Gemeenteblad van Eijsden-Margraten
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Eijsden-Margraten | Gemeenteblad 2026, 284518 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Eijsden-Margraten | Gemeenteblad 2026, 284518 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Integrale subsidieregeling structurele subsidies Sociaal Domein gemeente Eijsden-Margraten 2026
Burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten;
gelet op de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene subsidieverordening Eijsden-Margraten 2026;
overwegende dat het gewenst is om activiteiten en voorzieningen te stimuleren die bijdragen aan de versterking van de Sociale Basis en Preventie;
overwegende dat het gewenst is om activiteiten en voorzieningen te stimuleren die bijdragen aan sport en beweegdeelname;
overwegende dat het gewenst is om activiteiten en voorzieningen te stimuleren die bijdragen aan kunst-, cultuur- en erfgoedparticipatie;
overwegende dat het gewenst is om deze activiteiten en voorzieningen te stimuleren door middel van structurele subsidies;
besluit de Integrale subsidieregeling structurele subsidies Sociaal Domein gemeente Eijsden-Margraten 2026 vast te stellen.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
Asv: Algemene subsidieverordening Eijsden-Margraten 2026;
in natura geleverde diensten en goederen: diensten en goederen die om niet worden geleverd;
inwoners: inwoners van de gemeente Eijsden-Margraten;
jeugdleden: natuurlijke personen tot en met 20 jaar die als lid staan ingeschreven bij de subsidieaanvrager en die contributie betalen;
leden: natuurlijke personen die als lid staan ingeschreven bij de subsidieaanvrager en die contributie betalen;
reguliere activiteiten: activiteiten die behoren tot de normale werkzaamheden van de subsidieontvanger en die ten minste jaarlijks terugkeren;
segment: een afgebakend onderdeel van deze subsidieregeling waarin activiteiten zijn samengebracht die bijdragen aan gelijksoortige beleidsdoelstellingen en maatschappelijke effecten, en waarvoor specifieke voorwaarden en beoordelingscriteria kunnen gelden;
structurele subsidies: subsidies als bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid, van de Algemene subsidieverordening Eijsden-Margraten 2026, die worden verstrekt voor reguliere activiteiten van de subsidieontvanger;
vrijwilligerswerk: activiteiten die vrijwillig en onbetaald worden uitgevoerd om goederen te produceren of diensten te verlenen aan anderen buiten het huishouden of de familie van de vrijwilliger.
Artikel 1.2. Aanvraagtermijn en looptijd subsidie
Burgemeester en wethouders kunnen gedurende een lopend subsidietijdvak een aanvraag voor de resterende kalenderjaren in behandeling nemen indien de aanvrager bij de aanvang van dat subsidietijdvak geen aanvraag heeft kunnen indienen, omdat het initiatief waarop de aanvraag betrekking heeft toen nog niet bestond.
Artikel 1.3. Subsidieplafond en overheveling
Indien burgemeester en wethouders gebruikmaken van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid, wordt de wijziging van het subsidieplafond vastgesteld door wijziging van het afzonderlijke besluit tot vaststelling van het subsidieplafond en bekendgemaakt overeenkomstig de daarvoor geldende bekendmakingsregels.
Hoofdstuk 2. Nadere regelingen per segment
Titel 2.1. Segment Sociale Basis en Preventie
In deze titel wordt verstaan onder:
armoede: de situatie waarin personen of huishoudens structureel over onvoldoende financiële middelen beschikken om te voorzien in basisbehoeften zoals voedsel, kleding, adequate huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en sociale participatie, waardoor mensen ernstig worden belemmerd in hun maatschappelijke participatie, zelfredzaamheid en kansen op ontwikkeling;
bijzondere activiteiten: activiteiten die worden georganiseerd voor jeugd en jongeren en die ten minste eenmaal per jaar terugkeren in dezelfde of in hoofdzaak dezelfde verschijningsvorm;
inclusie: het bevorderen van gelijke toegang, deelname en kansen voor alle inwoners, waarbij drempels die maatschappelijke participatie belemmeren actief worden weggenomen en verschillen worden erkend en gewaardeerd;
informele zorg: niet-professionele en onbetaalde zorg en ondersteuning die wordt verleend door personen uit het sociale netwerk van de zorgontvanger, zoals familie, vrienden, buren of vrijwilligers, en die voortkomt uit een bestaande sociale relatie;
kwetsbare inwoners: personen die, al dan niet tijdelijk, beperkt zijn in hun zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie als gevolg van lichamelijke, psychische, sociale of economische factoren;
maatschappelijke participatie: het meedoen aan sociale, culturele, sportieve of educatieve activiteiten, waardoor inwoners contacten onderhouden, vaardigheden ontwikkelen en onderdeel blijven van de samenleving;
sociale basis en preventie: het geheel van informele sociale verbanden en laagdrempelige voorzieningen in de leefomgeving van inwoners, ondersteund door publieke of maatschappelijke organisaties, dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid, participatie, sociale samenhang en welzijn alsmede op het vroegtijdig signaleren, voorkomen of beperken van sociale, maatschappelijke, opvoed-, participatie- of gezondheidsgerelateerde problematiek binnen het sociaal domein.
Artikel 2.2. Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen
Burgemeester en wethouders verstrekken uitsluitend subsidie voor reguliere activiteiten die bijdragen aan de volgende doelen:
Artikel 2.4. Eisen aan de aanvraag
In aanvulling op artikel 6 van de Asv legt een aanvrager die een vereniging betreft in ieder geval de volgende gegevens over:
een door het bestuur van de aanvrager ondertekende verklaring dat het onder a bedoelde ledenaantal is gebaseerd op een actuele en controleerbare ledenadministratie, dat het naar waarheid en volledig is verstrekt en dat het bestuur ermee bekend is dat een onjuiste opgave kan leiden tot wijziging, intrekking of terugvordering van de subsidie.
Indien de aanvrager activiteiten met minderjarigen organiseert, overlegt deze tevens een door het bestuur ondertekende verklaring waaruit blijkt dat alle aan de aanvrager verbonden vrijwilligers beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
Artikel 2.6. Subsidiabele kosten
Burgemeester en wethouders verstrekken geen subsidie voor:
In afwijking van het tweede lid wordt de hoogte van de subsidie voor aanvragers die zich hoofdzakelijk richten op jeugd- en jongerenwerk als volgt berekend: S + (T × U) + (V × W), waarbij:
S = het vaste bedrag per subsidieaanvrager per jaar;
T = het aantal jeugdleden van de subsidieaanvrager op 1 januari van het jaar voorafgaand aan de subsidieperiode waarop de aanvraag betrekking heeft;
U = het bedrag per jeugdlid per jaar;
V = het aantal bijzondere activiteiten per jaar dat de subsidieaanvrager organiseert;
W = het bedrag per bijzondere activiteit per jaar als bedoeld bij V.
Indien het totaal van de op grond van dit artikel berekende subsidies het voor het betreffende segment geldende subsidieplafond overschrijdt, kunnen burgemeester en wethouders eerst toepassing geven aan artikel 1.3. Voor zover na toepassing van artikel 1.3 het subsidieplafond nog steeds wordt overschreden, worden de op grond van dit artikel berekende subsidies naar evenredigheid verlaagd.
Burgemeester en wethouders stellen bij afzonderlijk besluit een subsidieplafond voor vier jaar, vier jaarlijkse subsidieplafonds en eventuele deelplafonds vast.
Artikel 2.9. Tussentijdse verhoging subsidie
Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt uitsluitend ingewilligd indien:
het aantal voor de subsidie relevante leden per 1 januari van het jaar voorafgaande aan de jaren waarop het verzoek betrekking heeft, is toegenomen met minimaal 25% ten opzichte van het voor de subsidie relevante ledenaantal dat is opgegeven op grond van artikel 2.4, eerste lid, onder a of artikel 2.4, tweede lid, onder a;
Het verzoek bevat in ieder geval de volgende gegevens:
een door het bestuur van de subsidieontvanger ondertekende verklaring dat het onder a bedoelde ledenaantal is gebaseerd op een actuele en controleerbare ledenadministratie, dat het onder a bedoelde ledenaantal naar waarheid en volledig is verstrekt en dat het bestuur ermee bekend is dat een onjuiste opgave kan leiden tot wijziging, intrekking of terugvordering van de subsidie.
Artikel 2.10. Weigeringsgronden
Overeenkomstig artikel 9, tweede lid, onder f, Asv kunnen burgemeester en wethouders de aanvraag afwijzen als:
Artikel 2.11. Overlappende activiteiten
Indien twee of meer aanvragen een gelijke totaalscore behalen, wordt eerst voorrang gegeven aan de aanvraag die het hoogst scoort op het criterium, bedoeld in het tweede lid, onder a. Indien dit niet tot een onderscheid leidt, wordt voorrang gegeven aan de aanvraag die het hoogst scoort op het criterium, bedoeld in het tweede lid, onder b. Indien dit evenmin tot een onderscheid leidt, wordt voorrang gegeven aan de aanvraag die het hoogst scoort op het criterium, bedoeld in het tweede lid, onder c. Indien dit niet tot een onderscheid leidt, beslissen burgemeester en wethouders door middel van loting.
Een subsidieontvanger met leden voert een controleerbare administratie van de voor de subsidie relevante ledengegevens en geeft op verzoek van burgemeester en wethouders inzage in de gegevens en bescheiden die redelijkerwijs nodig zijn om te controleren of aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.
Titel 2.2. Segment Kunst, Cultuur en Erfgoed
In deze titel wordt verstaan onder:
Cultuurvisie Eijsden-Margraten: de cultuurvisie 2025-2030 van de gemeente Eijsden-Margraten, te raadplegen via haar website;
kunst, cultuur en erfgoed: activiteiten binnen de gemeente Eijsden-Margraten die betrekking hebben op het beleven, beoefenen, presenteren, toegankelijk maken, behouden, doorgeven en educatief inzetten van kunst, cultuur, immaterieel erfgoed en levend materieel erfgoed, voor zover deze vallen binnen een of meer van de in de Cultuurvisie Eijsden-Margraten vastgelegde culturele kernthema’s, te weten:
Artikel 2.18. Eisen aan de aanvraag
In aanvulling op artikel 6 Asv, legt een aanvrager met leden in ieder geval de volgende gegevens over:
een door het bestuur van de aanvrager ondertekende verklaring dat het onder a bedoelde ledenaantal is gebaseerd op een actuele en controleerbare ledenadministratie, dat het onder a bedoelde ledenaantal naar waarheid en volledig is verstrekt en dat het bestuur ermee bekend is dat een onjuiste opgave kan leiden tot wijziging, intrekking of terugvordering van de subsidie;
In aanvulling op het tweede lid overlegt een aanvrager die activiteiten voor minderjarigen organiseert tevens een door het bestuur ondertekende verklaring waaruit blijkt dat alle aan de aanvrager verbonden vrijwilligers beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
Artikel 2.20. Subsidiabele kosten
Burgemeester en wethouders verstrekken geen subsidie voor:
Artikel 2.21. Hoogte subsidie en wijze van verdeling
Indien het totaal van de op grond van dit artikel berekende subsidies het voor het betreffende segment geldende subsidieplafond overschrijdt, kunnen burgemeester en wethouders eerst toepassing geven aan artikel 1.3. Voor zover na toepassing van artikel 1.3 het subsidieplafond nog steeds wordt overschreden, worden de op grond van dit artikel berekende subsidies naar evenredigheid verlaagd.
Burgemeester en wethouders stellen bij afzonderlijk besluit een subsidieplafond voor vier jaar, vier jaarlijkse subsidieplafonds en eventuele deelplafonds vast.
Artikel 2.23. Tussentijdse verhoging subsidie
Het verzoek bevat in ieder geval de volgende gegevens:
een door het bestuur van de subsidieontvanger ondertekende verklaring dat het onder a bedoelde ledenaantal is gebaseerd op een actuele en controleerbare ledenadministratie, dat het onder a bedoelde ledenaantal naar waarheid en volledig is verstrekt en dat het bestuur ermee bekend is dat een onjuiste opgave kan leiden tot wijziging, intrekking of terugvordering van de subsidie.
Artikel 2.24. Weigeringsgronden
Overeenkomstig artikel 9, tweede lid, onder f, van de Asv kunnen burgemeester en wethouders de aanvraag afwijzen als:
Artikel 2.25. Overlappende activiteiten
Indien een subsidie wordt aangevraagd voor de organisatie van een jaarlijks terugkerende thematische viering en het, gelet op de aard en functie van die viering, de doelgroep waarvoor deze is bestemd en de plaats waar deze plaatsvindt, passend is dat die viering binnen een kern slechts eenmaal wordt gesubsidieerd, wordt per kern maximaal één subsidie verleend.
Indien twee of meer aanvragen een gelijke totaalscore behalen, wordt eerst voorrang gegeven aan de aanvraag die het hoogst scoort op het criterium, bedoeld in het tweede lid, onder a. Indien dit niet tot een onderscheid leidt, wordt voorrang gegeven aan de aanvraag die het hoogst scoort op het criterium, bedoeld in het tweede lid, onder b. Indien dit evenmin tot een onderscheid leidt, wordt voorrang gegeven aan de aanvraag die het hoogst scoort op het criterium, bedoeld in het tweede lid, onder c. Indien dit niet tot een onderscheid leidt, beslissen burgemeester en wethouders door middel van loting.
Titel 2.3. Segment Sport en Beweging
In deze titel wordt verstaan onder:
NOC*NSF: Nederlands Olympisch Comité en de Nederlandse Sport Federatie;
Sportakkoord: het lokaal en/of nationaal vastgestelde Sportakkoord waarin afspraken zijn vastgelegd tussen overheid, sportorganisaties en maatschappelijke partners over het stimuleren van sport, bewegen en een gezonde leefstijl, zoals dat van kracht is gedurende de subsidieperiode.
Onder recreatieve sport worden uitsluitend de volgende sportvormen verstaan: zwemmen, krachtsport, paardensport, atletiek, jeu de boules en Kung Fu.
Sportevenement: sportevenementen op het gebied van wielrennen, gravelrijden en hardlopen, waaronder de Bemels Beste Boeren Bergloop.
Sportraad: de rechtspersoon die door het college is belast met de advisering over sport en bewegen binnen de gemeente Eijsden-Margraten.
Artikel 2.31. Eisen aan de aanvraag
In aanvulling op artikel 6 van de Asv verstrekt een aanvrager met leden in ieder geval de volgende gegevens:
een door het bestuur ondertekende verklaring dat het onder a bedoelde ledenaantal is gebaseerd op een actuele en controleerbare ledenadministratie en naar waarheid en volledig is verstrekt, en dat het bestuur ermee bekend is dat een onjuiste opgave kan leiden tot wijziging, intrekking of terugvordering van de subsidie;
Artikel 2.33. Subsidiabele kosten
Burgemeester en wethouders verstrekken geen subsidie voor:
Indien het totaal van de op grond van dit artikel berekende subsidies het voor het betreffende segment geldende subsidieplafond overschrijdt, kunnen burgemeester en wethouders eerst toepassing geven aan artikel 1.3. Voor zover na toepassing van artikel 1.3 het subsidieplafond nog steeds wordt overschreden, worden de op grond van dit artikel berekende subsidies naar evenredigheid verlaagd.
Burgemeester en wethouders stellen bij afzonderlijk besluit een subsidieplafond voor vier jaar, vier jaarlijkse subsidieplafonds en eventuele deelplafonds vast.
Artikel 2.36. Tussentijdse verhoging subsidie
Het verzoek bevat in ieder geval de volgende gegevens:
een door het bestuur van de subsidieontvanger ondertekende verklaring dat het onder a bedoelde ledenaantal is gebaseerd op een actuele en controleerbare ledenadministratie, dat het onder a bedoelde ledenaantal naar waarheid en volledig is verstrekt en dat het bestuur ermee bekend is dat een onjuiste opgave kan leiden tot wijziging, intrekking of terugvordering van de subsidie.
Burgemeester en wethouders beslissen op het verzoek bij afzonderlijke beschikking tot wijziging van de subsidieverlening, met als uitgangspunt dat de subsidie conform de berekeningswijze als bedoeld in artikel 2.34, tweede lid kan worden verhoogd indien de aanvrager als gevolg van het toegenomen aantal jeugdleden komt te vallen onder een nieuwe aanvragerscategorie.
Artikel 2.37. Weigeringsgronden
Overeenkomstig artikel 9, tweede lid, onder f, Asv kunnen burgemeester en wethouders de aanvraag afwijzen als:
Een subsidieontvanger als bedoeld in artikel 2.34, tweede lid, voert een controleerbare administratie van de voor de subsidie relevante ledengegevens en geeft op verzoek van burgemeester en wethouders inzage in de gegevens en bescheiden die redelijkerwijs nodig zijn om te controleren of aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.
Een ontvanger van een subsidie van meer dan € 5.000 per jaar legt, met uitzondering van het laatste subsidiejaar, één keer per jaar uiterlijk op 1 mei op de in de beschikking vermelde wijze rekening en verantwoording af over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten.
Artikel 3.1. Hardheidsclausule
Door burgemeester en wethouders kan worden afgeweken van deze regeling als daaraan vasthouden voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen.
Burgemeester en wethouders kunnen bepalen of en op welke wijze de in deze regeling genoemde bedragen worden geïndexeerd.
Artikel 3.3. Evaluatiebepaling
Burgemeester en wethouders evalueren deze regeling binnen vier jaar na de inwerkingtreding op doeltreffendheid en effecten in de praktijk.
Artikel 3.4. Overgangsbepaling gefaseerde invoering verdeelsystematiek
Indien toepassing van de in deze regeling opgenomen verdeelsystematiek leidt tot een afwijking van meer dan 20% ten opzichte van het subsidiebedrag dat voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling aan de subsidieontvanger werd verstrekt voor dezelfde of vergelijkbare activiteiten, wordt deze afwijking gedurende de subsidieperiode 2027–2030 gefaseerd verwerkt.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Dit artikel bevat de begripsbepalingen die voor de hele regeling van belang zijn. Daarmee wordt duidelijk hoe bepaalde woorden in deze regeling moeten worden gelezen. Dat voorkomt misverstanden bij de toepassing. Het gaat om de volgende begrippen:
Met Asv wordt bedoeld de Algemene subsidieverordening Eijsden-Margraten 2026. Deze subsidieregeling bouwt daarop voort. De Asv bevat de algemene regels die voor gemeentelijke subsidies gelden, terwijl deze regeling nadere regels bevat voor verschillende segmenten waaronder Sociale basis en preventie. Samen vormen de Asv en deze subsidieregeling het kader voor subsidies.
In natura geleverde diensten en goederen
In natura geleverde diensten en goederen zijn diensten en goederen die aan een subsidieaanvrager worden geleverd door een andere partij en waarvoor door die andere partij geen vergoeding wordt gevraagd. Deze worden dus gratis beschikbaar gesteld aan de subsidieaanvrager.
Onder inwoners wordt verstaan: inwoners van de gemeente Eijsden-Margraten. Dit begrip is van belang omdat deze subsidieregeling is gericht op activiteiten met maatschappelijk effect binnen de gemeente. Daarom kan voor subsidies op grond van deze regeling van belang zijn in hoeverre activiteiten zich richten op inwoners van Eijsden-Margraten.
Jeugdleden zijn natuurlijke personen tot en met 20 jaar die als lid staan ingeschreven bij de subsidieaanvrager en contributie betalen. Dit begrip is van belang voor de hoogte van de subsidie, omdat daarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen jeugdleden en andere leden.
Onder leden wordt verstaan natuurlijke personen die als lid staan ingeschreven bij de subsidieaanvrager en contributie betalen. Anders dan bij jeugdleden speelt hier geen leeftijdsgrens.
Op grond van deze regeling kan alleen subsidie worden versterkt voor reguliere activiteiten. Het betreft activiteiten die behoren tot de normale werkzaamheden van de subsidieontvanger en die ten minste jaarlijks terugkeren. Het begrip is in deze regeling met name van belang om deze subsidies te onderscheiden van incidentele subsidies, waarvoor een afzonderlijke subsidieregeling van toepassing is.
Een segment is een afgebakend onderdeel van deze subsidieregeling waarin activiteiten zijn samengebracht die bijdragen aan vergelijkbare beleidsdoelstellingen en maatschappelijke effecten. Per segment kunnen eigen voorwaarden, beoordelingscriteria en budgetten worden gehanteerd.
Met structurele subsidies wordt bedoeld de subsidies als bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid, van de Asv, die worden verstrekt voor reguliere activiteiten van de subsidieontvanger.
Vrijwilligerswerk betreft activiteiten die vrijwillig en onbetaald worden uitgevoerd om goederen te produceren of diensten te verlenen aan anderen buiten het huishouden of de familiekring van de vrijwilliger. Daarmee wordt duidelijk dat informele hulp binnen de privésfeer niet wordt gezien als vrijwilligerswerk.
Artikel 1.2 Aanvraagtermijn en looptijd subsidie
In dit artikel is bepaald dat een subsidieaanvraag - in afwijking van artikel 7, eerste lid, Asv - uiterlijk op 1 september moet zijn ingediend, voorafgaand aan het eerste jaar waarop de subsidie betrekking heeft. Een vereniging die subsidie wil aanvragen voor een subsidietijdvak dat aanvangt in 2027, moet haar aanvraag dus uiterlijk op 1 september 2026 indienen. De aanvraag kan pas worden ingediend na de bekendmaking van het subsidieplafond voor de betreffende subsidieperiode. Ook is geregeld dat de subsidie ineens kan worden verleend voor een periode van maximaal vier jaar. Daarmee biedt de regeling ruimte om, afhankelijk van de omstandigheden, een passende subsidieperiode te hanteren, met een maximum van vier jaar. Dit artikel maakt het verder mogelijk om gedurende de subsidieperiode een subsidieaanvraag in behandeling te nemen van een nieuwe aanvrager. Zonder deze mogelijkheid zou het namelijk kunnen gebeuren dat bijvoorbeeld een nieuwe organisatie in de gemeente tot vier jaar moet wachten totdat kan worden meegedaan aan de volgende subsidieronde. Een aanvraag van een nieuwe aanvrager moet worden ingediend voor 1 september, maar dat kan dus ook zijn 1 september voorafgaand aan het tweede, derde of vierde jaar van de subsidieperiode.
Artikel 1.3 Subsidieplafond en overheveling
Dit artikel maakt het mogelijk dat geld dat in het ene segment overblijft, wordt overgeheveld naar een ander segment binnen dezelfde subsidieregeling. Dat geeft het college flexibiliteit om het beschikbare budget optimaal te benutten. Het tweede lid regelt dat zo’n wijziging niet informeel kan plaatsvinden. Het subsidieplafond moet dan officieel worden aangepast en op de juiste manier bekendgemaakt.
Artikel 1.4 Eisen aan de aanvraag
Dit artikel regelt dat een aanvraag om subsidie vergezeld gaat van een activiteitenplan. Dit artikel vormt een aanvulling op artikel 6 van de Algemene subsidieverordening Eijsden-Margraten 2026 (ASV), waarin reeds is bepaald dat een aanvraag inzicht moet geven in de aard van de activiteiten, de doelstellingen en de beoogde resultaten.
Met dit artikel wordt deze informatieverplichting nader geconcretiseerd en uniform gemaakt voor alle segmenten binnen deze subsidieregeling. Door het verplicht stellen van een activiteitenplan worden aanvragen op een eenduidige en vergelijkbare wijze ingediend, hetgeen noodzakelijk is voor een zorgvuldige beoordeling van aanvragen en een transparante toepassing van de beoordelingscriteria.
Het activiteitenplan bevat in ieder geval een beschrijving van de activiteiten, de doelstellingen en beoogde resultaten, de doelgroep en de wijze waarop de activiteiten bijdragen aan de doelstellingen van het betreffende segment. Hiermee wordt inzicht verkregen in de maatschappelijke en beleidsmatige relevantie van de activiteiten en de mate waarin deze aansluiten bij de doelstellingen van de gemeente.
Indien van toepassing bevat het activiteitenplan daarnaast informatie over het bereik van de activiteiten, de samenwerking met andere partijen en de inzet van vrijwilligers. Dit biedt burgemeester en wethouders aanvullende informatie om de uitvoerbaarheid, effectiviteit en maatschappelijke impact van de activiteiten te beoordelen.
Burgemeester en wethouders kunnen per segment nadere eisen stellen aan de inhoud van het activiteitenplan. Deze bepaling biedt flexibiliteit om de informatievoorziening af te stemmen op de aard en doelstellingen van verschillende beleidsterreinen binnen deze subsidieregeling, zonder dat hiervoor de gehele regeling hoeft te worden aangepast.
Door het activiteitenplan als verplicht onderdeel van de aanvraag op te nemen, wordt de kwaliteit van subsidieaanvragen verbeterd en wordt een consistente en zorgvuldige beoordeling binnen de kaders van het vooraf vastgestelde subsidieplafond ondersteund.
Hoofdstuk 2. Nadere regelingen per segment
Titel 2.1. Segment Sociale Basis en Preventie
Dit artikel bevat de begripsomschrijvingen die specifiek van belang zijn voor het segment ‘Sociale basis en preventie’.
Armoede is de situatie waarin personen of huishoudens structureel over onvoldoende financiële middelen beschikken om te voorzien in basisbehoeften. Bij basisbehoeften gaat het om bijvoorbeeld voedsel, kleding, adequate huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en sociale participatie. Het gevolg hiervan is dat mensen ernstig worden belemmerd in hun maatschappelijke participatie, zelfredzaamheid en kansen op ontwikkeling.
Bijzondere activiteiten zijn activiteiten die ten minste eenmaal per jaar terugkeren en daardoor als structureel worden aangemerkt. Het moet gaan om dezelfde activiteit of in hoofdzaak dezelfde activiteit. De bijzondere activiteiten vinden plaats binnen het kader van de overkoepelende structurele activiteit waarvoor op grond van artikel 2.2 subsidie wordt verleend. In deze subsidietitel is de definitie van bijzondere activiteiten alleen van toepassing op activiteiten die worden georganiseerd voor jeugd en jongeren.
Inclusie is het bevorderen van gelijke toegang, deelname en kansen voor alle inwoners, waarbij drempels die maatschappelijke participatie belemmeren actief worden weggenomen en verschillen worden erkend en gewaardeerd.
Informele zorg omvat zorg en ondersteuning die wordt verleend door personen uit het sociale netwerk van de zorgontvanger, zoals familie, vrienden, buren of vrijwilligers, en die voortkomt uit een bestaande sociale relatie. Het moet gaan om niet-professionele en onbetaalde zorg.
Onder kwetsbare inwoners wordt verstaan personen die, al dan niet tijdelijk, beperkt zijn in hun zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie als gevolg van lichamelijke, psychische, sociale of economische factoren.
Onder maatschappelijke participatie wordt verstaan het meedoen aan sociale, culturele, sportieve of educatieve activiteiten, waardoor inwoners contacten onderhouden, vaardigheden ontwikkelen en onderdeel blijven van de samenleving.
Onder sociale basis en preventie wordt verstaan het geheel van informele sociale verbanden en laagdrempelige voorzieningen in de leefomgeving van inwoners, ondersteund door publieke of maatschappelijke organisaties. Dat geheel is gericht op het versterken van zelfredzaamheid, participatie, sociale samenhang en welzijn, maar ook op het vroegtijdig signaleren, voorkomen of beperken van sociale, maatschappelijke, opvoed-, participatie- of gezondheidsgerelateerde problematiek binnen het sociaal domein.
Artikel 2.2 Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen
Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 3 van de Asv, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bij subsidieregeling vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. De gemeente verleent alleen subsidie voor activiteiten die iets goeds doen voor mensen en de samenleving. Om voor subsidie in aanmerking te komen, moet een activiteit meehelpen aan een betere, gezondere en socialere samenleving.
Het artikel bepaalt dat de activiteiten moeten bijdragen aan de doelstellingen die zijn opgesomd onder sub a tot en met l. Het is niet vereist dat een bijdrage wordt geleverd aan alle opgesomde doelen. Voldoende is dat sprake is van een betekenisvolle bijdrage aan een van deze doelstellingen. In de praktijk zal een activiteit soms wel aan meerdere doelstellingen tegelijk raken. Een activiteit voor ouderen kan bijvoorbeeld bijdragen aan zowel het doel onder sub e als het doel onder sub i.
Er is gekozen voor een ruim bereik van de activiteiten die in aanmerking komen voor subsidie. Hierdoor vallen niet alleen activiteiten onder de reikwijdte die al jaren worden uitgevoerd, maar is ook subsidie mogelijk voor nog te ontwikkelen toekomstige activiteiten.
Artikel 2.3 Eisen aan de aanvrager
Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 3 van de Asv, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bij subsidieregeling bepalen welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen. Dat zijn op grond van dit artikel rechtspersonen die hoofdzakelijk gebruikmaken van vrijwilligers. Voor verenigingen geldt als aanvullende eis dat de vereniging minimaal 15 leden heeft. Hiermee wordt gewaarborgd dat de activiteiten van de vereniging een zekere maatschappelijke impact hebben en dat sprake is van een bepaalde robuustheid.
Artikel 2.4 Eisen aan de aanvraag
Dit artikel bevat aanvullende eisen voor subsidieaanvragen. De gevraagde gegevens stellen het college in staat om de aanvraag zorgvuldig te beoordelen en de omvang van de activiteiten en doelgroep van de aanvrager vast te stellen.
Het eerste lid bepaalt welke gegevens een aanvrager met leden in aanvulling op artikel 6 van de Algemene subsidieverordening (Asv) moet overleggen.
Onderdeel a verplicht tot opgave van het aantal leden per 1 januari van het jaar voorafgaand aan de subsidieperiode. Hiermee wordt aangesloten bij een vaste peildatum, zodat aanvragen op een uniforme wijze kunnen worden beoordeeld.
Onderdeel b verplicht het bestuur van de aanvrager tot het afleggen van een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat het opgegeven ledenaantal is gebaseerd op een actuele en controleerbare ledenadministratie en naar waarheid en volledig is verstrekt. Tevens wordt bevestigd dat het bestuur ermee bekend is dat een onjuiste opgave gevolgen kan hebben voor de subsidieverlening, waaronder wijziging, intrekking of terugvordering van de subsidie.
Het tweede lid bevat een bijzondere regeling voor aanvragers die zich hoofdzakelijk richten op jeugd- en jongerenwerk. Voor deze organisaties is niet het totale ledenaantal bepalend, maar het aantal jeugdleden.
Onderdeel a verplicht daarom tot opgave van het aantal jeugdleden per 1 januari van het jaar voorafgaand aan de subsidieperiode.
Onderdeel b verplicht tot opgave van het aantal bijzondere activiteiten per jaar. Onder bijzondere activiteiten worden verstaan activiteiten die voor jeugd en jongeren worden georganiseerd en die ten minste eenmaal per jaar terugkeren in dezelfde of grotendeels dezelfde vorm, zoals opkomsten, kampen of vergelijkbare groepsactiviteiten met een zelfstandig karakter. Deze gegevens geven inzicht in de omvang en intensiteit van het jeugd- en jongerenwerk.
Het derde lid verplicht aanvragers die activiteiten voor minderjarigen organiseren tot het overleggen van een door het bestuur ondertekende verklaring waaruit blijkt dat alle aan de organisatie verbonden vrijwilligers beschikken over een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Hiermee wordt beoogd de sociale veiligheid van minderjarigen binnen gesubsidieerde activiteiten te bevorderen.
Het vierde lid regelt een administratieve lastenverlichting voor kleine subsidieaanvragen. In afwijking van artikel 6 Asv hoeft een aanvrager van een subsidie tot en met € 5.000 per jaar geen begroting van de activiteiten over te leggen. Hiermee wordt voorkomen dat voor beperkte subsidiebedragen onnodige administratieve verplichtingen gelden.
Artikel 2.5 Verwerking van persoonsgegevens
Dit artikel regelt hoe de gemeente omgaat met persoonsgegevens. Het eerste lid maakt duidelijk dat burgemeester en wethouders de ledenadministratie en verklaringen omtrent gedrag steekproefsgewijs mogen controleren. Daarbij geldt wel een grens: de controle moet proportioneel zijn en mag niet verder gaan dan nodig is. Het tweede lid legt vast dat alleen noodzakelijke gegevens worden verwerkt en dat die niet langer worden bewaard dan nodig.
Artikel 2.6 Subsidiabele kosten
Dit artikel noemt welke kosten niet voor subsidie in aanmerking komen. De gedachte daarachter is dat subsidie bedoeld is voor de uitvoering van de activiteit zelf, en niet voor kosten die daar te ver van afstaan, al uit andere middelen worden betaald of niet redelijk zijn om met publiek geld te bekostigen.
De opsomming voorkomt discussie achteraf. Het betreft de volgende kosten:
Kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen
Dit zijn kosten die een organisatie ook zonder subsidie moet maken om haar activiteiten op een rechtmatige en verantwoorde manier uit te voeren. Denk bijvoorbeeld aan kosten die nodig zijn om te voldoen aan wettelijke veiligheidsvoorschriften, vergunningseisen of basale kwaliteitseisen die algemeen gebruikelijk zijn binnen de betreffende sector.
Kosten die uit anderen hoofde worden gesubsidieerd
Kosten die al uit anderen hoofde worden gesubsidieerd, worden niet nogmaals gesubsidieerd. Dit voorkomt dubbele financiering van dezelfde kosten. Cofinanciering is daarmee niet uitgesloten. Daarvan is sprake als verschillende financiers ieder een afzonderlijk deel van de kosten voor hun rekening nemen en dezelfde kostenposten dus niet dubbel worden bekostigd.
Verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten
Verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten zijn niet subsidiabel. Als een aanvrager bijvoorbeeld btw kan terugvragen of verrekenen, vormt die btw geen daadwerkelijke kostenpost voor de aanvrager. Alleen kosten die daadwerkelijk voor rekening van de aanvrager blijven, kunnen in aanmerking komen voor subsidie.
Kosten van feesten zijn niet subsidiabel. Een uitzondering geldt voor kosten van feesten die een functioneel aanvullend onderdeel zijn van de activiteit. Dat betekent dat het feestelijke onderdeel ondersteunend moet zijn aan het doel van de activiteit en niet op zichzelf mag staan. Denk bijvoorbeeld aan een bescheiden afsluiting van een activiteit die onderdeel is van een breder programma. Voor feesten kan wel een subsidie worden aangevraagd op basis van de subsidieregeling voor incidentele subsidies.
Kosten van in natura geleverde diensten en goederen
Het gaat hierbij om diensten of goederen waarvoor geen daadwerkelijke betaling plaatsvindt, zoals vrijwillig beschikbaar gestelde materialen, ruimtes of werkzaamheden. Omdat hier geen werkelijke kosten tegenover staan, worden deze niet gesubsidieerd. Kosten voor het aankopen van bijvoorbeeld een cadeaubon of een boeket bloemen uit waardering voor het vrijwillig beschikbaar stellen van diensten en goederen zijn dus niet subsidiabel.
Kosten van gelieerde rechtspersonen die onderling in rekening worden gebracht
Dit ziet op situaties waarin kosten worden doorbelast tussen organisaties die organisatorisch, bestuurlijk of financieel met elkaar verbonden zijn. Het gaat bijvoorbeeld om kosten voor personeel, diensten, materialen of huisvesting die door een gelieerde rechtspersoon aan de aanvrager in rekening worden gebracht.
Kosten betaald aan vrijwilligers, met uitzondering van vergoedingen voor werkelijk gemaakte onkosten
Kosten betaald aan vrijwilligers zijn niet subsidiabel, behalve voor zover het gaat om vergoedingen voor werkelijk gemaakte onkosten. Vrijwilligerswerk wordt in beginsel onbetaald verricht. Kosten die een vrijwilliger daadwerkelijk maakt voor de activiteit, zoals reiskosten of materiaalkosten, kunnen wel voor subsidie in aanmerking komen als zij voldoende zijn onderbouwd.
Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 3 van de Asv, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bij subsidieregeling bepalen hoe de hoogte van een subsidie wordt berekend. Voor aanvragers zonder leden geldt een vast bedrag per aanvrager per jaar (eerste lid). Voor organisaties met leden bestaat de subsidie uit een vast bedrag per jaar plus een bedrag per lid per jaar (tweede lid). Daarmee wordt rekening gehouden met de omvang van de organisatie. Voor organisaties die zich bezighouden met jeugd- en jongerenwerk, geldt een uitzondering op het bovenstaande. Voor deze organisaties bestaat de subsidie uit een vast bedrag per jaar plus een bedrag per jeugdlid per jaar plus een bedrag per bijzondere activiteit per jaar (derde lid).
Het college stelt de concrete bedragen op grond van het vierde lid vast in een afzonderlijk besluit. Dat is praktisch, omdat bedragen zo eenvoudiger kunnen worden aangepast zonder dat meteen de hele regeling hoeft te worden gewijzigd. Burgemeester en wethouders kunnen daarbij voor verschillende clusters van aanvragers verschillende bedragen vaststellen, indien daarvoor gelet op bijvoorbeeld de aard van de activiteiten of het ledenbestand aanleiding bestaat.
In het vijfde lid is geregeld hoe wordt gehandeld als het totaal van de op grond van dit artikel berekende subsidies hoger is dan het voor het betreffende segment geldende subsidieplafond. Burgemeester en wethouders kunnen in dat geval eerst toepassing geven aan artikel 1.3 en bezien of overheveling van middelen vanuit een ander segment mogelijk is. Voor zover het subsidieplafond daarna nog steeds wordt overschreden, worden de berekende subsidies naar evenredigheid verlaagd. Het percentage van de verlaging wordt berekend volgens de formule: (totaal berekende subsidies - subsidieplafond) / totaal berekende subsidies × 100%. Bij een totaal van € 120.000 aan berekende subsidies en een subsidieplafond van € 100.000 bedraagt de overschrijding € 20.000. Het verlagingspercentage is dan 16,67%. Iedere subsidie wordt in dat geval met 16,67% verlaagd. Een berekende subsidie van € 6.000 wordt dan vastgesteld op € 5.000. Achten burgemeester en wethouders een dergelijke verlaging niet wenselijk, dan kunnen zij er ook voor kiezen het subsidieplafond te verhogen. Als burgemeester en wethouders daarvoor niet kiezen en toepassing van deze systematiek in een concreet geval tot een onredelijke uitkomst leidt, kunnen zij toepassing geven aan de hardheidsclausule (artikel 3.1).
Dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders voor dit segment een vierjaarlijks subsidieplafond, vier jaarlijkse subsidieplafonds en eventueel deelplafonds vaststellen. Artikel 4:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) definieert een subsidieplafond als: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Het doel van een subsidieplafond is om openeindregelingen te voorkomen. Dat wordt bereikt doordat artikel 4:25, tweede lid, van de Awb voorschrijft dat een aanvraag om subsidie moet worden afgewezen als het subsidieplafond is bereikt. Met andere woorden: burgemeester en wethouders stellen het bedrag vast dat in een bepaalde periode maximaal voor dit segment beschikbaar is. Daarbij kunnen ook deelplafonds worden vastgesteld, bijvoorbeeld voor specifieke clusters van aanvragers.
Het subsidieplafond kan alleen aan de aanvrager worden tegengeworpen, indien het subsidieplafond voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het is vastgesteld, bekend wordt gemaakt. Indien het subsidieplafond later wordt bekendgemaakt, heeft deze bekendmaking geen gevolgen voor daarvoor ingediende aanvragen (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb). Gelet hierop is het belangrijk dat de gemeente het subsidieplafond tijdig bekend maakt, waarbij geldt dat aanvragers een subsidieplafond niet eenvoudig “omzeilen” door al weken eerder een aanvraag in te dienen.
Artikel 2.9 Tussentijdse verhoging subsidie
Dit artikel creëert de mogelijkheid om de subsidie tussentijds te verhogen voor een aanvrager waarvan de hoogte van de subsidie afhankelijk is van het aantal leden. Hiermee kan worden ingespeeld op een sterke toename van het aantal leden ten opzichte van het aantal leden dat is opgegeven bij de oorspronkelijke subsidieaanvraag. Zonder deze mogelijkheid zou het kunnen gebeuren dat een vereniging tot vier jaar moet wachten totdat in de volgende subsidieronde een subsidie wordt verleend die passend is bij het actuele ledenaantal. Een tussentijdse verhoging van de subsidie is alleen mogelijk als het aantal leden sterk is toegenomen. Met sterk wordt bedoeld dat het aantal leden is toegenomen met minimaal 25%. Bovendien mag de verlening van een verhoogde subsidie niet leiden tot een overschrijding van het subsidieplafond. Er moet dus nog subsidiegeld beschikbaar zijn.
De vereniging moet zelf een verzoek indienen tot een verhoging van de subsidie. De gemeente gaat hier niet ambtshalve (uit zichzelf) toe over. In het verzoek moet de vereniging het aantal voor de subsidie relevante leden opgeven en daarnaast een door het bestuur ondertekende verklaring overleggen waarmee wordt bevestigd dat de gegevens over het ledenaantal juist en controleerbaar zijn. Het verzoek moet uiterlijk op 1 augustus worden ingediend voorafgaande aan de jaren waarop het betrekking heeft. Als de vereniging een verhoogde subsidie wil voor 2028 tot en met 2030, dan moet zij haar verzoek uiterlijk op 1 augustus 2027 indienen.
Als de gemeente de verhoogde subsidie verleent, doet zij dit via een afzonderlijke beschikking waarbij het subsidiebedrag wordt verhoogd.
Artikel 2.10 Weigeringsgronden
In de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb zijn verschillende weigeringsgronden opgenomen. Sommige van deze gronden geven het bestuursorgaan beleidsvrijheid om te besluiten of een subsidie wordt geweigerd, terwijl andere gronden een verplichting tot weigering inhouden. Van een verplichte weigering is sprake wanneer het subsidieplafond door toekenning van de subsidie zou worden overschreden (artikel 4:25, tweede lid) of wanneer de verstrekking van subsidie naar het oordeel van het bestuursorgaan niet verenigbaar is met het bepaalde in de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, oftewel: de staatssteunregels (artikel 4:35, derde lid). Daarnaast bepaalt artikel 4:35 dat een subsidie kan worden geweigerd indien:
Deze weigeringsgronden zijn in artikel 9 Asv nader uitgewerkt/aangevuld. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat een subsidie in ieder geval kan worden geweigerd:
De Asv laat dan ook ruimte om bij subsidieregeling extra weigeringsgronden op te nemen. In artikel 2.10 is hier gebruik van gemaakt en is bepaald dat een aanvraag kan worden geweigerd indien:
De activiteit een politieke of religieuze overtuiging uitdraagt;
Met deze weigeringsgrond wordt verduidelijkt dat de subsidie niet is bedoeld voor activiteiten die zijn gericht op politieke of religieuze doeleinden. Door de gekozen formulering kan bijvoorbeeld een parochie geen subsidie ontvangen voor activiteiten die zijn gericht op het uitdragen van religie, maar wel voor activiteiten die zijn gericht op sociale samenhang.
De continuïteit van de aanvrager onvoldoende gegarandeerd is;
Onderdeel d maakt duidelijk dat een aanvraag kan worden geweigerd als er twijfels bestaan over de continuïteit van de aanvrager. Daarvan kan sprake zijn als onvoldoende vertrouwen bestaat dat de organisatie duurzaam kan voortbestaan en de activiteiten op zorgvuldige en betrouwbare wijze kan uitvoeren.
Aannemelijk is dat de subsidie niet doeltreffend of doelmatig zal worden besteed;
Deze grond hangt samen met de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan om publieke middelen zorgvuldig in te zetten. Van de aanvrager mag daarom worden verwacht dat voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de middelen ten goede komen aan de beoogde activiteiten en dat de relatie tussen de gevraagde subsidie en het te bereiken resultaat voldoende inzichtelijk is.
De activiteit reeds op grond van een andere gemeentelijke regeling wordt gefinancierd.
Onderdeel f strekt ertoe te voorkomen dat de gemeente voor dezelfde activiteit meer dan eenmaal subsidie verleent. Indien voor een activiteit reeds subsidie wordt verstrekt op grond van een andere gemeentelijke regeling, kan de aanvraag op grond van deze bepaling worden afgewezen. Het hoeft overigens niet te gaan om een andere subsidie; het kan ook gaan om financiering op een andere grondslag dan subsidie.
De aanvraag betrekking heeft op de coördinatie van informele zorg waarvoor op grond van artikel 2.11 maximaal één subsidie kan worden verleend en de aanvraag niet als hoogste is gerangschikt overeenkomstig artikel 2.11, tweede en derde lid.
Deze weigeringsgrond hangt samen met artikel 2.11. In dat artikel is geregeld dat voor de coördinatie van informele zorg maximaal één subsidie wordt verleend.
Als meerdere aanvragen betrekking hebben op de coördinatie van informele zorg, worden de aanvragen beoordeeld en gerangschikt aan de hand van de criteria in artikel 2.11, tweede en derde lid. De aanvraag die het hoogst wordt gerangschikt, komt voor subsidie in aanmerking. De overige aanvragen kunnen op grond van dit onderdeel worden geweigerd.
Artikel 2.11 Overlappende activiteiten
Dit artikel regelt hoe wordt omgegaan met aanvragen voor de coördinatie van informele zorg.
In het eerste lid is bepaald dat maximaal één subsidie wordt verleend voor de coördinatie van informele zorg. Juist vanwege het coördinerende aspect is het namelijk niet passend om deze rol bij meer dan één partij te beleggen.
In het tweede lid is geregeld op basis van welke criteria wordt bepaald welke aanvraag voor subsidie in aanmerking komt als meerdere aanvragen betrekking hebben op de coördinatie van informele zorg. De aanvraag met de hoogste totaalscore komt voor subsidie in aanmerking. De overige aanvragen worden geweigerd. Burgemeester en wethouders maken een weging aan de hand van de in het tweede lid opgesomde criteria, waarbij onderstaande scoretabel als uitgangspunt wordt genomen.
Het derde lid voorziet in een regeling voor het geval twee of meer aanvragen een gelijke totaalscore behalen. In dat geval wordt eerst gekeken naar de scores op de belangrijkste criteria. Leidt dit niet tot een onderscheid, dan beslissen burgemeester en wethouders door middel van loting.
Artikel 2.12 Uitbetaling van de subsidie
Dit artikel geeft duidelijkheid over de wijze waarop de gemeente subsidie uitbetaalt. Dit is van belang, omdat subsidieverlening voor een subsidieperiode van maximaal 4 jaar niet wil zeggen dat de gehele subsidie meteen bij aanvang van die subsidieperiode wordt overgemaakt naar de subsidieontvanger. De subsidie wordt per subsidiejaar betaalbaar gesteld. Dit gebeurt voor 1 februari van ieder jaar van de subsidieperiode.
Artikel 4:37, eerste lid, van de Awb bepaalt dat aan de subsidieontvanger verplichtingen kunnen worden opgelegd met betrekking tot:
Op grond van artikel 4:38, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan daarnaast ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. Artikel 4:39 van de Awb bepaalt dat verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie slechts aan de subsidie kunnen worden verbonden voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Dergelijke verplichtingen kunnen bovendien slechts betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.
In artikel 11 en 12 van de Asv is hieraan invulling gegeven. Artikel 11 bevat een meldingsplicht en informatieplicht voor de subsidieontvanger. Op grond van dat artikel moet de subsidieontvanger melden indien aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. Daarnaast moeten burgemeester en wethouders worden geïnformeerd over:
Artikel 12, tweede en derde lid, van de Asv bepalen dat bij subsidieregeling ook niet in de Awb genoemde verplichtingen kunnen worden opgelegd (mits deze zien op het doel van de subsidie of betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht). Met artikel 2.13 is hieraan invulling gegeven. Het eerste lid bevat algemene verplichtingen voor iedere subsidieontvanger:
Het tweede lid bevat een aanvullende verplichting voor subsidieontvangers met leden. Zij moeten:
Deze verplichtingen zijn opgenomen om te waarborgen dat de subsidie wordt besteed aan het doel waarvoor zij is verleend en dat burgemeester en wethouders zicht houden op de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten. De aanvullende verplichtingen voor subsidieontvangers met leden hangen samen met het belang van een juiste en controleerbare vaststelling van de subsidie. Omdat het ledenbestand van invloed is op de hoogte van de subsidie, moet de gemeente kunnen beschikken over betrouwbare en verifieerbare gegevens.
Het niet voldoen aan deze verplichtingen, kan leiden tot wijziging of intrekking van de subsidie(vaststelling) op grond van de Awb
Artikel 2.14 Eindverantwoording subsidies van meer dan € 50.000
Artikel 16, tweede lid, Asv bepaalt dat de aanvraag tot vaststelling van een subsidie van meer dan € 50.000 moet zijn voorzien van een inhoudelijk verslag (waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan), een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening), een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop en een controleverklaring die is opgesteld door een onafhankelijk accountant.
In artikel 16, derde lid, Asv is bepaald dat bij subsidieregeling andere gegevens kunnen worden verlangd. In artikel 2.14 van deze subsidieregeling is van deze mogelijkheid gebruikgemaakt door te bepalen dat het volstaat om een inhoudelijk verslag en een financieel verslag of jaarrekening in te dienen. Dat betekent dat een subsidieontvanger geen balans en controleverklaring hoeft in te dienen.
Verder is het belangrijk om te weten dat de aanvraag tot vaststelling van een subsidie van meer dan € 5.000 en ten hoogste € 50.000 per jaar moet zijn voorzien van een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. Dit is verplicht op grond van artikel 15, tweede lid Asv. In deze subsidieregeling wordt niet afgeweken van dat artikel uit de Asv. Daarom is in deze subsidieregeling geen aparte bepaling opgenomen over de eindverantwoording van subsidies van meer dan € 5.000 en ten hoogste € 50.000 per jaar. Deze verplichting geldt dus rechtstreeks op grond van de Asv.
Titel 2.2. Segment Kunst, Cultuur en Erfgoed
Dit artikel bevat de begripsomschrijvingen die specifiek van belang zijn voor het segment ‘Kunst, cultuur en erfgoed’.
Cultuurvisie Eijsden-Margraten
Met Cultuurvisie Eijsden-Margraten wordt bedoeld de cultuurvisie 2025-2030 van de gemeente Eijsden-Margraten.1 Door in de regeling bij deze visie aan te sluiten, wordt geborgd dat subsidieverlening plaatsvindt in samenhang met de bredere culturele ambities van de gemeente.
Met kunst, cultuur en erfgoed worden in deze regeling activiteiten in brede zin op het gebied van kunst, cultuur en erfgoed bedoeld. Het gaat daarbij niet alleen om activiteiten die zijn gericht op beleving, beoefening en presentatie, maar ook om activiteiten die zien op toegankelijkheid, behoud, overdracht en educatief gebruik. Daarmee wordt verduidelijkt dat dit segment een brede reikwijdte heeft. Daarnaast geldt dat deze activiteiten moeten aansluiten bij een of meer van de in de Cultuurvisie Eijsden-Margraten opgenomen kernthema’s, te weten:
Dit kernthema omvat het beleven, beoefenen en presenteren van kunst- en cultuuruitingen in professionele en amateurcontext. Hieronder vallen onder meer muziek, zang, theater, dans, beeldende en audiovisuele kunst, literaire activiteiten, culturele evenementen en andere vormen van culturele expressie die bijdragen aan individuele en collectieve culturele identiteit.
Kunst in verbinding met inwoners
Dit kernthema betreft kunst- en cultuuractiviteiten waarbij inwoners actief betrokken zijn bij de totstandkoming en uitvoering van een project of evenement, met nadruk op ontmoeting, participatie en sociale verbinding. Hieronder vallen onder meer participatieve kunstprojecten, community art, urban culture, kunst- en cultuuractiviteiten in de openbare ruimte, en andere initiatieven waarbij inwoners samen met culturele professionals kunst en cultuur vormgeven.
Immaterieel erfgoed en inwoners: betekenisvol behoud
Immaterieel erfgoed: het levend houden, uitvoeren en doorgeven van tradities, gebruiken, ambachten, streekproducten, volkscultuur, verhalen, rituelen en vieringen die verbonden zijn met de geschiedenis en culturele identiteit van de gemeente.
Levend materieel erfgoed: het toegankelijk maken en beleven van materieel erfgoed via publieksgerichte activiteiten, educatie en culturele programmering, zodat inwoners actief kennis kunnen maken met en betrokken worden bij het erfgoed.
Cultuureducatie; uit de comfortzone!
Dit kernthema betreft educatieve programma’s of leeractiviteiten gericht op kunst- en cultuureducatie, zowel binnen als buiten het onderwijs. Hieronder vallen onder meer educatieve programma’s of leeractiviteiten in muziek, drama en dans en beeldende kunst, culturele workshops en (immaterieel) erfgoededucatie.
Daarnaast kunnen basisscholen subsidie aanvragen voor randprogramma’s met culturele activiteiten, belevingen en excursies. Alle genoemde vormen zijn gericht op kennismaking met en verdieping in kunst en cultuur.
De bibliotheek als hart van de samenleving
Dit kernthema omvat de functies van de bibliotheek als maatschappelijke en culturele voorziening binnen de gemeente. De bibliotheek biedt inwoners toegang tot informatie, cultuur en kennis, ondersteunt educatie en basisvaardigheden, stimuleert ontmoeting en debat, en maakt kunst en cultuur toegankelijk. Binnen dit kernthema vallen onder meer voorzieningen en activiteiten zoals leesbevordering, literaire en culturele programmering, digitale geletterdheid, educatieve en maatschappelijke workshops, en publieksgerichte culturele activiteiten die bijdragen aan cultuurparticipatie en sociale samenhang, voor zover deze activiteiten vallen binnen de taken en functies van het bibliotheekwerk zoals vastgesteld in de wet en het gemeentelijk beleid.
Artikel 2.16 Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen
Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 3 van de Asv, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bij subsidieregeling vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie.
Het eerste lid bepaald dat het moet gaan om reguliere activiteiten op het gebied van kunst, cultuur en erfgoed. Niet alle activiteiten die inhoudelijk onder de definitie van kunst, cultuur en erfgoed (artikel 2.15) vallen, komen daarmee automatisch voor subsidie in aanmerking. Daarvoor is ook vereist dat sprake is van reguliere activiteiten. Daarmee sluit deze bepaling aan bij het karakter van de regeling als grondslag voor structurele subsidie. De subsidie is bedoeld voor de doorgaande activiteiten van organisaties binnen het culturele veld en niet voor losse projecten die buiten de reguliere werkzaamheden van de aanvrager vallen. Of sprake is van reguliere activiteiten hangt mede af van de aard, doelstelling en gebruikelijke werkzaamheden van de aanvrager. Wat voor de ene organisatie een kernactiviteit is, kan voor een andere organisatie juist een incidentele nevenactiviteit zijn. Een sportvereniging die eenmalig een tentoonstelling over haar geschiedenis organiseert, verricht weliswaar een activiteit op het gebied van cultuur of erfgoed, maar valt daarmee in beginsel buiten het bereik van deze bepaling, omdat die activiteit geen regulier karakter heeft. Voor een erfgoedvereniging kan het organiseren van tentoonstellingen over de lokale geschiedenis juist tot de kern van de reguliere werkzaamheden behoren.
Het tweede lid bepaalt dat de activiteiten moeten bijdragen aan de ambities en doelstellingen uit de Cultuurvisie Eijsden-Margraten. Het derde lid werkt dit nader uit door te bepalen wanneer daarvan in ieder geval sprake is. Het kan daarbij gaan om activiteiten die cultuurparticipatie, inclusie en burgerparticipatie bevorderen, zodat inwoners actief kunnen deelnemen of bijdragen aan kunst en cultuur, met bijzondere aandacht voor jongeren (derde lid, sub a). Ook kan het gaan om activiteiten waarbij kunst en cultuur worden ingezet voor bredere maatschappelijke doelstellingen, bijvoorbeeld ter bevordering van sociale cohesie, bewustwording of educatie (derde lid, sub b). Daarnaast kan sprake zijn van een bijdrage aan de doelstellingen uit de cultuurvisie wanneer activiteiten het culturele netwerk binnen de gemeente versterken (derde lid, sub c), bewustwording rond duurzaamheid bevorderen (derde lid, sub d) of verbindingen leggen tussen kunst en cultuur en andere beleidsvelden, zoals zorg, welzijn, ruimte en educatie (derde lid, sub e). Het is niet vereist dat een bijdrage wordt geleverd aan alle opgesomde doelen. Voldoende is dat sprake is van een betekenisvolle bijdrage aan een van deze doelstellingen. Te denken valt bijvoorbeeld aan een zangvereniging die met haar reguliere activiteiten bijdraagt aan cultuurparticipatie als bedoeld in het derde lid, onderdeel a. In de praktijk zal een activiteit soms wel aan meerdere doelstellingen tegelijk raken. Een erfgoedvereniging die samen met scholen en andere lokale partijen educatieve tentoonstellingen over de lokale geschiedenis organiseert, kan bijvoorbeeld bijdragen aan de doelstellingen, bedoeld in het derde lid, onderdelen b, c en e.
Artikel 2.17 Eisen aan de aanvrager
Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 3 van de Asv, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bij subsidieregeling bepalen welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen. Dat zijn op grond van dit artikel rechtspersonen met een culturele doelstelling, zonder winstoogmerk, die hoofdzakelijk gebruikmaken van vrijwilligers en minimaal eenmaal per jaar een openbare activiteit organiseren. Hiermee wordt gewaarborgd dat subsidies terechtkomen bij organisaties die zich daadwerkelijk inzetten voor het culturele leven in de gemeente en die daar ook zichtbaar invulling aan geven. Met de eis dat een organisatie minimaal eenmaal per jaar een openbare activiteit organiseert, wordt gewaarborgd dat ook niet-leden kunnen profiteren van de bijdrage van de organisatie aan het culturele leven in de gemeente.
Het tweede lid bevat een aanvullende eis voor vereniging, namelijk dat zij minimaal 5 leden moet hebben. Hiermee wordt gewaarborgd dat sprake is van een bepaalde robuustheid.
Artikel 2.18 Eisen aan de aanvraag
Dit artikel bevat een aanvulling ten opzichte van artikel 6 van de Asv.
Dit lid bepaalt dat een aanvraag moet worden ingediend met gebruikmaking van het door burgemeester en wethouders vastgestelde aanvraagformulier. Hiermee wordt uniformiteit in de wijze van aanvragen geborgd. Het gebruik van een standaardformulier bevordert de volledigheid en vergelijkbaarheid van aanvragen en ondersteunt een efficiënte behandeling daarvan.
Bij de aanvraag moeten de in artikel 6, tweede en derde lid, opgesomde gegevens worden meegezonden (een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de doelstellingen en resultaten die daarmee worden nagestreefd en de wijze waarop de activiteiten daaraan bijdragen, een begroting en een dekkingsplan, het IBAN-nummer waarop de subsidie kan worden overgemaakt, een bewijs dat dit IBAN-nummer op naam van de aanvrager staat en, voor zover van toepassing, een de-minimisverklaring en relevante stukken van een rechtspersoon die voor het eerst subsidie aanvraagt, zoals de statuten, het jaarverslag en de jaarrekening).
Lid 2 (ledenorganisaties – opgave en bestuursverklaring)
Dit lid regelt welke aanvullende gegevens een aanvrager met leden dient te verstrekken naast de verplichtingen die reeds volgen uit artikel 6 van de Asv.
Onderdeel a verplicht tot opgave van het aantal leden per 1 januari van het jaar voorafgaand aan de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft. Dit peilmoment zorgt voor een eenduidige en controleerbare basis voor de beoordeling van de omvang van de organisatie.
Onderdeel b schrijft voor dat deze opgave wordt ondersteund door een door het bestuur ondertekende verklaring. Hiermee wordt geborgd dat het opgegeven ledenaantal is gebaseerd op een actuele en controleerbare ledenadministratie en dat de gegevens naar waarheid en volledig zijn verstrekt. Tevens wordt het bestuur gewezen op de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de gegevens en de mogelijke consequenties van onjuiste opgave, waaronder wijziging, intrekking of terugvordering van subsidie.
Lid 3 (VOG-verklaring vrijwilligers)
Dit lid bevat een aanvullende eis voor aanvragers die activiteiten organiseren waarbij vrijwilligers betrokken zijn en waarbij contact met minderjarigen kan plaatsvinden. In plaats van het overleggen van individuele Verklaringen Omtrent het Gedrag (VOG’s) volstaat een door het bestuur ondertekende verklaring.
Met deze bestuursverklaring wordt geborgd dat alle betrokken vrijwilligers beschikken over een geldige VOG als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Deze werkwijze sluit aan bij het uitgangspunt van proportionaliteit en gegevensminimalisatie zoals vastgelegd in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), doordat de gemeente geen individuele persoonsgegevens van vrijwilligers hoeft te verwerken.
Lid 4 (kleine subsidies – geen begroting)
Dit lid regelt dat aanvragers van subsidies tot en met € 5.000 per jaar geen begroting van de activiteiten hoeven over te leggen. Hiermee wordt de administratieve last voor kleine subsidieaanvragen beperkt.
Gelet op de beperkte omvang van deze subsidies wordt het niet noodzakelijk geacht een uitgebreide begroting te verlangen. Dit draagt bij aan een proportionele uitvoering van de subsidieregeling, zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid tot subsidieverlening en -verantwoording.
Artikel 2.19 Verwerking van persoonsgegevens
Dit artikel regelt de verwerking van persoonsgegevens uit de ledenadministratie en gegevens over verklaringen omtrent het gedrag. Het eerste lid bepaalt dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn de ledenadministratie steekproefsgewijs te controleren. Daarbij geldt dat de controle proportioneel moet zijn en niet verder mag gaan dan noodzakelijk is voor de uitvoering van deze regeling.
Het tweede lid legt vast dat uitsluitend gegevens worden verwerkt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze subsidieregeling en dat deze gegevens niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is.
Artikel 2.20 Subsidiabele kosten
Dit artikel noemt welke kosten niet voor subsidie in aanmerking komen. De gedachte daarachter is dat subsidie bedoeld is voor de uitvoering van de activiteit zelf, en niet voor kosten die daar te ver van afstaan, al uit andere middelen worden betaald of niet redelijk zijn om met publiek geld te bekostigen.
De opsomming voorkomt discussie achteraf. Het betreft de volgende kosten:
Kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen
Dit zijn kosten die een organisatie ook zonder subsidie moet maken om haar activiteiten op een rechtmatige en verantwoorde manier uit te voeren. Denk bijvoorbeeld aan kosten die nodig zijn om te voldoen aan wettelijke veiligheidsvoorschriften, vergunningseisen of basale kwaliteitseisen die algemeen gebruikelijk zijn binnen de betreffende sector.
Kosten die uit anderen hoofde worden gesubsidieerd
Kosten die al uit anderen hoofde worden gesubsidieerd, worden niet nogmaals gesubsidieerd. Dit voorkomt dubbele financiering van dezelfde kosten. Cofinanciering is daarmee niet uitgesloten. Daarvan is sprake als verschillende financiers ieder een afzonderlijk deel van de kosten voor hun rekening nemen en dezelfde kostenposten dus niet dubbel worden bekostigd.
Verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten
Verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten zijn niet subsidiabel. Als een aanvrager bijvoorbeeld btw kan terugvragen of verrekenen, vormt die btw geen daadwerkelijke kostenpost voor de aanvrager. Alleen kosten die daadwerkelijk voor rekening van de aanvrager blijven, kunnen in aanmerking komen voor subsidie.
Kosten van feesten zijn niet subsidiabel. Een uitzondering geldt voor kosten van feesten die een functioneel aanvullend onderdeel zijn van de activiteit. Dat betekent dat het feestelijke onderdeel ondersteunend moet zijn aan het doel van de activiteit en niet op zichzelf mag staan. Denk bijvoorbeeld aan een bescheiden afsluiting van een activiteit die onderdeel is van een breder programma. Voor feesten kan wel een subsidie worden aangevraagd op basis van de subsidieregeling voor incidentele subsidies.
Kosten van in natura geleverde diensten en goederen
Het gaat hierbij om diensten of goederen waarvoor geen daadwerkelijke betaling plaatsvindt, zoals vrijwillig beschikbaar gestelde materialen, ruimtes of werkzaamheden. Omdat hier geen werkelijke kosten tegenover staan, worden deze niet gesubsidieerd.
Kosten van gelieerde rechtspersonen die onderling in rekening worden gebracht
Dit ziet op situaties waarin kosten worden doorbelast tussen organisaties die organisatorisch, bestuurlijk of financieel met elkaar verbonden zijn. Het gaat bijvoorbeeld om kosten voor personeel, diensten, materialen of huisvesting die door een gelieerde rechtspersoon aan de aanvrager in rekening worden gebracht.
Kosten betaald aan vrijwilligers, met uitzondering van vergoedingen voor werkelijk gemaakte onkosten
Kosten betaald aan vrijwilligers zijn niet subsidiabel, behalve voor zover het gaat om vergoedingen voor werkelijk gemaakte onkosten. Vrijwilligerswerk wordt in beginsel onbetaald verricht. Kosten die een vrijwilliger daadwerkelijk maakt voor de activiteit, zoals reiskosten of materiaalkosten, kunnen wel voor subsidie in aanmerking komen als zij voldoende zijn onderbouwd.
Artikel 2.21 Hoogte subsidie en wijze van verdeling
Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 3 van de Asv, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bij subsidieregeling bepalen hoe de hoogte van een subsidie wordt berekend. Voor aanvragers zonder leden en aanvragers van subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.25, geldt een vast bedrag per aanvrager per jaar (eerste lid). Voor organisaties met leden bestaat de subsidie uit een vast bedrag per jaar plus een bedrag per lid per jaar (tweede lid). Daarmee wordt rekening gehouden met de omvang van de organisatie.
Burgemeester en wethouders stellen de concrete bedragen op grond van het derde lid vast in een afzonderlijk besluit. Dat is praktisch, omdat bedragen zo eenvoudiger kunnen worden aangepast zonder dat meteen de hele regeling hoeft te worden gewijzigd. Burgemeester en wethouders kunnen daarbij voor verschillende clusters van aanvragers verschillende bedragen vaststellen, indien daarvoor gelet op bijvoorbeeld de aard van de activiteiten of het ledenbestand aanleiding bestaat.
In het vierde lid is geregeld hoe wordt gehandeld als het totaal van de op grond van dit artikel berekende subsidies hoger is dan het voor het betreffende segment geldende subsidieplafond. Burgemeester en wethouders kunnen in dat geval eerst toepassing geven aan artikel 1.3 en bezien of overheveling van middelen vanuit een ander segment mogelijk is. Voor zover het subsidieplafond daarna nog steeds wordt overschreden, worden de berekende subsidies naar evenredigheid verlaagd. Het percentage van de verlaging wordt berekend volgens de formule: (totaal berekende subsidies - subsidieplafond) / totaal berekende subsidies × 100%. Bij een totaal van € 120.000 aan berekende subsidies en een subsidieplafond van € 100.000 bedraagt de overschrijding € 20.000. Het verlagingspercentage is dan 16,67%. Iedere subsidie wordt in dat geval met 16,67% verlaagd. Een berekende subsidie van € 6.000 wordt dan vastgesteld op € 5.000. Achten burgemeester en wethouders een dergelijke verlaging niet wenselijk, dan kunnen zij er ook voor kiezen het subsidieplafond te verhogen. Als burgemeester en wethouders daarvoor niet kiezen en toepassing van deze systematiek in een concreet geval tot een onredelijke uitkomst leidt, kunnen zij toepassing geven aan de hardheidsclausule (artikel 3.1).
Dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders voor dit segment een subsidieplafond en eventueel deelplafonds vaststellen. Artikel 4:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) definieert een subsidieplafond als: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Het doel van een subsidieplafond is om openeindregelingen te voorkomen. Dat wordt bereikt doordat artikel 4:25, tweede lid, van de Awb voorschrijft dat een aanvraag om subsidie moet worden afgewezen als het subsidieplafond is bereikt. Met andere woorden: burgemeester en wethouders stellen het bedrag vast dat in een bepaalde periode maximaal voor dit segment beschikbaar is. Daarbij kunnen ook deelplafonds worden vastgesteld, bijvoorbeeld voor specifieke clusters van aanvragers.
Het subsidieplafond kan alleen aan de aanvrager worden tegengeworpen, indien het subsidieplafond voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het is vastgesteld, bekend wordt gemaakt. Indien het subsidieplafond later wordt bekendgemaakt, heeft deze bekendmaking geen gevolgen voor daarvoor ingediende aanvragen (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb). Gelet hierop is het belangrijk dat de gemeente het subsidieplafond tijdig bekend maakt, waarbij geldt dat aanvragers een subsidieplafond niet eenvoudig “omzeilen” door al weken eerder een aanvraag in te dienen.
Artikel 2.23 Tussentijdse verhoging subsidie
Dit artikel creëert de mogelijkheid om de subsidie tussentijds te verhogen voor een aanvrager waarvan de hoogte van de subsidie afhankelijk is van het aantal leden. Zonder deze mogelijkheid zou het kunnen gebeuren dat een vereniging tot vier jaar moet wachten totdat in de volgende subsidieronde een subsidie wordt verleend die passend is bij het actuele ledenaantal. Een tussentijdse verhoging van de subsidie is alleen mogelijk als het aantal leden sterk is toegenomen. Met sterk wordt bedoeld dat het aantal leden is toegenomen met minimaal 25%. Bovendien mag de verlening van een verhoogde subsidie niet leiden tot een overschrijding van het subsidieplafond. Er moet dus nog subsidiegeld beschikbaar zijn.
De vereniging moet zelf een verzoek indienen tot een verhoging van de subsidie. De gemeente gaat hier niet ambtshalve (uit zichzelf) toe over. In het verzoek moet de vereniging het aantal leden opgeven en daarnaast een door het bestuur ondertekende verklaring overleggen waarmee wordt bevestigd dat de gegevens over het ledenaantal juist en controleerbaar zijn. Het verzoek moet uiterlijk op 1 augustus worden ingediend voorafgaande aan de jaren waarop het betrekking heeft. Als de vereniging een verhoogde subsidie wil voor 2028 tot en met 2030, dan moet zij haar verzoek uiterlijk op 1 augustus 2027 indienen.
Als de gemeente de verhoogde subsidie verleent, doet zij dit via een afzonderlijke beschikking waarbij het subsidiebedrag wordt verhoogd.
Artikel 2.24 Weigeringsgronden
In de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb zijn verschillende weigeringsgronden opgenomen. Sommige van deze gronden geven het bestuursorgaan beleidsvrijheid om te besluiten of een subsidie wordt geweigerd, terwijl andere gronden een verplichting tot weigering inhouden. Van een verplichte weigering is sprake wanneer het subsidieplafond door toekenning van de subsidie zou worden overschreden (artikel 4:25, tweede lid) of wanneer de verstrekking van subsidie naar het oordeel van het bestuursorgaan niet verenigbaar is met het bepaalde in de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, oftewel: de staatssteunregels (artikel 4:35, derde lid). Daarnaast bepaalt artikel 4:35 dat een subsidie kan worden geweigerd indien:
Deze weigeringsgronden zijn in artikel 9 Asv nader uitgewerkt/aangevuld. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat een subsidie in ieder geval kan worden geweigerd:
De Asv laat dan ook ruimte om bij subsidieregeling extra weigeringsgronden op te nemen. In artikel 2.24 is hier gebruik van gemaakt en is bepaald dat een aanvraag kan worden geweigerd indien:
De activiteit onvoldoende aansluit bij het doel, bedoeld in artikel 2.16;
Onderdeel c heeft vooral een verduidelijkende functie. Reeds uit de systematiek van de regeling volgt dat alleen subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die passen binnen het doel van artikel 2.16. Met deze bepaling wordt dat nog eens expliciet tot uitdrukking gebracht.
De continuïteit van de aanvrager onvoldoende gegarandeerd is;
Onderdeel e maakt duidelijk dat een aanvraag kan worden geweigerd als er twijfels bestaan over de continuïteit van de aanvrager. Daarvan kan sprake zijn als onvoldoende vertrouwen bestaat dat de organisatie duurzaam kan voortbestaan en de activiteiten op zorgvuldige en betrouwbare wijze kan uitvoeren.
Aannemelijk is dat de subsidie niet doeltreffend of doelmatig zal worden besteed;
Deze grond hangt samen met de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan om publieke middelen zorgvuldig in te zetten. Van de aanvrager mag daarom worden verwacht dat voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de middelen ten goede komen aan de beoogde activiteiten en dat de relatie tussen de gevraagde subsidie en het te bereiken resultaat voldoende inzichtelijk is.
De activiteit reeds op grond van een andere gemeentelijke regeling wordt gefinancierd;
Onderdeel g strekt ertoe te voorkomen dat voor dezelfde activiteit meer dan eenmaal gemeentelijke subsidie wordt verleend. Indien voor een activiteit reeds subsidie wordt verstrekt op grond van een andere gemeentelijke regeling, kan de aanvraag op grond van deze bepaling worden afgewezen.
De aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.25 maximaal één subsidie kan worden verleend en de aanvraag niet als hoogste is gerangschikt overeenkomstig artikel 2.25, tweede en derde lid.
Deze weigeringsgrond hangt samen met artikel 2.25. In dat artikel is geregeld dat voor bepaalde jaarlijks terugkerende thematische vieringen per kern maximaal één subsidie wordt verleend, als het gelet op de aard en functie van de viering, de doelgroep en de plaats waar deze plaatsvindt, passend is dat die viering binnen die kern slechts eenmaal wordt gesubsidieerd.
Als meerdere aanvragen betrekking hebben op zo’n viering, worden de aanvragen beoordeeld en gerangschikt aan de hand van de criteria in artikel 2.25, tweede en derde lid. De aanvraag die het hoogst wordt gerangschikt, komt voor subsidie in aanmerking. De overige aanvragen kunnen op grond van dit onderdeel worden geweigerd.
Artikel 2.25 Overlappende activiteiten
Dit artikel regelt hoe wordt omgegaan met aanvragen voor jaarlijks terugkerende thematische vieringen waarbij het niet wenselijk is dat binnen één kern meerdere subsidies voor dezelfde viering worden verstrekt.
In het eerste lid is bepaald dat per kern maximaal één subsidie wordt verleend voor de organisatie van een jaarlijks terugkerende thematische viering, als het passend is dat die viering binnen die kern slechts eenmaal wordt gesubsidieerd. Bij de beoordeling wordt gekeken naar de aard en functie van de viering, de doelgroep waarvoor de viering is bestemd en de plaats waar de viering plaatsvindt. Een voorbeeld is een Sinterklaasviering die is bedoeld voor alle kinderen in een kern, of een Koningsdagviering die zich richt op inwoners van de kern als geheel. In zulke gevallen kan het passend zijn om binnen die kern slechts één subsidie voor die viering te verlenen.
In het tweede lid is geregeld op basis van welke criteria wordt bepaald welke aanvraag voor subsidie in aanmerking komt als meerdere aanvragen betrekking hebben op een viering als bedoeld in het eerste lid. De aanvraag met de hoogste totaalscore komt voor subsidie in aanmerking. De overige aanvragen worden geweigerd. Burgemeester en wethouders maken een weging aan de hand van de in het tweede lid opgesomde criteria, waarbij onderstaande scoretabel als uitgangspunt wordt genomen.
Het derde lid voorziet in een regeling voor het geval twee of meer aanvragen een gelijke totaalscore behalen. In dat geval wordt eerst gekeken naar de scores op de belangrijkste criteria. Leidt dit niet tot een onderscheid, dan beslissen burgemeester en wethouders door middel van loting.
Artikel 2.26 Uitbetaling van de subsidie
Dit artikel geeft duidelijkheid over de wijze waarop de gemeente subsidie uitbetaalt. Dit is van belang, omdat subsidieverlening voor een subsidieperiode van maximaal 4 jaar niet wil zeggen dat de gehele subsidie meteen bij aanvang van die subsidieperiode wordt overgemaakt naar de subsidieontvanger. De subsidie wordt per subsidiejaar betaalbaar gesteld. Dit gebeurt voor 1 februari van ieder jaar van de subsidieperiode.
Artikel 4:37, eerste lid, van de Awb bepaalt dat aan de subsidieontvanger verplichtingen kunnen worden opgelegd met betrekking tot:
Op grond van artikel 4:38, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan daarnaast ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. Artikel 4:39 van de Awb bepaalt dat verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie slechts aan de subsidie kunnen worden verbonden voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Dergelijke verplichtingen kunnen bovendien slechts betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.
In artikel 11 en 12 van de Asv is hieraan invulling gegeven. Artikel 11 bevat een meldingsplicht en informatieplicht voor de subsidieontvanger. Op grond van dat artikel moet de subsidieontvanger melden indien aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. Daarnaast moeten burgemeester en wethouders worden geïnformeerd over:
Artikel 12, tweede en derde lid, van de Asv bepalen dat bij subsidieregeling ook niet in de Awb genoemde verplichtingen kunnen worden opgelegd (mits deze zien op het doel van de subsidie of betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht). Met artikel 2.27 is hieraan invulling gegeven. Het eerste lid bevat algemene verplichtingen voor iedere subsidieontvanger:
Het tweede lid bevat een aanvullende verplichting voor subsidieontvangers met leden. Zij moeten:
Deze verplichtingen zijn opgenomen om te waarborgen dat de subsidie wordt besteed aan het doel waarvoor zij is verleend en dat burgemeester en wethouders zicht houden op de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten. De verplichting om desgevraagd maximaal éénmaal per kalenderjaar medewerking te verlenen aan een door de gemeente uit te voeren uitvraag over de uitvoering en resultaten van de activiteiten, dient daarnaast om ontwikkelingen in de praktijk te volgen en het subsidiebeleid waar nodig daarop af te stemmen. Bij toepassing van deze verplichting houden burgemeester en wethouders rekening met proportionaliteit en beperking van de administratieve lasten. Laagdrempeligheid staat daarbij voorop. Het uitgangspunt is dat geen zwaardere of uitgebreidere informatie wordt gevraagd dan redelijkerwijs nodig is voor het betreffende doel. Het gaat dus niet om een standaardverplichting tot het indienen van een uitgebreid inhoudelijk verslag, maar om gerichte informatie-uitvragen wanneer daaraan daadwerkelijk behoefte bestaat. Daarbij kan ook worden gekozen voor een uitvraag die zich beperkt tot een bepaald cluster van aanvragers of een specifiek onderwerp. De aanvullende verplichtingen voor subsidieontvangers met leden hangen samen met het belang van een juiste en controleerbare vaststelling van de subsidie. Omdat het ledenbestand van invloed is op de hoogte van de subsidie, moet de gemeente kunnen beschikken over betrouwbare en verifieerbare gegevens.
Het niet voldoen aan deze verplichtingen, kan leiden tot wijziging of intrekking van de subsidie(vaststelling) op grond van de Awb.
Titel 2.3. Segment Sport en Beweging
Dit artikel bevat een begripsomschrijving die specifiek van belang is voor het segment ‘Sport en Beweging’.
Het NOC*NSF is de koepelorganisatie van de georganiseerde sport in Nederland. Bij het NOC*NSF zijn landelijke sportorganisaties aangesloten die sportverenigingen vertegenwoordigen.
Dit artikel verwijst naar het lokaal en/of nationaal vastgestelde Sportakkoord zoals dat is overeengekomen tussen overheid, sportorganisaties en maatschappelijke partners. De verwijzing is dynamisch van aard, wat betekent dat het Sportakkoord zoals dat geldt gedurende de subsidieperiode bepalend is.
Het Sportakkoord vormt een inhoudelijk beleidskader waaraan subsidieaanvragen worden getoetst, omdat in de regeling is bepaald dat activiteiten dienen bij te dragen aan de doelstellingen daarvan. Deze doelstellingen richten zich met name op het stimuleren van sport, bewegen en een gezonde leefstijl.
Door deze koppeling wordt geborgd dat gesubsidieerde activiteiten niet uitsluitend sport bevorderen, maar tevens bijdragen aan bredere maatschappelijke en beleidsmatige doelstellingen zoals vastgelegd in het Sportakkoord.
Met recreatieve sport wordt gedoeld op een specifieke categorie van sporten. Het gaat om zwemmen, krachtsport, paardensport, atletiek, jeu de boules en Kung Fu. Met deze bepaling wordt expliciet afgebakend welke sportvormen binnen deze regeling onder recreatieve sport vallen. Door een limitatieve opsomming wordt voorkomen dat het begrip ruim of subjectief wordt uitgelegd. De afbakening sluit aan bij de bestaande gemeentelijke beleidskeuzes en historische subsidierelaties binnen het segment Sport en Bewegen.
Dit artikel definieert wat binnen de regeling wordt verstaan onder een sportevenement. Binnen het segment Sport en Bewegen is ervoor gekozen uitsluitend sportevenementen op het gebied van wielrennen, gravelrijden en hardlopen subsidiabel te stellen. Deze evenementen hebben een structurele lokale en regionale betekenis, dragen bij aan de zichtbaarheid van de gemeente en sluiten aan bij het bestaande sport- en beweegbeleid en de historische subsidierelatie. De Bemels Beste Boeren Bergloop is hiervan een voorbeeld.
Het criterium van publieke toegankelijkheid en organisatie door een rechtspersoon waarborgt dat sprake is van gestructureerde evenementen met een openbaar karakter.
De definitie verduidelijkt welke organisatie onder de sportraad wordt verstaan. De Sportraad Eijsden-Margraten vervult binnen de gemeente een onafhankelijke vertegenwoordigers- en adviesfunctie voor de sportsector en levert een bijdrage aan het stimuleren van sport en bewegen.
Artikel 2.29 Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen
Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 3 van de Asv, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bij subsidieregeling vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. De gemeente verleent alleen subsidie voor activiteiten die iets goeds doen voor mensen en de samenleving. Om voor subsidie in aanmerking te komen, moet een activiteit meehelpen aan een betere, gezondere en socialere samenleving.
Het artikel beschrijft in het eerste lid onder sub a tot en met c verschillende activiteiten die in aanmerking komen voor subsidie. Het is niet vereist dat een aanvraag betrekking heeft op alle opgesomde activiteiten. In de praktijk zal een initiatief soms wel voldoen aan de beschrijving van meerdere activiteiten tegelijk. Een activiteit kan bijvoorbeeld tegelijkertijd zijn gericht op het stimuleren van sport en beweging en op het stimuleren van een gezonde leefstijl.
Een voorwaarde om voor subsidie in aanmerking te komen, is dat de activiteiten bijdragen aan de ambities van het Sportakkoord.
Artikel 2.30 Eisen aan de aanvrager
Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 3 van de Asv, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bij subsidieregeling bepalen welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen. Dat zijn op grond van dit artikel rechtspersonen zonder winstoogmerk die geen hoofdgebruikers/-huurders zijn van sportaccommodaties in eigendom van de gemeente. Rechtspersonen die wél hoofdgebruikers/-huurders zijn van gemeentelijke sportaccommodaties, vallen buiten de reikwijdte van deze subsidieregeling. In de praktijk gaat het hierbij om buitensportverenigingen die gebruikmaken van bijvoorbeeld kleedlokalen en velden die in eigendom zijn van de gemeente. Deze verenigingen ontvangen geen directe subsidie op grond van deze regeling, maar een indirecte subsidie in de vorm van een korting op de huur voor het gebruik van de accommodaties.
Daarnaast geldt als eis dat aanvragers zijn aangesloten bij een landelijke sportbond die is erkend door NOC*NSF. Bovendien moeten de aanvragers deelnemen aan de competitie die door die landelijke sportbond wordt georganiseerd. Hiermee wordt geborgd dat sprake is van georganiseerde sportverbanden die opereren binnen erkende sportstructuren en die bijdragen aan structurele sportdeelname.
Voor aanbieders van recreatieve sport geldt een uitzondering op deze eis. Voor deze doelgroep is aansluiting bij een landelijke sportbond en deelname aan competitieve verbanden niet vereist, aangezien hun activiteiten primair zijn gericht op laagdrempelige sportbeoefening en sportstimulering in plaats van competitiegerichte sportstructuren.
Verder gelden voor verenigingen eisen met betrekking tot het aantal leden. Verenigingen die activiteiten aanbieden op het gebied van recreatieve sport moeten minimaal 10 leden hebben. Voor overige verenigingen geldt een minimum van 15 leden. De eis met betrekking tot het minimale aantal leden is opgenomen om te waarborgen dat sprake is van voldoende organisatorische stabiliteit en draagkracht, zodat de activiteiten een duurzame bijdrage kunnen leveren aan de doelstellingen van de regeling.
Artikel 2.31 Eisen aan de aanvraag
In het eerste lid is bepaald welke aanvullende gegevens een aanvrager met leden dient te verstrekken naast de gegevens die reeds op grond van artikel 6 van de Asv worden gevraagd. Deze informatie is noodzakelijk voor de beoordeling van de subsidieaanvraag en de uitvoering van de subsidieregeling.
In dit onderdeel is bepaald dat aanvragers met leden een opgave verstrekken van het aantal leden en, indien van toepassing, het aantal jeugdleden per 1 januari van het jaar voorafgaand aan de subsidieperiode.
Het opnemen van zowel leden als jeugdleden sluit aan bij de systematiek van de regeling, waarin binnen bepaalde categorieën onderscheid wordt gemaakt in de subsidiegrondslag. Voor zover jeugdleden niet van toepassing zijn binnen een categorie, worden deze uitsluitend ingevuld indien aanwezig.
Dit onderdeel verplicht de aanvrager tot het overleggen van een door het bestuur ondertekende verklaring waaruit blijkt dat de verstrekte gegevens zijn gebaseerd op een actuele en controleerbare ledenadministratie en naar waarheid en volledig zijn ingevuld. Hiermee wordt de betrouwbaarheid van de gegevens gewaarborgd.
Daarnaast wordt benadrukt dat het bestuur zich bewust is van de consequenties van onjuiste of onvolledige gegevensverstrekking. Onjuiste opgave kan leiden tot wijziging, intrekking of terugvordering van de subsidie. Dit draagt bij aan de rechtmatigheid en handhaafbaarheid van de subsidieregeling.
In dit onderdeel is bepaald dat aanvragers die activiteiten met minderjarigen organiseren een verklaring moeten overleggen waaruit blijkt dat alle aan de organisatie verbonden vrijwilligers beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Deze verplichting is opgenomen ter bevordering van de veiligheid van minderjarigen binnen gesubsidieerde activiteiten.
In het tweede lid is geregeld dat de verplichting om leden- en jeugdledeninformatie te verstrekken niet van toepassing is op aanvragers binnen de categorieën sportevenementen en sportraad. Binnen deze categorieën speelt het aantal leden geen rol bij de subsidiegrondslag, waardoor deze gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
In het derde lid is bepaald dat aanvragers van een subsidie tot en met € 5.000 per jaar geen begroting hoeven te overleggen. Deze uitzondering is opgenomen ter vermindering van de administratieve lasten bij relatief kleine subsidiebedragen en draagt bij aan een efficiënte uitvoering van de regeling.
Artikel 2.32 Verwerking van persoonsgegevens
Dit artikel regelt hoe de gemeente omgaat met persoonsgegevens uit de ledenadministratie. Het eerste lid maakt duidelijk dat burgemeester en wethouders de ledenadministratie steekproefsgewijs mogen controleren. Daarbij geldt wel een grens: de controle moet proportioneel zijn en mag niet verder gaan dan nodig is. Het tweede lid legt vast dat alleen noodzakelijke gegevens worden verwerkt en dat die niet langer worden bewaard dan nodig.
Artikel 2.33 Subsidiabele kosten
Dit artikel noemt welke kosten niet voor subsidie in aanmerking komen. De gedachte daarachter is dat subsidie bedoeld is voor de uitvoering van de activiteit zelf, en niet voor kosten die daar te ver van afstaan, al uit andere middelen worden betaald of niet redelijk zijn om met publiek geld te bekostigen.
De opsomming voorkomt discussie achteraf. Het betreft de volgende kosten:
Kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen
Dit zijn kosten die een organisatie ook zonder subsidie moet maken om haar activiteiten op een rechtmatige en verantwoorde manier uit te voeren. Denk bijvoorbeeld aan kosten die nodig zijn om te voldoen aan wettelijke veiligheidsvoorschriften, vergunningseisen of basale kwaliteitseisen die algemeen gebruikelijk zijn binnen de betreffende sector.
Kosten die uit anderen hoofde worden gesubsidieerd
Kosten die al uit anderen hoofde worden gesubsidieerd, worden niet nogmaals gesubsidieerd. Dit voorkomt dubbele financiering van dezelfde kosten. Cofinanciering is daarmee niet uitgesloten. Daarvan is sprake als verschillende financiers ieder een afzonderlijk deel van de kosten voor hun rekening nemen en dezelfde kostenposten dus niet dubbel worden bekostigd.
Verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten
Verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten zijn niet subsidiabel. Als een aanvrager bijvoorbeeld btw kan terugvragen of verrekenen, vormt die btw geen daadwerkelijke kostenpost voor de aanvrager. Alleen kosten die daadwerkelijk voor rekening van de aanvrager blijven, kunnen in aanmerking komen voor subsidie.
Kosten van feesten zijn niet subsidiabel. Een uitzondering geldt voor kosten van feesten die een functioneel aanvullend onderdeel zijn van de activiteit. Dat betekent dat het feestelijke onderdeel ondersteunend moet zijn aan het doel van de activiteit en niet op zichzelf mag staan. Denk bijvoorbeeld aan een bescheiden afsluiting van een activiteit die onderdeel is van een breder programma. Voor feesten kan wel een subsidie worden aangevraagd op basis van de subsidieregeling voor incidentele subsidies.
Kosten van in natura geleverde diensten en goederen
Het gaat hierbij om diensten of goederen waarvoor geen daadwerkelijke betaling plaatsvindt, zoals vrijwillig beschikbaar gestelde materialen, ruimtes of werkzaamheden. Omdat hier geen werkelijke kosten tegenover staan, worden deze niet gesubsidieerd. Kosten voor het aankopen van bijvoorbeeld een cadeaubon of een boeket bloemen uit waardering voor het vrijwillig beschikbaar stellen van diensten en goederen zijn dus niet subsidiabel.
Kosten van gelieerde rechtspersonen die onderling in rekening worden gebracht
Dit ziet op situaties waarin kosten worden doorbelast tussen organisaties die organisatorisch, bestuurlijk of financieel met elkaar verbonden zijn. Het gaat bijvoorbeeld om kosten voor personeel, diensten, materialen of huisvesting die door een gelieerde rechtspersoon aan de aanvrager in rekening worden gebracht.
Kosten betaald aan vrijwilligers, met uitzondering van vergoedingen voor werkelijk gemaakte onkosten
Kosten betaald aan vrijwilligers zijn niet subsidiabel, behalve voor zover het gaat om vergoedingen voor werkelijk gemaakte onkosten. Vrijwilligerswerk wordt in beginsel onbetaald verricht. Kosten die een vrijwilliger daadwerkelijk maakt voor de activiteit, zoals reiskosten of materiaalkosten, kunnen wel voor subsidie in aanmerking komen als zij voldoende zijn onderbouwd.
Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 3 van de Asv, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bij subsidieregeling bepalen hoe de hoogte van een subsidie wordt berekend. Voor aanvragers zonder leden geldt een vast bedrag per aanvrager per jaar (eerste lid). Voor organisaties met leden bestaat de subsidie uit een vast bedrag per jaar plus een bedrag per jaar dat behoort bij de aanvragerscategorie waarin de aanvrager valt. Die aanvragerscategorie is afhankelijk van het aantal jeugdleden (tweede lid). Daarmee wordt rekening gehouden met de omvang van de organisatie. Voor aanvragers met leden die hoofdzakelijk activiteiten aanbieden op het gebied van recreatieve sport, geldt een uitzondering op het bovenstaande. Voor deze organisaties bestaat de subsidie uit een vast bedrag per jaar (derde lid).
Het college stelt de concrete bedragen op grond van het vierde lid vast in een afzonderlijk besluit. Dat is praktisch, omdat bedragen zo eenvoudiger kunnen worden aangepast zonder dat meteen de hele regeling hoeft te worden gewijzigd. Burgemeester en wethouders kunnen daarbij voor verschillende clusters van aanvragers verschillende bedragen vaststellen, indien daarvoor gelet op bijvoorbeeld de aard van de activiteiten of het ledenbestand aanleiding bestaat.
In het vijfde lid is geregeld hoe wordt gehandeld als het totaal van de op grond van dit artikel berekende subsidies hoger is dan het voor het betreffende segment geldende subsidieplafond. Burgemeester en wethouders kunnen in dat geval eerst toepassing geven aan artikel 1.3 en bezien of overheveling van middelen vanuit een ander segment mogelijk is. Voor zover het subsidieplafond daarna nog steeds wordt overschreden, worden de berekende subsidies naar evenredigheid verlaagd. Het percentage van de verlaging wordt berekend volgens de formule: (totaal berekende subsidies - subsidieplafond) / totaal berekende subsidies × 100%. Bij een totaal van € 120.000 aan berekende subsidies en een subsidieplafond van € 100.000 bedraagt de overschrijding € 20.000. Het verlagingspercentage is dan 16,67%. Iedere subsidie wordt in dat geval met 16,67% verlaagd. Een berekende subsidie van € 6.000 wordt dan vastgesteld op € 5.000. Achten burgemeester en wethouders een dergelijke verlaging niet wenselijk, dan kunnen zij er ook voor kiezen het subsidieplafond te verhogen. Als burgemeester en wethouders daarvoor niet kiezen en toepassing van deze systematiek in een concreet geval tot een onredelijke uitkomst leidt, kunnen zij toepassing geven aan de hardheidsclausule (artikel 3.1).
Dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders voor dit segment een vierjaarlijks subsidieplafond, vier jaarlijkse subsidieplafonds en eventueel deelplafonds vaststellen. Artikel 4:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) definieert een subsidieplafond als: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Het doel van een subsidieplafond is om openeindregelingen te voorkomen. Dat wordt bereikt doordat artikel 4:25, tweede lid, van de Awb voorschrijft dat een aanvraag om subsidie moet worden afgewezen als het subsidieplafond is bereikt. Met andere woorden: burgemeester en wethouders stellen het bedrag vast dat in een bepaalde periode maximaal voor dit segment beschikbaar is. Daarbij kunnen ook deelplafonds worden vastgesteld, bijvoorbeeld voor specifieke clusters van aanvragers.
Het subsidieplafond kan alleen aan de aanvrager worden tegengeworpen, indien het subsidieplafond voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het is vastgesteld, bekend wordt gemaakt. Indien het subsidieplafond later wordt bekendgemaakt, heeft deze bekendmaking geen gevolgen voor daarvoor ingediende aanvragen (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb). Gelet hierop is het belangrijk dat de gemeente het subsidieplafond tijdig bekend maakt, waarbij geldt dat aanvragers een subsidieplafond niet eenvoudig “omzeilen” door al weken eerder een aanvraag in te dienen.
Artikel 2.36 Tussentijdse verhoging subsidie
Dit artikel creëert de mogelijkheid om de subsidie tussentijds te verhogen voor een aanvrager waarvan de hoogte van de subsidie afhankelijk is van het aantal jeugdleden. Hiermee kan worden ingespeeld op een sterke toename van het aantal jeugdleden ten opzichte van het aantal jeugdleden dat is opgegeven bij de oorspronkelijke subsidieaanvraag. Zonder deze mogelijkheid zou het kunnen gebeuren dat een vereniging tot vier jaar moet wachten totdat in de volgende subsidieronde een subsidie wordt verleend die passend is bij het actuele jeugdledenaantal. Een tussentijdse verhoging van de subsidie is alleen mogelijk als het aantal jeugdleden sterk is toegenomen. Met sterk wordt bedoeld dat het aantal jeugdleden is toegenomen met minimaal 25%. Bovendien mag de verlening van een verhoogde subsidie niet leiden tot een overschrijding van het subsidieplafond. Er moet dus nog subsidiegeld beschikbaar zijn.
De vereniging moet zelf een verzoek indienen tot een verhoging van de subsidie. De gemeente gaat hier niet ambtshalve (uit zichzelf) toe over. In het verzoek moet de vereniging het aantal jeugdleden opgeven en daarnaast een door het bestuur ondertekende verklaring overleggen waarmee wordt bevestigd dat de gegevens over het jeugdledenaantal juist en controleerbaar zijn. Het verzoek moet uiterlijk op 1 augustus worden ingediend voorafgaande aan de jaren waarop het betrekking heeft. Als de vereniging een verhoogde subsidie wil voor 2028 tot en met 2030, dan moet zij haar verzoek uiterlijk op 1 augustus 2027 indienen. De gemeente gaat over tot verhoging van de subsidie als de aanvrager komt te vallen onder een nieuwe aanvragerscategorie. Als de aanvrager ondanks de toename van het aantal jeugdleden in dezelfde aanvragerscategorie zou blijven, dan blijft het subsidiebedrag per jaar namelijk hetzelfde en is een verhoging niet aan de orde.
Als de gemeente de verhoogde subsidie verleent, doet zij dit via een afzonderlijke beschikking waarbij het subsidiebedrag wordt verhoogd.
Artikel 2.37 Weigeringsgronden
In de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb zijn verschillende weigeringsgronden opgenomen. Sommige van deze gronden geven het bestuursorgaan beleidsvrijheid om te besluiten of een subsidie wordt geweigerd, terwijl andere gronden een verplichting tot weigering inhouden. Van een verplichte weigering is sprake wanneer het subsidieplafond door toekenning van de subsidie zou worden overschreden (artikel 4:25, tweede lid) of wanneer de verstrekking van subsidie naar het oordeel van het bestuursorgaan niet verenigbaar is met het bepaalde in de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, oftewel: de staatssteunregels (artikel 4:35, derde lid). Daarnaast bepaalt artikel 4:35 dat een subsidie kan worden geweigerd indien:
Deze weigeringsgronden zijn in artikel 9 Asv nader uitgewerkt/aangevuld. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat een subsidie in ieder geval kan worden geweigerd:
De Asv laat dan ook ruimte om bij subsidieregeling extra weigeringsgronden op te nemen. In artikel 2.37 is hier gebruik van gemaakt en is bepaald dat een aanvraag kan worden geweigerd indien:
De continuïteit van de aanvrager onvoldoende gegarandeerd is;
Onderdeel d maakt duidelijk dat een aanvraag kan worden geweigerd als er twijfels bestaan over de continuïteit van de aanvrager. Daarvan kan sprake zijn als onvoldoende vertrouwen bestaat dat de organisatie duurzaam kan voortbestaan en de activiteiten op zorgvuldige en betrouwbare wijze kan uitvoeren.
Aannemelijk is dat de subsidie niet doeltreffend of doelmatig zal worden besteed;
Deze grond hangt samen met de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan om publieke middelen zorgvuldig in te zetten. Van de aanvrager mag daarom worden verwacht dat voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de middelen ten goede komen aan de beoogde activiteiten en dat de relatie tussen de gevraagde subsidie en het te bereiken resultaat voldoende inzichtelijk is.
De activiteit reeds op grond van een andere gemeentelijke regeling wordt gefinancierd.
Onderdeel f strekt ertoe te voorkomen dat de gemeente voor dezelfde activiteit meer dan eenmaal subsidie verleent. Indien voor een activiteit reeds subsidie wordt verstrekt op grond van een andere gemeentelijke regeling, kan de aanvraag op grond van deze bepaling worden afgewezen. Het hoeft overigens niet te gaan om een andere subsidie; het kan ook gaan om financiering op een andere grondslag dan subsidie.
Artikel 2.38 Uitbetaling van de subsidie
Dit artikel geeft duidelijkheid over de wijze waarop de gemeente subsidie uitbetaalt. Dit is van belang, omdat subsidieverlening voor een subsidieperiode van maximaal 4 jaar niet wil zeggen dat de gehele subsidie meteen bij aanvang van die subsidieperiode wordt overgemaakt naar de subsidieontvanger. De subsidie wordt per subsidiejaar betaalbaar gesteld. Dit gebeurt voor 1 februari van ieder jaar van de subsidieperiode.
Artikel 4:37, eerste lid, van de Awb bepaalt dat aan de subsidieontvanger verplichtingen kunnen worden opgelegd met betrekking tot:
Op grond van artikel 4:38, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan daarnaast ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. Artikel 4:39 van de Awb bepaalt dat verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie slechts aan de subsidie kunnen worden verbonden voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Dergelijke verplichtingen kunnen bovendien slechts betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.
In artikel 11 en 12 van de Asv is hieraan invulling gegeven. Artikel 11 bevat een meldingsplicht en informatieplicht voor de subsidieontvanger. Op grond van dat artikel moet de subsidieontvanger melden indien aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. Daarnaast moeten burgemeester en wethouders worden geïnformeerd over:
Artikel 12, tweede en derde lid, van de Asv bepalen dat bij subsidieregeling ook niet in de Awb genoemde verplichtingen kunnen worden opgelegd (mits deze zien op het doel van de subsidie of betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht). Met artikel 2.39 is hieraan invulling gegeven. Het eerste lid bevat algemene verplichtingen voor iedere subsidieontvanger:
Het tweede lid bevat een aanvullende verplichting voor subsidieontvangers met leden, die niet hoofdzakelijk activiteiten aanbieden op het gebied van recreatieve sport. Zij moeten:
Het derde lid bevat een aanvullende verplichting voor ontvangers van een subsidie van meer dan € 5.000 per jaar. De subsidieontvanger moet dan jaarlijks op uiterlijk 1 mei tussentijds rekening en verantwoording afleggen over de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. In de beschikking wordt aangegeven op welke wijze dit moet gebeuren. De verplichting tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording geldt niet voor het laatste subsidiejaar, aangezien dan toch al een aanvraag tot subsidievaststelling moet worden ingediend conform de eindverantwoording als beschreven in artikel 15, tweede lid van de Asv dan wel artikel 2.40.
Deze verplichtingen zijn opgenomen om te waarborgen dat de subsidie wordt besteed aan het doel waarvoor zij is verleend en dat burgemeester en wethouders zicht houden op de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten. De aanvullende verplichtingen voor subsidieontvangers met leden die niet hoofdzakelijk activiteiten aanbieden op het gebied van recreatieve sport, hangen samen met het belang van een juiste en controleerbare vaststelling van de subsidie. Omdat het ledenbestand van invloed is op de hoogte van de subsidie, moet de gemeente kunnen beschikken over betrouwbare en verifieerbare gegevens.
Het niet voldoen aan deze verplichtingen, kan leiden tot wijziging of intrekking van de subsidie(vaststelling) op grond van de Awb.
Artikel 2.40 Eindverantwoording subsidies van meer dan € 50.000
Artikel 16, tweede lid, Asv bepaalt dat de aanvraag tot vaststelling van een subsidie van meer dan € 50.000 moet zijn voorzien van een inhoudelijk verslag (waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan), een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening), een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop en een controleverklaring die is opgesteld door een onafhankelijk accountant.
In artikel 16, derde lid, Asv is bepaald dat bij subsidieregeling andere gegevens kunnen worden verlangd. In artikel 2.40 van deze subsidieregeling is van deze mogelijkheid gebruikgemaakt door te bepalen dat (naast de gegevens uit artikel 16, tweede lid, Asv) ook een opgave van het aantal bereikte jeugdleden moet worden ingediend.
Verder is het belangrijk om te weten dat de aanvraag tot vaststelling van een subsidie van meer dan € 5.000 en ten hoogste € 50.000 per jaar moet zijn voorzien van een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. Dit is verplicht op grond van artikel 15, tweede lid Asv. In deze subsidieregeling wordt niet afgeweken van dat artikel uit de Asv. Daarom is in deze subsidieregeling geen aparte bepaling opgenomen over de eindverantwoording van subsidies van meer dan € 5.000 en ten hoogste € 50.000 per jaar. Deze verplichting geldt dus rechtstreeks op grond van de Asv.
Artikel 3.1. Hardheidsclausule
Dit artikel bevat een hardheidsclausule. Daarmee wordt burgemeester en wethouders de mogelijkheid geboden om in bijzondere gevallen van deze regeling af te wijken, indien strikte toepassing ervan voor een subsidieaanvrager of subsidieontvanger gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de regeling te dienen belangen. De bepaling is bedoeld voor uitzonderlijke situaties en vraagt om een terughoudende toepassing (zie in dit kader ook de toelichting bij artikel 20, Asv).
Dit artikel regelt dat burgemeester en wethouders bij afzonderlijk besluit de bedragen uit deze subsidieregeling kunnen indexeren. In dat besluit dient ook te worden bepaald op welke wijze wordt geïndexeerd.
Artikel 3.3. Evaluatiebepaling
Dit artikel regelt dat de regeling binnen vier jaar na de inwerkingtreding wordt geëvalueerd. Omdat het om een nieuwe regeling gaat, is het van belang om tijdig te bezien hoe deze in de praktijk uitwerkt. Daarmee kunnen eventuele onduidelijkheden of omissies worden gesignaleerd en waar nodig worden ondervangen. Bij de evaluatie zal worden gekeken naar de doeltreffendheid en doelmatigheid. Daarbij kan onder meer aandacht worden besteed aan het aantal aanvragen, de verdeling van subsidies, de uitvoerbaarheid van de regeling, de administratieve lasten voor aanvragers en de mate waarin de gesubsidieerde activiteiten bijdragen aan de doelen van de regeling. Ook subsidieontvangers kunnen worden bevraagd over wat goed gaat en wat beter kan. De uitkomsten van de evaluatie kunnen worden gebruikt om de regeling verder te verfijnen.
De evaluatie sluit aan bij artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van dat artikel wordt, indien een subsidie op een wettelijk voorschrift berust, ten minste eenmaal in de vijf jaar een verslag gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Deze regeling kiest voor een kortere termijn van vier jaar, zodat tijdig kan worden beoordeeld of bijstelling wenselijk is.
Artikel 3.4. Overgangsbepaling gefaseerde invoering verdeelsystematiek
Dit artikel beoogt abrupte financiële effecten van de nieuwe verdeelsystematiek voor bestaande subsidieontvangers te voorkomen. Zowel substantiële verhogingen als substantiële verlagingen worden daarom gedurende de subsidieperiode 2027–2030 geleidelijk ingevoerd. Hiermee wordt voorzien in een evenwichtige overgang naar de nieuwe verdeelsystematiek, mede in relatie tot het beschikbare subsidieplafond en de jaarlijkse begrotingsruimte.
De citeertitel van deze regeling is Integrale subsidieregeling structurele subsidies Sociaal Domein gemeente Eijsden-Margraten 2026. Met deze citeertitel kan eenvoudig, eenduidig en juridisch correct naar de regeling worden verwezen.
Dit artikel regelt het moment waarop de subsidieregeling in werking treedt. Vanaf die datum worden aanvragen beoordeeld op grond van deze regeling. Voor bestaande subsidierelaties is daarbij artikel 3.4 van belang. Dat artikel zorgt ervoor dat abrupte financiële effecten van de nieuwe verdeelsystematiek voor bestaande subsidieontvangers worden voorkomen.
Bijlage 1: Grondslagen en deelplafonds
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-284518.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.