Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland

Het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland;

 

Gelet op:

  • -

    titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht;

    De wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    De Verordening maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland;

Overwegende dat:

  • het college op grond van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd is beleidsregels vast te stellen;

  • de Verordening maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland het kader vormt voor de uitvoering van de Wmo 2015;

  • het college bij de uitvoering daarvan beoordelingsvrijheid heeft;

  • het gewenst is beleidsregels vast te stellen over de invulling van de beoordelingsvrijheid die het college heeft zodat uitvoerders en inwoners weten waar zij aan toe zijn;

Besluit:

 

  • 1.

    per 1 juni 2026 de volgende regels in te trekken:

    • Beleidsregels Wmo 2015 gemeente Steenwijkerland 2020;

    • Nadere regels kwaliteitseisen voor voorzieningen beschermd wonen in pgb;

    • Beleidsregels Wmo beschermd wonen gemeente Steenwijkerland;

  • 2.

    de volgende Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland vast te stellen en te bepalen dat deze met terugwerkende kracht in werking treden per 1 juni 2026.

Hoofdstuk 1. Definities, bepalingen en uitgangspunten

1.1 Begripsbepalingen

Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: de wet) en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Verordening maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland en de daarop gebaseerde lagere regelgeving en de Algemene Wet bestuursrecht (AWB).

 

1.2 Aanvullende begrippen in dit document

  • -

    Eigen bijdrage

de kosten als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet;

  • -

    WLZ

Wet langdurige zorg

  • -

    Verordening

Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Steenwijkerland

 

1.3 Algemene uitgangspunten

In de gemeente Steenwijkerland wordt binnen het gehele proces van melding tot en met beschikking gewerkt vanuit een aantal uitgangspunten waarbij de mogelijkheden van de inwoner centraal staan.

1.3.1 Omgekeerde Toets

De Omgekeerde Toets ondersteunt de uitvoering om maatwerk te leveren in het sociaal domein, zonder willekeur.

 

Door te starten bij de vraag wat de inwoner wil bereiken, kan beter worden beoordeeld wat iemand nodig heeft. De omgekeerde toets helpt om keuzes te maken op basis van waarden en doelen. Als laatste wordt gekeken hoe het besluit rechtsgeldig kan worden genomen op basis van geldende wet- en regelgeving zoals de Wmo 2015.

 

1.3.1.1 Grondwaarden Omgekeerde toets

De toets is gebaseerd op belangrijke grondwaarden van wetten in het sociaal domein:

 

  • -

    Zelfredzaamheid:

Mensen zoveel mogelijk zelf laten doen.

  • -

    Participatie:

Meedoen in de samenleving.

  • -

    Maatwerk:

Ondersteuning die past bij de persoonlijke situatie.

  • -

    Solidariteit:

Zorgen voor elkaar en helpen van kwetsbare groepen.

Deze waarden helpen bij het maken van keuzes.

 

1.3.1.2 Vier te toetsen stappen van de Omgekeerde Toets

 

Stap 1. 

Effect- Welk effect wil de inwoner bereiken?

Stap 2.

Grondwaarden - Past dit effect bij de grondwaarden van de wet?

Stap 3.

Ethische toets- beantwoording van alle vragen die bij de casus naar boven komen, zoals o.a. objectieve beoordeling, eerlijk, verantwoord

Stap 4.

Randvoorwaarden - geldende wet- en regelgeving toepassen

 

1.3.2 Positieve Gezondheid

Positieve Gezondheid gaat uit van veerkracht en zingeving in plaats van ziekte. Wat dit betekent, verschilt per inwoner. Positieve Gezondheid biedt handvatten om in beeld te brengen wat voor de inwoner belangrijk is.

In gesprek met de inwoner wordt vastgesteld hoe een inwoner zijn gezondheid ervaart en wat er belangrijk is voor die persoon? Hoe kan hij of zij de situatie zelf verbeteren?

 

1.3.2.1 Basis van Positieve Gezondheid

 

  • -

    Lichaamsfuncties:

Hoe werkt het lichaam en hoe voelt de inwoner zich lichamelijk?

  • -

    Mentaal welbevinden:

Hoe gaat het met de emoties en de veerkracht?

  • -

    Zingeving:

Wat maakt voor de inwoner het leven belangrijk?

  • -

    Kwaliteit van leven:

Hoe tevreden is de inwoner met zijn leven?

  • -

    Meedoen:

Heeft de inwoner sociale contacten doet hij mee in de samenleving?

  • -

    Dagelijks functioneren:

Kan de inwoner zelfstandig dingen doen in het dagelijks leven?

1.3.3 Nadere duiding en de praktijk

De bovenstaande uitgangspunten vormen de basis voor het beleid en de uitvoering van de Wmo in Steenwijkerland, samen zorgen ze voor maatwerk dat past bij de persoon én de wet.

 

Hieruit volgt dat:

 

  • -

    wat naar oordeel van het college binnen het vermogen van de inwoner ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen is voorliggend

De inwoner zal zich moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van zelfredzaamheid, sociale deelname en maatschappelijke ondersteuning te voorzien.

 

Voorbeelden:

  • -

    Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan.

  • -

    Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om huishoudelijke taken (deels) zelf uit te voeren. Daarbij houdt het college rekening met een (rustiger) tempo waarbinnen dat gebeurt maar ook met redelijkerwijs in acht te nemen leefregels waardoor de huishoudelijke taken verspreid over de week kunnen worden uitgevoerd. Ook het anders inrichten van de woning, zo nodig met hulp van bijvoorbeeld een ergotherapeut, valt onder eigen kracht als hiermee het probleem (deels) opgelost kan worden.

1.4 Regels en randvoorwaarden

1.4.1 Beroep op andere wettelijke regelingen

De inwoner moet zelf een beroep doen op een andere wettelijke regelingen, als deze naar verwachting in voldoende mate compensatie bieden aan het oplossen van het probleem en voorliggend is. Denk bijvoorbeeld aan het gebruik maken van paramedische zorg als bedoeld in de Zorgverzekeringswet vanwege lichamelijke en psychische klachten.

1.4.2 Gebruikelijke hulp

Gebruikelijke hulp heeft betrekking op personen die binnen de leefeenheid van de inwoner vallen. Als naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kan worden verlangd, bestaat geen (of slechts gedeeltelijk) aanspraak op een maatwerkvoorziening. Zie verder Hoofdstuk 1.5 van deze beleidsregels en de Verordening artikel 8.3

1.4.3 Mantelzorg

Mantelzorg is niet afdwingbaar maar het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie. Het college betrekt bij het onderzoek of (indien aanwezig) de mantelzorger ondersteuningsbehoefte heeft en zo ja welke, zodat de taken kunnen worden volgehouden. En beschrijft dit in het onderzoeksverslag zoals beschreven in de Verordening.

1.4.4 Sociaal netwerk

Van de inwoner wordt in principe verwacht dat hij personen uit zijn sociale netwerk vraagt om hulp. Inwoners vinden het misschien niet altijd makkelijk of zijn niet (meer) gewend om een ander te vragen iets voor hen te doen, terwijl mensen in het sociaal netwerk vaak best bereid zijn iets voor een ander te betekenen. Dit zal ook onderwerp zijn van het gesprek, waarbij het college, personen uit de sociale omgeving kan betrekken. Deze personen kunnen ook worden uitgenodigd bij het gesprek.

1.4.5 Goedkoopst passende voorziening

De hoofdregel volgens de verordening is dat de goedkoopst passende voorziening wordt verstrekt.

1.4.6 Niveau van maatschappelijke ondersteuning

De gevraagde ondersteuning staat in redelijke verhouding tot de situatie van de inwoner vóórdat ondersteuning nodig was. Dit betekent dat niet alle beperkingen volledig hoeven te worden weggenomen en dat de inwoner niet in dezelfde of een betere positie hoeft te komen dan daarvoor.

1.4.7 Voorzienbaarheid

Inwoners moeten rekening houden met voorzienbare beperkingen. Dit kan betekenen dat de aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt geweigerd. In de verordening is dit opgenomen in artikel 9 sub e.

 

Onder voorzienbaar wordt in ieder geval verstaan:

 

  • -

    de aankoop van een woning die niet geschikt is in verband met de iemands beperkingen; of

  • -

    verhuizen naar een woning waarvan te voorzien is dat daarin beperkingen zullen worden ondervonden, zoals de situatie waarin de inwoner rolstoelgebruiker is en verhuist naar een woning met een trap maar zonder traplift.

Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan worden afgewezen als uit het onderzoek blijkt dat de inwoner door het op eigen kracht aanschaffen van een voorziening of het inkopen van particuliere hulp al in staat is gebleken om in voldoende mate in zijn behoefte aan zelfredzaamheid of participatie te voorzien.

1.4.8 Algemeen gebruikelijk

Ter aanvulling en verduidelijking van de in de verordening opgenomen definitie van ‘algemeen gebruikelijk’ is dit begrip in deze beleidsregels nader uitgewerkt.

 

Een voorziening wordt als algemeen gebruikelijk aangemerkt wanneer deze:

  • -

    verkrijgbaar is in de reguliere handel,

  • -

    qua prijs en kwaliteit past binnen wat gebruikelijk is voor personen in vergelijkbare omstandigheden,

  • -

    niet specifiek bedoeld is voor mensen met een beperking/handicap

  • -

    financieel gedragen kan worden (zie 1.4.8.1)

Het college kent geen maatwerkvoorziening toe als de vraag van de inwoner kan worden opgelost met een algemeen gebruikelijke voorziening. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat het college een voorziening verstrekt waarvan aannemelijk is dat inwoner, ook als hij of zij geen beperkingen had, hierover zou (hebben kunnen) beschikken.

 

1.4.8.1 Financieel draagbaar met een minimuminkomen

Eén van de criteria voor het bepalen of een voorziening als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt is, is dat een voorziening financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Het is hierbij in principe niet van belang wat het inkomen van de inwoner zelf is. Het gaat om de vraag of iemand met een minimuminkomen de voorziening zou kunnen betalen Voor de kostprijs van de voorziening kijkt het college waar mogelijk ook naar beschikbare tweedehands voorzieningen.

 

Het voorgaande wil niet zeggen dat het inkomen van de inwoner helemaal nooit een rol kan spelen bij de beoordeling of een voorziening algemeen gebruikelijk is. Het college toetst of voldaan wordt aan de algemene criteria voor algemeen gebruikelijk. Als een inwoner vervolgens meent een algemeen gebruikelijke voorziening toch niet te kunnen betalen, is het aan de inwoner om dat met documenten te onderbouwen.

 

1.4.8.2 Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen

Of een voorziening algemeen gebruikelijk is, wordt beoordeeld aan de hand van de vraag of een persoon zonder beperkingen in een vergelijkbare situatie over deze voorziening zou beschikken.

 

In de jurisprudentie is een 3-tal criteria ontwikkeld voor de beantwoording van de vraag:

 

  • is de voorziening specifiek bedoeld voor personen met een beperking of handicap

  • is de voorziening daadwerkelijk beschikbaar

  • levert de voorziening een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt met een beperking tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en

  • kan deze financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau

  • de voorziening moet “naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen gangbaar zijn onder de gehele bevolking

Een fiets met elektrische trapondersteuning is hier een voorbeeld: een dergelijke fiets wordt ook gebruikt door mensen zonder beperkingen (bijvoorbeeld door mensen die een lange afstand naar hun werk of school moeten fietsen). Een dergelijke fiets is gewoon bij de fietsenwinkel te koop, zeker als rekening wordt gehouden met het ruime aanbod aan tweedehandsfietsen. Bij andere producten zal het afhangen van de kosten of deze algemeen gebruikelijk zijn. Een toilet met spoel-föhn installatie is bijvoorbeeld niet (meer) specifiek bedoeld voor mensen met een beperking en is vrij verkrijgbaar. Het hangt daarom in het concrete geval af van de kosten van de voorziening plus installatie of deze financieel draagbaar zijn met een minimuminkomen en dus algemeen gebruikelijk zijn.

 

Bij deze beleidsregels is in de bijlage een lijst opgenomen met producten die door de gemeente Steenwijkerland als algemeen gebruikelijk worden gezien (zie hiervoor ook de niet limitatieve bijlage IV).

 

1.5 Gebruikelijke hulp

1.5.1 Inleiding

Het college verwacht dat de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk taken overnemen in het huishouden als sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Bij het indiceren wordt rekening gehouden met de individuele omstandigheden. Gebruikelijke hulp afgemeten kan daarnaast worden getoetst aan 4 criteria:

 

  • het gaat niet om specialistische hulp,

  • gebruikelijke hulp is mogelijk, betrokkene kan het doen en is aanwezig,

  • betrokkene is niet overbelast en

  • er zijn geen medische redenen dat betrokkene het niet kan.

1.5.2 Van wie wordt gebruikelijke hulp verwacht

Onder een huisgenoot wordt iedere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de inwoner behoort. Onder een leefeenheid worden alle bewoners verstaan die gemeenschappelijk een woning bewonen omdat zij gezamenlijk een huishouden voeren.

 

Het gaat erom dat men feitelijk zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning. Die vraag moet beantwoord worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De enkele inschrijving in de BRP is onvoldoende om de vraag te beantwoorden waar iemand zijn woonadres heeft.

 

Soms kan twijfel bestaan of het gaat om huisgenoten of dat men feitelijk in twee verschillende woningen verblijft. Denk hierbij aan de situatie waarbij iemand woont in een apart bijgebouw. In die situatie onderzoekt het college de volgende factoren om te bepalen of het gaat om één leefeenheid:

 

  • -

    zijn de woningen kadastraal gesplitst?

  • -

    hebben ze een eigen huisnummer?

  • -

    is sprake van een huurovereenkomst?

  • -

    is het mogelijk om huurtoeslag aan te vragen voor de woning?

  • -

    beschikt de woning over alle gebruikelijke voorzieningen?

  • -

    heeft de woning een eigen toegangsdeur?

Een ander belangrijk criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding wordt het verzorgingscriterium genoemd. De betrokkenen moeten voor elkaar zorgdragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten of activiteiten van de huishouding dan wel anderszins.

 

Een contract of bewijsstukken dat huur of kostgeld wordt betaald, betekent niet automatisch dat de betrokkenen geen gezamenlijke huishouding kunnen voeren.

 

Bij (onder)huurders en kostgangers is sprake van een zuiver zakelijke relatie. Daarvan is geen sprake als de relatie verder gaat dan alleen de betaling van de huur of het kostgeld, bijvoorbeeld door het samen delen van maaltijden en de was. Het college kan een onderzoek instellen naar de feitelijke omstandigheden van de betrokkenen.

1.5.3 Gebruikelijke hulp door kinderen

Als gebruikelijke hulp van een kind wordt verwacht, doet het college, onderzoek naar het vermogen van dit kind voor wat betreft de taken waar het om gaat. Het college houdt daarbij rekening met wat op een bepaalde leeftijd als bijdrage van een kind mag worden verwacht, de ontwikkelingsfase van het kind en het feitelijke vermogen van het kind om een bijdrage te leveren.

 

1.5.3.1 Begripsbepaling

Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan:

  • -

    de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van huisgenoten, waaronder kinderen, rekening houdend met leeftijd, ontwikkelingsniveau en persoonlijke omstandigheden.

Gebruikelijke hulp maakt deel uit van het normale gezinsleven en wordt niet aangemerkt als ondersteuning in de zin van de Wmo 2015 of de Jeugdwet.

 

1.5.3.2 Algemene uitgangspunten

Van kinderen mag slechts gebruikelijke hulp worden verwacht die:

 

  • a.

    passend is bij hun leeftijd en ontwikkelingsfase;

  • b.

    geen belemmering vormt voor hun lichamelijke, emotionele en sociale ontwikkeling;

  • c.

    geen negatieve gevolgen heeft voor schoolgang, welzijn of beperkte gevolgen op vrije tijd;

  • d.

    niet leidt tot (dreigende) overbelasting;

  • e.

    geen verantwoordelijkheid met zich meebrengt voor zorg, veiligheid of continuïteit van het huishouden.

Kinderen mogen niet worden geacht mantelzorg te leveren.

 

Gebruikelijke hulp van kinderen is begrensd. Zodra sprake is van structurele, noodzakelijke of zware taken voortvloeiend uit een beperking binnen het gezin, eindigt de gebruikelijke hulp.

 

1.5.3.3 Leeftijdsafhankelijke invulling gebruikelijke hulp

  • Kinderen tot 5 jaar

    • -

      Van kinderen tot 5 jaar wordt geen gebruikelijke hulp verwacht.

    • -

      Eventuele betrokkenheid bij huishoudelijke taken heeft een spelend en leerzaam karakter en wordt niet meegewogen bij de beoordeling van gebruikelijke hulp.

  • Kinderen van 5 tot 12 jaar

    Van kinderen in deze leeftijdscategorie mag lichte, incidentele gebruikelijke hulp worden verwacht:

     

    • -

      opruimen van de eigen kamer;

    • -

      helpen bij eenvoudige huishoudelijke taken;

    • -

      tafeldekken en afruimen;

    • -

      incidenteel helpen bij boodschappen;

    • -

      kortdurend oppassen onder toezicht van een volwassene.

  • Niet als gebruikelijke hulp wordt aangemerkt:

     

    • -

      structureel oppassen op jongere kinderen;

    • -

      dagelijkse zorgtaken;

    • -

      het overnemen van huishoudelijke verantwoordelijkheden;

    • -

      persoonlijke verzorging van gezinsleden.

  • Jongeren van 12 tot 18 jaar

  • Van jongeren kan meer zelfstandigheid worden verwacht, binnen redelijke grenzen.

     

  • Gebruikelijke hulp kan bestaan uit:

     

    • -

      structureel meehelpen in het huishouden;

    • -

      uitvoeren van huishoudelijke taken passend bij de leeftijd;

    • -

      incidenteel en tijdelijk oppassen.

  • Niet onder gebruikelijke hulp vallen:

     

    • -

      structurele zorg voor een ouder of gezinslid met een beperking;

    • -

      regie-, coördinerende of planmatige zorgtaken;

    • -

      medische, verpleegkundige of persoonlijke verzorging;

    • -

      taken die leiden tot aantoonbare belasting of belemmering in ontwikkeling of schoolprestaties.

1.5.3.4 Afbakening gebruikelijke hulp en noodzakelijke ondersteuning

Gebruikelijke hulp wordt niet aangenomen als:

 

  • -

    de hulp structureel voortvloeit uit ziekte of beperking van een ouder of gezinslid;

  • -

    sprake is van langdurige belasting of verantwoordelijkheid;

  • -

    het kind (tot 12 jaar) feitelijk de rol van mantelzorger vervult;

  • -

    de hulp niet uitstelbaar of vervangbaar is;

  • -

    de veiligheid of ontwikkeling van het kind in het geding is.

In deze situaties kan aanvullende ondersteuning op grond van de Wmo 2015 en/of Jeugdwet noodzakelijk zijn.

 

1.5.3.5. Mantelzorg en beschermingsprincipe kinderen

Als blijkt dat een kind (tot 12 jaar) mantelzorg verleent of dreigt te verlenen:

 

  • -

    wordt dit niet aangemerkt als gebruikelijke hulp;

  • -

    wordt de situatie gesignaleerd en vastgelegd;

  • -

    wordt beoordeeld welke ondersteuning noodzakelijk is om overbelasting of ontwikkelingsschade te voorkomen.

Het belang en de bescherming van het kind (tot 12 jaar) staan hierbij voorop.

 

1.5.3.6 Beoordeling in het onderzoek

Bij de beoordeling van gebruikelijke hulp door kinderen worden in ieder geval betrokken:

 

  • -

    aard, frequentie en duur van de verrichte taken;

  • -

    leeftijd en belastbaarheid van het kind;

  • -

    vrijwilligheid en keuzevrijheid;

  • -

    samenhang met school, sociaal functioneren en welzijn;

  • -

    de mogelijkheid tot alternatieve ondersteuning.

De uitkomst hiervan wordt gemotiveerd vastgelegd in het onderzoeksverslag.

 

1.5.3.7 Hardheidsclausule

Indien toepassing van deze beleidsregels in een individuele situatie leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, kan het college gemotiveerd afwijken in het belang van het kind of de jongere.

1.5.4 Wanneer geen gebruikelijke hulp kan worden verwacht

1.5.4.1 Geobjectiveerde beperkingen/ ontbreken kennis & vaardigheden

Wanneer partner, ouders, kind en/of elke andere huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en of kennis/vaardigheden mist waardoor ze niet in staat zijn de benodigde hulp te bieden, hoeven zij geen of slechts in beperkte mate gebruikelijke hulp te bieden.

 

1.5.4.2 Niet-inwonende kinderen

Niet-inwonende kinderen hoeven geen gebruikelijke hulp te bieden, want zij behoren niet tot de leefeenheid. Wel kan worden bekeken of niet-inwonende kinderen (op vrijwillige basis als mantelzorger) een helpende hand kunnen bieden. Het criterium voor niet inwonend wordt niet bepaald door een BRP-inschrijving maar een daadwerkelijk structurele geheel of gedeeltelijke fysieke aanwezigheid.

 

1.5.4.3 Dreigende overbelasting

Bij gebruikelijke hulp onderzoekt het college of diegene van wie gebruikelijke hulp wordt verwacht, in staat is om deze gebruikelijke hulp te bieden. Bij dat onderzoek besteedt het college aandacht aan de draaglast. Het college beoordeelt of de echtgenoot of huisgenoot, naast zijn/haar werk en de door hem te verlenen zorg aan zijn echtgenoot of huisgenoot, fysiek en psychisch in staat is gebruikelijke hulp aan inwoner te verlenen. Alleen als sprake is van (dreigende) overbelasting, verstrekt het college (tijdelijk) ondersteuning. In het onderzoeksverslag wordt dit onderbouwd met doelen en termijnen.

 

In eerste instantie zal er indien noodzakelijk een toewijzing van korte duur zijn (maximaal drie maanden) om de gelegenheid te bieden de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. De uitgangspunten gelden ook als een partner/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen.

 

Als de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp met andere activiteiten, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding is geen reden om geen toepassing te geven aan het uitgangspunt van de gebruikelijke hulp.

 

Als er twijfel of een geschil bestaat over de aard en de mate van overbelasting kan het college extern onafhankelijk advies te vragen.

 

Als een volwassen huisgenoot stelt door overbelasting niet de gebruikelijke taken met betrekking tot het huishouden op zich te kunnen nemen, moet dit altijd medisch onderbouwd worden.

 

1.5.4.4 Korte levensverwachting

Als de zorgvrager een korte levensverwachting heeft welke medisch is vastgesteld, kan ter fysieke en psychische ontlasting van de leefeenheid van de zorgvrager besloten worden om geen toepassing te geven aan het uitgangspunt van de gebruikelijke hulp.

 

1.5.4.5 Culturele diversiteit

Bij het inventariseren van de eigen mogelijkheden van het huishouden wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken.

 

1.5.4.6 Opvang en verzorging van kinderen

Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen in het kader van de opvoeding en verzorging. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon, zoals de leeftijd en ontwikkeling van het kind vereisen. Indien nodig, wordt verwacht dat het ouder gebruik maakt van de voor hem/haar geldende mogelijkheden van zorgverlof. Als dit niet mogelijk is, onderzoekt de gemeente samen met de ouders of reguliere kinderopvang crèche, buitenschoolse opvang of een gastouderbureau een passende voorliggende voorziening is.”

 

Het gebruik van alternatieve opvangmogelijkheden wordt redelijk geacht, onafhankelijk van de financiële omstandigheden. Als deze mogelijkheden maximaal zijn gebruikt of afwezig zijn, of als alleen kortdurende overbrugging nodig is, kan hiervoor ondersteuning worden ingezet.

 

1.6 Gebruikelijke hulp en huishoudelijke taken

Van wie wordt gebruikelijke hulp verwacht bij huishoudelijke taken?

1.6.1 Volwassene

Van een volwassen gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze alle huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt.

1.6.2 Bijdrage van kinderen aan het huishouden

Als er kinderen binnen de leefeenheid aanwezig zijn, gaat het college ervan uit dat de kinderen een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken, passend bij de leeftijd en psychosociaal functioneren.

  • Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.

  • Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien.

  • Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, dat wil zeggen: rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.

1.6.3 Het aanleren van huishoudelijke activiteiten

Redenen als 'niet gewend zijn om’, leeftijd of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten’ leiden niet tot het toekennen van een voorziening voor het overnemen van huishoudelijke taken. Voor het aanleren van huishoudelijke taken kan voor een kortdurende periode (maximaal drie maanden) een voorziening worden toegekend.

1.6.4 Belasting door werk, studie, maatschappelijke participatie of zorgtaken

Bij gebruikelijke hulp gaat het college uit van de mogelijkheid om naast een volledige baan ondersteuning te bieden. Studie of werkzaamheden vormen geen reden om van de gebruikelijke hulp af te zien. Iedereen die werkt, zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor moeten zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Iedere volwassen burger wordt verondersteld naast een volledige baan of opleiding een huishouden te kunnen voeren. Gebruikelijke hulp gaat in beginsel voor op andere activiteiten van leden van de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke participatie.

 

Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij immers niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. Maar in alle situaties waarbij sprake is van een eigen keuze zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Van bijvoorbeeld chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de offshore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, kan niet worden verwacht dat zij een andere functie zoeken. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een periode van minimaal 7 aansluitende dagen, kunnen de niet-uitstelbare taken tijdelijk worden overgenomen in de periode dat de huisgenoot afwezig is. Bij huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken.

 

1.7 Begeleiding bij algemene dagelijkse levensverrichtingen

1.7.1 Definitie en afbakening begeleiding onder de Wmo

Begeleiding bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL)wordt alleen dan toegekend als geen sprake is van behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop of voorliggende zorg vanuit de zorgverzekeringswet. De meeste lichaamsgebonden ADL hulp zal hieronder vallen.

 

De begeleiding kan bestaan uit hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen. Denk hierbij aan in en uit bed komen, aan-en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning en sociaal contact.

 

In het kader van gebruikelijke hulp wordt een onderscheid gemaakt tussen:

 

  • Hulp van partners voor elkaar;

  • Hulp van volwassen huisgenoten voor elkaar, inwonende volwassen kinderen (> 18 jaar) voor hun ouders.

  • Onder partner wordt verstaan: de volwassene met wie de zorgvrager een intieme, emotionele relatie heeft én een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert.

1.7.2 Partners onderling

1.7.2.1Kortdurende situaties

Van partners wordt verwacht dat zij elkaar hulp bieden bij algemene dagelijkse levensverrichtingen als sprake is van een kortdurende zorgsituatie (maximaal drie maanden) met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de inwoner dat hulp daarna niet langer nodig is.

 

De zorgplicht van partners onderling betreft persoonlijke, lichamelijke zorg inclusief assistentie bij de algemeen dagelijkse levensverrichtingen, aandacht en begeleiding bij ziekte en psychosociale problemen. Een voorbeeld hiervan is de zorg voor een huisgenoot of partner tijdens een kortdurend gezondheidsprobleem als herstel na een operatie, griep, gekneusde ledematen e.d. Deze vorm van zorg is in principe (afhankelijk van de aard, omvang en duur) gebruikelijk.

 

1.7.2.2 Langdurige situaties

Bij een hulpvraag die naar verwachting langer dan drie maanden zal duren, is deze hulp ook tussen partners niet gebruikelijk. Als vanaf de start van de situatie duidelijk is dat het gaat om een langdurige situatie, kan direct een voorziening worden toegekend. In dat geval hoeft niet eerst drie maanden ‘gebruikelijke hulp’ door partners geleverd te worden.

 

1.7.2.3 Volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling

Hulp bij algemene dagelijkse levensverrichtingen van volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten, anders dan partners onderling, is geen gebruikelijke hulp.

1.7.3 Begeleiding (anders dan bij algemene dagelijkse levensverrichtingen)

1.7.3.1 Kortdurende situaties

Alle begeleiding van de inwoner door de partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot is gebruikelijke hulp als sprake is van een kortdurende situatie met uitzicht op herstel van de zelfredzaamheid. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.

 

1.7.3.2 Langdurige situaties

Als het gaat om een chronische situatie is de begeleiding van een volwassen inwoner gebruikelijke hulp als die begeleiding in de persoonlijke levenssfeer aan elkaar moet worden geboden. Als geen sprake is van dreigende overbelasting of van medische beperkingen mag van een volwassen huisgenoot naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid worden verwacht dat niet specialistische taken worden uitgevoerd als gebruikelijke hulp.

 

Dit is niet anders als de huisgenoot een druk bestaan heeft.

 

Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van begeleiding:

 

  • het begeleiden van de inwoner bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, enzovoort en bij maatschappelijke participatie;

  • het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie. Dit kan worden overgenomen door een huisgenoot als die taak altijd door de inwoner werd uitgevoerd;

  • aansturing van beperkte aard, zoals het dagelijks ophangen van briefjes met taken die de inwoner die dag moet doen en het gedurende de dag regelmatig bellen om te checken of de inwoner iets gedaan heeft;

  • het leren omgaan van derden (familie/vrienden) met (de beperkingen van) de inwoner.

1.8 Mantelzorg

1.8.1 Hulpmiddelen

De zelfredzaamheid van de inwoner is het uitgangspunt. Als de inwoner ondersteuning nodig heeft van een mantelzorger worden de (on)mogelijkheden van de vaste mantelzorger onderzocht.

 

Bij de inzet van hulpmiddelen houdt het college rekening met de belangen en belasting van mantelzorgers, zoals b.v. bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Ook kan het zijn dat de mantelzorger niet of moeizaam in staat is om de rolstoel te duwen. In voorkomende gevallen kan duwondersteuning op de rolstoel worden verstrekt.

 

1.8.2 Mantelzorgondersteuning als respijtzorg/logeerzorg

De maatwerkvoorziening is in eerste instantie bedoeld om de inwoner zelf adequaat te ondersteunen. Het college houdt daarbij rekening met de mantelzorg die inwoner heeft of mogelijk zou kunnen krijgen. Het kan betekenen dat de inwoner (tijdelijk) is aangewezen op een maatwerkvoorziening op de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is hem deze ondersteuning te bieden. Denk bijvoorbeeld aan structurele deelname aan dagactiviteiten als respijtzorg of geplande logeerzorg. Deze maatwerkvoorzieningen worden aan de inwoner toegekend (niet aan de mantelzorger).

 

1.8.3 Overbelasting van de mantelzorger

Respijtzorg in de vorm van een (tijdelijke) maatwerkvoorziening kan ook worden ingezet om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen en/of op te vangen. Van inwoner en mantelzorger wordt verwacht dat zij onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de overbelasting te voorkomen of te verminderen. De inzet van andere personen uit het sociale netwerk of eventueel vrijwilligers kan hierin ook een rol spelen. Het college weegt hierbij de belangen en de draaglast van de mantelzorger mee.

 

Hoofdstuk 2. Procedure

2.1 Beoordelen van de aanspraak

2.1.1 Afbakening met Wlz

Het college weigert een aanvraag voor een maatwerkvoorziening als:

 

  • -

    de inwoner een Wlz-indicatie heeft;

  • -

    de inwoner toegang kan krijgen tot de Wlz, maar weigert hiervoor een aanvraag te doen.

Uitzonderingen zijn die voorzieningen die benoemend zijn in bijlage 2. (maatschappelijke zorg voor mensen met een WLZ-indicatie).

 

Uitzondering:

 

Binnen Steenwijkerland is er geen collectief vervoer beschikbaar, qua vervoer zijn de mogelijkheden daarom beperkt en is een maximaal een (rolstoel)vervoerskostenvergoeding mogelijk.

 

2.2 Melding en aanvraag

Met deze beleidsregel wordt het onderscheid verduidelijkt tussen de melding in het kader van de Wmo 2015 en de aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De AWB‑beslistermijnen zijn uitsluitend van toepassing na ontvangst van een aanvraag. De meldingsfase is gericht op onderzoek en verkenning van de ondersteuningsbehoefte.

2.2.1 Onderscheid Melding en aanvraag

  • a.

    Een ondersteuningsvraag kan door of namens een inwoner worden gemeld bij het college.

  • b.

    De melding kan zowel mondeling, telefonisch als schriftelijk worden gedaan

  • c.

    De melding kan worden ingenomen bij de bureaudienst van de afdeling Maatschappelijke ondersteuning

  • d.

    De melding wordt aangemerkt als een melding in de zin van artikel 2.3.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • e.

    Binnen uiterlijk 6 weken na de melding moet het onderzoek zijn afgerond

  • f.

    Een melding wordt niet aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

  • g.

    Een aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt gedaan nadat het onderzoek is afgerond of de onderzoekstermijn is verstreken, waarmee de inwoner expliciet verzoekt om een besluit van het college.”

2.2.2 Beslistermijn

  • a.

    De beslistermijn van 2 weken als bedoeld in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht vangt aan op de datum waarop de aanvraag is ontvangen.

  • b.

    De datum van melding is niet bepalend voor het aanvangsmoment van de AWB‑beslistermijn.

  • c.

    Als het college niet tijdig beslist op een aanvraag, zijn de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht inzake niet tijdig beslissen van toepassing.

2.2.3 Zorgvuldigheid en voortvarendheid

  • a.

    Het college handelt voortvarend en zorgvuldig bij de afhandeling van meldingen en aanvragen.

  • b.

    Bij de beoordeling van de ingangsdatum van een maatwerkvoorziening kan, als de omstandigheden daartoe aanleiding geven, rekening worden gehouden met de datum van melding.

2.3 Uitgangspunten van het Wmo‑onderzoek

Het onderzoek wordt uitgevoerd met inachtneming van de beginselen van:

 

  • -

    zorgvuldigheid en objectiviteit;

  • -

    maatwerk en individuele beoordeling;

  • -

    de principes van positieve gezondheid;

  • -

    eigen kracht en gebruikelijke hulp;

  • -

    inzet van het sociaal netwerk;

  • -

    algemene en voorliggende voorzieningen vóór maatwerkvoorzieningen;

  • -

    integrale beoordeling van alle relevante levensdomeinen

  • -

    tijdigheid en naleving van wettelijke termijnen.

  • -

    in lijn met relevante jurisprudentie over de onderzoeksplicht en motiveringsvereisten

2.3.1 Vooronderzoek

  • -

    Het college verzamelt voorafgaand aan het gesprek de gegevens die noodzakelijk zijn voor een zorgvuldig onderzoek.

  • -

    Met toestemming van de inwoner kan relevante informatie bij derden worden opgevraagd.

  • -

    De inwoner dient zich op verzoek te identificeren met een geldig identiteitsbewijs.

2.3.2 Plaats en tijd

  • -

    Het eerste onderzoek behelst een fysiek huisbezoek, dit betreft een afspraak in de eigen woning of op een door de gemeente vastgestelde locatie.

  • -

    De afspraak kan telefonisch of schriftelijk worden gemaakt

  • -

    De inwoner kan zich laten bijstaan door een cliëntondersteuner of een betrokkene zoals beschreven in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning Steenwijkerland 2026

2.3.3 Inhoud en opbouw van het gesprek

2.3.3.1. Reikwijdte

Het college voert een gesprek met de inwoner waarin ten minste aan bod komt:

 

  • a.

    de ondersteuningsvraag en achterliggende problematiek;

  • b.

    de gewenste resultaten;

  • c.

    de eigen mogelijkheden van de inwoner;

  • d.

    de inzet van het sociaal netwerk;

  • e.

    het gebruik van algemene, collectieve of voorliggende voorzieningen;

  • f.

    de noodzaak van ondersteuning vanuit de Wmo;

  • g.

    eventuele betrokkenheid van andere wettelijke kaders (ZVW, Wlz, Jeugdwet e.a.).

2.3.3.2 Brede probleemanalyse

Het college maakt een integrale analyse van de situatie van de inwoner op de domeinen:

 

  • a.

    zelfredzaamheid en huishouden;

  • b.

    mobiliteit en vervoer;

  • c.

    participatie en daginvulling;

  • d.

    gezondheid en veiligheid;

  • e.

    wonen en woonomgeving;

  • f.

    financiële situatie en regie.

De analyse is gebaseerd op objectieve criteria, relevante feiten en professionele standaarden.

 

2.3.3.3 Onderzoek

In de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Steenwijkerland, artikel 9 zijn de juridische criteria vastgesteld wanneer een inwoner wel of niet in aanmerking komt voor een voorziening.

 

Voor ieder onderzoek gelden geleden aanvullend de volgend basisuitgangspunten:

 

  • a.

    wat kan de inwoner zelf of kan hij aanleren;

  • b.

    welke gebruikelijk hulp van toepassing is en wat is de omvang

  • c.

    welke hulp kan er binnen het sociaal netwerk (mantelzorgers, vrijwilligers, buren, familie, etc. worden gevonden en op welke wijze kunnen deze worden ingezet en gevraagd worden om een bijdrage te leveren;

  • d.

    is een algemene of collectieve voorziening beschikbaar en passend;

  • e.

    ondersteuning vanuit andere wetten voorliggend is (e.g. Zorgverzekeringswet, WLZ, Jeugdwet, overige verzekeringen of ondersteuning via andere regelingen)

  • f.

    is de maatwerkvoorziening noodzakelijk om zelfredzaam te zijn

Een maatwerkvoorziening wordt alleen dan verstrekt wanneer er geen andere adequate oplossing beschikbaar is.

 

Maatwerk voorziening worden zoveel mogelijk als zorg in natura of in bruikleen verstrekt zodat de inzet van middelen door het college transparant en effectief en met het juiste niveau van kwaliteit geleverd en gemonitord kunnen worden.

 

Het college weegt bij de beoordeling doelmatigheid en doeltreffendheid mee.

 

2.3.3.5 Onderzoeksverslag

Het college stelt een schriftelijk verslag op van het onderzoek welke voldoet aan de landelijke criteria uitgaande van het Vijf stappenmodel CRvB. (zie ook bijlage X)

 

  • 1.

    Vaststellen van de hulpvraag

    Beschrijf duidelijk de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner.

  • 2.

    Vaststellen van problemen/belemmeringen

    Omschrijf welke beperkingen de inwoner ervaart in zelfredzaamheid en participatie.

  • 3.

    Nodige ondersteuning

    Leg vast welke ondersteuning naar aard en omvang noodzakelijk is.

  • 4.

    Onderzoek naar eigen mogelijkheden en bronnen

    Inventariseer eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, sociaal netwerk en algemene voorzieningen.

  • 5.

    Conclusie en te leveren maatwerkvoorziening

    Beschrijf welke ondersteuning de gemeente moet compenseren en motiveer het besluit.

2.3.3.6 Vervolgproces

 

  • 1.

    De inwoner krijgt de gelegenheid het verslag aan te vullen of te corrigeren.

  • 2.

    De inwoner stuurt of mailt het verslag terug naar het college

  • 3.

    Het verslag vormt de basis voor een eventuele aanvraag en het daaropvolgende besluit.

2.3.3.7 Besluitvorming

Als de inwoner een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indient, neemt het college een besluit binnen de wettelijke termijnen.

 

Er kan alleen een besluit worden nomen wanneer het college een door de inwoner ondertekend verslag met de aangevraagd voorziening heeft ontvangen

 

Het besluit bevat ten minste:

 

  • a.

    de uitkomsten van het onderzoek;

  • b.

    de motivering van de gekozen oplossing;

  • c.

    het beoogde resultaat;

  • d.

    de aard, omvang, duur en eventuele voorwaarden van de voorziening.

2.3.4 Kwaliteitsbewaking en monitoring

 

Het college bewaakt de kwaliteit van het onderzoek door middel van:

 

  • a.

    interne dossiercontroles;

  • b.

    periodieke evaluaties met uitvoerende partners;

  • c.

    klanttevredenheidsmetingen;

  • d.

    analyse van bezwaar- en beroepszaken.

De bevindingen worden gebruikt voor verbetering van beleid en uitvoering.

 

2.4. Herindicatie

In de verordening Maatschappelijk ondersteuning Steenwijkerland is aangegeven wanneer een heronderzoek ingesteld kan worden.

 

Hierop aanvullend zijn de volgende regels van toepassing

 

  • a.

    Het heronderzoek na afloop van een indicatie vindt niet automatisch plaats

  • b.

    Indien een inwoner voortzetting van de ondersteuning noodzakelijk acht, wordt de inwoner verzocht zich tijdig vóór het aflopen van de indicatie bij het college te melden, bij voorkeur circa acht weken voorafgaand aan de einddatum, zodat het college de ondersteuningsbehoefte kan onderzoeken.

  • c.

    Als een zorgaanbieder een voortzetting van de indicatie noodzakelijk acht dient deze er zorg voor te dragen om hiervan in overleg en met toestemming van de inwoner acht weken voor het aflopen een melding te doen bij het college.

  • d.

    Afgesloten indicaties zonder dat daarvoor een herindicatie is aangevraagd worden kunnen niet worden gedeclareerd

  • e.

    In uitzonderingssituaties kan er een tijdelijke ambtelijke verlenging van de indicatie worden afgegeven.

2.5. Weigering van een maatwerkvoorziening

In de Verordening Maatschappelijk ondersteuning Steenwijkerland is aangegeven wanneer een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd.

 

Aanvullend is er beleid met betrekking tot situaties waarin onredelijk en onveilig gedrag wordt waargenomen.

2.5.1 Afwijzing of Beëindiging wegens Onredelijk of Onveilig Gedrag

De Wmo 2015 heeft als doel inwoners te ondersteunen bij zelfredzaamheid en participatie. De gemeente heeft daarbij zowel een zorgplicht als een zorgvuldige plicht naar medewerkers, uitvoerders en andere inwoners.

 

Dit betekent dat ondersteuning veilig, respectvol en uitvoerbaar moet kunnen worden geboden.

 

De gemeente kan de Wmo-ondersteuning weigeren, opschorten of beëindigen wanneer gedrag van een inwoner dit onmogelijk maakt, mits dit zorgvuldig, proportioneel en individueel gemotiveerd gebeurt.

 

Onderstaande situaties kunnen aanleiding zijn voor een afwijzing, opschorting of beëindiging van ondersteuning, voor zover dit gedrag de uitvoering van de ondersteuning feitelijk onmogelijk, onveilig of onredelijk maakt:

 

  • 1.

    Ernstig respectloos of grensoverschrijdend gedrag

    Voorbeelden:

    • -

      stelselmatige beledigingen, scheldpartijen of intimidatie richting medewerkers of uitvoerders

    • -

      agressie of (dreiging met) geweld

    • -

      het weigeren van iedere vorm van normaal respectvol contact

  • 2.

    Discriminerende uitingen of eisen

    Voorbeelden:

    • -

      discriminerende opmerkingen richting medewerkers of zorgverleners

    • -

      eisen dat bepaalde medewerkers op grond van afkomst, religie, huidskleur, gender, seksuele oriëntatie of andere beschermde kenmerken niet worden ingezet

    • -

      weigeren van ondersteuning wanneer deze wordt geleverd door een persoon uit een bepaalde groep

  • Deze situaties zijn in strijd met wettelijke normen en met de veilige uitoefening van werkzaamheden.

     

  • 3.

    Onredelijke of onuitvoerbare verwachtingen

    Voorbeelden:

    • -

      eisen van voorzieningen of ondersteuning die buiten het wettelijke kader vallen

    • -

      het niet accepteren van objectieve grenzen aan maatwerk

    • -

      het structureel weigeren van medewerking aan onderzoek of uitvoering, waardoor ondersteuning niet kan worden vastgesteld of geleverd

Besluiten worden altijd genomen binnen de Juridische kaders voor handelen

  • -

    artikel 2.3.2 Wmo 2015 (de onderzoeksverplichting)

  • -

    artikel 2.3.5 Wmo 2015 (toekenning maatwerkvoorzieningen)

  • -

    artikel 3:2 Awb (zorgvuldigheid)

  • -

    artikel 3:4 Awb (belangenafweging)

  • -

    artikel 3:41 Awb (motivering)

Beleid rond agressie en veiligheid voor medewerkers

  • De gemeente heeft geen bevoegdheid om op basis van meningen of persoon ondersteuning te weigeren — uitsluitend wanneer gedrag de uitvoering onmogelijk of onveilig maakt.

2.5.2 Misbruik en oneigenlijk gebruik

Misbruik is het bewust onjuist of onvolledig verstrekken van informatie waardoor ten onrechte ondersteuning wordt verkregen.

 

Oneigenlijk gebruik is het gebruiken van een voorziening voor een ander doel dan waarvoor deze is verstrekt.

 

Bij misbruik of oneigenlijk gebruik kan het college:

 

  • -

    de voorziening beëindigen of opschorten;

  • -

    verstrekte ondersteuning terugvorderen;

  • -

    fraude melden bij relevante instanties.

Het college kan een onderzoek starten bij signalen van misbruik.

 

De inwoner moet aan dit onderzoek meewerken.

 

2.6 Spoedprocedures

  • -

    Bij acute en ernstige situaties kan het college een onmiddellijke tijdelijke maatwerkvoorziening verstrekken.

  • -

    Het reguliere onderzoek wordt zo spoedig mogelijk gestart.

  • -

    De tijdelijke voorziening blijft van kracht totdat een definitief besluit is genomen.

  • -

    Spoedvoorzieningen worden uitsluitend verstrekt wanneer de situatie dit dringend vereist.

  • -

    Als blijkt dat de spoedvoorziening onterecht is verleend door foutieve informatie, kan het college terugvorderen.

Hoofdstuk 3. Huishoudelijke Ondersteuning

3.1 Beleid en richtlijnen

Bij het verlenen van huishoudelijke ondersteuning gelden een aantal beleidsuitgangspunten en voorwaarden die het fundament vormen voor het inzetten van huishoudelijke ondersteuning en bijdragen tot het bereiken van uitgangspunten van de Wmo.

3.1.1 Leefeenheid primair zelf verantwoordelijk

De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk voor het eigen huishouden en de wijze waarop de huishouding wordt gevoerd. Dat valt onder gebruikelijke hulp (zie Hoofdstuk 1.5).

3.1.2 Positieve gezondheid

Van de inwoners wordt verwacht dat deze zoveel als mogelijk zelf betrokken is bij en deelneemt aan de werkzaamheden binnen de aanwezige mogelijkheden zodat de eigen mogelijkheden optimaal worden benut.

3.1.3 Aanwezigheid tijdens hulp

De inwoner is zelf altijd aanwezig gedurende de inzet van de ondersteuning. De aanbieders worden door de inwoner toegelaten in de woning en daaruit volgt dat zij zelf geen sleutels beheren.

3.1.4 Aanwezigheid van algemeen gebruikelijke middelen of diensten

Als uitgangspunt geldt dat de inwoner beschikt over algemeen gebruikelijke materialen waarmee de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Denk aan een stofzuiger, een wasmachine, schoonmaakmiddelen, een dweil, voldoende schoonmaakdoekjes etc.

 

Het gaat in dit geval ook om voorzieningen die het mogelijk maken dat de inwoner een deel van de huishoudelijke taken zelf kan uitvoeren zoals een stofafnemer op stok (“Swivver”) en “helping hand”.

 

Het kan ook zijn dat met een algemeen gebruikelijke voorziening een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan de aanschaf van een wasdroger of het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die wel bereikbaar is voor de inwoner zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen. Dit laatste valt onder eigen kracht.

 

De inwoner wordt tijdens de indicatiestelling door de gemeente op de hoogte gesteld dat de taak voor het vaststellen van de aanwezigheid van de noodzakelijk en adequate hulpmiddelen en voorzieningen bij de aanbieder ligt.

3.1.5 Veilige en efficiënte werkomgeving

Van de inwoner wordt verwacht dat hij actieve medewerking verleent aan het bieden van een veilige en efficiënte werkomgeving het zodat de huishoudelijke hulp zo efficiënt en veilig als mogelijk kan werken. Denk bijvoorbeeld aan

 

  • -

    noodzakelijk de (her)inrichting van de woning (doorloop in de woning, bereikbaarheid van meubilair),

  • -

    (aanschaf van) gordijnen of

  • -

    opruimen of herinrichten van (te) volle vensterbanken of (open) kasten.

De organisatie hiervan valt onder eigen kracht en valt onder de verantwoordelijkheid van de inwoner.

 

3.1.6 Houden van huisdieren

In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet leidt tot meer inzet van huishoudelijke hulp. Het hebben van huisdieren brengt nu eenmaal (wat) meer vervuiling van de woning met zich mee. Een uitzondering kan gelden voor inwoners die zijn aangewezen op een blinde geleidehond of een andere officieel toegekende hulphond

3.1.7 Gesaneerde woning

Bij huishoudelijke hulp wordt uitgegaan van een gesaneerde woning ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie. Is de inwoner allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten maar worden deze dieren wel door de inwoner gehouden, dan kent het college voor het ‘meerwerk’ geen voorziening toe. Dit zijn keuzes die vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van inwoner.

3.1.8 Normale gebruik van de woning

Alleen binnenruimten die voor de inwoner noodzakelijk zijn voor het normale gebruik van de woning worden schoongemaakt en opgeruimd. Het gaat om ruimten met elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken) en verplaatsingen in de woning (verkeersruimten). Ruimten die niet in gebruik (hoeven te) zijn, vallen hier dus buiten. Dat wil niet zeggen dat in deze ruimte(n) helemaal nooit gestofzuigd of gedweild hoeft te worden.

 

3.2. Producten Huishoudelijke Ondersteuning

01

Schoonmaakondersteuning

Huishoudelijke hulp resulterend in een schoon en leefbaar huis.

02

Schoonmaakondersteuning/regie en zorg

HH2 wordt ingezet voor mensen die zelf geen of beperkt regie kunnen voeren bij het uitvoeren van de huishoudelijke hulp en in de volgende situaties:

 

De inwoner kan wel zelf de regie voeren, maar de fysieke beperkingen van de inwoner zijn dusdanig dat het niet overnemen van bepaalde huishoudelijke taken zou leiden tot het verlies van zelfstandig kunnen wonen.

 

De inwoner moet tijdelijk extra worden ondersteund in zijn zelfredzaamheid met advies, Instructie en voorlichting voor het op orde brengen van de woon- en leefomgeving, zodat aansluitend kan worden volstaan met HH1.

3.2.1 Een schoon en leefbaar huis

De huishoudelijke ondersteuning gaat over het schoonhouden van de woning. Iedereen moet gebruik kunnen maken van schone en leefbare elementaire woonruimten, zoals een woonkamer, een slaapkamer, een keuken, sanitaire ruimtes (maximaal één badkamer en twee toiletten) en aangrenzende hal, trap en/of overloop.

 

3.2.1.1 Elementaire woonruimten

Het gaat bij deze woonruimten over de primaire leefruimten in de woning die de inwoner daadwerkelijk (dagelijks of in ieder geval meerdere keren per week) in gebruik heeft. Deze ruimten worden schoongemaakt volgens de algemeen gebruikelijke hygiënische normen.

 

Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Om een schoon en leefbaar huis te realiseren zal huishoudelijk werk moeten worden uitgevoerd. Concreet gaat het om taken zoals stofzuigen van de woning, het schoonmaken van de sanitaire ruimten, keuken en het dweilen van vloeren.

 

3.2.1.2. Alleen de binnenkant van de woning

De huishoudelijke taken beperken zich tot de binnenkant van de woning. Onderhoud van tuin, opruimen van een schuur, de stoep vegen, ramen zemen aan de buitenkant vallen hier niet onder een schoon en leefbaar huis. Dat wil niet zeggen dat bijvoorbeeld het vegen van een balkon nooit gedaan zou mogen worden, maar er wordt geen aparte indicatie voor gegeven.

 

3.2.1.3 Uitgangspunt strijken van was

Als uitgangspunt geldt dat indien er een (tijdelijke) indicatie is voor wasverzorging de was niet wordt gestreken, tenzij dat medisch noodzakelijk is. Dat zal moeten blijken uit een medisch advies; waaronder ook wát gestreken zou moeten worden. Er kan worden volstaan met het opvouwen (en opruimen) van de was. Van de inwoner wordt verwacht dat hij beschikt of kan beschikken over strijkvrije kleding.

 

Dit moet overigens ook in relatie worden gezien met de aanschaf van een algemeen gebruikelijke wasdroger. Van de inwoner wordt verwacht dat er bijvoorbeeld extra (twee- of driedubbel) beddengoed aanwezig is. Datzelfde geldt voor voldoende handdoeken, andere linnengoed en/of kleding. Op deze manier kan de inzet van ondersteuning zo efficiënt mogelijk worden gedaan.

 

Op termijn zal er een algemene voorziening worden opgezet in de vorm van een was- (en strijk) service. De geïndiceerde standaard uren voor wasverzorging zullen dan ambtelijke worden omgezet naar een algemene voorziening waarbij geïndiceerde inwoners tegen gereduceerd tarief gebruik kunnen maken van deze voorziening.

3.2.2 Schoonmaakondersteuning/regie en zorg

De inwoner kan aangewezen zijn op huishoudelijke hulp aangevuld met andere lichte vormen van ondersteuning (02).

 

Indien noodzakelijk kan er een professional (bijvoorbeeld ergotherapeut/huishoudcoach of opruim coach) worden ingezet voor het (re)organiseren van de woning om te komen tot een omgeving waarin zowel de inwoners meer zelfstandig activiteiten kan uitvoeren als de ingezette hulp meer efficiënt en binnen de beschikbare tijd kan worden uitgevoerd.

 

Hiervoor kunnen voor een periode van maximaal vier weken extra uren worden geïndiceerd.

 

3.2.2.1 Advies, instructie, voorlichting, gericht op het huishouden

Het kan hierbij gaan om instructie over: het omgaan met hulpmiddelen, uitvoeren van licht huishoudelijk werk, het doen van de was, boodschappen doen of maaltijden bereiden (ook koken).

 

3.2.2.2 Dagelijkse organisatie van het huishouden

Het kan hierbij gaan om lichte administratieve werkzaamheden, controle van houdbaarheidsdata etc.

 

3.2.2.3. Zorg voor minderjarige kinderen

Het thuis zorgen voor de minderjarige kinderen die tot het huishouden behoren (die niet voor zichzelf kunnen zorgen)

 

Structurele opvang valt niet onder huishoudelijke hulp. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de ouder(s) om daarvoor te zorgen. Kinderopvang gaat voor op het verlenen van huishoudelijke hulp en is gangbaar tot en met vijf dagen per week. Het college verstrekt alleen bij hoge uitzondering en voor een zeer korte periode (max 4 weken) ondersteuning voor oppas en opvang van kinderen, zodat ouders de gelegenheid hebben om met gebruik van eigen kracht een structurele oplossing te vinden.

3.2.3 Uitzonderingssituaties

In zeer incidentele situaties kan er tijdelijk ondersteuning noodzakelijk zijn voor ondersteuning bij maaltijden, boodschappen doen en de verzorging van kinderen.

 

De inzet is altijd gericht op het ingang zetten en opstarten van voorliggende oplossingen.

 

De maximale periode waarvoor inzet op deze gebieden kan worden geïndiceerd is zes weken.

 

3.3 Administratieve tabel

In deze tabel omvat de officieel vastgestelde omschrijving en codes zoals bij de aanbesteding in 2024 is uitgevraagd en wordt hier voor de volledigheid gepubliceerd.

 

Productcategorie

Productcategorie omschrijving

Productcode

Eenheid

Frequentie

HH1

Schoonmaakondersteuning

010A01

Minuut

Per week

HH2

Schoonmaakondersteuning Regie en zorg

10A00

Minuut

Per week

 

3.4 Normenkader Huishoudelijke ondersteuning

Voor het vaststellen van de taken wordt gebruik gemaakt van het HHM-Normenkader. Bijlage X geeft het normenkader voor de Huishoudelijke Ondersteuning weer. Per resultaatgebied is uitgewerkt hoeveel professionele inzet nodig is voor de verschillende resultaten in de gemiddelde inwonersituatie en wat het effect hierop is van verschillende factoren. De normtijden zijn weergegeven als ‘uren per jaar’ en ‘minuten per week’. Deze sluiten aan bij het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 van HHM. Indien nodig kan het college gemotiveerd afwijken van de norm.

 

3.5 Communicatie

In deze beleidsregels is ervoor gekozen om voor iedere productcategorie een unieke specifiek communicatieparagraaf op te nemen.

De communicatie rondom huishoudelijk hulp kent een aantal stappen. Het landelijke i-Wmo berichtenverkeer is hiervan een integraal onderdeel en regelt de administratieve processen met de aanbieder met betrekking tot toekenning (301 bericht), start (305 bericht)/stop (307 bericht) - en declaraties (323 bericht).

 

In een administratie protocol (in de aanbesteding 2024 opgenomen) zijn deze afspraken op detail ingeregeld.

 

3.6 Proces op hoofdlijnen

  • 1.

    Na de melding van de hulpvraag doet het college onderzoek en maakt het een onderzoeksverslag. Uit het onderzoeksverslag kan blijken dat de inwoner is aangewezen op huishoudelijke ondersteuning.

  • 2.

    Hiervoor wordt dan een besluit met indicatie afgegeven op uren/minuten per week en eventuele frequentie voorkeur.

  • 3.

    In de het verslag worden de afgesproken werkzaamheden en de te behalen doelen beschreven. (Plan van aanpak) Deze worden ook gecommuniceerd met de aanbieder (zie ook verordening)

  • 4.

    Na ontvangst van een Toekenningsbericht maakt de aanbieder met de inwoner een ondersteuningsplan op basis van het plan van aanpak.

In dat ondersteuningsplan staat hoe de indicatie wordt gerealiseerd. Ook staat daarin voor de meeste taken de frequentie en de duur benoemd: hoe vaak wordt een bepaalde huishoudelijke taak geboden. Het ondersteuningsplan is integraal onderdeel van de beschikking en kan door de gemeente worden opgevraagd.

 

Het ondersteuningsplan moet door de inwoner en de aanbieder worden getekend voor akkoord.

 

Zodra de zorg wordt ingezet meldt de aanbieder dit bij de gemeente met het berichtenverkeer met een Start Zorg bericht.

 

3.7 Eigen bijdrage

Voor inzet van huishoudelijke ondersteuning vanuit de Wmo is een eigen bijdrage verschuldigd

 

Voor de inzet van Huishoudelijke ondersteuning gelden de huidige landelijke regels met betrekking tot eigen bijdrage volgens het abonnementstarief.

 

Deze processen zijn ingeregeld met landelijk berichtenverkeer.

 

Na ontvangst van een melding Start Zorg geeft de gemeente de gegevens van de inwoner door aan het CAK.

 

Inwoners dienen er rekening mee te houden dat dit landelijke beleid in de komende jaren naar verwachting zal worden aangepast en de lopende indicaties aangepast moeten worden.

 

De eigen bijdrage kan alleen worden stopgezet bij een onderbreking van meer dan 6 weken van alle door de Wmo verstrekte voorzieningen waarop de eigen bijdrage van toepassing is.

Hoofdstuk 4. Ondersteuning gericht op het wonen

Ondersteuning gericht op het wonen is een mogelijke maatwerk oplossingen in het kader van de Wet Maatschappelijke ondersteuning.

 

Het college verleent zo nodig een maatwerkvoorziening in de vorm van:

 

  • a.

    een verhuiskostenvergoeding of

  • b.

    een woningaanpassingen; en/of

  • c.

    hulpmiddelen om zich in en om de woning verplaatsen, of om de elementaire woonfuncties uit te voeren. Denk aan een rolstoel of een tillift.

4.1 Beleid en richtlijnen

Voor woonvoorzieningen gelden een aantal beleidsmatige uitgangspunten en voorwaarden die het fundament vormen voor het toekennen van maatwerkvoorzieningen gericht op het wonen welke bijdragen tot het bereiken van uitgangspunten van de Wmo.

4.1.1 Normaal gebruik van de woning

Bij het verstrekken van maatwerkoplossingen voor de woning gaat het alleen om de ruimten waarop de inwoner is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties en het bereiken van die ruimten. Onder specifiek omschreven en gemotiveerde omstandigheden kan het te bereiken resultaat ook betrekking hebben op de berging, of de toegang van de tuin of balkon van de woning.

 

Het college houdt geen rekening met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Voor het gebruik van hobbyruimten en studeerkamers worden geen woonvoorzieningen getroffen, omdat dit geen ruimten zijn met een elementaire woonfunctie.

4.1.2 Primaat van verhuizen

Als er veel kosten zijn gemoeid met het aanpassen van een woning (richtlijn: twee keer het bedrag van de in het financieel besluit vastgestelde bedrag voor een verhuiskostenvergoeding), kan verhuizen de (goedkoopst) passende oplossing zijn. Het college kan dan een verhuiskostenvergoeding verstrekken, eventueel aangevuld met losse woonvoorzieningen en/of noodzakelijke aanpassingen.

 

Bij het maken van de afweging tussen aanpassen en verhuizen, maakt het college een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en het verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woning) anderzijds. Voor de kosten die met het verhuizen gemoeid zijn, geldt de hoogte van de verhuiskosten en/of inrichtingskosten.

 

Het college weegt de kosten vervolgens af tegen de belangen van inwoner. Er kunnen zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden hiervan zijn:

 

  • a.

    De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de inwoner verhuist. Daarvan is sprake als de mantelzorg een wezenlijke bijdrage levert aan het behoud van de zelfredzaamheid van de inwoner, met het oog op het doel om zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. Dat is bijvoorbeeld het geval als de mantelzorg ondersteuning vanuit de Wmo (grotendeels) overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend.

  • b.

    Het college weegt de belangen van huisgenoten die onderdeel uitmaken van de leefeenheid mee bij de beoordeling of het primaat van verhuizen kan worden toegepast.

  • c.

    De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Hierbij kan het gaan om de inwoner zelf maar ook om zijn partner.

  • d.

    De woning waarnaar moet worden verhuisd, brengt een substantiële stijging van de totale woonlasten met zich mee die redelijkerwijs niet aanvaardbaar is. Het hebben van erg lage woonlasten betekent niet zondermeer dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. Bij een koopwoning wordt het primaat van verhuizen niet toegepast als de inwoner en/of de mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld diens partner, met een aanzienlijke restschuld blijft/blijven zitten na de verkoop van de woning. Of daarvan sprake is, beoordeelt het college in het individuele geval.

De financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten en/of inrichtingskosten wordt pas uitbetaald nadat de inwoner is verhuisd naar een door het college geschikt bevonden woning.

 

4.2 Woningaanpassing

4.2.1 Uitgangspunten

  • Een woningaanpassing is alleen mogelijk wanneer de woning is onderhouden en de woningaanpassing een toevoeging is aan de woning.

  • Als de inwoner is aangewezen op een woningaanpassing, dan wordt een programma van eisen opgesteld door de gemeente.

  • De geadviseerde woningaanpassingen zijn altijd gebaseerd op de goedkoopste passende oplossing.

  • Indien het eigen woning betreft dient de eigenaar twee offertes te overleggen binnen de gestelde termijn

  • De woningaanpassing moet volgens het programma van eisen worden uitgevoerd. Alleen met de door het college verleende toestemming kan worden begonnen met de werkzaamheden.

  • Nadat de werkzaamheden zijn voltooid, kan het college controleren of aan het programma van eisen is voldaan.

  • Meerwerk inclusief uitvoeringskosten bij aanvang van de woningaanpassing dient separaat te worden geoffreerd aan de inwoner en kan alleen in overleg en met schriftelijke toestemming op kosten van de inwoner vanuit de gemeente worden uitgevoerd wanneer dit het meerwerk past binnen het opgestelde programma van eisen.

4.2.2 Algemeen gebruikelijk

Aanpassingen als benoemd in bijlage 2 komen niet voor vergoeding via de Wmo in aanmerking.

4.2.3 Convenant Woningbouw corporaties

Voor het uitvoeren van woningaanpassingen bij woningen die toe behoren aan Woonconcept en Wetland wonen gelden de uitvoeringsafspraken zoals vastgelegd in het woonconvenant vastgesteld op 6 mei 2025.

 

Bij de overige verhuurinstanties is de inwoners zelf verantwoordelijk voor het aanleveren van een offerte in samenspraak met de verhuurder. De verhuurder dient toestemming te geven voor de aanpassingen.

4.2.4 Collectieve voorzieningen

  • a.

    Voorzieningen die aangebracht worden in collectieve/algemene ruimten worden in overleg met de eigenaar van de collectieve toegang of algemene ruimte bij de eerste verstrekking altijd op een individuele inwoner afgegeven inclusief het onderhoud.

  • b.

    Na verhuizing, overlijden of andere reden waardoor de voorziening niet meer adequaat is voor de inwoner wordt de voorziening aangeboden aan de eigenaar van de algemene ruimte. Het onderhoud wordt overgedragen aan de woningeigenaar.

Als de eigenaar deze voorziening niet wenst over te nemen dan wordt het onderhoudscontract beëindigd en de voorziening indien gewenst verwijderd op kosten van de eigenaar van de voorziening.

4.2.5 Onvoorziene Meerkosten

Achteraf gemaakt meerkosten bovenop een door de gemeente goedgekeurde offerte is alleen mogelijk als dit de kosten betreft met betrekking tot een onvoorziene meerprijs van materialen. (e.g. duurdere tegels).

 

Deze meerkosten dienen voor uitvoering in een separate offerte te worden aangeleverd en te worden goedgekeurd.

 

4.3 Trapliften

De gemeente heeft regionale collectieve afspraken over de inzet, het plaatsen en verwijderen van trapliften met een vaste leverancier. Deze leverancier heeft deze opdracht verkregen via een Europese aanbesteding.

 

Na het vaststellen van de noodzaak voor een traplift wordt de aanvraag voor inmeten en het beoordelen door de indicatiesteller bij de trapliftenleverancier gedaan. De indicatiesteller geeft hierbij de gewenste plaatsingszijde aan. De verantwoordelijkheid voor het beoordelen van het type traplift, het inmeten, de plaatsing en het onderhoud van de traplift is belegd bij de leverancier.

 

Als na het inmeten van de leverancier het noodzakelijk blijkt dat het een traplift betreft welke valt buiten het standaard assortiment brengt de leverancier een offerte uit volgens de vastgelegde afspraken.

 

4.4 Roerende hulpmiddelen ten behoeve van het wonen

Roerende hulpmiddelen zijn verplaatsbare, niet aan de woning bevestigde voorzieningen die een inwoner ondersteunen bij het voeren van een huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning, of het verrichten van algemene dagelijkse levensverrichtingen.

 

De hulpmiddelen maken geen onderdeel uit van de woning en kunnen door de inwoner worden meegenomen wanneer deze verhuist.

 

Deze categorie hulpmiddelen wordt onderscheiden van woningaanpassingen, die wél aard- en nagelvast aan de woning zijn verbonden.

4.4.1 Verstrekking en gebruik

Roerende hulpmiddelen worden in principe in bruikleen verstrekt via de gecontracteerde leverancier van de gemeente. (zie bijlage 6)

Bij verhuizing binnen de gemeente neemt de inwoner het hulpmiddel mee, tenzij het hulpmiddel locatie gebonden is of de gemeente anders bepaalt.

In overleg kunnen er afspraken worden gemaakt met de gemeente waar de inwoner naar toe verhuist of op basis van het verhuisconvenant met het Zilveren kruis als het een WLZ- verhuizing betreft.

 

4.5 Proces op hoofdlijnen

  • a.

    Na de melding van de hulpvraag doet het college onderzoek en maakt het een onderzoeksverslag. Uit het onderzoeksverslag kan blijken dat de inwoner is aangewezen op een woonvoorziening.

  • b.

    In de het verslag worden de hiermee te behalen doelen beschreven en de afgesproken aanpassingen beschreven.

  • c.

    Het te verwachten bedrag van de aanpassing wordt op basis van het programma van eisen of door de inwoner via een offerte opgevraagd of/er wordt een inschatting gemaakt door de woningcorporatie.

  • d.

    Hiervoor wordt dan een besluit met indicatie afgegeven met een programma van eisen en een indicatie van de hoogte van het bedrag.

  • e.

    Het definitieve bedrag wordt vastgesteld nadat de aanpassingen zijn gerealiseerd en dit bedrag wordt doorgegeven aan het CAK als basis voor de eigen bijdrage.

4.6 Eigen bijdrage

Voor een woonvoorziening vanuit de Wmo is een eigen bijdrage verschuldigd.

 

Voor de vertrekking van woningaanpassingen en roerende woonvoorzieningen gelden de huidige landelijke regels met betrekking tot eigen bijdrage volgens het abonnementstarief.

 

Na ontvangst van een melding dat de aanpassingen is afgerond of het hulpmiddel is geleverd geeft de gemeente de gegevens van de inwoners door aan het CAK.

 

  • a.

    Voor woningaanpassingen geldt dat het bedrag van de woningaanpassing aan het CAK wordt doorgegeven en de periode van de Eigen bijdrage eindigt wanneer het volledige bedrag is betaald.

  • b.

    Echter wanneer er meerdere voorzieningen in het kader van de Wmo zijn verstrekt loopt de eigen bijdrage door zolang de inwoner gebruik blijft maken van deze voorzieningen.

Deze processen zijn ingeregeld met landelijk berichtenverkeer.

 

Inwoners dienen er rekening mee te houden dat dit landelijke beleid in de komende jaren naar verwachting zal worden aangepast en de lopende indicaties aangepast moeten worden.

Hoofdstuk 5. Rolstoelen- en vervoersvoorzieningen

5.1 Inleiding

Het college kan een rolstoel of vervoersvoorziening toekennen als compensatie van beperkingen bij participatie aan het dagelijkse leven.

 

Het gaat daarbij altijd om het zich kunnen verplaatsen in de directe en nabije leefomgeving zodat de inwoner kan deelnemen aan het maatschappelijke verkeer.

 

Het te bereiken resultaat van het zich kunnen verplaatsen met als doel participatie kan bestaan uit:

 

  • a.

    het kunnen bereiken van winkels en andere noodzakelijke voorzieningen;

  • b.

    het kunnen onderhouden van sociale contacten;

  • c.

    het deelnemen aan activiteiten binnen de leefomgeving van de inwoner.

5.2 Beleid en richtlijnen

5.2.1. Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen

Bij de beoordeling van de aanspraak op een vervoersvoorziening wordt bekeken of een algemeen gebruikelijke voorziening, zoals bijvoorbeeld een fiets met hulpmotor of brommer, een adequaat vervoermiddel is voor de inwoner.

5.2.2 Bereiken en gebruiken van het openbaar vervoer

Bij de beoordeling wordt onderzocht of het openbaar vervoer kan worden bereikt. Daarbij gaat het college ervan uit dat een afstand van 800 meter in 20 minuten kan worden afgelegd. Mogelijk kan dat met de fiets of met de gebruikelijke loophulpmiddelen zoals een rollator of een stok.

5.2.3 Vervoersbehoefte

Bij het onderzoek naar de goedkoopst passende bijdrage wordt de vervoersbehoefte van de inwoner vastgesteld.

 

Het college onderzoekt deze behoefte aan de hand van de volgende kenmerken:

 

  • -

    verplaatsingsgedrag (afstand en frequentie);

  • -

    het verplaatsingsmotief (waarom);

  • -

    de verplaatsingsbestemming (waarheen)

5.2.4 Leefomgeving

Onder leefomgeving in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wordt een afstand aangehouden van maximaal 20 kilometer rondom de woning.

5.2.5 Vervoer buiten de leefomgeving

Voor vervoer buiten de leefomgeving verstrekt het college geen voorziening. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de eigen auto of het openbaar vervoer. Als het reguliere openbaar vervoer om medische redenen niet mogelijk is, bestaan de mogelijkheden van Valys. Zijn er geen mogelijkheden en is Valys niet (meer) mogelijk, dan kan het college overgaan tot het verlenen van een maatwerkvoorziening. Dan moet wel sprake zijn van een uitzonderingssituatie. Dat is alleen het geval bij een bovenregionaal sociaal contact, dat uitsluitend door de inwoner zelf bezocht kan worden en het bezoek voor de inwoner noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.

5.2.6 Omvang

Het college gaat uit van een vervoersbehoefte met een omvang van maximaal 2000 kilometer per jaar.

5.2.7 Eigen kracht

Het college kent geen voorziening toe als aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wet, waarmee een gelijk doel kan worden bereikt. In dat geval behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner om de aanspraak te gelde te maken. Hieronder staat een aantal voorbeelden genoemd.

5.2.8 Ziekenvervoer

Op grond van de ZVW bestaat aanspraak op zittend ziekenvervoer als de inwoner onder de doelgroep valt (nierdialyses moet ondergaan, oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moet ondergaan, zich uitsluitend per rolstoel kan verplaatsen of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat hij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen) of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Ook ambulancevervoer valt onder de ZVW.

5.2.9 Verplaatsen op of naar het werk of opleiding.

Het college verstrekt geen voorziening vanuit de Wmo voor vervoer op of naar het werk. Hiervoor zijn landelijke regelingen beschikbaar die worden uitgevoerd door het UWV. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager deze voorziening aan te vragen.

5.2.10 Verplaatsen naar de maatwerk dagbesteding

De gecontracteerde aanbieders voor dagbesteding zijn naar verwachting vanaf 2027verantwoordelijk voor het organiseren van het vervoer van en naar de dagbesteding

 

5.3. Aanspraak vervoersvoorziening

5.3.1 Criteria

Tijdens het onderzoek worden ook de hiernavolgende zaken meegewogen.

 

Mobiliteit

 

  • -

    maximale loopafstand op goede dag;

  • -

    maximale loopafstand op slechte dag;

  • -

    gebruik loophulpmiddel: (rollator, wandelstok, kruk, etc.);

  • -

    gebruik rolstoel/scootmobiel: (type, bijvoorbeeld elektrische rolstoel);

  • -

    in staat gebruik te maken van de scootmobielpool (indien aanwezig en geschikt).

Uithoudingsvermogen:

 

  • -

    maximale reisduur;

  • -

    kan gedurende de reis overstappen;

  • -

    invloed weersomstandigheden op functioneren;

  • -

    invloed tijdstip (overdag/avond) op functioneren.

Organisatie en begeleiding van de reis

 

  • -

    kan zonder begeleiding met het OV;

  • -

    kan met begeleiding in het OV, zonder begeleiding met de taxi;

  • -

    kan met begeleiding in het OV en met begeleiding met de taxi;

  • -

    kan alleen met begeleiding met de taxi.

Combinatiemogelijkheden bij vervoer in de taxi

  • -

    kan met iedereen gecombineerd worden;

  • -

    kan alleen met eigen doelgroep gecombineerd worden;

  • -

    kan met niemand gecombineerd worden.

5.3.2 Proces

Na het vaststellen van de noodzaak voor een vervoershulpmiddel wordt de aanvraag voor inmeten en het beoordelen door de indicatiesteller bij de hulpmiddelenleverancier gedaan. De verantwoordelijkheid voor het beoordelen van het type hulpmiddel, het inmeten, de passing, levering en het onderhoud van het hulpmiddel is belegd bij de leverancier.

5.3.3 Eigen bijdrage vervoershulpmiddelen

Voor het gebruik van een vervoershulpmiddel vanuit de Wmo is een eigen bijdrage verschuldigd uitgezonderd de vervoerskostenvergoeding.

 

Voor de inzet van vervoershulpmiddelen gelden de huidige landelijke regels met betrekking tot eigen bijdrage volgens het abonnementstarief.

 

Deze processen zijn ingeregeld met landelijk berichtenverkeer.

 

Na ontvangst van de leveringsdatum geeft de gemeente de gegevens van de inwoner door aan het CAK.

 

Inwoners dienen er rekening mee te houden dat dit landelijke beleid in de komende jaren naar verwachting zal worden aangepast en de lopende indicaties aangepast moeten worden.

5.3.4 Producten vervoersvoorzieningen

Onder vervoersvoorzieningen vallen in ieder geval:

  • -

    meerdere vormen van vervoerskostenvergoedingen

  • -

    bijzondere fietsen gericht op mensen met een beperking;

  • -

    scootmobiel;

  • -

    aanpassing van de eigen auto.

LET OP:

 

In Steenwijkerland is er lokaal geen mogelijkheid om gebruik te maken van collectief vervoer. Voor vervoersbewegingen binnen de gemeente wordt er intensief gebruik gemaakt van het vrijwilligersvervoer. Dit staat los van de gemeente.

 

In 2027 wordt hier onderzoek naar gedaan.

 

5.3.4.1 Vervoerskostenvergoeding

Een vervoerskostenvergoeding wordt verstrekt als maatwerkvoorziening wanneer:

 

  • Het vervoer noodzakelijk is om de inwoner in staat te stellen tot deelname aan de samenleving.

  • De vergoeding wordt verstrekt voor de meerkosten die de inwoner maakt door zijn beperking, wanneer andere vervoersopties niet beschikbaar of niet geschikt zijn.

De vergoeding kan betrekking hebben op:

 

  • kosten voor individueel taxivervoer;

  • gebruik van een eigen auto (vergoeding per kilometer);

  • rolstoel- of aangepast vervoer

De normen voor het vaststellen van de hoogte van een vervoerskostenvergoeding zijn opgenomen in het financiële besluit.

 

5.3.4.2 Incidenteel rolstoelgebruik

Een rolstoel voor incidenteel gebruik (ook wel transportrolstoel genoemd) is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk en wordt niet verstrekt vanuit de Wmo.

 

Doorgaans wordt deze gebruikt als men zich elders moet verplaatsen en dat zonder een rolstoel niet kan, zoals tijdens een uitstapje. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik worden gemaakt van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de ZVW of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke.

 

5.3.4.3 Bijzondere fietsen gericht op mensen met een beperking

Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen. Denk daarbij aan driewielfietsen of handbikes.

 

Het indiceren van de noodzaak voor bijzonder fiets ligt bij de consulent, wanneer het een elektrische voorziening betreft is hiervoor een extra toets moment voorafgaand aan het afgeven van een beschikking door kwaliteit noodzakelijk.

 

Een driewielfiets wordt alleen verstrekt als:

 

  • a.

    er sprake is van een beperkte sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers; en het overbruggen van afstanden op de plaats van bestemming

  • b.

    de inwoner een beperkte loopafstand heeft (minimaal 250 meter met of zonder loophulpmiddel) en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de middellange korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een driewielfiets;

  • c.

    de inwoner in staat is om een eventueel aanvullend loophulpmiddel voor korte afstanden mee te nemen.

  • d.

    niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals een algemeen gebruikelijk verkrijgbare (elektrische) fiets;

  • e.

    de inwoner zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen. Dit wordt zo nodig beoordeeld aan de hand van een rijvaardigheidstest;

  • f.

    er een mogelijkheid is om de fiets te stallen en op te laden op een brandveilige plek

  • g.

    de inwoner de fiets zelfstandig kan stallen en opladen

  • h.

    Kinderen:

    Een normale kinderdriewieler wordt voor kinderen als algemeen gebruikelijk beschouwd en komt niet voor verstrekking in aanmerking.

     

    Driewielfietsen die speciaal bedoeld zijn voor kinderen met beperkingen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen.

5.3.4.4 Scootmobiel

Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte sta- loopfunctie. De scootmobiel is bedoeld voor verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera.

 

5.3.4.4.1 Criteria

Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als:

 

  • a.

    er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers;

  • b.

    de inwoner een beperkte loopafstand heeft (maximaal 100 meter eventueel met loophulpmiddel) en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel;

  • c.

    De inwoner in staat is om een eventueel aanvullend loophulpmiddel voor korte afstanden mee te nemen op de scootmobiel.

  • d.

    niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals met een hand- of duwstoel of een aangepaste fiets;

  • e.

    de inwoner zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen. Dit wordt zo nodig beoordeeld aan de hand van een rijvaardigheidstest;

  • f.

    er een mogelijkheid is om de scootmobiel te stallen en op te laden op een brandveilige plek

  • g.

    de inwoner of een begeleider de scootmobiel zelf kan stallen en opladen

5.3.4.5 Stalling scootmobielen en elektrisch aangedreven driewielfietsen

Vervoersvoorzieningen, zoals een scootmobiel, en een elektrisch aangedreven driewielfiets moeten op een adequate wijze gestald worden. Het college onderzoekt of de inwoner zelf mogelijkheden heeft om hiervoor te zorgen, door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings-)ruimte. Dit valt onder eigen kracht.

 

Het college verstrekt alleen een voorziening voor stalling als de inwoner geen eigen mogelijkheden tot het stallen heeft en het (vergunning)technisch uitvoerbaar is.

 

Een stalling heeft een dak, is aan drie zijden gesloten en indien nodig voorzien van een oplaadpunt.

 

De inwoner die een woning huurt moet toestemming hebben van de verhuurder voor het stallen van een scootmobiel of elektrisch aangedreven driewielfiets

 

5.3.4.6 (Electrische) Rolstoel

Hoewel een rolstoel strikt genomen geen vervoersvoorziening is, kan daar in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wel rekening mee worden gehouden. De inwoner kan een (elektrische) rolstoel namelijk ook gebruiken voor verplaatsingen in de directe woon-en leefomgeving.

 

5.3.4.7 Autoaanpassingen

Als uit het onderzoek blijkt dat de inwoner geen gebruik kan maken van (rolstoel)taxivervoer, dan kan in uitzonderingssituaties een aanpassing van de eigen auto aangewezen zijn.

 

Daarbij wordt een aantal uitgangspunten gehanteerd:

 

  • -

    Is het gebruik van de eigen auto nodig voor het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel én is het (individueel) vervoer geen passende bijdrage?

  • -

    Is een autoaanpassing de goedkoopst passende bijdrage?

  • -

    Wat is de ouderdom en technische staat van de auto? Een auto moet minimaal zeven jaar veilig kunnen rijden. Als een auto zeven jaar of ouder of is er al 75.000 kilometer of meer mee gereden, dan kan een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) nodig zijn om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op de technische staat en de verwachte levensduur van de auto. Heeft een auto al meer dan 75.000 kilometer gereden dan gaat het college daar niet van uit.

  • -

    Is de inwoner eigenaar en bestuurder van de auto? Onder de eigenaar van de auto kan ook de wettelijk vertegenwoordiger van het kind worden verstaan waar de autoaanpassing voor bestemd is.

Fondsenwerving

Het kan voor komen dat een inwoner met behulp van fondsen een auto of bus kan aanschaffen. Vaak moeten aan zo’n auto of bus nog aanpassingen verricht worden. Inwoner moet daarom voor de aanschaf toestemming verkrijgen van het college.

 

5.4 Aanspraak rolstoel (semi)permanent gebruik

Wanneer een inwoner voor al zijn verplaatsingen binnen- en buitenshuis (semi)afhankelijk en langdurig afhankelijk is van een rolstoel komt de inwoner in aanmerking voor een maatwerk rolstoel voor (semi)permanent gebruik.

5.4.1. Criteria

De consulent stelt samen met de inwoner en eventueel ondersteund door een extern adviseur (ergotherapeut) een programma van eisen op waarin minimaal de volgende onderwerpen worden beschreven:

 

  • medische noodzaak (duur en omvang van beperkingen)

  • loopafstand

  • gebruik overige loophulpmiddel: (rollator, wandelstok, kruk, etc.);

  • wijze van transfers

  • zithouding/zitbalans

  • handfunctie

  • woonsituatie

Het programma van eisen wordt aan de gecontracteerde leverancier opgestuurd waarbij een advies wordt gegeven voor de categorie waarbinnen het geïndiceerde hulpmiddel zou moeten vallen.

 

Een overzicht van de te indiceren categorieën is opgenomen in bijlage 7

5.4.2 Proces

Na het vaststellen van de noodzaak voor een rolstoel wordt de aanvraag voor inmeten en het beoordelen door de indicatiesteller bij de hulpmiddelenleverancier gedaan. De verantwoordelijkheid voor het beoordelen van het type hulpmiddel, het inmeten, de passing, levering en het onderhoud van het hulpmiddel is belegd bij de leverancier.

5.4.3 Eigen bijdrage Rolstoelen (semi)permanent gebruik

Inwoners die gebruik maken van een rolstoel zoals bedoeld onder 5.4 hoeven hiervoor geen eigen bijdrage af te dragen aan het CAK.

 

5.5 Sportvoorziening

Een sportvoorziening is een op de inwoner afgestemde maatwerkvoorziening die gebruikt kan worden voor die sportbeoefening mogelijk maakt.

 

Vastgesteld moet worden of de inwoner structureel deelneemt aan sportactiviteiten, of de inwoner heeft onderzocht in hoeverre er voorliggende mogelijkheden zijn om de sportvoorziening te financieren

 

Sportvoorzieningen zijn geen onderdeel van de Wmo en worden alleen verstrekt in de vorm van een vergoeding. In de verordening van Steenwijkerland is dit opgenomen als bovenwettelijke vergoeding.

 

In Steenwijkerland kan een inwoner eenmaal per drie jaar een aanvraag doen voor een bijdrage voor een sportvoorziening.

 

De gemeente kan de inwoner achteraf verzoeken om aan te tonen dat deze vergoeding is ingezet voor het afgesproken doel.

Hoofdstuk 6 Begeleiding

LET OP:

 

In Steenwijkerland worden in 2026/2027 de uitgangpunten, de maatwerkmogelijkheden en de contractafspraken en de wijze van financieren met betrekking tot de ondersteuning in de vorm van WMO—begeleiding herzien.

 

Vanaf medio 2027 zal hierbij het “Landelijke normenkader Begeleiding” van HHM leidend zijn bij het beleid en de indicatiestellingen.

 

Naar verwachting zullen in 2027 de beleidsregels hierop moeten worden aangepast.

 

De huidige beleidsregels worden in deze versie zeer beperkt uitgewerkt.

 

6.1 Algemeen

Wmo-Begeleiding bestaat uit activiteiten die gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, zodat inwoners zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen.

 

Binnen Steenwijkerland bestaat dit uit Ambulante begeleiding en Dagbesteding

6.1.1 Begeleiding individueel

Begeleiding individueel wordt ingezet voor inwoners die ondersteuning nodig hebben bij:

 

  • plannen, structureren en organiseren;

  • persoonlijke verzorging en dagstructuur;

  • administratie en financiën (beperkt ondersteunend, geen overname);

  • sociale vaardigheden;

  • aanleren van vaardigheden ter vergroting van zelfstandigheid.

6.1.2 Begeleiding groep (dagbesteding)

Dagbesteding wordt ingezet wanneer:

 

  • structuur en sociale activering essentieel zijn;

  • individuele begeleiding onvoldoende is;

  • het bijdraagt aan voorkomen van eenzaamheid en stabiliteit.

Dit sluit aan op de gemeentelijke informatie waar dagbesteding als maatwerkvoorziening wordt genoemd.

 

6.2 Vaststellen omvang

  • a.

    Indicatie voor begeleiding worden afgeven op basis van een budgetfinanciering waarbij het budget berekend wordt via een specifiek voor Steenwijkerland vastgestelde formule.

  • b.

    Het gebruik van deze formule is onderdeel van de contracten met de zorgaanbieders.

  • c.

    Deze formule gaat uit van een maximale uitnutting van de indicatie van 65% van de geïndiceerde tijd.

6.3 Inzet PGB Begeleiding

6.3.1 Voorwaarden pgb

Het college biedt een maatwerkvoorziening in beginsel aan in de vorm van zorg in natura. Indien de cliënt/inwoner gemotiveerd aangeeft een persoonsgebonden budget te wensen, beoordeelt het college of een pgb, gelet op de vereisten van artikel 2.3.6 Wmo 2015, een passende vorm van ondersteuning is.

 

De cliënt moet beschikken over voldoende pgb vaardigheden, zoals het voeren van administratie, het selecteren van zorgverleners en bewaken van kwaliteit.

 

De cliënt dient een pgb plan in.

 

Het budget wordt vastgesteld op basis van inzet en tarieven in overeenstemming met gemeentelijk beleid zoals vastgesteld in het financiële besluit.

Hoofdstuk 7. Beschermd wonen, Begeleid Wonen en Beschermd Thuis

7.1 Algemeen

Beschermd Wonen is het wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding, gericht op:

 

  • Het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie en het psychisch en psychosociaal functioneren;

  • Stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld;

  • Voorkomen van verwaarlozing en/of maatschappelijke overlast;

  • Het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen.

Er kan daarbij sprake zijn van (meervoudige) complexe problematiek, verslaving en/of (licht) verstandelijke beperking, echter de psychiatrische problematiek staat op de voorgrond.

 

Begeleid Wonen is het zoveel mogelijk zelfstandig wonen in een accommodatie van een aanbieder. Inwoners ontvangen ondersteuning op maat, gericht op persoonlijke groei en zelfredzaamheid. Begeleid Wonen is een tussenvorm tussen Beschermd Wonen en Beschermd Thuis, waarbij de inwoner kan toegroeien naar de benodigde relatieve zelfstandigheid voor Beschermd Thuis.

 

Beschermd Thuis is het wonen in een zelfstandige woning met daarbij behorende begeleiding en kan worden ingezet:

 

  • als er sprake is van psychische of psychosociale problemen, maar verblijft in de beschermde woonomgeving van een instelling niet noodzakelijk is;

  • als er sprake is van een duidelijke begeleidings- en ondersteuningsbehoefte ten aanzien van het dagelijks leven en waarbij het 24/7 kunnen inschakelen van begeleiding/nabijheid voldoende houvast biedt.

7.2 Producten

7.2.1 Beschermd Wonen producten

  • -

    Beschermd Wonen kent verschillende intensiteiten, waarop twee producten zijn ingericht:

  • -

    Beschermd Wonen Plus: intensieve begeleiding, 24/7 toezicht en gedragsregulering;

  • -

    Beschermd Wonen Basis: intensieve begeleiding, 24/7 toezicht.

Op de bovenstaande producten kan een aanvullende module worden afgegeven:

  • -

    Module Dagbesteding;

  • -

    Module Verblijf kind bij ouder;

  • -

    Module Nazorg (na einddatum beschikking Beschermd Wonen).

De gemeenten van de regio IJssel-Vecht ((Gemeenten Dalfsen, Hardenberg, Kampen, Ommen, Steenwijkerland, Staphorst, Zwartewaterland en centrumgemeente Zwolle) werken nauw samen op het gebied van Beschermd Wonen.

7.2.2 Product Begeleid Wonen

Het product Begeleid Wonen bestaat uit reguliere tot intensieve begeleiding met 24/7 bereikbaarheid.

 

Op het product Begeleid Wonen kan een aanvullende module worden afgegeven:

 

  • -

    Module Dagbesteding;

  • -

    Module Verblijf kind bij ouder;

  • -

    Module Nazorg (na einddatum beschikking Begeleid Wonen).

Begeleid Wonen is, in tegenstelling tot de Beschermd Wonen producten, vanaf 1 juli 2026, een lokaal gefinancierd product.

7.2.3 Product Beschermd Thuis

Naast de regionale producten Beschermd Wonen en het lokale product Begeleid Wonen biedt de gemeente Steenwijkerland ook het product Beschermd Thuis:

 

  • -

    Wonen in een zelfstandige woning met reguliere tot intensieve begeleiding, 24/7 bereikbaarheid.

Beschermd Thuis is onderscheidend van Beschermd- of Begeleid Wonen in die zin dat de inwoner niet in een instelling of instellingswoning verblijft, maar in staat is om zelfstandig te wonen met huur op eigen naam, met reguliere tot intensieve begeleiding en 24/7 bereikbaarheid van de begeleiding. Beschermd Thuis kan ook worden ingezet als overbrugging voor een inwoner die met een Beschermd- of Begeleid Wonen beschikking op de wachtlijst staat. Daarnaast wordt Beschermd Thuis ingezet voor inwoners die de overstap maken van Beschermd- of Begeleid Wonen naar Beschermd Thuis. Waarna mogelijk in een later stadium de begeleiding stapsgewijs kan worden afgebouwd.

 

7.3 Lokale toegang

Voor zowel de Beschermd Wonen producten, voor Begeleid Wonen als voor het product Beschermd Thuis geeft de lokale toegang van de gemeente Steenwijkerland de beschikking af. Voor de regionale producten Beschermd Wonen Basis en Beschermd Wonen Plus wordt de inwoner na de toekenning op de regionale wachtlijst van de regio IJssel-Vecht geplaatst en zoeken de wachtlijstbeheerders van GGD-IJsselland een passende plek bij een gecontracteerde aanbieder. Voor de lokale producten Begeleid Wonen en Beschermd Thuis wordt de inwoner na de toekenning op de lokale wachtlijst geplaatst en zoekt het Wmo-team van de gemeente Steenwijkerland een passende plek bij een gecontracteerde aanbieder.

 

7.4 Verstrekkingsvorm: ZIN of PGB

Steenwijkerland gaat uit van voldoende passend aanbod in de vorm van zorg in natura (ZIN), bij de lokaal en regionaal gecontracteerde aanbieders.

 

Als de inwoner van mening is dat er niet voldoende passend aanbod is of een andere vorm van ondersteuning wenst, is het onder voorwaarden mogelijk de ondersteuning bij een niet-gecontracteerde zorgaanbieder af te nemen. De gemeente kan hiervoor een persoonsgebonden budget afgeven. De voorwaarden voor het toekennen van een persoonsgebonden budget en de pgb-aanvraag procedure staan beschreven in artikel 12 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland.

 

7.5 Tarieven regionaal en lokaal

De producten Beschermd Wonen Basis en Beschermd Wonen Plus worden regionaal ingekocht binnen de regio IJssel-Vecht en jaarlijks per kalenderjaar vastgesteld door de centrumgemeente Zwolle.

 

De tarieven voor Begeleid Wonen en Beschermd Thuis en de PGB tarieven worden jaarlijks door Burgemeester en wethouders van de gemeente Steenwijkerland vastgesteld in het Financieel besluit Wmo gemeente Steenwijkerland.

 

7. 6 PGB

De hoogte van dit pgb wordt bepaald op basis van:

  • -

    het uurtarief passend bij het van toepassing zijnde arrangement;

  • -

    het aantal geïndiceerde uren.

Het aantal geïndiceerde uren bestaat uit twee componenten:

  • -

    Collectieve component: deze component bedraagt 4 uur.

  • -

    Individuele component: deze component betreft de benodigde begeleiding die past bij de individuele zorgvraag van de inwoner. Uitgangspunt bij het bepalen van de omvang van deze component is de omvang van het geïndiceerde arrangement. Binnen de bandbreedte van het arrangement wordt gemotiveerd welke omvang voor de inwoner noodzakelijk is. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in begeleiding basis (mbo) en begeleiding specialistische (hbo).

7.7 Landelijke toegankelijkheid

Beschermd Wonen is landelijk toegankelijk. Inwoners kunnen zich dus ook tot andere gemeenten wenden voor beschermd wonen. De handreiking en beleidsregels landelijke toegankelijkheid zijn van toepassing.

Hoofdstuk 8. Maatschappelijke Opvang

Maatschappelijke opvang bestaat uit het aanbieden van onderdak en begeleiding aan inwoners die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Maatschappelijke opvang heeft als doel inwoners zo snel mogelijk weer in staat te stellen zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

 

8.1 Centrale toegang

De gemeenten van de regio IJssel-Vecht hebben de maatschappelijke opvang regionaal georganiseerd. Als een inwoner van Steenwijkerland dak- of thuisloos raakt wordt hij of zij doorverwezen naar de Centrale Toegang van de GGD-IJsselland. De Centrale Toegang beslist over de aanvragen en kan ook beslissen over het herzien of intrekken van een beslissing. Het besluit tot toekenning van maatschappelijke opvang is maatwerk en is afhankelijk van verschillende factoren. De Centrale Toegang beoordeelt of iemand aan de voorwaarden voldoet.

 

8.2 Tarieven

De tarieven Maatschappelijke Opvang voor de regio IJssel-Vecht worden jaarlijks vastgesteld door de centrumgemeente Zwolle en worden gepubliceerd in het financieel besluit.

 

8.3 Landelijke toegankelijkheid

Maatschappelijke Opvang is landelijk toegankelijk. Inwoners kunnen zich dus ook tot andere gemeenten wenden voor maatschappelijke opvang.

 

De handreiking en beleidsregels landelijke toegankelijkheid zijn van toepassing.

Hoofdstuk 9 Persoonsgebonden budget

9.1 Beoordeling van de voorwaarden

9.1.1 PGB -vaardigheid

Bij het vaststellen of de inwoner dan wel zijn vertegenwoordiger in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te oefenen, beoordeelt het college de volgende aspecten.

 

De inwoner dan wel zijn vertegenwoordiger moeten in ieder geval:

 

  • 1.

    kunnen overzien wat de situatie is en een duidelijk beeld hebben van de zorgvraag;

  • 2.

    op de hoogte zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of die zelf weten te vinden bij de desbetreffende instanties (online);

  • 3.

    in staat zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;

  • 4.

    voldoende kunnen communiceren met de gemeente, de SVB en zorgverleners;

  • 5.

    in staat zijn om zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;

  • 6.

    in staat zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om deze te verantwoorden;

  • 7.

    kunnen beoordelen en beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;

  • 8.

    de inzet van zorgverleners kunnen coördineren waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;

  • 9.

    in staat zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren;

  • 10.

    voldoende (juridische) kennis hebben over het werk- of opdrachtgeverschap, of deze kennis weten te vinden.

In de volgende situaties is in ieder geval sprake van een ernstig vermoeden dat de inwoner dan wel zijn vertegenwoordiger problemen zal krijgen met het uitvoeren van de taken die horen bij een pgb:

 

  • -

    er is sprake van schuldenproblematiek;

  • -

    er is sprake van een gok- of drugsverslaving;

  • -

    er is sprake van sterke vergeetachtigheid.

9.1.2 Kwaliteit

Bij het beoordelen van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen ondersteuning houdt het college in ieder geval rekening met de hiernavolgende aspecten met het oog op de te bieden kwaliteit van de ondersteuning en de veiligheid van de inwoner.

  • -

    er moet een geldig uittreksel va de kamer van koophandel worden overlegd (Niet ouder dan 6 maanden)

    en van de volgende, geldige en bij de opdracht passende kwaliteitscertificaten dient te worden overlegd:

    ISO-9000, EN15224, HKZ, Prezo of

    • Een actueel kwaliteitsplan/kwaliteitshandboek, passend bij de ondersteuning (inclusief protocollen, opleidingen etc.

  • een kopie van de polis van een marktconforme en adequate verzekering of voorziening voor bedrijfsaansprakelijkheid van minimaal twee miljoen euro per gebeurtenis;

  • een regeling voor de afhandeling van klachten;

  • een regeling voor medezeggenschap en inspraak;

  • een gedragsverklaring Aanbesteden of een VOG als er gene sprake is van een rechtspersoon.

9.1.3 Professionele ondersteuner

  • De geboden ondersteuning sluit aan bij de beperkingen die de inwoner ondervindt.

  • De ondersteuning is in overeenstemming met het onderzoeksverslag.

  • De ondersteuner die, al dan niet werkzaam via een professionele instelling, de geïndiceerde ondersteuning biedt, beschikt over een relevante opleiding en de juiste erkenningen.

    Indien de ondersteuner niet beschikt over een relevante opleiding, dient op een voor het college verifieerbare wijze te worden aangetoond dat deze beschikt over relevante werkervaring, bijvoorbeeld door middel van controleerbare referenties.

    Een EVC wordt niet aangemerkt als voldoende bewijsmiddel.

  • Afhankelijk van de aard van de ondersteuning en de beperkingen en kwetsbaarheid van de inwoner beschikt de ondersteuner over een geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG).

    Deze verklaring mag op het moment van aanvraag van de ondersteuning niet ouder zijn dan 12 maanden.

9.1.4 Dubbelrol vertegenwoordiger

Als degene die de inwoner vertegenwoordigt ook de ondersteuning verleent, beoordeelt het college of het persoonsgebonden budget op een verantwoorde en controleerbare wijze kan worden beheerd en of sprake is van voldoende waarborgen tegen oneigenlijk gebruik of misbruik.

Indien het college van oordeel is dat deze waarborgen ontbreken, kan het college besluiten geen persoonsgebonden budget te verstrekken.

 

Ondersteuning door personen die behoren tot het sociaal netwerk

Personen behorend tot het sociaal netwerk van de inwoner worden niet als professionele ondersteuner beschouwd.

9.1.5 Twijfels over integriteit ondersteuner

Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over integriteit van de uitvoerder van de maatwerkvoorziening. Dit doet zich in ieder geval voor als die uitvoerder:

  • a.

    fraude heeft gepleegd;

  • b.

    betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de maatwerkvoorziening in gevaar brengt;

  • c.

    bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen;

  • d.

    bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom;

  • e.

    en/of zijn directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijk samenwerkingsverband onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten of daarvan verdacht worden;

  • f.

    zich niet professioneel gedraagt. Dit is bijvoorbeeld zoals de pgb-aanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn functie.

9.2 Weigering pgb

Het college kan een pgb weigeren als het college in de twee jaar voorafgaande aan de aanvraag een besluit heeft ingetrokken met toepassing van artikel 2.3.10, eerste lid onder a, d of e van de wet.

 

9.3 Onderhoud en reparatie

Een pgb wordt aangevuld met een component voor onderhoud en reparatie van:

  • a.

    hef- en trapliften;

  • b.

    patiënten tilliften;

  • c.

    mechanisme voor een hoog /laag verstelbaar keukenblok;

  • d.

    elektromechanische openings - en sluitingsmechanisme van deuren;

  • e.

    intercom met elektrische slotplaat;

  • f.

    (elektrische) rolstoelen;

  • g.

    scootmobielen.

9.4 Woningaanpassingen

In tegenstelling tot diensten lopen pgb’s voor woningaanpassingen niet via de SVB. Deze pgb’s worden door het college aan de aannemer (de uitvoerder van de woningaanpassing) uitbetaald.

Hoofdstuk 10. Slotbepalingen

10.1 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden met terugwerkende kracht per 1 juni 2026 onder de gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels WMO 2015 gemeente Steenwijkerland 2020 in.

Bijlage 1 Voorbeelden van algemeen (gebruikelijke) voorzieningen

 

Vervoer

 

  • (Elektrische)Tandem (met uitzondering van een ouder-kind tandem)

  • Fiets met lage instap, ligfiets

  • Spartamet/tandemmet

  • Elektrische fiets (al dan niet met lage instap)

  • (Elektrische) bakfiets, fietskar, aanhangfiets uit de reguliere handel

  • De gebruikskosten van een personenauto

  • Brommer of scooter

Wonen

 

  • Verhoogd toilet

  • Handgrepen

  • Doucheglijstang

  • Thermostaatkraan

  • Eenhendelmengkraan

  • Kookplaat (alle varianten)

  • Verrijdbare airco

  • Luchtbevochtiger

  • Zonwering

  • Korfladen

  • Vervanging van vloerbedekking en gordijnen

  • Dorpels in de woning verwijderen

Welzijn

 

  • Welzijnswerk;

  • Algemeen maatschappelijk werk;

  • Cliëntondersteuning;

  • Mantelzorgnetwerk;

  • Slachtofferhulp;

  • Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling;

  • Bureau vrijwilligerswerk;

  • Rechtswinkel;

Huishouden

 

  • Wasmachine

  • Wasdroger

  • Stofzuiger

  • Glazenwasser

  • Boodschappenservice

  • Kinderopvang

  • Maaltijdenservice

Bijlage 2 Maatschappelijke ondersteuning voor mensen met Wlz-zorg

 

Mensen met een Wlz-indicatie krijgen bijna alle zorg vanuit de Wlz. Maar voor sommige voorzieningen is de gemeente verantwoordelijk op grond van de Wmo. Het gaat dan om maatschappelijke ondersteuning en woningaanpassing en hulpmiddelen (zie art. 2.3.5 lid 6, hoofdregel en art. 8.6a onder de Wmo 2015 voor mensen met Wlz die thuis wonen.

 

Wie wat betaald is onder meer afhankelijk van waar u woont: in een zorginstelling, thuis of beide (deeltijdverblijf). In het schema hieronder staat per woonsituatie welke zorg en voorzieningen vanuit de Wlz komen, en welke vanuit de gemeente.

 

Schema samenloop Wlz en Wmo

 

Woonsituatie

Wlz

Wmo

Thuiswonend

Hulp bij het huishouden

 

Begeleiding

 

Logeeropvang

Sociaal vervoer (regiotaxi)

 

Rolstoel

 

Vervoermiddelen1

 

Woningaanpassingen

 

Woonvoorzieningen/hulpmiddelen1

Deeltijdverblijf

Hulp bij het huishouden

 

Begeleiding

 

Woonvoorzieningen/hulpmiddelen2

 

Rolstoel

 

Vervoermiddelen (mobiliteitshulpmiddelen)

Zo nodig: 2e woonvoorziening/ hulpmiddel voor thuis

 

Sociaal vervoer (regiotaxi)3

 

Woningaanpassingen

Verblijf (wonen in een Wlz-zorginstelling)

Hulp bij het huishouden

 

Begeleiding

 

Rolstoel

 

Vervoermiddelen (mobiliteitshulpmiddelen)

  • Sociaal vervoer (regiotaxi)2

Woning bezoekbaar maken

  • 1.

    Zoals een scootmobiel of aangepaste fiets,

  • 2.

    zoals een douchestoel, tillift of drempelhulp

  • 3.

    U kunt de regiotaxi gebruiken als dit een algemene voorziening is. Is de regiotaxi in uw gemeente een maatwerkvoorziening? Dan kán de gemeente u hiervoor een pasje geven, maar de gemeente hoeft dat niet te doen.

Bijlage 3 Niet limitatieve lijst algemeen gebruikelijke voorzieningen

 

1. Doel en reikwijdte

Deze tabel geeft richting aan de beoordeling van algemeen gebruikelijke voorzieningen binnen de uitvoering van de Wmo 2015. De opgenomen lijst bevat voorbeelden van voorzieningen die in de regel als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. De lijst is niet limitatief: ook andere, vergelijkbare voorzieningen kunnen hieronder vallen.

2. Begripsbepaling

Een voorziening wordt als algemeen gebruikelijk aangemerkt wanneer deze:

 

  • normaal verkrijgbaar is in de reguliere handel,

  • qua prijs en kwaliteit past binnen wat gebruikelijk is voor personen in vergelijkbare omstandigheden,

  • niet specifiek bedoeld is voor mensen met een beperking,

  • en financieel gedragen kan worden uit een normaal inkomen.

3. Niet limitatieve lijst van algemeen gebruikelijke voorzieningen

De onderstaande opsomming bevat voorbeelden van voorzieningen die doorgaans als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Deze lijst is niet uitputtend.

 

  • Standaard huishoudelijke apparaten (bijv. stofzuigers, magnetrons, waterkokers, wasmachines).

  • Reguliere meubels (bijv. tafels, stoelen, banken, bedden).

  • Fietsen zonder aanpassingen, inclusief gangbare elektrische fietsen.

  • Reguliere kinderwagens en buggy’s zonder medische aanpassingen.

  • Standaard tuinonderhoudsmiddelen (bijv. grasmaaiers, snoeigereedschap).

  • Algemeen verkrijgbare veiligheids- en comfortproducten (bijv. eenvoudige wandbeugels, antislipmatten, douchestoelen).

  • Reguliere ICT middelen (bijv. smartphones, tablets, laptops, standaard software).

  • Standaard verlichting en algemeen verkrijgbare domotica producten.

  • Overige voorzieningen die qua aard, prijs en verkrijgbaarheid vergelijkbaar zijn met bovenstaande categorieën.

4. Afwegingskader

Bij de beoordeling of een voorziening als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt, hanteert het college de volgende uitgangspunten:

 

De lijst is niet limitatief: voorzieningen die niet expliciet zijn genoemd kunnen alsnog als algemeen gebruikelijk worden beschouwd.

 

De beoordeling vindt plaats op basis van de kenmerken van de voorziening én de actuele maatschappelijke normen.

 

De persoonlijke financiële situatie van de cliënt vormt in beginsel geen reden om een algemeen gebruikelijke voorziening als maatwerkvoorziening te verstrekken.

 

Indien een voorziening niet als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt, volgt beoordeling via het reguliere maatwerkproces.

Bijlage 4 Toelichting Vijf stappen CRVB-onderzoeksverslag

 

Deze beleidsregels structureren het Wmo-onderzoek en de verslaglegging volgens het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). De juridische basis ligt in art. 3:2 Awb en art. 2.3.2 en 2.3.5 Wmo 2015. Daarbij wordt aangesloten bij de tussenuitspraak van de CRvB van 21 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:819).

 

  • 1.

    Juridische onderbouwing

    • Algemene wet bestuursrecht (Awb) art. 3:2 – zorgvuldige voorbereiding: het college moet voldoende kennis vergaren over de relevante feiten en belangen.

    • Wmo 2015 art. 2.3.2 – onderzoek: vaststellen hulpvraag, problemen/belemmeringen, benodigde ondersteuning en eigen mogelijkheden/algemene voorzieningen.

    • Wmo 2015 art. 2.3.5 – maatwerkvoorziening: slechts voor zover eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, sociaal netwerk en algemene voorzieningen ontoereikend zijn.

    • CRvB 21-03-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819 – formuleert het vijf stappenplan voor Wmo onderzoek en besluitvorming (tussenuitspraak; college moet gebreken herstellen).

  • 2.

    Praktische voorbeelden per stap

    • Stap 1 Hulpvraag

    • Voorbeeld: inwoner vraagt “scootmobiel”; hulpvraag vertaald: zelfstandig boodschappen doen en sociale contacten behouden.

    • Verslaglegging: benoem doelen (mobiliteit voor boodschappen 2× per week; bezoek sociale activiteit 1× per week).

      Stap 2 Belemmeringen

    • Voorbeeld: ernstige artrose en beperkte loopafstand (<100 m); angstklachten bij drukte.

    • Verslaglegging: objectieve belemmeringen in zelfredzaamheid/participatie, inclusief frequentie en impact.

      Stap 3 Nodige ondersteuning

    • Voorbeeld: behoefte aan mobiliteitsoplossing met actieradius >5 km en stabiliteit; begeleiding bij dagstructuur 2 uur per week.

    • Verslaglegging: aard (mobiliteit/begeleiding), omvang (uren, intensiteit, frequentie), doelbereik.

      Stap 4 Eigen mogelijkheden en bronnen

    • Voorbeeld: partner kan huishoudelijke taken overnemen; buurvrouw biedt incidenteel vervoer; algemene voorziening: regiotaxi beschikbaar.

    • Verslaglegging: weeg gebruikelijke hulp, mantelzorg, netwerk en algemene voorzieningen; motiveer waarom (on)toereikend.

      Stap 5 Conclusie/compensatie

    • Voorbeeld: algemene voorziening (regiotaxi) onvoldoende vanwege onvoorspelbare werktijden; maatwerkvoorziening: scootmobiel type X met indicatie van gebruik; begeleiding individueel 2 uur/week voor dagstructuur.

    • Verslaglegging: heldere motivering koppeling tussen ondersteuningsbehoefte en voorziening.

  • 3.

    Format voor besluitmotivering (sjabloon)

    • Hulpvraag: Beschrijf de doelen van de inwoner (behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren).

    • Problemen/belemmeringen: Concretiseer de beperkingen in zelfredzaamheid/participatie (met feiten, evt. deskundigeninfo).

    • Benodigde ondersteuning: Aard en omvang per hulpvraag (uren, intensiteit, frequentie, doel).

    • Eigen mogelijkheden en andere bronnen: Gebruikelijke hulp, mantelzorg, netwerk, algemene voorzieningen; beoordeling (on)toereikendheid.

    • Afweging en besluit: Welke maatwerkvoorziening wordt verstrekt (type, omvang, duur), waarom deze een passende bijdrage levert; verwijzing naar juridische grondslag.

    • Evaluatie/monitoring: Hoe en wanneer herbeoordeling plaatsvindt.

Verwijzingen naar jurisprudentie en bronnen

 

  • CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819 (tussenuitspraak; stappenplan Wmo).

  • AKD (blog) “Het Wmo stappenplan bij een melding van behoefte aan maatschappelijke ondersteuning”, 4 mei 2018 (samenvatting van de uitspraak).

  • VBK Legal Update “CRvB stappenplan en de Wmo 2015”, 14 mei 2018.

  • Stimulansz (artikel) “Goed rapporteren in de Wmo vraagt om zorgvuldigheid en zelfreflectie”, 29 november 2023.

  • Schulinck Infographic “Stappen in het Wmo onderzoek” (praktische weergave van de vijf stappen).

Bijlage 5 Stappenplan bij problematisch gedrag

 

Waarschuwing en gesprek

 

  • Bij risicovol of onredelijk gedrag wordt altijd eerst een gesprek gevoerd. De inwoner krijgt uitleg over:

    • waarom dit gedrag ondersteuning belemmert

    • wat wél van hem/haar verwacht wordt

    • welke alternatieven en mogelijkheden er zijn

Schriftelijke waarschuwing

 

  • Als het gedrag aanhoudt, volgt een schriftelijke waarschuwing waarin staat:

    • welke gedragingen onacceptabel zijn

    • welke risico's dit oplevert

    • welke gevolgen dit heeft voor ondersteuning

    • welke aanpassingen van de inwoner worden verwacht

  • Tijdelijke opschorting of aanpassing ondersteuning

    • Indien nodig kan ondersteuning tijdelijk worden opgeschort of aangepast, bijvoorbeeld doordat een medewerker niet meer veilig kan werken.

Afwijzing of beëindiging

 

  • Als het gedrag structureel en ernstig blijft en ondersteuning daardoor niet uitvoerbaar is, kan de gemeente besluiten tot:

    • afwijzing van een nog niet toegekende ondersteuning

    • beëindiging van al lopende ondersteuning

    • alternatieve vormen van ondersteuning, indien mogelijk en veilig

  • Besluiten worden altijd concreet, individueel en feitelijk gemotiveerd

Belangenafweging en proportionaliteit

 

  • Bij elke beslissing wordt beoordeeld:

    • of de maatregel proportioneel is

    • of minder ingrijpende alternatieven mogelijk zijn

    • welke gevolgen de maatregel heeft voor de inwoner

    • hoe de veiligheid van medewerkers is geborgd

    • of er sprake is van kwetsbaarheid of beperkingen die het gedrag beïnvloeden

  • Bij twijfel wordt advies van deskundigen ingewonnen.

Herstel en hervatting van ondersteuning

 

  • Wanneer de inwoner bereid is tot constructief en respectvol contact, kan ondersteuning altijd opnieuw worden opgestart.

    De gemeente ondersteunt waar mogelijk bij herstel van de relatie en duidelijke afspraken.

Registratie en zorgvuldigheid

 

Alle stappen worden vastgelegd in het dossier, waaronder:

  • Gesprekken en waarschuwingen

  • klachten of incidenten

  • belangenafweging

  • motivering van het besluit

Dit waarborgt juridische houdbaarheid en transparantie.

Bijlage 6 Voorbeelden roerende woonvoorzieningen (niet limitatief)

 

Wassen en toiletgebruik

  • Douche- of toiletstoel

  • Verrijdbare douche-toiletstoel

  • Douchestoeltje (los, niet aan de muur bevestigd)

  • Douchebrancard

Verplaatsen binnen de woning

  • Binnenrolstoel

Ondersteuning bij dagelijkse handelingen

  • Draaischijven of transferhulpmiddelen

  • Tillift (mobiele varianten)

  • Sta-lift

Bijlage 7 Categorieën Hulpmiddelen

 

Categorie

Productcode

Categorie omschrijving

Cat. 1

11H01

Rolstoel, kortdurend gebruik volwassenen en kinderen

Cat. 2

11H02

Rolstoel, actief permanent gebruik volwassenen en kinderen

Cat. 3

11H03

Rolstoel, semi-actief permanent gebruik volwassenen en kinderen

Cat. 4A

11H04

Zorgrolstoel Volwassenen en kinderen

Cat. 4B

11H05

Zorgrolstoel met geïntegreerde ondersteuning volwassenen en kinderen

Cat. 5

11H06

Vast frame actief rolstoel volwassenen en kinderen

Cat. 6

11H07

Duw/rij ondersteuning t.b.v. rolstoel (geen handbikes dat is 12H07)

Cat. 7A

11H08

Elektrische rolstoel volwassen en kinderen - basis eenvoudige configuratie

Cat. 7B

11H09

Elektrische rolstoel volwassenen en kinderen - complexe configuratie

Cat. 8A

12H07

Aankoppelbare fietsdeel/handbike geschikt voor de met het kernassortiment te voeren rolstoelen

Cat. 8B

12H02

Fietsvoorzieningen met of zonder trapondersteuning volwassenen en kinderen (3-wiel fietsen)

Cat. 8B

12H03

Fietsvoorzieningen met of zonder trapondersteuning volwassenen en kinderen (2-wiel fiets/tandem)

Cat. 9A

12H04

Scootmobiel eenvoudig uitgebreid

Cat. 9B

12H05

Scootmobiel uitzondering, extra geveerd

Cat. 9C

12H21

Scootmobiel uitzondering speciale configuratie

Cat. 10

12H06

Autostoeltjes

Cat. 11A

13H02

(Laag BTW) Toiletstoel volwassenen en kinderen

Cat. 11A

13H03

(Hoog BTW) Toiletstoel volwassenen en kinderen (

Cat. 11B

13H04

Douchestoel, staand model op poten, volwassenen en kinderen

Cat. 11C

13H05

Douchestoel, verrijdbaar, volwassenen en kinderen

Cat. 11D

13H10

(Laag BTW) Zorgdouchestoel brancards volwassenen en kinderen)

Cat. 11D

13H11

(Hoog BTW) Zorgdouchestoel brancards volwassenen en kinderen

Cat. 12A

13H07

Transferhulpmiddelen volwassenen en kinderen

Cat. 12B

13H08

Verrijdbare tillift passief volwassenen en kinderen

Cat. 12C

13H09

Verrijdbare tillift actief volwassenen en kinderen (

Naar boven