Gemeenteblad van Hilversum
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Hilversum | Gemeenteblad 2026, 283982 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Hilversum | Gemeenteblad 2026, 283982 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het college van burgemeester en wethouders van Gemeente Hilversum
gelezen de tekstinhoud van ”Omgevingsplan gemeente Hilversum” d.d. 9 juni 2026
Besluit;
de ontwerp wijziging van "Omgevingsplan gemeente Hilversum" opgenomen in Bijlage A bekend te maken;
deze ontwerp wijziging met bijbehorende stukken gedurende zes weken ter visie te leggen, een kennisgeving hierover volgt;
A
Hoofdstuk 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bijlage II bevat begripsbepalingen voor dit Omgevingsplan.
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 6 en 22 van dit omgevingsplan.
Bijlage IIII bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 6 en 22 van dit omgevingsplan.
Aan de regels over activiteiten in dit omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Aan de regels wordt eveneens voldaan door degene die tot het verrichten van de activiteit gelegenheid biedt, dan wel door degene die het beheer over een bepaald gebied of bouwwerk voert.
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, worden die ondertekend en voorzien van:
Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 1.3 wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Op verzoek van het bevoegd gezag worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn.
Op verzoek van het bevoegd gezag worden, in aanvulling op de aanvraagvereisten in dit omgevingsplan, de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de activiteit voldoet aan de beoordelingsregels uit dit omgevingsplan.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
De regels in dit omgevingsplan gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Hilversum, tenzij in de regels is bepaald of uit de regels volgt dat het geografisch werkingsgebied beperkt is.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat een overzicht van informatieobjecten.
B
Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
C
Het opschrift van hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
D
Het opschrift van hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
E
Hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in deze titel zijn van toepassing op de activiteiten bouwen, verbouwen en slopen.
De regels in deze titel zijn van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in hoofdstuk 5 of 22 van dit omgevingsplan is bepaald dat voor het bouwen van een bouwwerk geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is benodigd.
De regels in deze titel zijn van toepassing tenzij deze afwijken van regels in hoofdstuk 6 van dit omgevingsplan. In dat geval zijn de regels in hoofdstuk 6 van toepassing.
Artikel 5.3 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen tenzij elders in deze titel anders is bepaald, dan wel anders is bepaald in hoofdstuk 22.
Deze paragraaf is van toepassing op het uiterlijk of plaatsing van bouwwerken met betrekking tot de activiteiten bouwen en in stand houden van bouwwerken.
Artikel 5.5 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bij de activiteiten bouwen van bouwwerken
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.3 betrekking heeft op het bouwen van een bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit.
Het eerste lid is niet van toepassing als het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid toch moet worden verleend.
Of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk bijdraagt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de meest recente door de gemeenteraad vastgestelde en in werking getreden beleidsregels.
Voor zover nog geen beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld en in werking getreden, wordt de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk bijdraagt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet inclusief de vastgestelde beeldkwaliteitsplannen.
Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in het derde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken gelden, dan wordt het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht bij te dragen aan de omgevingskwaliteit.
Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in het eerste lid genoemde belang.
Artikel 5.6 Repressieve beoordeling uiterlijk bij het in stand houden van bouwwerken
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met de omgevingskwaliteit zoals omschreven in de beleidsregels of in voorkomend geval de Welstandsnota als bedoeld onder 5.5:
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen eisen aan het uiterlijk van toepassing zijn.
Artikel 5.7 Advies Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Monumenten
Het college van burgemeester en wethouders wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.3, schriftelijk advies in bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Monumenten of wordt voldaan aan de beoordelingsregels in artikel 5.5.
Op de advisering van de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit en Monumenten is de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit en Monumenten, Hilversum, 2022 of diens rechtsopvolger onverkort van toepassing.
Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet:
gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen beoordelingsregels als bedoeld in 5.5 van toepassing zijn en het betreffende bouwwerk binnen een dergelijk gebied of binnen een aangewezen categorie valt; of
is bepaald dat uitsluitend ambtelijke toetsing plaats kan vinden in plaats van door de gemeentelijke adviescommissie.
Artikel 5.9 Beoordelingsregels watermanagement
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt alleen verleend als:
dit hydrologisch neutraal geschiedt doordat er wordt voorzien in afdoende voorzieningen voor het bergen en lokaal verwerken (infiltreren in de bodem) van afstromend hemelwater;
het bouwpeil en de bouwconstructie zodanig wordt gekozen dat (grond)wateroverlast en - onderlast bij de ontwikkeling wordt voorkomen;
overtollig hemel- en grond water conform eisen gemeente, naar de openbare ruimte wordt aangeboden waarbij aangetoond kan worden dat op eigen terrein afdoende maatregelen zijn genomen;
de vuilwaterafvoer wordt aangesloten op het openbare vuilwaterriool conform gemeentelijke eisen.
De kaders die van toepassing zijn op a t/m d zijn opgenomen in het Gemeentelijk Watermanagementplan 2021-2026 of diens rechtsopvolgers met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregel wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken wordt alleen verleend als dit niet leidt tot (grond-)wateroverlast zoals is voorgeschreven in het Gemeentelijk Watermanagementplan 2021-2026 of diens rechtsopvolgers met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregel wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
Artikel 5.10 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen of gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem.
Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5.11 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken:
in een Interferentiegebied dat is aangewezen in dit omgevingsplan of bij gemeentelijke verordening of de Omgevingsverordening NH2022 (of diens opvolgers); of
met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer.
Artikel 5.12 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen of gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd;
de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld;
gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;
een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen;
informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien;
de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten; en
de benodigde gegevens uit artikel 4.1136 (melding) en 4.1137 (gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit) van paragraaf 4.111 (gesloten bodemenergiesystemen) van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5.13 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
het bodemenergiesysteem geen interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem waardoor het doelmatig functioneren van een van de systemen kan worden geschaad; en
er geen sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie, waarbij geldt dat de beoordeling of sprake is van ondoelmatig gebruik van bodemenergie, mede wordt beoordeeld aan de hand van de beleidsregel 'Bodemenergieplan Hilversum' of de rechtsopvolgers daarvan, met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregel wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
F
Het opschrift van hoofdstuk 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
G
Artikel 6.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De begripsbepalingen van de Omgevingswet, artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en artikel 1.1 van de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit hoofdstuk, tenzij een begrip in bijlage IIIV afwijkend is gedefinieerd.
H
Artikel 6.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
I
Na paragraaf 6.2.1.2 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
J
Paragraaf 6.2.1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De locatie interferentiegebied Bruisend Hart wordt aangewezen als interferentiegebied zoals bedoeld in artikel 22.260.
Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 22.260 wordt binnen de locatie interferentiegebied Bruisend Hart alleen verleend als in aanvulling op 22.260 derde lid sprake is van een evenwichtige bodemenergiesituatie.
Of sprake is van een evenwichtige bodemenergiesituatie wordt beoordeeld met behulp van de beleidsregel 'Bodemenergieplan Hilversum Centrum en Oost' of de rechtsopvolgers daarvan, met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregel wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
[Vervallen]
K
Het opschrift van hoofdstuk 7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
L
Het opschrift van hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
M
Het opschrift van hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
N
Het opschrift van hoofdstuk 10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
O
Het opschrift van hoofdstuk 11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
P
Het opschrift van hoofdstuk 12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Q
Hoofdstuk 13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht van toepassing:
Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit ter inzage is gelegd op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, blijft het oude recht van toepassing
Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment voor een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing:
Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, en die onherroepelijk is, als een omgevingsvergunning op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een omgevingsvergunning is vereist.
Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, gelden de voorschriften uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit geen omgevingsvergunning is vereist. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan.
Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een melding is vereist.
Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als het verstrekken van informatie op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een verplichting geldt om informatie te verstrekken.
Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een aanvraag om een ontheffing of vergunning voor een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover een melding is vereist.
Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een onherroepelijk maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan.
Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:
de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd;
de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of
als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom; 1. de last volledig is uitgevoerd, 2. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of 3. de last is opgeheven.
Een op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan bestaande activiteit die in strijd is met de regels van dit besluit, mag, voor zover het een activiteit als bedoeld in hoofdstuk 5 en 6 betreft, worden voortgezet.
Het is verboden een met het omgevingsplan strijdige activiteit te veranderen, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Als de activiteit, bedoeld in artikel 13.5, na het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan voor een periode van langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden de activiteit daarna te hervatten.
Artikel 13.5 is niet van toepassing op activiteiten die reeds in strijd zijn met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Voor zover dit besluit elders regels bevat over eerbiedigende werking hebben deze regels voorrang op de regels in deze paragraaf.
R
Artikel 22.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold:
gereserveerd
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.
gereserveerd
S
Artikel 22.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en
omgezet
de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
omgezet
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:
het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of
het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
T
Artikel 22.260 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Gereserveerd]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd;
de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld;
gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;
een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen;
informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en
de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
U
Bijlage III wordt geplaatst na het lichaam. Bijlage III wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/gm0402/2024/d71d2445057a44b5924a8f05dad79e3f/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/7efb3a3aba6c4019b6dc419dbc256a70/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/1f2551e1fb714f458f24e83f7c9fed04/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/3b4e9cda305544e38415108dfffa0775/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/f3bd608e47b64657a7e8c96dfab3ba93/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/3105abf867dd4468b1fe3e19c784cd5a/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2025/b6ffee3a101b4279afb5c2ff8e97ba07/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2025/33a22e420b4f45b09d1832f53a4c7087/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2025/83635e5a27314bcd85e225507e753e59/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/6d67fc2b37f34a598735ad3869c62703/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2025/b16a0511a61b48848a8c020605290c0a/nld@2026‑06‑11;19310135
/join/id/regdata/gm0402/2025/b16a0511a61b48848a8c020605290c0a/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2025/b415f08855af426ab3ea6edf09a48d42/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2025/178fc5ecccd94ed786ec79e5ebedcc7d/nld@2026‑06‑11;19310135
/join/id/regdata/gm0402/2025/178fc5ecccd94ed786ec79e5ebedcc7d/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/5cd5edbfe2d84ad8b798438144d294be/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/ab5f67ec45dd45079e1dc286b8a9bd7f/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/a8ccd7028f4542968f8c47d790e8177f/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2025/fe5558693cf54a9289c7a38199d46284/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/cc8788b3734a4a8bba7590928d8f6dbe/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/e869501d92384dac87a1e1d2bf200257/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2025/5b72aec58368490aa71317b1e6e00738/nld@2026‑06‑11;19310135
/join/id/regdata/gm0402/2025/f9f477ff7f4647c7ac49a91f0ced2601/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/aaa5c5c6a78c488b99a8eefeb1820f4b/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/b54c71a268d54f25a942b473dfb65091/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/2af9f67782724a53b80d129b3627bec1/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/cb7ea6e341f449608c4b762c806558c1/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2025/0260a089e7a64bbabcfbf207fa1d8b8c/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/67877d44daa0460e943001f07f5d4f39/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/e3f5f7045b1f44c1b37ca1fc43ce2cd4/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2025/06f889ae2b1b4b4c97a4679243e94054/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2025/3337bb2140a94e6d975fb2802926c31f/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/25cc79f12f964fc68e9230d84c1b639c/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/16916d59908541a385d8d862b41d51f2/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/a12a6f5b9e3141efb39dccf2dbc1b049/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/e397d670b67741f7b15fbf0cd88d8187/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/405a4d7546c249dca53bacf56e5c752c/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/4f0dff1e47da46b4956a327d228a3f00/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/1e7f2b86c007458ca8b7d0f5cf41f2a3/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/50fee0dcaefa45b79f32d74fc7a68d56/nld@2025‑05‑20;07431160
/join/id/regdata/gm0402/2024/34c285bbf7b543d1a553694bcaff7465/nld@2025‑05‑20;07431160
V
Na bijlage III wordt een bijlage ingevoegd, luidende:
Het volledige systeem dat benodigd is voor het leveren van warmte en koude vanuit de bodem.
Een bodemenergiesysteem dat warmte en/of koude levert aan meerdere afnemers.
Een bodemenergiesysteem bestaande uit één of meerdere ondergrondse kunststof lussen waardoor vloeistof stroomt. De vloeistof wisselt via geleiding warmte en koude uit met de bodem.
Het interferentiegebied is een gebied in Hilversum waar de bodem in beperkte mate aan de warmtevraag van de bebouwing kan voldoen en waar het niet planmatig aanleggen van bodemenergiesystemen leidt tot belemmeringen in het gebruik van bodemwarmte.
Normaal Amsterdams Peil.
W
Bijlage I wordt geplaatst na bijlage II. Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van hoofdstuk 22 6 en 22 wordt verstaan onder:
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
gebouw:
dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
X
Bijlage II wordt geplaatst na bijlage I. Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
de huurprijs bij de start van de huurovereenkomst.
een gebouw, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van het plan en gebouwd conform een vergunning, dan wel een gebouw zoals die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende vergunning.
het gebruik, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van het plan en in gebruik is genomen conform de geldende bestemmingsomschrijving, gebruiksregels of een verleende omgevingsvergunning.
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd. In geval van bovengrondse bebouwing zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder. Een bouwlaag kan verwijzen naar de verdiepingen van een gebouw (bouwlaag 1 en hoger), waarbij de begane grond wordt geteld als bouwlaag 0. Er kunnen ook ondergrondse verdiepingen zijn (bouwlaag -1 en lager).
Inkomensnorm op grond van de diensten van algemeen economisch belang conform de Woningwet.
een constructie ter vergroting van een gebouw die zich tussen de dakvoet en de daknok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de daknok is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst.
voor publiek beperkt toegankelijke bedrijfsmatige activiteit met overwegend opslagruimte/distributieruimte ten behoeve van flitsbezorging met overwegend consumentenartikelen (waaronder dagelijkse goederen) die op internet (of via een app) kunnen worden besteld en betaald, al dan niet met een afhaalloket of afhaalbalie.
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
instelling gericht op het verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder belwinkel, reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren, internetwinkels en bankfilialen, maar met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting.
diegene die bevoegd is tot het in gebruik geven van - dan wel het treffen van voorzieningen aan een gebouw of gedeelte daarvan.
bezorgdiensten van online bestelde consumentenproducten, met de bedoeling deze binnen zeer korte termijn vanuit een darkstore te bezorgen, bij de besteller.
gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580, hierna te noemen gbo, is de bruikbare vloeroppervlakte, geschikt voor beoogd gebruik.
persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen.
de prijs die bij huur per maand is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte inclusief het gebruik van een bij de woning behorende parkeerplaats.
de waarde zoals bedoeld in artikel 8.17 van het Omgevingsbesluit onderscheiden in:
de waarde van de gronden en de te slopen opstallen in de toestand voorafgaand aan het vaststellen van het omgevingsplan;
de kosten om de gronden, bedoeld onder a, vrij te maken van persoonlijke rechten en lasten, eigendom, bezit en beperkte rechten of zakelijke lasten;
de kosten van het slopen, verwijderen en verplaatsen van opstallen, obstakels, funderingen, kabels en leidingen op de gronden bedoeld onder a;
de kosten van bodemsaneringswerkzaamheden, het dempen van oppervlaktewateren en het verrichten van grondwerken op de gronden bedoeld onder a;
rekeninkomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder i van de Wet op de huurtoeslag.
aanleg of aanpassing van straten, wegen, fietspaden, trottoirs, verlichtingen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, waterbergende en -afvoerende voorzieningen, waterpartijen, speelvoorzieningen, straatmeubilair, het plaatsen van brandkranen, verkeers- en straatnaamborden, artistieke, sierende en overige inrichtingselementen;
bewoning door niet meer dan één huishouden van een woonruimte die onderdeel uitmaakt van een woonruimte die door de eigenaar als hoofdbewoner in gebruik is genomen en die niet groter is dan 25% van het gebruiksoppervlak van de woonruimte van die hoofdbewoner zonder inwoning (de beperking in vloeroppervlak geldt niet voor huisvesting in verband met mantelzorg).
beschikking als bedoeld in artikel 13.18 van de Omgevingswet.
geldsom die verschuldigd is op grond van een beschikking als bedoeld in artikel 13.18 van de Omgevingswet.
gebied als bedoeld in artikel 13.14, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.
activiteiten als bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit.
het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening, waaronder begrepen: gezondheidszorg en/of, zorg- en welzijn en/of, jeugd/kinderopvang en/of, onderwijs en/of, religie en/of, bibliotheken en/of, openbare dienstverlening en/of, verenigingsleven.
het principe dat kosten slechts verhaald kunnen worden tot ten hoogste het bedrag van de opbrengstem, zoals vastgelegd in artikel 13.14, tweede lid, van de Omgevingswet;
zowel middeldure koopwoningen als middeldure huurwoningen.
woonruimte die geen eigen toegang heeft en die niet door één huishouden kan worden bewoond zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke woonvoorzieningen buiten de woonruimte zoals badkamer, toilet en keuken, en waarvan de wezenlijke woonvoorzieningen niet voor eigen, maar voor gemeenschappelijk gebruik zijn.
een gebouw of een gedeelte van een gebouw, niet zijnde een woonschip of een woonwagen, met een:
een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een:
het omzetten van een woning (of een gebouw waar de activiteit wonen conform het omgevingsplan is toegestaan, niet zijnde een bedrijfswoning) naar meerdere onzelfstandige woonruimtes (o.a. voor kamergewijze verhuur).
activiteit inhoudende de bewoning van een woonruimte.
het met het oogmerk daar permanent verblijf te houden gebruiken van woonruimte door één huishouden;.
een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
zelfstandige woonruimte;
het bouwkundig en/of functioneel toevoegen van één (of meer) woning(-en) binnen een bestaande woning(inclusief bijbehorende bouwwerken) of binnen een bestaand gebouw waarin wonen is toegestaan conform het omgevingsplan (niet zijnde een bedrijfswoning);
besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden.
door de initiatiefnemer van een kostenverhaalsplichtige activiteit uitgevoerde werken, werkzaamheden en maatregelen waarvan de kosten worden verrekend met toepassing van artikel 13.18, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet.
woonruimte die een eigen toegang heeft en welke door één huishouden kan worden bewoond zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke woonvoorzieningen buiten de woonruimte.
Y
Het opschrift van bijlage IV wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Z
Het opschrift van toelichting 'Toelichting' wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AA
Voor artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze Toelichting' wordt een algemenetoelichting ingevoegd, luidende:
Met ingang van 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de komst van de Omgevingswet is ook het omgevingsplan geïntroduceerd. Het omgevingsplan is de rechtsopvolger van de bestemmingsplannen, verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en enkele landelijke regelingen omtrent activiteiten en vergunningvrij bouwen. Iedere gemeente heeft sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet één omgevingsplan voor haar gehele grondgebied. Dit komt voort uit artikel 2.4 van de Omgevingswet (Ow), dat luidt:
‘De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.’
Dit is de algemene toelichting van het omgevingsplan van de gemeente Hilversum. In deze algemene toelichting wordt onder andere uitgelegd wat het omgevingsplan is en wat de bedoeling is van de in het omgevingsplan opgenomen regels.
Er wordt er een toelichting gegeven per hoofdstuk van het omgevingsplan. Per hoofdstuk wordt aangegeven welke regels erin staan, welk doel deze regels hebben en wat de verhouding is tussen de verschillende regels in de verschillende hoofdstukken.
In deze algemene toelichting wordt geen uitleg gegeven over specifieke artikelen die zijn opgenomen in het omgevingsplan. Deze uitleg staat in de artikelsgewijze toelichting in het omgevingsplan.
In het omgevingsplan staan alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Een belangrijk doel, volgens de Omgevingswet, is het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. De fysieke ruimte is beperkt en daarom is het van belang om deze zo optimaal mogelijk te benutten. De fysieke leefomgeving wordt in de Omgevingswet verder niet gedefinieerd. Wel wordt aangegeven dat de fysieke leefomgeving in ieder geval omvat: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed (art. 1.2 lid 2 Ow).
Daarbij is een belangrijk element dat het omgevingsplan regels moet bevatten die in ieder geval nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (art. 4.2 lid 1 Ow). Deze term is te vergelijken met een goede ruimtelijke ordening onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro, oud) alleen kent het nieuwe criterium een bredere reikwijdte. Het is de taak van de gemeente om ervoor te zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Dit betekent dat er een balans moet bestaan tussen de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Activiteiten die op verschillende locaties zijn toegestaan moeten ten opzicht van elkaar in evenwicht zijn. De gemeente dient hierbij rekening te houden met alle betrokken belangen.
De Omgevingswet gaat grotendeels uit van het activiteitgericht opbouwen van het omgevingsplan. Dit betekent dat de activiteiten centraal staan en er per activiteit regels gesteld worden. Voorbeelden van activiteiten zijn de activiteit ‘wonen’ of de activiteit ‘bouwen’ en ‘gebruiken’. In het omgevingsplan wordt bepaald waar en op welke manier een activiteit mag worden uitgevoerd of mag plaatsvinden. Alle regels over de verschillende activiteiten samen zorgen voor een zorgvuldig en afgewogen gebruik van de fysieke leefomgeving.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft iedere gemeente voor haar gehele grondgebied een omgevingsplan van rechtswege, dat bestaat uit een tijdelijk deel en een nieuw deel. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke regels uit verschillende vervallen instrumenten zoals de bestemmingsplannen. Daarnaast staan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan de regels van de zogenoemde bruidsschat. De bruidsschatregels zijn voormalige regels van het Rijk. Iedere gemeente mag haar eigen afweging maken ten aanzien van deze regels en ervoor kiezen om de regels over te nemen, te schrappen of aan te passen. De regels uit de bruidsschat gaan onder andere over activiteiten met gevolgen voor het milieu, maar ook over vergunningvrij bouwen. Deze regels staan op dit moment allemaal onveranderd in hoofdstuk 22.
Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet was het nieuwe deel van het omgevingsplan nog leeg. Iedere gemeente heeft tot 1 januari 2032 de tijd om het nieuwe deel van het omgevingsplan te vullen zodat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het nieuwe deel komen niet alleen regels uit de voormalige bestemmingsplannen en de bruidsschat, maar ook regels uit gemeentelijke verordeningen die zien op de fysieke leefomgeving. Denk hierbij aan regels over het kappen van bomen en regels over erfgoed. Daarnaast moet het nieuwe deel van het omgevingsplan voldoen aan instructieregels van het Rijk uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
In het omgevingsplan kunnen verschillende soorten regels opgenomen worden.
Ten eerste kunnen er voor bepaalde activiteiten algemene regels worden opgenomen. Regels die voor iedereen gelden. Degene die de activiteit wil uitvoeren kan zelf bepalen of het binnen de algemene regels past en daarmee dus is toegestaan. Die betreffende activiteit is in dat geval vergunningvrij, maar door het stellen van algemene regels niet regelvrij.
Daarnaast kunnen er in het omgevingsplan vergunningplichten voor activiteiten worden opgenomen. Wanneer in het omgevingsplan wordt bepaald dat voor het uitvoeren van een activiteit een omgevingsvergunning vereist is, dan wordt dit een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (OPA) genoemd. De OPA wordt getoetst aan beoordelingsregels die ook in het omgevingsplan moeten worden opgenomen. Wanneer de vergunningaanvraag voldoet aan de beoordelingsregels moet de OPA worden verleend. De normen in de beoordelingsregels kunnen gesloten of open geformuleerd worden. Gesloten normen geven concreet aan wanneer een omgevingsplanactiviteit is toegestaan en de omgevingsvergunning moet worden verleend. Daarentegen geven open normen het bevoegd gezag (meestal burgemeester en wethouders) meer beslisruimte en zal er een belangenafweging moeten plaatsvinden.
In het Omgevingsplan gemeente Hilversum zijn algemene regels en omgevingsvergunningplichten voor activiteiten opgenomen.
Voor activiteiten in het omgevingsplan kan ook een meldings- of informatieplicht worden opgenomen. Bij een meldingsplicht moet degene die de activiteit wil uitvoeren daarvan eerst melding doen bij de gemeente. Zonder het doen van deze melding is de activiteit niet toegestaan. De informatieplicht verplicht degene die een activiteit gaat uitvoeren om bepaalde informatie aan de gemeente te verstrekken. Dit kan informatie zijn omdat er met een bepaalde activiteit gestart wordt of een bepaalde activiteit al gestart is of omdat er sprake is van een calamiteit. Het verschil tussen deze twee plichten ziet op het mogen uitvoeren van de activiteit. Bij het ontbreken van een melding in geval van een meldingsplicht mag de gemeente de activiteiten stopzetten. Wanneer er sprake is van een informatieplicht dan is dit niet het geval. Door het opnemen van meldings- en/of informatieplichten kan de gemeente toch goed monitoren en bijhouden welke activiteiten er plaatsvinden. Omdat er in het omgevingsplan gebruik wordt gemaakt van algemene regels kan het opnemen van meldings- en informatieplichten ertoe leiden dat de gemeente wel bekend is met het plaatsvinden van bepaalde activiteiten.
In het omgevingsplan kunnen maatwerkvoorschriften worden opgenomen. Dit maakt het voor het bevoegd gezag mogelijk om af te wijken van algemene regels in individuele gevallen. Het afwijken van algemene regels kan bijvoorbeeld in het geval van:
onvoorziene situaties
bijzondere gevallen
lokale omstandigheden het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving
Met een maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag bijvoorbeeld:
algemene regels nader invullen of aanvullen
eisen opstellen die strenger of minder streng zijn dan de algemene regels
afwijken van een verbod in algemene regels
Een maatwerkvoorschrift is onderdeel van een besluit en geldt daarmee alleen voor degene aan wie het besluit is gericht (degene die de activiteit mag uitvoeren). Een voorbeeld van een maatwerkvoorschrift is artikel …: het aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschrift van de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden.
Nieuw onder de Omgevingswet is de mogelijkheid van het opnemen van maatwerkregels in het omgevingsplan. Maatwerkregels zijn omgevingsplanregels die afwijkend zijn van of aanvullend zijn op hogere regelgeving zoals regels over activiteiten in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Activiteiten in het Bal zijn bijvoorbeeld milieubelastende activiteiten en (natuur) flora- en fauna-activiteiten. Activiteiten in het Bbl zijn het (her)bouwen en gebruiken van een bouwwerk. Een maatwerkregel zorgt voor een verbijzondering in een specifiek gebied of onderwerp.
Maatwerkregels zijn algemene regels over activiteiten die gelden voor een heel gebied of een hele categorie van activiteiten. Met een maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag voor concrete gevallen afwijken van algemene regels. Een maatwerkvoorschrift wordt opgenomen in een besluit (omgevingsvergunning) en geldt alleen voor degene aan wie het besluit is gericht, degene die de activiteit uitvoert.
In het Omgevingsplan gemeente Hilversum zijn maatwerkvoorschriften en -regel opgenomen.
In een omgevingsplan kunnen omgevingswaarden worden vastgesteld. Omgevingswaarden zijn bedoeld voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Ook ondersteunen ze bij het zorgen voor een goede omgevingskwaliteit. Een omgevingswaarde bepaalt voor de fysieke leefomgeving of een onderdeel daarvan:
de gewenste staat of kwaliteit;
de toelaatbare belasting door activiteiten; en
de toelaatbare concentratie of neerslag van stoffen.
Het voldoen aan een gestelde omgevingswaarde is op de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de gemeente zelf. Een omgevingswaarde is altijd een feitelijk vast te stellen waarde, meestal doordat de waarde te meten of te berekenen is in een bepaalde eenheid. Een omgevingswaarde wordt gesteld met betrekking tot een bepaalde locatie en een bepaalde tijd. De gemeente dient zorg te dragen voor het monitoren van de gestelde omgevingswaarde. Aan een omgevingswaarde kan de verplichting worden verbonden om een bepaalde waarde te bereiken of om daarvoor een bepaalde inspanning te doen. Wordt niet voldaan aan een bepaalde omgevingswaarde, dan volgt daaruit een verplichting voor de gemeente om een programma vast te stellen om de desbetreffende waarde alsnog te bereiken.
In het Omgevingsplan gemeente Hilversum zijn nog geen omgevingswaarden opgenomen.
Hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen)
In dit hoofdstuk staan algemene regels met bijvoorbeeld een uitleg van begrippen.
Ook staat er in voor wie de regels gelden, de normadressaat. Een normadressaat is de persoon, organisatie of groep tot wie een regel of gedragsnorm is gericht. Het is degene die zich aan de regel moet houden of verantwoordelijk is voor de naleving ervan.
In dit hoofdstuk staan ook algemene regels voor het indienen van een aanvraag.
Hoofdstuk 2
Het omgevingsplan moet worden opgesteld met het oog op de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 Ow. Hoofdstuk 2 bevat een opsomming van verschillende gemeentelijke doelen, waarmee ook de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet worden ingevuld. Voorbeelden van deze doelen zijn een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, het beschermen van een goed woon- en leefmilieu en het beschermen van de gezondheid en het milieu.
De doelen staan voornamelijk in en zijn ontleend aan de Omgevingsvisie.
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 3 is gereserveerd.
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 4 is gereserveerd.
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 5 vormt de kern van het Omgevingsplan gemeente Hilversum. In dit hoofdstuk komen allerlei activiteiten te staan die in de gemeente mogen plaatsvinden en welke regels daarbij horen. Regels voor activiteiten die invloed hebben of kunnen hebben op de fysieke leefomgeving. Het gaat bijvoorbeeld om de activiteiten bouwen (van een gebouw), gebruiken van gronden en bouwwerken en het aanleggen in of op de bodem. In dit hoofdstuk komen ook regels over milieu en veiligheid, kappen van bomen en bescherming van bepaalde gebieden (bijvoorbeeld natuurgebieden of beschermde stadsgezichten). Kortom alle regels die nodig zijn voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving.
Onderverdeling in titels, afdelingen en paragrafen
De regels zijn onderverdeeld in aparte titels, afdelingen en paragrafen. Zo is er een deel met de titel ‘Regels voor gebruik van gronden en bouwwerken’, ‘Regels voor bouwen, verbouwen en slopen’ en ‘regels voor milieubelastende activiteiten en veiligheid’.
In de titel ‘Regels voor gebruik van gronden en bouwwerken’ staan regels voor het wonen, detailhandelsactiviteiten, bedrijfsactiviteiten, horeca-activiteiten, maar ook regels voor het gebruiken van oppervlaktewater of het gebruiken van groen, enzovoort. Allemaal in aparte afdelingen en paragrafen.
De regels over wonen gaan bijvoorbeeld over het wonen zelf en/of op welke locatie in de gemeente dat mag. Regels over het wonen zelf gaan onder andere over het gebruik van de woning voor een beroep- en bedrijf aan huis of over de mogelijkheid van woningsplitsing en verkamering.
De regels over bouwen, gebruiken van gronden en bouwwerken en aanleggen waren voorheen opgenomen in bestemmingsplannen. Dat gold ook voor sommigen regels over veiligheid. Regels over milieubelastende activiteiten waren vooral centraal geregeld door de Rijksoverheid. Die regels staan dus nu in het omgevingsplan.
Activiteiten in beschermingsgebieden
Niet alle activiteiten zijn overal onder dezelfde regels mogelijk. Als de grond archeologische waarden bevat, is het niet wenselijk om zomaar in de grond te graven voor de fundering van een nieuw gebouw. En bij monumenten willen we voorkomen dat het monument wordt aangetast doordat de eigenaar het gebouw zonder regels kan verbouwen. Daarom worden in hoofdstuk 5 in een aparte titel extra regels opgenomen voor activiteiten in of aan monumenten, in beschermde stadsgezichten, in natuur-, bos- en heidegebieden, voor activiteiten waarbij archeologische waarden in de grond (kunnen) zitten en activiteiten in de buurt van leidingen en hoogspanningsverbindingen. Dit zijn regels die in voorheen geldende bestemmingsplannen vooral waren opgenomen in de dubbelbestemmingen.
Tenslotte worden in hoofdstuk 5 ook regels opgenomen die voor meerdere activiteiten tegelijk gelden. Hiermee willen we de evenwichtige toedeling van functies aan locaties verder borgen en de fysieke leefomgeving beschermen. Het gaat om regels om (milieu)hinder te voorkomen. Voorbeelden zijn het tegengaan van geluids- en geurhinder en parkeeroverlast. Dit zijn regels die voor veel activiteiten gelden. Parkeeroverlast is bijvoorbeeld altijd onwenselijk, ongeacht of dit nu komt door het parkeren bij een bedrijf of woning.
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 6 is voorlopig gereserveerd voor gebieden in de gemeente die zijn aangewezen als ontwikkel- of transformatielocatie. In dergelijke gebieden zal de manier van regelen afwijken van de rest van de gebieden. Daarom is ervoor gekozen deze regels op te nemen in een apart hoofdstuk. Naarmate het nieuwe deel van het omgevingsplan wordt gevuld zal het steeds minder vaak nodig zijn om hoofdstuk 6 te gebruiken voor een ontwikkeling. Dat zal het geval zijn als een ontwikkeling kan aansluiten op al bestaande regels in het omgevingsplan.
Hoofdstuk 7
Dit hoofdstuk is gereserveerd.
Hoofdstuk 8
Hoofdstuk 8 is gereserveerd.
Hoofdstuk 9
Dit hoofdstuk is gereserveerd.
Hoofdstuk 10
Dit hoofdstuk is gereserveerd.
Hoofdstuk 11
Dit hoofdstuk is gereserveerd.
Hoofdstuk 12
Dit hoofdstuk is gereserveerd.
Hoofdstuk 13
In hoofdstuk 13 zijn overgangsregels opgenomen die van toepassing zijn op regels van het omgevingsplan. Bij het vaststellen van het omgevingsplan is het opnemen van overgangsrecht noodzakelijk.
BB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op hoofdstuk 6 en 22 van dit omgevingsplan. Het gaat om een zogenaamde statische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet of de AMvB’s geen invloed hebben op de betekenis van de begrippen in hoofdstuk 6 en 22.
Bijlage IIII bij dit omgevingsplan bevat de overige begripsbepalingen die voor hoofdstuk 6 en 22 nog nodig zijn in aanvulling op de begrippen van de wet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling.
CC
Na sectie ' Begripsbepalingen' worden twaalf secties ingevoegd, luidende:
In dit artikel is voor het gehele omgevingsplan de normadressaat bepaald. Binnen het stelsel van de wet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van activiteiten. Voor vergunningplichtige activiteiten is dat expliciet verwoord in artikel 5.37, eerste lid, van de wet. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of de opdrachtgever. Deze moet de vergunningvoorschriften zelf naleven en zorgen dat deze door zijn werknemers of contractanten worden nageleefd. Dit artikel bevat een soortgelijke bepaling voor de activiteiten die worden geregeld met algemene regels: degene die de activiteiten verricht, moet voldoen aan de regels van dit besluit, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich aan de regels over de activiteit houden. Het is primair de vergunninghouder of melder die zich aan de regels moet houden. Bij handhaving kan iedereen die het in zijn macht heeft om de overtreding te beëindigen echter worden aangesproken. In relatie tot de activiteit bouwen kan een aannemer of onderaannemer rechtstreeks worden aangesproken. In specifieke artikelen van dit omgevingsplan kan een andere normadressaat zijn aangewezen. Meestal zal het dan gaan om de rechthebbende op een perceel.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.43 van de bruidsschat (tijdelijk deel), maar de reikwijdte van dit artikel is verbreed van de milieubelastende activiteit naar de reikwijdte van het gehele omgevingsplan.
Als op grond van een afdeling, (sub)paragraaf of artikel van dit omgevingsplan, gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag worden verstrekt, worden die gegevens begeleid door een aantal algemene gegevens. De plicht om gegevens te verstrekken vloeit niet voort uit dit artikel. Die plicht is namelijk per activiteit opgenomen in de regels van dit omgevingsplan. Als in een afdeling, (sub)paragraaf of artikel van dit omgevingsplan het verstrekken van gegevens en bescheiden is voorgeschreven, bijvoorbeeld vóórdat wordt begonnen met die activiteit, wordt daarbij om specifieke gegevens gevraagd. Die gegevens worden dan verstrekt in aanvulling op de algemene gegevens uit dit artikel.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.46 van de bruidsschat (tijdelijk deel), maar de reikwijdte van dit artikel is verbreed van de milieubelastende activiteit naar de reikwijdte van het gehele omgevingsplan.
Het eerste lid van dit artikel regelt dat een naamswijziging of adreswijziging wordt doorgegeven aan het bevoegd gezag vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene wil immers dat correspondentie van het bevoegd gezag op het juiste adres aankomt. Het tweede lid regelt dat bij overdracht van de activiteit naar iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Bijvoorbeeld omdat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voortgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.47 van de bruidsschat (tijdelijk deel), maar de reikwijdte van dit artikel is verbreed van de milieubelastende activiteit naar de reikwijdte van het gehele omgevingsplan.
Dit artikel regelt dat gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt aan het bevoegd gezag, als dat bevoegd gezag die gegevens en bescheiden nodig heeft om voor een specifieke activiteit of een specifieke locatie te beoordelen of de algemene regels en eventuele maatwerkvoorschriften die voor die activiteit of die locatie gelden, nog volstaan dan wel of de activiteit voldoet aan de beoordelingsregels. Het gaat om gegevens en bescheiden waar het bevoegd gezag om vraagt. Degene die de activiteit verricht hoeft dus niet uit eigen beweging gegevens of bescheiden op te sturen; al staat dat natuurlijk vrij.
Het eerste en derde lid van dit artikel zijn afkomstig uit de Bruidsschat, zoals deze bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan, maar de reikwijdte van dit artikel is verbreed. In artikel 22.48 van de Bruidsschat ging het alleen om de situatie dat het bevoegd gezag wil bekijken of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit nog toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de gezondheid en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. Bij ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu kan gedacht worden aan het beschikbaar komen van nieuwe passende preventieve maatregelen of de actualisatie van de beste beschikbare technieken. De ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu kunnen bijvoorbeeld aan de orde zijn als er door cumulatie van activiteiten een verslechtering van de kwaliteit van lucht, veiligheid, geluid, oppervlaktewater of grondwater optreedt. In artikel 1.6 is de reikwijdte verbreed en kan het bevoegd gezag ook om andere redenen verzoeken gegevens en bescheiden te verstrekken die nodig zijn om te toetsen of voldaan wordt aan de de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan. Gegevens waarover degene die de activiteit uitvoert niet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, hoeven uiteraard niet te worden verstrekt.
Aanvullend is een tweede lid opgenomen, op grond waarvan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden kan vragen om te kunnen toetsen of een activiteit voldoet aan de beoordelingsregels uit dit omgevingsplan. Door het opnemen van deze bepaling kunnen de aanvraagvereisten opgenomen in dit omgevingsplan worden beperkt tot generieke gegevens en bescheiden. Specifieke gegevens en bescheiden die slechts in uitzondering nodig zijn, kunnen op grond van de bepaling in dit artikel worden opgevraagd bij de initiatiefnemer.
Het eerste en derde lid van dit artikel zijn een voortzetting van artikel 22.48 van de bruidsschat (tijdelijk deel). Aanvullend is de reikwijdte van dit artikel verbreed.
Een juridische regel heeft altijd een werkingsgebied, dat wil zeggen een gebied waar die regel geldt. Dat geldt voor elke regel. Heel veel regels in het omgevingsplan gelden overal in Hilversum. Andere regels gelden uitsluitend op specifieke locaties. Als uitgangspunt geldt dat het werkingsgebied van de regels in dit omgevingsplan het hele gemeentelijk grondgebied is. De regel geldt dan overal binnen Hilversum. Wanneer het werkingsgebied van een regel of regelonderdeel is beperkt, wordt dat in de regels aangegeven, of volgt dat uit de regel(s) zelf.
In het tweede lid is opgenomen dat bijlage I van dit omgevingsplan een overzicht van informatieobjecten bevat.
Het omgevingsplan bevat, net als voorheen bestemmingsplannen, veel locatiespecifieke regels. Anders dan het bestemmingsplan bevat het omgevingsplan echter geen plankaart of verbeelding. Elke regel heeft in feite zijn eigen 'kaart', namelijk een begrenzing van het werkingsgebied. Ook kan het gaan om de normwaarde van omgevingsnormen of omgevingswaarden die op een bepaalde locatie gelden, bijvoorbeeld het gebied waar een maximale bouwhoogte van 9 meter geldt. Dit worden informatieobjecten genoemd. De informatieobjecten maken onderdeel uit van de regels. In de viewer van het Digitale Stelsel Omgevingswet kunnen de regels in samenhang met deze informatieobjecten worden geraadpleegd.
Eerste lid
Het eerste lid bepaalt dat de regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan voorrang krijgen boven de regels in deze afdeling indien die met elkaar strijdig zijn. Het tijdelijke deel van dit omgevingsplan bevat verschillende ruimtelijke besluiten (bestemmingsplannen, wijzigings- of uitwerkingsplannen, etc.) zoals aangegeven in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. De regels uit die bestemmingsplannen kunnen op onderdelen in strijd zijn met de regels in deze afdeling. Dit kan in twee situaties aan de orde zijn. De regel in het bestemmingsplan werd gesteld in afwijking van bepalingen bij of krachtens de voormalige Wet ruimtelijke ordening (met toepassing van de voormalige Crisis- en herstelwet). Dat betekent dat de omgevingsplanregels uit die bestemmingsplannen op onderdelen in strijd zijn met de omgevingsplanregels van rijkswege. Ook kan in een bestemmingsplan toepassing zijn gegeven aan artikel 2, onder a, van de voormalige Interimwet stad-en-milieubenadering waarin is bepaald dat de gemeenteraad in een bestemmingsplan kan afwijken van een milieukwaliteitsnorm voor bodem, geluid en lucht.
Zolang die strijdige bestemmingsplanregels onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, moet er een voorrangsregel worden opgenomen. Om die reden is in dit artikel bepaald dat de regels van deze afdeling niet van toepassing zijn voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
Tweede lid
Het tweede lid bepaalt dat de voorrangsbepaling uit het eerste lid niet geldt voor zover in hoofdstuk 5 van dit omgevingsplan is bepaald dat voor het bouwen van een bouwwerk geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is benodigd. Het gaat hier om bouwwerken die reeds op grond van de Bruidsschat (eerder in hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan) van de werking van de hiervoor genoemde voorrangsbepaling waren uitgezonderd. Zo waren bepaalde bouw- en gebruiksactiviteiten van rechtswege in overeenstemming met het omgevingsplan, ongeacht wat er in het omgevingsplan concreet is bepaald. Daarmee waren deze activiteiten, voor zover die in strijd zouden zijn met het omgevingsplan, aangewezen als vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. In dit omgevingsplan is voor meer bouwwerken bepaald dat deze zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit gebouwd kunnen worden. De maten, hoogten en oppervlakten die in het tijdelijk deel staan voor deze bouwwerken zijn daarom niet meer van toepassing, mits wordt voldaan aan de regels in deze afdeling. Dat wordt geregeld met dit lid. Vanzelfsprekend moet wel voldaan worden aan de algemene regels die in de hoofdstuk 5 voor de betreffende bouwwerken zijn opgenomen. Indien een bouwwerk niet voldoet aan de algemene regels in deze afdeling, maar wel in overeenstemming zijn met de regels in het tijdelijk deel, moet wel een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit worden aangevraagd.
Het eerste lid is een voortzetting van artikel 22.1 van de bruidsschat (omgevingsplan tijdelijk deel).
Bij het beoordelen of wordt voldaan aan 'redelijke eisen van welstand' oftewel stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit, wordt getoetst aan de hand van een beleidsregel. Ten tijde van de inwerkingtreding van de Omgevingswet was dit de Welstandsnota Hilversum. Deze toets was echter vooral gericht op repressieve welstand, deze toets is inmiddels ook met dynamische verwijzing bedoeld voor opvolgende documenten. De opvolger van de Welstandsnota Hilversum inclusief alle bijbehorende beeldkwaliteitplannen voor ontwikkellocaties is de beleidsregel Uiterlijk van bouwwerken. Ook deze beleidsregel is een dynamisch document.
Dit artikel heeft betrekking op het repressief welstandstoezicht en was voorheen opgenomen in artikel 12 van de Woningwet. Het uiterlijk van bestaande bouwwerken of te bouwen bouwwerken waar op grond van dit plan geen omgevingsvergunning voor nodig is, mogen niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold. Op grond van artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt die welstandsnota als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. In het voormalige artikel 13a van de Woningwet was opgenomen dat bij een overtreding van artikel 12, eerste lid, het bevoegd gezag de eigenaar kon verplichten zodanige door het bevoegd gezag aan te geven voorzieningen te treffen, dat daarmee werd voldaan aan artikel 12 van die wet. In de systematiek van de Omgevingswet is dit een maatwerkvoorschrift.
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen of gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem. Dit is een installatie waarmee door gesloten leidingen vloeistof door de bodem wordt geleid om aan de bodem warmte of koude te onttrekken. Deze warmte of koude wordt vervolgens gebruikt voor de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken. Er wordt geen grondwater verpompt en de vloeistof komt niet in contact met het grondwater.
Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen, zoals deze was opgenomen in het voormalige Activiteitenbesluit.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.260, eerste lid, van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt op grond van artikel 4.1137 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 16.55, vijfde lid, van de wet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.260, tweede lid, van de bruidsschat (tijdelijk deel).
Eerste lid:
Er is in sub c een dynamische verwijzing opgenomen naar het Bodemenergieplan Hilversum, waarin het meest recente beleid is opgenomen om te kunnen beoordelen of doelmatig en efficiënt gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden voor bodemenergie in Hilversum in relatie tot de mogelijkheden op dat moment.
Tweede lid
Voor de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van dit omgevingsplan, zijn de beoordelingsregels van het Bkl van overeenkomstige toepassing. Dat sluit aan op de situatie die gold voor de inwerkingtreding van de wet.
Dit artikel is deels een voortzetting van artikel 22.260, derde lid van de bruidsschat (tijdelijk deel).
DD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels voor een gesloten bodemenergiesysteem staan in artikel 22.260. In dat artikel wordt verwezen naar een 'aangewezen intereferentiegebied in het omgevingsplan'. Binnen Bruisend Hart is dit gebied ook aangewezen.
[Vervallen]
EE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Aanvullend op de regels in artikel 22.260 gelden specifieke regels voor de wijze waarop gesloten bodemenergiesystemen mogen worden toegepast binnen het interferentiegebied. Er wordt een dynamische verwijzing gelegd met een 'bodemenergieplan'.
[Vervallen]
FF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument». Deze begrippen gelden op grond van artikel 1.1, eerstetweede lid, van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295.
De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.
Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten «oude stijl»).
Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.
Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» is ook vereist dat de onderdelen van de artikelen 22.28, 22.38, 22.276, 22.277, 22.279 tot en met 22.282 en 22.284 die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» van toepassing zijn. Artikel 22.2 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een «monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is» als bedoeld in artikel 22.2, eerste lid. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in artikel 22.2, tweede lid), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.
GG
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen door een activiteit, in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Dit artikel geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting grotendeels te dekken. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41. De trillingvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op activiteiten die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken. Dat bleek onder het Activiteitenbesluit milieubeheer impliciet door de verwijzing naar normwaarden in de Meet- en beoordelingsrichtlijn B «Hinder voor personen» van de Stichting Bouwresearch.
De trillingparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Deze paragraaf van dit omgevingsplan is wel van toepassing op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, soms trillingnormen of andere voorschriften ter beperking van trillinghinder opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Deze bestaande vergunningvoorschriften blijven op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelden en hebben op grond van artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan voorrang op de regels voor trillingen in deze paragraaf van dit omgevingsplan.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd bij de bescherming tegen trillinghinder verwezen naar de begrippen «geluidgevoelige ruimten» en «verblijfsruimten», bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder. Het Bkl bevat eigen begrippen «trillinggevoelige gebouwen» en «trillinggevoelige ruimten». Deze gelden op grond van artikel 1.1, eerstetweede lid, van dit omgevingsplan.
Overigens is het begrip trillinggevoelige ruimte in het Bkl wel anders gedefinieerd dan een geluidgevoelige ruimte in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een trillinggevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een aangewezen gebruiksfunctie. In de praktijk kunnen dus kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.
II
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.
In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in Bijlage IIII bij dit omgevingsplan.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.
JJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage IIII.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
KK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen.
[Vervallen]
LL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt op grond van artikel 4.1137 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
[Vervallen]
MM
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor u ligt de eerste integrale wijziging van het omgevingsplan van Hilversum. Het is niet de eerste wijziging van ons omgevingsplan, want dat was de wijziging ten behoeve van het project Bruisend Hart (terug te vinden in ontwikkelhoofdstuk 6 van het omgevingsplan). Het is alleen wel de eerste wijziging waarin de nieuwe systematiek van regelgeving met betrekking tot de fysieke leefomgeving (gedeeltelijk) wordt uitgerold.
Het omgevingsplan van de gemeente Hilversum bestond tot nu toe uit de geldende bestemmingsplannen samen met de zogeheten 'bruidsschat' (hoofdstuk 22 van het omgevingsplan die van rechtswege al is toegevoegd) en het hoofdstuk voor ontwikkelingen (hoofdstuk 6) die nog niet binnen de overige hoofdstukken vallen in te delen. De bruidsschat bestaat uit regels die we als gemeente van het rijk 'cadeau' hebben gekregen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze onderdelen van het 'tijdelijke' omgevingsplan moeten vóór 2032 worden verankerd in een definitieve structuur.
Met deze wijziging van het omgevingsplan zullen enkele tot nu toe blanco hoofdstukken worden gevuld met artikelen met regels. De aanleiding is divers en grotendeels beleidsneutraal (maar wel een verdere uiteenzetting van beleid dat eerder al eens is voorgelegd). Deze wijziging van het omgevingsplan is noodzakelijk vanwege drie beleidsonderdelen die sinds de invoering van de Omgevingswet met nieuwe regels (en bijbehorende dynamische verwijzingen naar beleidsregels) geregeld moeten worden in het Omgevingsplan:
bodemenergie
welstandsbeleid > uiterlijk van bouwwerken
klimaatadaptatie en hemelwaterberging
Bodemenergie:
Er zijn steeds meer initiatieven die gebruik maken van bodemenergie. Als gemeente zijn we bevoegd gezag voor het houden van toezicht op gesloten bodemenergiesystemen. Tevens hebben we als uitvloeisel van het Klimaatakkoord als gemeente de regie over de warmtetransitie. Bodemenergiesystemen kunnen elkaar ondergronds in de weg zitten. Voor Hilversum is onderzocht in welke gebieden schaarste in de ondergrondse ruimte een probleem wordt, wanneer er niet gestuurd wordt op doelmatig gebruik van de bodem. Zo kan een klein bestaand systeem voor één woning een groot systeem voor honderden woningen duurder maken of zelfs helemaal blokkeren. Daarom is het belangrijk hierop te sturen. Dit ruimteprobleem kan optreden in het zogenaamde ‘Interferentiegebied’. Voor dit ‘Interferentiegebied’ is het noodzakelijk om te sturen op de meest doelmatige benutting van de ondergrondse ruimte. Dit wordt momenteel beschermd via de voorbeschermingsregels. Deze voorbeschermingsregels zijn door uw raad al eens vastgesteld met het oog op een wijziging van het omgevingsplan.
Om te voorkomen dat er nieuwe bodemenergiesystemen worden gerealiseerd die belemmeringen opwerpen voor grotere systemen, wordt dus middels deze wijziging omgevingsplan (WOP) geregeld dat de (tijdelijke) voorbeschermingsregels opvolging vinden in een permanent vergunningstelsel. Toetsing of een vergunning kan worden verleend vindt onder andere plaats aan de hand van de beleidsregels Bodemenergieplan Hilversum.
Naast gesloten bodemenergiesystemen bestaan er ook open bodemenergiesystemen. Hiervoor ligt het toezicht bij de provincie Noord Holland. Met de provincie zijn afspraken gemaakt om te zorgen dat de gemeentelijke belangen worden gewaarborgd. De open bodemenergiesystemen zijn daarom geen onderdeel van deze omgevingsplanwijziging.
Uiterlijk van bouwwerken:
Toetsing aan het welstandsbeleid is na de inwerkingtreding van de Omgevingswet opgenomen (als repressieve welstand) in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan (tot dit besluit opgenomen in artikel 22.7). Dit betreft echter de Welstandsnota zoals deze gold ten tijde van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Dit is een statische verwijzing naar repressief welstandsbeleid. Inmiddels is het wenselijk om dit welstandsbeleid te wijzigen. Dit betekent dat er ook een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk is. Op deze manier kan bij de verplichting tot toekomstige beoordeling over het uiterlijk van bouwwerken ook (dynamisch) worden verwezen naar beleidsregels met betrekking tot het uiterlijk van bouwwerken (cf. art. 4.19 Omgevingswet).
Klimaatadaptatie en Hemelwaterberging bij nieuwbouw- en verbouw:
Hilversum wil als algemene regel bij de activiteit bouwen kunnen stellen dat er voldoende rekening gehouden moet worden met het veranderende klimaat en daarbij het voorkomen van (grond)wateroverlast en het bergen, tijdelijk vast houden en vertraagd afvoeren van hemelwater. De kaders hiervoor zijn opgenomen in het Watermanagementplan en zijn rechtsopvolgers. Deze dynamische verwijzing is ook al opgenomen in enkele eerdere bestemmingsplannen van de gemeente Hilversum, maar het is wenselijk om deze regel uit te rollen voor heel Hilversum op het moment dat getoetst moet worden voor een vergunning voor de activiteit bouwen en verbouwen.
De wijziging van het omgevingsplan met betrekking tot bodemenergie betreft interferentiegebieden. Deze worden door de regels extra beschermd. De regels met betrekking tot het uiterlijk van bouwwerken en regels met betrekking tot klimaatadaptatie en hemelwaterafvoer betreffen het gehele ambtsgebied van de gemeente.
In de huidige situatie geldt het voorbereidingsbesluit met de voorbeschermingsregels voor het interferentiegebied voor bodemenergie. Voordat dit voorbereidingsbesluit was genomen was bescherming tegen interferentie in Hilversum niet mogelijk.
Met betrekking tot regels over het uiterlijk van bouwwerken gelden momenteel de regels voor welstand zoals die ten tijde van de inwerkingtreding van de Omgevingswet golden. Als deze welstandsregels veranderen, dan kan deze verandering alleen worden betrokken via een wijziging van het omgevingsplan.
Met betrekking tot regels over klimaatadaptatie en de omgang met schoon- en vuilwater gelden de regels zoals deze zijn opgenomen in het watermanagementplan en zijn geborgd in enkele individuele bestemmingsplannen. Om deze regels gemeentebreed uit te rollen kan deze verandering alleen worden betrokken via een wijziging van het omgevingsplan in combinatie met het watermanagementplan en zijn rechtsopvolgers.
De WOP is aangekondigd als toekomstige wijziging, en is vervolgens in een inspraakronde voorgelegd aan burgers. Daarna is het WOP als ontwerp besluit ter inzage gelegd voor zienswijzen. Deze zienswijzen worden vervolgens betrokken bij de uiteindelijke besluitvorming bij de vaststelling door de gemeenteraad.
Na vaststelling door de gemeenteraad is er een beroepsmogelijkheid bij de Raad van State. Na 4 weken na de bekendmaking van het vaststellingsbesluit treedt de WOP in werking.
Op grond van artikel 20.26 lid 2 Omgevingswet worden besluiten en andere rechtsfiguren op grond van die wet die bij ministeriële regeling zijn aangeduid als omgevingsdocument, ontsloten via DSO-LV. De bedoelde ministeriële regeling is de Regeling standaarden publicaties Omgevingswet . Deze regeling wijst besluiten en andere rechtsfiguren aan als omgevingsdocument en stelt het verplicht om die omgevingsdocumenten elektronisch vorm te geven conform de Standaard voor Officiële Publicaties, het Informatie Model Omgevingswet en het voor het betreffende omgevingsdocument voorgeschreven toepassingsprofiel. De Standaard voor Officiële Publicaties (verder: STOP) beschrijft hoe officiële publicaties moeten worden opgesteld en aangeleverd om te kunnen worden bekendgemaakt of gepubliceerd en om te kunnen worden geconsolideerd. STOP gaat daarbij niet over de inhoud van officiële bekendmakingen, maar beschrijft wel de mechanismen en bouwstenen om die inhoud digitaal vast te leggen.
Per domein kan een specificatie van STOP gemaakt worden. Voor het domein van de Omgevingswet is die specificatie gegeven in het ToepassingsProfiel voor OmgevingsDocumenten (TPOD). Daarbij behoort het InformatieModel Omgevingswet (verder: IMOW). IMOW is het logische model dat is toegespitst op de keten ‘Van plan tot publicatie’. IMOW bepaalt hoe omgevingsdocumenten aan DSO-LV moeten worden aangeleverd. IMOW omvat implementatierichtlijnen en implementatie-afspraken voor de omgevingsdocumenten. IMOW is bedoeld voor bouwers van plansoftware en voor technisch ingestelde medewerkers van bevoegde gezagen en adviesbureaus.
Naast IMOW is er, als serviceproduct, het Conceptueel InformatieModel Omgevingswet (verder: CIMOW). CIMOW is het informatiemodel voor informatie-uitwisseling binnen DSO-LV. CIMOW is bedoeld voor de DSO-keten. Per omgevingsdocument is in een Toepassingsprofiel beschreven op welke wijze STOP en IMOW moeten worden toegepast. Een Toepassingsprofiel is een nadere invulling c.q. beperking van STOP en bevat domein- en omgevingsdocument-specifieke afspraken. De toepassingsprofielen geven de informatiekundige specificaties conform STOP en IMOW voor de (inhoudelijke) onderwerpen, de regels en richtlijnen die gelden voor het betreffende omgevingsdocument. Het is in feite de schakel tussen de juridisch(-inhoudelijke) bepalingen in de Omgevingswet en de technische specificaties voor het opstellen van de afzonderlijke omgevingsdocumenten en de data die daarin wordt vastgelegd en het ontwikkelen van software daarvoor. Het TPOD is primair bedoeld voor beleidsmedewerkers en juristen van de bevoegde gezagen, die de omgevingsdocumenten volgens de standaard inhoud en vorm zullen geven.
De STOP/TPOD-standaard legt vast hoe tekst moet worden ingedeeld en geannoteerd, hoe tekst aan locaties moet worden gekoppeld, welke waarde lijsten van toepassing zijn en hoe het resultaat vervolgens uitgewisseld moet worden. Het is aan de bevoegde gezagen om de inhoud te bepalen.
Het Omgevingsplan moet leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) (art. 4.2 lid 1 Ow).
Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Ow. Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende:
Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur.
Het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Deze doelen zijn algemeen geformuleerd. Per stad of regio moet worden beoordeeld op welke manier de doelen van de wet kunnen worden vertaald naar een concrete regeling, zo ook voor Hilversum. In de voorliggende motivering is een verantwoording gegeven, waaruit blijkt dat er met de WOP sprake is van een ETFAL.
De energietransitie vraagt meer ruimte in de fysieke leefomgeving, terwijl die ruimte beperkt is. Het Programma Energiehoofdstructuur (PEH, maart 2024) richt zich op de benodigde ruimte voor de nationale onderdelen van het energiesysteem op land voor een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. De verduurzaming van het energiesysteem leidt tot veranderingen in het ruimtebeslag voor opwekking, transport, conversie en opslag van energie. We gaan van een centraal systeem, in hoofdzaak op fossiele bronnen gebaseerd, naar een meer decentraal energiesysteem gebaseerd op hernieuwbare bronnen. Om een duurzaam energiesysteem
mogelijk te maken, is er meer regie en richting nodig voor de ruimtelijke inrichting van dit energiesysteem.
De ambitie van het PEH is dat er tijdig voldoende ruimte is voor de nationale energiehoofdstructuur. Deze infrastructuur is noodzakelijk voor het realiseren van andere ambities en opgaven in de leefomgeving. Een goede inrichting van het energiesysteem kan alleen op basis van een integrale afweging met andere opgaven en belangen, binnen een (inter)nationale context. Een goede leefomgevingskwaliteit is een randvoorwaarde. Het kabinet werkt samen met decentrale overheden en diverse belanghebbenden via verschillende sporen aan een klimaatneutraal Nederland in 2050. Vanuit de plicht om bij te dragen aan de mondiale klimaatopgave, zet het kabinet in op een versnelde afname van de uitstoot van broeikasgassen. Door te programmeren op 60% reductie ten opzichte van 1990 wordt de doelstelling van 55% reductie in 2030 met grote waarschijnlijkheid gehaald. De tijdshorizon van het PEH is gericht op een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. We starten nu met anticiperen op de ruimtebehoefte die hiermee gepaard gaat.
Het PEH is een thematische uitwerking van het beleid in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) voor de ruimtelijke inrichting van de energiehoofdstructuur. Het programma heeft betrekking op ruimtelijk beleid op land en de grote wateren en hanteert als tijdshorizon 2030-2050. Het gaat dus over het gehele Nederlandse grondoppervlak, uitgezonderd de Noordzee. Het PEH is de opvolger van de Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035, de Structuurvisie Windenergie op Land en
het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening.
Nieuwe technologische ontwikkelingen, beleidskeuzes in Europa, nieuw onderzoek en geopolitieke ontwikkelingen veranderen het energiesysteem en versnellen de energietransitie. Dit maakt dat het PEH geen blauwdruk kan zijn voor hoe de energiehoofdstructuur er in 2050 uitziet. Dit ‘eerste’ PEH bevat ruimtelijk beleid voor keuzes die in de meeste huidige scenario’s voor het energiesysteem nodig zijn. De komende periode start het kabinet een maatschappelijke dialoog om via het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) scherpere keuzes te maken voor het energiesysteem van de toekomst. Deze gaan onder andere over de aard (welke energiebronnen), de omvang (hoeveel elektronen en moleculen) en de tijd (op welk moment) welke energie beschikbaar zal moeten zijn. Dit zal de scenario’s verder inkaderen en heeft impact op de daarvoor benodigde infrastructuur richting 2050. In de volgende actualisatie van het PEH zullen nieuwe beleidskeuzes die uit het NPE voortkomen en ander voortschrijdend inzicht weer worden verwerkt.
Het Nationaal plan energiesysteem (NPE) van 1 december 2023, biedt een duidelijke ontwikkelrichting voor het energiesysteem tot 2050. Met het NPE maakt het kabinet richtinggevende keuzes die de basis leggen voor de ontwikkeling van dit energiesysteem. Door duidelijkheid over de richting te geven, biedt het NPE belanghebbenden handelingsperspectief over wat er op hen af komt en van hen verwacht wordt bij de uitvoering en realisatie van het veranderende energiesysteem. Op die manier biedt het rijk zoveel mogelijk zekerheid en maakt het zo goed mogelijk gebruik van schaarse duurzame energie, arbeidscapaciteit en fysieke ruimte.
Met de opbouw van het nieuwe energiesysteem staan we pas aan het begin. De uitstoot van broeikasgassen is de afgelopen jaren al flink gedaald, maar het overgrote deel van onze energie komt nog uit fossiele bronnen en maatschappelijke patronen van energieverbruik zijn nog grotendeels gelijk. Door komende jaren te versnellen met de opbouw van de energieketens van het nieuwe systeem leggen we de basis voor een toekomstbestendige economie en samenleving en kunnen
we tijdig inspelen op de nieuwe mogelijkheden die dit nieuwe systeem biedt. De opbouw van het toekomstige energiesysteem moet hand in hand gaan met de afbouw of ombouw van het oude systeem. Zonder voldoende snelle opbouw van het nieuwe systeem is het onverantwoord om afscheid te nemen van het oude systeem.
Het NPE is een plan met een duidelijke ontwikkelrichting maar er blijven ook grote onzekerheden. Om die reden actualiseert het kabinet het NPE elke 5 jaar op basis van nieuwe ontwikkelingen in het energiesysteem en samenleving.
Voor een bodemenergiesysteem gelden algemene rijksregels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Hoofdstuk 3 van het Bal bevat de aanwijzing van wat er onder de milieubelastende activiteit valt en wat vergunningplichtig is. Ook staat hier welke inhoudelijke regels gelden.
Uitleg bodemenergiesysteem
Een bodemenergiesysteem maakt voor de verwarming en koeling van gebouwen gebruik van de warmte en koude in de bodem. Er zijn open en gesloten bodemenergiesystemen. Bij open systemen is sprake van verplaatsing van grondwater. Bij gesloten systemen is dit niet het geval. Een gesloten bodemenergiesysteem geleidt circulatievloeistof in buizen door de bodem. Dit komt niet in direct contact met het grondwater.
Een bodemenergiesysteem wordt ook gebruikt voor het opslaan van warmte in de bodem, waaronder hoge temperatuur opslag. Bij hoge temperatuur opslag wordt tijdelijk warmte met een hogere temperatuur in de bodem opgeslagen. Hoge temperatuur opslag vindt alleen plaats voor verwarming. Bijvoorbeeld in de glastuinbouw en de teelt van vissen, waterplanten en schaal- en schelpdieren.
De milieubelastende activiteit bodemenergiesysteem staat in paragraaf 3.2.6 in combinatie met paragraaf 4.111 van het Bal. De activiteit kan schadelijk zijn voor het milieu. De nadelige gevolgen zijn vooral bodemaantasting, wijzigingen in grondwaterstand en grondwaterkwaliteit.
De milieubelastende activiteit bodemenergiesysteem is een bedrijfstakoverstijgende activiteit.
De activiteit bestaat uit het:
- aanleggen van een bodemenergiesysteem
- gebruiken van een bodemenergiesysteem
Onder deze milieubelastende activiteit valt ook het onderhouden en schoonspoelen van aangelegde systemen. Dit is inclusief het vooronderzoek. Een vooronderzoek bestaat uit boringen om te onderzoeken of de locatie geschikt is voor een bodemenergiesysteem.
De regels uit paragraaf 3.2.6 van het Bal gelden niet voor geothermie, warmtelozingen en stadsverwarming. Dit zijn geen bodemenergiesystemen.
Op 21 april 2021 is de Regionale Energie Strategie 1.0 (RES 1.0) voor Noord-Holland Zuid vastgelegd.
Noord-Holland Zuid is een van de dertig energieregio’s In het Klimaatakkoord uit 2019 is afgesproken dat dertig ‘energieregio’s’ in Nederland een Regionale Energiestrategie (RES) opstellen. De focus van de RES ligt op de opgaven van de sectortafels Gebouwde omgeving en Elektriciteit. Het doel is dat de energieregio’s in 2030 samen 35 terrawattuur (TWh) aan grootschalige hernieuwbare elektriciteit op land opwekken. Noord-Holland Zuid (NHZ) is een van die dertig energieregio’s. De regio Noord-Holland Zuid is onderverdeeld in zes deelregio’s: Amstelland, Amsterdam, Gooi en Vechtstreek, Haarlemmermeer, IJmond & Zuid-Kennemerland en Zaanstreek/Waterland.
De RES 1.0 gaat uit van bewezen technieken voor grootschalige opwek, te weten zonne- en windenergie. Dit betekent echter niet dat in de (nabije) toekomst geen ruimte is voor nieuwe manieren van opwek. Binnen de regio, in Nederland en in de rest van de wereld wordt veel onderzoek gedaan naar alternatieve manieren om energie op te wekken en op te slaan. Elke twee jaar wordt de RES geactualiseerd. Als er nieuwe technieken zijn die een serieuze bijdrage kunnen leveren aan de grootschalige opwekking, krijgen deze ook een plek in de RES. Nu al zijn er in de regio gebouwen die verwarmd worden met warmte uit het oppervlaktewater, en zijn gevels bekleed met zonnepanelen. In samenwerking met What Design Can Do (WDCD) en de Metropoolregio Amsterdam (MRA) wordt ruimte gecreëerd voor experimenten en innovatie.
De ambitie van Energieregio Noord-Holland-Zuid is om vast te houden aan het aanbod van 2,7 TWh opwek van hernieuwbare energie op land zoals deze is vastgelegd in de concept-RES. Dit is het startpunt en de rode draad in de strategie. Omdat de theoretische potentie binnen de zoekgebieden groter is (die telt op tot 3,0 TWh), geeft dit ruimte om in de verdere uitwerking van de plannen op zoek te gaan naar de optimale oplossing bezien vanuit draagvlak, ruimtelijke inpassing en netefficiëntie. De regio heeft tot nu toe vooral stappen gezet op het onderdeel duurzame opwek van elektriciteit met zonne- en windenergie. De warmteopgave is echter een even prominent en urgent onderdeel van de RES. Voor de RES 1.0 is op regionaal niveau alleen een procesdoel afgesproken over deze opgave, waarbij gemeenten al wel druk bezig zijn met hun Transitievisies Warmte. In wisselwerking daarmee wordt gezocht naar bovengemeentelijke bronnen in Noord-Holland Zuid die een effectieve en zo betaalbaar mogelijke bijdrage kunnen leveren aan de warmteambitie.
Daarnaast wordt verkend welke infrastructuur nodig is en hoe gemeenten effectief samen kunnen optrekken. Een vraag die bijvoorbeeld nog beantwoord moet worden is in hoeverre geothermie beschikbaar en toepasbaar is in de gebouwde omgeving. Het gebruik van aquathermie heeft potentie, maar ook dit vraagt nog om nader onderzoek voordat het grootschalig kan worden toegepast. Om die reden is gekozen voor het gezamenlijk opstellen van een werkagenda om ontwikkelingen en innovaties op de voet te volgen, toe te passen en aan te jagen.
Dit beleid is het vervolg op, en de uitbreiding van, het Bodemenergieplan Hilversum Centrum en Oost en bevat het totale bodemenergiebeleid voor de gemeente Hilversum. Het gaat om regels met betrekking tot de toegestane WKO-locaties, de diepte en grootte van bodemenergiesystemen en het behouden van ruimte voor toekomstige open systemen door rekening te houden met aantallen en capaciteit.
Het welstandsbeleid komt voort uit de Woningwet en is ingesteld op 'redelijke eisen van welstand' bij het toetsen van omgevingsvergunningen. De Omgevingswet spreekt niet langer van 'welstand' maar gaat uit van 'omgevingskwaliteit' en van beleidsregels over het 'uiterlijk en plaatsing van bouwwerken'. De gemeente Hilversum heeft nog geen bijgesteld beleid op het gebied van het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken, en dus gaan we nu nog uit van de bestaande Welstandsnota. Mocht in de toekomst iets worden gewijzigd in dit beleid, dan spreken we cf. art. 4.19 Omgevingswet van de beleidsregels 'Uiterlijk en plaatsing van bouwwerken'.
Redelijke eisen van welstand
In de welstandsnota staan beleidsregels die de gemeente toepast bij de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Deze regels betreffen het bouwwerk op zichzelf en in zijn omgeving.
In deze nota is dit vertaald in een nadruk op de beleving van de bebouwing vanuit de openbare ruimte en het landschap. Bouwdelen in het zicht zijn belangrijker voor het algemeen belang dan bouwdelen die aan het oog onttrokken zijn. De gemeente heeft in het welstandsbeleid met name het algemeen belang op het oog.
De gemeente hanteert beoordelingskaders, waarin deze aspecten zijn verwerkt in beschrijvingen en criteria. Daarbij wordt onder meer de invloed van een plan op het straatbeeld en op het aanzien van de gemeente als geheel gewogen. Voor een dakkapel aan de achterkant van een woningrij gelden heel andere criteria dan voor een ingrijpende verbouwing van een monumentale school of een nieuw te bouwen winkel in de binnenstad. Naarmate een plan meer invloed heeft op de identiteit van de gemeente, zullen er meer aspecten worden betrokken bij de beoordeling en zal er zorgvuldiger worden gewogen. Daarnaast moet worden bekeken of het een omgeving betreft, die vooral moet worden beheerd of een omgeving die aan verandering onderhevig is.
De nota bevat in beginsel drie soorten welstandscriteria: algemene criteria, gebiedscriteria en criteria voor bepaalde typen (kleine) objecten. Daarnaast zijn er aanvullende criteria voor excessen.
Gebieden
De gebieden vormen de kern van het welstandsbeleid. De gemeente is verdeeld in gebieden met een eigen identiteit, zoals driften, woonwijken en bedrijventerreinen. Van deze gebieden is het ruimtelijk en architectonisch beeld beschreven, gevolgd door een waardering en een verwachting van mogelijke veranderingen in het gebied. Deze bepalen de uitgangspunten voor de welstandstoets. De welstandscriteria zijn te zien als een uitwerking van de algemene criteria, die de voor een bouwplan gewenste eigenschappen beschrijven.
Objecten
Net als te onderscheiden gebieden zijn er voor elke gemeente ook kleine objecten, die zich lenen voor vereenvoudigde toetsing. Voorbeelden daarvan zijn uitbouwen aan en dakkapellen op een woning. Voor dit soort plannen zijn zo eenduidig en meetbaar mogelijke criteria opgenomen, die de planindiener vooraf een grote mate van duidelijkheid geven over de uitkomst van de toetsing
Als rechtsopvolger van het gemeentelijke Watermanagementplan stelt de gemeente een Riool- en waterprogramma op waarin de beheer-, onderhoud-, vervangings- en verbeteropgave wordt beschreven voor een veilig en gezond water- en rioolsysteem. De gemeentelijk watertaken zijn gericht op (de omgang met) vuilwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater. Aanpassing aan het veranderende klimaat is hier onderdeel van. In aanvulling op de bouwwetgeving zijn aanvullende normen opgenomen voor het lokaal opvangen en bergen van hemelwater en voor het verlagen van het risico op wateroverlast en waterschade als gevolg van grondwater en overstroming.
Bij de participatieronde over het concept van deze wijziging zijn geen reacties binnengekomen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-283982.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.