. Rond de vorige eeuwwisseling kende het dorp een tramverbinding. Het goederenvervoer per spoor bleef tot de jaren 1950.

De kern ligt nabij het landgoed Enghuizen. Aan kasteel Enghuizen herinneren alleen nog de natuurstenen brokstukken op het landgoed.

Hummelo heeft zich in eerste instantie in de jaren 1950 en 1960 uitgebreid in noordwestelijke richting tussen de Zutphenseweg (N314) en de Keppelseweg (N814). In de jaren 1990 heeft het dorp zich in zuidelijke richting uitgebreid tussen de Dorpsstraat en de (N314) en de Keppelseweg (N814) waarbij de Zelhemseweg (N330) als afbakening fungeert.

afbeelding binnen de regeling
Hummelo omstreeks 1910, 1955 en 1990.

Een deel van dorpskern is op 14 september 1993 aangewezen als Rijksbeschermd Dorpsgezicht. De status van beschermd dorpsgezicht heeft als doel om het kenmerkende historische karakter te beschermen. Om die reden geldt voor dit gebied een beschermende planologische regeling.

3.1.2.1.2 Ruimtelijke structuur en functionele structuur

Het besluitgebied is gelegen aan de westzijde van de kern Hummelo en ten oosten van de Zutphenseweg. De directe omgeving van het besluitgebied wordt hoofdzakelijk gevormd door agrarische percelen aan de zuid-, west- en noordzijde en grondgebonden woningen aan de oostzijde. Het besluitgebied wordt in de huidige situatie gebruikt voor het verbouwen van gewassen en vormt de overgang van de kern Hummelo richting het buitengebied. 

afbeelding binnen de regeling
Impressie huidige situatie van het besluitgebied gezien vanaf de kruising Groeneweg-Zutphenseweg (bron: GoogleMaps)

 

3.1.2.1.3 Hydrologie

Kenmerkend voor het grondgebied van Bronckhorst zijn de vele beeklopen en watergangen. Het landschap is een landschap van laaglandbeken verdeeld in diverse kleine stroomgebieden. Veel beken ontspringen net over de grens in Duitsland en stromen vandaar in westelijke richting naar de IJssel, maar sommige ontspringen in het gebied zelf. Het water heeft het landschap gevormd tot 30 à 40 jaar geleden. Vanaf die tijd zijn de waterlopen zo onder controle gebracht via kaden en stuwen dat water ongeacht de hoogte van (piek) afvoer in het stroombed blijft. Daarmee hebben veel waterlopen hun oorspronkelijke karakter, waar in meer of mindere mate van meandering sprake was, verloren.

Tussen de Zutphenseweg en het besluitgebied is een greppel aanwezig om overtollig hemelwater op te kunnen vangen. Verder zijn er op en rondom het perceel geen kavelsloten en greppels aanwezig om het regenwater van het perceel af te voeren. Alle hemelwater infiltreert ter plaatse in het besluitgebied. 

3.1.2.1.4 Landschaps- en natuurwaarden

De ruimtelijke structuur van het landelijk gebied is te kwalificeren als een essen/enken- en kampenlandschap. Karakteristiek voor dit landschapstype zijn onder andere de bolle ligging van de gronden, de zichtbare hoogteverschillen in de vorm van steilranden, het kronkelige verloop van wegen, de verspreide bebouwing op de kampen en de lintbebouwing rondom de essen of enken. Deze lintbebouwing is in enkele gevallen uitgegroeid tot buurtschappen met een eigen identiteit. De openheid van het landschap wordt afgewisseld met bomenrijen en bosschages. Voorliggend besluitgebied ligt op de rand van de kern Hummelo en het landelijk gebied. Gezien deze ligging kan middels een ontwikkeling een sterkere en geleidelijke landschappelijke afronding worden gerealiseerd. Hierin doe zich kansen voor landschap en natuur.

3.1.2.1.5 Archeologie en cultuurhistorie

Cultuurhistorie

Het landschap is een bron van informatie over het verleden. Het landschap ontleent haar cultuurhistorische waarde aan de sporen die door menselijke activiteiten, zoals bouwen, bemesten en ontginnen, zijn achtergelaten. Het landschap en de landschappelijke basis vormen een archief vol aanwijzingen over het leven en werken van mensen in vroeger tijden. Voorbeelden zijn molens, grafheuvels, poelen, enkeerdgronden en escomplexen. Beeldbepalend in het buitengebied is ook (nog steeds) de sterke verwevenheid van natuur en landbouw: cultuurgronden, bossen en landschapselementen zoals houtwallen, bosjes, solitaire bomen, poelen, zandwegen, bloemrijke bermen, slootkanten en steilranden wisselen elkaar af.

Voorliggend besluitgebied betreft een agrarisch perceel tussen de kern en de rondweg. Door de ligging van de weg kent het besluitgebied weinig binding met het landelijk gebied. Het besluitgebied is verder ook niet gelegen op cultuurhistorisch waardevolle gronden.

Archeologie

Op de Oostnederlandse zandgronden waarop het besluitgebied ligt bestaat een zeer sterke relatie tussen bepaalde landschappelijke eenheden en het voorkomen van archeologische resten. In het verleden werden bijna zonder uitzondering droge, hoger gelegen zandgronden gebruikt om te wonen, te werken en te begraven. Het gebied werd in het verleden gekenmerkt door een zeer grote afwisseling tussen hoge droge en vochtige natte gebieden binnen een relatief kleine oppervlakte. Deze afwisseling bood de bewoners een breed scala aan vestigings- en bestaansmogelijkheden. Tot aan het begin van de Late Middeleeuwen werden vrijwel zonder uitzondering alleen de hoger gelegen, goed ontwaterde zandgronden in de nabijheid van het open water bewoond, waaronder de dekzandruggen, de rivierduinen en de droge delen van de stuwwallen. De laag gelegen delen waren nagenoeg onbewoonbaar door het ontbreken van een gereguleerde waterhuishouding. De oudste droge bewoningsplekken herbergen dan ook vaak een waardevol bodemarchief. De lagere delen zijn over het algemeen in archeologische zin weinig waardevol.

De archeologische verwachtingswaarde van het gebied zijn opgenomen in het bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied Bronckhorst’, welke is opgenomen in het (tijdelijk) Omgevingsplan. Hieruit volgt dat het besluitgebied grotendeels is gelegen binnen de ‘Waarde - Archeologische verwachting 1’.  Dit betekent dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 250 m2 de aanvrager een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.

3.1.2.2 Randvoorwaarden

3.1.2.2.1 Beeldkwaliteitseisen

In de welstandsnota van de gemeente Bronckhorst is opgenomen welke criteria ten grondslag liggen aan elke planbeoordeling. Deze criteria vormen daarmee een onderlegger voor gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. Het besluitgebied is volgens de welstandsnota gelegen in de zone ‘Agrarisch buitengebied'.

Kenmerken ‘Agrarisch buitengebied’

Het agrarisch buitengebied van de gemeente Bronckhorst heeft een gevarieerd landschap, van open gebieden langs de IJssel tot meer besloten landschappen met landgoederen en beekdalen. Traditionele agrarische bebouwing, zoals hallehuizen, T-boerderijen en krukhuisboerderijen, zijn typerend voor de regio. Tegenwoordig zijn er ook modernere agrarische bedrijven met grotere schuren, maar het aantal functionerende agrarische complexen is afgenomen. De bebouwing bestaat vaak uit een tot twee bouwlagen met zadeldaken, rode bakstenen gevels en grijze dakpannen. Daarnaast zijn er ook burgerwoningen, bedrijven zonder agrarische functie en recreatiegebieden te vinden. Historische details zoals segmentbogen en versieringen komen bij sommige boerderijen voor.

Criteria agrarisch buitengebied

In de welstandsnota staan een aantal welstandscriteria beschreven. Het reikt te ver om alle welstandscriteria hier te benoemen. In het kort worden er eisen gesteld aan de situering, massa en vorm, materiaal en kleurgebruik en detaillering.

Situatie besluitgebied

Met voorliggend plan worden agrarische gronden aan de rand van de kern Hummelo ontwikkeld naar woningbouw. Hierbij is veel aandacht voor (openbaar) groen, waterberging, cultuurhistorie en natuur. De woningen zullen ook qua kleur, schaal en materiaalgebruik aansluiten bij de omgeving. Geacht wordt dat dit een positieve invloed heeft op de omgevingskwaliteit binnen en rondom het besluitgebied. De gemeente is initiatiefnemer voor voorliggend plan, waardoor Welstand vroegtijdig is betrokken bij de planvorming. Als onderdeel van het stedenbouwkundigplan is een beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie bijlage 1). Hierin zijn voorwaarden opgenomen waaraan de bebouwing en omgeving aan zullen moeten voldoen. 

3.1.2.2.2 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing

Ruimtelijke inpassing

Het realiseren van woningbouw op een zorgvuldig gekozen uitbreidingslocatie van de kern Hummelo wordt als een passende invulling voor het besluitgebied gezien. Om de woningen passend in te passen in de omgeving is gekeken naar de positionering, het volume en de uitstraling van de bebouwing. Daarnaast is er aandacht besteed aan het realiseren van een logische, vloeiende ontsluiting richting Hummelo en het buitengebied.

Landschappelijke inpassing

Het besluitgebied is in de huidige situatie in gebruik voor het verbouwen van gewassen. Dit gebruik zal worden beëindigd om de woningbouwontwikkeling mogelijk te kunnen maken. Het voornemen bestaat om als onderdeel van de ontwikkeling een landschapspark aan te leggen. Dit landschapspark wordt gekenmerkt door een afwisseling van een pluk-en voedselbos, bloemrijk grasland, wateropvang, een speelveld en andere kleinschalige voorzieningen waar het dorp behoefte aan heeft.  

Water

Als gevolg van de ontwikkeling worden geen watergangen gedempt of anderszins aangetast. Wel zal als gevolg van de ontwikkeling het verhard oppervlak binnen het besluitgebied toenemen. Bij de planvorming is reeds bekend dat in de aangrenzende wijk De Veldhof problemen rondom water bestaan. Het plan bevat daarom waterhuishoudkundige maatregelen die preventief werken voor waterproblemen binnen en buiten het projectgebied. In het landschapspark is  voldoende waterberginscapaciteit beoogd in de vorm van sloten en poelen, zoals navolgende uitsnede laat zien.

afbeelding binnen de regeling
Beoogde nieuwe waterstructuur in het Stokhorsterpark (bron: Gemeente Bronckhorst, 2025)

 

3.1.2.3 Planbeschrijving

Het voornemen bestaat om op enkele agrarische percelen aan de westzijde van de kern Hummelo woningbouw mogelijk te maken. Het zal gaan om in totaal 65 woningen geclusterd geplaatst in een te realiseren landschapspark. Voor de locatie is een stedenbouwkundig plan opgesteld (Bijlage Stedenbouwkundig plan Stokhorsterpark). De woningen zijn beoogd in verschillende typologieën en voor een diverse doelgroep. In totaal zullen er 5 clusters gerealiseerd worden. De woonclusters hebben de namen (1) De Stokhorst; (2) Het landhuis; (3) Aan de Dorpsstraat; (4) Het nieuwe erf; (5) Parel in het park. Navolgend wordt kort besproken hoe de verschillende beoogde clusters eruit zien.

De Stokhorst

De Stokhorst bestaat uit twee mini-buurtjes met korte rijtjes van drie, vier of vijf woningen. De meeste woningen hebben hun voordeur aan het Doesburgse pad. Elk buurtje heeft bovendien een gemeenschappelijke tuin aan de achterzijde. Daar bevindt zich ook het parkeren. 

Het landhuis 

Het landhuis wordt een kleinschalig appartementengebouw met een prachtig uitzicht over het landgoed. Dit vrijstaande gebouw staat op de plek waar het Doesburgse pad en de Dorpsstraat samenkomen en tekent de herwaardering van deze historische dorpsentree. 

Aan de Dorpsstraat 

Aan de Dorpsstraat draait om het concept ‘erfdelen’ rond een bestaand, karakteristiek woonhuis. De voorzijde van het huis behoudt z’n vrije zicht; de achterzijde komt aan de nieuwe waterberging te liggen. Bovendien is er ruimte voor nieuwe woningen, bedoeld voor vrienden en familie. 

Het Nieuwe Erf 

Het Nieuwe Erf is een gemêleerd woonhofje voor mensen die op een bijzondere plek in Hummelo willen wonen, waar prettig samenleven en omkijken naar elkaar vanzelfsprekend wordt. Groene vingers zijn op een dergelijk hofje onontbeerlijk. Het grootste deel van het erf bestaat uit akkers, graslandjes en moestuinen. Bebouwing en parkeren worden zoveel mogelijk buiten de zichtlijnen van de bungalows gesitueerd.

Parel in het park

De parel in het park is een vrijstaande woning voor een open en bijzonder mens die een duurzame eyecatcher in het voedselbos wil maken.

Programma

Het voorliggende plan ziet op de realisatie van verschillende typologieën woningen voor verschillende portemonnees. Het woningbouwprogramma is als volgt verdeeld:

− circa 12 starterswoningen / sociale huur (tot €900,07 per maand huurgrens 2025);

− circa 16 starterswoningen / sociale koop (tot €260.000,- V.O.N. - prijspeil 2025);

− circa 10 Samen Thuus / huur of sociale koop (tot €260.000,- V.O.N. - prijspeil 2025);

− circa 10 betaalbare woningen (tot €370.000,- V.O.N. - grens 2025);

− circa 17 vrije sector koopwoningen.

Verkeer en parkeren

De ontsluiting van De Stokhorst loopt via een nieuwe aansluiting van De Veldhof op de Dorpsstraat. Deze ingreep is aanleiding voor een integrale herinrichting van de openbare ruimte. De Veldhof krijgt een veilige woonstraat en een fijn hofje met een groene kern voor waterberging. Het plan voorziet daarnaast in een herinrichting van dit deel van de Dorpsstraat. Dat biedt de mogelijkheid om bewonersparkeren voor De Veldhof te compenseren. 

De vernieuwde Dorpsstraat vormt de ontsluiting van Het landhuis en Aan de Dorpsstraat. Het nieuwe erf en de Parel in het park worden ontsloten vanaf de Stokhorsterweg. 

Het parkeren vindt veelal plaats op collectieve parkeervelden die bij de verschillende clusters gerealiseerd worden. Bij de Parel in het park en de woningen aan de Dorpsstraat vindt het parkeren op eigen terrein plaats. 

Groen en water

Verder is driekwart van het besluitgebied bedoeld voor groen, met als doel een groene dorpsrand van Hummelo te creëren. Door de groenzone loopt een fiets-wandelpad: Het Doesburgse pad. Dit groeit uit tot een robuuste landschappelijke drager met aan de ene kant het voedselbos en aan de andere kant de grote tuinen en erven.  

Tot slot zorgt het Stokhorsterpark zorgt voor droge voeten in dit deel van Hummelo. De nieuwe waterstructuur beslaat ruim 10% van het besluitgebied en daar komt de waterberging in De Veldhof nog bij. De waterloop en waterbergingen in het park en in de buurt zijn met elkaar verbonden en krijgen een zo natuurlijk mogelijk karakter. Met de afgegraven grond uit de waterloop en waterbergingen wordt de geluidswal opgeworpen.

afbeelding binnen de regeling
Stedenbouwkundig plan Stokhorsterpark (bron: WeLoveTheCity).

 

3.1.3 Uitvoerbaarheid
3.1.3.1 Omgevingsaspecten

3.1.3.1.1 Milieueffectrapportage

Algemeen 

De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.  

Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.

De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.  

Toetsing  

Onderhavig plan betreft de realisatie van maximaal van 65 woningen in verschillende typologieën en voor verschillende portemonnees op onbebouwde agrarische gronden aan de rand van de kern Hummelo. Dit dient formeel aangeduid te worden als een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject, zoals opgenomen onder Nr. J11 in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In het kader van voorliggende ontwikkeling is daarom een mer-beoordeling opgesteld (bijlage M.e.r.-beoordeling). De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies, zoals de mer-beoordeling behandeld.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere als gevolg van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het opstellen van een MER is daarom niet nodig.

Conclusie

Het opstellen van een MER is niet noodzakelijk voor voorliggende ontwikkeling.

3.1.3.1.2 Duurzaamheid

Algemeen

Op 28 maart 2019 heeft de gemeenteraad de "Routekaart Energieneutraal Bronckhorst 2030" vastgesteld. Gelijktijdig is besloten om het "Koersdocument Duurzame energie in de Achterhoek; zichtbaar, merkbaar, onmiskenbaar" vast te stellen en om deel te nemen aan het “Fonds stimulering energietransitie Achterhoek” en ten behoeve van de oprichting en het beheer van dit fonds een stichting op te richten en een fondsbeheerder aan te stellen.

Routekaart

Het einddoel is dat de gemeente Bronckhorst in 2030 net zoveel duurzame energie opwekt als deze in totaal aan energie verbruikt. Het energieverbruik vermindert met 45% ten opzichte van het verbruik in 2015. De rest van de energie die wel wordt verbruikt, komt in zijn geheel uit duurzame (lokale) bronnen. Het doel 2030 energieneutraal staat vast. Met deze Routekaart stelt Bronckhorst tevens twee tussendoelen vast.

− Doel 2022: 15% schone energieopwekking en 10% besparing energieverbruik

− Doel 2026: 45% schone energieopwekking en 25% besparing energieverbruik

− Doel 2030: 100% schone energieopwekking en 45% besparing energieverbruik

In de Routekaart is gekozen voor een combinatie van duurzaam opwekken van stroom en het winnen van warmte uit diverse bronnen. Bronckhorst zet nadrukkelijk in op alle mogelijk duurzame bronnen. Diverse scenario's van een goed gebalanceerde energiemix zijn mogelijk.

Om de doelstelling te halen is verbreding van de samenwerking met inwoners en ondernemers noodzakelijk. Ook de dorpsbelangenorganisaties, energiecoöperaties en maatschappelijke organisaties in Bronckhorst hebben een cruciale rol in de energietransitie. Zij krijgen een rol in een "Raad van Inspiratie" om hen te betrekken bij de uitvoering van de Routekaart. Alle partijen dragen immers bij aan deze verandering.

De gemeente neemt een belangrijke rol op zich door te informeren, stimuleren, faciliteren en zelf het goede voorbeeld te geven. Draagvlak en draagkracht staan daarbij centraal, omdat de gemeente graag wil dat de stappen op de Routekaart voor iedereen haalbaar en betaalbaar zijn.

De Routekaart schept een kader, die voor uitvoering nader uitgewerkt zal worden:

− Het streven naar inzet van alle geschikte daken voor het opwekken van zonne-energie.

− Het streven naar kleinere zonneparken op land (rond 2 ha) die goed ingepast kunnen worden en een groot zonneveld (>10 ha), zodat Liander de infrastructuur hierop kan aanpassen.

− Het uitdagen van initiatiefnemers om zich maximaal in te zetten voor een meervoudig grondgebruik, met landbouw, natuur of andere geschikte doeleinden.

− De keuze voor windmolens in clusteropstelling en geen medewerking aan solitaire windmolens. Om het aantal zoveel mogelijk te beperken, is het streven gericht op grotere efficiënte varianten.

− Bij windmolens is lokale participatie en eigendom van burgers en bedrijven een randvoorwaarde. Partijen werken gelijkwaardig samen in de ontwikkeling, bouw en exploitatie, zoals uitgesproken in het klimaatakkoord.

− Gezien het verdienmodel van grootschalige opwek moet de opbrengst zoveel mogelijk ten goede komen aan de lokale omgeving.

− Kleine windmolens voor eigen gebruik zijn, met uitzondering van woonwijken, toegestaan tot twee per perceel op het bouwblok.

− Minimaal 50% lokaal eigendom van zonnevelden en windenergie. Deze eigendomsverdeling (50% van de productie voor de lokale omgeving) is een harde eis voor medewerking.

− Een inspanningsverplichting voor de participatie in de planvorming van omwonenden van energieprojecten.

− Een inspanningsverplichting voor de participatie in de financiële revenuen van een zonnepark of windproject door de mogelijkheid van individueel mede-eigenaarschap en door een omgevingsfonds. Het omgevingsfonds wordt door de initiatiefnemers met een redelijk bedrag gevuld. Een lokaal bestuur kan met deze bijdrage investeren in de leefbaarheid van de directe omgeving of in duurzame projecten.

Koersdocument

Het Koersdocument is de basis waarop initiatieven voor duurzame energieopwekking worden getoetst en deze ruimtelijk worden ingepast. Het biedt inwoners en lokale initiatieven en ondernemers de mogelijkheid om mee te doen en mee te kunnen beslissen bij projecten voor duurzame energieopwekking in hun buurt. Daarnaast geeft het initiatiefnemers een handelingsperspectief waarmee zij projecten voor duurzame energieopwekking tot ontwikkeling kunnen brengen in de gemeente Bronckhorst. Het Koersdocument draagt daarmee bij aan het intensiveren van de beweging naar een energieneutraal Bronckhorst in 2030. Met dit Koersdocument wordt een zeer belangrijke stap gezet om invulling te gegeven aan de Routekaart.

Aanjaagfonds

Het Aanjaagfonds dient als aanjager en financieel middel voor lokale initiatieven. Met dit fonds kan de ontwikkelkosten van lokale (Achterhoekse) inwoners initiatieven voor duurzame energieopwekking worden voorgefinancierd en wordt de slagingskans van deze projecten vergroot. Bij de ontwikkelkosten vallen ondermeer de kosten voor de MER, vergunningen, technisch ontwerp, financieel en juridisch). Het is een fonds waar de lokale initiatieven gebruik van kunnen maken en bij realisatie van duurzame energieprojecten zij het weer terug moeten storten in het Aanjaagfonds.

Samenhang Routekaart, Koersdocument en Aanjaagfonds

De Routekaart is een realistisch en daadkrachtig plan om samen met alle betrokkenen aan de slag te gaan met de energietransitie. De Routekaart beschrijft de weg naar Bronckhorst energieneutraal in 2030 en vormt de start voor de uitvoering. Het Koersdocument en het Aanjaagfonds zijn instrumenten om invulling te geven aan het behalen van de doelstelling. Het Koersdocument is de basis waarop we initiatieven voor duurzame energieopwekking willen toetsen en ruimtelijk willen inpassen. Het biedt inwoners, lokale initiatieven en ondernemers de mogelijkheid om mee te doen en mee te beslissen bij projecten voor duurzame energieopwekking in hun buurt. Het Aanjaagfonds is een instrument die voor lokale initiatieven het financieel mogelijk maakt om duurzame energieprojecten te realiseren. We helpen hen daarmee om een versnelling in de duurzame energieopwekking op gang te brengen.

Toetsing

In het Stokhorsterpark heeft duurzaamheid vooral betrekking op groen, water, energie, circulair en biobased en akoestiek. De nieuwe waterstructuur beslaat ruim 10% van het besluitgebied en daar komt de waterberging in naastgelegen wijk De Veldhof nog bij. De waterloop en waterbergingen in het park en in de buurt zijn met elkaar verbonden en krijgen een zo natuurlijk mogelijk karakter. Dat komt zowel de woningen als de biodiversiteit ten goede.

Verder zullen de woningen voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG), worden gasloos opgeleverd en het hemelwater wordt geïnfiltreerd binnen het aan te leggen landschapspark. Per cluster wordt bekeken wat de beste technische oplossing is om aan de wettelijke eis van Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG1) te voldoen. De combinatie van goede isolatie, warmtepomp en zonnepanelen is een kansrijke optie.

Tot slot staat het Stokhorsterpark voor verantwoord materiaalgebruik. De sociale huurwoningen, betaalbare koopwoningen en zorgwoningen voldoen aan de grenswaarde van 0,8 per m² bruto vloeroppervlak uit de MilieuPrestatie Gebouwen (MPG). Voor de overige woningen ligt de lat hoger. Het streven is om die woningen voor 30% uit biobased materialen zoals plantaardige vezels, hout, stro, vlas en hennep te laten bestaan.

Conclusie

Het aspect duurzaamheid in acht genomen in onderhavig initiatief.

3.1.3.1.3 Bodem

Algemeen 

Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.

Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Toetsing

In het kader van voorliggende ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage Verkennend Bodemonderzoek). Uit het onderzoek volgen de volgende conclusies:

− De opgeboorde bovengrond is op een drietal plaatsen zwak baksteenhoudend;

− In de grond(meng)monsters van de bovengrond zijn geen van de onderzochte stoffen aangetoond in een gehalte boven de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur, uitgezonderd van boring met nummer MM-BG06 (boring 21 t/m 23).

− In grond(meng)monster MM-BG06 is minerale olie in de met baksteen geroerde grond aangetoond in de bodemkwaliteitsklasse Industrie en PAK in de bodemkwaliteitsklasse Wonen. De eindbeoordeling is bodemkwaliteitsklasse Industrie.

− In de grond(meng)monsters van de ondergrond zijn geen van de onderzochte stoffen aangetoond in een gehalte boven de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur.

− In alle grondwatermonsters is van de onderzochte stoffen naftaleen aangetoond in een concentratie boven de streefwaarde van de desbetreffende stof. Dit geldt ook voor de stof barium met uitzondering van een grondmonster. Barium komt in licht verhoogde concentraties dikwijls voor in Nederland en vormt in dit geval geen uitzondering hierin. De licht verhoogde concentraties naftaleen zijn niet verklaarbaar voor de locatie, maar van dien aard dat deze geen verdere aandacht behoeven.

− In geen van de geanalyseerde parameters in zowel grond als grondwater is de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde overschreden.

− De aangetroffen licht verhoogde gehalten minerale olie en PAK in de bovengrond vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik.

− De aangetroffen licht verhoogde concentraties barium en naftaleen in het grondwater vormt geen belemmering voor het toekomstige gebruik.

− De hypothese “De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd” wordt grotendeels aangenomen.

− De bodemkwaliteit van bovengrond(meng)monster MM-BG06 voldoet niet aan bodemkwaliteitsklasse Wonen, bij eventuele herinrichting/ gebruikswijziging dient hier rekening mee te worden gehouden.

Op basis van de onderzoeksresultaten is op grond van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen bezwaar het onderzochte terrein grotendeels goed te keuren voor bestemmingsplanwijziging/bouwvergunning. Ter plaatse van het noordelijk terreindeel (boring 21 t/m 23) wordt de kwaliteit op basis van het bodemonderzoek beoordeeld als Industrie.

In het inrichtingsplan zijn ter plaatse deze boringen (21t/m23) het landhuis en bijbehorende tuin gepland. De grond op deze locatie zal ontgraven worden voor het toekomstige gebruik.

afbeelding binnen de regeling
Kaart bodemonderzoek met becijfering boringspunten  (bron: Rouwmaat groep, 2025)

 

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmeringen voor voorliggende ontwikkeling.

3.1.3.1.4 Geluid

Algemeen 

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.  

Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen 

De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

afbeelding binnen de regeling

Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn.  

Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen.

Geluid door activiteiten 

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van:

1. activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen;

2. geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte.

Dit wijzigingsbesluit maakt de realisatie van geluidgevoelige gebouwen mogelijk, op korte afstand van een locatie met activiteiten die geluid(hinder) veroorzaken. Hierbij geldt dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals omschreven in het permanente omgevingsplan of - indien dat nog niet aanwezig is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66). 

Voorafgaand de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd gewerkt met de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009'. Hierin is een lijst van inrichtingen opgenomen waarbij de inrichtingen op grond van de hinder die zij veroorzaken, zijn opgedeeld in 6 categorieën. Hierbij wordt ervan uit gegaan dat een inrichting uit categorie 1 relatief weinig hinder veroorzaakt en een inrichting uit categorie 6 bijzonder veel hinder veroorzaakt. In de Omgevingswet wordt niet langer gewerkt met de term inrichting en wordt gesproken over milieubelastende activiteiten. Omdat in voorliggende situatie het gemeentebrede omgevingsplan nog niet gereed is en daarmee de bestemmingsplannen nog onderdeel uitmaken van omgevingsplan, is het kader van de VNG-publicatie nog wel relevant. Onder de Omgevingswet worden echter alleen nog de aspecten geluid en geur meegenomen in de afweging evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Toetsing

Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen

Met voorliggend initiatief worden geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt nabij wegen. Er is daarom een akoestisch onderzoek geluid wegverkeer (bijlage Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai) uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek, waarbij is getoetst op de randen van de bouwvlakken, kunnen onderstaande conclusies worden getrokken.

afbeelding binnen de regeling
Akoestisch rekenmodel met nummering bouwvlakken

 

Als gevolg van de provinciale weg zijn de maximale geluidbelastingen per gebouw hoger dan de standaardwaarde. Tevens wordt op twee bouwvlakken de grenswaarde overschreden. De hoogste overschrijdingen vinden plaats voor de (beoogde) appartementen in het noordwesten van het besluitgebied direct grenzend aan de provinciale weg N314. Voor alle bouwvlakken zijn echter ook gevelgeluidbelastingen waarneembaar die die standaardwaarde van 50 dB Lden niet overschrijden. In deze fase van planvorming is niet vast te stellen of dit ook op woningniveau zal gelden.

Als gevolg van de omliggende gemeente- en waterschapswegen tezamen wordt de standaardwaarde van 53 dB Lden in zijn geheel niet overschreden. Er wordt voldaan aan de waarden uit het Bkl. 

Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar stuiten op bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige en mogelijk financiële aard. Indien er geen maatregelen genomen worden zullen de westgevels van twee bouwvlakken niet-geluidgevoelig met bouwkundige maatregelen moeten worden. Maatregelen aan de gevel zoals balkons met scherm, serres, vliesgevels of loggia’s kunnen de geluidbelastingen nog verlagen tot onder de grenswaarde, waardoor het niet noodzakelijk is om een niet-geluidgevoelige gevel toe te passen. Zo kan er voldoende worden gespuid en zal sprake zijn van een gezonde woon- en leefomgeving.

Indien er geen maatregelen worden toegepast, moet hoger gezamenlijk geluid volgens onderstaande tabel worden toegestaan in het omgevingsplan. Dit is mogelijk, er wordt voldaan aan het beleid van gemeente Bronckhorst: er is sprake van relatief verspreiden woningen en de ontwikkeling zal zorgen voor afscherming van de achtergelegen wijk.

Hoogste op te nemen hoger gezamenlijk geluid per bouwvlak

afbeelding binnen de regeling

* indien de gevels waar de grenswaarde wordt overschreden niet-geluidgevoelig met bouwkundige maatregelen worden gerealiseerd, dient het gezamenlijk geluid met 3 dB te worden verhoogd ter bescherming van de gezondheid tegen geluid (Bbl art. 4.103b)

Voor onderhavig plan is een hoogste gecumuleerde geluidbelasting waarneembaar van 64 dB Lden. De hoogste gezamenlijke waarde is 64 dB Lden. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient in ieder geval door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek te worden aangetoond dat de binnenwaarde uit het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt gehaald voor de nieuwe woningen.

Conform artikel 5.78ab van het Bkl dient bij overschrijding van de standaardwaarde het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken te worden. Echter is de exacte invulling van de beoogde ontwikkeling nog onbekend. De aanwezigheid van een geluidluwe gevel kan daarom in de huidige fase van planvorming nog niet worden gewaarborgd, met name voor het noordwestelijke bouwvlak. Voor het centraal gelegen bouwvlak waar de grenswaarde wordt overschreden is wel een geluidluwe zijde aanwezig op basis van het stedenbouwkundigplan. Voor de overige bouwvlakken waar de standaardwaarde wordt overschreden is op basis van het stedenbouwkundigplan sprake van een geluidluwe gevel. Zodoende zal hier sprake zijn van een gezonde woon- en leefomgeving. 

Geluid door activiteiten

Met voorliggend initiatief worden geen hinderveroorzakende activiteiten mogelijk gemaakt. Wel is de woonfunctie een functie die mogelijk hinder kan ondervinden van geluid door activiteiten in de omgeving. De dichtstbijzijnde en meest relevante hinderveroorzakende functie in de omgeving is detailhandel aan de Zutphenseweg 1-B. Het betreft een grasmaaierwinkel. Deze ligt echter op ruim voldoende afstand, waardoor hiervan geen hinder verwacht hoeft te worden. Ditzelfde geldt voor overige hinderveroorzakende functie in de omgeving.

Conclusie

Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect geluid.

3.1.3.1.5 Luchtkwaliteit

Algemeen

Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.

Ook voor activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied is het toetsen aan de omgevingswaarden van belang. Deze activiteiten kunnen immers zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt, maar hier mogelijkerwijs wel invloed op kan hebben. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Ook in dat geval wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de beoogde activiteit(en) niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden: 

1. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal); 

2. bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter in lengte toeneemt; 

3. bij de aanleg van een auto(snel)weg.

Toetsing

Dit project voorziet in de netto toevoeging van 65 woningen. De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen plan zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Met behulp van de Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is beoordeeld of er ter hoogte van het plan sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. Daaruit volgt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de EU.

Conclusie

Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect luchtkwaliteit.

3.1.3.1.6 Geur

Algemeen 

Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: 

− bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; 

− bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven).

Aanvaardbare geurhinder 

De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.

Toetsing

De ontwikkeling voorziet niet in nieuwe geurveroorzakende activiteiten. In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich wel enkele geurveroorzakende activiteiten. Daarom is een quick scan geur (bijlage Quick scan geur) uitgevoerd. Uit de quick scan komt naar voren dat 11 veehouderijen gelegen zijn in een straal van 2 kilometer om de ontwikkellocatie heen. Hiervan zijn er 8 veehouderijen met enkel va-dieren en 3 veehouderijen met ou-dieren. Er zijn geen veehouderijen met va-dieren gelegen binnen een afstand van 100 meter vanuit het besluitgebied. Ten aanzien van veehouderijen met ou-dieren wordt geconcludeerd dat de geuremissies relatief laag zijn en twee van de drie veehouderijen met ou-dieren op circa 2 kilometer afstand zijn gelegen van het besluitgebied, waardoor een berekening van zowel de cumulatieve geurbelasting als de voorgrondbelasting niet benodigd is. Daarnaast mag de veehouderij aan de Groeneweg 13 een relatief kleine emissie uitstoten en zijn reeds bestaande woningen gelegen tussen het besluitgebied en de veehouderij. Hiermee kan worden geconcludeerd dat er op voorhand een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Het aspect ‘geur’ vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van de beoogde woningbouw.

Conclusie

Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect geur.  

3.1.3.1.7 Milieubelastende bedrijfsactiviteiten

Algemeen

Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Voor de invoering van de Omgevingswet werd dit aspect behandeld in de paragraaf ‘Bedrijven en milieuzonering’.

Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: ‘rustige woonwijk’, ‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’.

Toetsing

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van hindergevoelige gebouwen. Met het toevoegen van woningen wordt de mogelijkheid voor het realiseren van hindergevoelige functies groter dan in de huidige situatie. In de directe omgeving zijn echter geen milieubelastende activiteiten aanwezig die mogelijk hinder veroorzaken op de beoogde woningen. Daardoor hoeft er geen verdere toetsing voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten plaats te vinden.

Conclusie

Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect milieubelastende bedrijfsactiviteiten.

3.1.3.1.8 Omgevingsveiligheid

Algemeen

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Plaatsgebonden risico 

Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.

Groepsrisico 

Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.

Toetsing

De navolgende afbeelding betreft een uitsnede uit de risicokaart waarop de relevante risicobronnen in de omgeving zijn aangeduid.

afbeelding binnen de regeling
Uitsnede risicokaart met daarop het besluitgebied globaal aangegeven met de rode omcirkeling (bron: Atlas leefomgeving)

 

Uit gegevens van de Atlas Leefomgeving blijkt dat er in de omgeving van het besluitgebied één enkele risicobron is gesitueerd, in de vorm van een buisleiding.

Gezien de grote afstand tot deze buisleiding is geen verdere onderbouwing van het aspect omgevingsveiligheid noodzakelijk.  

Conclusie

Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect omgevingsveiligheid.

3.1.3.1.9 Water

Algemeen

De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. Het heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De weging heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het projectgebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit.

Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de weging van het waterbelang moeten worden doorlopen. Het waterschap maakt onderscheid in de volgende drie resultaten van de weging van het waterbelang:

1. Plan raakt geen wateraspecten: geen wateradvies van het waterschap nodig.

2. Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het waterschap. De initiatiefnemer of gemeente ontvangt van het waterschap een standaardwaterparagraaf, en werkt de voor het plan relevante wateraspecten uit. De waterparagraaf wordt vervolgens door het waterschap van een wateradvies voorzien.

3. Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang. De initiatiefnemer overlegt met het waterschap om tot maatwerk te komen. De initiatiefnemer brengt opties in beeld en onderbouwt keuzes m.b.t. de waterhuishouding.

Toetsing

Om de belangen van het watersysteem in de planvorming te borgen en invulling te geven aan een duurzame waterhuishouding is een watertoets (bijlage Onderzoek klimaatadaptatie) opgesteld.

Waterkering

Raadpleging van de legger van het Waterschap Rijn en IJssel wijst uit dat onderhavig besluitgebied niet is gelegen in de beschermingszone van een waterkering. 

Waterwingebied / grondwaterbescherming 

Raadpleging van de provinciale viewer wijst uit dat onderhavig projectgebied niet is gelegen in een ‘intrekgebied’. 

Verharding

Als gevolg van voorliggende ontwikkeling neemt de verharding in vergelijking met de voorgaande situatie toe met 18.200 m2. Volgens het document “Weging van Waterbelang” van Waterschap Rijn en IJssel geldt bij inbreidingsplannen > 1.500 m2 het volgende: 

− Minimaal 10 mm in infiltratie, liever 20 mm statische berging in infiltratievoorziening (robuust); 

− Bui T=100+10% (80 mm) mag geen wateroverlast opleveren (berging tot aan maaiveld); 

− Bij een nieuw verhard oppervlak > 1.500 m2 uitwerking in een waterhuishoudings- en rioleringsplan. 

Bij de inrichting van het gebied zullen voorzieningen gerealiseerd worden om het regenwater ter plaatse te infiltreren of bergen. Om wateroverlast te voorkomen, wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden-bergen-afvoeren behandeld. Binnen het besluitgebied is ruimte aanwezig voor oppervlakkige berging. Door middel van een greppel wordt het water afgevoerd naar de waterbergingen aan de noord- en zuidkant van het plan.

Het totaal verhard oppervlak bedraagt in de toekomstige situatie 21.400 m2. Voor dit plan betekent dit dat 1.710 m3 (80 mm) geborgen moet worden. In het stedenbouwkundigplan zijn diverse waterbergingen en greppels opgenomen. De gezamenlijke oppervlakte hiervan is ruim 6.200 m2. Bij een peilstijging van 0,5 m is de statische inhoud hiervan circa 3.100 m3. Op basis hiervan wordt verwacht dat het besluitgebied voldoende capaciteit heeft om een T=100+10% (80 mm) te bergen. De vormgeving en peilstijging van de infiltratievelden wordt in het waterhuishoudings- en rioleringsplan nader uitgewerkt.

In de uitgevoerde wateraspectenanalyse is met een globale toetsing reeds aangetoond dat het bouwplan bijdraagt aan het verminderen van de wateroverlast in omliggend gebied.

Grondwater

Uit de uitgevoerde wateraspectenanalyse blijkt dat de bodem in het gebied overwegend uit goed doorlatende zandlagen bestaat met een doorlatendheid tussen de 2 en 5 m/dag, en dat de grondwaterstanden relatief laag liggen (GHG circa 9,50 m +NAP, bestaand maaiveld is 10,9– 11,7 m +NAP). Hierdoor is infiltratie van hemelwater goed mogelijk.

Watercompensatie

Raadpleging van de legger van het Waterschap Rijn en IJssel wijst verder uit dat in het projectgebied zelf geen oppervlaktewater is gelegen en voor de ontwikkeling ook geen oppervlaktewater gedempt wordt. Het is derhalve op dit punt niet nodig om watercompensatie door te voeren. 

Afvalwater

Binnen het planbied wordt het afvalwater onder vrij verval verzameld. Het vuilwater van de nieuwe woningen in Het Nieuwe Erf kan naar verwachting onder vrijverval worden aangesloten op het bestaand gemengd stelsel in de Stokhorsterweg. De nieuwe woningen in De Stokhorst worden aangesloten op het bestaand gemengd stelsel in De Veldhof, ook dit lijkt onder vrijverval mogelijk. De nieuwe woningen in Parel in het Park, Aan de Dorpsstraat en Het Landhuis liggen te ver weg van het bestaand gemengd stelsel om onder vrij verval op aan te sluiten. Hiervoor dient een andere oplossing gezocht te worden. De exacte locatie en manier van aansluiten wordt nader uitgewerkt in het waterhuishoudings- en rioleringsplan. 

Conclusie

Mits de nodige maatregelen worden getroffen voldoet voorliggend plan aan de kaders voor wat betreft het aspect water.

3.1.3.1.10 Klimaat

Algemeen

Het veranderend klimaat gaat aan niemand voorbij en raakt alle facetten van de omgeving. De provincie wil hierop voorbereid zijn, daarom zet Gelderland zich vooral en eerst in op het tegengaan van de risico’s en gevaren van de klimaatverandering. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – neemt Gelderland de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maakt afspraken over hoe de provincie met de risico’s omgaat.

Ambities

− In 2050 is Gelderland klimaatbestendig. De provincie is goed voorbereid en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.

− In 2020 heeft de provincie samen met partners de risico’s en kansen van het veranderend klimaat in beeld gebracht en strategieën opgesteld die leidraad zijn voor ons handelen.

Aanpak

− De provincie zorgt voor een veerkrachtig en duurzaam water-, natuur en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit een klimaatbestendige en schone bodem en ondergrond en uit schoon en gezond grond- en oppervlaktewater en drinkwater.

− Samen met partners brengt de provincie toekomstige risico’s en kansen van het veranderend klimaat voor Gelderland in kaart. De provincie draagt bij aan het opstellen van Regionale Adaptatie Strategieën en helpen bij de uitvoering daarvan.

− Gelderland werkt zelf klimaatbestendig en weegt dit aspect bij al hun beslissingen mee. En: geven dit als voorwaarde mee aan onze partners.

In artikel 5.85 van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen:

Artikel 5.85 (klimaatadaptatie)

1. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.

2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:

a. waterveiligheid;

b. wateroverlast;

c. droogte; en

d. hitte.

3. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt.

Toetsing

In het kader van het plan is een onderzoek klimaatadaptatie (bijlage Onderzoek klimaatadaptatie) opgesteld, waarin het plan is beoordeeld op de aspecten wateroverlast (door regen), droogte, hitte en schaduw, water-veiligheid, bodemdaling en biodiversiteit. Hiertoe is per aspect een analyse gemaakt van de huidige situatie en een beoordeling van de invloed die het plan zal hebben. Droogte en hitte zijn hier de aspecten met de grootste risico’s, en de aspecten wateroverlast en biodiversiteit dienen nog met voldoende detail uitgewerkt te worden. Per aspect volgen hieruit de volgende conclusies: 

Wateroverlast: In de zomer ontstaan meer droge periodes afgewisseld met één of enkele dagen hevige regenval. Binnen het besluitgebied worden hier geen significante gevolgen van verwacht. De bodem is geschikt voor infiltratie en er wordt voldoende oppervlaktewater op de juiste locaties aangelegd voor de verhardingscompensatie-eisen. Alleen in het midden van het gebied kunnen tuinen onderlopen, bij een zeer hevige regenbui. Daarom is slechts een beperkte mate van maatregelen benodigd: de waterlopen moeten een technische uitwerking krijgen en voor de relevante tuinen moet worden beoordeeld of gestuurde waterafvoering nodig is. 

Droogte: De laagste grondwaterstand in het gebied is betrekkelijk diep en zal dat in de toekomst blijven. Er is binnen het besluitgebied een voornamelijk zandige grond met hoge doorlatendheid, waardoor water goed in de bodem wordt opgenomen maar snel wegzakt. Droogte is hier een belangrijk thema. De nieuwe waterlopen zorgen ervoor dat er meer oppervlaktewater bestaat, en dit kan ook de grondwaterspiegel plaatselijk verhogen. Echter wordt er ook mogelijk een grote watervraag in het gebied gemaakt met het voedselbos. Om de grond open te houden, verdamping te voorkomen en water naar het oppervlak te trekken zullen (meer) bomen door het gebied worden geplaatst. Ook kan droogtebestendige beplanting worden toegepast verder van de waterlopen af. Om geen extra druk op het grondwater of drinkwater te veroorzaken, wordt een irrigatiesysteem aangelegd dat gebruik maakt van regenwater dat is opgevangen van daken en verharding.

Hitte en schaduw: Er bestaat een toename van schaduw door de grotere hoeveelheid bomen en gebouwen in het gebied. Verblijfsplekken en langzaamverkeersgebieden liggen echter niet voldoende in de schaduw. Hiermee is er in de zomer op hete dagen mogelijk niet voldoende verkoeling voor mensen die zich buiten bevinden. Het centrale wandelpad ligt maar zeer beperkt in de schaduw, dit kan gebruik in de zomer ontmoedigen. Wel liggen alle woningen nabij een koele schaduwrijke verblijfsplek en wordt genoeg groen op buurtniveau aangelegd, en kunnen kwetsbare gebouwen nabij schaduwplekken worden gelegd. 

Voor het voedselbos kan dit nog niet beoordeeld worden. Hier dienen bomen voornamelijk nabij het wandelpad geplaatst te worden, of als hierbinnen nog nieuwe verblijfsplekken worden aangelegd daar nabij.

Hiernaast kan op woningniveau rekening worden gehouden met hitte door bijvoorbeeld lichtgekleurde bouwmaterialen te gebruiken, groene gevels of daken met zonnepanelen in te passen, en geen airconditioningsinstallaties (die de buitentemperatuur verhogen) in te bouwen.

Waterveiligheid: De meest nabije overstromingsbron zijn de IJssel en Oude IJssel, met een kans op overstroming tussen de 1x per 30 en 3.000 jaar. Er bestaat dan in het besluitgebied echter geen significante overstromingsdiepte, deze ligt hoogstens tussen de 0 en 20 cm. Zelfs de meest extreme overstroming zou oppervlakkig blijven, met een diepte van minder dan 50 cm. Wel zouden hierdoor de omgelegen vluchtwegen onbegaanbaar worden. Er zijn daarom maar beperkte maatregelen nodig, waarbij de nadruk ligt op (financiële) schade voorkomen en schuilen binnen het gebied.

Bodemdaling: De grond in het besluitgebied is niet gevoelig voor zetting en er wordt hier geen bodemdaling verwacht. Op dit aspect zijn geen maatregelen benodigd.

Biodiversiteit: De woningbouwontwikkeling leidt tot een afname van groen oppervlak, maar biedt kansen om de biodiversiteit kwalitatief te behouden en te versterken door een natuurinclusieve inrichting. Door de vervanging van agrarische monocultuur door gevarieerde, inheemse groenstructuren kan het gebied ecologisch robuuster worden ingericht.

Aanbevolen wordt om bestaande houtopstanden zoveel mogelijk te behouden en het gebied in te richten met groenblauwe structuren zoals natuurvriendelijke oevers, wadi’s en bloemrijke graslanden, afgestemd op bodem en waterhuishouding. De aanplant dient te bestaan uit inheemse soorten en geen invasieve exoten. Het creëren van structuurvariatie en geleidelijke overgangen (struweel, mantel-zoomvegetaties) is essentieel voor insecten, vogels en kleine zoogdieren.

Daarnaast is ecologisch beheer van groen en water noodzakelijk, met gefaseerd maaien en verschraling. Natuurinclusief bouwen wordt aanbevolen door het integreren van voorzieningen voor gebouwbewonende soorten (vogels, vleermuizen en insecten) en het toepassen van groene daken met inheemse beplanting.

Met deze maatregelen kan, ondanks de ruimtelijke ingreep, de biodiversiteit behouden blijven en wordt het gebied beter bestand tegen de effecten van klimaatverandering.

Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het besluitgebied reeds redelijk toekomstbestendig wordt ingericht. Het overgrote deel van de doelen voor klimaatadaptief en duurzaam bouwen worden behaald. Waar deze nog niet behaald worden kunnen maatregelen worden toegepast. Dit kan worden meegenomen bij de nadere uitwerking van de plannen.

Conclusie

Het plan voldoet aan de kaders voor wat betreft het aspect klimaatadaptatie.

3.1.3.1.11 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie

Algemeen

Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met archeologische waarden. De Omgevingswet schrijft voor dat het aspect archeologie een plek heeft in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is vastgesteld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. In beginsel moet de gemeente aan projecten kleiner dan 100 m2 vrijstelling verlenen van de verplichting tot archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Met een inhoudelijke onderbouwing kan de gemeente echter afwijken van deze vrijstellingsgrens.  

De instructieregels voor de omgang met archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid). Uitgangspunt is dat bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De archeologische verwachtingswaarde en de omgang daarmee legt de gemeente vast in het omgevingsplan (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Wanneer er een archeologische verwachtingswaarde is voor het projectgebied moet er een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden conform de door de gemeente gestelde voorwaarden. De uitkomsten van het onderzoek bepalen of vervolgonderzoek nodig is en of de bodemroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden.

Toetsing

Omdat het besluitgebied een ‘hoge archeologische verwachtingswaarde’ kent is er een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (bijlage Archeologisch Bureauonderzoek). De resultaten worden navolgend besproken.

De landschappelijke ligging van het besluitgebied op een plateau-achtige terrasrest maakt het een aantrekkelijke locatie voor bewoning in verleden. Mensen kozen vaak hoger gelegen terreinen in het landschap als woon- en verblijfplaats, bij voorkeur in de nabijheid van water. De naar verwachting in het besluitgebied aanwezige hoge bruine enkeerdgronden kunnen als beschermende laag hebben gefungeerd voor de onderliggende archeologische niveaus. De hierdoor mogelijk goede conservering van eventuele archeologische resten is eveneens een reden voor de hoge archeologische verwachtingswaarde.

Daarnaast zijn bij een tweetal proefsleuvenonderzoeken in de noordelijke helft van het besluitgebied sporen aangetroffen die duiden op de periferie van een nederzettingsterrein (Late IJzertijd/Vroeg Romeinse Tijd dan wel Vroege Middeleeuwen). Op circa 100 meter afstand van het besluitgebied is een groot aantal sporen gevonden van een nederzetting uit de periode 700 tot 1300. De reeds bekende spoor- en vondstcomplexen binnen en nabij het besluitgebied duiden erop dat er in het huidige besluitgebied een grote trefkans is op archeologische resten. Op grond van het uitgevoerde bureauonderzoek geldt voor het besluitgebied derhalve een hoge verwachting op archeologische resten van bewoning, begraving, landgebruik en infrastructuur uit de perioden Laat-Paleolithicum - Nieuwe Tijd.

Er dient rekening te worden gehouden met de resultaten van de eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het besluitgebied. Voor het reeds uitgevoerde onderzoek in het uiterste noordelijke deel van het besluitgebied wordt geadviseerd om dit vrij te stellen van verder archeologisch onderzoek. Echter in de rapportage van het in 2003 uitgevoerde proefsleuvenonderzoek is geadviseerd om het besluitgebied, voorafgaande aan de destijds voorgenomen bouw, nader te onderzoeken door middel van een vlakdekkende opgraving, of als een grootschalige opgraving niet noodzakelijk wordt geacht door het bevoegd gezag, een archeologische begeleiding tijdens de graafwerkzaamheden te laten uitvoeren. In de volgende afbeelding is de advieskaart met de nader te onderzoeken zones opgenomen. 

afbeelding binnen de regeling
Advieskaart met nader te onderzoeken zones (bron: archeologisch bureauonderzoek Hamaland advies)

 

Gelet op de hoge archeologische verwachting en de mogelijke verstoring van archeologisch kansrijke lagen door de voorgenomen ontwikkeling wordt in het bureauonderzoek geadviseerd om een verkennend booronderzoek uit te voeren, waarbij de bodemopbouw en de mate van intactheid van de bodem getoetst worden. Voorafgaand aan het verkennend booronderzoek dient conform de BRL SIKB 4003 een Plan van Aanpak te worden opgesteld. Dit onderzoek is uitgevoerd in 2025 en de conclusies worden navolgend besproken.

Resultaten booronderzoek

Uit het archeologisch booronderzoek (bijlage Archeologisch Booronderzoek) volgt dat de bodemopbouw bestaat uit een subrecente bouwvoor van grijsbruin fijn zand met een gemiddelde dikte van 30 cm. Hieronder bevindt zich een slecht ontwikkeld plaggendek van bruin/bruingrijs matig siltig matig fijn zand dat licht humeus is. De top van het plaggendek is aangetroffen op dieptes variërend van 25 cm-mv in boring 5 tot 50 cm-mv in boring 8. In boring 2 en 8 zijn in het plaggendek fragmenten oranje verbrande leem aangetroffen. In boring 6 is aan de basis van het plaggendek op een diepte van 55 tot 80 cm-mv een oudere cultuurlaag aangetroffen van bruin fijn siltig zand met oerbrokjes. De basis van het bodemprofiel bestaat afwisselend uit zand (boring 1, 2, 3, 5, 7 en 10), lemig zand (boring 4, 12 en 13) en zandige leem (boring 6, 8, 9, 11 en 14). De top hiervan is aangetroffen op dieptes variërend van 45 cm-mv in boring 1 tot 80 cm-mv in boring 6, 7, 8, 13 en 14. In de dieper doorgezette boringen bevindt zich onder de lemige zandlaag nog een lichtbruine fijne homogene zandlaag waarvan de top is aangetroffen op dieptes van 70 cm-mv in boring 2 tot 160 cm-mv in boring 7. In boring 14 zijn in deze laag leembrokjes en oerbrokjes aanwezig. Deze laag is in het veld geïnterpreteerd als een door erosie vervlakt rivierduin/rivierterras. De laagovergangen tussen alle horizonten is geleidelijk.

afbeelding binnen de regeling
Overzichtskaart met verspreiding van de aangetroffen bodems en de boorpunten van de verkennende booronderzoeken door BAAC, Synthegra en Hamaland Advies en de situering van reeds aangelegde proefsleuven  (bron: Hamaland advies, 2025)

 

Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek en het booronderzoek in combinatie met de eerdere onderzoeken die door Synthegra zijn uitgevoerd in de aangrenzende delen van het besluitgebied is het advies om een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld dat getoetst wordt door het bevoegd gezag (gemeente Bronckhorst) en diens archeologisch adviseur (regioarcheoloog van de ODA).

Het proefsleuvenonderzoek zal voorafgaand aan de werkzaamheden in het besluitgebied worden uitgevoerd.

Conclusie 

Het behoud van eventuele archeologische waarden in het besluitgebied is in de regels van het omgevingsplan geborgd. In het gele gebied zal voorafgaand aan de werkzaamheden een vlakdekkende opgraving of archeologisch begeleiding plaatsvinden. Het plan voldoet hiermee aan de kaders voor het aspect archeologie.

Cultuurhistorie

Algemeen

Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Toetsing 

In het besluitgebied bevinden zich geen monumentale en/of karakteristieke gebouwen. De Dorpsstraat in Hummelo is aangewezen als Rijksbeschermd dorpsgezicht. Deze straat ligt buiten het besluitgebied en het project maakt geen wijzigingen in de directe nabijheid van deze straat mogelijk.

In paragraaf 2.4.4 is het voorliggende plan getoetst aan het gemeentelijke cultuurhistorische beleid. Geconcludeerd wordt dat in het stedenbouwkundige plan rekening is gehouden met aanwezige cultuurhistorische waarden.

Conclusie 

Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect cultuurhistorie.

3.1.3.1.12 Flora en fauna

Algemeen

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. 

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 

Gebiedsbescherming 

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 

2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 

3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. 

In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming 

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: 

− er soorten aanwezig zijn; en 

− welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Toetsing

Omdat negatieve effecten op voorhand niet uit te sluiten zijn, is voor voorliggend project een quick scan natuur (bijlage Quickscan natuur) uitgevoerd. Navolgend worden de resultaten uit het onderzoek besproken.

Gebiedsbescherming

Het besluitgebied waar de ontwikkeling gepland staat valt niet binnen het GNN en het GO. Het dichtstbijzijnde GNN zijn enkele bosjes vanaf 185 meter van het besluitgebied aan de Van Heeckerenweg, ten oosten van het besluitgebied, en langs de Rode Beek, ten zuidwesten van het besluitgebied. Diverse agrarische percelen rondom het besluitgebied, behoren tot het GO. De dichtstbijzijnde GO-percelen bevinden zich langs de Zutphenseweg, net buiten het besluitgebied. Overige Gelderse beschermde natuurzones binnen het GNN, zoals rustgebied voor winterganzen, weidevogelgebieden en beschermde natte landnatuur, liggen niet binnen het besluitgebied en ook niet direct grenzend hieraan. Vervolgstappen met betrekking tot de GNN of het GO, zoals verdere toetsing, vergunningsaanvraag of het opstellen van een versterkingsplan zijn niet noodzakelijk.

Stikstof

Het besluitgebied ligt op ongeveer 5,2 km afstand van Natura 2000-gebied Rijntakken. Om te bepalen of de stikstofuitstoot door activiteiten in het besluitgebied significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden is een onderzoek stikstofdepositie (bijlage Quickscan natuur) uitgevoerd. Uit de rekenresultaten blijkt dat de beoogde situatie niet kan leiden tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie. Er is om die reden geen sprake van een vergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit. Het onderdeel stikstofdepositie heeft geen consequenties voor de aanvraag omgevingsvergunning.

Soortenbescherming

Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet noodzakelijk is voor de volgende soortgroep: Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel). Voor deze soorten is gelijk een mitigatieplan opgesteld en een aanvraag omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit gedaan.

Voor elke flora- en fauna-activiteit geldt de specifieke zorgplicht. In het kader hiervan moet voor het besluitgebied verder rekening gehouden worden met broedvogels, vleermuizen, overige grondgebonden zoogdieren en amfibieën.

Conclusie

Het plan voldoet aan de kaders voor wat betreft het aspect flora en fauna.

3.1.3.1.13 Verkeer en parkeren

Algemeen

De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Dit geldt ook bij buitenplanse omgevingsvergunningen.

De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.

Toetsing verkeer

Bij ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse. Op 28 juni 2007 heeft de gemeenteraad het Gemeentelijk Verkeer en Vervoerplan (GVVP) vastgesteld. Dit plan geeft zodanig sturing aan de ontwikkeling van de mobiliteit dat de kwaliteit van zowel de bereikbaarheid, de leefbaarheid als de verkeersveiligheid in de gemeente wordt gewaarborgd. Daarnaast zijn op 16 december 2013 de 'beleidsregels 'Parkeernormen Gemeente Bronckhorst' vastgesteld. De beide documenten bieden normen en kaders die betrokken zijn bij de planvorming.

Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling van maximaal 65 nieuwe woningen, is de verkeersaantrekkende werking bepaald. Ten aanzien van de aantallen verkeersbewegingen is aangesloten bij de publicatie CROW 381 “Toekomstbestendig parkeren; van parkeercijfers naar parkeernormen”.

Aan de hand van normen kan met de typering rest bebouwde kom en verstedelijkingsgraad 'niet stedelijk' de volgende verkeersgeneratie worden bepaald:

afbeelding binnen de regeling

Uitgaande van het beoogde woningbouwprogramma en de hiervoor te hanteren normen zal de totale verkeersgeneratie gemiddeld 458 verkeersbewegingen per dag opleveren.

In paragraaf 2.1.3.2.13 is de toekomstige ontsluiting van het Stokhorsterpark toegelicht. De in het ontwerp opgenomen ontsluitingen en aanliggende wegen hebben voldoende capaciteit om de nieuwe verkeersbewegingen op te vangen.

Toetsing parkeren

Bij het bepalen van de parkeernorm wordt rekening gehouden met het type woning, de doelgroep die daarin komt te wonen en het verwachte autobezit. In het Stokhorsterpark wordt minimaal 70% van de woningen betaalbaar tot zeer betaalbaar. In het plan wordt daarom gemiddeld van een lagere parkeernorm uitgegaan dan in nieuwbouwwijken met veel dure vrije sectorwoningen. Hierbij wordt afgeweken van de parkeernormen uit het gemeentelijk parkeerbeleid. Het gemeentelijke parkeerbeleid biedt die ruimte voor maatwerk. Daar komt bij dat de CROW-norm, waar het gemeentelijke beleid op is gebaseerd, recent neerwaarts is bijgesteld. Onderstaand is de gehanteerde berekening van het aantal parkeerplaatsen per deelgebied opgenomen.

De Stokhorst

afbeelding binnen de regeling

De benodigde parkeerplaatsen voor de Stokhorst worden gerealiseerd op collectieve parkeerveldjes tussen de Stokhorst en de aangrenzend woonwijk. De herinrichting van de openbare ruimte in de aangrenzende woonbuurt De Veldhof wordt aangegrepen om ook daar meer parkeerplaatsen te realiseren, zodat hinderlijke overloopeffecten van het ene naar het andere buurtje zoveel mogelijk voorkomen worden.

Het Landhuis

afbeelding binnen de regeling

De benodigde parkeerplaatsen voor het landhuis worden gerealiseerd ten zuidoosten van het beoogde appartementengebouw. 

Aan de Dorpsstraat

afbeelding binnen de regeling

Voor de benodigde parkeerplaatsen voor de vrijstaande woningen aan Dorpsstraat is voldoende ruimte op eigen terrein.

Het nieuwe erf

afbeelding binnen de regeling

De benodigde parkeerplaatsen voor het Nieuwe Erf worden gerealiseerd op de parkeer velden ten westen en zuiden van de woningen. Het Nieuwe Erf is een gemeenschappelijk woonconcept en daar hoort deelmobiliteit bij. Komt ‘auto delen’ echt tot stand, dan geldt een aangepaste norm. De fysieke ruimte moet echter aanwezig zijn om, mocht het auto delen onverhoopt worden losgelaten, het benodigde aantal parkeerplaatsen alsnog te realiseren.

Parel in het park

afbeelding binnen de regeling

Voor de benodigde parkeerplaatsen voor de Parel in het park is voldoende ruimte op eigen terrein.

Gehele besluitgebied

In het gehele besluitgebied zijn in totaal 111 parkeerplaatsen benodigd. Deze worden deels gerealiseerd op eigen terrein en deels in de vorm van collectieve parkeervelden. Uit het stedenbouwkundig plan volgt dat er in het besluitgebied voldoende ruimte aanwezig is voor de realisatie van deze parkeerplaatsen.

Conclusie 

Uit het voorgaande is gebleken dat het plan voldoet aan de kaders voor het aspect parkeren.

3.1.3.1.14 Kabels en leidingen

Algemeen

Bij vaststelling van een ruimtelijk plan moet rekening worden gehouden met de bescherming van ruimtelijk relevante kabels en leidingen. Relevante gasleidingen zijn weergegeven in de paragraaf omgevingsveiligheid. Overige relevante leidingen betreffen hoogspanningsleidingen. 

Toetsing

In of rondom het besluitgebied zijn geen relevante kabels of leidingen gelegen.

Conclusie 

Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect kabels en leidingen.

3.1.3.1.15 Gezondheid

Algemeen

Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3, sub a, Omgevingswet). Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om hier te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent het vaststellen van het wijzigingsbesluit omgevingsplan is meegenomen. Gemeenten kunnen hun gezondheidsambities tevens vastleggen in de omgevingsvisie, een programma en/of omgevingsplan.

Toetsing 

In voorgaande paragrafen met betrekking tot de aspecten luchtkwaliteit, geur, spuitzonering en geluid is geconcludeerd dat in het besluitgebied sprake is van een gezonde leefomgeving:

− In het besluitgebied is met toepassing van niet-geluidgevoelige gevels op twee locaties geen geluidhinder te verwachten;

− In het besluitgebied wordt ruim voldaan aan grenswaarden voor concentraties verontreinigende stoffen in de lucht, waardoor sprake is van een goede luchtkwaliteit; 

− In het besluitgebied is geen geurhinder te verwachten.

Verder is in het stedenbouwkundig plan ruimte gereserveerd voor ruime groenstructuren, wandel en fietspaden, ontmoetingsplekken en speeltuinen. Dit zorgt ervoor dat de toekomstige inwoners kunnen verblijven in een groene omgeving en dat kinderen onbezorgd dicht bij huis buiten kunnen spelen. Daarnaast wordt zo ook de biodiversiteit binnen het besluitgebied bevordert. Hiermee wordt een gezonde fysieke leefomgeving gecreëerd waarin natuur een belangrijke rol speelt. Daarnaast speelt de ontwikkeling in op het vervullen van verschillende maatschappelijke behoeften.

Conclusie 

Uit het voorgaande is gebleken dat het plan voldoet aan de kaders voor het aspect gezondheid.

3.1.3.2 Volkshuisvesting

Voor voorliggende plan is de toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen (zie paragraaf 2.1.3). Hierin wordt geconcludeerd dat het plan voor de realisatie van maximaal 56 woningen voorziet in zowel een kwantitatieve, als een kwalitatieve woonbehoefte. Het plan draagt hiermee bij aan het realiseren van passende huisvesting voor de inwoners van Hummelo en de gemeente Bronckhorst.

3.1.3.3 Economisch

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: 

− aangewezen bouwactiviteiten;

− aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen.

Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit.

De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van de gemeente. De gemeente voert haar eigen grondexploitatie. De economische uitvoerbaarheid van dit project is hiermee voldoende aangetoond. 

3.1.3.4 Maatschappelijk

Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. De afgelopen periode zijn er verschillende momenten geweest waarop met omwonenden en/of ander geïnteresseerden is gecommuniceerd. Onderstaand zijn deze momenten kort benoemd en omschreven.

3.1.3.5 Overleg en inspraak

3.1.3.5.1 Overleg

Burgemeester en wethouders dienen bij de voorbereiding van een wijzigingsbesluit overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader wordt het wijzigingsbesluit voor advies toegezonden aan betrokken instanties.

Waterschap

De watertoets is voorgelegd aan het waterschap. Het advies van het waterschap is verwerkt in de watertoets en wordt meegenomen in het nog op te stellen waterhuishoudings- en rioleringsplan.

3.1.3.5.2 Inspraak

Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid.

Tijdens de Hummelse Charretes zijn de inwoners van Hummelo aan de slag gegaan met de vraag waar Hummelo zou kunnen uitbreiden. Het Stokhorsterpark is uit dit traject gekomen als de grootste uitbreidingslocatie voor Hummelo en opgenomen in het Hummelse Woonboek. De keuze voor deze locatie is hiermee in samenspraak met het dorp tot stand gekomen.

Op 24 oktober 2024 vond de Hummelse Bouwdag Stokhorsterpark plaats. Op de hoek van de Stokhorsterweg en de Margrietlaan ging de gemeente met woningzoekende Hummeloërs en omwonenden rond een grote werkmaquette in gesprek over de bouwinitiatieven en ontwerpideeën voor de nieuwe buurt.

Op 23 april 2025 is een terugkomcafé georganiseerd. De inwoners van Hummelo kregen hier uitgebreide uitleg over het stedenbouwkundig plan voor de nieuwe wijk Stokhorsterpark. In dit plan is de opbrengst van de Hummelse Bouwdag verwerkt. 

3.1.3.5.3 Conclusie

De omwonenden en inwoners van Hummelo zijn bij de locatiekeuze en de totstandkoming van het stedenbouwkundig plan betrokken. Het advies van het waterschap is meegenomen in de watertoets.

I Overzicht Documentenbijlagen

Stedenbouwkundig plan Stokhorsterpark

/join/id/pubdata/gm1876/2026/1cf9a582dc35450babbc4b1556708d53/nld@2026‑06‑15;13491889

Toets aan de Ladder van duurzame verstedelijking

/join/id/pubdata/gm1876/2026/6e9d448d3dad4af2b1339f54856984a5/nld@2026‑06‑15;13491889

M.e.r.-beoordeling

/join/id/pubdata/gm1876/2026/a7db547ab444467b845b0273260b1d44/nld@2026‑06‑15;13491889

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

/join/id/pubdata/gm1876/2026/1de3e200bd4841c5bd86fc7a491e0de8/nld@2026‑06‑15;13491889

Quick scan geur

/join/id/pubdata/gm1876/2026/e64b8225a50746208d2c521a28ff3fa2/nld@2026‑06‑15;13491889

Onderzoek klimaatadaptatie

/join/id/pubdata/gm1876/2026/3437aa21dace4013a75c194badd93554/nld@2026‑06‑15;13491889

Archeologisch Bureauonderzoek

/join/id/pubdata/gm1876/2026/a8f5351a8cd74e3fae9a81486cce964d/nld@2026‑06‑15;13491889

Archeologisch Booronderzoek

/join/id/pubdata/gm1876/2026/25ebe4f66ba7416383c7635c358cddd4/nld@2026‑06‑15;13491889

Verkennend Bodemonderzoek

/join/id/pubdata/gm1876/2026/9b0804700d084188af9331da17d25514/nld@2026‑06‑15;13491889

Quickscan natuur

/join/id/pubdata/gm1876/2026/7ff8d231691e4ee68a036c7f08dcdd55/nld@2026‑06‑15;13491889

Naar boven