Gemeenteblad van Geldrop-Mierlo
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Geldrop-Mierlo | Gemeenteblad 2026, 28153 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Geldrop-Mierlo | Gemeenteblad 2026, 28153 | beleidsregel |
Beleidsregels Jeugdhulp en Wmo 2026 gemeente Geldrop-Mierlo
Vastgesteld bij collegebesluit van 16 december 2025, kenmerk ….
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop-Mierlo;
‘’Beleidsregels Jeugdhulp en Wmo 2026 gemeente Geldrop-Mierlo’’
In de Verordening Jeugdhulp en Wmo gemeente Geldrop-Mierlo 2025 staan de regels omtrent het organiseren en het geven van jeugdhulp of Wmo-ondersteuning. Beleidsregels ontlenen hun status aan art. 4:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb): "Een bestuursorgaan kan Beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid." Beleidsregels zijn algemene regels, niet zijnde algemeen verbindende voorschriften, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan (artikel 1:3 lid 4 Awb). Concreet draait het hier om het gebruik van een bevoegdheid van het college in het kader van de Verordening Jeugdhulp en Wmo 2025 gemeente Geldrop-Mierlo, Jeugdwet of Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat gelijke gevallen op een gelijke manier worden behandeld, volgens het door het college vastgestelde beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
Lokale team: het lokale team is een laagdrempelige organisatie waar inwoners (cliënten in het kader van de Wmo en ouder(s) van de jeugdige in het kader van de Jeugdwet) van de gemeente eenvoudig advies, hulp en ondersteuning kunnen krijgen. Het is een team dat zelf ondersteuning kan verlenen en werkt met een brede domein overstijgende blik. In het lokale team is oog voor alle leden van een gezin/huishouden en voor onderliggende oorzaken en patronen. Het lokale team laat de regie zoveel mogelijk bij de inwoners liggen, en werkt samen met relevante partners mee aan de sociale basis en collectieve oplossingen. Het lokale team is in de gemeente ingericht middels het Centrum voor Maatschappelijke Deelname en het Plusteam;
Hoofdstuk 2. Afspraken tussen inwoner en gemeente.
2.1. Rollen en taken binnen het jeugd- en Wmo stelsel in Geldrop-Mierlo
Volgens artikel 4.2 van de Verordening draagt het college de verantwoordelijkheid rondom het Jeugd- en Wmo stelsel. Onderstaand worden de rollen van diverse betrokken organen en instanties nader toegelicht:
College: Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Geldrop-Mierlo is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo voor haar inwoners. Het college heeft de bijbehorende bevoegdheden gemandateerd aan het Centrum voor Maatschappelijke Deelname (CMD) om deze wetten uit te kunnen voeren. Daarom kan zowel in de Verordening als in deze beleidsregels het CMD worden gelezen in plaats van het college.
Centrum voor Maatschappelijke Deelname (CMD): Het CMD is in Geldrop-Mierlo onderdeel van het lokale team als loket voor ondersteuning binnen het sociaal domein. Het CMD biedt inwoners, mantelzorgers en vrijwilligers ondersteuning en fungeert als vraagbaak voor deelname aan de samenleving. Daarnaast heeft het CMD een gidsfunctie voor professionals en vrijwilligers met vragen over het lokale hulpverleningsaanbod, vrijwilligerswerk en het verenigingsleven. Klantadviseurs van het CMD bieden zelf ondersteuning, organiseren passende hulp en houden vinger aan de pols.
PlusTeam: Het openbaar lichaam gemeenschappelijke regeling PlusTeam is in Geldrop-Mierlo onderdeel van het lokale team voor de gezinnen met complexe hulpvragen op meerdere levensgebieden. Het PlusTeam coördineert de samenhang in hulp en ondersteuning en biedt zoveel mogelijk zelf de benodigde ondersteuning. Het PlusTeam is niet vrij toegankelijk en wordt ingezet op basis van een indicatie, in het geval dat meerdere partners betrokken zijn. Het PlusTeam zorgt voor de afstemming van diensten en voert zelf de regie. Daarnaast heeft het PlusTeam taken op het gebied van dwang en drang, waaronder:
Gecertificeerde Instellingen (GI): Een Gecertificeerde Instelling (GI) wordt ingezet wanneer andere betrokkenen er niet in slagen een veilige thuissituatie te realiseren. De GI werkt samen met het lokale team om de inzet van passende jeugdhulp te bepalen en vast te leggen in het integraal plan. Toetsing van de noodzaak van jeugdhulp vindt plaats op basis van de geldende (beleids)regels.
Onderwijs en kinderopvang: Het college zorgt ervoor dat iedere locatie voor kinderopvang, primair- en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs een vaste contactpersoon heeft binnen het lokale team. Deze contactpersonen stemmen af met leerplichtambtenaren. Afspraken over de samenwerking tussen jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplicht worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van de jeugdige en/of diens ouders.
2.2. Onafhankelijke clientondersteuning
Inwoners hebben volgens artikel 4.2 lid 1 sub f van de Verordening en volgens artikel 2.2.4 Wmo recht op onafhankelijke clientondersteuning. De onafhankelijke cliëntondersteuner geeft informatie over jeugdhulp, zorg en ondersteuning, participatie, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. In Geldrop-Mierlo zijn MEE de Meent, mantelzorgmakelaars, de clientondersteuners van OnzeWegwijzer en Zorgbelang Brabant | Zeeland gecontracteerde partijen die onafhankelijke clientondersteuning aanbieden.
Het lokale team en de GI informeren cliënten namens het college over het aanbod van onafhankelijke cliëntondersteuning. Daarnaast kunnen cliënten zelf contact opnemen met een cliëntondersteuner. Mochten hulpverleners situaties herkennen bij cliënten waarin onafhankelijke cliëntondersteuning kan helpen, dan wijzen zij de cliënt hierop.
Hoofdstuk 3. Gezond en veilig opgroeien
Zoals aangegeven in artikel 1.1 van de Jeugdwet en artikel 1 lid 4 sub k, van de Verordening, wordt met het woonplaatsbeginsel vastgesteld welke gemeente financieel verantwoordelijk is voor de jeugdhulp aan een jeugdige. De verantwoordelijkheid ligt bij de gemeente waar de jeugdige zijn woonadres heeft volgens de Basisregistratie Personen (BRP). Deze definitie is van toepassing op jeugdhulp zonder verblijf. Bij jeugdhulp met verblijf is de gemeente verantwoordelijk waar de jeugdige onmiddellijk voorafgaand aan zijn verblijf zijn woonadres had (in de zin van de Wet basisregistratie personen). Het vaststellen van het woonplaatsbeginsel maakt daarom onderdeel uit van het (voor)onderzoek. De gemeente waar de jeugdige vandaan komt, blijft verantwoordelijk voor de jeugdige en de kosten van de jeugdhulp voor deze jeugdige. Zie bijlage 1 van deze beleidsregels voor een visuele weergave van het woonplaatsbeginsel.
Zoals aangegeven in artikel 7 lid 1 van de Verordening is de Jeugdwet niet de enige wet die hulp en ondersteuning biedt aan jeugdigen. Voorliggende wetten, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz), Wmo en het Passend Onderwijs, hebben hun eigen verantwoordelijkheden en voorzieningen. Het is van belang dat eerst gekeken wordt of ondersteuning vanuit deze wetten mogelijk is voordat een beroep op de Jeugdwet wordt gedaan. Zie bijlage 2 van deze beleidsregels voor een overzicht van de verhouding tussen de Jeugdwet, Zorgverzekeringswet, WLZ, Wmo en Passend Onderwijs.
Zoals aangegeven in artikel 5.1, lid 5, sub h, van de Verordening, hoeft het college geen voorziening te treffen indien de jeugdige of zijn ouders in staat zijn zelf in de benodigde jeugdhulp te voorzien. Soms blijken de jeugdige en/of zijn ouders namelijk aanvullend verzekerd te zijn via de zorgverzekeraar voor de jeugdhulp die het college noodzakelijk acht. In dat geval mag van de jeugdige of zijn ouders worden verwacht dat zij deze aanvullende verzekering aanspreken (bijvoorbeeld in het geval van speltherapie). De jeugdige of zijn ouders kunnen echter niet verplicht worden om een aanvullende verzekering af te sluiten.
3.3. Wat is normaal en wat is niet normaal in opvoeden en opgroeien?
Om jeugdhulp doelmatig en effectief in te zetten, van belang om een duidelijk onderscheid te maken tussen wat als normale en niet-normale ontwikkeling wordt gezien. Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) heeft hiervoor een richtlijn opgesteld die houvast bieden aan professionals en ouders. Het college volgt deze richtlijn, waarbij normale ontwikkeling geen gespecialiseerde hulp behoeft, en ernstige problemen in aanmerking komt voor geïndiceerde ondersteuning. Zie hiervoor bijlage 3 van deze beleidsregels. Daarnaast wordt er een onderscheid gemaakt tussen gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp (bijlage 4 en bijlage 4.1.), waarbij gebruikelijke hulp wordt gezien als hulp dat geen gespecialiseerde hulp behoeft.
3.4. Bewezen effectieve interventies.
Bij het bieden van jeugdhulp wordt ingezet op bewezen effectieve interventies. Dit betekent dat methodieken en behandelingen worden toegepast waarvan de effectiviteit wetenschappelijk is aangetoond. Dit draagt bij aan de doelmatigheid en kwaliteit van de hulpverlening.
De inzet van niet-effectieve of niet-onderbouwde interventies wordt zoveel mogelijk vermeden.
Een overzicht van bewezen effectieve interventies is te vinden via Interventies bij veelvoorkomende vragen en problemen | Nederlands Jeugdinstituut
3.5. Medisch verwijsprotocol Jeugdhulp
Jeugdhulp is volgens artikel 19 van de Verordening onder andere toegankelijk na verwijzing door een huisarts, jeugdarts of medisch specialist. Na een medische verwijzing staat echter vaak nog niet vast welke specifieke vorm en mate van jeugdhulp nodig is. In de praktijk wordt deze beoordeling vaak door de jeugdhulpaanbieder samen met de jeugdige en diens ouders uitgevoerd. Een duidelijk beoordelingskader en tijdige afstemming tussen jeugdhulpaanbieder en het college dragen bij aan een juiste zorginzet. Dit helpt om onnodige discussies achteraf te voorkomen en om zorginzet te laten voldoen aan het gemeentelijke afwegingskader, waarin gestreefd wordt naar zoveel mogelijk voorliggende en kostenbewuste oplossingen.
Het uitgangspunt blijft dat de professionaliteit van de jeugdhulpaanbieder wordt gerespecteerd en dat gemeenten niet onnodig ingrijpen in het proces van zorginzet. Het volledige protocol, welke eerder is gepubliceerd in 2019, is opgenomen in bijlage 5 van deze beleidsregels.
In lokale samenwerkingsafspraken wordt vastgelegd dat de voorkeur van het college is dat de huisartsen doorverwijzen naar het CMD, waarbij het volledige medisch verwijsprotocol Jeugdhulp wordt gerespecteerd.
3.6. Tandemfunctie met Gecertificeerde Instellingen (GI)
Gecertificeerde Instellingen (GI) worden ingezet wanneer vrijwillige hulpverlening niet toereikend is om een veilige thuissituatie te waarborgen. De samenwerking tussen de GI en het lokale team wordt vormgegeven via de tandemfunctie. Dit houdt in dat de GI samenwerkt met lokale professionals en waar nodig regie voert over de inzet van jeugdhulp. De tandemfunctie zorgt ervoor dat er een integrale aanpak wordt gehanteerd, waarin zowel jeugd- als volwassenenproblematiek wordt meegenomen. De afspraken over de tandemfunctie zijn vastgelegd in regionale overeenkomsten. Zie bijlage 6 van deze beleidsregels voor de volledige beschrijving van deze samenwerking.
Conform artikel 5.2.3 Verordening wordt standaard het voorliggend aanbod aangeboden bij ouders die van plan zijn om te gaan scheiden, midden in het scheidingsproces zitten of het scheidingsproces hebben afgerond maar nog niet hebben verwerkt. Zie bijlage 7 van deze beleidsregels voor het aanbod, waarbij het uitgangspunt is dat het belang van het kind voorop staat.
3.8.1. Afwegingskaders Vervoer
Ter toelichting op de uitoefening van artikel 18 van de Verordening geldt het volgende: Voor de toekenning van vervoer van en naar de jeugdhulplocatie moeten de onderstaande vragen worden gesteld en met ‘ja’ worden beantwoord:
Is het niet mogelijk om op eigen kracht het vervoer te organiseren? Voor de eigen kracht geldt dat ouders hierin een rol hebben en dat hierbij het openbaar vervoer voorliggend is. Minimaal 2x in de week zelf vervoer organiseren wordt gezien als gebruikelijke hulp. De participatiewet is voorliggend als er financiële problemen zijn.
Als de afstand tussen de woning van de jeugdige en de jeugdhulpvoorziening meer dan 6 kilometer is, kan dit een reden zijn om vervoer te regelen. Let op: ook als de afstand meer dan 6 kilometer is, betekent dat niet automatisch dat er vervoer wordt geregeld. Als ouders zelf voor vervoer kunnen zorgen, hoeft er geen extra voorziening te komen. Afhankelijk van andere omstandigheden, kan bij een kortere afstand vervoer nodig zijn. Hiervoor wordt dan maatwerk geleverd.
Ander vervoer van jeugdigen dan naar de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld sociaal recreatief vervoer) valt onder gebruikelijke zorg en eigen kracht. Als dit niet toereikend is dan kan dat vervoer onder de Wmo 2015 vallen, als deze sociale contacten noodzakelijk zijn en het eigen netwerk geen mogelijkheden biedt. Voor (dat deel van) het vervoer waarin de Jeugdwet voorziet, wordt er op grond van de Wmo 2015 geen vervoersvoorziening ingezet.
3.8.2. Afwegingskader 1-op-1 begeleiding bij participatie
Onder maatschappelijke participatie voor jeugdigen, wordt verstaan: deelname aan sport of culturele activiteiten teneinde het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden mogelijk te maken en op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven. Er wordt eerst gekeken om welk soort activiteit het gaat, en of een voorliggende voorziening mogelijk is. Voor vele activiteiten rondom participatie is een alternatief beschikbaar in onze gemeente die geen individuele begeleiding behoeft. Is dit toch nodig, dan wordt er eerst gekeken of de individuele begeleiding onder eigen kracht valt (van de verzorgenden of het sociaal netwerk). Is dit niet mogelijk, dan kan onder het mom van hardheidsclausule een uitzondering worden gemaakt, en tijdens de 1-op-1 begeleiding worden gewerkt aan de afbouw van de 1-op-1 begeleiding. Zie bijlage 8 van deze beleidsregels.
In lijn met artikel 8 Verordening wordt, als het gelet op de hulpvraag van de jeugdige nodig is,vanaf 16,5 jaar gewerkt aan het toekomstperspectief van de jongvolwassene in de overgang naar 18 jaar. Dit gebeurt op basis van een toekomstplan, waarbij de ‘big five’ (support, wonen, school en werk, inkomen en welzijn) de uitgangspunten vormen en ook het eigen netwerk onderdeel is. Er zijn drie situaties waarin jeugdhulp na de 18e verjaardag mogelijk is:
Voor noodzakelijke verlengde jeugdhulp tot 23 jaar geldt dat:
De hulp ingezet moet zijn voor de 18e verjaardag of het moet voor de 18e verjaardag zijn bepaald dat de hulp ingezet moet worden. Daarbij geldt ook dat er sprake kan zijn van verlengde jeugdhulp indien binnen een half jaar voor het bereiken van de 18e verjaardag wordt geconstateerd dat hulp die voor de 18e verjaardag is beëindigd, toch nodig blijkt te zijn.
Hoofdstuk 4. Meedoen in de gemeenschap (Wmo)
4.1. Vormen van Wmo-ondersteuning
Het beoordelingskader voor een aanspraak op maatwerkvoorzieningen wordt bepaald enerzijds door de wet, die onder andere de doelgroep regelt en enkele criteria benoemt (zoals eigen kracht en gebruikelijke hulp). Anderzijds wordt het ook bepaald aan de hand van de Verordening, die enkele criteria bevat waaraan de cliënt moet voldoen om in aanmerking te komen voor een (maatwerk)voorziening op grond van de wet. Daarnaast geldt dat sprake moet zijn van maatwerk. Zie artikel 5 van de Verordening voor de voorwaarden om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen. Onderstaand worden conform artikel 10 lid 2 van de Verordening een aantal maatwerkvoorzieningen nader toegelicht.
4.2 Begeleiding 18+ (Individuele Begeleiding, Dagbesteding en Groepsbegeleiding)
Begeleiding: Begeleiding is in de Wmo gedefinieerd als activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, zodat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven wonen. De bestaande producten zijn Individuele Begeleiding 1,2 en 3 (B1, B2, B3) en Groepsbegeleiding (G1). Nadere info over Wmo Begeleiding is te vinden via de productkaarten in bijlage 9 van deze beleidsregels.
Dagbesteding: Dagbesteding is een vorm begeleiding die wordt ingezet als maatwerkvoorziening in groepsverband. Er is behoefte aan een zinvolle dagbesteding. Deze kan ontstaan vanuit een beperkte dagstructuur, maar ook vanuit overbelasting van de mantelzorgers/ het sociaal netwerk. De focus is gericht op het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid en maatschappelijke deelname/participatie. Er wordt voorzien in een zinvolle dagbesteding die niet is gericht op uitstroom naar (betaald of vrijwilligers-) werk. Men biedt structuur en passende activiteiten voor de dag. Het bieden van enige persoonlijke ondersteuning en/of begeleiding bij verzorgingstaken (bijv. ondersteuning bij de toiletgang) behoort tot deze ondersteuning. Passende dagbesteding wordt zo dicht mogelijk bij de cliënt georganiseerd. Bij dagbesteding wordt gewerkt met dagdelen van drie uur waarbij de cliënt daadwerkelijk op locatie aanwezig is. Er wordt passende dagbesteding op maximaal 10 kilometer afstand vanaf het huisadres van de cliënt vergoed mits dit aansluit bij de hulpvraag en of het daadwerkelijk beschikbaar is. Zie verdere informatie bij het product vervoer. De bestaande producten zijn Dagbesteding 1 en 2 (D1, D2). Nadere info over Wmo Dagbesteding is te vinden via de productkaarten in bijlage 9 van deze beleidsregels.
Algemene voorwaarden begeleiding
Voorliggende voorziening: Het begrip voorliggende voorziening is niet opgenomen in de Wmo en kan niet als weigeringsgrond worden gehanteerd voor afwijzing van aanvragen waarvoor ook een beroep op een andere wet kan worden gedaan. Een aanvraag kan wel worden afgewezen als op grond van onderzoek (artikel 2.3.5 lid 4 Wmo) blijkt dat cliënt op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid en participatie. Hieronder wordt ook verstaan dat cliënt daadwerkelijk een beroep kan doen op andere wetten (zoals bijvoorbeeld de Zvw en Participatiewet, hierna te noemen de Pw). Zie voor nadere info hieronder.
Behandeling vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw): Voordat begeleiding wordt geïndiceerd is het van belang dat wordt onderzocht of de hulpvraag een begeleidingsdoel of behandeldoel betreft. Als sprake is van een hoog medisch risico of behoefte aan geneeskundige zorg, waarvoor de expertise nodig is op het niveau van een specialist, dan is sprake van een behandeldoel. Behandeling kan worden geboden door bijvoorbeeld: ergotherapeut, psycholoog, specialist ouderen geneeskunde of in een revalidatiecentrum of een centrum gespecialiseerd in bepaalde problematiek (zoals een reumacentrum). Behandeling is gericht op bijvoorbeeld: het aanleren van vaardigheden om met een aandoening stoornis/beperking om te gaan. Behandeldoelen vallen onder de Zvw.
Anders dan in de Wet langdurige zorg (Wlz) is de diagnose niet leidend maar een diagnose is doorgaans wel vereist om behandeling in te kunnen zetten en om te bepalen hoe begeleiding de behandeling eventueel kan versterken (en niet contraproductief is). Begeleiding kan wel worden ingezet om tijdens de behandeling geleerde vaardigheden te oefenen of in te slijten. Soms kan begeleiding en behandeling ook tegelijkertijd worden ingezet; dan neemt de begeleiding de taak tijdelijk over, totdat deze tijdens behandeling is aangeleerd. Uiteraard dient er hierover een goede afstemming tussen (hoofd)behandelaar en begeleider plaats te vinden.
Ondersteuning vanuit de Participatiewet of scholing die cliënt volgt of kan volgen: Er zijn ook andere voorzieningen waar eerst een beroep op kan worden gedaan, voordat de maatwerkvoorziening “begeleiding” wordt overwogen.
Hierbij kun je denken aan ondersteuning op grond van de Pw of scholing die de cliënt kan volgen. Zijn deze mogelijkheden voor aangepast werk of scholing er niet, dan kan begeleiding in de vorm van arbeidsmatige dagbesteding worden overwogen.
Algemeen gebruikelijke voorzieningen: Als burgers een beperking hebben wordt bij activiteiten van het dagelijks leven en vrijetijdsbesteding vaak gedacht aan begeleiding. Wellicht zijn in die situaties andere opties mogelijk of is het gewoon de verantwoordelijkheid van de cliënt of zijn huisgenoten om deze beperking op te lossen. Er zijn veel algemeen beschikbare en redelijke oplossingen voorhanden (die burger zonder beperking ook zelf moeten regelen of betalen). Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn een computercursus, taalles of een bingoavond.
Gebruikelijke hulp: Net als bij hulp bij het huishouden wordt bij begeleiding het begrip ”gebruikelijke hulp” gehanteerd. Op basis hiervan kan objectief worden vastgesteld welke taken gebruikelijk en welke boven-gebruikelijk zijn. Zie bijlage 10 (HHM normenkader 2019 incl. aanvullende instructie huishoudelijke hulp) en 9 (indicatieprotocol begeleiding) van deze beleidsregels voor een uitgebreidere beschrijving van dit begrip.
Indiceren begeleiding: Om de hulpvraag te objectiveren en hierdoor richting te geven aan de indicatiestelling wordt gebruik gemaakt van het indicatieprotocol (zie bijlage 9 van deze beleidsregels). Naar aanleiding van de uitkomst van het indicatieprotocol wordt vervolgens onderzocht welke doelen de cliënt wil bereiken en of dit bereikt kan worden met eigen mogelijkheden, het sociaal netwerk, mantelzorg en andere voorliggende of algemeen gebruikelijke voorzieningen. Uiteindelijk wordt vastgesteld of de maatwerkvoorziening begeleiding passend en adequaat is voor het oplossen van de hulpvraag. Onderdeel van deze vaststelling is de keuze voor individuele begeleiding, groepsbegeleiding of dagbesteding, en hoeveel daarvan (in minuten/dagdelen) en voor welke periode. Ook wordt bepaald of vervoer van en naar de locatie waar dagbesteding wordt aangeboden nodig is.
De indicatie begeleiding loopt maximaal 14 dagen door na verhuizing naar een andere gemeente. Tijdens deze periode worden afspraken gemaakt met de gemeente dat de desbetreffende gemeente de resterende looptijd van de indicatie overneemt.
Kortdurend verblijf houdt in dat de cliënt maximaal drie etmalen per week in een instelling verblijft, bijvoorbeeld een gehandicapteninstelling of verpleeghuis. Het doel van kortdurend verblijf is het ontlasten van de mantelzorger, zodat deze de zorg langer kan volhouden en de cliënt thuis kan blijven wonen. Kortdurend verblijf kan tevens worden ingezet bij cliënten met een psychiatrische achtergrond, indien dit noodzakelijk is ter voorkoming van opname in een woonvorm of in de geestelijke gezondheidszorg.
Bij de beoordeling van een aanvraag voor kortdurend verblijf wordt in eerste instantie onderzocht of voorliggende of andere passende voorzieningen toereikend zijn om de mantelzorger te ontlasten. Dagbesteding wordt daarbij aangemerkt als voorliggende voorziening, aangezien deze voorziening in belangrijke mate kan bijdragen aan de ontlasting van mantelzorgers.
Indien dagbesteding of andere vormen van ondersteuning toereikend en passend worden geacht, wordt geen indicatie voor kortdurend verblijf verstrekt. Kortdurend verblijf wordt uitsluitend toegekend indien aannemelijk is dat dagbesteding en overige voorzieningen onvoldoende compenseren voor de zorgbelasting van de mantelzorger.
Het is daarnaast denkbaar dat in specifieke situaties wordt toegestaan dat etmalen worden opgespaard, bijvoorbeeld om een verblijf van meerdere dagen mogelijk te maken zodat de mantelzorger op vakantie kan. Dan moet wel vaststaan dat andere oplossingen, zoals een vergoeding via de zorgverzekering, niet mogelijk zijn. Opsparen mag maximaal drie keer per jaar, met een gezamenlijk maximum van 21 etmalen over deze drie perioden.
De cliënt kan hiervoor gebruik maken van eigen vervoer of hulp uit het netwerk. Als de cliënt beperkingen heeft op het gebied van vervoer zal hij doorgaans in het bezit zijn van een pasje voor Taxbus, waarmee hij zich naar de instelling kan vervoeren. Kortdurend verblijf kent anders dan school of dagbesteding geen exacte starttijden zodat gebruik van een collectief vervoerssysteem als Taxbus (eventueel met begeleider) een geschikte oplossing biedt.
Er zijn diverse voorzieningen die het mogelijk maken om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving (dat kan de eigen woning zijn of een geschikte woning in dezelfde omgeving). Deze hebben tot doel het normale gebruik van de woning mogelijk te maken. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het zich verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat dit geen elementaire woonfuncties betreffen. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel, zoals een dialyseruimte en therapeutische baden.
Voor kortdurend gebruik (maximaal 6 maanden) zijn losse woonvoorzieningen te leen via het uitleendepot van thuiszorgaanbieders of hulpmiddelenleveranciers. Losse voorzieningen hebben als voordeel dat deze vaak snel kunnen worden ingezet, soms voordeliger zijn, vaak voor meerdere doeleinden kunnen worden ingezet (bijvoorbeeld: een douchestoel ook gebruiken om aan de wastafel te zitten of om op te zitten bij het aankleden) en meegenomen kunnen worden in geval van verhuizing.
4.4.1. Algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen
Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze (CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535):
Tijdens het onderzoek zal worden afgewogen of de aanpassing voorzienbaar was en het tot iemands verantwoordelijkheid gerekend kan worden hierin te voorzien. Een voorbeeld hiervan is dat een cliënt de badkamer vernieuwt, maar niet voor een douche op afschot zorgt en een bad aanschaft. Dit terwijl hij reeds beperkingen ervaarde en hierdoor moeite had om in en uit bad te stappen. In die situatie kan de woningaanpassing worden afgewezen.
Een aantal woonvoorzieningen is algemeen gebruikelijk en vallen daarom onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënten. Het zijn voorzieningen die ook gebruikt worden door cliënten zonder beperking en breed verkrijgbaar zijn, bijvoorbeeld in bouwmarkten of verkrijgbaar zijn via een ”oppluspakket” van de woningcorporatie.
Wanneer uit onderzoek blijkt dat er een probleem is in de huidige woning, volgt verder onderzoek naar een passende oplossing, zoals een verhuizing naar een aangepaste of beter aan te passen woning. Bij het afwegen worden de volgende aspecten meegenomen, namelijk:
Op welke termijn kan het probleem worden opgelost? Afgewogen moet worden of een verhuizing snel het juiste resultaat biedt voor de zelfredzaamheid van de cliënt. Soms kan dat wel, maar soms ook niet. Beoordeeld moet worden, binnen welke termijnen er, ook uit medisch oogpunt, een oplossing voor het probleem gerealiseerd moet zijn.
Woonlasten en financiële draagkracht: Er moet een vergelijking gemaakt worden tussen de woonlasten in de oude en eventueel nieuwe woning. Alle woonlasten moeten daarin meegenomen worden. Het feit dat iemand van een koopwoning naar een huurwoning moet verhuizen mag geen belemmering zijn. Inkomsten uit de opbrengst van de koopwoning kunnen immers ook weer worden ingezet voor woonlasten. Verder kan een rol spelen dat iemand emotioneel erg gehecht is aan de woning en zelf al veel aanpassingen heeft gedaan. Ook de verkoopbaarheid van de woning kan een rol spelen. Beoordeeld zal ook moeten worden of er een redelijke prijs voor de woning wordt gevraagd en of er als gevolg van een restschuld geen financiële problemen ontstaan.
Als het college het primaat van verhuizen toepast, ontvangt de cliënt eenmalig een vast geldbedrag, een verhuiskostenvergoeding, bedoeld voor de kosten van verhuizing en inrichting. De huidige woning van de cliënt wordt dan niet aangepast. De vergoeding voor de verhuizing wordt gebaseerd op marktonderzoek en de vergoeding voor herinrichting op de Nibud-normen voor stoffering (met een maximaal bedrag van € 2.674,50).
Het college kan aan de hand van het medisch advies tot de conclusie komen dat verhuizen de meest compenserende oplossing is en om deze redenen besluiten het aanpassen van de huidige woning niet te vergoeden. Als alle factoren in de overweging zijn meegenomen en het college beslist dat verhuizen de goedkoopste compenserende voorziening is, dan is dat de voorziening die wordt verleend. Door het primaat bij verhuizen op te leggen heeft het college juridisch gezien een handvat om de cliënt geen voorziening voor het aanpassen van de huidige woning te verstrekken als deze niet wenst te verhuizen. Indien een cliënt niet wil verhuizen, kan het college niet worden verweten dat er niet aan de compensatieplicht wordt voldaan. Het college heeft immers een compenserende voorziening aangeboden, die echter niet door de cliënt geaccepteerd is.
Als iemand verhuist naar een woning die niet passend is voor zijn of haar situatie, en daarna ondersteuning vraagt om de daardoor ontstane problemen op te lossen, kan het college die hulp weigeren. Wanneer iemand echter verhuist van een passende naar een niet-passende woning zonder toestemming van het college, betekent dat niet dat ondersteuning voor altijd kan worden uitgesloten.
De volgende kosten kunnen in aanmerking komen voor de maatwerkvoorziening woningaanpassing:
De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen dan vervalt de post loonkosten en komen alleen de materiaalkosten voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking;
De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, alsmede de administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor de ondersteuning behoevende, beiden gezamenlijk tot een maximum van 5% van de kosten onder 1 t/m 9 met een maximumbedrag van € 500, –.
Bij een seniorenwoning en woon-zorgcomplex is de verhuurder in beginsel verantwoordelijk. De verhuurder dient eerst contact op te zoeken met de verhuurder alvorens contact wordt gezocht met het college. Het college verstrekt enkel voorzieningen die in de seniorenwoning of woon-zorgcomplex niet standaard aanwezig horen te zijn.
Maximale kosten woningaanpassing
Een woning wordt alleen aangepast als verhuizen naar een geschikte woning niet mogelijk of niet de goedkoopst compenserende oplossing is. In het geval van een woonvoorziening kan dit ook een verhuiskostenvergoeding in het kader van het primaat van verhuizen zijn. Het primaat van verhuizen houdt in dat het college een cliënt vraagt te verhuizen naar een geschikte woning in plaats van de huidige woning aan te passen.
Als het college het primaat van verhuizen toepast, ontvangt de cliënt eenmalig een vast geldbedrag, een verhuiskostenvergoeding, bedoeld voor de kosten van verhuizing en inrichting. De huidige woning van de cliënt wordt dan niet aangepast. De vergoeding voor de verhuizing wordt gebaseerd op marktonderzoek en de vergoeding voor herinrichting op de Nibud-normen voor stoffering met een maximaal bedrag van € 2.674,50.
Bij aanpassingskosten hoger dan € 15.000,00 wordt geen woningaanpassing uitgevoerd, maar geldt het primaat tot verhuizen, tenzij er individuele omstandigheden te noemen zijn waardoor verhuizen geen adequate oplossing is. Hierbij kan rekening worden gehouden met:
Terugbetaling Woningaanpassing
De woningeigenaar kan, bij verkoop binnen 10 jaar na de datum van gereedmelding van de werkzaamheden, verplicht worden tot terugbetaling van de woonvoorziening, verminderd met 10% per jaar en exclusief de kosten die voor rekening van de eigenaar van de woonruimte gekomen zijn, indien de kosten van die voorziening een bedrag van € 5.000,00 te boven gaat. Hierbij wordt gedurende 10 jaar onderstaand afschrijvingsschema toegepast:
Als sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning gaat het college ook daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Daarbij is uitgangspunt dat de uitgaven die de cliënt had voorafgaand aan de situatie van de mantelzorg in de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen enzovoorts. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen. Het college kan adviseren en ondersteunen als het gaat om de nodige vergunningen op het gebied van ruimtelijke ordening.
De uitgangspunten zoals hierboven beschreven sluiten aan bij de Beleidsregel Bijwonen met zelfstandige voorziening Geldrop-Mierlo 2026, die in het eerste kwartaal van 2026 wordt vastgesteld. Hierin worden nadere kaders gegeven voor het realiseren van zelfstandige woonvoorzieningen in het kader van mantelzorg.
Een aanpassing kan pas worden uitgevoerd nadat de cliënt een beschikking heeft ontvangen. Indien een voorziening, nadat de werkzaamheden zijn aangevangen of voltooid, wordt aangevraagd kan dat tot de conclusie leiden dat de cliënt zijn eigen verantwoordelijkheid heeft genomen en zelf zijn probleem heeft kunnen oplossen, zodat ondersteuning niet nodig is.
Als een cliënt problemen ervaart op het gebied van het dagelijks sociale vervoer, wordt onderzocht of de cliënt in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening. Hierbij spelen diverse aspecten een rol, zoals de vervoersbehoefte en de mogelijkheid om zelf in de vervoersbehoefte te voorzien. Heeft een cliënt bijvoorbeeld een auto of een brommer of kan de cliënt hulp inschakelen van het eigen netwerk?
Bij de beoordeling van de eigen kracht in het kader van een vervoersvoorziening, wordt allereerst gekeken of iemand in staat is gebruik te maken van een eigen auto, de (brom-)fiets en/of van het openbaar vervoer. Daarnaast moet worden afgewogen of het vervoersprobleem kan worden opgelost door gebruik te maken van een algemeen gebruikelijke vervoersvoorziening zoals een elektrische fiets. Een elektrische fiets (met trapondersteuning) is een voorziening die ook door personen zonder beperkingen wordt gebruikt en in de detailhandel te koop is. Ook speciale wensen aan auto’s kunnen als algemeen gebruikelijk worden beschouwd, waaronder een automaat of een airco.
De cliënt komt in aanmerking voor een vervoersvoorziening als hij het openbaar vervoer niet kan bereiken of gebruiken. Het criterium ‘bereiken van het openbaar vervoer’ is door de CRvB geoperationaliseerd door middel van het loopafstandscriterium “maximale” loopafstand van 800 meter. Kan de cliënt 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo lopen, dan wordt de cliënt in staat geacht het openbaar vervoer te kunnen bereiken. Kan de cliënt het openbaar vervoer bereiken, maar is het onmogelijk het openbaar vervoer te gebruiken? Een voorbeeld hiervan is als de cliënt moeilijk of niet kan in- en uitstappen. Dan kan dit aanleiding zijn om een vervoersvoorziening toe te kennen. Er vindt altijd een individuele beoordeling plaats, waarbij wordt gekeken naar de vervoersbehoefte, de daadwerkelijke afstand tot de bushalte etc.
4.6.1 Collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV)
In lijn met artikel 10 lid 2 sub b van de Verordening biedt het college Collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) aan als een passende oplossing voor problemen bij het vervoer over langere afstanden. Het CVV is voorliggend op een andere maatwerkvoorziening. Hierbij zal altijd rekening worden gehouden met de persoonskenmerken en behoeften van de cliënt. Indien het CVV wordt toegekend zijn daarvan de belangrijkste kenmerken:
Cliënten die in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening via de Wmo ontvangen jaarlijks een kilometerbudget van 1500 kilometer waarmee zij op gemeentelijke kosten gebruik maken van Taxbus. Dit plafond is gebaseerd op een gemiddelde vervoersbehoefte die nodig is voor maatschappelijke participatie.
Wanneer het gebruik structureel boven dit plafond uitkomt, beoordeelt het college of sprake is van een bijzondere situatie die een uitbreiding rechtvaardigt. Het college kan het plafond in individuele gevallen tijdelijk of structureel verhogen, als dit noodzakelijk is voor de zelfredzaamheid of participatie. Indien extra kilometers niet noodzakelijk worden geacht in het kader van de Wmo, komen deze voor eigen rekening van de client.
Het college is alleen verantwoordelijk voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening gericht op de lokale vervoersbehoefte van de client. Dat betekent ook dat het onderzoek naar de vervoersbehoefte alleen gericht is op de lokale verplaatsingen. Voor bovenlokale verplaatsingen kan gebruik worden gemaakt van Valys. Met Valys kan een reis van deur tot deur geboekt worden, waar het gebruik van een taxi mogelijk gecombineerd kan worden met het openbaar vervoer of aanvullend openbaar vervoer. Elke pashouder ontvangt een persoonlijk kilometerbudget per jaar. Daarnaast kent Valys een hoog persoonlijk kilometerbudget per jaar. Daarvoor is een indicatie nodig (aan te vragen bij Valys).
4.6.3 Financiële tegemoetkoming
Wanneer de cliënt niet met het CVV kan reizen, is er een maatwerkvoorziening mogelijk in de vorm van een financiële tegemoetkoming (rolstoel)taxivervoer op declaratiebasis.
Tegemoetkoming sportvoorzieningen
De sportrolstoel is een voorziening die meegenomen is vanuit de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) zonder dat deze sportrolstoel in de Wmo wordt genoemd. De sportrolstoel is een bovenwettelijke voorziening, in de Wvg opgenomen naar aanleiding van een verzoek van de Tweede Kamer. De vergoeding dient beschouwd te worden als tegemoetkoming in de kosten van aanschaf en onderhoud voor een periode van drie jaar. Na drie jaar kan opnieuw een financiële tegemoetkoming worden toegekend.
Een sportvoorziening kan worden toegekend, wanneer het voor de cliënt zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport. Om voor een sportvoorziening in aanmerking te komen, moet er sprake zijn van een actieve sportbeoefening. De ervaring leert dat sportclubs, sponsors of fondsen vaak bereid zijn een deel van de kosten te vergoeden. Het college is verder niet verplicht om sporten op hoog niveau mogelijk te maken.
Sommige autoaanpassingen kunnen algemeen gebruikelijk zijn als de client voornemens is een auto aan te schaffen. Denk bijvoorbeeld aan stuur- en rembekrachtiging, de automatische versnelling of een auto met hoge instap. Voor deze aanpassingen kan in ieder geval geen beroep worden gedaan op de Wmo 2015 als gebruik kan worden gemaakt van het CVV (vergelijk CRVB:2011:BU7172).
Bij het verstrekken van een autoaanpassing worden een aantal uitgangspunten gehanteerd:
Is de cliënt eigenaar en bestuurder van de auto? Onder de eigenaar van de auto kan ook de wettelijk vertegenwoordiger van het kind worden verstaan waar de autoaanpassing voor bestemd is. Ook kan de client zijn aangewezen op vervoer door diens partner; diens auto wordt dan beoordeeld op noodzaak tot aanpassing.
Het werven van fondsen is vanzelfsprekend geen voorliggende oplossing op het verstrekken van een maatwerkvoorziening als de client daar op is aangewezen. Het kan echter wel voorkomen dat een clien met behulp van fondsen een auto of bus kan aanschaffen. Vaak moeten aan zo’n auto of bus nog aanpassingen verricht worden. Het ligt op de weg van de client daarover vooraf met het college contact te hebben. Dit om teleurstellingen te voorkomen als een aanvraag om aanpassingen zal worden afgewezen.
4.6.5 Individuele vervoersvoorzieningen
Het stallen van vervoersvoorzieningen, zoals een scootmobiel, moet op een adequate wijze gebeuren. Bij verstrekking in natura (bruikleen) vloeit de verplichting voort uit de bruikleenovereenkomst. Het college kan met de leverancier overleggen wat adequaat stallen inhoudt. Een adequate stalling is in ieder geval: overdekt en droog. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden. Om diefstal of vernieling te voorkomen kan een afgesloten stalling nodig zijn. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan als adequaat worden beschouwd. In de stallingsruimte kan een oplaadpunt nodig zijn. Ingeval van een pgb geldt de voorwaarde van een adequate stalling vanzelfsprekend ook.
Het college onderzoek of de client zelf mogelijkheden heeft om hier zorg voor te dragen door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings)ruimte (CRVB:2016:429). Het stallen van een scootmobiel in bijvoorbeeld de hal is een acceptabel alternatief voor het realiseren van een adequate stalling of het verbreden van een tuinpoort (CRVB:2023:1642). Dat is anders als de client bijvoorbeeld de hal niet in kan rijden of er met een gestalde scootmobiel geen voldoende ruimte is om deze te kunnen passeren. Heeft de client geen mogelijkheden tot het stallen van de voorziening, dan valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht van het college.
Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid, door te willen blijven fietsen, is voor de Wmo 2015 niet relevant (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446). Dat betekent ook dat een noodzaak voor het verstrekken van een elektrische fiets afhankelijk is van de mogelijkheid zich te verplaatsen op een gewone fiets waarmee wordt voorzien in de vervoersbehoefte. Heeft een cliënt een medisch gelimiteerde inspanningscapaciteit of lichamelijke beperkingen, zoals krachtsverlies, waardoor hij met een gewone fiets niet kan voorzien in de noodzakelijke vervoersbehoefte, dan kan een elektrische fiets aangewezen zijn (CRVB:2021:1595). Maar het college beoordeelt ook of de gewenste elektrische fiets de goedkoopst passende bijdrage is. Een scootmobiel kan namelijk goedkoper zijn.
4.6.5.3 Driewielfietsen en andere bijzondere fietsen
Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen. Denk bijvoorbeeld aan driewielfietsen of handbikes. Driewielfietsen worden speciaal gebruikt door de cliënt met beperkingen op evenwichtsgebied of een gestoorde motoriek. Dergelijke beperkingen maken het gebruik van een normale fiets (al dan niet met hulpmotor) onmogelijk of ten minste onveilig. Om aanspraak te maken op een bijzondere fiets gelden in principe dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel. Verder geldt dat een normale kinderdriewieler voor kinderen tot 4 jaar in ieder geval als algemeen gebruikelijke voorziening wordt beschouwd en daarom niet voor verstrekking in aanmerking komt gelet op de hoogte van de kosten.
Een driewielfiets kan in uitzonderlijke gevallen als maatwerkvoorziening worden verstrekt als dit noodzakelijk is voor het behouden of vergroten van de zelfredzaamheid of participatie van de client. Het uitgangspunt is dat een scootmobiel doorgaans de goedkoopst adequate oplossing is voor vervoersproblemen. Een driewielfiets, in welke vorm dan ook, wordt alleen overwogen wanneer:
4.6.6 Aanpassing aan de individuele vervoersvoorzieningen
Bij beperkingen op het gebied van vervoer ligt het primaat bij het gebruik van Taxbus (CVV). Dat wil zeggen dat wanneer men geen gebruik kan maken van het reguliere openbaar vervoer, men in aanmerking komt voor een pas van Taxbus. Alleen wanneer is aangetoond dat Taxbus niet geschikt is voor de cliënt en niet tot gewenste resultaat leidt, kan een andere individuele vorm van ondersteuning onderzocht worden.
4.7. Beoordeling financiële draagkracht
Bij het vaststellen van de tegemoetkoming voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo, houdt het college rekening met de draagkrachtcriteria zoals gehanteerd bij de bijzondere bijstand. Daarbij geldt het uitgangspunt dat een cliënt met een inkomen op minimumniveau een voorziening financieel kan dragen, indien de kosten daarvan binnen een termijn van 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de voor de betrokkene geldende bijstandsnorm. Het college kan tevens rekening houden met de mogelijkheid van het gebruik van beschikbare tweedehands of herbruikbare voorzieningen.
Hoofdstuk 5. Voorzieningen: Toegang, onderzoek en beoordeling voor Jeugdhulp en Wmo
5.1. Signalen van onveiligheid
Alle professionals die door het college ingezet worden voor Jeugdhulp en Wmo, moeten zich in lijn met artikel 3 lid 1 sub k van de Verordening houden aan de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Er zijn vanuit de meldcode ook binnen het CMD en PlusTeam aandachtsfunctionarissen huiselijk geweld en kindermishandeling opgeleid. Bij hen kan er advies worden ingewonnen als er vermoedens van onveiligheid zijn.
5.2. Het ontbreken van gegevens.
Een aanvraag kan niet in behandeling worden genomen als essentiële gegevens ontbreken. In dat geval wordt een incompleet ondersteuningsplan opgesteld, waarin wordt vermeld dat de aanvraag niet in behandeling kan worden genomen.
Binnen vier weken na het gesprek ontvangt de cliënt conform artikel 16 van de verordening een verslag van het gesprek en de uitkomsten van het onderzoek. Dit geldt voor zowel Wmo en Jeugd. Het college legt daarin alleen die gegevens die noodzakelijk zijn vast. De gegevens die noodzakelijk zijn, zijn terug te vinden in paragraaf 2.3.
Als het college meer informatie nodig heeft voor het verslag of als ontbrekende informatie opgevraagd moet worden, waardoor het verslag niet binnen de hiervoor genoemde termijn kan worden toegestuurd, dan wordt de cliënt schriftelijk geïnformeerd, met onderbouwing, over het uitstel van de termijn en de reden hiervoor.
Indien het verslag niet binnen 5 werkdagen wordt teruggestuurd, kan het college maximaal twee keer een herinneringsbericht sturen met het verzoek om het verslag alsnog binnen telkens 5 werkdagen retour te zenden (in totaal maximaal 10 werkdagen extra). Wanneer het verslag ook na deze termijn niet wordt geretourneerd, vervalt het proces tot aanvraag.
Om te bepalen of het college maatwerkvoorziening verleent, volgt het college de volgende stappen:
Om te bepalen of het college jeugdmaatwerkvoorziening verleent, volgt het college de volgende stappen:
Resultaten beschrijven de te bereiken doelen van de zorg. Deze kunnen gericht zijn op ontwikkeling (herstel) of stabilisatie. Ook kunnen de doelen bestaan uit het beschrijven van de hulpvraag, op het moment dat de te bereiken doelen nog onvoldoende duidelijk zijn. Er kunnen door verschillende organisaties en personen worden gewerkt aan het behalen van de doelen.
De coördinatie van zorg wordt in samenspraak met cliënten vormgegeven. Onderdeel hiervan is om aan het begin van het bieden van de zorg te bepalen wie de coördinatie van zorg uitvoert en hoe dit plaatsvindt. Uitgangspunten hierbij zijn:
Wanneer sprake is van gezinnen die vragen om meer regie op het gebied van veiligheid en waarin een ondertoezichtstelling, een voogdijmaatregel en/of een jeugdreclasseringsmaatregel is opgelegd, is de gecertificeerde instelling verantwoordelijk voor de coördinatie van zorg en het contact met jeugdige en ouders.
Hoofdstuk 6. De vorm van de maatwerkvoorziening
6.1. Zorg in Natura als vertrekpunt
De cliënt die een maatwerkvoorziening van het college krijgt, ontvangt de maatwerkvoorziening (een dienst of een product) in principe in natura, tenzij de cliënt kan onderbouwen te voldoen aan de voorwaarden uit de Verordening voor een PGB.
De formulering van het eerste lid van artikel 8.1.1. van de Jeugdwet en artikel 2.3.6. lid 2 van Wmo 2015 geven aan dat het uitgangspunt is dat de cliënten een voorziening ‘in natura’ krijgen. Cliënten die een PGB wensen te ontvangen moeten dit motiveren. De motivering is samen met de bekwaamheid onderdeel van het PGB-plan. Voor de motivering geldt dat:
6.4 Categorieën zorgaanbieders
Deze bepaling beschrijft de categorieën zorgaanbieders die binnen een persoonsgebonden budget (pgb) kunnen worden ingezet en de eisen die aan deze aanbieders worden gesteld.
In de Verordening is de hoogte van het PGB opgenomen. Op basis van de daar genoemde tarieven wordt het PGB-budget bepaald. Voor een PGB geldt:
De budgethouder zorg voor een hoger tarief in mag kopen dan de door het college beschikbaar gestelde budgetten. Er kunnen dan minder uren worden ingekocht of de budgethouder kan een vrijwillige storting doen. De budgethouder motiveert in het PGB-plan hoe de kwaliteit en de doelen worden gegarandeerd als er minder uren worden ingekocht. Het lokale team kan een PGBweigeren als deze motivering ontoereikend is. Een voorbeeld is een PGB voor verblijf dat voor 3 dagdelen is toegekend, maar waar door het hogere budget maar 2 dagdelen wordt ingekocht.
Het college stelt een PGB plan format ter beschikking, cliënten worden geacht dit format te hanteren voor het opstellen van een PGB plan.
In lijn met artikel 25 van de verordening, geldt het volgende omtrent controle van het PGB:
Indien, met de in dit artikel genoemde bescheiden niet of niet volledig adequate besteding van het persoonsgebonden budget aangetoond kan worden of bij gebleken misbruik dan wel aanwending van het persoonsgebonden budget ten behoeve van andere zaken dan waartoe dit is toegekend, kan het college het al verstrekte persoonsgebonden budget geheel of ten dele intrekken en terugvorderen.
In geval een persoonsgebonden budget voor een eenmalige aanschaf vooraf wordt uitbetaald, controleert het college de besteding hiervan achteraf. Cliënt dient binnen 3 maanden na verstrekking van het persoonsgebonden budget desgevraagd een originele nota te kunnen overleggen. Het vastgestelde persoonsgebonden budget betreft een maximum vergoeding. Indien de ingediende nota lager is dan het toegekende PGB, zal het PGB worden gelijkgesteld met het bedrag vermeld in de nota.
6.8 Voorwaarden (aan te kopen voorzieningen met) persoonsgebonden budget
Op het persoonsgebonden budget voor een voorziening c.q. hulpmiddel zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
Indien de cliënt geen gebruik meer kan maken van de voorziening binnen 7 jaren dan gaat het college over tot herziening/intrekking. Bij de vaststelling van de hoogte van het terug te vorderen persoonsgebonden budget wordt de beginwaarde van de maatwerkvoorziening gerelateerd aan een reële lineaire afschrijvingsduur;
Indien de voorziening nog redelijk bruikbaar is na 7 jaar, dan vergoedt het college de kosten voor reparatie en regulier onderhoud, zolang de voorziening bruikbaar is en de kosten van reparatie en onderhoud opwegen tegen de kosten van de verstrekking van een nieuwe voorziening. Deze kosten van reparatie en onderhoud moeten voorafgaande aan het uitvoeren hiervan aan het college worden voorgelegd ter instemming.
Hoofdstuk 8. Kwaliteit en aanbesteding
8.1. Kwaliteit van diensten en producten
Alle diensten en producten die het college afneemt bij niet-gecontracteerde zorgaanbieders moeten minimaal voldoen aan dezelfde kwaliteitseisen als die voor gecontracteerde aanbieders en middelen gelden, conform de landelijke contractstandaarden. Bij een persoonsgebonden budget (PGB) ligt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit bij de cliënt zelf. Bij niet-gecontracteerde zorgaanbieders die werken op basis van een maatwerkovereenkomst is het college verantwoordelijk voor de controle op de naleving van de kwaliteitseisen. De specifieke kwaliteitseisen voor jeugdhulp zijn opgenomen in de Producten- en Dienstencatalogus (PDC) van 10 voor de Jeugd. De kwaliteitseisen voor de Wmo zijn te vinden in de PDC Wmo, beschikbaar via www.geldrop-mierlo.steunwijzer.nl.
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop-Mierlo op 16 december 2025.
het college van burgemeester en wethouders,
de secretaris, de heer N.J.H. Scheltens
de burgemeester, de heer J.C.J. van Bree
Bijlage 1. Stroomschema Woonplaatsbeginsel Jeugd
Stappenplan toepassen woonplaatsbeginsel jeugdzorg
Wet wijziging woonplaatsbeginsel jeugd per 1 januari 2022.
A. Bepalen verantwoordelijke gemeente
Onder jeugdzorg wordt verstaan: jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering.
B. Onbekend of de jeugdige nu al jeugdzorg ontvangt
Voor dit onderdeel is inzicht in de volledige adreshistorie van de jeugdige nodig (BRP). Uitleg van proces van navraag doen bij (voormalige) gemeenten waar de jeugdige woont of heeft gewoond
Bijlage 2. Schema afbakening Jeugdwet andere wetten 2024
|
Eet- en voedingsstoornis bij zuigelingen en in vroege kindertijd |
|||||||
|
géén somatische oorzaak: diagnose en behandeling door jeugdpsychiater of |
|||||||
|
advies en voorlichting overaanschaf/gebruik gehoorapparatuur |
|||||||
|
behandeling van stoornis op gebied van:
|
|||||||
|
persoonlijke verzorging bij ADL (algemene dagelijkse levensverrichtingen) |
|||||||
Bijlage 3. Herken ‘normale’ en ‘ernstige’ opvoedproblemen
De opvoedvragen, -problemen en -zorgen van ouders variëren per gezin, tijdsbestek en sociale omstandigheden. De ontwikkelingsleeftijd van kinderen is verbonden aan bepaalde problemen in de opvoeding. Professionals moeten hiervan op de hoogte zijn om ouders goed te kunnen begeleiden. In onderstaande tabel is aan de hand van ontwikkelingsfasen een overzicht weergegeven van ‘normale’ en ‘ernstige’ opvoedproblemen. 1
Bijlage 4. Richtlijn gebruikelijke zorg
Richtlijnen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) ten aanzien van gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfases. Hier verstaan wij onder:
Bijlage 4.1 Gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp
Tabel: gemiddelde tijd en frequentie van PV-activiteiten
De nummers in deze tabel sluiten aan bij de Beleidsregels van VWS en die van de AZR (AWBZ-brede zorgregistratie).
Bijlage 5. Protocol “Jeugdhulp na verwijzing door huisarts, medisch specialist en jeugdarts”
Ter waarborging van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van een individuele voorziening door een jeugdhulpaanbieder na de medische verwijsroute.
Jeugdhulp is onder andere toegankelijk na verwijzing door een huisarts, jeugdarts en medisch specialist. Na verwijzing door een arts staat echter vaak nog niet vast welke vorm van jeugdhulp in welke mate nodig is. In de praktijk is het dan vaak de jeugdhulpaanbieder zelf die, samen met de jeugdige en / of ouders, beoordeelt welke specifieke voorziening nodig is, in welke omvang en hoe lang. Kortom, de rol van de jeugdhulpaanbieder ter bepaling van de zorginzet is veelal cruciaal. Dit maakt dat de gemeente behoefte heeft aan meer inzicht in en sturing op het proces van het verzoek om een toewijzing (JW315). Een duidelijk beoordelingskader, en waar nodig tijdige afstemming tussen jeugdhulpaanbieder en gemeente vooraf, draagt bij aan de juiste zorginzet voor jeugdige en hun ouders.2 Eventuele discussies achteraf kunnen voorkomen worden omdat er vooraf door middel van dit protocol een kader is geschept waarbij de professionaliteit van de jeugdhulpaanbieder voorop staat. Dit protocol betekent niet dat de gemeenten te pas en te onpas mogen “ingrijpen” in het proces van zorginzet na verwijzing. Voorkomen moet worden dat jeugdhulpaanbieders onnodig / zonder aanleiding belast worden door de gemeenten. Het vertrekpunt voor de afstemming tussen gemeente en jeugdhulpaanbieder blijft vertrouwen.
Het doel van dit protocol is de waarborging van een deskundige en juiste bepaling van de in te zetten individuele voorziening door een jeugdhulpaanbieder na medische verwijzing. Het protocol heeft daarnaast ook tot doel om een beter zicht te krijgen op het proces voorafgaande aan het verzoek tot toewijzing (JW315). Dit inzicht ondersteunt de gemeente bij de doorontwikkeling van het systeem van jeugdhulp.
Om de gedeelde verantwoordelijkheid van gemeente en jeugdhulpaanbieder te benadrukken, maakt dit protocol niet alleen deel uit van lokale regelgeving maar ook van de overeenkomst zoals gesloten met jeugdhulpaanbieders zorg in natura.
Individuele voorzieningen die ingezet worden na verwijzing via de medische verwijsroute in het kader van de Jeugdwet. Dit geldt zowel voor de verstrekkingsvorm zorg in natura als voor de verstrekkingsvorm persoonsgebonden budget (pgb). Dit betekent dat alle jeugdhulpaanbieders (zorg in natura en pgb), gehouden zijn tot toepassing van het protocol en dat het college de mogelijkheid
c.q. bevoegdheid heeft tot een beoordeling van het correct toepassen van het protocol
door jeugdhulpaanbieders en, in het verlengde daarvan, de juistheid van de voorgestelde individuele voorziening ingevolge het verzoek om toewijzing (JW315).
Het protocol is niet van toepassing op landelijk gecontracteerde zorg en individuele voorzieningen kindergeneeskunde (53A01 Behandeling/onderzoek polikliniek bij gedragsproblemen en 53A02 Consult polikliniek bij gedragsproblemen).
Aan een verzoek om toewijzing (JW315) ingevolge dit protocol ligt altijd een verwijzing van een huisarts, medisch specialist of jeugdarts ten grondslag. Zonder een geldige verwijzing, mag geen verzoek tot toewijzing (JW315) worden gedaan. In het verzoek om toewijzing (JW315) vult de aanbieder de velden ‘productcategorie’, ‘productcode’, ‘eenheid’, ‘volume’, ‘frequentie’.
Van een dergelijke gerede twijfel over het correct toepassen van het protocol, kan ook sprake zijn indien onrecht- c.q. onregelmatigheden zijn geconstateerd in verstrekking van geleverde zorg door de jeugdhulpaanbieder na toewijzing. Hierbij is niet relevant welk toegangskanaal is doorlopen (gemeentelijk toegangskanaal dan wel medische verwijsroute).
Naast de controle zoals geduid onder 4 kan de gemeente een blinde (ongerichte) steekproef uitvoeren. Een dergelijke steekproef wordt echter niet uitgevoerd zonder daaraan voorafgaande duidelijke procesafspraken te hebben gemaakt met jeugdhulpaanbieders over de omvang en inrichting van de steekproef.
Het protocol ziet zowel toe op zorg in natura als op pgb waarbij voor zorg in natura het uitgangspunt is dat de gemeente geen toewijzing (JW301) verstrekt aan een jeugdhulpaanbieder die niet gecontracteerd is. Indien een arts verwijst naar een jeugdhulpaanbieder die niet gecontracteerd is, is het aan de jeugdhulpaanbieder om onverwijld contact op te nemen met de gemeente. Indien geen contract zorg in natura tot stand komt, kan geen opdracht tot verlenen zorg tot stand komen.
Bij de uitvoering van het protocol zijn gemeente en jeugdhulpaanbieders gehouden aan privacy- regels. Het uitgangspunt is dat de jeugdhulpaanbieder geen gegevens over de jeugdige of de ouders verstrekt zonder toestemming van betrokken jeugdige of ouders (artikel 7.3.11, lid 1 Jw, artikel 7:457 BW). Toestemming van de jeugdige of ouders is niet nodig indien de gegevens worden uitgevraagd vanwege een onderzoek naar de juistheid van declaraties en zorginzet door de jeugdhulpaanbieder ingevolge de artikelen 6b.1-6b.7 Regeling Jeugdwet. Overigens is het vragen en geven van toestemming vormvrij, maar wel met spoor van verificatie omtrent gegeven of niet gegeven toestemming.
B. Intake: de te doorlopen stappen
Voor het indienen van een verzoek om toewijzing (JW315) voert de jeugdhulpaanbieder een intake uit. Jeugdhulpaanbieders doorlopen, gebaseerd op de contractuele3 definitie van het begrip intake4 , tijdens de intake de volgende stappen5 :
Tijdens de intake wordt bepaald voor welke ondersteuning de jeugdige of zijn ouders in aanmerking komen gezien de aard en ernst van de problematiek en de mogelijkheden vanuit de jeugdhulpaanbieder om passende ondersteuning te bieden. Het betreft hier een eerste inschatting van de aard en ernst van de problematiek. Er hoeft dus geen volledige diagnose te worden gesteld. Een diagnostisch traject of een observatie thuis kan onderdeel worden van het verzoek om toewijzing (JW315). Belangrijk is wel om te bepalen of de jeugdige en / of de ouders gezien hun problematiek wel voor ondersteuning in aanmerking komen en of er geen contra-indicaties zijn. De inschatting van de aard en ernst van de problematiek kan indien mogelijk geheel of gedeeltelijk op basis van dossieronderzoek plaatsvinden.
De jeugdhulpaanbieder kan voorzieningen inzetten zoals beschreven in de PDC (bijlage 3 overeenkomst zorg in natura).
De goedkoopst passende voorziening
Voor wat betreft het bepalen van aard en omvang van de individuele voorziening opteert de jeugdhulpaanbieder, bij gebleken geschiktheid van meerdere individuele voorzieningen zoals beschreven in de PDC altijd voor de individuele voorziening waar de laagste kosten aan zijn verbonden. Dit betekent ook dat de jeugdhulpaanbieder qua frequentie, volume en/of maximum indicatieduur van zorginzet niet meer inzet dan nodig om het resultaat te bereiken.
Dit betreft ook een eerste inschatting of de jeugdhulpaanbieder wel de juiste expertise en kwaliteit in huis heeft om passende ondersteuning te bieden. Is er bijvoorbeeld wel sprake van psychische en/of psychiatrische problematiek of ligt de hoofdoorzaak van de ondersteuningsvraag meer op het vlak van een verstandelijke beperking waarbij een expertise vereist is die de jeugdhulpaanbieder niet
heeft? Het kan echter ook zijn dat de aard en ernst van de problematiek ‘te zwaar’ of ‘te licht’ is voor
een jeugdhulpaanbieder. Dit is uiteraard per jeugdhulpaanbieder verschillend.
Inherent aan deze stap is ook dat jeugdhulpaanbieder toetst op betrokkenheid van andere jeugdhulpaanbieders bij de jeugdige of ouders. Uitgangspunt is dat zorginzet zoveel als mogelijk plaatsvindt door één jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdhulpaanbieder in de intakefase constateert dat er al een andere jeugdhulpaanbieder betrokken is bij de jeugdige en/of de ouders, dan stemt jeugdhulpaanbieder (met toestemming van de jeugdige en / of ouders) eerst af met de al betrokken jeugdhulpaanbieder voordat een verzoek om toewijzing (JW315) wordt gedaan bij de gemeente. De jeugdhulpaanbieder toetst op dat moment welke zorg de andere jeugdhulpaanbieder inzet en hoe zich dit verhoudt tot een mogelijk aanvullend aanbod. De jeugdhulpaanbieder toetst op de goedkoopst passende mogelijkheid.
De betrokken partijen maken onderling, in samenspraak met de jeugdige en/of de ouders, eventueel afspraken over de ondersteuning die wordt geboden. Waar nodig en mogelijk worden plannen op elkaar afgestemd. Als de jeugdhulpaanbieder dan een verzoek om toewijzing (JW315) indient bij de gemeente, constateert de gemeente dus dat een JW315 wordt ingediend terwijl er al een jeugdhulpaanbieder actief is. De gemeente kan op dat moment contact opnemen met de jeugdhulpaanbieder. Het is dan aan de jeugdhulpaanbieder om te motiveren waarom de aanvullende zorginzet noodzakelijk is. Indien de jeugdhulpaanbieder daartoe onvoldoende in staat is, wordt het verzoek om toewijzing (JW315) niet in behandeling genomen. De verwerking van het verzoek om toewijzing (JW315) wordt opgeschort tot het moment dat de gevraagde motivering afdoende heeft plaatsgevonden. Bij het contact tussen de gemeente en jeugdhulpaanbieder kan blijken dat de jeugdhulpaanbieder niet wist dat er reeds een andere jeugdhulpaanbieder actief is. Op dat moment gaat de jeugdhulpaanbieder alsnog de toets verrichten zoals beschreven in deze alinea. De verwerking van het verzoek om toewijzing (JW315) wordt opgeschort tot het moment dat de toets alsnog heeft plaatsgevonden.
Ook kan het zijn dat de jeugdhulpaanbieder tot de conclusie komt dat hij de gewenste zorg niet kan leveren, maar dat de gewenste jeugdhulp wel door een andere jeugdhulpaanbieder kan worden geleverd. De jeugdhulpaanbieder wendt zich in dit geval tot de verwijzer. De verwijzing dient zo nodig te worden aangepast en de jeugdige en/of ouders nemen contact op met de andere jeugdhulpaanbieder.
onderzoek of en in hoeverre er mogelijkheden zijn om, geheel dan wel gedeeltelijk:
met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot een oplossing voor de hulpvraag6 ;
Nadat bij stap c. de jeugdhulpaanbieder heeft bepaald welke hulp nodig is, onderzoekt de jeugdhulpaanbieder bij stap d. of er alternatieven zijn voor een mogelijk zorgaanbod dat voorgaat op een mogelijke zorginzet door de jeugdhulpaanbieder.
Daartoe toetst de jeugdhulpaanbieder ook op zorginhoudelijke betrokkenheid van de gemeente . Indien de gemeente reeds betrokken is bij de jeugdige en/of ouders, dan stemt de jeugdhulpaanbieder eerst af met de gemeente voordat een verzoek om toewijzing (JW315) wordt ingediend (mits jeugdige en/of ouders hiervoor toestemming geeft). De jeugdhulpaanbieder en de gemeente maken onderling, in samenspraak met de jeugdige en/of de ouders, afspraken over de ondersteuning die wordt geboden. Waar nodig en mogelijk worden plannen op elkaar afgestemd.
Indien voorafgaande aan een JW315 geen afstemming heeft plaatsgevonden tussen jeugdhulpaanbieder en de gemeente, terwijl de gemeente wel inhoudelijk betrokken is bij de jeugdige en / of de ouders, wordt de verwerking van het verzoek om toewijzing (JW315) opgeschort tot het moment dat de jeugdhulpaanbieder alsnog de afstemming heeft gezocht met de gemeente.
Ingevolge artikel 2.3 lid 3 van de overeenkomst neemt de jeugdhulpaanbieder altijd contact op met de gemeente indien het voornemen bestaat tot inzet van het product verblijf. In gezamenlijkheid wordt bepaald of inzet van de gemeente nodig is aanvullend op de zorginzet door de jeugdhulpaanbieder waarbij de uitkomst van het contact kan zijn dat er geen verblijf nodig is maar een andersoortige inzet.
Indien de jeugdhulpaanbieder na het doorlopen van stap d. constateert dat er (gedeeltelijk) geen jeugdhulp ingezet hoeft te worden vanwege mogelijkheden genoemd onder d., dan doet de jeugdhulpaanbieder – uiteraard – geen verzoek om toewijzing (JW315).
Indien er verschil van inzicht is met de cliënt, verwijst de jeugdhulpaanbieder de jeugdige en/of ouders door naar de gemeente. Dit geeft de gemeente ruimte tot nadere informatieverschaffing / verduidelijking, maar geeft de cliënt ook ruimte om een aanvraag in te dienen bij de gemeente waarna, bij een afwijzende beschikking, de cliënt in staat wordt gesteld om een bezwaarschrift in te dienen. Aanbieder brengt de huisarts in beide gevallen op de hoogte.
C. Verificatie van verwijzing en doorlopen stappen in intake
De verwijzing (of een afschrift daarvan) bewaart de jeugdhulpaanbieder in het persoonsdossier van de jeugdige en / of de ouders en legt de jeugdhulpaanbieder, indien gevraagd, over aan de gemeente.
De jeugdhulpaanbieder moet per verzoek om toewijzing (JW315), kunnen laten
zien dat bovenstaande stappen (a t/m d) zijn doorlopen, hoe deze zijn doorlopen en wat de uitkomsten hiervan zijn. De schriftelijke weergave verwerkt de jeugdhulpaanbieder in het ondersteunings- of behandelplan en is vormvrij.
Deze verificatieplicht betekent niet dat de jeugdhulpaanbieder standaard gehouden is tot toezending van ondersteunings- of behandelplan bij het indienen van elke JW315. Indien daartoe aanleiding is dan wel in geval van afspraken rondom een steekproef, kan het overleggen van een plan aan de orde zijn. Zie nader onder E.
D. Termijnen verwijzing en toewijzing
Geldigheidsduur verwijzing: 6 maanden
De wetgever heeft geen termijnen gekoppeld aan de geldigheidsduur van een verwijzing. De gemeente hanteert een geldigheidsduur van zes maanden, zijnde de periode die start per datum afgifte verwijzing door arts tot aan het moment dat de jeugdhulpaanbieder het verzoek om toewijzing (JW315) indient. Wanneer de verwijzing ouder is dan 6 maanden, verwijst de jeugdhulpaanbieder de jeugdige of de ouders terug naar de verwijzer voor een nieuwe verwijzing dan wel verwijst de jeugdhulpaanbieder de jeugdige of de ouders naar de gemeente.
Duur toewijzing (JW301): maximaal één jaar
De duur van de toewijzing (JW301) wordt bepaald met inachtneming van hetgeen bepaald in de PDC. Daar waar in de PDC geen termijnen worden gesteld is het maximaal 1 jaar.
Na afloop van de toegewezen zorgperiode, kan de jeugdhulpaanbieder, op basis van de afgegeven toewijzing (JW301), éénmaal verzoeken om verlenging via een nieuw verzoek tot toewijzing (JW315). Een nieuwe verwijzing van een arts is dan niet nodig. Een verzoek tot verlenging kan worden gedaan voor hetzelfde product dan wel een product van dezelfde vorm maar minder zwaar.
Een verzoek tot verlenging mag niet worden ingediend indien het een nieuwe zorgvraag betreft. Daarvoor is dan wel een nieuwe verwijzing nodig van een arts dan wel een besluit tot toekenning van een nieuwe individuele voorziening via de gemeente.
Alvorens een nieuw verzoek tot toewijzing (JW315) in te dienen, neemt de jeugdhulpaanbieder contact op met de gemeente indien de jeugdhulpaanbieder weet dat de gemeente bij jeugdige of ouders betrokken is (mits jeugdige en/of ouders hiervoor toestemming geeft).
Bij een verzoek tot verlenging verstrekt de jeugdhulpaanbieder de arts die de verwijzing heeft afgegeven een (kort) voortgangsverslag met een beschrijving van het inhoudelijke verloop en resultaten van de zorginzet. Het verslag is vormvrij. Het verslag wordt toegevoegd aan het dossier van de jeugdige of de ouders en kan, indien daartoe ingevolge dit protocol aanleiding toe is, getoond worden aan de gemeente.
Ingevolge uitgangspunt 4, 5 en 6 onder A. kan de gemeente een controle uitvoeren. Deze controle houdt in dat de gemeente controleert of de jeugdhulpaanbieder het onderhavige protocol correct uitvoert. De wijze van controleren kan van geval tot geval verschillen, mede afhankelijk van eventueel reeds geconstateerde onrecht- c.q. onregelmatigheden,
Zo kan een controle, bij geconstateerde onrecht- c.q. onregelmatigheden, inhouden dat alle door een jeugdhulpaanbieder ingediende verzoeken tot toewijzing gedurende een bepaalde periode worden gecontroleerd op het juist toepassen van dit protocol.
Een controle kan bijvoorbeeld ook inhouden dat gedurende een periode stelselmatig dan wel steekproefsgewijs afschriften van de verwijzingen overgelegd moeten worden.
Controles vinden in ieder geval plaats met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
voorziening die niet speciaal is bedoeld voor de jeugdige of ouders met een ondersteuningsvraag of behoefte ingevolge de wet en die algemeen verkrijgbaar is, niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare diensten die algemeen gebruikelijk worden geacht en voor de jeugdige of de ouders ook daadwerkelijk beschikbaar is, financieel gedragen kan worden en passende compensatie biedt.
hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Dat betekent dat voor de vraag of van een huisgenoot in redelijkheid kan worden verwacht of hij / zij gebruikelijke hulp biedt de specifieke situatie van de jeugdige, de ouders en eventuele andere huisgenoten bepalend is: maatwerk.
hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.
Bijlage 6. Samenwerkingsprotocol
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor jeugdhulp, inclusief het gedwongen kader. De Jeugdwet bepaalt dat alleen gecertificeerde instellingen (GI) jeugdbescherming en jeugdreclassering mogen uitvoeren. De GI bepaalt of jeugdhulp is aangewezen in het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, en zo ja, welke hulp dat moet zijn. De GI overlegt hierover met het lokale team van de desbetreffende gemeente. Deze samenwerking geven we in Zuidoost-Brabant (hierna: ZOB) vorm via een tandemsamenwerking. De tandemsamenwerking wordt in hoofdstuk 4 en 5 nader toegelicht. We vinden het in onze regio belangrijk dat we de manier van samenwerking tussen de GI, het lokale team en de gemeente vastleggen in een samenwerkingsprotocol.
Dit protocol beoogt helderheid te geven over de samenwerking, (gezamenlijke) wettelijke taken, rollen, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de GI, het lokale team en de gemeente, alsmede de overdrachtsmomenten tussen deze partijen. Echter, dit protocol wil ook ruimte laten voor de verscheidenheid aan casuïstiek waarmee zowel de GI als de lokale toegang te maken heeft.
De GI sluit bij de uitvoering van een maatregel zoveel mogelijk aan bij het gemeentelijk beleid. Het is belangrijk dat dit in balans is met de wettelijke taken en bevoegdheden van de instellingen en hun ketenpartners. Tegelijkertijd is het de verantwoordelijkheid van de gemeente om jeugdbeleid voor het jeugddomein als geheel te ontwikkelen, te implementeren en regionaal af te stemmen. Op deze manier wordt de uniformiteit in de regio gewaarborgd. Jeugdbescherming en jeugdreclassering maakt daar onlosmakelijk onderdeel van uit. Het versterken van de eigen kracht en het probleemoplossend vermogen van kinderen, jongeren en gezinnen, het organiseren van hulp dicht bij de inwoner en het op elkaar afstemmen van de verschillende vormen van zorg en hulp.
Partijen betrokken bij dit protocol zijn: de 21 gemeenten7 in de regio Zuidoost-Brabant (hierna te noemen: ‘gemeenten’), de Gecertificeerde Instellingen8 (hierna te noemen: ‘GI’) en de lokale teams van de 21 gemeenten.
Zij spreken af dat zij in de onderlinge samenwerking zullen handelen volgens de afspraken in dit protocol. Voor alle afspraken geldt dat hiervan gemotiveerd afgeweken kan worden, bijvoorbeeld als de (veiligheids)situatie van de jeugdige hier om vraagt. Met betrekking tot de inhoud van een casus wordt de gedragswetenschapper betrokken. Indien de medewerkers van de GI en de medewerkers vanuit het lokale team hierin geen overeenstemming kunnen vinden wordt de casus opgeschaald naar de desbetreffende leidinggevenden. Via deze route kan vervolgens, indien nodig, worden opgeschaald richting de betreffende gemeente (via de interne route). In eerste instantie ambtelijk, indien nodig ook bestuurlijk richting de verantwoordelijke wethouder.
De gemeenten en de GI’s hebben afspraken over het uitwisselen van beleidsinformatie en kengetallen vastgelegd in de contracten. Gemeente Eindhoven voert als contractgemeente ten minste 4 regionale en 2 bovenregionale overleggen namens de 21 gemeenten met iedere GI. Tijdens deze overleggen komen onder andere de voortgang van het contract en de samenwerking met de lokale teams aan bod. Op lokaal en subregionaal niveau kan, indien gewenst, contact worden opgenomen met de GI. Daarnaast sluit de gemeente Helmond als tweede centrumgemeente aan bij deze overleggen om de belangen van Zuidoost-Brabant optimaal te waarborgen.
1.3 Beleidsontwikkeling – Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming
Het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming is een gezamenlijk programma van de ministeries van J&V en VWS en VNG, waarin nauw samengewerkt wordt met de partners in het veld. Het programma heeft als doel de jeugdbescherming effectiever en slimmer te organiseren. Het Toekomstscenario zet de stap naar een structuur die vertrouwen ondersteunt en de kracht van het gezin stimuleert, zodat het gezin samen met professionele ondersteuning kan werken aan het verbeteren van de thuissituatie. Doel is dat het stelsel van jeugdbescherming eenvoudiger en gezinsgerichter wordt.
Om de regio Zuidoost-Brabant zo goed mogelijk voor te bereiden, zijn we in mei 2023 gestart met de kwartiermakersfase van het Toekomstscenario. Er is een analyse gemaakt van de regio en deze is vertaald naar vier geprioriteerde thema’s die aansluiten bij onze regionale ambities.
In november 2024 is de programmamanager Toekomstscenario Zuidoost-Brabant gestart. De kwartiermakersfase is afgerond en we zijn overgegaan in de projectfase. Dit betekent dat “gezamenlijk doen” centraal staat. In 2025 gaan we in de regio gefaseerd aan de slag met de geprioriteerde thema’s in de vorm van projecten, bijvoorbeeld: bekendheid en omgang met de meldcode, samenwerking tussen betrokken instanties en het versterken van de lokale teams. Vanzelfsprekend maken we gebruik van wat er al is in de regio. Gebleken is dat er in de regio al veel goede initiatieven bestaan die raakvlakken hebben met het Toekomstscenario.
Dit samenwerkingsprotocol wordt één keer in de twee jaar geëvalueerd in Q1. Het eerstvolgende evaluatiemoment is Q1 2027. De geldigheid van dit protocol loopt gelijk aan de geldigheidsduur van de contracten, deze lopen tevens tot Q1 2027.
De komende jaren staan er verschillende veranderingen op stapel, onder andere met betrekking tot de samenwerking in de jeugdbeschermingsketen. Het samenwerkingsprotocol kan tussentijds worden aangepast om aan te blijven sluiten bij ontwikkelingen en/of omdat vastgelegde afspraken vanwege ontwikkelingen niet (meer) werkbaar zijn.
De GI doet melding bij de Inspectie Jeugdzorg als er gedurende de bemoeienis van de GI sprake is van een calamiteit. Onder een calamiteit wordt verstaan: Een niet beoogde of onverwachte gebeurtenis die betrekking heeft op de kwaliteit van jeugdhulp en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een jeugdige of ouder heeft geleid (Jeugdwet, artikel 1.1).
De GI stelt in deze gevallen ook de verantwoordelijke wethouder en de bij hen bekende contactpersoon van de gemeente waarin de jeugdige woonachtig is op de hoogte. De gemeente en de GI zoeken direct afstemming met elkaar wanneer sprake is van publiciteitsgevoelige casuïstiek. Hierbij wordt afgesproken hoe - met inachtneming van eigen interne procedures - wordt omgegaan met de media. Indien het een calamiteit betreft die de gehele regio raakt, loopt communicatie via de coördinator of contractmanager van 21 voor de Jeugd.
2. Hulp in het preventieve kader
Als regio vinden we het belangrijk om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de visie ‘zo dichtbij als kan en zo zwaar als nodig’. Daarbij proberen we maatregelen vanuit het gedwongen kader zoveel als mogelijk te voorkomen. Vanuit die gedachte is het mogelijk om op een aantal manieren preventieve jeugdbescherming in te zetten. Dit is een product dat we bij de GI’s in onze regio beschikbaar hebben in de vorm van onder andere ‘Veilige Start’ en een ‘consultatie- en adviesfunctie’.
2.1.1 Consultatie en Advies (49A02)
De consultatie- en adviesfunctie van de jeugdbescherming is gericht op het vroegtijdig signaleren en bespreken van zorgen over de veiligheid en ontwikkelingsbedreiging van jeugdigen. Deze functie ondersteunt professionals binnen het gemeentelijk domein bij het maken van zorgvuldige afwegingen in situaties waar (nog) geen sprake is van een wettelijke meldplicht of formele inzet van jeugdbescherming.
Jeugdbeschermingsorganisaties stellen consultatie en advies beschikbaar aan professionals in het gemeentelijke veld, waaronder wijkteams, leerplichtambtenaren, jeugdconsulenten en andere hulpverleners. Consultatie kan zowel met als zonder persoonsgegevens worden aangevraagd, afhankelijk van de situatie en de fase van zorg. Tijdens een consultatie wordt ondersteuning geboden bij:
Samenwerking en verantwoordelijkheden
De jeugdbescherming doet haar best voor een tijdige beschikbaarheid van gekwalificeerde professionals voor het bieden van consultatie. Daarbij realiserend dat er sprake is van krapte op de arbeidsmarkt, waarmee maatregelen voorrang krijgen op de inzet via consultatie en advies (gedwongen kader gaat voor het preventieve kader).
Het programma Veilige Start is een preventief, vrijwillig traject gericht op het waarborgen van een veilige en stabiele start voor kinderen van (aanstaande) ouders met een licht verstandelijke beperking (LVB) en meervoudige problematiek. De interventie beoogt het voorkomen van jeugdbeschermingsmaatregelen, zoals een ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing, door tijdige en intensieve ondersteuning vanaf de zwangerschap tot circa zes maanden na de geboorte.
De doelgroep bestaat uit (aanstaande) ouders met een LVB en bijkomende risicofactoren zoals psychische problematiek, middelengebruik, huiselijk geweld, armoede of eerdere betrokkenheid van jeugdbescherming.
Samenwerking en verantwoordelijkheden
3. Hulp in het gedwongen kader
In situaties waarin de ontwikkeling of veiligheid van een minderjarige ernstig wordt bedreigd en vrijwillige hulpverlening onvoldoende toereikend of niet mogelijk is, kan inzet van jeugdbeschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn. Het toepassen van gedwongen maatregelen, zoals een ondertoezichtstelling (OTS) of een machtiging tot uithuisplaatsing (MUHP), vindt uitsluitend plaats op basis van een rechterlijke uitspraak. Ook kan het zo zijn dat een jeugdige is aanraking is gekomen met justitie of leerplicht en verplichte ondersteuning krijgt om recidive te voorkomen.
3.2 Toereikend aanbod aan GI’s
Bij de keuze van een GI moet de gemeente rekening houden met de ‘behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders’ en ook met hun godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond. De gemeente zal daarom verschillende GI’s contracteren.
Voor de regio Zuidoost-Brabant hebben de gemeenten afspraken gemaakt met:
3.3 Inzet van jeugdhulp na besluit van de rechter
Bij het uitspreken van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclasseringsmaatregel geeft de rechter (of het Openbaar Ministerie) opdracht aan de GI om uitvoering te geven aan de opgelegde maatregel. Daarnaast kan de rechter specialistische hulp toezeggen. De GI bekijkt samen met het gezin en zo mogelijk het lokaal team wat de meest passende zorg is en het lokaal team vertaalt de zorgvraag naar passend (gecontracteerd) aanbod. Deze samenwerking tussen de GI en het lokaal team vindt plaats middels de tandem.
Sinds mei 2022 is de route voor de jeugdhulpbepaling in Brabant geüniformeerd. Dit betekent dat de GI voortaan de jeugdhulpbepaling rechtstreeks toestuurt aan de jeugdhulpaanbieder. De informatie vanuit de jeugdhulpbepaling is voor de jeugdhulpaanbieder de basis waarop een 315-bericht naar de gemeente gestuurd wordt.
In alle gevallen is overleg tussen GI en gemeente én GI en aanbieder van belang. De route van de jeugdhulpbepaling doet een beroep op alle partijen om van elkaars rol en expertise gebruik te maken.
Stappen in de route jeugdhulpbepaling vanuit GI’s:
Overleg tussen GI en gemeente (tandemoverleg): de jeugdbeschermer kent de jeugdige/gezin en hoofddoel(en) voortkomend uit de JB of JR-maatregel. Op basis daarvan wordt bepaald welke jeugdhulp nodig is. In het overleg met de tandem wordt vervolgens gekeken welke aanbieder daarbij passend is en bepaald welke productcode, omvang en duur daarbij horen. Het uitgangspunt is dat gezocht wordt naar jeugdhulp binnen het gecontracteerde aanbod. Als het gecontracteerde aanbod niet toereikend of passend is, kan daar onderbouwd van worden afgeweken en kan niet-gecontracteerde zorg worden ingezet. Deze beslissing wordt altijd in afstemming vooraf met de betrokken medewerker van het lokaal team (tandem) genomen. Wanneer bepaald is dat de inzet van niet-gecontracteerde zorg nodig is, heeft de gemeente ruimte nodig om vooraf (voordat zorg start) een maatwerkovereenkomst te sluiten met de betreffende aanbieder. In geval van de gemeente Eindhoven is het servicebureau het aanspreekpunt en in de gemeente Helmond kan de jeugdconsulent naast STH betrokken worden om tot een akkoord te komen.
Schorsing uit een voorlopige hechtenis of een voorwaardelijk vonnis
In een schorsing uit een voorlopige hechtenis of bij een voorwaardelijk vonnis, kan de rechter als bijzondere voorwaarde aangeven dat een jongere of jongvolwassene bepaalde vormen van jeugdhulp moet volgen. Het gaat hier dus om het strafrechtelijk kader.
De jeugdreclassering houdt toezicht op het naleven van de voorwaarden, begeleidt de jongere daarbij en bepaalt in de praktijk hoe de door de rechter opgelegde jeugdhulp wordt ingevuld met een concreet hulpaanbod. Bij een strafbeschikking kan het OM aangeven dat de jongere zich moet houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering. Daarnaast kunnen ook de Raad voor de Kinderbescherming of de directeur van een justitiële jeugdinstelling begeleiding door jeugdreclassering inzetten. Bij de uitvoering van de betreffende jeugdreclasseringsmaatregel kan de GI jeugdhulp bepalen.
JR-maatregel in het kader van schoolverzuim
Bij het uitspreken van een JR-maatregel in het kader van schoolverzuim geeft de rechter of het OM middels en OM strafbeschikking opdracht aan de GI en kan de rechter specialistische zorg opnemen in de gestelde voorwaarden.
3.4 Signaalfunctie bij wachttijden
Zuidoost-Brabant heeft – op aanwijzing van de inspectie Gezondheidszorg & Jeugd – eind 2020 een doorbraaklijst opgezet voor jeugdigen met een maatregel in het gedwongen kader die langer dan 3 maanden wachten op passende hulp. Aanleiding hiervoor was de constatering dat we er als jeugdhulpregio onvoldoende in slagen om jeugdigen tijdig, binnen 3 maanden na het uitspreken van een jeugdbeschermingsmaatregel, passende hulp te bieden. Deze 3 maanden betreft de wettelijke termijn waarbinnen hulp gerealiseerd moet zijn. De doorbraaklijst wordt maandelijks met de contractmanager van de gemeente Eindhoven gedeeld.
Maandelijks wordt de voortgang gemonitord. Feitelijke doorbraken in de betreffende casussen zullen plaatsvinden in afstemming tussen GI en het lokaal team (vanuit de tandem). De zorgbemiddelaar monitort deze lijst.
De zorgbemiddelaar ondersteunt de jeugdbeschermers van de vier GI’s bij casuïstiek waar het niet lukt om passende hulp in te zetten. De doelstelling is het verbeteren van het jeugdzorglandschap door hiaten in kaart te brengen en beleid en inkoop hierop aan te passen.
4. Procesafspraken – toeleiding naar jeugdhulp
4.1 Route naar jeugdhulp in het gedwongen kader
Bij een maatregel in het gedwongen kader bepaalt de Gecertificeerde Instelling (GI), binnen de kaders van de Jeugdwet en de uitspraak van de rechter, welke vorm van jeugdhulp noodzakelijk is.
Uitgangspunt is dat de benodigde hulp wordt geleverd door een gecontracteerde aanbieder van de gemeente.
Binnen de tandemfunctie (de afstemming tussen GI en gemeente) wordt besproken welke hulpvorm passend is en welke aanbieder deze het beste kan leveren. Indien de benodigde zorg niet beschikbaar is binnen het gecontracteerde aanbod, wordt eerst gezocht naar maatwerkoplossingen binnen de bestaande contracten.
Wanneer inzet van niet-gecontracteerde zorg (NGZ) onvermijdelijk is, moet voor de betreffende jeugdige een individuele voorziening worden getroffen. Dit betekent dat de gemeente op basis van onderbouwing van de GI een beschikking afgeeft voor deze zorg. De gemeente heeft daarbij ruimte nodig om vooraf (voordat zorg start) een maatwerkovereenkomst te sluiten met de betreffende aanbieder. In een dergelijk geval heeft de GI de volgende verantwoordelijkheden:
Alle jeugdhulpaanbieders, ook NGZ-aanbieders, zijn gehouden aan de wettelijke kwaliteitseisen van de Jeugdwet. De GI is niet verantwoordelijk voor structureel toezicht op kwaliteitseisen bij NGZ- aanbieders. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit van jeugdhulp in algemene zin. De gemeente is verantwoordelijk voor het beoordelen of ook niet-gecontracteerde aanbieders voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen. Aangezien er geen contractuele relatie bestaat met NGZ-aanbieders, kan het gemeentelijk contractmanagement geen directe sturing of kwaliteitsmonitoring uitoefenen.
Let op: bij een jeugdreclasseringsmaatregel kan de rechter de vorm van de jeugdhulp bepalen. In dat geval is bovenstaande procedure niet van toepassing.
4.2 Evaluatie en beëindiging van de hulp
De regie op de evaluatie en afsluiting van de ingezette jeugdhulp ligt bij de GI. De evaluatie vindt plaats met alle betrokken partijen, inclusief de ouders en de jeugdige. De GI en de betrokken medewerker van het lokale team maken samen met het gezin afspraken over ieders rol en leggen deze samen vast in separate afspraken.
In de regio Zuidoost-Brabant wordt vanuit visie gewerkt in een ‘tandemfunctie’. Dit betekent dat bij iedere casus, zowel OTS als voogdij en JR, samenwerking plaatsvindt tussen de werker van de GI en een medewerker van het lokale team. Hierbij is sprake van maatwerk waarbij altijd wordt afgesproken wat eenieders rol is en op welke wijze hier invulling aan wordt gegeven. De frequentie en manier van samenwerken (wie doet wat) is maatwerk per casus, waarover afgestemd wordt en afspraken worden vastgelegd door de medewerkers die actief zijn in de tandem.
4.5 Afsluiting van de maatregel en nazorg
Gemeenten en GI’s streven naar een zo ‘kort en licht’ mogelijke inzet van het gedwongen kader, zodat beëindiging van de maatregel mogelijk wordt en de GI stopt waar de betrokken medewerker van het lokale team verder gaat. Het proces van afsluiten verloopt volgens vaste stappen. Wanneer de situatie voldoende verbeterd is, wordt door de gezinsvoogd een afsluitplan, borgingsplan of beëindigingsadvies opgesteld. Hierin staat onder andere waarom de maatregel wordt afgesloten en hoe de veiligheid van de jeugdige na afloop geborgd blijft. Ook kan in dit plan een advies voor vervolghulp in het vrijwillig kader staan.
Mogelijke momenten waarop overleg plaatsvindt binnen de tandemfunctie, c.q. de visie van het lokaal team wordt meegenomen in de overwegingen vanuit de GI:
5. Verantwoordelijkheden tandemafspraken
Verantwoordelijkheden binnen de tandemsamenwerking
Het kan zijn dat er casusinhoudelijk gevraagd wordt om een verschuiving van deze verantwoordelijkheden. Dit gebeurt altijd in samenspraak tussen de GI en het lokaal team.
Bijlage 8. Afwegingskaders 1-op-1 begeleiding participatie
Afwegingskaders 1-op-1 begeleiding bij participatie
Een op een begeleiding voor deelname aan schoolreisjes, excursies en andere door school georganiseerde activiteiten wordt niet vergoed vanuit de Jeugdwet. Deelname aan sport of culturele activiteiten teneinde het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden mogelijk te maken en op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven wordt al binnen de school mogelijk gemaakt. Daardoor valt het niet onder de Jeugdwet om deel te nemen aan de door school georganiseerde activiteiten om de maatschappelijke participatie te bewerkstelligen.
Geldrop-Mierlo hanteert dat er tenminste 3 alternatieve activiteiten op het gebied van sport of cultuur mogelijk moet zijn voor de jeugdige. Indien er tenminste 3 alternatieve activiteiten mogelijk zijn, wordt van de jeugdige verwacht dat deze alternatieven eerst worden uitgeprobeerd. Argumenten als ‘daar zitten de vriendjes/vriendinnetjes niet op’ of ‘de activiteit is niet leuk’ zijn geen valide argumenten om de alternatieve activiteiten af te wijzen.
Bijlage 9. Indicatieprotocol Wmo Begeleiding
Dit indicatieprotocol wordt gebruikt in de volgende gemeenten: Best, Oirschot, Veldhoven (BOV-gemeenten), Bergeijk, Bladel, Eersel, Reusel-De Mierden (Kempengemeenten), Geldrop-Mierlo, Nuenen, Son en Breugel, en Waalre (DommelvalleiPlus). Het protocol is van toepassing op cliënten die zich op grond van de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning) melden voor de maatwerkvoorziening Begeleiding en dit als voorziening in natura wensen te ontvangen. Het dient tevens als basis voor het indiceren van Begeleiding op basis van een persoonsgebonden budget (pgb).
Dit protocol is een richtinggevend en dynamisch document om Wmo-consulenten / klantmanagers te ondersteunen bij het stellen van een indicatie voor de maatwerkvoorziening Begeleiding. Richtinggevend, omdat indiceren in het kader van de Wmo maatwerk is. Dit document geeft de consulent handvaten en algemene kaders voor de indicatiestelling, maar de consulent kan hier te allen tijde gemotiveerd van afwijken om maatwerk te leveren. Dynamisch, omdat we aan het begin van een nieuwe contractperiode staan in een tijd waarin het sociaal domein aan veel veranderingen onderhevig is. Ook zullen we leren van de praktijk nadat we deze nieuwe wijze van indiceren een tijdje hebben toegepast. Gedurende de contractperiode kan dit indicatieprotocol worden bijgeschaafd of aangepast als daar aanleiding toe is. Zo komt bijvoorbeeld groepsbegeleiding nu nog weinig voor, maar dit kan in de toekomst veranderen, waardoor het protocol hierop kan worden gewijzigd. Zo blijft het protocol aansluiten bij de dan geldende situatie.
Het doel van de maatwerkvoorziening Begeleiding is bevordering, behoud of compensatie van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie zodat opname in een instelling of verwaarlozing of achteruitgang wordt voorkomen. Begeleiding kan ook worden ingezet ter ontlasting van mantelzorgers. De maatwerkvoorziening Begeleiding bestaat uit de volgende producten: individuele begeleiding, dagbesteding (evt. met aparte indicatie voor noodzakelijk vervoer) en groepsbegeleiding.
1.2. Van resultaat- naar inspanningsgerichte financiering
De overeenkomst tot 1 april 2022
De overeenkomst Begeleiding tot 1 april 2022 is gebaseerd op resultaatfinanciering. In de BOV- en Kempengemeenten is het onderdeel dagbesteding ook gebaseerd op resultaatfinanciering. In de gemeenten van DommelvalleiPlus is dagbesteding echter ingekocht als inspanningsverplichting (PxQ).
In de beschikking van de cliënt wordt bij resultaatfinanciering vastgelegd aan welke doelen gewerkt wordt. De gemeente betaalt hiervoor een vast bedrag per maand per cliënt. Het is aan de door de cliënt gekozen aanbieder om samen met de cliënt te bepalen op welke wijze het resultaat gehaald wordt en daarmee ook hoeveel uren en/of dagdelen er ingezet gaan worden. Dit wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan. Het nadeel is dat de ureninzet voor zowel de gemeente als de cliënt niet altijd duidelijk is. De gemeente heeft geen mogelijkheid om te sturen in de kosten. Zodra een cliënt een indicatie nodig heeft en start met de begeleiding, wordt de afgesproken maandvergoeding in rekening gebracht door de aanbieder, ongeacht de daadwerkelijke ureninzet en het opleidingsniveau van de begeleider. Bij inspanningsgerichte (PxQ) financiering bepaalt de consulent bij het indiceren het aantal uren/dagdelen binnen de totale geldigheidsduur van de indicatie c.q. toewijzing.
De overeenkomst vanaf 1 april 2022
Per 1 april 2022 is uitgangspunt inspanningsgerichte (PxQ) financiering waarbij de aanbieder alleen de werkelijk gewerkte inzet in rekening brengt bij de gemeente. Deze manier van bekostiging is eenvoudig, geeft meer sturingsmogelijkheden en beter inzicht voor de gemeenten. Daarnaast is het ook voor cliënten begrijpelijk en inzichtelijk op hoeveel uur begeleiding of op hoeveel dagdelen dagbesteding hij kan rekenen. De aanbieders ontvangen een reëel tarief conform de AMvB per uur of dagdeel en krijgen daarmee exact de uren/dagdelen betaald die daadwerkelijk geleverd zijn.
Voor de periode 1 april 2022 tot 1 april 2023 geldt een overgangsrecht. Hieronder wordt dit nader toegelicht.
Van 1 april 2022 tot 1 april 2023 bestaan twee overeenkomsten voor de maatwerkvoorziening Begeleiding naast elkaar. Het oude contract (tot 1 april 2023) gaat uit van resultaatfinanciering; een vast bedrag per maand voor het behalen van individueel op maat gestelde doelen, ongeacht het aantal uren/dagdelen dat door de aanbieder wordt ingezet. Het nieuwe contract (vanaf 1 april 2022) gaat uit van inspanningsgerichte financiering; bij inspanningsgerichte bekostiging zijn de kosten afhankelijk van de prijs keer het aantal keren dat het product wordt geleverd. Dit wordt ook wel PxQ (prijs x aantal) financiering genoemd.
Cliënten met een indicatie die doorloopt na de overgangsperiode, worden door de gemeente uiterlijk 8 weken vóór 1 april 2023 heronderzocht. Als uit onderzoek blijkt dat de maatwerkvoorziening Begeleiding nodig blijft, dan ontvangt de cliënt een indicatie die wordt gebaseerd op de nieuwe overeenkomst (dus inspanningsfinanciering).
Bij dagbesteding kan het voorkomen dat de cliënt op basis van het huidige contract dagbesteding ontvangt op een locatie verder dan 10 km vanaf zijn woonadres, terwijl er ook een geschikte locatie binnen een straal van 10 km vanaf het woonadres van de cliënt is. In de nieuwe overeenkomst wordt dan gesteld dat alleen de reiskosten tot 10 km vergoed worden. In overleg met de cliënt kan een andere dagbestedingslocatie worden overwogen, maar voorgesteld wordt om hier coulant mee om te gaan en voor bestaande cliënten een uitzondering te maken op basis van een ‘uitsterfconstructie’. Met andere woorden: cliënten die reeds dagbesteding ontvangen worden niet belast met de verplichting om een andere dagbestedingslocatie te zoeken. Als gevolg van deze coulance moet er toch vervoer worden geïndiceerd (als cliënt zelf geen vervoersoplossing heeft).
2. Algemene beschrijvingen producten Begeleiding
De producten voor de maatwerkvoorziening Begeleiding bestaan uit:
2.1. Individuele begeleiding (indiceren in hele uren, declareren in minuten)
Het doel van individuele begeleiding is bevordering, behoud of compensatie van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie zodat opname in een instelling of verwaarlozing of achteruitgang wordt voorkomen. De begeleiding kan ook worden ingezet ter ontlasting van mantelzorgers.
Ondersteuning die al door de partner, het sociaal netwerk, via algemene of collectieve voorzieningen of eventueel via de toegang/sociaal team/Wmo-team geboden wordt, wordt niet meegenomen in de indicatie voor begeleiding.
Begeleiding is bedoeld voor mensen met somatische, psychogeriatrische of psychiatrische problematiek, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, die matige of zware beperkingen hebben op het terrein van sociale redzaamheid, bewegen/verplaatsen, psychisch functioneren, geheugen en oriëntatie en/of probleemgedrag.
Het accent ligt op het eigen maken van vaardigheden of nieuw gedrag door langdurig oefenen en trainen zodat deze vaardigheden of nieuw gedrag eigen gemaakt worden bij de cliënt. Voorbeelden:
Bij individuele begeleiding gaat het om ondersteuning of begeleiding van cliënten bij activiteiten. Het betreft op één persoon gerichte activiteiten. Individuele begeleiding kan worden ingezet als voorliggende behandeling (nog) niet aan de orde is of te zwaar is. Individuele begeleiding kan ook naast lopende behandeltrajecten worden ingezet of om geleerde vaardigheden van het behandeltraject toe te passen in het dagelijks leven.
Het is mogelijk om delen van de individuele begeleiding op afstand (telefonisch, screen to screen) uit te voeren, mits dit aansluit bij de behoefte van de client en dit bijdraagt aan het behalen van de gestelde doelen.
De productspecificaties individuele begeleiding zijn opgebouwd uit drie producten (B1, B2, B3) waarbij het vereiste ondersteuningsniveau (de mate van deskundigheid, specialisatie en complexiteit) van categorie 1 tot categorie 3 toeneemt. Binnen iedere productspecificatie wordt vervolgens door de consulent / klantmanager de intensiteit bepaald (de vereiste omvang van de ondersteuning), evenals de mate waarin flexibiliteit m.b.t. het leveren van begeleiding wordt toegestaan.
Individuele begeleiding wordt in hele uren geïndiceerd binnen de totale geldigheidsduur van de toewijzing. Declareren vindt plaats in minuten. In de toelichting van het 301-bericht (toewijzing) aan de aanbieder worden de doelen, de inzet/omvang en de flexibiliteit aangegeven. Deze aspecten worden ook opgenomen in de beschikking en het ondersteuningsplan.
2.2.Dagbesteding (indiceren in dagdelen, declareren in dagdelen)
Dagbesteding is een vorm van begeleiding die wordt ingezet als maatwerkvoorziening in groepsverband. Er is behoefte aan een zinvolle dagbesteding. Deze kan ontstaan vanuit een beperkte dagstructuur, maar ook vanuit overbelasting van de mantelzorgers/het sociaal netwerk. De focus is gericht op het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid en maatschappelijke deelname/participatie. Er wordt voorzien in een zinvolle dagbesteding die niet is gericht op uitstroom naar (betaald of vrijwilligers-) werk. Dagbesteding biedt structuur en passende activiteiten voor de dag. Het bieden van enige persoonlijke ondersteuning en/of begeleiding bij verzorgingstaken (bijv. ondersteuning bij de toiletgang) behoort tot deze ondersteuning. Passende dagbesteding wordt zo dicht mogelijk bij de cliënt georganiseerd. Bij dagbesteding wordt gewerkt met dagdelen van drie uur waarbij de cliënt daadwerkelijk op locatie aanwezig is. Er wordt gestreefd naar passende dagbesteding op maximaal 10 km reisafstand vanaf het woonadres van de cliënt.
De productspecificaties dagbesteding zijn opgebouwd uit twee producten (D1 en D2) en kan worden uitgebreid met het product vervoer (zie 5.4). Binnen iedere productspecificatie wordt vervolgens door de consulent / klantmanager de intensiteit bepaald in dagdelen (de vereiste omvang van de ondersteuning). Anders dan bij individuele begeleiding wordt bij dagbesteding in principe géén flexibiliteit in de levering van het aantal dagdelen per week toegestaan.
Dagbesteding wordt in dagdelen geïndiceerd binnen de totale geldigheidsduur van de toewijzing. Declareren vindt in dagdelen plaats. In de toelichting van het 301 bericht (toewijzing) aan de aanbieder worden de doelen en de inzet/omvang aangegeven (flexibiliteit n.v.t.). Deze aspecten worden ook opgenomen in de beschikking en het ondersteuningsplan bij D2 (ondersteuningsplan bij D1 n.v.t.).
2.3. Groepsbegeleiding (indiceren in hele uren, declareren in minuten)
Bij het inzetten van groepsbegeleiding (G1) dient er gewerkt te worden aan dezelfde doelen zoals vastgesteld bij de indicatie voor individuele begeleiding van de betreffende cliënt. Het is mogelijk dat een cliënt zowel groepsbegeleiding krijgt als individuele begeleiding. De aanbieder overlegt samen met de cliënt of groepsbegeleiding effectief is. Groepsbegeleiding valt binnen de totaal geïndiceerde tijd voor begeleiding (individueel en groep) van een cliënt. Het is ook mogelijk om alleen groepsbegeleiding te indiceren.
Groepsbegeleiding zal in het begin van de contractperiode vooral door de aanbieders worden aangevraagd voor cliënten die reeds een indicatie voor individuele begeleiding hebben. De consulent / klantmanager kan de indicatie vrij eenvoudig aanpassen door de uren die als groepsbegeleiding geboden gaan worden daarvoor te oormerken en deze uren van de indicatie voor individuele begeleiding af te trekken. Het bieden van groepsbegeleiding kan voor de cliënt helpend zijn om met lotgenoten aan zijn individuele doelen te werken. Voor de aanbieder en gemeente kan het een financieel voordeel bieden doordat één begeleider op deze momenten meerdere cliënten begeleidt. De verwachting is dat groepsbegeleiding bij aanvang van de contractperiode weinig voor zal komen, maar dit mogelijk steeds meer geboden gaat worden. Het kan zijn dat de kaders en werkwijze voor het indiceren van groepsbegeleiding op enig moment worden doorontwikkeld op basis van de ervaring die wordt opgedaan.
Het is toegestaan om groepsbegeleiding te combineren met dagbesteding. Vaak zal het dan gaan om cliëntsituaties waarbij er geen relatie is tussen de doelen van groepsbegeleiding en de doelen van dagbesteding. In dit soort situaties worden groepsbegeleiding en dagbesteding als losse producten gezien, waardoor de uren voor groepsbegeleiding niet in mindering worden gebracht op de omvang van de indicatie voor dagbesteding (1 dagdeel = cliënt is 3 uur op locatie aanwezig), en andersom. Als er wel inhoudelijke samenhang zit tussen de doelen van groepsbegeleiding en dagbesteding dan wordt wel gekeken naar hoe het totaal aantal benodigde uren te verdelen over beide indicaties.
Groepsbegeleiding wordt in hele uren geïndiceerd binnen de totale geldigheidsduur van de toewijzing. Declareren vindt plaats in minuten. In de toelichting van het 301 bericht (toewijzing) aan de aanbieder worden de doelen, de inzet/omvang en de flexibiliteit aangegeven. Deze aspecten worden ook opgenomen in de beschikking en het ondersteuningsplan.
3. Protocol voor keuze voor maatwerkvoorziening Begeleiding
3.1. Hoofddoelstelling van de maatwerkvoorziening Begeleiding
Op maat voor de cliënt bepaalt de consulent / klantmanager welk product van begeleiding noodzakelijk is en hoeveel (uren/dagdelen) daarvan binnen een bepaalde periode. De gecontracteerde aanbieder voert dit vervolgens uit op basis van een ondersteuningsplan dat de aanbieder afstemt met de cliënt. Uitzondering: Bij inzet van het product Dagbesteding 1 is geen ondersteuningsplan nodig, omdat over het algemeen geldt dat het doel van D1 voor elke client in basis hetzelfde is (het bieden van structuur en (sociale) activering). Schriftelijke evaluaties van de aanbieder worden bij alle producten van begeleiding verwacht.
Wanneer in het kader van het behalen van de doelen van de begeleiding en eventueel de inzet van de geïndiceerde begeleiding kan worden afgeschaald/verminderd, dan wordt contact met personen uit het (sociaal) netwerk van de cliënt en met het voorliggend veld als directe tijd beschouwd. Indien mogelijk vindt dergelijk contact zoveel als mogelijk plaats in aanwezigheid van de cliënt.
Wanneer de ondersteuningsbehoefte gelegen is in het bijvoorbeeld één of meerdere keren per week bieden van hulp bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en de ondersteuningsbehoefte is niet gelegen in het daadwerkelijk bieden van die dagstructuur, dan is begeleiding individueel het aangewezen product om de ondersteuningsbehoefte van de cliënt in te vullen.
Het kan voorkomen dat de aanbieder een wachtlijst heeft. Deze wachtlijst is specifiek per product van begeleiding, bevat het aantal wachtende cliënten, hun instroomdatum op de wachtlijst, en een inschatting van de datum waarop de levering van start kan gaan. De aanbieder communiceert deze wachtlijst aan Bizob, zodat Bizob de betrokken gemeenten kan informeren. Pas als er mutaties zijn communiceert de aanbieder Bizob met een geactualiseerde wachtlijst.
De cliënt heeft keuzevrijheid in het kiezen van een gecontracteerde aanbieder die de begeleiding gaat leveren. De cliënt wordt geïnformeerd door consulent/klantmanager over mogelijke wachtlijsten zodat cliënt dat vooraf bij zijn keuze kan meewegen. In situaties waarbij de cliënt de tijd neemt om zich te oriënteren bij meerdere aanbieders, dan dient de consulent nog geen indicatie af te geven, en eerst de definitieve keuze van de cliënt af te wachten. Wanneer de cliënt zijn keuze voor een aanbieder aan de gemeente kenbaar maakt, dan rondt de consulent de indicatie pas af (o.a. beschikking sturen aan client, 301-bericht (toewijzing) versturen aan aanbieder).
Om het administratieve proces soepel te laten verlopen, worden alle indicaties afgegeven op basis van ‘totaal binnen geldigheidsduur’. Dit geeft de aanbieder in theorie veel flexibiliteit in het inzetten van de begeleiding bij de cliënt. Expliciet is het in de praktijk de bedoeling dat de aanbieder enkel flexibiliteit biedt als dit voor de individuele cliënt gemotiveerd nodig is. In dat geval verzoekt de consulent / klantmanager dit expliciet aan de aanbieder via het ‘vrije veld’ van het 301-bericht (toewijzing) waarin ook de begeleidingsdoelen worden vermeld conform de doelen in de beschikking aan de betreffende cliënt.
Het advies aan de gemeenten is om voor alle producten scripts te maken, waarmee periodiek gemeten kan worden wat de uitnutting is. Hiermee kan dan per indicatie de uitnutting over het totaal binnen de geldigheidsduur gemeten worden maar ook per boekjaar/kalenderjaar. Indien de uitnutting van een indicatie te hoog is kan dit gedeeld worden met de consulent / klantmanager, zodat deze kan onderzoeken waarom de uitnutting hoog is. Dit biedt de mogelijkheid om richting de aanbieder proactief uitvraag te doen, de regie te voeren en eventueel bij sturen. Op deze manier zal het minder vaak plaatsvinden dat een indicatie al ver vóór de einddatum van de indicatie opgemaakt blijkt te zijn. Ook kan sneller bijgestuurd worden als er tijd besteed blijkt te worden aan zaken die niet als doel gesteld zijn. Voorbeeld: een cliënt heeft een indicatie van 100 uur per kalenderjaar, maar uit het script blijkt dat er over de eerste 2 maanden van het jaar al 40 uur gedeclareerd is. De klantmanager krijgt een signaal en gaat met de aanbieder in gesprek om dit te onderzoeken en eventueel bij te sturen.
Andersom kan de consulent / klantmanager zijn twijfel over de inzet en/of kwaliteit van de aanbieder bij contractmanagement melden voor nader onderzoek, waarbij gebruikt gemaakt kan worden van beschikbare, relevante scripts (zie vorige alinea). Consulenten / klantmanagers kunnen twijfelen in geval van de volgende situaties (opsomming is niet uitputtend):
3.2. Afstemming/onderscheid andere voorzieningen
Algemene voorliggende voorzieningen
Gebruikelijke hulp: Begeleiding is gebruikelijke hulp als het gaat om begeleiding bij maatschappelijke participatie en het bezoeken van familie, vrienden etc., als het gaat om het overnemen van taken die behoren tot een gezamenlijk huishouden (zoals het doen van de administratie) en als het gaat om het leren omgaan van derden met de cliënt.
Wettelijke voorliggende voorzieningen
4. Protocol voor keuze voor product Begeleiding
Dit stappenplan 8 is een manier om de situatie van de inwoner al onderzoekend te ‘trechteren’ om uiteindelijk te kunnen bepalen welke inzet vanuit de Wmo passend is.
|
Stap 2: Het Gesprek – inventarisatie van de cliënt (foto) Voorliggende regelingen (Wlz, Zvw) |
De onderzoeksmethodiek wordt hieronder nader toegelicht.
Gezondheidssituatie – ervaren van beperkingen
Leefgebieden - Zelfredzaamheidsmatrix (versie 2017 – inclusief supplement Ouderschap, bijlage 2)
De zelfredzaamheidsmatrix (ZRM) is het instrument dat door de consulent / klantmanager wordt gebruikt om te bepalen in welke mate de inwoner in staat is om zelfredzaam te functioneren of te participeren op de volgende leefdomeinen: financiën, werk & opleiding, tijdsbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, middelengebruik, basale ADL (algemeen dagelijkse levensverrichtingen), instrumentele ADL, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie en justitie. Per leefdomein wordt de zelfredzaamheid verwoord in de rapportage. Daarnaast wordt een score van 1-5 gegeven om de zelfredzaamheid van de inwoner in beeld te brengen (score 1 = acute problematiek, score 5 = volledig zelfredzaam).
Bij toepassing van de ZRM wordt het leefdomein ‘werk & opleiding’ wel meegenomen, maar bij het bepalen van de omvang van de indicatie wordt dit leefdomein in principe buiten beschouwing gelaten omdat werk & opleiding niet tot de reikwijdte van de Wmo behoort. Indien in een uitzonderlijke situatie op grond van individuele omstandigheden op dit leefdomein vanuit de Wmo toch individueel maatwerk nodig is, dan kan dit conform de normentabel (zie 5.1.1.) meegenomen worden in de omvang van de indicatie.
In principe wordt het ‘ZRM-supplement: Ouderschap’ in bijlage 2 niet gebruikt en er zijn daarom ook geen normtijden vermeld in de tabel bij paragraaf 5.1.1. Het supplement ouderschap is enkel toegevoegd als hulpmiddel bij het indiceren van een Wmo-maatwerkvoorziening voor jeugdigen waarbij specifieke hulpvragen kunnen spelen in relatie tot het ouderschap.
Eigen mogelijkheden en sociaal netwerk
Afgestemd op de persoonlijke situatie: Toegang bepalen tot een voorziening of ondersteuning die de inwoner in staat stelt om zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie te behouden en/of te vergroten en te kunnen participeren. De cliënt kiest daarbij om de voorziening/ondersteuning in natura (ZIN) of via een persoonsgebonden budget (PGB) te ontvangen. Als niet overduidelijk is welke specifieke voorziening of ondersteuning adequaat is, dan de keuze maken voor de minst zware voorziening/ondersteuningsvorm.
Wanneer bepaald is dat inzet van individuele begeleiding noodzakelijk is volgt de volgende stap: het bepalen van het product. Er zijn 3 producten individuele begeleiding waarbij de mate van deskundigheid, specialisatie en complexiteit toeneemt van product Begeleiding 1 (licht), Begeleiding 2 (matig) tot Begeleiding 3 (zwaar).
In de vorige stap is de zelfredzaamheid per leefdomein woordelijk beschreven en is bij ieder leefdomein een score gegeven van 1 t/m 5. Op basis van de doelen die zijn gesteld bij de leefdomeinen waarop iemand verminderd of niet zelfredzaam is, wordt bepaald of de aard van de begeleiding (overwegend) gericht is op:
B1: ondersteunen bij regie en structuur bij de cliënt (= coachen en stimuleren)
Wanneer de inwoner een lichte beperking ervaart op het gebied van zelfredzaamheid, zelfregie of participatie. Het gaat om sturing, coachen en stimuleren om de inwoner op termijn weer zo zelfredzaam mogelijk te maken of toe te leiden naar voorliggende voorzieningen. Daarnaast is het ook mogelijk dat lichte aansturing op langere termijn noodzakelijk is om de situatie stabiel te houden. Deze vorm van begeleiding is planbaar en de inwoner is in staat om zijn hulpvraag uit te stellen.
B2: aanleren en behouden van vaardigheden bij cliënt (= meehelpen met handen op de rug)
Wanneer een inwoner een matige beperking ervaart op het gebied van zelfredzaamheid, zelfregie of participatie. Het gaat om het aanleren en behouden van vaardigheden (meehelpen met de handen op de rug) om toe te werken naar een stabiele situatie waarbij de inwoner op termijn weer zo zelfstandig mogelijk kan functioneren. Deze vorm van begeleiding is grotendeels planbaar maar er zijn situaties denkbaar waarbij de inwoner aanvullend op de planbare begeleidingsmomenten ondersteuning nodig heeft (binnen kantoortijden) omdat de inwoner zijn hulpvraag niet kan uitstellen.
B3: stabiliseren van ontregelde situatie bij cliënt (= regisseren en samen doen)
Wanneer een inwoner een ernstige beperking ervaart op het gebied van zelfredzaamheid, zelfregie of participatie. Begeleiding is gericht op het stabiliseren van een ontregelde situatie, regisseren en samen doen. Op leefdomeinen waar dit nodig is (complexe problematiek) wordt de regie overgenomen en wordt er gaandeweg toegewerkt naar aansturing van de inwoner. De begeleiding is gericht op het verkrijgen en behouden van een stabiele situatie, waarbij na het bereiken van een stabiele situatie zal moeten worden onderzocht of de inzet afgeschaald kan worden (zowel in uren als mogelijke afschaling naar B1 of B2). Deze vraag naar begeleiding is vaak niet uit te stellen en wordt grotendeels bepaald door gebeurtenissen in het leven van de inwoner waarbij ondersteuning noodzakelijk is. De mate van inzet kan hierdoor ook variëren.
De score per leefdomein bepaalt dus niet in welk product (B1, B2, B3) een cliënt terecht komt. Dit gebeurt op bovenstaande wijze door te bekijken op welke leefdomeinen ondersteuning nodig is en van welke aard deze ondersteuning overwegend is. Wel geven de scores de cliënt zelf een overzichtelijk beeld van zijn zelfredzaamheid en kan de consulent / klantmanager met deze score in het latere traject de voortgang, in samenwerking met de aanbieder, goed monitoren.
Uitgangspunt is dat alleen die domeinen worden meegewogen waarvoor geen ondersteuning ingezet kan worden vanuit het sociaal netwerk, voorliggende voorzieningen of behandeling. Verder betreft bovenstaande methodiek een richtlijn, waarbij er altijd ruimte blijft voor individueel maatwerk. Uitgangspunt is dat de ingezette begeleiding adequaat is om de inwoner te ondersteunen.
Voorbeeld: Peter heeft al langere tijd moeite met het beheren van zijn administratie en financiën en komt ondanks hulp vanuit zijn netwerk telkens weer in de problemen. Daarnaast is zijn verslavingsproblematiek weer op de voorgrond aanwezig, dreigt hij zijn baan te verliezen en is zijn woning aan het vervuilen. Peter heeft na overleg met de Wmo-consulent laten weten dat hij zich aan wil melden voor vrijwillig budgetbeheer zodat hij daar geen stress meer over hoeft te hebben. Hoewel Peter beperkt zelfredzaam is op het domein ‘financiën’ wordt dit leefdomein niet meegenomen om de inzet van de begeleiding te bepalen omdat er op dat vlak geen doelen liggen binnen de ondersteuning. Dit wordt immers opgepakt door inzet van een andere voorziening.
Een ander voorbeeld is een situatie waarbij er bijvoorbeeld een FACT-team is betrokken bij een inwoner met een complex psychisch beeld. Hier kan uiteindelijk toch B1 worden ingezet omdat het FACT-team zich richt op de psychische problematiek en de doelen voor de individuele begeleiding om een minder specialistische inzet vragen die meer gericht is op coachen en stimuleren.
Wanneer bepaald is dat dagbesteding als ondersteuningsvorm passend is, moet er een keuze gemaakt worden uit twee producten (D1 of D2). Beide producten zijn gericht op het bieden van een dagstructuur en/of het ontlasten van mantelzorgers met als uiteindelijk doel het bevorderen/behouden/compenseren van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Ook op het gebied van dagbesteding wordt er eerst ‘getrechterd’ om te bekijken of reguliere activiteiten vanuit het voorliggende veld adequaat en passend zouden kunnen zijn.
In de basis wordt uit gegaan van inzet van Dagbesteding 1. Bij Dagbesteding 2 is er sprake van meer specialistische begeleiding, een intensievere ondersteuningsbehoefte en meer individuele aandacht voor de cliënt. Daarbij hoort een doelgroep waarbij sprake is van complexe gedragsproblematiek of sociaal gedrag die meer aandacht en specialistische ondersteuning vraagt.
Ook voor het bepalen van de inzet van de specifieke vorm van dagbesteding is het uitgangspunt dat het om maatwerk gaat. Waarbij in de praktijk vaak zal blijken dat een specifieke locatie met name ondersteuning zal bieden die ofwel passend is bij Dagbesteding 1 (bijvoorbeeld dagbesteding voor mensen met geheugenproblematiek of voor mensen met een verstandelijke beperking) ofwel passend is bij Dagbesteding 2 (dagbesteding voor mensen met complexe psychische problematiek of mensen met niet-aangeboren hersenletsel). De basis is dat gekozen wordt voor de goedkoopst compenserende, adequate voorziening waarbij de aard van de benodigde ondersteuning leidend is voor de uiteindelijke keuze tussen D1 of D2.
Het combineren van Dagbesteding 1 en Dagbesteding 2 in één groep kan alleen als door de aanbieder voldaan wordt aan alle eisen met betrekking tot de groepsgrootte en het opleidingsniveau van het betrokken personeel.
Streven is om een passende dagbestedingslocatie te vinden binnen een straal van 10 km vanaf het woonadres van de cliënt. Als er binnen deze straal geen passende locatie beschikbaar is, dan moet er gezocht worden naar een locatie die passende dagbesteding biedt buiten deze straal. Ook dan geldt als criterium voor de uiteindelijke keuze: de dichtstbijzijnde passende locatie ten opzichte van het woonadres van de cliënt.
De dagbestedingslocatie is minimaal 48 weken per jaar toegankelijk voor cliënten. De aanbieder kan zelf bepalen welke weken de locaties gesloten zijn. Dit wordt elk jaar in de maand januari door de aanbieder kenbaar gemaakt aan hun cliënten. Tevens zorgt de aanbieder voor publicatie van de sluitdagen op de eigen website.
Het gebruiken van maaltijden maakt geen onderdeel van de indicatie voor dagbesteding uit. Het aanbieden van een maaltijd is dan ook geen verplichting voor aanbieders; het is meer een service van de aanbieder richting de cliënt indien de maaltijd (maken/nuttigen) ingezet wordt in de vorm van een activiteit tijdens de dagbesteding. Dan zijn het materiaalkosten voor de aanbieder die via het all-in tarief betaald worden.
Als cliënten een hele dag dagbesteding hebben, en een maaltijd bereiden en/of nuttigen is geen onderdeel van het activiteitenprogramma, dan heeft de cliënt de keuze: zelf eten meebrengen of gebruik maken van een maaltijd die de aanbieder aanbiedt. De aanbieder kan dit aanbieden en mag de cliënt hiervoor een vergoeding vragen.
Groepsbegeleiding is een vorm van ondersteuning waarbij in groepsverband wordt gewerkt aan de doelen die zijn vastgesteld voor individuele begeleiding. Deze vorm kan passend zijn wanneer meerdere inwoners er bij gebaat zijn om in een groep te werken aan hun doelen. De groepsbegeleiding wordt dan ingezet binnen de uren die aanvankelijk zijn geïndiceerd voor de individuele begeleiding. Omdat er een ander tarief geldt voor de groepsbegeleiding dient de indicatie te worden aangepast. Groepsbegeleiding is dus geen aanvulling op de individuele begeleiding maar komt deels in de plaats hiervan.
Voorbeeld: Maartje heeft een indicatie gekregen voor 100 uur individuele begeleiding gedurende 1 jaar om te werken aan diverse doelen. Die doelen liggen onder andere in het zelfstandig leren plannen, structureren en overzicht behouden. Haar begeleider geeft aan dat er een bestaande groep is van 3 andere cliënten die aan diezelfde doelen werken. Wellicht kan zij deelnemen aan deze groep. De indicatie van Maartje wordt daarom aangepast naar 60 uur individuele begeleiding en 40 uur groepsbegeleiding.
5. Protocol voor bepalen van de hoeveelheid Begeleiding
In onderstaand stappenplan wordt in 8 stappen aangegeven hoe van de ZRM wordt gekomen tot de omvang van de indicatie. Elke stap wordt onder de tabel toegelicht.
Onderstaande tabel9 is een denkrichting waarop de omvang van de indicatie voor individuele begeleiding bepaald kan worden en waarbij wordt uitgegaan van gemiddelde inzet per week. Het is geen normerend kader en per situatie zal afgewogen moeten worden wat passend is. De normtijden passend maken, betekent in de praktijk per leefdomein van de ZRM op maat indiceren per 5 minuten. De benodigde tijd voor de netto hulpvraag is afhankelijk van de situatie van de cliënt en de mogelijkheden van de voorliggende voorzieningen en aanwezigheid van mantelzorg. Een indicatie voor begeleiding dient altijd gesteld te worden in hele uren voor het totaal binnen de geldigheidsduur van de indicatie. Declareren vindt plaats in minuten.
Bij een nieuwe cliënt en dus een eerste indicatie kan het berekenen van de benodigde inzet lastig zijn. Hierna wordt dit gemakkelijker op basis van ontvangen ondersteuningsplannen en evaluaties van de aanbieder.
In principe telt het leefdomein ‘werk & opleiding’ niet mee in de omvang van de indicatie, omdat dit niet tot de reikwijdte van de Wmo behoort. Als begeleiding voor dit leefdomein bij individuele cliënten toch moet worden ingezet, dan kan uitgegaan worden van de normtijden volgens onderstaande tabel.
5.1.2. Richtlijnen van de omvang
De looptijd van de indicatie is afhankelijk van de gestelde doelen en de termijn waarop deze doelen behaald kunnen worden en van het aanbod (o.a. het sociaal netwerk van de cliënt, ontwikkelingen in het voorliggend veld of in het gecontracteerde aanbod). De indicatie wordt voor korte duur afgegeven wanneer op korte termijn verandering in de situatie van de cliënt wordt verwacht of voor langere tijd als beperkingen blijvend zijn is of als verslechtering te verwachten is maar onduidelijk is wanneer die te verwachten is.
No show is verdisconteerd in het tarief. Aanbieders krijgen alleen de werkelijk geleverde begeleiding of dagbesteding betaald. Bij het indiceren wordt er daarom gerekend met 52 weken op jaarbasis.. Niet-geleverde inzet mogen aanbieders (dus) niet declareren. Indien de cliënt bijvoorbeeld in het ziekenhuis wordt opgenomen, dan stopt de levering van ondersteuning tijdelijk en kan de aanbieder tijdelijk geen inzet declareren.
Gemeenten geven aanbieders de ruimte om binnen de afgegeven indicatie op- en af- te schalen ter bevordering van het behalen van de persoonlijke doelen van de cliënt en t.b.v. de administratieve lastenverlichting voor zowel gemeenten als aanbieders. Eerder is in dit protocol ook wel gesproken van flexibele inzet. De mate waarin de cliënt gebaat is bij flexibele inzet kan variëren: van geen flexibele inzet tot volledig flexibele inzet van de omvang van de indicatie of deels vaste inzet (per week, per 2 weken, per maand etc.) in combinatie met deels flexibele inzet. Anders dan bij individuele begeleiding en groepsbegeleiding wordt bij dagbesteding in principe geen flexibiliteit in de levering toegestaan.
Naast de doelen geeft de consulent / klantmanager de mate van flexibiliteit mee bij de inzet van individuele begeleiding en groepsbegeleiding. Doelen, inzet en flexibiliteit komen voor de cliënt terug in de beschikking en voor de aanbieder in de toelichting van het 301-bericht (toewijzing). Daarna landt de vaste en/of de (deels/volledig) flexibele inzet uiteindelijk in het ondersteuningsplan dat de aanbieder maakt in afstemming met de cliënt
Hieronder is voor de consulent / klantmanager het op- en afschalen c.q. de mogelijkheid om flexibiliteit te indiceren nader uitgewerkt in een tabel en aan de hand van een aantal voorbeelden.
5.1.2.4. Tabel: Flexibiliteit van de inzet
Het indiceren van dagbesteding vindt plaats in de vorm van een aantal dagdelen voor het totaal binnen de geldigheidsduur van de indicatie (declareren ook op basis van dagdelen). Flexibele inzet van de omvang van de indicatie is bij dagbesteding in principe niet mogelijk. Hieronder volgen een aantal onderzoeksvragen om de omvang de indicatie door dagbesteding te bepalen:
Hoewel dagbesteding onder andere wordt ingezet om ervoor te zorgen dat iemand zo lang mogelijk zelfstandig kan blijven wonen, is de inzet van dagbesteding niet onuitputtelijk.
Hieronder een voorbeeld van een toewijzing om aan te geven waarmee door de klantmanager/consulent geïndiceerd kan worden m.b.t. dagbesteding. Flexibele inzet is hierbij in principe niet van toepassing.
Type cliënt: Cliënt die een indicatie voor dagbesteding, waarbij geen flexibiliteit nodig is.
Indicatie en toewijzing: noodzakelijke inzet is bijvoorbeeld 4 dagdelen per week, is een toewijzing 624 dagdelen (156 weken x 4 dagdelen =) indicatie voor het totaal binnen geldigheidsduur toewijzing van 3 jaar. Er mogen dus maximaal 4 dagdelen per week geleverd worden Bij deze client is tevens nodig dat vervoer wordt geïndiceerd, waarbij cliënt aangeeft de 4 dagdelen in te zetten als 2 dagen naar dagbesteding. Voor de vervoersindicatie betekent dit voor de hoeveelheid: 312 ritten (3 jaar x 52 weken 2 ritten (heen en terug).
De gemeente geeft in de toelichting (vrij veld) van het 301-bericht aan:
Dagbesteding is maximaal 7 dagdelen per week inzetbaar
Het uitgangspunt hiervan is dat dagbesteding niet vaker dan een halve week noodzakelijk is. Bij een hogere indicatie is het thuis wonen in alle redelijkheid niet meer mogelijk. Indien een inwoner meer dan 7 dagdelen naar dagbesteding moet, dan is Wlz (meestal) voorliggend en is het advies om een aanvraag voor Wlz in gang te zetten. Wanneer er geen Wlz-indicatie wordt afgegeven, dan moet opnieuw goed bekeken worden of het daadwerkelijk nodig is dat de inwoner meer dan 7 dagdelen naar dagbesteding gaat.
Bij het inzetten van groepsbegeleiding dient er gewerkt te worden aan dezelfde doelen zoals vastgesteld bij de indicatie voor individuele begeleiding van de betreffende cliënt. Het is mogelijk dat een cliënt zowel groepsbegeleiding krijgt als individuele begeleiding. De aanbieder overlegt samen met de cliënt of groepsbegeleiding effectief is.
Voor de aanbieder en gemeente kan het een financieel voordeel bieden doordat één begeleider op hetzelfde moment meerdere cliënten kan begeleiden.
Groepsbegeleiding valt binnen de totaal geïndiceerde tijd (in uren) voor begeleiding (individueel en groep) van een cliënt. Declareren vindt echter plaats in minuten. De aanbieder kan via het digitaal berichtenverkeer een ‘verzoek om wijziging’ indienen (iWmo 317-bericht) voor het (deels) wijzigen van individuele begeleiding naar groepsbegeleiding. Wanneer de gemeente heeft ingestemd met het inzetten van groepsbegeleiding (iWmo 301-bericht), dan dient door de aanbieder ook het ondersteuningsplan aangepast te worden met daarin een beschrijving van de groepsbegeleiding en hoe aan de individuele doelen gewerkt gaat worden.
Voorbeeld: Een cliënt heeft een indicatie voor individuele begeleiding à 200 uur. Aanbieder heeft daarna in het ondersteuningsplan vastgelegd dat 40 uur als groepsbegeleiding ingezet zal worden. Hiertoe dient de aanbieder een verzoek tot wijziging in om de indicatie voor individuele begeleiding te wijzigen naar 160 uur en daarnaast 40 uur groepsbegeleiding toe te kennen via een iWmo 301-bericht.
In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe het vervoer naar/van Dagbesteding wordt bepaald.
Het vervoer naar/van Groepsbegeleiding wordt verder buiten beschouwing gelaten, omdat daar als uitgangspunt geldt dat de cliënt zelf voor vervoer zorgt (en betaalt). In geval van groepsbegeleiding kan dus geen individueel (rolstoel)vervoer geïndiceerd worden. Indien de cliënt een indicatie voor Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) bezit, dan is het echter wel toegestaan om CVV te gebruiken van en naar groepsbegeleiding. CVV is toegankelijk voor cliënten die rolstoelafhankelijk zijn.
5.4.1. Zelfredzaamheid cliënt m.b.t. vervoer
5.4.2. Noodzakelijkheid van vervoer
Streven is om een passende dagbestedingslocatie te vinden binnen een straal van 10 km vanaf het woonadres van de cliënt. Als er binnen deze straal geen passende locatie beschikbaar is, dan moet er gezocht worden naar een locatie die passende dagbesteding biedt buiten deze straal. Ook dan geldt als criterium voor de uiteindelijke keuze: de dichtstbijzijnde passende locatie ten opzichte van het woonadres van de cliënt.
Indien de cliënt voor een dagbestedingslocatie kiest die buiten de straal van 10 km ten opzichte van zijn woonadvies ligt, terwijl er een passende locatie binnen 10 km is en cliënt heeft zelf geen vervoer, dan zijn de meerkosten van de extra kilometers in principe voor rekening van de cliënt. De cliënt kan hier afspraken over maken met zijn aanbieder. De straal van 10 km wordt overigens getoetst op basis van de kortste route volgens de routeplanner van de ANWB.
5.4.3. Omvang vervoersindicatie
De omvang van de indicatie voor vervoer naar dagbesteding wordt op maat afgegeven, waarbij in beginsel de norm van maximaal 7 dagdelen per week naar dagbesteding wordt gehanteerd. Indien vervoer noodzakelijk is, en cliënt kan dit niet (deels) zelf regelen, dan impliceert deze norm dat ook de vervoersindicatie kan worden afgegeven voor maximaal 7 keer per week.
Voorbeeld 1: cliënt krijgt 4 dagdelen en geeft aan deze in te zetten als 2 hele dagen naar dagbesteding. Voor de vervoersindicatie betekent dit voor de hoeveelheid: 2x vervoer indiceren.
Voorbeeld 2: cliënt krijgt 3 dagdelen en geeft aan deze in te zetten als 1,5 dag naar dagbesteding. Hoewel zijn mantelzorger 1 enkele reis naar de dagbesteding verzorgt, betekent dit voor de vervoersindicatie toch 2x vervoer indiceren. Het financieel voordeel is dan voor de aanbieder.
5.4.4. Afhankelijkheid cliënt van rolstoel
Het kan voorkomen dat cliënt volledig afhankelijk is van het gebruik van de eigen niet-inklapbare rolstoel tijdens dagbesteding. Indien cliënt zelf geen vervoer kan regelen (voor zichzelf inclusief rolstoel), dan wordt rolstoelvervoer geïndiceerd volgens hetzelfde principe als bij niet-rolstoelafhankelijk vervoer. Het enige verschil is dat voor rolstoelvervoer andere tarieven (eveneens op basis van staffel voor een retourrit) gelden dan voor vervoer zonder rolstoel.
5.4.5. Verantwoordelijkheid aanbieder om vervoer te organiseren
Noodzakelijk vervoer, van deur tot deur en waarbij passagiers mogen worden gecombineerd, wordt georganiseerd en gefinancierd door de aanbieder, waarbij de aanbieder de keuze heeft om het vervoer in eigen beheer uit te voeren of uit te besteden via onderaanneming. Bij onderaanneming blijft de aanbieder verantwoordelijk voor de uitvoering en de kwaliteit van het vervoer, onder andere door te werken met chauffeurs die in het bezit zijn van een EHBO-certificaat en VOG.
Er kan vanuit de Wmo geen (verpleegkundig) toezicht tijdens het vervoer worden geïndiceerd. Er wordt namelijk aangenomen dat het niveau van het vervoer (inclusief het toezicht) naar/van dagbesteding is aangepast aan de cliënten die worden vervoerd. Op grond daarvan is de aanbieder of vervoerder (bij CVV) verantwoordelijk voor het toezicht tijdens het vervoer.
Indien cliënt een locatie voor dagbesteding wenst die verder ligt dan 10 km, dan moet de cliënt deze extra kilometers zelf betalen. Het gaat dan om elke extra kilometer bovenop het maximum van de straal van 10 km. In dat geval kan de aanbieder -zonder tussenkomst van de gemeente- afspraken maken met de cliënt over de betaling van de meerkosten.
Voorbeeld 1: Cliënt woont op 7 km van de dagbestedingslocatie, heeft een vastframe rolstoel en dient zittend in de rolstoel vervoert te worden naar de dagbesteding. De aanbieder ontvangt de vergoeding die hoort bij de staffel 5 tot 10 km voor het rolstoelvervoer (code 08V10). Dit is een vergoeding voor de heen- en terugreis.
Voorbeeld 2: Meest dichtbij en passende locatie voor dagbesteding ligt op enkele reis 15 km vanaf het woonadres van cliënt. De aanbieder krijgt volledige reiskosten vergoed omdat dit de meest dichtbij en passende locatie betreft. In de staffel valt dit onder 15 tot 20 km (code 08V04). Indien dit niet de meest dichtbij en passende locatie is, want er is een geschikte locatie op 7 km afstand van het woonadres waar nog een plaats vrij is, dan krijgt de aanbieder de vergoeding in de staffel 5 tot 10 km (code 08V02). Over eventuele meerkosten kunnen de cliënt en de aanbieder zelf een afspraak maken.
Bij het vervoer worden staffels toegepast volgens onderstaande tabel. De tarieven zelf zijn niet opgenomen in onderstaand overzicht omdat deze door indexeren aan verandering onderhevig zijn.
Het tarief is een vergoeding voor de heen- en terugreis. Indien alleen een enkele reis ingezet hoeft te worden, dan heeft de aanbieder een financieel voordeel omdat de aanbieder het volledige dagtarief mag factureren.
6. Ondersteuningsplan en evalueren
De cliënt heeft vrijheid in het kiezen van een aanbieder die voor het leveren van de maatwerkvoorziening Begeleiding door de gemeente is gecontracteerd.
Nadat de gemeente heeft bepaald welk(e) product(en) worden ingezet, geeft gemeente opdracht aan de door cliënt gekozen aanbieder om te gaan begeleiden. Aanbieders zijn verplicht tot het maken van een individueel ondersteuningsplan dat met de cliënt is afgestemd. Tevens dienen aanbieders op bepaalde momenten samen met de cliënt de voortgang en de doelen te evalueren. Het ondersteuningsplan is de basis van waaruit geëvalueerd wordt.
Indien een cliënt meerdere producten ontvangt, dan neemt de aanbieder van individuele begeleiding het initiatief om in samenspraak met eventueel andere aanbieders, die de andere begeleidingsproducten leveren, het ondersteuningsplan en de evaluatie(s) op te stellen.
Specifieke afspraken met betrekking tot het ondersteuningsplan en het evaluatieverslag staan in bijlage 3 respectievelijk 4 van dit indicatieprotocol.
Bijlage 1 Productkaarten begeleiding
Algemene opmerking vooraf: Tarieven
De tarieven zelf zijn niet opgenomen in onderstaande productkaarten omdat deze door indexeren aan verandering onderhevig zijn. Het zijn allemaal all-in tarieven. Dit betekent dat zowel directe als indirecte tijd wordt vergoed. Ook no show is verdisconteerd in de tarieven. Eventueel noodzakelijk vervoer naar dagbesteding zit echter niet in het all-in tarief. Hiervoor kan apart geïndiceerd worden.
Begeleiding is bedoeld voor mensen met somatische, psychogeriatrische of psychiatrische problematiek, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, die matige of zware beperkingen hebben op het terrein van sociale redzaamheid, bewegen/verplaatsen, psychisch functioneren, geheugen en oriëntatie en/of probleemgedrag.
Productkaart: Individuele begeleiding 1
Productkaart: Individuele begeleiding 2
Idem productkaart BG 1, in aanvulling of anders met:
Productkaart: Individuele begeleiding 3
Idem productkaart BG 1 + 2, in aanvulling of anders met:
Dagbesteding is een vorm begeleiding die wordt ingezet als maatwerkvoorziening in groepsverband. Er is behoefte aan een zinvolle dagbesteding. Deze kan ontstaan vanuit een beperkte dagstructuur, maar ook vanuit overbelasting van de mantelzorgers/ het sociaal netwerk. De focus is gericht op het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid en maatschappelijke deelname/participatie. Er wordt voorzien in een zinvolle dagbesteding die niet is gericht op uitstroom naar (betaald of vrijwilligers-) werk. Men biedt structuur en passende activiteiten voor de dag. Het bieden van enige persoonlijke ondersteuning en/of begeleiding bij verzorgingstaken (bijv. ondersteuning bij de toiletgang) behoort tot deze ondersteuning. Passende dagbesteding wordt zo dicht mogelijk bij de cliënt georganiseerd. Bij dagbesteding wordt gewerkt met dagdelen van drie uur waarbij de cliënt daadwerkelijk op locatie aanwezig is. Er wordt gestreefd naar passende dagbesteding op maximaal 10 km reisafstand vanaf het huisadres van de cliënt. Zie verdere informatie bij het product vervoer.
Indien een cliënt twee dagdelen op één dag komt, brengt de cliënt zelf de lunch mee, of aanbieder biedt de mogelijkheid om tegen een redelijke vergoeding voor de cliënt een lunch te verzorgen. Een combinatie is ook mogelijk door bijvoorbeeld naast de zelf meegebrachte lunch soep aan te bieden of een andere versnapering tegen een geringe vergoeding ten laste van de cliënt.
Idem productkaart D1, in aanvulling of anders met:
Productkaart: Vervoer Dagbesteding
Productkaart: Groepsbegeleiding
Bij het inzetten van groepsbegeleiding (G1) dient er gewerkt te worden aan dezelfde doelen zoals door consulent / klantmanager vastgesteld bij de indicatie voor begeleiding van de betreffende cliënt. Het is mogelijk dat een cliënt zowel groepsbegeleiding krijgt als individuele begeleiding. De aanbieder overlegt samen met de cliënt of groepsbegeleiding effectief is. Groepsbegeleiding valt binnen de totaal geïndiceerde tijd voor begeleiding (individueel en groep) van een cliënt.
Instructie: beoordeel het huidig functioneren (hoe gaat het NU) op basis van wat u weet (informatie uit observatie, niet uit interpretatie) en ga uit van volledige zelfredzaamheid (scoor van rechts naar links). Zie de Handleiding ZRM voor verdere toelichting: www.zrm.nl.
© GGD Amsterdam. Lauriks, Buster, De Wit, Van de Weerd, Van den Boom, Segeren, Klaufus, Kamann, Fassaert &Tigchelaar. 2016. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteurs. De gebruiker mag deze uitgave niet voor willekeurige commerciële doeleinden gebruiken, aanpassen, of overbrengen. Contact: zrm@ggd.amsterdam.nl
ZRM-supplement: Ouderschap® 2017
© GGD Amsterdam. Fassaert, Lauriks, Buster, De Wit, Van de Weerd en Schönenberger. 2016. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteurs. De gebruiker mag deze uitgave niet voor willekeurige commerciële doeleinden gebruiken, aanpassen, of overbrengen. Contact: zrm@ggd.amsterdam.nl
Wat is een ondersteuningsplan?
De gecontracteerde aanbieder die door de cliënt wordt gekozen maakt in overleg en afstemming met de cliënt een ondersteuningsplan. Dit plan is de voorgestelde invulling van de aanbieder om de te behalen doelstellingen/resultaten met een bepaalde cliënt schriftelijk vast te leggen.
Bij indicaties voor meerdere producten begeleiding, is één integraal ondersteuningsplan voldoende. Dit plan wordt gemaakt en beheerd door de aanbieder die de individuele begeleiding gaat leveren, en neemt daarin het initiatief om het plan af te stemmen met eventueel andere aanbieders die de andere producten van begeleiding gaan leveren.
Alleen de directe uren kunnen in rekening gebracht worden, inclusief het intakegesprek, contacten met het (sociaal) netwerk van de cliënt en met het voorliggend veld. De contacten met het netwerk dienen indien mogelijk in bijzijn van de client plaats te vinden, waarbij de doelstelling is om de client hiervan te laten leren, het (efficiënter) bereiken van de doelen en het waar mogelijk afschalen van de geïndiceerde begeleiding.
Bovenstaand proces maakt dat de levering van de maatwerkvoorziening wordt gestart binnen uiterlijk 35 werkdagen na opdrachtverstrekking door de gemeente. In overleg met en uitsluitend na toestemming van de gemeente kan worden afgeweken van bovenstaande werkwijze en termijnen.
Indien aanbieder van mening is dat dat de indicatie - direct na afgifte dan wel gedurende de loop van de indicatie - aanpassing behoeft, treedt aanbieder daarover in overleg met de betrokken Wmo consulent / klantmanager. De gemeente bepaalt of de indicatie wordt aangepast.
Het ondersteuningsplan is niet van toepassing bij Dagbesteding 1 (D1). Indien een cliënt meerdere producten van begeleiding ontvangt, dan neemt de aanbieder van individuele begeleiding het initiatief om in samenspraak met andere aanbieders, het totale ondersteuningsplan voor alle producten van begeleiding op te stellen. Dit plan voldoet aan de onderstaande voorwaarden:
Cliënt en aanbieder overleggen over (wijzigingen in) het ondersteuningsplan. Aanbieder toont in het ondersteuningsplan vormvrij aan dat het ondersteuningsplan of de aangebrachte wijzigingen zijn besproken met de cliënt. Daarnaast toont aanbieder vormvrij aan dat de cliënt toestemming geeft om het ondersteuningsplan te delen met de opdrachtgever. Het ondersteuningsplan is voorzien van een datum waarop het plan met de client besproken is;
De aanbieder evalueert met de cliënt of de doelen/resultaten van het persoonlijke ondersteuningsplan zijn behaald. Hiervan maakt de aanbieder een evaluatieverslag.
De planning van alle evaluatiemomenten wordt door de aanbieder opgenomen in het ondersteuningsplan. Het is mogelijk dat na het ondersteuningsplan nog extra evaluaties worden gepland in overleg met de gemeente en cliënt. Als vanzelfsprekend komen deze niet terug in de planning van de evaluaties in het ondersteuningsplan.
Indien meerdere producten van begeleiding bij één cliënt worden ingezet, dan is één integraal ondersteuningsplan voldoende. De aanbieder die individuele begeleiding levert, neemt het initiatief om te evalueren indien andere aanbieders vanuit de andere begeleidingsproducten/indicaties bij de cliënt zijn betrokken.
Daarnaast kan de consulent / klantmanager de aanbieder buiten de planning van de evaluatie(s) zoals opgenomen in het ondersteuningsplan om een extra evaluatieverslag verzoeken, indien de individuele situatie daar aanleiding toe geeft. De gemeente biedt de aanbieder bij het verzoek om een (extra) tussenvaluatie minimaal 15 werkdagen de tijd om de tussenevaluatie op te leveren.
Consulent / klantmanager controleert of de inzet van de aanbieder conform het 301 bericht uitgevoerd wordt. Het is de aanbieder niet toegestaan om zonder overleg af te wijken van de gevraagde inzet. Als het evaluatieverslag niet volgens de planning bij de gemeente wordt aangeleverd door de aanbieder, dan geeft de gemeente dit binnen 5 werkdagen aan bij de aanbieder. Vanaf dat moment heeft de aanbieder 15 werkdagen om te evalueren en aan te leveren bij de gemeente;
Het is mogelijk dat de aanbieder de melding voor (her)indicatie van de maatwerkvoorziening begeleiding namens de cliënt doet. Dan ontvangt de gemeente het evaluatieverslag bij voorkeur gelijktijdig met de melding. Uitzondering hierop is wanneer er bij een cliënt meerdere herindicaties per jaar plaatsvinden (doordat beschikkingen korter dan 12 maanden zijn afgegeven). In onderling overleg wordt dan tussen aanbieder en gemeente afgesproken wanneer het evaluatieverslag wordt aangeleverd en hoe de evaluatie op andere momenten plaatsvindt. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van een drie-gesprek (cliënt, gemeente en aanbieder) of telefonisch (gemeente en aanbieder);
Het evaluatieverslag moet besproken zijn met de cliënt en/of zijn/haar wettelijk vertegenwoordiger Aanbieder toont in het evaluatieverslag vormvrij aan dat het verslag of de aangebrachte wijzigingen zijn besproken met de cliënt. Daarnaast toont aanbieder vormvrij aan dat de cliënt toestemming geeft om het evaluatieverslag te delen met de gemeente.
Bijlage 10. Normenkader Huishoudelijke ondersteuning 2019 met aanvullende instructie 2022
Bureau HHM hielp veel gemeenten bij het aanpassen van de regelgeving en het beleid rond de Huishoudelijke Ondersteuning 10 . Dit begon na de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep in mei 2016 met empirisch onderzoek naar normtijden en de objectieve en onafhankelijke onderbouwing daarvan, in collegiale samenwerking met KPMG Plexus. De uitkomsten daarvan toetsten we binnen een groot aantal gemeenten aan de lokale situatie om het zo te vertalen naar lokaal beleid.
Hieruit is een normenkader tot stand gekomen dat alle gemeenten kunnen gebruiken bij het toekennen van Huishoudelijke Ondersteuning. In haar uitspraken van december 2018 bevestigde de CRvB dat dit normenkader voldoet aan de eisen die in mei 2016 werden gesteld aan de onderbouwing van normtijden.
Door uit te gaan van een ‘gemiddelde cliëntsituatie’ en de mogelijkheid tot meer of minder inzet om te komen tot ondersteuning op maat van de persoon, gaan wij ervan uit dat dit normenkader in elke gemeente en voor elke cliënt kan worden toegepast. Wij denken dat de kennis over de noodzakelijke inzet van huishoudelijke ondersteuning inmiddels zo is uitgekristalliseerd, dat gemeenten met behulp van deze handreiking zelf de normtijden en de onderbouwing van het beleid rond de Huishoudelijke Ondersteuning kunnen vaststellen.
Aan de hand van 13 vragen geven we inzicht in het algemene normenkader voor Huishoudelijke Ondersteuning en de mogelijkheden voor toepassing daarvan door gemeenten. Wat ons betreft kunnen gemeenten deze handreiking naar hartenlust gebruiken. Bronvermelding wordt op prijs gesteld, net als reacties van gemeenten die deze handreiking gebruikten.
In september 2022 hebben we een ‘aangevulde’ versie van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 uitgebracht. Deze versie is inhoudelijk en wat normtijden betreft volledig gelijk aan de eerste uitgave in 2019. De aanvulling bestaat uit bijlage 1 met aanvullende instructies voor de toepassing van het normenkader die we hebben opgenomen.
De aanvullende instructies zijn tot stand gekomen op basis van de vele tientallen gesprekken die we over de details en instructie van de toepassing van het normenkader hebben gevoerd. Met name tijdens en naar aanleiding van de vele trainingen die we in het veld hebben verzorgd en voorgelegde praktijkcasussen over hoe dit normenkader te gebruiken bij het indiceren.
Met deze aanvullende instructies verandert er niets in het normenkader op zich. Dit blijft onveranderd gebaseerd op dezelfde onderzoeken. De bedoeling en de concrete toepassing ervan hebben we verder verduidelijkt, volledig in lijn met de onderliggende onderzoeken.
NB. Wij hebben geprobeerd deze tekst geheel voor zichzelf te laten spreken, hierbij is geen extern onderzoek of advies noodzakelijk. Heeft u toch vragen, opmerkingen of verbetersuggesties voor deze handreiking, dan horen wij die uiteraard graag: info@hhm.nl | telefoon 053 433 0548
1. Hoe ziet het normenkader eruit?
De volgende pagina geeft het normenkader voor de Huishoudelijke Ondersteuning weer. Per resultaatgebied is uitgewerkt hoeveel professionele inzet nodig is voor de verschillende resultaten in de gemiddelde cliëntsituatie en wat het effect hierop is van verschillende factoren, zodat uiteindelijk wordt gekomen tot ondersteuning op maat van de persoon.
De normtijden zijn in navolgend ‘blokkenschema’ weergegeven in ‘uren/minuten per week’. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan de wettelijke plicht om tijdbesteding inzichtelijk te maken voor de cliënt en daarmee diens rechtspositie te bewaken. Maar tegelijk wordt flexibele toepassing naar individuele cliëntsituaties mogelijk, zodat er ruimte is voor het maatwerk dat van week tot week nodig is. Bijlage 2 bevat dit normenkader uitgedrukt in ‘uren per jaar’.
Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 - in uren/minuten per week
2. Hoe moet ik het normenkader toepassen?
De toegangsmedewerker van de gemeente doet naar aanleiding van de hulpvraag van een cliënt integraal onderzoek. Daarbij onderzoekt de toegangsmedewerker welke ondersteuning de cliënt naar aard en omvang nodig heeft.
Vervolgens onderzoekt deze wat de mogelijkheden zijn vanuit eigen kracht, netwerk of andere voorliggende opties/voorzieningen om invulling te geven aan deze ondersteuningsvraag.
Daaruit volgt welke ondersteuning vanuit de Wmo nodig is, in de vorm van een maatwerkvoorziening voor ondersteuning bij het huishouden.
De toegangsmedewerker gebruikt dit normenkader als hulpmiddel, als leidraad, om te komen tot een professionele afweging over de ondersteuning op maat van de individuele cliënt die nodig is. Dit wordt per subresultaat (schoon en leefbaar huis, wasverzorging, etc.) bekeken en daarna opgeteld tot de totaal te indiceren tijd. Hierbij wordt de situatie van de cliënt vergeleken met de ‘gemiddelde cliëntsituatie’. Dit leidt tot ‘meer’ of ‘minder’ inzet van ondersteuning dan in de gemiddelde cliëntsituatie het geval zou zijn. Het resultaat is dan ondersteuning op maat van de individuele cliënt, die wordt vastgelegd in de indicatie (beschikking).
Het normenkader wordt op de volgende manier geïnterpreteerd:
De professionele hulp maakt, in samenspraak met de cliënt, een planning wanneer welke werkzaamheden worden gedaan. Binnen de gegeven omvang van de indicatie. Zo worden in de tijd uiteindelijk alle activiteiten opgenomen in het ondersteuningsplan uitgevoerd. In bijlage 3 is een overzicht opgenomen van de activiteiten en frequentie van uitvoering hiervan waarop het normenkader is gebaseerd. Dit betreft dan volledige professionele overname van alle werkzaamheden, zonder dat sprake is van bijzonderheden in de cliëntsituatie die minder inzet mogelijk of meer inzet nodig maken.
In het normenkader is naast directe tijd ook indirecte tijd opgenomen. Dit is tijd die nodig is voor binnenkomen, afspraken maken, interactie met de cliënt en bijvoorbeeld het pakken en opruimen van schoonmaakmiddelen. Deze indirecte tijd is even noodzakelijk als de directe tijd om de beoogde resultaten te behalen.
De totale tijd die wordt geïndiceerd, is te zien als een totaal over het jaar heen voor alle te bereiken resultaten. Uit diverse onderzoeken is gebleken dat deze totaaltijd toereikend is om te doen wat nodig is in de gemiddelde cliëntsituatie (zie vraag 12). Voorwaarde hiervoor is wel dat goed onderzoek wordt gedaan naar de individuele situatie van de cliënt (keukentafelgesprek) om te komen tot een individuele afweging op maat.
Met dit normenkader kan een verantwoord niveau van een schoon, opgeruimd en georganiseerd huishouden worden gerealiseerd. Aandachtspunt is dat persoonlijke opvattingen van cliënten of hulpen soms anders zijn dan waarop dit normenkader is gebaseerd. In deze is dan het normenkader leidend, omdat dit op basis van onderzoek bij en met vele cliënten en in afstemming met diverse deskundigen tot stand is gekomen.
3. Is het normenkader toe te passen in mijn gemeente?
Iedere gemeente kan het normenkader gebruiken door het te verankeren in het beleid. De gemeente bepaalt uiteraard haar eigen beleid ten aanzien van de Huishoudelijke Ondersteuning voor haar inwoners. Dat doet zij op grond van de Wmo 2015. Dit normenkader is gebaseerd op de algemene beleidsuitgangspunten die meerdere gemeenten toepassen (zie bij vraag 4). Als een gemeente hiervan substantieel afwijkt, kan dat tot gevolg hebben dat het normenkader niet meer van toepassing is.
4. Welke uitgangspunten verankeren in het beleid?
Het normenkader is gebaseerd op de navolgende uitgangspunten. Die moeten in het beleid worden vastgelegd. Deze teksten zijn voorbeelden die we in meerdere gemeenten zijn tegengekomen.
Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon huis, kunnen aanvullende maatwerkmodules ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren, het klaarzetten van maaltijden en beschikken over schone kleding. Als zij minder ondersteuning nodig hebben, dan wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van eigen kracht, gebruikelijke hulp en het netwerk. Als sprake is van voorliggende voorzieningen/oplossingen, dan wordt hiervoor geen Wmo-maatwerkvoorziening inzet.
5. Bekostiging in relatie tot het normenkader?
Voor de bekostiging van de Huishoudelijke Ondersteuning zijn verschillende modellen denkbaar. Die hebben in de kern steeds twee componenten: een ‘p’ (een reëel uurtarief) en een ‘q’ (het aantal uren dat bekostigd wordt). Doorgaans wordt de ‘p’ eenmalig bepaald en periodiek bijgesteld. Over de ‘q’ kunnen verschillende afspraken worden gemaakt, variërend van declaratie van feitelijk geleverde inzet, tot een normatief bepaalde omvang van de ondersteuning, bijvoorbeeld gebaseerd op het gepresenteerde normenkader.
De gemeente is gehouden om voor de maatschappelijke ondersteuning een reëel tarief te betalen. De AMvB ‘Reële Prijs Wmo 2015’ die sinds de zomer van 2017 van kracht is, beschrijft op basis van welke parameters (kostprijsbestanddelen) het tarief tot stand komt. Het begrip ‘reëel’ weerspiegelt daarbij de (goede) prijs- kwaliteitverhouding. Wanneer een tarief ‘reëel’ is, is niet in de AMvB bepaald, dat is en blijft een keuze van de gemeente. Belangrijke toetssteen hierbij is dat het tarief tot stand komt in een transparant proces naar/met de aanbieders en dat het tarief herleidbaar en herkenbaar is.
Op grond van onze ervaringen, denken wij dat de discussie over de juiste parameters van een kostprijsmodel voor Huishoudelijke Ondersteuning en de passende waarden daarbij, inmiddels is uitgekristalliseerd. Ook op dit punt is naar ons inzicht, net als bij normtijden, geen aanvullend onderzoek nodig.
Hierbij ligt het voor de hand om aan te sluiten bij het normenkader en daarmee bij de uren die de cliënt krijgt toegekend. Daardoor ontstaat balans tussen het belang van de aanbieder en dat van de cliënt en is er volstrekte duidelijkheid over de omvang van de inzet en daarmee over de rechtspositie van de inwoner.
6. Wat is het doel van het normenkader?
Met dit normenkader willen we gemeenten helpen om inwoners die dit nodig hebben, passende Huishoudelijke Ondersteuning op maat van de persoon te bieden. Deze handreiking maakt de daarvoor benodigde kennis toegankelijk voor iedereen. Het is een hulpmiddel voor de toegangsmedewerkers om te komen tot een zorgvuldige professionele afweging voor ondersteuning op maat van de individuele cliënt. Gemeenten kunnen met dit normenkader kostenefficiënt komen tot Huishoudelijke Ondersteuning die voldoet aan de eisen die de Centrale Raad in mei 2016 stelde aan de onderbouwing van normtijden.
7. Hoe is het normenkader tot stand gekomen?
Gemeenten bieden hun inwoners ondersteuning in de vorm van Huishoudelijke Ondersteuning op grond van de Wmo 2015. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) deed op 18 mei 2016 vier uitspraken waarin zij kritisch was over de keuzes die gemeenten hierbij tot dan toe maakten. Dit had betrekking op de onderbouwing van de omvang van de ondersteuning en op de positie van de inwoner ten opzichte van de professional.
Naar aanleiding van deze uitspraken herzagen veel gemeenten hun beleid. Bureau HHM en KPMG Plexus onderbouwden met onderzoek de benodigde omvang van de ondersteuning. De kern van deze onderzoeken is het uitgangspunt van triangulatie: het grondig onderzoeken van een vraagstuk vanuit meerdere perspectieven. Dit betreft de oordelen van cliënten, expert-oordelen en onderbouwing met data vanuit de uitvoeringspraktijk.
Zowel gezamenlijk als apart hebben beide bureaus een groot aantal gemeenten geadviseerd op basis van deze onderzoeken. Met name het onderzoek dat we hebben uitgevoerd voor de gemeente Utrecht is in veel gemeenten overgenomen als basis voor het eigen beleid.
In meerdere gevallen heeft de rechtbank en uiteindelijk ook de CRvB (10 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3835) het onderzoek dat door bureau HHM en KPMG Plexus is uitgevoerd, beoordeeld als ‘objectief, onafhankelijk en deugdelijk’.
Daarmee voldoet het aan de criteria die eerder door de Raad zijn gesteld. En kan het worden benut voor onderbouwing van de in te zetten omvang van de Huishoudelijke Ondersteuning door een gemeente.
Bureau HHM en KPMG Plexus ontwikkelden in opdracht van verschillende gemeenten een nieuwe actuele maatstaf voor de Huishoudelijk Ondersteuning, passend bij het beleidskader van de betreffende gemeenten11 . Deze gemeenten vullen het resultaatgericht werken ieder op een andere manier in. De kern van de aanpak was steeds de combinatie van tijdbestedingsonderzoek, professionele ervaringen, onafhankelijk experts en cliëntinterviews. Hiermee bepaalden we de benodigde activiteiten, frequentie van uitvoering en de tijdbesteding hieraan die nodig zijn voor het behalen van de resultaten die met de voorzieningen Huishoudelijke Ondersteuning worden beoogd 12 .
Voor enkele activiteiten, die in de praktijk zeer weinig voorkomen en die we daarom in de onderzoeken in 2016/2017 niet in voldoende aantallen hebben kunnen onderzoeken, blijven we gebruik maken van de normtijden zoals die in de CIZ- richtlijn uit 2006 zijn opgenomen. Ook omdat de deskundigen in de verschillende expertgroepen hebben aangegeven dat voor deze onderdelen nog steeds sprake is van relevante normtijden vanuit de CIZ-richtlijn. Dit betreft het voeren van de regie over het huishouden, advies/instructie/voorlichting en de verzorging van maaltijden.
In het verlengde van deze onderzoeken hebben wij vanuit HHM in de periode najaar 2016 tot op heden voor enkele tientallen gemeenten/regio’s de uitkomsten in de lokale praktijk getoetst. Op basis van het onderzoek in meerdere gemeenten en toetsing van de uitkomsten in een groot aantal andere gemeenten en regio’s, concluderen wij dat de tijdnormen die we in deze handreiking beschrijven, breed toepasbaar zijn en daarmee de CIZ-richtlijn uit 2006 op die onderdelen kunnen vervangen.
8. Houdt dit stand bij bezwaar en beroep?
Als gemeenten de in deze handreiking gepresenteerde norm voor de toekenning van huishoudelijke hulp onder de Wmo 2015 onverkort overnemen en verankeren in hun beleid, verwachten wij dat dit juridisch stand zal houden in geval van bezwaarzaken. Bureau HHM biedt geen definitieve juridische zekerheid, daarvoor kunnen individuele zaken te veel onvoorziene omstandigheden bevatten. Bureau HHM kan op generlei wijze aansprakelijk worden gesteld door de gebruiker van deze norm c.q. deze handreiking.
9. Is lokaal aanvullend onderzoek nodig?
Ten behoeve van het toetsen van uitkomsten van de elders uitgevoerde onderzoeken voor een bepaalde gemeente, analyseerden wij steeds eerst het lokale beleid. Dat is vertaald naar de uitkomsten van het onderzoek elders. Die uitkomsten toetsten we vervolgens bij lokale stakeholders. Soms met onafhankelijke experts, soms met vertegenwoordigers van cliënten en cliëntenorganisaties en steeds met professionals die de lokale praktijk van Huishoudelijke Ondersteuning goed kennen. Zo ontwikkelden we onafhankelijke lokale normenkaders, zonder aanvullend empirisch onderzoek te doen. Voortschrijdend inzicht heeft ertoe geleid dat we in het normenkader 108 uur op jaarbasis presenteren in plaats van de 105 uur op jaarbasis die is gevonden in het allereerste onderzoek in Utrecht. Daarbij bleek steeds dat de cijfermatige basis van de uitgevoerde onderzoeken kon worden gebruikt om te komen tot een normenkader dat specifiek is afgestemd op de lokale beleidskeuzes van die gemeente. Er is veelal wel sprake van enige verschillen in het beleid tussen gemeenten. Reden daarvan is dat het normenkader ruimte biedt voor individuele verschillen.
Gemeenten kunnen dit normenkader overnemen als het aansluit op het lokale beleid. Aanvullend onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Het verdient echter wel aanbeveling dat zowel beleid als normenkader worden besproken met lokale stakeholders. Daarmee ontstaat draagvlak voor de toepassing ervan en kunnen eventueel lokale factoren worden onderkend die van belang zijn bij de toepassing van het normenkader voor deze gemeente.
10 Kan ik het normenkader toepassen per jaar?
Ja, dat kan. Bij vraag 2 presenteerden wij het normenkader uitgedrukt in uren en minuten per week. Gemeenten kunnen kiezen om een andere tijdseenheid te hanteren (zoals uren per maand, kwartaal of jaar). Bijlage 2 bevat het normenkader in een tabel op basis van uren per jaar. Iedereen kan met deze informatie het normenkader ook terugrekenen naar elke andere denkbare variant. Daarbij moet echter wel worden bedacht dat door afronding verschillen kunnen ontstaan. Een normenkader uitgedrukt in decimalen lijkt ons niet wenselijk. Daarom zijn beide tabellen afgerond op hele uren of minuten per week of per jaar. Wij adviseren te rekenen vanuit de tabel in ‘minuten per week’. Indien bij doorrekenen naar andere eenheden decimalen ontstaan, is ons advies om steeds naar boven af te ronden. Daarmee wordt een eventuele marge in het voordeel van de inwoner toegepast.
11 Kan ik losse onderdelen uit het normenkader gebruiken?
Dit kan alleen als gedoeld wordt op de verschillende resultaatgebieden uit de Huishoudelijke Ondersteuning. Alle activiteiten en beïnvloedende factoren zijn per resultaatgebied gebundeld onderzocht. Zij vormen een logisch en samenhangend geheel. Dus een gemeente kan ervoor kiezen om alleen het normenkader voor ‘schoon en leefbaar huis’ over te nemen, zonder het kader voor het resultaat ‘wasverzorging’. Bijvoorbeeld omdat hiervoor een algemene voorziening is ingericht. Dit kan wanneer deze keuze in het beleid is verankerd. Voor alle onderdelen van het normenkader moet de gemeente op een of andere wijze in mogelijkheden van ondersteuning voorzien voor inwoners die dit nodig hebben, als er geen andere voorliggende oplossingen zijn.
In dit normenkader presenteren we totaaltijden. Die zijn bepaald op grond van de triangulatie-aanpak die we eerder hebben benoemd. In de onderliggende onderzoeken zijn ook onderzoektijden per activiteit uitgewerkt. Het gebruik van tijden per activiteit (stofzuigen woonkamer, dweilen gang, nat afnemen, etc.) als los te indiceren onderdelen raden wij af. Dit betreft onderzoektijden die samengevoegd leiden tot een passende omvang van ondersteuning op maat voor de cliënt. Hierbij is dus ook sprake van middeling van tijden. Individuele situaties verschillen altijd wat van elkaar, dit maakt in dit normenkader dat het grote geheel zeker klopt, maar er is geen sprake van ‘instructietijden of uitvoeringsnormen per activiteit’. Het zijn de totaaltijden die de toegangsmedewerker helpen om te komen tot passende ondersteuning op maat waarmee de gestelde doelen als geheel kunnen worden gerealiseerd.
12 Is het normenkader voor elke cliënt op maat?
Het vertrekpunt bij het ontwikkelen van dit normenkader was ‘hoe veel tijd is nodig voor volledige professionele overname van het huishouden bij een gemiddelde cliëntsituatie’. Deze gemiddelde cliëntsituatie dienst als ijkpunt, waaraan cliënten worden gespiegeld. Het normenkader geeft richtlijnen voor het maken van een afweging door de toegangsmedewerker, die leidt tot ondersteuning op maat van de individuele cliënt.
Door de vele individuele casuïstiek die we in de verschillende onderzoeken hebben gezien, hebben we een scherp beeld van de ‘gemiddelde cliëntsituatie’ waar huishoudelijke hulp wordt geboden. Op basis van deze gemiddelde cliëntsituatie krijgen de normtijden een algemeen karakter en wordt voorkomen dat op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. De gemiddelde cliëntsituatie is als volgt omschreven:
Cliënten passen zeker niet altijd precies in deze omschrijving van ‘de gemiddelde cliëntsituatie’. Er is sprake van invloedsfactoren die minder of juist meer ondersteuning nodig maken (eigen kracht e.d. versus vaker of beter moeten schoonmaken). Door een zorgvuldige afweging te maken hiervan voor iedere cliënt, komt de toegangsmedewerker tot individuele ondersteuning op maat (maatwerk). De volgende invloedsfactoren maken dat inzet van minder ondersteuningstijd mogelijk is of inzet van meer ondersteuningstijd nodig is.
Mogelijkheden cliënt zelf: de fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren activiteiten. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee.
Beperkingen en belemmeringen van de cliënt, die gevolgen hebben voor de benodigde inzet. De hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is, is leidend, niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken:
Ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers: de hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers, waardoor minder professionele inzet vanuit de gemeente noodzakelijk is omdat een deel activiteiten door niet-professionals wordt gedaan.
Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp 11 ).
De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding (leeftijdsafhankelijk, gebruikelijke hulp). Als er kinderen zijn, zijn er vaak ook meer ruimtes in gebruik. Een kind kan eventueel ook een bijdrage leveren in de vorm van mantelzorg en daarmee de benodigde extra inzet beperken of opheffen. Bij een kind kan ook sprake zijn van bijzonderheden (ziekte of beperking) die maken dat extra inzet van ondersteuning nodig is.
Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan eventueel door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Verzorging van huisdieren valt niet onder huishoudelijke ondersteuning. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Een huisdier heeft vaak ook een functie ten aanzien van participatie en eenzaamheidsbestrijding. Met de cliënt moet in voorkomende gevallen overleg plaatsvinden over aantal of aard van huisdieren en welke gevolgen hiervan wel of niet ‘voor rekening’ van de gemeente/samenleving komen.
Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de cliënt zijn aangewezen over wie wat doet in het huishouden.
Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.
N.B. Er zijn cliëntsituaties denkbaar die niet passen in het normenkader. Deze zijn zo uitzonderlijk dat hiervoor geen algemene normstelling mogelijk is. Wij adviseren daarom in de toegang in gezamenlijk overleg te bepalen welke ondersteuningsbehoefte er in deze cliëntsituaties is. Dit normenkader kan daarbij veelal wel ondersteunend zijn.
13 Is ‘x’ minuten voor ‘dweilen’ wel voldoende?
In dit normenkader presenteren we totaaltijden voor verschillende onderdelen. Deze zijn bepaald op grond van de triangulatie-aanpak die we eerder hebben benoemd bij vraag 7. In de onderzoeken die ten grondslag liggen aan dit normenkader zijn ook onderzoektijden per activiteit uitgewerkt. Het gebruik van tijden per activiteit (stofzuigen woonkamer, dweilen gang, nat afnemen, etc.) als los te indiceren onderdelen raden wij af. Dit betreft onderzoektijden die samengevoegd leiden tot een passende omvang van ondersteuning op maat voor de cliënt. Hierbij is dus ook sprake van middeling van tijden. Individuele situaties verschillen altijd wat van elkaar. Dit maakt in dit normenkader dat het grote geheel zeker klopt, maar er is geen sprake van ‘instructietijden of uitvoeringsnormen per activiteit’. Het zijn de totaaltijden die de toegangsmedewerker helpen om te komen tot passende ondersteuning op maat waarmee de gestelde doelen als geheel kunnen worden gerealiseerd.
Bijlage 1. Aanvullende instructie toepassing Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019
In deze bijlage hebben we nadere instructies uitgewerkt voor het toepassen van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019.
Deze instructies zijn uitgewerkt op basis van:
Tijdens de trainingen over het normenkader voor gemeenten/de Wmo- consulenten geven we de instructies uit deze bijlage mondeling al mee.
Deze instructies zijn te zien als een inhoudelijke verrijking of inkleuring van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019.
Deze instructies hebben geen invloed op de tijdnormen uit het normenkader, de eerder uitgevoerde onderliggende onderzoeken vormen hiervoor de basis.
1. Minder inzet dan volledige overname/afschalen
We krijgen regelmatig vragen over het ‘afschalen’ of ‘minderen’ ten opzichte van de in de norm aangegeven minuten per week in geval van volledige overname. De vragen die worden gesteld, gaan over waarop dit ‘afschalen’ is gebaseerd en of het mogelijk is om verder af te schalen dan de 10, 15 of 17 minuten die in het normenkader staan benoemd.
Dat betreft meestal schoonmaken op middenniveau (afstoffen en nat afnemen) en algemeen opruimen. Het afstoffen op middenniveau is dus zonder bukken of klimmen/reiken. Dit hebben we in het normenkader ‘licht HbH’ genoemd. Zonder ons toen te realiseren dat dit een andere invulling kent dat het ‘licht HbH’ in de CIZ-richtlijn 2006. Daarin omvat ‘licht HbH’ meer activiteiten en staat dan ook voor 30 minuten.
Als de cliënt nog duidelijk meer kan doen en ook werkelijk duurzaam doet dan afstoffen op middenniveau, bijvoorbeeld t.a.v. het sanitair schoonmaken of de keuken of stofzuigen, dan kan zeker nog één of zelfs twee maal extra mindering met 15 minuten plaatsvinden. Mits dit duidelijk wordt toegelicht/gemotiveerd.
Bovenop of in plaats van de mindering vanwege de mogelijkheden van de cliënt zelf, kan ook nog aftrek plaatsvinden vanwege ondersteuning vanuit het netwerk of door inwonende personen op basis van het beleid gebruikelijke hulp. Dit kan 15 minuten zijn, maar dit kan ook meer dan 15 minuten zijn. Vaak is dat dan vanwege gebruikelijke hulp.
2. Enige extra inzet of veel extra inzet (30 of 60 minuten)
Wanneer moet ik enige extra inzet of juist veel extra inzet indiceren? Dit gaat over situaties waarin door beperkingen of belemmeringen van de cliënt extra goed of extra vaak moet worden schoongemaakt.
We zien dit in de volgende situaties:
3. Kamer wel/niet in gebruik (als slaapkamer!)
Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer ‘wel of niet in gebruik’ is. Maar wanneer moeten we als gemeente een kamer aanmerken als ‘in gebruik’ en wanneer als ‘niet in gebruik’?
Als een extra kamer daadwerkelijk als slaapkamer in gebruik is, dan vergt dat 18 minuten per week zoals genoemd in het normenkader (bijv. voor een stel dat altijd apart slaapt, twee mensen -geen stel- die samen een huis bewonen, een kind, mits geen gebruikelijke hulp mogelijk is: betekent zelf schoonmaken door het kind), et cetera.
Want: met 20 minuten per maand heeft de hulp genoeg tijd om die kamer een keer te kunnen stoffen en stofzuigen e.d. en blijft deze acceptabel schoon. Toegangsmedewerkers kunnen op basis van hun professionele oordeel in een uitzonderlijke situatie zo nodig een uitzonderlijke beslissing nemen en toch 18 minuten toekennen.
Een logeerkamer die (zeer) incidenteel wordt beslapen: die kan in principe door de logee weer schoon worden opgeleverd. Of door de ouders van het kleinkind dat komt logeren. Het is niet aan de gemeente om dit soort zaken altijd te moeten oplossen. In principe blijft dan de genoemde 5 minuten per week (20 minuten per maand) toereikend om die kamer voldoende schoon te houden.
4. Wanneer ruimtes wel of niet als ‘extra kamer’ aanmerken
Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer wel of niet in gebruik is als slaapkamer. Maar wanneer merk je een extra ruimte nu ook aan als extra kamer? Hier kan sprake zijn van interpretatie-verschillen, vooral als het meer om een ‘overige ruimte’ gaat en niet zozeer een extra kamer.
Grote bijkeuken: een bijkeuken is in principe onderdeel van ‘de keuken’. Het kan natuurlijk voorkomen dat sprake is van een serieus grote keuken in combinatie met een serieus grote bijkeuken: dan kan opplussen op basis van ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’ of op basis van de factor ‘omvang van de woning’ aan de orde zijn. Dat kan spelen als de hele woning duidelijk bovengemiddeld groot is.
5. Samenstelling huishouden (= eigen kracht + gebruikelijke hulp)
In het normenkader is de mogelijkheid benoemt om extra tijd toe te kennen op grond van de ‘samenstelling van het huishouden”. Hiervoor hanteren we een aanvullende instructie, gebaseerd op de uitgangs- punten van eigen kracht en het beleid gebruikelijke hulp van de
6. Huisdieren (die extra inzet van ondersteuning noodzakelijk maken)
Omdat huisdieren een extra bron van vervuiling kunnen zijn binnen een huishouden, kan het nodig zijn vanwege de noodzaak van extra vaak of extra goed schoonmaken 15 minuten extra ondersteuningstijd toe te kennen.
Er zijn gemeenten die uitsluiten dat er extra ondersteuningstijd nodig kan zijn vanwege de aanwezigheid van huisdieren, omdat dit een ‘eigen keuze van de cliënt’ is. Andere gemeenten zien juist de belangrijke rol die huisdieren in het leven van mensen kunnen hebben en komen hier zo nodig in tegemoet als dit nodig is.
Want: in het beleid van de gemeente staat dat de cliënt is gehouden om niet meer ondersteuning te vragen of noodzakelijk te maken dan in redelijkheid nodig is.
Voorbeelden: meerdere honden die vrij door het hele huis mogen lopen of losvliegende vogels die veel troep maken. Cliënten met COPD die binnen roken en binnen 20 parkieten houden en vervolgens om extra vaak schoonmaak vragen.
In dezelfde lijn: cliënten met zware allergie of COPD, die weigeren de woning te saneren, maar wel extra ondersteuning vragen.
7. Overige kenmerken van de woning: omvang, bewerkelijkheid, inrichting
Op basis van het normenkader is het mogelijk om 15 minuten extra ondersteuningstijd toe te kennen op basis van ‘overige kenmerken’.
Wat zijn deze overige kenmerken?
8. Strijken en boodschappen (meestal voorliggend op te lossen)
De afgelopen jaren zijn er diverse ontwikkelingen geweest rondom strijken en boodschappen. Deze hebben invloed op het indiceren van hulp bij het huishouden:
9. Regie en organisatie; Advies-instructie-voorlichting
Het kan zijn dat een cliënt niet meer zelf (volledig) de regie kan voeren over het huishouden. Als het zo is dat een hulp daardoor aantoonbaar extra werkzaamheden moet doen of bijvoorbeeld door het gedrag van de cliënt extra tijd nodig heeft, dan kun je hiervoor 30 minuten per week structureel extra indiceren. Van hulpen mag worden verwacht dat deze zelfstandig hun werkzaamheden kunnen plannen. Het gegeven dat een cliënt de hulp niet kan instrueren, betekent dus niet automatisch inzet van extra ondersteuningstijd. Er moet wel sprake zijn van extra werk.
Advies-instructie-voorlichting heeft betrekking op het, op tijdelijke basis, aanleren van praktisch vaardigheden in het huishouden aan een cliënt. Bijvoorbeeld als een partner net is weggevallen en een cliënt zelf wil kunnen bijdragen aan het huishouden, het schoonmaken, het leren koken van enkele basis-maaltijden, et cetera. Soms is het dan praktisch hiervoor aan de dan in het algemeen al langere tijd vertrouwde huis- houdelijke hulp voor een aantal weken extra tijd toe te kennen. Dit is dus altijd tijdelijk en is te onderscheiden van de inzet van Wmo-begeleiding.
10. Algemeen (activiteiten en -onderzoektijden)
Het normenkader is gebaseerd op uitgebreid onderzoek, waarin we ook gemiddelde tijden in kaart hebben gebracht van de verschillende activiteiten.
In het algemeen is het advies: indiceer niet gedetailleerd in minuten op activiteitniveau. Deze zijn in het Normenkader ook niet opgenomen.
Uiteraard staan deze wel in de onderliggende onderzoeksrapporten, zoals dat van Utrecht. Waarom dan niet per activiteit een tijd indiceren?
Ten eerste: de tijden per activiteit in deze onderzoekrapporten zijn gemiddelde onderzoektijden over een grote situaties waarin tijd is gemeten. Dit zijn zeker géén instructietijden op activiteitenniveau. Door de verschillende activiteiten en tijden bij elkaar op te tellen, hebben we een totaaltijd verkregen. Deze totaaltijd is toereikend om het resultaat te schoon en leefbaar huis te behalen in veel verschillende situaties. Maar de uitvoeringstijd per activiteit varieert altijd per individuele situatie. En dat is prima, dat is de praktijk, maar de totaaltijd als geheel is uiteindelijk toereikend.
Een optie is om te werken met een totaaltijd in uren per jaar: dan kun je meer flexibiliteit bieden aan aanbieder en cliënt om bijvoorbeeld in de zomer wat te minderen en een grote schoonmaak in het voorjaar in te bouwen of mee te bewegen met een variabele gezondheidstoestand van de cliënt. Dit is een nu (nog) niet algemeen gebruikelijke keuze.
Het kan wel handig zijn voor consulenten als zij een lijst met activiteiten en frequenties met de cliënt kunnen bespreken, zoals deze in de bijlagen van het Normenkader staan. Zodat er aan verwachtingenmanagement kan worden gedaan, omdat de cliënt een beeld krijgt van welke activiteiten nodig zijn voor het resultaat ‘schoon en leefbaar huis’ en welke frequentie gemiddeld genomen verwacht mag worden.
Puur om een idee te hebben van de orde van grootte, kunnen de consulenten de onderzoektijden uit het rapport van Utrecht een keer bekijken. We raden niet aan dit op cliëntniveau te doen, laat staan dit samen met de cliënt te doen.
11. Afronding van de indicatie (op 5 minuten of per kwartier)
Bij het indiceren komen consulenten soms op een ‘bijzonder’ aantal minuten. Hoe ronden we dan af?
Afronding van de indicatie kan het beste per 5 minuten of per kwartier. Het is verstandig hierover met de aanbieders te overleggen. We horen frequent dat wordt gekozen voor afronding per 5 minuten, op kwartierniveau afronden is zeker ook een optie.
Spreek goed af hoe je de afronding met elkaar wilt doen. Indiceer niet op de minuut nauwkeurig, zoals ‘2 uur en 23 minuten’. Het normenkader is niet bedoeld om met zo’n precisie te kunnen indiceren en dit veroorzaakt verwarring bij cliënten.
Gemeenten die het normenkader gaan gebruiken, maken verschillende keuzen ten aanzien van het herindiceren van cliënten.
Veel gemeenten kiezen bij invoeren van het normenkader voor geleidelijk herindiceren, bij afloop van indicaties. Er zijn ook gemeenten die kiezen voor volledige herindicatie of gedeeltelijke herindicatie van met name de (heel) hoge indicaties. Herindicaties vergen optimale zorgvuldigheid, zeker als lopende indicaties vanwege nieuw beleid worden herzien.
Mogelijke reactie 2: ‘de gemeente hanteert nieuw beleid, met een actueel en algemeen geaccepteerd normenkader voor het indiceren van HO. Met dit normenkader indiceren wij ‘zinnig en zuinig’, in overeenstemming met hedendaagse normen en opvattingen over het huishouden en wat we als schoon en leefbaar aanmerken. We begrijpen dat het verlagen van uw indicatie vervelend is. Wij houden contact met u en met uw aanbieder om in de gaten te houden of het met deze nieuwe indicatie lukt om uw woning schoon en leefbaar te houden.’
Ook mogelijk en soms noodzakelijk: bij herindicaties van grote indicaties vooraf met de aanbieder (en de huishoudelijke hulp) afstemmen over wat nu echt nodig is bij deze cliënten. En wat de hulp dan nu allemaal doet in de 5-6-7 uur die zij heeft. En of dat allemaal wel de bedoeling is vanuit de Wmo en of dit in lijn is met het beleid en de inzichten bij de gemeente en de aanbieder. Een indicatie met veel uren is in voorkomende gevallen ook gewoon heel hard nodig, dus zorgvuldigheid is vereist.
Bijlage 2. Normenkader in uren per jaar
Bijlage 3. Normenkader: activiteiten en frequenties
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
|
|
|
|||
|
||||||
|
||||||
|
||||||
|
|
|||||
Tabel 1. Activiteiten benodigd voor een schoon en leefbaar huis.
Tabel 2. Frequenties benodigd voor een schoon en leefbaar huis (basisactiviteiten).
Tabel 3. Frequentie benodigd voor een schoon en leefbaar huis (incidentele activiteiten).
Tabel 4. Activiteiten en frequenties benodigd voor de wasverzorging
* In een tweepersoonshuishouden wordt uitgegaan van een frequentie van 5x per 2 weken voor de was, in een eenpersoonshuishouden is dat 2x per week.
Tabel 5. Activiteiten en frequenties benodigd voor de boodschappen
Tabel 6. Activiteiten en frequenties benodigd voor de maaltijden
* Of minder als de cliënt hierin een deel van de week zelf of met behulp van het netwerk kan voorzien.
|
Afstemming/sociaal contact (aankomst, vertrek, administratie, contact met cliënt) |
Tabel 7. Activiteiten voor verzorgen van minderjarige kinderen
Tabel 8. Activiteiten voor advies, instructie en voorlichting
Bijlage 11. Afwegingskaders met terugwerkende kracht
Afwegingskader Met Terugwerkende Kracht
Alleen voor Jeugd van toepassing. De medische verwijzer kan ook een medisch specialist zijn van een zorgaanbieder. De aanvraag wordt toegekend, ook met terugwerkende kracht als er sprake is van een verwijzing van de medische verwijzer of GI. De jeugdige en/of ouders hebben zich dan immers wel tijdig gemeld bij een bevoegde verwijzer.
Als ouder en/of zorgaanbieder schriftelijk bewijs kan leveren dat ze de zorg alvast mochten starten van het CMD (en dus niet van het PlusTeam of andere (zorg)organisatie), dan wordt de aanvraag volgens de reguliere wijze in behandeling genomen (en eventuele ingezette zorg voor datum aanvraag alsnog vergoed kan worden).
Het stappenplan is niet alleen een uitwerking van de contractuele definitie van het begrip intake maar betreft ook een uitwerking van verplichtingen zoals de wetgever die reeds heeft bepaald als het gaat om het doen van een zorgvuldig onderzoek. Denk bijvoorbeeld aan artikel 4.1.1 lid 1 (afstemmen van hulp op reële behoefte van de jeugdige of ouder) en artikel 4.1.2 (opmaak familiegroepsplan).
Ten tijde van opmaak protocol is de definitie vastgelegd in de derde nota van inlichtingen en dient tekstuele inbedding in contract nog plaats te vinden. Bij specialistische GGZ wordt de intake mogelijk pre-intake of screening genoemd. SGGZ-aanbieders mogen waar wordt gesproken over intake dit lezen als pre-intake of screening mits de inhoud van de screening voldoet aan de definitiebeschrijving.
Zie ook artikel 4.1.2 Jeugdwet. De wetgever heeft bepaald dat de jeugdhulpaanbieder een familiegroepsplan maakt. De letterlijke opmaak van een afzonderlijk familiegroepsplan achten de gemeenten niet nodig. De gemeente acht het wel van belang dat jeugdhulpaanbieders bij de beoordeling van de inzet van jeugdhulp de essentie van artikel 4.1.2 Jeugdwet bezien. Dit komt tot uitdrukking in d. onder 1 en 2.
Het empirisch onderzoek is uitgevoerd in Utrecht, Amsterdam, Haarlem, Hoorn, Emmen en nog een grote gemeente (naam wordt niet genoemd omdat deze gemeente niet formeel heeft gepubliceerd, de inhoud van het onderzoek mogen we wel gebruiken t.b.v. dit normenkader). Het rapport dat we voor Utrecht hebben opgesteld, is door de CRvB als ‘deugdelijk’ bestempeld. De onderzoeken in andere gemeenten zijn op overeenkomstige wijze uitgevoerd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-28153.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.