U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Monumenten en omgeving van monumenten

De raad van de gemeente Leiden;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [DATUM];

gelet op artikel 2.4 van de Omgevingswet;

gelezen de:

  • 'Motivering evenwichtige toedeling van functies aan locaties' [titel METFAL] van [datum];

  • Het advies van de commissie [COMMISSIE] d.d. [DATUM];

 

overwegende dat:

  • bestaande regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waaronder de regels over gemeentelijke monumenten, voor 1 januari 2032 in het omgevingsplan moeten belanden;

  • op grond van de instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d en onder 1°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving regels moeten worden gesteld in het omgevingsplan ter bescherming van daarvoor in aanmerking komende monumenten en voorkoming van aantasting van de omgeving van die monumenten, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd;

 

Besluit:

Artikel I Wijziging Omgevingsplan gemeente Leiden

Het Omgevingsplan gemeente Leiden wordt gewijzigd zoals opgenomen in Bijlage A.

Artikel II Citeertitel

Dit besluit tot het wijzigen van het Omgevingsplan gemeente Leiden wordt aangehaald als: [Citeertitel (Aanlevering)].

Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Leiden op DATUM WORDT TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT.

Niet getekend ontwerp-exemplaar 

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 5 Monumenten en beschermd stadsgezicht

[Gereserveerd]

Afdeling 5.1 Algemene regels over monumenten en beschermd stadsgezicht

Paragraaf 5.1.1 Toepassingsbereik en oogmerk
Artikel 5.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed, voor zover het gaat om monumenten.

Artikel 5.2 Oogmerk

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het behoud van cultureel erfgoed;

  • b.

    het beschermen van monumenten;

  • c.

    het voorkomen van aantasting van de omgeving van een beschermd monument, voor zover dat monument door die aantasting wordt beschadigd of onevenredig wordt ontsierd.

  • d.

    het behouden en herstellen van de monumentale waarde van gemeentelijke monumenten.

Paragraaf 5.1.2 Algemene zorgplicht beschermde monumenten
Artikel 5.3 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor een beschermd monument.

Artikel 5.4 Beschermd monument: zorgplicht

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het vernielen of beschadigen van een beschermd monument, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen. 

Artikel 5.5 Beschermd monument: maatwerkvoorschrift

Een maatwerkvoorschrift kan met het oog op het belang, bedoeld in artikel 5.2, over een andere activiteit die een beschermd monument betreft worden gesteld over artikel 5.4.

Artikel 5.6 Beschermd monument: vergunningvoorschrift

Het college kan met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 5.2, voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning ter vermindering of voorkoming van beschadiging van een beschermd monument door een activiteit nabij dat monument.

Paragraaf 5.1.3 Advies bij rijksmonumentenactiviteit
Artikel 5.7 Rijksmonumentenactiviteit: advies omgevingsvergunning beschermd rijksmonument

Het college stuurt een afschrift van een ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet, zo spoedig mogelijk door voor advies aan de Gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Leiden.

Afdeling 5.2 Gemeentelijke monumenten

Paragraaf 5.2.1 Algemene regels over gemeentelijke monumenten
Artikel 5.8 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van een gemeentelijke monumentenactiviteit en andere activiteiten die een gemeentelijk monument betreffen.

Artikel 5.9 Beschadiging en nalaten van onderhoud: verbod

Het is verboden:

  • a.

    een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen;

  • b.

    aan een gemeentelijk monument, voor zover het gaat om een monument, onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Paragraaf 5.2.2 Gemeentelijke monumentenactiviteit
Artikel 5.10 Toepassingsbereik

Deze paragraaf geldt op de locatie gemeentelijk monument.

Artikel 5.11 Gemeentelijke monumentenactiviteit: vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijke monumentenactiviteit te verrichten.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een gemeentelijke monumentenactiviteit met betrekking tot een monument, voor zover het gaat om:

    • a.

      normaal onderhoud dat is gericht op het behoud van de monumentale waarden, als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort, kleur en aanleg (in geval van een tuin, park of andere aanleg) niet worden gewijzigd; 

    • b.

      inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.

Artikel 5.12 Gemeentelijke monumentenactiviteit: beoordelingsregels

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een gemeentelijke monumentenactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg. Bij de beslissing houdt het college rekening met het gebruik van het monument.

Artikel 5.13 Gemeentelijke monumentenactiviteit: vergunningvoorschriften bij verplaatsen monument

Aan de omgevingsvergunning voor een gemeentelijke monumentenactiviteit die een gedeeltelijke of volledige verplaatsing inhoudt van een monument dat een bouwwerk is, worden voorschriften verbonden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van dat bouwwerk op de nieuwe locatie.

Artikel 5.14 Gemeentelijke monumentenactiviteit: advies van de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit

Het college vraagt advies aan de Gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Leiden, voordat zij een besluit neemt op de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.11eerste lid.

Afdeling 5.3 Omgeving van beschermde monumenten

Artikel 5.15 Toepassingsbereik 
  • 1.

    Deze afdeling geldt op de locatie omgeving van beschermde monumenten

  • 2.

    Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit, voor zover deze bestaat uit:

    • a.

      het bouwen van een bouwwerk;

    • b.

      het slopen van een bouwwerk; 

    • c.

      het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, voor zover het gaat om:

      • 1.

        graven;

      • 2.

        het dempen van water; of

      • 3.

        het ophogen of verlagen van grond.

  • 3.

    Deze afdeling is niet van toepassing op het verrichten van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Artikel 5.16 Activiteit in de omgeving van een beschermd monument: beoordelingsregels
  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 5.15tweede lid, wordt alleen verleend als door die activiteit het beschermd monument niet onevenredig wordt ontsierd. 

  • 2.

    De omgevingsvergunning wordt niet eerder verleend dan nadat advies is verkregen van de gemeentelijke adviescommissie, bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet, omtrent de vraag of een beschermd monument door de activiteit in de omgeving van dat monument niet onevenredig wordt of kan worden ontsierd en de eventueel te stellen voorwaarden.

  • 3.

    Of sprake is van een aantasting waardoor een beschermd monument onevenredig wordt of kan worden ontsierd, is vastgelegd in de op [datum] vastgestelde beleidsregels 'Beoordelingskader omgeving van monumenten'.

Artikel 5.17 Activiteit in de omgeving van een beschermd monument: vergunningvoorschriften

Het college kan met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 5.2, voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning ter vermindering of voorkoming van ontsiering van een beschermd monument door de activiteit in de omgeving van dat monument.

Afdeling 5.4 Beschermd stadsgezicht [gereserveerd]

[Gereserveerd]

B

Hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 8 Aanvraagvereisten

[Gereserveerd]

Afdeling 8.1 [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Afdeling 8.2 [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Afdeling 8.3 [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Afdeling 8.4 Monumenten en beschermd stadsgezicht

Paragraaf 8.4.1 Aanvraagvereisten gemeentelijke monumentenactiviteit
Artikel 8.1 Aanvraagvereisten gemeentelijke monumentenactiviteit: algemeen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gemeentelijke monumentenactiviteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument;

  • b.

    de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en

  • c.

    de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.

Artikel 8.2 Aanvraagvereisten gemeentelijke monumentenactiviteit: slopen monument
  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 8.1 worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en

      • 2.

        foto’s van de bestaande toestand;

    • b.

      de volgende tekeningen:  

      • 1.

        als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie;  

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:  

        • I.

          plattegronden;  

        • II.

          doorsneden; 

        • III.

          gevelaanzichten; of  

        • IV.

          een dakaanzicht; en  

      • 3.

        slooptekeningen; en  

    • c.

      een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:  

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

    • b.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of

    • d.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.

Artikel 8.3 Aanvraagvereisten gemeentelijke monumentenactiviteit: verplaatsen monument
  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 8.1, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • b.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie;

      • 2.

        foto’s van de bestaande toestand; en

      • 3.

        overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie;

    • c.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie;

        • I.

          opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • II.

          plattegronden;

        • III.

          doorsneden;

        • IV.

          gevelaanzichten; of

        • V.

          een dakaanzicht; en

      • 2.

        plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:  

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht;

    • d.

      een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en

    • e.

      als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.  

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;

    • b.

      als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • d.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of

    • e.

      een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.  

Artikel 8.4 Aanvraagvereisten gemeentelijke monumentenactiviteit: wijzigen monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen
  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 8.1 worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en

      • 2.

        detailfoto’s van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht;

    • b.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht;

      • 3.

        als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;

      • 4.

        plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht; en

      • 5.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en

    • c.

      een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:

      • 1.

        de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en

      • 2.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.  

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:  

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

    • b.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • d.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • e.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;

    • f.

      voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of

    • g.

      als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.

Artikel 8.5 Aanvraagvereisten gemeentelijke monumentenactiviteit: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen

Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 8.1 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.  

Artikel 8.6 Aanvraagvereisten gemeentelijke monumentenactiviteit: eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 8.2 tot en met 8.4
  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in de artikelen 8.2 tot en met 8.4 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:

    • a.

      1:1000, als het gaat om een situatietekening;

    • b.

      1:100, als het gaat om een algemene geveltekening;

    • c.

      1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en

    • d.

      1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.

  • 2.

    Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaal toepassing en de maatvoering.

  • 3.

    Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.

  • 4.

    Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:

    • a.

      balklagen:

      • 1.

        gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en

      • 2.

        getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen;

    • b.

      geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;

    • c.

      houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en

    • d.

      bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden. 

Paragraaf 8.4.2 Aanvraagvereisten activiteiten in de omgeving van beschermde monumenten
Artikel 8.7 Aanvraagvereisten activiteiten in de omgeving van beschermde monumenten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.15tweede lid, in de omgeving van een beschermd monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een situatietekening van de bestaande en nieuwe situatie met daarop de uit te voeren werkzaamheden en in de omgeving aanwezige beschermde monumenten.

  • b.

    in het geval het grondwerkzaamheden betreft

    • 1.

      een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:

      • I.

        de omvang in vierkante meters; en

      • II.

        de diepte in centimeters ten opzichte van het maaiveld; 

    • 2.

      een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; 

    • 3.

      doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld. 

  • c.

    in het geval het bronbemaling of grondwaterpeil wijzigen betreft een onderzoek waaruit blijkt wat de gevolgen hiervan kunnen zijn voor het beschermde monument.

  • d.

    In het geval het een bouwactiviteit betreft tekeningen waaruit blijkt:

    • 1.

      de volumes en afstanden tot het beschermde monument;

    • 2.

      het aanzicht;

    • 3.

      de materialisering.

C

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I BIJ ARTIKEL 1.1, EERSTE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN

Voor de toepassing van hoofdstuk 22 wordt verstaan onder:

aansluitafstand:

afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein:

cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

AS SIKB 2000:

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;

bebouwingsgebied:

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

BRL SIKB 2000:

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;

BRL SIKB 7000:

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;

concentratiegebied geurhinder en veehouderij:

gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;

datacentrum

rekencentrum of datacentrum als bedoeld in artikel 3.235 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

distributienet voor warmte:

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;

geurgevoelig object:
  • a.

    gebouw:

    • 1.

      dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;

    • 2.

      dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en

    • 3.

      dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of

  • b.

    geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;

gezoneerd industrieterrein:

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

ISO 11423-1:

ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; en

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • 1.

      rundvee tot 24 maanden;

    • 2.

      kalkoenen;

    • 3.

      eenden; of

    • 4.

      parelhoenders;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.

NEN 5725:

NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;

NEN 5740:

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;

NEN 6090:

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;

NEN 6578:

NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;

NEN 6589:

NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;

NEN 6600-1:

NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;

NEN 6965:

NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;

NEN 6966:

NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;

NEN-EN 858-1/A1:

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;

NEN-EN 858-2:

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;

NEN-EN 872:

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;

NEN-EN 1825-1:

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;

NEN-EN 1825-2:

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;

NEN-EN 12566-1:

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;

NEN-EN 12673:

NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;

NEN-EN 16693:

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;

NEN-EN-ISO 2813:

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;

NEN-EN-ISO 5667-3:

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

NEN-EN-ISO 5815-1:

NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;

NEN-EN-ISO 5815-2:

NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.

NEN-EN-ISO 9377-2:

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;

NEN-EN-ISO 9562:

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

NEN-EN-ISO 10301:

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;

NEN-EN-ISO 10523:

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;

NEN-EN-ISO 11885:

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;

NEN-EN-ISO 12846:

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-1:

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-2:

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 15587-1:

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15587-2:

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15680:

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;

NEN-EN-ISO 15682:

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

NEN-EN-ISO 15913:

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;

NEN-EN-ISO 17294-2:

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;

NEN-EN-ISO 17852:

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;

NEN-EN-ISO 17993:

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;

NEN-ISO 15705:

NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;

NEN-ISO 15923-1:

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;

straatpeil:
  • a.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • b.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

warmteplan:

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.

college

college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden;

beschermd monument

een:

  • a.

    gemeentelijk monument, 

  • b.

    voorbeschermd gemeentelijk monument;

  • c.

    rijksmonument;

  • d.

    voorbeschermd rijksmonument, of;

  • e.

    karakteristiek bouwwerk;

gemeentelijk monument

gemeentelijk monument als bedoeld in Bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving;

gemeentelijke monumentenactiviteit

activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een gemeentelijk monument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht;

D

Na bijlage I wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

E

Na sectie ' Begripsbepalingen' worden 22 secties ingevoegd, luidende:

Artikel 5.4 Beschermd monument: zorgplicht

Het betreft hier een specifieke zorgplicht. In de Omgevingswet zelf is een algemene zorgplicht opgenomen, namelijk dat een ieder voldoende zorg draagt voor de fysieke leefomgeving (artikel 1.6 van de Omgevingswet). Daarnaast is in artikel 1.7 van de Omgevingswet bepaald dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving verplicht is maatregelen te treffen om die gevolgen te voorkomen en indien deze niet voorkomen kunnen worden de gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken en als dat niet lukt de activiteit achterwege te laten.

De zorgplicht richt zich op het voorkomen van beschadiging of vernieling van gemeentelijke monumenten. De zorglicht is een algemene regel die direct voor een ieder geldt. Op basis van de zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. De zorgplicht kan worden gezien als een algemene achtervang, ook voor andere activiteiten dan een gemeentelijke monumentenactiviteit die een gemeentelijk monument kunnen beschadigen of vernielen. De formulering van dit artikel sluit aan op de specifieke zorgplicht voor rijksmonumenten. Deze staat in artikel 13.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Daarnaast vormt dit artikel een invulling van de instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d en onder 1° van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarin staat dat het omgevingsplan regels moet bevatten waarbij rekening gehouden wordt met het voorkomen van aantasting van de omgeving van beschermde monumenten, voor zover die aantasting leidt tot beschadiging of ontsiering. Dit artikel ziet op het voorkomen van beschadiging van monumenten, ook in de omgeving daarvan. Afdeling 5.3 bevat regels over aantastingen in de omgeving die kunnen leiden tot ontsiering van beschermde monumenten.

Artikel 5.5 Beschermd monument: maatwerkvoorschrift

Dit artikel biedt de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen met betrekking tot de specifieke zorgplicht uit artikel 5.4, die dient om beschadiging of vernieling van gemeentelijke monumenten te voorkomen. Artikel 4.5 van de Omgevingswet biedt de mogelijkheid om binnen decentrale regels de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften op te nemen. 

Specifiek voor gemeentelijke monumenten zou een maatwerkvoorschrift bijvoorbeeld kunnen worden ingezet om zo nodig nader aan te geven wat degene die een activiteit verricht in een concreet geval moet doen om beschadiging van een gemeentelijk monument te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan een maatwerkvoorschrift gericht op de uitvoering van een activiteit in de directe nabijheid van een gemeentelijk monument, die tot beschadiging of zelfs vernieling van dit gemeentelijk monument zou kunnen leiden, zoals de wijze van slopen van een buurpand en het zo nodig stutten van het monument. 

In het geval van gemeentelijke monumentenactiviteiten gaat het vooral om activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is. Op het moment dat de vergunningplicht wel geldt, kan immers gebruik worden gemaakt van de hierna opgenomen bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor de gemeentelijke monumentenactiviteit of de wijziging daarvan.

Artikel 5.9 Beschadiging en nalaten van onderhoud: verbod

Het beschadigen of het vernielen van een gemeentelijk monument valt niet onder een gemeentelijke monumentenactiviteit, omdat het in beginsel geen te vergunnen activiteit is (de - in dit geval theoretische - mogelijkheid van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit daargelaten). Met het oog op het behoud van het gemeentelijk monument is het wel gewenst hiervoor regels op te nemen. Dit is hier gedaan in de vorm van een verbod om een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen. Dit verbod is gericht tot een ieder, dus ook tot anderen dan de eigenaar of gebruiker van het gemeentelijk monument. Het is bedoeld om gemeentelijke monumenten te beschermen tegen activiteiten die beschadiging of vernieling van het gemeentelijk monument tot gevolg kunnen hebben, ook in gevallen dat die activiteiten niet direct gericht zijn op het gemeentelijk monument zelf. Het verbod strekt (mede) tot invulling van artikel 4, tweede lid (eerste zin), van het verdrag van Granada (architectonisch erfgoed) en artikel 4, onder i, van het verdrag van Valletta (archeologisch erfgoed). Hiermee wordt mede invulling gegeven aan de instructieregel in artikel 5.130 van het Bkl. 

Ook voor het onthouden van voor de instandhouding van het monument noodzakelijk onderhoud is een verbod opgenomen. Ook dit verbod is geënt op het verbod met betrekking tot rijksmonumenten in artikel 13.12 van het Bal (zie voor de achtergrond daarvan de Nota van toelichting bij het Bal: Staatsblad 2018 293, blz. 651). Dit verbod heeft voornamelijk consequenties voor de eigenaar van het monument, aangezien die primair verantwoordelijk is voor het onderhoud, en het bevoegd gezag, met het oog op toezicht en handhaving. 

Artikel 5.11 Gemeentelijke monumentenactiviteit: vergunningplicht

Dit artikel is opgesteld met het doel om te voorkomen dat er ongewenste activiteiten worden verricht bij of aan gemeentelijke monumenten en is in overeenstemming met het Verdrag van Granada, dat ter bescherming passende controle- en goedkeuringsprocedures vereist. In het kader van het behoud van gemeentelijke monumenten is het niet nodig om voor alle activiteiten een omgevingsvergunning verplicht te stellen. De gevallen waarvoor dat niet nodig is, zijn opgenomen in het tweede lid. Deze werkzaamheden kunnen dus zonder omgevingsvergunning voor een gemeentelijke monumentenactiviteit worden verricht.

Met normaal onderhoud worden de werkzaamheden bedoeld die erop gericht zijn om te behouden wat er is. Zodra deze werkzaamheden als «bouwen» zijn aan te merken, geldt er op grond van artikel 2.29, onder a, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor dit «bouwen» geen omgevingsvergunningplicht. Volgens artikel 2.30, eerste lid, van het Bbl geldt deze vrijstelling ook voor normaal onderhoud op of aan onder andere een gemeentelijk monument. In dat geval geldt vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet, dus niet.

Dit doet lijken alsof de vrijstelling in het tweede lid, onder a, van dit artikel niet nodig is. Echter geldt de vrijstelling op grond van het Bbl alleen als bij het normaal onderhoud de detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet wijzigen. Onder het oude recht werd de omgevingsvergunningplicht voor onder andere het wijzigen van een monument (deze activiteiten zijn nu vervat in één begrip: gemeentelijke monumentenactiviteit) ook aangestuurd vanuit de Erfgoedverordening. De vrijstelling voor normaal onderhoud luidde hierin anders dan die in het Bbl. In het omgevingsplan is de vrijstelling uit de Erfgoedverordening beleidsneutraal overgenomen. Deze vrijstelling ziet niet alleen op normaal onderhoud bij gebouwde monumenten, maar ook bij aangelegde monumenten. Monumenten kunnen immers verschillende verschijningsvormen hebben.

Denk aan het licht opschuren en schilderen in dezelfde kleur, het vervangen van kapotte ruiten of het vervangen van wat dakpannen. Het verfsysteem, type glas en de dakpannen moeten wel gelijk zijn aan het bestaande werk. Voor werkzaamheden die verder gaan dan normaal onderhoud is wel een vergunning nodig. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het geheel verwijderen van oude verflagen en daarna schilderen in een afwijkend verfsysteem. Ook voor het geheel vervangen van voegwerk, houtwerk (bijvoorbeeld een heel raamkozijn) en stucwerk is een vergunning vereist. 

De vrijstelling in het tweede lid, onder b, van dit artikel betreft inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. Degene die de activiteit verricht moet echter nog wel kunnen aantonen welke onderdelen van het monument vanuit het oogpunt van de monumentenzorg geen monumentale waarde bezitten op basis van bouwhistorisch onderzoek (URL2007). Anders bestaat er een reële kans dat er onderdelen worden gewijzigd die niet onder de vrijstelling vallen en de activiteit dus verboden is zonder omgevingsvergunning te verrichten.

Denk aan het vernieuwen van een trap, keuken of badkamer van na 1965, of een recente scheidingswand of verlaagd plafond. Bij twijfel of een bouwdeel monumentale waarde heeft worden eigenaren uitgenodigd contact op te nemen met het Servicepunt van de gemeente Leiden. Op de gemeentelijke (erfgoed)website is ook nadere informatie te vinden in het Informatieblad Monumenten en beschermde stadsgezichten.

Artikel 5.12 Gemeentelijke monumentenactiviteit: beoordelingsregels

De beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gemeentelijke monumentenactiviteit wordt getoetst, zijn opgenomen in dit artikel. Omdat de door het bevoegd gezag te maken afweging bij de gemeentelijke monumentenactiviteit niet op alle aspecten van het cultureel erfgoed mag zien, is er in dit artikel voor gekozen om dit belang te beperken tot het belang van de monumentenzorg. Hiermee wordt een al te ruime afweging voorkomen. 

Het belang van de monumentenzorg is een species van het belang van het behoud van cultureel erfgoed (genus). Met het belang van de monumentenzorg wordt niet alleen het belang van het desbetreffende gemeentelijk monument bedoeld, maar ook het bredere belang van de (archeologische) monumentenzorg als geheel. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het belang van het kunnen gebruiken van het monument. Het actief gebruik draagt bij aan de instandhouding van monumenten en is daarom, ook wanneer er fysieke aanpassingen nodig zijn aan het monument, in het belang van monumentenzorg.

Afdeling 5.3 Omgeving van beschermde monumenten

Volgens de instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d en onder 1°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving moeten regels worden gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed. Daarbij moet onder andere rekening gehouden worden met het voorkomen van aantasting van de omgeving van rijksmonumenten, voorbeschermde rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd.

Deze instructieregel wordt in twee delen opgenomen in deze afdeling van het omgevingsplan. In deze afdeling staan regels over aantasting van de omgeving die kunnen leiden tot ontsiering van een monument. Paragraaf 5.1.2 gaat onder andere over aantasting van de omgeving van een monument die kan leiden tot beschadiging van dat monument.

Artikel 5.15 Toepassingsbereik 

Dit artikel bepaalt zowel het geografische als het thematische toepassingsbereik van de regels over de omgeving van beschermde monumenten. De beoordelingsregel in deze afdeling geldt vanwege dit toepassingsbereik alleen bij het verrichten van bouw-, sloop en bepaalde aanlegactiviteiten, voor zover in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die activiteiten niet in strijd zijn met het omgevingsplan.

Het geografische toepassingsbereik wordt bepaald door de locatie 'omgeving van beschermde monumenten', genoemd in het eerste lid. Deze locatie wordt in het Omgevingsloket weergegeven als een platte geometrie. Hierdoor lijkt het alsof er op verschillende plaatsen 'gaten' in de geometrie zitten. De geometrie is echter opgebouwd uit de verschillende afzonderlijke omgevingen bij monumenten. De weergave met afzonderlijke omgevingen is niet relevant voor hoe deze locatie gebruikt wordt in het omgevingsplan. De locatie wordt namelijk alleen gebruikt om te bepalen of afdeling 5.3 al dan niet geldt. De weergave met afzonderlijke omgevingen is wel relevant voor de beleidsregels 'Beoordelingskader omgeving van beschermde monumenten' bij de beoordelingsregel in artikel 5.16.

Het thematische toepassingsbereik betreft een omgevingsplanactiviteit, voor zover deze bestaat uit activiteiten als bedoeld in het tweede lid, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in het derde lid. Er is bewust gekozen om het begrip 'omgevingsplanactiviteit' te gebruiken. Dit begrip wordt namelijk gedefinieerd in bijlage I bij de Omgevingswet en heeft een uniforme betekenis binnen het stelsel van het omgevingsrecht. 

Een omgevingsplanactiviteit omvat zowel de binnenplanse omgevingsplanactiviteit als de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). De beoordelingsregel in deze paragraaf geldt alleen bij een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij een BOPA geldt namelijk al de beoordelingsregel in artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Een BOPA moet voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op grond van artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl zijn de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl van toepassing op de BOPA. Aangezien de regels in deze afdeling een uitwerking zijn van artikel 5.130, tweede lid, onder d en onder 1° Bkl, en de BOPA al getoetst wordt aan dit kader, is het niet nodig om de BOPA te laten vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Het is daarom nodig om de activiteiten, genoemd in het tweede lid, verder in te kaderen. Het begrip 'binnenplanse omgevingsplanactiviteit' wordt niet gedefinieerd in de wet, 'buitenplanse omgevingsplanactiviteit' wel. Daarom wordt in het derde lid het begrip 'buitenplanse omgevingsplanactiviteit' gebruikt.

In artikel 8.7 zijn de aanvraagvereisten opgenomen die van toepassing zijn op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een activiteit in de omgeving van beschermde monumenten.

Artikel 5.16 Activiteit in de omgeving van een beschermd monument: beoordelingsregels

Volgens de instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d en onder 1°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving moeten regels worden gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed. Daarbij moet rekening gehouden worden met het voorkomen van aantasting van de omgeving van rijksmonumenten, voorbeschermde rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd. In het omgevingsplan worden de in die instructieregel genoemde monumenten in één begrip samengevat: beschermd monument.

Artikel 5.16 vormt de kern van de uitwerking van die instructieregel. Het gaat niet om een losse omgevingsplanactiviteit, maar om beoordelingsregels bij omgevingsplanactiviteiten inhoudende bouwen, slopen of bepaalde werkzaamheden, voor zover die activiteit vallen binnen het toepassingsbereik, bedoeld in artikel 5.15. De beoordelingsregels zijn niet van toepassing op activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist.

Het is niet de omgeving zelf die beschermd wordt, maar het monument in zijn omgeving. De vraag of een activiteit gekenmerkt zou kunnen worden als aantasting van de omgeving wordt al beantwoord in het toepassingsbereik. Daar staat een limitatieve opsomming van activiteiten die een aantasting vormen, waarbij die aantasting zou kunnen leiden tot ontsiering van het monument.

De beoordelingsregel is geformuleerd als een open norm: het 'niet onevenredig ontsieren van een beschermd monument'. Hoe het college deze open norm toetst, is vervat in een beleidsregel. In het derde lid wordt verwezen naar deze beleidsregel. In deze beleidsregel staat welke aspecten van activiteiten getoetst worden in verhouding tot een monument en het soort omgeving dat daarbij hoort. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën omgevingen, zoals de omgeving van aangelegde monumenten en zichtlijnen van monumenten met hoogteaspecten. 

De categorieën zijn afhankelijk van de fysieke kenmerken van een monument en de ruimtelijke context waarin het monument gelegen is. Zo is een vrijstaande molen van grote afstand zichtbaar, deze zichtbaarheid draagt bij aan de waarde van dat beschermde monument. Veel woonhuizen in een verstedelijkte context zijn juist van een kortere afstand beleefbaar waardoor lange zichtlijnen een beperkte rol spelen in de monumentale waarde. 

Artikel 5.17 Activiteit in de omgeving van een beschermd monument: vergunningvoorschriften

Het criterium 'niet onevenredig ontsieren' laat ruimte voor activiteiten die weliswaar kunnen leiden tot ontsiering van een beschermd monument, maar niet leiden tot een onevenredige ontsiering. Ter voorkoming van onevenredige ontsiering kunnen er voorschriften opgenomen worden in de omgevingsvergunning. De voorschriften kunnen bijvoorbeeld ingaan op de precieze locatie of het formaat van de activiteit ten opzichte van het beschermde monument.

Artikel 8.1 Aanvraagvereisten gemeentelijke monumentenactiviteit: algemeen

Dit artikel bevat aanvraagvereisten die gelden voor iedere activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument.

Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten in artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (ondertekening, naam en adres van de aanvrager, dagtekening en aanduiding van de gevraagde beschikking) en de aanvraagvereisten in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling (aanduiding van de activiteit, elektronisch adres en telefoonnummer van de aanvrager, aanduiding en begrenzing van de locatie van de activiteit en eventuele gegevens van een gemachtigde).

Onderdeel a

Onderdeel a van dit artikel betreft de identificatie van het gemeentelijk monument waarop de aanvraag betrekking heeft.

Onderdeel b

Onderdeel b betreft informatie over het huidige en het beoogde gebruik na verlening van de omgevingsvergunning. Deze gegevens zijn nodig om nut en noodzaak van de activiteit en de gevolgen daarvan voor het gemeentelijk monument te kunnen beoordelen.

Onderdeel c

Onderdeel c is nieuw ten opzichte van de voormalige Regeling omgevingsrecht. Dit aanvraagvereiste werd in de praktijk gemist, en dient enerzijds om inzicht te krijgen in de belangen van de aanvrager en de keuzes die ten grondslag liggen aan de aanvraag en anderzijds in de gevolgen voor (de monumentale waarde van) het gemeentelijk monument. Het aanvraagvereiste sluit ook aan op de algemene zorgplicht in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. Die brengt met zich dat een initiatiefnemer voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd nadelige gevolgen voor het gemeentelijk monument zoveel mogelijk moet voorkomen of beperken, of, als dit niet mogelijk is, de activiteit (in die vorm) achterwege laat. Overigens hoeft niet elk verlies van monumentale waarden tot weigering van de omgevingsvergunning te leiden. Bij de belangenafweging worden ook de belangen van de aanvrager betrokken. Dit volgt onder meer uit artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Vooroverleg met het bevoegd gezag is nuttig om te komen tot een haalbaar plan. De aanvrager kan in het kader van het aanvraagvereiste in dit onderdeel refereren aan dit overleg.

Artikel 8.2 Aanvraagvereisten gemeentelijke monumentenactiviteit: slopen monument

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een gemeentelijke monumentenactiviteit bestaat uit het slopen van een monument. Onder slopen wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen, zie de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. Het gaat hierbij dus niet alleen om het slopen van een monument of complete bouwdelen, maar ook over het slopen van kleinere onderdelen zoals muren, houtwerkconstructies, deuren en vensters, of interieurelementen.

Artikel 8.2 lid 1

onderdeel a

De foto’s in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument of het te slopen onderdeel, zodat de noodzaak van de voorgenomen sloop voldoende wordt geïllustreerd. Het gaat er hierbij niet om dat het originele (digitale) foto’s moeten zijn, maar het mogen geen onduidelijke kopieën zijn. 

onderdeel b

Situatietekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 1°, zijn nodig in geval van het gedeeltelijk afbreken van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt. Als de voorgenomen activiteit alleen bestaat uit inpandig slopen of als het monument geheel wordt gesloopt, geldt dit aanvraagvereiste dus niet.

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Afhankelijk van de aard, omvang en plaats van de voorgenomen sloop kan het gaan om plattegronden, doorsneden, gevelaanzichten en een dakaanzicht. Als alleen inpandige sloopwerkzaamheden plaatsvinden zullen die laatste twee soorten tekeningen niet nodig zijn. 

Uit slooptekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3°, moet blijken welke materialen of onderdelen verwijderd worden. Dit moet de omvang en de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken. De opnametekeningen kunnen hiervoor als basis worden gebruikt.

onderdeel c

Een omschrijving van de aard van en de bestemming voor het door de sloop vrijkomende materiaal als bedoeld in onderdeel c is van belang omdat aan de omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan historische dakpannen, een monumentale topgevel, gevelsteen of een monumentale schouw. 

Artikel 8.2 lid 2

onderdeel a

De rapporten, bedoeld in onderdeel a, kunnen nodig zijn om de monumentale waarde van het monument of de te slopen onderdelen (nader) te bepalen. Lang niet altijd zullen de actuele monumentale waarden al in voldoende mate in beeld zijn om de gevolgen van de voorgenomen sloopwerkzaamheden voor de aanwezige monumentale waarden te kunnen beoordelen.

onderdeel b

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 22.288.

onderdeel c

Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c is bijvoorbeeld nodig in geval van een voorgenomen sloop op grond van de technische staat van een monument of een onderdeel daarvan. Als deze beschrijving en de foto’s niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d).

Artikel 8.3 Aanvraagvereisten gemeentelijke monumentenactiviteit: verplaatsen monument

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een gemeentelijke monumentenactiviteit bestaat uit het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kerkorgel of een molen. Het bevoegd gezag zal rekening moeten houden met het beginsel uit het verdrag van Granada dat verplaatsing van monumenten of een onderdeel daarvan moet worden voorkomen, tenzij dit dringend vereist is voor het voortbestaan ervan. Gaat het bevoegd gezag in een concreet geval toch over tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van het monument, dan zal het gelet op artikel 5 van het verdrag van Granada voorschriften aan de vergunning verbinden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van het monument op de nieuwe locatie. Gelet hierop moeten de gegevens en bescheiden voldoende inzicht geven in de reden en de noodzaak van de voorgenomen verplaatsing, in de huidige en de toekomstige ruimtelijke context van het monument, en in de beoogde wijze van demonteren, verplaatsen en herbouwen. De herbouw op een nieuwe, geschikte locatie mag dus niet onzeker zijn.

Artikel 8.3 lid 1

onderdeel b

De foto’s in onderdeel b moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat van het monument (toestand) of het te verplaatsen onderdeel en van de ruimtelijke context van het monument (situatie) of het onderdeel in de huidige en in de nieuwe situatie en mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.

onderdeel c

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument (zoals een kerkorgel) zullen minder tekeningen nodig zijn dan bij verplaatsing van het gehele monument. 

Plantekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 3°, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na de voorgenomen verplaatsing) is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument zijn dit ook tekeningen van de nieuwe toestand van het monument waar het verplaatste gedeelte dan deel van uitmaakt. Zo zijn bij verplaatsing van een orgel van de ene kerk naar de andere kerk ook plantekeningen nodig van de toestand van die andere kerk nadat het orgel daarin is aangebracht.

onderdeel e

Als het te verplaatsen monument een molen is, moet op grond van onderdeel e, ook inzicht worden gegeven in de molenbiotoop, zowel op de huidige als de nieuwe locatie. Met de molenbiotoop wordt hier de omgeving van de molen bedoeld, voor zover die van belang is voor de werking van de molen. Het gaat daarbij met name om de windvang (bij een windmolen) of de watertoe- en afvoer (bij een watermolen). 

Artikel 8.3 lid 2

onderdeel b

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument of voor de nieuwe locatie (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 22.288.

onderdeel d

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel d kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument op de nieuwe plek, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

onderdeel e

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een rijksmonumentenactiviteit kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel e moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

Artikel 8.4 Aanvraagvereisten gemeentelijke monumentenactiviteit: wijzigen monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen

Dit artikel omvat de meest voorkomende gemeentelijke monumentenactiviteiten. Onder het wijzigen van een monument vallen bijvoorbeeld het restaureren, reconstrueren, renoveren, verbouwen, uitbouwen, aanbouwen, of het bijvoorbeeld op een andere manier wijzigen van een gebouwd monument of een aangelegd (groen) monument. Denk hierbij ook aan het in een afwijkende kleur schilderen van een gevel of het hanteren van een ander verfsysteem. 

Voorbeelden van het herstellen van een monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, zijn het met golfplaten repareren van een rieten dak, of het reinigen of herstellen van een interieurschildering, of gevel, waarbij een onvoldoende deskundige uitvoering in potentie grote gevolgen kan hebben voor de technische staat en de monumentale waarde van het onderdeel (bij een gevel ook het patina). 

Artikel 8.4 lid 1

onderdeel a

De foto’s in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument, zodat de noodzaak van de voorgenomen activiteit voldoende wordt geïllustreerd. Het mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn. 

onderdeel b

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Welke soort tekeningen in een concreet geval nodig zijn, hangt af van de aard van de activiteit. In de regel zullen plattegronden en doorsnedetekeningen nodig zijn. Als de activiteit ook impact heeft op het exterieur of het aangezicht van het monument, zullen ook geveltekeningen en in voorkomend geval een dakaanzicht nodig zijn. 

Gebrekentekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3°, zijn nodig als er gebreken worden hersteld. Het betreft feitelijk opnametekeningen waarop de te verhelpen gebreken adequaat zijn weergegeven.

Plantekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 4°, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na afloop van de voorgenomen activiteit) is weergeven. 

Als er in het kader van de activiteit ook materiaal wordt verwijderd, moeten er in een dergelijk geval ook enkele gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 8.2 worden overgelegd. Zoals blijkt uit de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt onder slopen ook verstaan het gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. In de praktijk van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bleek dat een aanvrager die zijn monument wil restaureren of verbouwen zich niet altijd realiseert dat het wegnemen van materialen ook onder slopen valt en noodzakelijke gegevens en bescheiden daardoor geregeld ontbraken. Daarom zijn de aanvraagvereisten uit artikel 8.2 expliciet (en niet met een verwijzing) in dit artikel opgenomen. Op grond van onderdeel b, onder 5°, moet de aanvrager in een dergelijk geval ook slooptekeningen overleggen, waaruit blijkt welke materialen of onderdelen verwijderd worden. De slooptekeningen moeten de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken. 

onderdeel c

Op grond van onderdeel c moet in het bestek of in de werkomschrijving de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal worden omschreven. Aan de omgevingsvergunning kan namelijk het voorschrift worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen. 

Artikel 8.4 lid 2

onderdeel b

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 22.288.

onderdeel c en d

Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c kan bijvoorbeeld nodig zijn in geval van het herstellen van technische gebreken. Als deze beschrijving en de foto’s niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d). Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een (complexe) restauratie.

onderdeel e

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel e kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument na verrichting van de activiteit, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

onderdeel f

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel f moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

onderdeel g

Een beheervisie als bedoeld in onderdeel g is een visie op het beheer van een groenaanleg, gebaseerd op een analyse en een waardering op grond van (cultuur)historisch onderzoek en inventarisaties van natuurwaarden, recreatieve en belevingswaarden, waterhuishouding en bodem, en wensen van belanghebbenden (eigenaar en gebruikers). De beheervisie maakt duidelijk welke keuzes zijn gemaakt voor het beheer en is richtinggevend voor een langere periode, bijvoorbeeld 12 tot 18 jaar, of langer. De visie kan ook worden weergegeven in streefbeelden. 

Artikel 8.5 Aanvraagvereisten gemeentelijke monumentenactiviteit: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een gemeentelijke monumentenactiviteit bestaat uit het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht. Bij het eerste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het (tijdelijk) aanbrengen van reclames of op een andere manier aan het zicht onttrekken van een gevel of het dak. Bij het laatste bijvoorbeeld aan het gebruiken van een monument als vuurwerkopslag of op een wijze die slecht verenigbaar is met een kwetsbaar interieur, zoals een disco in een zaal met een historische wandbespanning en parketvloer. 

Ook als het voorgenomen gebruik niet gepaard gaat met een fysieke wijziging van het monument moet de aanvrager aangeven welke maatregelen hij treft om ontsiering van het monument of de nadelige gevolgen van het in gevaar brengen van het monument te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. 

Artikel 8.6 Aanvraagvereisten gemeentelijke monumentenactiviteit: eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 8.2 tot en met 8.4

Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 8.28.3 en 8.4. Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling. 

Artikel 8.7 Aanvraagvereisten activiteiten in de omgeving van beschermde monumenten

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit die valt binnen het toepassingsbereik van de regels over de omgeving van beschermde monumenten, bedoeld in afdeling 5.3. Deze gegevens zijn nodig om de mate van ontsiering die ontstaat door een activiteit in de omgeving van een beschermd monument te beoordelen. Dit heeft onder andere te maken met de afstand tot een beschermd monument of de schaal van de activiteit ten opzichte van het beschermd monument.

F

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed

Artikel 22.28 bevat uitzonderingen en aanvullende randvoorwaarden voor de in artikel 22.27 aangewezen gevallen. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht uit artikel 22.26 toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Artikel 22.28, vierde lid, is een voortzetting van artikel 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarbij op basis van de jurisprudentie één wijziging is aangebracht. Artikel 22.28, vierde lid, aanhef, verklaart als hoofdregel de op grond van artikel 22.27, aanhef en onder a en b, van dit omgevingsplan bestaande mogelijkheden om een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen zonder de op grond van artikel 22.26 van dit omgevingsplan vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit buiten toepassing, als er op de locatie van het bouwwerk regels gelden als bedoeld in artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In artikel 22.28, vierde lid, onder a, is de al onder het Besluit omgevingsrecht bestaande uitzondering op deze hoofdregel opgenomen dat deze niet geldt als de oppervlakte van het bouwwerk minder dan 50 m2 bedraagt. Op basis van de jurisprudentie is aan de regeling in dit omgevingsplan een subonderdeel toegevoegd (artikel 22.28, vierde lid, onder b). Per saldo leidt dit nieuwe subonderdeel ertoe dat de vergunningvrije bouwmogelijkheden voor een bijbehorend bouwwerk en een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf op grond van artikel 22.27, aanhef en onder a en b, van dit omgevingsplan in een groter aantal gevallen van toepassing blijven, ook al gelden er op de locatie van het bouwwerk regels als bedoeld in artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Het nieuwe subonderdeel regelt namelijk dat die vergunningvrije bouwmogelijkheden in dat geval ook van toepassing blijven als het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit en daarop regels als bedoeld in artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Op het moment dat sprake is van een dergelijk verbod met daarop betrekking hebbende regels over het verrichten van archeologisch onderzoek, is er geen reden om de desbetreffende vergunningvrije gevallen uit artikel 22.27 te beperken. In dat geval is de bescherming van de archeologische waarden op de locatie voldoende verzekerd. De uitzondering op de vergunningplicht uit artikel 22.26 kan dan blijven gelden. De toevoeging van dit nieuwe subonderdeel is een uitvloeisel van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met nummer ECLI:NL:RVS:2014:2066. Bij deze uitspraak heeft de Afdeling kort samengevat geoordeeld dat het bestaan van een vergunningplicht voor een bouwactiviteit een eventuele vergunningplicht voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit onverlet laat. Om die reden is het niet langer meer nodig om de bescherming van archeologische waarden die gevolgen kunnen ondervinden van grondwerkzaamheden in het kader van een bouwactiviteit, te laten plaatsvinden via regels die betrekking hebben op die bouwactiviteit. Het zijn twee zelfstandige kaders. In de voormalige planologische regelingen die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is dit uiteraard nog niet tot uitdrukking gebracht. Om die reden gebeurt dit nu in het nieuwe subonderdeel. Het is aan gemeenten om dit bij het vaststellen van het omgevingsplan verder te regelen en de regels die met het oog op de bescherming van archeologische waarden op een locatie worden gesteld aan het bouwen en het uitvoeren van grondwerkzaamheden in onderlinge samenhang te bezien en desgewenst aan te passen.

In aanvulling op de toelichting op artikel 2.30 van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15g) wordt hieronder ingegaan op de instructieregels en instructies die in ieder geval in acht genomen moeten worden bij het in het omgevingsplan aanpassen van de artikelen 22.26 en 22.27 van dit omgevingsplan en de in dit artikel (22.28) opgenomen uitzonderingen daarop voor cultureel erfgoed.

Bij aanpassing van het omgevingsplan moet de gemeente de instructieregels en instructies van de provincie en het Rijk in acht nemen. Bij dit onderwerp gaat het dan in ieder geval om de instructieregels uit het Bkl over het behoud van cultureel erfgoed (artikel 5.130) en werelderfgoed (artikel 5.131), de provinciale instructieregels over werelderfgoed (op grond van artikel 7.4, derde lid, van het Bkl) en de instructies ter bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten, bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet (in samenhang met artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet).

Voor omgevingsplanactiviteiten in, aan of op via het omgevingsplan (voor)beschermde monumenten of archeologische monumenten zal het daarbij vooral draaien om de vraag of de activiteit van invloed kan zijn op de monumentale waarden. De omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk valt hier immers één op één samen met de omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een (gemeentelijk of provinciaal) beschermd monument of archeologisch monument. Als een gemeente niet tot een vergunningvrijregime per locatie wil overgaan, ligt een vergelijkbaar regime als opgenomen in artikel 13.11 van het Bal, waarin de vergunningvrije gevallen voor de rijksmonumentenactiviteit zijn aangewezen, voor de hand. In de omgeving van – bij – (voor)beschermde monumenten is in ieder geval relevant de instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onderdonder 1°, van het Bkl, dat de aantasting van de omgeving van deze monumenten moet worden voorkomen voor zover deze daardoor zouden worden ontsierd of beschadigd. De mogelijkheden om binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht meer omgevingsplanactiviteiten vergunningvrij te maken, worden enerzijds specifiek begrensd door het niveau van bescherming dat ten tijde van de aanwijzing als beschermd gezicht op grond van de Monumentenwet 1988 of de instructie op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet voldoende beschermend werd geacht. Anderzijds vormt de generieke instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 2°, van het Bkl in algemene zin een ondergrens. Deze instructieregel bepaalt dat aantasting van het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten (ongeacht op welk overheidsniveau deze zijn beschermd) moet worden voorkomen. Hoewel in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl is opgemerkt dat het tweede lid, onder d, onder 2°, zich in eerste instantie richt op stads- en dorpsgezichten (en cultuurlandschappen) die op initiatief van de gemeente zelf worden beschermd, is de bepaling uitdrukkelijk ook van toepassing op rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Dit is ook nodig, omdat veel aanwijzingen als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht inmiddels zo’n vijftig jaar oud zijn en de meeste nog op het oude stelsel zijn geënt, waarin van rechtswege een bouwvergunningplicht gold. Daardoor zijn die als instructie aangemerkte oude aanwijzingen in de praktijk niet altijd leesbaar als een actuele en gedetailleerde instructie als bedoeld in artikel 2.34 van de Omgevingswet. De instructieregel in artikel 5.130, eerste lid, van het Bkl verplicht de gemeente in zo’n geval de karakteristieken van het beschermde gezicht aanvullend te analyseren en te betrekken bij de vraag of er ruimte is voor aanvullende vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Het ligt niet voor de hand dat er op gemeentelijk niveau generiek veel meer vergunningvrij zal kunnen worden verklaard. Voornoemde instructieregel voor beschermde stads- en dorpsgezichten geldt overigens ook voor eventuele via het omgevingsplan beschermde cultuurlandschappen, iets wat met name in het buitengebied aan de orde zou kunnen zijn.

In het licht van het voorgaande wordt ook nog gewezen op het – ook rechtstreeks de gemeenten bindende – verdrag van Granada. Op basis van artikel 4 van dat verdrag moet het beschermingsregime zo ingericht worden dat het bevoegd gezag ter voorkoming van ontsiering, vernieling of afbraak van beschermd cultureel erfgoed in een passende controle en goedkeuringsprocedure in kennis wordt gesteld van alle plannen tot het slopen of wijzigen («afbraak of verandering») van een (voor)beschermd monument of aantasting van de omgeving van zo’n monument, of waardoor een beschermd gezicht of cultuurlandschap geheel dan wel gedeeltelijk wordt aangetast als gevolg van de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen, of belangrijke veranderingen waardoor het karakter van het gezicht of cultuurlandschap zou worden aangetast. Artikel 14, eerste lid, van dit verdrag vraagt verder in de verschillende stadia van besluitvorming te zorgen voor passende structuren voor informatie, overleg en samenwerking tussen de centrale overheid, de regionale en lokale overheden, culturele instellingen en verenigingen en het publiek (participatie).

In de meeste gevallen zal een preventieve toets aan het omgevingsplan in de vorm van een vergunningplicht met het oog op bovenstaande overwegingen wenselijk blijven. De hoeveelheid activiteiten in, aan, op en bij beschermde monumenten en archeologische monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten die in een gebied vergunningvrij zullen kunnen worden na aanpassing van het omgevingsplan zal naar verwachting dus ook niet veel afwijken van de mogelijkheden die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet landelijk in het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen.

Motivering

1 Motivering

De motivering van dit besluit is opgenomen in bijlage I Overzicht Documentenbijlagen

I Overzicht Documentenbijlagen

Motivering evenwichtige toedeling van functies aan locaties Monumenten en omgeving van monumenten

/join/id/pubdata/gm0546/2026/fec3f1b4fb404c6c88e1515474450176/nld@2026‑06‑01;11175161

Naar boven