Gemeenteblad van Voorst
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Voorst | Gemeenteblad 2026, 283838 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Voorst | Gemeenteblad 2026, 283838 | beleidsregel |
Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en aanverwante regelingen gemeente Voorst 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst;
gelezen het voorstel van 26 mei 2026, nummer 921937;
gelet op de Participatiewet (PW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs), de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving, het Boetebesluit socialezekerheidswetten en de door de raad vastgestelde Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ gemeente Voorst 2024;
vast te stellen: de verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en aanverwante regelingen gemeente Voorst 2026.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Alle begrippen die in deze verzamelbeleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de PW, IOAW, IOAZ, het Bbz 2004, de Wgs, Awb, Gemeentewet en de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ gemeente Voorst 2024, tenzij daar uitdrukkelijk van wordt afgeweken.
Hoofdstuk 2 Re-integratie en uitstroombevordering
Artikel 2.1 Aanbieden van voorzieningen
Het college bepaalt individueel welke voorziening aan de belanghebbende wordt aangeboden. De keuze voor de aan te bieden voorziening past in ieder geval binnen de wettelijke kaders en daarbij zijn de uitgangspunten en bepalingen uit de verordening leidend.
Artikel 2.1.3 Beëindiging persoonlijke ondersteuning en overige voorzieningen bij verhuizing
In afwijking van het eerste lid kan de voorziening met ingang van een later tijdstip worden beëindigd indien dat noodzakelijk is vanwege de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende uit de doelgroep of gelet op de aard van de toegekende voorziening. Dit wordt door het college individueel beoordeeld.
De vergoeding voor reiskosten bij een reisafstand van tien kilometer of meer wordt per kilometer vastgesteld overeenkomstig het door de Belastingdienst gehanteerde bedrag voor de maximale onbelaste reiskostenvergoeding. Het totaal aantal kilometers dat voor vergoeding in aanmerking komt wordt vastgesteld door het aantal kilometers van de reisafstand te vermenigvuldigen met twee en de uitkomst naar boven af te ronden op gehele kilometers.
Paragraaf 2 Zelfstandigen op bescheiden schaal
Artikel 2.2 Aanvullende begripsbepalingen
In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van deze verzamelbeleidsregels wordt in deze paragraaf verstaan onder:
De zelfstandige informeert het college over de omvang van de activiteiten, waaronder in ieder geval begrepen het maandelijks inleveren van een urenadministratie met inkomensoverzicht en het voor 1 juli na afloop van het boekjaar inleveren van de bedrijfsadministratie die aan de eisen van de Belastingdienst voldoet en de kopie van de belastingaangifte en -aanslag;
Artikel 2.5 Kosten en inkomsten
Het belastbaar inkomen wordt zoveel als mogelijk maandelijks verrekend met de uitkering op basis van de inkomstenopgave, waarbij de inkomstenbelasting eerst in mindering wordt gebracht op het belastbaar inkomen en de wettelijke inkomstenvrijlating voor parttime inkomsten waar mogelijk wordt toegepast.
Hoofdstuk 3 Bijstandsverlening
Artikel 3.1 Aanvullende begripsbepalingen
In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van deze verzamelbeleidsregels wordt in deze paragraaf verstaan onder:
Artikel 3.2 Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet, wanneer sprake is van ten minste een van de volgende omstandigheden:
Paragraaf 2 Commerciële kostendeling
Van een commerciële prijs is sprake indien de woonlasten ten minste gelijk zijn aan de basishuur. Woonlasten die lager zijn dan de basishuur kunnen als een commerciële prijs worden aangemerkt wanneer uit de beoordeling in ieder geval blijkt dat de woonlasten gebruikelijk zijn voor de ruimte die gehuurd wordt en de aanwezigheid van een zakelijke relatie tussen huurder en verhuurder door de belanghebbende aangetoond is.
Paragraaf 3 Verlaging bijstand
Artikel 3.6 Verlaging bijstandsnorm bij geen of lage woonlasten
Wanneer de belanghebbende lagere algemene bestaanskosten heeft doordat hij geen of lage woonlasten heeft, kan de bijstandsnorm worden verlaagd. Bij die beoordeling is het verschil tussen de basishuur en de feitelijke woonlasten een belangrijke factor om de hoogte van de verlaging te bepalen. De verlaging bedraagt in ieder geval niet meer dan 15% van de gehuwdennorm.
Paragraaf 4 Vrijlatingen bij vermogen
Artikel 3.9 Vrijlating bezit voertuig
Voor de vaststelling van de waarde van auto’s, motoren en caravans wordt in beginsel uitgegaan van de ANWB-koerslijst (verkoopprijzen).
Bij het vaststellen van het vermogen wordt de waarde van één voertuig dat op naam van de belanghebbende is geregistreerd in ieder geval vrijgelaten indien:
Artikel 3.10 Vrijlaten van giften in individuele gevallen
Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de PW, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:
Artikel 3.15 Aflossingsvoorwaarden hypotheek
Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van twee jaar vastgesteld, tenzij de aflossing voldoende is om de geldlening binnen de periode van tien jaar af te lossen. De aflossing wordt als regel bepaald op 60% van het verschil tussen het inkomen en de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
Indien door toepassing van artikel 3.15, vierde tot en met het zesde lid, van deze verzamelbeleidsregels na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, is de belanghebbende vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, maar niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
Artikel 3.17 Aflossing hypotheek bij vererving en verkoop woning
Bij verkoop of bij vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, evenals de op grond van artikel 3.16, derde en vierde lid, van deze verzamelbeleidsregels bijgeschreven rente, direct afgelost.
Bij verkoop van de woning wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van belanghebbende kan het college, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening, eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning binnen de gemeente, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder d, van de PW volledig inzet voor de aankoop van de andere woning.
Artikel 3.18 Toepassing laatst gevestigde hypotheek bij niet-duurzame onderbreking bijstandsverlening
Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstand onder verband van hypotheek wederom recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek.
Hoofdstuk 4 Schuldhulpverlening
Artikel 4.1 Aanvullende begripsbepalingen
In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van deze verzamelbeleidsregels wordt in dit hoofdstuk verstaan onder:
schuldhulpverlening: het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg;
Artikel 4.4 Weigeren en beëindigen
De toegang tot de integrale schuldhulpverlening kan tevens worden geweigerd of beëindigd indien de integrale schuldhulpverlening door het college niet (langer) noodzakelijk of passend wordt geacht, dan wel één van de factoren van artikel 4.3, tweede lid een belemmerende rol voor de schudhulpverlening spelen.
Hoofdstuk 5 Herziening, terugvordering, invordering en verhaal
Paragraaf 1 Herziening en terugvordering
Artikel 5.1 Aanvullende begripsbepalingen
In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van deze verzamelbeleidsregels wordt in dit hoofdstuk verstaan onder:
Artikel 5.2 Gebruikmaken van de wettelijke bevoegdheid
Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot:
Artikel 5.3 Uitgangspunten terugvordering
Algemeen uitgangspunt is dat teveel of ten onrechte verstrekte uitkering wordt teruggevorderd en de belanghebbende de vordering volledig dient terug te betalen. Dit geldt ook voor bijstand die verleend is als bedrijfskapitaal. De eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende staat hierbij voorop.
Artikel 5.4 Afzien van terugvordering (kruimelbedragen)
Terugvordering blijft achterwege indien de hoogte van de te veel of ten onrechte verleende uitkering niet meer bedraagt dan € 100, tenzij:
Artikel 5.6 Wijze van invordering
Onverminderd het bepaalde in artikel 60, vierde lid, van de PW en artikel 28, tweede lid, van de IOAW/IOAZ en met voorbijgaan aan de in het eerste lid genoemde betalingstermijn, gaat het college indien mogelijk over tot onmiddellijke verrekening met de uitkering als bedoeld in artikel 60, derde lid van de PW en artikel 28, derde lid, van de IOAW en IOAZ;
Artikel 5.7 Ambtshalve afzien van (verdere) invordering na het voldoen van de betalingsverplichting
Het college besluit ambtshalve om geheel of gedeeltelijk van (verdere) invordering af te zien indien de belanghebbende:
Artikel 5.9 Mogelijkheden en voorwaarden tot kwijtschelding bij schuldenproblematiek
Artikel 5.10 Geen mogelijkheden tot buiten invordering stelling en kwijtschelding
Het buiten invordering stellen of kwijtschelden van een vordering zoals bedoeld in de artikelen 5.7 tot en met 5.9 is in beginsel niet mogelijk indien:
de terugvordering van de uitkering het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende, tenzij voldaan is aan een van de criteria genoemd in artikel 58, zevende lid, van de PW of artikel 25, zevende lid, van de IOAW en IOAZ in samenhang met artikel 5.7 tot en met 5.8 van deze verzamelbeleidsregels;
Artikel 5.11 Aanvullende begripsbepalingen
In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van deze verzamelbeleidsregels wordt in deze paragraaf verstaan onder:
Artikel 5.12 Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid
Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van kosten van bijstand als bedoeld in paragraaf 6.5 van de PW.
Artikel 5.13 Ambtshalve afzien van verhaal
de kosten van bijstand zijn gemaakt meer dan vijf jaar voor de datum van het besluit tot verhaal, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 62f, onder b, ten tweede, van de PW en dus sprake is van verhaal op de nalatenschap van de persoon aan wie bijstand is verleend in de vorm van een geldlening of als gevolg van borgtocht.
Hoofdstuk 6 Bestuurlijke boete
Artikel 6.1 Beoordeling bestuurlijke boete
Bij de beoordeling van een bestuurlijke boete zijn de bepalingen van de PW, IOAW en IOAZ en het Boetebesluit sociale zekerheidswetten leidend.
Artikel 7.1 Onvoorziene omstandigheden
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien het toepassen van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Daarnaast beslist het college in situaties waarin deze beleidsregels niet voorzien.
Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst op 26 mei 2026.
Lisette Wolbers-Cents, secretaris
Paula Jorritsma-Verkade, burgemeester
Toelichting verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en aanverwante regelingen gemeente Voorst 2026
Deze verzamelbeleidsregels bevatten in hoofdzaak een uitwerking van de van toepassing zijnde wetgeving en de daaraan ten grondslag liggende verzamelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Voorst 2024.
Omschreven is op welke wijze het college uitvoering geeft aan de wettelijke beoordelingsruimte.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Dit artikel bevat de begripsbepalingen die gelden voor de gehele verzamelbeleidsregels. Begrippen die niet nader zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in de van toepassing zijnde wetgeving en de verordening. Begripsbepalingen die alleen relevant zijn voor een specifiek hoofdstuk of paragraaf zijn uitsluitend daar opgenomen.
Voor aanvragen en verzoeken geldt als eis dat deze schriftelijk worden ingediend, tenzij anders is aangegeven. Dit kan ook digitaal.
Hoofdstuk 2 Re-integratie en uitstroombevordering
Artikel 2.1 Aanbieden van voorzieningen
Het college bepaalt per geval welke voorziening wordt aangeboden, binnen de wettelijke kaders en de uitgangspunten van de verordening.
Artikel 2.1.1 Subsidie voor interne werkbegeleiding
Dit artikel regelt de subsidie aan werkgevers voor interne werkbegeleiding. De subsidie compenseert het urenverlies van de werkbegeleider en kan op aanvraag of ambtshalve worden verleend. Voorwaarden zijn onder meer een passende training, werkervaring en voldoende vrijstelling van reguliere taken. De maximale duur is zes maanden, met mogelijkheid tot verlenging op individuele gronden. Het maximumbedrag bedraagt 50% van de subsidie voor een interne jobcoach en wordt periodiek herijkt. De subsidie wordt niet verleend als loonkostensubsidie al in de begeleidingskosten voorziet.
Artikel 2.1.2 Subsidie voor training interne werkbegeleiding
Het college kan een subsidie verlenen voor de kosten van een Harrie Helpt-training of vergelijkbare opleiding, zodat medewerkers interne werkbegeleiding kunnen bieden. Voorwaarde is een bestaand of concreet voorgenomen dienstverband met iemand uit de doelgroep. De subsidie wordt in beginsel eenmaal per werkgever verleend.
Artikel 2.1.3 Beëindiging bij verhuizing
Een voorziening voor persoonlijke ondersteuning eindigt op de dag dat de belanghebbende niet meer woonachtig is in de gemeente. In bijzondere gevallen kan het college een later beëindigingstijdstip vaststellen.
Inwoners met een PW-, IOAW- of IOAZ-uitkering die een re-integratietraject volgen en statushouders met inburgeringsplicht kunnen reiskosten vergoed krijgen. Vergoeding geldt bij een enkele reisafstand van tien kilometer of meer, vastgesteld via Google Maps. De vergoeding per kilometer sluit aan bij het door de Belastingdienst gehanteerde maximale onbelaste bedrag. Bij aanwezigheid van een passende voorliggende voorziening bestaat geen recht op vergoeding. Uitbetaling vindt maandelijks plaats.
Paragraaf 2 Zelfstandigen op bescheiden schaal
Artikel 2.2 Aanvullende begripsbepalingen
Dit artikel bevat aanvullende definities die specifiek gelden voor de paragraaf over zelfstandigen op bescheiden schaal.
Tot de doelgroep behoren zelfstandigen die voor eigen rekening en risico productieve activiteiten uitvoeren die een bescheiden inkomen opleveren, maar geen recht geven op de zelfstandigenaftrek, en die voldoen aan de wettelijke vereisten voor hun activiteiten.
Toestemming om met behoud van uitkering als zelfstandige op bescheiden schaal te werken wordt per twaalf maanden verleend en kan worden ingetrokken of niet verlengd als niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan. De zelfstandige is verplicht maandelijks een urenadministratie met inkomensoverzicht in te leveren en jaarlijks de volledige bedrijfsadministratie inclusief belastingaangifte. Alle afspraken worden vastgelegd in een plan van aanpak.
Artikel 2.5 Kosten en inkomsten
De zelfstandige hanteert marktconforme tarieven. Kosten die verband houden met schulden, investeringen of die niet passen bij het bescheiden karakter van de activiteiten worden niet in mindering gebracht op de omzet. Het belastbaar inkomen wordt maandelijks voorlopig verrekend met de uitkering, waarbij inkomstenbelasting en de wettelijke inkomstenvrijlating worden toegepast. Na afloop van het boekjaar vindt definitieve vaststelling en verrekening plaats op basis van de bedrijfsadministratie en belastingaangifte.
Hoofdstuk 3 Bijstandsverlening
Artikel 3.1 Aanvullende begripsbepalingen
Dit artikel bevat aanvullende definities die specifiek gelden voor hoofdstuk 3. Begrippen die alleen relevant zijn voor een bepaalde paragraaf zijn uitsluitend daar opgenomen.
Artikel 3.2 Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Voor jongeren van 18 tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken voordat zij een bijstandsaanvraag kunnen indienen. Het college heeft de bevoegdheid een aanvraag eerder in behandeling te nemen wanneer de individuele situatie daartoe aanleiding geeft. Dit artikel bepaalt in welke gevallen het college daar in ieder geval gebruik van maakt, zoals bij verblijf in een inrichting, een jeugdzorgverleden, een kinderbeschermingsmaatregel, een zorgbehoefte, een afwijkende BRP-inschrijving, eerder ontvangen bijstand of (dreigende) probleemschulden.
Artikel 3.3 Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure
Bij een nieuwe aanvraag binnen zes maanden na beëindiging van de vorige bijstand kan het college eerder verstrekte gegevens hergebruiken, mits dit de aanvraag verlicht en de bijstand is beëindigd wegens werkaanvaarding, een uitsluitingsgrond of verblijf buiten de gemeente. Het college controleert vooraf altijd wijzigingen in hoofdverblijf, gezinssituatie en inkomen en vermogen. De regeling geldt ook voor de IOAW.
Artikel 3.4 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
Bijstand wordt in beginsel toegekend vanaf de meldingsdatum. In dit artikel is vastgelegd in welke gevallen het college van oordeel is dat toekenning met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is: enerzijds als de belanghebbende zich redelijkerwijs niet eerder kon of hoefde te melden, anderzijds als het uitblijven van bijstand vóór de melddatum ernstige gevolgen heeft. De maximale terugwerkende kracht bedraagt drie maanden. De regeling geldt ook voor de IOAW.
Paragraaf 2 Commerciële kostendeling
Van een commerciële prijs is sprake als de woonlasten minimaal gelijk zijn aan de basishuur. Bij lagere woonlasten kan toch sprake zijn van een commerciële prijs als de huur gebruikelijk is voor de gehuurde ruimte en een zakelijke relatie is aangetoond. Voor kostgangers geldt een drempel van 40% van de gehuwdennorm.
Paragraaf 3 Verlaging bijstand
Artikel 3.6 Verlaging bijstandsnorm bij geen of lage woonlasten
Als een belanghebbende geen of lage woonlasten heeft, kan de bijstandsnorm worden verlaagd. Het verschil tussen de basishuur en de feitelijke woonlasten is daarbij bepalend. De verlaging bedraagt maximaal 15% van de gehuwdennorm.
Artikel 3.7 Verlaging bijstandsnorm schoolverlaters
Een schoolverlater die bijstand aanvraagt kort na het beëindigen van de studie heeft doorgaans lagere bestaanskosten dan iemand die al langer zelfstandig woont. De norm kan daarom worden verlaagd met 10% van de gehuwdennorm, voor maximaal zes maanden. De verlaging mag niet leiden tot financiële problemen en blijft achterwege als de kostendelersnorm van toepassing is.
Artikel 3.8 Herziening verlaging bij maatregel (inkeerregeling)
Een opgelegde maatregel wegens het niet nakomen van arbeidsverplichtingen kan op verzoek worden herzien als de belanghebbende aantoonbaar gedragsverandering laat zien én voortzetting van de maatregel leidt tot huisuitzetting of onaanvaardbare gevolgen voor minderjarige kinderen. Herziening is niet mogelijk binnen een maand na de ingangsdatum en niet eerder dan de ontvangstdatum van het verzoek. Bij het niet aanvaarden of behouden van arbeid vindt geen herziening plaats.
Paragraaf 4 Vrijlatingen bij vermogen
Artikel 3.9 Vrijlating bezit voertuig
Bij de vermogensvaststelling wordt de waarde van één voertuig vrijgelaten tot € 2.500, vastgesteld op basis van de ANWB-koerslijst. Voertuigen die aantoonbaar om medische redenen zijn aangepast worden volledig vrijgelaten.
Artikel 3.10 Vrijlaten van giften in individuele gevallen
Giften zijn in beginsel inkomen. Op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de PW kan het college giften vrijlaten als dat in het individuele geval verantwoord is. Dit artikel bepaalt welke categorieën giften het college in ieder geval als verantwoord beschouwt: giften voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand was verleend, giften voor medisch noodzakelijke kosten, giften waarmee probleemschulden van vóór de bijstandsperiode zijn afgelost, en giften in natura met een beperkte waarde.
Artikel 3.11 Aanvullende begripsbepalingen
Dit artikel bevat definities die specifiek gelden voor de paragraaf over de krediethypotheek. De regels over hypotheekvestiging worden op vergelijkbare wijze toegepast bij een pandrecht op niet-registergoederen zoals woonwagens en woonschepen.
Artikel 3.12 Vestiging krediethypotheek
Als een eigenaar-bewoner bijstand aanvraagt en het vermogen gebonden aan de woning de vrijlatingsgrens overschrijdt, wordt bijstand verleend in de vorm van een geldlening. De belanghebbende is verplicht mee te werken aan de vestiging van een krediethypotheek.
Artikel 3.13 Hoogte hypotheek, taxatie woning en vestigingskosten
De hoogte van de geldlening is gelijk aan de waarde van de woning in het economisch verkeer, verminderd met de op de woning drukkende schulden en het vrij te laten vermogen. Als uitgangspunt geldt de WOZ-waarde. Op verzoek van de belanghebbende kan een recente taxatie worden gebruikt als de WOZ-waarde de werkelijke waarde niet goed weergeeft en bezwaar is aangetekend. De kosten voor taxatie en hypotheekvestiging komen ten laste van de belanghebbende; hiervoor kan bijzondere bijstand worden verleend.
Artikel 3.14 Opname voorwaarden hypotheekakte
De aan de geldlening verbonden voorwaarden worden samen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte.
Artikel 3.15 Aflossingsvoorwaarden hypotheek
De aflossing vindt plaats over maximaal tien jaar, te beginnen bij beëindiging van de bijstandsverlening. Het maandbedrag wordt telkens voor twee jaar vastgesteld op 60% van het verschil tussen inkomen en bijstandsnorm. Bij een inkomen op bijstandsniveau wordt geen aflossing gevergd. Verwijtbare nalatigheid maakt het nog niet afgeloste deel direct opeisbaar, vermeerderd met wettelijke rente.
Na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar is rente verschuldigd over het resterende deel van de geldlening, vastgesteld op driekwart van de wettelijke rente. Als de belanghebbende de rente niet of niet volledig kan betalen, wordt deze bijgeschreven bij de hoofdsom. Over bijgeschreven rente is geen rente verschuldigd.
Artikel 3.17 Aflossing hypotheek bij vererving en verkoop woning
Bij verkoop of vererving wordt de geldlening inclusief bijgeschreven rente direct afgelost. Bij verkoop wegens medische of sociale omstandigheden kan het college een nieuwe geldlening verstrekken voor een vervangende woning binnen de gemeente, mits de volledige verkoopopbrengst wordt ingezet. Als de verkoopopbrengst ontoereikend is, wordt het restant kwijtgescholden.
Artikel 3.18 Toepassing laatst gevestigde hypotheek bij niet-duurzame onderbreking
Als binnen twee jaar na beëindiging van bijstand opnieuw recht op bijstand ontstaat, wordt de eerder gevestigde hypotheek toegepast zonder nieuwe vestigingsprocedure.
Artikel 3.19 Jaarlijkse opgave restantschuld en rentevorderingen
Na afloop van elk kalenderjaar ontvangt de belanghebbende een overzicht van de stand van de geldlening en de rentevorderingen.
Hoofdstuk 4 Schuldhulpverlening
Artikel 4.1 Aanvullende begripsbepalingen
Dit artikel bevat aanvullende definities die specifiek gelden voor het hoofdstuk schuldhulpverlening.
Artikel 4.2 Doelgroep en toegang
Schuldhulpverlening staat open voor alle inwoners van 18 jaar en ouder, inclusief vreemdelingen met rechtmatig verblijf. Het college beoordeelt per geval of schuldhulpverlening noodzakelijk is. Ex-zelfstandigen krijgen toegang zodra het bedrijf volledig is beëindigd, de schuldenpositie helder is en de administratie op orde.
Artikel 4.3 Vorm van ondersteuning
De schuldhulpverlening is maatwerk. Of en in welke vorm ondersteuning wordt geboden hangt af van factoren als de aard en omvang van de schulden, de financiële situatie, de achterliggende problematiek, eerder gebruik van schuldhulpverlening en de behoeften en vaardigheden van de verzoeker.
Artikel 4.4 Weigeren en beëindigen
De toegang tot integrale schuldhulpverlening kan worden geweigerd of beëindigd als de verzoeker niet tot de doelgroep behoort, zijn verplichtingen niet nakomt, onjuiste gegevens heeft verstrekt, zich misdraagt, zelf verzoekt om beëindiging, of als het traject is afgerond. Ook fraude als weigeringsgrond is expliciet opgenomen. Alvorens te besluiten tot weigering of beëindiging krijgt de verzoeker een hersteltermijn.
Artikel 4.5 Herhaalde aanvraag
Bij driemaal beëindiging binnen twee jaar kan de toegang tot schuldhulpverlening voor maximaal 24 maanden worden geweigerd. Voor gezinnen met minderjarige kinderen geldt een uitzondering als de oorzaak van de eerdere beëindiging is weggenomen.
Hoofdstuk 5 Herziening, terugvordering, invordering en verhaal
Paragraaf 1 Herziening en terugvordering
Artikel 5.1 Aanvullende begripsbepalingen
Dit artikel bevat aanvullende definities die specifiek gelden voor hoofdstuk 5.
Artikel 5.2 Gebruikmaken van de wettelijke bevoegdheid
Het college maakt gebruik van zijn wettelijke bevoegdheden tot herziening, intrekking en terugvordering van uitkeringen op grond van de PW, IOAW, IOAZ en het Bbz 2004.
Artikel 5.3 Uitgangspunten terugvordering
Te veel of ten onrechte verstrekte uitkering wordt volledig teruggevorderd. De eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende staat voorop. Dit geldt ook voor bijstand verleend als bedrijfskapitaal.
Artikel 5.4 Afzien van terugvordering (kruimelbedragen)
Bij vorderingen tot € 100 wordt in beginsel afgezien van terugvordering, tenzij sprake is van verwijtbaar gedrag of de vordering verrekend kan worden met vakantiegeld.
Artikel 5.5 Brutering vordering
Vorderingen worden bruto teruggevorderd. Hierop wordt een uitzondering gemaakt als de vordering buiten toedoen van de belanghebbende is ontstaan en nog in hetzelfde kalenderjaar kan worden afgelost of verrekend.
Artikel 5.6 Wijze van invordering
Uitgangspunt is betaling ineens. Als dat niet mogelijk is, wordt een maandelijks aflossingsbedrag vastgesteld: het bedrag boven de beslagvrije voet bij een inkomen op bijstandsniveau, of 60% van de draagkracht bij een hoger inkomen. Op verzoek kan een lager bedrag worden vastgesteld als de vordering binnen 36 maanden is afgelost en het bedrag minimaal € 20 per maand bedraagt. Financiële omstandigheden worden periodiek getoetst via gegevensuitwisseling met BIDN. Bij niet-nakoming kan het college overgaan tot beslag of inschakeling van een deurwaarder, waarbij invorderingskosten (€ 40 tot € 450) en wettelijke rente in rekening kunnen worden gebracht.
Artikel 5.7 Ambtshalve afzien van verdere invordering
Het college ziet ambtshalve af van verdere invordering in vier situaties: na 36 maanden nakoming voor leenbijstand duurzame gebruiksgoederen, bij een restvordering onder € 100 na twee jaar nauwelijks aflossen, na vijf jaar zonder betaling op een niet-verwijtbare vordering, en na tien jaar bij een verwijtbare vordering wegens schending van de inlichtingenplicht.
Artikel 5.8 Mogelijkheden en voorwaarden tot kwijtschelding
Op verzoek kan het college een vordering geheel of gedeeltelijk kwijtschelden als de belanghebbende zijn aflossingsverplichtingen naar behoren heeft nagekomen of in één keer aflost. De beoordeling is individueel maatwerk, waarbij onder meer de ontstaansgrond, het aflossingsgedrag, de schuldenpositie en arbeidsperspectieven worden meegewogen. Bij verwijtbare vorderingen wegens schending van de inlichtingenplicht geldt een termijn van tien jaar.
Artikel 5.9 Mogelijkheden en voorwaarden tot kwijtschelding bij schuldenproblematiek
Kwijtschelding in het kader van een schuldregeling is mogelijk als een schuldregeling anders niet tot stand komt, de belanghebbende zijn verplichtingen is nagekomen en het college naar evenredigheid wordt voldaan. Het kwijtscheldingsbesluit treedt pas in werking als de schuldregeling daadwerkelijk tot stand is gekomen en kan worden ingetrokken als de regeling mislukt of onjuiste gegevens zijn verstrekt. Bij verwijtbare vorderingen geldt ook hier een termijn van tien jaar.
Artikel 5.10 Geen mogelijkheden tot buiten invordering stelling en kwijtschelding
Buiten invordering stellen of kwijtschelding is in beginsel niet mogelijk als niet aan de voorwaarden is voldaan, de vordering het gevolg is van verwijtbaar gedrag, de vordering gedekt wordt door pand of hypotheek, of het een bestuurlijke boete betreft.
Artikel 5.11 Aanvullende begripsbepalingen
Dit artikel bevat aanvullende definities die specifiek gelden voor de paragraaf over verhaal.
Artikel 5.12 Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid
Het college maakt gebruik van zijn bevoegdheid tot verhaal van bijstandskosten op grond van paragraaf 6.5 van de PW.
Artikel 5.13 Ambtshalve afzien van verhaal
Het college ziet af van verhaal als het verhaalsbedrag lager is dan het minimale alimentatiebedrag voor twee kinderen volgens de Trema-normen, als dringende redenen daartoe aanleiding geven, of als de kosten meer dan vijf jaar geleden zijn gemaakt. Verhaal in rechte blijft achterwege bij vorderingen onder € 600 of als de proceskosten de verwachte opbrengst overtreffen.
Artikel 5.14 Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek
Het college kan verhaalsvorderingen kwijtschelden in het kader van een schuldregeling, mits de schuldenaar niet kan voortgaan met betalen, de schuldregeling anders niet tot stand komt en het college evenredig wordt voldaan. Artikel 5.9 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.15 Ingangsdatum verhaalsbijdrage en financieel heronderzoek
De verhaalsbijdrage gaat in per de eerste maand na aanschrijving. Het college verricht minimaal eenmaal per 36 maanden een heronderzoek naar de draagkracht. Gewijzigde omstandigheden leiden in beginsel tot aanpassing van de bijdrage.
Artikel 5.16 Verhaal volgens rechterlijke uitspraak
Bij niet-nakoming van een rechterlijke uitspraak wordt de onderhoudsplichtige schriftelijk aangemaand met een betalingstermijn van 30 dagen. Bij uitblijven van betaling volgt invordering bij dwangbevel, waarbij incassokosten en wettelijke rente in rekening kunnen worden gebracht.
Als na een laatste betalingsverzoek niet of onvoldoende wordt betaald, volgt invordering via vereenvoudigd derdenbeslag of executoriaal beslag door een deurwaarder.
Hoofdstuk 6 Bestuurlijke boete
Artikel 6.1 Beoordeling bestuurlijke boete
Bij de beoordeling van een bestuurlijke boete zijn de PW, IOAW, IOAZ en het Boetebesluit sociale zekerheidswetten leidend. Het college stelt geen nadere regels vast, aangezien de wet- en regelgeving de beoordelingswijze volledig beschrijft.
De op te leggen boete wordt ten gunste van de belanghebbende naar beneden afgerond op een veelvoud van € 10.
Artikel 6.3 Kwijtscheldingsmogelijkheden bij schuldenproblematiek
Het college maakt gebruik van de wettelijke bevoegdheid om een bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden als de belanghebbende meewerkt aan een schuldregeling, mits aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.
Artikel 7.1 Onvoorziene omstandigheden
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van deze beleidsregels als strikte toepassing leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. In situaties waarin de beleidsregels niet voorzien beslist het college naar eigen inzicht.
Artikel 7.2 Intrekking oude beleidsregels en overgangsbepalingen
De Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en aanverwante regelingen gemeente Voorst 2025 worden ingetrokken op de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels. Bezwaarschriften tegen besluiten genomen onder de oude beleidsregels worden beoordeeld op basis van het recht dat gold op het moment van dat besluit.
Artikel 7.3 Inwerkingtreding en citeertitel
Deze verzamelbeleidsregels treden in werking de dag na de bekendmaking en worden aangehaald als: Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en aanverwante regelingen gemeente Voorst 2026.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-283838.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.