Gemeenteblad van Steenwijkerland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Steenwijkerland | Gemeenteblad 2026, 283522 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Steenwijkerland | Gemeenteblad 2026, 283522 | beleidsregel |
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland
Hoofdstuk 1. Definities, bepalingen en uitgangspunten
Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: de wet) en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Verordening maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland en de daarop gebaseerde lagere regelgeving en de Algemene Wet bestuursrecht (AWB).
In de gemeente Steenwijkerland wordt binnen het gehele proces van melding tot en met beschikking gewerkt vanuit een aantal uitgangspunten waarbij de mogelijkheden van de inwoner centraal staan.
De Omgekeerde Toets ondersteunt de uitvoering om maatwerk te leveren in het sociaal domein, zonder willekeur.
Door te starten bij de vraag wat de inwoner wil bereiken, kan beter worden beoordeeld wat iemand nodig heeft. De omgekeerde toets helpt om keuzes te maken op basis van waarden en doelen. Als laatste wordt gekeken hoe het besluit rechtsgeldig kan worden genomen op basis van geldende wet- en regelgeving zoals de Wmo 2015.
1.3.1.1 Grondwaarden Omgekeerde toets
De toets is gebaseerd op belangrijke grondwaarden van wetten in het sociaal domein:
Deze waarden helpen bij het maken van keuzes.
Positieve Gezondheid gaat uit van veerkracht en zingeving in plaats van ziekte. Wat dit betekent, verschilt per inwoner. Positieve Gezondheid biedt handvatten om in beeld te brengen wat voor de inwoner belangrijk is.
In gesprek met de inwoner wordt vastgesteld hoe een inwoner zijn gezondheid ervaart en wat er belangrijk is voor die persoon? Hoe kan hij of zij de situatie zelf verbeteren?
1.3.3 Nadere duiding en de praktijk
De bovenstaande uitgangspunten vormen de basis voor het beleid en de uitvoering van de Wmo in Steenwijkerland, samen zorgen ze voor maatwerk dat past bij de persoon én de wet.
De inwoner zal zich moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van zelfredzaamheid, sociale deelname en maatschappelijke ondersteuning te voorzien.
Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om huishoudelijke taken (deels) zelf uit te voeren. Daarbij houdt het college rekening met een (rustiger) tempo waarbinnen dat gebeurt maar ook met redelijkerwijs in acht te nemen leefregels waardoor de huishoudelijke taken verspreid over de week kunnen worden uitgevoerd. Ook het anders inrichten van de woning, zo nodig met hulp van bijvoorbeeld een ergotherapeut, valt onder eigen kracht als hiermee het probleem (deels) opgelost kan worden.
1.4.1 Beroep op andere wettelijke regelingen
De inwoner moet zelf een beroep doen op een andere wettelijke regelingen, als deze naar verwachting in voldoende mate compensatie bieden aan het oplossen van het probleem en voorliggend is. Denk bijvoorbeeld aan het gebruik maken van paramedische zorg als bedoeld in de Zorgverzekeringswet vanwege lichamelijke en psychische klachten.
Gebruikelijke hulp heeft betrekking op personen die binnen de leefeenheid van de inwoner vallen. Als naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kan worden verlangd, bestaat geen (of slechts gedeeltelijk) aanspraak op een maatwerkvoorziening. Zie verder Hoofdstuk 1.5 van deze beleidsregels en de Verordening artikel 8.3
Mantelzorg is niet afdwingbaar maar het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie. Het college betrekt bij het onderzoek of (indien aanwezig) de mantelzorger ondersteuningsbehoefte heeft en zo ja welke, zodat de taken kunnen worden volgehouden. En beschrijft dit in het onderzoeksverslag zoals beschreven in de Verordening.
Van de inwoner wordt in principe verwacht dat hij personen uit zijn sociale netwerk vraagt om hulp. Inwoners vinden het misschien niet altijd makkelijk of zijn niet (meer) gewend om een ander te vragen iets voor hen te doen, terwijl mensen in het sociaal netwerk vaak best bereid zijn iets voor een ander te betekenen. Dit zal ook onderwerp zijn van het gesprek, waarbij het college, personen uit de sociale omgeving kan betrekken. Deze personen kunnen ook worden uitgenodigd bij het gesprek.
1.4.5 Goedkoopst passende voorziening
De hoofdregel volgens de verordening is dat de goedkoopst passende voorziening wordt verstrekt.
1.4.6 Niveau van maatschappelijke ondersteuning
De gevraagde ondersteuning staat in redelijke verhouding tot de situatie van de inwoner vóórdat ondersteuning nodig was. Dit betekent dat niet alle beperkingen volledig hoeven te worden weggenomen en dat de inwoner niet in dezelfde of een betere positie hoeft te komen dan daarvoor.
Inwoners moeten rekening houden met voorzienbare beperkingen. Dit kan betekenen dat de aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt geweigerd. In de verordening is dit opgenomen in artikel 9 sub e.
Onder voorzienbaar wordt in ieder geval verstaan:
Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan worden afgewezen als uit het onderzoek blijkt dat de inwoner door het op eigen kracht aanschaffen van een voorziening of het inkopen van particuliere hulp al in staat is gebleken om in voldoende mate in zijn behoefte aan zelfredzaamheid of participatie te voorzien.
Ter aanvulling en verduidelijking van de in de verordening opgenomen definitie van ‘algemeen gebruikelijk’ is dit begrip in deze beleidsregels nader uitgewerkt.
Een voorziening wordt als algemeen gebruikelijk aangemerkt wanneer deze:
Het college kent geen maatwerkvoorziening toe als de vraag van de inwoner kan worden opgelost met een algemeen gebruikelijke voorziening. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat het college een voorziening verstrekt waarvan aannemelijk is dat inwoner, ook als hij of zij geen beperkingen had, hierover zou (hebben kunnen) beschikken.
1.4.8.1 Financieel draagbaar met een minimuminkomen
Eén van de criteria voor het bepalen of een voorziening als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt is, is dat een voorziening financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Het is hierbij in principe niet van belang wat het inkomen van de inwoner zelf is. Het gaat om de vraag of iemand met een minimuminkomen de voorziening zou kunnen betalen Voor de kostprijs van de voorziening kijkt het college waar mogelijk ook naar beschikbare tweedehands voorzieningen.
Het voorgaande wil niet zeggen dat het inkomen van de inwoner helemaal nooit een rol kan spelen bij de beoordeling of een voorziening algemeen gebruikelijk is. Het college toetst of voldaan wordt aan de algemene criteria voor algemeen gebruikelijk. Als een inwoner vervolgens meent een algemeen gebruikelijke voorziening toch niet te kunnen betalen, is het aan de inwoner om dat met documenten te onderbouwen.
1.4.8.2 Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen
Of een voorziening algemeen gebruikelijk is, wordt beoordeeld aan de hand van de vraag of een persoon zonder beperkingen in een vergelijkbare situatie over deze voorziening zou beschikken.
In de jurisprudentie is een 3-tal criteria ontwikkeld voor de beantwoording van de vraag:
Een fiets met elektrische trapondersteuning is hier een voorbeeld: een dergelijke fiets wordt ook gebruikt door mensen zonder beperkingen (bijvoorbeeld door mensen die een lange afstand naar hun werk of school moeten fietsen). Een dergelijke fiets is gewoon bij de fietsenwinkel te koop, zeker als rekening wordt gehouden met het ruime aanbod aan tweedehandsfietsen. Bij andere producten zal het afhangen van de kosten of deze algemeen gebruikelijk zijn. Een toilet met spoel-föhn installatie is bijvoorbeeld niet (meer) specifiek bedoeld voor mensen met een beperking en is vrij verkrijgbaar. Het hangt daarom in het concrete geval af van de kosten van de voorziening plus installatie of deze financieel draagbaar zijn met een minimuminkomen en dus algemeen gebruikelijk zijn.
Bij deze beleidsregels is in de bijlage een lijst opgenomen met producten die door de gemeente Steenwijkerland als algemeen gebruikelijk worden gezien (zie hiervoor ook de niet limitatieve bijlage IV).
Het college verwacht dat de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk taken overnemen in het huishouden als sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Bij het indiceren wordt rekening gehouden met de individuele omstandigheden. Gebruikelijke hulp afgemeten kan daarnaast worden getoetst aan 4 criteria:
1.5.2 Van wie wordt gebruikelijke hulp verwacht
Onder een huisgenoot wordt iedere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de inwoner behoort. Onder een leefeenheid worden alle bewoners verstaan die gemeenschappelijk een woning bewonen omdat zij gezamenlijk een huishouden voeren.
Het gaat erom dat men feitelijk zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning. Die vraag moet beantwoord worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De enkele inschrijving in de BRP is onvoldoende om de vraag te beantwoorden waar iemand zijn woonadres heeft.
Soms kan twijfel bestaan of het gaat om huisgenoten of dat men feitelijk in twee verschillende woningen verblijft. Denk hierbij aan de situatie waarbij iemand woont in een apart bijgebouw. In die situatie onderzoekt het college de volgende factoren om te bepalen of het gaat om één leefeenheid:
Een ander belangrijk criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding wordt het verzorgingscriterium genoemd. De betrokkenen moeten voor elkaar zorgdragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten of activiteiten van de huishouding dan wel anderszins.
Een contract of bewijsstukken dat huur of kostgeld wordt betaald, betekent niet automatisch dat de betrokkenen geen gezamenlijke huishouding kunnen voeren.
Bij (onder)huurders en kostgangers is sprake van een zuiver zakelijke relatie. Daarvan is geen sprake als de relatie verder gaat dan alleen de betaling van de huur of het kostgeld, bijvoorbeeld door het samen delen van maaltijden en de was. Het college kan een onderzoek instellen naar de feitelijke omstandigheden van de betrokkenen.
1.5.3 Gebruikelijke hulp door kinderen
Als gebruikelijke hulp van een kind wordt verwacht, doet het college, onderzoek naar het vermogen van dit kind voor wat betreft de taken waar het om gaat. Het college houdt daarbij rekening met wat op een bepaalde leeftijd als bijdrage van een kind mag worden verwacht, de ontwikkelingsfase van het kind en het feitelijke vermogen van het kind om een bijdrage te leveren.
Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan:
Gebruikelijke hulp maakt deel uit van het normale gezinsleven en wordt niet aangemerkt als ondersteuning in de zin van de Wmo 2015 of de Jeugdwet.
1.5.3.2 Algemene uitgangspunten
Van kinderen mag slechts gebruikelijke hulp worden verwacht die:
Kinderen mogen niet worden geacht mantelzorg te leveren.
Gebruikelijke hulp van kinderen is begrensd. Zodra sprake is van structurele, noodzakelijke of zware taken voortvloeiend uit een beperking binnen het gezin, eindigt de gebruikelijke hulp.
1.5.3.3 Leeftijdsafhankelijke invulling gebruikelijke hulp
1.5.3.4 Afbakening gebruikelijke hulp en noodzakelijke ondersteuning
Gebruikelijke hulp wordt niet aangenomen als:
In deze situaties kan aanvullende ondersteuning op grond van de Wmo 2015 en/of Jeugdwet noodzakelijk zijn.
1.5.3.5. Mantelzorg en beschermingsprincipe kinderen
Als blijkt dat een kind (tot 12 jaar) mantelzorg verleent of dreigt te verlenen:
Het belang en de bescherming van het kind (tot 12 jaar) staan hierbij voorop.
1.5.3.6 Beoordeling in het onderzoek
Bij de beoordeling van gebruikelijke hulp door kinderen worden in ieder geval betrokken:
De uitkomst hiervan wordt gemotiveerd vastgelegd in het onderzoeksverslag.
Indien toepassing van deze beleidsregels in een individuele situatie leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, kan het college gemotiveerd afwijken in het belang van het kind of de jongere.
1.5.4 Wanneer geen gebruikelijke hulp kan worden verwacht
1.5.4.1 Geobjectiveerde beperkingen/ ontbreken kennis & vaardigheden
Wanneer partner, ouders, kind en/of elke andere huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en of kennis/vaardigheden mist waardoor ze niet in staat zijn de benodigde hulp te bieden, hoeven zij geen of slechts in beperkte mate gebruikelijke hulp te bieden.
1.5.4.2 Niet-inwonende kinderen
Niet-inwonende kinderen hoeven geen gebruikelijke hulp te bieden, want zij behoren niet tot de leefeenheid. Wel kan worden bekeken of niet-inwonende kinderen (op vrijwillige basis als mantelzorger) een helpende hand kunnen bieden. Het criterium voor niet inwonend wordt niet bepaald door een BRP-inschrijving maar een daadwerkelijk structurele geheel of gedeeltelijke fysieke aanwezigheid.
1.5.4.3 Dreigende overbelasting
Bij gebruikelijke hulp onderzoekt het college of diegene van wie gebruikelijke hulp wordt verwacht, in staat is om deze gebruikelijke hulp te bieden. Bij dat onderzoek besteedt het college aandacht aan de draaglast. Het college beoordeelt of de echtgenoot of huisgenoot, naast zijn/haar werk en de door hem te verlenen zorg aan zijn echtgenoot of huisgenoot, fysiek en psychisch in staat is gebruikelijke hulp aan inwoner te verlenen. Alleen als sprake is van (dreigende) overbelasting, verstrekt het college (tijdelijk) ondersteuning. In het onderzoeksverslag wordt dit onderbouwd met doelen en termijnen.
In eerste instantie zal er indien noodzakelijk een toewijzing van korte duur zijn (maximaal drie maanden) om de gelegenheid te bieden de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. De uitgangspunten gelden ook als een partner/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen.
Als de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp met andere activiteiten, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding is geen reden om geen toepassing te geven aan het uitgangspunt van de gebruikelijke hulp.
Als er twijfel of een geschil bestaat over de aard en de mate van overbelasting kan het college extern onafhankelijk advies te vragen.
Als een volwassen huisgenoot stelt door overbelasting niet de gebruikelijke taken met betrekking tot het huishouden op zich te kunnen nemen, moet dit altijd medisch onderbouwd worden.
1.5.4.4 Korte levensverwachting
Als de zorgvrager een korte levensverwachting heeft welke medisch is vastgesteld, kan ter fysieke en psychische ontlasting van de leefeenheid van de zorgvrager besloten worden om geen toepassing te geven aan het uitgangspunt van de gebruikelijke hulp.
Bij het inventariseren van de eigen mogelijkheden van het huishouden wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken.
1.5.4.6 Opvang en verzorging van kinderen
Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen in het kader van de opvoeding en verzorging. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon, zoals de leeftijd en ontwikkeling van het kind vereisen. Indien nodig, wordt verwacht dat het ouder gebruik maakt van de voor hem/haar geldende mogelijkheden van zorgverlof. Als dit niet mogelijk is, onderzoekt de gemeente samen met de ouders of reguliere kinderopvang crèche, buitenschoolse opvang of een gastouderbureau een passende voorliggende voorziening is.”
Het gebruik van alternatieve opvangmogelijkheden wordt redelijk geacht, onafhankelijk van de financiële omstandigheden. Als deze mogelijkheden maximaal zijn gebruikt of afwezig zijn, of als alleen kortdurende overbrugging nodig is, kan hiervoor ondersteuning worden ingezet.
1.6 Gebruikelijke hulp en huishoudelijke taken
Van een volwassen gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze alle huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt.
1.6.2 Bijdrage van kinderen aan het huishouden
Als er kinderen binnen de leefeenheid aanwezig zijn, gaat het college ervan uit dat de kinderen een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken, passend bij de leeftijd en psychosociaal functioneren.
1.6.3 Het aanleren van huishoudelijke activiteiten
Redenen als 'niet gewend zijn om’, leeftijd of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten’ leiden niet tot het toekennen van een voorziening voor het overnemen van huishoudelijke taken. Voor het aanleren van huishoudelijke taken kan voor een kortdurende periode (maximaal drie maanden) een voorziening worden toegekend.
1.6.4 Belasting door werk, studie, maatschappelijke participatie of zorgtaken
Bij gebruikelijke hulp gaat het college uit van de mogelijkheid om naast een volledige baan ondersteuning te bieden. Studie of werkzaamheden vormen geen reden om van de gebruikelijke hulp af te zien. Iedereen die werkt, zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor moeten zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Iedere volwassen burger wordt verondersteld naast een volledige baan of opleiding een huishouden te kunnen voeren. Gebruikelijke hulp gaat in beginsel voor op andere activiteiten van leden van de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke participatie.
Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij immers niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. Maar in alle situaties waarbij sprake is van een eigen keuze zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Van bijvoorbeeld chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de offshore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, kan niet worden verwacht dat zij een andere functie zoeken. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een periode van minimaal 7 aansluitende dagen, kunnen de niet-uitstelbare taken tijdelijk worden overgenomen in de periode dat de huisgenoot afwezig is. Bij huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken.
1.7 Begeleiding bij algemene dagelijkse levensverrichtingen
1.7.1 Definitie en afbakening begeleiding onder de Wmo
Begeleiding bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL)wordt alleen dan toegekend als geen sprake is van behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop of voorliggende zorg vanuit de zorgverzekeringswet. De meeste lichaamsgebonden ADL hulp zal hieronder vallen.
De begeleiding kan bestaan uit hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen. Denk hierbij aan in en uit bed komen, aan-en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning en sociaal contact.
In het kader van gebruikelijke hulp wordt een onderscheid gemaakt tussen:
Van partners wordt verwacht dat zij elkaar hulp bieden bij algemene dagelijkse levensverrichtingen als sprake is van een kortdurende zorgsituatie (maximaal drie maanden) met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de inwoner dat hulp daarna niet langer nodig is.
De zorgplicht van partners onderling betreft persoonlijke, lichamelijke zorg inclusief assistentie bij de algemeen dagelijkse levensverrichtingen, aandacht en begeleiding bij ziekte en psychosociale problemen. Een voorbeeld hiervan is de zorg voor een huisgenoot of partner tijdens een kortdurend gezondheidsprobleem als herstel na een operatie, griep, gekneusde ledematen e.d. Deze vorm van zorg is in principe (afhankelijk van de aard, omvang en duur) gebruikelijk.
Bij een hulpvraag die naar verwachting langer dan drie maanden zal duren, is deze hulp ook tussen partners niet gebruikelijk. Als vanaf de start van de situatie duidelijk is dat het gaat om een langdurige situatie, kan direct een voorziening worden toegekend. In dat geval hoeft niet eerst drie maanden ‘gebruikelijke hulp’ door partners geleverd te worden.
1.7.2.3 Volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling
Hulp bij algemene dagelijkse levensverrichtingen van volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten, anders dan partners onderling, is geen gebruikelijke hulp.
1.7.3 Begeleiding (anders dan bij algemene dagelijkse levensverrichtingen)
Alle begeleiding van de inwoner door de partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot is gebruikelijke hulp als sprake is van een kortdurende situatie met uitzicht op herstel van de zelfredzaamheid. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.
Als het gaat om een chronische situatie is de begeleiding van een volwassen inwoner gebruikelijke hulp als die begeleiding in de persoonlijke levenssfeer aan elkaar moet worden geboden. Als geen sprake is van dreigende overbelasting of van medische beperkingen mag van een volwassen huisgenoot naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid worden verwacht dat niet specialistische taken worden uitgevoerd als gebruikelijke hulp.
Dit is niet anders als de huisgenoot een druk bestaan heeft.
Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van begeleiding:
De zelfredzaamheid van de inwoner is het uitgangspunt. Als de inwoner ondersteuning nodig heeft van een mantelzorger worden de (on)mogelijkheden van de vaste mantelzorger onderzocht.
Bij de inzet van hulpmiddelen houdt het college rekening met de belangen en belasting van mantelzorgers, zoals b.v. bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Ook kan het zijn dat de mantelzorger niet of moeizaam in staat is om de rolstoel te duwen. In voorkomende gevallen kan duwondersteuning op de rolstoel worden verstrekt.
1.8.2 Mantelzorgondersteuning als respijtzorg/logeerzorg
De maatwerkvoorziening is in eerste instantie bedoeld om de inwoner zelf adequaat te ondersteunen. Het college houdt daarbij rekening met de mantelzorg die inwoner heeft of mogelijk zou kunnen krijgen. Het kan betekenen dat de inwoner (tijdelijk) is aangewezen op een maatwerkvoorziening op de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is hem deze ondersteuning te bieden. Denk bijvoorbeeld aan structurele deelname aan dagactiviteiten als respijtzorg of geplande logeerzorg. Deze maatwerkvoorzieningen worden aan de inwoner toegekend (niet aan de mantelzorger).
1.8.3 Overbelasting van de mantelzorger
Respijtzorg in de vorm van een (tijdelijke) maatwerkvoorziening kan ook worden ingezet om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen en/of op te vangen. Van inwoner en mantelzorger wordt verwacht dat zij onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de overbelasting te voorkomen of te verminderen. De inzet van andere personen uit het sociale netwerk of eventueel vrijwilligers kan hierin ook een rol spelen. Het college weegt hierbij de belangen en de draaglast van de mantelzorger mee.
2.1 Beoordelen van de aanspraak
Het college weigert een aanvraag voor een maatwerkvoorziening als:
Uitzonderingen zijn die voorzieningen die benoemend zijn in bijlage 2. (maatschappelijke zorg voor mensen met een WLZ-indicatie).
Binnen Steenwijkerland is er geen collectief vervoer beschikbaar, qua vervoer zijn de mogelijkheden daarom beperkt en is een maximaal een (rolstoel)vervoerskostenvergoeding mogelijk.
Met deze beleidsregel wordt het onderscheid verduidelijkt tussen de melding in het kader van de Wmo 2015 en de aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De AWB‑beslistermijnen zijn uitsluitend van toepassing na ontvangst van een aanvraag. De meldingsfase is gericht op onderzoek en verkenning van de ondersteuningsbehoefte.
2.3 Uitgangspunten van het Wmo‑onderzoek
2.3.3 Inhoud en opbouw van het gesprek
Het college voert een gesprek met de inwoner waarin ten minste aan bod komt:
Het college maakt een integrale analyse van de situatie van de inwoner op de domeinen:
De analyse is gebaseerd op objectieve criteria, relevante feiten en professionele standaarden.
In de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Steenwijkerland, artikel 9 zijn de juridische criteria vastgesteld wanneer een inwoner wel of niet in aanmerking komt voor een voorziening.
Voor ieder onderzoek gelden geleden aanvullend de volgend basisuitgangspunten:
Een maatwerkvoorziening wordt alleen dan verstrekt wanneer er geen andere adequate oplossing beschikbaar is.
Maatwerk voorziening worden zoveel mogelijk als zorg in natura of in bruikleen verstrekt zodat de inzet van middelen door het college transparant en effectief en met het juiste niveau van kwaliteit geleverd en gemonitord kunnen worden.
Het college weegt bij de beoordeling doelmatigheid en doeltreffendheid mee.
Het college stelt een schriftelijk verslag op van het onderzoek welke voldoet aan de landelijke criteria uitgaande van het Vijf stappenmodel CRvB. (zie ook bijlage X)
Als de inwoner een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indient, neemt het college een besluit binnen de wettelijke termijnen.
Er kan alleen een besluit worden nomen wanneer het college een door de inwoner ondertekend verslag met de aangevraagd voorziening heeft ontvangen
2.3.4 Kwaliteitsbewaking en monitoring
Het college bewaakt de kwaliteit van het onderzoek door middel van:
De bevindingen worden gebruikt voor verbetering van beleid en uitvoering.
2.5. Weigering van een maatwerkvoorziening
In de Verordening Maatschappelijk ondersteuning Steenwijkerland is aangegeven wanneer een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd.
Aanvullend is er beleid met betrekking tot situaties waarin onredelijk en onveilig gedrag wordt waargenomen.
2.5.1 Afwijzing of Beëindiging wegens Onredelijk of Onveilig Gedrag
De Wmo 2015 heeft als doel inwoners te ondersteunen bij zelfredzaamheid en participatie. De gemeente heeft daarbij zowel een zorgplicht als een zorgvuldige plicht naar medewerkers, uitvoerders en andere inwoners.
Dit betekent dat ondersteuning veilig, respectvol en uitvoerbaar moet kunnen worden geboden.
De gemeente kan de Wmo-ondersteuning weigeren, opschorten of beëindigen wanneer gedrag van een inwoner dit onmogelijk maakt, mits dit zorgvuldig, proportioneel en individueel gemotiveerd gebeurt.
Onderstaande situaties kunnen aanleiding zijn voor een afwijzing, opschorting of beëindiging van ondersteuning, voor zover dit gedrag de uitvoering van de ondersteuning feitelijk onmogelijk, onveilig of onredelijk maakt:
Besluiten worden altijd genomen binnen de Juridische kaders voor handelen
Beleid rond agressie en veiligheid voor medewerkers
2.5.2 Misbruik en oneigenlijk gebruik
Misbruik is het bewust onjuist of onvolledig verstrekken van informatie waardoor ten onrechte ondersteuning wordt verkregen.
Oneigenlijk gebruik is het gebruiken van een voorziening voor een ander doel dan waarvoor deze is verstrekt.
Bij misbruik of oneigenlijk gebruik kan het college:
Het college kan een onderzoek starten bij signalen van misbruik.
Hoofdstuk 3. Huishoudelijke Ondersteuning
Bij het verlenen van huishoudelijke ondersteuning gelden een aantal beleidsuitgangspunten en voorwaarden die het fundament vormen voor het inzetten van huishoudelijke ondersteuning en bijdragen tot het bereiken van uitgangspunten van de Wmo.
3.1.1 Leefeenheid primair zelf verantwoordelijk
De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk voor het eigen huishouden en de wijze waarop de huishouding wordt gevoerd. Dat valt onder gebruikelijke hulp (zie Hoofdstuk 1.5).
Van de inwoners wordt verwacht dat deze zoveel als mogelijk zelf betrokken is bij en deelneemt aan de werkzaamheden binnen de aanwezige mogelijkheden zodat de eigen mogelijkheden optimaal worden benut.
3.1.3 Aanwezigheid tijdens hulp
De inwoner is zelf altijd aanwezig gedurende de inzet van de ondersteuning. De aanbieders worden door de inwoner toegelaten in de woning en daaruit volgt dat zij zelf geen sleutels beheren.
3.1.4 Aanwezigheid van algemeen gebruikelijke middelen of diensten
Als uitgangspunt geldt dat de inwoner beschikt over algemeen gebruikelijke materialen waarmee de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Denk aan een stofzuiger, een wasmachine, schoonmaakmiddelen, een dweil, voldoende schoonmaakdoekjes etc.
Het gaat in dit geval ook om voorzieningen die het mogelijk maken dat de inwoner een deel van de huishoudelijke taken zelf kan uitvoeren zoals een stofafnemer op stok (“Swivver”) en “helping hand”.
Het kan ook zijn dat met een algemeen gebruikelijke voorziening een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan de aanschaf van een wasdroger of het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die wel bereikbaar is voor de inwoner zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen. Dit laatste valt onder eigen kracht.
De inwoner wordt tijdens de indicatiestelling door de gemeente op de hoogte gesteld dat de taak voor het vaststellen van de aanwezigheid van de noodzakelijk en adequate hulpmiddelen en voorzieningen bij de aanbieder ligt.
3.1.5 Veilige en efficiënte werkomgeving
Van de inwoner wordt verwacht dat hij actieve medewerking verleent aan het bieden van een veilige en efficiënte werkomgeving het zodat de huishoudelijke hulp zo efficiënt en veilig als mogelijk kan werken. Denk bijvoorbeeld aan
De organisatie hiervan valt onder eigen kracht en valt onder de verantwoordelijkheid van de inwoner.
In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet leidt tot meer inzet van huishoudelijke hulp. Het hebben van huisdieren brengt nu eenmaal (wat) meer vervuiling van de woning met zich mee. Een uitzondering kan gelden voor inwoners die zijn aangewezen op een blinde geleidehond of een andere officieel toegekende hulphond
Bij huishoudelijke hulp wordt uitgegaan van een gesaneerde woning ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie. Is de inwoner allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten maar worden deze dieren wel door de inwoner gehouden, dan kent het college voor het ‘meerwerk’ geen voorziening toe. Dit zijn keuzes die vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van inwoner.
3.1.8 Normale gebruik van de woning
Alleen binnenruimten die voor de inwoner noodzakelijk zijn voor het normale gebruik van de woning worden schoongemaakt en opgeruimd. Het gaat om ruimten met elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken) en verplaatsingen in de woning (verkeersruimten). Ruimten die niet in gebruik (hoeven te) zijn, vallen hier dus buiten. Dat wil niet zeggen dat in deze ruimte(n) helemaal nooit gestofzuigd of gedweild hoeft te worden.
3.2. Producten Huishoudelijke Ondersteuning
3.2.1 Een schoon en leefbaar huis
De huishoudelijke ondersteuning gaat over het schoonhouden van de woning. Iedereen moet gebruik kunnen maken van schone en leefbare elementaire woonruimten, zoals een woonkamer, een slaapkamer, een keuken, sanitaire ruimtes (maximaal één badkamer en twee toiletten) en aangrenzende hal, trap en/of overloop.
3.2.1.1 Elementaire woonruimten
Het gaat bij deze woonruimten over de primaire leefruimten in de woning die de inwoner daadwerkelijk (dagelijks of in ieder geval meerdere keren per week) in gebruik heeft. Deze ruimten worden schoongemaakt volgens de algemeen gebruikelijke hygiënische normen.
Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Om een schoon en leefbaar huis te realiseren zal huishoudelijk werk moeten worden uitgevoerd. Concreet gaat het om taken zoals stofzuigen van de woning, het schoonmaken van de sanitaire ruimten, keuken en het dweilen van vloeren.
3.2.1.2. Alleen de binnenkant van de woning
De huishoudelijke taken beperken zich tot de binnenkant van de woning. Onderhoud van tuin, opruimen van een schuur, de stoep vegen, ramen zemen aan de buitenkant vallen hier niet onder een schoon en leefbaar huis. Dat wil niet zeggen dat bijvoorbeeld het vegen van een balkon nooit gedaan zou mogen worden, maar er wordt geen aparte indicatie voor gegeven.
3.2.1.3 Uitgangspunt strijken van was
Als uitgangspunt geldt dat indien er een (tijdelijke) indicatie is voor wasverzorging de was niet wordt gestreken, tenzij dat medisch noodzakelijk is. Dat zal moeten blijken uit een medisch advies; waaronder ook wát gestreken zou moeten worden. Er kan worden volstaan met het opvouwen (en opruimen) van de was. Van de inwoner wordt verwacht dat hij beschikt of kan beschikken over strijkvrije kleding.
Dit moet overigens ook in relatie worden gezien met de aanschaf van een algemeen gebruikelijke wasdroger. Van de inwoner wordt verwacht dat er bijvoorbeeld extra (twee- of driedubbel) beddengoed aanwezig is. Datzelfde geldt voor voldoende handdoeken, andere linnengoed en/of kleding. Op deze manier kan de inzet van ondersteuning zo efficiënt mogelijk worden gedaan.
Op termijn zal er een algemene voorziening worden opgezet in de vorm van een was- (en strijk) service. De geïndiceerde standaard uren voor wasverzorging zullen dan ambtelijke worden omgezet naar een algemene voorziening waarbij geïndiceerde inwoners tegen gereduceerd tarief gebruik kunnen maken van deze voorziening.
3.2.2 Schoonmaakondersteuning/regie en zorg
De inwoner kan aangewezen zijn op huishoudelijke hulp aangevuld met andere lichte vormen van ondersteuning (02).
Indien noodzakelijk kan er een professional (bijvoorbeeld ergotherapeut/huishoudcoach of opruim coach) worden ingezet voor het (re)organiseren van de woning om te komen tot een omgeving waarin zowel de inwoners meer zelfstandig activiteiten kan uitvoeren als de ingezette hulp meer efficiënt en binnen de beschikbare tijd kan worden uitgevoerd.
Hiervoor kunnen voor een periode van maximaal vier weken extra uren worden geïndiceerd.
3.2.2.1 Advies, instructie, voorlichting, gericht op het huishouden
Het kan hierbij gaan om instructie over: het omgaan met hulpmiddelen, uitvoeren van licht huishoudelijk werk, het doen van de was, boodschappen doen of maaltijden bereiden (ook koken).
3.2.2.2 Dagelijkse organisatie van het huishouden
Het kan hierbij gaan om lichte administratieve werkzaamheden, controle van houdbaarheidsdata etc.
3.2.2.3. Zorg voor minderjarige kinderen
Het thuis zorgen voor de minderjarige kinderen die tot het huishouden behoren (die niet voor zichzelf kunnen zorgen)
Structurele opvang valt niet onder huishoudelijke hulp. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de ouder(s) om daarvoor te zorgen. Kinderopvang gaat voor op het verlenen van huishoudelijke hulp en is gangbaar tot en met vijf dagen per week. Het college verstrekt alleen bij hoge uitzondering en voor een zeer korte periode (max 4 weken) ondersteuning voor oppas en opvang van kinderen, zodat ouders de gelegenheid hebben om met gebruik van eigen kracht een structurele oplossing te vinden.
In zeer incidentele situaties kan er tijdelijk ondersteuning noodzakelijk zijn voor ondersteuning bij maaltijden, boodschappen doen en de verzorging van kinderen.
De inzet is altijd gericht op het ingang zetten en opstarten van voorliggende oplossingen.
De maximale periode waarvoor inzet op deze gebieden kan worden geïndiceerd is zes weken.
3.4 Normenkader Huishoudelijke ondersteuning
Voor het vaststellen van de taken wordt gebruik gemaakt van het HHM-Normenkader. Bijlage X geeft het normenkader voor de Huishoudelijke Ondersteuning weer. Per resultaatgebied is uitgewerkt hoeveel professionele inzet nodig is voor de verschillende resultaten in de gemiddelde inwonersituatie en wat het effect hierop is van verschillende factoren. De normtijden zijn weergegeven als ‘uren per jaar’ en ‘minuten per week’. Deze sluiten aan bij het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 van HHM. Indien nodig kan het college gemotiveerd afwijken van de norm.
|
In deze beleidsregels is ervoor gekozen om voor iedere productcategorie een unieke specifiek communicatieparagraaf op te nemen. |
De communicatie rondom huishoudelijk hulp kent een aantal stappen. Het landelijke i-Wmo berichtenverkeer is hiervan een integraal onderdeel en regelt de administratieve processen met de aanbieder met betrekking tot toekenning (301 bericht), start (305 bericht)/stop (307 bericht) - en declaraties (323 bericht).
In een administratie protocol (in de aanbesteding 2024 opgenomen) zijn deze afspraken op detail ingeregeld.
In dat ondersteuningsplan staat hoe de indicatie wordt gerealiseerd. Ook staat daarin voor de meeste taken de frequentie en de duur benoemd: hoe vaak wordt een bepaalde huishoudelijke taak geboden. Het ondersteuningsplan is integraal onderdeel van de beschikking en kan door de gemeente worden opgevraagd.
Het ondersteuningsplan moet door de inwoner en de aanbieder worden getekend voor akkoord.
Zodra de zorg wordt ingezet meldt de aanbieder dit bij de gemeente met het berichtenverkeer met een Start Zorg bericht.
Voor inzet van huishoudelijke ondersteuning vanuit de Wmo is een eigen bijdrage verschuldigd
Voor de inzet van Huishoudelijke ondersteuning gelden de huidige landelijke regels met betrekking tot eigen bijdrage volgens het abonnementstarief.
Deze processen zijn ingeregeld met landelijk berichtenverkeer.
Na ontvangst van een melding Start Zorg geeft de gemeente de gegevens van de inwoner door aan het CAK.
Inwoners dienen er rekening mee te houden dat dit landelijke beleid in de komende jaren naar verwachting zal worden aangepast en de lopende indicaties aangepast moeten worden.
De eigen bijdrage kan alleen worden stopgezet bij een onderbreking van meer dan 6 weken van alle door de Wmo verstrekte voorzieningen waarop de eigen bijdrage van toepassing is.
Hoofdstuk 4. Ondersteuning gericht op het wonen
Ondersteuning gericht op het wonen is een mogelijke maatwerk oplossingen in het kader van de Wet Maatschappelijke ondersteuning.
Het college verleent zo nodig een maatwerkvoorziening in de vorm van:
Voor woonvoorzieningen gelden een aantal beleidsmatige uitgangspunten en voorwaarden die het fundament vormen voor het toekennen van maatwerkvoorzieningen gericht op het wonen welke bijdragen tot het bereiken van uitgangspunten van de Wmo.
4.1.1 Normaal gebruik van de woning
Bij het verstrekken van maatwerkoplossingen voor de woning gaat het alleen om de ruimten waarop de inwoner is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties en het bereiken van die ruimten. Onder specifiek omschreven en gemotiveerde omstandigheden kan het te bereiken resultaat ook betrekking hebben op de berging, of de toegang van de tuin of balkon van de woning.
Het college houdt geen rekening met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Voor het gebruik van hobbyruimten en studeerkamers worden geen woonvoorzieningen getroffen, omdat dit geen ruimten zijn met een elementaire woonfunctie.
Als er veel kosten zijn gemoeid met het aanpassen van een woning (richtlijn: twee keer het bedrag van de in het financieel besluit vastgestelde bedrag voor een verhuiskostenvergoeding), kan verhuizen de (goedkoopst) passende oplossing zijn. Het college kan dan een verhuiskostenvergoeding verstrekken, eventueel aangevuld met losse woonvoorzieningen en/of noodzakelijke aanpassingen.
Bij het maken van de afweging tussen aanpassen en verhuizen, maakt het college een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en het verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woning) anderzijds. Voor de kosten die met het verhuizen gemoeid zijn, geldt de hoogte van de verhuiskosten en/of inrichtingskosten.
Het college weegt de kosten vervolgens af tegen de belangen van inwoner. Er kunnen zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden hiervan zijn:
De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de inwoner verhuist. Daarvan is sprake als de mantelzorg een wezenlijke bijdrage levert aan het behoud van de zelfredzaamheid van de inwoner, met het oog op het doel om zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. Dat is bijvoorbeeld het geval als de mantelzorg ondersteuning vanuit de Wmo (grotendeels) overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend.
De woning waarnaar moet worden verhuisd, brengt een substantiële stijging van de totale woonlasten met zich mee die redelijkerwijs niet aanvaardbaar is. Het hebben van erg lage woonlasten betekent niet zondermeer dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. Bij een koopwoning wordt het primaat van verhuizen niet toegepast als de inwoner en/of de mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld diens partner, met een aanzienlijke restschuld blijft/blijven zitten na de verkoop van de woning. Of daarvan sprake is, beoordeelt het college in het individuele geval.
De financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten en/of inrichtingskosten wordt pas uitbetaald nadat de inwoner is verhuisd naar een door het college geschikt bevonden woning.
Meerwerk inclusief uitvoeringskosten bij aanvang van de woningaanpassing dient separaat te worden geoffreerd aan de inwoner en kan alleen in overleg en met schriftelijke toestemming op kosten van de inwoner vanuit de gemeente worden uitgevoerd wanneer dit het meerwerk past binnen het opgestelde programma van eisen.
4.2.3 Convenant Woningbouw corporaties
Voor het uitvoeren van woningaanpassingen bij woningen die toe behoren aan Woonconcept en Wetland wonen gelden de uitvoeringsafspraken zoals vastgelegd in het woonconvenant vastgesteld op 6 mei 2025.
Bij de overige verhuurinstanties is de inwoners zelf verantwoordelijk voor het aanleveren van een offerte in samenspraak met de verhuurder. De verhuurder dient toestemming te geven voor de aanpassingen.
4.2.4 Collectieve voorzieningen
Als de eigenaar deze voorziening niet wenst over te nemen dan wordt het onderhoudscontract beëindigd en de voorziening indien gewenst verwijderd op kosten van de eigenaar van de voorziening.
Achteraf gemaakt meerkosten bovenop een door de gemeente goedgekeurde offerte is alleen mogelijk als dit de kosten betreft met betrekking tot een onvoorziene meerprijs van materialen. (e.g. duurdere tegels).
Deze meerkosten dienen voor uitvoering in een separate offerte te worden aangeleverd en te worden goedgekeurd.
De gemeente heeft regionale collectieve afspraken over de inzet, het plaatsen en verwijderen van trapliften met een vaste leverancier. Deze leverancier heeft deze opdracht verkregen via een Europese aanbesteding.
Na het vaststellen van de noodzaak voor een traplift wordt de aanvraag voor inmeten en het beoordelen door de indicatiesteller bij de trapliftenleverancier gedaan. De indicatiesteller geeft hierbij de gewenste plaatsingszijde aan. De verantwoordelijkheid voor het beoordelen van het type traplift, het inmeten, de plaatsing en het onderhoud van de traplift is belegd bij de leverancier.
Als na het inmeten van de leverancier het noodzakelijk blijkt dat het een traplift betreft welke valt buiten het standaard assortiment brengt de leverancier een offerte uit volgens de vastgelegde afspraken.
4.4 Roerende hulpmiddelen ten behoeve van het wonen
Roerende hulpmiddelen zijn verplaatsbare, niet aan de woning bevestigde voorzieningen die een inwoner ondersteunen bij het voeren van een huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning, of het verrichten van algemene dagelijkse levensverrichtingen.
De hulpmiddelen maken geen onderdeel uit van de woning en kunnen door de inwoner worden meegenomen wanneer deze verhuist.
Deze categorie hulpmiddelen wordt onderscheiden van woningaanpassingen, die wél aard- en nagelvast aan de woning zijn verbonden.
Roerende hulpmiddelen worden in principe in bruikleen verstrekt via de gecontracteerde leverancier van de gemeente. (zie bijlage 6)
Bij verhuizing binnen de gemeente neemt de inwoner het hulpmiddel mee, tenzij het hulpmiddel locatie gebonden is of de gemeente anders bepaalt.
In overleg kunnen er afspraken worden gemaakt met de gemeente waar de inwoner naar toe verhuist of op basis van het verhuisconvenant met het Zilveren kruis als het een WLZ- verhuizing betreft.
Voor een woonvoorziening vanuit de Wmo is een eigen bijdrage verschuldigd.
Voor de vertrekking van woningaanpassingen en roerende woonvoorzieningen gelden de huidige landelijke regels met betrekking tot eigen bijdrage volgens het abonnementstarief.
Na ontvangst van een melding dat de aanpassingen is afgerond of het hulpmiddel is geleverd geeft de gemeente de gegevens van de inwoners door aan het CAK.
Deze processen zijn ingeregeld met landelijk berichtenverkeer.
Inwoners dienen er rekening mee te houden dat dit landelijke beleid in de komende jaren naar verwachting zal worden aangepast en de lopende indicaties aangepast moeten worden.
Hoofdstuk 5. Rolstoelen- en vervoersvoorzieningen
Het college kan een rolstoel of vervoersvoorziening toekennen als compensatie van beperkingen bij participatie aan het dagelijkse leven.
Het gaat daarbij altijd om het zich kunnen verplaatsen in de directe en nabije leefomgeving zodat de inwoner kan deelnemen aan het maatschappelijke verkeer.
Het te bereiken resultaat van het zich kunnen verplaatsen met als doel participatie kan bestaan uit:
5.2.1. Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen
Bij de beoordeling van de aanspraak op een vervoersvoorziening wordt bekeken of een algemeen gebruikelijke voorziening, zoals bijvoorbeeld een fiets met hulpmotor of brommer, een adequaat vervoermiddel is voor de inwoner.
5.2.2 Bereiken en gebruiken van het openbaar vervoer
Bij de beoordeling wordt onderzocht of het openbaar vervoer kan worden bereikt. Daarbij gaat het college ervan uit dat een afstand van 800 meter in 20 minuten kan worden afgelegd. Mogelijk kan dat met de fiets of met de gebruikelijke loophulpmiddelen zoals een rollator of een stok.
Bij het onderzoek naar de goedkoopst passende bijdrage wordt de vervoersbehoefte van de inwoner vastgesteld.
Het college onderzoekt deze behoefte aan de hand van de volgende kenmerken:
Onder leefomgeving in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wordt een afstand aangehouden van maximaal 20 kilometer rondom de woning.
5.2.5 Vervoer buiten de leefomgeving
Voor vervoer buiten de leefomgeving verstrekt het college geen voorziening. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de eigen auto of het openbaar vervoer. Als het reguliere openbaar vervoer om medische redenen niet mogelijk is, bestaan de mogelijkheden van Valys. Zijn er geen mogelijkheden en is Valys niet (meer) mogelijk, dan kan het college overgaan tot het verlenen van een maatwerkvoorziening. Dan moet wel sprake zijn van een uitzonderingssituatie. Dat is alleen het geval bij een bovenregionaal sociaal contact, dat uitsluitend door de inwoner zelf bezocht kan worden en het bezoek voor de inwoner noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.
Het college kent geen voorziening toe als aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wet, waarmee een gelijk doel kan worden bereikt. In dat geval behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner om de aanspraak te gelde te maken. Hieronder staat een aantal voorbeelden genoemd.
Op grond van de ZVW bestaat aanspraak op zittend ziekenvervoer als de inwoner onder de doelgroep valt (nierdialyses moet ondergaan, oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moet ondergaan, zich uitsluitend per rolstoel kan verplaatsen of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat hij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen) of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Ook ambulancevervoer valt onder de ZVW.
5.2.9 Verplaatsen op of naar het werk of opleiding.
Het college verstrekt geen voorziening vanuit de Wmo voor vervoer op of naar het werk. Hiervoor zijn landelijke regelingen beschikbaar die worden uitgevoerd door het UWV. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager deze voorziening aan te vragen.
5.3. Aanspraak vervoersvoorziening
Tijdens het onderzoek worden ook de hiernavolgende zaken meegewogen.
Organisatie en begeleiding van de reis
Combinatiemogelijkheden bij vervoer in de taxi
Na het vaststellen van de noodzaak voor een vervoershulpmiddel wordt de aanvraag voor inmeten en het beoordelen door de indicatiesteller bij de hulpmiddelenleverancier gedaan. De verantwoordelijkheid voor het beoordelen van het type hulpmiddel, het inmeten, de passing, levering en het onderhoud van het hulpmiddel is belegd bij de leverancier.
5.3.3 Eigen bijdrage vervoershulpmiddelen
Voor het gebruik van een vervoershulpmiddel vanuit de Wmo is een eigen bijdrage verschuldigd uitgezonderd de vervoerskostenvergoeding.
Voor de inzet van vervoershulpmiddelen gelden de huidige landelijke regels met betrekking tot eigen bijdrage volgens het abonnementstarief.
Deze processen zijn ingeregeld met landelijk berichtenverkeer.
Na ontvangst van de leveringsdatum geeft de gemeente de gegevens van de inwoner door aan het CAK.
Inwoners dienen er rekening mee te houden dat dit landelijke beleid in de komende jaren naar verwachting zal worden aangepast en de lopende indicaties aangepast moeten worden.
5.3.4 Producten vervoersvoorzieningen
Onder vervoersvoorzieningen vallen in ieder geval:
5.3.4.1 Vervoerskostenvergoeding
Een vervoerskostenvergoeding wordt verstrekt als maatwerkvoorziening wanneer:
De vergoeding kan betrekking hebben op:
De normen voor het vaststellen van de hoogte van een vervoerskostenvergoeding zijn opgenomen in het financiële besluit.
5.3.4.2 Incidenteel rolstoelgebruik
Een rolstoel voor incidenteel gebruik (ook wel transportrolstoel genoemd) is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk en wordt niet verstrekt vanuit de Wmo.
Doorgaans wordt deze gebruikt als men zich elders moet verplaatsen en dat zonder een rolstoel niet kan, zoals tijdens een uitstapje. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik worden gemaakt van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de ZVW of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke.
5.3.4.3 Bijzondere fietsen gericht op mensen met een beperking
Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen. Denk daarbij aan driewielfietsen of handbikes.
Het indiceren van de noodzaak voor bijzonder fiets ligt bij de consulent, wanneer het een elektrische voorziening betreft is hiervoor een extra toets moment voorafgaand aan het afgeven van een beschikking door kwaliteit noodzakelijk.
Een driewielfiets wordt alleen verstrekt als:
Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte sta- loopfunctie. De scootmobiel is bedoeld voor verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera.
Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als:
5.3.4.5 Stalling scootmobielen en elektrisch aangedreven driewielfietsen
Vervoersvoorzieningen, zoals een scootmobiel, en een elektrisch aangedreven driewielfiets moeten op een adequate wijze gestald worden. Het college onderzoekt of de inwoner zelf mogelijkheden heeft om hiervoor te zorgen, door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings-)ruimte. Dit valt onder eigen kracht.
Het college verstrekt alleen een voorziening voor stalling als de inwoner geen eigen mogelijkheden tot het stallen heeft en het (vergunning)technisch uitvoerbaar is.
Een stalling heeft een dak, is aan drie zijden gesloten en indien nodig voorzien van een oplaadpunt.
De inwoner die een woning huurt moet toestemming hebben van de verhuurder voor het stallen van een scootmobiel of elektrisch aangedreven driewielfiets
5.3.4.6 (Electrische) Rolstoel
Hoewel een rolstoel strikt genomen geen vervoersvoorziening is, kan daar in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wel rekening mee worden gehouden. De inwoner kan een (elektrische) rolstoel namelijk ook gebruiken voor verplaatsingen in de directe woon-en leefomgeving.
Als uit het onderzoek blijkt dat de inwoner geen gebruik kan maken van (rolstoel)taxivervoer, dan kan in uitzonderingssituaties een aanpassing van de eigen auto aangewezen zijn.
Daarbij wordt een aantal uitgangspunten gehanteerd:
Wat is de ouderdom en technische staat van de auto? Een auto moet minimaal zeven jaar veilig kunnen rijden. Als een auto zeven jaar of ouder of is er al 75.000 kilometer of meer mee gereden, dan kan een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) nodig zijn om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op de technische staat en de verwachte levensduur van de auto. Heeft een auto al meer dan 75.000 kilometer gereden dan gaat het college daar niet van uit.
Het kan voor komen dat een inwoner met behulp van fondsen een auto of bus kan aanschaffen. Vaak moeten aan zo’n auto of bus nog aanpassingen verricht worden. Inwoner moet daarom voor de aanschaf toestemming verkrijgen van het college.
5.4 Aanspraak rolstoel (semi)permanent gebruik
Wanneer een inwoner voor al zijn verplaatsingen binnen- en buitenshuis (semi)afhankelijk en langdurig afhankelijk is van een rolstoel komt de inwoner in aanmerking voor een maatwerk rolstoel voor (semi)permanent gebruik.
De consulent stelt samen met de inwoner en eventueel ondersteund door een extern adviseur (ergotherapeut) een programma van eisen op waarin minimaal de volgende onderwerpen worden beschreven:
Het programma van eisen wordt aan de gecontracteerde leverancier opgestuurd waarbij een advies wordt gegeven voor de categorie waarbinnen het geïndiceerde hulpmiddel zou moeten vallen.
Een overzicht van de te indiceren categorieën is opgenomen in bijlage 7
Na het vaststellen van de noodzaak voor een rolstoel wordt de aanvraag voor inmeten en het beoordelen door de indicatiesteller bij de hulpmiddelenleverancier gedaan. De verantwoordelijkheid voor het beoordelen van het type hulpmiddel, het inmeten, de passing, levering en het onderhoud van het hulpmiddel is belegd bij de leverancier.
Een sportvoorziening is een op de inwoner afgestemde maatwerkvoorziening die gebruikt kan worden voor die sportbeoefening mogelijk maakt.
Vastgesteld moet worden of de inwoner structureel deelneemt aan sportactiviteiten, of de inwoner heeft onderzocht in hoeverre er voorliggende mogelijkheden zijn om de sportvoorziening te financieren
Sportvoorzieningen zijn geen onderdeel van de Wmo en worden alleen verstrekt in de vorm van een vergoeding. In de verordening van Steenwijkerland is dit opgenomen als bovenwettelijke vergoeding.
In Steenwijkerland kan een inwoner eenmaal per drie jaar een aanvraag doen voor een bijdrage voor een sportvoorziening.
De gemeente kan de inwoner achteraf verzoeken om aan te tonen dat deze vergoeding is ingezet voor het afgesproken doel.
Wmo-Begeleiding bestaat uit activiteiten die gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, zodat inwoners zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen.
Binnen Steenwijkerland bestaat dit uit Ambulante begeleiding en Dagbesteding
Het college biedt een maatwerkvoorziening in beginsel aan in de vorm van zorg in natura. Indien de cliënt/inwoner gemotiveerd aangeeft een persoonsgebonden budget te wensen, beoordeelt het college of een pgb, gelet op de vereisten van artikel 2.3.6 Wmo 2015, een passende vorm van ondersteuning is.
De cliënt moet beschikken over voldoende pgb vaardigheden, zoals het voeren van administratie, het selecteren van zorgverleners en bewaken van kwaliteit.
De cliënt dient een pgb plan in.
Het budget wordt vastgesteld op basis van inzet en tarieven in overeenstemming met gemeentelijk beleid zoals vastgesteld in het financiële besluit.
Hoofdstuk 7. Beschermd wonen, Begeleid Wonen en Beschermd Thuis
Beschermd Wonen is het wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding, gericht op:
Er kan daarbij sprake zijn van (meervoudige) complexe problematiek, verslaving en/of (licht) verstandelijke beperking, echter de psychiatrische problematiek staat op de voorgrond.
Begeleid Wonen is het zoveel mogelijk zelfstandig wonen in een accommodatie van een aanbieder. Inwoners ontvangen ondersteuning op maat, gericht op persoonlijke groei en zelfredzaamheid. Begeleid Wonen is een tussenvorm tussen Beschermd Wonen en Beschermd Thuis, waarbij de inwoner kan toegroeien naar de benodigde relatieve zelfstandigheid voor Beschermd Thuis.
Beschermd Thuis is het wonen in een zelfstandige woning met daarbij behorende begeleiding en kan worden ingezet:
7.2.1 Beschermd Wonen producten
Op de bovenstaande producten kan een aanvullende module worden afgegeven:
De gemeenten van de regio IJssel-Vecht ((Gemeenten Dalfsen, Hardenberg, Kampen, Ommen, Steenwijkerland, Staphorst, Zwartewaterland en centrumgemeente Zwolle) werken nauw samen op het gebied van Beschermd Wonen.
Het product Begeleid Wonen bestaat uit reguliere tot intensieve begeleiding met 24/7 bereikbaarheid.
Op het product Begeleid Wonen kan een aanvullende module worden afgegeven:
Begeleid Wonen is, in tegenstelling tot de Beschermd Wonen producten, vanaf 1 juli 2026, een lokaal gefinancierd product.
Naast de regionale producten Beschermd Wonen en het lokale product Begeleid Wonen biedt de gemeente Steenwijkerland ook het product Beschermd Thuis:
Beschermd Thuis is onderscheidend van Beschermd- of Begeleid Wonen in die zin dat de inwoner niet in een instelling of instellingswoning verblijft, maar in staat is om zelfstandig te wonen met huur op eigen naam, met reguliere tot intensieve begeleiding en 24/7 bereikbaarheid van de begeleiding. Beschermd Thuis kan ook worden ingezet als overbrugging voor een inwoner die met een Beschermd- of Begeleid Wonen beschikking op de wachtlijst staat. Daarnaast wordt Beschermd Thuis ingezet voor inwoners die de overstap maken van Beschermd- of Begeleid Wonen naar Beschermd Thuis. Waarna mogelijk in een later stadium de begeleiding stapsgewijs kan worden afgebouwd.
Voor zowel de Beschermd Wonen producten, voor Begeleid Wonen als voor het product Beschermd Thuis geeft de lokale toegang van de gemeente Steenwijkerland de beschikking af. Voor de regionale producten Beschermd Wonen Basis en Beschermd Wonen Plus wordt de inwoner na de toekenning op de regionale wachtlijst van de regio IJssel-Vecht geplaatst en zoeken de wachtlijstbeheerders van GGD-IJsselland een passende plek bij een gecontracteerde aanbieder. Voor de lokale producten Begeleid Wonen en Beschermd Thuis wordt de inwoner na de toekenning op de lokale wachtlijst geplaatst en zoekt het Wmo-team van de gemeente Steenwijkerland een passende plek bij een gecontracteerde aanbieder.
7.4 Verstrekkingsvorm: ZIN of PGB
Steenwijkerland gaat uit van voldoende passend aanbod in de vorm van zorg in natura (ZIN), bij de lokaal en regionaal gecontracteerde aanbieders.
Als de inwoner van mening is dat er niet voldoende passend aanbod is of een andere vorm van ondersteuning wenst, is het onder voorwaarden mogelijk de ondersteuning bij een niet-gecontracteerde zorgaanbieder af te nemen. De gemeente kan hiervoor een persoonsgebonden budget afgeven. De voorwaarden voor het toekennen van een persoonsgebonden budget en de pgb-aanvraag procedure staan beschreven in artikel 12 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland.
7.5 Tarieven regionaal en lokaal
De producten Beschermd Wonen Basis en Beschermd Wonen Plus worden regionaal ingekocht binnen de regio IJssel-Vecht en jaarlijks per kalenderjaar vastgesteld door de centrumgemeente Zwolle.
De tarieven voor Begeleid Wonen en Beschermd Thuis en de PGB tarieven worden jaarlijks door Burgemeester en wethouders van de gemeente Steenwijkerland vastgesteld in het Financieel besluit Wmo gemeente Steenwijkerland.
De hoogte van dit pgb wordt bepaald op basis van:
Het aantal geïndiceerde uren bestaat uit twee componenten:
Individuele component: deze component betreft de benodigde begeleiding die past bij de individuele zorgvraag van de inwoner. Uitgangspunt bij het bepalen van de omvang van deze component is de omvang van het geïndiceerde arrangement. Binnen de bandbreedte van het arrangement wordt gemotiveerd welke omvang voor de inwoner noodzakelijk is. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in begeleiding basis (mbo) en begeleiding specialistische (hbo).
Hoofdstuk 8. Maatschappelijke Opvang
Maatschappelijke opvang bestaat uit het aanbieden van onderdak en begeleiding aan inwoners die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Maatschappelijke opvang heeft als doel inwoners zo snel mogelijk weer in staat te stellen zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
De gemeenten van de regio IJssel-Vecht hebben de maatschappelijke opvang regionaal georganiseerd. Als een inwoner van Steenwijkerland dak- of thuisloos raakt wordt hij of zij doorverwezen naar de Centrale Toegang van de GGD-IJsselland. De Centrale Toegang beslist over de aanvragen en kan ook beslissen over het herzien of intrekken van een beslissing. Het besluit tot toekenning van maatschappelijke opvang is maatwerk en is afhankelijk van verschillende factoren. De Centrale Toegang beoordeelt of iemand aan de voorwaarden voldoet.
Hoofdstuk 9 Persoonsgebonden budget
9.1 Beoordeling van de voorwaarden
Bij het vaststellen of de inwoner dan wel zijn vertegenwoordiger in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te oefenen, beoordeelt het college de volgende aspecten.
De inwoner dan wel zijn vertegenwoordiger moeten in ieder geval:
In de volgende situaties is in ieder geval sprake van een ernstig vermoeden dat de inwoner dan wel zijn vertegenwoordiger problemen zal krijgen met het uitvoeren van de taken die horen bij een pgb:
Bij het beoordelen van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen ondersteuning houdt het college in ieder geval rekening met de hiernavolgende aspecten met het oog op de te bieden kwaliteit van de ondersteuning en de veiligheid van de inwoner.
9.1.3 Professionele ondersteuner
De ondersteuner die, al dan niet werkzaam via een professionele instelling, de geïndiceerde ondersteuning biedt, beschikt over een relevante opleiding en de juiste erkenningen.
Indien de ondersteuner niet beschikt over een relevante opleiding, dient op een voor het college verifieerbare wijze te worden aangetoond dat deze beschikt over relevante werkervaring, bijvoorbeeld door middel van controleerbare referenties.
9.1.4 Dubbelrol vertegenwoordiger
Als degene die de inwoner vertegenwoordigt ook de ondersteuning verleent, beoordeelt het college of het persoonsgebonden budget op een verantwoorde en controleerbare wijze kan worden beheerd en of sprake is van voldoende waarborgen tegen oneigenlijk gebruik of misbruik.
Indien het college van oordeel is dat deze waarborgen ontbreken, kan het college besluiten geen persoonsgebonden budget te verstrekken.
Ondersteuning door personen die behoren tot het sociaal netwerk
Personen behorend tot het sociaal netwerk van de inwoner worden niet als professionele ondersteuner beschouwd.
Bijlage 1 Voorbeelden van algemeen (gebruikelijke) voorzieningen
Bijlage 2 Maatschappelijke ondersteuning voor mensen met Wlz-zorg
Mensen met een Wlz-indicatie krijgen bijna alle zorg vanuit de Wlz. Maar voor sommige voorzieningen is de gemeente verantwoordelijk op grond van de Wmo. Het gaat dan om maatschappelijke ondersteuning en woningaanpassing en hulpmiddelen (zie art. 2.3.5 lid 6, hoofdregel en art. 8.6a onder de Wmo 2015 voor mensen met Wlz die thuis wonen.
Wie wat betaald is onder meer afhankelijk van waar u woont: in een zorginstelling, thuis of beide (deeltijdverblijf). In het schema hieronder staat per woonsituatie welke zorg en voorzieningen vanuit de Wlz komen, en welke vanuit de gemeente.
Bijlage 3 Niet limitatieve lijst algemeen gebruikelijke voorzieningen
Deze tabel geeft richting aan de beoordeling van algemeen gebruikelijke voorzieningen binnen de uitvoering van de Wmo 2015. De opgenomen lijst bevat voorbeelden van voorzieningen die in de regel als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. De lijst is niet limitatief: ook andere, vergelijkbare voorzieningen kunnen hieronder vallen.
Een voorziening wordt als algemeen gebruikelijk aangemerkt wanneer deze:
3. Niet limitatieve lijst van algemeen gebruikelijke voorzieningen
De onderstaande opsomming bevat voorbeelden van voorzieningen die doorgaans als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Deze lijst is niet uitputtend.
Bij de beoordeling of een voorziening als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt, hanteert het college de volgende uitgangspunten:
De lijst is niet limitatief: voorzieningen die niet expliciet zijn genoemd kunnen alsnog als algemeen gebruikelijk worden beschouwd.
De beoordeling vindt plaats op basis van de kenmerken van de voorziening én de actuele maatschappelijke normen.
De persoonlijke financiële situatie van de cliënt vormt in beginsel geen reden om een algemeen gebruikelijke voorziening als maatwerkvoorziening te verstrekken.
Indien een voorziening niet als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt, volgt beoordeling via het reguliere maatwerkproces.
Bijlage 4 Toelichting Vijf stappen CRVB-onderzoeksverslag
Deze beleidsregels structureren het Wmo-onderzoek en de verslaglegging volgens het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). De juridische basis ligt in art. 3:2 Awb en art. 2.3.2 en 2.3.5 Wmo 2015. Daarbij wordt aangesloten bij de tussenuitspraak van de CRvB van 21 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:819).
Verwijzingen naar jurisprudentie en bronnen
Bijlage 5 Stappenplan bij problematisch gedrag
Belangenafweging en proportionaliteit
Herstel en hervatting van ondersteuning
Alle stappen worden vastgelegd in het dossier, waaronder:
Bijlage 6 Voorbeelden roerende woonvoorzieningen (niet limitatief)
Ondersteuning bij dagelijkse handelingen
Bijlage 7 Categorieën Hulpmiddelen
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-283522.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.