U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Besluit tot tweede omgevingsplanwijziging: Bouwwerken, erfgoed, voormalige (dubbel)bestemmingen, parkeren in het voorerf & energieopslagsystemen - ONTWERP

Het COLLEGE van BURGEMEESTER en WETHOUDERS van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht;

gezien het voorstel inzake de terinzagelegging van de tweede omgevingsplanwijziging: Bouwwerken, erfgoed, voormalige dubbelbestemmingen, parkeren in het voorerf & energieopslagsystemen; 

gelet op de artikelen 2.4, 4.1 en 4.2 van de Omgevingswet;

B E S L U I T :

Artikel I

Voor te stellen het omgevingsplan Hendrik-Ido-Ambacht te wijzigen zoals is weergegeven in bijlage A.

Artikel II

Voor te stellen het omgevingsplan Hendrik-Ido-Ambacht te wijzigen zoals is weergegeven in bijlage A.



Aldus besloten in de vergadering van d.d. 9 juni 2026



De secretaris,

P.P.J. Kalkman



De burgemeester,

P. van der Giessen

Bijlage A Omgevingsplan gemeente Hendrik-Ido-Ambacht

A

Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.1 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling gaan over de begripsbepalingen.

Dit hoofdstuk gaat over de algemene bepalingen.

B

Artikel 1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.2 Normaddressaat

Aan de regels van dit omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht of laat verrichten, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

C

Na artikel 1.4 worden vijf artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 1.5 Indieningsvereisten bij een melding of informatieplicht

Als er gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders worden die ondertekend en ten minste voorzien van:

  • a.

    een aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht of laat verrichten;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 1.6 Specifieke zorgplicht

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, met het oog waarop de regels in het betreffende hoofdstuk, afdeling of paragraaf zijn gesteld, is verplicht:

  • a.

    alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  • b.

    voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteiten achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Artikel 1.7 Specifieke zorgplicht voor het gebruik van bouwwerken

  • 1.

    De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.6, houdt voor het gebruik van een bouwwerk in ieder geval in dat:

    • a.

      alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of niet te laten voortduren; en

    • b.

      alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 2.

    Onder de overlast en hinder, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;

    • b.

      het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en

    • c.

      het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een nette staat bevindt.

  • 3.

    Aan de zorgplicht, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt voldaan door degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot dat gevaar kan leiden.

  • 4.

    Aan de zorgplicht, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt voldaan door degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk deze overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken.

  • 5.

    Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 1.8 Specifieke zorgplicht voor de staat en het gebruik van open erven en terreinen

  • 1.

    De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.6, houdt voor de staat en het gebruik van een open erf of terrein in ieder geval in dat:

    • a.

      alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of niet te laten voortduren; en

    • b.

      alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om overlast of hinder voor de omgeving te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 2.

    Onder de overlast of hinder, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;

    • b.

      het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en

    • c.

      het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een nette staat bevindt.

  • 3.

    Aan de zorgplicht, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt voldaan door:

    • a.

      de eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot dat gevaar kan leiden; en

    • b.

      degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot dat gevaar kan leiden.

  • 4.

    Aan de zorgplicht, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt voldaan door degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein deze overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken.

Artikel 1.9 Voorrangsbepalingen

D

Artikel 2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.2 Doelen

Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op:

  • a.

    een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;

  • b.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; 

  • c.

    het beschermen van de gezondheid; en 

  • d.

    het doelmatig benutten van de openbare ruimte. openbare ruimte

  • e.

    het waarborgen van de veiligheid; 

  • f.

    het behoud van cultureel erfgoed; 

  • g.

    de kwaliteit van bouwwerken; 

  • h.

    het gebruik van bouwwerken; 

  • i.

    het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;

  • j.

    het beschermen en beheren van infrastructuur;

  • k.

    het beschermen en beheren van watersystemen; en

  • l.

    het beschermen en beheren van natuurgebieden.

E

Artikel 5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

  • 1.

    De regels in dit hoofdstuk gaan over gebruiksactiviteiten.

  • 2.

    Met gebruiksactiviteiten worden niet activiteiten die worden verricht in de openbare ruimte bedoeld.

    De regels in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op een activiteit die in de openbare ruimte wordt verricht.

F

Na artikel 5.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.3 Verbod

  • 1.

    Het is verboden om een bijbehorend bouwwerk te gebruiken op een manier die niet functioneel ondergeschikt is aan het gebruik van het oorspronkelijke hoofdgebouw.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het gebruik van een bijbehorend bouwwerk, voor zover het gaat om:

    • a.

      huisvesting in verband met mantelzorg; 

    • b.

      het gebruik van een bijbehorend bouwwerk dat zich geheel op maximaal 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw bevindt; of

    • c.

      indien het bijbehorend bouwwerk bestaat uit een deel dat zich op minder, en een deel dat zich op meer dan 4 meter afstand van het oorspronkelijke hoofdgebouw bevindt: het gebruik van het deel van het bijbehorend bouwwerk dat zich op maximaal 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw bevindt, mits het bijbehorend bouwwerk is voorzien van een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing op het gebruik van een bijbehorend bouwwerk binnen de locatie 'Woonactiviteit - Woonwagen'.

G

Artikel 5.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.4 Toegestane gebruiksactiviteiten

  • 1.

    Het is uitsluitend toegestaan een gebruiksactiviteit te verrichten overeenkomstig de regels in hoofdstuk 5.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid, geldt dat tevens ook is toegestaan:

H

Artikel 5.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.6 Bijzondere aanvraagvereisten Aanvraagvereisten

  • 1.

    Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een plattegrond met daarop aangegeven de bruto-vloeroppervlakte van het huidige gebruik en de bruto-vloeroppervlakte van het aangevraagde gebruik in m2;

    • b.

      een motivering van de parkeerbehoefte; en

    • c.

      een motivering van de hinder voor de woonomgeving.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van het beoogde gebruik en het huidige gebruik van de gronden en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; 

    • b.

      een plattegrond van elk bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft voor de bestaande en de nieuwe situatie, met daarop per verdieping alle gegevens die nodig zijn voor de toetsing aan dit hoofdstuk; 

    • c.

      een situatietekening van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft voor de bestaande en de nieuwe toestand, met daarop alle gegevens die nodig zijn voor de toetsing aan dit hoofdstuk; 

    • d.

      een motivering van de gevolgen voor de parkeerbehoefte, waaruit blijkt dat bij het beoogde gebruik wordt voldaan aan de Beleidsregel Parkeren; 

    • e.

      een motivering van de gevolgen voor de woonomgeving, waaruit blijkt dat er door het beoogde gebruik geen onevenredige hinder ontstaat; en 

    • f.

      overige gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de toetsing aan dit hoofdstuk. 

  • 2.

    De beschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder a, bevat in ieder geval:

    • a.

      een indicatie van de duur en de frequentie van het beoogde gebruik, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een tijdelijke activiteit; en 

    • b.

      het aantal wooneenheden in de bestaande en nieuwe situatie, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een woonactiviteit als bedoeld in afdeling 5.12.

  • 3.

    De plattegronden, bedoeld in het eerste lid, onder b, bevatten in ieder geval:

    • a.

      een aanduiding van het huidige en het beoogde gebruik van alle ruimten; 

    • b.

      per ruimte een opgave van de bruto-vloeroppervlakte in m2; en 

    • c.

      per bouwwerk een opgave van de totale bruto-vloeroppervlakte in m2.

  • 4.

    De situatietekening, bedoeld in het eerste lid, onder c, bevat in ieder geval:

    • a.

      een aanduiding van het huidige en het beoogde gebruik van de gronden; 

    • b.

      gegevens waaruit blijkt op welke wijze het perceel ontsloten wordt; en 

    • c.

      de inrichting van parkeervoorzieningen op eigen terrein, voor zover deze aanwezig zijn, met per parkeervoorziening een opgave van de maatvoering en de afstand tot de perceelsgrenzen, de openbare ruimte en de bebouwing op het perceel.

I

Artikel 5.3 wordt geplaatst na artikel 5.6. Artikel 5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.3 5.7 Maatwerkvoorschriften Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag

Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift bepalen dat, als dit nodig is om te kunnen beoordelen of aan de regels in dit hoofdstuk kan worden voldaan, bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, in aanvulling op artikel 5.6, de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt:

Op verzoek van het bevoegd gezag worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een parkeeronderzoek; of

  • b.

    een onderzoek naar de hinder voor de woonomgeving.

J

Artikel 5.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.7 5.8 Beoordelingsregels

  • 1.

    Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.5,  kan alleen worden verleend als: wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

    • a.

      voldaan wordt aan de parkeernormering, zoals gesteld in de Beleidsregel Parkeren; en

    • b.

      de gebruiksactiviteit niet leidt tot een onevenredige toename van hinder voor de woonomgeving.

  • 2.

    Er is voldoende parkeergelegenheid om te voorzien in de parkeerbehoefte van de gebruiksactiviteit, zoals beoordeeld volgens de Beleidsregel Parkeren.

  • 3.

    De gebruiksactiviteit leidt niet tot een onevenredige toename van hinder voor de woonomgeving.

K

Artikel 5.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.8 Voorrangsbepaling

De regels over het gebruik van gronden en bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a tot en met c en g tot en met n van de Invoeringswet Omgevingswet, zijn niet van toepassing voor zover het gaat om gebruiksactiviteiten als bedoeld in:

  • a.

    afdeling 5.5 Detailhandelsactiviteiten;

  • b.

    afdeling 5.7 Horeca-activiteiten;

  • c.

    afdeling 5.9 Maatschappelijke activiteiten;

  • d.

    afdeling 5.10 Recreatie-activiteiten;

  • e.

    afdeling 5.11 Sportactiviteiten; en

  • f.

    afdeling 5.12 Woonactiviteiten.

[Vervallen]

L

Afdeling 5.5 wordt geplaatst na afdeling 5.1. Afdeling 5.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.5 5.2 Detailhandelsactiviteiten

Paragraaf 5.5.1 5.2.1 Algemene bepalingen detailhandelsactiviteiten

Artikel 5.9 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling gaan over de gebruiksactiviteitdetailhandelsactiviteitendetailhandel.

Paragraaf 5.5.2 5.2.2 Detailhandelsactiviteit - Basis

Artikel 5.10 Toepassingsbereik
Artikel 5.11 Locatietoedeling detailhandel basis

Binnen de locatie 'Detailhandelsactiviteit - Basis' is het verrichten van de gebruiksactiviteit detailhandel basis toegestaan.

Artikel 5.12 Omvang en situering

Binnen de locatie 'Detailhandelsactiviteiten alleen op de begane grond' wordt de gebruiksactiviteit detailhandel basis alleen op de begane grond verricht.

Paragraaf 5.5.3 5.2.3 Detailhandelsactiviteit - Volumineuze detailhandel

Artikel 5.13 Toepassingsbereik
Artikel 5.14 Locatietoedeling volumineuze detailhandel

Binnen de locatie 'Detailhandelsactiviteit - Volumineuze detailhandel' is het verrichten van de gebruiksactiviteit volumineuze detailhandel toegestaan.

Artikel 5.15 Omvang en situering

Paragraaf 5.5.4 5.2.4 Detailhandelsactiviteit - Tuincentrum

Artikel 5.16 Toepassingsbereik
Artikel 5.17 Locatietoedeling tuincentrum

Binnen de locatie 'Detailhandelsactiviteit - Tuincentrum' is het verrichten van de gebruiksactiviteit tuincentrum toegestaan.

Artikel 5.18 Omvang en situering

Binnen de locatie 'Detailhandelsactiviteit - Tuincentrum' vindt de verkoop van goederen uit het nevenassortiment alleen plaats als:

  • a.

    het nevenassortiment past bij het hoofdassortiment; en

  • b.

    het nevenassortiment maximaal 20% van de totale verkoopvloeroppervlakte beslaat, met een maximum van 500 m2.

Paragraaf 5.5.5 5.2.5 Detailhandelsactiviteit - Detailhandel in motorbrandstoffen

Artikel 5.19 Toepassingsbereik
Artikel 5.20 Locatietoedeling detailhandel in motorbrandstoffen

Binnen de locatie 'Detailhandelsactiviteit - Detailhandel in motorbrandstoffen' is het verrichten van de gebruiksactiviteit detailhandel in motorbrandstoffen toegestaan.

Artikel 5.21 Verbod

Het is verboden om binnen de locatie 'Detailhandelsactiviteit - Detailhandel in motorbrandstoffen' een gemakswinkel te exploiteren, tenzij wordt voldaan aan artikel 5.22, eerste, eerste tot en met het vijfde lid.

Artikel 5.22 Omvang en situering
  • 1.

    Binnen de locatie 'Detailhandelsactiviteit - Detailhandel in motorbrandstoffen' vindt het exploiteren van een gemakswinkel alleen plaats binnen de locatie 'Gemakswinkel'.

  • 2.

    Binnen de locatie 'Gemakswinkel' is het exploiteren van een gemakswinkel ondergeschikt aan de hoofdactiviteit.

  • 3.

    Binnen de locatie 'Gemakswinkel' vindt de verkoop van producten uit het nevenassortiment alleen plaats als het nevenassortiment past bij het hoofdassortiment.

  • 4.

    De totale verkoopvloeroppervlakte van een gemakswinkel bedraagt niet meer dan de norm 'maximum verkoopvloeroppervlakte van een gemakswinkel'.

  • 5.

    Indien er in de norm geen waarde is aangegeven, geldt in afwijking van het vierde lid dat de verkoop van goederen uit het nevenassortiment binnen de locatie 'Gemakswinkel' alleen plaatsvindt als het nevenassortiment niet meer dan 20% van de totale verkoopvloeroppervlakte beslaat, met een maximum van 500 m2.

  • 6.

    Binnen de locatie 'Detailhandelsactiviteit - Detailhandel in motorbrandstoffen' worden lichte horeca-activiteiten alleen in ondergeschikte vorm verricht.

  • 7.

    Binnen de locatie 'Mobilityhub' worden leisure- of sportactiviteiten alleen in ondergeschikte vorm verricht.

  • 8.

    Binnen de locatie 'Mobilityhub' worden activiteiten met betrekking tot kleinschalige automotive services, zoals bandenwissels en quickservices, alleen verricht als:

    • a.

      de kleinschalige automotive services ondergeschikt zijn aan de hoofdactiviteit; en

    • b.

      de kleinschalige automotive services in een apart gebouw zijn gevestigd.

  • 9.

    Binnen de locatie 'Mobilityhub' worden activiteiten met betrekking tot 'first en last mile'-oplossingen en distributie, waaronder pakket- en ophaalservices, alleen in ondergeschikte vorm verricht.

  • 10.

    Binnen de locatie 'Mobilityhub' worden bedrijfsgebonden kantooractiviteiten alleen in niet-zelfstandige en ondergeschikte vorm verricht.

  • 11.

    Binnen de locatie 'Mobilityhub' worden bedrijfsgebonden kantooractiviteiten alleen verricht in de vorm van (flex)werk- en vergaderplekken.

  • 12.

    Binnen de locatie 'Mobilityhub' bedraagt de vloeroppervlakte van (flex)werk- en vergaderplekken per kavel maximaal 50% van de totale vloeroppervlakte van het bedrijf, met een maximum van 600 m2 per bedrijf.

  • 13.

    Binnen de locatie 'Mobilityhub' bedraagt de totale gezamenlijke vloeroppervlakte van de ondergeschikte activiteiten, bedoeld in het het eerste tot en met het twaalfde lid, maximaal 2.300 m2.

  • 14.

    Binnen de locatie 'Mobilityhub' vindt het laden en lossen alleen op eigen terrein plaats.

  • 15.

    Binnen de locatie 'Mobilityhub' vindt het parkeren van eigen medewerkers en bezoekers alleen op eigen terrein grond plaats, met inachtneming van de Beleidsregel Parkeren.

M

Afdeling 5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.3 Bedrijfsactiviteiten

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.3.1 Algemene bepalingen bedrijfsactiviteiten

Artikel 5.23 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling gaan over bedrijfsactiviteiten.

Paragraaf 5.3.2 Bedrijfsactiviteit – Ligplaats voor de beroepsvaart

Artikel 5.24 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de gebruiksactiviteit ligplaats voor de beroepsvaart.

Artikel 5.25 Locatietoedeling ligplaats voor de beroepsvaart

Binnen de locatie ‘Bedrijfsactiviteit ligplaats voor de beroepsvaart' is het verrichten van de gebruiksactiviteit ligplaats voor de beroepsvaart toegestaan.

Artikel 5.26 Omvang en situering
  • 1.

    Met een beroepsvaartuig wordt alleen een ligplaats ingenomen aan een daarvoor ingerichte steiger, meerpaal of andere aanmeervoorziening.

  • 2.

    Binnen de locatie ‘Bootverbinding Sophiapolder' wordt alleen een ligplaats ingenomen ten behoeve van de bootverbinding naar de Sophiapolder.

N

Afdeling 5.2 wordt geplaatst na afdeling 5.3. Afdeling 5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2 5.4 Agrarische activiteiten

[Gereserveerd]

O

Afdeling 5.4 wordt geplaatst na afdeling 5.2. Afdeling 5.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.4 5.5 Culturele activiteiten

[Gereserveerd]

P

Paragraaf 5.7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.7.1 Algemene bepalingen horeca-activiteiten

Artikel 5.23 5.27 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaat over de gebruiksactiviteithoreca.

Deze afdeling gaat over horeca-activiteiten.

Artikel 5.28 Algemene regels

Q

Artikel 5.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.24 5.29 Toepassingsbereik

R

Het opschrift van artikel 5.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.25 5.30 Locatietoedeling lichte horeca

S

Artikel 5.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.26 5.31 Omvang en situering

T

Artikel 5.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.27 5.32 Toepassingsbereik

U

Het opschrift van artikel 5.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.28 5.33 Locatietoedeling middelzware horeca

V

Artikel 5.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.29 Omvang en situering

[Vervallen]

W

Artikel 5.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.30 5.34 Toepassingsbereik

X

Het opschrift van artikel 5.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.31 5.35 Locatietoedeling 24-uurshoreca

Y

Paragraaf 5.7.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.7.5 Horeca-activiteit - Hotel en pension Hotelsector

Artikel 5.32 5.36 Toepassingsbereik

Artikel 5.33 5.37 Locatietoedeling hotel en pensionhotelsector

Binnen de locatie 'Horeca-activiteit - Hotel en pensionHotelsector' is het verrichten van de gebruiksactiviteit hotel en pension hotelsector toegestaan.

Z

Paragraaf 5.9.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.9.1 Algemene bepalingen maatschappelijke activiteiten

Artikel 5.34 5.38 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling gaan over de gebruiksactiviteitmaatschappelijk.

Deze afdeling gaat over maatschappelijke activiteiten.

Artikel 5.39 Algemene regels

Binnen de locatie ‘Maatschappelijke activiteiten alleen op de begane grond’ worden maatschappelijke activiteiten alleen op de begane grond verricht.

AA

Paragraaf 5.9.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.9.2 Maatschappelijke activiteit - Basis

Artikel 5.35 5.40 Toepassingsbereik

Artikel 5.36 5.41 Locatietoedeling maatschappelijk basis

Binnen de locatie 'Maatschappelijke activiteit - Basis' is het verrichten van de gebruiksactiviteitmaatschappelijk maatschappelijk basis toegestaan.

Artikel 5.37 5.42 Omvang en situering

  • 1.

    Binnen de locatie 'Maatschappelijke activiteiten alleen op de begane grond' wordt de gebruiksactiviteitmaatschappelijk basis alleen op de begane grond verricht.

  • 2 1.

    Binnen de locatie 'Kerkgebouw van Zuidwende-Zuid' worden alleen levensbeschouwelijke en/of religieuze activiteiten verricht.

  • 3 2.

    Binnen de locatie 'Voorziening hulpdiensten' wordt alleen een voorziening ten behoeve van de Veiligheidsregio gerealiseerd met een maximum vloeroppervlakte van 100 m2, met daarin een stallingsruimte, werk- en opslagruimte en verblijfsruimte.

  • 3.

    Binnen de locatie 'Sophiapark' wordt alleen een maatschappelijke voorziening voor educatieve, sociale of culturele doeleinden gerealiseerd, zoals een wintertuin, vlindertuin, oranjerie of een natuureducatief centrum.

  • 4.

    Binnen de locatie ‘Sophiapark' bedraagt de gezamenlijke vloeroppervlakte van maatschappelijke activiteiten en horeca-activiteiten maximaal 2.500 m2.

  • 5.

    Binnen de locatie ‘Sophiapark' bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van expositieruimten/galeries maximaal 250 m2.

  • 6.

    Binnen de locatie ‘Sophiapark' bedraagt de oppervlakte van een oranjerie maximaal 250 m2.

  • 7.

    Binnen de locatie ‘Sophiapark' bedraagt de oppervlakte van een muziekkiosk maximaal 100 m2.

BB

Paragraaf 5.9.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.9.3 Maatschappelijke activiteit - Kinderopvang

Artikel 5.38 5.43 Toepassingsbereik

Artikel 5.39 5.44 Locatietoedeling kinderopvang

Binnen de locatie 'Maatschappelijke activiteit - Kinderopvang' is het verrichten van de gebruiksactiviteit kinderopvang toegestaan.

Artikel 5.40 5.45 Omvang en situering

CC

Artikel 5.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.41 5.46 Toepassingsbereik

DD

Het opschrift van artikel 5.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.42 5.47 Locatietoedeling begraafplaats en uitvaartcentrum

EE

Het opschrift van artikel 5.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.43 5.48 Specifieke zorgplicht

FF

Artikel 5.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.44 5.49 Toepassingsbereik

GG

Het opschrift van artikel 5.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.45 5.50 Locatietoedeling brandweerkazerne

HH

Artikel 5.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.46 5.51 Toepassingsbereik

Deze regels in deze afdeling gaan over de gebruiksactiviteitrecreatie.

Deze afdeling gaat over recreatie-activiteiten.

II

Paragraaf 5.10.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.10.2 Recreatie-activiteit - Volkstuin

Artikel 5.47 5.52 Toepassingsbereik

Artikel 5.48 5.53 Locatietoedeling volkstuin

Binnen de locatie 'Recreatie-activiteit - Volkstuin' is het verrichten van de gebruiksactiviteit volkstuin toegestaan.

JJ

Paragraaf 5.10.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.10.3 Recreatie-activiteit - Zwembad

Artikel 5.49 5.54 Toepassingsbereik

Artikel 5.50 5.55 Locatietoedeling zwembad

Binnen de locatie 'Recreatie-activiteit - Zwembad' is het verrichten van de gebruiksactiviteit zwembad toegestaan.

KK

Artikel 5.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.51 5.56 Toepassingsbereik

LL

Artikel 5.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.52 5.57 Locatietoedeling ligplaats voor pleziervaart

Binnen de locatie 'Recreatie-activiteit - Ligplaats voor pleziervaart' is het verrichten van de gebruiksactiviteit ligplaats voor pleziervaart toegestaan.

MM

Na artikel 5.52 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.58 Verbod

Het is verboden om een ligplaats in te nemen om in een vaartuig te overnachten.

NN

Het opschrift van artikel 5.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.53 5.59 Omvang en situering

OO

Na paragraaf 5.10.4 worden twee paragrafen ingevoegd, luidende:

Paragraaf 5.10.5 Recreatie-activiteit – Kinderboerderij

Artikel 5.60 Toepassingsbereik

Artikel 5.61 Locatietoedeling kinderboerderij

Binnen de locatie 'Recreatie-activiteit - Kinderboerderij' is het verrichten van de gebruiksactiviteit kinderboerderij toegestaan.

Artikel 5.62 Omvang en situering

Als onderdeel van de gebruiksactiviteit kinderboerderij mag ook een speeltuin worden geëxploiteerd.

Paragraaf 5.10.6 Recreatie-activiteit – Dierenweide

Artikel 5.63 Toepassingsbereik

Artikel 5.64 Locatietoedeling dierenweide

Binnen de locatie 'Recreatie-activiteit - Dierenweide' is het verrichten van de gebruiksactiviteit dierenweide toegestaan.

PP

Paragraaf 5.11.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.11.1 Algemene bepalingen sportactiviteiten

Artikel 5.54 5.65 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling gaan over de gebruiksactiviteitsport.

Deze afdeling gaat over sportactiviteiten.

Artikel 5.66 Algemene regels

Binnen de locatie ‘Sportactiviteiten alleen op de begane grond' vinden sportactiviteiten alleen op de begane grond plaats.

QQ

Paragraaf 5.11.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.11.2 Sportactiviteit - Basis

Artikel 5.55 5.67 Toepassingsbereik

De regels in deze Deze paragraaf gaangaat over de gebruiksactiviteitsport sport basis.

Artikel 5.56 5.68 Locatietoedeling sport basis

Binnen de locatie 'Sportactiviteit - Basis' is het verrichten van de gebruiksactiviteitsport sport basis toegestaan.

Artikel 5.57 5.69 Omvang en situering

Binnen de locatie 'Sportactiviteiten alleen op de begane grond' wordt gebruiksactiviteitsport basis alleen op de begane grond verricht.

Binnen de locatie ‘Sophiapark' bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van de sporthal met sportieve en aanverwante recreatieve activiteiten maximaal 3.000 m2.

RR

Paragraaf 5.12.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.12.1 Algemene bepalingen woonactiviteiten

Artikel 5.58 5.70 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling gaan over de gebruiksactiviteit wonen.

Deze afdeling gaat over woonactiviteiten.

Artikel 5.59 5.71 Verbod

  • 1.

    Het is verboden om binnen het ambtsgebied, als onderdeel van een woonactiviteit, een woonschip of ander drijvend werk te hebben of af te meren.

  • 2.

    Het is verboden om binnen het ambtsgebied, als onderdeel van een woonactiviteit, het gebouwerf van een woning te gebruiken voor het parkeren van een motorvoertuig.

  • 2.

    Het is verboden om een woning toe te voegen.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing op een woning die nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan is toegestaan.

Artikel 5.72 Omvang en situering

SS

Artikel 5.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.60 5.73 Toepassingsbereik

TT

Het opschrift van artikel 5.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.61 5.74 Locatietoedeling wonen basis

UU

Artikel 5.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.62 Verbod

Het is verboden om binnen de locatie 'Woonactiviteit - Basis' een woning toe te voegen, tenzij wordt voldaan aan artikel 5.63, eerste en tweede lid.

[Vervallen]

VV

Artikel 5.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.63 5.75 Omvang en situering

WW

Paragraaf 5.12.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.12.3 Woonactiviteit - Bedrijfswoning

Artikel 5.64 5.76 Toepassingsbereik

Artikel 5.65 5.77 Locatietoedeling bedrijfswoning

Binnen de locatie 'Woonactiviteit - Bedrijfswoning' is het verrichten van de gebruiksactiviteit bedrijfswoning toegestaan.

Artikel 5.66 Verbod

Het is verboden om binnen de locatie 'Woonactiviteit - Bedrijfswoning' een bedrijfswoning toe te voegen, tenzij wordt voldaan aan artikel 5.67, eerste en tweede lid.

Artikel 5.67 5.78 Omvang en situering

XX

Paragraaf 5.12.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.12.4 Woonactiviteit - Plattelandswoning

Artikel 5.68 5.79 Toepassingsbereik

Artikel 5.69 5.80 Locatietoedeling plattelandswoning

Binnen de locatie 'Woonactiviteit - Plattelandswoning' is de gebruiksactiviteit plattelandswoning toegestaan.

Artikel 5.70 Verbod

Het is verboden om binnen de locatie 'Woonactiviteit - Plattelandswoning' een plattelandswoning toe te voegen.

Artikel 5.71 5.81 Omvang en situering

YY

Paragraaf 5.12.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.12.5 Woonactiviteit - Woonwagen

Artikel 5.72 5.82 Toepassingsbereik

Artikel 5.73 5.83 Locatietoedeling woonwagen

Binnen de locatie 'Woonactiviteit - Woonwagen' is het verrichten van de gebruiksactiviteit woonwagen toegestaan.

Artikel 5.74 Verbod

Het is verboden om binnen de locatie 'Woonactiviteit - Woonwagen' een woonwagen toe te voegen, tenzij wordt voldaan aan artikel 5.75, eerste en tweede lid.

Artikel 5.75 5.84 Omvang en situering

ZZ

Paragraaf 5.12.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.12.6 Woonactiviteit - Zorgwoning

Artikel 5.76 5.85 Toepassingsbereik

Artikel 5.77 5.86 Locatietoedeling zorgwoning

Binnen de locatie ‘Woonactiviteit - Zorgwoning' is het verrichten van de gebruiksactiviteit zorgwoning toegestaan.

Artikel 5.78 Verbod

Het is verboden om binnen de locatie 'Woonactiviteit - Zorgwoning' een zorgwoning toe te voegen.

Artikel 5.79 5.87 Omvang en situering

AAA

Artikel 5.80 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.80 5.88 Toepassingsbereik

BBB

Het opschrift van artikel 5.81 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.81 5.89 Locatietoedeling mantelzorgwoning

CCC

Na artikel 5.81 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.90 Omvang en situering

Het aantal personen dat in een mantelzorgwoning woont bedraagt maximaal één per 12 m2 gebruiksoppervlakte.

DDD

Paragraaf 5.12.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.12.8 Woonactiviteit - Beroep of bedrijf aan huis

Artikel 5.82 5.91 Toepassingsbereik

Artikel 5.83 5.92 Locatietoedeling beroep of bedrijf aan huis

Binnen de locatie 'Woonactiviteit - Beroep of bedrijf aan huis' is het verrichten van de gebruiksactiviteit beroep of bedrijf aan huis toegestaan.

Artikel 5.84 5.93 Omvang en situering

Artikel 5.85 5.94 Verbod

Het is verboden binnen de locatie 'Woonactiviteit - Beroep of bedrijf aan huis', als onderdeel van de gebruiksactiviteit beroep of bedrijf aan huis, de volgende activiteiten te verrichten:

  • a.

    horeca-activiteiten;

  • b.

    activiteiten met betrekking tot het onderhouden en repareren van motorvoertuigen; of

  • c.

    activiteiten met betrekking tot het tegen betaling verrichten van seksuele handelingen.

Artikel 5.86 5.95 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen

Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, binnen de locatie 'Woonactiviteit - Beroep of bedrijf aan huis' een gebruiksactiviteit beroep of bedrijf aan huis te starten of wijzigen als:

Artikel 5.87 5.96 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

In aanvulling op artikel 5.5  Het is het verboden, zonder omgevingsvergunning, binnen de locatie 'Woonactiviteit - Beroep of bedrijf aan huis' een gebruiksactiviteit beroep of bedrijf aan huis te starten of wijzigen als:

  • a.

    het beroep of bedrijf aan huis wordt uitgeoefend in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk; of

  • b.

    het aantal werknemers meer dan 1 bedraagt.

Artikel 5.88 5.97 Beoordelingsregels

  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 en artikel 5.96 wordt verleend binnen de locatie ‘Woonactiviteit - Beroep of bedrijf aan huis' als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.5 en artikel 5.87, wordt verleend binnen de locatie 'Woonactiviteit - Beroep of bedrijf aan huis' als:

    • a.

      de toename van de parkeerbehoefte voldoende kan worden opgevangen door het bestaande aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte of het benodigde aantal extra parkeerplaatsen in de openbare ruimte tussen 09:00 en 17:00 maximaal 1 bedraagt;

    • b.

      de uitoefening van het beroep of bedrijf aan huis niet leidt tot een onevenredige toename van hinder voor de woonomgeving;

    • c.

      de uitstraling van de woning in overwegende mate wordt gehandhaafd; en

    • d.

      de uitoefening van het beroep of bedrijf aan huis vanuit planologisch oogpunt acceptabel is.

    De toename van de parkeerbehoefte kan voldoende worden opgevangen door het bestaande aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte of het benodigde aantal extra parkeerplaatsen in de openbare ruimte bedraagt tussen 09:00 en 17:00 maximaal 1.

  • 3.

    De uitoefening van het beroep of bedrijf aan huis leidt niet tot een onevenredige toename van hinder voor de woonomgeving.

  • 4.

    De uitstraling van de woning wordt in overwegende mate gehandhaafd.

  • 5.

    De uitoefening van het beroep of bedrijf aan huis is vanuit planologisch oogpunt acceptabel.

EEE

Paragraaf 5.12.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.12.9 Woonactiviteit - Bed en  and breakfast

Artikel 5.89 5.98 Toepassingsbereik

Artikel 5.90 5.99 Locatietoedeling bed enand breakfast

Binnen de locatie 'Woonactiviteit - Bed enand Breakfast' is het verrichten van de gebruiksactiviteit bed en and breakfast toegestaan.

Artikel 5.93 5.100 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

In afwijking van artikel 5.5 is het verboden zonder omgevingsvergunning binnen de locatie 'Woonactiviteit - Bed enand Breakfast' een gebruiksactiviteit bed en and breakfast te starten of te wijzigen.

Artikel 5.92 Omvang en situering

Binnen de locatie 'Woonactiviteit - Bed en Breakfast' wordt de gebruiksactiviteitbed en breakfast alleen verricht als:

  • a.

    de bed en breakfast wordt uitgeoefend in of bij een woning;

  • b.

    de bed en breakfast wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning;

  • c.

    het aantal vrijstaande bijbehorende bouwwerken dat wordt gebruikt voor de uitoefening van de bed en breakfast maximaal 1 bedraagt;

  • d.

    de vloeroppervlakte die wordt gebruikt voor de uitoefening van de bed en breakfast niet meer dan 50% van de totale vloeroppervlakte van de woning bedraagt, inclusief bijbehorende bouwwerken; en

  • e.

    het aantal nachtverblijven dat wordt geëxploiteerd als onderdeel van de bed en breakfast maximaal 4 bedraagt, met dien verstande dat:

    • 1°.

      het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein minimaal 1 per nachtverblijf bedraagt;

    • 2°.

      een nachtverblijf niet mag functioneren als zelfstandige woning; en

    • 3°.

      de vloeroppervlakte maximaal 30 m2 per nachtverblijf bedraagt.

Artikel 5.94 5.101 Bijzondere aanvraagvereisten Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.100 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een plattegrond met daarop aangegeven de bruto-vloeroppervlakte van het huidige gebruik en de bruto-vloeroppervlakte van het aangevraagde gebruik in m2;

  • b.

    een motivering van de parkeerbehoefte; en

  • c.

    een motivering van de hinder voor de woonomgeving.

Artikel 5.91 5.102 Maatwerkvoorschriften Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag

Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift bepalen dat, als dit nodig is om te kunnen beoordelen of aan de regels in dit hoofdstuk kan worden voldaan, bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, in aanvulling op artikel 5.94, de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt:

Op verzoek van het bevoegd gezag worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.100 ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    een parkeeronderzoek; en

  • b.

    een onderzoek naar de hinder voor de woonomgeving.

Artikel 5.95 5.103 Beoordelingsregels

  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.100 wordt verleend binnen de locatie ‘Woonactiviteit - Bed and Breakfast' als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De bed and breakfast wordt uitgeoefend in of bij een woning.

  • 3.

    De bed and breakfast wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning.

  • 4.

    Het aantal vrijstaande bijbehorende bouwwerken dat wordt gebruikt voor de bed and breakfast bedraagt maximaal 1.

  • 5.

    De gezamenlijke vloeroppervlakte van de bed and breakfast bedraagt maximaal 50% van de totale vloeroppervlakte van de woning, inclusief bijbehorend bouwwerken.

  • 6.

    Het aantal nachtverblijven dat wordt geëxploiteerd als onderdeel van de bed and breakfast bedraagt maximaal 4, met dien verstande dat:

    • a.

      het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein minimaal 1 per nachtverblijf bedraagt;

    • b.

      een nachtverblijf niet mag functioneren als een zelfstandige woning; en

    • c.

      de vloeroppervlakte maximaal 30 m2 per nachtverblijf bedraagt.

  • 7.

    De uitoefening van de bed and breakfast leidt niet tot een onevenredige toename van hinder voor de woonomgeving of voor nabijgelegen percelen.

  • 8.

    De uitstraling van de woning wordt voldoende behouden.

  • 9.

    De landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden van het complex worden niet aangetast.

  • 10.

    Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.93, wordt verleend binnen de locatie 'Woonactiviteit - Bed en Breakfast' als:

    • a.

      de uitoefening van de bed en breakfast niet leidt tot een onevenredige toename van hinder voor de woonomgeving of voor nabijgelegen percelen;

    • b.

      de uitstraling van de woning voldoende wordt behouden;

    • c.

      de landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden van het complex niet worden aangetast; en

    • d.

      de uitoefening van de bed en breakfast niet leidt tot een onevenredige toename van de parkeerbehoefte in de openbare ruimte of de toename van de parkeerbehoefte volledig op eigen terrein kan worden opgelost.

    De uitoefening van de bed and breakfast leidt niet tot een onevenredige toename van de parkeerbehoefte in de openbare ruimte of de toename van de parkeerbehoefte kan volledig op eigen terrein worden opgelost.

FFF

Afdeling 6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.1 Algemene bepalingen bouwwerken

Artikel 6.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk gaat over het verrichten van omgevingsplanactiviteiten, bestaande uit:

  • a.

    het slopen van een bouwactiviteitbouwwerk;

  • b.

    het in stand houden van een bouwwerk; en en

  • c.

    het slopenbouwen van een bouwwerk.

Artikel 6.2 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen Oogmerken

Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, binnen de locatie 'Begraafplaats' een grafkelder te bouwen. 

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het waarborgen van veiligheid;

  • b.

    het beschermen van de bruikbaarheid van een bouwwerk;

  • c.

    het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;

  • d.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;

  • e.

    het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken;

  • f.

    het beschermen en verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;

  • g.

    het kunnen benutten van de openbare ruimte; en

  • h.

    het beschermen en versterken van nutsvoorzieningen.

GGG

Na afdeling 6.1 worden drie afdelingen ingevoegd, luidende:

Afdeling 6.2 Bouwwerk slopen

[Gereserveerd]

Afdeling 6.3 Bouwwerk in stand houden

Artikel 6.3 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het in stand houden van een bouwwerk.

Artikel 6.4 Normaddressaat

Aan deze afdeling wordt voldaan door de eigenaar van het terrein of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van maatregelen aan een bouwwerk.

Artikel 6.5 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het waarborgen van veiligheid;

  • b.

    het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken;

  • c.

    het beschermen van de ruimtelijke kwaliteit; en

  • d.

    het beschermen van de bruikbaarheid van een bouwwerk.

Artikel 6.6 Specifieke zorgplicht

  • 1.

    De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.6, houdt voor het in stand houden van een bouwwerk in ieder geval in dat alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 2.

    Onder de overlast en hinder, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval verstaan het nalaten van het normale onderhoud, waardoor het bouwwerk zich niet in een nette staat bevindt.

  • 3.

    Aan de zorgplicht, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan door degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk kan leiden tot deze overlast of hinder.

Artikel 6.7 Repressief excessief toezicht op de ruimtelijke kwaliteit

Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met de ruimtelijke kwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de wet:

  • a.

    een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en

  • b.

    een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

Artikel 6.8 Verbod

  • 1.

    Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning of in afwijking van de verleende omgevingsvergunning in stand te houden.

  • 2.

    Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan in stand te houden als niet aan de voorschriften in de verleende omgevingsvergunning is voldaan.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als voor het bouwen van het desbetreffende bouwwerk geen omgevingsvergunning is vereist, zoals bepaald in dit omgevingsplan of het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 6.9 Beeldkwaliteit en bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerken

  • 1.

    Binnen de locatie ‘Beeldkwaliteitsplannen’ moet worden voldaan aan de eisen over de stedenbouwkundige kwaliteiten bij de groene inrichting van bouwwerken en de inrichting en het uiterlijk van percelen als bedoeld in de Beleidsregel Beeldkwaliteitsplannen.

  • 2.

    Een bouwwerk wordt niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met de bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is. 

Artikel 6.10 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over het uiterlijk van een bouwwerk als er sprake is van een overtreding van het bepaalde in artikel 6.7.

  • 2.

    Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over artikel 6.6 als dat nodig is met oog op de belangen, bedoeld in artikel 6.5.

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over artikel 6.9, waarmee kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 6.9.

  • 4.

    Het maatwerkvoorschrift, bedoeld in het eerste lid, kan de verplichting inhouden om een bouwwerk op onderdelen aan te passen, als dit volgens het oordeel van het bevoegd gezag nodig is om de ernstige strijd met de ruimtelijke kwaliteit op te heffen.

  • 5.

    Het bevoegd gezag kan in het maatwerkbesluit een termijn opnemen waarin uitvoering moet zijn gegeven aan het bepaalde in het maatwerkvoorschrift.

Afdeling 6.4 Bouwwerk bouwen

Paragraaf 6.4.1 Algemene bepalingen bouwwerk bouwen

Artikel 6.11 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het bouwen van een bouwwerk.

Artikel 6.12 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;

  • b.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;

  • c.

    het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken;

  • d.

    het beschermen en verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;

  • e.

    het beschermen van de gezondheid; 

  • f.

    het beschermen en verbeteren van openbare nutsvoorzieningen;

  • g.

    het bevorderen van duurzame ontwikkelingen; en

  • h.

    het doelmatig beheren en benutten van de openbare ruimte.

Artikel 6.13 Wijze van meten
  • 1.

    Voor de toepassing van deze afdeling wordt bij het meten van de waarden die daarin zijn uitgedrukt voldaan aan de volgende leden van dit artikel, tenzij anders bepaald.

  • 2.

    De hoogten worden op de volgende wijze gemeten:

    • a.

      de bouwhoogte van een bouwwerk: buitenwerks en loodrecht, vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk, waarbij ondergeschikte bouwdelen zoals schoorstenen, liftopbouwen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen, in afwijking van het tiende lid, buiten beschouwing blijven;

    • b.

      de goothoogte van een bouwwerk: buitenwerks en loodrecht, vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

    • c.

      de hoogte van de eerste bouwlaag: loodrecht, vanaf de vloer tot aan 0,30 meter boven de vloer van de bovenliggende bouwlaag of de bovenliggende dakconstructie; en

    • d.

      de vrije hoogte onder een overbouwing: buitenwerks en loodrecht, vanaf het peil tot aan de onderkant van de bovenliggende bebouwing waar deze afstand het kleinst is.

  • 3.

    De afstanden worden op de volgende wijze gemeten:

    • a.

      de afstand van een bouwwerk tot de perceelsgrens: buitenwerks en loodrecht, vanaf het punt van een bouwwerk tot de perceelsgrens waar deze afstand het kleinst is; en

    • b.

      de afstand tussen bouwwerken onderling: buitenwerks en loodrecht, vanaf het punt van een bouwwerk tot een ander bouwwerk waar deze afstand het kleinst is.

  • 4.

    De breedte van een bouwwerk wordt op de volgende wijze gemeten: tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.

  • 5.

    De lengte van een bouwwerk wordt op de volgende wijze gemeten: tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.

  • 6.

    De diepte van een bouwwerk wordt op de volgende wijze gemeten: tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.

  • 7.

    De oppervlakte van een bouwwerk wordt op de volgende wijze gemeten: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

  • 8.

    De inhoud van een bouwwerk wordt op de volgende wijze gemeten: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

  • 9.

    De dakhelling wordt op de volgende wijze gemeten: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

  • 10.

    Bij het meten van buitenwerkse maten blijven ondergeschikte bouwdelen tot 0,5 meter buiten beschouwing.

  • 11.

    Bij de toepassing van het tweede lid wordt gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven.

  • 12.

    Als een bouwwerk zich op een erf- of perceelsgrens bevindt, wordt gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein, bedoeld in het elfde lid, het hoogst is.

Artikel 6.14 Verbod

Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten buiten een locatie die daarvoor is aangeduid in afdeling 6.4 van het omgevingsplan.

Artikel 6.15 Uitzetten of goedkeuren rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeilen

Een bouwactiviteit, waar een omgevingsvergunning voor is verleend, wordt niet verricht tot, voor zover van toepassing:

  • a.

    de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet of goedgekeurd door het bevoegd gezag; en

  • b.

    het straatpeil is uitgezet of goedgekeurd door het bevoegd gezag.

Artikel 6.16 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 6.17 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen
  • 1.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een bouwwerk te veranderen als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De bebouwde oppervlakte wordt niet uitgebreid.

  • 3.

    Het bouwvolume wordt niet uitgebreid.

  • 4.

    De activiteit heeft geen betrekking op een bouwwerk, als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

  • 5.

    De activiteit wordt niet verricht in, aan of op een (voorbeschermd) gemeentelijk monument, een (voorbeschermd) provinciaal monument of een (voorbeschermd) rijksmonument.

Artikel 6.18 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in afdeling 6.4 worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een opgave van de bouwkosten;

  • b.

    het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • c.

    een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • d.

    een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

    • 1.

      de afmetingen van het perceel en de bebouwde oppervlakte;

    • 2.

      de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

    • 3.

      de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;

    • 4.

      de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en

    • 5.

      het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;

  • e.

    de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen;

  • f.

    de inrichting van parkeervoorzieningen op eigen terrein;  

  • g.

    voor de toetsing aan de ruimtelijke kwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de wet, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • 1.

      tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van de belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;

    • 2.

      principedetails van de gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;

    • 3.

      kleurenfoto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en

    • 4.

      een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; en

  • h.

    overige gegevens en bescheiden, indien dit rechtstreeks voortvloeit uit deze afdeling en dit noodzakelijk is voor de beoordeling van de aanvraag of de toetsing van de overige regels in deze afdeling.

Artikel 6.19 Beoordelingsregels
  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in afdeling 6.4 wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel en de aanvullende beoordelingsregels die voor de desbetreffende bouwactiviteit in de volgende paragrafen zijn opgenomen.

  • 2.

    Het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk draagt, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bij aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de wet.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag gemotiveerd beslist dat de omgevingsvergunning, in afwijking van het tweede lid, toch moet worden verleend.

  • 4.

    Het tweede lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk, voor zover het geen seizoensgebonden bouwwerk betreft.

  • 5.

    Binnen de locatie ‘Beeldkwaliteitsplannen’ wordt bij het bouwen van een bouwwerk voldaan aan de stedenbouwkundige eisen voor de groene inrichting van bouwwerken en de inrichting en het uiterlijk van percelen, beoordeeld volgens de Beleidsregel Beeldkwaliteitsplannen.

  • 6.

    Binnen de locatie 'Overbouwing' moet een vrije hoogte onder de bebouwing in stand worden gehouden die niet minder bedraagt dan de norm 'minimum vrije hoogte onder een overbouwing'.

  • 7.

    Het bebouwingspercentage van het gebouwerf bedraagt niet meer dan de norm ‘maximum bebouwingspercentage van het gebouwerf’.

  • 8.

    Als het gaat om een patiowoning binnen de locatie 'Patiowoningen' bedraagt het bebouwingspercentage, in afwijking van het zevende lid, maximaal 60% van het gebouwerf.

  • 9.

    Het zevende en achtste lid zijn niet van toepassing op het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde als bedoeld in paragraaf 6.4.8.

  • 10.

    De locatie ‘Bouwvlak’ mag, in afwijking van het bepaalde in de volgende paragrafen, worden overschreden door tot gebouwen behorende ondergeschikte bouwdelen.

  • 11.

    De overschrijding, bedoeld in het tiende lid, bedraagt maximaal 2,5 meter voor tot een gebouw behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda’s en afdaken.

  • 12.

    De overschrijding, bedoeld in het tiende lid, bedraagt maximaal 1,5 meter voor andere tot het gebouw behorende ondergeschikte bouwdelen.

Paragraaf 6.4.2 Gebouw bouwen

Subparagraaf 6.4.2.1 Algemene bepalingen gebouw bouwen
Artikel 6.20 Toepassingsbereik
Artikel 6.21 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in deze paragraaf worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    als het gaat om het bouwen van een extra bouwlaag als bedoeld in artikel 6.28: een motivering van de gevolgen op de bezonning van omliggende percelen, waaruit blijkt dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan deze bezonning; en

  • b.

    als het gaat om het bouwen van een kas als bedoeld in artikel 6.36: een motivering van de gevolgen op de bezonning van omliggende percelen, waaruit blijkt dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan deze bezonning.

Artikel 6.22 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag

Op verzoek van het bevoegd gezag wordt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning een onderzoek naar de bezonning van omliggende percelen verstrekt, waaruit blijkt dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan deze bezonning.

Subparagraaf 6.4.2.2 Gebouw bouwen
Artikel 6.23 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een gebouw.

  • 2.

    De regels in deze subparagraaf zijn niet van toepassing op het bouwen van een kas als bedoeld in subparagraaf 6.4.2.3.

Artikel 6.24 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw te bouwen binnen de locaties ‘Gebouwen in het bouwvlak' en 'Gebouwen op alternatieve locaties'.

Artikel 6.25 Aanvraagvereisten
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.24 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      plattegronden van alle verdiepingen voor de bestaande en nieuwe situatie; en

    • b.

      een doorsnedetekening voor de bestaande en nieuwe situatie, met daarop alle gegevens die nodig zijn voor de toetsing aan deze subparagraaf.

  • 2.

    De situatietekening, bedoeld in artikel 6.18, bevat in ieder geval alle gegevens die nodig zijn voor de toetsing aan deze subparagraaf.

Artikel 6.26 Beoordelingsregels gebouwen in het bouwvlak
Artikel 6.27 Afwijkende beoordelingsregels extra bouwlaag
  • 1.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 6.26, wordt ook verleend voor het bouwen van een extra bouwlaag binnen de locatie ‘Woonactiviteit - Basis’ als, in afwijking van artikel 6.26, vijfde tot en met het achtste lid, wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De extra bouwlaag wordt toegevoegd op het oorspronkelijke hoofdgebouw.

  • 3.

    Het oorspronkelijke hoofdgebouw heeft een plat dak.

  • 4.

    De extra bouwlaag wordt afgewerkt met een plat dak.

  • 5.

    De bouwhoogte van de extra bouwlaag bedraagt maximaal 3,5 meter.

  • 6.

    De bouwhoogte van de woning bedraagt na het toevoegen van de extra bouwlaag maximaal 11 meter.

  • 7.

    Per woning wordt er maximaal 1 bouwlaag toegevoegd.

  • 8.

    De oppervlakte van de extra bouwlaag bedraagt maximaal de oppervlakte van de bovenste bouwlaag van het oorspronkelijke hoofdgebouw.

  • 9.

    De extra bouwlaag doet geen onevenredige afbreuk aan de bezonning van omliggende percelen.

  • 10.

    De extra bouwlaag is vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar.

Artikel 6.28 Beoordelingsregels gebouwen op alternatieve locaties
  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.24 wordt verleend voor het bouwen van een gebouw binnen de locatie ‘Gebouwen op alternatieve locaties' als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De bouwhoogte van het gebouw bedraagt niet meer dan de norm 'maximum bouwhoogte gebouw op een alternatieve locatie'.

  • 3.

    De bouwhoogte van een schachtgebouw bedraagt niet meer dan de norm 'maximum bouwhoogte schachtgebouw'.

  • 4.

    Binnen de locatie 'Sophiapark' bedraagt de bouwhoogte van een gebouw voor educatieve, sociale en culturele doeleinden, zoals een wintertuin, vlindertuin en oranjerie, maximaal 7 meter.

  • 5.

    Binnen de locatie ‘Sophiapark’ bedraagt de bouwhoogte van een gebouw voor onderhoud en beheer maximaal 3 meter.

  • 6.

    Binnen de locatie 'Sophiapark' bedraagt de bouwhoogte van een gebouw dat wordt gebruikt voor het verrichten van horeca-activiteiten maximaal 7 meter.

  • 7.

    Binnen de locatie 'Sophiapark' bedraagt de bouwhoogte van een muziekkiosk maximaal 6 meter.

  • 8.

    Binnen de locatie 'Sophiahal' bedraagt de bouwhoogte van een sporthal maximaal 12 meter.

  • 9.

    De goothoogte van het gebouw bedraagt niet meer dan de norm 'maximum goothoogte gebouw op een alternatieve locatie'.

  • 10.

    De oppervlakte van het gebouw bedraagt niet meer dan de norm 'maximum oppervlakte gebouw op een alternatieve locatie'.

  • 11.

    Als het gaat om een muziekkiosk binnen de locatie 'Sophiapark' bedraagt de oppervlakte, in afwijking van het tiende lid, maximaal 100 m2.

  • 12.

    De afstand van het gebouw tot de perceelsgrens bedraagt niet minder dan de norm ‘minimum afstand tot de perceelsgrens op een alternatieve locatie'.

  • 13.

    Binnen de locatie ‘Bedrijventerrein Ambachtsezoom’ bedraagt de afstand van het gebouw tot de zijdelingse en achterste perceelsgrenzen minimaal 3,5 meter.

  • 14.

    Binnen de locatie ‘Bedrijventerrein Ambachtsezoom’ bedraagt de afstand van de voor- of zijgevel van het gebouw tot de openbare ruimte minimaal 3 meter.

  • 15.

    In afwijking van het veertiende lid, bedraagt de afstand van de voorgevel van het gebouw binnen de locatie ‘Woon-werktuinen’ minimaal 20 meter tot de openbare ruimte langs ‘De Baak’.

  • 16.

    Als de voorgevel van een gebouw binnen de locatie ‘Representatieve groene etalage’ wordt gebouwd aan een kant van een perceel die grenst aan de weg ‘Ambachtsezoom’: de voorgevel van het gebouw wordt, in afwijking van het veertiende lid, voor 100% op die perceelsgrens gebouwd.

  • 17.

    Als de voorgevel van het gebouw wordt gebouwd aan een kant van een perceel die grenst aan de weg ‘Middentocht’: de voorgevel van het gebouw beslaat binnen de locatie ‘Middentocht’ minimaal 60% van de breedte van die kant van het perceel. 

  • 18.

    Als de voorgevel van een gebouw wordt gebouwd aan een kant van een perceel die grenst aan een andere weg dan bedoeld in het zestiende en zeventiende lid: de voorgevel van het gebouw beslaat minimaal 40% van de breedte van die kant van het perceel.

  • 19.

    Binnen de locatie ‘Bedrijventerrein Ambachtsezoom’ sluit de voorgevel van het hoofdgebouw zoveel mogelijk aan bij de ligging van de oorspronkelijke voorgevels van de hoofdgebouwen op naastgelegen percelen.

  • 20.

    Binnen de locatie ‘Garage aan de Vrouwgelenweg 84’ bedraagt het aantal garages maximaal 1.

  • 21.

    Binnen de locatie 'Recreatie-activiteit - Volkstuin' wordt het gebouw alleen gebouwd op een volkstuin waarvan de perceelsoppervlakte minimaal 100 m2 bedraagt.

  • 22.

    Binnen de locatie ‘Recreatie-activiteit - Volkstuin’ bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bergingen maximaal 6 m2 per volkstuin.

  • 23.

    Binnen de locatie 'Schachtgebouw' is alleen een schachtgebouw toegestaan.

  • 24.

    Binnen de locatie ‘Fietsenstalling’ is alleen een fietsenstalling toegestaan.

  • 25.

    Binnen de locatie 'Gebouwen voor onderhoud en beheer’ is alleen een gebouw voor onderhoud en beheer toegestaan.

  • 26.

    Binnen de locatie ‘Paviljoens’ is alleen een gebouw voor educatieve doeleinden, kantines, kantoor- en vergaderruimten, showrooms en overige activiteiten die de park- en facilitymanagement ondersteunen toegestaan, mits de activiteiten die in het gebouw worden verricht gelieerd zijn aan de bedrijven binnen de locatie ‘Bedrijventerrein Ambachtsezoom’.

  • 27.

    Binnen de locatie 'Paviljoens' bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen voor educatieve doeleinden maximaal 100 m2.

  • 28.

    Binnen de locatie 'Paviljoens' bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van kantines maximaal 100 m2.

  • 29.

    Binnen de locatie 'Paviljoens' bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van kantoren- en vergaderruimten maximaal 100 m2.

  • 30.

    Binnen de locatie 'Paviljoens' bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van showrooms maximaal 100 m2.

  • 31.

    Binnen de locatie 'Paviljoens' bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen voor overige activiteiten die de park- en facilitymanagement ondersteunen maximaal 100 m2.

Artikel 6.29 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.24 als dit nodig is met oog op de belangen, bedoeld in artikel 6.12.

Subparagraaf 6.4.2.3 Kas bouwen
Artikel 6.30 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een kas.

  • 2.

    Deze subparagraaf is niet van toepassing op het bouwen van een kas ten behoeve van het op recreatieve wijze telen van sier- en teeltgewassen, voor zover de kas een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan betreft als bedoeld in paragraaf 6.4.5.

Artikel 6.31 Oogmerken

De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van de gezondheid; en

  • b.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat.

Artikel 6.32 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kas te bouwen binnen de locatie 'Bedrijfsmatige kassen' en 'Recreatie-activiteit - Volkstuin'.

Artikel 6.33 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van de kas, bedoeld in artikel 6.35, wordt een motivering van de gevolgen van de kas op de gebruiksmogelijkheden van omliggende percelen verstrekt waaruit blijkt dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden.

Artikel 6.34 Beoordelingsregels bedrijfsmatige kassen
  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.33 wordt verleend binnen de locatie 'Bedrijfsmatige kassen’ als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De kas wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig telen van gewassen.

  • 3.

    De bouwhoogte van de kas bedraagt niet meer dan de norm ‘maximum bouwhoogte kas’.

  • 4.

    De afstand van de kas tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter.

  • 5.

    Binnen de locatie ‘Hoveniersbedrijf’ bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van kassen maximaal 5000 m2, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte van schaduw- en gaaskassen maximaal 1250 m2 mag bedragen.

Artikel 6.35 Afwijkende beoordelingsregels glastuinbouw
  • 1.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 6.34, wordt ook verleend binnen de locatie ‘Agrarische activiteit glastuinbouw’ als, in afwijking van artikel 6.34, derde en vierde lid, wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De kas is nodig en doelmatig voor de exploitatie van een volwaardig agrarisch bedrijf.

  • 3.

    De bouwhoogte van de kas bedraagt maximaal 6 meter.

  • 4.

    In totaal bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van kassen buiten het bouwvlak maximaal 5% van het gedeelte van het perceel dat zich buiten de locatie 'Bedrijfsmatige kassen' bevindt, met een maximum van 500 m2 per bedrijf.

  • 5.

    De gezamenlijke oppervlakte van kassen op het perceel bedraagt maximaal:

    • a.

      300 m2 per sierteeltbedrijf; en

    • b.

      2 hectare per glastuinbouwbedrijf.

  • 6.

    Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van omliggende percelen.

  • 7.

    Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de bezonning van omliggende percelen.

Artikel 6.36 Beoordelingsregels kassen op de volkstuinen
  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.32 wordt verleend binnen de locatie ‘Recreatie-activiteit - Volkstuin’ als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De kas wordt gebruikt voor het op recreatieve wijze telen van voedsel- en siergewassen.

  • 3.

    De bouwhoogte van de kas bedraagt maximaal 3 meter.

  • 4.

    De kas bevindt zich op een individuele volkstuin, waarvan de perceelsoppervlakte minimaal 100 m2 bedraagt.

  • 5.

    De gezamenlijke oppervlakte van kassen bedraagt maximaal 10 m2 per individuele volkstuin.

Artikel 6.37 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.32 als dat nodig is met oog op de belangen, bedoeld in artikel 6.31.

Paragraaf 6.4.3 Bouwwerk voor een nutsvoorziening bouwen

Artikel 6.38 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het bouwen van een bouwwerk voor een nutsvoorziening.

Artikel 6.39 Oogmerken

De regels in deze paragraaf worden gesteld met het oog op:

  • a.

    het waarborgen van de veiligheid; 

  • b.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; 

  • c.

    het beschermen en verbeteren van nutsvoorzieningen

  • d.

    het waarborgen van een goede ruimtelijke kwaliteit; 

  • e.

    het bevorderen van duurzame ontwikkelingen; en 

  • f.

    het doelmatig beheren en benutten van de openbare ruimte.

Artikel 6.40 Wijze van meten

Bij de toepassing van de regels in deze paragraaf wordt de bouwhoogte van een antenne-installatie, in afwijking van artikel 6.13, tweede lid, onder a, op de volgende wijze gemeten:

  • a.

    als de antenne-installatie zich op een ander bouwwerk bevindt: loodrecht, vanaf de voet tot aan het hoogste punt van de antenne-installatie;

  • b.

    als de antenne-installatie zich aan een ander bouwwerk bevindt: loodrecht, vanaf het punt waarop de antenne-installatie het dakvlak kruist tot aan het hoogste punt van de antenne-installatie; en

  • c.

    als de antenne-installatie zich op de grond bevindt: loodrecht, vanaf het peil tot aan het hoogste punt van de antenne-installatie.

Artikel 6.41 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een nutsvoorziening te bouwen.

  • 2.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een antenne-installatie te bouwen.

Artikel 6.42 Beoordelingsregels nutsvoorzieningen
  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.41, eerste lid, wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De bouwhoogte van de nutsvoorziening bedraagt maximaal 5 meter.

  • 3.

    De oppervlakte van de nutsvoorziening bedraagt maximaal 25 m2.

Artikel 6.43 Beoordelingsregels antenne-installaties

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.41tweede lid, wordt verleend als de bouwhoogte van de antenne-installatie maximaal 10 meter bedraagt.

Artikel 6.44 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.41 als dat nodig is met oog op de belangen, bedoeld in artikel 6.39.

Paragraaf 6.4.4 Dakopbouw bouwen

Artikel 6.45 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het bouwen van een dakopbouw.

Artikel 6.46 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakopbouw te bouwen binnen de locatie 'Dakopbouw'.

Artikel 6.47 Beoordelingsregels dakopbouwen
  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.46 wordt verleend binnen de locatie 'Dakopbouw' als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De dakopbouw betreft een enkelzijdige verhoging van de nok.

  • 3.

    De dakopbouw bevindt zich in het achterdakvlak van een hoofdgebouw.

  • 4.

    De dakhelling van het dak van het hoofdgebouw bedraagt minimaal 25 graden en maximaal 50 graden.

  • 5.

    De dakhelling van het dak van de dakopbouw is gelijk aan de dakhelling van het bestaande voordakvlak van het hoofdgebouw.

  • 6.

    De dakopbouw bevindt zich op maximaal de derde bouwlaag van een hoofdgebouw.

  • 7.

    De maximum bouwhoogte van het hoofdgebouw wordt met maximaal 1,5 meter overschreden.

  • 8.

    Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de bezonning van omliggende percelen.

Paragraaf 6.4.5 Bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan bouwen

Subparagraaf 6.4.5.1 Algemene bepalingen bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan bouwen
Artikel 6.48 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan.

Subparagraaf 6.4.5.2 Bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan bouwen
Artikel 6.49 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan.

  • 2.

    De regels in deze subparagraaf zijn niet van toepassing op:

Artikel 6.50 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen
  • 1.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een bijbehorend bouwwerk te bouwen als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    Het bijbehorend bouwwerk bevindt zich in het achtererfgebied.

  • 3.

    De afstand van het bijbehorend bouwwerk tot de openbare ruimte bedraagt minimaal 1 meter.

  • 4.

    Het bijbehorend bouwwerk bevindt zich op de perceelsgrens of de afstand van het bijbehorend bouwwerk tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 1 meter.

  • 5.

    Het bijbehorend bouwwerk bevindt zich op de grond.

  • 6.

    Het verblijfsgebied bevindt zich alleen op de eerste bouwlaag, als het bijbehorend bouwwerk meer dan een bouwlaag heeft.

  • 7.

    Het bijbehorend bouwwerk heeft geen dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte.

  • 8.

    Als het bijbehorend bouwwerk zich op een afstand van maximaal 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw bevindt, voldoet het bijbehorend bouwwerk aan de volgende eisen:

    • a.

      de bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk bedraagt maximaal 5 meter;

    • b.

      het bijbehorend bouwwerk is maximaal 0,30 meter hoger dan de bovenkant van de scheidingsconstructie met de eerste verdiepingsvloer van het oorspronkelijke hoofdgebouw;

    • c.

      de bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk bedraagt maximaal de bouwhoogte van het oorspronkelijke hoofdgebouw; en

    • d.

      de dakhelling van het bijbehorend bouwwerk bedraagt maximaal de dakhelling van het oorspronkelijke hoofdgebouw.

  • 9.

    Als het bijbehorend bouwwerk zich op een afstand van meer dan 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw bevindt, voldoet het bijbehorend bouwwerk aan de volgende eisen:

    • a.

      de bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk bedraagt maximaal 3 meter; of

    • b.

      de bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk bedraagt meer dan 3 meter en voldoet aan de volgende eisen:

      • 1.

        het bijbehorend bouwwerk is voorzien van een schuin dak;

      • 2.

        de hoogte van de dakvoet van het bijbehorend bouwwerk bedraagt maximaal 3 meter;

      • 3.

        de daknok van het bijbehorend bouwwerk is gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van maximaal 55°; en

      • 4.

        de hoogte van de daknok bedraagt maximaal 5 meter, waarbij de hoogte verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0.47) + 3.

  • 10.

    De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken binnen het bebouwingsgebied bedraagt maximaal:

  • 11.

    Als het gaat om een bijbehorend bouwwerk dat wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg kan het tiende lid buiten beschouwing blijven als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      het bijbehorend bouwwerk bevindt zich buiten de bebouwde kom;

    • b.

      het bijbehorend bouwwerk is in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; en

    • c.

      de oppervlakte van het bijbehorend bouwwerk bedraagt maximaal 100 m2.

  • 12.

    De activiteit wordt niet verricht aan of bij:

    • a.

      een woonwagen;

    • b.

      een hoofdgebouw waarvoor een tijdelijke omgevingsvergunning is verleend; of

    • c.

      een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf voor één huishouden.

  • 13.

    De activiteit wordt niet verricht in, aan, op of bij een (voorbeschermd) gemeentelijk monument, een (voorbeschermd) provinciaal monument of een (voorbeschermd) rijksmonument.

Artikel 6.51 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 6.52 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied
Artikel 6.53 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken op alternatieve locaties
Artikel 6.54 Afwijkende beoordelingsregels bedrijfswoningen
Artikel 6.55 Beoordelingsregels overkappingen
Artikel 6.56 Beoordelingsregels isoleren aan de buitenzijde
  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.51, vierde lid, wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De overschrijding van het bouwvlak bedraagt maximaal 0.5 meter.

  • 3.

    De overschrijding van de maximum bouwhoogte bedraagt maximaal 0.5 meter.

Artikel 6.57 Beoordelingsregels dakterrassen
  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.51vijfde lid, wordt verleend binnen de locatie 'Woonactiviteit - Basis', de locatie 'Woonactiviteit - Bedrijfswoning' of de locatie 'Woonactiviteit - Plattelandswoning' als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    Het dakterras is ten behoeve van de woning.

  • 3.

    Het dakterras is direct toegankelijk vanuit het hoofdgebouw of de bedrijfswoning.

  • 4.

    Het dakterras bevindt zich maximaal op het dak van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw of de bedrijfswoning of een daaraan verbonden aan- of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk.

  • 5.

    Het dakterras is voorzien van een balustrade, scherm of andere permanente valbeveiliging.

  • 6.

    De bouwhoogte van een permanente valbeveiliging bedraagt maximaal 1.25 meter.

  • 7.

    Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de bezonning van de omliggende percelen.

  • 8.

    Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de privacy van de omliggende percelen.

Artikel 6.58 Beoordelingsregels entreeportalen
Artikel 6.59 Vergunningvoorschriften
  • 1.

    Het bevoegd gezag kan voorschriften aan een omgevingsvergunning verbinden voor het bouwen van een dakterras als bedoeld in artikel 6.57.

  • 2.

    Dit voorschrift kan de plicht inhouden om een balustrade, scherm of andere permanente valbeveiliging te bouwen en in stand te houden.

Subparagraaf 6.4.5.3 Erker of ander uitgebouwd bijbehorend bouwwerk bouwen in het voorerfgebied
Artikel 6.60 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een erker of een ander uitgebouwd bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied.

Artikel 6.61 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een erker of andere uitbouwen te bouwen in het voorerfgebied binnen de locatie ‘Erkers of andere uitbouwen’.

Artikel 6.62 Beoordelingsregels erkers en andere uitbouwen
  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.61 wordt verleend binnen de locatie 'Erkers of andere uitbouwen’ als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De erker of andere uitbouw bevindt zich op de grond.

  • 3.

    De afstand van de erker of de andere uitbouw tot de openbare ruimte bedraagt minimaal 1 meter.

  • 4.

    De erker of de andere uitbouw is verbonden met de voorgevel van een hoofdgebouw.

  • 5.

    De erker of de andere uitbouw overschrijdt het bouwvlak met maximaal 1,5 meter.

  • 6.

    De bouwhoogte van de erker of de andere uitbouw bedraagt maximaal de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, met een maximum bouwhoogte van 3 meter.

  • 7.

    De breedte van de erker of de andere uitbouw bedraagt maximaal 2/3e deel van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw.

  • 8.

    De erker of de andere uitbouw is voorzien van een plat dak.

Subparagraaf 6.4.5.4 Dakkapel bouwen
Artikel 6.63 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een dakkapel.

Artikel 6.64 Wijze van meten

Bij de toepassing van de regels in deze paragraaf wordt de hoogte van de dakkapel, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.13, buitenwerks en loodrecht gemeten vanaf de voet van de dakkapel tot het hoogste punt van de dakkapel.

Artikel 6.65 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakkapel te bouwen binnen de locatie ‘Dakkapel’.

Artikel 6.66 Beoordelingsregels dakkapellen
  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.65 wordt verleend binnen de locatie ‘Dakkapel’ als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De dakkapel bevindt zich op een hoofdgebouw of een bedrijfswoning.

  • 3.

    De hoogte van de dakkapel bedraagt maximaal 1.75 meter.

  • 4.

    De afstand van de onderkant van de dakkapel tot de dakvoet van het hoofdgebouw of de bedrijfswoning bedraagt minimaal 0,5 meter en maximaal 1,0 meter.

  • 5.

    De afstand van de bovenkant van de dakkapel tot de daknok van het hoofdgebouw of de bedrijfswoning bedraagt minimaal 0,5 meter.

  • 6.

    De afstand van de zijkant van de dakkapel tot de zijkant van het dakvlak bedraagt minimaal 0,5 meter.

Paragraaf 6.4.6 Ondergronds bouwwerk bouwen

Artikel 6.67 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf gaat over het bouwen van een ondergronds bouwwerk.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het bouwen van een kruipruimte, voor zover de kruipruimte een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan betreft als bedoeld in paragraaf 6.4.5.

Artikel 6.68 Wijze van meten

Bij de toepassing van de regels in deze paragraaf wordt de hoogte van een ondergronds bouwwerk, in afwijking van artikel 6.13, loodrecht gemeten vanaf het peil tot aan het punt van het bouwwerk dat het verste onder het peil ligt.

Artikel 6.69 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen

Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een grafkelder te bouwen binnen de locatie 'Begraafplaats'.

Artikel 6.70 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 6.71 Aanvraagvereisten
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een ondergronds bouwwerk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      plattegronden van alle ondergrondse verdiepingen voor de bestaande en nieuwe situatie; en

    • b.

      een doorsnedetekening voor de bestaande en nieuwe situatie, met daarop alle gegevens die nodig zijn voor de toetsing aan deze paragraaf.

  • 2.

    De plattegronden, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval de hoogte van het ondergrondse bouwwerk ten opzichte van het peil.

Artikel 6.72 Beoordelingsregels ondergrondse bouwwerken
Artikel 6.73 Beoordelingsregels kelderkoekoek
  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.70tweede lid, wordt verleend binnen de locatie ‘Ondergrondse bouwwerken’ als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De kelderkoekoek wordt aangebracht aan de wand van een bestaande of gelijktijdig te realiseren kelder bij een vrijstaand hoofdgebouw.

  • 3.

    De hoogte van de kelderkoekoek bedraagt maximaal 2,5 meter.

  • 4.

    De hoogte van de kelderkoekoek bedraagt niet meer dan de hoogte van de kelder.

  • 5.

    De kelderkoekoek steekt maximaal 1,5 meter uit, gemeten vanaf de daar direct bovengelegen gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw.

  • 6.

    De afstand van de kelderingang tot de openbare ruimte bedraagt minimaal 1 meter.

Artikel 6.74 Beoordelingsregels kelderingang
  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.70derde lid, wordt verleend binnen de locatie ‘Ondergrondse bouwwerken’ als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De kelderingang wordt aangebracht bij een bestaande of gelijktijdig te realiseren kelder bij een vrijstaand hoofdgebouw.

  • 3.

    De hoogte van de kelderingang bedraagt maximaal 3,5 meter.

  • 4.

    De hoogte van de kelderingang bedraagt niet meer dan de hoogte van de kelder.

  • 5.

    De kelderingang steekt maximaal 1,5 meter uit, gemeten vanaf de daar direct bovengelegen gevel van het hoofdgebouw.

  • 6.

    De afstand van de kelderingang tot de openbare ruimte bedraagt minimaal 1 meter.

Paragraaf 6.4.7 Bouwwerk voor een jongerenontmoetingsplek bouwen

Artikel 6.75 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het bouwen van een bouwwerk voor een jongerenontmoetingsplek.

Artikel 6.76 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met oog op:

  • a.

    het doelmatig benutten van de openbare ruimte; en

  • b.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat.

Artikel 6.77 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk voor een jongerenontmoetingsplek te bouwen binnen de locatie ‘Jongerenontmoetingsplek’.

Artikel 6.78 Aanvraagvereisten
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk voor een jongerenontmoetingsplek wordt een motivering van de gevolgen van de jongerenontmoetingsplek op de woonomgeving verstrekt, waaruit blijkt dat er geen onevenredige hinder ontstaat.

  • 2.

    De situatietekening, bedoeld in artikel 6.18, onder d, bevat in ieder geval:

    • a.

      de afmetingen van de jongerenontmoetingsplek;

    • b.

      de situering van de jongerenontmoetingsplek ten opzichte van de aangrenzende terreinen en de daarop voorkomende bebouwing; en

    • c.

      een aanduiding van het huidige gebruik van de omliggende gronden en de daarop voorkomende bebouwing.

Artikel 6.79 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag

Op verzoek van het bevoegd gezag wordt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning een onderzoek naar de hinder voor de woonomgeving verstrekt, waaruit blijkt dat er geen onevenredige hinder voor de woonomgeving ontstaat.

Artikel 6.80 Beoordelingsregels jongerenontmoetingsplek
  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.77 wordt verleend binnen de locatie ‘Jongerenontmoetingsplek' als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De bouwhoogte van het bouwwerk bedraagt maximaal 4 meter.

  • 3.

    De oppervlakte van het bouwwerk bedraagt maximaal 20 m2.

  • 4.

    De afstand van het bouwwerk tot een woning bedraagt minimaal 25 meter.

  • 5.

    De jongerenontmoetingsplek leidt niet tot onevenredige hinder voor de woonomgeving.

Artikel 6.81 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.77 als dat nodig is met oog op de belangen, bedoeld in artikel 6.76.

Paragraaf 6.4.8 Bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen

Subparagraaf 6.4.8.1 Algemene bepalingen bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen
Artikel 6.82 Toepassingsbereik
Subparagraaf 6.4.8.2 Bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen
Artikel 6.83 Toepassingsbereik
Artikel 6.84 Wijze van meten

Bij de toepassing van de regels in deze paragraaf wordt de bouwhoogte van een antenne-installatie, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.13, op de volgende wijze gemeten:

  • a.

    als de antenne-installatie zich op een ander bouwwerk bevindt: loodrecht, vanaf de voet tot aan het hoogste punt van de antenne-installatie;

  • b.

    als de antenne-installatie zich aan een ander bouwwerk bevindt: loodrecht, vanaf het punt waarop de antenne-installatie het dakvlak kruist tot aan het hoogste punt van de antenne-installatie; en

  • c.

    als de antenne-installatie zich op de grond bevindt: loodrecht, vanaf het peil tot aan het hoogste punt van de antenne-installatie.

Artikel 6.85 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen silo's voor agrarische bedrijfsvoering
  • 1.

    Het is toegestaan zonder melding of omgevingsvergunning een silo voor agrarische bedrijfsvoering te bouwen als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De silo bevindt zich in het achtererfgebied.

  • 3.

    De silo bevindt zich op een gebouwerf waar alleen of in hoofdzaak agrarische activiteiten worden verricht.

  • 4.

    De bouwhoogte van de silo bedraagt binnen de locatie ‘Bouwvlak’ maximaal 10 meter.

  • 5.

    De bouwhoogte van de silo bedraagt buiten het bouwvlak maximaal 1,5 meter.

  • 6.

    De activiteit wordt niet verricht in, aan of op een (voorbeschermd) gemeentelijk monument, een (voorbeschermd) provinciaal monument of een (voorbeschermd) rijksmonument.

Artikel 6.86 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen overige bouwwerken voor agrarische bedrijfsvoering
  • 1.

    Het is toegestaan zonder melding of omgevingsvergunning een bouwwerk geen gebouw zijnde voor de agrarische bedrijfsvoering te bouwen, anders dan bedoeld in artikel 6.85, als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    Het bouwwerk geen gebouw zijnde bevindt zich in het achtererfgebied.

  • 3.

    Het bouwwerk geen gebouw zijnde bevindt zich op een gebouwerf waar alleen of in hoofdzaak agrarische activiteiten worden verricht.

  • 4.

    De bouwhoogte van het bouwwerk geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 2 meter.

  • 5.

    De activiteit wordt niet verricht in, aan of op een (voorbeschermd) gemeentelijk monument, een (voorbeschermd) provinciaal monument of een (voorbeschermd) rijksmonument.

Artikel 6.87 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen buisleidingen
  • 1.

    Het is toegestaan zonder melding of omgevingsvergunning een buisleiding te bouwen als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    Het gaat niet om een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is.

  • 3.

    De activiteit wordt niet verricht in, aan of op een (voorbeschermd) gemeentelijk monument, een (voorbeschermd) provinciaal monument of een (voorbeschermd) rijksmonument.

Artikel 6.88 Verbod reclameobject in de openbare ruimte
  • 1.

    Het is verboden in de openbare ruimte een reclameobject te bouwen.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op een reclameobject dat door of namens het bevoegd gezag in de openbare ruimte wordt gebouwd.

Artikel 6.89 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen de locatie ‘Bouwwerken geen gebouw zijnde’ een bouwwerk geen gebouw zijnde te bouwen, tenzij anders bepaald in deze subparagraaf.

Artikel 6.90 Aanvraagvereisten voor het bouwen van een reclameobject
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een reclameobject worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het aantal reclameobjecten; 

    • b.

      de afmeting van het reclameobject; 

    • c.

      de hoogte van het reclameobject; en 

    • d.

      de te gebruiken materialen, kleuren en verlichting.

  • 2.

    Als een andere dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming een reclameobject bouwt op of aan een onroerende zaak, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander.

Artikel 6.91 Beoordelingsregels bouwwerken geen gebouw zijnde
Subparagraaf 6.4.8.3 Afscheiding bouwen
Subsubparagraaf 6.4.8.3.1 Algemene bepalingen afscheiding bouwen

Artikel 6.92 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een afscheiding.

  • 2.

    De regels in deze subparagraaf zijn niet van toepassing op:

    • a.

      het bouwen van een afscheiding tussen balkons of dakterrassen als bedoeld artikel 6.57 van dit omgevingsplan; en

    • b.

      het bouwen van een afscheiding op een sport- of speelplek alleen voor particulier gebruik.

Subsubparagraaf 6.4.8.3.2 Erf- of perceelafscheiding bouwen

Artikel 6.93 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf gaat over het bouwen van een erf- of perceelafscheiding.

Artikel 6.94 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen erf- of perceelafscheidingen

  • 1.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een erf- of perceelafscheiding te bouwen als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De erf- of perceelafscheiding bevindt zich achter de lijn die langs de voorkant van het hoofdgebouw loopt en vanaf daar evenwijdig loopt met de aangrenzende openbare ruimte.

  • 3.

    De erf- of perceelafscheiding bevindt zich op een gebouwerf en heeft een functionele relatie met het gebouw op dat gebouwerf.

  • 4.

    De bouwhoogte van de erf- of perceelafscheiding bedraagt maximaal 2 meter.

  • 5.

    De activiteit wordt niet verricht in, aan of op een (voorbeschermd) gemeentelijk monument, een (voorbeschermd) provinciaal monument of een (voorbeschermd) rijksmonument.

Artikel 6.95 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een erf- of perceelafscheiding te bouwen binnen de locatie ‘Afwijkende erf- of perceelafscheidingen’, tenzij anders bepaald in deze subsubparagraaf.

Artikel 6.96 Beoordelingsregels afwijkende erf- of perceelafscheidingen

  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.95 wordt verleend binnen de locatie ‘Afwijkende erf- of perceelafscheidingen' als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De bouwhoogte van de erf- of perceelafscheiding bedraagt niet meer dan de norm 'maximum bouwhoogte erf- of perceelafscheiding'.

  • 3.

    Binnen de locatie 'Woon-werktuinen’ bedraagt de bouwhoogte:

    • a.

      2.25 meter als de erf- of perceelafscheiding zich achter de lijn bevindt die langs de voorkant van het hoofdgebouw loopt en vanaf daar evenwijdig loopt met de aangrenzende openbare ruimte; en

    • b.

      1.2 meter als de erf- of perceelafscheiding zich voor de lijn, bedoeld in sub a, bevindt.

  • 4.

    Binnen de locatie ‘Extra voorwaarde situering’ bevindt de erf- of perceelafscheiding zich alleen achter de lijn die langs de voorkant van het hoofdgebouw loopt en vanaf daar evenwijdig loopt met de aangrenzende openbare ruimte.

  • 5.

    Binnen de locatie ‘Bedrijventerrein Ambachtsezoom’ is alleen een hekwerk toegestaan.

  • 6.

    In afwijking van het vijfde lid, is binnen de locatie ‘Groene etalage’ alleen een cortenstalen keerwand toegestaan.

Subsubparagraaf 6.4.8.3.3 Afscheiding van een sport- of speelplek bouwen

Artikel 6.97 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf gaat over het bouwen van een afscheiding van een sport- of speelplek.

Artikel 6.98 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ballenvanger of daarmee vergelijkbare afscheiding te bouwen binnen de locatie ‘Sportvelden’.

  • 2.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ballenvanger of andere afscheiding van een sport- of speelplek te bouwen in de openbare ruimte

Artikel 6.99 Beoordelingsregels ballenvangers of daarmee vergelijkbare afscheidingen

  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.98, eerste lid, wordt verleend binnen de locatie ‘Sportvelden’ als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De bouwhoogte van de ballenvanger of daarmee vergelijkbare afscheiding bedraagt maximaal 10 meter.

  • 3.

    De lengte van de afscheiding bedraagt maximaal 15 meter per ballenvanger of daarmee vergelijkbare afscheiding.

Artikel 6.100 Beoordelingsregels ballenvangers of andere afscheidingen van een sport- of speelplek in de openbare ruimte

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.98, tweede lid, wordt verleend als de bouwhoogte van de ballenvanger of andere afscheiding maximaal 5 meter bedraagt.

Subsubparagraaf 6.4.8.3.4 Terrasafscheiding bouwen

Artikel 6.101 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf gaat over het bouwen van een terrasafscheiding binnen de locatie ‘Terrasafscheiding’.

Artikel 6.102 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een terrasafscheiding te bouwen.

Artikel 6.103 Beoordelingsregels terrasafscheidingen

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.102 wordt verleend als de bouwhoogte van de terrasafscheiding maximaal 1.8 meter bedraagt.

Subparagraaf 6.4.8.4 Brug bouwen
Artikel 6.104 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een brug.

Artikel 6.105 Wijze van meten

Bij de toepassing van de regels in deze paragraaf wordt de bouwhoogte van een brug, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.13, gemeten vanaf het waterpeil (zomerpeil) tot aan de bovenkant van het brugdek.

Artikel 6.106 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een brug te bouwen binnen de locatie ‘Brug’.

Artikel 6.107 Aanvraagvereisten

De situatietekening, bedoeld in artikel 6.18, bevat in ieder geval de afstand tussen de bovenkant van het brugdek en het zomerpeil.

Artikel 6.108 Beoordelingsregels bruggen
  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.106 wordt verleend binnen de locatie ‘Brug' als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De bouwhoogte van de brug bedraagt maximaal 3 meter.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid, bedraagt de bouwhoogte van een brug niet meer dan de norm 'maximum bouwhoogte brug'.

  • 4.

    Binnen de locatie 'Natuurgebied Crezeepolder' bedraagt de breedte van de brug maximaal 2 meter.

Subparagraaf 6.4.8.5 Steiger bouwen
Artikel 6.109 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een steiger.

Artikel 6.110 Wijze van meten

Bij de toepassing van de regels in deze subparagraaf wordt bij een steiger, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.13, op de volgende wijze gemeten:

  • a.

    de bouwhoogte van een steiger: loodrecht, vanaf het waterpeil (zomerpeil) tot aan het hoogste punt van de steiger;

  • b.

    de diepte van een steiger: de afstand van de oever tot het uiterste punt van de steiger, loodrecht gemeten vanaf de insteeklijn; en

  • c.

    de lengte van een steiger: loodrecht tussen het beginpunt van het bouwwerk tot het uiterste punt van de steiger, aan de kant die gelijkloopt met de insteeklijn.

Artikel 6.111 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een steiger te bouwen binnen de locatie 'Steigers'.

Artikel 6.112 Aanvraagvereisten

De situatietekening, bedoeld in artikel 6.18, bevat in ieder geval de afstand tussen de onderkant van de steiger en het zomerpeil.

Artikel 6.113 Beoordelingsregels steigers
Artikel 6.114 Advies waterbeheerder

Het bevoegd gezag wint advies in van de waterbeheerder voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een steiger wordt verleend om te beoordelen of wordt voldaan aan artikel 6.113, elfde lid.

Subparagraaf 6.4.8.6 Zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of vijver bouwen
Artikel 6.115 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening.

  • 2.

    Deze subparagraaf gaat ook over het bouwen van een vijver.

Artikel 6.116 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen zwembaden, bubbelbaden of soortgelijke voorzieningen
  • 1.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening te bouwen als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    Het bouwwerk bevindt zich op het gebouwerf van een woning of woongebouw.

  • 3.

    Het bouwwerk bevindt zich in het achtererfgebied.

  • 4.

    De bouwhoogte van het bubbelbad bedraagt maximaal 1,5 meter.

  • 5.

    De bouwhoogte van het zwembad of de soortgelijke voorziening bedraagt maximaal 0,50 meter.

  • 6.

    Het bouwwerk is niet voorzien van een dak.

  • 7.

    Binnen de locatie ‘Achter vrouwgelenweg 80’ bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van zwembaden maximaal 100 m2 per perceel.

  • 8.

    Binnen de locatie ‘Achter vrouwgelenweg 80’ bedraagt de afstand van een zwembad tot de zijdelingse en achtste perceelsgrens minimaal 3 meter.

  • 9.

    Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een (voorbeschermd) gemeentelijk monument, een (voorbeschermd) provinciaal monument of een (voorbeschermd) rijksmonument.

Artikel 6.117 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen vijvers
  • 1.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een vijver te bouwen als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De vijver bevindt zich op het gebouwerf van een woning of woongebouw.

  • 3.

    De bouwhoogte van de vijver bedraagt maximaal 1 meter.

  • 4.

    De vijver is niet voorzien van een dak.

  • 5.

    Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een (voorbeschermd) gemeentelijk monument, een (voorbeschermd) provinciaal monument of een (voorbeschermd) rijksmonument.

Artikel 6.118 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een zwembad te bouwen binnen de locatie ‘Zwembad De Louwert’.

Artikel 6.119 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.118 wordt verleend binnen de locatie ‘Zwembad De Louwert’ als de gezamenlijke oppervlakte van zwembaden buiten de locatie 'Bouwvlak' maximaal 2.200 m2 bedraagt.

Subparagraaf 6.4.8.7 Vlaggenmast bouwen
Artikel 6.120 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een vlaggenmast.

Artikel 6.121 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een vlaggenmast te bouwen binnen de locatie ‘Vlaggenmast’.

Artikel 6.122 Beoordelingsregels
  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.121 wordt verleend binnen de locatie ‘Vlaggenmast’ als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De vlaggenmast bevindt zich op een gebouwerf.

  • 3.

    De bouwhoogte van de vlaggenmast bedraagt niet meer dan 6 meter.

  • 4.

    Het aantal vlaggenmasten bedraagt niet meer dan 3 per gebouwerf.

Subparagraaf 6.4.8.8 Pergola bouwen
Artikel 6.123 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een pergola.

Artikel 6.124 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen
  • 1.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een pergola te bouwen als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De pergola bevindt zich in het achtererfgebied.

  • 3.

    De afstand van de pergola tot de openbare ruimte bedraagt minimaal 1 meter.

  • 4.

    De pergola bevindt zich op de perceelsgrens of de afstand van de pergola tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 1 meter.

  • 5.

    De bouwhoogte van de pergola bedraagt maximaal 3 meter.

  • 6.

    De activiteit wordt niet verricht aan of bij:

    • a.

      een woonwagen; of

    • b.

      een hoofdgebouw waarvoor een tijdelijke omgevingsvergunning is verleend.

  • 7.

    De activiteit wordt niet verricht in, aan op of bij een (voorbeschermd) gemeentelijk monument, een (voorbeschermd) provinciaal monument of een (voorbeschermd) rijksmonument.

Artikel 6.125 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een pergola te bouwen binnen de locatie ‘Pergola's’, tenzij anders bepaald in deze subparagraaf.

Artikel 6.126 Beoordelingsregels

HHH

Afdeling 7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 7.1 Algemene bepalingen overige activiteiten met een fysiek effect op de openbare ruimte

Artikel 7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit Dit hoofdstuk gaangaat over activiteiten met een fysiek effect op de openbare ruimte.

Artikel 7.2 Oogmerken

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het doelmatig benutten van de openbare ruimte; en

  • b.

    het beschermen van een goed woon- en leefklimaat.

  • c.

    de toegankelijkheid van de openbare ruimte; en

  • d.

    het beschermen van de staat en werking van de openbare weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg.

Artikel 7.3 Specifieke zorgplicht voor activiteiten in de openbare ruimte of met een fysiek effect op de openbare ruimte

  • 1.

    De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.6, houdt voor het verrichten van activiteiten in de openbare ruimte of het verrichten van activiteiten met een fysiek effect op de openbare ruimte in ieder geval in dat:

    • a.

      voldoende vrije doorgang voor personen met een functiebeperking op de voetpaden overblijft;

    • b.

      objecten in de openbare ruimte voldoende zichtbaar zijn;

    • c.

      objecten in de openbare ruimte stabiel worden geplaatst of degelijk worden opgehangen;

    • d.

      de openbare weg niet onaanvaardbaar wordt beschadigd;

    • e.

      verkeersonveilige situaties worden voorkomen;

    • f.

      gevaar voor het doelmatig of veilig gebruik van de openbare ruimte wordt voorkomen; en

    • g.

      belemmering voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare ruimte zoveel mogelijk wordt voorkomen of beperkt.

  • 2.

    Aan de zorgplicht, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan door degene die de openbare ruimte gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de activiteit deze nadelige gevolgen veroorzaakt of kan veroorzaken.

Artikel 7.3 Voorrangsbepalingen

De regels over het gebruik van gronden en bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a tot en met c en g tot en met n van de Invoeringswet Omgevingswet, zijn niet van toepassing voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in:

  • a.

    afdeling 7.10 Standplaats innemen, in stand houden, of gebruiken; en

  • b.

    afdeling 7.12 Jongerenontmoetingsplek gebruiken.

Artikel 7.4 Algemene regels

  • 1.

    Binnen de locatie ‘Beeldkwaliteitsplannen’ wordt voldaan aan de eisen over de stedenbouwkundige kwaliteit bij de inrichting en het uiterlijk van percelen, groen, het opslaan van goederen, laden- en lossen en parkeren als bedoeld in de Beleidsregel Beeldkwaliteitsplannen.

  • 2.

    Binnen de locatie ‘Beeldkwaliteitsplannen’ moeten de stedenbouwkundige kwaliteiten, bedoeld in het eerste lid, in stand worden gehouden volgens de Beleidsregel Beeldkwaliteitsplannen.

  • 3.

    Een open erf of terrein wordt niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met de bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

III

Afdeling 7.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 7.7 Parkeeractiviteit verrichten

[Gereserveerd]

Paragraaf 7.7.1 Algemene bepalingen parkeeractiviteit verrichten

Artikel 7.5 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het verrichten van een parkeeractiviteit.

Paragraaf 7.7.2 Parkeergelegenheid in stand houden

Artikel 7.6 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het in stand houden van parkeergelegenheid.

Artikel 7.7 Algemene regels
  • 1.

    Parkeerplaatsen die nodig zijn om te voorzien in de parkeerbehoefte van een nieuwe ontwikkeling als bedoeld in de Beleidsregel Parkeren moeten in stand worden gehouden.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het herinrichten van de openbare ruimte als de parkeerplaats in de directe omgeving kan worden gecompenseerd.

Artikel 7.8 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over artikel 7.7.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de plicht om parkeerplaatsen in stand te houden.

JJJ

Afdeling 7.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 7.9 Uitweg maken, hebben  of veranderen of het gebruik daarvan veranderen

[Gereserveerd]

Artikel 7.9 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het maken of veranderen van een uitrit naar de openbare weg.

Artikel 7.10 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met oog op:

  • a.

    het waarborgen van het veilige en doelmatige gebruik van de openbare weg;

  • b.

    het beschermen van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

  • c.

    het beschermen van de groenvoorzieningen in de gemeente; en

  • d.

    het bevorderen van voldoende parkeergelegenheid.

Artikel 7.11 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een uitrit naar de openbare weg te maken of te veranderen.

Artikel 7.12 Aanvraagvereisten

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.11 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een situatietekening van de bestaande en nieuwe toestand, met daarop alle gegevens die nodig zijn voor toetsing aan deze afdeling;

    • b.

      de afmetingen van de uitrit;

    • c.

      de afstand van de uitrit tot andere objecten;

    • d.

      kleurenfoto’s van de bestaande situatie; en

    • e.

      gegevens en bescheiden waaruit de verkeerssituatie blijkt.

  • 2.

    De situatietekening, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval een indicatie van de objecten die een obstakel vormen voor de uitrit, zoals lantaarnpalen, brandputten, openbaar groen, openbare parkeerplaatsen en straatmeubilair.

Artikel 7.13 Beoordelingsregels

  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.11 wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De uitrit voldoet aan de plaatsing en vormgeving van een uitrit, als beoordeeld volgens de Beleidsregel Uitritten.

  • 3.

    De uitrit tast het veilige en doelmatige gebruik van de openbare weg niet aan.

  • 4.

    De uitrit gaat niet onnodig ten koste van een openbare parkeerplaats.

  • 5.

    De uitrit tast het openbaar groen niet onevenredig aan.

  • 6.

    Binnen de locatie ‘Beeldkwaliteitsplannen’ voldoet de uitrit aan de eisen over de stedenbouwkundige kwaliteit bij het inrichten van een perceel, als beoordeeld volgens de Beleidsregel Beeldkwaliteitsplannen.

Artikel 7.14 Advies verkeersdeskundige

Het bevoegd gezag wint advies in bij de verkeersdeskundige voordat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.11 wordt verleend om te beoordelen of wordt voldaan aan artikel 7.13, tweedederde en vierde lid.

Artikel 7.15 Advies groendeskundige

Het bevoegd gezag wint advies in bij een groendeskundige voordat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.11 wordt verleend om te beoordelen of wordt voldaan aan artikel 7.13, vijfde lid.

Artikel 7.16 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.11 als dat nodig is met oog op de belangen, bedoeld in artikel 7.10.

KKK

Het opschrift van artikel 7.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.4 7.17 Toepassingsbereik

LLL

Artikel 7.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.5 7.18 Algemene regels

  • 1.

    Het is toegestaan om een standplaats op een weekmarkt in te nemen binnen de locatie 'Weekmarkt'.

  • 2.

    Het aantal dagen dat een standplaats,  als bedoeld in het eerste lid,  mag worden ingenomen bedraagt niet meer dan 1 dag per week.

MMM

Artikel 7.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.6 7.19 Maatwerkvoorschriften

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld om de standplaatsen, als bedoeld in artikel 7.5, artikel 7.18, eerste lid, tijdelijk op een andere plek te laten innemen.

NNN

Het opschrift van artikel 7.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.7 7.20 Toepassingsbereik

OOO

Artikel 7.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.8 7.21 Algemene regels

PPP

Artikel 7.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.9 7.22 Maatwerkvoorschriften

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld om de standplaatsenals bedoeld in artikel 7.87.21, eerste lideerste lid, tijdelijk op een andere plek te laten innemen.

QQQ

Het opschrift van artikel 7.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.10 7.23 Toepassingsbereik

RRR

Artikel 7.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.11 7.24 Algemene regels

SSS

Het opschrift van artikel 7.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.12 7.25 Toepassingsbereik

TTT

Het opschrift van artikel 7.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.13 7.26 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

UUU

Artikel 7.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.14 7.27 Bijzondere aanvraagvereisten Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.26 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een opgave van het huidige gebruik van het bouwwerk of de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • b.

    een opgave van de bruto-vloeroppervlakte in m2 van het (deel van het) bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; en

  • c.

    een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van de jongerenontmoetingsplek en de situering ten opzichte van de aangrenzende terreinen en de daarop voorkomende bebouwing.

VVV

Artikel 7.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.15 7.28 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 7.137.26,  wordt binnen de locatie 'Jongerenontmoetingsplek' verleend als:

WWW

Voor afdeling 8.1 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 8.1 Algemene bepalingen cultureel erfgoed

Artikel 8.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk gaat over activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed.

Artikel 8.2 Oogmerken

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van cultureel erfgoed; en 

  • b.

    het beschermen van de omgeving van monumenten.

XXX

Afdeling 8.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 8.1 8.2 Archeologisch waardevolle gebieden

[Gereserveerd]

Paragraaf 8.2.1 Algemene bepalingen archeologisch waardevolle gebieden

Artikel 8.3 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling gaat over het verrichten van activiteiten binnen locaties met de functie 'Archeologisch monument'.

  • 2.

    Onder locaties met de functie 'Archeologisch monument' vallen bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.

Paragraaf 8.2.2 Grondwerkzaamheden verrichten binnen locaties met de functie archeologisch monument

Artikel 8.4 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van grondwerkzaamheden binnen locaties met de functie 'Archeologisch monument'.

Artikel 8.5 Verbod

Het is verboden binnen de locatie 'Bekende archeologische waarden - Categorie 2' een dijk te door- of vergraven.

Artikel 8.6 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen
  • 1.

    Het is toegestaan zonder melding of omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten als ten minste wordt voldaan aan één van de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    Het oppervlak van de grondwerkzaamheden bedraagt niet meer dan de norm 'maximum oppervlak van grondwerkzaamheden'.

  • 3.

    De diepte van de grondwerkzaamheden onder het peil bedraagt niet meer dan de norm 'maximum diepte van grondwerkzaamheden'.

Artikel 8.7 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten als niet wordt voldaan aan artikel 8.6.

Artikel 8.8 Aanvraagvereisten
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.7 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      als het gaat om een archeologisch monument met een plaatselijke aanduiding: de plaatselijke aanduiding van het monument, zoals het perceelnummer;

    • b.

      een opgave van het huidige gebruik van het archeologische monument;

    • c.

      als het voorgenomen gebruik afwijkt van het huidige gebruik: een opgave van het voorgenomen gebruik van het archeologische monument; 

    • d.

      een motivering voor het verrichten van de activiteit;

    • e.

      een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van:

      • 1.

        de omvang in vierkante meters; en

      • 2.

        de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;

    • f.

      een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;

    • g.

      doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;

    • h.

      als sprake is van een opgraving, een archeologische begeleiding of een proefsleuvenonderzoek: een programma van eisen;

    • i.

      als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; 

    • j.

      als het gaat om een bouwactiviteit: funderingstekeningen; en

    • k.

      een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.

  • 2.

    Binnen de locaties 'Bekende archeologische waarde - Categorie 1', 'Archeologische verwachtingswaarde - Categorie 1', 'Archeologische verwachtingswaarde - Categorie 2', 'Archeologische verwachtingswaarde - Categorie 3', 'Archeologische verwachtingswaarde - Categorie 5' heeft het rapport, bedoeld in het eerste lid, onder k, in ieder geval het doel om de archeologische resten in de ondergrond vast te stellen.

  • 3.

    Binnen de locatie 'Bekende archeologische waarden - Categorie 2' heeft het rapport, bedoeld in het eerste lid, onder k, in ieder geval het doel om inzicht te verkrijgen in de opbouw en ouderdom van de dijk.

  • 4.

    Binnen de locatie 'Archeologische verwachtingswaarde - Categorie 4' heeft het rapport, bedoeld in het eerste lid, onder k, in ieder geval het doel om de diepte ligging van een rivierduin vast te stellen.

Artikel 8.9 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag

Op verzoek van het bevoegd gezag worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.7 ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie waarop de activiteit van invloed is in voldoende mate (nader) worden vastgesteld;

  • b.

    een nader archeologisch onderzoek;

  • c.

    detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen:

    • 1.

      de exacte locatie;

    • 2.

      de omvang; en

    • 3.

      de diepte ten opzichte van het maaiveld;

  • d.

    een bestek met bijbehorende tekeningen of een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;

  • e.

    als het gaat om een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of

  • f.

    als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.

Artikel 8.10 Eisen aan de tekeningen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.7 hebben de tekeningen, bedoeld in artikel 8.8 en artikel 8.9, een schaal die niet kleiner is dan:

  • a.

    als het gaat om een topografische kaart: 1:2000;

  • b.

    als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening: 1:100; en

  • c.

    als het gaat om een detailtekening: 1:50.

Artikel 8.11 Beoordelingsregels
  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.7 wordt verleend als wordt voldaan aan één van de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    Het behoud van de archeologische waarden wordt in voldoende mate geborgd.

  • 3.

    De archeologische waarden worden door de voorgenomen grondwerkzaamheden niet onevenredig geschaad.

  • 4.

    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als er in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Artikel 8.12 Advies archeologische deskundige

Het bevoegd gezag wint advies in bij een archeologische deskundige voordat een omgevingsvergunning voor het verrichten van grondwerkzaamheden wordt verleend om te beoordelen of aan artikel 8.11 wordt voldaan.

Artikel 8.13 Vergunningvoorschriften
  • 1.

    Het bevoegd gezag kan vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het verrichten van grondwerkzaamheden als dat nodig is met oog op de belangen, bedoeld in artikel 8.2.

  • 2.

    De vergunningvoorschriften, bedoeld in het eerste lid, kan in ieder geval de plicht inhouden tot:

    • a.

      het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;

    • b.

      het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; en

    • c.

      het verrichten van een opgraving op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.

YYY

Afdeling 8.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 8.2 8.3 Gemeentelijke monumenten

[Gereserveerd]

Paragraaf 8.3.1 Algemene bepalingen gemeentelijke monumenten

Artikel 8.14 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling gaat over activiteiten met betrekking tot een monument.

  • 2.

    De regels in deze afdeling zijn ook van toepassing op een voorbeschermd monument.

  • 3.

    De regels in deze afdeling zijn niet van toepassing op activiteiten met betrekking tot:

    • a.

      archeologisch waardevolle gebieden als bedoeld in afdeling 8.2; en

    • b.

      cultuurhistorische waarden als bedoeld in afdeling 8.4.

Artikel 8.15 Specifieke zorgplicht

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen, vernielen of aantasten van de culturele waarde van een monument, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging, vernieling of aantasting te voorkomen.

Artikel 8.16 Maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over artikel 8.15 als dit nodig is om het monument te beschermen.

Artikel 8.17 Verbod
  • 1.

    Het is verboden om een monument te beschadigen of te vernielen.

  • 2.

    Het is verboden om binnen locaties met de functie 'Monument' onderhoud te onthouden van een monument dat noodzakelijk is voor de instandhouding daarvan.

Artikel 8.18 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen begraafplaatsen
  • 1.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, binnen de locatie 'Begraafplaats' een grafmonument te plaatsen, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift.

  • 2.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, binnen de locatie ‘Begraafplaats' een begraving of asbijzetting te doen. 

  • 3.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, binnen de locatie ‘Begraafplaats' graven te ruimen, voor zover het bijbehorende grafmonument niet is aangewezen als gemeentelijk monument.

Artikel 8.19 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen regulier onderhoud

Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, binnen locaties met de functie 'Monument' regulier onderhoud uit te voeren aan een monument, voor zover de detaillering, profilering, vormgeving, kleur en het materiaalsoort van het monument niet wijzigen.

Artikel 8.20 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen overige bouwactiviteiten

Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, binnen locaties met de functie 'Monument' een bouwactiviteit te verrichten die als toestemmingsvrij is aangewezen in afdeling 6.4 van het omgevingsplan

Artikel 8.21 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    het monumentnummer;

  • b.

    als het gaat om een monument met een naam: de naam van het monument;

  • c.

    een opgave van het huidige gebruik van het monument;

  • d.

    als het voorgenomen gebruik afwijkt van het huidige gebruik: een opgave van het voorgenomen gebruik van het monument; 

  • e.

    een motivering voor het verrichten van de activiteit; en

  • f.

    een omschrijving van de gevolgen van de activiteit op het monument.

Artikel 8.22 Eisen aan tekeningen
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling hebben de tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:

    • a.

      als het gaat om een situatietekening: 1:1000;

    • b.

      als het gaat om een algemene geveltekening: 1:100;

    • c.

      als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging: 1:20 of 1:50; en

    • d.

      als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht: 1:100.

  • 2.

    Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.

  • 3.

    Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.

  • 4.

    Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:

    • a.

      balklagen, gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen;

    • b.

      balklagen, getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen.

    • c.

      geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;

    • d.

      houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaand een van de nieuwe toestand; en

    • e.

      bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft, aangegeven in plattegronden en doorsneden.

Paragraaf 8.3.2 Monument of onderdeel daarvan veranderen

Artikel 8.23 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf gaat over het veranderen van een monument of onderdeel daarvan binnen locaties met de functie 'Monument'.

  • 2.

    Onder het veranderen van een monument valt ook het herstellen van een monument als dit herstel het monument kan ontsieren of in gevaar kan brengen. 

  • 3.

    De regels in deze paragraaf zijn niet van toepassing op:

    • a.

      het slopen van een monument of onderdeel daarvan als bedoeld in paragraaf 8.3.3

    • b.

      het verplaatsen van een monument of onderdeel daarvan als bedoeld in paragraaf 8.3.4; en

    • c.

      het gebruiken van een monument of onderdeel daarvan als bedoeld in paragraaf 8.3.5.

Artikel 8.24 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen inpandige veranderingen

Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een monument inpandig te veranderen als dat onderdeel van het monument uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. 

Artikel 8.25 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een monument of onderdeel daarvan te veranderen, tenzij anders bepaald in deze afdeling.

Artikel 8.26 Aanvraagvereisten
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.25 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      overzichtsfoto's van de bestaande situatie in kleur, die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit;

    • b.

      detailfoto's van de bestaande toestand in kleur, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht;

    • c.

      een situatietekening van de bestaande situatie;

    • d.

      als de nieuwe situatie afwijkt van de bestaande situatie: een situatietekening van de nieuwe situatie;

    • e.

      opnametekeningen van de bestaande situatie;

    • f.

      als het gaat om het herstellen van gebreken: gebrekentekeningen;

    • g.

      plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en, voor zover van toepassing, de te verhelpen gebreken; 

    • h.

      als er sprake is van het verwijderen van materiaal: slooptekeningen; en

    • i.

      een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:

      • 1.

        de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en

      • 2.

        als er sprake is van het verwijderen van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    De opnametekeningen, bedoeld in het eerste lid, onder e, omvatten in ieder geval de volgende tekeningen als dit nodig is om de aanvraag te kunnen beoordelen;

    • a.

      plattegronden;

    • b.

      doorsneden;

    • c.

      gevelaanzichten; of

    • d.

      een dakaanzicht.

  • 3.

    De plantekeningen, bedoeld in het eerste lid, onder g, omvatten in ieder geval de volgende tekeningen als dit nodig is om de aanvraag te kunnen beoordelen;

    • a.

      plattegronden;

    • b.

      doorsneden;

    • c.

      gevelaanzichten; of

    • d.

      een dakaanzicht.

Artikel 8.27 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag

Op verzoek van het bevoegd gezag worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.25 ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;

  • b.

    een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; 

  • c.

    een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat van het monument aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

  • d.

    aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; en

  • e.

    als het gaat om een activiteit waarop algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd.

Artikel 8.28 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.25 wordt verleend als het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet.

Artikel 8.29 Advies Adviescommissie omgevingskwaliteit

Het bevoegd gezag wint advies in bij de Adviescommissie omgevingskwaliteit voordat een omgevingsvergunning voor het veranderen van een monument of onderdeel daarvan wordt verleend om te beoordelen of aan artikel 8.28 wordt voldaan. 

Artikel 8.30 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het veranderen van een monument of onderdeel daarvan als dit nodig is met oog op de belangen, bedoeld in artikel 8.2.

Paragraaf 8.3.3 Monument of onderdeel daarvan slopen

Artikel 8.31 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het slopen van een monument of onderdeel daarvan binnen locaties met de functie 'Monument'.

Artikel 8.32 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een monument of onderdeel daarvan te slopen.

Artikel 8.33 Aanvraagvereisten
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.32 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      overzichtsfoto's van de bestaande situatie in kleur, die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit;

    • b.

      detailfoto's van de bestaande toestand in kleur, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht;

    • c.

      als er sprake is van het slopen van een deel van het monument, waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie;

    • d.

      opnametekeningen van de bestaande situatie;

    • e.

      slooptekeningen; en

    • f.

      een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    De opnametekeningen, bedoeld in het eerste lid, onder d, omvatten in ieder geval de volgende tekeningen als dit nodig is om de aanvraag te kunnen beoordelen;

    • a.

      plattegronden;

    • b.

      doorsneden;

    • c.

      gevelaanzichten; of

    • d.

      een dakaanzicht.

Artikel 8.34 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag

Op verzoek van het bevoegd gezag worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.32 ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;

  • b.

    een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; en

  • c.

    een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat van het monument aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten.

Artikel 8.35 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.32 wordt verleend als het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet.

Artikel 8.36 Advies Adviescommissie omgevingskwaliteit

Het bevoegd gezag wint advies in bij de Adviescommissie omgevingskwaliteit voordat een omgevingsvergunning voor het slopen van een monument of onderdeel daarvan wordt verleend om te beoordelen of aan artikel 8.35 wordt voldaan.

Artikel 8.37 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het slopen van een monument als dit nodig is met oog op de belangen, bedoeld in artikel 8.2.

Paragraaf 8.3.4 Monument of onderdeel daarvan verplaatsen

Artikel 8.38 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verplaatsen van een monument of onderdeel daarvan binnen locaties met de functie ‘Monument'.

Artikel 8.39 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een monument of onderdeel daarvan te verplaatsen, tenzij anders bepaald in deze afdeling.

Artikel 8.40 Aanvraagvereisten
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.39 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      overzichtsfoto's van de bestaande situatie in kleur, die een duidelijke indruk geven van het monument of onderdeel daarvan in relatie tot de voorgenomen activiteit; 

    • b.

      overzichtsfoto's van de nieuwe locatie van het monument of onderdeel daarvan in kleur, die een duidelijke indruk geven van de omgeving en belendende bebouwing die op deze nieuwe locatie aanwezig zijn; 

    • c.

      foto's van de bestaande toestand in kleur, die een duidelijke indruk geven van het monument of onderdeel daarvan waar de aanvraag betrekking op heeft; 

    • d.

      situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie; 

    • e.

      opnametekeningen van de bestaande situatie; 

    • f.

      plantekeningen van de nieuwe toestand; en 

    • g.

      een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw.

  • 2.

    De opnametekeningen, bedoeld in het eerste lid, onder e, omvatten in ieder geval de volgende tekeningen als dit nodig is om de aanvraag te kunnen beoordelen;

    • a.

      plattegronden; 

    • b.

      doorsneden; 

    • c.

      gevelaanzichten; of 

    • d.

      een dakaanzicht.

  • 3.

    De plantekeningen, bedoeld in het eerste lid, onder f, omvatten in ieder geval de volgende tekeningen als dit nodig is om de aanvraag te kunnen beoordelen;

    • a.

      plattegronden; 

    • b.

      doorsneden; 

    • c.

      gevelaanzichten; of 

    • d.

      een dakaanzicht.

Artikel 8.41 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag

Op verzoek van het bevoegd gezag worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.39 ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving; 

  • b.

    een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat van het monument aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; 

  • c.

    aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; en 

  • d.

    een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijn.

Artikel 8.42 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.39 wordt verleend als het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet.

Artikel 8.43 Advies Adviescommissie omgevingskwaliteit

Het bevoegd gezag wint advies in bij de Adviescommissie omgevingskwaliteit voordat een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van een monument of onderdeel daarvan wordt verleend om te beoordelen of aan artikel 8.42 wordt voldaan.

Artikel 8.44 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van een monument of onderdeel daarvan als dit nodig is met oog op de belangen, bedoeld in artikel 8.2.

Paragraaf 8.3.5 Monument of onderdeel daarvan gebruiken

Artikel 8.45 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het gebruiken van een monument of onderdeel daarvan binnen locaties met de functie 'Monument'.

Artikel 8.46 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een monument of onderdeel daarvan door gebruik te ontsieren of in gevaar te brengen.

Artikel 8.47 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.46 wordt een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 8.48 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.46 wordt verleend als het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet.

Artikel 8.49 Advies Adviescommissie omgevingskwaliteit

Het bevoegd gezag wint advies in bij de Adviescommissie omgevingskwaliteit voordat een omgevingsvergunning voor het gebruik van een monument of onderdeel daarvan wordt verleend om te beoordelen of aan artikel 8.48 wordt voldaan.

Artikel 8.50 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het gebruiken van een monument of onderdeel daarvan als dit nodig is met oog op de belangen, bedoeld in artikel 8.2.

ZZZ

Afdeling 8.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 8.3 8.4 Panden of gebieden met cultuurhistorische Cultuurhistorische waarden

[Gereserveerd]

Paragraaf 8.4.1 Algemene bepalingen cultuurhistorische waarden

Artikel 8.51 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling gaat over activiteiten die invloed kunnen hebben op de cultuurhistorische waarden van bebouwing of landschappen.

  • 2.

    De regels in deze afdeling gaan niet over activiteiten met betrekking tot:

    • a.

      archeologisch waardevolle gebieden als bedoeld in afdeling 8.2; en

    • b.

      gemeentelijke monumenten als bedoeld in afdeling 8.3.

Paragraaf 8.4.2 Landschappelijke waarden

Subparagraaf 8.4.2.1 Karakteristiek agrarisch landschap
Artikel 8.52 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het verrichten van grondwerkzaamheden binnen de locatie 'Karakteristiek agrarisch landschap'.

Artikel 8.53 Oogmerken

De regels in deze subparagraaf worden gesteld met oog op het beschermen van de landschappelijke waarden.

Artikel 8.54 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen grondwerkzaamheden van ondergeschikte betekenis

Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, grondwerkzaamheden te verrichten als deze van ondergeschikte betekenis zijn vanuit het oogpunt van de te beschermen landschappelijke waarden.

Artikel 8.55 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen normaal agrarisch gebruik

Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, grondwerkzaamheden te verrichten die horen bij een normaal agrarisch gebruik van de gronden als deze grondwerkzaamheden geen wijzigingen aanbrengen in de natuurlijke en het bestaande verloop van de watergangen.

Artikel 8.56 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een waterbassin of mestbassin aan te leggen.

  • 2.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een watergang te dempen, te graven of te vergraven, met inbegrip van het aanleggen van dammen en bruggen.

  • 3.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in de vorm van bomen of andere houtopstanden.

  • 4.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning oppervlakteverharding aan te brengen op een perceel waar in hoofdzaak agrarische activiteiten worden verricht als de oppervlakte meer dan 50 m2 bedraagt.

  • 5.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden af te graven, te verlagen, te vergraven, op te hogen of te egaliseren.

  • 6.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning wandel- en fietspaden aan te leggen.

Artikel 8.57 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.56 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de te gebruiken materialen;

  • b.

    de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie;

  • c.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het verrichten van de activiteit;

  • d.

    een situatietekening van de oude situatie; en

  • e.

    een situatietekening van de nieuwe situatie, waarop wordt aangegeven hoe de gronden eruit komen te zien na het verrichten van de voorgenomen activiteit.

Artikel 8.58 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.56 wordt verleend als door de grondwerkzaamheden geen onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden ontstaat of kan ontstaan.

Artikel 8.59 Advies landschapsdeskundige

Het bevoegd gezag wint advies in bij een landschapsdeskundige voordat een omgevingsvergunning voor het verrichten van grondwerkzaamheden wordt verleend om te beoordelen of wordt voldaan aan artikel 8.58.

Subparagraaf 8.4.2.2 Het Perenlaantje
Artikel 8.60 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het verrichten van grondwerkzaamheden binnen de locatie 'Perenlaantje'.

Artikel 8.61 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning oppervlakteverharding aan te brengen.

Artikel 8.62 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.61 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de afmetingen of de omvang van de oppervlakteverharding; 

  • b.

    de te gebruiken materialen; 

  • c.

    de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en 

  • d.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanbrengen van de oppervlakteverharding.

Artikel 8.63 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.61 wordt verleend als door het aanbrengen van de oppervlakteverharding de landschapswaarde, natuurwaarde en cultuurhistorische waarden van het Perenlaantje niet in onevenredige mate worden aangetast.

AAAA

Het opschrift van afdeling 8.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 8.4 8.5 Rijksbeschermde dorps- of stadsgezichten

BBBB

Het opschrift van afdeling 8.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 8.5 8.6 Bouwwerk slopen in een beschermd dorps- of stadsgezicht

CCCC

Na afdeling 8.5 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 8.7 Aanwijzing gemeentelijke monumenten

Artikel 8.64 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling gaat over het aanwijzen van een gemeentelijk monument als bedoeld in afdeling 8.2 en afdeling 8.3 van het omgevingsplan.

  • 2.

    De regels in deze afdeling zijn ook van toepassing op het aanwijzen van een voorbeschermd gemeentelijk monument.

Artikel 8.65 Normaddressaat

Aan de regels in deze afdeling wordt voldaan door het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 8.66 Aanwijzing als gemeentelijk monument

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      rijksmonumenten; en

    • b.

      monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet.

Artikel 8.67 Aanwijzing als voorbeschermd gemeentelijk monument

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kunnen een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorbeschermd gemeentelijk monument als er sprake is van een spoedeisend geval.

  • 2.

    De regels over cultureel erfgoed, bedoeld in afdeling 8.2 en afdeling 8.3, zijn van overeenkomstige toepassing op een voorbeschermd gemeentelijk monument.

  • 3.

    De voorbescherming, bedoeld in het tweede lid, treedt in werking vanaf het moment dat het voornemen tot aanwijzing als een gemeentelijk monument bekend is gemaakt, overeenkomstig artikel 25.39, eerste lid.

  • 4.

    De voorbescherming, bedoeld in het tweede lid, vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college van burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 8.66, eerste lid.

DDDD

Afdeling 10.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 10.1 Algemene regels  bepalingen bovengrondse en ondergrondse infrastructuur

[Gereserveerd]

Artikel 10.1 Toepassingsbereik

  • 1.

    Dit hoofdstuk gaat over activiteiten met betrekking tot bovengrondse en ondergrondse infrastructuur.

  • 2.

    Onder bovengrondse en ondergrondse infrastructuur wordt verstaan infrastructuur met betrekking tot waterleidingen, riolering, gasleidingen en hoogspanningskabels.

  • 3.

    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op leidingen die deel uitmaken van drukapparatuur als bedoeld in het Warenwetbesluit Drukapparatuur 2016.

EEEE

Afdeling 10.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 10.3 Ondergrondse infrastructuur

[Gereserveerd]

Paragraaf 10.3.1 Algemene bepalingen ondergrondse infrastructuur

Artikel 10.2 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over activiteiten met betrekking tot ondergrondse infrastructuur.

Artikel 10.3 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; 

  • b.

    het beheren van de infrastructuur; en

  • c.

    het waarborgen en beschermen van nutsvoorzieningen.

Paragraaf 10.3.2 Bouwen in een beperkingengebied leidingen

Artikel 10.4 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over het bouwen van bouwwerken binnen de locatie ‘Beperkingengebied leidingen’.

Artikel 10.5 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen bouwwerken ten dienste van de leiding
  • 1.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een bouwwerk geen gebouw zijnde te bouwen als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    Het bouwwerk geen gebouw zijnde is ten dienste van de desbetreffende leiding.

  • 3.

    De bouwhoogte van het bouwwerk geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 6 meter.

Artikel 10.6 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen vervanging, verandering of vernieuwing

Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een bouwwerk te vervangen, te veranderen of te vernieuwen als de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 

Artikel 10.7 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen overige bouwwerken
  • 1.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een bouwwerk geen gebouw zijnde te bouwen als het gaat om een bouwactiviteit die als toestemmingsvrij is aangewezen in hoofdstuk 6 van dit omgevingsplan of het Besluit bouwwerken leefomgeving.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening als bedoeld in artikel 6.116, een vijver als bedoeld in artikel 6.117, een silo voor agrarische bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 6.85 of een overig bouwwerk voor agrarische bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 6.86.

Artikel 10.8 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen als niet wordt voldaan aan artikel 10.5artikel 10.6 of artikel 10.7.

Artikel 10.9 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.8 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; en

  • b.

    een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

    • 1.

      de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

    • 2.

      de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

    • 3.

      de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;

    • 4.

      de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en

    • 5.

      het beoogde gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk.

Artikel 10.10 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.8 wordt verleend als het belang van de leiding niet wordt geschaad.

Artikel 10.11 Advies leidingbeheerder
  • 1.

    Het bevoegd gezag wint advies in bij de beheerder van de leiding voordat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.8 wordt verleend om te beoordelen of aan artikel 10.10 wordt voldaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing binnen de locatie 'Rioolleiding'.

Artikel 10.12 Vergunningvoorschriften
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kan vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.8 als dit nodig is met oog op de belangen, bedoeld in artikel 10.3.

  • 2.

    Het vergunningvoorschrift, bedoeld in het eerste lid, kan in ieder geval worden gesteld om het belang van de leiding te beschermen.

Paragraaf 10.3.3 Grondwerkzaamheden verrichten in een beperkingengebied leidingen

Artikel 10.13 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over het verrichten van grondwerkzaamheden binnen de locatie ‘Beperkingengebied leidingen’.

Artikel 10.14 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen normaal onderhoud en beheer

Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, normaal onderhoud en beheer ten dienste van de leiding te verrichten.

Artikel 10.15 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen instandhoudingsactiviteiten

Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, activiteiten te verrichten die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de leiding.

Artikel 10.16 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten als niet wordt voldaan aan artikel 10.14 of artikel 10.15.

Artikel 10.17 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.16 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de te gebruiken materialen;

  • b.

    de mate waarin sprake is van de afvoer van grond naar een andere locatie; 

  • c.

    een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

    • 1.

      de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

    • 2.

      de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en

    • 3.

      de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het verrichten van de activiteit; en

  • d.

    de diepte van de voorgenomen graafwerkzaamheden.

Artikel 10.18 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.16 wordt verleend als het belang van de leiding niet onevenredig wordt geschaad.

Artikel 10.19 Advies leidingbeheerder
  • 1.

    Het bevoegd gezag wint advies in bij de beheerder van de leiding voordat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.16 wordt verleend om te beoordelen of aan artikel 10.18 wordt voldaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing binnen de locatie 'Rioolleiding'.

Artikel 10.20 Vergunningvoorschriften
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kan vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.16 als dit nodig is met oog op de belangen, bedoeld in artikel 10.3.

  • 2.

    Het vergunningvoorschrift, bedoeld in het eerste lid, kan in ieder geval worden gesteld om het belang van de leiding te beschermen.

FFFF

Artikel 11.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 11.11 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie

  • 1.

    Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in aanvulling op artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, alleen grond of baggerspecie toegepast als deze voldoet aan de kwaliteitseisen en bijbehorende zones als bepaald in tabel 11.11.1.

    Tabel 11.11.1 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie

    Zones

    Kwaliteitseisen (voor standaardbodem)

    Alle zones

    pH 

    waarde is minimaal 5 en maximaal 9

    Alle zones

    Maximaal 200 mg/kg droge stof

    chloride

    Alle zones

    Maximaal 920 mg/kg droge stof

    barium

    Wonen

    Maximaal 90 mg/kg droge stof

    lood

    Volks-/Moestuin

    Maximaal 50 mg/kg droge stof

    lood

    Asbestgevoelige locatie

    Maximaal 10 mg/kg droge stof

    asbest

    (gewogen gehalte)

  • 2.

    Met het oog op het gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die voor de stof nikkel niet voldoet aan de kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie:

    Tabel 11.11.2 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie

    Zones

    Kwaliteitseisen (voor standaardbodem)

    Wonen

    Maximaal 56 mg/kg droge stof

    nikkel

    • a.

      voor de andere stoffen voldoet aan die kwaliteitseisen;

    • b.

      afkomstig is uit en toegepast wordt binnen de locatie 'bodembeheergebied grond en baggerspecie'; en

    • c.

      voor de stof nikkel voldoet aan de kwaliteitseisen in tabel 11.11.2 die gelden voor de zone waar de grond of baggerspecie wordt toegepast.

    Tabel 11.11.2 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie

    Zones

    Kwaliteitseisen (voor standaardbodem)

    Wonen

    Maximaal 56 mg/kg droge stof

    nikkel

GGGG

Artikel 11.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 11.13 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie voor de Volgerlanden

Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die voor de stoffen organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) en polychloorbifenylen (PCB) niet voldoet aan de kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie:

Tabel 11.13.1 Afwijkende kwaliteitseisen Volgerlanden

Zones

Kwaliteitseisen (voor standaardbodem, uitgedrukt in mg/kg droge stof)

Individuele stof

Wonen

0,04

PCB (som 7)

Wonen

0,1

Heptachloor

Wonen

0,1

Alfa-endosulfan

Wonen

0,5

Alfa - HCH

Wonen

0,5

Beta - HCH

Wonen

0,5

Gamma - HCH

Wonen

0,027

Hexachloor-benzeen

Wonen

1

DDD (som)

Wonen

1

DDE (som)

Wonen

1

DDT (som)

Wonen

0,14

Drins (som 3)

Wonen

0,1

Heptachloorepoxide (som)

Wonen

0,1

Chloordaan (som)

  • a.

    voor de andere stoffen voldoet aan die kwaliteitseisen;

  • b.

    afkomstig is uit en toegepast wordt binnen de locatie 'herkomstgebied en toepassingsgebied De Volgerlanden';

  • c.

    voor de stoffen organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) en polychloorbifenylen (PCB) voldoet aan de kwaliteitseisen in tabel 11.13.1 die gelden voor de zone waar de grond of baggerspecie wordt toegepast; en

  • d.

    voor de optelsom van de stoffen organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) en polychloorbifenylen (PCB) voldoet aan maximaal 1 mg/kg droge stof (standaardbodem).

Tabel 11.13.1 Afwijkende kwaliteitseisen Volgerlanden

Zones

Kwaliteitseisen (voor standaardbodem, uitgedrukt in mg/kg droge stof)

Individuele stof

Wonen

0,04

PCB (som 7)

Wonen

0,1

Heptachloor

Wonen

0,1

Alfa-endosulfan

Wonen

0,5

Alfa - HCH

Wonen

0,5

Beta - HCH

Wonen

0,5

Gamma - HCH

Wonen

0,027

Hexachloor-benzeen

Wonen

1

DDD (som)

Wonen

1

DDE (som)

Wonen

1

DDT (som)

Wonen

0,14

Drins (som 3)

Wonen

0,1

Heptachloorepoxide (som)

Wonen

0,1

Chloordaan (som)

HHHH

Artikel 11.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 11.16 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie PFAS

Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die voor de stoffen PFOA (perfluoroctaanzuur), PFOS (perfluoroctaansulfonaten) en overige PFAS (per- en polyfluoralkylstoffen) niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie:

Tabel 11.16.1 Afwijkende kwaliteitseisen zone B

Zones

Stof

Kwaliteitseisen (voor standaardbodem, uitgedrukt in mg/kg droge stof)

Landbouw/natuur

PFOA

0,0023

Landbouw/natuur

PFOS

0,0024

Volks-/Moestuin

PFOA

0,0023

Volks-/Moestuin

PFOS

0,0024

  • a.

    voor de andere stoffen voldoet aan die kwaliteitseisen;

  • b.

    afkomstig is uit en toegepast wordt binnen het gebied 'zone B PFAS zonekaart'; en

  • c.

    voor de stoffen PFOA en PFOS voldoet aan de kwaliteitseisen in tabel 11.16.1 die gelden voor de zone waar de grond of baggerspecie wordt toegepast.

Tabel 11.16.1 Afwijkende kwaliteitseisen zone B

Zones

Stof

Kwaliteitseisen (voor standaardbodem, uitgedrukt in mg/kg droge stof)

Landbouw/natuur

PFOA

0,0023

Landbouw/natuur

PFOS

0,0024

Volks-/Moestuin

PFOA

0,0023

Volks-/Moestuin

PFOS

0,0024

IIII

Paragraaf 11.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 11.3.1 Algemene bepalingen omgevingsveiligheid

[Gereserveerd]

Artikel 11.76 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de omgevingsveiligheid.

Artikel 11.77 Aanvraagvereisten

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een risicovol gebouw wordt een verslag verstrekt van het overleg dat met de veiligheidsregio is gevoerd.

  • 2.

    Onder een risicovol gebouw als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

    • a.

      een gebouw hoger dan 20 meter;

    • b.

      een gebouw voor verminderd zelfredzame personen;

    • c.

      een gebouw met een houten draagconstructie;

    • d.

      een gebouw met een groene (vegetatie) en/of biobased gevel over meerdere verdiepingen; 

    • e.

      een gebouw met een inzetdiepte van meer dan 60 meter vanaf de opstelplaats voor een brandweervoertuig, gemeten over de beloopbare oppervlakte;

    • f.

      een woongebouw met inpandige parkeervoorzieningen en/of een commerciële plint; 

    • g.

      een woongebouw met inpandige vluchtwegen en/of doodlopende einden; en

    • h.

      een logiesfunctie voor meer dan 50 personen.

  • 3.

    Het verslag, bedoeld in het eerste lid, gaat in ieder geval in op:

    • a.

      de mogelijke gevolgen van calamiteiten, zoals bij brand, overstromingen en de gevolgen van klimaatverandering; en

    • b.

      de te treffen voorzieningen en maatregelen, zoals vlucht- en schuilmogelijkheden en de zelfredzaamheid van bewoners of gebruikers.

JJJJ

Na paragraaf 11.3.6 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 11.3.7 Energieopslagsysteem bouwen, aanleggen en exploiteren

Artikel 11.78 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf gaat over het bedrijfsmatig bouwen, aanleggen en exploiteren van een energieopslagsysteem, bestaande uit lithiumhoudende oplaadbare energiedragers die (in groepen) elektrisch met elkaar zijn verbonden met een totaal opgestelde capaciteit van 1 MWh en daarboven.

  • 2.

    De regels in deze paragraaf zijn niet van toepassing op het bouwen of aanleggen van een energieopslagsysteem, bestaande uit lithiumhoudende oplaadbare energiedragers die (in groepen) eleketrisch met elkaar zijn verbonden met een totaal opgestelde capactiviteit van 1 MWh en daarboven, die is bedoeld om de eigen bedrijfsactiviteiten van energie te voorzien.

Artikel 11.79 Oogmerken

  • 1.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met oog op:

    • a.

      het behouden van de mogelijkheden voor verduurzaming van bedrijfsactiviteiten;

    • b.

      het bevorderen van een duurzame ontwikkeling;

    • c.

      het op zo kort mogelijke afstand van elkaar realiseren van vraag naar en het aanbod van energie;

    • d.

      het kunnen overschakelen van fossiele energie naar hernieuwbare energie; en

    • e.

      het in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving.

  • 2.

    Voor zover deze paragraaf gaat over het opwekken, transporteren en leveren van elektriciteit zijn de regels niet gesteld met oog op het belang van de energievoorziening als bedoeld in artikel 6.12 van de Energiewet.

Artikel 11.80 Verbod

Het is verboden een energieopslagsysteem te bouwen, aan te leggen en te exploiteren.

KKKK

Voor afdeling 14.1 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 14.1 Algemene bepalingen water

Artikel 14.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk gaat over het verrichten van activiteiten die invloed kunnen hebben op het watersysteem.

Artikel 14.2 Oogmerken

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van het belang van de hoofdwatergang; 

  • b.

    het beschermen van het belang van de waterberging; 

  • c.

    het beschermen van het belang van de waterkering; 

  • d.

    het exploiteren van het grondwater;

  • e.

    het beschermen van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening;

  • f.

    het behouden van een vlotte en veilige doorvaart van de scheepvaart; 

  • g.

    het behouden van toegankelijkheid van de vaarwegen voor hulpdiensten; en 

  • h.

    het beschermen van de zichtlijnen voor de scheepvaart.

Artikel 14.3 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen bouwactiviteiten

  • 1.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een bouwwerk te bouwen als het gaat om een bouwactiviteit die als toestemmingsvrij is aangewezen in hoofdstuk 6 van dit omgevingsplan of het Besluit bouwwerken leefomgeving.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening als bedoeld in artikel 6.116 of een vijver als bedoeld in artikel 6.117 binnen de locatie 'Beperkingengebied waterkering'.

Artikel 14.4 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen vervanging, vernieuwing of verandering

Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een bouwwerk te vervangen, vernieuwen of veranderen als de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

Artikel 14.5 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; en

  • b.

    een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 

    • 1.

      de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 

    • 2.

      de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 

    • 3.

      de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 

    • 4.

      de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 

    • 5.

      het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk.

Artikel 14.6 Wijze van meten

  • 1.

    Bij het toepassen van de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel, tenzij anders bepaald.

  • 2.

    De hoogten worden op de volgende wijze gemeten:

    • a.

      de bouwhoogte van een bouwwerk: buitenwerks en loodrecht, vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk, waarbij ondergeschikte bouwdelen zoals schoorstenen, liftopbouwen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen, in afwijking van het tiende lid, altijd buiten beschouwing blijven;

    • b.

      de goothoogte van een bouwwerk: buitenwerks en loodrecht, vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

    • c.

      de hoogte van de eerste bouwlaag: loodrecht, vanaf de vloer tot aan 0,30 meter boven de vloer van de bovenliggende bouwlaag of de bovenliggende dakconstructie; en

    • d.

      de vrije hoogte onder een overbouwing: buitenwerks en loodrecht, vanaf het peil tot aan de onderkant van de bovenliggende bebouwing waar deze afstand het kleinst is.

  • 3.

    De afstanden worden op de volgende wijze gemeten:

    • a.

      de afstand van een bouwwerk tot de perceelsgrens: buitenwerks en loodrecht, vanaf het punt van een bouwwerk tot de perceelsgrens waar deze afstand het kleinst is; en

    • b.

      de afstand tussen bouwwerken onderling: buitenwerks en loodrecht, vanaf het punt van een bouwwerk tot een ander bouwwerk waar deze afstand het kleinst is.

  • 4.

    De breedte van een bouwwerk wordt op de volgende wijze gemeten: tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.

  • 5.

    De lengte van een bouwwerk wordt op de volgende wijze gemeten: tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.

  • 6.

    De diepte van een bouwwerk wordt op de volgende wijze gemeten: tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.

  • 7.

    De oppervlakte van een bouwwerk wordt op de volgende wijze gemeten: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

  • 8.

    De inhoud van een bouwwerk wordt op de volgende wijze gemeten: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

  • 9.

    De dakhelling wordt op de volgende wijze gemeten: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

  • 10.

    Bij het meten van buitenwerkse maten blijven ondergeschikte bouwdelen tot 0,5 meter buiten beschouwing.

  • 11.

    Bij de toepassing van het tweede lid wordt gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven.

  • 12.

    Als een bouwwerk zich op een erf- of perceelsgrens bevindt, wordt gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein, bedoeld in het elfde lid, het hoogst is.

LLLL

Afdeling 14.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 14.1 14.2 Waterberging

[Gereserveerd]

Paragraaf 14.2.1 Beperkingengebied hoofwatergang en waterberging

Artikel 14.7 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over het bouwen van bouwwerken binnen de locatie ‘Beperkingengebied hoofdwatergang en waterberging'.

Artikel 14.8 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van het belang van de hoofdwatergang; en 

  • b.

    het beschermen van het belang van de waterberging.

Artikel 14.9 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen
  • 1.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een bouwwerk geen gebouw zijnde te bouwen als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    Het bouwwerk geen gebouw zijnde is ten dienste van de hoofdwatergang en waterberging.

  • 3.

    De bouwhoogte van het bouwwerk geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 18 meter.

Artikel 14.10 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen als niet wordt voldaan aan artikel 14.9.

Artikel 14.11 Beoordelingsregels
  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.10 wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    Het belang van de hoofdwatergang wordt niet onevenredig geschaad.

  • 3.

    Het belang van de waterberging wordt niet onevenredig geschaad.

Artikel 14.12 Advies waterbeheerder

Het bevoegd gezag wint advies in bij Rijkswaterstaat voordat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.10 wordt verleend om te beoordelen of aan artikel 14.11 wordt voldaan.

Artikel 14.13 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.10 als dit nodig is met oog op de doelen, bedoeld in artikel 14.8.

MMMM

Het opschrift van afdeling 14.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 14.2 14.3 Droogte

NNNN

Het opschrift van afdeling 14.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 14.3 14.4 Overstromingen

OOOO

Paragraaf 14.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 14.3.1 14.4.1 Beperkingengebied waterkeringenwaterkering

[Gereserveerd]

Artikel 14.14 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over het bouwen van een bouwwerk binnen de locatie ‘Beperkingengebied waterkering’.

Artikel 14.15 Oogmerken

De regels in deze paragraaf worden gesteld met het oog op het beschermen van het belang van de waterkering.

Artikel 14.16 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen

  • 1.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een bouwwerk geen gebouw zijnde te bouwen als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    Het bouwwerk geen gebouw zijnde is ten dienste van de waterkering.

  • 3.

    De bouwhoogte van het bouwwerk geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 6 meter.

Artikel 14.17 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen als niet wordt voldaan aan artikel 14.16.

Artikel 14.18 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.17 wordt verleend als het belang van de waterkering niet onevenredig wordt geschaad.

Artikel 14.19 Advies beheerder van de waterkering

Het bevoegd gezag wint advies in bij de beheerder van de waterkering voordat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.17 wordt verleend om te beoordelen of aan artikel 14.18 wordt voldaan.

Artikel 14.20 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.17 als dit nodig is met oog op de belangen, bedoeld in artikel 14.15.

PPPP

Afdeling 14.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 14.4 14.5 Waterkwaliteit

[Gereserveerd]

Paragraaf 14.5.1 Beperkingengebied waterwinning

Artikel 14.21 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over het verrichten van grondwerkzaamheden en het bouwen van bouwwerken binnen de locatie ‘Beperkingengebied waterwinning’.

Artikel 14.22 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het exploiteren van het grondwater; en 

  • b.

    het beschermen van grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening.

Artikel 14.23 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen bouwactiviteiten
  • 1.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een bouwwerk geen gebouw zijnde te bouwen als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    Het bouwwerk geen gebouw zijnde is ten dienste van de waterwinning.

  • 3.

    De bouwhoogte van het bouwwerk geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 3 meter.

Artikel 14.24 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen grondwerkzaamheden

Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, grondwerkzaamheden te verrichten als deze noodzakelijk zijn voor het normale beheer en onderhoud van de waterwinning.

Artikel 14.25 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen als niet wordt voldaan aan artikel 14.23.

Artikel 14.26 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.25 wordt verleend als het belang van de waterwinning niet onevenredig wordt geschaad. 

Artikel 14.27 Advies drinkwaterbedrijf

Het bevoegd gezag wint advies in bij het drinkwaterbedrijf voordat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.25 wordt verleend om te beoordelen of aan artikel 14.26 wordt voldaan.

QQQQ

Het opschrift van afdeling 14.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 14.5 14.6 Grondwater lozen

RRRR

Het opschrift van afdeling 14.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 14.6 14.7 Watergang dempen

SSSS

Na afdeling 14.6 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 14.8 Beperkingengebied rijksvaarweg

Artikel 14.28 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling gaan over het bouwen van een bouwwerk binnen de locatie ‘Beperkingengebied rijksvaarweg’.

Artikel 14.29 Oogmerken

De regels in deze afdeling worden gesteld met het oog op een goede doorvaart van de scheepvaart.

Artikel 14.30 Wijze van meten

Als er steigers met meerpalen of vlonders aanwezig zijn voor de kade, bedoeld in de locatie 'Kade van de Noordoevers', geldt bij het toepassen van de regels in deze afdeling dat het beperkingengebied, in afwijking van de locatie 'Beperkingengebied rijksvaarweg', 5 meter landinwaarts ligt, gemeten vanaf de buitencontour van deze bouwwerken.

Artikel 14.31 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen

  • 1.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een bouwwerk geen gebouw zijnde te bouwen als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    Het bouwwerk geen gebouw zijnde is ten dienste van de goede doorvaart van de scheepvaart.

  • 3.

    De bouwhoogte van het bouwwerk geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 18 meter.

Artikel 14.32 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen als niet wordt voldaan aan artikel 14.31.

Artikel 14.33 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.32 wordt een weergave van de toegankelijkheid van de vaarweg voor de hulpdiensten vanaf de wal verstrekt.

Artikel 14.34 Beoordelingsregels

  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.32 wordt verleend als het belang van de goede doorvaart van de scheepvaart niet onevenredig wordt geschaad.

  • 2.

    Bij de beoordeling of er sprake is van schade aan het belang van de goede doorvaart van de scheepvaart, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval rekening gehouden met de volgende aspecten:

    • a.

      de doorvaart van de scheepvaart mag niet worden belemmerd; 

    • b.

      de zichtlijnen van de scheepvaart mogen niet worden gehinderd; 

    • c.

      de zichtlijnen voor de bedienings- en begeleidingsobjecten mogen niet worden gehinderd; 

    • d.

      de toegankelijkheid voor hulpdiensten vanaf de wal mag niet worden beperkt; en 

    • e.

      de mogelijkheid tot het uitvoeren van het beheer en onderhoud van de vaarweg mag niet worden belemmerd.

Artikel 14.35 Advies Rijkswaterstaat

Het bevoegd gezag wint advies in bij Rijkswaterstaat voordat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.32 wordt verleend om te beoordelen of aan artikel 14.34 wordt voldaan.

TTTT

Voor afdeling 15.1 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 15.1 Algemene bepalingen natuur

Artikel 15.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die invloed kunnen hebben op groen of natuur.

Artikel 15.2 Oogmerken

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met oog op:

  • a.

    het beschermen van de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland;

  • b.

    het beschermen en bevorderen van de natuurwaarden;

  • c.

    het beschermen van de ruimtelijke kwaliteit;

  • d.

    het behouden en versterken van de biodiversiteit; en

  • e.

    het beschermen van bestaande bomen en houtopstanden.

UUUU

Het opschrift van afdeling 15.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 15.1 15.2 Biodiversiteit

VVVV

Paragraaf 15.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 15.1.1 15.2.1 Beperkingengebied natuurnetwerk Natuurnetwerk Nederland

[Gereserveerd]

Artikel 15.3 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over het bouwen van bouwwerken binnen de locatie ‘Natuurnetwerk Nederland’.

Artikel 15.4 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland.

Artikel 15.5 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen bouwwerken ten dienste van het natuurnetwerk

  • 1.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een bouwwerk geen gebouw zijnde te bouwen als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    Het bouwwerk geen gebouw zijnde is ten dienste van het Natuurnetwerk Nederland.

  • 3.

    De bouwhoogte van het bouwwerk geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 9 meter.

Artikel 15.6 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen vervangen, vernieuwing of verandering

Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een bestaand bouwwerk te vervangen, vernieuwen of veranderen als de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

Artikel 15.7 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen als niet wordt voldaan aan artikel 15.5 of artikel 15.6.

Artikel 15.8 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.7 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; 

  • b.

    een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 

    • 1.

      de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

    • 2.

      de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 

    • 3.

      de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en

    • 4.

      het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk; en 

  • c.

    een beschrijving van de gevolgen van de voorgenomen activiteit op de wezenlijke waarden en kernmerken van het Natuurnetwerk Nederland.

Artikel 15.9 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.7 wordt verleend als de bouwactiviteit de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland niet onevenredig schaadt.

WWWW

Na paragraaf 15.1.1 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 15.2.2 Natuurwaarden

Subparagraaf 15.2.2.1 Algemene bepalingen natuurwaarden

Artikel 15.10 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze paragraaf gaan over activiteiten binnen locaties met natuurwaarden.

  • 2.

    De regels in deze paragraaf gaan niet over het vellen van bomen of houtopstanden als bedoeld in afdeling 15.3.

Artikel 15.11 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen en bevorderen van de natuurwaarden.

Artikel 15.12 Specifieke zorgplicht

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.6, houdt voor het verrichten van een activiteit in ieder geval in dat alle maatregelen worden genomen die redelijkerwijs van kunnen worden gevraagd om nadelige gevolgen voor de natuurwaarden te voorkomen of niet te laten voortduren.

Subparagraaf 15.2.2.2 Grondwerkzaamheden verrichten in een natuurgebied of ecologische verbindingszone

Artikel 15.13 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het verrichten van grondwerkzaamheden binnen de locaties 'Gemeentelijke natuurgebieden', 'Andere natuurgebieden' en 'Ecologische verbindingszone'.

Artikel 15.14 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen grondwerkzaamheden in gemeentelijke natuurgebieden of de ecologische verbindingszone

Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, binnen de locaties 'Gemeentelijke natuurgebieden' en 'Ecologische verbindingszone' grondwerkzaamheden te verrichten.

Artikel 15.15 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen grondwerkzaamheden in andere natuurgebieden
  • 1.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, binnen de locatie ‘Andere natuurgebieden’ grondwerkzaamheden te verrichten als wordt voldaan aan één van de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De grondwerkzaamheden betreffen normaal onderhoud en beheer ten behoeve van de gronden.

  • 3.

    De grondwerkzaamheden zijn al in uitvoering op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze omgevingsplanwijziging.

Artikel 15.16 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen grondwerkzaamheden in andere natuurgebieden

Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen de locatie 'Andere natuurgebieden' de volgende grondwerkzaamheden te verrichten:

  • a.

    het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; 

  • b.

    het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; 

  • c.

    het aanleggen van dijken of andere taluds en het vergraven of ontgraven van al aanwezige dijken of taluds; 

  • d.

    het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; 

  • e.

    het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden en aanlegplaatsen; 

  • f.

    het aanleggen van boven- of ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; en 

  • g.

    het verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting alsmede het verwijderen van oevervegetaties.

Artikel 15.17 Aanvraagvereisten grondwerkzaamheden in andere natuurgebieden

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.16 worden binnen de locatie 'Andere natuurgebieden' de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de te gebruiken materialen; 

  • b.

    de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en 

  • c.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.

Artikel 15.18 Beoordelingsregels grondwerkzaamheden in andere natuurgebieden
  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.16 wordt verleend binnen de locatie 'Andere natuurgebieden' als wordt voldaan aan één van de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De grondwerkzaamheden tasten de natuurwaarden niet onevenredig aan.

  • 3.

    De grondwerkzaamheden leiden niet tot een onevenredige verkleining van de mogelijkheid tot het herstel van de natuurwaarden.

Subparagraaf 15.2.2.3 Activiteiten verrichten binnen een locatie met natuurwaarde

Artikel 15.19 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het verrichten van bouwactiviteiten en gebruiksactiviteiten binnen de locatie 'Ontwikkellocatie Waterlandgoed de Noorden'.

Artikel 15.20 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen de locatie 'Ontwikkellocatie Waterlandgoed de Noorden' bouwactiviteiten en gebruiksactiviteiten te verrichten.

Artikel 15.21 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.20 wordt binnen de locatie 'Ontwikkellocatie Waterlandgoed de Noorden' een rapport overlegd waaruit de gevolgen van de voorgenomen activiteiten op de ecologische waarden in voldoende mate blijkt.

Artikel 15.22 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.20 wordt verleend binnen de locatie 'Ontwikkellocatie Waterlandgoed de Noorden' als de ter plaatse aanwezige ecologische waarden niet onevenredig worden geschaad.

XXXX

Afdeling 15.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 15.2 15.3 Bomen kappenof houtopstanden vellen

[Gereserveerd]

Artikel 15.23 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling gaat over het vellen van bomen of houtopstanden binnen de locatie ‘Bebouwingscontour houtkap’.

  • 2.

    Deze afdeling gaat ook over het vellen van beschermde bomen of beschermde houtopstanden als bedoeld op de Groene Kaart als de stamomtrek minimaal 31,5 centimeter bedraagt.

Artikel 15.24 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van de ruimtelijke kwaliteit;

  • b.

    het behouden en versterken van de biodiversiteit; en

  • c.

    het beschermen van bestaande bomen en houtopstanden.

Artikel 15.25 Wijze van meten

De stamomtrek van een boom of houtopstand wordt gemeten op een hoogte van 130 centimeter vanaf het maaiveld. Bij meerstammigheid wordt de stamomtrek van de dikste stam gemeten.

Artikel 15.26 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen bomen of houtopstanden zonder bescherming

Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een boom of houtopstand te vellen als deze niet als beschermd is aangewezen op de Groene Kaart.

Artikel 15.27 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen zieke of dode beschermde bomen of beschermde houtopstanden

  • 1.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een beschermde boom of beschermde houtopstand te vellen als wordt voldaan aan één van de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De beschermde boom of beschermde houtopstand moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet.

  • 3.

    De beschermde boom of beschermde houtopstand is dood.

Artikel 15.28 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen beschermde bomen met veiligheidsrisico's

Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, een beschermde boom of beschermde houtopstand in het beheer van de gemeente te kappen als de beschermde boom of beschermde houtopstand een veiligheidsrisico vormt.

Artikel 15.29 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen regulier onderhoud aan beschermd hakhout

Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, regulier onderhoud uit te voeren aan beschermd hakhout als het reguliere onderhoud bestaat uit het periodiek vellen van hakhout.

Artikel 15.30 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen regulier onderhoud aan beschermde knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen

  • 1.

    Het is toegestaan, zonder melding of omgevingsvergunning, regulier onderhoud uit te voeren aan een beschermde knotboom, een beschermde gekandelaberde boom of beschermde leiboom als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    Het reguliere onderhoud bestaat uit het periodiek knotten of kandelaberen van de beschermde knotboom, beschermde gekandelaberde boom of beschermde leiboom.

  • 3.

    Het reguliere onderhoud wordt uitgevoerd als noodzakelijke beheersmaatregel.

Artikel 15.31 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen vellen beschermde bomen of beschermde houtopstanden

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beschermde boom of beschermde houtopstand te vellen of te doen vellen als niet wordt voldaan aan ten minste één van de toestemmingsvrije gevallen, bedoeld in artikel 15.27 tot en met artikel 15.30.

Artikel 15.32 Aanvraagvereisten

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.31 wordt een aanduiding verstrekt van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, met daarop aangegeven de locatie van iedere beschermde boom of beschermde houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft, geïdentificeerd met een nummer.

  • 2.

    Per beschermde boom of beschermde houtopstand als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de soort boom of houtopstand;

    • b.

      de stamomtrek in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; en

    • c.

      de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.

Artikel 15.33 Beoordelingsregels

  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.31 wordt verleend als wordt voldaan aan één van de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    Het duurzaam behoud van de beschermde boom of beschermde houtopstand weegt niet op tegen een zwaarwegend maatschappelijk belang.

  • 3.

    Het in stand houden van de beschermde boom of beschermde houtopstand is niet langer verantwoord ter voorkoming van letsel of schade.

  • 4.

    De beschermde boom of beschermde houtopstand wordt geveld doordat er noodzakelijke infrastructurele werkzaamheden worden uitgevoerd op de locatie van de beschermde boom of beschermde houtopstand.

  • 5.

    Er is sprake van dunning.

  • 6.

    De beschermde boom of beschermde houtopstand wordt geveld als onderdeel van werkzaamheden die worden verricht ter verjonging en verbetering van de betreffende boomstructuur als bedoeld in het Groentechnisch Renovatieplan.

  • 7.

    Er is sprake van een noodtoestand of een andere uitzonderlijke situatie.

  • 8.

    Er is sprake van zwaarwegende overlast.

Artikel 15.34 Advies boomdeskundige

Het bevoegd gezag wint advies in bij een boomdeskundige voordat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.31 wordt verleend om te beoordelen of wordt voldaan aan artikel 15.33.

Artikel 15.35 Vergunningvoorschriften

  • 1.

    Het bevoegd gezag kan vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.31.

  • 2.

    Het vergunningvoorschrift, bedoeld in het eerste lid, kan de verplichting inhouden om een boom of houtopstand te herplanten, overeenkomstig met de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen.

  • 3.

    Het bevoegd gezag neemt in het voorschrift, bedoeld in het tweede lid, een termijn op waarin uitvoering moet zijn gegeven aan het bepaalde in het voorschrift en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  • 4.

    Als het gaat om een beschermde boom of beschermde houtopstand die wordt geveld als onderdeel van een bouwactiviteit of grondwerkzaamheid, kan het voorschrift, bedoeld in het eerste lid, de verplichting inhouden om een Bomen Effect Analyse op te stellen en te overleggen. 

YYYY

Het opschrift van afdeling 15.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 15.3 15.4 Groen verwijderen

ZZZZ

Het opschrift van afdeling 15.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 15.4 15.5 Stikstofuitstoot

AAAAA

Na afdeling 15.4 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 15.6 Groen in stand houden

Paragraaf 15.6.1 Algemene bepalingen groen in stand houden

Artikel 15.36 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het in stand houden van groen, waaronder begrepen het in stand houden van een groene inrichting.

Paragraaf 15.6.2 Beschermde boom of beschermde houtopstand in stand houden

Artikel 15.37 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf gaat over het in stand houden van een beschermde boom of beschermde houtopstand binnen de locatie 'Bebouwingscontour houtkap'.

  • 2.

    Een beschermde boom of beschermde houtopstand is aangewezen op de Groene Kaart.

Artikel 15.38 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.6, houdt voor het in stand houden van een beschermde boom of beschermde houtopstand in ieder geval in dat alle voorzieningen worden getroffen om een ernstige bedreiging in het voortbestaan van de boom of houtopstand te voorkomen of weg te nemen.

  • 2.

    Aan de zorgplicht, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan door de zakelijk gerechtigde van de grond waarop de beschermde boom of beschermde houtopstand zich bevindt of degene die uit andere hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen.

Artikel 15.39 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over artikel 15.38.

  • 2.

    Het maatwerkvoorschrift, bedoeld in het eerste lid, kan de verplichting inhouden om een Bomen Effect Analyse te verstrekken aan het bevoegd gezag.

Artikel 15.40 Informatieplicht over het tenietgaan van beschermde bomen of houtopstanden

De eigenaar van een beschermde boom of beschermde houtopstand is verplicht het bevoegd gezag onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen van:

  • a.

    het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een beschermde boom of beschermde houtopstand, anders dan door velling op grond van een verleende omgevingsvergunning; en

  • b.

    de dreiging dat de beschermde boom of beschermde houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan.

Paragraaf 15.6.3 Groene inrichting in stand houden

Artikel 15.41 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het in stand houden van een groene inrichting binnen de locatie 'Afschermend groen’.

Artikel 15.42 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met oog op:

  • a.

    het beschermen van de ruimtelijke kwaliteit van de openbare ruimte;

  • b.

    het bevorderen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; 

  • c.

    het beschermen en bevorderen van een gezonde leefomgeving; en

  • d.

    het behouden en versterken van de biodiversiteit.

Artikel 15.43 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.6, houdt voor het verrichten van activiteiten in ieder geval in dat alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om schade aan de biodiversiteit te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 2.

    Aan de zorgplicht, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan door degene die een activiteit verricht, of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit deze schade kan veroorzaken.

Artikel 15.44 Algemene regels
  • 1.

    Het is verplicht om de locatie 'Afschermend groen' in te richten met opgaand groen.

  • 2.

    Binnen de locatie ‘Beeldkwaliteitsplannen’ wordt bij de inrichting van opgaand groen voldaan aan de eisen over de stedenbouwkundige kwaliteiten als bedoeld in de Beleidsregel Beeldkwaliteitsplannen.

  • 3.

    Het is verplicht om de groene inrichting, bedoeld in het eerste lid, in stand te houden.

  • 4.

    In afwijking van het eerste en tweede lid, mag de groene inrichting binnen de locatie ‘Groene etalage’ worden onderbroken door maximaal één uitrit per groene werkkamer als bedoeld in de Beleidsregel Beeldkwaliteitsplannen, met een maximum breedte van 9 meter.

BBBBB

Het opschrift van hoofdstuk 16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk   16 Gereserveerd

CCCCC

Het opschrift van hoofdstuk 17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk   17 Gereserveerd

DDDDD

Het opschrift van hoofdstuk 18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk   18 Gereserveerd

EEEEE

Het opschrift van hoofdstuk 19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk   19 Gereserveerd

FFFFF

Het opschrift van hoofdstuk 20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk   20 Gereserveerd

GGGGG

Het opschrift van hoofdstuk 21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk   21 Gereserveerd

HHHHH

Het opschrift van afdeling 22.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling   22.1 Algemeen  

IIIII

Het opschrift van afdeling 22.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling   22.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken open, erven en terreinen  

JJJJJ

Het opschrift van paragraaf 22.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.2.1 Algemene bepalingen

KKKKK

Het opschrift van paragraaf 22.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden

LLLLL

Het opschrift van paragraaf 22.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken

MMMMM

Het opschrift van paragraaf 22.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.2.4 Gebruik van bouwwerken

NNNNN

Het opschrift van paragraaf 22.2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen

OOOOO

Het opschrift van paragraaf 22.2.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.2.6 Cultureel erfgoed

PPPPP

Het opschrift van paragraaf 22.2.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken

QQQQQ

Het opschrift van subparagraaf 22.2.7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.2.7.1 Algemene bepalingen

RRRRR

Het opschrift van subparagraaf 22.2.7.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken

SSSSS

Het opschrift van subparagraaf 22.2.7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

TTTTT

Artikel 22.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan:

  • a.

    het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1°.

      voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

      • i.

        5 m;

      • ii.

        0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en

      • iii.

        het hoofdgebouw;

    • 2°.

      voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

      • i.

        als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en

      • ii.

        functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;

    • 3°.

      de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan:

    • 4°.

      uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:

      • i.

        een woonwagen;

      • ii.

        een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of

      • iii.

        een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden;

  • b.

    het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en

  • c.

    het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

UUUUU

Artikel 22.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed

Artikel 22.36  is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:

  • a.

    in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of

  • b.

    op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

VVVVV

Het opschrift van paragraaf 22.2.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.2.8 Overgangsrecht bestaande bouwwerken

WWWWW

Het opschrift van afdeling 22.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling   22.3 Milieubelastende activiteiten  

XXXXX

Het opschrift van paragraaf 22.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.1 Algemene bepalingen

YYYYY

Het opschrift van paragraaf 22.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.2 Energiebesparing

ZZZZZ

Het opschrift van paragraaf 22.3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.3 Zwerfafval

AAAAAA

Het opschrift van paragraaf 22.3.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.4 Geluid

BBBBBB

Het opschrift van subparagraaf 22.3.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.3.4.1 Algemene bepalingen

CCCCCC

Het opschrift van subparagraaf 22.3.4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

DDDDDD

Het opschrift van subparagraaf 22.3.4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.3.4.3 Geluid door windturbines

EEEEEE

Het opschrift van subparagraaf 22.3.4.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.3.4.4 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

FFFFFF

Het opschrift van paragraaf 22.3.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.5 Trillingen

GGGGGG

Het opschrift van paragraaf 22.3.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.6 Geur

HHHHHH

Het opschrift van subparagraaf 22.3.6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.3.6.1 Algemene bepalingen

IIIIII

Het opschrift van subparagraaf 22.3.6.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.3.6.2 Geur houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf

JJJJJJ

Artikel 22.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten

  Artikel 22.98, eerste lid, is niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.11, tot de volgende geurgevoelige objecten:

  • a.

    een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • b.

    een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • c.

    een geurgevoelig object met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

    • 1.

      op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;

    • 2.

      in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en

    • 3.

      in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en

  • d.

    een geurgevoelig object dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig object met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.

Tabel 22.3.11 Afstand tot een geurgevoelig object met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000 en ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

Geurgevoelig object met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000

Afstand

Gelegen binnen de bebouwde kom

100 m

Gelegen buiten de bebouwde kom

50 m

  • a.

    een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • b.

    een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • c.

    een geurgevoelig object met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

    • 1°.

      op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;

    • 2°.

      in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en

    • 3°.

      in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en

  • d.

    een geurgevoelig object dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig object met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.

KKKKKK

Het opschrift van subparagraaf 22.3.6.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.3.6.3 Vervallen

LLLLLL

Het opschrift van subparagraaf 22.3.6.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.3.6.4 Geur door andere agrarische activiteiten

MMMMMM

Het opschrift van subparagraaf 22.3.6.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.3.6.5 Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken

NNNNNN

Het opschrift van paragraaf 22.3.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.7 Bodembeheer

OOOOOO

Artikel 22.136 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.136 Bodem: terugsaneerwaarde

[Vervallen]

PPPPPP

Het opschrift van paragraaf 22.3.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.8 Afvalwaterbeheer

QQQQQQ

Het opschrift van subparagraaf 22.3.8.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.3.8.1 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering

RRRRRR

Het opschrift van subparagraaf 22.3.8.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.3.8.2 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening

SSSSSS

Het opschrift van subparagraaf 22.3.8.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.3.8.3 Lozen van huishoudelijk afvalwater

TTTTTT

Het opschrift van subparagraaf 22.3.8.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.3.8.4 Lozen van koelwater

UUUUUU

Het opschrift van subparagraaf 22.3.8.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.3.8.5 Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken

VVVVVV

Het opschrift van subparagraaf 22.3.8.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.3.8.6 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen

WWWWWW

Het opschrift van subparagraaf 22.3.8.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.3.8.7 Lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater

XXXXXX

Het opschrift van subparagraaf 22.3.8.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.3.8.8 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen

YYYYYY

Het opschrift van subparagraaf 22.3.8.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.3.8.9 Lozen bij calamiteitenoefeningen

ZZZZZZ

Het opschrift van paragraaf 22.3.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.9 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen

AAAAAAA

Het opschrift van paragraaf 22.3.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.10 Lozen bij maken van betonmortel

BBBBBBB

Het opschrift van paragraaf 22.3.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.11 Uitwassen van beton

CCCCCCC

Het opschrift van paragraaf 22.3.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.12 Recreatieve visvijvers

DDDDDDD

Het opschrift van paragraaf 22.3.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

EEEEEEE

Het opschrift van paragraaf 22.3.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.14 Wassen van motorvoertuigen

FFFFFFF

Het opschrift van paragraaf 22.3.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.15 Niet-industriële voedselbereiding

GGGGGGG

Het opschrift van paragraaf 22.3.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.16 Voedingsmiddelenindustrie

HHHHHHH

Het opschrift van paragraaf 22.3.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.17 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen.

IIIIIII

Het opschrift van paragraaf 22.3.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.18 Opwekken van elektriciteit met een windturbine

JJJJJJJ

Artikel 22.217 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding

Artikel 22.216  is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine.

KKKKKKK

Het opschrift van paragraaf 22.3.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.19 In werking hebben van een acculader

LLLLLLL

Het opschrift van paragraaf 22.3.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.20 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage

MMMMMMM

Het opschrift van paragraaf 22.3.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.21 Traditioneel schieten

NNNNNNN

Het opschrift van paragraaf 22.3.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.22 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht

OOOOOOO

Het opschrift van paragraaf 22.3.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.23 Opslaan van vaste mest

PPPPPPP

Het opschrift van paragraaf 22.3.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.24 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

QQQQQQQ

Het opschrift van paragraaf 22.3.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.25 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels

RRRRRRR

Het opschrift van paragraaf 22.3.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.3.26 Vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten

SSSSSSS

Het opschrift van afdeling 22.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling   22.4 Aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafonds  

TTTTTTT

Het opschrift van afdeling 22.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling   22.5 Overige activiteiten  

UUUUUUU

Het opschrift van paragraaf 22.5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.5.1 Vergunningplichten en beoordelingsregels voor activiteiten in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

VVVVVVV

Het opschrift van paragraaf 22.5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.5.2 Aanvraagvereisten

WWWWWWW

Het opschrift van subparagraaf 22.5.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.5.2.1 Algemene bepalingen.

XXXXXXX

Artikel 22.283 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.283 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning die is vereist op grond van:

  • a.

    het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet;

  • b.

    artikel 22.280  van dit omgevingsplan;

  • c.

    een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet; of

  • d.

    artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.

YYYYYYY

Het opschrift van subparagraaf 22.5.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.5.2.2 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet

ZZZZZZZ

Het opschrift van subparagraaf 22.5.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.5.2.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 22.280 van dit omgevingsplan

AAAAAAAA

Het opschrift van subparagraaf 22.5.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.5.2.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet

BBBBBBBB

Het opschrift van subparagraaf 22.5.2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf   22.5.2.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet

CCCCCCCC

Het opschrift van paragraaf 22.5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf   22.5.3 Voorschriften

DDDDDDDD

Hoofdstuk 25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 25 Procesregels

[Gereserveerd]

Afdeling 25.1 Algemene bepalingen procesregels

[Gereserveerd]

Afdeling 25.2 Adviescommissie omgevingskwaliteit

Paragraaf 25.2.1 Algemene bepalingen Adviescommissie omgevingskwaliteit
Artikel 25.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het proces van de Adviescommissie omgevingskwaliteit (hierna: de commissie).

Artikel 25.2 Normaddressaat

Aan de regels in deze afdeling wordt voldaan door de commissie en het college van burgemeester en wethouders.

Paragraaf 25.2.2 Taken en werkzaamheden
Artikel 25.3 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over de taken en werkzaamheden van de Adviescommissie omgevingskwaliteit (hierna: de commissie).

Artikel 25.4 Adviestaak

De commissie heeft als taak de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders te adviseren bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet.

Artikel 25.5 Oogmerken

De commissie voert haar taak uit met oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en alles dat daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.

Artikel 25.6 Adviesorgaan
  • 1.

    De advisering door de commissie is opgedragen aan Dorp, Stad en Land.

  • 2.

    Dorp, Stad en Land wijst uit haar midden de leden van de commissie aan.

Artikel 25.7 Taken en werkzaamheden
  • 1.

    De commissie geeft op verzoek van het college van burgemeester en wethouders voorlichting over de doelstelling van een goede omgevingskwaliteit en over de werkzaamheden van de commissie.

  • 2.

    De commissie adviseert op verzoek van het college van burgemeester en wethouders over een aanvraag om een omgevingsvergunning of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning als het gaat om:

    • a.

      een rijksmonumentactiviteit met betrekking tot een monument; 

    • b.

      een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument of een gemeentelijk monument; 

    • c.

      een omgevingsplanactiviteit voor zover de commissie in dit omgevingsplan als adviseur is aangewezen; 

    • d.

      een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 6.7 van hoofdstuk 6 van dit omgevingsplan; 

    • e.

      een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 6.19, tweede tot en met het vierde lid, van hoofdstuk 6 van dit omgevingsplan; en 

    • f.

      een andere activiteit als een advies naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk is met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit.

  • 3.

    De commissie adviseert op verzoek van het college van burgemeester en wethouders over:

    • a.

      het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aanwijzen van een onroerende zaak als rijksmonument, ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Erfgoedwet; 

    • b.

      het aan een locatie geven van de functie-aanduiding gemeentelijk monument op grond van artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • c.

      het voornemen tot het aanwijzen van een gemeentelijk monument, bedoeld in artikel 8.66 van het omgevingsplan; en

    • d.

      de vastgestelde aanwijzing als voorbeschermd gemeentelijk monument, bedoeld in artikel 8.67 van het omgevingsplan.

  • 4.

    De commissie adviseert op verzoek van het college van burgemeester en wethouders of uit eigen beweging over het ontwikkelen van beleid gericht op het beschermen en bevorderen van de omgevingskwaliteit, zoals de omgevingsvisie, het omgevingsplan en maatwerkregels.

  • 5.

    De commissie adviseert op verzoek van het college van burgemeester en wethouders in het geval van:

    • a.

      een verkenning als bedoeld in artikel 5.48, tweede lid, van de Omgevingswet; en 

    • b.

      andere gevallen waarin het college van burgemeester en wethouders een advies nodig achten in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving.

  • 6.

    De commissie informeert en begeleidt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders planindieners en ontwerpers gedurende het ontwerpproces.

  • 7.

    De commissie voert op verzoek van het college van burgemeester en wethouders vooroverleg met planindieners over een in te dienen aanvraag om een omgevingsvergunning.

  • 8.

    De commissie adviseert op verzoek van het college van burgemeester en wethouders over het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen.

  • 9.

    De commissie adviseert op verzoek van het college van burgemeester en wethouders over het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen.

  • 10.

    De commissie adviseert op verzoek van het college van burgemeester en wethouders over het geven van beschikkingen op grond van regels in verordeningen als bedoeld in artikel 139 van de Gemeentewet die een eis ten aanzien van de omgevingskwaliteit bevatten.

Artikel 25.8 Verplicht advies commissie

Het college van burgemeester en wethouders wint advies in van de commissie voordat een besluit wordt genomen als bedoeld in artikel 25.7tweede lid, onder a tot en met e, en derde lid.

Paragraaf 25.2.3 Samenstelling en inrichting commissie
Artikel 25.9 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de samenstelling en de inrichting van de Adviescommissie omgevingskwaliteit (hierna: de commissie).

Artikel 25.10 Aanwijzing commissieleden en plaatsvervangers
  • 1.

    De commissie bestaat uit minimaal 3 leden, inclusief de voorzitter.

  • 2.

    Bij de afwezigheid van een commissielid wordt een plaatsvervanger aangewezen.

  • 3.

    De leden en plaatsvervangers worden op onafhankelijke wijze geselecteerd en voorgedragen door Dorp, Stad en Land.

  • 4.

    De voorgedragen commissieleden worden benoemd op persoonlijke titel.

  • 5.

    De voorgedragen commissieleden en plaatsvervangers worden benoemd op grond van de deskundigheid, kennis en ervaring, bedoeld in artikel 25.11.

  • 6.

    De leden en plaatsvervangers zijn niet werkzaam onder de verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur.

Artikel 25.11 Deskundigheid, kennis en ervaring
  • 1.

    Leden van de commissie hebben de professionele deskundigheid, maatschappelijke kennis en ervaring die nodig is voor het uitvoeren van de taken en werkzaamheden, bedoeld in paragraaf 25.2.2.

  • 2.

    Plaatsvervangers hebben deskundigheid, kennis en ervaring die vergelijkbaar is met die van de commissieleden, bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Enkele leden van de commissie hebben deskundigheid op het gebied van monumentenzorg, gelet op artikel 17.9, eerste lid, van de Omgevingswet.

  • 4.

    De disciplines die de leden in gezamenlijkheid kunnen vertegenwoordigen zijn: architectuur, ruimtelijke kwaliteit, cultuurhistorie, bouw- en architectuurhistorie, restauratiearchitectuur, landschap en stedenbouw.

Artikel 25.12 Benoeming van commissieleden
  • 1.

    De leden van de commissie worden door het college van burgemeester en wethouders benoemd op grond van artikel 156, eerste lid van de Gemeentewet.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders informeert de gemeenteraad over deze benoeming.

Artikel 25.13 Termijn en herbenoeming
  • 1.

    De leden kunnen voor een termijn van maximaal vier jaar worden benoemd.

  • 2.

    De leden kunnen eenmaal voor maximaal vier jaar worden herbenoemd.

  • 3.

    Afgetreden leden zijn één jaar na hun aftreden weer benoembaar.

  • 4.

    Het tweede lid is niet van toepassing op plaatsvervangers.

Artikel 25.14 Ontslag van commissieleden
  • 1.

    De leden worden op eigen aanvraag ontslagen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, kunnen leden ook door het college van burgemeester en wethouders worden geschorst en door de gemeenteraad worden ontslagen vanwege ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.

Artikel 25.15 Ondersteuning van de commissie
  • 1.

    De commissie wordt ambtelijk ondersteund door een of meerdere ambtelijke medewerkers.

  • 2.

    Een van de leden van de commissie zorgt voor de verslaglegging en het secretariaat van de commissie, hierbij ondersteund door Dorp, Stad en Land en een of meerdere ambtelijke medewerkers.

  • 3.

    De ambtelijke medewerkers zijn geen lid van de commissie en zijn voor de werkzaamheden die ze uitvoeren voor de commissie alleen verantwoording schuldig aan de commissie.

Paragraaf 25.2.4 Uitvoering van taken en werkzaamheden
Artikel 25.16 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de uitvoering van de taken en werkzaamheden van de Adviescommissie omgevingskwaliteit (hierna: de commissie).

Artikel 25.17 Adviestermijn
  • 1.

    De commissie brengt advies uit binnen een termijn van 4 weken.

  • 2.

    Als het college van burgemeester en wethouders een andere termijn heeft aangegeven, brengt de commissie het advies, in afwijking van het eerste lid, uit binnen de door het college van burgemeester en wethouders aangegeven termijn.

Artikel 25.18 Openbaarheid van vergaderingen
  • 1.

    De vergaderingen zijn openbaar als er een of meer adviezen over aanvragen om omgevingsvergunningen door of namens de commissie worden vastgesteld.

  • 2.

    De openbaarheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor beraadslagingen, de beoordeling en de adviezen.

  • 3.

    De openbaarheid, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor informeel vooroverleg of bij beleidsgerichte, opgavegerichte of ontwerpgerichte advisering.

Artikel 25.19 Verzoek tot geheime behandeling
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kan – al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek indienen om een aanvraag voor een omgevingsvergunning niet openbaar te behandelen.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders motiveren het verzoek met klemmende redenen en op grond van artikel 5.1 van de Wet open overheid.

Artikel 25.20 Geheimhoudingsplicht

Op de leden van de commissie en de daarvoor werkzame personen is een geheimhoudingsplicht van toepassing als bedoeld in artikel 2:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 25.21 Bekendmaking agenda

De agenda van de vergaderingen van de commissie worden tijdig en op een geschikte wijze bekendgemaakt.

Artikel 25.22 Spreekrecht initiatiefnemer
  • 1.

    Degene die de omgevingsvergunning heeft aangevraagd of daartoe gemachtigd is heeft het recht om de aanvraag toe te lichten bij de commissie.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op beraadslagingen.

Artikel 25.23 Randvoorwaarden voor het uitbrengen van advies
  • 1.

    De commissie adviseert alleen over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentactiviteit met betrekking tot een monument als er minimaal twee leden aanwezig zijn met deskundigheid op het gebied van monumentenzorg.

  • 2.

    De commissie adviseert alleen over een aanvraag om een omgevingsvergunning als elk lid of plaatsvervanger dat een direct of indirect persoonlijk belang heeft bij de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft:

    • a.

      zich onthoudt van deelname aan de beraadslagingen over het desbetreffende advies; en 

    • b.

      afwezig is bij de behandeling van het advies en besluitvorming over het advies in de vergadering.

Artikel 25.24 Afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie
  • 1.

    De commissie kan de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning overlaten aan een of meer daartoe aangewezen leden of een subcommissie.

  • 2.

    De commissie kan de voorbereiding van een andere beschikking dan bedoeld in het eerste lid overlaten aan een of meer daartoe aangewezen leden of een subcommissie.

  • 3.

    Het afdoen van de taken en werkzaamheden, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van de commissie.

  • 4.

    Bij toepassing van het eerste en tweede lid geldt het bepaalde in artikel 17.9, eerste lid, van de Omgevingswet onverminderd.

Artikel 25.25 Adviseurs
  • 1.

    De commissie kan zich voor het inwinnen van inlichtingen wenden tot ter zake kundige ambtenaren van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht.

  • 2.

    De commissie kan zich laten bijstaan door andere personen, voor zover dat voor de vervulling van haar taken nodig is.

  • 3.

    De in het eerste en tweede lid bedoelde personen kunnen op uitnodiging van de commissie als adviseur deelnemen aan de beraadslagingen.

Artikel 25.26 Second opinion
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kunnen eenmaal per activiteit als bedoeld in artikel 25.7, tweede lid, een second opinion inwinnen bij een andere adviescommissie.

  • 2.

    Een second opinion wordt pas gevraagd nadat de commissie de mogelijkheid tot heroverweging van het advies heeft gekregen.

  • 3.

    Het college van burgemeester en wethouders stellen de commissie van het voornemen tot het plaatsen van de opdracht, bedoeld in het eerste lid, op de hoogte.

  • 4.

    De commissie neemt een second opinion voor kennisgeving aan.

Artikel 25.27 Informeren bij een afwijkend besluit

Het college van burgemeester en wethouders stellen de commissie ervan op de hoogte als een beschikking wordt genomen in afwijking van het door de commissie uitgebrachte advies.

Paragraaf 25.2.5 Werkwijze commissie en het college van burgemeester en wethouders
Artikel 25.28 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de werkwijze van de Adviescommissie omgevingskwaliteit (hierna: de commissie) en het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 25.29 Reglement van orde
  • 1.

    De commissie stelt haar werkwijze, binnen de kaders van afdeling 25.2, nader vast in een reglement van orde.

  • 2.

    Het reglement van orde bevat in ieder geval:

    • a.

      de werkwijze bij de advisering, bedoeld in artikel 25.7, tweede en derde lid

    • b.

      de inrichting van het vooroverleg, bedoeld in artikel 25.7, zevende lid

    • c.

      de wijze waarop de agenda openbaar wordt gemaakt en belanghebbenden worden uitgenodigd; 

    • d.

      het vereiste quorum voor een besluitvormende agenda, de vergaderorde en orde van de beraadslaging, waarbij er onderscheid wordt aangebracht tussen de toelichtende fase waarin het spreekrecht wordt uitgeoefend en de beraadslagingen; 

    • e.

      de wijze waarop de adviezen openbaar worden gemaakt; 

    • f.

      de instelling van subcommissies; 

    • g.

      de werkwijze bij afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie als bedoeld in artikel 25.24; en 

    • h.

      de selectie en voordracht van kandidaat-leden.

Artikel 25.30 Bekendmaking reglement van orde

Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de bekendmaking van het vastgestelde reglement van orde via de gemeentelijke website.

Artikel 25.31 Aanwijzing en afstemming met andere adviseurs
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kan een supervisor, kwaliteitsteam of een andere adviseur op het gebied van omgevingskwaliteit aanstellen, niet zijnde een lid of adviseur van de commissie.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor een goede afstemming tussen de werkzaamheden van de de adviseur, bedoeld in het eerste lid, en de commissie.

Artikel 25.32 Vergoeding commissieleden en adviseurs
  • 1.

    De leden van de commissie en de adviseurs, bedoeld in artikel 25.25tweede lid, ontvangen voor hun werkzaamheden een vergoeding.

  • 2.

    De vergoeding vindt plaats op grond van de tarieven die jaarlijks worden afgesproken met Dorp, Stad en Land.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid, bepaalt het college van burgemeester en wethouders de vergoeding als een lid of adviseur door de gemeente is voorgesteld of gevraagd.

Artikel 25.33 Jaarverslag
  • 1.

    De commissie brengt jaarlijks een verslag uit aan de gemeenteraad over de door haar verrichte werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar als bedoeld in artikel 17.9, zesde lid van de Omgevingswet.

  • 2.

    In het jaarverslag komt in ieder geval aan de orde:

    • a.

      de wijze waarop toepassing is gegeven aan de kaders als bedoeld in artikel 17.9, derde lid, van de Omgevingswet; en 

    • b.

      de wijze waarop uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van de vergaderingen.

Artikel 25.34 Onvoorzienbaarheid
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders beslist in alle gevallen waarin de regels in afdeling 25.2 niet voorzien en bij gerezen verschillen.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders hoort de commissie, voordat er een beslissing wordt genomen als bedoeld in het eerste lid.

Afdeling 25.3 Aanwijzing gemeentelijke monumenten

Artikel 25.35 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het proces van het aanwijzen van een gemeentelijk monument.

Artikel 25.36 Normaddressaat

Aan de regels in deze afdeling wordt voldaan door het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 25.37 Bekendmaking voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders maakt het voornemen om een gemeentelijk monument aan te wijzen als bedoeld in artikel 8.66, eerste lid, schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

  • 2.

    Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college van burgemeester en wethouders overleg met de eigenaar over het voornemen om deze als gemeentelijk monument aan te wijzen als bedoeld in artikel 8.66, eerste lid.

Artikel 25.38 Bekendmaking aanwijzing tot gemeentelijk monument of voorbeschermd gemeentelijk monument
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders maakt de aanwijzing van een gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 8.66, eerste lid of een voorbeschermd gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 8.67, eerste lid, schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing van een gemeentelijk monument of voorbeschermd gemeentelijk monument direct in het gemeentelijke erfgoedregister.

  • 3.

    Het college van burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing van een gemeentelijk monument in het omgevingsplan door aan de desbetreffende locatie een functie-aanduiding toe te delen als bedoeld in hoofdstuk 8.

Artikel 25.39 Wijzigen van het gemeentelijk erfgoedregister
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kunnen wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten.

  • 2.

    Als het gaat om het schrappen van een gemeentelijk monument uit het erfgoedregister zijn de regels in deze afdeling van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing als het schrappen van de aanwijzing betrekking heeft op een monument of archeologisch monument dat zodanig teniet is gegaan.

Artikel 25.40 Vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk monument
  • 1.

    Een aanwijzing als gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 8.66 vervalt met ingang van de dag waarop het monument of archeologisch monument is ingeschreven in het rijksmonumentenregister, een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders houdt het verval van een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid onverwijld bij in het gemeentelijke erfgoedregister.

EEEEEEEE

Artikel 28.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 28.5 Overgangsrecht handhavingsbesluiten

  • 1.

    Op een bestuurlijke sanctie ter uitvoering of handhaving van regels in een  gemeentelijke verordening die nadat het besluit is genomen zijn opgegaan in dit  omgevingsplan, blijft het recht zoals dat luidde voor de wijziging op die  bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:

    • a.

      de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd;

    • b.

      de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of

    • c.

      als de beschikking gaat om oplegging van een last onder dwangsom:

      • 1°.

        de last volledig is uitgevoerd;

      • 2°.

        de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of

      • 3°.

        de last is opgeheven.

  • 2.

    Op een bestuurlijke sanctie ter uitvoering of handhaving van regels in dit  omgevingsplan, die nadat het besluit is genomen gewijzigd in werking zijn  getreden, blijft het recht zoals dat luidde voor de wijziging op die  bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:

    • a.

      de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd;

    • b.

      de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of

    • c.

      als de beschikking gaat om oplegging van een last onder dwangsom:

      • 1°.

        de last volledig is uitgevoerd;

      • 2°.

        de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of

      • 3°.

        de last is opgeheven.

FFFFFFFF

Na artikel 28.5 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 28.6 Overgangsrecht met betrekking tot ruimtelijke regels over bouwwerken als bedoeld in hoofdstuk 6

  • 1.

    Een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking treedt legaal aanwezig is en afwijkt van het omgevingsplan na wijziging, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

    • a.

      in stand worden gehouden, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden; of

    • b.

      na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

  • 2.

    Onder een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking treedt legaal aanwezig is, wordt in dit artikel tevens verstaan een bouwwerk dat in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen.

  • 3.

    Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.

Artikel 28.7 Overgangsrecht met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

Voor de toepassing van dit omgevingsplan wordt onder een (voorbeschermd) gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen.

GGGGGGGG

Artikel 29.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 29.1 Delegatie afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie

Het college van burgemeester en wethouders kan voor bedrijventerreinen binnen het 'bodembeheergebied grond en baggerspecie' bepalen dat artikel 11.15, eerste lideerste lid niet van toepassing is.

HHHHHHHH

Na afdeling 29.1 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 29.2 Bevoegdheid tot het aanwijzen van gemeentelijke monumenten

Artikel 29.3 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over de bevoegdheid tot het aanwijzen van gemeentelijke monumenten.

Artikel 29.4 Delegatiebepalingen

  • 1.

    De gemeenteraad delegeert de bevoegdheid tot het aanwijzen van een gemeentelijk monument aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    De gemeenteraad delegeert de bevoegdheid tot het aanwijzen van een voorbeschermd gemeentelijk monument aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    De gemeenteraad delegeert de bevoegdheid tot het intrekken, vervallen of in enig opzicht wijzigen van de aanwijzing als gemeentelijk monument aan het college van burgemeester en wethouders.

IIIIIIII

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I Begripsbepalingen

24-uurshoreca

24-uurshoreca: het verrichten van horeca-activiteiten, waaronder begrepen het exploiteren van een horecabedrijf, primair gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van etenswaren en/of licht- of niet-alcoholische dranken voor nuttiging al dan niet ter plaatse, met de bevoegdheid om 24 uur per dag open te zijn, zoals fastfoodrestaurants met of zonder drive-through.

aansluitafstand  

Aansluitafstand: afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein  

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein: cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

AS SIKB 2000  

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;

asbestgevoelige locatie

Asbestgevoelige locatie: openbare kinderspeelplaatsen, achtertuinen bij woningen, volk-/moestuinen, tuinen en verhardingen die horen bij een school en openbare plantsoenen in woonwijken;

bebouwingsgebied  

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

ballenvanger

Ballenvanger: hoge afscheiding die wordt gebouwd met als doel ballen tegen te houden op een sportlocatie, speelplek of recreatieterrein; 

bebouwingsgebied

Bebouwingsgebied: achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijke hoofdgebouw;

bed enand breakfast

Bed and breakfast: het bieden van de ten opzichte van de hoofdactiviteit ondergeschikte mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben;

bedrijfswoning

Bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de gebruiksactiviteit die daar feitelijk wordt verricht, noodzakelijk is;

beroep of bedrijf aan huis

Beroep of bedrijf aan huis: beroeps- of bedrijfsactiviteit dat op kleine schaal in een woning en/of in een bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend;

bindmiddelen

Bindmiddelen: niet-vormgegeven stoffen die aan de bodem worden toegevoegd met als resultaat dat samen met de in de bodem aanwezige grond een stabilisaat ontstaat, waaronder in ieder geval kalk, cement en gips;

bodemfunctieklassen

Bodemfunctieklassen: de klassen die zijn vastgelegd in de bodemfunctiekaart. De meest actuele versie van de bodemfunctiekaart is te vinden via de website www.ozhz.nl/;

bodemgevoelige locatie

Bodemgevoelige locatie: een bodemgevoelige locatie als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving in artikel 5.89h;

bodemkwaliteitsklassen

Bodemkwaliteitsklassen: de klassen die zijn vastgelegd in de bodemkwaliteitskaarten. De meest actuele versie van de bodemkwaliteitskaarten is te vinden via de website www.ozhz.nl;

bodemonderzoek

Bodemonderzoek: onderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

Bomen Effect Analyse

Bomen Effect Analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouwactiviteit(en) of van grondwerkzaamheden voor een boom of houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting;

boom

Boom: één (of meerdere) houtig, opgaand gewas, zowel levend als afgestorven;

bouwlaag

Bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

BRL SIKB 2000  

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;

BRL SIKB 7000  

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;

concentratiegebied geurhinder en veehouderij  

Concentratiegebied geurhinder en veehouderij: gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;

dakkapel

Dakkapel: een constructie ter vergroting van een gebouw die zich tussen de dakvoet en de daknok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de daknok is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst;

dakopbouw

Dakopbouw: een constructie ter vergroting van een gebouw die zich boven de dakvoet bevindt, waarbij deze constructie deels boven de oorspronkelijke daknok uitkomt en de onderzijden van de constructie in één of beide dakvlak(ken) is (zijn) geplaatst;

detailhandel

Detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

dierenweide

Dierenweide: een dagrecreatieve activiteit die slechts beperkt toegankelijk is voor publiek, waarbij het houden van (landbouw)huisdieren plaatsvindt vanuit een educatief, cultureel en/of recreatief doel;

distributienet voor warmte  

Distributienet voor warmte: collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;

dunning

Dunning: velling, welke uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende boom of houtopstand moet worden beschouwd;

elektriciteitsnet

Elektriciteitsnet: een transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit;

energieopslagsysteem

Energieopslagsysteem: de samenstelling van de lithiumhoudende energiedragers, omvormers, eventueel transformatoren, datacommunicatie, (subsysteem) EMS (systeemcontroller), elektrische infrastructuur;

gebruiksactiviteit

Gebruiksactiviteit: het gebruiken van gronden en bouwwerken;

gedenkteken

Gedenkteken: voorwerp op een graf voor het aanbrengen van opschriften en/of figuren, ter nagedachtenis aan een overledene, sierurnen daaronder begrepen;

geurgevoelig object  
  • a.

    gebouw:

    • i.

      dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;

    • ii.

      dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en

    • iii.

      dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of

  • b.

    geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;

Geurgevoelig object: gedenkteken: voorwerp op een graf voor het aanbrengen van opschriften en/of figuren, ter nagedachtenis aan een overledene, sierurnen daaronder begrepen;

gezoneerd industrieterrein  

Gezoneerd industrieterrein: industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

Goede omgevingskwaliteit

Goede omgevingskwaliteit: goede omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de wet;

grafkelder

Grafkelder: een betonnen of gemetselde constructie waarin één of meerdere stoffelijke overschotten worden begraven of asbussen worden bijgezet;

Groene Kaart

Groene Kaart: kaart met daarop aangegeven de beschermde bomen of beschermde houtopstanden;

grondstabilisatie

Grondstabilisatie: het stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat als gevolg van de toevoeging van bindmiddelen aan de bodem;

grondwatergevoelig gebouw

Grondwatergevoelig gebouw: een gebouw als bedoeld in artikel 7.27 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening;

grondwatergevoelige locatie

Grondwatergevoelige locatie: een locatie als bedoeld in artikel 7.28 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening;

grondwaterverontreiniging

Grondwaterverontreiniging: een verontreiniging als bedoeld in artikel 7.30 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV);

handelsreclame

Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; 

hoogovenslak

Hoogovenslak: slak die is vrijgekomen bij de bereiding van ruwijzer in een hoogoven;

horeca-activiteiten

Horeca-activiteiten: het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf;

hotelsector

Hotelsector: het verrichten van een horeca-activiteit, waaronder begrepen het exploiteren van een horecabedrijf, primair gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf, zoals hotels en pensions.

huishouden

Huishouden: persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen;

ISO 11423-1  

ISO 11423-1:1997: Water - Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden - Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;

jongerenontmoetingsplek

een specifiek aangewezen locatie, ingericht voor het samenkomen van jongeren, waar zij kunnen deelnemen aan recreatieve, sportieve en sociale activiteiten;

Jongerenontmoetingsplek: een openbare voorziening die als zodanig door het gemeentebestuur is aangewezen en voor jongeren is ingericht als een plek om samen te komen en recreatieve, sportieve en/of sociale activiteiten te ondernemen;

kandelaberen

Kandelaberen: het terugsnoeien van de kroon tot een hoofdstam met takstompen;

kappen

Kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de boom of houtopstand;

kas

Kas: een bouwwerk van bijna alleen maar glas of ander lichtdoorlatend materiaal;

kelderkoekoek

Kelderkoekoek: een uitgebouwde bak aan de buitenkant van een kelderwand die bedoeld is om licht en/of lucht toe te laten treden in een kelder of souterrain;

kinderboerderij

Kinderboerderij: een dagrecreatieve activiteit die toegankelijk is voor publiek, waarbij het houden van (landbouw)huisdieren en het directe contact met dieren (onder toezicht) plaatsvindt vanuit een educatief en/of recreatief doel;

kinderdagverblijf

Kinderdagverblijf: een vorm van kinderopvang voor kinderen met de leeftijd van 0 tot 4 jaar;

kinderopvang

Kinderopvang: het bedrijfsmatig opvangen, verzorgen, opvoeden en begeleiden van kinderen die het basisonderwijs nog niet hebben beëindigd, maar geen gastouderopvang als bedoeld in de Wet Kinderopvang;

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor  

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:

Landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: het bedrijfsmatig opvangen, verzorgen, opvoeden en begeleiden van kinderen die het basisonderwijs nog niet hebben beëindigd, maar geen gastouderopvang als bedoeld in de Wet Kinderopvang;

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; en

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • i.

      rundvee tot 24 maanden;

    • ii.

      kalkoenen;

    • iii.

      eenden; of

    • iv.

      parelhoenders;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor  

Landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren;

LD-staalslak

LD-staalslak: slak die vrijkomt bij de bereiding van staal volgens de methode van Linz-Donawitz;

lichte horeca

Lichte horeca: het verrichten van horeca-activiteiten, waaronder begrepen het exploiteren van een horecabedrijf, primair gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van etenswaren en/of licht- of niet-alcoholische dranken voor nuttiging al dan niet ter plaatse, zoals broodjeszaken, ijssalons, eethuisjes en lunchrooms.

ligplaats

Ligplaats: het afmeren en vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig;

maatschappelijk maatschappelijke activiteiten

Maatschappelijke activiteiten: activiteiten met betrekking tot overheids-, gezondheidskundige-, onderwijs-, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke en vergelijkbare maatschappelijke voorzieningen, kinderdagverblijven en kinderopvang;

markt

Markt: door het college ingestelde warenmarkt;

metaalslakken

Metaalslakken: metaalslakken zoals hoogovenslak, fosforslak, gieterijslak, koperslak of LD-staalslak;

middelzware horeca

Middelzware horeca: het verrichten van horeca-activiteiten, waaronder begrepen het exploiteren van een horecabedrijf, primair gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van maaltijden en/of (al dan niet alcoholhoudende) dranken voor nuttiging ter plaatse, zoals restaurants, bistro’s en (grand) cafés.

NEN 5725  

NEN 5725:2017: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;

NEN 5740  

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;

NEN 6090  

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;

NEN 6578

NEN 6578:2011: Water - Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;

NEN 6589  

NEN 6589:2005/C1:2010: Water - Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;

NEN 6600-1  

NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019;

NEN 6965  

NEN 6965:2005: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten - Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;

NEN 6966  

NEN 6966:2006: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;

NEN-EN 858-1/A1  

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;

NEN-EN 858-2  

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;

NEN-EN 872  

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;

NEN-EN 1825-1  

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;

NEN-EN 1825-2  

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;

NEN-EN 12566-1  

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;

NEN-EN 12673  

NEN-EN 12673:1999: Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;

NEN-EN 16693  

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;

NEN-EN-ISO 2813  

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen - Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;

NEN-EN-ISO 5667-3  

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

NEN-EN-ISO 5815-1  

NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;

NEN-EN-ISO 5815-2  

NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;

NEN-EN-ISO 9377-2  

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;

NEN-EN-ISO 9562  

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water - Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

NEN-EN-ISO 10301  

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden, versie 1997;

NEN-EN-ISO 10523  

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water - Bepaling van de pH, versie 2012;

NEN-EN-ISO 11885  

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;

NEN-EN-ISO 12846  

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-1  

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water - Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-2  

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water - Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 15587-1  

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15587-2  

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15680  

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met 'purge-and-trap' en thermische desorptie, versie 2003;

NEN-EN-ISO 15682  

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

NEN-EN-ISO 15913  

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water - Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;

NEN-EN-ISO 17294-2  

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;

NEN-EN-ISO 17852  

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;

NEN-EN-ISO 17993  

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;

NEN-ISO 15705  

NEN-ISO 15705:2003: Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;

NEN-ISO 15923-1  

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;

nutsvoorziening

Nutsvoorziening: een voorziening ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van ondergrondse afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;

ondergronds bouwwerk

Ondergronds bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die onder het straatpeil is gelegen;

open erf

Open erf: onbebouwd deel van een gebouwerf;

openbare ruimte

Openbare ruimte: openbaar toegankelijk gebied als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving

overkapping

Overkapping: Een bouwwerk geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak;

peil

Peil:

  • 1.

    voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg, gemeten in het midden (as) van de weg;

  • 2.

    voor een bouwwerk in het water: het waterpeil;

  • 3.

    in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouw zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

pergola

Pergola: een bouwwerk geen gebouw zijnde, bestaande uit een open constructie van staanders en liggers, waarlangs en waarover beplanting kan worden aangebracht voor privacy of bescherming tegen de zon;

PGS 37-1 Lithiumhoudende energiedragers

 PGS 37-1 Lithiumhoudende energiedragers: richtlijn voor de veilige opslag van elektriciteit in energieopslagsystemen. De laatste versie is vastgesteld door de Bob (Bestuurlijk Omgevingsberaad);

plattelandswoning

Plattelandswoning: een voormalige agrarische bedrijfswoning die mag worden gebruikt voor bewoning als burgerwoning door derden die geen functionele binding hebben met het bijbehorende (agrarische) bedrijf, en die niet wordt beschermd tegen milieugevolgen van het bijbehorende bedrijf;

reclame

Reclame: iedere openbare en/of systematische directe dan wel indirecte aanprijzing van goederen, diensten en/of denkbeelden door een adverteerder of geheel of deels ten behoeve van deze, al dan niet met behulp van derden. Onder reclame wordt mede verstaan het vragen van diensten;

recreatie-activiteiten

Recreatie-activiteiten: activiteiten met betrekking tot dagrecreatie, zoals volkstuinen, zwembaden en ligplaatsen voor de pleziervaart (al dan niet in een jachthaven);

rooien

Rooien: het geheel verwijderen van het boven- en ondergrondse deel van de boom of houtopstand;

seizoensgebonden bouwwerk

Seizoensgebonden bouwwerk: een tijdelijk bouwwerk dat jaarlijks in een specifiek seizoen wordt geplaatst, gebruikt en weer verwijderd, zoals een strandpaviljoen, portakabin of poffertjeskraam;

sociale huurwoning

Sociale huurwoning: een huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens als bedoeld in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op de huurtoeslag, waarbij de instandhouding voor de in een gemeentelijke verordening omschreven doelgroep voor ten minste tien jaar na ingebruikname is verzekerd;

sociale koopwoning

Sociale koopwoning: een koopwoning met een koopprijs vrij op naam van ten hoogste € 200.000, waarbij de instandhouding voor de in een gemeentelijke verordening omschreven doelgroep voor een in de verordening vastgesteld tijdvak van ten minste een jaar en ten hoogste tien jaar na ingebruikname is verzekerd;

sport

Sport: activiteiten met betrekking tot sporthallen, sportvoorzieningen en sportscholen;

sportactiviteiten

Sportactiviteiten: activiteiten gericht op het bieden van de gelegenheid tot het beoefenen van mentale of fysieke sport;

standaardbodem

Standaardbodem: standaardbodem als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit 2022, bijlage GII

standplaats

Standplaats: ruimte aangewezen voor het op een in de open lucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden gebruik makend van fysieke middelen, zoals kraam, een wagen of een tafel;

steiger

Steiger: constructie die over een oppervlaktewaterlichaam is geplaatst of daaraan grenst en is verankerd in het achterliggende perceel. Onder steiger wordt mede verstaan een vlonder of dek;

straatpeil  

straatpeil:

  • a.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • b.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

terras

Terras: een in de open lucht liggend deel van een horecabedrijf waar ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken worden verstrekt;

terrein

Terrein: bij een bouwwerk behorend onbebouwd bouwwerkperceel, of een gedeelte daarvan, niet zijnde een gebouwerf;

tijdelijke standplaats

Tijdelijke standplaats: een door de gemeente aangewezen standplaats die slechts gedurende een periode van drie maanden per jaar wordt ingenomen voor de verkoop van bijvoorbeeld seizoensgebonden waren en goederen;

toepassingszones

Toepassingszones: de zones die zijn vastgelegd in de toepassingskaart, dit is een combinatie van bodemkwaliteitskaarten en bodemfunctiekaarten. De meest actuele versie van de toepassingskaart is te vinden via de website www.ozhz.nl/;

tuincentrum

Tuincentrum: een vorm van detailhandel waarbij het hoofdassortiment bestaat uit boomkwekerijproducten, planten, bloembollen, bloemen, attributen voor de inrichting en het onderhoud van tuinen, balkons en terrassen waaronder tuinmeubilair, en de daarbij benodigde hulpmaterialen;

vaartuig

Vaartuig: een vervoermiddel voor vervoer over wateroppervlakten, waaronder tevens begrepen een vaartuig zonder waterverplaatsing, een casco, een vaartuig in aanbouw en een vaartuig dat de geschiktheid tot varen of drijven heeft verloren;

vaste standplaats

Vaste standplaats: een door de gemeente aangewezen standplaats die gedurende het gehele jaar voor maximaal twee dagen per week mag worden ingenomen;

vellen

Vellen: rooien; kappen; verplanten; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de boom of houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

verkoopvloeroppervlakte

Verkoopvloeroppervlakte: de voor het publiek zichtbare en toegankelijke besloten winkelruimte ten behoeve van de detailhandel;

volkstuin

Volkstuin: een perceel grond dat geen deel uitmaakt van de grond waarop de woning van de gebruiker staat, waarop de gebruiker gewassen kweekt voor eigen gebruik;

volumineuze detailhandel

Volumineuze detailhandel: een vorm van detailhandel waarbij het hoofdassortiment bestaat uit omvangrijke goederen waarvoor een grote uitstallingsruimte nodig is, zoals bedden, keukens en fietsen;

volwaardig agrarisch bedrijf

Volwaardig agrarisch bedrijf: agrarisch bedrijf dat naar aard, omvang, redelijkerwijs te verwachten continuïteit en gelet op de arbeidsbehoefte als zodanig moet worden aangemerkt. De omvang omvat ten minste één volwaardige arbeidskracht met een daarbij passende arbeidsomvang en een daaruit de verwachten redelijk inkomen;

voorgevel

Voorgevel: de gevel van een hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt;

warmteplan  

Warmteplan: besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen;

wkk-installatie

Wkk-installatie: een installatie voor warmtekrachtkoppeling die het mogelijk maakt de bij de opgewekte elektriciteit vrijkomende warmte te benutten;

woning

Woning: een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van personen;

woonwagen

Woonwagen: een gebouw, bedoeld voor de huisvesting van personen, dat is geplaatst op een door de gemeente aangewezen woonwagenstandplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;

zorgwoning

Zorgwoning: met woningen vergelijkbare huisvesting, mede gericht op het verlenen van zorg, al dan niet met gemeenschappelijke voorzieningen;

zware horeca

Zware horeca: het verrichten van horeca-activiteiten, waaronder begrepen het exploiteren van een horecabedrijf, primair gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van alcoholische dranken voor nuttiging ter plaatse, zoals bars, discotheken en nachtclubs.

zwembad

Zwembad: een badinrichting waar mensen voor hun plezier, voor de sport of als therapie kunnen gaan zwemmen;

JJJJJJJJ

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

Achter vrouwgelenweg 80

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_b1ae3c719f514486ab068557311032ce/nld@2026‑06‑11;1

Afschermend groen

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_d5c23955b3dc4349ae5a45c0927a1c43/nld@2026‑06‑11;1

Afwijkende erf- of perceelafscheidingen

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_e2684f06652d45d5b2cadf94ee526402/nld@2026‑06‑11;1

Agrarische activiteit glastuinbouw

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_ccc4d7e071764b9aa0d6d99cf61c3864/nld@2026‑06‑11;1

Andere natuurgebieden

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_fc0374ebeebd4f708ff60f71b995a5c6/nld@2026‑06‑11;1

Antennemast

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_657939a90786484db03cd2a5bd14a17c/nld@2026‑06‑11;1

Archeologisch monument

/join/id/regdata/gm0531/2026/gebiedsaanwijzing_628a014aaaa7454f83e11185411fd86e/nld@2026‑06‑11;1

Archeologische verwachtingswaarde - Categorie 1

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_d2345e3482ca4173ae6493bbde2c044d/nld@2026‑06‑11;1

Archeologische verwachtingswaarde - Categorie 2

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_512f8d2bed9f43439227cdfd3419578e/nld@2026‑06‑11;1

Archeologische verwachtingswaarde - Categorie 3

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_6e68f214631c41a2ba1b637103122203/nld@2026‑06‑11;1

Archeologische verwachtingswaarde - Categorie 4

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_f6faddd069d949d49e2a1857ffca1278/nld@2026‑06‑11;1

Archeologische verwachtingswaarde - Categorie 5

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_477cbf4022724d51afe71ccb563e05b5/nld@2026‑06‑11;1

Archeologische verwachtingswaarde - Categorie 6

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_18fb44d592fd417992fd2b7e56c0da67/nld@2026‑06‑11;1

Bebouwingscontour houtkap

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_67cd1c0fc228446fa1177dfdb6131d1f/nld@2026‑06‑11;1

Bedrijfsactiviteit ligplaats voor de beroepsvaart

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_5a5e8bf42a38480f80440adc6ef8f644/nld@2026‑06‑11;1

Bedrijfsmatige kassen

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_970f5b646a0e4bb594cd8fef106dac60/nld@2026‑06‑11;1

Bedrijventerrein Ambachtsezoom

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_a4648d598b76408a9a204082c39d7fcf/nld@2026‑06‑11;1

Beeldkwaliteitsplannen

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_da4970b6c88a45c7a605ca30457194a6/nld@2026‑06‑11;1

Begraafplaats

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_84a16b70c00345688591851a21e61a1b/nld@2026‑06‑11;1

Bekende archeologische waarde - Categorie 1

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_8bfaf3c62dac4c90923ed3fab20c24b1/nld@2026‑06‑11;1

Bekende archeologische waarden - Categorie 2

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_490cf78ff0ba4e98a6e7e57e515a2b29/nld@2026‑06‑11;1

Beperkingengebied hoofdwatergang en waterberging

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_bdce99666449468fb9dda85d881ac2fc/nld@2026‑06‑11;1

Beperkingengebied leidingen

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_cb6ef8e8ed6d4457b8b59d56c39977b1/nld@2026‑06‑11;1

Beperkingengebied rijksvaarweg

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_0bd0244f8b7e460eb7a91e823e9b0049/nld@2026‑06‑11;1

Beperkingengebied waterkering

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_641d4da72b7c40419246b9da35b40d71/nld@2026‑06‑11;1

Beperkingengebied waterwinning

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_58be3ee4bc8540adbec3292ad50bab89/nld@2026‑06‑11;1

Bewoning alleen door een afzonderlijk huishouden

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_1d8a2075164c4f1db8bd926f14cb49fe/nld@2026‑06‑11;1

Bezoekerscentrum

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_eb05039d318d47b196df18da2d25b806/nld@2026‑06‑11;1

Bijbehorende bouwwerken bij de woonwagens

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_5c85d300410d427697f917ff1abb0b97/nld@2026‑06‑11;1

Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_01b47bc294484b7b98264baf6747d4ca/nld@2026‑06‑11;1

Bijbehorende bouwwerken in het zijerf

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_e5f244484e884b9aad1faae9e5d92c17/nld@2026‑06‑11;1

Bijbehorende bouwwerken op alternatieve locaties

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_8dbee94843e6474caadfd97ce8cdf92b/nld@2026‑06‑11;1

Bijbehorende bouwwerken op Waterlandgoed De Noorden

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_2dfb33c06a0245749ef4deb59f8b4898/nld@2026‑06‑11;1

bodembeheergebied grond en baggerspecie

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_e023663f51614c41945ac6cb41d496d9/nld@2026‑06‑11;1

Bootverbinding Sophiapolder

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_7095c49258544d86a60b0104eaae1b6c/nld@2026‑06‑11;1

Bouwlocaties

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_71d307f614084bda84691a4ee3ef708a/nld@2026‑06‑11;1

Bouwvlak

/join/id/regdata/gm0531/2026/gebiedsaanwijzing_9149e115ae5249a6905612d8beac72a2/nld@2026‑06‑11;1

Bouwwerken geen gebouw zijnde

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_fef38e56c9454f47ace1d0939424efc1/nld@2026‑06‑11;1

Brug

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_f706786d00324edf830ddfd0e5e37547/nld@2026‑06‑11;1

Circulair Bedrijvenpark Ambachtsezoom

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_5cecd59d58e344a8885419aa7648ae8f/nld@2026‑06‑11;1

Dakkapel

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_f5dd828d13f84fe38a8287f6a35dfab7/nld@2026‑06‑11;1

Dakopbouw

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_f1f70a342e9a44b4b140c73af53e9229/nld@2026‑06‑11;1

Dek van de Waterwoningen

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_b84e722fabce4d15a4b184d31b7e88e5/nld@2026‑06‑11;1

Detailhandelsactiviteit - Basis

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Detailhandelsactiviteit_-_Basis/nld@2025‑06‑16;10001

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_d63aa06594fc47f6befbec2169e53ea3/nld@2026‑06‑11;1

Detailhandelsactiviteit - Detailhandel in motorbrandstoffen

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_cab85c401aea4d30b4dde5dca22372c3/nld@2026‑06‑11;1

Detailhandelsactiviteit - Tuincentrum

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_b907b8f80a3b44eca5de01d5171db6d2/nld@2026‑06‑11;1

Detailhandelsactiviteit - Volumineuze detailhandel

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_0a1ab61891964534ab588970041ddf8b/nld@2026‑06‑11;1

Detailhandelsactiviteiten alleen op de begane grond

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Detailhandelsactiviteiten_alleen_op_de_begane_grond/nld@2025‑06‑16;10001

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_547f9a5cf51f41b5b1cea1dcf7e12f60/nld@2026‑06‑11;1

Dienstwoning

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_f439ff42a4c64f149bf814c01bd3a67f/nld@2026‑06‑11;1

Detailhandelsactiviteit - Volumineuze detailhandel

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Detailhandelsaciviteit_-_Volumineuze_detailhandel/nld@2025‑06‑16;10001

Ecologische verbindingszone

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_b993054b73474b128bdfde0995c4738c/nld@2026‑06‑11;1

Erkers of andere uitbouwen

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_666dae85d2b44495b0cf4c9493edf333/nld@2026‑06‑11;1

Detailhandelsactiviteit - Tuincentrum

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Detailhandelsaciviteit_-_Tuincentrum/nld@2025‑06‑16;10001

Extra voorwaarde bouwhoogte tot de eerste bouwlaag bij aan- of uitgebouwd

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_168ca7a3332141f793c1fea4e5b543bd/nld@2026‑06‑11;1

Extra voorwaarde bouwhoogte tot de eerste bouwlaag bij vrijstaand

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_46780fe9d1fb462786d5f00b3262bbfd/nld@2026‑06‑11;1

Extra voorwaarde goothoogte

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_74766156285a4a919bf587d7e3bb9a3e/nld@2026‑06‑11;1

Extra voorwaarde goothoogte tot de eerste bouwlaag bij aan- of uitgebouwd

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_281e5eaa8fe64c879b048d712a103611/nld@2026‑06‑11;1

Extra voorwaarde goothoogte tot de eerste bouwlaag bij vrijstaand

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_73e160b0fda14f849aef1067a9068ce8/nld@2026‑06‑11;1

Extra voorwaarde situering

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_56d8a0cba0404c129c43e1fd80a93602/nld@2026‑06‑11;1

Fietsenstalling

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_0875d2b733a148ee9e523ce38f9c36a5/nld@2026‑06‑11;1

Florensis

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_cec992621a0c484ab2a1afa2f1f4a496/nld@2026‑06‑11;1

Garage aan de Vrouwgelenweg 84

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_54f491806498479380f3166501dff8e4/nld@2026‑06‑11;1

Detailhandelsactiviteit - Detailhandel in motorbrandstoffen

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Detailhandelsaciviteit_-_Detailhandel_in_motorbrandstoffen/nld@2025‑06‑16;10001

Gebouwen in het bouwvlak

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_0fdc2218c1ce4ae79059cf084cfcf5ce/nld@2026‑06‑11;1

Gebouwen op alternatieve locaties

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_6b9c685f1fcc4ea58e5e27002bc172c6/nld@2026‑06‑11;1

Maximum verkoopvloeroppervlakte van een gemakswinkel

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Maximum_vloeroppervlakte_van_een_gemakswinkel/nld@2025‑06‑16;10001

Gebouwen voor onderhoud en beheer

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_02428a99ac8d427a825abc99e314d4e4/nld@2026‑06‑11;1

Mobilityhub

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Mobilityhub/nld@2025‑06‑16;10001

Gemakswinkel

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_6a3f3df5306740119edcdc201b57ee17/nld@2026‑06‑11;1

Gemeentelijke natuurgebieden

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_e008fb5086ec4d4fa34348fd34c36280/nld@2026‑06‑11;1

Groene etalage

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_043e408796e64f5ba66e3eae540a5358/nld@2026‑06‑11;1

Grote voortuinen

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_a8f1a92828574eec9b9f940fa5f7e8fc/nld@2026‑06‑11;1

herkomstgebied en toepassingsgebied De Volgerlanden

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_809bb03ef3a746aabeb525d261105450/nld@2026‑06‑11;1

Historische havenkraan

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_fccf3abda9434d09b653468d3cd9db8b/nld@2026‑06‑11;1

Horeca-activiteit - 24-uurshoreca

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_0be9e3bc5e1e4be582498ab6f70ebdc4/nld@2026‑06‑11;1

Horeca-activiteit - Hotelsector

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_496425d536754d449402b2c51c2e6aed/nld@2026‑06‑11;1

Horeca-activiteit - Lichte horeca

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Horeca_activiteit_Lichte_horeca/nld@2025‑06‑16;10001

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_cd765d1ad9954e1b80e4e0f8606ddf29/nld@2026‑06‑11;1

Horeca-activiteit - Middelzware horeca

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Horeca_activiteit_Middelzware_horeca/nld@2025‑06‑16;10001

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_ecffcc131e8c432dad9983c49a0427ec/nld@2026‑06‑11;1

Horeca-activiteiten alleen op de begane grond

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_bcd7e7ae0df74820aae3d62b5104b58e/nld@2026‑06‑11;1

Hoveniersbedrijf

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_1979ab83b5c44e9d9c0b2910caf88bc4/nld@2026‑06‑11;1

Jongerenontmoetingsplek

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_ff8a57b037f64b64831be4c24b9f1c91/nld@2026‑06‑11;1

Kade van de Noordoevers

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_909c9e46e66d4fc1a92f289b7d07bb0d/nld@2026‑06‑11;1

Karakteristiek agrarisch landschap

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_b333e2fef77f4dbaba04e92964a39709/nld@2026‑06‑11;1

Kerkgebouw van Zuidwende-Zuid

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_b367a26acccc40b0be6865d8e4e3ee98/nld@2026‑06‑11;1

Koetsenverhuurbedrijf

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_92b2e1eac4754493b3f6fc2a89371768/nld@2026‑06‑11;1

Landelijk gebied

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_76cd3d0d03db4d3db884338d49e3e284/nld@2026‑06‑11;1

Lichtmast

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_b117442812744f0da2cfdd6c03ac7168/nld@2026‑06‑11;1

locaties nazorg Omgevingswet

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_4245b63447d64d9d8b31494ec7e9ce46/nld@2026‑06‑11;1

Maatschappelijke activiteit - Basis

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Maatschappelijke_activiteit_Basis/nld@2025‑06‑16;10001

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_098da6f6c5934de99c0bd203b7beae12/nld@2026‑06‑11;1

Maatschappelijke activiteiten alleen op de begane grond

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Maatschappelijke_activiteiten_alleen_op_de_begane_grond/nld@2025‑06‑16;10001

Maatschappelijke activiteit - Begraafplaats en uitvaartcentrum

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_4342f174bd354618817cd83c57f33a8d/nld@2026‑06‑11;1

Maatschappelijke activiteit - Brandweerkazerne

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_7134f707929f41b48a8480f1f75f57f0/nld@2026‑06‑11;1

Maatschappelijke activiteit - Kinderopvang

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Maatschappelijke_activiteit_Kinderopvang/nld@2025‑06‑16;10001

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_19a0fe0c51974657a8b27909c981e839/nld@2026‑06‑11;1

Maatschappelijke activiteit kinderopvang alleen op de begane grond

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Maatschappelijke_activiteit_Kinderopvang_alleen_op_de_begane_grond/nld@2025‑06‑16;10001

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_d7475feefef04b5ba62e186e59c1424e/nld@2026‑06‑11;1

Maatschappelijke activiteiten alleen op de begane grond

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_796a66d4ca2c461d8f1de415b19a1456/nld@2026‑06‑11;1

Maatschappelijke activiteit - Begraafplaats en uitvaartcentrum

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Maatschappelijke_activiteit_Begraafplaats_en_uitvaartcentrum/nld@2025‑06‑16;10001

maximum aantal woningen

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_126e57488aca4021b32d77c5d6f2b3b6/nld@2026‑06‑11;1

maximum bebouwingspercentage van het gebouwerf

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_76ac8fb51f144b52944c35768c7df111/nld@2026‑06‑11;1

Maatschappelijke activiteit - Brandweerkazerne

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Maatschappelijke_activiteit_Brandweerkazerne/nld@2025‑06‑16;10001

maximum bouwhoogte aan- of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_d15adb833d874c8fb65721f17161bccd/nld@2026‑06‑11;1

maximum bouwhoogte aan- of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk met kap

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_d411f6b0f3b5421686a8d8bdea31fa5d/nld@2026‑06‑11;1

Recreatie-activiteit - Volkstuin

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Recreatie_activiteit_-_Volkstuin/nld@2025‑06‑16;10001

maximum bouwhoogte bijbehorend bouwwerk op een alternatieve locatie

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_aadff5288de64cc8b8cedc76aa5621a2/nld@2026‑06‑11;1

maximum bouwhoogte bouwwerk geen gebouw zijnde

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_ee8725a0d94a4683981d72d7159f46ac/nld@2026‑06‑11;1

maximum bouwhoogte brug

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_883a7be8cf2048a79724b6a44b416df4/nld@2026‑06‑11;1

maximum bouwhoogte erf- of perceelafscheiding

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_f32ad49c3b804de1a36d8f99e47bdc57/nld@2026‑06‑11;1

maximum bouwhoogte gebouw in het bouwvlak

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_217c8a0c29d1474dac999c85ced033e1/nld@2026‑06‑11;1

maximum bouwhoogte gebouw op een alternatieve locatie

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_7942d2f215f24ed0b94f4f224c3ef413/nld@2026‑06‑11;1

maximum bouwhoogte kas

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_9af875b1cdf641488fd7751ccfe13563/nld@2026‑06‑11;1

maximum bouwhoogte lichtmast

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_eecee1da56fc416b880bbd49a9c7b6e9/nld@2026‑06‑11;1

maximum bouwhoogte ondergronds bouwwerk

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_ff71fec20a424cf29061aea98a69156b/nld@2026‑06‑11;1

maximum bouwhoogte overkapping

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_4f1e90f637e940f088e57b60183e6998/nld@2026‑06‑11;1

maximum bouwhoogte pergola

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_987686b32e634aeaa4576b73891ad872/nld@2026‑06‑11;1

maximum bouwhoogte schachtgebouw

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_5138bc8136d743309cf3fbd35a3227a6/nld@2026‑06‑11;1

maximum bouwhoogte steiger

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_69c8ecb92eea4afb8c2f10beb64f32d6/nld@2026‑06‑11;1

maximum bouwhoogte vrijstaand bijbehorend bouwwerk

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_e59436e625b144638c149756266103f2/nld@2026‑06‑11;1

maximum dakhelling gebouw

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_c8246ea5f1ca425182a5886846a84bb0/nld@2026‑06‑11;1

maximum diepte steiger

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_14e6a40494f743e6b3e3fe84f3991a83/nld@2026‑06‑11;1

maximum diepte steiger ten opzichte van de watergang

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_7c6820e602db4551ac80501af8b7362c/nld@2026‑06‑11;1

maximum diepte van grondwerkzaamheden

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_4977e64251b34638a6b79ce6503c00c4/nld@2026‑06‑11;1

maximum gezamenlijke oppervlakte overkappingen

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_8d84bf87213941bc82e620047ed4b838/nld@2026‑06‑11;1

maximum goothoogte aan of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_7a83fe4f467149b4a5490d1a5c0a1f90/nld@2026‑06‑11;1

maximum goothoogte bijbehorend bouwwerk op een alternatieve locatie

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_537790cad89d4a07aafc3fc75b18203d/nld@2026‑06‑11;1

maximum goothoogte gebouw in het bouwvlak

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_eeafdc5aa416406ead43c69809662198/nld@2026‑06‑11;1

maximum goothoogte gebouw op een alternatieve locatie

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_e8b6fbe1f0074d1480fc5cfb8c7e07a8/nld@2026‑06‑11;1

maximum goothoogte vrijstaand bijbehorend bouwwerk

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_c9154c6cef564ed7aae8d50362ed2225/nld@2026‑06‑11;1

maximum inhoud bedrijfswoning

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_3aaa5a5dcd564c84a765d8d3312b7442/nld@2026‑06‑11;1

maximum lengte steiger

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_d5ee025df2d949f2bfb9528a5eb5566e/nld@2026‑06‑11;1

maximum oppervlak van grondwerkzaamheden

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_358114f6215643b3885b64537f7a5bc2/nld@2026‑06‑11;1

maximum oppervlakte gebouw in het bouwvlak

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_6227f4c9fb904b6b9c19a40d1b51b622/nld@2026‑06‑11;1

maximum oppervlakte gebouw op een alternatieve locatie

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_3c6a0df4212349e7ae5806778e4d3f6a/nld@2026‑06‑11;1

maximum oppervlakte steiger

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_efeef31605ac4a6c824bfb9892e05364/nld@2026‑06‑11;1

maximum verkoopvloeroppervlakte van een gemakswinkel

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_fefd525434e64541843f0391ae6378b2/nld@2026‑06‑11;1

maximum vloeroppervlakte van horeca-activiteiten

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_891dc07a03974501aafa3bc60289399d/nld@2026‑06‑11;1

Middentocht

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_db8e3c43982143f49fd0283b294b0a80/nld@2026‑06‑11;1

minimum afstand tot de perceelgrens in het bouwvlak

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_d774b6547c9a4777a9f3aa2f41b074da/nld@2026‑06‑11;1

minimum afstand tot de perceelsgrens op een alternatieve locatie

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_dbc2dbd738bc466da622729f08e39bbd/nld@2026‑06‑11;1

minimum bouwhoogte gebouw

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_02dcc65d2ac7456dbc532a9a310dbd7d/nld@2026‑06‑11;1

minimum bouwhoogte overkapping

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_c5330d6007a04e4182f46127874d7e27/nld@2026‑06‑11;1

minimum dakhelling gebouw

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_72df7706369f467cab1be0d1f7b937be/nld@2026‑06‑11;1

minimum onderlinge afstand gebouwen

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_2f7df7f7a5094aee96142130359c2e99/nld@2026‑06‑11;1

minimum vrije hoogte onder een overbouwing

/join/id/regdata/gm0531/2026/norm_ba075d492d8f401a95a4d1d3ae42dc6a/nld@2026‑06‑11;1

Mobilityhub

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_705be447939d433582d6393190b645c3/nld@2026‑06‑11;1

Monument

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_648203cd4e4c45b5b333bc51d90afc41/nld@2026‑06‑11;1

Natuurgebied Crezeepolder

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_8569cb528c724bc6aa2116cd45e93642/nld@2026‑06‑11;1

Natuurnetwerk Nederland

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_583e92804f834838b8123321bc9767f0/nld@2026‑06‑11;1

Nautische verkeersvoorziening

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_34915b67656246fda2fa7f39434c3b95/nld@2026‑06‑11;1

Noordoevers

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_cf9d1b927e2944a3ae6342420e25a2ee/nld@2026‑06‑11;1

Ondergrondse bouwwerken

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_040cbc185cee499a9e5fe1ea0d4eb50f/nld@2026‑06‑11;1

Ontwikkellocatie Waterlandgoed de Noorden

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_d0d59b05cc62435283d2125e51180f4f/nld@2026‑06‑11;1

Overbouwing

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_e2d5be5045224514a15d7536fb3f472b/nld@2026‑06‑11;1

Overkapping op Bedrijvenpark Ambachtsezoom

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_e355c687ae784d2a86d13ee9b44a18cc/nld@2026‑06‑11;1

Overkappingen

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_db7157b6e0e5469198362679d5f40799/nld@2026‑06‑11;1

Parkeergarage in de Volgerlanden West

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_2dd88d0a2015487e8866e7b1894a8f86/nld@2026‑06‑11;1

Parkeerschuur

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_87c0f4c9af4a4039b6da69ff4970a4ad/nld@2026‑06‑11;1

Patiowoningen

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_f29f630f18664771b026c426f8d300a3/nld@2026‑06‑11;1

Paviljoens

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_5467519e6e8947e68ba7a877db2d5179/nld@2026‑06‑11;1

Perenlaantje

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_048e0547a95b4c7baa4d54b4cc9c85d7/nld@2026‑06‑11;1

Pergola's

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_c375353f8d574e1ba34b813e7900239b/nld@2026‑06‑11;1

Plasberm

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_df94389cc23b4bd59a3d1bc35a6e849b/nld@2026‑06‑11;1

Radarmast

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_bd33b18a83f44f24a1630e1f08b1a173/nld@2026‑06‑11;1

Reclamezuil

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_ee6ad2d90b724a2d9c5535297729045d/nld@2026‑06‑11;1

Recreatie-activiteit - ZwembadDierenweide

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Recreatie_activiteit_Zwembad/nld@2025‑06‑16;10001

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_f2072ff77c8c4265a08d617e8407c815/nld@2026‑06‑11;1

Recreatie-activiteit - Kinderboerderij

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_b0f4de1550934a74807083ad8ae8731c/nld@2026‑06‑11;1

Recreatie-activiteit - Ligplaats voor pleziervaart

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Recreatie_activiteit_Ligplaats_voor_pleziervaart/nld@2025‑06‑16;10001

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_a4e2e62c2003482ebb9a37402b4df114/nld@2026‑06‑11;1

Recreatie-activiteit - Volkstuin

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_1bdafcc7416c41f4a7bbebb296d5b447/nld@2026‑06‑11;1

Recreatie-activiteit - Zwembad

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_ee40dc88c69f4e04bbfa7dafc4dd00c7/nld@2026‑06‑11;1

Representatieve groene etalage

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_5cc8f380574a4f51bb8e4f70189b1a9b/nld@2026‑06‑11;1

Rioolleiding

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_dfd76833c99b4586b422bf9dc659498c/nld@2026‑06‑11;1

Ruimte-voor-ruimtewoningen

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_65ae858509934d719a1b1f544d7a07e0/nld@2026‑06‑11;1

Schachtgebouw

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_dd0f94a162c14a77b51f73e6b278acbb/nld@2026‑06‑11;1

Silo

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_2dfa0b444c1e42ecafc1afe9a2bb13ce/nld@2026‑06‑11;1

Sophiahal

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_db6256a77295407f8bfa44950af80107/nld@2026‑06‑11;1

Sophiapark

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_0fc48989b6f64bde8d2281ce0f6f2cf5/nld@2026‑06‑11;1

Sportactiviteit - Basis

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Sportactiviteit_Basis/nld@2025‑06‑16;10001

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_7bbb7f1b6a7b4f09bf9b844f83a16668/nld@2026‑06‑11;1

Sportactiviteiten alleen op de begane grond

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Sportactiviteiten_alleen_op_de_begane_grond/nld@2025‑06‑16;10001

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_0e2ed235f51a4d9a8ad778995c97ab0b/nld@2026‑06‑11;1

Woonactiviteit - Basis

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Woonactiviteit_Basis/nld@2025‑06‑16;10001

Sportvelden

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_d6db7f23f7de4334ba4076560e4186e7/nld@2026‑06‑11;1

Bouwlocaties

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Bouwlocaties/nld@2025‑06‑16;10001

Steigers

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_c627224b53b149bd8dad20ea88eda90b/nld@2026‑06‑11;1

Woonactiviteiten alleen vanaf de eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Woonactiviteiten_alleen_vanaf_de_eerste_verdieping/nld@2025‑06‑16;10001

Steigers op Waterlandgoed de Noorden

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_d478ddc6ea3743559522be1dfa697cd4/nld@2026‑06‑11;1

Bewoning alleen door een afzonderlijk huishouden

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Bewoning_alleen_door_een_afzonderlijk_huishouden/nld@2025‑06‑16;10001

Steigers over water

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_7bf3b7145b5e4501ae0835b21df642b8/nld@2026‑06‑11;1

Woonactiviteit - Bedrijfswoning

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Woonactiviteit_Bedrijfswoning/nld@2025‑06‑16;10001

Te berekenen goothoogte

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_9c26419838504dcfa324ea8a4a6472dc/nld@2026‑06‑11;1

Woon-werktuinen van Bedrijvenpark Ambachtsezoom

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Woon_werktuinen_van_Bedrijvenpark_Ambachtsezoom/nld@2025‑06‑16;10001

Terrasafscheiding

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_8bb44a2ed6f5436f9aea8e660124148b/nld@2026‑06‑11;1

Woonactiviteit - Plattelandswoning

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Woonactiviteit_Plattelandswoning/nld@2025‑06‑16;10001

Tijdelijke standplaats

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_c740bab118604ec2aa83756e99d33b8d/nld@2026‑06‑11;1

Woonactiviteit - Woonwagen

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Woonactiviteit_Woonwagen/nld@2025‑06‑16;10001

Uitkijktoren

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_f816117ed19c4e34b67e95eae49a19d8/nld@2026‑06‑11;1

Woonactiviteit - Zorgwoning

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Woonactiviteit_Zorgwoning/nld@2025‑06‑16;10001

Vaste standplaats

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_574951fa237e418fa33ecde53ff6f73a/nld@2026‑06‑11;1

Woonactiviteit zorgwoning alleen vanaf de eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Woonactiviteit_zorgwoning_alleen_vanaf_de_eerste_verdieping/nld@2025‑06‑16;10001

Vlaggenmast

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_9494d406c3f246f1989c05c58458184d/nld@2026‑06‑11;1

Maximum aantal woningen

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Maximum_aantal_woningen/nld@2025‑06‑16;10001

Voorziening hulpdiensten

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_26db3a601b9743aeac721f48d8f6814e/nld@2026‑06‑11;1

Maximum vloeroppervlakte van horeca-activiteiten

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Maximum_vloeroppervlakte_van_horeca_activiteiten/nld@2025‑06‑17;10004

Woonactiviteit - Bed en Breakfast

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Woonactiviteit_Bed_en_Breakfast/nld@2025‑06‑16;10001

Begraafplaats

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Begraafplaats/nld@2025‑06‑16;10001

Weekmarkt

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Weekmarkt/nld@2025‑06‑16;10001

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_e1e34299add647e1864687205835d156/nld@2026‑06‑11;1

Vaste standplaats

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Vaste_standplaats/nld@2025‑06‑16;10001

Woon-werktuinen

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_c9e47dc795834ff1a197f8d763510e2f/nld@2026‑06‑11;1

Tijdelijke standplaats

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Tijdelijke_standplaats/nld@2025‑06‑16;10001

Woonactiviteit - Basis

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_6b2f94b0fa1049ea9844bd53627a42d3/nld@2026‑06‑11;1

Horeca-activiteit - 24-uurshoreca

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_24_uurs_horeca/nld@2025‑06‑16;10001

Woonactiviteit - Bed and Breakfast

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_09829d2098b34b6f81a73c58d054f383/nld@2026‑06‑11;1

Jongerenontmoetingsplek

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Jongerenontmoetingsplek/nld@2025‑06‑16;10001

Woonactiviteit - Bedrijfswoning

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_1761b1cb30be4044a50c02cc73d9a65f/nld@2026‑06‑11;1

Woonactiviteit - Beroep of bedrijf aan huis

/join/id/regdata/gm0531/2024/HIA_OP_Woonactiviteit_beroep_of_bedrijf_aan_huis/nld@2025‑06‑16;10001

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_5c711181ce6146a4a26b2f93e676fd79/nld@2026‑06‑11;1

Horeca-activiteit - Hotel en pension

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Horeca_activiteit_Hotel_en_pension/nld@2025‑06‑16;10001

Woonactiviteit - Plattelandswoning

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_38cb465dea9644ff92e0c46f8254d9ca/nld@2026‑06‑11;1

Horeca-activiteiten alleen op de begane grond

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Horeca_activiteit_alleen_op_de_begane_grond/nld@2025‑06‑16;10001

Woonactiviteit - Woonwagen

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_2b58ff1bf0e2468cb337053e3185d048/nld@2026‑06‑11;1

herkomstgebied en toepassingsgebied De Volgerlanden

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Herkomstgebied_en_toepassingsgebied_De_Volgerlanden/nld@2025‑06‑16;10001

Circulair Bedrijvenpark Ambachtsezoom

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Circulair_Bedrijvenpark_Ambachtsezoom/nld@2025‑06‑16;10001

Woonactiviteit - Zorgwoning

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_5b1b2736bd464961ade77b8cdfc0ecfd/nld@2026‑06‑11;1

bodembeheergebied grond en baggerspecie

/join/id/regdata/gm0531/2024/Bodembeheergebied_grond_en_baggerspecie/nld@2025‑06‑16;10001

Woonactiviteit zorgwoning alleen vanaf de eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_ec11e65275c9487b95b12e5b808b7966/nld@2026‑06‑11;1

locaties nazorg Omgevingswet

/join/id/regdata/gm0531/2024/Locaties_nazorg_Omgevingswet/nld@2025‑06‑16;10002

Woonactiviteiten alleen vanaf de eerste verdieping

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_ce742eb305f04c80bedb297c048cb7d2/nld@2026‑06‑11;1

Gemakswinkel

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Gemakswinkel/nld@2025‑06‑16;10001

Voorziening hulpdiensten

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Voorziening_hulpdiensten/nld@2025‑06‑16;10001

Woongebied van Graaf Willemlaan

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Woongebied_van_Graaf_Willemlaan/nld@2025‑06‑16;10001

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_f679ddbb58ea47f7b0e1330b7766213e/nld@2026‑06‑11;1

Kerkgebouw van Zuidwende-Zuid

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_Kerkgebouw_van_Zuidwende_Zuid/nld@2025‑06‑16;10001

Zwembad De Louwert

/join/id/regdata/gm0531/2026/locatiegroep_74466c8995bd4b4f934589dac038e32e/nld@2026‑06‑11;1

Normlocatie gemakswinkel

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_normlocatie_gemakswinkel/nld@2025‑06‑16;10001

Normlocatie horeca

/join/id/regdata/gm0531/2025/HIA_OP_normlocatie_horeca/nld@2025‑06‑16;10001

KKKKKKKK

Het opschrift van toelichting 'Toelichting' wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting Toelichting

LLLLLLLL

Artikelsgewijze toelichting   wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikelsgewijze toelichting  

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Toepassingsbereik

In het omgevingsplan zijn een aantal algemene bepalingen opgenomen. De algemene bepalingen maken duidelijk hoe u het omgevingsplan moet lezen en toepassen. 

De algemene bepalingen gelden voor heel het omgevingsplan, tenzij anders bepaald. Als een algemene bepaling niet van toepassing is, dan wordt dit vermeld in artikelen in de hieropvolgende hoofdstukken.

Artikel 1.2 Normaddressaat

In dit artikel is voor heel het omgevingsplan de normadressaat bepaald. Binnen het stelsel van de wet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van activiteiten. Voor vergunningplichtige activiteiten is dat expliciet verwoord in artikel 5.37, eerste lid, van de wet. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of de opdrachtgever. Deze moet de vergunningvoorschriften zelf naleven en zorgen dat deze door zijn werknemers of contractanten worden nageleefd. 

Dit artikel bevat een soortgelijke bepaling voor de activiteiten die worden geregeld met algemene regels: degene die de activiteiten verricht, moet voldoen aan de regels van dit besluit, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich aan de regels over de activiteit houden. Het is primair de vergunninghouder of melder die zich aan de regels moet houden. Bij handhaving kan iedereen die het in zijn macht heeft om de overtreding te beëindigen echter worden aangesproken. In relatie tot de activiteit bouwen kan een aannemer of onderaannemer rechtstreeks worden aangesproken. In specifieke artikelen van dit hoofdstuk kan een andere normadressaat zijn aangewezen. Meestal zal het dan gaan om de rechthebbende op een perceel.

Artikel 1.3 Begripsbepalingen in het omgevingsplan

Deze afdeling bepaald welke begripsbepalingen van toepassing zijn op het omgevingsplan.In de afdeling wordt verwezen naar Bijlage I Begripsbepalingen van het omgevingsplan. In deze bijlage staan de definities van begrippen die in het omgevingsplan worden gebruikt en meer uitleg nodig hebben om de regel leesbaarder of uitvoerbaarder te maken. Begrippen die al voldoende duidelijk zijn in het normale spraakgebruik zijn niet opgenomen. Het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal biedt in die gevallen een uitleg.

Artikel 1.4 Aanvullende begripsbepalingen

Daarnaast is de keuze gemaakt om begrippen uit het Omgevingsbesluit en de vier Algemene Maatregelen van Bestuur niet in het omgevingsplan zelf op te nemen, maar van overeenkomstige toepassing te verklaren. Tenzij er een dringende noodzaak is, wordt lokaal niet afgeweken van deze begrippen. Op deze manier wordt de aansluiting bewaakt tussen de definities in het omgevingsplan en de hogere wet- en regelgeving. Van de begrippen met definities uit de Omgevingswet mag niet worden afgeweken.

Artikel 1.5 Indieningsvereisten bij een melding of informatieplicht

Wil u iets doen binnen de gemeente? Dan bent u soms verplicht om daarvan eerst een melding te doen of informatie over aan te leveren. Verderop in het omgevingsplan leest u of u dit moet doen. Deze verplichting wordt per activiteit bepaald. 

Als u een melding doet of informatie aanlevert, dan moet u standaard een aantal gegevens en bescheiden meesturen. Daarmee bedoelen we documenten (‘bescheiden’) en andere vormen van informatie (‘gegevens’). 

In artikel 1.5 staan de algemene indieningsvereisten bij een melding of informatieplicht. Deze levert u altijd aan als u een melding doet of informatie aanlevert. Daarnaast kunnen er in het omgevingsplan nog aanvullende indieningsvereisten staan. Deze gelden dan alleen voor de activiteit die u gaat uitvoeren. We noemen dit specifieke indieningsvereisten.

Het moet duidelijk zijn welke activiteit(en) u gaat uitvoeren. Daarom moet u beschrijven wat uw plannen zijn. Dit regelt artikel 1.5, onder a. Uit de beschrijving moet het bevoegd gezag kunnen aflezen wat de aard en omvang van de activiteiten is. Ook moet duidelijk zijn wat de reden is dat u een melding doet of informatie aanlevert. 

Ook moet u een aantal persoonsgegevens aanleveren. Deze gegevens worden gebruikt om contact op te nemen met u of degene die de activiteit namens u uitvoert. Deze informatie gebruiken we alleen als dit nodig is. 

Bovendien moet duidelijk worden waar u de activiteit gaat uitvoeren. Daarom vermeld u het adres. Is er geen adres? Dan kunt u kadastrale gegevens of coördinaten gebruiken om de locatie aan te duiden. In het laatste geval levert u de coördinaten van de hoekpunten van de locatie aan waar u de activiteit gaat verrichten. 

Artikel 1.6 Specifieke zorgplicht

In dit artikel is een zorgplicht opgenomen voor iedereen die de activiteiten verricht die in dit omgevingsplan worden geregeld. Diegene moet rekening houden met de doelen, met het oog op welke de regels in het omgevingsplan zijn gesteld. Die doelen zijn terug te vinden in het hoofdstuk 2 en de artikelen met het opschrift 'oogmerken'.  

Op iedereen rust de verplichting om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om nadelige gevolgen voor die doelen te voorkomen of, als dat niet kan, te beperken. Als die nadelige gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, moet de activiteit achterwege worden gelaten.  

Deze zorgplicht is afgeleid van artikel 1.7 van de wet. In dat artikel staat een algemene zorgplicht. Deze algemene zorgplicht geldt voor alle activiteiten. Op deze algemene zorgplicht kan geen aanspraak worden gedaan als de activiteit in het omgevingsplan is geregeld. Daarom is het nodig om deze hier te herhalen. 

In de verschillende hoofdstukken, afdelingen en (subparagrafen) die volgen is deze zorgplicht vaak verder uitgewerkt met een aantal maatregelen die in ieder geval tot deze zorgplicht worden gerekend. Deze zorgplichten gaan vaak over een specifieke feitelijke handeling, zoals het gebruik van open erven en terreinen. De zorgplicht uit artikel 1.6 geldt dan niet langer voor deze handeling, maar blijft wel gelden voor andere handelingen. 

Artikel 1.7 Specifieke zorgplicht voor het gebruik van bouwwerken

De zorgplicht in dit artikel (‘kapstokartikel’) heeft betrekking op gebruik van bouwwerken waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hiermee heeft het bevoegd gezag een ‘kapstok’ om in een specifiek geval in te grijpen wanneer het gebruik van een bouwwerk leidt tot hinder, overlast, gezondheidsrisico’s en veiligheidsrisico’s anders dan de brandveiligheidsrisico’s die al in het Bbl zijn geregeld.  

De zorgplicht opgenomen in het eerste lid, onder a, geldt voor eenieder die een bouwwerk gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Het eerste lid, onder a, regardeert dus enerzijds degene die (als eigenaar, beheerder, verhuurder of anders) het gebouw laat gebruiken door een ander, evenals degene die (zelf) gebruik maakt van een bouwwerk. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.  

De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheids- en gezondheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt. 

Met het tweede lid, onderdeel c, is beoogd dat een bouwwerk in een dusdanig nette staat is dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer in een woning overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Het moet gaan om ernstige gevallen.  

De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen onderbouwen.

Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit zorgplichtartikel gerechtvaardigd kan zijn:

  • als sprake is van geluidhinder; 

  • als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen; 

  • als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen; 

  • als op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen); en 

  • als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt.

Het vijfde lid geeft aan dat dit artikel niet gaat over gebruik van bouwwerken dat al geregeld is in afdeling 6.2 van het Bbl (zie ook hierboven). Die regels zijn namelijk uitputtend en er bestaat geen ruimte dat gebruik daarnaast onderwerp van dit omgevingsplan te laten zijn.

Artikel 1.8 Specifieke zorgplicht voor de staat en het gebruik van open erven en terreinen

De zorgplicht in dit artikel heeft betrekking op de staat en het gebruik van open erven en terreinen waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan. Hiermee heeft het bevoegd gezag een ‘kapstok’ om in een specifiek geval in te grijpen wanneer de staat of het gebruik van een open erf of terrein leidt tot hinder, gezondheidsrisico’s en/of veiligheidsrisico’s. Ook als de staat of het gebruik op zich voldoet aan de voorschriften van dit omgevingsplan kan er reden zijn voor een beroep op dit artikel. 

De zorgplicht opgenomen in het eerste lid, onder a, geldt voor eenieder die een open erf of terrein gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar. 

De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt. 

De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen aantonen. 

Met het tweede lid, onder c, is beoogd dat een open erf of terrein in een dusdanig nette staat verkeert dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer op een erf overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Een open erf en terrein behoort geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid op te leveren door drassigheid, stank, verontreiniging, (on)gedierte, begroeiing of voorwerpen. Het moet gaan om ernstige gevallen.

Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit zorgplichtartikel gerechtvaardigd kan zijn:

  • als sprake is van lawaaihinder; 

  • als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen; 

  • als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen; 

  • als opslag van goederen tot milieuschade kan leiden (bijvoorbeeld door het verkeerd opslaan van verf); 

  • als op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen); en 

  • als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt.

Artikel 1.9 Voorrangsbepalingen

Het omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk en een nieuw deel. In het tijdelijke deel staan regels die de gemeente heeft vastgesteld voordat de wet in werking trad. Deze regels komen uit ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen en verordeningen.  

Het nieuwe deel van het omgevingsplan was aan het begin nog helemaal leeg. Het is aan de gemeente om deze tijdens de overgangsfase te vullen. Dit doen we door het omgevingsplan stap voor stap te wijzigen. 

De gemeente kan een bestemmingsplan alleen in z’n geheel laten vervallen. Dat kan dus pas als álle regels die daarin staan in het nieuwe deel zijn verwerkt. Daardoor zullen de regels uit beide delen van het omgevingsplan tijdelijk naast elkaar bestaan. Dit betekent ook dat de regels over sommige activiteiten al in het nieuwe deel staan, terwijl bij andere activiteiten nog van het tijdelijke deel (de bestemmingsplannen) moet worden uitgegaan.  

Om verwarring te voorkomen is in artikel 1.9 een voorrangsbepaling opgenomen. Deze voorrangsbepaling maakt duidelijk welke regels leidend zijn. Artikel 1.9 bepaalt dat de regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan voorgaan op de regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het gaat dan bijvoorbeeld om de specifieke gebruiksregels, de bouwregels en de algemene afwijkingsregels die u in het tijdelijke deel van het omgevingsplan vindt.  

De voorrangsbepaling geldt alleen voor activiteiten, zoals bedoeld in de in artikel 1.9 opgesomde afdelingen. Op regels over andere activiteiten in het tijdelijke deel van het omgevingsplan is deze voorrangsbepaling dus niet van toepassing.  

Gaat u bijvoorbeeld een schuur bouwen in uw achtertuin? Dan spreken we in het omgevingsplan over het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan. Deze bouwactiviteit wordt geregeld in afdeling 6.4 van het nieuwe deel van het omgevingsplan. Deze afdeling wordt in dit artikel opgenoemd. Dit betekent dat u zich bij het bouwen van de schuur moet houden aan de regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan. De bouwregels uit het bestemmingsplan zijn hier niet van toepassing. 

Een begraafplaats is een ander goed voorbeeld. Wilt u weten of u ergens een begraafplaats mag beginnen? Dan moest u voorheen kijken in het bestemmingsplan om te ontdekken of dit gebruik was toegestaan. De bestemmingsomschrijving en gebruiksregels bepaalde dit. Ook stonden er regels in de Verordening op het beheer van de begraafplaatsen Hendrik-Ido-Ambacht 2021. Inmiddels zijn deze regels omgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan, onder de gebruiksactiviteit 'Begraafplaats en uitvaartcentrum'. In artikel 1.9 worden maatschappelijke activiteiten genoemd. Daar valt deze gebruiksactiviteit onder. Dit betekent dat de regels in het nieuwe deel voorrang hebben op het tijdelijke deel van het omgevingsplan.  

Soms gaat een voorrangsbepaling alleen over een bepaalde soort activiteit en niet de hele hoofdactiviteit. Voor andere activiteiten die onder de hoofdactiviteit vallen raadpleegt u het tijdelijke omgevingsplan. 

Dit is de werking van het tweede en derde lid

In het tweede lid gaat het alleen over het innemen van een ligplaats met een beroepsvaartuig. Dit wordt geregeld in paragraaf 5.3.2. U kijkt alleen naar de regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan voor zover uw initiatief betrekking heeft op deze activiteit. Voor andere bedrijfsactiviteiten kijkt u in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. 

Hetzelfde geldt voor het derde lid. Er is gekozen om de regels over het inrichten en in stand houden van groen binnen de locatie ‘Afschermend groen’ alvast met de huidige wijziging van het omgevingsplan over te hevelen uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De voorrangsbepaling, bedoeld in het derde lid, maakt duidelijk dat vanaf het moment van vaststelling moet worden voldaan aan de regels in hoofdstuk 15.  

Dit artikel is niet van toepassing buiten de locatie ‘Afschermend groen’. Daarnaast geldt het artikel alleen voor zover het gaat om de activiteiten die worden beschreven in artikel 15.2. Andere natuuractiviteiten vallen daar niet onder. Bij het kappen van een boom of houtopstand moet u zich houden aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan. 

Hoofdstuk 2 Doelen  

Afdeling 2.1 Doelen van het omgevingsplan
Artikel 2.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling maakt duidelijk op welke doelen het omgevingsplan is gericht. Uit deze doelen kan worden afgeleid wat de reden is om regels te stellen in het omgevingsplan.

Artikel 2.2 Doelen

Door regels in het omgevingsplan op te nemen, probeert de gemeente een aantal doelen te behalen. Het gaat hier grotendeels om doelen die gebaseerd zijn op artikel 2.1, derde lid van de Omgevingswet. Waar nodig zijn de doelen op basis van lokale omstandigheden aangepast of aangevuld.

Niet alle doelen die in deze afdeling genoemd zijn, zullen bij elke activiteit een rol spelen. Om deze reden is er in het omgevingsplan soms voor gekozen om de doelen te benoemen of verder uit te werken in oogmerken. Deze oogmerken laten voor een specifieke activiteit zien wat de achterliggende reden is om regels te stellen.

Hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten  

Afdeling 5.1 Algemene bepalingen gebruiksactiviteiten
Artikel 5.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk gaat over gebruiksactiviteiten. Met een gebruiksactiviteit bedoelen we het gebruik van gronden en bouwwerken voor een activiteit. Dit staat in bijlage 1 van het omgevingsplan. Zo kan het bijvoorbeeld gaan om wonen, maar ook detailhandel of horeca. In de verschillende afdelingen van hoofdstuk 5 staat steeds aan welke regels iemand zich moet houden bij deze vormen van gebruik.

Het tweede lid bepaald dat activiteiten die worden verricht in de openbare ruimte niet onder het toepassingsbereik van dit hoofdstuk vallen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het inrichten van de openbare ruimte met water en groen, het realiseren van nutsvoorzieningen of activiteiten die zien op onderhoud en beheer. Dit zijn activiteiten die niet of minder aansluiten bij het oogmerk van dit hoofdstuk. 

Dit betekent overigens niet dat er vanuit het omgevingsplan helemaal geen regels worden gesteld over deze activiteiten. Als dit noodzakelijk is worden er in andere hoofdstukken regels opgenomen over activiteiten die plaatsvinden in de openbare ruimte, maar deze regels zijn dan gesteld vanuit een ander oogmerk dan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 

Voorbeelden zijn het gebruik van de openbare ruimte voor het houden van een evenement of het exploiteren van een terras. Beide activiteiten kunnen een ongewenste invloed hebben op de fysieke leefomgeving. Zo kan de komst van een evenement of terras betekenen dat de rust in een anders rustige woonwijk (tijdelijk) wordt aangetast. Bij dit soort activiteiten is het minder belangrijk waar de activiteit plaatsvindt. Belangrijker is dat nadelige effecten worden beperkt. Zo kan het nodig zijn om regels te stellen die de geluidshinder bij dit soort activiteiten tegengaat of bewaakt dat de openbare ruimte voldoende toegankelijk blijft voor mensen met een handicap. Dit soort regels zijn vanuit een ander oogmerk gesteld dan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties die in dit hoofdstuk voorop staat. Om deze reden worden dit soort activiteiten in een ander hoofdstuk geregeld. 

Artikel 5.2 Oogmerken

Dit artikel bepaalt met welk oogmerk (doel) de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld. Het oogmerk van dit hoofdstuk is afgeleid uit de omgevingsvisie. In de omgevingsvisie zijn diverse gebieden aangewezen, zoals woongebieden, bedrijventerreinen, poldergebied, etc. Het omgevingsplan moet gebruiksruimte bieden om deze gebieden tot ontwikkeling te brengen en te houden. In de woongebieden staat bijvoorbeeld gebruiksruimte voor wonen voorop. Om die woongebieden optimaal te laten functioneren is het noodzakelijk beperkingen te stellen aan de andere gebruiksactiviteiten die daar mogen plaatsvinden. Activiteiten zoals detailhandel en horeca kunnen hinder opleveren voor het wonen en worden zodoende aan regels gebonden.

Artikel 5.3 Verbod

Dit artikel beperkt de manier waarop iemand een bijbehorend bouwwerk mag gebruiken. Op grond van dit artikel mag een bijbehorend bouwwerk alleen gebruikt worden op een manier die functioneel ondergeschikt is. Dit betekent dat er geen zelfstandige activiteiten mogen plaatsvinden in het bijbehorende bouwwerk. Zo mag u een bouwwerk in de achtertuin van uw woning niet gebruiken als slaapkamer. Het stallen van uw auto of het opslaan van uw gereedschap is wel toegestaan. In die gevallen gebruikt u de ruimte namelijk op een manier die ondersteunend is aan de activiteit die plaatsvindt in het oorspronkelijke hoofdgebouw. Dat is in het geval van het voorbeeld de woning, zoals die voor het eerste is opgeleverd volgens de bouwvergunning die toen is verleend. Latere aanbouwen, uitbreidingen van de woonruimte of verbouwingen vallen daar dus niet onder.  

Op het verbod zijn een aantal uitzonderingen. Deze zijn opgenomen in het tweede lid.  

Een bijbehorend bouwwerk mag zelfstandig worden gebruikt als het bedoeld is voor huisvesting in verband met mantelzorg. Dit regelt artikel 5.3, tweede lid, onder a. Dit is de huisvesting van één huishouden van maximaal twee personen in of bij een woning. In dat huishouden moet ten minste één persoon mantelzorg ontvangen van een bewoner van de woning. Ook is er sprake van huisvesting in verband met mantelzorg als degene die in het bijbehorende bouwwerk woont, de mantelzorg verleent aan een bewoner van de woning. Op grond van deze uitzondering kan iemand die zorg nodig heeft of verleent toch in een bijbehorend bouwwerk wonen, ook al is er dan geen sprake meer van functioneel ondergeschikt gebruik.  

Onder b is ook een uitzondering opgenomen voor een bijbehorend bouwwerk dat zich volledig binnen 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw bevindt. In dat geval mag het gebruik gelijkwaardig zijn aan dat van het hoofdgebouw. Dit betekent dat er in het bouwwerk bijvoorbeeld een keuken, slaapkamer of werkruimte mag worden gerealiseerd.  

Een bijbehorend bouwwerk kan zich ook gedeeltelijk binnen 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw bevinden. Het andere deel ligt dan verder van het hoofdgebouw af. In dat geval mag alleen het deel dat zich binnen de 4-meterzone bevindt worden gebruikt voor activiteiten die niet ondergeschikt zijn, zoals een slaapkamer of keuken. Deze uitzondering geldt wel alleen als er een scheidingsconstructie binnen in het bijbehorende bouwwerk wordt aangebracht. Het gaat dan bijvoorbeeld om een muur. Deze scheidingsconstructie mag niet verder dan 4 meter van het hoofdgebouw liggen. Dit regelt het tweede lid, onder c.  

Deze uitzonderingen zijn niet van toepassing op het gebruik van een bijbehorend bouwwerk bij een woonwagen. Dat staat in het derde lid

Artikel 5.4 Toegestane gebruiksactiviteiten

Dit artikel regelt dat het verrichten van een gebruiksactiviteit alleen is toegestaan, als dit overeenkomt met de regels in hoofdstuk 5. Dit betekent dat:

  • U gronden en bouwwerken niet op een andere manier mag gebruiken dan omschreven in hoofdstuk 5. Een gebruiksactiviteit is dus alleen toegestaan als dit hoofdstuk dat bepaalt.

  • Het gebruik alleen is toegestaan als u zich houdt aan de regels in hoofdstuk 5. Dit betekent onder andere dat u de activiteit moet verrichten op de plek die daarvoor is aangewezen.

Op deze regel zijn twee uitzonderingen. Deze staan in het tweede lid

De eerste uitzondering geldt voor groen, nutsvoorzieningen, natuur en water. Het gaat hier bijvoorbeeld om het gebruik van gronden voor een siertuin bij een woning of voor het bergen van water. U mag uw eigen terrein altijd op deze manier gebruiken.

De tweede uitzondering geldt voor gebruiksactiviteiten die het feitelijke gebruik ondersteunen en daaraan ondergeschikt zijn. Dat feitelijke gebruik moet passend zijn binnen de toegedeeld gebruiksactiviteiten op een locatie. Als bijvoorbeeld op een perceel op de begane grond 'detailhandel' is toegestaan en in het pand is een fietsenzaak gevestigd, dan is de activiteit reparatie van fietsen strikt genomen geen detailhandel maar wel een activiteit die het gebruik van een fietsenwinkel ondersteunt en daar tevens ondergeschikt aan is.

Ondergeschikt wil zeggen dat de activiteit de kwaliteit van de hoofdactiviteit vergroot of completeert en dat er duidelijk sprake moet zijn van een waarneembare ondergeschiktheid van de activiteit. Dit betekent dat de hoofdactiviteit van de locatie voor bezoekers duidelijk waarneembaar is. Wanneer er sprake is van zelfstandige toegankelijkheid of van uitoefening los van de hoofdactiviteit is er geen directe relatie meer met de hoofdactiviteit, maar gaat het om zelfstandige activiteiten.

Artikel 5.5 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel geeft aan wanneer gebruiksactiviteiten verbonden zijn aan een vergunningplicht. Van een toename van de parkeerbehoefte in de openbare ruimte is geen sprake als er voldoende parkeerplaatsen kunnen worden aangelegd op eigen terrein. De Beleidsregel Parkeren kan wordt gebruikt om te toetsen of er sprake is van een toename in de parkeerbehoefte.

Als het gaat om hinder voor de woonomgeving dan ziet de vergunningplicht op situaties waarbij tevoren al duidelijk is dat de nieuwe gebruiksactiviteit hinder kan opleveren voor de omgeving.

Belangrijk is dat dit artikel alleen geldt als de beoogde hoofdactiviteit al is toegestaan door middel van een artikel locatietoedeling. Stel er is een initiatief om het gebouw van een bestaande school te veranderen naar een kinderopvang. Als op deze plek nu al kinderopvang is toegestaan, dan geldt het artikel.

Het volgende voorbeeld laat zien wanneer dit artikel niet geldt: Stel er is een initiatief om een bestaand schoolgebouw om te gaan zetten naar appartementen (woningen). Als op deze plek alleen maatschappelijke activiteiten zijn toegestaan, zijn er dus geen appartementen (woningen) toegestaan. Het artikel geldt dus niet in dit soort situaties. Een dergelijk initiatief kan dus niet binnenplans worden opgelost. Hiervoor is een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (een Bopa) nodig of zal er een wijziging van het omgevingsplan moeten plaatsvinden.

Het verschil tussen het starten van een nieuwe gebruiksactiviteit of het wijzigen van een gebruiksactiviteit kan ook worden toegelicht met een voorbeeld. Stel er is een initiatief om in het pand van een bestaand schoolgebouw, waar nu reeds maatschappelijke activiteiten zijn toegestaan en nog geen kinderopvang gevestigd is, kinderopvang te beginnen, dan wordt hier een nieuwe gebruiksactiviteit (kinderopvang) gestart. Wat onder wijzigen van een gebruiksactiviteit moet worden verstaan volgt uit het volgende voorbeeld: als in een bestaand schoolgebouw al kinderopvang plaatsvindt en er een initiatief komt om de binnen bestaande kinderopvang in bijvoorbeeld grotere aantallen op te vangen of de opvangduur te veranderen, en wat niet past binnen de in het omgevingsplan opgenomen regels, dan is sprake van het wijzigen van een gebruiksactiviteit. Kortom: bij wijzigen van een gebruiksactiviteit is de (sub)activiteit al toegestaan, en ga je iets aan de (sub)activiteit veranderen.

Artikel 5.6 Aanvraagvereisten

In dit artikel staan welke gegevens en bescheiden u aanlevert bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gebruiksactiviteit.

In uw aanvraag legt u uit hoe u de gronden en de bouwwerken op dit moment gebruikt. Ook legt u uit hoe u deze wilt gaan gebruiken. Het is belangrijk dat u duidelijk en compleet bent. De gemeente gebruikt uw omschrijving namelijk om te beoordelen of het nieuwe gebruik past binnen de regels. Geef het aan als het gaat om tijdelijk gebruik, als uw aanvraag daarop betrekking heeft. Als uw aanvraag betrekking heeft op een woonactiviteit moet u doorgeven of het aantal wooneenheden verandert. 

Ook moet u een plattegrond van de bestaande en nieuwe situatie aanleveren. Dan hebben we het over een plattegrond van elk bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft. Daarmee bedoelen we dat u bijvoorbeeld geen tekeningen van uw schuur hoeft aan te leveren, als u alleen van plan bent om uw woning op een andere manier te gebruiken. Heeft uw aanvraag wél betrekking op een ander bouwwerk? Dan levert u daarvan een plattegrond aan met daarop alle relevante details, zoals de indeling van de ruimtes en de manier waarop u deze nu gebruikt en wil gaan gebruiken. In het derde lid leest u welke details we als gemeente in ieder geval willen terugzien op de plattegrond. 

Van de gronden moet u ook een situatietekening aanleveren. Daaruit moet de gemeente kunnen opmaken hoe u het gehele terrein gebruikt, zowel nu als straks. Uit de tekeningen moet ook blijken hoe u de gronden heeft ingericht. Daarom moet u in ieder geval datgene aanduiden dat is aangegeven in het vierde lid

Daarnaast motiveert u dat wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. Met de parkeerbehoefte wordt de vraag naar parkeerplaatsen bedoeld. Deze kan veranderen door de manier waarop gronden en bouwwerken worden gebruikt, bijvoorbeeld doordat er klanten aan huis worden ontvangen bij een beroep of bedrijf aan huis of doordat een woning wordt omgezet in een winkel. Bij een motivering van de parkeerbehoefte is het belangrijk dat er wordt ingegaan op de manier waarop de parkeerbehoefte anders wordt door het verrichten van de gebruiksactiviteit. Gedacht kan worden aan het aantal parkeerplaatsen dat nodig is of de duur of frequentie van het bezoek. Ook wordt ingegaan op de inrichting van parkeerplaatsen op eigen terrein, indien deze aanwezig zijn of gemaakt kunnen worden (volgens de regels in het omgevingsplan). Als dit nodig wordt geacht, kan het college van burgemeester en wethouders u om een aanvullend parkeeronderzoek vragen.

Bij een motivering van de hinder voor de woonomgeving zijn vooral de aspecten van belang die niet ergens anders in dit omgevingsplan al zijn geregeld. Het gaat dan bijvoorbeeld om een motivering van de hinder die zal plaatsvinden ten gevolge van het stemgeluid bij een kinderdagverblijf of het terras van een horecabedrijf.

Artikel 5.7 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag

Wanneer het college van burgemeester en wethouders de verstrekte gegevens en bescheiden als ontoereikend beschouwd, kan worden verzocht om een aanvullend onderzoek. Dit kan een parkeeronderzoek betreffen of een nader onderzoek naar de hinder op de woonomgeving. 

Een aanvullend onderzoek is bijvoorbeeld nodig als op basis van de informatie die u heeft aangeleverd niet voldoende kan worden vastgesteld hoe groot de verkeersaantrekkende werking van de voorgenomen gebruiksactiviteit is. Zonder deze informatie kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning niet verlenen, omdat er niet genoeg informatie is om de aanvraag te beoordelen. Er kan namelijk niet worden aangetoond dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is om te voorzien in de parkeerbehoefte. 

Het bevoegd gezag kan u dan vragen om een aanvullend onderzoek te verstrekken. Doet u dat niet? Dan kan het bevoegd gezag de aanvraag buiten behandeling stellen.

Artikel 5.8 Beoordelingsregels

In dit artikel worden de kaders geschetst voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het starten van een gebruiksactiviteit of het wijzigen van een gebruiksactiviteit, als bedoeld in artikel 5.5. Hierbij worden voorwaarden genoemd waaraan voldaan moet worden voordat de vergunning wordt verleend. Allereerst moet er bij het starten of wijzigen van een nieuwe gebruiksactiviteit zorg voor worden gedragen dat er voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid als bedoeld in de beleidsregel parkeren. Deze regel moet voorkomen dat op een locatie gebruiksactiviteiten worden verricht die zorgen voor een toename aan parkeerdruk. Dit betreft een beleidsneutrale omzetting van regels uit het voormalige paraplubestemmingsplan 'Parkeernormen Hendrik-Ido-Ambacht'. Een verschil is dat de eis van voldoende parkeergelegenheid wordt gekoppeld aan de gebruiksactiviteiten en niet aan de bouwactiviteit, zoals gebruikelijk was in het paraplubestemmingsplan.

In sub b wordt een norm gesteld die toeziet op hinder in woonomgevingen. De bepaling strekt ertoe een extra afweging mogelijk te maken waarmee voorkomen moet worden dat nieuwe gebruiksactiviteiten te veel hinder opleveren in de directe woonomgeving. Daarbij valt dan bijvoorbeeld te denken aan hinder door kinderdagverblijven, scholen, de brandweer en gebruiksactiviteiten die verkeer aantrekken en die niet elders in dit omgevingsplan een regeling hebben gekregen.

Afdeling 5.2 Detailhandelsactiviteiten
Paragraaf 5.2.1 Algemene bepalingen detailhandelsactiviteiten

Artikel 5.9 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling gaan over activiteiten met betrekking tot detailhandel. Dit worden ook wel detailhandelsactiviteiten genoemd. Wat met het begrip detailhandel wordt bedoeld is opgenomen in Bijlage I Begripsbepalingen van het omgevingsplan.

In deze afdeling worden detailhandelsactiviteiten opgesplitst in basisactiviteiten en activiteiten met betrekking tot volumineuze detailhandel, tuincentra en detailhandel in motorbrandstoffen. De reden voor deze splitsing is dat deze verschillende vormen van detailhandel ook verschillende ruimtelijke behoeften hebben. Ook de impact op de omgeving kan anders zijn. Door de detailhandelsactiviteiten op te splitsen kunnen er specifieke locaties toegewezen worden die geschikt zijn voor elke type activiteit.

Paragraaf 5.2.2 Detailhandelsactiviteit - Basis

Artikel 5.10 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van gebruiksactiviteiten met betrekking tot detailhandel, voor zover het gaat om een detailhandelsactiviteit die als 'basis' aan te merken is. Het soort detailhandel dat onder het toepassingsbereik van deze paragraaf valt is daarmee bijvoorbeeld een supermarkt voor de dagelijkse boodschappen of een kledingwinkel. Het gaat om detailhandelsactiviteiten die beleidsmatig voorzien zijn in de winkelcentra om leegstand aldaar te voorkomen.

Artikel 5.12 Omvang en situering

Op enkele locaties mogen detailhandelsactiviteiten alleen op de begane grond worden verricht. Dit is bijvoorbeeld het geval in winkelcentrum Hoog Ambacht en De Schoof.

Paragraaf 5.2.3 Detailhandelsactiviteit - Volumineuze detailhandel

Artikel 5.13 Toepassingsbereik

In deze paragraaf staan regels over het verrichten van een gebruiksactiviteit met betrekking tot detailhandel in volumineuze goederen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op vormen van detailhandel in volumineuze goederen die niet zijn ondergebracht in een eigen paragraaf. De regels zijn daarmee dus niet van toepassing op het verrichten van gebruiksactiviteiten in de vorm van een tuincentrum of detailhandel in motorbrandstoffen. Dit regelt artikel 5.13.

Artikel 5.14 Locatietoedeling volumineuze detailhandel

Binnen de locatie 'Detailhandelsactiviteit - Volumineuze detailhandel' is het verrichten van gebruiksactiviteiten met betrekking tot volumineuze detailhandel toegestaan. Onder deze noemer vallen specifieke branches van detailhandel die vanwege de aard of de omvang van de aangeboden goederen in ruimtelijk zin soms niet goed inpasbaar zijn in de centra. Als volumineus worden in ieder geval de zogenaamde ABC-branches beschouwd: auto's, boten en caravans. Andere voorbeelden van volumineuze goederen zijn bijvoorbeeld grove bouwmaterialen, landbouwwerktuigen, motoren, zwembaden, speel- of fitnessapparatuur, piano's, orgels, surfplanken en tenten.

Artikel 5.15 Omvang en situering

Het voeren van detailhandel in goederen die vallen onder het nevenassortiment is slechts onder voorwaarden toegestaan op locaties waar volumineuze detailhandelsactiviteiten de kern vormen. Dit is om te voorkomen dat de aard en omvang van het nevenassortiment dusdanig wordt, dat dit een negatief effect heeft op de overige detailhandel binnen de centra. Dit komt voort uit een instructieregel van de provincie.

De algemene regels in artikel 5.14 en artikel 5.15 werken in aanvulling op de regels in afdeling 5.1. Bij een initiatief moet er dus aan de regels onder beide koppen worden voldaan.

Paragraaf 5.2.4 Detailhandelsactiviteit - Tuincentrum

Artikel 5.16 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over het verrichten van de gebruiksactiviteit tuincentrum. In Bijlage I Begripsbepalingen van het omgevingsplan wordt het begrip tuincentrum gedefinieerd. Door de begripsbepaling in het omgevingsplan op te nemen wordt aansluiting gezocht bij de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5.17 Locatietoedeling tuincentrum

Tuincentra hebben in de meeste gevallen grote buitenruimtes nodig voor de presentatie van planten en tuinartikelen. Vanwege deze ruimtebehoefte en om overlast in de woonwijken te beperken is het daarom wenselijk dat tuincentra zich aan de rand van stedelijke of landelijke gebieden bevinden. Om deze reden wordt in artikel 5.17 de locatie 'Detailhandelsactiviteit - Tuincentrum' toegedeeld. Alleen binnen deze locatie is het verrichten van de gebruiksactiviteit tuincentrum toegestaan.

Artikel 5.18 Omvang en situering

Bij deze detailhandelsactiviteit wordt de verkoop van goederen, die in overwegende mate volumineus zijn, gecombineerd met een breed assortiment. Het gaat dan bijvoorbeeld om de – deels seizoensgebonden - verkoop van planten in de openlucht en in kassen.

Paragraaf 5.2.5 Detailhandelsactiviteit - Detailhandel in motorbrandstoffen

Artikel 5.19 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over de gebruiksactiviteit detailhandel in motorbrandstoffen. Onder deze vorm van detailhandel valt onder andere de verkoop van benzine, diesel en andere olieproducten. Op een enkele plek binnen de gemeente komt ook detailhandel in andere motorbrandstoffen voor. Het gaat dan om een aantal verkooppunten voor motorbrandstoffen met LPG in de buitengebieden en het verkooppunt voor alternatieve motorbrandstoffen (zoals waterstof) dat wordt gerealiseerd op Bedrijvenpark Ambachtsezoom.

De huidige paragraaf regelt niet welke motorbrandstoffen er mogen worden verkocht. In deze paragraaf worden alleen de locaties aangewezen waar detailhandel in motorbrandstoffen mag plaatsvinden. Welke motorbrandstof waar mag worden verkocht is met name afhankelijk van de omgevingsveiligheid. Om deze reden worden deze regels gesteld in afdeling 11.4, dan wel het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

Artikel 5.22 Omvang en situering

Detailhandel in motorbrandstoffen vindt plaats bij tankstations. In artikel 5.22 wordt bepaald welk tankstation een gemakswinkel mag exploiteren. Dit is een vorm van kleinschalige detailhandel, waarbij er producten uit het nevenassortiment worden verkocht. Het hoofdassortiment van een tankstation bestaat uit motorbrandstoffen. Een gemakswinkel is niet ondersteunend aan de hoofdactiviteit en moet daarom toebedeeld worden. De gemakswinkel moet ondergeschikt zijn. Voor enkele locaties is er een maximum verkoopvloeroppervlakte opgenomen als omgevingsnorm, waarmee specifiek wordt vastgelegd welke omvang deze andere detailhandelsactiviteiten mogen aannemen om ondergeschikt te blijven aan de hoofdactiviteit.

Bij een tankstation mag tevens horeca plaatsvinden, mits het een lichte horeca-activiteit in ondergeschikte vorm betreft.

Aanvullend mogen binnen de locatie 'Mobilityhub' op Bedrijvenpark Ambachtsezoom naast de verkoop van motorbrandstoffen ook activiteiten met betrekking tot leisure en sport, kleinschalige automotive services, 'first en last mile'-oplossingen en distributie en (flex)werk- en vergaderplekken plaatsvinden. Deze ondergeschikte activiteiten mogen geen grotere omvang aannemen dan is bepaald in het dertiende lid. Dit is opgenomen om te bewaken dat de activiteiten samen ondergeschikt blijven aan de hoofdactiviteit, namelijk het verkopen van (alternatieve) motorbrandstoffen. Aan de (flex)werk- en vergaderplekken wordt verder een maximum aan de totale vloeroppervlakte en de vloeroppervlakte per kavel en per bedrijf gesteld.

Afdeling 5.3 Bedrijfsactiviteiten
Paragraaf 5.3.1 Algemene bepalingen bedrijfsactiviteiten

Artikel 5.23 Toepassingsbereik

In deze afdeling worden regels gesteld over het verrichten van bedrijfsactiviteiten, zoals het exploiteren van een bedrijf. Een bedrijf is een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen. 

De afdeling wordt met een toekomstige wijziging van het omgevingsplan verder gevuld. 

Paragraaf 5.3.2 Bedrijfsactiviteit – Ligplaats voor de beroepsvaart

Artikel 5.24 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het innemen van een ligplaats voor de beroepsvaart. Met beroepsvaart wordt scheepvaart bedoeld die beroeps- of bedrijfsmatig wordt uitgeoefend, zoals vrachtvervoer, passagiersvervoer of andere commerciële vaart.

Artikel 5.25 Locatietoedeling ligplaats voor de beroepsvaart

Een ligplaats is een plek waar een vaartuig tijdelijk of langdurig kan aanmeren. Beroepsvaartuigen mogen niet overal aanmeren. Dit artikel wijst aan waar het innemen van een ligplaats met een beroepsvaartuig is toegestaan.

Artikel 5.26 Omvang en situering

Met het eerste lid wordt duidelijk gemaakt dat een beroepsvaartuig niet overal binnen de locatie ‘Bedrijfsactiviteit – Ligplaats voor de beroepsvaart’ mag aanmeren. Alleen een steiger, meerpaal of andere aanmeervoorziening mag als ligplaats in gebruik worden genomen. Bovendien moet de aanmeervoorziening voor dit gebruik zijn ingericht. Dit betekent dat er een omgevingsvergunning moet zijn verleend voor het bouwen van deze voorziening. 

Dit artikel voorkomt dat er overal aan de kade of in het water te zomaar een ligplaats kan ontstaan. 

Binnen de locatie ‘Bootverbinding Sophiapolder’ mag een beroepsvaartuig alleen een ligplaats innemen als dit ten behoeve van de bootverbinding naar de Sophiapolder is. Dit natuurgebied is alleen bereikbaar met een oversteekboot. Andere beroepsvaartuigen mogen hier niet aanmeren.

Afdeling 5.7 Horeca-activiteiten
Paragraaf 5.7.1 Algemene bepalingen horeca-activiteiten

Artikel 5.27 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van de gebruiksactiviteit horeca. Wat hieronder wordt verstaan, is opgenomen in Bijlage I Begripsbepalingen.

Horeca is een dynamische markt met telkens nieuwe concepten. Om ruimte te scheppen voor nieuwe concepten, maar om met het ook op een evenwichtige verdeling van functies aan locaties ook regels te verbinden aan de verschillende vormen van horeca zijn horecabedrijven opgedeeld in vijf categorieën:

  • a.

    Lichte horeca

  • b.

    Middelzware horeca

  • c.

    Zware horeca

  • d.

    24-uurshoreca

  • e.

    Hotel en pension

Ten tijde van het schrijven van deze regels zijn er geen zware horeca-activiteiten mogelijk in Hendrik-Ido-Ambacht. Een zware horeca-activiteit bestaat uit vormen van horeca die primair gericht zijn op het bedrijfsmatig verstrekken voor gebruik ter plaatse van alcoholische dranken. Hierbij kan gedacht worden aan bars (die niet primair gericht zijn op het verstrekken van maaltijden), discotheken, nachtclubs en partycentra.

Paragraaf 5.7.2 Horeca-activiteit - Lichte horeca

Artikel 5.29 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over de gebruiksactiviteit lichte horeca.

Artikel 5.31 Omvang en situering

Een licht horecabedrijf moet aansluiten bij de winkelvoorzieningen. Op deze manier draagt de horeca bij aan de verblijfskwaliteit van het winkelcentrum of de winkelstraat. Met ‘aansluiten op de winkelvoorzieningen’ wordt bijvoorbeeld het voeren van (nagenoeg) dezelfde openingstijden bedoeld. De leidraad hiervoor is de Winkeltijdenwet. Ook wordt bij voorkeur zitgelegenheid geboden, zodat het winkelend publiek een (licht alcoholisch) drankje of etenswaren kan nuttigen. Tot hoe laat een horecabedrijf open mag zijn staat in de verleende exploitatievergunning. 

Niet elk licht horecabedrijf is gevestigd in de nabijheid van winkelvoorzieningen. Deze vorm van horeca komt ook voor bij sportzalen, culturele centra en maatschappelijke activiteiten. In dat geval moet het horecabedrijf wat betreft de exploitatievorm aansluiten bij de hoofdactiviteit die feitelijk op die locatie wordt verricht.

Paragraaf 5.7.3 Horeca-activiteit - Middelzware horeca

Artikel 5.32 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over de gebruiksactiviteit middelzware horeca.

Paragraaf 5.7.4 Horeca-activiteit - 24-uurshoreca

Artikel 5.34 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over de gebruiksactiviteit 24-uurshoreca.

Artikel 5.35 Locatietoedeling 24-uurshoreca

24-uurshoreca kan meer overlast veroorzaken, zoals geluidsoverlast en verkeersdrukte, vooral 's nachts. Door 24-uurshoreca apart toe te delen kan de gemeente meer invloed uitoefenen op waar deze horecabedrijven zich mogen vestigen. Dit helpt om 24-uurshoreca te vestigen in gebieden waar ze minder hinder veroorzaken voor omwonenden.

Paragraaf 5.7.5 Horeca-activiteit - Hotelsector

Artikel 5.36 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over de gebruiksactiviteit hotel en pension. Hotels en pensions hebben andere operationele behoeften en uitdagingen dan andere horecabedrijven. Door een aparte categorie te maken, is het mogelijk specifieke locaties aan te wijzen, zoals gebieden met goede infrastructuur en voldoende parkeergelegenheid.

Afdeling 5.9 Maatschappelijke activiteiten
Paragraaf 5.9.2 Maatschappelijke activiteit - Basis

Artikel 5.40 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van verschillende soorten maatschappelijke activiteiten, maar niet over gebruiksactiviteiten met betrekking tot kinderopvang, begraafplaats en uitvaartcentrum en brandweerkazerne. Die activiteiten zijn geregeld in de hierop volgende paragrafen. De overige maatschappelijke activiteiten behoren in de regels tot de gebruiksactiviteit 'maatschappelijk basis'.

Artikel 5.42 Omvang en situering

In artikel 5.42 staan algemene regels waar u zich bij het verrichten van de maatschappelijke activiteiten, bedoeld in deze paragraaf, aan moet houden.

Binnen de locatie 'Kerkgebouw van Zuidwende-Zuid' zijn alleen maatschappelijke activiteiten toegestaan in de vorm van levensbeschouwelijke en/of religieuze activiteiten. Dit volgt uit het eerste lid van artikel 5.42. Onder dit soort activiteiten valt bijvoorbeeld het houden van kerkdiensten.

Aanvullend is er ter plaatse van de locatie 'Voorziening hulpdiensten' een voorziening ten behoeve van de Veiligheidsregio toegestaan. Dit soort gebruik van gronden en gebouwen valt onder de maatschappelijke activiteiten, omdat dit soort voorzieningen onder andere worden aangebracht om de bereikbaarheid en het functioneren van de hulpdiensten te bevorderen. De vloeroppervlakte van deze voorziening mag maximaal 100 m2 bedragen. Als onderdeel van deze voorziening mag een stallingsruimte, werk- en opslagruimte en verblijfsruimte worden ingericht. Tot op heden omvat deze locatie alleen de voorziening die is voorzien bij de eerste fase van de Noordoevers.

Dit artikel maakt bovendien duidelijk wat voor activiteiten mogen plaatsvinden binnen de locatie ‘Sophiapark'. Binnen het Sophiapark zijn onder andere voorzieningen voor educatieve, sociale en culturele doeleinden en expositieruimten/galeries toegestaan. Deze mogelijkheden zijn op hetzelfde detailniveau overgenomen uit de voormalige bestemmingsplannen om de mogelijkheden in het park intact te houden.

Paragraaf 5.9.3 Maatschappelijke activiteit - Kinderopvang

Artikel 5.43 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over maatschappelijke activiteiten in de vorm van een kinderopvang. Onder kinderopvang vallen ook kinderdagverblijven.

Een kinderdagverblijf is een vorm van kinderopvang voor kinderen met de leeftijd van 0 tot 4 jaar.

Artikel 5.45 Omvang en situering

In artikel 5.45, eerste lid, is geregeld het binnen de toegedeelde locatie alleen op de begane grond van een gebouw is toegestaan om een gebruiksactiviteit die betrekking heeft op een kinderdagverblijf te verrichten. Dit heeft te maken met de zelfredzaamheid, oftewel de mate waarin iemand in staat is om zichzelf in veiligheid te brengen in een gebied waar een ramp of zwaar ongeval plaatsvindt. Een kind in die leeftijdscategorie is veelal afhankelijk van volwassen om zichzelf in veiligheid te brengen in geval van dit soort situaties.

In een aantal gevallen is kinderopvang in algemene zin alleen toegestaan op de begane grond. Voor deze situaties is de locatie 'Maatschappelijke activiteit kinderopvang alleen op de begane grond' opgenomen. Zie daarvoor artikel 5.45, tweede lid.

Paragraaf 5.9.4 Maatschappelijke activiteit - Begraafplaats en uitvaartcentrum

Artikel 5.46 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de gebruiksactiviteiten begraafplaats en uitvaartcentrum. Wat deze activiteiten inhouden is opgenomen in Bijlage I Begripsbepalingen van het omgevingsplan.

Artikel 5.48 Specifieke zorgplicht

In dit artikel is een specifieke zorgplicht opgenomen. Deze specifieke zorgplicht zorgt ervoor dat het aanzien van de begraafplaats niet aangetast wordt.

Paragraaf 5.9.5 Maatschappelijke activiteit - Brandweerkazerne

Artikel 5.49 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het gebruiken van gronden en bouwwerken voor een brandweerkazerne.

Afdeling 5.10 Recreatie-activiteiten
Paragraaf 5.10.1 Algemene bepalingen recreatie-activiteiten

Artikel 5.51 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het verrichten van recreatieve activiteiten. Belangrijk is om te herhalen dat dit hoofdstuk, omwille van het toepassingsbereik in artikel 5.1, niet ziet op activiteiten die worden uitgevoerd in de openbare ruimte. Verschillende activiteiten die onder de bestemmingsplannen onder de recreatieve bestemmingen vielen, worden daardoor in hoofdstuk 5 niet meer toebedeeld. Het gaat dan bijvoorbeeld om extensieve dagrecreatie, zoals wandelen, fietsen, skaten en natuurobservatie.

Paragraaf 5.10.2 Recreatie-activiteit - Volkstuin

Artikel 5.52 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de gebruiksactiviteit volkstuin. Wat met een volkstuin wordt bedoeld is opgenomen in Bijlage I Begripsbepalingen van het omgevingsplan.

Artikel 5.53 Locatietoedeling volkstuin

In dit artikel is bepaald op welke locaties de gebruiksactiviteit volkstuin mag worden uitgeoefend. Alleen hier mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor het op recreatieve wijze telen van voedings- en siergewassen voor particulier gebruik. Op het moment van vaststelling zijn deze volkstuinen gesitueerd in het zuidoosten van de gemeente, rondom het tracé van de Betuwélijn.

Paragraaf 5.10.3 Recreatie-activiteit - Zwembad

Artikel 5.54 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van de gebruiksactiviteit zwembad. In Bijlage I Begripsbepalingen van het omgevingsplan is van een zwembad een begripsomschrijving opgenomen. Benadrukt moet worden dat het gaat om het bedrijfsmatig exploiteren van een zwembad. Deze paragraaf is dus niet van toepassing op een privé-zwembad in de achtertuin van een woning of zwemactiviteiten die worden verricht in de openbare ruimte.

Paragraaf 5.10.4 Recreatie-activiteit - Ligplaats voor pleziervaart

Artikel 5.56 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken als ligplaats voor particuliere vaartuigen in het kader van de pleziervaart.

Artikel 5.58 Verbod

Een ligplaats mag niet gebruikt worden om in een vaartuig te overnachten. Dit maakt artikel 5.58 duidelijk. 

Het verbod regelt dat een ligplaats niet gebruikt mag worden voor recreatief nachtverblijf. Daarmee bedoelen we dat er voor een korte periode in een vaartuig wordt overnacht om te recreëren. Ook kan het gebruik niet een vorm aannemen die lijkt op wonen. Dit blijkt juridisch al uit het feit dat deze woonactiviteit niet is toebedeeld aan deze locatie. Uit artikel 5.4 volgt dat dit gebruik daarom niet is toegestaan. Artikel 5.58 vult deze regel aan door duidelijk te maken dat overnachten dus ook niet mag plaatsvinden als onderdeel van een recreatieve activiteit.

Artikel 5.59 Omvang en situering

Dit artikel regelt dat het innemen van een ligplaats alleen is toegestaan aan een openbare of particuliere steiger. Hiermee wordt voorkomen dat ligplaatsen zonder meer aan oevers en beschoeiingen worden ingenomen.

Paragraaf 5.10.5 Recreatie-activiteit – Kinderboerderij

Artikel 5.60 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over kinderboerderijen. Dit is een vorm van dagrecreatie. Op een kinderboerderij vindt het houden van (landbouw)huisdieren plaats vanuit een educatief en/of recreatief doel. Om dezelfde redenen kan er ook (onder toezicht) direct contact plaatsvinden met de dieren. Een kinderboerderij is toegankelijk voor publiek. In bijlage 1 van het omgevingsplan vindt u een volledige definitie.

Artikel 5.61 Locatietoedeling kinderboerderij

Artikel 5.61 geeft aan waar in de gemeente gronden en bouwwerken gebruikt mogen worden voor een kinderboerderij.

Artikel 5.62 Omvang en situering

Bij een kinderboerderij mag ook een speeltuin geëxploiteerd worden. Dit gebruik hoeft niet ondergeschikt en ondersteunend te zijn aan het gebruik van de gronden en bouwwerken als kinderboerderij.

Paragraaf 5.10.6 Recreatie-activiteit – Dierenweide

Artikel 5.63 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken als dierenweide. Dit is een vorm van een recreatieve activiteit, waarbij het houden van (landbouw)huisdieren plaatsvindt vanuit een educatief, cultureel en/of recreatief doel. Anders dan een kinderboerderij is een dierenweide niet of slechts beperkt toegankelijk voor publiek. Zo kunnen de dieren bijvoorbeeld alleen worden bezocht op afspraak. Ook kan de dierenweide bijvoorbeeld maar een gedeelte van het jaar bezocht worden.

Artikel 5.64 Locatietoedeling dierenweide

Dit artikel geeft aan waar het gebruik van gronden en bouwwerken voor een dierenweide is toegestaan.

Afdeling 5.11 Sportactiviteiten
Paragraaf 5.11.1 Algemene bepalingen sportactiviteiten

Artikel 5.65 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het verrichten van de gebruiksactiviteit sport. Wat met de term sport wordt bedoeld is opgenomen in Bijlage I Begripsbepalingen van het omgevingsplan.

Paragraaf 5.11.2 Sportactiviteit - Basis

Artikel 5.67 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het verrichten van de gebruiksactiviteit sport basis. Onder deze gebruiksactiviteit valt bijvoorbeeld het gebruik van gronden of bouwwerken voor het realiseren van een sporthal of sportvoorziening.

Artikel 5.69 Omvang en situering

Ter plaatse van de ‘Sophiahal’ is een maximum gezamenlijke oppervlakte opgenomen voor de sporthal en de overige sportieve en recreatieve activiteiten die daar plaatsvinden. Dit maximum is 3.000 m2. Dit regelt artikel 5.69.

Afdeling 5.12 Woonactiviteiten
Paragraaf 5.12.1 Algemene bepalingen woonactiviteiten

Artikel 5.70 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over de gebruiksactiviteiten met betrekking tot het wonen.

Artikel 5.71 Verbod

In artikel 5.71 zijn twee verboden opgenomen.

Dit is een verbod om binnen het ambtsgebied een woonschip of ander drijvend werk te hebben of aan te meren voor het verrichten van een woonactiviteit.

Daarnaast is het verboden om een woning toe te voegen. Het gaat hier om woningen die door woningsplitsing of door middel van een bouwactiviteit worden toegevoegd. U kunt dan bijvoorbeeld denken aan het nieuw bouwen van een woning of verbouwing. Dit verbod is niet van toepassing als de woning in het omgevingsplan al is toegestaan. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen als er meerdere gebruiksactiviteiten aan een perceel zijn toegedeeld. Wanneer het hoofdgebouw voorheen niet als woning werd gebruikt maar dit wel is toegestaan in het omgevingsplan, geldt dit niet als het toevoegen van een woning. Dit neemt niet weg dat er wel een omgevingsvergunning nodig kan zijn als deze verandering van het gebruik leidt tot een toename van de parkeerbehoefte of hinder voor de woonomgeving. Dit kunt u opmaken uit artikel 5.5.

Artikel 5.72 Omvang en situering

In dit artikel staan algemene regels over woonactiviteiten. Aan deze regels moet u zich houden als u een woonactiviteit verricht. Het maakt niet uit om welke woonactiviteit het gaat.  

Woonactiviteiten vanaf de eerste verdieping 

Het eerste lid geeft aan dat een woonactiviteit op sommige plekken in de gemeente alleen vanaf de eerste verdieping mogen worden verricht. Het gaat dan om plekken binnen de locatie 'Woonactiviteiten alleen vanaf de eerste verdieping'.  

Bewoning alleen door een afzonderlijk huishouden 

Ligt een woning binnen de locatie 'Bewoning alleen door een afzonderlijk huishouden'? Dan mag de woning maar door één huishouden worden bewoond. Dit regelt het eerste lid. Het gaat hier meestal om woningen die in het centrum zijn gelegen. In dit woongebied kan de huisvesting van meerdere huishoudens in één woning al snel een grote impact hebben op het woon- en leefklimaat.

Een huishouden waarin mensen samenwonen vanwege een mantelzorgrelatie wordt als één huishouden gerekend, op grond van het derde lid. Door deze bepaling blijft huisvesting in verband met mantelzorg mogelijk. Ook als de woning binnen de locatie ‘Bewoning alleen door een afzonderlijk huishouden’ ligt.

Het tweede lid geldt nooit voor zorgwoningen. Ook niet als de zorgwoning binnen de locatie 'Bewoning alleen door een afzonderlijk huishouden ligt. Bij deze woonvorm is er vrijwel nooit sprake van een continue samenstelling. Bijvoorbeeld omdat steeds een ander persoon zorg ontvangt in de woning. Om deze reden wordt een zorgwoning in het vierde lid uitgezonderd. 

Het parkeren van motorvoertuigen mag alleen als het gebouwerf van de woning wordt ontsloten met een uitrit.

Deze uitrit verschaft toegang tot het perceel vanaf de openbare weg. Bij het maken of veranderen van een uitrit moet u zich houden aan de regels in afdeling 7.9 van hoofdstuk 7.

Paragraaf 5.12.2 Woonactiviteit - Basis

Artikel 5.73 Toepassingsbereik

Deze paragraaf stelt regels voor het verrichten van gebruiksactiviteiten met betrekking tot het wonen, voor zover het gaat om woonactiviteiten in een vorm die als 'basis' aan te merken zijn. Het betreft hier voornamelijk woonactiviteiten die horen bij het wonen in een normale burgerwoning. Om dit te duiden zijn woonactiviteiten die passen bij de andere woningtypologieën in deze afdeling uitgesplitst. Deze paragraaf gaat dus niet over een bedrijfswoning, een plattelandswoning, een woonwagen, een zorgwoning of een mantelzorgwoning. Een woonschip valt ook niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf, aangezien dit niet onder de basiswoonvormen valt.

Artikel 5.75 Omvang en situering

Dit artikel bevat algemene regels waar bij het verrichten van de woonactiviteit aan moet worden voldaan. 

In het eerste lid staat dat het toevoegen van een woning is toegestaan binnen de locatie 'Bouwlocaties'. Dit is in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 5.71, tweede lid.

Het tweede lid regelt een maximum aantal woningen. Dit maximum aantal woningen is opgenomen op locaties waarvan bekend is dat er (grootschalig) gebouwd wordt. Daarmee kunt u denken aan woningbouwprojecten die al in volle gang zijn, zoals de Volgerlanden en de Noordoevers. Op andere locaties is dit maximum niet nodig, omdat de bouwmogelijkheden daar benut zijn. Een woning kan daar alleen worden toegevoegd door een bestaande woning te splitsen of een bouwactiviteit te verrichten, maar voor deze toevoeging geldt een verbod. Dit verbod vindt u terug in artikel 5.71, tweede lid. Op deze manier wordt de feitelijke situatie op die locaties waar de bouw is afgerond behouden. Het gevolg hiervan is dat het toevoegen van een woning zonder wijziging van het omgevingsplan of buitenplanse omgevingsvergunning alleen kan plaatsvinden bij deze woningbouwprojecten.

Binnen de locatie 'Woonactiviteiten alleen vanaf de eerste verdieping' mogen de woonactiviteiten alleen worden verricht vanaf de eerste verdieping. Dit betekent dat de gebruiksactiviteit niet mag plaatsvinden op de begane grond. Deze norm is onder andere opgenomen voor situaties waarbij in de plint van een woning of woongebouw detailhandelsactiviteiten plaatsvinden.

Het aantal personen per gebruiksoppervlakte wordt begrensd in dit artikel om schade aan de gezondheid van bewoners door overbewoning te voorkomen. Daarnaast regelt het omgevingsplan dat de bewoning van een woning op sommige plekken beperkt wordt tot één huishouden. Dit is een voortzetting van de praktijk onder de bestemmingsplannen en geldt onder andere voor locaties binnen de binnenstedelijke woongebieden. De huisvesting van meerdere huishoudens in een pand kan met name in de kernen van invloed zijn op het woon- en leefklimaat van de omgeving.

Tot slot is er een locatie 'Woongebied van Graaf Willemlaan' opgenomen. In de volksmond wordt deze locatie ook wel het Ambachts Lint genoemd. Op deze locatie mogen woningen slechts worden gerealiseerd als aan de voorwaarde in artikel 5.75, vierde lid, wordt voldaan. Dit betekent dat minimaal 30% van het totaal aantal woningen dat wordt gerealiseerd in de categorie sociale huur- of koopwoning moet vallen.

Paragraaf 5.12.3 Woonactiviteit - Bedrijfswoning

Artikel 5.76 Toepassingsbereik

Soms is een woning onderdeel van een bedrijf. Dan heet het een bedrijfswoning. Bij het beëindigen van het bedrijf vervalt ook het recht om daar te wonen. Dit volgt ook uit de definitie van een bedrijfswoning. Een bedrijfswoning mag namelijk alleen worden bewoond door iemand die daar móet wonen, gelet op de functie van het gebouw of terrein. Het gaat dan bijvoorbeeld om de beheerder of eigenaar van het bedrijf. 

Bedrijfswoningen komen met name voor op agrarische percelen. Ook op de bedrijventerreinen komen er een aantal bedrijfswoningen voor.

Artikel 5.77 Locatietoedeling bedrijfswoning

In dit artikel wordt de gebruiksactiviteit bedrijfswoning toegedeeld aan locaties binnen de gemeente. Dit betekent dat deze locaties mogen worden gebruikt voor wonen met een functionele binding.

Artikel 5.78 Omvang en situering

Bij het gebruik van een bouwwerk als bedrijfswoning moet u zich aan de regels in artikel 5.66 houden. Ook bepalen deze regels op welke manier u de gronden eromheen mag gebruiken. 

De regels in dit artikel zijn van toepassing op bestaand én nieuw gebruik. De regels gelden dus net zo goed voor iemand die al een bedrijfswoning heeft, als iemand die een nieuwe bedrijfswoning wil maken. Bij dat laatste spreken we over het toevoegen van een bedrijfswoning. Vaak wordt dit gedaan door te bouwen. Maar dat is niet de enige manier. Het is ook mogelijk om een bedrijfswoning toe te voegen door het gebruik van een bestaand gebouw te veranderen. In beide gevallen moet u zich houden aan de regels in dit artikel. Ook kunnen er andere regels uit het omgevingsplan van toepassing zijn, zoals de regels over het bouwen in hoofdstuk 6. 

Het omgevingsplan maakt slechts nieuwe bedrijfswoningen mogelijk binnen de locatie 'Woon-werktuinen van Bedrijvenpark Ambachtsezoom'. Dit bedrijvenpark is nog in aanleg. Met artikel 5.78, eerste lid en tweede lid, wordt geregeld dat de gronden en bouwwerken alleen ten behoeve van de bedrijfswoning mogen worden gebruikt als er in totaal maximaal 7 bedrijfswoningen in de woon-werktuinen aanwezig zijn.

In het derde lid wordt het aantal personen per gebruiksoppervlakte begrensd. Dit om schade aan de gezondheid van bewoners door overbewoning te voorkomen.

Een bedrijfswoning is bedoeld voor iemand die daar kennelijk móet wonen om het bedrijf draaiende te houden. Dat heet functionele binding en wordt geregeld in het vijfde lid. Om vast te stellen wie dat is kijken we naar de belangrijkste activiteiten die in de bedrijfsgebouwen en op de rest van het terrein mogen plaatsvinden. Bij een agrarisch perceel is dat een veehouder. Door dicht bij de stallen te wonen kan de boer snel ter plaatse zijn als er iets aan de hand is met het vee. Bijvoorbeeld bij de bevalling van een drachtige koe. Om deze reden is het vijfde lid opgenomen. Het vierde lid regelt dat een bedrijfswoning zich op hetzelfde gebouwerf als de bedrijfsgebouwen moet bevinden. Dit voorkomt dat de plek waar wordt gewoond en de plek waar wordt gewerkt te ver uit elkaar komen te liggen.

Paragraaf 5.12.4 Woonactiviteit - Plattelandswoning

Artikel 5.79 Toepassingsbereik

Als een agrarische bedrijfswoning niet meer nodig is, kan deze worden omgezet naar een plattelandswoning. Een plattelandswoning is een voormalige agrarische bedrijfswoning, die mag worden gebruikt door derden die geen functionele binding hebben met het bijbehorende (agrarische) bedrijf. Voor een plattelandswoning geldt dat deze niet wordt beschermd tegen hinder van het bedrijf waarmee het eerder functioneel verbonden was. Daarmee wordt voorkomen dat de bewoning van de plattelandswoning door derden die niet functioneel verbonden zijn met het bedrijf, de ontwikkelmogelijkheden van het bedrijf beperken. De woning wordt wel beschermd tegen hinder van omliggende activiteiten, zoals een ander boerenbedrijf verderop. Dat is ook al het geval als er nog wel functionele binding is met het bijbehorende (agrarische) bedrijf.

Artikel 5.80 Locatietoedeling plattelandswoning

In het omgevingsplan worden locaties voor plattelandswoningen. Deze aanwijzing vindt plaats in dit artikel. In de directe omgeving van de bestaande plattelandswoningen vinden voornamelijk bedrijfsactiviteiten plaats in de vorm van (glas)tuinbouw. Het omgevingsplan voorziet in een volledig gelijkluidende regeling als in de voormalige bestemmingsplannen van kracht was.

Artikel 5.81 Omvang en situering

Het aantal personen per gebruiksoppervlakte wordt begrensd om schade aan de gezondheid van bewoners door overbewoning te voorkomen. Dit staat in artikel 5.81.

Paragraaf 5.12.5 Woonactiviteit - Woonwagen

Artikel 5.82 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over woonactiviteiten die bestaan uit het wonen in een woonwagen.

Artikel 5.83 Locatietoedeling woonwagen

Niet elke plek in de gemeente mag worden gebruikt voor het wonen in een woonwagen. De gemeente heeft hiervoor een woonwagenbuurtje aangewezen aan weerszijden van de Roelof Duyckstraat. Aan deze locatie wordt in dit artikel de gebruiksactiviteit 'woonwagen' toebedeeld. Dat betekent dat deze gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor dit gebruiksdoel. Het plaatsen of bouwen van een woonwagen wordt daarentegen geregeld in hoofdstuk 6, dan wel het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

Artikel 5.84 Omvang en situering

In dit artikel worden een aantal voorwaarden gesteld aan het toevoegen van een woonwagen, binnen de locatie als bedoeld in artikel 5.83. Zo is het belangrijk dat de woonwagen zich op een woonwagenstandplaats bevindt. Daarnaast mag het maximum aantal woonwagens op deze locatie niet worden overschreden. In totaal is er binnen de locatie ruimte voor 6 woonwagenstandplaatsen en daarmee ook voor 6 woonwagens.

Ter bescherming van de gezondheid en om overbewoning te voorkomen, wordt in het derde lid een maximum gesteld aan het aantal personen dat in een woonwagen mag wonen. Dit is 1 persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte. Deze norm is ongewijzigd ten opzichte van de bruidsschat.

Paragraaf 5.12.6 Woonactiviteit - Zorgwoning

Artikel 5.85 Toepassingsbereik

Een zorgwoning is een zelfstandige of onzelfstandige woonruimte waar huisvesting plaatsvindt, mede gericht op het verlenen van zorg. Deze paragraaf bepaalt waar het verrichten van de gebruiksactiviteit zorgwoning is toegestaan, met inachtneming van de algemene regels.

Artikel 5.87 Omvang en situering

In het eerste lid wordt het aantal personen per gebruiksoppervlakte begrensd. Dit om schade aan de gezondheid van bewoners door overbewoning te voorkomen.

Uit de algemene regels van het tweede lid blijkt daarnaast dat de situering van deze woonactiviteit kan verschillen per locatie. Om dit te verbeelden is de locatie 'Woonactiviteit zorgwoning alleen op de verdiepingen' opgenomen. Dit betekent dat de gebruiksactiviteit zorgwoning binnen deze locatie alleen op de verdieping(en) mag worden verricht. De overgebleven lagen mogen worden gebruikt ten behoeve van andere gebruiksactiviteiten, mits deze in het omgevingsplan zijn toegedeeld aan die locatie.

Paragraaf 5.12.7 Woonactiviteit - Mantelzorgwoning

Artikel 5.88 Toepassingsbereik

Deze paragraaf regelt waar de gebruiksactiviteit mantelzorgwoning mag worden verricht. Wat onder mantelzorg en huisvesting in verband met mantelzorg wordt verstaan is gedefinieerd in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Deze begrippen worden daarom niet opgenomen in het omgevingsplan. Vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving gelden de regels dat het gaat om huisvesting in of bij een woning van één huishouden van ten hoogste twee personen. Daarnaast dient ten minste één persoon mantelzorg te verlenen aan of te ontvangen van een bewoner van de woning.

Het is belangrijk dat de gebruiksactiviteit alleen wordt verricht, zolang er sprake is van een mantelzorgrelatie. Als er geen sprake (meer) is van mantelzorg of de mantelzorgrelatie wordt anderzijds beëindigd, dan moet de activiteit worden gestaakt. Dit betekent dat de gronden en bouwwerken niet langer mogen worden gebruikt voor de gebruiksactiviteit mantelzorgwoning.

Het is als initiatiefnemer in de meeste gevallen niet nodig om een omgevingsvergunning aan te vragen om met de gebruiksactiviteit mantelzorgwoning te beginnen of deze te wijzigen. Mogelijk volgt er wel een vergunningplicht uit de bouwregels in hoofdstuk 6, dan wel uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

Artikel 5.89 Locatietoedeling mantelzorgwoning

In dit artikel wordt aangegeven dat de gronden of bouwwerken binnen de locatie 'Woonactiviteit - Basis' naast de reguliere woonactiviteiten ook gebruikt mogen worden voor een mantelzorgwoning en de daarmee gepaarde zorgactiviteiten. Dit gebruik mag gelijktijdig plaatsvinden met de activiteiten die plaatsvinden als onderdeel van de gebruiksactiviteit 'wonen basis'.

Paragraaf 5.12.8 Woonactiviteit - Beroep of bedrijf aan huis

Artikel 5.91 Toepassingsbereik

Een woning wordt in hoofdzaak gebruikt voor woonactiviteiten. De gemeente ontvangt echter regelmatig verzoeken om kleinschalige beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten te mogen uitoefenen bij een woning. Onder bepaalde voorwaarden is het toegestaan om deze twee gebruiksactiviteiten met elkaar te vermengen. De regels in deze paragraaf zien hierop toe, voor zover het gaat om een beroep of bedrijf aan huis. Als onderdeel van een beroep of bedrijf aan huis worden meestal activiteiten uitgevoerd die een grotere omvang hebben dan hobbymatige activiteiten, maar nog steeds zo beperkt zijn dat de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving buiten toepassing kunnen blijven.

Artikel 5.93 Omvang en situering

In artikel 5.93 zijn een aantal algemene regels opgenomen. Een initiatiefnemer moet zich ten alle tijden aan deze (direct werkende) regels houden, ook wanneer er geen omgevingsvergunning nodig is. Algemene regels werken bovendien voortdurend. Bestaande beroepen en bedrijven aan huis die hun bedrijfsvoering veranderen of intensiveren moeten ook voldoen aan deze regels.

Deze regels zorgen ervoor dat het beroep of bedrijf aan huis ondergeschikt blijft aan het wonen. Om deze reden is er ook een begrenzing van de hoeveelheid vloeroppervlakte dat mag worden gebruikt ten behoeve van het beroep of bedrijf aan huis opgenomen.

Artikel 5.95 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen

Als de gebruiksactiviteit voldoet aan de eisen in dit artikel mag het beroep of bedrijf aan huis zonder melding of omgevingsvergunning worden gestart. Het is aannemelijk dat het bestaande gebruik van de woning dan voldoende zal worden gehandhaafd.

Artikel 5.97 Beoordelingsregels

Wordt het beroep of bedrijf uitgeoefend in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk, neemt het aantal werknemers toe of vindt er een (onevenredige) toename van de parkeerbehoefte in de openbare ruimte of de hinder voor de woonomgeving plaats? Dan zal de gemeente eerst toetsen of het initiatief wenselijk is door middel van een vergunningplicht. Dit gebeurt aan de hand van de beoordelingsregels in dit artikel. Wederom blijven de algemene regels, bedoeld in artikel 5.93, van kracht.

Paragraaf 5.12.9 Woonactiviteit - Bed and breakfast

Artikel 5.98 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over de gebruiksactiviteit bed and breakfast. Een bed and breakfast is een overnachtingsaccomodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch kortdurend verblijf in of bij een woning.

Artikel 5.99 Locatietoedeling bed and breakfast

Dit artikel regelt waar u een bed and breakfast mag hebben. Het gebied waarin dit is toegestaan is vastgelegd in de locatie 'Woonactiviteit - Bed and Breakfast'. Op andere plekken in de gemeente is een bed and breakfast niet toegestaan.

Artikel 5.100 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel regelt dat aan het starten van een nieuwe gebruiksactiviteit bed and breakfast altijd een vergunningplicht is gekoppeld. Deze vergunningplicht geldt ongeacht het bepaalde in artikel 5.5.

Artikel 5.102 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag

Wanneer het college van burgemeester en wethouders de verstrekte gegevens en bescheiden als ontoereikend beschouwd, kan worden verzocht om een aanvullend onderzoek. Dit kan een parkeeronderzoek betreffen of een nader onderzoek naar de hinder op de woonomgeving. 

Een aanvullend onderzoek is bijvoorbeeld nodig als op basis van de informatie die u heeft aangeleverd niet voldoende kan worden vastgesteld hoe groot de verkeersaantrekkende werking van de bed and breakfast is. Zonder deze informatie kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning niet verlenen, omdat er niet genoeg informatie is om de aanvraag te beoordelen. Er kan namelijk niet worden aangetoond dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is om te voorzien in de parkeerbehoefte. 

Het bevoegd gezag kan u dan vragen om een aanvullend onderzoek te verstrekken. Doet u dat niet? Dan kan het bevoegd gezag de aanvraag buiten behandeling stellen.

Artikel 5.103 Beoordelingsregels

De aanvraag om de omgevingsvergunning wordt aan de hand van artikel 5.103 beoordeeld. Dit betekent dat het initiatief moet voldoen aan een aantal voorwaarden. 

De bed and breakfast moet zich in of bij een woning bevinden. Een bewoner van deze woning moet de bed and breakfast exploiteren. 

Vanwege de omvang van de gemeente is het wenselijk om deze gebruiksactiviteit alleen toe te staan op een kleinschalige manier. Daarom wordt er een maximum gesteld aan het aantal vierkante meters dat de bed and breakfast mag beslaan. Ook aan het aantal nachtverblijven wordt om deze reden een maximum verbonden. Per bed and breakfast mogen maximaal 4 nachtverblijven worden geëxploiteerd. 

De bed and breakfast mag nadrukkelijk niet worden gebruikt als een zelfstandige woning of een andere vorm van permanente bewoning. De uitstraling van de woning moet ook voldoende worden behouden. 

Als er hinder voor de woonomgeving of nabijgelegen percelen ontstaat, mag dit niet onevenredig zijn. Daarnaast moet ervoor gezorgd worden dat de bed and breakfast de uitstraling of bijzondere waarden van de woning niet aantast. Tot slot wordt er bij het beoordelen van de aanvraag gekeken naar de gevolgen die de gebruiksactiviteit heeft op de parkeerdruk. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de parkeerbehoefte niet onevenredig toeneemt in de openbare ruimte of als de parkeerbehoefte volledig op eigen terrein kan worden opgelost.

Hoofdstuk 6 Bouwwerken  

Afdeling 6.1 Algemene bepalingen bouwwerken
Artikel 6.1 Toepassingsbereik

Het toepassingsbereik geeft aan op welke activiteiten de regels uit dit hoofdstuk van toepassing zijn. Dat is het slopen van een bouwwerk, het in stand houden van een bouwwerk en het bouwen van een bouwwerk.  

Bouwwerk slopen

Dit hoofdstuk gaat onder andere over het slopen van een bouwwerk. Dit heet een sloopactiviteit. Met slopen bedoelen we dat u het bouwwerk geheel of gedeeltelijk afbreekt of uit elkaar neemt. De volledige definitie vindt u in de Omgevingswet. 
 

Tot op heden heeft de gemeente nog geen lokale regels over het slopen van een bouwwerk. Daarom staat afdeling 6.2 op gereserveerd. Er kunnen wel regels uit hogere wetgeving van toepassing zijn, zoals regels van het Rijk. 

Bouwwerk in stand houden

Dit hoofdstuk gaat ook over het in stand houden van een bouwwerk. Deze regels staan in afdeling 6.3. De manier waarop u een bouwwerk na totstandkoming mag gebruiken is niet geregeld in dit hoofdstuk. Hoe en onder welke voorwaarden een bouwwerk gebruikt mag worden staat in hoofdstuk 5.

Bouwwerk bouwen

In de Omgevingswet staat wat er onder bouwen valt. Dit is het 'plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, veranderen of vergroten' van een bouwwerk. Er is niet alleen sprake van een bouwactiviteit als u het bouwwerk nieuw gaat bouwen. Ook bij het verbouwen of veranderen van een bouwwerk moet u zich aan de regels houden. Dan bedoelen we bijvoorbeeld dat u een bestaand kozijn gaat vervangen door een nieuw kozijn.

Artikel 6.2 Oogmerken

In dit artikel staan de oogmerken. De oogmerken maken duidelijk wat het doel van de regels in dit hoofdstuk is. Dit betekent dat de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld vanwege deze doelen. 

In de volgende afdelingen en paragrafen worden de oogmerken soms per activiteit nauwkeuriger aangegeven. Dit is gedaan, omdat niet elk doel bij elke activiteit een even grote rol speelt. Daarom herhalen we de oogmerken soms als die relevant zijn voor een bepaalde activiteit. Dat neemt niet weg dat de oogmerken gelden voor alle regels die in dit hoofdstuk staan. Dus ook als de oogmerken van de regels in die afdeling of paragraaf niet opnieuw worden aangegeven. 

Afdeling 6.3 Bouwwerk in stand houden
Artikel 6.3 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het in stand houden van een bouwwerk. Daarmee bedoelen we dat u het bouwwerk of een deel daarvan laat bestaan.  

Iedereen die een bouwwerk in stand houdt moet zich houden aan de regels in deze afdeling. Het maakt niet uit of u het bouwwerk zelf heeft gebouwd. Ook als het bouwwerk pas later van u is geworden gelden de regels. U bent dan namelijk wél degene die het bouwwerk in stand laat. 

Naast de regels in het omgevingsplan kunnen er ook regels van andere overheden van toepassing zijn. Zo staan er regels in het Besluit bouwwerken leefomgeving. U moet u ook aan deze regels houden.  

Soms moet u iets doen om het bouwwerk in stand te mogen houden. Deze verplichting volgt uit het omgevingsplan of hogere wetgeving. Het gaat dan bijvoorbeeld om het nemen van maatregelen die ervoor zorgen dat de kwaliteit van een bouwwerk niet onder het minimum zakt. Ook kan het zijn dat u het uiterlijk van een bouwwerk moet veranderen. Op deze werkzaamheden kunnen soms andere regels van toepassing zijn, zoals de regels over het bouwen van een bouwwerk uit afdeling 6.4 van het omgevingsplan. Het is belangrijk dat u zich hiervan bewust bent.

Artikel 6.4 Normaddressaat

Dit artikel geeft aan wie er verantwoordelijk is voor het naleven van de regels in deze afdeling. Ook duidt dit artikel wie er aangesproken kan worden bij een overtreding. Dat is meestal de eigenaar van een terrein. Degene die het terrein bezit bepaalt meestal wat er met de gebouwen daarop gebeurt. Dus is de eigenaar bevoegd om maatregelen te nemen. Maar iemand anders kan ook bevoegd zijn om iets aan het bouwwerk te doen, zoals een huurder, beheerder of gemachtigde. Ook in dat geval gelden de regels in deze afdeling.

Artikel 6.5 Oogmerken

Dit artikel maakt duidelijk wat de reden is om regels te stellen over het in stand houden van een bouwwerk. Ook geeft het houvast voor iedereen die te maken heeft met deze activiteit. De oogmerken bieden namelijk kaders voor het stellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 6.10.

Artikel 6.6 Specifieke zorgplicht

In artikel 6.6 wordt kort omschreven wat er in ieder geval valt onder de zorgplicht bij het in stand houden van een bouwwerk. Met dit artikel wordt diegene die een bouwwerk gebruikt verplicht om dit bouwwerk in een nette staat te houden, zodat dit niet tot overlast en hinder voor de omgeving leidt. Op deze manier blijft een bouwwerk ook in de toekomst bruikbaar en wordt de veiligheid en gezondheid van anderen zoveel als mogelijk voorkomen en beschermd.  

Met een ‘nette staat’ wordt ook wel een zindelijke staat bedoeld, zoals dit voorheen was omschreven in het Bouwbesluit 2012.  

Als iemand dit voorschrift overtreedt, mag de gemeente op grond van dit artikel handhaven. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn als er in een woning veel overlast is door (on)gedierte. Ook kan de gemeente overgaan tot handhaving als de algemene reinheid van het bouwwerk daarom vraagt. Bijvoorbeeld door verontreiniging of begroeiing. Tegelijkertijd mag niet lichtvaardig worden overgegaan tot optreden op grond van dit artikel. Het moet gaan om ernstige gevallen. 

Artikel 6.7 Repressief excessief toezicht op de ruimtelijke kwaliteit

Als gemeente vinden we de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving belangrijk. Daarom houden we toezicht op alle bouwwerken die binnen de gemeente worden gebouwd. In sommige gevallen wordt het uiterlijk van bouwwerken tijdens de vergunningverlening getoetst. Dat noemen we preventief welstandstoezicht. Alleen niet voor alle bouwwerken is een omgevingsvergunning nodig. En ook kan iemand het uiterlijk van een bouwwerk op een later moment alsnog aanpassen. Voor deze situaties is artikel 6.7 opgenomen.  

Door artikel 6.7 houdt de gemeente toezicht op het uiterlijk van bouwwerken, ook nádat het bouwwerk is gerealiseerd. Dit heet repressief welstandstoezicht. De gemeente kan op basis van dit artikel overgaan tot handhaving. Handhaven mag alleen als het bouwwerk in ernstige mate in strijd is met de ruimtelijke kwaliteit. Bijvoorbeeld als het uiterlijk van het bouwwerk zó afwijkt van de omgeving dat het gehele straatbeeld wordt verstoord. De eisen waaraan het bouwwerk moet voldoen staan in de beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de wet. In deze beleidsregel legt de gemeente vast hoe bouwwerken op hun uiterlijk worden beoordeeld. Deze beleidsregel heette voorheen de Welstandsnota. De rechtsopvolger van de Welstandsnota kan een andere naam hebben.

Niet op elk bouwwerk wordt toezicht gehouden. Voor tijdelijke bouwwerken is een uitzondering gemaakt in artikel 6.7, onder a. Deze uitzondering geldt niet voor seizoensgebonden bouwwerken. Dan hebben we het bijvoorbeeld over een bouwwerk dat wordt gebruikt voor de seizoensgebonden huisvesting van arbeidsmigranten, zoals een portakabin. 

Artikel 6.8 Verbod

In afdeling 6.4 van het omgevingsplan staat of u een omgevingsvergunning nodig heeft voor het bouwen van een bouwwerk. Bij deze artikelen staat ook een verbod om het bouwwerk zonder omgevingsvergunning te bouwen. Dit betekent dat de gemeente u eerst toestemming moet geven om het bouwwerk te bouwen. Houdt u zich niet aan een verbod? Dan kan de gemeente handhaven. Bijvoorbeeld door te eisen dat u onmiddellijk stopt met bouwen en/of het bouwwerk weer afbreekt. 

Maar wat als het bouwwerk er al staat? Voor die gevallen is artikel 6.8 opgenomen. Dit artikel bevat een verbod om een bouwwerk of deel daarvan in stand te houden. In het eerste en tweede lid staat in welke gevallen dit verbod van toepassing is. Samengevat gaat het hier over illegale bouwwerken. Het verbod om deze illegale bouwwerken in stand te houden, geldt voor iedereen.

Het verbod geldt in de volgende twee situaties:

  • 1.

    Er is geen omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van het bouwwerk. Ook mocht u het bouwwerk niet zonder omgevingsvergunning bouwen. Er was dus geen sprake van een 'toestemmingsvrij geval', zoals aangewezen in dit hoofdstuk van het omgevingsplan of hogere wetgeving. In dat geval is het bouwwerk illegaal. U mag het bouwwerk daarom niet in stand houden.

  • 2.

    Er is wél een omgevingsvergunning verleend, maar het bouwwerk dat is gebouwd komt niet overeen met wat er in de omgevingsvergunning staat. Het bouwwerk staat bijvoorbeeld niet op de juiste plek of heeft niet de afgesproken maatvoering. Er wordt dan niet aan de voorwaarden in de omgevingsvergunning voldaan. Het bouwwerk is dan illegaal. U mag het bouwwerk daarom niet in stand houden.

Dit artikel geeft de gemeente de mogelijkheid om te handhaven als u een illegaal bouwwerk in stand houdt. Ook als u het bouwwerk niet zelf heeft gebouwd. De gemeente kan u dan verplichten om het bouwwerk te legaliseren of weg te halen, omdat u degene bent die het bouwwerk in stand laat.

Artikel 6.9 Beeldkwaliteit en bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerken

In dit artikel staan algemene regels. Deze algemene regels werken direct door naar degene die de activiteit verricht, zoals een burger, bedrijf of de gemeente zelf. 

In het eerste lid staat dat u zich moet houden aan de eisen over stedenbouwkundige kwaliteiten. De eisen zijn vastgelegd in de Beleidsregel Beeldkwaliteitsplannen. Deze beleidsregel geeft aan hoe sommige plekken in de gemeente eruit moeten zien. Dit is bijvoorbeeld nodig bij een nieuwe ontwikkeling, zoals de transformatie van een bedrijventerrein naar een woonwijk. In het beeldkwaliteitsplan beschrijft de gemeente dan bijvoorbeeld de gewenste sfeer van het te ontwikkelen gebied, hoe de cultuurhistorie tot zijn recht moet komen en hoe de openbare ruimte moet worden ingericht om een mooi geheel te vormen met alle bebouwing. 

Maar ook na de oorspronkelijke oplevering van het gebied is het belangrijk dat er na verloop van tijd geen afbreuk wordt gedaan aan de gewenste beeldkwaliteit. Daarom is artikel 6.9eerste lid, opgenomen. Dit lid zorgt ervoor dat u ook ná de bouw van het bouwwerk moet voldoen aan de eisen in de Beleidsregel Beeldkwaliteitsplannen. Doet u dat niet? Dan kan de gemeente handhaven. Op deze manier worden de stedenbouwkundige kwaliteiten langdurig beschermd.  

Let op. De eisen zijn alleen in specifieke gevallen van toepassing, zoals wanneer in het beeldkwaliteitsplan staat dat een groen dak verplicht is en u zodoende een groen dak in stand houdt.  

Het tweede lid zegt dat u een bouwwerk niet langer mag gebruiken als dat gevaarlijk is in verband met de bouwvalligheid van een nabijgelegen bouwwerk. Het bevoegd gezag verplicht u dan om het gebruik te staken. De bevoegdheid van de gemeente om handhavend op te treden tegen het bouwvallige bouwwerk zelf is geregeld in de Omgevingswet en de Algemene wet bestuursrecht.  

Voordat er sprake kan zijn van een overtreding van het tweede lid, moet het bevoegd gezag eerst een mededeling hebben gedaan dat het gebruik vanwege de technische kwaliteit van dat andere bouwwerk gevaarlijk is. Met ‘mededeling’ wordt een mededeling van feitelijke aard bedoeld. Het gaat hier niet om een beschikking.  

Als het gebruik na ontvangst van deze mededeling toch wordt voortgezet, kan het bevoegd gezag overgaan tot handhaving. 

Artikel 6.10 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel schept de mogelijkheid om een maatwerkvoorschrift te stellen. Dat kan bij een overtreding van artikel 6.8. Dit betekent dat het uiterlijk van het bouwwerk in ernstige mate in strijd moet zijn met de ruimtelijke kwaliteit.  

De gemeente kan iemand verplichten om het bouwwerk op onderdelen aan te passen. In het maatwerkvoorschrift geeft de gemeente ook aan hoe iemand dat moet doen. Dit alles legt de gemeente vast in een apart maatwerkbesluit. Met 'iemand' bedoelen we hier degene die bevoegd is tot het treffen van maatregelen. Diegene moet zich aan het maatwerkvoorschrift houden. Dan gaat het bijvoorbeeld om de eigenaar van de gronden. Dit vindt u terug in het normaddressaat in artikel 6.4.  

Een maatwerkvoorschrift geeft de gemeente de mogelijkheid om te sturen op de manier waarop het uiterlijk van een bouwwerk wordt aangepast. Door een maatwerkvoorschrift te stellen kan de gemeente namelijk duidelijk maken op welke punten het bouwwerk moet worden veranderd, zodat er geen sprake meer is van een ernstige strijd met de ruimtelijke kwaliteit.  

In het maatwerkbesluit kan het bevoegd gezag ook een termijn opnemen. Dit termijn geeft aan hoe snel het uiterlijk van het bouwwerk moet worden aangepast. Dit regelt het vijfde lid.

Afdeling 6.4 Bouwwerk bouwen
Paragraaf 6.4.1 Algemene bepalingen bouwwerk bouwen

Artikel 6.11 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het bouwen van een bouwwerk. Dit noemen we een bouwactiviteit. De Omgevingswet maakt onderscheid tussen het bouwtechnische deel en het ruimtelijke deel van een bouwactiviteit. Deze onderdelen worden afzonderlijk beoordeeld. 

Bij het bouwtechnische deel gaat het om de bouwkwaliteit van een bouwwerk. Er wordt bijvoorbeeld gekeken of het bouwwerk constructief veilig is. De regels hiervoor staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Daar staat ook of u een omgevingsvergunning nodig heeft voor dit deel van de bouwactiviteit. 

Het ruimtelijk deel van een bouwactiviteit noemen we ook wel een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. De regels hiervoor staan in deze afdeling van het omgevingsplan. Deze regels bepalen bijvoorbeeld waar u mag bouwen, hoe hoog het bouwwerk mag zijn en hoe het eruit moet zien. In deze afdeling leest of u een omgevingsvergunning nodig heeft voor het ruimtelijke deel. 

Gaat u bouwen? Dan moet u aan de bouwtechnische én de ruimtelijke regels voldoen. Doordat deze twee onderdelen los van elkaar zijn geknipt, kan het zo zijn dat u voor een bouwactiviteit twee aparte omgevingsvergunningen nodig heeft. Ook is het mogelijk dat u voor de technische bouwactiviteit geen omgevingsvergunning nodig heeft, maar voor de omgevingsplanactiviteit wel of andersom. Controleer dit goed voordat u begint met bouwen of een aanvraag om een omgevingsvergunning indient. 

Artikel 6.12 Oogmerken

In dit artikel wordt het oogmerk van de regels beschreven. Dit is een korte opsomming van de redenen om de regels in deze afdeling te stellen.

Artikel 6.13 Wijze van meten

In dit artikel staat op welke manier de waarden in deze afdeling moeten worden gemeten. Daarmee is verzekerd dat dit steeds op dezelfde manier gebeurt. Dit voorkomt willekeur.  

De wijze van meten geldt altijd. Dit staat los van de vergunningplicht. Om te bepalen of een bouwwerk zonder omgevingsvergunning mag worden geplaatst, meet de initiatiefnemer dus ook op de voorgeschreven manier. Maar ook het bevoegd gezag gebruikt deze wijze van meten. Zo beoordeelt een vergunningverlener een binnengekomen aanvraag door de waarden op deze manier te meten. Ook is dit artikel belangrijk voor de handhaving. Er kan pas worden bepaald of er sprake is van een overtreding als duidelijk is op welke manier het bouwwerk moet worden gemeten.  

U laat ondergeschikte bouwdelen buiten beschouwing

Een bouwwerk heeft vaak onderdelen die bouwkundig gezien niet bepalend zijn voor het uiterlijk of de gehele vorm. Dit soort onderdelen zijn door hoe ze eruitzien meer een bijzaak als u naar de gehele hoofdmassa kijkt. Daarom spreken we ook wel over ondergeschikte bouwdelen. Deze ondergeschikte bouwdelen mogen op basis van artikel 6.13, tiende lid, buiten beschouwing blijven tot 0,5 meter. Dit betekent dat u deze onderdelen niet meerekent als u buitenwerkse maten opmeet. Bij de bouwhoogte van een bouwwerk telt u ondergeschikte schoorstenen, liftschachtopbouwen en daarmee gelijk te stellen bouwdelen nooit mee. 

Een voorbeeld legt uit hoe dit artikel werkt en waarom deze nodig is. Stel u voor dat u een woning wil bouwen met een centraal ventilatiesysteem. Dan is er een afvoerpijp nodig. U wilt deze afvoerpijp op het dak van de woning plaatsen. In het omgevingsplan staat dat de woning maximaal 6 meter hoog mag zijn. Zonder dit artikel zou u ook de hoogte van de afvoerpijp moeten opmeten. Dit is namelijk het hoogste punt van de woning. Het is niet de bedoeling dat dit soort kleine bouwdelen de hoogte van de hoofdmassa beperken. Daarom worden ze hier uitgezonderd.  

Een bouwwerk dat op een erf- of perceelgrens staat meet u vanaf de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogste is

Soms is de grond aan de ene kant van een bouwwerk hoger dan aan de andere kant. In die situaties wordt er gemeten vanaf de zijde waar het niveau van de grond het hoogst is. Dit beschrijft het twaalfde lid.

afbeelding binnen de regeling

Hierboven ziet u een visuele toelichting van waar u moet meten. In dit voorbeeld gaat het om een erf- of perceelafscheiding. In het voorbeeld is de grond aan de linkerkant van erf- of perceelafscheiding hoger. Daarom moet u de hoogte vanaf die kant meten.

Artikel 6.14 Verbod

In afdeling 6.4 van het omgevingsplan worden locaties aangeduid. Deze locaties bepalen waar u bepaalde bouwactiviteiten mag verrichten. Maar wat als u iets wilt doen op een plek die niet is aangewezen? Dan bepaalt artikel 6.14 dat het verboden is om de bouwactiviteit te verrichten. Een bouwactiviteit is namelijk alleen toegestaan binnen de locatie die daarvoor in afdeling 6.4 van het omgevingsplan is aangeduid.  

Wanneer het volgens afdeling 6.4 wel is toegestaan om een bepaalde bouwactiviteit te verrichten, moet u er rekening mee houden dat u de activiteit niet direct mag uitvoeren. Er gelden namelijk ook nog andere regels voor bouwactiviteiten. Het feit dat een bouwactiviteit plaatsvindt op de daarvoor aangewezen locatie is dus niet voldoende om te concluderen dat u de activiteit mag uitvoeren.

Artikel 6.15 Uitzetten of goedkeuren rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeilen

In dit artikel is geregeld dat sommige bouwactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning is verleend pas mogen worden uitgevoerd als aan het bepaalde in dit artikel wordt voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om het bouwen van een hoofdgebouw, zoals een woning of een bedrijfshal. Ook gaat dit over bouwwerken waarvan de plaats op het erf afhankelijk is van de situering van het hoofdgebouw. Denk aan bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied, zoals een schuur. Dit soort bouwwerken kunnen pas worden gebouwd als het achtererfgebied bekend is.  

Dit betekent dat iemand in die gevallen pas mag beginnen met bouwen als de rooilijnen of bebouwingsgrenzen zijn uitgezet door het bevoegd gezag of door het bevoegd gezag zijn goedgekeurd. Ook het straatpeil moet zijn uitgezet en goedgekeurd. Het bevoegd gezag is hier de instantie die de omgevingsvergunning verleend.

Artikel 6.16 Anti-dubbeltelregel

In dit artikel is een anti-dubbeltelregel opgenomen. Door deze regel kan dezelfde grond niet twee keer worden meegeteld in de beoordeling van verschillende bouwplannen. Is de grond al eens in aanmerking genomen? Dan moet deze bij latere bouwplannen buiten beschouwing blijven. 

Dit kan het beste worden uitgelegd aan de hand van een voorbeeld. Wanneer er in het omgevingsplan staat dat de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken maximaal 50% van het bebouwingsgebied mag bedragen. Een gedeelte van het bebouwingsgebied is al gebruikt om een grote schuur te bouwen. Dan mag het overgebleven gedeelte van het bebouwingsgebied niet opnieuw worden meegenomen bij het bepalen van de bouwmogelijkheden voor een ander bijbehorend bouwwerk. In andere woorden, het onbebouwde gedeelte mag niet nogmaals voor 50% worden bebouwd. Dat zou namelijk betekenen dat de grond twee keer wordt meegeteld, waardoor er meer wordt bebouwd dan origineel was beoogd.  

Deze regel geldt ook bij herverkaveling. Daar is bijvoorbeeld sprake van als een bedrijf van een naastgelegen bedrijf een stuk grond koopt. Het bedrijf kan alleen bouwen als de bouwmogelijkheden op het oorspronkelijke bebouwingsgebied nog niet waren benut. Dat zou namelijk betekenen dat de verkochte grond twee keer wordt meegeteld. Ook hier is de anti-dubbeltelregel dus van toepassing. 

Artikel 6.17 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen

Dit artikel gaat over het veranderen van een bouwwerk. Daar heeft u geen omgevingsvergunning voor nodig als u voldoet aan de voorwaarden in artikel 6.17. Het gaat dan in principe om kleine veranderingen. De voorwaarden in dit artikel zorgen ervoor dat deze veranderingen meestal niet erg ingrijpend zijn.  

Als voorwaarde geldt dat de bebouwde oppervlakte niet mag worden uitgebreid. De verandering mag er dus niet toe leiden dat de bebouwde oppervlakte toeneemt. Ook mag het bouwvolume niet toenemen. Daardoor is het niet mogelijk om deze regeling te gebruiken voor het toevoegen of uitbreiden van een bestaande bouwlaag.  

Uitstekende delen van ondergeschikte aard mogen in beide gevallen vaak buiten beschouwing blijven. Dit volgt uit artikel 6.13. Het is dus mogelijk om deze regeling te gebruiken om bijvoorbeeld zonder omgevingsvergunning een ventilatiepijpje of schoorsteen aan te brengen of te vervangen. 

Dit artikel geldt alleen voor het veranderen van een bouwwerk. Daarvan is volgens jurisprudentie geen sprake als u een op zichzelf staand bouwwerk gaat bouwen. Ook een zelfstandig bouwwerk dat duidelijk te onderscheiden is van het hoofdgebouw of ander bouwwerk valt daar niet onder. Dan spreken we namelijk over het bouwen van een geheel nieuw bouwwerk. 

Het veranderen van een bouwwerk is niet toestemmingsvrij als er sprake is van een bouwwerk als bedoeld in het vierde lid. Dit lid zorgt ervoor dat een bouwwerk dat op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet zonder omgevingsvergunning mag worden geplaatst, op basis van dit artikel toch mag worden gebouwd. Ook is dit artikel niet van toepassing als deze betrekking heeft op een (voorbeschermd) monument. 

Artikel 6.18 Aanvraagvereisten

Deze aanvraagvereisten zijn gegevens en bescheiden die standaard bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moeten zitten. Met bescheiden bedoelen we documenten. Andere vormen van informatie noemen we gegevens. De algemene aanvraagvereisten in artikel 6.18 zijn van toepassing op alle bouwactiviteiten. Als u gaat bouwen levert u dus altijd deze informatie aan. Alleen dan kan het bevoegd gezag uw aanvraag om een omgevingsvergunning in behandeling nemen en beoordelen. Het bevoegd gezag is meestal de gemeente. 

In dit artikel staan voornamelijk ruimtelijke aanvraagvereisten. Deze informatie is nodig om te beoordelen of wordt voldaan aan de ruimtelijke regels van het omgevingsplan. Uit deze gegevens en bescheiden kan de vergunningverlener bijvoorbeeld aflezen hoe hoog het bouwwerk wordt en/of wat de oppervlakte is. 

Onder sub g zijn gegevens en bescheiden opgenomen die nodig zijn om het uiterlijk en de situering van bouwwerken te beoordelen. Dit wordt gedaan aan de hand van de beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de wet. In deze beleidsregel neemt het bevoegd gezag op hoe het uiterlijk van bouwwerken wordt beoordeeld. Deze beleidsregel heette voorheen de Welstandsnota. De rechtsopvolger van de Welstandsnota kan een andere naam hebben.

Het kan voorkomen dat u nog meer informatie moet aanleveren als u gaat bouwen. Zo staan er in het omgevingsplan aanvullende aanvraagvereisten voor specifieke activiteiten. Deze gelden alleen als u een omgevingsvergunning aanvraagt voor die specifieke activiteit.

Artikel 6.19 Beoordelingsregels

Heeft een aanvraag betrekking op een bouwactiviteit? Dan wordt er altijd getoetst aan dit artikel. Deze beoordelingsregels gelden voor alle bouwactiviteiten die in deze afdeling worden geregeld. 

Het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerk moet de ruimtelijke kwaliteit verbeteren

Dit betekent dat er bij het beoordelen van de aanvraag standaard wordt gekeken naar de manier waarop het bouwwerk bijdraagt aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Bepalend voor deze beoordeling is hoe het bouwwerk eruitziet. Ook maakt het uit waar het bouwwerk komt te staan. Dit alles wordt beoordeeld door een onafhankelijke commissie voor ruimtelijke kwaliteit. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet. In deze beleidsregel legt de gemeente vast hoe het uiterlijk van bouwwerken wordt beoordeeld. Deze beleidsregel heette voorheen de Welstandsnota. De rechtsopvolger van de Welstandsnota kan een andere naam hebben.

Het bevoegd gezag kan afwijken van het advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit. Dat regelt het derde lid. Bijvoorbeeld als er zwaarwegende belangen zijn om de omgevingsvergunning toch te verlenen.  

Bij een aanvraag die betrekking heeft op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk wordt er niet gekeken naar het effect op de ruimtelijke kwaliteit. Doordat het niet gaat om een blijvende verandering zijn het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk hier minder van belang. Deze uitzondering geldt niet voor alle tijdelijke bouwwerken. Als het om een seizoensgebonden bouwwerk gaat wordt er wel getoetst. Dan hebben we het bijvoorbeeld over een tijdelijke kas of een folietunnel.  

Onder een overbouwing moet voldoende ruimte worden behouden

Daarom stellen we eisen aan de vrije hoogte onder de overbouwing. Daarmee bedoelen we de hoogte die effectief gebruikt kan worden, zonder obstakels. Door eisen te stellen aan deze hoogte zorgen we ervoor dat iemand veilig en comfortabel onder de onderbouwing door kan lopen, fietsen of rijden. 

Soms mag slechts een percentage van een gebouwerf bebouwd worden

Dit percentage is over het algemeen opgenomen in het zevende lid. In de norm zelf staat of het percentage geldt voor het gebouwerf.

Maar let op. Dit percentage geldt niet voor alle bebouwing. Bouwwerken geen gebouw zijnde als bedoeld in paragraaf 6.4.8 hoeven niet te worden meegerekend. U telt een overkapping dus wél mee als het om een bijbehorend bouwwerk gaat. Maar een vlaggenmast hoeft u nooit mee te rekenen.  

Een gebouw moet geheel binnen het bouwvlak staan. Behalve als het gaat om ondergeschikte bouwdelen.

Een gebouw mag het bouwvlak niet overschrijden. Dit blijkt uit het tiende lid. Maar op deze regel is een uitzondering. Ondergeschikte bouwdelen mogen wél buiten het bouwvlak komen als deze tot een gebouw behoren. Deze ondergeschikte bouwdelen zijn weliswaar onderdeel van het gebouw, maar zijn verder niet bepalend voor de hoofdvorm. U kunt bijvoorbeeld denken aan een trap, fundering, balkon of afdak. Hoever zo'n ondergeschikt bouwdeel mag uitsteken, leest u in het elfde en twaalfde lid

Deze regels zijn een aanvulling op de regeling voor ondergeschikte bouwdelen die terug te vinden is in artikel 6.13. Deze aanvulling geeft de gemeente meer ruimte om een omgevingsvergunning toch te verlenen als er slechts een klein onderdeel van een gebouw buiten het bouwvlak uitsteekt.

Paragraaf 6.4.2 Gebouw bouwen

Subparagraaf 6.4.2.1 Algemene bepalingen gebouw bouwen

Artikel 6.20 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het bouwen van een gebouw. Daarmee bedoelen we hoofdgebouwen en andere gebouwen. De regels in deze paragraaf kunnen over allerlei soorten gebouwen gaan. Zoals een woning, bedrijfshal, kas of gebouw voor onderhoud en beheer. 

Wat is een hoofdgebouw?

Een hoofdgebouw is het belangrijkste gebouw op een perceel of een gedeelte daarvan. Voor de volledige definitie kunt u het Besluit bouwwerken leefomgeving raadplegen. Een hoofdgebouw is meestal te herkennen aan de constructie en de afmetingen. Ook blijkt uit het gebruik of iets een hoofdgebouw is. Er is alleen sprake van een hoofdgebouw als het gebouw noodzakelijk is voor het gebruik dat in hoofdzaak is toegestaan op dat perceel. Dit wordt bepaald in hoofdstuk 5 van het omgevingsplan. Bij woonactiviteiten is het hoofdgebouw vaak de woning. Maar in het geval van een bedrijfswoning is dit juist weer het bedrijfsgebouw. In andere gevallen is een school, winkel of ander gebouw aan te merken als hoofdgebouw. 

Wat als een gebouw het enige gebouw is op een perceel? Dan betekent dit niet automatisch dat het gebouw dat er staat het hoofdgebouw is. Zoals eerder genoemd, speelt ook mee in welke mate het gebouw van belang is voor het uitoefenen van de activiteiten die daar mogen plaatsvinden. Dan hebben we het over activiteiten ten behoeve van het gebruik. Als het gebouw niet als hoofgebouw valt te kwalificeren, is het gebouw niet automatisch een bijbehorend bouwwerk. Dit komt doordat er op het perceel geen hoofdgebouw is. Dit soort gebouwen vallen ook onder het toepassingsbereik van deze paragraaf. Het gaat dan bijvoorbeeld om een berging op een volkstuin of een gebouw voor het beheer en onderhoud van de openbare ruimte. 

Soms staan de regels over het bouwen van een gebouw in een andere (sub)paragraaf

Deze paragraaf geldt niet voor de bouwwerken die in het tweede lid worden genoemd. Dat betekent dat u zich niet aan de regels in deze paragraaf hoeft te houden als u deze bouwwerken gaat bouwen. De vraag of het bouwwerk een gebouw is maakt daarbij niet uit. Ook dan zondert het tweede lid deze uit. 

Bij het bouwen van een nutsvoorziening hoeft u zich dus niet te houden aan de regels in deze paragraaf. Zelfs niet als de nutsvoorziening een gebouw is. Hetzelfde geldt voor de andere bouwwerken in het tweede lid.

Artikel 6.21 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in deze paragraaf moet u soms een motivering aanleveren van de gevolgen van een bouwwerk op de bezonning van omliggende percelen. Deze motiveringsplicht geldt alleen in de gevallen die omschreven worden in sub a en sub b. Zoals bij het bouwen van een extra bouwlaag als bedoeld in artikel 6.27 en het bouwen van een kas als bedoeld in artikel 6.35

Als u een omgevingvergunning aanvraagt voor de bouwactiviteiten, bedoeld in die artikelen, dan controleert de gemeente of er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bezonning van omliggende percelen. Daarmee bedoelen we de mate waarin zonlicht direct de buitenruimtes en de gebouwen op het perceel van uw buren bereikt. Daarom moet u uitleggen hoe de bezonning van omliggende percelen verandert door het verrichten van de activiteit. 

Artikel 6.22 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een motivering van de bezonning op omliggende percelen verstrekt. Dit regelt artikel 6.21. In de motivering legt de aanvrager uit waarom er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bezonning van omliggende percelen. 

Soms is het nodig om nader onderzoek te doen. In dat geval kan het bevoegd gezag de aanvrager verplichten om een onderzoek te verstrekken naar de bezonning van omliggende percelen. Dit bepaalt dit artikel. Deze verplichting kan het bevoegd gezag bijvoorbeeld opleggen als de conclusie die de aanvrager trekt in de motivering niet aannemelijk is. Het bevoegd gezag gebruikt het onderzoek om te beoordelen of de omgevingsvergunning kan worden verleend. En zo ja, of er voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden. 

Subparagraaf 6.4.2.2 Gebouw bouwen

Artikel 6.23 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het bouwen van gebouwen. Onder het toepassingsbereik van deze subparagraaf vallen hoofdgebouwen én andere soorten gebouwen. U kunt dan denken aan gebouwen ten behoeve van het onderhoud en beheer van groen.  

Deze subparagraaf is alleen van toepassing voor zover het niet om een kas gaat. Dit regelt het tweede lid. Daarnaast worden er eerder een paar gebouwen uitgezonderd in de algemene bepalingen. Deze uitzonderingen vindt u terug in artikel 6.20. Dit artikel bepaalt het toepassingsbereik van de gehele paragraaf.

Artikel 6.24 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel bevat de vergunningplicht voor het bouwen van een gebouw. Dit betekent dat u geen gebouw mag bouwen zonder dat daar een omgevingsvergunning voor is verleend.

Artikel 6.25 Aanvraagvereisten

Gaat u een gebouw bouwen? Dan heeft het bevoegd gezag een aantal gegevens en bescheiden van u nodig. Het bevoegd gezag is meestal de gemeente.  

In artikel 6.18 van het omgevingsplan staan algemene aanvraagvereisten. Deze moet u altijd indienen als u gaat bouwen. Het huidige artikel, artikel 6.25, is een aanvulling op deze aanvraagvereisten. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning levert u dus in ieder geval de informatie uit deze twee artikelen aan. 

Artikel 6.26 Beoordelingsregels gebouwen in het bouwvlak

In dit artikel staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels gaan over het bouwen van een gebouw binnen het bouwvlak. Met het bouwvlak bedoelen we een locatie die is vastgelegd in het omgevingsplan. 

Er moet genoeg afstand zijn tussen gebouwen die niet aaneen worden gebouwd

Staan er meerdere gebouwen op uw stuk grond? Dan moet u voldoende afstand houden tussen deze gebouwen. Dit staat in het tweede lid.  

Deze norm geldt ter plaatse van een aantal bedrijventerreinen binnen de gemeente. Op deze locaties is het extra belangrijk dat er een minimum afstand wordt aangehouden tussen meerdere gebouwen op een gebouwerf. Daarmee wordt bijvoorbeeld voorkomen dat een brand zich snel verspreidt. Ook maakt het de gebouwen beter bereikbaar voor hulpdiensten of voor onderhoud.  

Maar let op. Deze norm geldt alleen als het gebouw los komt te staan. Dus niet als de gebouwen aaneen worden gebouwd.  

Een gebouw moet aan bepaalde maatvoering voldoen

Deze maatvoering vindt u terug in het derde lid tot en met het elfde lid. Het gaat hier onder andere om de bouwhoogte, dakhelling en oppervlakte van het gebouw. Met deze normen wordt soms een ondergrens bepaald, zoals de minimum bouwhoogte van een gebouw. Ook kan er in deze normen een maximum staan.  

Een woning moet licht verhoogd zijn binnen de locatie Woongebied van Graaf Willemlaan

Dit project staat binnen de gemeente ook bekend als het Ambachts Lint. Het gaat hier om een nieuwbouwontwikkeling in het centrum. Binnen deze locatie moeten de woningen 0,30 meter boven het straatpeil komen te liggen. Deze lichte verhoging zorgt voor een uniform straatbeeld. Het voorkomt dat de woningen visueel ‘wegzakken’ in het straatniveau. Ook verkleint het de kans op overstromingen van de begane grond bij hevige regenval. 

Een gebouw staat van de perceelsgrenzen af

Soms moet er een bepaalde afstand worden aangehouden tussen een gebouw en de perceelsgrens. Dit regelt het dertiende lid.  

De norm geldt voor een groot gedeelte van het landelijke gebied. Het landelijk gebied heeft een open en groene uitstraling. Hier wordt een grotere afstand gehanteerd om de open uitstraling van het landelijk gebied te behouden. Ook vinden er vaker activiteiten plaats die meer ruimte nodig hebben, zoals voor activiteiten met grote voertuigen of opslag. Gebouwen die dichter op de perceelsgrens staan kunnen de bedrijfsvoering belemmeren. Daarom is het verplicht een grotere afstand aan te houden tussen een gebouw en de perceelsgrens. Deze voorwaarde geldt niet voor woningen in het landelijk gebied. Op dit soort gebouwerven geldt in het landelijk gebied slechts de eis dat de woning in het bouwvlak wordt gebouwd. 

De eis geldt ook voor een aantal woningen in de Volgerlanden. De minimum afstand tot de perceelsgrenzen geldt voor een aantal vrijstaande woningen. Daarmee wordt verzekerd dat de woningen voldoende los komen te staan van de omliggende woningen en het vrijstaande karakter van de woningen verzekerd is.  

Binnen de locatie ‘Bezoekerscentrum’ mag het gebouw alleen een bezoekerscentrum zijn

In deze locatie is het bezoekerscentrum van de Sophiapolder opgenomen. Op deze plek mag alleen een bezoekerscentrum komen, bedoeld voor het recreatieve medegebruik van de Sophiapolder. Andere gebouwen mogen daar niet worden gebouwd.  

Voor de ruimte-voor-ruimtewoningen geldt een maximum inhoud. Het hoofdgebouw mag alleen groter worden dan de voorgeschreven inhoud als er minder andere bebouwing wordt gebouwd.

Het gaat hier om de ruimte-voor-ruimtewoningen aan de Rijksstraatweg. Deze worden aangeduid met ruimte-voor-ruimtewoningen doordat hier kassen zijn gesloopt in ruil voor woningen. Voor deze woningen geldt een maximum inhoud. Deze is vastgelegd in het vijftiende lid. Van deze inhoud mag worden afgeweken, maar alleen als dit in mindering wordt gebracht van de gezamenlijke oppervlakte van de overige bebouwing. Met ‘overige bebouwing’ worden hier bijbehorende bouwwerken bedoeld, zoals schuren, overkappingen en garages. Als het hoofdgebouw dus groter wordt, dan zijn er minder bijbehorende bouwwerken toegestaan. 

Artikel 6.27 Afwijkende beoordelingsregels extra bouwlaag

Dit artikel maakt het toevoegen van een bouwlaag mogelijk. Dit noemen we in het normale spraakgebruik ook wel een verdieping. Het is een doorlopend gedeelte van een gebouw waarop zich meerdere ruimten kunnen bevinden. Elke ruimte bevindt zich op (nagenoeg) dezelfde hoogte. De vloer van elke ruimte is dus op zo’n manier afgewerkt dat er geen grote hoogteverschillen zijn. Hetzelfde geldt meestal voor het plafond (de balklagen). 

Er is alleen sprake van een bouwlaag als de ruimte, zonder grote aanpassingen, geschikt is om te gebruiken om te wonen. Dit betekent dat het bepaalde afmetingen en een bepaalde vorm moet hebben. Een vliering waar u niet kunt staan valt hier niet onder.  

Op grond van deze beoordelingsregels kunt u alleen een bouwlaag toevoegen aan het oorspronkelijke hoofdgebouw. Dit regelt het tweede lid. Het oorspronkelijke hoofdgebouw is het hoofdgebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de initiële bouwwerkzaamheden is opgeleverd, overeenkomstig de voor het hoofdgebouw verleende vergunning. Bijbehorende bouwwerken die u later heeft toegevoegd vallen hier niet onder. Dan kunt u bijvoorbeeld denken aan een garage of een keuken.

De bouwlaag moet een plat dak hebben. Uit het derde lid blijkt dat ook het hoofdgebouw zelf een plat dak moet hebben. Is er geen sprake van een plat dak? Dan biedt dit artikel geen mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen. Dat neemt niet weg dat het in sommige gevallen toch mogelijk is om het gebouw met een hellend dak te vergroten. Zo kunt u er bijvoorbeeld voor kiezen om op een dakkapel of dakopbouw te plaatsen.  

Nadat de bouwlaag is toegevoegd mag het hoofdgebouw niet hoger zijn dan 11 meter. Dit staat in het vijfde lid. Dat is met uitzondering van de ondergeschikte bouwdelen. De bouwlaag zelf mag niet hoger zijn dan 3,5 meter. Ook mag de bouwlaag geen grotere oppervlakte hebben dan de bestaande bouwlaag die zich daar direct onder bevindt. Dit regelt het zevende lid. Daarmee worden uitkragende bouwlagen voorkomen. 

Het toevoegen van een bouwlaag kan effecten hebben op de bezonning van naastgelegen woningen of percelen. Daarnaast kan het toevoegen van een bouwlaag stedenbouwkundige effecten hebben. Om beide redenen moeten de gevolgen van het toevoegen van een bouwlaag voor deze aspecten (bezonning en stedenbouw) beoordeeld worden door het bevoegd gezag. Daarmee wordt het bevoegd gezag in staat gesteld het individuele belang van een extra bouwlaag af te wegen tegen de algemene belangen van afdoende bezonning en stedenbouwkundige kwaliteit. Dit wordt geregeld in het achtste en negende lid

Het toevoegen van een bouwlaag was een kruimelgeval onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Onder de Omgevingswet is deze regeling vervallen. Als gemeente hebben we ervoor gekozen om het toevoegen van een bouwlaag in het omgevingsplan op te nemen. Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning blijven we dezelfde lijn volgen als onder de voormalige wet- en regelgeving. Dit betekent dat we nog steeds kijken naar of de bouwlaag vanuit stedenbouwkundig perspectief aanvaardbaar is en of er een onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bezonning van omliggende percelen. De vergunningverleners en adviseurs letten daarbij op dezelfde aspecten als voorheen. Het is niet de bedoeling van dit artikel om de beoordelingswijze te veranderen. Om nader te bepalen wat onder een 'onevenredige afbreuk' of 'aanvaardbaar' valt wordt daarbij gekeken naar de rechtspraak.

Artikel 6.28 Beoordelingsregels gebouwen op alternatieve locaties

Dit artikel bevat beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels gelden voor gebouwen die niet in een bouwvlak worden gebouwd. Dit mag binnen de gemeente slechts op een aantal plekken. Om deze reden is er een locatie voor aangewezen. Deze locatie noemen we ‘Gebouwen op alternatieve locaties’. Daarmee bedoelen we dus buiten het bouwvlak.  

Een gebouw moet aan bepaalde maatvoering voldoen

Bij het bouwen van een gebouw moet aan de maatvoering in dit artikel worden voldaan. Deze maatvoering is vastgelegd in normen. Deze normen vindt u onder andere in het tweedenegende en tiende lid. Het gaat hier bijvoorbeeld om de bouw- en goothoogte van een gebouw. 

Een gebouw staat van de perceelsgrenzen af

Soms moet er een bepaalde afstand worden aangehouden tussen een gebouw en de perceelsgrens. Dit regelt het twaalfde lid.  De norm geldt voor een groot gedeelte van het landelijke gebied. Het landelijk gebied heeft een open en groene uitstraling. Hier wordt een grotere afstand gehanteerd om de open uitstraling van het landelijk gebied te behouden. Ook vinden er vaker activiteiten plaats die meer ruimte nodig hebben, zoals voor activiteiten met grote voertuigen of opslag. Gebouwen die dichter op de perceelsgrens staan kunnen de bedrijfsvoering belemmeren. Daarom is het verplicht een grotere afstand aan te houden tussen een gebouw en de perceelsgrens. Deze voorwaarde geldt niet voor woningen in het landelijk gebied. Op dit soort gebouwerven geldt in het landelijk gebied slechts de eis dat de woning in het bouwvlak wordt gebouwd.

Op Bedrijvenpark Ambachtsezoom geldt een afstand van 3,5 meter tot de perceelsgrens. Het betreft hier de achterste en zijdelingse perceelsgrens. Deze norm is dus niet van toepassing op de voorste perceelsgrens. Daarmee bedoelen we de kant van het perceel dat aan de openbare weg grenst en waar de voorgevel van het hoofdgebouw op uitkomt. Dit staat in het dertiende lid.  

Op Bedrijvenpark Ambachtsezoom moet een gebouw ver genoeg van de openbare ruimte vandaan liggen

Deze regel geldt voor de voor- en zijgevel van een gebouw. De afstand van deze gevels tot de openbare ruimte moet 3 meter bedragen. Dit regelt het veertiende lid.  

Er zijn twee uitzonderingen. Zo moet de voorgevel van een gebouw binnen de locatie ‘Representatieve groene etalage’ juist op de perceelsgrens worden gebouwd. Het gaat hier om de perceelsgrens aan de kant van de weg Ambachtsezoom.  

Binnen de locatie ‘Woon-werktuinen’ moet een grotere afstand tot de openbare ruimte worden aangehouden. Het gaat hier om de openbare ruimte aan de kant van de weg De Baak. Het is niet de bedoeling dat het bedrijventerrein via deze weg wordt ontsloten.  

De voorgevel van een gebouw moet op Bedrijvenpark Ambachtsezoom een percentage van de breedte van die kant van het perceel beslaan. Dit percentage hangt af van waar de voorgevel wordt gebouwd. 

Ligt de voorgevel van het gebouw binnen de locatie ‘Representatieve groene etalage’? Dan moet de voorgevel van het gebouw voor 100% op de perceelsgrens worden gebouwd. Het gaat hier om de kant van het perceel die grenst aan de weg ‘Ambachtsezoom’. Dit is de hoofdontsluitingsweg van het bedrijvenpark.  

Ligt de voorgevel van het gebouw binnen de locatie ‘Middentocht’? Dan moet de voorgevel van het gebouw voor minimaal 60% over de breedte van het perceel worden gebouwd. In deze locatie is de kant van het perceel opgenomen die grenst aan de weg ‘Middentocht’. Dit is een weg die dwars door het bedrijvenpark heenloopt. Vanuit deze weg worden nagenoeg alle bedrijven ontsloten.  

Wordt de voorgevel gebouwd aan een andere weg? Zoals langs de kringloopweg of natuursteenweg? Dan geldt er een bebouwingspercentage van minimaal 40%. Dit betekent dat de voorgevel minimaal 40% van de breedte van die kant van het perceel moet beslaan.  

Een aandachtspunt bij het bepalen van de ligging van de voorgevel is het dertiende lid. Deze schrijft een minimale afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrenzen voor. Dit lid is onverminderd van toepassing.  

Op Bedrijvenpark Ambachtsezoom ligt de voorgevel van een gebouw in lijn met de voorgevels van andere gebouwen. 

Als u kijkt naar de andere gebouwen op naastgelegen percelen, dan mag de voorgevel van het gebouw dus niet verspringen. Zoveel als mogelijk wordt er aansluiting gezocht bij de lijn die door de andere voorgevels wordt bepaald.  

Soms bepalen we vooraf welk soort gebouw u mag bouwen

Het gebouw moet altijd overeenkomen met het gebruik van de gronden. Dit wordt onder andere bepaald in hoofdstuk 5. In aanvulling daarop bepalen we soms vooraf wat voor gebouw u mag bouwen. Zoals in het 23e tot en met het 26e lid. Het gaat hier bijvoorbeeld om een schachtgebouw of gebouw voor onderhoud en beheer. Andere gebouwen mogen niet binnen die locatie. 

Artikel 6.29 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan voorschriften opnemen in de omgevingsvergunning. Deze voorschriften bepalen hoe u de activiteit moet uitvoeren of welke maatregelen u moet nemen. Het bevoegd gezag legt deze verplichtingen alleen op als dit nodig is met oog op de belangen, bedoeld in artikel 6.12. Bijvoorbeeld om een goed woon- en leefklimaat te beschermen.

Subparagraaf 6.4.2.3 Kas bouwen

Artikel 6.30 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een kas. Onder het toepassingsbereik van deze subparagraaf valt een kas die wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig telen van gewassen. Maar ook de kassen op een volkstuin vallen hieronder. In dat geval spreken we over hobbykassen, omdat er sprake is van recreatieve teelt.  

Deze subparagraaf is niet van toepassing op een kas als er sprake is van een bijbehorend bouwwerk. Dan kunt u bijvoorbeeld denken aan een kas in de achtertuin van een woning, bedoeld voor het kweken van groenten voor eigen gebruik. Dit volgt uit het tweede lid van dit artikel.  

De definitie van 'kas' staat in bijlage I van het omgevingsplan.

Artikel 6.31 Oogmerken

Dit artikel somt de oogmerken op. De regels in deze subparagraaf zijn met het oog op deze belangen gesteld.

Artikel 6.32 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

In dit artikel staat de vergunningplicht. Deze vergunningplicht geldt alleen voor de locatie genoemd in het artikel. Deze locaties omvat alle plekken in de gemeente waar het bouwen van een kas onder voorwaarden is toegestaan.

Artikel 6.33 Aanvraagvereisten

Dit artikel is van toepassing op het bouwen van een kas als bedoeld in artikel 6.35. Dit betekent dat de kas buiten het bouwvlak wordt gebouwd. Deze bouwmogelijkheid is alleen opgenomen voor de locatie 'Agrarische activiteit glastuinbouw'. De aanvraagvereiste uit artikel 6.33 is alleen dus van toepassing als de kas buiten het bouwvlak staat maar zich wel binnen de locatie 'Agrarische activiteit glastuinbouw' bevindt. De aanvraag om een omgevingsvergunning moet betrekking hebben op het bouwen van een kas als bedoeld in artikel 6.35. In alle andere gevallen levert de aanvrager alleen de gegevens en bescheiden uit artikel 6.18 aan.  

Dit artikel bevat een motiveringsplicht. De kas mag het gebruik van aangrenzende percelen niet beperken. Daarmee doelen we zowel op het letterlijke gebruik van het perceel, als op de planologische ruimte die het omgevingsplan biedt. Daarom levert u ook een motivering in van de gevolgen van de kas op het gebruik van omliggende percelen. 

Artikel 6.34 Beoordelingsregels bedrijfsmatige kassen

In artikel 6.34 staan een aantal beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels zijn van toepassing op het bouwen van een kas binnen de locatie ‘Bedrijfsmatige kassen’. In deze locatie zijn onder andere de kassen(complexen) in de polder van Sandelingen-Ambacht opgenomen. Deze gronden worden overwegend gebruikt voor agrarische activiteiten. 

Deze set met beoordelingsregels geldt alleen voor een kas waarin bedrijfsmatig gewassen wordt geteeld. Dit bepaalt het tweede lid

Artikel 6.35 Afwijkende beoordelingsregels glastuinbouw

In artikel 6.35 staan afwijkende beoordelingsregels. Als wordt voldaan aan deze voorwaarden kan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een kas toch worden verleend, ondanks dat niet aan alle leden van artikel 6.34 wordt voldaan.  

Het eerste lid bepaalt op welk onderdeel de aangevraagde kas mag afwijken van het bepaalde in artikel 6.34. Daaruit volgt bijvoorbeeld dat de kas zich, in afwijking van het derde lid, ook buiten het bouwvlak mag bevinden. De overige bepalingen uit artikel 6.34 blijven onverminderd van toepassing. Dit betekent dat de kas nog steeds moet worden gebruikt voor het bedrijfsmatig telen van gewassen. Daarnaast moet de kas zich op minimaal 5 meter afstand van de perceelsgrenzen bevinden.  

Door het tweede lid mogen deze afwijkende beoordelingsregels alleen worden toegepast bij een volwaardig agrarisch bedrijf. Dit volgt uit de instructieregels van de provincie Zuid-Holland. Uit de locatie die in het eerste lid is opgenomen, volgt dat dit alleen volwaardige glastuinbouwbedrijven of sierteeltbedrijven kunnen zijn. De kas die mag worden gebouwd mag 6 meter hoog zijn. 

In het vierde lid van artikel 6.35 staat welke omvang de gezamenlijke oppervlakte van kassen mag aannemen buiten het bouwvlak. Deze oppervlakte hangt af van de perceelsgrootte. Deze perceelsgrootte varieert erg buiten de bebouwde kom. De regels over de oppervlakte zijn gerelateerd aan het deel van het perceel buiten het bouwvlak zodat de bouwmogelijkheden die dit artikel biedt een toevoeging zijn aan de overige bouwmogelijkheden op grond van dit omgevingsplan. Als stelregel is genomen dat maximaal 5% van de oppervlakte van het perceel buiten het bouwvlak bebouwd mag worden met een kas. 

Verder is opgenomen dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van omliggende percelen. Dit zorgt ervoor dat er afwegingsruimte is om te bezien of omliggende percelen nog steeds gebruik kunnen blijven maken van bijvoorbeeld hun planologische mogelijkheden. Ook mag er geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de bezonning van omliggende percelen. Dit is zeker relevant in het buitengebied waar agrarische percelen mogelijk afhankelijk zijn van bezonning. 

Artikel 6.36 Beoordelingsregels kassen op de volkstuinen

In artikel 6.36 staan de beoordelingsregels voor kassen op de volkstuinen. Deze kassen worden recreatief gebruikt voor het telen van voedsel- en siergewassen. Het is nodig om dit soort kassen apart te regelen, omdat er geen hoofdgebouw op deze volkstuinen aanwezig is. Daarom valt een dergelijke kas niet onder het toepassingsbereik van paragraaf 6.4.5

De volgende regels gelden voor het bouwen van een kas op een volkstuin. Het derde lid begrenst de bouwhoogte van een kas. Het vierde lid regelt dat het bouwen van een kas alleen mag plaatsvinden op een volkstuin. Maar alleen als de oppervlakte van het perceel minimaal 100 m2 bedraagt. Daarmee wordt voorkomen dat dit soort bebouwing wordt toegevoegd op volkstuinen met een te kleine afmeting. Tot slot regelt het vijfde lid dat de gezamenlijke oppervlakte van alle kassen op een perceel maximaal 10 m2 mag bedragen.  

We spreken hier over 'individuele volkstuinen' om duidelijk te maken dat de bouwmogelijkheden niet voor heel het volkstuinencomplex gelden, maar per volkstuin.

Artikel 6.37 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan voorschriften opnemen in de omgevingsvergunning. Deze voorschriften bepalen hoe u de activiteit moet uitvoeren of welke maatregelen u moet nemen. Het bevoegd gezag legt deze verplichtingen alleen op als dit nodig is met oog op de belangen, bedoeld in artikel 6.31. Bijvoorbeeld om schade aan de gezondheid te voorkomen.

Paragraaf 6.4.3 Bouwwerk voor een nutsvoorziening bouwen

Artikel 6.38 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het bouwen van een bouwwerk voor een nutsvoorziening. Een nutsvoorziening is een voorziening die iedereen nodig heeft. U kunt dan bijvoorbeeld denken aan gas, elektriciteit en water. Maar ook telecommunicatie valt hier tegenwoordig onder. Van deze voorzieningen wordt gezegd dat ze algemeen nut hebben. Bijna iedereen maakt hier dagelijks gebruik van. De toegang tot deze voorzieningen is daarom van algemeen belang.  

Vaak is het nodig om iets te bouwen, zodat de nutsvoorziening geleverd kan worden of goed werkt. Over het bouwen van dit soort bouwwerken gaan de regels in deze paragraaf. Het gaat dan bijvoorbeeld om het bouwen van een transformatorhuisje, duiker, ondergrondse afvalcontainer of apparaat om telecommunicatie mogelijk te maken. 

Artikel 6.39 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn met een reden opgenomen. Deze vindt u terug in de oogmerken.

Artikel 6.40 Wijze van meten

Dit artikel beschrijft op welke manier de bouwhoogte van een antenne-installatie moet worden opgemeten. De manier hangt af van waar de antenne-installatie geplaatst wordt. Zoals op een ander bouwwerk of vrijstaand.

Artikel 6.41 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Landelijk is het bouwen van een nutsvoorziening toestemmingsvrij als aan een paar voorwaarden wordt voldaan. Deze voorwaarden staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het gaat om nutsvoorzieningen die beperkt zijn in omvang. Is een nutsvoorziening groter dan dat? Dan bevat dit artikel een vergunningplicht. Dit geldt voor het gehele ambtsgebied. Voor het bouwen van zo'n grotere nutsvoorziening heeft u dus altijd een omgevingsvergunning nodig. Hetzelfde geldt voor het bouwen van een antenne-installatie.

Artikel 6.42 Beoordelingsregels nutsvoorzieningen

In dit artikel staat onder welke voorwaarden een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nutsvoorziening wordt verleend. Het gaat om nutsvoorzieningen met een beperkte omvang. Deze nutsvoorzieningen mogen een maximum oppervlakte van 25 m2 hebben. Daarmee biedt het omgevingsplan voldoende ruimte voor de meeste nutsvoorzieningen, zoals midden- naar laagspanningsstations.

Artikel 6.43 Beoordelingsregels antenne-installaties

Dit artikel bevat regels over het bouwen van een antenne-installatie voor het algemene nut. Benadrukt moet worden dat een antenne-installatie alleen onder het toepassingsbereik van dit artikel valt als het een nutsvoorziening betreft. De antenne-installatie is dan bijvoorbeeld nodig voor een betere dekking van het mobiele verkeer. Antenne-installaties voor particulier gebruik vallen niet onder de werking van dit artikel. 

De antenne-installatie wordt bij voorkeur geplaatst op een gebouw. Ook heeft het de voorkeur dat een antenne-installatie aan een bestaande zendmast of een andere constructie wordt bevestigd. In die gevallen is de antenne-installatie minder zichtbaar. 

Artikel 6.44 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning. Deze voorschriften bepalen hoe u de activiteit moet uitvoeren of welke maatregelen u moet nemen. Deze verplichtingen worden alleen opgelegd als dit nodig is met oog op de belangen, bedoeld in artikel 6.39. Bijvoorbeeld om het woon- en leefklimaat te beschermen.

Paragraaf 6.4.4 Dakopbouw bouwen

Artikel 6.45 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over het bouwen van een dakopbouw. Met een dakopbouw wordt een bestaande verdieping uitgebreid. Deze uitbreiding maakt het gebouw groter. Typerend voor een dakopbouw is dat de constructie (deels) uitsteekt boven het hoogste punt van het dak. Een dakopbouw mag dus boven de daknok van het gebouw uitkomen. Daarmee onderscheidt een dakopbouw zich van een dakkapel. Een volledige definitie staat in bijlage I van het omgevingsplan. 

Er is alleen sprake van een dakopbouw als de onderzijde van de constructie in één of beide dakvlakken is geplaatst. Maakt u een hele nieuwe bouwlaag boven op een gebouw? En trekt u daarbij de gevel door? Dan spreken we niet meer over een dakopbouw. In dat geval zijn de regels voor het toevoegen van een extra bouwlaag van toepassing als bedoeld in paragraaf 6.4.2.

Artikel 6.46 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Op basis van dit artikel is het bouwen van een dakopbouw vergunningplichtig. U heeft altijd een omgevingsvergunning nodig voor het bouwen van een dakopbouw.

Artikel 6.47 Beoordelingsregels dakopbouwen

In dit artikel staan een aantal voorwaarden voor het bouwen van een dakopbouw. Er kan alleen een omgevingsvergunning worden verleend voor het bouwen van een dakopbouw als aan deze voorwaarden wordt voldaan. 

De dakopbouw mag alleen een nokverhoging betreffen. Bij een nokverhoging wordt het hoogste punt van een schuin dak verhoogd. Dit punt heet de nok. Dit zorgt voor meer hoogte in de ruimte eronder, zodat u er bijvoorbeeld comfortabeler kunt staan. 

Afbeelding nokverhoging
afbeelding binnen de regeling

Alleen in het achterdakvlak mag een dakopbouw worden gerealiseerd. Dit bepaalt het derde lid. Deze bepaling is opgenomen om de uitstraling van de daken aan de straatzijde zo uniform mogelijk te houden. Ook moet het dak van de dakopbouw dezelfde hellingshoek hebben als het voordakvlak van het hoofdgebouw. Dit verzekert dat de noklijnen en de dakvlakken op dezelfde manier doorlopen. Om deze reden zijn ook het vierde en vijfde lid opgenomen. Vanuit stedenbouwkundig perspectief is het niet gewenst als een dakopbouw op een hoofdgebouw komt met een te steil of een te flauw hellend dak. 

Een dakopbouw bevindt zich op maximaal de derde bouwlaag van een hoofdgebouw. Deze voorwaarde aan de situering is in het zesde lid opgenomen. Dakopbouwen die op een hogere bouwlaag worden aangebracht kunnen situaties opleveren die vanuit stedenbouwkundig perspectief onwenselijk zijn. 

De bouwhoogte van het hoofdgebouw mag met maximaal 1,5 meter worden overschreden. De daknok mag niet meer worden verhoogd dan dat. Dit staat in het zevende lid. Deze voorwaarde wordt gesteld om stedenbouwkundig onwenselijke situaties te voorkomen.

Om de belangen van derden te beschermen is daarnaast bepaald dat de dakopbouw de bezonning van omliggende woningen en percelen niet onevenredig aan mag tasten. Op grond van deze bepaling kan het bevoegd gezag een afweging maken van het individuele belang van de dakopbouw tegen het algemenere belang van de bezonning van omliggende woningen en percelen.

De nok mag slechts aan één kant worden verhoogd. Het is daardoor alleen mogelijk om een enkelzijdige nokverhoging te realiseren. Dit betekent dat maar één kant van het schuine dak hoger wordt dan de rest. Zie de onderstaande afbeelding voor een visuele toelichting.   

Paragraaf 6.4.5 Bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan bouwen

Subparagraaf 6.4.5.1 Algemene bepalingen bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan bouwen

Artikel 6.48 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Daarmee wordt ook een uitbreiding van een bijbehorend bouwwerk bedoeld. Dat volgt uit artikel 6.48.

Onder het begrip bijbehorend bouwwerk vallen meerdere soorten bouwwerken, zoals uitbreidingen van het hoofdgebouw. U kunt ook denken aan een garage of overkapping. Deze kunnen aan het hoofdgebouw vastzitten of daar juist los van staan. Maar let op: Deze gebouwen of andere bouwwerken moeten een dak hebben. Anders kunnen deze niet als bijbehorend bouwwerk aangemerkt worden. 

Een bijbehorend bouwwerk moet bij een hoofdgebouw horen. Om dit duidelijk te maken zegt de definitie dat een bijbehorend bouwwerk altijd moet worden gebouwd bij een op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw. Het maakt niet uit of dit hoofdgebouw al bestaat of dat deze tegelijkertijd wordt ontwikkeld. Maar zonder hoofdgebouw kan er dus geen sprake zijn van een bijbehorend bouwwerk.

Ook moet het bijbehorend bouwwerk functioneel verbonden zijn met het hoofdgebouw. Daarmee wordt bedoeld dat het gebruik van het bijbehorend bouwwerk gerelateerd is aan het gebruik van het hoofdgebouw. Zoals bijvoorbeeld een aangebouwde keuken bij een woning of een berging. 

In het omgevingsplan staan ook regels over hoe het gebruik van het bijbehorend bouwwerk zich moet verhouden tot het hoofdgebouw. Dit gebruik moet vaak functioneel ondergeschikt zijn. Dit hangt af van waar u het bijbehorend bouwwerk plaatst. Deze regels vindt u in hoofdstuk 5.

De volledige definitie vindt u terug in het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Subparagraaf 6.4.5.2 Bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan bouwen

Artikel 6.49 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan. Behalve als het een bijbehorend bouwwerk betreft als bedoeld in het tweede lid. Deze bouwwerken vallen niet onder het toepassingsbereik van deze subparagraaf. Als u bijvoorbeeld een erker wilt bouwen kijkt u dus niet in deze subparagraaf maar in subparagraaf 6.4.5.3.

Artikel 6.50 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen

Dit artikel bepaalt wanneer u zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan mag bouwen. Dit mag u alleen doen als u voldoet aan alle eisen uit dit artikel.

Een bijbehorend bouwwerk moet in het achtererfgebied staan

Meestal mag u meer achter de voorgevel van het hoofdgebouw dan daarvóór. Dit heet de voor-achterkant benadering. Dit principe wordt gebruikt om de ruimtelijke kwaliteit van de openbare ruimte te beschermen. Dit principe komt in deze regeling tot uiting. U mag zonder omgevingsvergunning alleen een bijbehorend bouwwerk bouwen in het achtererfgebied. Dit bepaalt het tweede lid. Daarmee bedoelen we het deel van het erf dat aan de achterkant van het hoofdgebouw ligt. Ook vallen zijerven hieronder als deze niet naar de openbare ruimte zijn gekeerd. Het achtererfgebied begint op 1 meter van de voorkant van het hoofdgebouw. De volledige definitie van het begrip achtererfgebied leest u terug in het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Er moet voldoende afstand worden gehouden tot de openbare ruimte

Het bouwwerk moet op minimaal 1 meter afstand van de openbare ruimte staan. Dit wordt ook wel openbaar toegankelijk gebied genoemd. Hiermee bedoelen we bijvoorbeeld een openbare weg, parkeerplaatsen, vaarwater of plantsoenen. De volledige definitie van ‘openbaar toegankelijk gebied’ en meer uitleg daarover leest u in het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Met deze randvoorwaarde beschermen we de openbare ruimte tegen aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. Door bouwwerken binnen de strook van 1 meter tot de openbare ruimte vergunningplichtig te maken, houdt de gemeente regie op bouwwerken die een (directere) invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit van de openbare ruimte. Er kan bijvoorbeeld worden getoetst aan het omgevingsplan en de beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet (voorheen de Welstandsnota). Dit komt vooral voor bij hoeksituaties. Ook is deze regel van toepassing op situaties waarin de achtergevel direct grenst aan de openbare ruimte. 

U moet genoeg ruimte laten tussen het bijbehorend bouwwerk en de perceelsgrens. Behalve als u het bouwwerk direct op de perceelsgrens plaatst

Een bijbehorend bouwwerk mag op de perceelsgrens staan. Maar gaat u het bouwwerk niet direct op de perceelsgrens bouwen? Dan regelt het vierde lid dat het bouwwerk minimaal 1 meter van de perceelsgrens af moet staan. Op deze manier kunt u altijd onderhoud uitvoeren aan het bouwwerk.

Het bijbehorend bouwwerk moet op de grond staan

Artikel 6.50 is alleen van toepassing als een bijbehorend bouwwerk op de grond staat. Deze regeling kan niet gebruikt worden voor een kelder of souterrain. Ook mag het bijbehorend bouwwerk niet op een andere plek boven de grond komen, zoals op een bovenverdieping. Denk aan een uitbouw op het dak. Dit betekent dat u onder deze regeling ook geen balkon of dakterras kunt realiseren. Daar heeft u altijd een omgevingsvergunning voor nodig.

Het bijbehorend bouwwerk mag wel een fundering hebben. Zoals een fundering op staal of heipalen. Maar het is belangrijk dat de vloer van de begane grond van het bijbehorend bouwwerk op een normale wijze aansluit op het afgewerkte terrein daaromheen. Alleen dan spreken we van een bijbehorend bouwwerk dat 'op de grond' staat. Het is dus niet mogelijk om de vloer van het bijbehorende bouwwerk zo te verdiepen dat er onder de grond een tweede bouwlaag met een verblijfsgebied ontstaat.

Een verblijfsgebied en buitenruimte bevinden zich op de begane grond

Soms heeft een bijbehorend bouwwerk meer dan één bouwlaag. In dat geval regelt het zesde lid dat alleen de begane grond mag worden gebruikt voor het verblijven van personen. Dit heeft gevolgen voor de manier waarop u het bijbehorend bouwwerk kan gebruiken. Zoals de ruimtes die u inricht. Een ruimte waarin personen verblijven mag alleen op de begane grond komen. Bij een woning is dit bijvoorbeeld een slaapkamer of woonkamer. Bij een school is dit een klaslokaal. Deze verblijfsruimten vormen samen een verblijfsgebied als bedoeld in het zesde lid.

Andere ruimten waar mensen niet of zeer kort verblijven mogen wel op de tweede bouwlaag komen. Dan kunt u denken aan een toiletruimte, technische ruimte of berging. Het bijbehorend bouwwerk mag alleen geen dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte hebben.

Het bijbehorend bouwwerk voldoet aan de hoogtematen

In het achtste lid is een aantal hoogtematen gegeven voor als het bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd binnen of op grotere afstand dan 4 meter vanaf het oorspronkelijke hoofdgebouw. In het negende lid staan eisen die gelden als het bouwwerk daar verder vandaan wordt gebouwd. De afstand tussen de daknok en de perceelsgrens wordt loodrecht gemeten. Dit volgt uit artikel 6.13.

Het achtererfgebied wordt niet te vol gebouwd

Dit is de strekking van het tiende lid. Daarin staat een maximum voor de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in een bebouwingsgebied. Het bebouwingsgebied bestaat voor een groot deel uit uw achtererfgebied. Daar telt u de grond onder het hoofdgebouw bij op, met uitzondering van de grond onder het oorspronkelijke hoofdgebouw. Heeft u tegelijk met de bouw van het hoofdgebouw of op een later moment iets toegevoegd aan het hoofdgebouw? Zoals een bijkeuken, schuur of ander bijbehorend bouwwerk? Dan telt de grond onder deze toevoeging ook mee in het bebouwingsgebied. Het bebouwingsgebied is dus uw achtererfgebied en de grond onder een (latere) toevoeging van het hoofdgebouw. 

Hoe groter het bebouwingsgebied, hoe meer mogelijkheden er dus zijn om daar bijbehorende bouwwerken te bouwen.

Er is een uitzondering voor mantelzorgwoningen buiten de bebouwde kom, als de mantelzorgwoning niet kan worden gerealiseerd binnen de voorgeschreven afmetingen

Dit staat in het elfde lid. Deze eisen gelden alleen voor een bijbehorend bouwwerk buiten de bebouwde kom dat voor huisvesting in verband met mantelzorg wordt gebruikt. Dit lid regelt dat een bijbehorend bouwwerk voor mantelzorg onder voorwaarden mag worden geplaatst, ondanks dat er niet wordt voldaan aan de afmetingen die zijn vastgelegd in het tiende lid. Van deze uitzondering kan alleen gebruik worden gemaakt als de oppervlakte van het bijbehorend bouwwerk maximaal 100 m2 bedraagt. Wel moet het bouwwerk geheel of in delen te verplaatsen zijn.

Het bijbehorend bouwwerk is niet toestemmingsvrij

Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk is niet overal zonder omgevingsvergunning toegestaan. Dit maakt het twaalfde lid duidelijk. Zo zijn bijbehorende bouwwerken bij een woonwagen of een tijdelijk hoofdgebouw uitgezonderd. Ook bijbehorende bouwwerken bij een recreatief nachtverblijf voor één huishouden vallen onder deze uitzondering. Het gaat dan bijvoorbeeld om een stacaravan of een recreatiewoning. Op andere plekken waar meerdere huishoudens recreatief verblijven is het wel mogelijk om zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk te bouwen. Dan kunt u denken aan een hotel of jeugdherberg. Daar is het risico op permanente bewoning minder groot.

In het dertiende lid is nog een uitzondering opgenomen. Dit lid gaat over monumenten. Het regelt dat er toch een omgevingsvergunning voor het bouwen nodig is als de activiteit plaatsvindt in, aan, op of bij een (voorbeschermd) monument.

Artikel 6.51 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel maakt duidelijk wanneer u een omgevingsvergunning moet aanvragen. Bij het aanwijzen van de vergunningplichtige gevallen maken we onderscheid tussen verschillende soorten bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen daarvan.

Wilt u het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan anders vormgeven dan artikel 6.50 toelaat? Dan moet u een vergunning aanvragen

Dit staat in het eerste lid. In dat geval is er een toetsingskader opgenomen in het omgevingsplan. Dit noemen we de beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels gelden op bepaalde plekken in de gemeente. 

Meestal kan er met een omgevingsvergunning meer dan de toestemmingsvrije gevallen toelaten. Zo kan een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied bijvoorbeeld hoger gebouwd worden dan is voorgeschreven in artikel 6.50. Dit komt doordat het bevoegd gezag met de vergunningplicht meer regie kan houden over het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk. Bijvoorbeeld door te toetsen aan de beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. In deze beleidsregel legt het bevoegd gezag vast hoe het uiterlijk van bouwwerken wordt beoordeeld. Deze beleidsregel heette voorheen de Welstandsnota. De rechtsopvolger van de Welstandsnota kan een andere naam hebben.

Wilt u een bijbehorend bouwwerk op een andere plek bouwen dan in het achtererfgebied? Dan heeft u een omgevingsvergunning nodig

Het gaat hier bijvoorbeeld om het bouwen van een bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied. Voor deze bouwactiviteit heeft u altijd een omgevingsvergunning nodig. Dit ziet u terug in het tweede lid. Het bouwen van een entreeportaal in het voorerfgebied is om een vergelijkbare reden vergunningplichtig. 

U heeft een vergunning nodig voor het isoleren van een bouwwerk. Behalve als u aan  artikel 6.50  voldoet

Het vierde lid maakt het isoleren van een bouwwerk aan de buitenzijde vergunningplichtig. Bij deze methode wordt het isolatiemateriaal aan de buitenkant aangebracht, zoals op het dak of tegen de gevel. Daardoor wordt het bouwwerk dikker en hoger. 

De vergunningplicht is van toepassing op de voorgevel van het hoofdgebouw. Ook geldt dit voor een zijgevel die naar de openbare ruimte is gekeerd. Voor andere gevels bepaalt het Besluit bouwwerken leefomgeving dat u geen omgevingsvergunning nodig heeft voor zover het gaat om het plaatsen van isolatieplaten of stucwerk in of aan de gevel. Deze regels gaan voor op het omgevingsplan.

Het isoleren van de gevel van een bijbehorend bouwwerk kan ook vergunningplichtig zijn. U isoleert dan bijvoorbeeld een schuur of een uitbreiding van het hoofdgebouw. Dit is alleen het geval als het bouwwerk zich in het voorerfgebied bevindt. 

Deze subparagraaf gaat niet over het aanbrengen van isolatie aan de binnenkant van een bouwwerk. Dan kunt u denken aan het plaatsen van een voorzetwand of het vullen van de spouwmuur met isolatiemateriaal. Op deze vorm van isoleren is de vergunningplicht, bedoeld in het vierde lid, dus niet van toepassing.

Artikel 6.52 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied

Er is een locatie 'Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied'. Binnen deze locatie is het mogelijk om een bijbehorend bouwwerk te realiseren dat afwijkt van de voorwaarden voor toestemmingsvrij bouwen uit artikel 6.50. Voordat u mag bouwen, heeft u daar dus eerst toestemming voor nodig. Als uw initiatief binnen deze locatie valt, dan wordt uw aanvraag beoordeelt aan de hand van de beoordelingsregels in artikel 6.52.

Een paar voorwaarden in dit artikel zijn hetzelfde als in artikel 6.50. De voorwaarde is dan zo belangrijk dat deze ook moet worden meegenomen in de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning. Bijvoorbeeld omdat de ruimtelijke kwaliteit van de openbare ruimte anders niet voldoende wordt beschermd. In de toelichting op artikel 6.50 leest u waarom deze voorwaarden nodig zijn. Deze uitleg wordt bij dit artikel niet herhaald.

Soms moet u een meer dan 1 meter afstand houden tot de perceelsgrens. Dit geldt in het landelijk gebied

Dit staat in het derde lid. Binnen deze locaties moet een bijbehorend bouwwerk verder van de perceelsgrens af komen te staan. Het kan hier zowel om een vrijstaand als om een aan- of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk. De regels zijn niet van toepassing op overkappingen. De voorwaarden voor een overkapping vindt u in artikel 6.55.

Een bijbehorend bouwwerk bevindt zich in het achtererfgebied of achter de lijn in het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw

Meestal moet een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied staan. Dit achtererfgebied begint op 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw. Zie de volledige definitie van ‘achtererfgebied’ in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Soms wordt van deze standaard afgeweken. Zo geldt er binnen de locatie 'Noordoevers' een afstand van 0,5 meter tot de lijn in het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw. Daar mag een bijbehorend bouwwerk dus ook iets dichter op de voorgevel staan. 

Het bouwwerk moet voldoen aan de maatvoering

Deze vindt u terug in het zesde tot en met het veertiende lid. Daarin staan normen. Bijvoorbeeld voor de minimum goothoogte of de maximum bouwhoogte.

Niet alle normen gelden overal. Op sommige plekken in de gemeente komt soms alleen een goothoogte voor, terwijl op andere plekken alles wordt geregeld door een bouwhoogte. U krijgt dus niet altijd alle normen te zien op het Omgevingsloket.

Het bebouwingsgebied mag niet te vol worden gebouwd

Het twintigste lid heeft dezelfde strekking als bij de toestemmingsvrije gevallen. Er geldt een maximum van 80 m2 bij grondgebonden woningen en 10 m2 per woning bij gestapelde woningen. Binnen de locatie ‘Landelijk gebied’ geldt een maximum van 150 m2. Er wordt daar meer toegestaan, omdat de percelen over het algemeen ook groter zijn. 

Bij het bouwen van een ruimte-voor-ruimtewoning is verder de mogelijkheid opgenomen om groter te bouwen dan de voorgeschreven inhoud voor het hoofdgebouw. Deze mogelijkheid staat in artikel 6.26, zestiende lid. Als u gebruikt maakt van deze regeling, mogen er minder bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. Per 3 m3 die extra aan het hoofdgebouw is toegevoegd moet 1 m2 in mindering worden gebracht van de gezamenlijke oppervlakte die is toegestaan voor bijbehorende bouwwerken. Deze oppervlakte vindt u in tweeëntwintigste lid. Met deze regeling wordt voorkomen dat het erf te vol wordt gebouwd.

Artikel 6.53 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken op alternatieve locaties

Binnen de gemeente zijn er plekken waar het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ook mag plaatsvinden buiten het achtererfgebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij bepaalde bedrijventerreinen en bijbehorende bouwwerken in het voorerf. Deze plekken zijn opgenomen in de locatie ‘Bijbehorende bouwwerken op alternatieve locaties’. Binnen deze locatie zijn de beoordelingsregels van dit artikel van kracht.

Een paar voorwaarden in dit artikel zijn hetzelfde als in artikel 6.50. De voorwaarde is dan zo belangrijk dat deze ook moet worden meegenomen in de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning. Bijvoorbeeld omdat de ruimtelijke kwaliteit van de openbare ruimte anders niet voldoende wordt beschermd. In de toelichting bij artikel 6.50 leest u waarom deze voorwaarden nodig zijn. Deze uitleg wordt bij dit artikel niet herhaald.

U moet het bouwwerk soms op een bepaalde plek plaatsen

Onder deze regeling mag u een bijbehorend bouwwerk soms alleen op een zijerf van een hoekperceel bouwen. Met het zijerf bedoelen we het deel van het erf dat aan de zijkant van het hoofdgebouw is gelegen. Een zijerf begint altijd op 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw. Dit gedeelte van het gebouwerf maakt geen onderdeel uit van het achtererfgebied, omdat het grenst aan de openbare ruimte. In sommige gevallen wordt hier toch ruimte geboden voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Het hoekperceel moet dan wel binnen de locatie ‘Bijbehorende bouwwerken in het zijerf’ liggen. 

Soms moet u een grotere afstand aanhouden tot de perceelsgrens. Dit geldt alleen in het landelijk gebied

Dit staat in het vijfde lid. Binnen deze locaties moet een gebouw verder dan 1 meter van de perceelsgrens af komen te staan. Deze voorwaarde is alleen van toepassing op de bijbehorende bouwwerken, bedoeld in artikel 6.53. Gaat u een overkapping bouwen? Dan moet u voldoen aan artikel 6.55.

Het bouwwerk moet voldoen aan de maatvoering

Deze vindt u terug in het zevende tot en met het negende lid. Daarin staan normen. Bijvoorbeeld voor de maximum bouwhoogte. 

De maximum oppervlakte mag niet overschreden worden

Dit maximum vindt u in het dertiende en zestiende lid. Soms geldt dit maximum oppervlakte voor een specifieke locatie, zoals op een woonwagenstandplaats of zijerf. 

Bij een bedrijfswoning mag een bijbehorend bouwwerk ook ten behoeve van de bedrijfswoning worden gebruikt

U mag een bijbehorend bouwwerk soms gebruiken ten behoeve van de bedrijfswoning. Maar hier zit wel een limiet aan. U mag maximaal 75 m2 van uw andere bijbehorende bouwwerken gebruiken voor de bedrijfswoning. De rest moet ten behoeve van het bedrijf worden gebruikt. Deze 75 m2 maakt onderdeel uit van het maximum bebouwingspercentage dat is voorgeschreven in artikel 6.19.

Artikel 6.54 Afwijkende beoordelingsregels bedrijfswoningen

De beoordelingsregels in artikel 6.54 gelden voor het bouwen van een bedrijfswoning. Anders dan mensen vaak denken is een bedrijfswoning geen hoofdgebouw. Een bedrijfswoning hoort bij een bedrijf. Er mogen alleen mensen wonen als dat noodzakelijk is voor het bedrijf of de manier waarop het terrein wordt gebruikt. Een bedrijfswoning is niet het belangrijkste gebouw op het perceel, gelet op de activiteiten die daar zijn toegestaan. Daar zijn de bedrijfsgebouwen op een erf vaak het hoofdgebouw en wordt een bedrijfswoning gezien als een bijbehorend bouwwerk. 

In artikel 6.54 leest u waar u aan moet voldoen om de bedrijfswoning te mogen plaatsen. Zo moet de bedrijfswoning binnen de locatie ‘Woonactiviteit – Bedrijfswoning’ worden gebouwd. Maar let op. Om een hele nieuwe bedrijfswoning toe te voegen heeft u op basis van hoofdstuk 5 een buitenplanse omgevingsvergunning nodig. Dit betekent dat deze beoordelingsregels in beginsel alleen worden gebruikt om veranderingen aan een bestaande bedrijfswoning te vergunnen. Wilt u wel een nieuwe bedrijfswoning toevoegen? Vraag dan pas een omgevingsvergunning aan voor het bouwen als u zeker weet dat u het bouwwerk als bedrijfswoning mag gaan gebruiken. Sloop en herbouw is wel mogelijk.  

Bij het bouwen van een bedrijfswoning moet ook aan bepaalde maatvoering worden voldaan. In de meeste bestemmingsplannen werd gewerkt met een maximum inhoud. Dit is ongewijzigd overgenomen in het omgevingsplan. Op sommige plekken werd de omvang van een bedrijfswoning op een andere manier geregeld. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het Koetsenverhuurbedrijf. Als uw initiatief binnen deze locatie tot uitvoering wordt gebracht, moet u zich houden aan het derde en vierde lid.  

Binnen de locatie ‘Woon-werktuinen’ moet een grotere afstand tot de openbare ruimte worden aangehouden. Het gaat hier om de openbare ruimte aan de kant van de weg De Baak. Het is niet de bedoeling dat het bedrijventerrein via deze weg wordt ontsloten. 

Artikel 6.55 Beoordelingsregels overkappingen

De beoordelingsregels in dit artikel zijn van toepassing op het bouwen van overkappingen. Dit is een bijbehorend bouwwerk met een dak. Het artikel geldt alleen binnen de locatie ‘Overkappingen’. 

Voor de overkapping geldt soms een minimum én maximum bouwhoogte.

De bouwhoogte van een overkapping moet voldoen aan het maximum. Soms geldt er ook een minimum. Dit staat in het tweede en derde lid. Daarmee zorgen we ermee dat de overkapping goed aansluit bij de rest van de bebouwing en niet te laag of hoog is om het straatbeeld te verstoren. De exacte hoogten vindt u terug in de norm. 

De oppervlakte van de overkapping mag niet groter zijn dan aangegeven in de norm. De totale oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken mag niet overschreden worden door de toevoeging van de overkapping. 

Het vierde lid regelt dat de totale oppervlakte van alle overkappingen samen niet groter mag zijn dan de norm ‘maximum gezamenlijke oppervlakte overkappingen’. Dit voorkomt dat een perceel te vol wordt gebouwd. Om dezelfde reden wordt er een maximum gesteld aan de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied.  

In het achtste lid staat een uitzondering. Deze geldt voor de locatie ‘Landelijk gebied’. Daar mag u meer bouwen, namelijk maximaal 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken. Dit komt doordat de percelen in het landelijk gebied over het algemeen groter zijn. 

Op Bedrijvenpark Ambachtsezoom moet een overkapping rechtstreeks met het hoofdgebouw verbonden zijn

Voor het Bedrijvenpark Ambachtsezoom geldt aanvullend dat een overkapping rechtstreeks tegen het hoofdgebouw moet worden aangebouwd. Dit voorkomt losse bouwwerken en zorgt voor een samenhangend beeld met de rest van de bebouwing op het bedrijvenpark. 

Overkappingen ten dienste van de bedrijfswoning

Tot slot mag u bijbehorende bouwwerken gebruiken ten behoeve van de bedrijfswoning. Maar hier zit wel een limiet aan. U mag maximaal 75 m2 van uw andere bijbehorende bouwwerken gebruiken voor de bedrijfswoning. De rest moet ten behoeve van het bedrijf worden gebruikt. Deze 75 m2 maakt onderdeel uit van het maximum bebouwingspercentage dat is voorgeschreven in artikel 6.19

Artikel 6.56 Beoordelingsregels isoleren aan de buitenzijde

Dit artikel bevat de beoordelingsregels voor het isoleren van een bouwwerk aan de buitenzijde. Dit betekent dat er isolatiemateriaal wordt aangebracht aan de buitenkant van een constructie, zoals op de buitenmuren of het dak. Bij deze manier van isoleren is er sprake van een bouwkundige wijziging. Zo neemt de omvang van het bestaande bouwwerk toe of veranderen de contouren. Doordat u bijvoorbeeld isolatiemateriaal aan de buitenkant van de gevel plaatst, wordt het bouwwerk ‘dikker’. Na afwerking ontstaat er als het ware een extra gevel. Ook is hier sprake van als u het dak aan de buitenzijde isoleert. Doordat u dakisolatie aanbrengt wordt het bouwwerk namelijk hoger. Dergelijke aanpassingen van een bouwwerk zijn niet als ondergeschikt te kwalificeren, omdat ze betrekking hebben op het gehele dak of de gehele gevel.  

Een omgevingsvergunning wordt verleend als er door het isoleren een beperkte overschrijding ontstaat. De toegestane hoogte en het bouwvlak mogen maximaal met 0,5 meter worden overschreden. 

Het uiterlijk van een bouwwerk kan veranderen als gevolg van het isoleren. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt dit uiterlijk, op grond van artikel 6.19, beoordeeld. 

Artikel 6.57 Beoordelingsregels dakterrassen

In dit artikel staan de beoordelingsregels voor dakterrassen. Dit is een buitenruimte die niet op de begane grond ligt. Een dakterras wordt altijd bovenop het dak van een ander bouwwerk gerealiseerd. Deze buitenruimte kan bijvoorbeeld worden gebruikt om er te zitten, te zonnen of om te ventileren. 

Het tweede lid bepaalt dat het dakterras ten behoeve van de woning moet zijn. Dit lid is opgenomen om te borgen dat een dakterras niet kan worden gerealiseerd bij commerciële of maatschappelijke voorzieningen. De buitenruimte is alleen bedoeld voor het uitbreiden van het woongenot.  

Het dakterras mag zich allereerst maximaal bovenop de tweede bouwlaag van een bijbehorend bouwwerk bevinden. Het moet hier gaan om een bijbehorend bouwwerk dat met het hoofdgebouw of de bedrijfswoning verbonden is. Het dakterras moet namelijk direct te betreden zijn vanuit het hoofdgebouw of de bedrijfswoning. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om een aangebouwd bijbehorend bouwwerk, zoals een garage of schuur.  

Dakterrassen moeten worden voorzien van een (ondoorzichtige) afscheiding als afbakening van het dakterras en om de veiligheid te waarborgen. In het zesde lid is bepaald dat een dergelijke afscheiding maximaal 1,25 meter hoog mag worden om bezonnings- of beeldkwaliteitsproblemen door te hoge afschermingen te voorkomen.  Het dakterras mag zich daarnaast bovenop het dak van het hoofdgebouw of de bedrijfswoning zelf bevinden. Ook dan geldt dat het dakterras niet hoger mag komen dan de tweede bouwlaag van dit gebouw.

Op grond van zevende lid mag het dakterras de bezonning van omliggende percelen niet onevenredig aantasten. Om te beginnen gaat het dan om de effecten van een afscherming op bezonning (zie eerder), maar het dakterras kan ook door de noodzaak van een eventueel privacyscherm (zie verder) of de situering effecten hebben op bezonning, bijvoorbeeld als het voorzien wordt van een gebouwde toegang die schaduw kan werpen op zonnepanelen op naastgelegen panden. 

Op grond van het achtste lid mag het dakterras alleen gerealiseerd worden als een dergelijk terras niet leidt tot te veel inkijk in omliggende woningen of te veel zicht op omliggende percelen. In dergelijke gevallen is er sprake van een onevenredige aantasting van de privacy van omliggende percelen en weegt het plezier dat een eventueel dakterras de gebruiker ervan biedt niet op tegen de negatieve effecten die derden ondervinden. 

In sommige gevallen is het wenselijk om het dakterras te voorzien van een scherm om de privacy van de gebruikers van het dakterras enerzijds en de gebruikers van andere panden/dakterrassen anderzijds te beschermen. Een dergelijk scherm kan op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving zonder omgevingsvergunning geplaatst worden.  

Artikel 6.59 in deze subparagraaf bepaalt dat in de omgevingsvergunning die nodig is voor de bouw van het dakterras zelf (dus niet het vergunningvrije scherm) bepaald kan worden dat een dergelijk scherm geplaatst moet worden en in stand gehouden moet worden. Dit uit het oogpunt van het waarborgen van privacy van omwonenden en de veiligheid.

Artikel 6.58 Beoordelingsregels entreeportalen

In dit artikel staat aan welke voorwaarden moet worden voldaan bij het bouwen van een entreeportaal. Het is alleen mogelijk om toch een omgevingsvergunning te verlenen als het entreeportaal maximaal 3 meter uitsteekt uit de voorgevel. Het entreeportaal mag daardoor meer in het voorerfgebied uitstreken dan al mogelijk was op grond van artikel 6.13 en artikel 6.19. Een grotere diepte is niet gewenst, omdat het entreeportaal dan te ver in de voortuin uitsteekt of te dicht op de openbare weg komt te staan. Om er zeker van te zijn dat er voldoende afstand is tussen beiden, verbindt het zesde lid een minimum aan de afstand tussen het entreeportaal en de openbare ruimte. 

Het entreeportaal mag zich alleen aan de voorgevel van een vrijstaande woning bevinden. En per woning is er slechts één entreeportaal toegestaan, omdat een woning ook maar één hoofdtoegang heeft. Dat regelen het tweedederde en achtste lid. Op basis van deze beoordelingsregels kan er dus geen omgevingsvergunning worden verleend voor een andere uitbreiding van het hoofdgebouw die aan de voorkant buiten het bouwvlak uitsteekt.  

Aan de breedte van het entreeportaal is een maximum verbonden. Dit maximum is 30% van de totale breedte van de voorgevel. De breedte mag nooit meer zijn dan 3,5 meter. Met deze regels wordt voorkomen dat het entreeportaal te breed wordt ten opzichte van de rest van het hoofdgebouw. Ook geldt er een maximum hoogte van 7 meter. Dat maakt het onder andere mogelijk om op basis van deze beoordelingsregels een risaliet te vergunnen die over de hoogte van twee bouwlagen doorloopt.  

Als het entreeportaal bij een bedrijfswoning wordt gerealiseerd, telt dit mee in de maximum gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken die ten behoeve van de bedrijfswoning mag worden gebruikt. Ook mag de inhoud van de bedrijfswoning niet meer bedragen dan de norm, bedoeld in het tiende lid.

Artikel 6.59 Vergunningvoorschriften

Dit artikel bepaalt dat er een vergunningvoorschrift aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakterras kan worden verbonden. Het bevoegd gezag kan op grond van dit artikel bepalen dat er een scherm geplaatst en in stand gehouden moet worden. Dit vanuit het oogpunt van het waarborgen van de privacy of de veiligheid. Vanuit het oogpunt van de veiligheid kan bijvoorbeeld bepaald worden dat er een hogere balustrade of andere beveiliging tegen het vallen moet worden geplaatst.

Subparagraaf 6.4.5.3 Erker of ander uitgebouwd bijbehorend bouwwerk bouwen in het voorerfgebied

Artikel 6.60 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een erker of ander uitgebouwd bijbehorend bouwwerk. Deze moet zijn gelegen in het voorerfgebied. Bijvoorbeeld in de voortuin van een woning. 

Met een erker bedoelen we een gesloten uitbouw aan de gevel van een gebouw. Meestal heeft deze uitbouw een ronde of vierkante vorm. Daarnaast heeft een erker vaak veel glas. Ook vallen onder het toepassingsbereik van deze subparagraaf andere uitbouwen in het voorerfgebied die niet zijn vormgegeven als erker.

Artikel 6.61 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het bouwen van een erker of ander uitgebouwd bijbehorend bouwwerk heeft u een omgevingsvergunning nodig. Dat regelt dit artikel. Een erker of soortgelijke uitbouw heeft namelijk veel invloed op de uitstraling van een gebouw. Daarom is het belangrijk dat de erker aan een paar voorwaarden voldoet.

In dit artikel is een locatie opgenomen. Binnen deze locatie kunt u een omgevingsvergunning aanvragen voor een erker of ander uitgebouwd bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied.

In de locatie 'Erkers of andere uitbouwen' zijn plekken in de gemeente opgenomen die hoofdzakelijk gebruikt worden voor woonactiviteiten. Meestal is een erker of soortgelijke uitbouw namelijk bedoeld als een manier om meer woonruimte te creëren.

Artikel 6.62 Beoordelingsregels erkers en andere uitbouwen

In dit artikel staan de beoordelingsregels. Aan deze voorwaarden moet worden voldaan om tot het verlenen van een omgevingsvergunning over te gaan.  

Er zijn verschillende manieren om een erker of uitbouw te maken. Zo kan een erker zweven of langs meerdere verdiepingen uitsteken. Bijvoorbeeld in het geval van hangerkers. Het tweede lid bepaalt dat een erker met de grond moet zijn verbonden. Op basis van deze beoordelingsregels kunnen dergelijke zwevende uitbouwen dus op basis van dit omgevingsplan niet worden vergund. 

Ook is het belangrijk dat de erker of het andere uitgebouwde bijbehorend bouwwerk is verbonden met het hoofdgebouw. Dit is meestal een woning. Een erker is erg bepalend voor de manier waarop een gebouw wordt beleefd. Op deze manier is het zeker dat de erker goed wordt geïntegreerd. Dat zorgt voor een vloeiende overgang tussen de uitbouw en het hoofdgebouw. 

Een te grote erker kan het hoofdgebouw visueel gaan overheersen. Om die reden is het vierde lid opgenomen. Daardoor blijft een erker visueel een uitbreiding van het hoofdgebouw.

Subparagraaf 6.4.5.4 Dakkapel bouwen

Artikel 6.63 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een dakkapel. Dit is een kleine uitbouw op het hellende dak van een gebouw. Deze constructie wordt meestal geplaatst om een gebouw iets te vergroten. Ook kan een dakkapel ervoor zorgen dat er meer daglicht toetreedt in het gebouw. In bijlage I van het omgevingsplan vindt u de volledige definitie. 

Een dakkapel bevindt zich boven de dakvoet. Dat is het laagste punt van het dak. Ook bevindt een dakkapel zich onder de nok. Daarmee bedoelen we het hoogste punt van het dak van het hoofdgebouw. De onderzijde van de dakkapel is in het dakvlak geplaatst. 

Artikel 6.64 Wijze van meten

Dit artikel beschrijft hoe u de hoogte van een dakkapel moet opmeten.

Artikel 6.65 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

In het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn er paar gevallen aangewezen waarin voor het bouwen van een dakkapel geen omgevingsvergunning nodig is. Voldoet u niet aan die voorwaarden? Dan is de bouwactiviteit altijd vergunningplichtig. Dit regelt dit artikel van het omgevingsplan.  

De vergunningplicht voor het bouwen van een dakkapel valt uiteen in twee gevallen. Allereerst heeft u altijd een omgevingsvergunning nodig voor het bouwen van een dakkapel in het voordakvlak. Daarnaast heeft de vergunningplicht betrekking op een dakkapel in het zijdakvlak. Als het zijdakvlak is gekeerd naar de openbare ruimte, voldoet deze namelijk niet aan de voorwaarden uit het Besluit Bouwwerken leefomgeving. Dit betekent dat ook deze dakkapel, op basis van artikel 6.65 van het omgevingsplan, vergunningplichtig is. 

Artikel 6.66 Beoordelingsregels dakkapellen

Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een dakkapel wordt beoordeeld aan de hand van dit artikel. Deze beoordelingsregels zijn opgenomen om te voorkomen dat er een wildgroei aan dakkapellen ontstaat op een vanaf de openbare ruimte zichtbare plek. Daarmee bedoelen we bijvoorbeeld aan de voorkant van een woning. Ook gelden deze beoordelingsregels voor een zijdakvlak dat is gekeerd naar de openbare ruimte. In beide gevallen kan de ruimtelijke kwaliteit en beleving van de leefomgeving veranderen als er een dakkapel wordt toegevoegd. Om deze reden wordt er ook getoetst aan de Welstandsnota of diens rechtsopvolger, ingevolge artikel 6.19.

Paragraaf 6.4.6 Ondergronds bouwwerk bouwen

Artikel 6.67 Toepassingsbereik

Soms ligt een bouwwerk geheel of voor een groot gedeelte onder de grond. Zoals een kelder, parkeergarage of souterrain. Dit noemen we ondergrondse bouwwerken, omdat ze onder het straatpeil liggen. 

De regels in deze paragraaf gaan over het bouwen van een ondergronds bouwwerk. Dit staat in het eerste lid. Ook het aanbrengen van een kelderkoekoek of kelderingang valt onder het toepassingsbereik van deze paragraaf. Dit zijn constructies die ondergronds worden aangebracht aan een bestaande of tegelijk te realiseren kelder.  

Een kruipruimte valt niet onder het bereik van deze paragraaf, mits deze als bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan aan te merken is. Dit regelt het tweede lid

Artikel 6.68 Wijze van meten

In dit artikel staat hoe u de diepte van een ondergronds bouwwerk moet meten. U meet vanaf het peil tot aan het punt van het bouwwerk dat het verste onder de grond ligt. Deze wijze van meten is van toepassing op alle ondergrondse bouwwerken. Daaronder vallen ook de kelderkoekoeken en kelderingangen.

Artikel 6.69 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen

Binnen een begraafplaats heeft u geen omgevingsvergunning nodig voor het bouwen van een grafkelder. Dit bepaalt artikel 6.69.  

Maar let op. U moet zich wel houden aan de zorgplicht over het aanzien van de begraafplaats. Deze zorgplicht vindt u terug in hoofdstuk 5. Ook is er in de Beheersverordening begraafplaatsen een vergunningplicht opgenomen om te verzekeren dat het onderhoud van de begraafplaatsen efficiënt blijft verlopen.  

De definitie van grafkelder vindt u terug in bijlage I. Voor andere ondergrondse bouwwerken binnen de locatie ‘Begraafplaats’ moet u wél een omgevingsvergunning aanvragen. 

Artikel 6.70 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het bouwen van een ondergronds bouwwerk heeft u altijd een omgevingsvergunning nodig. Behalve als het bouwwerk eerder is aangewezen als een toestemmingsvrij geval, zoals bedoeld in artikel 6.69. Dit heeft te maken met de impact die dit soort bouwwerken kunnen hebben op de fysieke omgeving. Zo zijn ondergrondse bouwwerken vaak zichtbaar vanaf de openbare ruimte of naastgelegen percelen. Ook kan een dergelijke constructie de afwatering en stabiliteit van de bodem beïnvloeden.  

Het is daarom belangrijk dat er eerst een toetsing plaatsvindt. Daarbij wordt gekeken of het ondergrondse bouwwerk voldoet aan bepaalde voorwaarden. Ook wordt op basis van artikel 6.19 gekeken of het bouwwerk goed kan worden ingepast in de omgeving. 

Daarnaast geldt er een vergunningplicht voor kelderkoekoeken en kelderingangen. Dit staat in het tweede en derde lid. Op deze vergunningplicht zijn geen uitzonderingen.

Artikel 6.71 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een ondergronds bouwwerk levert u plattegronden en doorsnedetekeningen aan. De plattegrond moet in ieder geval voorzien zijn van de hoogte van het ondergrondse bouwwerk ten opzichte van het peil. Dit voor de toetsing aan artikel 6.72.

Artikel 6.72 Beoordelingsregels ondergrondse bouwwerken

Als u een ondergronds bouwwerk wilt bouwen, moet u in ieder geval voldoen aan de voorwaarden in dit artikel. Dit betekent dat het ondergrondse bouwwerk niet hoger mag zijn dan de waarde die ter plaatse is opgenomen in de norm in het eerste lid. Met de hoogte wordt hier de negatieve hoogte bedoeld, dus onder het peil. 

Daarnaast moet het ondergrondse bouwwerk geheel zijn gelegen onder het oorspronkelijke hoofdgebouw. Dit betekent dat het ondergrondse bouwwerk niet buiten de contouren van het hoofdgebouw mag uitkomen. Het gaat hier om het oorspronkelijke hoofdgebouw. Dus eventuele bijbehorende bouwwerken die u later heeft toegevoegd tellen niet mee. 

Door het toevoegen van een ondergronds bouwwerk kan strijdigheid ontstaan met een andere bepaling in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld de maximum inhoud van een hoofdgebouw. Ook de percentages voor bijbehorende bouwwerken blijven van toepassing. Houd er rekening mee dat u ook aan deze regels moet voldoen.  

In De Volgerlanden is een bestaande parkeergarage aanwezig onder het winkelcentrum. Binnen deze locatie gelden het derde en vierde lid niet. Dit betekent dat de parkeergarage daar buiten de contouren van het oorspronkelijke hoofdgebouw mag uitkomen. Om deze reden is daar ook geen beperking voor de oppervlakte van het ondergrondse bouwwerk opgenomen. 

Artikel 6.73 Beoordelingsregels kelderkoekoek

Bij het bouwen van een kelderkoekoek moet worden voldaan aan dit artikel. Een kelderkoekoek is een uitgebouwde bak aan de kelderwand die ervoor zorgt dat het licht in de kelder kan treden. Ook kan de koekoek zorgen voor ventilatie.  

In het omgevingsplan wordt een kelderkoekoek uitgelegd als een uitbouw van een kelder. Om dit te verduidelijken is het tweede lid opgenomen. Daarin staat dat de kelderkoekoek aan een bestaande of een gelijktijdig te realiseren kelder moet worden aangebracht. De vergunning wordt dus niet verleend als er geen kelder is, waaraan de uitbouw kan worden gerealiseerd. Ook regelt dit lid dat de kelderkoekoek alleen bij een vrijstaande woning kan worden aangebracht. Dit om de mogelijke invloed op naastgelegen percelen te beperken. 

De kelderkoekoek moet voldoen aan een paar maten. Deze staan in het derde en vierde lid. Ook moet de kelderkoekoek voldoen aan wat afstanden. Zo mag een kelderkoekoek maximaal 1,5 meter uitsteken ten opzichte van de direct daar bovengelegen gevel van het hoofdgebouw. Daarmee bedoelen we de gevel van het hoofdgebouw die boven het peil ligt. Daarnaast geldt dat de afstand van de kelderkoekoek tot de openbare ruimte minimaal 0,5 meter moet bedragen. 

Artikel 6.74 Beoordelingsregels kelderingang

Met een kelderingang wordt een constructie bedoeld die toegang geeft tot de kelder. Het gaat hier bijvoorbeeld om een buitentrap die leidt tot een deur die u toegang tot de kelder geeft. Deze regeling biedt geen ruimte voor het realiseren van een hellingbaan naar een ondergrondse parkeergarage. Daar is de helling te steil voor.  

Net zoals een kelderkoekoek moet een kelderingang voldoen aan een paar maten. Zo bedraagt de hoogte van de kelderingang maximaal 3,5 meter. Het gaat hier om de negatieve hoogte van de kelderingang onder het peil. De kelderingang mag daarnaast in ieder geval niet verder onder het peil liggen dan de kelder zelf. Daarnaast gelden er ook een paar afstandseisen. Zo mag een kelderingang maximaal 1,5 meter uitsteken ten opzichte van de direct daar bovengelegen gevel van het hoofdgebouw. Daarmee bedoelen we de gevel van het hoofdgebouw die boven het peil ligt. 

Bij een kelderingang moet meer ruimte worden aangehouden tot de openbare ruimte. Dit heeft te maken met de manier waarop een kelderingang vaak vormgegeven wordt. De ingang van een kelder wordt meestal voorzien van deuren die naar buiten openslaan. Om voorbijgangers te beschermen wordt daarom een grotere afstand tot de openbare ruimte aangehouden. 

Paragraaf 6.4.7 Bouwwerk voor een jongerenontmoetingsplek bouwen

Artikel 6.75 Toepassingsbereik

Een jongerenontmoetingsplek (JOP) is een plek waar jongeren samenkomen. Meestal wordt deze openbare voorziening door de gemeente ingericht in de openbare ruimte. Het gaat dan bijvoorbeeld om een plek in een park of langs het water. Op deze plekken kunnen jongeren elkaar ontmoeten of iets met elkaar ondernemen. Dan kunt u denken aan activiteiten als sport of recreatie.  

Om een jongerenontmoetingsplek aantrekkelijk te maken is het vaak nodig om te bouwen. De regels waar u zich dan aan moet houden, staan in deze paragraaf.  

Hoe een jongerenontmoetingsplek eruitziet varieert per locatie. Soms wordt een jongerenontmoetingsplek alleen ingericht met straatmeubilair, zoals met bankjes of een picnicktafel. Ook kan de ontmoetingsplek overdekt zijn. In dat laatste geval wordt er bijvoorbeeld een overkapping of een klein gebouwtje geplaatst. Dit kan per plek verschillen, omdat ook de behoeften per wijk of buurt weer anders kunnen zijn. Daarmee gaat deze paragraaf over verschillende soorten bouwwerken, van volledige gebouwen tot overkappingen.

Artikel 6.76 Oogmerken

Deze paragraaf biedt ruimte voor het realiseren van een jongerenontmoetingsplek, maar verbindt daar tegelijkertijd een paar voorwaarden aan. Dit artikel benoemt de oogmerken van deze regels.

Artikel 6.77 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Gaat u bouwen om een jongerenontmoetingsplek in te richten? Dan regelt artikel 6.77 dat u daarvoor een omgevingsvergunning moet aanvragen. De vergunningverleners kijken dan in het omgevingsplan of u het bouwwerk mag bouwen. U mag pas beginnen met bouwen als de omgevingsvergunning is verleend. 

Maar let op: Dit artikel regelt alleen het bouwen van een jongerenontmoetingsplek, zoals een dugout, overkapping of ander bouwwerk met een dak. Het daaromheen inrichten met straatmeubilair is toestemmingsvrij. Dit volgt uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. 

Artikel 6.78 Aanvraagvereisten

Omwonenden kunnen hinder ervaren door de komst van een jongerenontmoetingsplek. Deze hinder mag niet te groot zijn (onevenredig). Daarom moet beschreven worden welke gevolgen de jongerenontmoetingsplek zal hebben op de woonomgeving. Dan kunt u denken aan geluid of andere vormen van hinder. Als de gevolgen te groot zijn, kan worden verzocht een onderzoek naar de hinder voor de woonomgeving te verstrekken. 

Bij elke aanvraag die betrekking heeft op het bouwen van een bouwwerk moet u een situatietekening indienen. Dat regelt artikel 6.18. Het tweede lid van artikel 6.78 verduidelijkt wat u in ieder geval op deze situatietekening moet aangeven

Artikel 6.79 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een motivering van de gevolgen voor de woonomgeving verstrekt. Dit regelt artikel 6.78. In de motivering legt de aanvrager uit waarom er geen onevenredige hinder ontstaat voor de woonomgeving.  

Soms is het nodig om nader onderzoek te doen. In dat geval kan het bevoegd gezag de aanvrager verplichten om een onderzoek te verstrekken naar de hinder voor de woonomgeving. Dit bepaalt artikel 6.79. Deze verplichting kan het bevoegd gezag bijvoorbeeld opleggen als de conclusie die de aanvrager trekt in de motivering niet aannemelijk is. Het bevoegd gezag gebruikt het onderzoek om te beoordelen of de omgevingsvergunning kan worden verleend. En zo ja, of er voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.

Artikel 6.80 Beoordelingsregels jongerenontmoetingsplek

Bij het realiseren van een jongerenontmoetingsplek is er vaak sprake van het bouwen van een bouwwerk. Daar moet u een omgevingsvergunning voor aanvragen. Deze wordt verleend als het bouwwerk aan artikel 6.80 voldoet.  

Het is belangrijk dat een jongerenontmoetingsplek past in de omgeving. Het bouwwerk moet niet te overheersend worden. Daarom geldt er een maximum bouwhoogte van 4 meter. Het bouwwerk dat u gaat bouwen op de jongerenontmoetingsplek mag niet hoger zijn dan dat. 

Ook wordt de oppervlakte van het bouwwerk beperkt. De oppervlakte bedraagt maximaal 20 m2. Door de omvang van het bouwwerk te beperken, is de invloed op de omgeving kleiner.  

De afstand van een jongerenontmoetingsplek tot een woning moet minimaal 25 meter bedragen. Dit is om te voorkomen dat er onevenredig veel overlast ontstaat bij woningen die bij de jongerenontmoetingsplek in de buurt liggen. Die afstand wordt loodrecht gemeten. Daarbij wordt er gekeken naar de kleinste afstand van het bouwwerk dat op de jongerenontmoetingsplek wordt geplaatst tot aan de woning. Uit de motivering die u bij de aanvraag meestuurt moet bovendien blijken dat er geen onevenredige hinder voor de woonomgeving ontstaat door de jongerenontmoetingsplek.

Artikel 6.81 Vergunningvoorschriften

Op grond van artikel 6.81 kan het bevoegd gezag vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een jongerenontmoetingsplek. Een vergunningvoorschrift kan alleen aan een omgevingsvergunning worden verbonden met oog op de belangen uit artikel 6.76.

Paragraaf 6.4.8 Bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen

Subparagraaf 6.4.8.1 Algemene bepalingen bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen

Artikel 6.82 Toepassingsbereik

Deze paragraaf bevat regels over het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde. Dit zijn bouwwerken die geen ‘gebouw’ zijn.  

Wat is een gebouw? 

In de wet staat een begripsomschrijving van het begrip ‘gebouw’. De wet legt uit dat een gebouw voor mensen toegankelijk is. Daarnaast heeft een gebouw een dak en wanden. Soms is elke kant van een gebouw afgesloten met een wand. Soms wordt slechts een gedeelte van het gebouw omsloten met wanden.  

Wat is een bouwwerk geen gebouw zijnde? 

Is een bouwwerk geen ‘gebouw’? Dan noemen we dit in het omgevingsrecht een bouwwerk geen gebouw zijnde. Het gaat hier bijvoorbeeld om bouwwerken zonder dak en zonder wanden, zoals een pergola. Ook gaat het hier om bouwwerken dat u niet kunt betreden, zelfs als dit bouwwerk wél van een dak en wanden is voorzien. Een voorbeeld daarvan is een silo. Andere voorbeelden van bouwwerken geen gebouw zijnde waar u aan kunt denken zijn antenne-installaties, lichtmasten, vlaggenmasten, reclameobjecten, verkeersborden, zwembaden en geluidsschermen.

Subparagraaf 6.4.8.2 Bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen

Artikel 6.83 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde. Onder het toepassingsbereik van deze subparagraaf vallen niet de bouwwerken die in het tweede lid worden genoemd. Als u bijvoorbeeld een brug gaat bouwen hoeft u zich dus niet te houden aan de regels in deze subparagraaf. In plaats daarvan kijkt u naar subparagraaf 6.4.8.4.

Artikel 6.84 Wijze van meten

Dit artikel beschrijft op welke manier de bouwhoogte van een antenne-installatie moet worden opgemeten. De manier hangt af van waar de antenne-installatie geplaatst wordt. Zoals op een ander bouwwerk of vrijstaand.

Artikel 6.85 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen silo's voor agrarische bedrijfsvoering

U heeft geen omgevingsvergunning nodig voor het bouwen van een silo als wordt voldaan aan de voorwaarden in artikel 6.85. Een belangrijke voorwaarde is dat de silo moet worden gebruikt voor de agrarische bedrijfsvoering. Bijvoorbeeld voor het opslaan van voer of mest. Dit staat in het eerste lid.  

Het tweede en derde lid zijn opgenomen om duidelijk te maken op welke delen van de gemeente dit artikel van toepassing is. Van de uitzondering op de vergunningplicht kan alleen gebruik worden gemaakt als de silo wordt gebouwd in het achtererfgebied. Daarnaast moet het gaan om een gebouwerf waar alleen of in hoofdzaak agrarische activiteiten worden verricht. 

Artikel 6.86 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen overige bouwwerken voor agrarische bedrijfsvoering

Als het niet om een silo gaat, dan is het soms nog steeds mogelijk om een bouwwerk geen gebouw zijnde voor agrarische bedrijfsvoering zonder omgevingsvergunning te bouwen. U moet dan voldoen aan de voorwaarden uit artikel 6.86. Een belangrijke voorwaarde is dat het overige bouwwerk geen gebouw zijnde moet worden gebruikt voor de agrarische bedrijfsvoering. Het gaat hier bijvoorbeeld om kuilvloer- en mestplaten. Ook brandstof-, melk- en spoelwatertanks vallen hieronder.  

Het tweede en derde lid zijn opgenomen om duidelijk te maken op welke delen van de gemeente dit artikel van toepassing is. Van de uitzondering op de vergunningplicht kan alleen gebruik worden gemaakt als het bouwwerk geen gebouw zijnde wordt gebouwd in het achtererfgebied. Daarnaast moet het gaan om een gebouwerf waar alleen of in hoofdzaak agrarische activiteiten worden verricht. Dit betekent dat het bouwwerk geen gebouw zijnde slechts zonder omgevingsvergunning mag worden gebouwd in het achtererfgebied en op het gebouwerf van een agrarisch bedrijf. Voor dit soort overige bouwwerken geen gebouw zijnde geldt een maximum hoogte van 2 meter. 

Artikel 6.87 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen buisleidingen

Voor het bouwen van een buisleiding is geen omgevingsvergunning nodig. Dat regelt artikel 6.87. Dit artikel is alleen van toepassing op andere buisleidingen dan bedoeld in artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bkl). Onder de reikwijdte van dit artikel vallen ondergrondse buis- en leidingstelsels die een openbare of infrastructurele voorziening vormen. Zoals ondergrondse faunapassages. Deze ondergrondse buis- en leidingstelsels mag u zonder omgevingsvergunning bouwen, ongeacht van wat het omgevingsplan daarover zegt.  

In artikel 2.29 zijn wel een paar uitzonderingen opgenomen. Het gaat om:  

  • Buisleidingen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit. Deze aanwijzing vindt plaats in artikel 3.101 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); en

  • Buisleidingen voor warm water of stoom.

In sommige buisleidingen worden verschillende stoffen vervoerd. Deze stoffen kunnen gevaarlijk zijn voor mens en milieu. Daarom is het niet mogelijk om deze buisleidingen zonder omgevingsvergunning te bouwen. Deze uitzondering geldt ook voor buisleidingen die warm water of stoom vervoeren, zelfs als er geen sprake is van een milieubelastende activiteit. Dit komt doordat voor het aanleggen, wijzigen en uitbreiden van deze buisleidingen een mer-beoordelingsplicht geldt.  

De uitzonderingen gelden ook voor artikel 6.87. Dit betekent dat u dit artikel niet mag gebruiken om zonder omgevingsvergunning een buisleiding te bouwen waardoor milieubelastende stoffen, warm water of stoom worden vervoerd.  

Artikel 6.87 maakt het wél mogelijk om andere buisleidingen zonder omgevingsvergunning te bouwen. Het gaat hier bijvoorbeeld om een buisleiding die een woning aansluit op het elektriciteitsnet. Ook grotere doorvoerleidingen, buizen en bijbehorende inspectie- en verbindingsputten kunnen toestemmingsvrij zijn.

Artikel 6.88 Verbod reclameobject in de openbare ruimte

In de basis mogen er in de openbare ruimte geen reclameobjecten worden gebouwd. Dit betekent dat het bouwen van reclameobjecten – onder voorwaarden – alleen is toegestaan op eigen terrein. 

Dit verbod geldt niet voor reclameobjecten die worden gebouwd door of namens het bevoegd gezag. Met het bevoegd gezag wordt hier de gemeente bedoeld. Op deze manier houdt de gemeente grip op het soort en het aantal reclameobjecten in de openbare ruimte. 

Artikel 6.89 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

U heeft een omgevingsvergunning nodig voor het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde. Maar het bouwen van dit soort bouwwerken mag niet overal. Daarom bevat het omgevingsplan een locatie. In het omgevingsplan zijn beoordelingsregels opgenomen die het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde binnen deze locatie mogelijk maken.

Artikel 6.90 Aanvraagvereisten voor het bouwen van een reclameobject

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een reclameobject moet u een paar gegevens en bescheiden verstrekken. Zoals het aantal reclameobjecten dat u gaat bouwen, de afmetingen en de te gebruiken materialen, kleuren en verlichting. Dit staat in het eerste lid

Daarnaast moet u ook uw naam, adres en woonplaats verstrekken als u niet de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruik van de onroerende zaak bent waar het reclameobject op of aan wordt bevestigd. Dat bepaalt het tweede lid. Daarnaast is het belangrijk dat u toestemming heeft om dit te doen. 

Artikel 6.91 Beoordelingsregels bouwwerken geen gebouw zijnde

Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de hand van de beoordelingsregels in artikel 6.91. Deze beoordelingsregels gelden voor het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde.  

De specifieke regels gaan voor op de algemene regels 

We maken onderscheid tussen verschillende soorten bouwwerken geen gebouw zijnde. Daardoor vindt u in dit artikel soms beoordelingsregels die alleen over een specifiek bouwwerk gaan, terwijl andere regels veel algemener zijn opgeschreven. De specifieke regels gaan dan voor op de algemene regel. 

Met een voorbeeld laten we zien hoe u het artikel moet toepassen. Stel u voor dat u een aanvraag indient om een kunstobject in de openbare ruimte te bouwen. Dan ziet u in het tweede lid een maximum bouwhoogte staan voor dit kunstobject. Deze wordt gebruikt voor het beoordelen van de aanvraag. De maximum bouwhoogte uit het dertiende lid blijft buiten beschouwing, omdat deze alleen geldt voor overige bouwwerken geen gebouw zijnde.  

Dit neemt niet weg dat het dertiende lid wél van toepassing kan zijn op het bouwen van een kunstobject. Alleen gaat het dan bijvoorbeeld om een kunstobject op eigen terrein. Hetzelfde geldt voor een antennemast, waarbij de specifieke regel alleen geldt voor de locatie ‘Antennemast’. Als u buiten deze locatie een antennemast wilt bouwen, dan zijn de overige regels voor bouwwerken geen gebouw zijnde van toepassing.  

Wat u mag bouwen hangt ook af van andere hoofdstukken 

Niet alle bouwwerken geen gebouw zijnde kunnen overal. Het is aan de vergunningverlener om te toetsen op de samenloop met hoofdstuk 5 en andere hoofdstukken. 

Als een overkapping geen bijbehorend bouwwerk is, moet worden voldaan aan de regels in deze subparagraaf 

Een overkapping is meestal een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in paragraaf 6.4.5. Bijvoorbeeld als het op het erf van een woning of bedrijf wordt geplaatst. Maar soms is een overkapping niet aan te merken als een bijbehorend bouwwerk. In die gevallen valt de overkapping onder het toepassingsbereik van deze subparagraaf. 

Het gaat hier om de overkappingen op de volkstuinen. Deze overkappingen zijn geen bijbehorend bouwwerk, omdat er geen hoofdgebouw is. Daarom zijn de regels over deze overkappingen in deze subparagraaf opgenomen. 

De historische havenkranen worden geconserveerd 

Op sommige plekken in de gemeente is alleen een historische havenkraan toegestaan. Daarmee worden havenkranen bedoeld die vanwege hun historische relevantie in het gebied blijven staan, zonder verder te worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten. De kraan vormt bijvoorbeeld een aandenken aan het verleden van het gebied. Andere bouwwerken geen gebouw zijnde zijn daar niet toegestaan.

Subparagraaf 6.4.8.3 Afscheiding bouwen

Subsubparagraaf 6.4.8.3.1 Algemene bepalingen afscheiding bouwen

Artikel 6.92 Toepassingsbereik

Het toepassingsbereik in dit artikel geeft aan waar deze subparagraaf over gaat. Het gaat over het bouwen van een afscheiding. Met uitzondering van de afscheidingen, bedoeld in het tweede lid. De regels in deze subparagraaf kunnen dus niet gebruikt worden voor het bouwen van een afscheiding bij een speelplek in de achtertuin van een woning. Die speelplek wordt immers alleen particulier gebruikt.

Subsubparagraaf 6.4.8.3.2 Erf- of perceelafscheiding bouwen

Artikel 6.93 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf gaat over een erf- of perceelafscheiding. Dit is een afscheiding die u plaatst om uw erf of terrein af te sluiten. De afscheiding zorgt bijvoorbeeld voor privacy.  

Meestal wordt de afscheiding gemaakt van beton of hout. Zoals bij een tuinmuur of schutting. Ook worden er soms vlechtschermen en kant-en-klare afscheidingen gebruikt.  

Bestaat uw afscheiding alleen uit een heg, een rij coniferen of andere beplanting? Dan valt u buiten het toepassingsbereik van deze subparagraaf. U gaat dan niet bouwen. Behalve als u naast de beplanting ook een draagconstructie plaatst om de beplanting te ondersteunen.

Artikel 6.94 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen erf- of perceelafscheidingen

Onder voorwaarden is het bouwen van een erf- of perceelafscheiding toestemmingsvrij. Dit betekent dat u daar geen vergunning voor aan hoeft te vragen. Deze voorwaarden staan deels in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Maar als uw erf- of perceelafscheiding hoger dan 1 meter is, gelden de regels uit het omgevingsplan.  

Dit artikel geeft aan wanneer u de afscheiding zonder omgevingsvergunning mag plaatsen. Dit is als de afscheiding zich achter de lijn bevindt die langs de voorkant van het hoofdgebouw loopt en vanaf daar evenwijdig loopt met de aangrenzende openbare ruimte. Daarnaast mag de erf- of perceelafscheiding niet hoger zijn dan 2 meter. 

De afscheiding mag alleen gebouwd worden op een gebouwerf. Dat is een erf waarop een gebouw staat. De afscheiding moet in functionele relatie staan met het gebouw op dat gebouwerf. Bij een bedrijf is de afscheiding bijvoorbeeld bedoeld om onbevoegden van het terrein te weren. Bij een woning bijvoorbeeld voor de privacy van de woning. Met deze regel voorkomen we dat gronden met een bijzondere functie zonder omgevingsvergunning afgeschermd kunnen worden. Het gaat hier bijvoorbeeld om weiland of bosgronden die in juridisch opzicht onderdeel uitmaken van het kadastrale eigendom waartoe ook het hoofdgebouw behoord, maar niet ingericht mogen worden als erf. Het is niet wenselijk dat deze gronden zonder verdere toetsing mogen worden omheind met een afscheiding, bedoeld in artikel 6.94. Daarom mogen alleen gronden die uitmaken van het erf dat bij het gebouw hoort zonder omgevingsvergunning omheind worden. 

Artikel 6.95 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voldoet u niet aan de voorwaarden in artikel 6.94? Dan heeft u een omgevingsvergunning nodig. Dit is bijvoorbeeld zo als u de erf- of perceelafscheiding voor de lijn wilt plaatsen die langs de voorkant van het hoofdgebouw loopt. Ook geldt dit voor sommige hoeksituaties. Bij hoeksituaties bepaalt de ligging van de openbare ruimte of gebruik kan worden gemaakt van artikel 6.94 of op grond van dit artikel een vergunningplicht geldt.

Artikel 6.96 Beoordelingsregels afwijkende erf- of perceelafscheidingen

Soms is een hogere erf- of perceelafscheiding nodig. Zoals bij een school. Dit waarborgt de veiligheid van kinderen die op het schoolplein spelen.  

Ook is een hogere afscheiding toegestaan bij een bedrijventerrein. Dit in het kader van de veiligheid. Bijvoorbeeld om onbevoegden van het terrein te weren. Aan de achterzijde was hier al zonder toestemming een afscheiding van 2 meter toegestaan. Met toestemming kan dit worden uitgebreid naar 2 meter aan de voorzijde.  

Binnen de locatie ‘Bedrijventerrein Ambachtsezoom’ gelden wat specifieke regels. Bijvoorbeeld over waar de afscheiding mag komen te staan en om wat voor soort afscheiding het moet gaan. Deze regels zijn onder andere opgenomen als verwijzing naar de geschiedenis van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht. 

Subsubparagraaf 6.4.8.3.3 Afscheiding van een sport- of speelplek bouwen

Artikel 6.97 Toepassingsbereik

Op meerdere plekken in de gemeente kan worden gesport. Zoals het calisthenicspark, het skatepark of de sportvelden. Het gaat hier zowel om openbare voorzieningen als een aantal accommodaties. Daarnaast zijn er ook veel speelplekken voor kinderen. Deze sport- of speelplekken zijn ingericht om te sporten, te spelen en te bewegen. 

Bij sportplekken wordt vaak een afscheiding geplaatst. Deze afscheiding wordt bijvoorbeeld gebruikt om ballen die doorschieten op te vangen en omstanders te beschermen. Daarnaast kan een afscheiding worden gebruikt om de grens tussen sportvelden aan te geven. En speeltuinen hebben soms een afscheiding met het doel om de kinderen die er spelen te beschermen.

Artikel 6.98 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

U heeft binnen de locatie ‘Sportvelden’ een omgevingsvergunning nodig voor het bouwen van een ballenvanger of daarmee vergelijkbare afscheiding. Dit staat in het eerste lid. Deze vergunningplicht geldt ook als u in de openbare ruimte een ballenvanger of andere afscheiding van een sport- of speelplek wil bouwen. Dit is op grond van het tweede lid vergunningplichtig.

Artikel 6.99 Beoordelingsregels ballenvangers of daarmee vergelijkbare afscheidingen

Dit artikel regelt dat u binnen de locatie ‘Sportvelden’ een ballenvanger of daarmee vergelijkbare afscheiding mag bouwen. Mits u aan de beoordelingsregels voldoet. Buiten de locatie ‘Sportvelden’ geldt dit artikel niet.

Artikel 6.100 Beoordelingsregels ballenvangers of andere afscheidingen van een sport- of speelplek in de openbare ruimte

Dit artikel biedt ruimte voor het bouwen van een ballenvanger of andere afscheiding van een sport- of speelplek in de openbare ruimte. Deze sport- of speelplek mag niet alleen voor particulier gebruik bedoeld zijn. Dit volgt uit het toepassingsbereik, bedoeld in artikel 6.92. Het moet dus om een openbare of semi-openbare voorziening gaan. Het afschermen van een dergelijke sport- of speelplek vindt vaak plaats vanuit het oogpunt van veiligheid. Denk aan een ballenvanger die wordt geplaatst achter het doel van een voetbalveld. Dit soort afscheidingen mogen maximaal 5 meter hoog zijn.

Subsubparagraaf 6.4.8.3.4 Terrasafscheiding bouwen

Artikel 6.101 Toepassingsbereik

De regels in deze subsubparagraaf gaan over terrasafscheidingen. Daarmee bedoelen we de afscheidingen die worden geplaatst op een locatie waar een terras mag worden geëxploiteerd. Zoals bij een sportvoorziening of bij een horecabedrijf.

Artikel 6.102 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het bouwen van een terrasafscheiding heeft u een omgevingsvergunning nodig. Dit regelt artikel 6.102.

Artikel 6.103 Beoordelingsregels terrasafscheidingen

Een omgevingsvergunning wordt verleend als de terrasafscheiding niet hoger is dan 1.8 meter. Daarnaast staan er in artikel 6.19 beoordelingsregels over het uiterlijk van de terrasafscheiding.

Subparagraaf 6.4.8.4 Brug bouwen

Artikel 6.104 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het bouwen van een brug. Een brug is een constructie tussen twee punten over water of over land. Deze kan worden gebruikt als verbinding voor verkeer, zoals auto’s, fietsers of voetgangers.

Artikel 6.105 Wijze van meten

De hoogte van een brug wordt gemeten vanaf het waterpeil tot aan de bovenkant van het brugdek. Het zomerpeil is als uitgangspunt genomen. Dit komt doordat het water in de zomer meestal hoger staat dan in de winter. Dit zomerpeil is te vinden in het Peilbesluit van het Waterschap Hollandse Delta. 

Met het brugdek bedoelen we de vloer van de brug. Dit is het gedeelte waar u overheen loopt. Soms is dit dek ook op zo’n manier ingericht dat u er met de auto of fiets overheen kunt rijden. U meet dus niet tot het hoogste punt van de brug, zoals de valbeveiligingen. Dit regelt artikel 6.105.

Artikel 6.106 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Een brug kan een grote impact hebben op de fysieke leefomgeving. Zo kan de brug de kwaliteit van de openbare ruimte veranderen. Daarnaast kan er door de brug meer verkeer komen in een bepaald gebied of juist minder. Tot slot kan een brug die over het water wordt geplaatst ook gevolgen hebben op de waterhuishouding. Om onder andere deze redenen heeft u voor het bouwen van een brug altijd een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 6.107 Aanvraagvereisten

Bij elke aanvraag om een omgevingsvergunning moet een situatietekening verstrekt worden. Dit staat in artikel 6.18. Als uw aanvraag om een omgevingsvergunning gaat over het bouwen van een brug, dan moet u op deze situatietekening in ieder geval de afstand tussen de bovenkant van het brugdek en het zomerpeil aangeven. Dit regelt artikel 6.107.

Artikel 6.108 Beoordelingsregels bruggen

De omgevingsvergunning wordt verleend als de constructie voldoet aan artikel 6.108. Dit betekent dat de brug niet hoger mag zijn dan 3 meter.  Op deze regel zijn wel enkele uitzonderingen. Deze zijn opgenomen in de norm die u ziet in het derde lid. Deze bruggen liggen vaak in de openbare ruimte. Het gaat hier bijvoorbeeld om de loopbrug over de snelweg (A16).  

Tot slot geldt er soms ook een maximum breedte voor een brug binnen de locatie 'Natuurgebied Crezeepolder'. De breedte van de brug mag dan niet meer bedragen dan is aangegeven in het vierde lid

Subparagraaf 6.4.8.5 Steiger bouwen

Artikel 6.109 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over een steiger. Met een steiger wordt ook een vlonder bedoeld. Deze constructies steken vaak uit boven het water. Ook kan een steiger deels steunen op palen die in het water staan.  

Steigers worden vaak gebruikt als plek waar vaartuigen kunnen aanmeren. Binnen de gemeente zijn er daarnaast plekken waar een steiger enkel mag worden gebruikt voor andere recreatieve activiteiten, zoals vissen of als zitplek. Bij het toepassen van de regels in deze subparagraaf is het belangrijk om te letten op de interactie met hoofdstuk 5. Deze subparagraaf bevat alleen de regels waar u zich aan moet houden als u een steiger gaat bouwen. Op welke manier u deze verder mag gebruiken wordt geregeld in hoofdstuk 5. Ook kunnen er regels staan in hoofdstuk 7 voor zover de steiger in de openbare ruimte ligt. Zoals bij openbaar vaarwater. 

Artikel 6.110 Wijze van meten

De waarden in deze subparagraaf moet u meten op de wijze die beschreven is in artikel 6.110. Deze wijze van meten wijkt af van de standaard. 

De bouwhoogte van een steiger moet vanaf het waterpeil gemeten worden. Het gaat hier om het zomerpeil. Dit waterpeil wordt als uitgangspunt genomen, omdat het water in de zomer vaak hoger ligt dan in de winter. Het zomerpeil is te vinden in het Peilbesluit van het Waterschap Hollandse Delta. 

Een steiger steekt meestal gedeeltelijk uit de oever. Deze maat wordt aangegeven met de diepte. Deze diepte geeft aan hoe ver de steiger uit de oever ligt. Dit is aangegeven met de letter ‘A’ op de afbeelding.  

U meet de diepte van een steiger vanaf de insteeklijn tot aan het uiterste punt van de steiger. Daarmee bedoelen we het punt van de steiger dat het verste van de oever vandaan ligt. Met de insteeklijn bedoelen we de plek waar het normale maaiveld een knik maakt en overgaat in een aflopend oevertalud of -helling. Dit ziet u in de dwarsdoorsnede. 

De lengte van een steiger wordt gemeten aan de kant die evenwijdig loopt met de insteek van de oever (de insteeklijn). Dit is aangegeven met de letter ‘B’ in de afbeelding.

Artikel 6.111 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het bouwen van een steiger is vergunningplichtig. Dit betekent dat u altijd een omgevingsvergunning moet aanvragen. Dit regelt artikel 6.111.

Artikel 6.112 Aanvraagvereisten

Bij elke aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit moet een situatietekening aangeleverd worden. Artikel 6.112 bepaalt dat op deze situatietekening in ieder geval de afstand tussen de onderkant van de steiger en het zomerpeil wordt aangegeven. Het zomerpeil is te raadplegen via het Peilbesluit van het Waterschap Hollandse Delta.

Artikel 6.113 Beoordelingsregels steigers

Dit artikel bevat de beoordelingsregels. Als u een aanvraag doet voor het bouwen van een steiger moet u voldoen aan deze regels. Alleen dan wordt de omgevingsvergunning verleend. 

De steiger moet een bepaalde afmeting hebben 

In het tweede tot en met het zevende lid staan voorwaarden over de afmetingen van een steiger. Deze voorwaarden gaan bijvoorbeeld over de maximum bouwhoogte van een steiger. Daarnaast wordt er een maximum gesteld aan de diepte van de steiger ten opzichte van de oever en de lengte van de steiger. Hoe u dit moet opmeten, is bepaald in artikel 6.110

Steigers mogen niet te dicht op de perceelsgrens komen 

Er moet een minimale afstand worden aangehouden, zodat onderhoud aan de oever én de steiger mogelijk blijft. Dit bepaalt het achtste lid.  

Het dek van de waterwoningen moet aansluiten bij de begane grond van het hoofdgebouw 

De waterwoningen zijn een nieuwbouwlocatie in de Volgerlanden-Oost. Deze woningen liggen pal aan het water en worden voorzien van een ruim terras. In het omgevingsplan wordt dit terras gezien als een steiger. Deze steiger is bedoeld als een verlengde van de leefruimte binnen. Om deze reden is het negende lid opgenomen. Daarmee wordt verzekerd dat de steiger op dezelfde hoogte ligt als de vloer van de begane grond van het hoofdgebouw. 

De steiger mag constructief niet leunen op de locatie ‘Plasberm’. 

In deze locatie is een natuurlijke overgangszone vastgelegd tussen het recreatiegebied Sandelingen-Ambacht en het woongebied. Om deze zachte en natuurlijke overgang te creëren is beplanting aangelegd in de vorm van een plasberm. De steiger mag geen contact maken met deze berm zodat natuur- en landschapswaarden in de plasberm beschermd blijven. Daarom is het tiende lid opgenomen. Daarmee wordt voorkomen dat de steiger constructieve steunpunten heeft binnen de locatie. 

De steiger mag de belangen van de waterbeheerder niet onevenredig schaden 

Om dit te bepalen wint het bevoegd gezag advies in. De grondslag hiervoor staat in artikel 6.114

Artikel 6.114 Advies waterbeheerder

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een steiger kan niet worden verleend, voordat het bevoegd gezag advies heeft gevraagd aan de waterbeheerder.

Subparagraaf 6.4.8.6 Zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of vijver bouwen

Artikel 6.115 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf bevat regels over zwembaden, bubbelbaden of soortgelijke voorzieningen. In deze subparagraaf vindt u daarnaast ook regels over vijvers. 

Onder het toepassingsbereik van deze subparagraaf vallen alleen bouwactiviteiten. Er moet sprake zijn van het bouwen van een bouwwerk. Dit betekent dat het om een constructie gaat met enige omvang. Deze constructie is verbonden met de grond. Daarnaast moet het object een plaatsgebonden karakter hebben.  

Bij een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening ontbreekt het soms aan een plaatsgebonden karakter. Het is dan geen bouwwerk. Zo wordt er geen opblaasbadje voor kinderen mee bedoeld. Het gaat ook niet om een zwembad of bubbelbad dat slechts voor een paar dagen of weken wordt opgezet. Bij dergelijke objecten ontbreekt het plaatsgebonden karakter. Er is daardoor geen sprake van een bouwwerk. 

Bij een vijver ontbreekt het vaak aan een constructie van enige omvang. Een vijver kan ook bestaan uit een uitgegraven gat of gedeeltelijke verdieping in de grond. Hier kan dan een plastic zeil over aan zijn gebracht om de vijver te maken of er wordt een kunststof kuip in de grond geplaatst. Maar pas als er met bouwmaterialen een constructie is gemaakt is er sprake van bouwen. Het gaat dan bijvoorbeeld om materialen, zoals steen, staal, beton en hout. Bij een vijver ontbreekt dit constructieve gedeelte vaak, waardoor er geen sprake is van een bouwwerk. 

Let bij het toepassen van de regels in deze subparagraaf dus goed op of u gaat bouwen. Doet u dit niet? Dan voert u deze activiteit niet uit en gelden de regels niet voor u. 

Tot slot moet u er op letten dat de regels over bijbehorende bouwwerken als bedoeld in paragraaf 6.4.5 onverminderd gelden. Gaat u het zwembad overdekken? Dan kan het zo zijn dat dit meetelt in het bebouwingspercentage. Dit kan ook vergunningplichtig zijn.

Artikel 6.116 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen zwembaden, bubbelbaden of soortgelijke voorzieningen

In dit artikel worden gevallen aangewezen waarin het bouwen van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening toestemmingsvrij is. Dit betekent dat u voor het bouwen geen omgevingsvergunning nodig heeft. 

Het zwembad of de soortgelijke voorziening moet in het achtererfgebied van een woning of woongebouw worden gebouwd 

Het moet gaan om een zwembad, bubbelbad (whirlpool) of soortgelijke voorziening op het erf van een woning of woongebouw. Dit staat in het tweede lid. Daarnaast moet het bouwwerk zich in het achtererfgebied bevinden. De ruimtelijke impact van deze bouwwerken is een stuk groter in het voorerfgebied, onder meer omdat de bouwwerken die er staan vaak zichtbaarder zijn vanaf de openbare ruimte. Daardoor drukken ze een grote stempel op de ruimtelijke kwaliteit van de openbare ruimte. Om deze reden is het voorerfgebied in traditionele zin alleen bedoeld als voortuin.  

Het bouwwerk mag maximaal 0,50 meter hoog zijn. Behalve als het om een bubbelbad gaat. 

De meeste zwembaden bevinden zich volledig op of onder het peil. Soms is er een kleine opstaande rand om het zwembad heen. De maximum hoogte die in het omgevingsplan is opgenomen houdt daar rekening mee. Bubbelbaden mogen iets hoger zijn. Dit staat in het vierde lid. Dit heeft er mee te maken dat bubbelbaden meestal volledig boven de grond zijn gelegen. Om deze reden is meer hoogte hier gepast. 

Het bouwwerk mag niet voorzien zijn van een dak 

Daarmee wordt voorkomen dat u het bouwwerk overdekt. Als u het bouwwerk overdekt, kan het ook als bijbehorend bouwwerk aangemerkt worden. Dan gelden de regels uit paragraaf 6.4.5. Om dit te voorkomen is het zesde lid opgenomen.  

Soms gelden er voor een locatie aanvullende regels of uitzonderingen 

Voor de locatie ‘Achter vrouwgelenweg 80’ zijn aanvullende regels opgenomen. Deze gelden alleen voor zwembaden. Zo wordt er een maximum gesteld aan de gezamenlijke oppervlakte van zwembaden. Deze regels staan in het vijfdeachtste en negende lid

Het zwembad, bubbelbad of de soortgelijke voorziening kan niet toestemmingsvrij worden gebouwd als de activiteit plaatsvindt in, aan of op een monument. Daarmee wordt ook een voorbeschermd monument bedoeld. Een zwembad mag dus niet aan het monument worden vastgemaakt of er anderzijds mee zijn verbonden. Maar van dit artikel kan wel gebruik worden gemaakt om een zwembad of soortgelijke voorziening te bouwen bij een monument. Tenminste, als wordt voldaan aan de overige voorwaarden in het artikel.

Artikel 6.117 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen vijvers

In dit artikel worden gevallen aangewezen waarin het bouwen van een vijver toestemmingsvrij is. Dit betekent dat u voor het bouwen geen omgevingsvergunning nodig heeft. 

Allereerst moet de vijver zich op het erf van een woning of woongebouw bevinden. Daarnaast geldt er in het een maximum bouwhoogte van 1 meter.  

Tot slot is opgenomen dat de vijver geen dak mag hebben. Als een vijver een dak heeft kan het namelijk worden aangemerkt als bijbehorend bouwwerk. Om juridische onduidelijkheid voorkomen is daarom het vierde lid opgenomen.  

De vijver kan niet toestemmingsvrij worden gebouwd als de activiteit plaatsvindt in, aan of op een monument. Daarmee wordt ook een voorbeschermd monument bedoeld. Er mag wel een vijver worden gebouwd bij een (voorbeschermd) monument, mits wordt voldaan aan de voorwaarden in artikel 6.117.

Artikel 6.118 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een zwembad te bouwen binnen de locatie ‘Zwembad de Louwert’. Op deze locatie wordt bedrijfsmatig een zwembad geëxploiteerd. Het zwembad bevindt zich dus niet op het gebouwerf van een woning of woongebouw. Om deze reden kan nooit aan de toestemmingsvrije regels, bedoeld in artikel 6.116, worden voldaan.

Artikel 6.119 Beoordelingsregels

Het bouwen van een zwembad dat niet voldoet aan artikel 6.116 kan alleen binnen de locatie ‘Zwembad de Louwert’. Dit is een zwembad, gelegen in het midden van de gemeente. Op deze plek geldt een maximum voor de gezamenlijke oppervlakte van zwembaden buiten het bouwvlak. Met het bouwvlak wordt de locatie ‘Bouwvlak’ bedoeld, zoals opgenomen in bijlage II van het omgevingsplan.

Subparagraaf 6.4.8.7 Vlaggenmast bouwen

Artikel 6.120 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf bevat regels over vlaggenmasten. Deze vlaggenmasten worden bijvoorbeeld gebruikt voor het heffen van de nationale vlag of het maken van reclame.

Artikel 6.121 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Landelijke wetgeving biedt ruimte om één vlaggenmast te plaatsen bij een woning. Deze regels vindt u in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).  

Het omgevingsplan biedt ruimte voor meer vlaggenmasten bij bedrijven en op sommige andere plekken in de gemeente. Deze plekken zijn opgenomen in de locatie ‘Vlaggenmast’. Er wordt geen aanvullende ruimte geboden voor het plaatsen van vlaggenmasten bij een woning.

Artikel 6.122 Beoordelingsregels

Dit artikel bevat de beoordelingsregels voor het bouwen van een vlaggenmast. Dit artikel geldt alleen binnen de locatie ‘Vlaggenmast’. Op andere plekken in de gemeente is het bouwen van een vlaggenmast niet mogelijk. Tenzij het gaat om een toestemmingsvrije vlaggenmast. 

De vlaggenmast moet zich op grond van het tweede lid op een gebouwerf bevinden. De vlaggenmast mag niet hoger zijn dan 6 meter. Daarnaast mag het aantal niet meer dan 3 per gebouwerf bedragen. Dit staat in het derde en het vierde lid.

Subparagraaf 6.4.8.8 Pergola bouwen

Artikel 6.123 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf bevat regels over pergola’s. Een pergola is een open constructie. Deze constructie is meestal opgebouwd uit verticale staanders (palen) en horizontale liggers (balken). Verder heeft een pergola geen gesloten dak of wanden. Daarmee verschilt een pergola van een overkapping. Om dit verschil te duiden is in bijlage I van het omgevingsplan een begripsomschrijving opgenomen. 

Langs de constructie mag wel beplanting worden aangebracht. Dit maakt pergola’s een geliefde optie om privacy en schaduw te creëren. 

Artikel 6.124 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen

Een pergola valt onder tuinmeubilair. Landelijk is bepaald dat u voor het bouwen van tuinmeubilair geen omgevingsvergunning nodig heeft. Behalve als het tuinmeubilair hoger is dan 2,5 meter. 

In het omgevingsplan wordt aanvullend op deze landelijke regels meer ruimte geboden om zonder omgevingsvergunning een pergola te bouwen. De voorwaarden hiervoor staan in artikel 6.124.  

Een belangrijke voorwaarde is dat de pergola zich in het achtererfgebied bevindt. Daar is de ruimtelijke impact van de pergola kleiner. In het achtererfgebied sluit een bouwhoogte van 3 meter ook beter aan bij de andere bebouwing die daar voorkomt. Zoals bijbehorende bouwwerken. 

Daarnaast moet er voldoende afstand worden gehouden tot de openbare ruimte. De minimale afstand bedraagt 1 meter. Ook moet er 1 meter tot de perceelsgrens worden aangehouden. Maar deze voorwaarde geldt alleen als de pergola niet direct op de perceelsgrens komt te staan. Dit heeft te maken met het uitvoeren van onderhoud.  

In artikel 6.124 zijn een paar uitzonderingen opgenomen. Deze uitzonderingen gelden voor woonwagens en een hoofdgebouw waarvoor een tijdelijke omgevingsvergunning is verleend. Vanwege de schaal en tijdelijkheid van deze gebouwen is het niet gepast om hier op grond van het omgevingsplan (toestemmingsvrij) een pergola te bouwen. Daarnaast is het niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning een pergola te bouwen in, aan, op of bij een (voorbeschermd) monument. Dit heeft te maken met de weerslag die het bouwwerk kan hebben op het monument zelf. Er is hier een bredere beoordeling nodig. 

Artikel 6.125 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voldoet u niet aan de voorwaarden in artikel 6.124? Dan heeft u voor het bouwen van een pergola een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 6.126 Beoordelingsregels

De bouwhoogte van de pergola mag niet meer bedragen de norm. De aangevraagde pergola moet zich daarnaast binnen de locatie ‘Pergola's’ bevinden.

Hoofdstuk 7 Overige activiteiten met een fysiek effect op de openbare ruimte  

Afdeling 7.1 Algemene bepalingen overige activiteiten met een fysiek effect op de openbare ruimte
Artikel 7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk gaan over activiteiten met een fysiek effect op de openbare ruimte. Het gaat hier met name om activiteiten die plaatsvinden in de openbare ruimte (zoals het innemen van een standplaats) of de werking daarvan veranderen (zoals het realiseren van een uitweg in aansluiting op de openbare weg).

Artikel 7.2 Oogmerken

In dit artikel staan oogmerken. Deze oogmerken leggen uit met welke reden de regels in dit hoofdstuk zijn opgenomen.

Artikel 7.3 Specifieke zorgplicht voor activiteiten in de openbare ruimte of met een fysiek effect op de openbare ruimte

De zorgplicht in dit artikel geldt voor de openbare ruimte. Onder de openbare ruimte vallen bijvoorbeeld parken of plantsoenen, openbare parkeerplaatsen en vaarwater. 

In dit artikel is een zorgplicht opgenomen voor iedereen die activiteiten verricht met een fysiek effect op de openbare ruimte. Zoals bij het plaatsen van voorwerpen op de openbare weg. Diegene moet zorgdragen voor het bepaalde in artikel 7.3.  

Op iedereen rust de verplichting om te zorgen voor voldoende vrije doorgang voor personen met een functiebeperking op de voetpaden. Een functiebeperking is een overkoepelend begrip voor mensen met een lichamelijke of psychische aandoening. Een activiteit die wordt verricht in de openbare ruimte mag er niet toe leiden dat deze personen geen gebruik meer kunnen maken van het voetpad. Bij deze afweging moet ook rekening worden gehouden met de eventuele hulpmiddelen die deze personen gebruiken, zoals een rolstoel of een blindengeleidestok.  

Daarnaast moeten objecten die in de openbare ruimte worden geplaatst voldoende zichtbaar en stabiel zijn. Als dit niet het geval is kan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.3 handhaven. 

Artikel 7.4 Algemene regels

In dit artikel staan algemene regels voor activiteiten met een fysiek effect op de openbare ruimte. Daarmee bedoelen we bijvoorbeeld het maken van een uitrit of een andere activiteit die in dit hoofdstuk is geregeld. Deze algemene regels werken direct door naar degene die de activiteit verricht, zoals een burger, bedrijf of de gemeente zelf.  

In het eerste lid staat dat u zich aan de eisen over stedenbouwkundige kwaliteiten moet houden. Deze eisen zijn vastgelegd in de Beleidsregel Beeldkwaliteitsplannen. In deze beleidsregel legt de gemeente vast hoe sommige plekken in de gemeente eruit moeten komen te zien. Dit is bijvoorbeeld nodig bij een nieuwe ontwikkeling, zoals de transformatie van een bedrijventerrein naar een woonwijk. In een beeldkwaliteitsplan beschrijft de gemeente bijvoorbeeld de gewenste sfeer en/of de cultuurhistorie van het gebied tot zijn recht moet komen en hoe de openbare ruimte moet worden ingericht om een mooi geheel te vormen met alle bebouwing. 

De eisen gelden alleen voor bepaalde activiteiten, zoals bij het inrichten van een perceel of het opslaan van goederen. Houdt u zich niet aan deze regels? Dan kan de gemeente handhaven. 

Het tweede lid bepaalt dat deze stedenbouwkundige kwaliteiten in stand moeten worden gehouden.  

Het derde lid zegt dat u een open erf of terrein niet langer mag gebruiken als dat gevaarlijk is in verband met de bouwvalligheid van een nabijgelegen bouwwerk. Het bevoegd gezag verplicht u dan om het gebruik te staken. De bevoegdheid van de gemeente om handhavend op te treden tegen het bouwvallige bouwwerk zelf is geregeld in de Omgevingswet en de Algemene wet bestuursrecht. 

Voordat er sprake kan zijn van een overtreding van het derde lid, moet het bevoegd gezag eerst een mededeling hebben gedaan dat het gebruik vanwege de technische kwaliteit van dat nabijgelegen bouwwerk gevaarlijk is. Met ‘mededeling’ wordt een mededeling van feitelijke aard bedoeld. Het gaat hier niet om een beschikking. 

Als het gebruik na ontvangst van deze mededeling toch wordt voortgezet, kan het bevoegd gezag overgaan tot handhaving.

Afdeling 7.7 Parkeeractiviteit verrichten
Paragraaf 7.7.1 Algemene bepalingen parkeeractiviteit verrichten

Artikel 7.5 Toepassingsbereik

In deze afdeling staan regels die gaan over het parkeren van voertuigen. Onder het toepassingsbereik van deze afdeling vallen regels over het in stand houden van parkeergelegenheid. De afdeling is daarnaast gereserveerd voor toekomstige regels over het langdurig parkeren van (defecte) motorvoertuigen op of langs de openbare weg. Deze regels staan nu nog in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).

Paragraaf 7.7.2 Parkeergelegenheid in stand houden

Artikel 7.6 Toepassingsbereik

In deze paragraaf staan regels over het in stand houden van parkeergelegenheid, zoals parkeerplaatsen.

Artikel 7.7 Algemene regels

In dit artikel staan algemene regels. U moet zich aan deze regels houden bij een nieuwe ontwikkeling. In de Beleidsregel Parkeren staat wat hiermee wordt bedoeld. Het gaat bijvoorbeeld om een verandering van het gebruik, waarbij het gebruik intensiever wordt. Deze intensivering kan ook plaatsvinden als gevolg van een bouwactiviteit, bijvoorbeeld doordat het hoofdgebouw wordt uitgebreid. 

Voldoende parkeergelegenheid is een belangrijke voorwaarde voor de toelaatbaarheid van een activiteit. Daarom moet u deze parkeerplaatsen in stand houden. Dit bepaalt artikel 7.7

Artikel 7.8 Maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over artikel 7.7. In dat artikel staat de verplichting om parkeerplaatsen die nodig zijn om te voorzien in de parkeerbehoefte in stand te houden. Het bevoegd gezag kan besluiten om deze plicht buiten toepassing te laten.

Afdeling 7.9 Uitweg maken of veranderen
Artikel 7.9 Toepassingsbereik

Een uitrit is een verbinding tussen een perceel en de openbare weg. Deze verbinding zorgt ervoor dat het perceel is ontsloten, waardoor voertuigen er kunnen komen. Het gaat hier bijvoorbeeld om een uitrit bij een woning die ervoor zorgt dat iemand op eigen terrein kan parkeren. Een ander voorbeeld is een uitrit bij een weiland, waardoor de boer er met zijn landbouwwerktuigen kan komen.  

In deze afdeling van het omgevingsplan staan regels waar u zich aan moet houden als u een uitrit gaat maken of een bestaande uitrit wilt veranderen. 

Artikel 7.10 Oogmerken

Dit artikel beschrijft de oogmerken van deze afdeling. Oogmerken geven aan met welke reden het bevoegd gezag de regels in deze afdeling heeft opgenomen. Dit is bijvoorbeeld om het uiterlijk aanzien van de omgeving te beschermen.

Artikel 7.11 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Als u een uitrit wilt maken naar de openbare weg, heeft u een omgevingsvergunning nodig. Dit komt, omdat een uitrit vrijwel altijd invloed heeft op het uiterlijk van de omgeving en de manier waarop de openbare weg gebruikt wordt. Hetzelfde geldt als u een bestaande uitrit naar de openbare weg wilt veranderen.  

Onder het maken van een uitrit valt ook het verlagen van de stoep, als deze is gelegen op gemeentegrond. Daar heeft u altijd toestemming voor nodig, omdat deze grond niet van u is. 

Artikel 7.12 Aanvraagvereisten

Als u een aanvraag indient, moet u een aantal gegevens en bescheiden meesturen. Deze gegevens en bescheiden staan in artikel 7.12. Het gaat in ieder geval om een situatietekening (plattegrond) die duidelijk maakt wat de huidige situatie is. Op deze plattegrond geeft u altijd aan of er objecten zijn die moeten worden verwijderd om de uitrit te maken, zoals brandkranen, openbare parkeerplaatsen en straatkolken. Als u een uitrit heeft en deze gaat veranderen, moet de situatietekening duidelijk weergeven waar de oude uitrit zich bevindt, wat de afmetingen daarvan zijn en hoever deze zich van andere objecten bevindt (zoals straatmeubilair). 

U levert daarnaast een situatietekening (plattegrond) aan van de nieuwe situatie. Daarop geeft u de nieuwe uitrit aan, inclusief afmetingen en afstanden tot andere objecten. 

Artikel 7.13 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning wordt verleend als aan de voorwaarden in artikel 7.13 wordt voldaan. Dit betekent dat de uitrit moet voldoen de eisen over plaatsing en vormgeving van uitritten zoals beschreven in de Beleidsregel Uitritten. 

Daarnaast wordt er op grond van het omgevingsplan aan een paar andere criteria getoetst. Zoals de vraag of de uitrit onnodig ten koste gaat van een openbare parkeerplaats. Dit is een oordeel dat wordt geveld door het bevoegd gezag. Om dit te beoordelen vraagt het bevoegd gezag advies aan een verkeersdeskundige. 

De uitrit mag het veilige en doelmatige gebruik van de openbare weg niet aantasten.  

Dit betekent dat de uitrit bijvoorbeeld niet mag worden gerealiseerd op een onveilige of onverwachte plaats, zoals het geval kan zijn bij een kruising, bocht of plek waar de gebruiker van de uitrit of het andere verkeer weinig zicht heeft op de weg, de stoep of het fietspad. De uitrit mag het doelmatige gebruik van de weg bovendien niet in gevaar brengen. Daar kan bijvoorbeeld sprake van zijn als er grote snelheidsverschillen zijn of er geen tot weinig manoeuvreerruimte is, waardoor u de uitrit niet direct kunt inrijden. Dit belemmert de doorstroming. 

Het derde lid regelt dat de uitrit niet onnodig ten koste mag gaan van een openbare parkeerplaats.  

Vaak is er op een terrein ten tijde van de aanvraag nog geen ontsluiting aanwezig. Dit betekent dat er een nieuwe uitrit moet worden gemaakt. Deze uitrit mag niet ten koste gaan van een openbare parkeerplaats. Op deze manier wordt voorkomen dat er parkeerplaatsen in de openbare ruimte komen te vervallen.  

Bovendien mag de uitrit het openbaar groen niet onevenredig aantasten. Daar kan bijvoorbeeld sprake van zijn als de uitrit te dicht op een boom wordt aangelegd, waarbij de boomwortels door het gebruik dreigen te beschadigen. Om dit te beoordelen vraagt het bevoegd gezag advies aan een groendeskundige. 

Binnen de locatie ‘Beeldkwaliteitsplannen’ gelden er aanvullende eisen over de stedenbouwkundige kwaliteit van het gebied. Binnen deze locatie moet bij het maken of veranderen van een uitrit worden voldaan aan deze eisen. Deze eisen hebben betrekking op hoe het perceel mag worden ingericht. 

Artikel 7.14 Advies verkeersdeskundige

Om te bepalen of wordt voldaan aan de beoordelingsregels, wint het bevoegd gezag advies in bij een verkeersdeskundige. Deze adviestaak is vastgelegd in artikel 7.14. Het advies wordt gegeven op het veilige en doelmatige gebruik van de openbare weg en de eventuele noodzaak van het verwijderen van een openbare parkeerplaats. De verkeersdeskundige kijkt ook of wordt voldaan aan de Beleidsregel Uitritten en adviseert indien wenselijk over het afwijken daarvan.

Artikel 7.15 Advies groendeskundige

Het bevoegd gezag wint advies in bij de groendeskundige voordat wordt bepaald om een omgevingsvergunning te verlenen. Dit regelt dit artikel. Deze deskundige adviseert op de vraag of de uitrit het openbare groen onevenredig aantast.

Artikel 7.16 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan op grond van dit artikel vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning. Dit mag alleen als de activiteit botst met de oogmerken. Bijvoorbeeld als deze voorschriften nodig zijn om de groenvoorzieningen in de gemeente te beschermen.

Afdeling 7.10 Standplaats innemen, in stand houden, of gebruiken
Paragraaf 7.10.1 Standplaats innemen op een weekmarkt

Artikel 7.17 Toepassingsbereik

Wat met een standplaats op een weekmarkt wordt bedoeld is nader gedefinieerd in bijlage I van het omgevingsplan, onder de definities van 'standplaats' en 'markt'. Van belang is dat het markten betreft die zijn aangewezen door het college van burgemeester en wethouders. Het gaat dan bijvoorbeeld om de wekelijks terugkerende markt bij winkelcentrum Hoog Ambacht.

Artikel 7.18 Algemene regels

In dit artikel staan de algemene regels die van toepassing zijn op de standplaatsen. Uit het artikel blijkt dat de standplaatsen zich binnen de locatie 'Weekmarkt' bevinden en dat een standplaats op een weekmarkt niet meer dan 1 dag per week mag worden ingenomen. Deze regels gelden in aanvulling op het Reglement Markten Hendrik-Ido-Ambacht 2023 of diens rechtsopvolger.

Paragraaf 7.10.2 Vaste standplaatsen innemen

Artikel 7.20 Toepassingsbereik

Een vaste standplaats is niet gelegen op een markt, maar wordt wel gedurende het gehele jaar gebruikt op vaste dagen en op vaste tijden. Dit hoeft niet steeds door dezelfde standplaatshouder te zijn. Het kan dus zo zijn dat de vaste standplaats op verschillende dagen van de week door verschillende standplaatshouders wordt gebruikt, bijvoorbeeld voor de verkoop van vis, loempia's en brood.

Artikel 7.21 Algemene regels

In dit artikel staan de algemene regels die gelden, zoals het aantal dagen dat de standplaats per week mag worden ingenomen. Bij een vaste standplaats is dat niet meer dan 2 dagen per week. Uit het eerste lid is ook af te leiden waar de vaste standplaatsen zich bevinden. Deze regels gelden in aanvulling op het Reglement Standplaatsen Hendrik-Ido-Ambacht 2023 of diens rechtsopvolger

Paragraaf 7.10.3 Tijdelijke standplaats innemen

Artikel 7.23 Toepassingsbereik

Bij een tijdelijke standplaats gaat het om een standplaats die per jaar slechts voor een bepaalde periode, achtereenvolgend, mag worden gebruikt. Waar deze tijdelijke standplaatsen zich precies bevinden binnen de gemeente is af te lezen via 'Regels op de Kaart' in het Omgevingsloket door op de locatie 'Tijdelijke standplaats' te drukken. Een tijdelijke standplaats wordt vaak gebruikt voor de verkoop van seizoensgebonden waren en producten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een olliebollenkraam die in het najaar een standplaats inneemt om in de decembermaanden lekkernijen te verkopen of een ijscokar die dit in de zomermaanden doet.

Artikel 7.24 Algemene regels

In dit artikel staan de algemene regels die van toepassing zijn op een tijdelijke standplaats. Zo stelt het tweede lid dat een tijdelijke standplaats voor een maximale periode van 3 aaneengesloten maanden per jaar mag worden ingenomen. Deze regels gelden in aanvulling op het Reglement Standplaatsen Hendrik-Ido-Ambacht 2023 of diens rechtsopvolger.

Afdeling 7.12 Jongerenontmoetingsplek gebruiken
Artikel 7.25 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over het gebruiken van gronden en bouwwerken voor een jongerenontmoetingsplek, ook wel afgekort tot JOP. Dit is gedefinieerd in bijlage I van dit omgevingsplan.

Artikel 7.26 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Een jongerenontmoetingsplek is niet direct toegestaan, maar alleen met een omgevingsvergunning. Daardoor wordt het initiatief eerst getoetst op een aantal punten, alvorens met de activiteit kan worden begonnen.

Artikel 7.28 Beoordelingsregels

Een jongerenontmoetingsplek kan overlast geven naar omwonenden. Daarom wordt in artikel 7.28, onder a, een voorwaarde gesteld aan de afstand tot woningen. Een omgevingsvergunning kan alleen worden verleend als het initiatief aan deze voorwaarde voldoet.

Verder is, aangezien het slechts om een ontmoetingsplek gaat, een regel gesteld aan het maximale oppervlak. Dit staat onder b.

Voor het bouwen van een jongerenontmoetingsplek geldt tevens een vergunningplicht voor het bouwen. Deze vergunningplicht staat in hoofdstuk 6, dan wel in het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

Hoofdstuk 8 Cultureel erfgoed  

Afdeling 8.1 Algemene bepalingen cultureel erfgoed
Artikel 8.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk gaat over activiteiten in, op, aan of bij cultureel erfgoed. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is omschreven in de Omgevingswet. Dit hoofdstuk valt uiteen in de volgende afdelingen: archeologie, gemeentelijke monumenten en cultuurhistorische waarden.

Artikel 8.2 Oogmerken

Dit artikel maakt duidelijk met welke reden de regels in hoofdstuk 8 van het omgevingsplan zijn gesteld. De regels in dit hoofdstuk zien er in ieder geval op toe dat het culturele erfgoed zelf en de omgeving daarvan beschermd worden. Zo wordt beschadiging of vernieling van het erfgoed voorkomen.

Afdeling 8.2 Archeologisch waardevolle gebieden
Paragraaf 8.2.1 Algemene bepalingen archeologisch waardevolle gebieden

Artikel 8.3 Toepassingsbereik

In deze afdeling staan regels over archeologische monumenten. Dit is een terrein of deel daarvan dat wordt gezien als cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige archeologische overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden. Zoals voorwerpen of sporen. In de Erfgoedwet staat de volledige begripsomschrijving.

Bekende archeologische monumenten

Een archeologisch monument is bekend als er op die locatie archeologische resten of vindplaatsen zijn aangetoond. Deze archeologische monumenten worden waar nodig aangeduid met de locatie 'Bekende archeologische waarde - Categorie 1' of 'Bekende archeologische waarden - Categorie 2'. 

Binnen categorie 1 vallen plekken in de gemeente waar archeologische resten of vindplaatsen zijn gevonden. Het gaat hier met name om vindplaatsen langs de rivier de Waal. Hier ligt de historische kern van Hendrik-Ido-Ambacht. Daarnaast vallen binnen categorie 1 op dit moment twee AMK-terreinen: Huis Bouquet en de Waelneshoeve. Deze AMK-terreinen zijn in de provinciale omgevingsverordening aangewezen. Er is daarom sprake van een provinciaal belang.

Binnen categorie 2 vallen historische dijken. 

Aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten

Er is sprake van een aantoonbaar te verwachten archeologisch monument als er op die locatie om bepaalde redenen een archeologisch monument wordt verwacht. Deze verwachting komt bijvoorbeeld voort uit bodemkundige of historische informatie of eerdere vondsten in de buurt.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende zes categorieën:

  • 1.

    Archeologische verwachtingswaarde - Categorie 1. Dit zijn middeleeuwse bewoningslinten. De verwachting is hier hoog en geldt hier met name voor huisplaatsen en boerderijen. Er worden hier archeologische vondsten verwacht door de verspreide bewoning uit de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd.

  • 2.

    Archeologische verwachtingswaarde - Categorie 2. In deze gebieden geldt een middelhoge en hoge verwachtingswaarde door de aanwezigheid van stroomgordels van de Merwede en de Waal. Stroomgordels zijn de restanten van voormalige rivieren. Er worden hier vindplaatsen verwacht die dateren uit de IJzertijd, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen. 

  • 3.

    Archeologische verwachtingswaarde - Categorie 3. De verwachting voor dit gebied is middelhoog vanwege afzettingen van de Zwijndrechtstroomgordel. Ook worden hier vindplaatsen verwacht uit het Neolithicum / de Bronstijd.

  • 4.

    Archeologische verwachtingswaarde - Categorie 4. Voor dit gebied geldt een lage tot middelhoge verwachting voor vindplaatsen. Ten aanzien van de rivierduinen en de bewoningslinten geldt hier een hoge verwachting voor vindplaatsen uit het laat Paleolithicum tot en met het Mesolithicum.

  • 5.

    Archeologische verwachtingswaarde - Categorie 5. Hier bevinden zich de huidige en historische uiterwaarden van de rivier de Merwede/Noord. Om deze reden geldt er voor dit gebied een lage verwachting. 

  • 6.

    Archeologische verwachtingswaarde - Categorie 6. In dit gebied geldt een hoge verwachting door de rivier de Waal die in de Middeleeuwen is afgedamd.

Paragraaf 8.2.2 Grondwerkzaamheden verrichten binnen locaties met de functie archeologisch monument

Artikel 8.4 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op locaties met de functie 'Archeologisch monument'. Locaties hebben deze functie gekregen als er zich bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten bevinden. Het onderscheid tussen deze twee soorten archeologische monumenten wordt in de toelichting op artikel 8.3 uitgelegd.

Locaties hebben de functie 'Archeologisch monument' gekregen als er archeologische resten of vindplaatsen zijn gevonden of worden verwacht. Deze monumenten worden daar bij voorkeur in de bodem behouden. Dit heet behoud in situ. Bij behoud in situ worden de monumenten tot een later moment in de bodem bewaard en pas opgegraven als dit veilig kan. Bijvoorbeeld door voortschrijdende technische inzichten. Op deze manier is er minder risico dat de context van de vindplaats verloren gaat en daarmee ook waardevolle wetenschappelijke informatie. 

Grondwerkzaamheden kunnen een grote impact hebben op deze archeologische monumenten. Als u bijvoorbeeld gaat graven in de bodem, dan kan dit een archeologische vindplaats erg verstoren. En ook het plaatsen van funderingspalen kan toekomstig onderzoek lastig maken. Om deze reden worden grondwerkzaamheden op deze locaties in het omgevingsplan gereguleerd. 

Er is gekozen om geen nadere begripsomschrijving op te nemen voor grondwerkzaamheden. Dit begrip spreekt in het normale spraakgebruik voor zich.

Artikel 8.5 Verbod

Het is verboden een dijk te door- of vergraven binnen de locatie 'Bekende archeologische waarden - Categorie 2'. Dit betreft en historische dijk. Deze dijk vormt zelf een waardevol archeologisch en cultuurhistorisch object. In de dijk liggen oude constructielagen, materialen en sporen opgeslagen die inzicht geven in vroegere waterstaatkundige technieken en landschapsontwikkeling. Door ingrepen gaan deze informatie en de herkenbare historische structuur mogelijk onherstelbaar verloren. Bovendien kan verstoring de stabiliteit van de dijk aantasten, ook wanneer deze geen primaire waterkering meer is.

Artikel 8.6 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen

Dit artikel legt een verbod op het uitvoeren van grondwerkzaamheden zonder omgevingsvergunning. Vanwege het toepassingsbereik van deze paragraaf is dit artikel alleen van toepassing op locaties met de functie 'Archeologisch monument'. 

Voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden moet in principe een omgevingsvergunning aangevraagd worden. Behalve als de grondwerkzaamheden geen groot oppervlakte beslaan of maar tot een beperkte diepte gaan. Er is in die gevallen minder risico dat het archeologisch monument wordt geschaad. 

De oppervlakten en diepten waarbij grondwerkzaamheden zonder omgevingsvergunning mogen worden uitgevoerd verschillen per locatie. Dit komt doordat er niet overal even veel kans is om archeologische resten of vindplaatsen te vinden. Voor sommige locaties is het bekend dat er archeologische sporen in de bodem zitten. Maar waar zich alleen aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten bevinden, verschilt de kans op een vondst per gebied. In gebieden waar de kans op resten of vindplaatsen groot is, moet je voorzichtig zijn met het uitvoeren van grondwerkzaamheden en mag je dus minder diep of in een minder groot oppervlak graven. Waar de kans klein is, kan er juist weer meer zonder dat het risico op schade te groot wordt.

Artikel 8.7 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Mag u de grondwerkzaamheden niet toestemmingsvrij uitvoeren? Dan bepaalt artikel 8.7 dat u daar een omgevingsvergunning voor nodig heeft. Dit is bijvoorbeeld het geval als de grondwerkzaamheden dieper de grond in gaan of een groter oppervlakte beslaan dan als maximum is gesteld in artikel 8.6

De oppervlakten en diepten waarbij grondwerkzaamheden zonder omgevingsvergunning mogen worden uitgevoerd verschillen per locatie. Dit komt doordat er niet overal even veel kans is om archeologische resten of vindplaatsen te vinden. Voor sommige locaties is het bekend dat er archeologische sporen in de bodem zitten. Maar waar zich alleen aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten bevinden, verschilt de kans op een vondst per gebied. In gebieden waar de kans op resten of vindplaatsen groot is, moet je voorzichtig zijn met het uitvoeren van grondwerkzaamheden en mag je dus minder diep of in een minder groot oppervlak graven. Waar de kans klein is, kan er juist weer meer zonder dat het risico op schade te groot wordt.

Artikel 8.8 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moet u bepaalde gegevens en bescheiden aanleveren. Met bescheiden bedoelen we documenten. Andere vormen van informatie noemen we gegevens. Deze vindt u in artikel 8.8.

U moet aangeven wat u gaat doen en hoe dit gebeurt

Dit noemen we de aard van de activiteit. U moet bijvoorbeeld aangeven tot welke diepte u gaat graven en hoeveel oppervlakte uw grondwerkzaamheden beslaan. Is het maaiveldniveau, bedoeld in het eerste lid, onder e, niet of lastig vast te stellen? Dan kan hiervoor het niveau van de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer worden aangehouden. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen als de werkzaamheid plaatsvindt binnen een bouwwerk.

Lever altijd een topografische kaart aan. Deze kunt u gratis downloaden via de BGT

Om deze topografische kaart te bemachtigen kunt u gebruikmaken van de Basisregristratie Grootschalige Topografie (BGT). Dit is een digitale kaart die veel topografische objecten bevat, zoals gebouwen, wegen, spoorwegen, waterlopen, parken en bossen. U kunt deze informatie gratis opvragen en downloaden.

In Nederland gebruiken we verschillende coördinatenstelsels naast elkaar. Om uw aanvraag te kunnen beoordelen is het belangrijk dat u de juiste locatie verstrekt. De overheid gebruikt hiervoor het Rijksdriehoeksstelsel. Dit is een coördinatensysteem dat geen rekening houdt met de kromming van de aarde. 

Met 'coördinatieparen' wordt een set van minimaal twee coördinaten bedoeld (X- en Y-as), die samen een exact punt op de aarde aangeven. Deze zijn nodig om de schaal van de tekening uit te herleiden. 

Soms levert u een programma van eisen aan

Met een programma van eisen kan het bevoegd gezag specifieke eisen aan een opgraving, archeologische begeleiding of proefsleuvenonderzoek stellen. Deze eisen zijn bijvoorbeeld gericht op een professionele uitvoering van een opgraving als bedoeld in de Erfgoedwet.

In een programma van eisen worden de onderzoeksvragen en onderzoeksmethoden beschreven en beargumenteerd. Die zijn gebaseerd op de archeologische verwachting uit het aan het veldonderzoek voorafgaande (bureau)onderzoek.

Bij een zichtbaar archeologisch monument moet u duidelijk maken wat voor gevolgen de activiteit zal hebben voor de zichtbaarheid en belevingswaarde

Dit regelt het eerste lid, onder i. Een zichtbaar monument is bijvoorbeeld een terp of grafheuvel. Bij dit aanvraagvereiste gaat het erom dat de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor de zichtbaarheid en de belevingswaarde van het archeologisch monument inzichtelijk worden.

Als er sprake is van een zichtbaar monument moet u aan de hand van foto's inzichtelijk maken wat de huidige situatie is. Ook moet u tekeningen overleggen waaruit blijkt hoe het archeologisch monument eruit zal zien na het verrichten van de voorgenomen activiteit. Behalve het bouwen van een bouwwerk kan het hier ook gaan om andere ingrepen, zoals het aanleggen van terreinverharding, het graven of dempen van een sloot of het planten van bomen. 

Gaat u bouwen? Dan levert u funderingstekeningen aan

Dit aanvraagvereiste gaat alleen over het deel van de bouwwerkzaamheden dat in de bodem plaatsvindt. Het bovengrondse deel van het bouwplan is niet relevant als het gaat om de impact op archeologie in de bodem.

Daarnaast is er altijd een rapport nodig die de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden voldoende inzichtelijk maakt

Het rapport moet duidelijk maken wat de gevolgen van de voorgenomen activiteit zijn op de archeologische waarde van het gebied. Om dit vast te stellen is er vaak een archeologisch vooronderzoek nodig. 

Een archeologisch vooronderzoek bestaat meestal uit een combinatie van bureauonderzoek én een booronderzoek. Het bureauonderzoek wordt bijvoorbeeld gebruikt om tot een gedetailleerdere omschrijving te komen van de archeologische verwachting. Met een booronderzoek kan deze verwachting in het veld worden getoetst doormiddel van boringen in de grond. Uit het vooronderzoek kan blijken dat er archeologische waarden aanwezig zijn die behouden moeten worden. Daarmee kunnen de resultaten van het archeologisch vooronderzoek aanleiding geven om het plan aan te passen of vervolgonderzoek verplicht te stellen, bijvoorbeeld in de vorm van proefsleuven, begeleiding of opgraving.

Daarnaast kan ook een zettingsrapport nodig zijn. In een zettingsrapport wordt omschreven hoe de bodem door belasting wordt samengedrukt. Dit samendrukken kan gevolgen hebben voor archeologische monumenten die zich in de bodem bevinden of daar worden verwacht.

Het doel van het rapport hangt af van de locatie waar de grondwerkzaamheden worden uitgevoerd. In het tweede tot en met het vierde lid worden deze doelen per locatie aangegeven. Binnen de locatie 'Archeologische verwachtingswaarde - Categorie 6' hoeft het rapport, bedoeld in het eerste lid, onder k, zich niet te richten op een doel dat vooraf is bepaald. Om deze reden ziet u voor deze locatie ook geen verbijzondering terug in dit artikel.

Artikel 8.9 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden meerdere gegevens en bescheiden verstrekt. Met bescheiden bedoelen we documenten. Andere vormen van informatie noemen we gegevens. Dit regelt het vorige artikel. 

Soms is er meer informatie nodig om tot een beoordeling te komen. In dat geval kan het bevoegd gezag de aanvrager verplichten om deze gegevens en bescheiden te verstrekken. Dit bepaalt artikel 8.9. Deze verplichting kan het bevoegd gezag bijvoorbeeld opleggen als de aangeleverde foto's onduidelijk zijn of de conclusie die de aanvrager trekt in de motivering niet aannemelijk is. Het bevoegd gezag gebruikt de opgevraagde gegevens en bescheiden om te beoordelen of de omgevingsvergunning kan worden verleend. En zo ja, of er voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.

Wij kunnen u vragen om een aanvullend archeologisch rapport te verstrekken of (nader) archeologisch onderzoek uit te voeren

Dit staat onder sub a en sub b. Het is belangrijk dat het bevoegd gezag voldoende inzicht krijgt in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologische monument. Daarom kan het bevoegd gezag u vragen om een archeologisch vooronderzoek te verrichten en/of een rapport te verstrekken volgens de normen van de archeologische beroepsgroep. Is de archeologische waarde eerder al voldoende vastgesteld? Dan zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

Bij grondwerkzaamheden kunnen we u vragen om een bestek of werkomschrijving aan te leveren

Bij een grondwerkzaamheid gaat het bijvoorbeeld om het inrichten van een terrein en het aanbrengen van terreinverharding, het graven of dempen van een sloot of het planten van bomen en andere diepwortelende beplanting. 

Deze aanvraagvereiste is niet nodig in het geval van kleinschalige grondwerkzaamheden die door de grondgebruiker of eigenaar zelf worden uitgevoerd. Het gaat hier vooral om omvangrijke werkzaamheden die door een aannemer worden uitgevoerd, zoals het uitbaggeren van grachten, het graven van sleuven voor kabels en leidingen, het aanleggen van bestrating of parkeerplaatsen en het beschoeien van sloten. 

Bestaat de activiteit gedeeltelijk uit het afbreken van een bouwwerk? Dan kunnen we u vragen om funderingstekeningen aan te leveren

Dit is geregeld onder e. Deze aanvraagvereiste is alleen van toepassing als de activiteit (ook) bestaat uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk. Het bevoegd gezag kan dan vragen om de bestaande funderingstekeningen. Deze kunnen uiteraard niet overhandigd worden als deze tekeningen verloren zijn gegaan of redelijkerwijs niet meer te achterhalen zijn.

We kunnen u vragen om een sonaropname als het archeologisch monument onder water ligt

Bij zo'n sonaropname gaat het doorgaans om een zogenoemde 'multibeamopname'. Deze opnamen hebben als doel om de topografische hoogte van de zeebodem ter plekke te bepalen. Deze hoogte wordt de bathymetrie genoemd. Deze bathymetrie dient als nulmeting om de situatie voorafgaand aan de ingreep te kunnen vergelijken met die daarna.

Artikel 8.10 Eisen aan de tekeningen

Dit artikel bevat eisen die gelden voor de tekeningen die bij een aanvraag om een omgevingsvergunning verstrekt moeten worden. Deze eisen gaan over de schaal van de tekening. Deze verschillen per soort tekening.

Artikel 8.11 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning wordt verleend voor het verrichten van grondwerkzaamheden als wordt voldaan aan één van de voorwaarden in dit artikel. Dit betekent dat u niet aan álle voorwaarden hoeft te voldoen. De omgevingsvergunning moet ook worden verleend als slechts één van de leden van toepassing is. Bijvoorbeeld als er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Artikel 8.12 Advies archeologische deskundige

Het bevoegd gezag wint advies in bij een archeologische deskundige om te bepalen of de omgevingsvergunning kan worden verleend. Deze deskundige geeft bijvoorbeeld aan of de archeologische waarden voldoende worden geborgd. En of er vergunningvoorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden om dit te verzekeren.

Artikel 8.13 Vergunningvoorschriften

In het belang van de archeologische monumentenzorg kan het bevoegd gezag vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning. Bijvoorbeeld over het in situ-behoud van het monument. Een voorbeeld is een voorschrift dat verplicht tot het treffen van technische maatregelen, zoals het aanbrengen van een ophogingslaag, het aanpassen van de funderingswijze of het beperken van het aantal heipalen.

Daarnaast kunnen de voorschriften gaan over opgravingen als bedoeld in de Erfgoedwet. Het betreft hier voorschriften die gaan over handelingen bij het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan. Deze bepaling moet in samenhang met de Erfgoedwet worden gelezen. Daarin bevinden zich uitzonderingen die het toepassingsbereik van deze bepaling nader duiden.

Andere voorschriften volgen uit de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Deze worden niet apart in de omgevingsvergunning opgenomen, maar zijn onverminderd van toepassing. De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) bestaat uit een aantal protocollen. De protocollen moeten gevolgd worden bij het doen van archeologisch werkzaamheden, van archeologisch vooronderzoek tot aan het bewaren van vondsmateriaal. 

In de protocollen worden bijvoorbeeld eisen gesteld aan de certificering van instellingen en actoren. Een groot aantal archeologische werkzaamheden mogen namelijk alleen uitgevoerd worden door een hiervoor gecertificeerde instelling. Dit staat in de Erfgoedwet. Het gaat hier om archeologische werkzaamheden die onomkeerbaar zijn, zoals een opgraving of boring in een waterbodem. In de protocollen staat waar een instelling aan moet voldoen om zich te laten certificeren en welke competenties de archeologische uitvoerders (actoren) moeten hebben. 

In aanvulling op deze kwaliteitseisen kan het bevoegd gezag in het Programma van Eisen opnemen dat een instelling moet beschikken over bepaalde kennis. Zoals kennis over een bepaald gebied of een bepaalde periode. Een dergelijk Programma van Eisen kan verplicht zijn vanuit de protocollen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij opgravingen en begeleidingen.

Afdeling 8.3 Gemeentelijke monumenten
Paragraaf 8.3.1 Algemene bepalingen gemeentelijke monumenten

Artikel 8.14 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op activiteiten die plaatsvinden bij een gemeentelijk monument of binnen locaties met de functie 'Monument'. Binnen deze locatie bevinden zich objecten die door het bevoegd gezag zijn aangewezen als monument. Bijvoorbeeld vanwege hun cultuurhistorische, architectonische of stedenbouwkundige waarde.

Deze afdeling gaat alleen over gebouwde of aangelegde monumenten. De gemeente kan ook archeologische monumenten aanwijzen als gemeentelijk monument. De regels over archeologische monumenten vindt u in afdeling 8.2. Dit maakt het tweede lid van het toepassingsbereik duidelijk.

Voorbeschermde monumenten vallen ook onder het toepassingsbereik van deze afdeling. Dit zijn objecten die nog niet formeel zijn aangewezen als monument. Maar er loopt al wél een aanwijzingsprocedure of het bevoegd gezag heeft aangegeven dat het object voor bescherming in aanmerking komt. Door deze voorbeschermde status vallen deze objecten tijdelijk onder dezelfde regels als formeel beschermde monumenten, zodat hun waarde niet verloren gaat tijdens de besluitvorming.

Het toepassingsbereik is niet beperkt tot het monument zelf. Deze afdeling is van toepassing op alle activiteiten die betrekking hebben op een (voorbeschermd) monument. Dit betekent dat activiteiten die in de directe omgeving van een monument worden verricht ook onder de regels kunnen vallen. Bijvoorbeeld als deze invloed kunnen hebben op de constructieve staat van het monument of het aanzicht. Denk aan het graven van funderingen op een aangrenzend perceel, het plaatsen van bouwwerken in de nabijheid van het monument of het anders inrichten van de openbare ruimte in de buurt van het monument. Door dit brede toepassingsbereik wordt geborgd dat monumenten niet alleen in hun fysieke staat, maar ook in hun ruimtelijke en historische context worden beschermd.

Artikel 8.15 Specifieke zorgplicht

Dit artikel legt een zorgplicht op aan iedereen die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze activiteit schade kan veroorzaken aan een monument. De verplichting houdt in dat alle maatregelen moeten worden genomen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om beschadiging of vernieling te voorkomen.

Deze zorgplicht geldt niet alleen voor directe ingrepen aan het monument zelf. Ook voor activiteiten in de directe nabijheid van het monument geldt de zorgplicht, mits deze een risico vormen voor de culturele waarde van het monument. Activiteiten in de directe omgeving van een monument kunnen namelijk indirect invloed hebben op de staat en het behoud ervan. Denk bijvoorbeeld aan bouwwerkzaamheden op een naastgelegen perceel, zoals het aanpassen van een fundering, het trillen van de bodem of het wijzigen van de waterhuishouding. Dergelijke ingrepen kunnen leiden tot verzakkingen, scheurvorming of andere schade aan het monument. Daarom strekt de zorgplicht zich ook uit tot werkzaamheden die niet direct aan het monument plaatsvinden, maar wel effect kunnen hebben op de constructie of het uiterlijk ervan.

Daarnaast is ook de ruimtelijke context van een monument – zoals het straatbeeld, de zichtlijnen, het groen of de historische verkaveling – vaak onderdeel van de cultuurhistorische waarde. Verstoring van deze context kan leiden tot aantasting van de beleving en betekenis van het monument. Denk aan het plaatsen van een groot, modern gebouw direct naast een historisch pand. Dat kan de monumentale uitstraling verminderen, zelfs als het monument zelf niet wordt aangepast.

Artikel 8.16 Maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag kan aanvullende maatwerkvoorschriften stellen. Deze voorschriften zijn bedoeld om het monument te beschermen en kunnen betrekking hebben op de wijze van uitvoering, het gebruik van materialen of andere relevante aspecten van de activiteit.

Artikel 8.17 Verbod

Het is verboden om een monument te beschadigen of vernielen

Dit staat in het eerste lid. Dit verbod geldt zowel voor opzettelijke als voor onbedoelde schade. Het verbod is van toepassing op iedereen die een activiteit verricht of laat verrichten die tot deze schade kan leiden. Dit volgt ook uit het normaddressaat, bedoeld in artikel 1.2 van dit omgevingsplan.

Voorbeelden van verboden activiteiten zijn:

  • a.

    het zonder vergunning verwijderen van historische bouwmaterialen;

  • b.

    het aanbrengen van graffiti of andere ontsierende elementen; of

  • c.

    het uitvoeren van werkzaamheden die leiden tot structurele schade, zoals het doorzagen van balken of het verwijderen van dragende muren.

U mag dus niet nalaten om onderhoud uit te voeren als dit nodig is voor de instandhouding van het monument 

Dit regelt het tweede lid. Dit betekent dat het verboden is om noodzakelijk onderhoud van het monument te onthouden. 

Voorbeelden van verboden activiteiten zijn:

  • a.

    het niet uitvoeren van noodzakelijk onderhoud, zoals het herstellen van lekkages of het vervangen van rotte kozijnen; of

  • b.

    passieve nalatigheid, zoals bij het landurig leeg laten staan van een monument zonder basisonderhoud.

De verboden in het eerste en tweede lid bieden een vangnet voor situaties waarin schade dreigt te ontstaan of reeds is voorgekomen zonder dat vooraf toestemming is gevraagd. De verboden zijn opgenomen om het monument en de culturele waarde van het monument te beschermen.

Artikel 8.18 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen begraafplaatsen

Dit artikel geeft aan dat er binnen de locatie 'Begraafplaats' bepaalde activiteiten zonder melding of omgevingsvergunning mogen worden uitgevoerd. Dit artikel geldt alleen binnen de monumentale begraafplaats en voor zover het gaat om de activiteiten, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.

Artikel 8.19 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen regulier onderhoud

Dit artikel geeft aan dat u voor het uitvoeren van regulier onderhoud aan een monument geen omgevingsvergunning nodig heeft. Behalve als de detaillering, profilering, vormgeving, kleur en het materiaalsoort wijzigt. In deze delen van het monument kunnen namelijk monumentale waarde gelegen zijn, bijvoorbeeld vanwege de ouderdom of de authenticiteit van het materiaal.

Artikel 8.20 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen overige bouwactiviteiten

Dit artikel wijst gevallen aan waarin het verrichten van een bouwactiviteit toestemmingsvrij is. Dit is alleen het geval als de bouwactiviteit als toestemmingsvrij is aangewezen in afdeling 6.4 van het omgevingsplan. Het verrichten van bouwactiviteiten in, aan of op een monument is meestal vergunningplichtig op grond van afdeling 6.4. Soms is het verrichten van een bouwactiviteit bij een monument toestemmingsvrij.

Artikel 8.21 Aanvraagvereisten

Bij een vergunningaanvraag moeten basisgegevens worden aangeleverd, zoals het monumentnummer, het huidige en voorgenomen gebruik en een motivering van de activiteit. Deze gegevens zijn nodig voor een goede beoordeling van de vergunningaanvraag.

Artikel 8.22 Eisen aan tekeningen

Dit artikel stelt eisen aan de schaal en inhoud van tekeningen die bij een aanvraag worden ingediend. Zo moet bijvoorbeeld uit situatietekeningen blijken hoe het monument zich verhoudt tot de omgeving. Daarnaast moeten historische gegevens zoals balklagen en ornamenten worden weergegeven.

Paragraaf 8.3.2 Monument of onderdeel daarvan veranderen

Artikel 8.23 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op alle activiteiten die het monument in enig opzicht veranderen. Dit kan op meerdere manieren. Zo is er sprake van een verandering als u gaat bouwen, zoals wanneer u het monument uitbouwt of een dakkapel plaatst. Maar het gaat hier ook om activiteiten die gericht zijn op het herstellen van het monument, zoals het geval is bij restauratie, reconstructie of renovatie. Hier valt ook het schilderen van het monument in een afwijkende kleur onder of het hanteren van een ander verfsysteem onder. Dergelijke ingrepen kunnen de historische, architectonische of materiële waarden van het monument aantasten, waardoor het karakter, de uitstraling of zelfs de constructieve staat van het monument in gevaar kan komen. Om deze reden worden er in het omgevingsplan regels gesteld over het veranderen van het monument. 

Het tweede lid maakt duidelijk dat het herstellen van een monument ook wordt gezien als een verandering als het monument daardoor wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. Daar is bijvoorbeeld sprake van als een rieten dak wordt gerepareerd met dakpannen. Het reinigen en/of herstellen van een interieurschildering of gevel valt hier ook onder als dit niet door een deskundige wordt uitgevoerd. Deze activiteiten kunnen namelijk potentieel grote gevolgen hebben voor de technische staat en de monumentale waarde van het onderdeel (bij een gevel ook het patina).

Artikel 8.24 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen inpandige veranderingen

Het veranderen van een monument is zonder omgevingsvergunning toegestaan als het gaat om inpandige veranderingen. Deze inpandige veranderingen moeten worden doorgevoerd aan een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.

Bij de aanwijzing van een object als monument wordt vooraf een redengevende omschrijving opgesteld. Uit die beschrijving blijkt hoe het monument eruitziet en waarom het monumentale waarden heeft. Niet elk element is van monumentale waarde. Wilt u bijvoorbeeld iets veranderen aan een keuken die van origine niet in het monument zat? Dan mag u dit op grond van dit artikel zonder omgevingsvergunning doen.

In de basis is echter het hele monument beschermd. Het is goed als u hier vanuit gaat. Daarom is het belangrijk dat u goed vooronderzoek doet naar het monument. Bijvoorbeeld door het aanwijzingsbesluit van de gemeente te bekijken of het archief in te duiken. Twijfelt u over de monumentale waarde en wilt u weten wat er wel en niet gewijzigd mag worden? Neem dan contact op met de gemeente.

Artikel 8.25 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een monument te veranderen. Onder deze vergunningplicht vallen ook activiteiten die u verricht met de bedoeling om het monument te herstellen, zoals het aanbrengen van nieuw gevelmateriaal. Dit kan het monument ontsieren of de monumentale waarde schaden. Om deze reden is er vooraf een toetsing nodig.

Artikel 8.26 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moet u bepaalde gegevens en bescheiden aanleveren. Met bescheiden bedoelen we documenten. Andere vormen van informatie noemen we gegevens. Deze staan in artikel 8.26.

De foto's moeten duidelijk maken waarom het nodig is om de activiteit te verrichten

U moet kleurenfoto's aanleveren. Deze foto's moeten weergeven wat de technische staat en de ruimtelijke context van het monument is. Uit deze kleurenfoto's moet de noodzaak blijken om de voorgenomen activiteit te verrichten. 

U levert opnametekeningen aan. Welke soort tekeningen nodig zijn, hangt af van wat u precies gaat doen

Opnametekeningen zijn tekeningen waarop het monument is weergegeven, voordat u de activiteit heeft verricht. Deze geven aan wat de situatie is. Welke soort tekeningen het bevoegd gezag nodig heeft om uw aanvraag te kunnen beoordelen, verschilt per activiteit. In het tweede lid staat aan welke tekeningen u in ieder geval kunt denken. 

Over het algemeen zijn er plattegronden en doorsnedetekeningen nodig. Heeft een activiteit ook impact op het exterieur of het aanzicht van het monument? Dan is het ook denkbaar dat er geveltekeningen en in een enkel geval zelfs dakaanzichten nodig zijn.

Andere informatie over de tekeningen

De gebrekentekeningen, bedoeld in het eerste lid, onder f, zijn alleen nodig als er gebreken worden hersteld. Het gaat hier feitelijk om opnametekeningen waarop de te verhelpen gebreken voldoende zijn weergegeven.

Plantekeningen als bedoeld in het eerste lid, onder g, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument is weergegeven. Dit is na afloop van de voorgenomen activiteit. Dus bijvoorbeeld na de bouw van de dakkapel.

Gaat u materiaal verwijderen? Dan moet u zich waarschijnlijk ook aan de regels houden over het slopen van een monument

Onder slopen wordt ook verstaan het gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. Dit is bepaald in de Omgevingswet. In de praktijk blijkt dat een aanvrager die zijn monument wil restaureren of verbouwen zich niet altijd realiseert dat het wegnemen van materialen ook onder slopen valt. Daarom is in artikel 8.26 expliciet opgenomen dat in een dergelijk geval ook slooptekeningen moeten worden overlegd. Uit deze slooptekeningen moet blijken welke materialen of onderdelen verwijderd worden. De slooptekeningen moet de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken.

Als u iets gaat slopen, moet ons ook vertellen wat u met het vrijkomend materiaal gaat doen

Op grond van het eerste lid, onder i, moet in het bestek of in de werkomschrijving de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal worden omschreven. Aan de omgevingsvergunning kan namelijk het voorschrift worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken, voor hergebruik te bewaren of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen.

Artikel 8.27 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden meerdere gegevens en bescheiden verstrekt. Dit regelt het vorige artikel. 

Soms is er meer informatie nodig om tot een beoordeling te komen. In dat geval kan het bevoegd gezag de aanvrager verplichten om deze gegevens en bescheiden te verstrekken. Dit bepaalt artikel 8.27. Deze verplichting kan het bevoegd gezag bijvoorbeeld opleggen als de aangeleverde foto's onduidelijk zijn of de conclusie die de aanvrager trekt in de motivering niet aannemelijk is. Het bevoegd gezag gebruikt de opgevraagde gegevens en bescheiden om te beoordelen of de omgevingsvergunning kan worden verleend. En zo ja, of er voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.

We kunnen u om een nadere onderbouwing vragen als de beschrijving van de technische staat van het monument niet voor zich spreekt

Een beschrijving van de technische staat van het monument als bedoeld in artikel 8.26 kan bijvoorbeeld nodig zijn in het geval van het herstellen van technische gebreken. Als deze beschrijving en de foto’s niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel b). Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een (complexe) restauratie.

We kunnen u om aanvullende tekeningen vragen

Deze aanvullende tekeningen kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van een bijzondere detaillering (detailtekeningen). De tekeningen kunnen ook worden opgevraagd om een beter beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument na het verrichten van de activiteit. Bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

Soms hanteert de gemeente kwaliteitseisen voor de uitvoering van de werkzaamheid. Wanneer dit het geval is moet u aangeven of u het plan hierop heeft afgestemd

De Rijksoverheid hanteert uitvoeringsrichtlijnen. In deze uitvoeringsrichtlijn staan kwaliteitseisen. Het bedrijf dat de werkzaamheid voor u uitvoert moet zich aan deze richtlijn houden. Het gaat dan bijvoorbeeld om een richtlijn die aangeeft hoe het monument onderhouden moet worden of schade aan steenachtig materiaal moet worden hersteld.

De gemeente mag deze uitvoeringsrichtlijn ook hanteren voor gemeentelijke monumenten. Dit betekent dat het uitvoerende bedrijf zich ook bij een gemeentelijk monument aan deze kwaliteitseisen moet houden, zodat het monument voldoende wordt beschermd. Bij de beoordeling van de aanvraag is het daarom belangrijk voor het bevoegd gezag om te weten of u uw aanvraag al op deze uitvoeringsrichtlijn heeft afgestemd. Op grond van onderdeel e moet u hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 8.28 Beoordelingsregels

Dit artikel bepaalt onder welke voorwaarden een omgevingsvergunning voor het veranderen van een monument of onderdeel daarvan kan worden verleend. Het belang van de monumentenzorg is leidend bij de beoordeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 8.25

Voorbeelden van afwegingen zijn:

  • a.

    Is het wijzigen van een gevel verantwoord binnen de historische context?; of

  • b.

    Wordt bij herstel gebruikgemaakt van passende materialen en technieken?

Deze beoordelingsregel biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid om aanvragen te weigeren als het belang van de monumentenzorg zich tegen de activiteit verzet. Daarnaast wordt een aanvraag onder andere ook geweigerd als de aanvraag technisch of bouwkundig onuitvoerbaar is.

Artikel 8.29 Advies Adviescommissie omgevingskwaliteit

Het bevoegd gezag wint advies in bij de Adviescommissie omgevingskwaliteit. Deze commissie brengt advies uit over de vraag of het belang van de monumentenzorg zich tegen de voorgenomen activiteit verzet. Het bevoegd gezag mag een omgevingsvergunning voor het veranderen van een monument of onderdeel daarvan pas verlenen als dit advies is ingewonnen.

Artikel 8.30 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.25 kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften kunnen bijvoorbeeld gaan over de wijze waarop het monument wordt veranderd.

Paragraaf 8.3.3 Monument of onderdeel daarvan slopen

Artikel 8.31 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het slopen van een monument. Met slopen wordt het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van het monument bedoeld. Dit staat in de begripsbepaling van slopen in de Omgevingswet. Het gaat hierbij dus niet alleen om het slopen van het hele monument of complete bouwdelen, maar ook over het slopen van kleinere onderdelen. Zoals muren, houtwerkconstructies, deuren en vensters, of interieurelementen.

Artikel 8.32 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Sloopactiviteiten aan of bij een monument kunnen de monumentale waarde in gevaar brengen. Het monument kan ook ontsierd raken door de activiteiten. Om deze reden is het verrichten van dit soort sloopactiviteiten altijd vergunningplichtig.

Artikel 8.33 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moet u bepaalde gegevens en bescheiden aanleveren. Met bescheiden bedoelen we documenten. Andere vormen van informatie noemen we gegevens. Deze staan in artikel 8.33.

De foto's moeten duidelijk maken waarom het nodig is om de activiteit te verrichten

U moet kleurenfoto's aanleveren. Deze foto's moeten weergeven wat de technische staat en de ruimtelijke context van het monument is of het te slopen onderdeel. Uit deze kleurenfoto's moet de noodzaak blijken om de voorgenomen activiteit te verrichten.

U levert situatietekeningen aan als de omvang van het monument wijzigt

Situatietekeningen als bedoeld in het eerste lid, onder c, zijn nodig in geval dat u het monument gedeeltelijk afbreekt en de omvang van het monument daarbij wijzigt. Als de voorgenomen activiteit alleen bestaat uit inpandig slopen of als het monument geheel wordt gesloopt, geldt deze aanvraagvereiste dus niet.

U levert opnametekeningen aan. Welke soort tekeningen nodig zijn, hangt af van wat u precies gaat doen

Opnametekeningen zijn tekeningen waarop het monument is weergegeven, voordat u de activiteit heeft verricht. Deze geven aan wat de situatie is. Welke soort tekeningen het bevoegd gezag nodig heeft om uw aanvraag te kunnen beoordelen, verschilt per activiteit. In het tweede lid staat aan welke tekeningen u in ieder geval kunt denken. 

Afhankelijk van de aard, omvang en plaats van de voorgenomen sloop kan het gaan om plattegronden, doorsneden, gevelaanzichten en een dakaanzicht. Als alleen inpandige sloopwerkzaamheden plaatsvinden zijn die laatste twee soorten tekeningen niet nodig.

Andere informatie over de tekeningen

Uit de slooptekeningen moet blijken welke materialen of onderdelen verwijderd worden. Dit moet de omvang en de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken. De opnametekeningen kunnen hiervoor als basis worden gebruikt.

U moet de aard van en de bestemming voor het door de sloop vrijkomende materiaal omschrijven

Dit is van belang omdat aan de omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken, voor hergebruik te bewaren of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan historische dakpannen, een monumentale topgevel, gevelsteen of een monumentale schouw.

Artikel 8.34 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden meerdere gegevens en bescheiden verstrekt. Met bescheiden bedoelen we documenten. Andere vormen van informatie noemen we gegevens. Dit regelt het vorige artikel.

Soms is er meer informatie nodig om tot een beoordeling te komen. In dat geval kan het bevoegd gezag de aanvrager verplichten om deze gegevens en bescheiden te verstrekken. Dit bepaalt artikel 8.34. Deze verplichting kan het bevoegd gezag bijvoorbeeld opleggen als de aangeleverde foto's onduidelijk zijn of de conclusie die de aanvrager trekt in de motivering niet aannemelijk is. Het bevoegd gezag gebruikt de opgevraagde gegevens en bescheiden om te beoordelen of de omgevingsvergunning kan worden verleend. En zo ja, of er voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.

We kunnen u om rapporten vragen om de gevolgen van de sloopwerkzaamheden voor de monumentale waarde te bepalen

Het is lang niet altijd zo dat de actuele monumentale waarde van een monument of onderdeel daarvan voldoende in beeld zijn. Deze aanwezige monumentale waarden moeten in voldoende mate zijn vastgesteld om de gevolgen van de voorgenomen sloopwerkzaamheden te kunnen beoordelen. Om deze reden is het soms nodig om de rapporten, bedoeld onder a, te overleggen. Met deze rapporten worden de monumentale waarde van het monument of te slopen onderdeel (nader) bepaald.

We kunnen u om een beschrijving van de technische staat van het monument vragen en een nadere onderbouwing van deze technische staat

De aanvrager moet soms op grond van artikel 8.33 een beschrijving van de technische staat aanleveren. Aks deze beschrijving niet voor zich spreekt en de foto's onduidelijk zijn, kan er een nadere onderbouwing van de beschrijving nodig zijn. Er zijn dan één of meer technische rapporten nodig. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen als de voorgenomen sloop is aangevraagd door de technische staat van het monument of onderdeel daarvan.

Artikel 8.35 Beoordelingsregels

Dit artikel bepaalt onder welke voorwaarden een omgevingsvergunning voor het slopen van een monument of onderdeel daarvan wordt verleend. Het belang van de monumentenzorg is leidend bij de beoordeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 8.32.

Voorbeelden van afwegingen zijn:

  • a.

    Is het slopen van het monument verantwoord binnen de historische context?;

  • b.

    Wordt bij het slopen gebruikgemaakt van passende methoden?; of

  • c.

    Is de sloop van het onderdeel van het monument in overeenstemming met de monumentale waarden?

Deze beoordelingsregel biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid om aanvragen te weigeren als het belang van de monumentenzorg zich tegen de activiteit verzet.

Artikel 8.36 Advies Adviescommissie omgevingskwaliteit

Het bevoegd gezag wint advies in bij de Adviescommissie omgevingskwaliteit. Deze commissie brengt advies uit over de vraag of het belang van monumentenzorg zich tegen de voorgenomen activiteit verzet. Het bevoegd gezag mag pas overgaan tot het verlenen van de omgevingsvergunning voor het slopen van een monument of onderdeel daarvan als dit advies is ingewonnen.

Artikel 8.37 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.32 kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften kunnen bijvoorbeeld gaan over de wijze waarop het monument of onderdeel daarvan wordt gesloopt. De voorschriften kunnen ook gaan over waar het materiaal naartoe gaat en hoe het wordt opgeslagen.

Paragraaf 8.3.4 Monument of onderdeel daarvan verplaatsen

Artikel 8.38 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verplaatsen van een monument. Daarmee wordt het geheel of gedeeltelijk verplaatsen bedoeld. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kerkorgel of een toegangshek.

Artikel 8.39 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Een monument of onderdeel daarvan mag niet zomaar verplaatst worden. U heeft daar een omgevingsvergunning voor nodig. Behalve als anders in deze afdeling is bepaald, zoals bij het tijdelijk verwijderen van een grafmonument. Dit bepaalt artikel 8.39.

Artikel 8.40 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moet u bepaalde gegevens en bescheiden aanleveren. Met bescheiden bedoelen we documenten. Andere vormen van informatie noemen we gegevens. Deze staan in artikel 8.40.

Gelet op het verdrag van Granada moeten de gegevens en bescheiden voldoende inzicht geven in de reden en de noodzaak van de voorgenomen verplaatsing. Daarnaast moet uit de aangeleverde informatie blijken wat de huidige en de toekomstige ruimtelijke context van het monument is. En op welke manier het monument gedemonteerd, verplaatst en herbouwd zal worden. Er mag geen twijfel bestaan over of de herbouw plaatsvindt op een nieuwe, geschikte locatie.

De foto's moeten duidelijk maken waarom het nodig is om de activiteit te verrichten 

U moet kleurenfoto's aanleveren. Deze foto's moeten weergeven wat de technische staat en de ruimtelijke context van het monument is of het te verplaatsen onderdeel. Uit deze kleurenfoto's moet de noodzaak blijken om de voorgenomen activiteit te verrichten.

U levert opnametekeningen aan. Welke soort tekeningen nodig zijn, hangt af van wat u precies gaat doen

Opnametekeningen zijn tekeningen die het monument weergegeven, voordat u de activiteit verricht. Deze geven de situatie van het monument weer. Welke soort tekeningen het bevoegd gezag nodig heeft om uw aanvraag te kunnen beoordelen, verschilt per activiteit.

Bij het verplaatsen van een gedeelte van een monument (zoals een kerkorgel) zijn minder tekeningen nodig dan bij verplaatsing van het hele monument.

Andere informatie over de tekeningen

Plantekeningen als bedoeld in het eerste lid, onder f, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument is weergegeven. Dit is na afloop van de voorgenomen activiteit. Dus na het verplaatsen van het monument of onderdeel daarvan.

Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument zijn dit ook tekeningen van de nieuwe toestand van het monument waar het verplaatste gedeelte dan deel van uitmaakt. Zo zijn bij verplaatsing van een orgel van de ene kerk naar de andere kerk ook plantekeningen nodig van de toestand van die andere kerk nadat het orgel daarin is aangebracht.

Artikel 8.41 Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden meerdere gegevens en bescheiden verstrekt. Dit regelt het vorige artikel.

Soms is er meer informatie nodig om tot een beoordeling te komen. In dat geval kan het bevoegd gezag de aanvrager verplichten om deze gegevens en bescheiden te verstrekken. Dit bepaalt artikel 8.41. Deze verplichting kan het bevoegd gezag bijvoorbeeld opleggen als de aangeleverde foto's onduidelijk zijn of de conclusie die de aanvrager trekt in de motivering niet aannemelijk is. Het bevoegd gezag gebruikt de opgevraagde gegevens en bescheiden om te beoordelen of de omgevingsvergunning kan worden verleend. En zo ja, of er voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.

We kunnen u om rapporten vragen om de gevolgen van de verplaatsing voor de monumentale waarde te bepalen

Het is lang niet altijd zo dat de actuele monumentale waarde van een monument of onderdeel daarvan voldoende in beeld zijn. Deze aanwezige monumentale waarden moeten in voldoende mate zijn vastgesteld om de gevolgen van de voorgenomen activiteit te kunnen beoordelen. Om deze reden is het soms nodig om de rapporten, bedoeld onder a, te overleggen. Met deze rapporten worden de monumentale waarde van het monument of te verplaatsen onderdeel (nader) bepaald.

We kunnen u om een beschrijving van de technische staat van het monument vragen en een nadere onderbouwing van deze technische staat

De aanvrager moet soms op grond van artikel 8.41 een beschrijving van de technische staat aanleveren. Als deze beschrijving niet voor zich spreekt en de foto's onduidelijk zijn, kan er een nadere onderbouwing van de beschrijving nodig zijn. Er zijn dan één of meer technische rapporten nodig. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen als de voorgenomen verplaatsing is aangevraagd door de technische staat van het monument of onderdeel daarvan.

We kunnen u om aanvullende tekeningen vragen

Deze aanvullende tekeningen kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van een bijzondere detaillering (detailtekeningen). De tekeningen kunnen ook worden opgevraagd om een beter beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument na het verrichten van de activiteit. Bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

Soms hanteert de gemeente kwaliteitseisen voor de uitvoering van de werkzaamheid. Wanneer dit het geval is moet u aangeven of u het plan hierop heeft afgestemd

De Rijksoverheid hanteert uitvoeringsrichtlijnen. In deze uitvoeringsrichtlijn staan kwaliteitseisen. Het bedrijf dat de werkzaamheid voor u uitvoert moet zich aan deze richtlijn houden. Het gaat dan bijvoorbeeld om een richtlijn die aangeeft hoe het monument onderhouden moet worden of schade aan steenachtig materiaal moet worden hersteld.

De gemeente mag deze uitvoeringsrichtlijn ook hanteren voor gemeentelijke monumenten. Dit betekent dat het uitvoerende bedrijf zich ook bij een gemeentelijk monument aan deze kwaliteitseisen moet houden, zodat het monument voldoende wordt beschermd. Bij de beoordeling van de aanvraag is het daarom belangrijk voor het bevoegd gezag om te weten of u uw aanvraag al op deze uitvoeringsrichtlijn heeft afgestemd. Op grond van onderdeel d moet u hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 8.42 Beoordelingsregels

Het belang van de monumentenzorg moet zich niet verzetten tegen de verplaatsing van een monument. Anders kan de omgevingsvergunning niet worden verleend. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.39 moet het bevoegd gezag dus rekening houden met de impact van de verplaatsing op het monument. Om tot een conclusie te komen vraagt het bevoegd gezag advies aan de adviescommissie omgevingskwaliteit. Deze commissie kijkt dan bijvoorbeeld naar welke elementen het monument waardevol maken en of het vanuit dat opzicht aanvaardbaar is om het monument te verplaatsen.

Bij de beoordeling moet het bevoegd gezag rekening houden met het verdrag van Granada. In dit verdrag staat dat verplaatsing van monumenten of een onderdeel daarvan moet worden voorkomen, tenzij dit dringend vereist is voor het voortbestaan ervan.

Artikel 8.43 Advies Adviescommissie omgevingskwaliteit

Als u een omgevingsvergunning aanvraagt voor het verplaatsen van een monument, dan wint het bevoegd gezag eerst advies in bij de Adviescommissie omgevingskwaliteit. Deze commissie geeft advies over de vraag of het belang van de monumentenzorg zich tegen de voorgenomen activiteit verzet. Het bevoegd gezag mag de omgevingsvergunning pas verlenen als dit advies is ingewonnen.

Artikel 8.44 Vergunningvoorschriften

Een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van een monument kan maar in weinig gevallen worden verleend. Dit heeft te maken met het Gedrag van Grenada, waaruit blijkt dat het verplaatsen van een monument of een onderdeel daarvan moet worden voorkomen.

Als het bevoegd gezag tóch overgaat tot het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.39 kunnen daar vergunningvoorschriften aan worden verbonden. In veel gevallen zal hiertoe worden overgegaan om te verzekeren dat de monumentale waarden niet worden geschaad.

De vergunningvoorschriften kunnen bijvoorbeeld gaan over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van het monument naar de nieuwe locatie.

Paragraaf 8.3.5 Monument of onderdeel daarvan gebruiken

Artikel 8.45 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het gebruik van een monument of onderdeel daarvan. Deze activiteit moet gereguleerd worden als het monument door het gebruik kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht.

Artikel 8.46 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel geeft aan dat u een omgevingsvergunning nodig heeft als u een monument gaat gebruiken op een manier die het monument kan ontsieren of in gevaar kan brengen. Bij ontsiering kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het (tijdelijk) aanbrengen van reclame, waardoor het zicht wordt onttrokken aan de gevel of het dak. Een voorbeeld van gebruik dat gevaar kan opleveren voor het monument is als u in het monument bijvoorbeeld vuurwerk opslaat of op een wijze gebruikt die slecht verenigbaar is met een kwetsbaar interieur. Bij het laatste kunt u bijvoorbeeld denken aan het gebruik van een monument als horecalocatie in een zaal met historische wandbespanning en parketvloer. Deze vergunningplicht geldt dus ook als het voorgenomen gebruik niet gepaard gaat met een fysieke verandering van het monument.

Artikel 8.47 Aanvraagvereisten

Dit artikel legt uit dat u bij uw aanvraag moet aangeven welke maatregelen u gaat treffen om ontsiering van het monument te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Deze informatie levert u ook aan als uw voorgenomen gebruik het monument in gevaar dreigt te brengen. Het is belangrijk dat uit deze opgave blijkt wat de nadelige gevolgen zijn en hoe u van plan bent op deze te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 8.48 Beoordelingsregels

Tijden veranderen. Daarom ontstaat er tegenwoordig steeds meer de behoefte om monumenten op andere manieren te gebruiken dan hun historische functie. Zoals een monument dat ooit als boerderij fungeerde, maar nu als woning wordt gebruikt. 

Bij dit soort veranderingen moet steeds gekeken worden of het voorgenomen gebruik passend is. Het belang van de monumentenzorg mag zich niet verzetten tegen het nieuwe gebruik. Dit regelt artikel 8.48. Het bevoegd gezag vraagt advies bij de Commissie omgevingskwaliteit om tot een beoordeling te komen. Deze commissie kijkt bijvoorbeeld naar het bijzondere karakter van het monument en of er door het nieuwe gebruik waardevolle onderdelen worden geschaad.

Artikel 8.49 Advies Adviescommissie omgevingskwaliteit

Bij het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning, wint het bevoegd gezag advies in bij de Adviescommissie omgevingskwaliteit. Pas dan kan de omgevingsvergunning voor het gebruik van het monument worden verleend. Het gaat hier om de vraag of de manier waarop u het monument gaat gebruiken zich tegen het belang van de monumentenzorg verzet.

Artikel 8.50 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.46 kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften kunnen bijvoorbeeld gaan over de wijze waarop het gebruik plaatsvindt of welk deel van het monument op deze manier in gebruik mag worden genomen, zodat de monumentale waarden worden beschermd.

Afdeling 8.4 Cultuurhistorische waarden
Paragraaf 8.4.1 Algemene bepalingen cultuurhistorische waarden

Artikel 8.51 Toepassingsbereik

In deze afdeling staan regels die cultuurhistorische waarden beschermen. Daarmee worden in dit geval de cultuurhistorische waarden van de bebouwde omgeving en van historische landschappen bedoeld.

Cultuurhistorische waarden omvatten sporen, objecten, patronen of structuren. Deze elementen ontstaan in de loop van de geschiedenis door de wisselwerking tussen mens en omgeving. Bijvoorbeeld door hoe mensen een gebied in het verleden hebben gebruikt en voor dit gebruik hebben ingericht. Bij een polderlandschap kunt u dan onder andere denken aan het vaste patroon aan slootjes en andere waterkeringen. Deze structuur is vandaag de dag nog steeds kenmerkend voor het landschap. En dat is in meer gevallen zo.

In de meeste gevallen spelen de cultuurhistorische waarden die in het verleden zijn ontstaan ook nu nog een belangrijke rol in het vormen van de identiteit van een gebied. Het is dan ook belangrijk dat deze waarden worden betrokken in de besluitvorming rondom nieuwe initiatieven. Daarom stelt het omgevingsplan in deze afdeling regels over activiteiten die de cultuurhistorische waarden kunnen beïnvloeden.

Paragraaf 8.4.2 Landschappelijke waarden

Subparagraaf 8.4.2.1 Karakteristiek agrarisch landschap

Artikel 8.52 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het uitvoeren van grondwerkzaamheden binnen een locatie met landschappelijke waarden. Dit zijn landschappen die door de aanwezigheid van bepaalde elementen als waardevol zijn aangemerkt. Het gaat dan bijvoorbeeld om de verkaveling, de waterlopen of de soortenrijkdom van planten en dieren.

In deze subparagraaf staan regels die de landschappelijke waarden binnen de locatie 'Karakteristiek agrarisch landschap' beschermen. Het gaat hier om gronden die voorheen in de bestemmingsplannen een agrarische bestemming kende. Die gronden bevinden zich in het Veenpolderlandschap. Dit landschap kenmerkt zich door openheid, een kleinschalig dijkenpatroon, relatief onregelmatige verkaveling, resten van kreken en grasland als agrarisch gebruik.

Artikel 8.53 Oogmerken

Dit artikel geeft aan waarom er in deze subparagraaf regels worden gesteld. Deze regels zijn gericht op het beschermen van de landschappelijke waarden. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het beschermen van de kenmerkende landschapselementen, zoals de openheid van het landschap, de watergangen en de houtwallen.

Artikel 8.54 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen grondwerkzaamheden van ondergeschikte betekenis

Niet alle grondwerkzaamheden hebben een even grote impact op de landschappelijke waarden. Bij verstoringen van de bodem heeft u daarom geen omgevingsvergunning nodig als dit van ondergeschikte betekenis is vanuit het oogpunt van de te beschermen landschappelijke waarden. U kunt dan bijvoorbeeld denken aan het plaatsen van een peilbuis, waarbij slechts een klein gat nodig is.

Artikel 8.55 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen normaal agrarisch gebruik

In dit artikel staat dat bepaalde grondwerkzaamheden toestemmingsvrij zijn. Deze uitzondering op de vergunningplicht geldt alleen als de grondwerkzaamheden plaatsvinden als onderdeel van het normale agrarisch gebruik van de gronden.

Onder normaal agrarisch gebruik vallen de gewone, dagelijkse werkzaamheden die horen bij een agrarisch bedrijf. Daar vallen ook bepaalde grondwerkzaamheden onder. Denk bijvoorbeeld aan een boer die de grond ploegt. Deze grondwerkzaamheden maken een onmiskenbaar deel uit van de dagelijkse bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf. Het is niet de bedoeling dat deze ingrepen elke keer vergunningplichtig zijn, zelfs als deze de bodem verstoren. Om deze reden worden deze grondwerkzaamheden in dit artikel als toestemmingsvrij aangewezen.

Maar let op. Het gaat hier nadrukkelijk alleen om bepaalde grondwerkzaamheden. En deze moeten ten dienste zijn van het agrarische bedrijf. Dit betekent dat u bijvoorbeeld wél verharding mag aanleggen om het perceel te ontsluiten, maar de verharding op uw terrein niet een te grote oppervlakte mag hebben. Hoeveel oppervlakte aan verharding u mag aanleggen voordat het vergunningplichtig wordt, vindt u in artikel 8.56.

Daarnaast vallen een paar grondwerkzaamheden nooit onder normaal agrarisch gebruik. Denk aan het verhogen van een perceel of het graven van een nieuwe sloot. Deze activiteiten voert u niet dagelijks uit en hebben een grote ruimtelijke impact. In deze gevallen heeft u dus wel een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 8.56 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Bepaalde activiteiten kunnen de landschappelijke waarden aantasten. Daarom zijn deze activiteiten alleen toegestaan met een omgevingsvergunning. Het gaat om de activiteiten bedoeld in artikel 8.56eerste tot en met het zesde lid.

In het tijdelijke deel van het omgevingsplan leest u welke percelen in hoofdzaak gebruikt mogen worden voor agrarische activiteiten. Dit wordt doorgaans aangegeven met de bestemming ‘Agrarisch’. Bij een toekomstige wijziging van het omgevingsplan worden deze regels over het gebruik in het nieuwe deel van het omgevingsplan opgenomen.

Artikel 8.57 Aanvraagvereisten

Dit artikel bevat aanvraagvereisten die verstrekt moeten worden als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor grondwerkzaamheden binnen een locatie met landschappelijke waarden.

Met de vereiste om aan te geven welke obstakels aanwezig zijn, bedoeld onder c, wordt bijvoorbeeld een boom, lantaarnpaal of nutsvoorziening bedoeld. Deze kan in de weg staan voor het verrichten van de grondwerkzaamheid.

Artikel 8.58 Beoordelingsregels

In dit artikel staat wanneer een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden wordt verleend. Het gaat hier om grondwerkzaamheden met een grote ruimtelijke impact, zoals het vergraven van een sloot.

De omgevingsvergunning wordt verleend als er door de werkzaamheden geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan aan de landschappelijke waarden. Om dit te beoordelen wordt er gekeken naar de direct en indirect te verwachten gevolgen van de werkzaamheden voor de landschappelijke waarden. De omgevingsvergunning wordt geweigerd als de aantasting van de landschappelijke waarden door het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning niet voldoende wordt tegengegaan.

Artikel 8.59 Advies landschapsdeskundige

Om te beoordelen of de landschappelijke waarden onevenredig worden aangetast door de grondwerkzaamheden, vraagt het bevoegd gezag advies aan een landschapsdeskundige.

Subparagraaf 8.4.2.2 Het Perenlaantje

Artikel 8.60 Toepassingsbereik

Dit artikel regelt waar deze subparagraaf over gaat. Dit is over het verrichten van grondwerkzaamheden binnen het Perenlaantje. Dit laantje is vastgelegd in de locatie 'Het Perenlaantje'.

Het Perenlaantje is een cultuurhistorisch element in onze gemeente. Het is in 1922 door een fruitteler aangelegd. De ruim 1100 perenbomen die hier staan vormen over een lengte van ongeveer 550 meter een boog (berceau) boven een graspad.

Artikel 8.61 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel bevat een vergunningplicht voor het aanbrengen van oppervlakteverharding binnen de locatie ‘Het Perenlaantje’. Deze activiteit kan namelijk de landschappelijke waarde, natuurwaarde en cultuurhistorische waarde van het Perenlaantje aantasten.

Artikel 8.62 Aanvraagvereisten

Dit artikel regelt welke zaken moeten worden aangeleverd bij het aanvragen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.61. Met deze zaken kan worden beoordeeld of de omgevingsvergunning kan worden verleend.

Artikel 8.63 Beoordelingsregels

In dit artikel staat wanneer de omgevingsvergunning wordt verleend. Dat is het geval als de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de landschapswaarde, natuurwaarde en de cultuurhistorische waarde van het Perenlaantje.

Afdeling 8.7 Aanwijzing gemeentelijke monumenten
Artikel 8.64 Toepassingsbereik

In deze afdeling staan regels over het aanwijzen van een gemeentelijk monument. Daaronder vallen alle monumenten die door de gemeente zijn aangewezen. Onder het toepassingsbereik van deze afdeling vallen dus gebouwde, aangelegde en archeologische monumenten. Dit maakt het eerste lid duidelijk. De regels over het aanwijzen van gemeentelijke monumenten zijn ook van toepassing op voorbeschermde gemeentelijke monumenten.

Artikel 8.65 Normaddressaat

Dit artikel geeft aan wie zich aan de regels in deze afdeling moet houden. Het aanwijzen van gemeentelijke monumenten is een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Dit staat in hoofdstuk 29. Om deze reden moet alleen het college van burgemeester en wethouders zich aan de regels in deze afdeling houden.

Artikel 8.66 Aanwijzing als gemeentelijk monument

Dit artikel legt vast wanneer het college van burgemeester en wethouders kan besluiten om een monument of archeologisch monument aan te wijzen als gemeentelijk monument. Bij deze beslissing weegt het college het publieke belang van het behoud van cultureel erfgoed af tegen de belangen van de eigenaar, zoals gebruiksmogelijkheden, kosten en beheer. De afweging moet leiden tot een evenwichtig besluit waarin zowel de bescherming van waardevol erfgoed als de positie van de eigenaar worden meegenomen.

Het tweede lid geeft aan dat het college van burgemeester en wethouders een dergelijk besluit alleen mag nemen als het monument niet al door het rijk of de provincie is aangewezen. Deze monumenten worden namelijk al voldoende beschermd. Om een stapeling van regels te voorkomen mag het college deze monumenten niet op gemeentelijk niveau aanwijzen.

Artikel 8.67 Aanwijzing als voorbeschermd gemeentelijk monument

In dit artikel staat wanneer het college van burgemeester en wethouders kan besluiten om een monument of archeologisch monument voorlopig aan te wijzen als gemeentelijk monument. We spreken dan over een voorbeschermd gemeentelijk monument. Een voorbeschermd monument is een monument of archeologisch monument dat het college van burgemeester en wethouders willen aanwijzen als gemeentelijk monument. Het college heeft dus het voornemen om dit monument te beschermen. In de Omgevingswet is hier een begripsomschrijving van opgenomen.

Het college van burgemeester en wethouders mag een dergelijk besluit alleen nemen als er sprake is van een spoedeisend geval. Het gaat dan bijvoorbeeld om gevallen waarin er een acuut gevaar is dat het culturele erfgoed voor altijd verloren gaat als de gemeente niet meteen ingrijpt. Bijvoorbeeld doordat de eigenaar zijn pand wil slopen. Het college kan dan op grond van het eerste lid besluiten om het monument of archeologische monument voorlopig aan te wijzen als gemeentelijk monument.

Het college moet alle zakelijk gerechtigden schriftelijk op de hoogte brengen van deze voorlopige aanwijzing. Vanaf dat moment treedt de voorbescherming direct in werking. Dit betekent dat u zich vanaf dan moet houden aan de regels in afdeling 8.2 en afdeling 8.3 van het omgevingsplan, afhankelijk van om wat voor monument het gaat. Deze regels zijn gesteld met oog op de belangen, bedoeld in afdeling 8.1.

Het indienen van een bezwaarschrift tegen het besluit tot aanwijzing van een voorbeschermd monument heeft in dit geval geen opschortende werking. Daarmee kan de voorlopige aanwijzing niet eenvoudig omzeild worden.

De bescherming loopt door als de aanwijzing definitief wordt door het gemeentelijke monument in het erfgoedregister op te nemen. Het college van burgemeester en wethouders neemt dan het besluit om het monument definitief aan te wijzen. Vindt er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaats? Dan vervalt de bescherming.

Hoofdstuk 10 Bovengrondse en ondergrondse infrastructuur  

Afdeling 10.1 Algemene bepalingen bovengrondse en ondergrondse infrastructuur
Artikel 10.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk gaat over infrastructuur. Deze infrastructuur ligt grotendeels op of in de openbare grond. Daarom spelen er vaak meerdere belangen. De regels in dit hoofdstuk zien erop toe dat de infrastructuren voldoende worden beschermd.

Met een infrastructuur wordt het geheel van alle fysieke voorzieningen bedoeld die nodig zijn om een gebied goed te laten functioneren. In de Omgevingswet is een begripsomschrijving opgenomen. Daarin wordt uitgelegd wat er onder een infrastructuur valt.

In veel gevallen is de overheid verantwoordelijk voor het aanleggen en in stand houden van de infrastructuur. Bijvoorbeeld als het gaat om het aanleggen van wegen, vaarwegen en spoorwegen. In andere gevallen is de infrastructuur in particuliere handen. U kunt dan bijvoorbeeld denken aan kabels of leidingen die elektriciteit of data transporten. De werken die worden aangelegd om deze kabel of leiding te laten functioneren vallen ook onder infrastructuur.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op telecomkabels. Het aanleggen van telecomkabels is uitputtend geregeld in de Telecommunicatiewet en moet daarom in het omgevingsplan buiten beschouwing blijven. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op leidingen die deel uitmaken van drukapparatuur als bedoeld in het Warenwetbesluit Drukapparatuur 2016.

Afdeling 10.3 Ondergrondse infrastructuur
Paragraaf 10.3.1 Algemene bepalingen ondergrondse infrastructuur

Artikel 10.2 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling gaan over ondergrondse infrastructuur. Daaronder vallen kabels en leidingen, bedoeld voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen of energie. Het gaat dan bijvoorbeeld om elektriciteitskabels, drinkwaterleidingen, rioleringsbuizen, gasleidingen en warmtenetten.

In de bijlage is een begripsbepaling opgenomen van ‘kabel of leiding’. Deze begripsomschrijving sluit aan de invulling die aan een ‘net, bestaande uit een of meer kabels of leidingen’ die in het Burgerlijk Wetboek aan dit begrip wordt gegeven. Als gevolg vallen ook werken die worden aangelegd om de kabel of leiding te laten functioneren onder het begrip. Daarbij kan worden gedacht aan mantelbuizen of andere beschermbuizen, afsluiters en handholes.

Artikel 10.3 Oogmerken

Dit artikel legt uit met welke reden de regels in deze afdeling zijn gesteld. Dit is onder andere om de infrastructuur in bescherming te nemen. Het gaat in dit geval om de ondergrondse infrastructuur, bestaande uit verschillende soorten leidingen. Deze leidingen zorgen bijvoorbeeld voor het transport van elektriciteit, gas en andere stoffen. Om deze reden spelen ze een belangrijke rol in het functioneren van nutsvoorzieningen.

Paragraaf 10.3.2 Bouwen in een beperkingengebied leidingen

Artikel 10.4 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing binnen de locatie ‘Beperkingengebied leidingen’. In dit gebied gelden beperkingen vanwege de aanwezigheid van leidingen in de grond. Het gaat hier om rioolleidingen, waterleidingen, hoogspanningsleidingen en gasleidingen. Deze leidingen maken een belangrijk deel uit van de ondergrondse infrastructuur. In deze paragraaf zijn daarom een aantal beperkingen opgenomen, zodat de leidingen veilig kunnen blijven functioneren.

De beperkingen in deze paragraaf gelden voor het bouwen van bouwwerken.

Artikel 10.5 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen bouwwerken ten dienste van de leiding

Dit artikel bevat toestemmingsvrije gevallen. Voor deze activiteiten is geen melding of vergunning nodig. Het gaat om een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Dit bouwwerk moet ten dienste van de leiding staan. De maximale bouwhoogte van een dergelijk bouwwerk is ook opgenomen in dit artikel.

Wanneer u voor het bouwen van het bouwwerk ook gaat graven met een machine, moet u daar melding van maken bij het Kadaster. Dit heet een KLIC-melding. U ontvangt dan informatie van het Kadaster over de exacte ligging van kabels en leidingen op de plek waar u gaat graven. Zo kunt u graafschade en gevaarlijke situaties voorkomen.

Artikel 10.6 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen vervanging, verandering of vernieuwing

Dit artikel geeft aan dat u geen toestemming nodig heeft om een bouwwerk te vervangen, te vernieuwen of te veranderen. Dit betekent dat deze activiteiten zijn uitgezonderd van de vergunningplicht, bedoeld in dit hoofdstuk. Maar let op. Er geldt meestal wel een vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk op grond van hoofdstuk 6.

U mag het bouwwerk alleen vervangen, vernieuwen of veranderen als u aan de voorwaarde voldoet. De oppervlakte van het bouwwerk, voor zover gelegen op of onder het peil, mag dus niet worden uitgebreid. En u moet de bestaande fundering gebruiken.

Wanneer u voor het bouwen van het bouwwerk ook gaat graven met een machine, moet u daar melding van maken bij het Kadaster. Dit heet een KLIC-melding. U ontvangt dan informatie van het Kadaster over de exacte ligging van kabels en leidingen op de plek waar u gaat graven. Zo kunt u graafschade en gevaarlijke situaties voorkomen.

Artikel 10.7 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen overige bouwwerken

Dit artikel bevat toestemmingsvrije gevallen. Het gaar hier om bouwactiviteiten met een kleine ruimtelijke impact. In hoofdstuk 6 is voor deze categorie aan bouwwerken bepaald dat u deze zonder melding of omgevingsvergunning mag bouwen. Deze lijn wordt in dit hoofdstuk doorgezet, omdat bij deze bouwwerken vooraf duidelijk is dat het belang van de leiding niet onevenredig wordt geschaad.

In het tweede lid is een uitzondering opgenomen voor een aantal bouwwerken. Deze bouwwerken mogen niet zonder omgevingsvergunning gebouwd worden. Bij deze bouwwerken is het risico dat de leiding beschadigd raakt groter. 

Wanneer u voor het bouwen van het bouwwerk ook gaat graven met een machine, moet u daar melding van maken bij het Kadaster. Dit heet een KLIC-melding. U ontvangt dan informatie van het Kadaster over de exacte ligging van kabels en leidingen op de plek waar u gaat graven. Zo kunt u graafschade en gevaarlijke situaties voorkomen.

Artikel 10.8 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel geeft aan dat u een omgevingsvergunning nodig heeft voor het bouwen van bouwwerken. Het gaat hier om bouwwerken die het belang van de leiding kunnen schaden of ten dienste staan van de leiding, maar een grotere ruimtelijke impact hebben. Daarom geldt voor deze bouwwerken een vergunningplicht.

Artikel 10.9 Aanvraagvereisten

Dit artikel regelt welke gegevens en bescheiden u moet aanleveren bij een aanvraag om een omgevingsvergunning. Deze informatie hoeft dus alleen te worden aangeleverd als er op grond van dit hoofdstuk een vergunningplicht geldt voor de activiteit. Met deze gegevens en bescheiden kan worden beoordeeld of de omgevingsvergunning kan worden verleend.

Artikel 10.10 Beoordelingsregels

In dit artikel staat dat de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 10.8, wordt verleend. Dit is het geval als het bouwwerk het belang van de leiding niet schaadt.

Om dit te beoordelen wordt er bijvoorbeeld gekeken naar of het bouwwerk schade kan veroorzaken aan de leiding of het onderhoud aan de leiding verhinderd. De gemeente vraagt advies aan de leidingbeheerder om dit te bepalen. De grondslag daarvoor staat in artikel 10.11.

Artikel 10.11 Advies leidingbeheerder

Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als het belang van de leiding niet onevenredig wordt geschaad. Om dit te beoordelen wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de leiding. Het bevoegd gezag mag de omgevingsvergunning pas verlenen als deze leidingbeheerder is geraadpleegd. 

Binnen de locatie 'Rioolleiding' geldt deze verplichting om advies in te winnen niet. Dat komt doordat de gemeente zelf eigenaar en beheerder is van de rioolleiding. 

Artikel 10.12 Vergunningvoorschriften

Het college van burgemeester en wethouders kan vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning. Met deze voorschriften kan het bevoegd gezag nader vastleggen hoe en onder welke voorwaarde(n) de vergunde activiteit moet worden verricht. Dit geeft de mogelijkheid om te sturen.

Paragraaf 10.3.3 Grondwerkzaamheden verrichten in een beperkingengebied leidingen

Artikel 10.13 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing binnen de locatie ‘Beperkingengebied leidingen’. In dit gebied gelden beperkingen vanwege de aanwezigheid van leidingen in de grond. Het gaat hier om rioolleidingen, waterleidingen, hoogspanningsleidingen en gasleidingen. Deze leidingen maken een belangrijk deel uit van de ondergrondse infrastructuur. In deze paragraaf zijn daarom een aantal beperkingen opgenomen, zodat de leidingen veilig kunnen blijven functioneren. 

De beperkingen in deze paragraaf gelden voor grondwerkzaamheden. Wat onder een grondwerkzaamheid valt blijkt voldoende uit het normale spraakgebruik en is daarom niet als begrip opgenomen in het omgevingsplan.

Artikel 10.14 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen normaal onderhoud en beheer

In dit artikel staat dat u geen toestemming nodig heeft om normaal onderhoud en beheer uit te voeren aan de leiding. Het gaat hier om activiteiten die nodig zijn om de leiding functionerend en veilig te houden, zoals het doen van periodieke metingen en schoonmaakwerkzaamheden.

Wanneer u voor het onderhoud en het beheer van de leiding ook gaat graven met een machine, moet u daar melding van maken bij het Kadaster. Dit heet een KLIC-melding. U ontvangt dan informatie van het Kadaster over de exacte ligging van kabels en leidingen op de plek waar u gaat graven. Zo kunt u graafschade en gevaarlijke situaties voorkomen.

Artikel 10.15 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen instandhoudingsactiviteiten

In dit artikel staat dat u geen toestemming nodig heeft om grondwerkzaamheden te verrichten als deze nodig zijn voor de instandhouding van de leiding. Het gaat hier om activiteiten die ingrijpender zijn dan het normale onderhoud en beheer van de leiding, maar eveneens nodig zijn om de leiding functionerend en veilig te houden. U kunt dan denken aan grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het uitvoeren van spoedreparaties of andere herstelwerkzaamheden. 

Wanneer u voor het onderhoud en het beheer van de leiding ook gaat graven met een machine, moet u daar melding van maken bij het Kadaster. Dit heet een KLIC-melding. U ontvangt dan informatie van het Kadaster over de exacte ligging van kabels en leidingen op de plek waar u gaat graven. Zo kunt u graafschade en gevaarlijke situaties voorkomen.

Artikel 10.16 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel legt uit wanneer u een omgevingsvergunning moet aanvragen. Dit is het geval bij diverse grondwerkzaamheden. Zoals bij het aanleggen van zonnepanelen op de bodem, met de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. Alle vergunningplichtige grondwerkzaamheden staan beschreven in sub a tot en met h.

U heeft bijvoorbeeld een omgevingsvergunning nodig voor het aanbrengen van diepwortelende beplanting en bomen. Deze planten kunnen schade veroorzaken aan de leiding. Zo kan er door de groei van de wortels veel druk op de leiding ontstaan, met scheuren en breuken tot gevolg.

Voor het indrijven van voorwerpen in de bodem heeft u ook een omgevingsvergunning nodig. Met een voorwerp bedoelen we iets dat tastbaar is, maar niet leeft. Het gaat hier dus om vaste objecten die u kunt aanraken. U drijft dit object bijvoorbeeld in de bodem bij het aanleggen van een lantaarnpaal of wegbewijzering. Daarnaast kunt u denken aan het aanbrengen van een peilbuis in de bodem of het slaan van heipalen. Deze sub is ook van toepassing als u tijdelijk een voorwerp in de bodem drijft. Bijvoorbeeld als u bij een festival een grote feesttent opzet.

Artikel 10.18 Beoordelingsregels

In dit artikel staat dat de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 10.16, wordt verleend. Dit is het geval als door de grondwerkzaamheid het belang van de leiding niet schaadt.

Om dit te beoordelen wordt er bijvoorbeeld gekeken naar of de grondwerkzaamheden schade kunnen veroorzaken aan de leiding. Deze schade kan bijvoorbeeld ontstaan als er grond wordt verwijderd die de leiding ondersteunt. De leiding kan dan verzakken of gaan zweven. Daarnaast moet onderhoud aan de leiding mogelijk blijven. 

De gemeente vraagt advies aan de leidingbeheerder om te bepalen of het belang van de leiding wordt geschaad door de voorgenomen grondwerkzaamheden. De grondslag daarvoor staat in artikel 10.19.

Artikel 10.19 Advies leidingbeheerder

Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als het belang van de leiding niet onevenredig wordt geschaad. Om dit te beoordelen wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de leiding. Het bevoegd gezag mag de omgevingsvergunning pas verlenen als deze leidingbeheerder is geraadpleegd.  

Binnen de locatie 'Rioolleiding' geldt deze verplichting om advies in te winnen niet. Dat komt doordat de gemeente zelf eigenaar en beheerder is van de rioolleiding. 

Artikel 10.20 Vergunningvoorschriften

Het college van burgemeester en wethouders kan vergunningvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning. Met deze voorschriften kan het bevoegd gezag nader vastleggen hoe en onder welke voorwaarde(n) de vergunde activiteit moet worden verricht. Dit geeft de mogelijkheid om te sturen.

Hoofdstuk 11 Milieu  

Afdeling 11.1 Bodem
Paragraaf 11.1.1 Algemene bepalingen bodem

Artikel 11.1 Oogmerken bodem

Dit artikel geeft aan welk oogmerk, oftewel aan welk(e) doel(en) de regels voor de activiteit toepassen van grond of baggerspecie moeten bijdragen. Achter het oogmerk zit een afweging tussen het zoveel mogelijk hergebruiken van primaire grondstoffen en het beschermen van de bodemkwaliteit op gebiedsniveau. Bij duurzaam bodembeheer wordt gestreefd naar een balans tussen de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen. Doel is het mogelijk maken van ontwikkelingen zonder de bodem (onevenredig) te schaden.

Artikel 11.2 Maatwerkvoorschriften bodem

Dit artikel geeft aan dat maatwerk mogelijk is op de regels in dit hoofdstuk.

In dit artikel is vastgelegd dat het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift kan opstellen of een verzoek tot maatwerkvoorschrift door een initiatiefnemer gedaan kan worden. Een maatwerkvoorschrift is vergelijkbaar met een vergunningvoorschrift. Het is een apart besluit waarin in specifieke gevallen specifieke regels worden gesteld (vaak voor onvoorziene lokale omstandigheden) in aanvulling of afwijking van de algemene regel.

Artikel 11.3 Aanwijzing bodembeheergebied met bijbehorende bodemkwaliteitskaarten

In het omgevingsplan moet de geometrische begrenzing van het aangewezen bodembeheergebied worden vastgesteld. Deze regel vervangt de regel in het voormalige Besluit Bodemkwaliteit (art. 44 om specifiek te zijn). Het bodembeheergebied betreft hier de 10 gemeenten van Zuid-Holland Zuid. De bodemkwaliteitskaarten en toepassingskaarten zijn te raadplegen op: https://geo.ozhz.nl/?@Bodemkwaliteitskaart

Artikel 11.4 Aanwijzing bodemfunctieklassen binnen bodembeheergebied

In het omgevingsplan moet de gemeente de landbodem van het grondgebied indelen in bodemfunctieklassen. De landbodem wordt ingedeeld in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie. Bij de indeling in bodemfunctieklassen wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan de locatie is toegedeeld. Deze regel vervangt de regel in het voormalige Besluit Bodemkwaliteit (art. 55 om specifiek te zijn). De bodemfunctiekaart is te raadplegen op: https://geo.ozhz.nl/?@Bodemkwaliteitskaart

Paragraaf 11.1.2 Toepassen van grond of baggerspecie

Artikel 11.5 Toepassingsbereik toepassen van grond of baggerspecie

Dit artikel geeft aan over welke activiteit de regels in deze paragraaf gaan.

Artikel 11.6 Oogmerken toepassen grond of baggerspecie

Zie de toelichting bij artikel 11.1.

Artikel 11.7 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen thermisch gereinigde grond

Uitleg artikel

Dit artikel bepaalt dat voor het toepassen van thermisch gereinigde grond een vergunningplicht geldt. Voor het toepassen van deze bouwstoffen moet eerst een omgevingsvergunning aangevraagd worden om het te kunnen toepassen.

Artikel 11.8 Aanvraagvereisten vergunning thermisch gereinigde grond

De aanvraagvereisten zijn nodig bij het beoordelen, opstellen en afgeven van een omgevingsvergunning. De gegevens zijn ook nodig voor het uitvoeren van toezicht- en handhavingstaken door het bevoegd gezag.

In lid a en lid b wordt gevraagd om de verwachte begintijd van de activiteit en een planning hiervan. De planning wordt mede gevraagd om te beoordelen of aan de zorgplicht wordt voldaan. Bijvoorbeeld een lange tussentijdse opslag van de thermisch gereinigde grond voordat deze wordt toegepast/verwerkt in het werk (als gevolg van bijvoorbeeld een zomervakantie) kan onnodige risico's voor het milieu opleveren.

Met de gegevens gevraagd in lid c kan mede gecontroleerd worden of de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

In lid d wordt gevraagd om de ligging, omvang en locatietekeningen van het toe te passen materiaal. Op basis hiervan wordt bijvoorbeeld beoordeeld of de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte. Daarnaast kan de ligging op basis hiervan ook worden geregistreerd.

Aan de hand van lid e, f en g kan beoordeeld worden of het materiaal in de aanlegfase en in de gebruiksfase geen nadelige gevolgen heeft voor veiligheid, gezondheid en milieu, waaronder de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. Uit de gevraagde beschrijving moet blijken dat vooraf nagedacht is over de invulling van de zorgplicht tijdens het werk. Voor bijvoorbeeld de kritische aspecten, zoals stofvorming, contact materiaal met water en beïnvloeding oppervlaktewater, dient aangegeven te worden hoe hier in de aanlegfase mee omgegaan wordt.

Op basis van de in lid h en i opgegeven toepassingshoogte kan worden beoordeeld of wordt voldaan aan de eis dat de toepassing vanaf het begin van de activiteit tot aan het buiten gebruik stellen van het werk boven de grondwaterstand (GHG) liggen en niet in contact komen met het grond- en oppervlaktewater.

De leden j, k en l geven inzicht in wie verantwoordelijk is tijdens de aanlegfase, gebruiksfase en buiten gebruik stelling van het werk. Deze gegevens zijn nodig voor vergunningverlening, toezicht en eventuele handhaving.

Met de gegevens uit de leden kunnen verder ook de nog niet benoemde aspecten uit de beoordelingsregels worden beoordeeld.

Artikel 11.9 Beoordelingsregels thermisch gereinigde grond

Een omgevingsvergunning wordt verleend als de toepassing past bij de functie van een locatie en omgeving en als in voldoende mate rekening wordt gehouden met de zorgplicht.

Allereerst (lid a) wordt gecontroleerd of de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In deze paragraaf staan algemeen geldende regels voor het toepassen van thermisch gereinigde grond. Zo wordt bijvoorbeeld getoetst of sprake is van een nuttige en functionele toepassing in een werk; bijvoorbeeld als fundatie onder infrastructuur of bouwwerk en wordt de kwaliteit van de toe te passen grond gecontroleerd.

Daarnaast (lid b) wordt ook beoordeeld of de zorgplicht tijdens en na het toepassen wordt gewaarborgd. Bij de aanvraagvereisten worden gegevens gevraagd over specifieke aspecten die vaak voorkomen bij het werk. Deze gegevens worden in ieder geval beoordeeld in dit kader.

Het belang zoals in lid c en d wordt omschreven is afkomstig uit de instructieregel in de Zuid Hollande Omgevingsverordening (artikel 7.39g) voor milieubelastende activiteiten met gevolgen voor watersystemen. Dit belang is overgenomen aangezien de toepassing van thermisch gereinigde grond gevolgen kan hebben voor watersystemen.

In lid e, f en i wordt overwogen of de toepassing bij de gebruiksfunctie van de locatie en omgeving past. De toepassing past bijvoorbeeld bij locaties gelegen op bedrijfs- of industrieterreinen of grootschalige infrastructuur. Toepassing in woon-, grondwaterbeschermings-, landbouw- of natuur- gebieden past minder goed bij de functie van het gebied. Indien sprake is van hergebruik op plaats van vrijkomen is dit wel weer te overwegen. Toepassing in grootschalige werken (lid g) zoals een (snel)weg of viaduct is passend, maar in een kleinschalig werk zoals een fietspad of een kleine brug is toepassing minder voor de hand liggend. Het is van belang dat als na toepassing graafwerkzaamheden plaatsvinden dat dan de aanwezigheid van de grond herkend wordt.

In lid g en h staan maatregelen om uitspoeling van stoffen naar de bodem en oppervlaktewater te voorkomen. Het doel van de afdekking en hoge ligging is het voorkomen van contact van de toepassing met water. Op die manier wordt uitspoeling voorkomen. Getoetst wordt of de grond boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand wordt aangelegd en deze ook na zetting tijdens de gebruiksfase blijft liggen. Daarnaast wordt getoetst of de toepassing wordt afgedekt met een gesloten verharding. Een gesloten verharding betreft bijvoorbeeld een asfaltverharding en een vergelijkbare afdekking kan bijvoorbeeld een kleilaag in combinatie met folie zijn.

Indien afgeweken wordt van de criteria in dit omgevingsplan, dan is het is mogelijk om een buitenplanse omgevingsvergunning voor afwijking op het omgevingsplan (BOPA) aan te vragen.

Buiten de scope van de beoordeling van de omgevingsvergunning vallen mogelijk andere van toepassing zijnde regelgeving, zoals bijvoorbeeld regels, zoals artikel 3.41 ZHOV ten aanzien van grondwaterbeschermingsgebieden (Zuid-Hollandse Omgevingsverordening). Op basis van deze regelgeving kan het verplicht zijn om een omgevingsvergunning bij (Omgevingsdienst Haaglanden namens) de provincie aan te vragen.

Artikel 11.10 Bodemvreemd materiaal in toe te passen grond of baggerspecie

Uitleg artikel

In dit artikel staat dat in gebieden die volgens de bodemfunctiekaart de functieklasse Landbouw/natuur of Wonen hebben, geen grond of baggerspecie mag worden toegepast met meer dan 5 gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout. Dit in tegenstelling tot de in het Besluit activiteiten leefomgeving genoemde 20 gewichtsprocent in artikel 4.1271 lid 1 onder a.

Alleen bij een partijkeuring wordt het percentage bodemvreemd materiaal daadwerkelijk aangegeven bij de keuring door de veldwerker. Dit is niet zo bij (water)bodemonderzoeken. Dit is ook niet in het protocol hiervoor vastgelegd (protocol 2001). Hier wordt praktisch mee omgegaan. Matig, sterk of uiterst steenachtig of houtachtig materiaal houdend wordt ingeschat als meer dan 5%. Sporen en licht steenachtig of houtachtig materiaal houdend wordt ingeschat als minder dan 5%

Reikwijdte

Dit artikel is van toepassing op grond en baggerspecie die wordt toegepast in gebieden met de functie landbouw/natuur of wonen.

Artikel 11.11 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie

Uitleg artikel

Lid 1

In dit artikel wordt bij lid 1 aangegeven welke kwaliteitseisen strenger zijn in dit beheergebied dan de landelijke regels (artikel 4.1272 uit het Besluit activiteiten leefomgeving). Dit geldt voor het toepassen van grond of baggerspecie op landbodem die zowel uit het beheergebied afkomstig is als van elders komt.

PH (zuurgraad): Bij toepassing van grond of baggerspecie in het beheergebied moet de pH-waarde van de toe te passen grond of bagger tussen de 5 en 9 liggen. Grond met andere pH-waarden zijn niet toegestaan. In ons beheergebied komt over het algemeen een pH van tussen de 5 en 9 voor, dit sluit aan bij het natuurlijke ecologische systeem. Vreemde gronden (zure gronden of antropogene gronden) worden weleens aangeboden, maar zijn vanuit ecologisch oogpunt niet wenselijk, de toepassing van deze gronden wordt hiermee uitgesloten.

Chloride: Bij toepassing van grond of baggerspecie in het beheergebied mag de grond of bagger niet zilt of zout zijn. Van zilte of zoute grond is sprake bij een chloridegehalte van 200 mg/kg of hoger. Deze norm is ontleend aan de eisen die gesteld worden aan ontzilt zeezand. Het toepassen van zilte of zoute gronden is niet wenselijk, omdat dit negatief effect heeft op de flora en fauna in ons gebied. De toepassing van deze gronden wordt hiermee uitgesloten. Er is wel maatwerk (maatwerkbesluit) mogelijk voor bijzondere situaties.

Barium: Bij toepassing van grond of baggerspecie in het beheergebied geldt een maximale waarde van 920 mg/kg droge stof (standaard bodem). Voor barium is geen toetsingswaarde opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit bij indeling van grond en baggerspecie in een kwaliteitsklasse. In ons beheergebied komen van nature gehalten tot de voormalige interventiewaarde van 920 mg/kg droge stof voor. Barium wordt standaard meegenomen in de analyse van de grond of baggerspecie en kan ook een antropogene verontreiniging zijn. Het gehalte barium boven de voormalige interventiewaarde kan duiden op een sterke antropogene verontreiniging. Hergebruik van grond met een sterke verontreiniging wordt hiermee uitgesloten.

Lood: In gebieden met de functie wonen geldt voor lood een maximale waarde van 90 mg/kg droge stof (standaard bodem) en voor volks- en moestuinen (loodgevoelige locatie) een maximale waarde van 50 mg/kg droge stof (standaard bodem). Deze ten opzichte van het landelijke beleid (Regeling bodemkwaliteit) strengere waarden vloeien voort uit het provinciale handelingskader voor lood (2020) dat is opgesteld naar aanleiding van advies van het RIVM (2015 en 2017) en de GGD (2016). De waarden sluiten gezondheidsrisico's uit en bij deze waarden is de bodem duurzaam geschikt voor de beoogde bodemfunctie.

Asbest: Op asbestgevoelige locaties geldt voor asbest een maximale waarde van 10 mg/kg droge stof (gewogen gehalte). Dit verkleint de kans op het aantreffen van asbesthoudend materiaal in opgebrachte grond. Asbestgevoelige locaties zijn openbare kinderspeelplaatsen, achtertuinen bij woningen, volks- en moestuinen, tuinen en verhardingen die horen bij een school en openbare plantsoenen in woonwijken.

Lid 2

In dit artikel wordt in lid 2 aangegeven welke kwaliteitseisen soepeler zijn in dit beheergebied dan de landelijke eisen (artikel 4.1272 uit het Besluit activiteiten leefomgeving). Met het versoepelen van de kwaliteitseisen zorgen we ervoor dat meer grond en baggerspecie kan worden hergebruikt, zonder dat de risico's voor de gezondheid of de bodemkwaliteit toenemen. Dit geldt voor het toepassen van grond of baggerspecie op landbodem afkomstig uit ons beheergebied. Grond die van elders komt dient aan de landelijke eisen te voldoen.

Nikkel: Voor toepassen van grond of baggerspecie in een gebied met gebruiksfunctie landbouw/natuur en wonen geldt een maximaal gehalte nikkel van 56 mg/kg droge stof (standaard bodem). In ons beheergebied komen gehalten voor tot 56 mg/kg droge stof. Dit is de P95 (95ste percentiel) van ons beheergebied. Deze waarden leiden niet tot gezondheidsrisico's.

Reikwijdte

De kwaliteitseisen ten aanzien van pH, barium, chloride, lood en asbest gelden voor alle grond of baggerspecie die in het beheergebied wordt toegepast. De soepele kwaliteitseisen ten aanzien van nikkel geldt voor grond die vrijkomt en wordt toegepast binnen het beheergebied.

Artikel 11.12 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen van baggerspecie

Bij verspreiden van baggerspecie in het beheergebied mag de bagger niet zilt of zout zijn. Van zilte of zoute grond is sprake bij een chloridegehalte van 200 mg/kg of hoger. Deze norm is ontleend aan de eisen die gesteld worden aan ontzilt zeezand. Het verspreiden van zilte of zoute bagger in zoetwatersystemen is niet wenselijk, omdat dit negatief effect heeft op de flora en fauna. Omdat bagger ook van nature (door kwel) zilt of zout kan zijn, wordt wel toegestaan dat de bagger nabij de locatie van vrijkomen op de kant wordt gezet of op locaties wordt verspreid waar tevens sprake is van nature zilte/zoute omstandigheden. Op deze manier wordt invulling gegeven aan de zorgplicht.

Artikel 11.13 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie voor de Volgerlanden

Uitleg artikel

In de grond van De Volgerlanden worden regelmatig lage gehalten aan bestrijdingsmiddelen aangetroffen die hergebruik op basis van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bodemkwaliteit binnen De Volgerlanden formeel in de weg staan. De oorzaak van de bestrijdingsmiddelen in de grond is het langjarige gebruik van het gebied als tuinbouwgrond. In dit artikel wordt het reeds sinds 1999 bestaande hergebruiksbeleid overgenomen, waarmee, op aanvaardbare wijze, hergebruik van deze grond binnen De Volgerlanden als gebiedseigen grond kan worden gerealiseerd.

In onderdeel a staat aangegeven dat de grond voor de andere stoffen aan de kwaliteitseisen moet voldoen. In onderdeel b staat dat het gaat om grond die vrijkomt en wordt hergebruikt binnen het gebied De Volgerlanden. In onderdeel c staan de kwaliteitseisen die gelden voor de individuele bestrijdingsmiddelen (organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) en polychloorbifenylen (PCB) en in onderdeel d staat dat de dat de som van deze bestrijdingsmiddelen maximaal 1 mg/kg droge stof (standaardbodem) mag bedragen.

Reikwijdte

De verruimde kwaliteitseisen ten aanzien van OCB en PCB gelden voor grond die vrijkomt en wordt hergebruikt binnen het gebied De Volgerlanden.

Artikel 11.14 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor wegbermen buiten bebouwde kom

Uitleg artikel

De kwaliteit van wegbermen is de laatste decennia beter geworden, vanwege schonere voertuigen, kwaliteit van het wegdek en wegonderhoud. Wegbermen vormen een steeds belangrijker groenvoorziening en bron voor biodiversiteit. Dat blijkt o.a. uit beleid van de provincie Zuid-Holland en een veranderend groenbeheer in gemeenten. Er zijn aantoonbaar negatieve effecten van enkele zware metalen en bestrijdingsmiddelen op planten, insecten en bodemfauna. Deze hopen zich op in de voedselketen. Wegbermen betreffen 'Groen met natuurwaarden' met 'gemiddelde generieke bescherming'. Dit komt overeen met de bodemkwaliteitsklasse "wonen". Om het milieu te beschermen is in dit artikel opgenomen dat alleen grond van de kwaliteitsklasse wonen of schoner (landbouw/natuur) mag worden toegepast in wegbermen.

Reikwijdte

Het betreft het toepassen van grond en baggerspecie van uit de regio en van buiten de regio in wegbermen. Het is niet van toepassing op grootschalige toepassingen. Bij tijdelijke uitname van grond gelden de regels uit paragraaf 3.2.21 (Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit) van het Besluit activiteit leefomgeving.

Artikel 11.15 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor bedrijventerreinen

De grond die op een industrie- of bedrijventerrein van groter dan 2 hectare mag worden toegepast mag van de kwaliteit industrie (en schoner) zijn. Met deze regel wordt niet gekeken naar de bestaande bodemkwaliteit, maar alleen naar de gebruiksfunctie van de locatie. Dit is een verruiming van de mogelijkheden voor hergebruik van de grond, zonder dat hierdoor risico's voor de gezondheid of de bodemkwaliteit ontstaan (eerste lid). Dit beleid is overgenomen uit de bodembeheernota van 2010.

In het tweede lid is een uitzondering aangegeven. Dit betreft het Circulair Bedrijvenpark Ambachtsezoom. In de toekomst kunnen er eventueel ook andere locaties worden aangewezen als bedrijven- of industrieterreinen waarop de afwijkende kwaliteitseisen niet van toepassing zijn. Dit kan bijvoorbeeld voor locaties waar de gemeente andere ambities ten aanzien van de bodemkwaliteit heeft.

Reikwijdte

Dit betreft alleen grond uit het beheersgebied die wordt toegepast in het beheersgebied op nieuwe industrie-/bedrijventerreinen, met uitzondering van bedrijventerreinen waar de gemeente andere ambities heeft ten aanzien van de bodemkwaliteit. Op basis van het Besluit activiteiten leefomgeving dat verwijst naar de bodemkwaliteitskaart en bodemfunctiekaart geldt voor nieuwe bedrijventerreinen vaak dat schone grond moet worden toegepast. Echter, met deze regel (eerste lid) bepalen wij dat grond van een vuilere klasse mag worden toegepast. Dit is een verruiming.

Artikel 11.16 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie PFAS

Uitleg artikel

In de regio Zuid-Holland Zuid komt een omvangrijke diffuse bodemverontreiniging met PFOA voor met concentraties die aanzienlijk hoger zijn dan de landelijke achtergrondwaarde. Om hergebruik mogelijk te maken zijn lokale normen nodig. We willen grond en baggerspecie zo veel mogelijk hergebruiken, omdat dan storten van grond en winning van nieuwe grondstoffen (primair materiaal) minder nodig is. Dit is een invulling van het rijksbeleid voor duurzaam bodembeheer (Besluit bodemkwaliteit en Handelingskader PFAS 2021).

Ten behoeve van het lokale hergebruiksbeleid is een zone A en B gedefinieerd. In zone A worden over het algemeen gehalten PFAS (P95) verwacht die liggen onder de landelijke achtergrondwaarden. Daarom gelden hier geen afwijkende kwaliteitseisen. In zone B komen gehalten voor die hoger zijn dan de landelijke achtergrondwaarden voor PFOA en in mindere mate ook PFOS. Zie figuur 1.

In onderdeel a van dit artikel staat aangegeven dat de grond voor de andere stoffen dan PFOA en PFOS aan de kwaliteitseisen moet voldoen. In onderdeel b staat dat het gaat om grond afkomstig uit zone B en toegepast wordt in zone B van de PFAS-zonekaart. Voor de gebruiksfunctie landbouw/natuur en voor moestuinen en volkstuinen zijn afwijkende (soepelere) eisen gesteld voor de stof PFOA en PFOS. Voor de gebruiksfunctie wonen en industrie zijn de landelijke normen wat ruimer. De grond die nu aangeboden wordt in die gebieden voldoet in de meeste gevallen aan de landelijke norm, een regionale norm is hier niet nodig.

In grondwaterbeschermingsgebieden gelden ook eisen vanuit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Op dit moment voldoen de eisen ook aan de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

In onderdeel c van dit artikel staan de lokale normen voor PFOA en PFOS voor de gebruiksfuncties landbouw/natuur en voor moestuinen en volkstuinen. De normen zijn een balans tussen de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen. Gezondheidsrisico's zijn hierbij uitgesloten.

Dit resulteert samengevat in het volgende overzicht van lokale en landelijke normen (weergegeven in µg/kg in plaats van in het artikel in mg/kg) voor hergebruik van PFAS-houdende grond:

Tabel 1: Toepassen grond/baggerspecie Zone A – conform landelijk beleid
Tabel 2: Toepassen grond/baggerspecie Zone B – conform landelijk beleid

Kanttekening

De kwaliteitseisen in dit artikel bieden voor grond uit zone B onvoldoende hergebruiksruimte. Dit is niet met een algemeen geldend artikel op te lossen. Met maatwerk kan wel ruimte worden geboden waar dit verantwoord is. In zone B kan daarom, onder voorwaarden, ruimte worden geboden voor maatwerk voor grond met hogere hergebruiksnormen. Per locatie kan hiervoor een maatwerkvoorschrift worden aangevraagd. Het beleid is verder uitgewerkt in het beleidsstuk “hergebruik PFAS houdende grond en bagger Zuid-Holland Zuid”. Deze staat op de website van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid.

Reikwijdte

De in dit artikel opgenomen Lokale Maximale Waarden gelden alleen voor grond en baggerspecie afkomstig uit de regio Zuid-Holland Zuid, die wordt toegepast in zone B. Het betreft niet het verspreiden van baggerspecie (en weilanddepots voor baggerspecie). Voor de overige PFAS zijn geen Lokale Maximale Waarden opgesteld, maar is het landelijke beleid geldig.

Ter plaatse van puntbronnen (bijvoorbeeld plaatsen waar met blusschuim is gewerkt) kunnen sterk verhoogde gehalten aan PFAS voorkomen in de bodem. Dit artikel geldt alleen voor grond met verhoogde gehalten als gevolg van de regionale diffuse verontreiniging met PFOA. Ook bij perceelsmatching zijn verhoogde gehalten als gevolg van puntbronnen in zowel de toe te passen grond als de ontvangende bodem uitgesloten van de toets. Puntbronnen vallen onder andere regelgeving, zoals het overgangsrecht van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet.

Artikel 11.17 Maatwerkregel milieukwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie

Uitleg artikel

In het eerste lid van dit artikel wordt aangegeven dat een milieuverklaring voor bodemkwaliteit niet enkel mag bestaan uit een verklaring op grond van de bodemkwaliteitskaart, maar dat de kwaliteit tevens tenminste moet zijn bevestigd met een verkennend bodemonderzoek. Een milieuverklaring voor de bodemkwaliteit kan bestaan uit een verkennend bodemonderzoek in combinatie met een verklaring op basis van de bodemkwaliteitskaart. Deze kan niet bestaan uit enkel een verklaring op basis van de bodemkwaliteitskaart. In het tweede lid staat aangegeven dat dit alleen kan als sprake is van een onverdachte locatie en dat het verkennend bodemonderzoek moet voldoen aan de NEN5725 en NEN5740. Indien uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit slechter is dan wat de bodemkwaliteitskaart aangeeft, dient een kwaliteitsbewijs voor de bodemkwaliteit te bestaan uit een verklaring op grond van een partijkeuring. Ook als de locatie verdacht is, dient een kwaliteitsbewijs voor de bodemkwaliteit te bestaan uit een verklaring op grond van een partijkeuring.

Een onderzoek conform NEN5740 betreft ook grondwateronderzoek. Omdat het om toepassen van grond of baggerspecie gaat, hoeft de kwaliteit van het grondwater niet te worden onderzocht. Dit is dan ook uitgesloten in het tweede lid van dit artikel.

Reikwijdte

Door dit artikel wordt het niet toegestaan om enkel op grond van de bodemkwaliteitskaart grondverzet te plegen. De grond moet tenminste zijn onderzocht met een verkennend bodemonderzoek. De bodemkwaliteitskaart is gebaseerd op een gemiddelde bodemkwaliteit, dit betekent dat de kwaliteit van een vrijkomende partij grond slechter kan zijn dan de kaart aangeeft. Daarom is specifiek bodemonderzoek naar de te verplaatsen partij grond nodig. In de praktijk is grond die vrijkomt meestal al onderzocht en vindt grondverzet plaats op basis van een partijkeuring of een representatief verkennend bodemonderzoek in combinatie met de bodemkwaliteitskaart.

Artikel 11.18 Maatwerkregel informatieplicht toepassen grond of baggerspecie

Uitleg artikel

Als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit toepassing van grond of baggerspecie staat in lid 1 dat bij het toepassen van grond of baggerspecie van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur tevens een milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt. In artikel 4.1267, tweede lid, onder c van het Besluit activiteiten leefomgeving staat dat dit niet hoeft. Maar met dit artikel wordt de uitzondering buiten werking gesteld en moet dit dus wel. Zonder dit rapport kan het bevoegd gezag haar VTH-taken niet uitvoeren.

In lid 2 van dit artikel wordt aangegeven dat het verkennend bodemonderzoek uit het vorige artikel ook als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit toepassen van grond of baggerspecie moet worden verstrekt.

Verder staat in het tweede lid dat naast een milieuverklaring bodemkwaliteit ook de hieraan ten grondslag liggende rapporten moeten worden ingediend bij het bevoegd gezag. Zonder deze rapporten kan het bevoegd gezag haar VTH-taken niet uitvoeren.

In het derde lid wordt aangegeven welke gegevens ook als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit toepassen van grond of baggerspecie moeten worden verstrekt. De gevraagde gegevens hier betreffen enkele vragen over de milieubelastende activiteit, zoals het percentage bodemvreemd materiaal en of de grond van een saneringslocatie komt. Deze gegevens zijn wel bekend, alleen bij ontvangst van de melding niet digitaal toegankelijk. Het gaat dus om gegevens die bij de aanvrager bekend zijn. De gegevens zijn bedoeld om de risico's van een toepassing inzichtelijk te maken. Dit stelt het bevoegd gezag in staat tot een risico gestuurde uitvoering van de VTH-taken.

Reikwijdte

Dit artikel heeft betrekking op de gegevens en bescheiden die voor het begin van een activiteit moeten worden verstrekt. In aanvulling op de gegevens en bescheiden van artikel 4.1267 van het Besluit activiteiten leefomgeving moeten ook de hierboven vermelde gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover deze van toepassing zijn en moeten ook gegevens en bescheiden worden verstrekt ten aanzien van de risico's van de activiteit.

Paragraaf 11.1.3 Toepassen van bouwstoffen

Artikel 11.19 Toepassingsbereik toepassen van bouwstoffen

Uitleg artikel

Dit artikel geeft aan waar deze paragraaf over gaat.

Artikel 11.20 Oogmerken toepassen van bouwstoffen

Zie de toelichting bij artikel 11.1.

Artikel 11.21 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken

Uitleg artikel

Dit artikel bepaalt dat voor het toepassen van secundaire bouwstoffen, specifiek de bouwstoffen AVI-bodemassen, metaalslakken, immobilisaten en grondstabilisatie of een bouwstof met 20% gewichtsprocent aan één van deze vier bouwstoffen een vergunningplicht geldt. Voor het toepassen van deze bouwstoffen moet eerst een omgevingsvergunning aangevraagd worden om het te kunnen toepassen.

Artikel 11.22 Aanvraagvereisten vergunning AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken

De aanvraagvereisten zijn nodig bij het beoordelen, opstellen en afgeven van een omgevingsvergunning. De gegevens zijn ook nodig voor het uitvoeren van toezicht- en handhavingstaken door bevoegd gezag.

In lid a en b wordt gevraagd om de verwachte begintijd van de activiteit en een planning hiervan. De planning wordt mede gevraagd om te beoordelen of aan de zorgplicht wordt voldaan. Bijvoorbeeld een lange tussentijdse opslag van de bouwstof voordat deze wordt toegepast/verwerkt in het werk (als gevolg van bijvoorbeeld een zomervakantie) kan onnodige risico's voor het milieu opleveren.

Lid c en d betreffen de locatie van de toepassing. Deze zijn nodig om de locatie te registreren. En te toetsen of de toepassing past bij de functie van de locatie en niet in een waterwingebied ligt.

Op basis van de in lid e opgegeven toepassingshoogte kan worden beoordeeld of wordt voldaan aan de eis dat de toepassing vanaf het begin van de activiteit tot aan het buiten gebruik stellen van het werk boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ligt en niet in contact komt met het grond- en oppervlaktewater. Een onderbouwing kan bestaan uit bijvoorbeeld een zettingsberekening in combinatie met grondwaterpeilingen.

In lid f wordt gevraagd om de hoeveelheid van toe te passen materiaal. Eerder in b werd ook al de omvang gevraagd, deze zouden in overeenstemming met elkaar moeten zijn. Daarnaast kan op basis hiervan ook worden beoordeeld of de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte.

Met de gegevens gevraagd in lid g en h kan mede gecontroleerd worden of de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

De lid i, j en k geven inzicht in wie verantwoordelijk is tijdens de aanlegfase, gebruiksfase en buiten gebruik stelling van het werk. Deze gegevens zijn nodig voor vergunningverlening, toezicht en eventuele handhaving.

Aan de hand van de leden l, m, n en o kan beoordeeld worden of de toepassing in de aanlegfase en in de gebruiksfase geen nadelige gevolgen heeft voor veiligheid, gezondheid en milieu, waaronder de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. Uit de gevraagde beschrijving moet blijken dat vooraf is nagedacht over de invulling van de zorgplicht tijdens het werk. Voor bijvoorbeeld de kritische aspecten, zoals stofvorming, contact bouwstof met water en beïnvloedding oppervlaktewater, dient aangegeven te worden hoe hier in de aanlegfase mee omgegaan wordt. Indien sprake is van immobilisaat is ook van belang:

  • het type materiaal (inclusief de dikte en het moment van aanbrengen) wat gebruikt gaat worden om de uitdroging, slijtage en erosie van het immobilisaat te voorkomen tijdens het uithardingsproces;

  • een beschrijving en visualisatie van hoe de randen en taluds van de definitieve toepassing worden afgewerkt;

  • een beschrijving van alle uit te voeren metingen en werkwijzen met betrekking tot de vereiste controles van de verdichtingsgraad van de ondergrond en het aan te brengen immobilisaat (verwijzing naar RAW bepalingen is onvoldoende). Daarnaast ook een beschrijving wat de minimale druksterkte (in Mpa) moet zijn van het aangebracht immobilisaat voordat dit immobilisaat wordt betreden met hei/funderingsmachines.

Met de gegevens uit de leden kunnen verder ook de nog niet benoemde aspecten uit de beoordelingsregels worden beoordeeld.

Artikel 11.23 Beoordelingsregels vergunning AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken

In deze beoordelingsregel is bepaald wanneer het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verleent.

Allereerst (lid a) wordt gecontroleerd of de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In deze paragraaf staan algemeen geldende regels voor het toepassen van bouwstoffen. Zo wordt bijvoorbeeld getoetst of sprake is van een nuttige en functionele toepassing in een werk; bijvoorbeeld als fundatie onder infrastructuur of bouwwerk en wordt de kwaliteit van de bouwstof gecontroleerd.

Daarnaast (lid b) wordt ook beoordeeld of de zorgplicht tijdens en na het toepassen wordt gewaarborgd. Bij de aanvraagvereisten worden gegevens gevraagd over specifieke aspecten die vaak voorkomen bij het werk. Deze gegevens worden in ieder geval beoordeeld in dit kader.

Het belang zoals in lid c en d wordt omschreven is afkomstig uit de instructieregel in de Zuid Hollande Omgevingsverordening (artikel 7.39g) voor milieubelastende activiteiten met gevolgen voor watersystemen. Dit belang is overgenomen aangezien de toepassing van deze bouwstoffen gevolgen kan hebben voor watersystemen.

Ook lid e is overgenomen uit de Zuid Hollande Omgevingsverordening (artikel 3.103 (aanwijzing verboden gevallen)). Het is volgens de verordening verboden om in een waterwingebied de activiteit toepassen van een bouwstof te verrichten. In artikel 3.18, tweede lid, van de ZHOV is bepaald dat afdeling 3.3 van de ZHOV niet geldt voor de uitvoering van taken door drinkwaterbedrijven als bedoeld in artikel 7 van de Drinkwaterwet. Met waterwingebied wordt bedoeld een waterwingebied zoals blijkt uit de geometrische begrenzing van grondwaterbeschermingsgebieden die is vastgelegd in bijlage II van de ZHOV.

In lid f wordt overwogen of de toepassing bij de gebruiksfunctie van de locatie en omgeving past. De toepassing past bijvoorbeeld bij locaties gelegen op bedrijfs- of industrieterreinen of grootschalige infrastructuur. Toepassing in woon-, grondwaterbeschermings-, landbouw- of natuur- gebieden past minder goed bij de functie van het gebied. Indien sprake is van hergebruik op plaats van vrijkomen is dit wel weer te overwegen. Toepassing in grootschalige werken (lid g) zoals een (snel)weg of viaduct is passend, maar in een kleinschalig werk zoals een fietspad, parkeerplaats of een kleine brug is toepassing minder voor de hand liggend. Meest gewenste toepassingslocaties zijn in weg- en waterbouwkundige werken als aanvul-, ophoog- en funderingsmateriaal en als steunlaagmateriaal op stortplaatsen.

Lid g: Herkenbaar en beheersbaar door voldoende schaalgrootte: hiermee wordt bedoeld dat als er in de grond wordt gegraven waar deze bouwstof is toegepast, dat je herkent dat er een bouwstof aanwezig is in de grond.

Toepassing in grootschalige werken verdient milieuhygiënisch en beheersmatig gezien de voorkeur. De omvang (schaalgrootte) is van belang voor de levensduur van de toepassing, waarbij de bouwstof niet doorgraven mag worden, goed aanwijsbaar/terug vindbaar en goed terug neembaar moet zijn. Het is van belang dat als na toepassing graafwerkzaamheden plaatsvinden, de aanwezigheid van een bouwstof herkent wordt. Bij een grootschalige toepassing kun je denken aan bijvoorbeeld toepassing over een oppervlakte van 1000 m2 of omvang van 5000 m3. In sub g wordt gesproken over voldoende, omdat hier geen exact getal aan te verbinden is. Zo kan bijvoorbeeld een toepassing onder een loods met een oppervlakte van 500-1000 m2 ook herkenbaar en beheersbaar zijn.

In lid h staan maatregelen om uitspoeling van stoffen naar de bodem en oppervlaktewater te voorkomen. Het doel van de afdekking en hoge ligging is het voorkomen van contact van de toepassing met water. Op die manier wordt uitspoeling voorkomen.

Getoetst wordt of de bouwstof boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand wordt aangelegd en deze ook na zetting tijdens de gebruiksfase blijft liggen. Daarnaast wordt getoetst of de toepassing wordt afgedekt met een gesloten verharding. Een gesloten verharding betreft bijvoorbeeld een asfaltverharding en een vergelijkbare afdekking kan bijvoorbeeld een kleilaag in combinatie met folie zijn. De gesloten verharding is rekkelijk maar hangt ook af van de functie, locatie en soort toepassing en onder welke condities de bouwstof wordt toegepast.

Lid i: Ook kunnen voorzieningen of maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de bouwstof in de aanlegfase en gebruiksfase de kwaliteit of zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden. Bij het verlenen van een vergunning wordt afgewogen of voldoende rekening wordt gehouden met de effecten van de toepassing op mens en milieu (nadere invulling van de zorgplicht).

Lid j: Als randvoorwaarde bij het verlenen van een vergunning geldt altijd dat de veiligheid, gezondheid en milieu niet geschaad mogen worden.

Indien afgeweken wordt van de criteria in dit omgevingsplan, dan is het is mogelijk om een buitenplanse omgevingsvergunning voor afwijking op het omgevingsplan (BOPA) aan te vragen.

Paragraaf 11.1.4 Opslaan van grond en baggerspecie

Artikel 11.24 Toepassingsbereik opslaan van grond en baggerspecie

Dit artikel geeft aan waar deze paragraaf over gaat.

Artikel 11.25 Oogmerken opslaan van grond en baggerspecie

Zie de toelichting bij artikel 11.1.

Artikel 11.26 Afscherming bij opslaan grond

Uitleg artikel

Niet afgeschermde depots grond vormen een risico voor spelende kinderen (graven van kuilen/grotten). Niet afgeschermde depots grond zijn gevoelig voor illegale bijstort van grond en afval. Depots kunnen makkelijk verstuiven. Dat is zeer ongewenst voor asbesthoudende grond. Daarom worden aanvullende voorzieningen voorgeschreven bij het opslaan van grond die erop gericht zijn dit te voorkomen. Het betreft het afschermen van het depot van de omgeving (bv door een hekwerk) en het afdekken van asbesthoudende grond.

Reikwijdte

Dit betreft vooral het eenmalig opslaan van één partij grond buiten een onderneming.

Artikel 11.27 Maatwerkregel informatieplicht: beëindigen activiteit

Uitleg artikel

Indien bij het beëindigen van de activiteit een eindsituatie bodemonderzoek moet worden ingediend, dan moet deze ook in XML-format worden ingediend. Dit XML-format gebruikt het bevoegd gezag om invulling te geven aan de Wet basisregistratie ondergrond.

Reikwijdte

Alleen als een eindsituatie bodemonderzoek moet worden verstrekt, wordt aanvullend een XML-format van dit bodemonderzoek gevraagd.

Paragraaf 11.1.5 Graven in de bodem

Subparagraaf 11.1.5.1 Algemene bepalingen graven in de bodem

Artikel 11.28 Oogmerken graven in de bodem

Zie de toelichting bij artikel 11.1.

Subparagraaf 11.1.5.2 Graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 11.29 Toepassingsbereik graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit

Dit artikel geeft aan waar deze subparagraaf over gaat.

Artikel 11.30 Graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit

Uitleg artikel

Met dit artikel worden de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving over de milieubelastende activiteit "graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit" ook van toepassing verklaard als dit gaat om graven in grond met een kwaliteit voor PFOA onder of gelijk aan de INEV (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging), wat een verglijkbare waarde is als de interventiewaarde.

Reikwijdte en werking

Bij het graven in de bodem met een bodemvolume groter dan 25 m3 waarin een niet-sterke verontreiniging (gehalten onder de INEV) met PFOA voorkomt is de milieubelastende activiteit "graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit" van toepassing. Dit betekent dat de algemene regels die gelden voor het graven in niet-sterk met reguliere stoffen verontreinigde grond nu ook gelden voor het graven in niet-sterk met PFOA verontreinigde grond. De regels geven onder andere aan dat milieuhygiënisch gewerkt moet worden en dat er een informatieplicht is.

Artikel 11.31 Maatwerkregel informatieplicht: voor het begin van de activiteit

In dit artikel wordt aangegeven welke gegevens nog meer als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit moeten worden verstrekt. De gevraagde gegevens hier betreffen enkele vragen over de milieubelastende activiteit, zoals of sprake is van verschillende kwaliteiten grond. Deze gegevens zijn wel bekend, alleen bij ontvangst van de melding niet digitaal toegankelijk. Het gaat dus om gegevens die bij de aanvrager bekend zijn. De gegevens zijn bedoeld om de risico's van de graafactiviteit inzichtelijk te maken. Dit stelt het bevoegd gezag in staat tot een risico gestuurde uitvoering van de VTH-taken.

Reikwijdte

Dit artikel heeft betrekking op de gegevens en bescheiden die voor het begin van een activiteit moeten worden verstrekt. In aanvulling op de gegevens en bescheiden van artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving moeten ook gegevens en bescheiden worden verstrekt over de risico's van de activiteit.

Subparagraaf 11.1.5.3 Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 11.32 Toepassingsbereik graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Dit artikel geeft aan waar deze subparagraaf over gaat.

Artikel 11.33 Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Uitleg artikel

Met dit artikel worden de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving over de milieubelastende activiteit "graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit" van overeenkomstige toepassing verklaard als dit gaat om graven in grond met een kwaliteit voor PFOA boven de INEV (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging), wat een vergelijkbare waarde is als de interventiewaarde.

Reikwijdte en werking

Bij het graven in de bodem met een bodemvolume groter dan 25 m3 waarin een sterke verontreiniging (gehalten boven de INEV) met PFOA voorkomt zijn de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving voor de milieubelastende activiteit "graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit" van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de algemene regels die gelden voor het graven in sterk met reguliere stoffen verontreinigde grond nu ook gelden voor het graven in sterk met PFOA verontreinigde grond. De regels geven onder andere aan dat milieuhygiënisch gewerkt moet worden en dat er een meldplicht is.

Artikel 11.34 Maatwerkregel meldingsplicht: voor het begin van de activiteit

Uitleg artikel

In dit artikel wordt aangegeven welke gegevens ook als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit moet worden verstrekt. Bij de melding is het verplicht om een bodemonderzoek in te dienen. In dit artikel wordt aangegeven dat ook in XML-format van het bodemonderzoek moet worden ingediend. Dit XML-format gebruikt het bevoegd gezag om invulling te geven aan de Wet basisregistratie ondergrond.

Reikwijdte

Dit artikel heeft betrekking op de gegevens en bescheiden die voor het begin van een activiteit moeten worden verstrekt.

Artikel 11.35 Maatwerkregel informatieplicht: voor het begin van de activiteit

Uitleg artikel

In dit artikel wordt aangegeven welke gegevens ook als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit moeten worden verstrekt. De gevraagde gegevens hier betreffen enkele vragen over de milieubelastende activiteit, zoals of sprake is van verschillende kwaliteiten grond. Deze gegevens zijn wel bekend, alleen bij ontvangst van de melding niet digitaal toegankelijk. Het gaat dus om gegevens die bij de aanvrager bekend zijn. De gegevens zijn bedoeld om de risico's van de graafactiviteit inzichtelijk te maken. Dit stelt het bevoegd gezag in staat tot een risico gestuurde uitvoering van de VTH-taken.

Dit artikel maakt mogelijk dat de gegevens en bescheiden c.q. vragen in het Digitaal Stelsel Omgevingswet kunnen worden gesteld.

Reikwijdte

Dit artikel heeft betrekking op de gegevens en bescheiden die voor het begin van een activiteit moeten worden verstrekt. In aanvulling op de gegevens en bescheiden van artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving moeten ook gegevens en bescheiden worden verstrekt ten aanzien van de risico's van de activiteit.

Paragraaf 11.1.6 Saneren van de bodem

Subparagraaf 11.1.6.1 Algemene bepalingen saneren van de bodem

Artikel 11.36 Oogmerken saneren van de bodem

Zie de toelichting bij artikel 11.1.

Subparagraaf 11.1.6.2 Regels voor saneren van de bodem

Artikel 11.37 Toepassingsbereik saneren

Dit artikel geeft aan waar deze subparagraaf over gaat.

Artikel 11.38 Maatwerkregel saneringsaanpak: aanbrengen duurzaam aaneengesloten verhardingslaag

Uitleg artikel

Bij sanering van de bodem met de saneringsaanpak afdekken wordt een afdeklaag aangebracht die blootstelling van mensen aan verontreiniging op of in de bodem voorkomt. De afdeklaag kan bestaan uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag. Onder een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag wordt, volgens artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, in ieder geval verstaan een verhardingslaag die bestaat uit beton, asfalt, asfaltbeton, betonplaat of bestrating met klinkers of tegels. Met dit artikel wordt aangegeven dat onder een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag ook wordt verstaan een halfopen verharding (zoals grasbetontegels of verharding met ruimtes/ groene voegen ertussen) met hieronder tenminste 10 cm grond van de kwaliteit 'landbouw/natuur'. De grond in de halfopen verharding dient ook van de kwaliteitsklasse 'landbouw/natuur' te zijn. Bij bomen kan een boomrooster worden toegepast. Er is geen maatwerkbesluit voor nodig.

Ten behoeve van duurzaamheid zijn waterdoorlatende verhardingen vaak gewenst en vanuit het oogpunt van bodemrisico is dit acceptabel. Ook met dergelijke verhardingen wordt namelijk voorzien in een zodanige isolatie dat geen blootstelling aan de verontreiniging mogelijk is.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat voor het treffen van een gelijkwaardige maatregel met hetzelfde doel van dit artikel geen maatwerkbesluit of melding (artikel 4.7 Omgevingswet) vereist is. Dergelijke gelijkwaardige maatregelen mogen zonder voorafgaande toestemming worden genomen. De gemeente kan in het kader van regulier toezicht wel vragen om de gelijkwaardigheid van de maatregel aan te tonen.

Reikwijdte

Het betreft saneringen die worden uitgevoerd met een afdeklaag bestaande uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag. Wat wordt verstaan onder zo een verhardingslaag wordt uitgebreid.

Artikel 11.39 Maatwerkregel saneringsaanpak: aanbrengen laag grond of baggerspecie

Uitleg artikel

Bij sanering van de bodem met de saneringsaanpak afdekken wordt een afdeklaag aangebracht die blootstelling van mensen aan verontreiniging op of in de bodem voorkomt. De afdeklaag kan bestaan uit een laag grond of baggerspecie met een minimale dikte van 1,0 meter met een kwaliteit die volgt uit artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij bepaalde bodemgebruiken is een dunnere leeflaag veelal afdoende. Dit geldt voor industrieterreinen, groenzones op industrieterreinen, zonneparken en bermen bij infrastructuur. Met dit artikel wordt bij deze bodemgebruiken een afdeklaag bestaande uit een laag grond of baggerspecie met een minimale dikte van 0,5 meter gerekend tot de standaard saneringsaanpak. Er is geen maatwerkbesluit voor nodig.

Reikwijdte

Het betreft saneringen die worden uitgevoerd met een afdeklaag bestaande uit een laag grond of baggerspecie met een kwaliteit die volgt uit artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij het bodemgebruik industrieterreinen, groenzones op industrieterreinen, zonneparken en bermen bij infrastructuur is de vereiste minimale laagdikte versoepeld van 1,0 naar van 0,5 meter.

Artikel 11.40 Maatwerkregel saneringsaanpak: terugsaneerwaarden lood en PFOA bij verwijdering van verontreiniging

Uitleg artikel

In artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving is te lezen dat, bij verwijdering van een verontreiniging als saneringsaanpak, de verontreiniging moet worden verwijderd tot onder of gelijk aan de waarde die gelijk is aan de waarde voor de bodemfunctieklasse van die locatie. Ten aanzien van lood en PFOA gelden voor een aantal gebruiksfuncties met dit artikel lokale waarden.

In principe hoeven alleen die stoffen te worden gesaneerd, die in sterk verhoogde gehalten voorkomen (in gehalten die de toelaatbare kwaliteit van de bodem overschrijden). Dit wordt met aanhaling van artikel 11.58 expliciet genoemd en zo staat het voor andere stoffen ook in het Besluit activiteiten leefomgeving genoemd waar dit artikel maatwerk op is.

Lood: De Omgevingswet en bruidsschat sluiten voor lood aan op de oude normen. Maar de normen zijn reeds achterhaald door het onderzoek en advies van het RIVM (2015 en 2017) en de GGD (2016). De huidige normen voor lood bieden onvoldoende bescherming voor jonge kinderen. De provincie Zuid-Holland heeft, op basis van de rapporten van het RIVM en de GGD, in 2020 een handelingskader voor lood vastgesteld met advieswaarden. De huidige norm voor de functieklasse landbouw/natuur voldoet aan de advieswaarden. Voor de gevoelige gebruiken van volks- en moestuinen wordt hierbij aangesloten. De norm voor wonen is lager dan de landelijke norm en is gelijkgesteld aan de advieswaarde van de provincie. De gebruiksfunctie industrie is niet gevoelig, daarom wordt hiervoor aangesloten bij de landelijke normen voor de functieklasse industrie. De waarden sluiten aan bij de hergebruiksnormen in paragraaf 11.1.2.

PFOA: De terugsaneerwaarden die per gebruiksfunctie behaald moeten worden na sanering zijn in dit artikel gelijkgesteld aan de hergebruiksnormen die gelden bij die gebruiksfunctie. Zoals in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangegeven, is het gebruikelijk en ook logisch om met terugsaneerwaarden aan te sluiten bij de waarde die past bij de bodemfunctieklasse, omdat deze waarden zijn gebaseerd op een duurzaam bodemgebruik en zijn afgestemd op de gebruiksfunctie. Opgemerkt wordt dat maatwerk mogelijk is. Dit zal per situatie moeten worden afgestemd. Per locatie kan hiervoor een maatwerkbesluit worden aangevraagd. Ook bij maatwerk moet de gezondheid van de mens beschermd blijven. Voor maatwerkmogelijkheden is het beleid dat geldt voor maatwerk op hergebruik van grond van toepassing.

Reikwijdte

Dit artikel is van toepassing op het saneren van de bodem met de standaardaanpak verwijderen van de verontreiniging en wel bij de sanering van een verontreiniging met lood en/of PFOA.

Artikel 11.41 Maatwerkregel saneringsaanpak: uitdampen naar bodemgevoelig gebouw bij verwijderen van verontreiniging

Uitleg artikel

In dit artikel wordt voorgeschreven dat de sanering van vluchtige stoffen alleen mag plaatsvinden met de saneringsaanpak: verwijderen van verontreiniging (zoals bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving). Hiermee wordt de saneringsaanpak: afdekken (zoals bedoeld in artikel 4.1241 van dat besluit), niet meer mogelijk.

Reikwijdte en werking

Van de in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving voorgeschreven saneringsaanpak 'verwijderen van de verontreiniging' is sprake bij sanering van de bodem en als de grond verontreinigd is met vluchtige stoffen. Door het verwijderen van de verontreiniging wordt het risico op uitdamping (wat tot gezondheidsrisico's kan leiden) geminimaliseerd.

Hierbij een kanttekening:

Het kan zijn dat het verwijdering, zoals aangegeven in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet volledig technisch of financieel haalbaar is. Het saneren van een bodemverontreiniging met vluchtige stoffen is over het algemeen maatwerk. Dit was het ook onder de voormalige Wet bodembescherming. Een verzoek tot maatwerkvoorschriften kan op dit artikel worden aangevraagd op basis van artikel 2.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Bij aanvraag van maatwerkvoorschriften dienen de voorschriften te voorkomen dat blootstelling kan plaatsvinden aan uitdamping vanuit die verontreinigingen naar een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De aanvrager dient hierbij rekening te houden met de volgende uitgangspunten:

a. de verontreiniging dient zoveel als mogelijk te worden verwijderd;

b. blootstelling aan uitdamping vanuit die verontreiniging naar een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie dient voorkomen te worden;

c. geurhinder als gevolg van die verontreiniging op een bodemgevoelige locatie dient zoveel als mogelijk te worden voorkomen;

d. de nazorg dient zoveel als mogelijk te worden voorkomen of beperkt;

e. bovenstaande dient aannemelijk te worden gemaakt in een saneringsplan.

Artikel 11.42 Maatwerkregel meldingsplicht saneren

Uitleg artikel

In dit artikel wordt aangegeven dat bij een melding van de milieubelastende activiteit saneren van de bodem de onderzoeken (bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving) tevens in XML-format moeten worden verstrekt.

Reikwijdte

Dit artikel heeft betrekking op de gegevens die bij de melding van deze activiteit moeten worden verstrekt.

Artikel 11.43 Maatwerkregel informatieplicht aan het begin van de activiteit saneren

Uitleg artikel

In dit artikel wordt aangegeven welke gegevens ook als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit saneren van de bodem moeten worden verstrekt. De gevraagde gegevens hier betreffen enkele vragen over de milieubelastende activiteit, zoals of sprake is van een complexe sanering. Deze gegevens zijn wel bekend, alleen bij ontvangst van de melding niet digitaal toegankelijk. Het gaat dus om gegevens die bij de aanvrager bekend zijn. De gegevens zijn bedoeld om de risico's van een toepassing inzichtelijk te maken. Dit stelt het bevoegd gezag in staat tot een risico gestuurde uitvoering van de VTH-taken.

Dit artikel maakt het mogelijk dat de gegevens en bescheiden c.q. vragen in het Digitaal Stelsel Omgevingswet kunnen worden gesteld.

Reikwijdte 

Dit artikel heeft betrekking op de gegevens en bescheiden die voor het begin van een activiteit moeten worden verstrekt. In aanvulling op de gegevens en bescheiden van artikel 4.1237 van het Besluit activiteiten leefomgeving moeten ook gegevens en bescheiden worden verstrekt ten aanzien van de risico's van de activiteit.

Subparagraaf 11.1.6.3 Regels voor grondwatersaneringen

Artikel 11.44 Toepassingsbereik grondwatersaneringen

Dit artikel geeft aan waar deze subparagraaf over gaat.

Artikel 11.45 Maatwerkvoorschrift grondwaterverontreiniging

Uitleg artikel

In dit artikel wordt aangegeven dat maatwerkvoorschriften bij een bronaanpak als bedoeld in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening alleen zijn toegestaan als de saneringsaanpak leidt tot beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater. Dit artikel geeft invulling aan artikel 7.38 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Reikwijdte

Dit artikel heeft betrekking op de beoordeling van maatwerkvoorschriften bij een bronaanpak.

Artikel 11.46 Maatwerkregel saneringsaanpak grondwaterverontreiniging

Uitleg artikel

Het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie waar een significante grondwaterverontreiniging aanwezig is, is alleen toegelaten als een bronaanpak als sanerende maatregelen wordt getroffen. Een bronaanpak is gericht op het voorkomen dat een mobiele verontreiniging, die zich in de vaste bodem bevindt, leidt tot een inbreng naar het grondwater dan wel het beperken van de inbreng naar het grondwater.

In lid 1 van dit artikel staat dat de bronaanpak uitsluitend mag worden uitgevoerd met de saneringsaanpak verwijderen van de verontreiniging. Lid 2 bepaalt dat (in afwijking van het eerste lid) afdekken ook mag, maar alleen onder voorwaarde is toegestaan bij het uitvoeren van een bronaanpak. Dit omdat afdekken niet leidt tot het verminderen of voorkomen van de mobiele verontreiniging die zich in de vaste bodem bevindt. In sommige gevallen is echter denkbaar dat een afdeklaag wel ertoe leidt dat de in de vaste bodem aanwezige mobiele verontreiniging niet langer, of in ieder geval minder, uitspoelt naar het grondwater. Dit kan alleen aan de orde zijn bij een afdeklaag die bestaat uit een verhardingslaag waarbij aantoonbaar minder uitspoeling ontstaat van de mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.

Reikwijdte

Dit artikel is van toepassing op het uitvoeren van een bronaanpak als sanerende maatregel. Een bronaanpak is bijvoorbeeld verplicht bij het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie waar een significante grondwaterverontreiniging aanwezig is. Ook kan een initiatiefnemer besluiten om vrijwillig een bronaanpak uit te voeren.

In het geval er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft is (naast de bronaanpak) ook een grondwatersanering verplicht. Het saneren van de bodem in een grondwaterbeschermingsgebied is uitgesloten van het toepassingsbereik. Op grond van artikel 3.134 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is een omgevingsvergunning vereist voor:

- het saneren van een (mobiele) verontreiniging in de bodem binnen een grondwaterbeschermingsgebied;

- het saneren van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft.

Artikel 11.47 Maatwerkregel informatieplicht bij begin van de grondwaterbodemactiviteit

Zie toelichting bij artikel 11.48.

Artikel 11.48 Maatwerkregel informatieplicht bij beëindiging van de grondwaterbodemactiviteit

Uitleg artikel

Bij beëindiging van een bronaanpak dient het evaluatieverslag als bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving te worden verstrekt aan de gemeente als het bevoegd gezag voor het saneren van de bodem. Dit artikel garandeert dat hetzelfde evaluatieverslag ook wordt aangeleverd aan Gedeputeerde Staten. Dit is in het belang van de provincie, omdat die verantwoordelijkheden heeft voor het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn water voor grondwater en het daardoor van belang is zicht te hebben op het saneringsresultaat.

Reikwijdte

Dit betreft saneringen waarbij sprake is van een bronaanpak (bijvoorbeeld bij het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie of vrijwillige bronaanpak). Een bronaanpak is gericht op het voorkomen dat een mobiele verontreiniging, die zich in de vaste bodem bevindt, leidt tot een inbreng naar het grondwater dan wel het beperken van de inbreng naar het grondwater.

Paragraaf 11.1.7 Nazorg

Artikel 11.49 Toepassingsbereik nazorg

Uitleg artikel

Deze paragraaf gaat over nazorg na een bodemsanering. In onderdeel a staat dat als bij het saneren een afdeklaag is aangebracht boven op de sterke verontreiniging, dat dan nazorg van toepassing is. De afdeklaag kan op grond van meerdere wet- en regelgeving zijn aangebracht. In dit onderdeel staat opgesomd welke. Onderdeel b geldt voor nazorg na tijdelijke beschermingsmaatregelen die genomen zijn in het kader van een toevalsvondst en die blootstelling aan verontreinigingen voorkomen.

Onder een afdeklaag wordt verstaan een afdeklaag zoals aangegeven in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving met eventueel maatwerk hierop zoals aangegeven in dit omgevingsplan of een maatwerkbesluit. Dit betreft bijvoorbeeld een laag grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag (beton, asfalt en/of bestrating) die blootstelling aan een sterke bodemverontreiniging daaronder voorkomt.

Reikwijdte

Dit artikel betreft enkel nazorg op afdeklagen van saneringen en tijdelijke beschermingsmaatregelen bij toevalsvondsten na inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 11.50 Nazorg na afloop van saneren van de bodem

Uitleg artikel

Het artikel betreft nazorg na sanering van de bodem met een afdeklaag. De afdeklaag dient in stand te worden gehouden, te worden onderhouden of te worden vervangen. De locaties staan op de genoemde kaart.

Reikwijdte

Dit artikel betreft enkel nazorg op afdeklagen van bodemsaneringen na inwerkingtreding van de Omgevingswet (1‑1‑2024).

Artikel 11.51 Nazorg tijdelijke beschermingsmaatregelen bij toevalsvondst

Uitleg artikel

Het artikel betreft nazorg na het nemen van tijdelijke beschermingsmaatregelen in het kader van een toevalsvondst om blootstelling hieraan voorkomen. De tijdelijke beschermingsmaatregelen dienen in stand te worden gehouden, te worden onderhouden of te worden vervangen. De locaties staan op de genoemde kaart.

Reikwijdte

Dit artikel betreft enkel nazorg op tijdelijke beschermingsmaatregelen genomen naar aanleiding van een toevalsvondst na inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Paragraaf 11.1.8 Historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

Artikel 11.52 Toepassingsbereik historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

Uitleg en reikwijdte artikel

Deze paragraaf is van toepassing op locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging niet leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

En deze paragraaf is van toepassing op activiteiten op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging niet leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. Dit zijn de zogenaamde ernst, niet-spoedlocaties. Daarnaast is deze paragraaf ook van toepassing op activiteiten op locaties waar uit nader bodemonderzoek dat voldoet aan NTA 5755 volgt dat er sprake is van een zogenaamde ernst, niet-spoedlocatie. In de provincie Zuid-Holland zijn er immers veel locaties onderzocht waaruit is gebleken dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, maar welke nooit beschikt zijn opdat er geen spoedige sanering noodzakelijk was. De paragraaf is daarmee van toepassing op activiteiten op alle bekende ernst, niet-spoedlocaties, ongeacht of deze beschikt zijn.

Artikel 11.53 Oogmerken historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

Zie de toelichting bij artikel 11.1.

Artikel 11.54 Mitigerende maatregelen historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

Uitleg artikel

Uit lid 1 volgt dat degene die op de locatie met een historische bodemverontreiniging een activiteit verricht, in het belang van bescherming van de bodem maatregelen neemt die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken, of – als en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is als onderdeel van een activiteit die wordt verricht – ongedaan te maken. Zie verder hierna over de mogelijkheden en beperkingen van dit artikel. Er geldt een licht beschermingsregime voor deze bekende verontreinigde locaties in afwachting van sanering, net als onder de Wet bodembescherming.

Lid 1 heeft betrekking op zogenoemde niet-spoed locaties, zoals deze waren beschikt als saneringsgeval op grond van de Wet bodembescherming. In de toelichting bij de Aanvullingswet bodem is aangegeven dat de beschikking niet-spoed als zodanig bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt. Er is overgangsrecht geregeld voor onder meer gebruiksbeperkingen op grond van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming (artikelen 3.1 en 3.2 Aanvullingswet bodem).

Voor de spoedlocaties is overgangsrecht opgenomen in de Aanvullingswet bodem (artikel 3.1), zodat daarvoor de bestaande regels bij of krachtens de Wet bodembescherming blijven gelden. Locaties met een verontreiniging boven de interventiewaarde die onder de Wet bodembescherming waren aangemerkt als niet-spoed worden in het nieuwe stelsel, net als onder de Wet bodembescherming, gesaneerd op een natuurlijk moment, meestal bouwen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en dit omgevingsplan regelen dat saneren een voorwaarde is voor het bouwen en de saneringsaanpak. De milieubelastende activiteit graven regelt hoe om te gaan met graven in verontreiniging boven de interventiewaarde. Bij deze activiteiten is een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift mogelijk bijvoorbeeld als een bronaanpak aan de orde is die om een specifieke saneringsaanpak vraagt.

Lid 1 heeft een tweeledig doel. Ten eerste om de in het verleden beschikte locaties, die niet onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen. Ten tweede om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog bodemverontreiniging aanwezig is.

Ten behoeve van het eerste doel (kenbaarheid) is het mogelijk om met een maatwerkvoorschrift een individuele locatie te koppelen aan deze algemene regel in dit omgevingsplan, wat het voor de huidige of toekomstige eigenaar beter inzichtelijk maakt. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn maatwerkvoorschriften namelijk (nog) niet zichtbaar in DSO met de zogenoemde 'klik op de kaart'. Het inzien van de (voormalige) registratie van de niet-spoed beschikkingen in het Kadaster blijft nodig om het volledige beeld te hebben van de exacte locaties (gekoppeld aan kadastrale percelen) waar dit artikel op van toepassing is.

Voor wat betreft het tweede doel (beschermen in afwachting van sanering) geldt dat het mogelijk is om het lichte basisregime dat geldt op deze locaties te concretiseren, verder aan te vullen of toe te spitsen op de individuele locatie. Dat kan door middel van een maatwerkvoorschrift, dat voor een initiatiefnemer voldoende concreet maakt welke actie het bevoegd gezag verwacht. Bij de activiteiten bouwen, saneren of graven voorziet de Omgevingswet al in die mogelijkheid, daarom heeft dit artikel vooral betekenis als sprake is van een andere activiteit dan bouwen, saneren of graven. Ook kan dit basisregime een aangrijpingspunt bieden voor een individueel maatwerkvoorschrift om in sommige situaties van een initiatiefnemer te verlangen dat die als onderdeel van een voorgenomen activiteit van de gelegenheid gebruik maakt om aanwezige verontreiniging van de bodem te verwijderen of mitigerende maatregelen te treffen. Gelet op die inkadering is voornamelijk gedoeld op situaties waarin de extra moeite en kosten van het beperken of verwijderen van verontreiniging niet onevenredig belastend zijn voor de initiatiefnemer. Dit basisregime is zodanig ingekaderd dat er geen sprake is van een zelfstandige saneringsplicht.

Onder verontreiniging van de bodem wordt ook verstaan de verontreiniging van het grondwater, maar aangezien grondwaterkwaliteit primair tot de taken en bevoegdheden van de provincie ligt het voor de hand dat het vooral gaat om de vaste bodem en eventuele bronnen van verontreiniging die zich verspreiden naar het grondwater.

Lid 2 heeft betrekking op zogenoemde ernst niet-spoed locaties, zoals deze waren beschikt of bekend op grond van nader bodemonderzoek, als saneringsgeval op grond van de Wet bodembescherming. In de toelichting bij de Aanvullingswet bodem is aangegeven dat de verplichtingen die de Wet bodembescherming kent ten aanzien van het verrichten van handelingen in een geval van ernstige verontreiniging voor deze bekende ernst, niet-spoedlocaties bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt. Er is overgangsrecht geregeld voor onder meer gebruiksbeperkingen op grond van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming (artikelen 3.1 en 3.2 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet).

Voor de spoedlocaties is overgangsrecht opgenomen in de Aanvullingswet bodem Omgevingswet (artikel 3.1), zodat daarvoor de bestaande regels bij of krachtens de Wet bodembescherming blijven gelden.

Dit artikel heeft een tweeledig doel. Ten eerste om de bekende historische verontreinigingen, die niet onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen. Ten tweede om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog altijd een (bron van) een significante grondwaterverontreiniging aanwezig is.

Aanvullend op artikel 1 vraagt dit artikel specifiek aandacht voor maatregelen die zich richten tot de bescherming van het grondwater. Historische bodemverontreinigingen omvatten immers ook verontreiniging van het grondwater. Maatregelen hoeven niet altijd nodig te zijn ter bescherming van de gezondheid, terwijl de aanwezige verontreiniging wel degelijk een risico vormt voor het grondwater. Dit kan een risico zijn ten aanzien van de doelen die de kaderrichtlijn water (KRW) aan het grondwater stelt, voor grondwater dat gebruikt wordt voor de openbare drinkwatervoorziening of overige vormen van gebruik die afhangen van het grondwater. Denk hierbij aan veedrenking of irrigatie van landbouwgewassen. Indien zich een natuurlijk moment voordoet, zoals een activiteit op een dergelijke locatie, dan wordt van de initiatiefnemer verwacht om maatregelen te treffen die verdere verontreiniging van het grondwater voorkomen of verminderen en – indien redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit – ongedaan te maken. De maatregelen kunnen zich ook richten tot het verminderen of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging in de vaste bodem naar het grondwater, de zogeheten bronaanpak.

Het Besluit activiteiten leefomgeving in samenhang met dit omgevingsplan (instructie Voorbeschermingsregels Wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening 2022 grondwaterkwaliteit) regelt het uitvoeren van een bronaanpak. De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening bevat regels voor het uitvoeren van een grondwatersanering. Op grond van dit omgevingsplan (instructie artikel 2.1 Voorbeschermingsregels Wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening 2022 grondwaterkwaliteit) zijn in ieder geval een bronaanpak en eventueel ook een grondwatersanering een voorwaarde voor het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie in geval van een significante grondwaterverontreiniging.

Paragraaf 11.1.9 Bouwen van een bodemgevoelig gebouw

Artikel 11.55 Toepassingsbereik bouwen van een bodemgevoelig gebouw

Uitleg artikel

Dit artikel geeft het toepassingsbereik van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie aan. Daar wordt de instructieregel uit het Bkl opgevolgd. Lid 2 geeft aan wat een bodemgevoelig gebouw is. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt.

De term gebouw is in het Bkl en het Bbl gedefinieerd als: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. De term bouwwerk is in de Omgevingswet gedefinieerd. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen (onder b).

Voor de definitie voor een bodemgevoelig gebouw wordt via maatwerk afgeweken van de definitie in het Besluit kwaliteit leefomgeving artikel 5.89g. Anders dan in het Bkl is ook sprake van een bodemgevoelig gebouw als er minder dan twee uur per dag personen aaneengesloten aanwezig zijn (verblijfsfunctie in de Woningwet). Voorbeelden van dit soort gebouwen zijn een transformatorhuisje, een gemaal, een schuur bij een woning of een loods waar alleen kort wordt geladen of gelost en waar de rest van de tijd geen personen of werknemers verblijven. Deze vallen met het derde lid dus ook binnen de definitie van een bodemgevoelig gebouw. De reden hiervan staat bij de reikwijdte van dit artikel aangegeven.

Voor de definitie van een bodemgevoelige locatie wordt geheel aangesloten bij de definitie zoals gegeven in artikel 5.89h Bkl.

Reikwijdte en reden artikel

Dit artikel is van toepassing op het bouwen (toelaten) van een gebouw of een deel van een gebouw dat de grond raakt. De ratio hiervan is dat daar blootstelling kan plaatsvinden en risico's voor de gezondheid kunnen optreden. Het gaat bijvoorbeeld niet om het aanbouwen van een uitbouw op de eerste verdieping of een dakkapel (voor zover daarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist), omdat bij een dergelijke bouwactiviteit de gezondheidsrisico's door de bodemkwaliteit niet toenemen. Daarnaast wordt ook aangesloten bij dit natuurlijke moment dat de bodemverontreiniging kan worden aangepakt (werk met werk maken). Hierbij wordt naast gezondheidsrisico's ook gekeken naar duurzaam bodembeheer (gebruik en functie afstemmen).

Artikel 11.56 Oogmerken bouwen van een bodemgevoelig gebouw

Zie de toelichting bij artikel 11.1.

Artikel 11.57 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een bodemgevoelig gebouw

Dit artikel betreft een beleidsneutrale omzetting van artikel 22.26 (bruidsschat). Het bepaalt dat voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw (o.a. gebouw dat de bodem raakt) een vergunning aangevraagd moet worden.

Met de bouwactiviteit wordt bedoeld:

  • In dit omgevingsplan in hoofdstuk 6 aangewezen vergunningplichtige gebouwen en bouwwerken bouwen

  • In dit omgevingsplan in hoofdstuk 22 aangewezen vergunningplichtige bouwactiviteit (artikel 22.26).

Artikel 11.58 Waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie

Uitleg artikel

De gemeente heeft op grond van de Omgevingswet onder meer de bevoegdheid om in het omgevingsplan functies evenwichtig toe te delen aan locaties en met het oog hierop algemene regels vast te stellen. Artikel 5.89i van het Bkl bevat de verplichting voor de gemeenten om in het omgevingsplan waarden op te nemen voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor bodemgevoelige locaties waar een bodemgevoelig gebouw is toegelaten. In artikel 5.89j Bkl staat aan welke randvoorwaarden deze waarden moeten voldoen.

De reikwijdte van de instructieregel is beperkt tot een vaste stoffenlijst, opgenomen in bijlage VC bij het Bkl. Wanneer er een vermoeden bestaat van de aanwezigheid van andere gezondheidsbedreigende stoffen is het aan de gemeente om ook voor die andere stoffen een waarde in het omgevingsplan vast te stellen.

Eerste lid

In het omgevingsplan wordt als lokale waarde de interventiewaarde bodemkwaliteit vastgelegd in bijlage IIA Bal. Voorheen was dit ook de waarde waaraan de bodemkwaliteit getoetst werd.

Een verbod om te bouwen op verontreinigde bodem (boven de lokale waarde) zonder omgevingsvergunning als er geen maatregelen worden getroffen, volgt uit het samenstel van de vergunningplicht voor bouwen met de beoordelingsregel, dat die vergunning alleen wordt verleend in de situatie die is gedefinieerd in de specifieke beoordelingsregel.

Tweede lid

Gelijkwaardig met de regels van de voormalige Wet bodembescherming is hierbij opgenomen dat sprake is van een overschrijding van deze interventiewaarde als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie is overschreden in meer dan 25 m3 bodemvolume. Voorheen werd dit 'het geval van verontreiniging' genoemd. Hierbij kan sprake zijn van onaanvaardbare risico's en moet, afhankelijk van de functie en het gebruik, wellicht worden gesaneerd of een andere beschermende maatregel worden getroffen. Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het niet noodzakelijk om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen; de grens van 25 m3 is alleen bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen en vereist daarom alleen maatregelen als het om meer dan 25 m3 verontreiniging binnen een perceel gaat.

Derde lid

De grens van 25 m3 uit het tweede lid geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen.

Vierde lid

In afwijking van het eerste lid zijn voor lood andere waarden opgenomen. Dit omdat de interventiewaarde voor lood achterhaald is door het onderzoek en advies van het RIVM (2015 en 2017) en de GGD (2016). De huidige interventiewaarde voor lood bieden onvoldoende bescherming voor jonge kinderen. De provincie Zuid-Holland heeft, op basis van de rapporten van het RIVM en de GGD, in 2020 een handelingskader voor lood vastgesteld met advieswaarden.

De aangegeven maximale waarde voor toelaatbare kwaliteit voor de gebruiksfunctie landbouw/natuur/wonen is met dit artikel gelijkgesteld aan de advieswaarde van de provincie behorende bij de functie wonen waarboven sprake is van een 'onvoldoende bodemloodkwaliteit'. De gebruiksfunctie industrie is niet gevoelig, daarom wordt hiervoor wel aangesloten bij de interventiewaarde.

Vijfde lid

Voor PFOA wordt aangesloten bij de maximale advieswaarde voor duurzaam bodemgebruik (RIVM 2021). In dit artikel worden geen waarden voor overige PFAS aangegeven omdat deze in de regio niet zodanig diffuus verhoogd zijn, dat sprake is van gezondheidsrisico's of geen sprake is van duurzaam bodemgebruik. Overige PFAS en andere stoffen worden wel meegenomen in de beoordeling van een omgevingsvergunning bouw of melding bouw, maar dan op een andere manier (bij de beoordelingsregel van de vergunning of melding). De Omgevingswet biedt geen ruimte om op deze plek een onuitputtelijke lijst of omschrijving te geven van 'overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit bodem'.

Reikwijdte artikel

Dit artikel betreft het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen, mits die technisch mogelijk zijn. Dit geldt voor de in bijlage IIA van het Bal genoemde stoffen en ook voor PFOA.

Artikel 11.59 Maatregelen bij overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie

Uitleg artikel

Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen, mits die technisch mogelijk zijn. De vraag is louter of het technisch mogelijk is om het geschikt te maken. Het antwoord op die vraag is niet afhankelijk van de goede wil van de initiatiefnemer maar alleen of het objectief, technisch, milieuhygiënisch mogelijk is.

Saneringsmaatregelen worden uitgevoerd in overeenstemming met de milieubelastende activiteit saneren van de bodem, zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierin staan twee standaardaanpakken beschreven. Indien deze aanpakken niet voldoen, kan degene die saneert een maatwerkvoorschrift aanvragen bij het bevoegd gezag.

Reikwijdte

Dit artikel is van toepassing als sprake is van een overschrijding van de toelaatbare bodemkwaliteit. In het voorgaande artikel 11.58 staat wanneer hier sprake van is.

Artikel 11.60 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen van een bodemgevoelig gebouw

Uitleg artikel

Bij een aanvraag om een vergunning voor het bouwen wordt een bodemonderzoek overgelegd. In lid 2 is aangegeven dat de resultaten van een voorafgaand bodemonderzoek ook in digitaal format (XML-format) moet worden verstrekt.

Dit bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem is overschreden. In dat geval zijn sanerende of andere beschermende maatregelen een voorwaarde voor het bouwen artikel 11.61 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen op een bodemgevoelige locatie en artikel 11.58 Waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie. Digitale aanlevering is nodig om te kunnen voldoen aan de Wet basisregistratie ondergrond.

Dit is een voortzetting van artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de lokale bouwverordening.

Reikwijdte

Dit betreft aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

Artikel 11.61 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen op een bodemgevoelige locatie

Uitleg artikel

Dit artikel bevat voorwaarden voor het toelaten van een bouwactiviteit, kortgezegd het bouwen van een bouwwerk of gebouw, op een bodemgevoelige locatie. Deze activiteit mag niet uitgevoerd worden zonder een omgevingsvergunning. Het eerste deel geeft onder a en b criteria waaraan een omgevingsvergunningaanvraag van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt getoetst. Het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van de toelaatbare bodemkwaliteit is alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Het tweede deel geeft een criteria aan waaraan tevens een omgevingsvergunningaanvraag van een binnenplanse omgevingsactiviteit wordt getoetst. Het criteria bestaat uit het oordeel van bevoegd gezag of de bodem geschikt is voor het beoogde doel. Als dit naar haar oordeel niet het geval is, kan zij voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning om de bodem geschikt te maken. Dit artikel is bedoeld als vangnet voor overige stoffen die niet in artikel 11.58 Waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie van dit omgevingsplan staan.

Het doel van dit artikel is om een gelijk beschermingsniveau (voor mens en milieu) te borgen dat bestond onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en Woningwet. Deze ging uit van een geval van ernstige bodemverontreiniging zoals bedoeld in de voormalige Wet bodembescherming en uitgewerkt in de voormalige Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013.

Bij de beoordeling van bevoegd gezag of de bodemkwaliteit toelaatbaar is, zal aangesloten worden bij dit beschermingsniveau. In deze voormalige wet- en regelgeving staat aangegeven hoe wordt omgegaan met niet-reguliere en/of niet genormeerde stoffen. Het Bevoegd gezag kan hiermee bij overschrijding van de interventiewaarde of vergelijkbare waarde (in een bodemvolume groter dan 25 m3) voor elke stof sanerende of andere beschermende maatregelen voorschrijven, mits die technisch mogelijk zijn.

Het tweede deel bepaalt dat het college bij ernstige bodemverontreiniging aanvullende maatregelen aan de omgevingsvergunning kan verbinden.

Bijvoorbeeld bij de beoordeling van een aanvraag van een omgevingsvergunning bouw voor een kantoorpand op een bedrijfsterrein met chemische industrie of de bouw van een woning op een locatie wat voorheen een tankstation was of een voormalige scheepswerf. Op deze locaties kan sprake zijn van een sterke verontreiniging met bijvoorbeeld tributyltin, MTBE, ETBE, detergenten of diethyltriamine. Voor deze verontreinigingen kunnen bij de bouwactiviteit op basis van dit artikel sanerende of andere beschermende maatregelen worden voorgeschreven in de vergunning. Deze kunnen niet worden voorgeschreven op basis van artikel 11.58 Waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie, omdat de in het voorbeeld genoemde verontreinigde stoffen niet binnen de reikwijdte van deze artikelen valt. Het Besluit kwaliteit leefomgeving biedt onvoldoende ruimte om dit te regelen.

Reikwijdte en werking

Dit artikel betreft het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie.

Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen, mits die technisch mogelijk zijn. Dit geldt voor de in artikel 11.58 Waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie genoemde stoffen. Daarnaast kan het bevoegd gezag in een omgevingsvergunning bouwen ook voor andere stoffen, die maken dat de bodem een ontoelaatbare kwaliteit heeft, sanerende of andere beschermende maatregelen voorschrijven.

Artikel 11.62 Meldingsplichtige gevallen bouwen van een bodemgevoelig gebouw

Uitleg artikel

Dit artikel legt vast dat voor bouwactiviteiten waar geen omgevingsvergunning voor moet worden aangevraagd wel een meldplicht geldt als het bouwen van een bodemgevoelig gebouw betreft. Lid 1 bepaalt dat vooraf aan het bouwen van een bodemgevoelig gebouw (definitie staat in eerder artikel) een melding bij het bevoegd gezag gedaan moet worden. Het is verboden de activiteit te starten zonder de melding te doen. Met een melding wordt het bevoegd gezag op de hoogte gesteld van de te starten activiteit (het bouwen van een bodemgevoelig gebouw).

Reikwijdte en werking

Het artikel geldt als sprake is van een het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, tenzij deze activiteit vergunningplichtig is.

Artikel 11.63 Indieningsvereisten melding bouwen van een bodemgevoelig gebouw

Uitleg artikel

In dit artikel is puntsgewijs aangegeven welke gegevens moeten worden aangeleverd bij de melding. Bij het tweede lid wordt voor overschrijding van de toelaatbare bodemkwaliteit verwezen naar artikel 11.58 in dit omgevingsplan.

In lid 3 is aangegeven dat de resultaten van een voorafgaand bodemonderzoek uit lid 1 onder a ook in digitaal format (XML-format) moet worden verstrekt.

Reikwijdte en werking

Met dit artikel worden voor de bodemkwaliteit bij een melding dezelfde voorwaarden als voor een omgevingsvergunning bouwen van een bodemgevoelig gebouw opgelegd voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Het vangnetartikel (lid 2 van artikel 11.61) is van toepassing bij een melding.

Artikel 11.64 Maatwerkvoorschriften meldingsplicht bouwen van een bodemgevoelig gebouw

Uitleg artikel

In artikel 11.2 is een algemene bepaling opgenomen voor het stellen van maatwerkvoorschriften door het bevoegd gezag (op verzoek van een initiatiefnemer). Dat artikel is van toepassing op alle paragrafen in hoofdstuk 11. In aanvulling hierop is deze specifieke bepaling voor het stellen van maatwerkvoorschriften opgenomen in artikel 11.61 voor de meldingen voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Met dit artikel maken we naar de buitenwereld duidelijk dat het bevoegd gezag voor deze melding dezelfde voorschriften wil kunnen stellen als bij de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Dit artikel vormt tegelijk een vangnet voor de meldingen, zodoende kan gebruik worden gemaakt van het vangnetartikel artikel 11.61).

Artikel 11.65 Informatieplicht na het bouwen op een bodemgevoelige locatie

Uitleg artikel

Voordat een bodemgevoelig gebouw of een gedeelte van een bodemgevoelig gebouw in gebruik genomen wordt, wordt die informatie verstrekt waaruit blijkt hoe de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in artikel paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn uitgevoerd.

Ter bescherming van de gezondheid van de gebruikers van een bodemgevoelig gebouw is het van belang om te waarborgen dat de voorgeschreven maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Daartoe dient het voldoen aan deze informatieplicht als voorwaarde voor ingebruikname. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent ook een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de activiteit bodemsanering. De initiatiefnemer kan in één keer aan beide informatieplichten voldoen.

De strekking is dat de initiatiefnemer na afloop van de sanering het bevoegd gezag informeert dat en hoe hij de sanering heeft uitgevoerd. Dit geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om adequaat en tijdig toezicht te houden voordat het gebouw in gebruik wordt genomen om te beoordelen of de sanering is afgerond en inderdaad heeft opgeleverd dat het bodemgevoelige gebouw geschikt is voor gebruik.

Dit artikel is gericht op een vergunningvoorschrift met een verbod op ingebruikname als niet is voldaan aan de voorwaarde (voldoen aan de informatieplicht). Het voldoen aan deze informatieplicht heft dat verbod op. Ingeval van het verzuimen om te informeren of het ontbreken van de benodigde informatie kan het bevoegd gezag dus handhaven op overtreding van deze informatieplicht. Toezicht en handhaving op de wijze van saneren en of die in overeenstemming is met de voorschriften over saneren in het Besluit activiteiten leefomgeving vindt plaats op basis van dat besluit.

Reikwijdte

Dit betreft de in gebruik name van een bodemgevoelig gebouw of een gedeelte van een bodemgevoelig gebouw waar sanerende of andere beschermende maatregelen waren voorgeschreven in een omgevingsvergunning bouw.

Paragraaf 11.1.10 Bouwen van een grondwatergevoelig gebouw

Artikel 11.66 Toepassingsbereik bouwen van een grondwatergevoelig gebouw

De definitie van een grondwatergevoelig gebouw is van belang omdat bij het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie door middel van onderzoek (paragraaf 7.3.5.1 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening) vastgesteld moet worden of er sprake is van verontreiniging van het grondwater. Bij verontreiniging van het grondwater volgt dat een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in paragraaf 3.4.2 (Module risicobeoordeling grondwaterkwaliteit uit de ZHOV) verplicht is. Indien uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging, zijn sanerende maatregelen verplicht.

Voor het bepalen wat een grondwatergevoelig gebouw is allereerst aangesloten bij de definitie die het Rijk in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving geeft voor bodemgevoelige gebouwen. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw dat geheel of gedeeltelijk de bodem raakt waar minimaal 2 uur per dag blootstelling plaatsvindt. Ook bijbehorende bouwwerken horen bij een bodemgevoelig gebouw, mits ze groter dan 50 m2 zijn.

Het toepassingsbereik van een grondwatergevoelig gebouw omvat daarnaast ook niet-bodemgevoelige gebouwen. Of een mobiele verontreiniging in de vaste bodem een risico vormt voor het grondwater staat immers los van of er blootstelling plaatsvindt. Voor gebouwen die geen bodemgevoelig gebouw zijn, vindt de provincie het echter niet proportioneel de regels in deze paragraaf te koppelen aan zeer kleine gebouwen. De provincie heeft daarom niet-bodemgevoelige gebouwen die kleiner zijn dan 50 m2 uitgesloten van het toepassingsbereik. Het gaat hier om het oppervlak van het deel van het gebouw dat de bodem raakt.

Met de definitie van een grondwatergevoelige locatie stuurt de provincie er op het aangrijpen van dat het natuurlijk moment om een mobiele bron van verontreiniging in de vaste bodem in samenhang met een activiteit aan te pakken.

Voor het bepalen wat een grondwatergevoelig locatie is, is allereerst aangesloten bij de definitie die het Rijk in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving geeft voor een bodemgevoelige locatie. Een bodemgevoelige locaties, omvat ook het perceel en de tuin.

Voor niet-bodemgevoelige gebouwen vindt de provincie het niet proportioneel om naar het gehele perceel te kijken of het natuurlijk moment aangegrepen kan worden voor het verbeteren van de grondwaterkwaliteit. De instructieregels richten zich tot het deel van het perceel waar de ontwikkeling of herinrichting daadwerkelijk plaatsvindt in samenhang met de bouw van het grondwatergevoelige gebouw zodat in samenhang met de activiteit, net als onder de Wet bodembescherming, het natuurlijk moment aangegrepen wordt bij dergelijke verontreinigingen. Zodoende is geduid dat het enkel gaat om het aangrenzende tuin of perceel voor zover het samenhang heeft met het te bouwen grondwatergevoelige gebouw.

Artikel 11.67 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een grondwatergevoelig gebouw

Dit artikel betreft een beleidsneutrale omzetting van de vergunningplicht opgenomen in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Het bepaalt dat er niet zonder een vergunning een grondwatergevoelig gebouw (o.a. gebouw dat de bodem raakt) gebouwd mag worden.

Artikel 11.68 Voorafgaand grondwateronderzoek

Het voorafgaand onderzoek heeft tot doel om vast te stellen of er sprake is van verontreiniging van het grondwater. Hiervoor kan de initiatiefnemer gebruik maken van het voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving. In gevallen waar in het verleden de locatie al beschikt is onder de Wet bodembescherming, bevat de beschikking vaak al voldoende informatie om vast te stellen of er al dan niet sprake is van verontreiniging van het grondwater.

Er is reeds sprake van verontreiniging van het grondwater als voor éen of meer verontreinigende stoffen de waarde als bedoeld in artikel 7.30 overschreden wordt. Vaak biedt het vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7 a van het Besluit activiteiten leefomgeving al voldoende informatie om de verontreiniging al dan niet vast te stellen. Indien het vooronderzoek niet voldoende informatie bevat, zal een verkennend bodemonderzoek, bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving voldoende informatie bevatten. Het verkennend bodemonderzoek dient te voldoen aan NEN5740. Het nemen van grondwatermonsters is, vooralsnog, onderdeel van de NEN-protocollen betreffende bodemonderzoek. Zuid-Holland zal de regels aanpassen indien hier een wijziging in komt om zodoende aan te sluiten bij de laatste versie van de NEN-bodemonderzoeksprotocollen.

De initiatiefnemer hoeft in deze fase in ieder geval alleen onderzoek uit te voeren, en te overleggen, om vast te stellen of er sprake is van verontreiniging van het grondwater.

Artikel 11.69 Risicobeoordeling grondwaterkwaliteit

De risicobeoordeling moet uitgevoerd worden als er sprake is van een verontreiniging van het grondwater, tenzij -in geval van een toetsing aan de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering - de concentraties dermate laag zijn dat onmiddellijk of toekomstig gevaar voor het grondwater, gegeven het gebruik, op voorhand uit te sluiten zijn.

De risicobeoordeling grondwaterkwaliteit bepaalt in welke mate de verontreiniging leidt tot gevolgen voor de chemische en ecologische kwaliteit van het watersystemen en het vervullen van aan watersystemen toegekende maatschappelijke functies (lees: KRW-doelen). Bovendien bepaalt de risicobeoordeling of de verontreiniging daadwerkelijk risico's oplevert voor het grondwater en het gebruik daarvan, zoals oppervlaktewater, water dat bestemd is voor menselijke consumptie of grondwaterafhankelijke natuur.

Als er sprake is van verontreiniging van het grondwater waar op grond van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit van blijkt dat het geen significante grondwaterverontreiniging betreft, zijn er geen voorschriften nodig ter bescherming van het grondwater en kan de bouw direct starten na het verlenen van de omgevingsvergunning of nadat de termijn voor de melding verstreken is.

Er is een aantal situaties waar sprake is van verontreiniging van het grondwater en er geen risicobeoordeling grondwaterkwaliteit verplicht is.

Dit is in ieder geval aan de orde indien er geen puntbron of er zich niet langer een (punt)bron van een mobiele verontreiniging in de vaste bodem bevindt. Zodoende kan er nooit sprake zijn van een bouwactiviteit waarbij een grondwatersanering verlangd wordt als dit niet in samenhang met een bronaanpak plaatsvindt. Een grondwatersanering is alleen redelijk te verlangen van een initiatiefnemer indien dit in samenhang met een bronaanpak plaatsvindt. Ditzelfde geldt indien de bron in de vaste bodem afkomstig is van een diffuse bron, zoals bijvoorbeeld atmosferische depositie. Het is in een dergelijk geval niet redelijk - en in strijd met het “vervuiler betaald principe”- en bovendien ook weinig effectief om een bronaanpak te verlangen.

Een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit wordt ook niet verlangd indien de verontreiniging van het grondwater het gevolg is van natuurlijk verhoogde achtergrondconcentraties. De provincie volgt hierbij de lijn zoals opgenomen in de Beleidsregel onderzoek sanering van bodemverontreiniging die aangeeft dat in gebieden waar voor arseen, nikkel, zink, lood en barium sprake is van verontreiniging van het grondwater, maar er geen specifieke bron voor deze verontreiniging aanwijsbaar is, geen nader onderzoek nodig is. Dit geldt alleen indien dit samengaat met gehalten in de vaste bodem die lager zijn dan de landelijke achtergrondwaarden of specifieke achtergrondwaarden.

Een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is ook niet aan de orde indien de aanwezige verontreiniging het resultaat is van een eerder uitgevoerde grondwatersanering. De grondwatersanering kan hebben plaatsgevonden op grond van regels in deze omgevingsverordening of op grond van de Wet bodembescherming.

Artikel 11.70 Sanerende maatregelen bij significante grondwaterverontreiniging

Zie de toelichting bij artikel 11.75.

Artikel 11.71 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen van een grondwatergevoelig gebouw

Zie de toelichting bij artikel 11.75.

Artikel 11.72 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen van een grondwatergevoelig gebouw

Zie de toelichting bij artikel 11.75.

Artikel 11.73 Meldingsplichtige gevallen bouwen van een grondwatergevoelig gebouw

Zie de toelichting bij artikel 11.75.

Artikel 11.74 Indieningsvereisten melding bouwen van een grondwatergevoelig gebouw

Zie de toelichting bij artikel 11.75.

Artikel 11.75 Informatieplicht ingebruikname na maatregelen bouwen van een grondwatergevoelig gebouw

Uitleg artikel

De risicobeoordeling grondwaterkwaliteit wordt uitgevoerd conform de regels in paragraaf 3.4.2 van deze omgevingsverordening. Het is daarmee aan Gedeputeerde Staten om toe te zien of de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit inhoudelijk goed is uitgevoerd. Om de provincie in staat te stellen de risicobeoordeling te beoordelen, moeten er op grond van artikel 7.33, tweede lid, onder b en artikel 7.34, tweede lid, onder e, ZHOV minstens vier weken zitten tussen het verstrekken van de resultaten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit aan Gedeputeerde Staten en het aanleveren van dezelfde gegevens aan de gemeente ten behoeve van de aanvraag om een omgevingsvergunning dan wel melding voor het bouwen van het grondwatergevoelige gebouw op een grondwatergevoelige locatie. Zodoende kan de gemeente ook vertrouwen dat de aangeleverde gegevens en bescheiden inhoudelijk juist zijn.

Als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante verontreiniging van het grondwater, volgt uit artikel 7.33, eerste lid, onder a de verplichting dat het omgevingsplan heeft geregeld dat een bronaanpak uitgevoerd moet worden conform de algemene rijksregels van de milieubelastende activiteit saneren van de bodem, met de gemeente als bevoegd gezag. Er is immers altijd sprake van een (punt)bron in de vaste bodem, want indien er (niet langer) een bron aanwezig is op de grondwatergevoelige locatie is er op grond van artikel 7.31, tweede lid, immers geen noodzaak tot het uitvoeren van een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit. De voorgeschreven saneringsaanpak dient hierbij op grond van paragraaf 7.3.5.1 wel te leiden tot het beperken of voorkomen van een indirecte inbreng van een mobiele verontreinigende stof in de vaste bodem naar het grondwater. Er kan pas gestart worden met bouwen indien op grond van artikel 7.33, tweede lid, onder c uit de gegevens en bescheiden blijkt dat de initiatiefnemer de milieubelastende activiteit bodemsanering gaat verrichten. De melding bij aanvang van het saneren van de bodem, als bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving dient als bewijslast.

Bij een grondwaterverontreiniging waar op grond van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit sprake is van een significante grondwaterverontreiniging, is een bronaanpak verplicht, ongeacht of de significante grondwaterverontreiniging nu al tot een onaanvaardbaar risico leidt en daarmee de doelen die de kaderrichtlijn water stelt nu al bedreigt. De grondwaterrichtlijn verlangt immers al maatregelen indien er sprake is van een inbreng, tenzij gebruik gemaakt kan worden van een uitzonderingsbepaling.

Bij een significante verontreiniging kan nu wellicht geen sprake zijn van een onaanvaardbaar risico voor het grondwater of het gebruik dat afhangt van het grondwater, maar kan een risico in de toekomst niet uit te sluiten zijn. In deze situaties vindt de provincie het lonen om, indien dit redelijkerwijs te verlangen is, het natuurlijk moment van een activiteit te benutten om de bron aan te pakken of op z'n minst de inbreng van de mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater te verminderen of beheersen.

Als er sprake is van een verontreiniging in het grondwater, waarbij op grond van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is vastgesteld dat sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoefte, dan levert de grondwaterverontreiniging op dat moment al een risico op voor het grondwater of het gebruik dat afhangt van het grondwater. Voor aanvang van de bouwactiviteit dient de initiatiefnemer, naast het uitvoeren van een bronaanpak een grondwatersanering uit te voeren. Voor het uitvoeren van de grondwatersanering dient de initiatiefnemer bij de provincie een aanvraag voor een grondwatersanering als bedoeld in artikel 3.130 te doen. Uit artikel 7.33, eerste lid volgt dat pas gestart kan worden met bouwen als aannemelijk gemaakt wordt dat de initiatiefnemer de grondwatersanering gaat treffen. Op grond van artikel 7.33, tweede lid, onder d volgt dat een afschrift van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een grondwatersanering bij de provincie als bevoegd gezag, volstaat als bewijslast.

Met de in artikel 7.32 verplichte maatregelen volgt de provincie het Europese beginsel de "vervuiler betaalt". In artikel 7.32, tweede lid is de plicht tot het treffen van een grondwatersanering uitgezonderd indien het gaat om diffuse grondwaterverontreinigingen. Van een initiatiefnemer kan redelijkerwijs niet verlangd worden een grondwaterverontreiniging te saneren waar hij niet verantwoordelijk voor is. Mogelijk is een bronaanpak echter wel aan de orde. De aanwezigheid van een diffuse grondwaterverontreiniging sluit de aanwezigheid van een puntbron niet uit. Indien uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging ziet de provincie primair een rol voor zichzelf weggelegd om te komen tot een gebiedsgerichte aanpak.

Het gebouw kan in gebruik genomen worden als uit gegevens en bescheiden blijkt dat de bronaanpak is uitgevoerd of eventueel ook de grondwatersanering. Een bronaanpak kan bewezen worden door de gegevens en bescheiden, als bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aangeleverd moeten worden na het uitvoeren van de milieubelastende activiteiten saneren van de bodem. De gegevens en bescheiden die aan dat aan Gedeputeerde Staten verstrekt moet worden na het uitvoeren van een grondwatersanering bevatten voldoende bewijslast voor de gemeente om te bepalen of de maatregel getroffen is.

Afdeling 11.3 Omgevingsveiligheid
Paragraaf 11.3.1 Algemene bepalingen omgevingsveiligheid

Artikel 11.77 Aanvraagvereisten

Heeft uw aanvraag betrekking op het bouwen van een risicovol gebouw als bedoeld in het tweede lid? Dan moet u overleg voeren met de veiligheidsregio over uw initiatief. U verstrekt dit verslag bij uw aanvraag voor de omgevingsvergunning. 

In het verslag gaat u in op de mogelijke gevolgen bij calamiteiten. En de voorzieningen en de maatregelen die u kunt of moet treffen. Denk onder andere aan de bereikbaarheid voor álle hulpdiensten, ontruiming bij brand, evacuatie bij overstromingen, vlucht- en/of schuilmogelijkheden, de toegankelijkheid van zorg en zelfredzaamheid van bewoners/gebruikers.

Paragraaf 11.3.7 Energieopslagsysteem bouwen, aanleggen en exploiteren

Artikel 11.78 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het bedrijfsmatig bouwen, aanleggen en exploiteren van een energieopslagsysteem (hierna: EOS). Hierbij is een ondergrens van 1 MWh vastgelegd. De ondergrens is bepaald aan hand van effectafstanden uit het scenarioboek Omgevingsveiligheid van het NIFV (Nederlands Instituut voor Publieke Veiligheid). Hieruit blijkt dat het maximale effectgebied voor externe veiligheid 25 meter betreft. Installaties met een lagere capaciteit zijn niet relevant voor externe veiligheid en hebben dus ook een minder groot ruimtebeslag.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het bouwen en aanleggen van een EOS die is bedoeld om het eigen bedrijf van energie te voorzien. Zo wordt voorkomen dat bedrijven door de voorbeschermingsregels gehinderd worden in de verduurzaming van de eigen bedrijfsactiviteiten.

Artikel 11.79 Oogmerken

RES Drechtsteden

In de Drechtsteden gebruiken vele bedrijven op jaarbasis meer dan 50.000 KWh aan elektra of meer dan 25.000 m3 aardgas. Voor deze bedrijven geldt een energiebesparingsplicht. De gemeente stimuleert dat er grootschalig zon op dak wordt gerealiseerd op bedrijfsdaken. Ook worden opties onderzocht om het plaatsen van zonnepanelen op grote bedrijfspanden te verplichten. De energietransitie waarbij van aardgas naar duurzame energie wordt overgestapt heeft ook als gevolg dat het elektriciteitsnet onder druk komt te staan. Deze transitie levert netcongestie op. Dit betekent dat het elektriciteitsnet moet worden verzwaard, wat tijd en geld kost. Ondertussen moeten er keuzes worden gemaakt over welke ruimtelijke ontwikkelingen kunnen worden aangesloten op het elektriciteitsnet.

Energieopslagsystemen zijn nodig voor de energietransitie naar duurzame energie. Dit aangezien de hoeveelheid energie die wordt opgewekt door bijvoorbeeld wind of zon afhankelijk is van het weer. Ook is het verbruik van energie niet altijd gelijk aan de hoeveelheid energie die wordt opgewekt. Om variabele energievoorziening en een goede match met het energieverbruik mogelijk te maken zal er ook gebruik moeten worden gemaakt van opslagsystemen. Echter leggen energieopslagsystemen met een eigen aansluiting op dit moment een disproportionele druk op de beschikbare transportcapaciteit van het elektriciteitsnet. Hierdoor blijft er minder transportcapaciteit beschikbaar voor andere ontwikkelingen zoals de nieuwbouwopgave en vestiging of uitbreiding van bedrijven (arbeidsplaatsen).

Integrale afweging

De Omgevingsvisie van Hendrik-Ido-Ambacht en de RES Drechtsteden hebben als gezamenlijk doel het verduurzamen van Hendrik-Ido-Ambacht. Dit is noodzakelijk voor een goed woon- en leefklimaat. Deze energietransitie naar duurzaam opgewekte energie heeft impact op het elektriciteitsnet van Hendrik-Ido-Ambacht. Dit heeft ruimtelijke impact aangezien netcongestie ertoe kan leiden dat nieuwe (bedrijfs)activiteiten niet meer mogelijk zijn of dat bestaande bedrijfsactiviteiten worden beperkt in de overschakeling naar hernieuwbare energie. Het is voor de gemeente van belang dat een EOS bijdraagt aan de verduurzaming van de gemeente en daarnaast ook de bestaande en nieuwe bedrijfsactiviteiten ondersteunt in deze transitie.

Naast verduurzaming richt de omgevingsvisie zich op het creëren van een veilige en gezonde leefomgeving. Energieopslagsystemen hebben invloed op de leefomgeving zowel in termen van ruimtelijke inpassing als externe veiligheid. Het is voor de gemeente van belang dat vestiging van een EOS niet leidt tot onevenredige ruimtebeslag of milieubelasting.

Deze regels zien niet op het belang van de energievoorziening als bedoeld in artikel 6.12 van de Energiewet.

Artikel 11.80 Verbod

Hoewel EOS een rol spelen in het balanceren van vraag en aanbod van duurzame energie, is het van belang dat hun toepassing niet ten koste gaat van andere beleidsdoelen. De gemeente stimuleert verduurzaming van bedrijfsactiviteiten, bijvoorbeeld door zonnepanelen op bedrijfsdaken, maar wil tegelijkertijd voorkomen dat EOS bedoeld voor de exploitatie van energie de energietransitie juist belemmeren door het elektriciteitsnet verder te belasten.

Energieopslagsystemen gebruiken relatief veel transportcapaciteit, waardoor er minder ruimte overblijft voor andere maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Denk hierbij aan woningbouw, uitbreiding van bedrijven en andere initiatieven die bijdragen aan werkgelegenheid en leefbaarheid. In een situatie van netcongestie, waarin het elektriciteitsnet zijn maximale capaciteit bereikt, moeten er keuzes worden gemaakt. Een verbod op EOS helpt om deze schaarse capaciteit strategisch te verdelen.

Daarnaast hebben grootschalige EOS een aanzienlijke ruimtelijke impact. Uit het scenarioboek Omgevingsveiligheid van het NIFV blijkt dat systemen met een capaciteit van 1 MWh of meer een effectgebied van 25 meter hebben. Dit betekent dat ze invloed hebben op de externe veiligheid en de leefomgeving. Een verbod draagt bij aan het voorkomen van onevenredig ruimtebeslag en milieubelasting, en sluit aan bij het streven naar een veilige en gezonde leefomgeving zoals verwoord in de omgevingsvisie van de gemeente.

Hoofdstuk 14 Water  

Afdeling 14.1 Algemene bepalingen water
Artikel 14.1 Toepassingsbereik

Dit artikel regelt waar dit hoofdstuk over gaat. Dit hoofdstuk bevat regels over activiteiten die invloed kunnen hebben op het watersysteem. In het geval van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht gaat het bijvoorbeeld om activiteiten die betrekking hebben op de waterberging, waterkeringen, waterkwaliteit en op het functioneren van een oppervlaktewater, zoals de rijksvaarweg.

In deze afdeling zijn regels opgenomen die voor heel dit hoofdstuk gelden.

Artikel 14.2 Oogmerken

Dit artikel regelt met welke oogmerk (doel) de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld.

Artikel 14.3 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen bouwactiviteiten

Dit artikel geeft aan dat er gevallen zijn waarin u geen omgevingsvergunning nodig heeft of melding hoeft te doen voor het bouwen van een bouwwerk. Dit noemen we toestemmingsvrije gevallen.

Voor het bouwen van een bouwwerk heeft u vaak een omgevingsvergunning nodig op grond van hoofdstuk 6. In datzelfde hoofdstuk zijn een paar bouwactiviteiten als toestemmingsvrij aangewezen. Ook is soms landelijk geregeld dat u geen toestemming nodig heeft om te bouwen. Zo heeft u voor het bouwen van een dakkapel geen omgevingsvergunning nodig als u aan bepaalde voorwaarden voldoet. 

Dit artikel bepaalt dat u voor het bouwen van een bouwwerk op grond van dit hoofdstuk geen omgevingsvergunning nodig heeft, als het gaat om een bouwactiviteit die in hoofdstuk 6 van dit omgevingsplan of het Besluit bouwwerken leefomgeving als toestemmingsvrij is aangewezen. 

In het tweede lid zijn een aantal uitzonderingen opgenomen. Deze uitzonderingen gelden alleen binnen de locatie 'Beperkingengebied waterkering'. Het gaat hier om bouwwerken die een grotere impact kunnen hebben op de waterkering. U mag deze daarom niet zonder omgevingsvergunning bouwen. 

Artikel 14.4 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen vervanging, vernieuwing of verandering

Dit artikel geeft aan dat u geen toestemming nodig heeft om een bouwwerk te vervangen, te vernieuwen of te veranderen. Dit betekent dat deze activiteiten zijn uitgezonderd van de vergunningplicht, bedoeld in dit hoofdstuk. Maar let op. Er geldt meestal wel een vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk op grond van hoofdstuk 6.

U mag het bouwwerk alleen vervangen, vernieuwen of veranderen als u aan de voorwaarde voldoet. De oppervlakte van het bouwwerk, voor zover gelegen op of onder het peil, mag dus niet worden uitgebreid. En u moet de bestaande fundering gebruiken.

Artikel 14.5 Aanvraagvereisten

Dit artikel regelt welke gegevens en bescheiden u moet aanleveren bij een aanvraag om een omgevingsvergunning. Deze informatie hoeft dus alleen te worden aangeleverd als er op grond van dit hoofdstuk een vergunningplicht geldt voor de activiteit. Met deze gegevens en bescheiden kan worden beoordeeld of de omgevingsvergunning kan worden verleend.

Artikel 14.6 Wijze van meten

Dit artikel verduidelijkt hoe de waarden die zijn opgenomen in dit hoofdstuk moeten worden gemeten. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouwhoogte of oppervlakte van een bouwwerk of de afstand tot de perceelsgrens. Dit artikel is altijd van toepassing, tenzij anders is bepaald. Als u gaat bepalen of er sprake is van een toestemmingsvrij geval, meet u de waarden dus aan de hand van dit artikel. Ook is dit artikel van toepassing op de gegevens en bescheiden die u verstrekt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning en de beoordeling daarvan.

Het begrip ‘peil’ is opgenomen in de begripsbepalingen. 

Afdeling 14.2 Waterberging
Paragraaf 14.2.1 Beperkingengebied hoofwatergang en waterberging

Artikel 14.7 Toepassingsbereik

Dit artikel regelt waar deze paragraaf over gaat. Dit is het bouwen van bouwwerken binnen de locatie ‘Beperkingengebied hoofdwatergang en waterberging’. In dit beperkingengebied is een deel van de rivieren de Noord, de Rietbaan en de Strooppot opgenomen. Maar het beperkingengebied bevat ook een forse strook om deze wateren heen. De regels in deze paragraaf kunnen dus ook van toepassing zijn op het bouwen van bouwwerken op gronden die grenzen aan deze wateren. Raadpleeg de locatie ‘Beperkingengebied hoofdwatergang en waterbergingen’ om te zien waar de regels precies van toepassing zijn.

Artikel 14.8 Oogmerken

Dit artikel regelt met welk oogmerk (doel) de regels in deze paragraaf zijn gesteld. In deze paragraaf staan regels over het bouwen van bouwwerken met het oog op de belangen zijn gesteld, bedoeld in artikel 14.8.

Artikel 14.9 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen

Dit artikel bevat toestemmingsvrije gevallen. Voor deze activiteiten is geen melding of vergunning nodig. Het gaat om een bouwwerk geen gebouw zijnde. Dit bouwwerk moet ten dienste van de hoofdwatergang en waterberging staan. De maximale bouwhoogte van een dergelijk bouwwerk is ook opgenomen in dit artikel.

Artikel 14.10 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel bevat een vergunningplicht voor het bouwen van bouwwerken dat niet ten dienste staat van de hoofdwatergang en waterberging. Deze bouwwerken kunnen het belang van de hoofdwatergang en waterberging schaden. Een voorbeeld van zo’n bouwwerk is een woning.

Voor het bouwen van deze bouwwerken geldt meestal al een vergunningplicht op grond van hoofdstuk 6 van het omgevingsplan. De vergunningplicht, bedoeld in artikel 14.9, bestaat naast deze vergunningplicht. Dit komt doordat de regels in deze paragraaf zijn gesteld om te verzekeren dat de belangen, bedoeld in artikel 14.8, niet worden geschaad.

Artikel 14.11 Beoordelingsregels

Dit artikel geeft aan wanneer de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.10 wordt verleend. Het is belangrijk dat het bouwwerk het belang van de hoofdwatergang of waterberging niet schaadt. Een voorbeeld van dit soort schade is als er door de bouw van het bouwwerk geen onderhoud meer uitgevoerd kan worden aan de watergang. Ook wordt er bijvoorbeeld gekeken naar of het bouwwerk het waterbergingsvolume wegneemt of de afvoer van water vertraagt.

Om te beoordelen of deze belangen worden geschaad wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de watergang. De grondslag daarvoor staat in artikel 14.12.

Artikel 14.12 Advies waterbeheerder

Voordat het bevoegd gezag mag beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning moet er advies zijn ingewonnen bij de beheerder van de watergang. Dat is in dit geval Rijkswaterstaat. Het bevoegd gezag wint dit advies in over de vraag of de belangen van de hoofdwatergang en de waterberging onevenredig worden geschaad.

Artikel 14.13 Vergunningvoorschriften

Dit artikel biedt de mogelijkheid aan het bevoegd gezag om voorschriften te verbinden aan een omgevingsvergunning uit deze paragraaf. Die voorschriften kunnen bijvoorbeeld aangeven onder welke voorwaarde(n) de vergunde activiteit mag worden uitgeoefend.

Afdeling 14.4 Overstromingen
Paragraaf 14.4.1 Beperkingengebied waterkering

Artikel 14.14 Toepassingsbereik

Dit artikel regelt waar deze paragraaf over gaat. In deze paragraaf staan regels over het bouwen van een bouwwerk binnen de locatie ‘Beperkingengebied waterkering’. In dit beperkingengebied zijn gebieden opgenomen waar beperkingen gelden vanwege de aanwezigheid van de waterkering.

In deze paragraaf staan geen regels over het verrichten van bepaalde grondwerkzaamheden in de buurt van een waterkering. Deze grondwerkzaamheden werden voorheen werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden genoemd. Het gaat dan bijvoorbeeld om het aanplanten van bomen, het graven of dempen van oppervlaktewaterlichamen of het leggen van kabels en leidingen. Het waterschap stelt over deze grondwerkzaamheden regels in de waterschapsverordening.

Artikel 14.15 Oogmerken

Dit artikel regelt met welk oogmerk (doel) de regels in deze paragraaf zijn gesteld.

Artikel 14.16 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen

Dit artikel bevat toestemmingsvrije gevallen. Voor deze activiteiten is geen melding of vergunning nodig. Het gaat om een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Dit bouwwerk moet ten dienste van de waterkering staan. De maximale bouwhoogte van een dergelijk bouwwerk is ook opgenomen in dit artikel.

Artikel 14.17 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel bevat een vergunningplicht voor het bouwen van bouwwerken die niet ten dienste staan van de waterkering. Deze bouwwerken kunnen het belang van de waterkering schaden. Een voorbeeld van zo’n bouwwerk is een woning.

Voor het bouwen van deze bouwwerken geldt meestal al een vergunningplicht op grond van hoofdstuk 6 van het omgevingsplan. De vergunningplicht, bedoeld in artikel 14.17, bestaat naast deze vergunningplicht. Dit komt doordat de regels in deze paragraaf zijn gesteld om te verzekeren dat de belangen, bedoeld in artikel 14.15, niet worden geschaad.

Artikel 14.18 Beoordelingsregels

Dit artikel geeft aan wanneer de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.17 wordt verleend. Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als het belang van de waterkering niet onevenredig wordt geschaad. Dit belang omvat alles wat nodig is om de waterkering veilig en functionerend te houden. Dit betekent bijvoorbeeld dat het bouwwerk er niet voor mag zorgen dat er geen onderhoud meer mag worden uitgevoerd. 

Om te beoordelen of het bouwwerk een probleem vormt voor het belang van de waterkering, wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de waterkering. De grondslag hiervoor staat in artikel 14.19.

Artikel 14.19 Advies beheerder van de waterkering

Het bevoegd gezag moet advies inwinnen bij de beheerder van de waterkering, voordat de omgevingsvergunning wordt verleend. De beheerder van de waterkering krijgt daarmee de kans om aan te geven of het belang van de waterkering naar zijn oordeel wordt geschaad.

Artikel 14.20 Vergunningvoorschriften

Dit artikel biedt de mogelijkheid aan het bevoegd gezag om voorschriften te verbinden aan een omgevingsvergunning uit deze paragraaf. Die voorschriften kunnen bijvoorbeeld aangeven onder welke voorwaarde(n) de vergunde activiteit mag worden uitgeoefend.

Afdeling 14.5 Waterkwaliteit
Paragraaf 14.5.1 Beperkingengebied waterwinning

Artikel 14.21 Toepassingsbereik

Dit artikel regelt waar deze paragraaf over gaat. Het toepassingsbereik van deze paragraaf is het verrichten van grondwerkzaamheden en het bouwen van bouwwerken binnen de locatie ‘Beperkingengebied waterwinning’. In dit beperkingengebied zijn gebieden opgenomen waar regels gelden beperkingen gelden, omdat er drinkwater wordt gewonnen.

Er is gekozen om geen nadere begripsomschrijving op te nemen voor grondwerkzaamheden. Dit begrip spreekt in het normale taalgebruik voor zich.

Artikel 14.22 Oogmerken

Dit artikel regelt met welk oogmerk (doel) de regels in deze paragraaf zijn gesteld.

Artikel 14.23 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen bouwactiviteiten

Dit artikel bevat toestemmingsvrije gevallen voor het bouwen. Voor deze activiteiten is geen melding of vergunning nodig. Het gaat om een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Dit bouwwerk moet ten dienste van de waterwinning staan. De maximale bouwhoogte van een dergelijk bouwwerk is ook opgenomen in dit artikel.

Artikel 14.24 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen grondwerkzaamheden

Dit artikel geeft aan dat het verrichten van bepaalde grondwerkzaamheden toestemmingsvrij is. U heeft voor deze grondwerkzaamheden geen melding of omgevingsvergunning nodig. Het gaat hier om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het normale beheer en onderhoud van de waterwinning. Dan kunt u bijvoorbeeld denken aan werkzaamheden die worden uitgevoerd om de kwaliteit van de drinkwaterbron en het terrein daaromheen vast te stellen. Deze werkzaamheden kunnen plaatsvinden in de grond, maar zijn nodig om voldoende drinkwater van goede kwaliteit te leveren.

Artikel 14.25 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel bevat een vergunningplicht voor het bouwen van bouwwerken die niet ten dienste staan van de waterwinning. Deze bouwwerken kunnen het belang van de waterwinning schaden. Een voorbeeld van zo’n bouwwerk is een woning.

Voor het bouwen van deze bouwwerken geldt meestal al een vergunningplicht op grond van hoofdstuk 6 van het omgevingsplan. De vergunningplicht, bedoeld in artikel 14.25, bestaat naast deze vergunningplicht. Dit komt doordat de regels in deze paragraaf zijn gesteld om te verzekeren dat de belangen, bedoeld in artikel 14.22, niet worden geschaad.

Artikel 14.26 Beoordelingsregels

Dit artikel geeft aan wanneer de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.25 wordt verleend. Dit is het geval als het belang van de waterwinning niet onevenredig wordt geschaad. Het drinkwaterbedrijf moet voldoende drinkwater van goede kwaliteit kunnen blijven leveren. Het bouwwerk mag dit niet belemmeren. Om te beoordelen of het voorgenomen bouwwerk een probleem vormt voor het belang van de waterwinning, wint het bevoegd gezag advies in bij het drinkwaterbedrijf. De grondslag hiervoor staat in artikel 14.27.

Artikel 14.27 Advies drinkwaterbedrijf

Voordat het bevoegd gezag beslist op de aanvraag van de omgevingsvergunning, moet eerst advies worden ingewonnen bij de beheerder van de waterwinning. Dat is het drinkwaterbedrijf. Dit geeft het drinkwaterbedrijf de kans om aan te geven of hun belang wordt geschaad.

Afdeling 14.8 Beperkingengebied rijksvaarweg
Artikel 14.28 Toepassingsbereik

Dit artikel regelt waar deze afdeling over gaat, namelijk over het bouwen van een bouwwerk binnen de locatie ‘Beperkingengebied rijksvaarweg’. Het gaat hier om vaarwegen die het Rijk beheert, namelijk de rivier de Noord, de Rietbaan en de Strooppot.

Artikel 14.29 Oogmerken

Dit artikel regelt met welk oogmerk (doel) de regels in deze afdeling zijn gesteld. Dit is een goede doorvaart van de scheepvaart.

Artikel 14.30 Wijze van meten

Dit artikel geeft aan wanneer de regels in deze afdeling gelden. Dit is het geval als er ter hoogte van de Noordoevers steigers met meerpalen of vlonders voor de kade zijn gebouwd. In dat geval schuift het ter plaatse aanwezige beperkingengebied iets op in de richting van de Noord. Dat betekent dat voor de geldigheid van de regels niet meer de locatie ‘Beperkingengebied rijksvaarweg Noordoevers’ als uitgangspunt wordt genomen, maar de buitencontour van de steigers met meerpalen of de buitencontour van de vlonders.

Artikel 14.31 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen

Dit artikel bevat toestemmingsvrije gevallen. Voor deze activiteiten is geen melding of vergunning nodig. Het gaat om een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Dit bouwwerk moet ten dienste staan van de goede doorvaart van de scheepvaart. De maximale bouwhoogte van een dergelijk bouwwerk is ook opgenomen in dit artikel.

Artikel 14.32 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel bevat een vergunningplicht voor het bouwen van bouwwerken die niet ten dienste staan van de goede doorvaart van de scheepvaart. Deze bouwwerken kunnen het belang van de scheepvaart schaden. Een voorbeeld van zo’n bouwwerk is een woning. 

Voor het bouwen van deze bouwwerken geldt meestal al een vergunningplicht op grond van hoofdstuk 6 van het omgevingsplan. De vergunningplicht, bedoeld in artikel 14.32, bestaat naast deze vergunningplicht. Dit komt doordat de regels in deze afdeling zijn gesteld om te verzekeren dat de belangen, bedoeld in artikel 14.29, niet worden geschaad.

Artikel 14.33 Aanvraagvereisten

Dit artikel bevat een aanvullende aanvraagvereiste. Het gaat om een weergave van de toegankelijkheid van de vaarweg voor hulpdiensten vanaf wal. Deze weergave moet aangeleverd worden als de aanvraag betrekking heeft op het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 14.32. Daarnaast moeten de aanvraagvereisten worden aangeleverd, bedoeld in artikel 14.5.

Artikel 14.34 Beoordelingsregels

Dit artikel geeft aan wanneer de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.32 wordt verleend. Dat is het geval als de goede doorvaart van de scheepvaart niet onevenredig wordt geschaad. In het tweede lid is aangegeven wat hieronder in elk geval wordt verstaan. Om te beoordelen of hier sprake van is wint het bevoegd gezag op grond van artikel 14.35 advies in bij Rijkswaterstaat.

Artikel 14.35 Advies Rijkswaterstaat

Voordat het bevoegd gezag beslist op de aanvraag van de omgevingsvergunning, moet advies worden ingewonnen bij de beheerder van de watergangen. Dat is in dit geval Rijkswaterstaat. Deze krijgt daarmee de kans om antwoord te geven op de vraag of het belang van de goede doorvaart van de scheepvaart wordt geschaad. En zo ja, in hoeverre er sprake is van onevenredige schade.

Hoofdstuk 15 Natuur  

Afdeling 15.1 Algemene bepalingen natuur
Artikel 15.1 Toepassingsbereik

Dit artikel regelt waar dit hoofdstuk over gaat. Bij natuur kan het gaan om bomen of houtopstanden, om gronden die door de provincie zijn beschermd als Natuurnetwerk Nederland, of om gronden waar vanuit de gemeente gezien een natuurwaarde op ligt.

Artikel 15.2 Oogmerken

In dit artikel wordt omschreven met welk doel de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld.

Afdeling 15.2 Biodiversiteit
Paragraaf 15.2.1 Natuurnetwerk Nederland

Artikel 15.3 Toepassingsbereik

Dit artikel regelt waar deze paragraaf over gaat. Dit is over het bouwen van bouwwerken binnen de locatie ‘Natuurnetwerk Nederland’. In dit gebied gelden beperkingen vanwege de aanwezigheid van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van natuurgebieden in Nederland. Het bestaat uit bestaande natuur, nieuwe natuur die nog moet worden aangelegd, en verbindingszones tussen die gebieden. Het doel is dat planten en dieren genoeg ruimte hebben om te leven en zich te verplaatsen. Zo blijft de natuur gezond en gaat de biodiversiteit niet verder achteruit. Naast de regels die we stellen in het gemeentelijk omgevingsplan aan activiteiten in het Natuurnetwerk Nederland, stellen ook vaak provincies regels hieraan, dit doen zij in de provinciale omgevingsverordening. Zo ook de provincie Zuid-Holland.

Artikel 15.4 Oogmerken

Dit artikel regelt met welk oogmerk de regels in deze paragraaf zijn gesteld. Wat onder wezenlijke waarden en kenmerken wordt verstaan, is opgenomen in de Omgevingsverordening en in (digitale) kaarten van de provincie Zuid-Holland. De digitale kaarten zijn te vinden in het ‘Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2027’, bijlage 1, kaart 1 en 2.

Uit deze digitale kaarten blijkt bijvoorbeeld dat voor een gedeelte van de Sophiapolder het gebiedstype dynamisch moeras geldt. Dit gebiedstype wordt gekenmerkt door een hoge waterstand en een dynamisch waterpeil. Het gebied overstroomt regelmatig. Daarnaast is er sprake van specifieke begroeiing, zoals hoge grassen. Dit is van groot belang voor bepaalde diersoorten die daar gedijen, zoals vogels en amfibieën. Voor dit gebied is een natuurlijk wisselend waterpeil en een goede waterkwaliteit belangrijk.

Artikel 15.5 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen bouwwerken ten dienste van het natuurnetwerk

Dit artikel bevat toestemmingsvrije gevallen. Voor deze activiteiten is geen melding of omgevingsvergunning nodig. Dat is het geval bij bouwwerken geen gebouwen zijnde. Dit bouwwerk moet ten dienste van het Natuurnetwerk Nederland staan. De maximale bouwhoogte van een dergelijk bouwwerk is 9 meter. Dit regelt het derde lid.

Van deze activiteiten is al beoordeeld dat deze de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland niet significant beperken. Ook leiden deze activiteiten niet tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland.

Artikel 15.6 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen vervangen, vernieuwing of verandering

Het vervangen, vernieuwen of veranderen van een bestaand bouwwerk is soms ook toestemmingsvrij. Dat is het geval als de oppervlakte van het bouwwerk, dat op of onder peil ligt, gelijk blijft en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

Van deze activiteiten is al beoordeeld dat deze de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland niet significant beperken. Ook leiden deze activiteiten niet tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland.

Artikel 15.7 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Als het niet gaat om een bouwwerk als bedoeld in artikel 15.5 en artikel 15.6, dan is er een vergunning nodig om het bouwwerk te mogen bouwen. Deze activiteiten zouden kort gezegd een negatieve invloed kunnen hebben op het instandhouden of ontwikkelen van de wezenlijke waarden of kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland. Of de activiteiten kunnen leiden tot vermindering van oppervlakte, kwaliteit of samenhang van het Natuurnetwerk Nederland. Door een vergunningplicht in te stellen, kan het effect van de beoogde activiteiten op het Natuurnetwerk Nederland worden beoordeeld.

Artikel 15.8 Aanvraagvereisten

Dit artikel regelt welke zaken moeten worden aangeleverd bij het aanvragen van een omgevingsvergunning als bedoeld in het voorgaande artikel. Met deze zaken kan worden beoordeeld of de vergunning kan worden verleend.

In de beschrijving van de gevolgen van de activiteit op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland kunt u bijvoorbeeld opnemen of de bouwactiviteit leidt tot significante vermindering van de oppervlakte van het natuurnetwerk of de kwaliteit of samenhang van die gebieden.

Artikel 15.9 Beoordelingsregels

Dit artikel geeft weer wanneer de omgevingsvergunning wordt verleend. Dat is het geval als de bouwactiviteiten niet leiden tot onevenredige schade aan de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden in Nederland, die planten en dieren kunnen gebruiken om te leven en om zich te verplaatsen. De rol van die natuurgebieden voor planten en dieren willen we behouden, om de natuur gezondheid te houden en de biodiversiteit op peil te houden. Wat onder wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland wordt verstaan, lichten we toe in de toelichting bij artikel 15.4.

Paragraaf 15.2.2 Natuurwaarden

Subparagraaf 15.2.2.1 Algemene bepalingen natuurwaarden

Artikel 15.10 Toepassingsbereik

Dit artikel regelt waar deze paragraaf over gaat. Het gaat over activiteiten binnen locaties met natuurwaarden.

Het gaat hier om natuur die we vanuit de gemeente beschermen, namelijk:

  • a.

    landschappelijke en natuurwaarden behorend bij de zoetwatergetijdenatuur (Crezeepolder);

  • b.

    landschappelijke en natuurwaarden van de watergangen en oevers (Crezeepolder);

  • c.

    de Sophiapolder;

  • d.

    een natuurvriendelijke oever;

  • e.

    twee kleine natuurgebieden aan de Waal;

  • f.

    de ecologische verbindingszone die grofweg gelegen is tussen Park Sandelingen Ambacht en de Sophiapolder. De zone biedt geschikt leefgebied voor diverse beschermde plant- en diersoorten. Deze zone vervulde een rol in de compensatie van de ontwikkeling van de wijk de Volgerlanden; en

  • g.

    kavel 6 van Waterlandgoed de Noorden. Dit is een woningbouwproject. Ter plaatse van kavel 6 zijn ecologische waarden aanwezig, met name doordat dit een mogelijke broedplaats is voor beschermde diersoorten. Op het moment van vaststelling van dit omgevingsplan zijn er nog geen concrete plannen om hier een woning te ontwikkelen. Maar mocht zich in de toekomst wel voordoen, dan zijn er in subparagraaf 15.2.2.3 regels opgenomen om de aanwezige natuurwaarden te beschermen.

Artikel 15.11 Oogmerken

Dit artikel geeft weer met welke oogmerken (doelen) de regels in deze paragraaf zijn gesteld.

Artikel 15.12 Specifieke zorgplicht

Dit artikel bevat een zorgplicht. We onderscheiden een aantal natuurwaarden in de toelichting bij artikel 15.10. Die natuurwaarden willen we beschermen en bevorderen. Deze zorgplicht regelt dat u alle maatregelen moet treffen die van u redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om nadelige gevolgen voor de natuurwaarden te voorkomen of te stoppen.

Subparagraaf 15.2.2.2 Grondwerkzaamheden verrichten in een natuurgebied of ecologische verbindingszone

Artikel 15.13 Toepassingsbereik

Dit artikel regelt waar deze subparagraaf over gaat. In deze subparagraaf staan regels over grondwerkzaamheden die worden uitgevoerd in een natuurgebied of ecologische verbindingszone. Daarbij onderscheiden we drie locaties: ‘Gemeentelijk natuurgebied’ en ‘Andere natuurgebieden’ en ‘Ecologische verbindingszone’. Wat we onder de natuurwaarden die binnen onze gemeente te vinden zijn, verstaan, is verwoord in de toelichting bij artikel 15.10.

De ecologische verbindingszone is een verbinding die door de gemeente is aangewezen. De zone ligt tussen natuurgebieden en maakt deel uit van de ecologische hoofdstructuur van de gemeente. Ecologische verbindingszones worden aangelegd als verblijfsplaats voor dieren en planten. Deze verbinding kan worden gebruikt door soorten om zich te verplaatsen tussen natuurgebieden. In Hendrik-Ido-Ambacht loopt de ecologische verbindingszone als een strook van park Sandelingen-Ambacht naar de Sophiapolder.

Artikel 15.14 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen grondwerkzaamheden in gemeentelijke natuurgebieden of de ecologische verbindingszone

Dit artikel bevat toestemmingsvrije gevallen. Voor het verrichten van grondwerkzaamheden binnen deze locatie is geen melding of vergunning nodig. In het omgevingsplan is geen omschrijving opgenomen van het begrip 'grondwerkzaamheden', omdat al voldoende uit het normale spraakgebruik blijkt wat hiermee wordt bedoeld. Voorbeelden zijn het aanleggen van wegen of paden, het afgraven of ophogen van grond of het aanleggen van vijvers en andere wateren. Meer voorbeelden vindt u in artikel 15.16.

Voor het verrichten van grondwerkzaamheden heeft u binnen de locaties 'Gemeentelijke natuurgebieden' geen melding of omgevingsvergunning nodig. Dit komt, omdat het hier om grond van de gemeente gaat. De bevoegdheid tot het verrichten van grondwerkzaamheden ligt dan ook bij de gemeente. De gemeente zal bij het verrichten van grondwerkzaamheden er zelf zorg voor dragen dat de natuurwaarden niet worden geschaad.

Ook mogen grondwerkzaamheden zonder melding of omgevingsvergunning worden uitgevoerd binnen de ecologische verbindingszone. Deze ligt tussen park Sandelingen-Ambacht en de Sophiapolder. Deze grond is deels van de gemeente, maar ook deels van andere organisaties.

Artikel 15.15 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen grondwerkzaamheden in andere natuurgebieden

Dit artikel bevat toestemmingsvrije gevallen. Voor grondwerkzaamheden binnen deze locatie is geen melding of vergunning nodig als aan de voorwaarden uit dit artikel wordt voldaan. Het is voldoende als aan één van de voorwaarden wordt voldaan, bedoeld in het tweede en derde lid. Er hoeft dus niet gelijktijdig aan beide leden te worden voldaan.

Artikel 15.16 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen grondwerkzaamheden in andere natuurgebieden

Voor deze grondwerkzaamheden geldt binnen de locatie ‘Andere natuurgebieden’ een vergunningplicht. Voor deze werkzaamheden is een vergunning nodig, omdat de gemeente wil beoordelen of de grondwerkzaamheden de natuurwaarden schaden.

Artikel 15.17 Aanvraagvereisten grondwerkzaamheden in andere natuurgebieden

Dit artikel regelt welke zaken moeten worden aangeleverd bij het aanvragen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.16. Met deze zaken kan worden beoordeeld of de vergunning kan worden verleend.

Artikel 15.18 Beoordelingsregels grondwerkzaamheden in andere natuurgebieden

Dit artikel geeft weer wanneer de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 15.16, wordt verleend. Daarvoor moet aan de voorwaarde uit het tweede of derde lid worden voldaan. Er hoeft dus niet gelijktijdig aan allebei de leden te worden voldaan. 

De gemeente beoordeelt of aan de voorwaarde wordt voldaan. Als de natuurwaarden niet onevenredig worden aangetast door de grondwerkzaamheden, dan wordt de omgevingsvergunning verleend. Als de natuurwaarden wel worden aangetast, maar de grondwerkzaamheden laten de mogelijkheid open om de natuurwaarde te herstellen, dan wordt de omgevingsvergunning ook verleend.

Om het iets concreter te maken, geven we een voorbeeld. Stel dat er sprake is van een hoge grondwaterstand waar een bepaalde plant (bijv. riet) goed gedijt. Als u dan bijvoorbeeld drainage gaat aanleggen, wat kan leiden tot een verlaging van de grondwaterstand, dan kan het zijn dat de gronden daarna niet meer geschikt zijn als leefgebied voor die plant. In dit voorbeeld is de natuurwaarde (leefgebied van die plant) aangetast, en kan dit leefgebied van die plant niet meer worden teruggebracht, omdat de grondwaterstand te laag is geworden voor deze plant. De plant gedijt hier niet meer. In dit geval wordt de omgevingsvergunning voor de grondwerkzaamheden niet verleend.

Subparagraaf 15.2.2.3 Activiteiten verrichten binnen een locatie met natuurwaarde

Artikel 15.19 Toepassingsbereik

Dit artikel regelt waar deze subparagraaf over gaat. In deze subparagraaf staan regels over het verrichten van bouwactiviteiten of gebruiksactiviteiten binnen de locatie 'Ontwikkellocatie Waterlandgoed de Noorden'. Waterlandgoed de Noorden is een woningbouwproject.

In het zuiden van het plangebied ligt kavel 6. Deze kavel is mogelijk een broedplaats voor beschermde diersoorten. Op het moment van vaststelling van dit omgevingsplan zijn er nog geen concrete plannen om op deze kavel een woning te realiseren. Mochten deze plannen er in de toekomst wel komen, dan bevat deze subparagraaf regels om de ter plaatse aanwezige ecologische waarden te beschermen.

Artikel 15.20 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

In dit artikel is een vergunningplicht opgenomen. Deze geldt voor het verrichten van bouwactiviteiten als bedoeld in hoofdstuk 6 en gebruiksactiviteiten als bedoeld in hoofdstuk 5 van het omgevingsplan. Vanwege de natuurwaarden wordt het verrichten van deze activiteiten ook vanuit dit hoofdstuk vergunningplichtig gesteld. Dit betekent dat een initiatiefnemer die op deze locatie een woning wil bouwen vanuit meerdere hoofdstukken met een vergunningplichtige activiteit te maken kan hebben.

Artikel 15.21 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning overhandigt een initiatiefnemer een rapport. Uit dit rapport moet blijken hoe de voorgenomen activiteiten de ecologische waarden beïnvloeden. Het bevoegd gezag gebruikt dit rapport om de aanvraag te beoordelen.

Artikel 15.22 Beoordelingsregels

Het bevoegd gezag kan toestemming verlenen voor het verrichten van bouw- of gebruiksactiviteiten als de ecologische waarden niet onevenredig worden geschaad. Dit bepaalt dit artikel. Als er aan dit artikel wordt voldaan is er vanuit het oogpunt van ecologie geen reden om op grond van dit hoofdstuk een omgevingsvergunning niet te verlenen.

Afdeling 15.3 Bomen of houtopstanden vellen
Artikel 15.23 Toepassingsbereik

Dit artikel bepaalt waar deze afdeling over gaat. Dit is over het vellen van bomen en houtopstanden binnen de locatie ‘Bebouwingscontour houtkap’. Deze bebouwingscontour ligt grofweg over het stedelijk gebied van de gemeente.

Wat onder ‘houtopstand’ wordt verstaan, is opgenomen in de Omgevingswet. Het begrip ‘boom’ wordt in de bijlage van dit omgevingsplan omschreven. Hetzelfde geldt voor het begrip ‘vellen’.

De regels in deze afdeling zien op beschermde bomen en beschermde houtopstanden en op niet-beschermde bomen en niet-beschermde houtopstanden. Beschermde bomen of beschermde houtopstanden zijn aangewezen op de Groene Kaart. Daar waar een regel in deze afdeling alleen ziet op beschermde bomen of houtopstanden, is dit in de regel aangegeven.

Artikel 15.24 Oogmerken

Dit artikel regelt met welke oogmerken (doelen) de regels in deze afdeling zijn gesteld.

Het behouden en versterken van de biodiversiteit

Sommige artikelen hebben te maken met het behouden en versterken van de biodiversiteit. Bij biodiversiteit gaat het om de mix aan leven in een gebied. Het gaat daarbij om verschillende soorten planten, dieren en andere organismen. En ook om de verschillen binnen deze soorten en de samenhang tussen deze soorten en hun leefomgeving. Een gebied met een hoge biodiversiteit bevat veel verschillende soorten planten, dieren of andere organismen, en vormt een veerkrachtig geheel waarin de plantsoorten, diersoorten of andere organismen elkaar ondersteunen. Bomen en houtopstanden vervullen een rol in biodiversiteit; zij bieden namelijk leefgebied, voedsel en verbindingsroutes voor verschillende planten- en diersoorten. Vandaar dat er bijvoorbeeld een verplichting kan gelden om beschermde bomen of houtopstanden die zonder vergunning zijn geveld, te herplanten. 

Artikel 15.25 Wijze van meten

Dit artikel geeft aan hoe de stamomtrek van een boom of houtopstand gemeten moet worden. En welke stam, in geval van meerdere stammen, opgemeten moet worden. Deze maten zijn nodig om te bezien of we hier spreken over een boom of houtopstand. We spreken namelijk alleen over een boom of houtopstand als deze een bepaalde omvang heeft. Die omvang is weergegeven in artikel 15.23, tweede lid.

Artikel 15.26 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen bomen of houtopstanden zonder bescherming

De Groene Kaart is een kaart van de gemeente. Op deze kaart staan alle beschermde bomen en beschermde houtopstanden binnen de gemeente. Deze worden bijvoorbeeld beschermd vanwege hun bijzondere waarde voor de natuur. Op de kaart wordt onderscheid gemaakt tussen ‘Beschermde boom – Hoofdstructuurboom’ en ‘Beschermde boom – Particuliere boom’.

Dit artikel geeft aan dat u een boom of houtopstand zonder omgevingsvergunning mag vellen als deze niet beschermd is volgens de Groene Kaart. Uw boom of houtopstand wordt dan niet genoemd in de legenda van de Groene Kaart .

Artikel 15.27 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen zieke of dode beschermde bomen of beschermde houtopstanden

Dit artikel omschrijft dat u voor het vellen van een beschermde boom of een beschermde houtopstand geen toestemming nodig heeft als er sprake is van één van de gevallen, bedoeld in het tweede en derde lid. Dit betekent dat u in deze gevallen geen melding of omgevingsvergunning nodig heeft.

U moet aan één van deze twee voorwaarden voldoen om de beschermde boom of beschermde houtopstand te mogen vellen. Er hoeft dus niet gelijktijdig aan beide leden te worden voldaan.

Het tweede lid bepaalt dat u geen toestemming nodig heeft voor het vellen van een beschermde boom of een beschermde houtopstand als dit een verplichting is die volgt uit de Plantgezondeheidswet. In de Plantgezondheidswet staat onder andere dat u verplicht bent om maatregelen te nemen als dit nodig is om de verspreiding van schadelijke organismes te voorkomen. U kunt dan denken aan bacteriën, schimmels, insecten of andere organismes die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid of de natuur. Deze maatregel kan aan u worden opgelegd. In bepaalde gevallen kan deze maatregel ook de verplichting inhouden om de boom of houtopstand te vellen of te vernietigen. In dat geval heeft u geen omgevingsvergunning nodig.

Daarnaast mag u de boom of houtopstand vellen als deze dood is. Dit staat in het derde lid.

Artikel 15.28 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen beschermde bomen met veiligheidsrisico's

Dit artikel bevat toestemmingsvrije gevallen. Voor deze activiteiten is geen melding of vergunning nodig. Het gaat hier om beschermde bomen of beschermde houtopstanden die een veiligheidsrisico vormen.

Artikel 15.29 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen regulier onderhoud aan beschermd hakhout

Dit artikel bevat toestemmingsvrije gevallen. Voor periodiek vellen van hakhout is geen melding of vergunning nodig. Dit wordt als regulier onderhoud gezien.

Artikel 15.30 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen regulier onderhoud aan beschermde knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen

Dit artikel bevat toestemmingsvrije gevallen. Voor deze activiteiten is geen melding of vergunning nodig. Het moet gaan om het uitvoeren van regulier onderhoud. Daarnaast moet het reguliere onderhoud worden uitgevoerd als noodzakelijke beheersmaatregel.

Artikel 15.31 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen vellen beschermde bomen of beschermde houtopstanden

Beschermde bomen of houtopstanden mogen alleen met een omgevingsvergunning geveld worden. Behalve als er sprake is van een toestemmingsvrij geval. Dat regelt dit artikel. 

Beschermde bomen of houtopstanden zijn weergegeven op de Groene Kaart als ’Beschermde boom - Hoofdstructuurboom’ of ‘Beschermde boom – particulier’. Dat je deze activiteit alleen mag uitvoeren met een vergunning, heeft ermee te maken dat we deze bomen of houtopstanden een bijzondere waarde toekennen.

Artikel 15.32 Aanvraagvereisten

Dit artikel bevat aanvraagvereisten. Dit zijn de gegevens en bescheiden die u moet verstrekken bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van een beschermde boom of beschermde houtopstand.

Het eerste lid maakt duidelijk dat u een begrenzing van de locatie moet verstrekken waarop de voorgenomen activiteit (vellen van beschermde boom of beschermde houtopstand) wordt verricht. Dit kunt u bijvoorbeeld aanduiden met een tekening, een luchtfoto of soortgelijk beeldmateriaal. De grondslag voor deze aanvraagvereiste staat in hoofdstuk 7 van de Omgevingsregeling. We herhalen de aanvraagvereiste in dit lid voor de duidelijkheid.

Er mag geen twijfel over bestaan over welke bomen of houtopstanden uw aanvraag gaat. Daarom moet u dit op de aanduiding goed aangeven. Dit doet u door iedere boom of houtopstand die u wilt vellen te voorzien van een nummer. Maar let op. U heeft alleen een omgevingsvergunning nodig voor het vellen van bomen en houtopstanden die beschermd zijn volgens de Groene Kaart. Beschermde bomen of houtopstanden zijn weergegeven op de Groene Kaart als ’Beschermde boom - hoofdstructuurboom’’ of ‘Beschermde boom – particulier’’. Gaat u een boom of houtopstand vellen die niet beschermd is? Dan hoeft u daar dus geen informatie over aan te leveren.

Per boom of houtopstand moet u vervolgens een paar gegevens en bescheiden aanleveren. Dit regelt het tweede lid. Het gaat onder andere om de soort boom of houtopstand, de stamomtrek, en de mogelijkheid tot herbeplanten.

Artikel 15.33 Beoordelingsregels

Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt beoordeeld aan de hand van dit artikel. In dit artikel staan de beoordelingsregels. De omgevingsvergunning wordt verleend als er wordt voldaan aan één van de voorwaarden, bedoeld in het tweede tot en met het achtste lid. Er hoeft dus niet gelijktijdig aan álle leden van dit artikel te worden voldaan.

Het maatschappelijk belang weegt zwaarder dan het belang om de beschermde boom of houtopstand te behouden

De omgevingsvergunning wordt verleend als er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang. Dit betekent dat er een afweging moet plaatsvinden tussen het belang van de individu en het algemene belang van de samenleving. Deze afweging is maatwerk. Om deze reden wint het bevoegd gezag op grond van artikel 15.34 advies in bij een boomdeskundige.

In het algemeen kan worden gesteld dat een individueel belang geen reden is om een gezonde boom of houtopstand te vellen. Bijvoorbeeld in het geval dat iemand een beschermde boom wil kappen om er een schuur te bouwen of vanwege allergieën. Als deze boom in goede gezondheid is, kan de omgevingsvergunning niet worden verleend.

Het is niet langer verantwoord om de boom in stand te houden door het risico op letsel of schade'

De omgevingsvergunning wordt verleend als het behoud van de beschermde boom of beschermde houtopstand kan leiden tot letsel of schade. In dit geval weegt het voorkomen van letsel of schade zwaarder dan de bescherming van de boom of houtopstand.

Er moeten infrastructurele werkzaamheden worden uitgevoerd waardoor de beschermde boom of beschermde houtopstand moet worden geveld

Als er noodzakelijke infrastructurele werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, kan het zijn dat de beschermde boom of beschermde houtopstand moet worden geveld. Dit kan bijvoorbeeld gaan om werkzaamheden aan kabels en leidingen of riolering.

Er is sprake van dunning

Als er sprake is van dunning, kan de omgevingsvergunning worden verleend. Met dunning bedoelen we vellen, wat alleen bedoeld is om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen/stimuleren. Wat onder vellen wordt verstaan is opgenomen in de begripsbepalingen bij dit omgevingsplan.

Er moeten werkzaamheden worden verricht ter verjonging en verbetering van de betreffende boomstructuur als bedoeld in het Groentechnisch renovatieplan

In sommige gevallen zal het nodig zijn om een boomstructuur te verjonging of verbeteren om deze in goede vorm en gezondheid te houden. Als de beschermde boom of beschermde houtopstand in het kader van deze verjonging of verbetering van de boomstructuur wordt geveld, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.

Er is sprake van een noodtoestand of andere uitzonderlijke situatie

Als er sprake is van een noodtoestand of andere uitzonderlijke situatie kan de omgevingsvergunning worden verleend. Dit is bijvoorbeeld het geval als er zich een ramp of uitzonderlijke situatie, zoals een grootschalige overstroming, heeft voorgedaan.

Er is sprake van zwaarwegende overlast

Als er sprake is van zwaarwegende overlast, kan de omgevingsvergunning voor het vellen worden verleend. In dat geval wordt dus, met het verlenen van de omgevingsvergunning, besloten dat het tegengaan van deze zwaarwegende overlast zwaarder weegt dan het in stand houden van de beschermde boom of beschermde houtopstand.

Verder geldt dat voor de beoordeling van de aanvraag een afweging van meerdere belangen nodig is. Daar is de blik van een deskundige voor nodig. Daarom vraagt de gemeente advies aan een boomdeskundige. De grondslag hiervoor staat in artikel 15.34. De gemeente mag pas overgaan tot het verlenen van de omgevingsvergunning als dit advies is ingewonnen.

Artikel 15.34 Advies boomdeskundige

Dit artikel bepaalt dat het bevoegd gezag voor de beslissing om een omgevingsvergunning te verlenen, advies inwint bij een boomdeskundige. De afweging om de omgevingsvergunning te verlenen is namelijk maatwerk; dat verschilt van geval tot geval. Er moet altijd een afweging worden gemaakt tussen het individu en het algemeen belang van de samenleving.

Artikel 15.35 Vergunningvoorschriften

Dit artikel bepaalt dat er vergunningvoorschriften kunnen worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het vellen van een beschermde boom of beschermde houtopstand. In een vergunningvoorschrift wordt vastgelegd onder welke voorwaarden de vergunninghouder de activiteit mag uitvoeren. Ofwel de vergunning wordt verleend, zolang je voldoet aan de voorwaarden uit de vergunning.

Die voorschriften kunnen inhouden dat er moet worden herplant. Daarbij kan een bepaalde termijn zijn aangegeven en ook aanwijzingen hoe moet worden herplant. Ook kunnen er voorschriften zijn die zien op hoe niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. Met niet aangeslagen herplant bedoelen we bomen of houtopstanden die het niet goed blijken te doen. Een voorschrift kan ook inhouden dat er een Bomen Effect Analyse (BEA) moet worden uitgevoerd. Een omschrijving van een BEA is opgenomen in de begripsbepalingen bij dit omgevingsplan. Kort gezegd is een BEA: een analyse die de effecten van bouw- of grondwerkzaamheden op de omgeving, en met name op aanwezige bomen, in kaart brengt. Dit is belangrijk om de impact van de werkzaamheden op de bomen te minimaliseren en om te zorgen voor een verantwoorde omgang met de bestaande bomen.

Afdeling 15.6 Groen in stand houden
Paragraaf 15.6.1 Algemene bepalingen groen in stand houden

Artikel 15.36 Toepassingsbereik

Dit artikel toont waar deze afdeling over gaat. Wat we onder het in stand houden van een groene inrichting bedoelen, blijkt uit de regels in de volgende twee paragrafen.

Paragraaf 15.6.2 Beschermde boom of beschermde houtopstand in stand houden

Artikel 15.37 Toepassingsbereik

Dit artikel toont waar deze paragraaf over gaat. Dit is over het vellen van bomen en houtopstanden binnen de locatie ‘Bebouwingscontour houtkap’. Deze bebouwingscontour ligt grofweg over het stedelijk gebied van de gemeente. Beschermde bomen of beschermde houtopstanden zijn aangewezen op de Groene Kaart.

Artikel 15.38 Specifieke zorgplicht

Dit artikel bevat een zorgplicht. Als er sprake is van een ernstige bedreiging van een beschermde boom of beschermde houtopstand of als hier bijna sprake van is, dan moeten alle voorzieningen worden getroffen om die bedreiging te voorkomen of weg te nemen. Deze regel stellen we omdat we een bijzondere waarde toekennen aan een beschermde boom of beschermde houtopstand. We willen deze daarom in stand houden. In het tweede lid wordt aangegeven wie zich aan deze zorgplicht moet houden.

Artikel 15.39 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft de mogelijkheid aan het bevoegd gezag om een maatwerkvoorschrift te stellen in het geval dat een beschermde boom of beschermde houtopstand ernstig wordt bedreigd of dat hier bijna sprake van is. Een maatwerkvoorschrift is een voorschrift die in een individueel, concreet geval kan worden opgelegd. 

Het maatwerkvoorschrift in dit artikel kan zijn dat er een Bomen Effect Analyse (BEA) moet worden gemaakt. Een omschrijving van een BEA is opgenomen in de begripsbepalingen bij dit omgevingsplan. Kort gezegd is een BEA: een analyse die de effecten van bouw- of grondwerkzaamheden op de omgeving, en met name op aanwezige bomen, in kaart brengt. Dit is belangrijk om de impact van de werkzaamheden op de bomen te minimaliseren en om te zorgen voor een verantwoorde omgang met de bestaande bomen.

Artikel 15.40 Informatieplicht over het tenietgaan van beschermde bomen of houtopstanden

Als er sprake is van een beschermde boom of beschermde houtopstand die geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan, zonder dat deze is geveld met een vergunning, dan wil het bevoegd gezag hierover geïnformeerd worden. De boom of houtopstand is namelijk beschermd omdat we deze boom of houtopstand een bepaalde waarde toekennen. Ook als er sprake is van een dreiging dat de beschermde boom of houtopstand teniet kan gaan, dan wil het bevoegd gezag hierover geïnformeerd worden. Het informeren moet meteen en moet schriftelijk gebeuren door de eigenaar van de boom of houtopstand.

Paragraaf 15.6.3 Groene inrichting in stand houden

Artikel 15.41 Toepassingsbereik

Dit artikel toont waar deze afdeling over gaat, namelijk over het in stand houden van een groene inrichting binnen de locatie 'Afschermend groen'. Op deze locaties vinden we het belangrijk dat de gronden groen ingericht blijven, omdat die groene inrichting bepaalde belangrijke rollen vervult, zoals onder oogmerken is aangegeven.

Artikel 15.42 Oogmerken

Dit artikel toont met welke oogmerken de regels in deze afdeling zijn gesteld. Een groene inrichting kan namelijk meerdere rollen vervullen. Zo heeft een groene inrichting een positief effect op de gebruiks- en belevingswaarde van de omgeving (ruimtelijke kwaliteit). Daardoor kan een groene omgeving ook leiden tot een aangenamer woon en leefklimaat. Verder kan groen bijdragen aan de opname van CO2, waardoor het kan leiden tot een gezondere leefomgeving . Groen biedt planten en dieren een leefgebied en de mogelijkheid om zich te verplaatsen; daarmee vervult groen ook een rol voor biodiversiteit.

Artikel 15.43 Specifieke zorgplicht

Dit artikel bevat een zorgplicht. Als er een activiteit wordt verricht die schade kan toebrengen aan de biodiversiteit, is diegene die de activiteit verricht, verplicht om maatregelen te nemen om die schade te voorkomen. Bij biodiversiteit gaat het om de mix aan leven in een gebied. Het gaat daarbij om verschillende soorten planten, dieren en andere organismen. En ook om de verschillen binnen deze soorten en de samenhang tussen deze soorten en hun leefomgeving. Een gebied met een hoge biodiversiteit bevat veel verschillende soorten planten, dieren of andere organismen, en vormt een veerkrachtig geheel waarin de plantsoorten, diersoorten of andere organismen elkaar ondersteunen. We vinden het namelijk belangrijk om een gemeente te zijn waar het goed gesteld is met de biodiversiteit.

Artikel 15.44 Algemene regels

De regels in dit artikel zijn van toepassing binnen de locatie ‘Afschermend groen’. De locatie ligt over een deel van het Bedrijvenpark Ambachtsezoom en een aangrenzend plangebied.

Op Bedrijvenpark Ambachtsezoom speelt de groene inrichting een belangrijke rol in de uitstraling van het bedrijventerrein. In het noordelijke deel van het bedrijventerrein zijn groene werkkamers gerealiseerd. In deze werkkamers zijn één of meerdere bedrijven gevestigd. Deze bedrijven worden omringd met bomenranden, zodat er een groene coulisse ontstaat. De inrichting zorgt hier voor een groen werklandschap. De groene inrichting mag slechts onderbroken worden door één uitrit per werkkamer.

Aangrenzend aan het bedrijventerrein zijn rond dezelfde tijdsperiode woningen ontwikkeld bij de Zuidwende. In het verlengde van de volkstuinen is ook hier de locatie ‘Afschermend groen’ aangebracht. Het groen werkt hier als een buffer en vormt een scheidingslijn tussen het landelijke en het stedelijke gebied. De bossages zorgen daarnaast voor privacy.

Hoofdstuk 22 Bruidsschat  

Afdeling 22.1 Algemeen  
Artikel 22.1 Voorrangsbepaling

Eerste lid

In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan worden zowel ruimtelijke besluiten (artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet) als de omgevingsplanregels van rijkswege (artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet) opgenomen. Deze omgevingsplanregels van rijkswege wordt ook wel de bruidsschat genoemd. Onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan vallen bijvoorbeeld bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet. In deze bestemmingsplannen is er afgeweken van bepalingen bij of krachtens de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer. Dat betekent dat de omgevingsplanregels uit die bestemmingsplannen op onderdelen in strijd zijn met de omgevingsplanregels van rijkswege. Ook kan in een bestemmingsplan toepassing zijn gegeven aan artikel 2, onder a, van de voormalige Interimwet stad-en-milieubenadering waarin is bepaald dat de gemeenteraad in een bestemmingsplan kan afwijken van een milieukwaliteitsnorm voor bodem, geluid en lucht. Omdat ook deze bestemmingsplannen samen met de omgevingsplanregels van rijkswege in het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden opgenomen moet er een voorrangsregel worden opgenomen. Deze voorrangsregel geldt ook bij strijdigheid tussen de omgevingsplanregels van rijkswege en de:

  • voorwaarden aan het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in een riool in een gemeentelijke verordening op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer; en

  • de aanwijzing van concentratiegebieden en waarden of afstanden voor geur bij het houden van landbouwhuisdieren in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij.

Om die reden is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de regels van afdeling 22.2, met uitzondering van subparagraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan niet van toepassing zijn voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. De toets of er sprake is van 'strijd' omvat ook een toets of wel of niet sprake is van regels met hetzelfde oogmerk. Als de regels een ander oogmerk hebben, doet 'strijd' in de zin van de bepaling zich niet voor. Dit is vergelijkbaar met de wijze waarop bij de toepassing van artikel 121 van de Gemeentewet wordt getoetst of er sprake is van 'strijd' met een hogere regeling. Subparagraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling uitgezonderd. Deze paragraaf regelt dat bepaalde bouw- en gebruiksactiviteiten van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan, ongeacht wat er in het omgevingsplan concreet is bepaald. Daarmee zijn deze activiteiten, voor zover die in strijd zouden zijn met het omgevingsplan, aangewezen als vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Als subparagraaf 22.2.7.3 niet van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling zou worden uitgezonderd, waardoor die paragraaf toch opzij gezet zou kunnen worden door andersluidende bepalingen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zou als gevolg daarvan de werking van die paragraaf worden ontkracht. Dat is onwenselijk.

Tweede lid

Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels in afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo'n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking 'voor zover' betekent 'in de mate dat'. Dat houdt in dat alleen die voorschriften van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 22.63 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 22.60 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing. Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan:

  • paragraaf 22.3.2 Energiebesparing

  • paragraaf 22.3.3 Zwerfafval

  • paragraaf 22.3.4 Geluid

  • paragraaf 22.3.5 Trillingen

  • paragraaf 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortelparagraaf 22.3.11 Uitwassen van beton

  • paragraaf 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

  • paragraaf 22.3.19 In werking hebben van een acculader

Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen 'gemeentelijk monument' en 'voorbeschermd gemeentelijk monument'. Deze begrippen gelden op grond van artikel 1.3  , van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in de artikelen 22.28eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en Artikel 22.295.

De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie- aanduiding gemeentelijk monument te geven.

Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen 'gemeentelijk monument' en 'voorbeschermd gemeentelijk monument' dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten 'oude stijl').

Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten 'oude stijl' gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.

Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten 'oude stijl' al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten 'oude stijl' is ook vereist dat de onderdelen van de artikelen 22.28, 22.38, 22.276,22.277, 22.279 tot en met 22.282 en 22.284 die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten 'oude stijl' van toepassing zijn. Artikel 22.2 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een 'monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is' als bedoeld in artikel 22.2, eerste lid. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten 'oude stijl' kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in artikel 22.2, tweede lid), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.

Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

Dit artikel bevat voor rijksbeschermde stads- en dorpgezichten vergelijkbaar overgangsrecht als artikel 22.2 voor gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten. Bij onder het oud recht aangewezen rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten doet zich in relatie tot de toepassing van de artikelen 22.28 , derde lid , en 22.38 , aanhef en onder b, van dit omgevingsplan de situatie voor dat deze bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet buiten de bescherming vallen die deze artikelonderdelen bieden aan rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Deze artikelonderdelen koppelen de bescherming namelijk aan de in het omgevingsplan aan een locatie gegeven functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht maar deze functie-aanduiding zal er op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet veelal niet zijn. Dit omdat de systematiek van bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten naar oud recht, anders dan onder de Omgevingswet, niet alleen via het bestemmingsplan en welstandseisen in de gemeentelijke welstandsnota verliep, maar ook via het rechtstreeks werkend sloopvergunningenstelsel in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Onder de Omgevingswet is het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten een onderwerp dat als onderdeel van het omgevingsplan wordt geregeld. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat in bestemmingsplannen nog is uitgegaan van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing.

Voor de toepassing van de artikelen 22.28 , derde lid , en artikel 22.38 , aanhef en onder b, van dit omgevingsplan, zou het ontbreken in het omgevingsplan van de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht met zich brengen dat - zolang in dit omgevingsplan aan een locatie waarvoor een op grond van het oude recht gegeven aanwijzing als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht geldt - die functie-aanduiding nog niet is gegeven, op die locatie zonder beperking op grond van de artikelen 22.27 en 22.36 van dit omgevingsplan, vergunningvrij mag worden gebouwd. Dit is uiteraard onwenselijk. Artikel 22.3 zorgt dat dit gevolg zich niet voordoet door te bepalen dat de artikelen 22.28 , derde lid , en 22.38 , aanhef en onder b, van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing zijn op deze locaties tot aan het moment waarop daaraan in dit omgevingsplan wel de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Hoewel de achtergrond van de artikelen 22.2 en 22.3 vergelijkbaar is, heeft artikel 22.3 een iets andere opzet dan artikel 22.2 . Dit komt door het feit dat voor de begrippen 'gemeentelijk monument' en 'voorbeschermd gemeentelijk monument' in bijlage I bij het Bbl in begripsomschrijvingen is voorzien. Maar er is binnen het stelsel van de Omgevingswet geenbegripsomschrijving voor 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht'. Om die reden is er in artikel 22.3 voor gekozen om de artikelen 22.28 , derde lid en 22.38 , aanhef en onder b, van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing te verklaren.

Afdeling 22.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken open, erven en terreinen  
Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften

In dit artikel wordt de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften breed opengesteld voor alle artikelen in deze afdeling. Aangezien alle onderwerpen in deze afdeling van landelijke regelgeving zijn overgeheveld naar de gemeente is het onnodig om de maatwerkmogelijkheid te clausuleren. Voorheen bevatten verschillende artikelen van het Bouwbesluit 2012 een uitdrukkelijke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om anders te besluiten dan opgenomen in de in het betrokken artikel opgenomen eis. In deze afdeling wordt die mogelijkheid niet voor afzonderlijke artikelen opgenomen, aangezien maatwerk met dit artikel breed openstaat. Het bevoegd gezag kan dus altijd bepalen of in het concrete geval met een gemotiveerd maatwerkvoorschrift kan worden gewerkt. Een uitzondering op het niet meer specifiek benoemen van afwijkmogelijkheden in het artikel zelf is artikel 22.12 over de aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater. De voorheen in het Bouwbesluit opgenomen mogelijkheid voor het bevoegd gezag om aanwijzingen te geven is voor de duidelijkheid van bevoegd gezag en de gebruiker wel in dit artikel overgenomen. Het is op basis van de brede bevoegdheid om maatwerk te stellen op grond van artikel 22.4 echter ook mogelijk dat het maatwerkvoorschrift in een concreet geval anders moet komen te luiden.

Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden

Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

In door het bevoegd gezag te bepalen situaties kan het nodig zijn dat, voorafgaande aan het bouwen, door of namens het bevoegd gezag rooilijnen, bebouwingsgrenzen of het meetniveau van het te bouwen bouwwerk op het bouwterrein worden vastgesteld en gemarkeerd (uitgezet). In dit artikel is geregeld dat vergunningplichtige bouwwerkzaamheden pas mogen beginnen als door of namens het bevoegd gezag de rooilijnen of bebouwingsgrenzen of het straatpeil zijn uitgezet. Het kan hierbij gaan om activiteiten die op grond van artikel 5.1, tweede lid onder a, van de Omgevingswet vergunningplichtig zijn (de technische bouwactiviteit) of activiteiten die op grond van dit omgevingsplan vergunningplichtig zijn.

Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken

Artikel 22.7 Repressief welstand

Dit artikel heeft betrekking op het repressief welstandstoezicht en was voorheen opgenomen in artikel 12 van de Woningwet. Het uiterlijk van bestaande bouwwerken of te bouwen bouwwerken waar op grond van dit plan geen omgevingsvergunning voor nodig is, mogen niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold. Op grond van artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt die welstandsnota als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. In het voormalige artikel 13a van de Woningwet was opgenomen dat bij een overtreding van artikel 12, eerste lid, het bevoegd gezag de eigenaar kon verplichten zodanige door het bevoegd gezag aan te geven voorzieningen te treffen, dat daarmee werd voldaan aan artikel 12 van die wet. In de systematiek van de Omgevingswet is dit een maatwerkvoorschrift. Op grond van artikel 22.4 kan het bevoegd gezag zo'n maatwerkvoorschrift ook stellen voor het onderwerp welstand. Omdat de vraag of artikel 22.7 overtreden is, beantwoord moet worden door de criteria van de welstandsnota te beoordelen, ligt het voor de hand dat het bevoegd gezag door middel van een maatwerkvoorschrift aan de eigenaar van een gebouw duidelijk maakt op welke punten aanpassing nodig is om de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand op te heffen.

Als de gemeente geen welstandsnota heeft vastgesteld, gelden er voor de gehele gemeente geen welstandsregels waaraan het uiterlijk van bestaande bouwwerken moet voldoen. Optreden tegen welstandsexcessen is dan niet mogelijk. Op grond van het tweede lid is welstandstoezicht evenmin aan de orde voor door de gemeenteraad aangewezen bouwwerken in daarbij aangewezen (zogenoemde welstandsvrije) gebieden. Op grond artikel 12, tweede lid, van de Woningwet, kon de gemeenteraad die welstandsvrije bouwwerken en gebieden aanwijzen. Deze besluiten zijn in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet, toegevoegd aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan waar zowel voor het repressieve welstandstoezicht (in artikel 22.7 , tweede lid ) als voor de beoordeling van een nieuw te bouwen vergunningplichtig bouwwerk aan redelijke eisen van welstand ( artikel 22.29 , tweede lid , onderdeel a.), een uitzondering is gemaakt. Het repressieve welstandsvereiste is niet van toepassing op tijdelijke bouwwerken, met uitzondering van seizoensgebonden bouwwerken zoals strandtenten.

De vraag of het uiterlijk van nieuw te bouwen bouwwerken waarvoor wel een omgevingsvergunning op grond van het omgevingsplan nodig is aan daarop van toepassing zijnde welstandseisen voldoet, wordt tijdens het proces van vergunningverlening getoetst. Zie hiervoor artikel 22.29 .

Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor elektriciteit. Een aansluiting is voorgeschreven wanneer de aansluitafstand niet groter is dan 100 m. Bij een afstand van meer dan 100 m is de aansluiting voorgeschreven wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een afstand van 100 m. In gevallen dat de afstand groter is dan 100 m en de aansluitkosten hoger, kan worden gekozen voor een vrijwillige aansluiting op het distributienet of voor een individuele voorziening zoals bijvoorbeeld een generator. De wijze waarop de in dit artikellid genoemde afstanden moeten worden gemeten, vloeit voort uit de in dit omgevingsplan opgenomen begripsbepaling 'aansluitafstand'.

De aansluitplicht houdt alleen de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van elektriciteit mogelijk maken. Of elektriciteit daadwerkelijk wordt geleverd, is afhankelijk van een met het energiebedrijf te sluiten contract.

Overigens is een aansluiting op het distributienet niet verplicht wanneer op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van elektriciteit is toegestaan.

De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor elektriciteit geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Uiteraard staat het een initiatiefnemer wel vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten.

Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas

Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de gasvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor gas. De aansluitplicht geldt voor een aansluitafstand die niet groter is dan 40 m of wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Opgemerkt wordt dat het sinds de wijzigingen in de Gaswet van 1 juli 2018 en de daarop aansluitende wijziging van het Bouwbesluit 2012 in veel gevallen niet meer mogelijk is nieuw te bouwen gebouwen te voorzien van een gasaansluiting voor zogenoemde kleinverbruikers. In dit artikel is net zoals voorheen in het Bouwbesluit 2012 de relatie met artikel 10, zesde lid, onderdeel a of b, van de Gaswet gelegd om duidelijk te maken dat dit artikel van de Gaswet van invloed is op de vraag of er bij nieuwbouw wel een aansluiting op het gasnet gerealiseerd kan worden door de netbeheerder. Het artikel in de Gaswet gaat niet over bestaande aansluitingen die al gerealiseerd zijn. Daarnaast geldt de aansluitplicht in dit artikel alleen als de aansluitafstand 40 m of kleiner is, of als de aansluitkosten niet hoger liggen dan bij een aansluitafstand van 40 m.

De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor gas geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Deze bouwwerken hoeven dus al sinds enkele jaren niet meer aan te sluiten op het distributienet voor gas. Daarnaast is het sinds de bovengenoemde aanpassing van de Gaswet in 2018 in slechts enkele gevallen nog mogelijk is om nieuwe bouwwerken aan te sluiten op het distributienet voor gas. Het tweede lid van dit artikel bewerkstelligt dat er in drijvende bouwwerken en woning gebouwd in particulier opdrachtgeverschap nooit een aansluitplicht geldt.

Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte

Dit artikel stelt een eis voor nieuw te bouwen bouwwerken met een verblijfsgebied. Een dergelijk bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor warmte als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Die plicht is niet alleen afhankelijk van de aansluitafstand maar ook van de vraag of het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van het indienen van de aanvraag om vergunning voor het bouwen nog niet is bereikt. Bij een distributienet voor warmte kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een netwerk voor stadsverwarming. Op grond van het tweede lid zal bij een beroep op een daaraan gelijkwaardige oplossing niet alleen rekening moeten worden gehouden met veiligheid maar ook met energiezuinigheid en milieu. Met het tweede lid wordt de toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel op de aansluiting op het distributienet ingekaderd. In dat tweede lid is aangegeven aan welke energiezuinigheids- en milieucriteria een andere oplossing dan een aansluiting op het warmtenet moet voldoen om in een voorkomend geval als gelijkwaardig aan die aansluiting te kunnen worden aangemerkt. Bij de beoordeling van die gelijkwaardigheid moeten de energiezuinigheids- en milieuprestaties van de aangedragen andere oplossing vergeleken worden met de prestaties bij aansluiting op het warmtenet. Referentiekader daarbij is de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu zoals deze in het warmteplan is opgenomen. De prestaties van het warmtenet moeten daarom voldoende concreet in het warmteplan, als onderdeel van het omgevingsplan, zijn opgenomen. Als, bijvoorbeeld, in het warmteplan alleen gegevens over de CO2-uitstoot van het warmtenet zijn opgenomen en niet over NOx-effecten, dan moeten de milieuprestaties van de te beoordelen andere oplossing alleen voor de CO2-uitstoot worden bepaald en mag NOx niet als factor in beschouwing worden genomen. Als een gemeente voor energiezuinigheid de wettelijk vastgestelde energieprestatiecoëfficiënt (EPC) wil realiseren, dan kan de gemeente in het warmteplan volstaan met de vermelding dat de wettelijke EPC wordt nagestreefd. Aanleg van nieuwe warmtenetten geschiedt veelal in gebieden met een grote bouwopgave (bijvoorbeeld een nieuwe woonwijk met meerdere duizenden woningen). De uitvoering van zo'n bouwopgave en – in samenhang daarmee – van de aanleg van het distributienet voor warmte geschiedt niet in één keer, maar gefaseerd. De uiteindelijke prestatie van het distributienet voor energiezuinigheid en bescherming van het milieu treedt pas op vanaf het moment dat het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen is bereikt. De beoordeling van de gelijkwaardigheid van een aangedragen andere oplossing moet daarom plaatsvinden op basis van die uiteindelijke energiezuinigheids- en milieuprestaties van het warmtenet, zoals die in het warmteplan zijn aangegeven. Zie verder ook de toelichting op de omschrijvingen van de begrippen distributienet voor warmte en warmteplan.

De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Wanneer er een lokale aansluitplicht gold als bedoeld in het vierde lid van dit artikel, blijft deze aansluitplicht wel van kracht. Uiteraard staat het een initiatiefnemer daarnaast ook vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten.

Het overgangsrecht uit artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 dat behoort bij artikel 6.10, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 is inhoudelijk ongewijzigd opgenomen in het vierde lid van dit artikel. Dit lid zet de bestaande overgangsbepaling voort, voor die gebieden waar voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 6.10, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 op basis van de gemeentelijke bouwverordening en eventuele daarop gebaseerde nadere afspraken een aansluitplicht op een distributienet voor warmte (stadsverwarming) gold. In die gebieden blijft die aansluitplicht ook met inwerkingtreding van dit omgevingsplan bestaan. Als er na de inwerkingtreding van dit omgevingsplan in een dergelijk gebied wordt bijgebouwd dan geldt de aansluitplicht ook voor deze nieuwe gebouwen. Met dit overgangsrecht wordt rekening gehouden met de bijzondere eigenschappen van een warmtenet. Alleen wanneer in een bepaald gebied de aansluitplicht op een warmtenet over een langere periode is gewaarborgd, is een dergelijk systeem uit het oogpunt van energiezuinigheid en milieu haalbaar. Met gebied wordt bedoeld het gebied waarvoor een gemeente daadwerkelijk een concessie voor de aanleg en exploitatie van een warmtenet aan een netbeheerder heeft gegund. Dit kan ook de hele gemeente zijn. Artikel 22.10 , eerste lid , is, als het overgangsrecht nog geldt, dus niet van toepassing. Genoemd eerste lid is wel van toepassing op nieuwe bouwwerken in gebieden waar op het moment van inwerkingtreding van dit omgevingsplan nog geen stadsverwarming is aangelegd en ook geen concessie volgens bovenstaande is verleend.

Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater

Dit artikel regelt in welke gevallen de drinkwatervoorziening moet zijn aangesloten op het openbare distributienet voor drinkwater. De wijze waarop de in dit artikel bedoelde afstanden moeten worden gemeten volgt uit de begripsbepaling van aansluitafstand opgenomen in dit omgevingsplan. Overigens houdt de aansluitplicht niet in dat het drinkwaterbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is of dat de aangeslotene tot het afnemen van drinkwater verplicht is. De aansluitplicht houdt slechts de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of drinkwater wordt geleverd, is afhankelijk van een met het drinkwaterbedrijf te sluiten contract. Een aansluiting op het distributienet is niet verplicht wanneer door toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater is toegestaan.

Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

In het eersteen tweede lid zijn technische eisen over de aansluiting van de gebouwriolering op de buitenriolering opgenomen. Het derde  lid bevat technische eisen aan de uitvoering van een eventueel aanwezige buitenriolering. De eerste drie leden gelden ongeacht de vraag of het bouwwerk aangesloten is op een openbare voorziening voor het beheer van afvalwater. Het vierde  lid is alleen van toepassing als er een openbare voorziening voor de afvoer van afvalwater (huishoudelijk afvalwater of hemelwater) aanwezig is waarop kan worden aangesloten. Onderdeel a heeft betrekking op het geval dat er voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is. Onderdeel b heeft betrekking op het geval dat er een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is. In die gevallen bepaalt het bevoegd gezag op welke plaats, op welke hoogte en met welke middellijn de voor de aansluiting van de afvoervoorziening noodzakelijke aansluiting bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd. Op grond van onderdeel c kan het bevoegd gezag voorzieningen eisen om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Dit kan met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 22.4 . Voor de duidelijkheid is de formulering die voorheen in het Bouwbesluit 2012 was opgenomen over deze aanwijzing overgenomen in dit artikel, omdat een maatwerkvoorschrift over dit onderwerp naar verwachting in de meeste gevallen deze inhoud zal krijgen. Het is echter op grond van artikel 22.4 ook mogelijk dat er in gevallen door het bevoegd gezag op een andere manier invulling zal worden gegeven aan het maatwerk.

In paragraaf 2.4.1 van de Omgevingswet zijn de overheidszorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater beschreven. Onder stedelijk afvalwater wordt verstaan huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. De regels over het lozen van huishoudelijk afvalwater, afstromend hemelwater en overtollig grondwater in de openbare riolering staan elders in dit omgevingsplan (en eventueel in het deel van dit omgevingsplan dat is voortgekomen uit de voormalige verordening over afvoer van hemel- en grondwater op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer). In dit artikel zijn vervolgens de bouw- en installatietechnische eisen opgenomen die gelden voor de afvoer vanuit of vanaf bouwwerken die aangesloten worden op de perceelaansluiting en in het verlengde daarvan op de openbare voorzieningen voor het beheer van afvalwater.

Die overheidszorgplicht voor afvalwater is zowel bij huishoudelijk afvalwater als bij hemelwater niet absoluut. Wanneer de aanleg van voorzieningen voor huishoudelijk afvalwater in het buitengebied niet doelmatig is, moeten burgers en bedrijven zelf in de afvoer of zuivering van huishoudelijk afvalwater voorzien.

De zorgplicht voor hemelwater gaat ervan uit dat gemeenten ook in stedelijk gebied niet hoeven in te zamelen als burgers en bedrijven zelf in afvoer van hemelwater kunnen voorzien. 

 Waar wel wordt ingezameld, kan de gemeente bij de invulling van haar zorgplicht kiezen tussen de gemengde of afzonderlijke inzameling.

Artikel 22.13 Bluswatervoorziening

Op grond van het eerste lid moeten gebouwen en andere bouwwerken een toereikende bluswatervoorziening hebben. Doel van dit voorschrift is te waarborgen dat voor de brandweer een adequate openbare of niet-openbare bluswatervoorziening in of bij een bouwwerk beschikbaar is. Wanneer geen toereikende openbare bluswatervoorziening aanwezig is, moet worden zorg gedragen voor een toereikende niet-openbare bluswatervoorziening. Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een brandkraan of andere aansluiting op het drinkwater- of ander leidingnet voor bluswater, een watervoorraad, zoals een reservoir, een bassin, een blusvijver, een waterput of een bron (grondwater) of oppervlaktewater zoals een meer, de zee, een sloot, of een kanaal. Een bluswatervoorziening moet bereikbaar en betrouwbaar zijn, dus ook bij droogte of vorst. Daarom is in het artikel opgenomen dat een bluswatervoorziening niet nodig is als dit naar oordeel van het bevoegd gezag gezien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk niet nodig is.

Het tweede lid regelt de maximaal toegestane afstand tussen een bluswatervoorziening en een ingang van een bouwwerk (gebouw of bouwwerk geen gebouw zijnde). Als het bouwwerk op grond van het Bbl over een brandweeringang moet beschikken, wordt de maximale afstand tussen de bluswatervoorziening en die specifieke ingang geregeld. 

 De afstand mag niet meer dan 40 m bedragen. Wanneer in de straat of de weg een fysieke scheiding aanwezig is, zoals een gracht of beschermde trambaan, dan moet rekening worden gehouden met de omweg die daar het gevolg van is.

Het derde lid regelt dat de bluswatervoorziening altijd direct bereikbaar moet zijn. Zo kan het bijvoorbeeld noodzakelijk zijn om maatregelen te treffen om te voorkomen dat een bluswatervoorziening wordt geblokkeerd door geparkeerde auto's of andere objecten.

Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

Dit artikel bevat regels bestemd voor de bereikbaarheid van gebouwen en bouwwerken die geen gebouw zijn waarin personen kunnen verblijven, voor brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Op grond van het eerste lid moet tussen de openbare weg en de toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg aanwezig zijn die geschikt is voor het te verwachten verkeer, zoals brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Niet elk gebouw of elk bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven hoeft over zo'n verbindingsweg te beschikken. Zo'n weg is niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m 2 of als de toegang tot het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt of wanneer het bevoegd gezag van oordeel is dat de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk de aanwezigheid van die voorziening niet nodig maakt.

In het derde lid is aangegeven aan welke eisen een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid moet voldoen. De voorgeschreven minimumbreedte van de verbindingsweg en het voorgeschreven minimum draagvermogen van die weg zijn afgestemd op het gebruik door gangbare voertuigen zonder dat deze elkaar hoeven te kunnen passeren. Aan de in het derde lid gestelde eisen hoeft niet te worden voldaan wanneer in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening een afwijkende regel is opgenomen.

In het vierde lid is bepaald dat op een voorgeschreven verbindingsweg (de in het eerste lid bedoelde weg) geen obstakels aanwezig mogen zijn die de voor de doorgang van brandweervoertuigen benodigde vrije hoogte en breedte blokkeren. Zo mag die weg niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto's of overhangende takken.

Het vijfde lid bepaalt dat een verbindingsweg niet zodanig mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpdiensten onnodig hindert.

Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

Dit artikel heeft betrekking op opstelplaatsen voor brandweervoertuigen bij bouwwerken die voor het verblijf van personen zijn bestemd. Op grond van het eerste lid moeten bij een gebouw en bij een bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven opstelplaatsen voor brandweervoertuigen aanwezig zijn, zodat die voertuigen op doeltreffende wijze kunnen worden aangesloten op de bluswatervoorziening. Die opstelplaatsen moeten in voldoende aantal aanwezig zijn, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. Zulke opstelplaatsen zijn niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m 2 of als de aard, de ligging of het gebruik van het gebouw respectievelijk het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist. Het derde lid regelt de maximaal toegestane afstand tussen een opstelplaats en een ingang van het gebouw/bouwwerk. Als het bouwwerk op grond van het Bbl over een brandweeringang moet beschikken, wordt de maximale afstand tussen de bluswatervoorziening en die specifieke ingang geregeld. De afstand mag niet meer dan 40 m bedragen. In het vierde lid is bepaald dat een opstelplaats over de voorgeschreven hoogte en breedte moet worden vrijgehouden voor brandweervoertuigen. Zo mag een opstelplaats niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto's of overhangende takken. Het vijfde lid bepaalt dat een opstelplaats niet zodanig door hekwerken mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpdiensten (onnodig) hindert. Een eventueel ontsluitingssysteem moet in overleg met het bevoegd gezag worden gekozen.

Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken

Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte

Dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat de gezondheid van de bewoners door overbewoning in het geding komt. Dit voorschrift is nadrukkelijk niet bedoeld als normstelling in het kader van de verdeling van woonruimte. Op basis van dit voorschrift kan het bevoegd gezag alleen optreden in het uitzonderlijke geval dat er zoveel mensen in een woning of woonwagen wonen dat dit problemen voor de gezondheid kan opleveren.

Voor de normering in het eerste lid is aangesloten bij wat hierover in het Bouwbesluit 2012 was opgenomen. Voor dat besluit werd het onderwerp lokaal in de bouwverordening geregeld en werden verschillende afmetingen gehanteerd. Door opname van dit onderdeel in de omgevingsplanregels van rijkswege kunnen gemeenten bezien of lokaal een eis op het vlak van overbewoning nodig is en zo ja, met welke maatvoering.

Uit het tweede lid blijkt dat de eis over overbewoning niet van toepassing is op een woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Zo'n opvang moet voldoen aan de normen zoals vastgelegd in de Richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (2003/9/EG).

Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Dit artikel heeft betrekking op het staken van het gebruik van een bouwwerk als dat gebruik gevaarlijk is in verband met de bouwvalligheid van een nabij gelegen bouwwerk. Voordat sprake kan zijn van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden is het nodig dat het bevoegd gezag eerst een mededeling heeft gedaan dat het gebruik vanwege de technische kwaliteit van dat andere bouwwerk gevaarlijk is. Die mededeling is een mededeling van feitelijke aard en geen beschikking. Als het gebruik na ontvangst van de bedoelde mededeling toch wordt voortgezet, kan op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht handhavend worden opgetreden door oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder de dwangsom. In spoedeisende gevallen kan bestuursdwang zo nodig zonder voorafgaande last worden toegepast (artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht).

Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Deze zorgplicht ('kapstokartikel') heeft betrekking op gebruik van bouwwerken waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan en het Bbl. Hiermee heeft het bevoegd gezag een 'kapstok' om in een specifiek geval in te grijpen wanneer het gebruik van een bouwwerk leidt tot hinder, overlast, gezondheidsrisico's en veiligheidsrisico's anders dan de brandveiligheidsrisico's die al in het Bbl zijn geregeld.

De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een bouwwerk gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Het eerste lid regardeert dus enerzijds degene die (als eigenaar, beheerder, verhuurder of anders) het gebouw laat gebruiken door een ander, evenals degene die (zelf) gebruik maakt van een bouwwerk. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.

De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheids- en gezondheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt. De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen onderbouwen.

Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit zorgplichtartikel gerechtvaardigd kan zijn:

  • als sprake is van geluidhinder;

  • als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;

  • als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;

  • als sprake is van een illegale hennepkwekerij;

  • als op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);

  • als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.

Met het tweede lid , onderdeel c, is beoogd dat een bouwwerk in een dusdanig nette staat is dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer in een woning overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Het moet gaan om ernstige gevallen.

Het derde lid geeft aan dat dit artikel niet gaat over gebruik van bouwwerken dat al geregeld is in afdeling 6.2 van het Bbl (zie ook hierboven). Die regels zijn namelijk uitputtend en er bestaat geen ruimte dat gebruik daarnaast onderwerp van dit omgevingsplan te laten zijn.

Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen

Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

Dit artikel heeft betrekking op de aanwezigheid van relatief beperkte hoeveelheden brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken, de zogenoemde huishoudelijke opslag. De regels over opslag van brandgevaarlijke stoffen waren voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012 (voor opslag in, op of nabij een bouwwerk) en het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (voor opslag in, op of nabij een bouwsel). De inwerkingtreding van de Omgevingswet brengt geen verandering in de regeling van de opslag in, op of nabij een bouwsel, wel in de regeling van de opslag in, op of nabij een bouwwerk. De opslag in of op een bouwwerk is voortaan geregeld in het Bbl. Dat besluit bevat geen regels over de opslag nabij een bouwwerk omdat het geen regels bevat over zaken buiten een bouwwerk. Om te voorkomen dat er op dit punt een hiaat in de regelgeving ontstaat, wordt de opslag van brandgevaarlijke stoffen nabij een bouwwerk voortaan geregeld in dit omgevingsplan.

Onder brandgevaarlijke stoffen wordt in dit verband verstaan: vaste stoffen, vloeistoffen en gassen die brandbaar of brandbevorderend zijn of bij brand gevaar opleveren. Voor zover die stoffen aanwezig zijn in of op een bouwwerk is die aanwezigheid voortaan landelijk geregeld met de specifieke zorgplicht voor het brandveilig gebruik van bouwwerken (artikel 6.4 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken). Het stellen van regels over bedrijfsmatige opslag van stoffen die zowel brand- als milieugevaarlijk zijn, geschiedt in het Bal en in omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten. Dit artikel beperkt zich tot huishoudelijke opslag, dat wil zeggen kleinere hoeveelheden die – rekening houdend met de gevaarsaspecten van die stoffen – voor de goede bedrijfsvoering als werkvoorraad mogen worden beschouwd. Dit is in dit artikel uitgewerkt in een verbod op het aanwezig hebben van brandgevaarlijke stoffen in combinatie met expliciete uitzonderingen op dat verbod. In de bij dit artikel opgenomen tabel 22.2.1 is per soort stof en verpakkingsgroep aangegeven welke hoeveelheid van een brandgevaarlijke stof is toegestaan.

In de eerste kolom van de tabel zijn die stoffen geordend in overeenstemming met de deelverzameling 'stoffen die zowel milieu- als brandgevaarlijk zijn' van de ADR (Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg; Trb. 1959, 171). Conform de ADR-terminologie wordt daarbij de netto massa in kilo's gehanteerd als eenheid voor het vaststellen van hoeveelheden vaste stoffen, vloeibaar gemaakte gassen en onder druk opgeloste gassen en wordt de nominale inhoud in liters als eenheid gehanteerd wanneer het gaat om vloeistoffen en samengeperste gassen.

In het eerste lid is het verbod op het aanwezig hebben van een brandgevaarlijke stof opgenomen. Of iets een brandgevaarlijke stof is, is te lezen in tabel 22.2.1. Uit deze tabel blijkt dat ook medicinale zuurstof een gas is dat onder het voorschrift van dit artikel valt.

Op grond van het tweede lid is het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing wanneer de toegestane maximum hoeveelheid van een bepaalde stof niet wordt overschreden (onderdeel a), de stof deugdelijk is verpakt (onderdeel b) en die stof met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen wordt gebruikt (onderdeel c). Hierbij geldt dat de totale hoeveelheid stoffen niet meer mag zijn dan 100 kilogram of liter. De stof moet zodanig verpakt zijn dat de verpakking tegen een normale behandeling bestand is (wat bij de originele verpakking in de regel al het geval zal zijn) en van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen (wat bij deugdelijke sluiting van een geopende originele verpakking in de regel het geval zal zijn). Bij gebruik in overeenstemming met de gevaarsaanduiding moeten de zogenoemde R- en S-zinnen in acht worden genomen. Die zinnen, die in de regel op de originele verpakking zijn aangegeven, geven de producteigenschappen aan (R = risc: bijvoorbeeld 'ontvlambaar') en bevatten gebruiksinstructies (S = safety: bijvoorbeeld 'niet roken tijdens het gebruik').

In het derde lid wordt een aantal zelfstandig te lezen afwijkingen van het eerste lid gegeven. Bij de bepaling van de totale hoeveelheid toegestane stoffen hoeft geen rekening te worden gehouden met de in het derde lid opgenomen stoffen. Er hoeft bijvoorbeeld geen rekening te worden gehouden met de in een auto of scooter aanwezige motorbrandstoffen (onder a) of met voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken (onder c).

Onderdeel f van het derde lid bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens de Omgevingswet is toegestaan. Hiermee wordt zeker gesteld dat voor die stoffen alleen eventuele algemene regels en een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit gelden en zodoende strijdige voorschriften worden uitgesloten.

Op grond van het vierde lid moet de inhoudsmaat van een aangebroken verpakking volledig worden meegerekend. Als bijvoorbeeld in een vat nog vier liter zit van de oorspronkelijke tien liter dan moet gerekend worden met tien liter.

Enkele rekenvoorbeelden op basis van dit artikel. Ongeacht de aanwezigheid van andere stoffen mogen altijd gasflessen met een maximum inhoud van in totaal 115 liter en maximaal 1.000 liter diesel-, gas- of lichte stookolie (vlampunt tussen 61°C en 100°C) aanwezig zijn. Bij de overige stoffen gaat het niet alleen om een maximum hoeveelheid voor stoffen per ADR-klasse (bijvoorbeeld: geen grotere hoeveelheid van stoffen van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep II dan totaal 25 liter) maar mag ook de hoeveelheid van stoffen uit alle genoemde ADR-klassen samen niet meer dan 100 kilogram of liter bedragen. Wanneer bijvoorbeeld in een bouwwerk 50 liter vloeistof van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep III en 50 kilogram stoffen van ADR-klasse 5.1 aanwezig zijn, is die grens van de toegestane maximum hoeveelheid van 100 kilogram of liter bereikt. In dat geval mogen daarnaast nog wel de eerdergenoemde gasflessen en oliesoorten tot maximaal de daarvoor aangegeven maximum hoeveelheid aanwezig zijn maar geen van de overige in de tabel aangegeven stoffen.

In het vijfde lid is geregeld dat in afwijking van het derde lid , onder e, meer dan 1.000 liter van een in dat artikelonderdeel bedoelde oliesoort aanwezig mag zijn als de wijze van opslag en gebruik daarvan zodanig is dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende worden voorkomen. Op grond daarvan kan het bevoegd gezag dus instemmen met de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid. De reikwijdte van die bevoegdheid is beperkt tot gevallen die buiten de werkingssfeer van de het Bal of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit vallen.

Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit. 

 Deze zorgplicht ('kapstokartikel') heeft betrekking op de staat en het gebruik van open erven en terreinen waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan. Hiermee heeft het bevoegd gezag een 'kapstok' om in een specifiek geval in te grijpen wanneer de staat of het gebruik van een open erf of terrein leidt tot hinder, gezondheidsrisico's en veiligheidsrisico's. Ook als de staat of het gebruik op zich voldoet aan de voorschriften van dit omgevingsplan kan er reden zijn voor een beroep op dit artikel.

De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een open erf of terrein gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.

De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt.

De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen aantonen.

Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit kapstokartikel gerechtvaardigd kan zijn:

  • als sprake is van lawaaihinder;

  • als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;

  • als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;

  • als sprake is van een illegale hennepkwekerij;

  • op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);

  • als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.

Met het derde lid onderdeel c is beoogd dat een open erf of terrein in een dusdanig nette staat verkeert dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer op een erf overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Een open erf en terrein behoort geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid op te leveren door drassigheid, stank, verontreiniging, (on)gedierte, begroeiing of voorwerpen. Het moet gaan om ernstige gevallen.

Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Dit artikel heeft betrekking op het staken van het gebruik van een open erf of terrein als dat gebruik gevaarlijk is in verband met de bouwvalligheid van een nabij gelegen bouwwerk. Voordat sprake kan zijn van een overtreding waartegen het handhavend kan worden opgetreden is het nodig dat het bevoegd gezag eerst een mededeling heeft gedaan dat het gebruik vanwege de technische kwaliteit van dat andere bouwwerk gevaarlijk is. Die mededeling is een mededeling van feitelijke aard en geen beschikking. Als het gebruik na ontvangst van de bedoelde mededeling toch wordt voortgezet kan op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht handhavend worden opgetreden door oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder de dwangsom. In spoedeisende gevallen kan bestuursdwang zo nodig zonder voorafgaande last worden toegepast (artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht).

Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed

Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek

Dit artikel is een voortzetting van artikel 41a van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, dat een vrijstelling van de archeologische onderzoeksplicht bevatte. Dit artikel voorkomt dat er in dit omgevingsplan een lacune zou ontstaan door het wegvallen van artikel 41a. Het gaat hierbij om bodemverstoringen op huis-tuin-en- keukenniveau. Er worden geen grootschalige projecten mee vrijgesteld. Zie ook de toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl [1].

Het eerste lid bepaalt dat als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels zijn gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid (ook wel: aanlegactiviteit), deze regels niet gelden als de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m 2 . Deze activiteiten zijn vrijgesteld van het vereiste om bij de aanvraag om een omgevingsvergunning een archeologisch rapport aan te leveren en van eventuele vergunningvoorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg.

In het tweede lid is bepaald dat als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, (voor een locatie) voor bodemverstorende activiteiten een grotere of kleinere oppervlakte dan 100 m2 is vastgesteld voor de vrijstelling van de archeologische onderzoeksplicht, die afwijkende andere oppervlakte geldt. In dat verband wordt erop gewezen dat aan een vastgestelde afwijkende andere oppervlakte, voor zover die minder dan 50 m  bedraagt, geen praktische betekenis toekomt als het gaat om het vergunningvrij bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf dat voldoet aan de in artikel 22.27 , onder a en b, van dit omgevingsplan gestelde eisen. De vergunningplicht voor een bouwactiviteit op grond van artikel 22.26 van dit omgevingsplan geldt dan immers niet. Een archeologische onderzoeksplicht zal voor die gevallen overigens wel kunnen worden opgelegd via andere omgevingsvergunningen die op grond van dit omgevingsplan kunnen zijn vereist, bijvoorbeeld voor het uitvoeren van graafwerkzaamheden ter voorbereiding van de bouwactiviteit. Hiervoor wordt nader verwezen naar artikel 22.28 , vierde lid van dit omgevingsplan en de toelichting daarop.

Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken

Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen

De in dit artikel opgenomen afbakeningseisen zijn ongewijzigd overgenomen uit artikel 5, eerste en tweede lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. In het eerste lid is opgenomen dat vergunningvrij bouwen niet is toegestaan als het oorspronkelijke bouwwerk waarin, waaraan, waarop of waarbij gebouwd wordt, zonder de daarvoor vereiste vergunning is gebouwd of wordt gebruikt. Dit kan zowel gaan om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van die wet. In het geval het bouwwerk (geheel of gedeeltelijk) illegaal is gebouwd of wordt gebruikt, is het onwenselijk dat eventuele latere aanpassingen van of uitbreidingen aan of bij dit gebouw vergunningvrij en daarmee legaal zouden kunnen zijn. De mogelijkheid tot vergunningvrij bouwen is daarom zowel hier, als in het Bbl uitgesloten.

In het tweede lid wordt geregeld dat het aantal woningen niet mag toenemen door de vergunningvrije mogelijkheden, tenzij voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.24 Meetbepalingen

In dit artikel zijn de bepalingen over de wijze van meten uit het tweede en derde lid van artikel 1 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht ongewijzigd overgenomen. De in deze afdeling genoemde waarden worden gemeten conform dit artikel.

Artikel 22.25 Mantelzorg

Dit artikel is ongewijzigd overgenomen uit artikel 1, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Voor de toepassing van de genoemde paragrafen wordt huisvesting in verband met mantelzorg altijd als functioneel verbonden met het hoofdgebouw aangemerkt. Daarmee wordt bewerkstelligd dat een bijgebouw dat of een aan- of uitbouw die wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg vanwege de expliciet bepaalde functionele verbondenheid met het hoofdgebouw, ook moet worden aangemerkt als een functioneel verbonden bouwwerk en daarmee als bijbehorend bouwwerk als bedoeld in dit omgevingsplan. Daarmee wordt het mogelijk het bijgebouw of de aan- of uitbouw op de grondslag van artikel 22.27 , aanhef en onder a, of 22.36 , aanhef en onder a, van dit omgevingsplan vergunningvrij te bouwen. In de praktijk blijkt de vraag wel eens te ontstaan of er bij de toewijzing van een eigen huisnummer aan een bij een woning aanwezige mantelzorgvoorziening, nog sprake kan zijn van een bijbehorend bouwwerk. Het al dan niet toekennen van een afzonderlijk huisnummer is echter niet van belang voor de uitleg van deze bepaling.

Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Op grond van dit artikel is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege wordt hiermee de vergunningplicht voortgezet, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover die betrekking heeft op artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van die wet. In afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet, is uitvoerig ingegaan op het expliciet maken dat deze vergunningplicht voor een bouwactiviteit ook betrekking heeft op het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.

Het verbod behoudens vergunning geldt overigens niet als het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet aangewezen geval. Die vergunningvrije gevallen zijn aangewezen in artikel 2.15f van het Bbl. Bij die aanwijzing gaat het om een landelijk uniforme categorie gevallen waarin geen omgevingsvergunning is vereist voor het verrichten van een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk (zoals bouwen, verbouwen, vervangen of uitbreiden). In zo'n geval is geen omgevingsvergunning vereist, ook niet als de bouw in strijd zou zijn met een in het omgevingsplan gestelde regel. Voldoet een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk niet aan de in het besluit gestelde voorwaarden, dan mag die activiteit niet zonder omgevingsvergunning worden verricht. In aanvulling op de landelijke categorie vergunningvrije gevallen kunnen in het omgevingsplan meer categorieën bouwactiviteiten worden aangewezen waarvoor geen omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit is vereist. In artikel 22.27 van dit omgevingsplan is van die bevoegdheid gebruik gemaakt om bouwactiviteiten die voorheen waren opgenomen in artikel 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, onder gelijkwaardige voorwaarden, als vergunningvrije omgevingsplanactiviteit mogelijk te maken. In artikel 22.36 is geregeld dat de onderdelen van artikel 2, bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, die niet langer landelijk uniform vergunningvrij zijn op grond van het Bbl, op grond van het omgevingsplan onder dezelfde voorwaarden vergunningvrij zijn. Het betreft hier de bijbehorende bouwwerken, erf- en perceelafscheidingen hoger dan een meter en gebruik van bestaande bouwwerken voor mantelzorg. De artikelen 22.28 en 22.38 bevatten uitzonderingen op dat vergunningvrije bouwen als dat bouwen betrekking heeft op monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en archeologisch erfgoed.

Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen

Dit artikel regelt wanneer een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk wordt verleend. Het artikel is een voortzetting van artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op grond van artikel 22.29 , eerste lid , wordt de vergunning alleen verleend als het bouwplan niet in strijd is met de regels die in dit omgevingsplan zijn gesteld over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken (onderdeel a) en dat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota (onderdeel b). In onderdeel a is paragraaf 22.2.4 expliciet uitgezonderd omdat het hier om voormalige rijksregels gaat waar op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ook niet aan getoetst werd bij de vergunningverlening. Daarnaast zijn er in dit omgevingsplan (als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege) tal van regels opgenomen die niet over bouwwerken gaan, maar bijvoorbeeld over open erven en terreinen. Deze regels vallen alle buiten het beoordelingskader voor de omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op bouwwerken. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op de eis dat het bouwwerk niet in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand. Ook deze uitzonderingen zijn een voortzetting van het recht zoals dat gold onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet.

De redactie van het eerste lid sluit aan bij artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl. Het imperatieve karakter ('wordt verleend') houdt in dat de vergunning moet worden verleend als het bouwplan niet in strijd is met de daarvoor gestelde regels in het omgevingsplan. Er kunnen buiten het omgevingsplan om dus geen aanvullende redenen worden gehanteerd om een vergunning toch te weigeren. Het limitatieve karakter komt tot uiting doordat 'alleen' op grondslag van de in het omgevingsplan gestelde regels het 'binnenplans' verlenen van een vergunning mogelijk is. Als het bevoegd gezag op basis van de regels in het omgevingsplan tot het oordeel komt dat vergunningverlening niet mogelijk of (bij beslissingsruimte) niet wenselijk is, moet de activiteit als strijdig met het omgevingsplan worden aangemerkt. In dat geval is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt dat op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, de vergunning alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een verdere toelichting hierover wordt verwezen naar de nota van toelichting bij artikel 8.0a van het Bkl.

Onderdeel c

Op grond van artikel 22.26 is het verboden om zonder vergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Dit onderdeel bevat de aanvullende beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt getoetst.

Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen, mits die technisch mogelijk zijn. De vraag is louter of het technisch mogelijk is om het geschikt te maken. Het antwoord op die vraag is niet afhankelijk van de goede wil van de initiatiefnemer maar alleen of het objectief, technisch, milieuhygiënisch mogelijk is.

Saneringsmaatregelen worden uitgevoerd in overeenstemming met de milieubelastende activiteit saneren van de bodem, zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierin staan twee standaardaanpakken beschreven. Indien deze aanpakken niet voldoen, kan degene die saneert een maatwerkvoorschrift aanvragen bij het bevoegd gezag. In het omgevingsplan van de gemeenten die vallen in het zinkassengebied De Kempen staan maatwerkregels ten opzichte van de voorschriften in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie

Eerste lid

In het omgevingsplan wordt als lokale waarde de interventiewaarde bodemkwaliteit vastgelegd in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voorheen was dit ook de waarde waaraan de bodemkwaliteit getoetst werd.

Een verbod om te bouwen op verontreinigde bodem (boven de lokale waarde) zonder omgevingsvergunning als er geen maatregelen worden getroffen, volgt uit het samenstel van de vergunningplicht voor bouwen die al elders in de bruidsschat is geregeld met de beoordelingsregel in artikel 22.29 , eerste lid (het toegevoegde onderdeel c), dat die vergunning alleen wordt verleend in de situatie die is gedefinieerd in de specifieke beoordelingsregel.

Tweede lid

Gelijkwaardig met de regels van de voormalige Wet bodembescherming is hierbij opgenomen dat sprake is van een overschrijding van deze interventiewaarde als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie is overschreden in meer dan 25 m 3 bodemvolume. Voorheen werd dit 'het geval van verontreiniging' genoemd. Hierbij kan sprake zijn van onaanvaardbare risico's en moet, afhankelijk van de functie en het gebruik, wellicht worden gesaneerd of een andere beschermende maatregel worden getroffen. Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het niet noodzakelijk om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen; de grens van 25 m 3 is alleen bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen en vereist daarom alleen maatregelen als het om meer dan 25 m 3 verontreiniging binnen een perceel gaat.

Derde lid

De grens van 25 m 3 uit het tweede lid geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m 3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen.

Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie

Voordat een bodemgevoelig gebouw of een gedeelte van een bodemgevoelig gebouw in gebruik genomen wordt, wordt die informatie verstrekt waaruit blijkt hoe de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in artikel paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn uitgevoerd.

Ter bescherming van de gezondheid van de gebruikers van een bodemgevoelig gebouw is het van belang om te waarborgen dat de voorgeschreven maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Daartoe dient het voldoen aan deze informatieplicht als voorwaarde voor ingebruikname. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent ook een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de activiteit bodemsanering. De initiatiefnemer kan in één keer aan beide informatieplichten voldoen.

De strekking is dat de initiatiefnemer na afloop van de sanering het bevoegd gezag informeert dat en hoe hij de sanering heeft uitgevoerd. Dit geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om adequaat en tijdig toezicht te houden voordat het gebouw in gebruik wordt genomen om te beoordelen of de sanering is afgerond en inderdaad heeft opgeleverd dat het bodemgevoelige gebouw geschikt is voor gebruik.

Dit artikel is gericht op een vergunningvoorschrift met een verbod op ingebruikname als niet is voldaan aan de voorwaarde (voldoen aan de informatieplicht). Het voldoen aan deze informatieplicht heft dat verbod op. Ingeval van het verzuimen om te informeren of het ontbreken van de benodigde informatie kan het bevoegd gezag dus handhaven op overtreding van deze informatieplicht. Toezicht en handhaving op de wijze van saneren en of die in overeenstemming is met de voorschriften over saneren in het Besluit activiteiten leefomgeving vindt plaats op basis van dat besluit.

Een bodemgevoelig gebouw is omschreven als: 

 a. gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of 

 b. woonschip of woonwagen.

Deze begripsomschrijving is afkomstig uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en geldt via een schakelbepaling in dit omgevingsplan (artikel 1.1).

Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht

In het eerste lid van dit artikel wordt, in aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel 22.29 , de mogelijkheid gegeven om een omgevingsvergunning toch te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, maar niet in strijd is met de regels die zijn gesteld voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht. Dit betreft regels die in (van het tijdelijke deel van het omgevingsplan deel uitmakende) bestemmingsplannen of inpassingsplannen kunnen zijn opgenomen op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Voor het voortzetten van de figuren van wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen is niet in overgangsrecht voorzien. Het college van burgemeester en wethouders kan na inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook geen toepassing meer geven aan deze bepalingen. In plaats van deze specifieke wijzigingsbevoegdheden of uitwerkingsplichten, kan toepassing worden gegeven aan de generieke delegatiemogelijkheid op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet. Als vergunningverlening op grond van artikel 22.29 , eerste lid , aanhef en onder a, niet mogelijk is, maar een bouwplan niet in strijd is met de regels die zijn gegeven voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, kan de vergunning echter toch binnenplans worden verleend. Hierbij bestaat overigens beslissingsruimte. Onder de werking van de voormalige Wet ruimtelijke ordening moest bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht (voor zover de bij een uitwerkingsplicht in acht te nemen regels daarvoor de ruimte laten) ook nog zelfstandig beoordeeld worden of het wijzigings- of uitwerkingsplan, los van de daarbij in acht te nemen regels, in overeenstemming was met een goede ruimtelijke ordening. Om die reden is geen imperatief karakter gegeven aan deze aanvullende mogelijkheid om een vergunning voor een bouwplan, dat niet in strijd is met die voor een wijziging- of uitwerking gegeven regels, toch te kunnen verlenen. Het gevolg hiervan is dat, ook al is een bouwplan met de regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht niet in strijd, ook nog een zelfstandige beoordeling moet plaatsvinden of het bouwplan uit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar kan worden geacht.

In het tweede lid van dit artikel worden alle instructieregels en instructies waaraan moet worden getoetst bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van overeenkomstige toepassing verklaard op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend. Ook dit vindt zijn oorsprong in de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht moesten, los van de daarbij in acht te nemen regels uit het moederplan, ook de regels uit het voormalige Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de provinciale ruimtelijke verordening in acht worden genomen. Met het tweede lid wordt verzekerd dat ook bij de in het eerste lid geïntroduceerde mogelijkheid om binnenplans een vergunning te verlenen met toepassing van de regels die zijn gesteld voor een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, geen situatie ontstaat die niet is toegelaten op grond van een onder nieuw recht gestelde instructieregel of gegeven instructie.

Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

Ook in dit artikel zijn aanvullende beoordelingsregels gegeven. Deze aanvullende beoordelingsregels zien op twee specifieke overgangsrechtelijke situaties die verband houden met het feit dat de Omgevingswet niet langer een aanhoudingsplicht kent zoals die was geregeld in artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Die aanhoudingsplicht kon gelden vanwege een voorbereidingsbesluit dat was genomen ter voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan of vanwege een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan gold.

Toepassing van deze beoordelingsregels leidt ertoe dat, ondanks dat aan de beoordelingsregels uit artikel 22.29 wordt voldaan, de vergunning toch moet worden geweigerd als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft op grond van de in artikel 22.33 , eerste lid , genoemde bepalingen van de Invoeringswet Omgevingswet een nog onder oud recht genomen voorbereidingsbesluit van kracht is, of een tracébesluit of een besluit krachtens de Wet luchtvaart dat op grond van het oude recht gold als een zodanig voorbereidingsbesluit, of een onder oud recht gedane aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend omgevingsplan geldt. Op de plicht om in zo'n geval de vergunning te weigeren bestaat een uitzondering in het geval het bouwplan niet in strijd is met het omgevingsplan dat in voorbereiding is. Dit is vergelijkbaar met de situatie onder oud recht, waarin artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid bood de onder oud recht toepasselijke aanhoudingsplicht te doorbreken.

In praktische zin betekent de regeling dat onder nieuw recht aangevraagde omgevingsvergunningen voor het verrichten van een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk in een gebied waar een nog onder oud recht tot stand gekomen regime van voorbereidingsbescherming van toepassing is, respectievelijk dat onder oud recht als beschermd stads- of dorpsgezicht is aangewezen maar waarop nog geen voldragen beschermingsregime van toepassing is, in beginsel moeten worden geweigerd. Zo kan de vergunning dus worden geweigerd voor activiteiten die in de toekomst niet meer wenselijk worden geacht en onmogelijk zullen worden gemaakt met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. De vergunning kan ook worden geweigerd voor activiteiten waarvan het nog onvoldoende zeker is om te kunnen vaststellen of deze met het toekomstige omgevingsplan aanvaardbaar zullen blijven. Ten tijde van de te nemen beslissing op de aanvraag is het besluit tot wijziging van het omgevingsplan immers nog in voorbereiding en is het mogelijk nog onvoldoende vastomlijnd om te kunnen vaststellen of bepaalde activiteiten daarin uiteindelijk zullen worden toegestaan. Een andere mogelijkheid in zo'n geval kan overigens ook zijn om met instemming van de aanvrager, met toepassing van artikel 4:15, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, de beslistermijn op te schorten tot een moment waarop de voorbereiding zich in een zodanig stadium bevindt dat wel kan worden vastgesteld hoe het bouwplan zich verhoudt tot het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. Gewezen wordt in dat verband op het tweede lid , dat de mogelijkheid biedt om de vergunning toch te verlenen als kan worden vastgesteld dat de betrokken activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. In het laatste geval zal een dergelijk omgevingsplan onder meer moeten voorzien in op de karakteristieken van het beschermde stads- of dorpsgezicht afgestemde beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Zie ook artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Met dit tweede lid wordt een vergelijkbare voorziening getroffen als in het al eerder genoemde artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Verschil is echter dat met het tweede lid niet de toepasselijke aanhoudingsplicht wordt doorbroken maar dat in plaats van de vergunning te moeten weigeren, de mogelijkheid is gegeven om de vergunning, onder de vergelijkbare condities dat de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan, toch te verlenen. Voor een meer uitgebreide toelichting op de gevolgen van het vervallen van de aanhoudingsplicht op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt verwezen naar de toelichting bij de tweede nota van wijziging van het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet (Kamerstukken II 2018/19, 34986, nr. 9, p. 35-42).

Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Dit artikel is voor de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit de voortzetting van de regeling in artikel 2.22, tweede lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de gevallen, bedoeld in artikel 22.26 . Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarin de mogelijkheid tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg afhankelijk was gesteld van een expliciete regeling in het bestemmingsplan.

Op het verbinden van deze voorschriften is artikel 22.303 , eerste lid , van overeenkomstige toepassing. Dat artikellid omschrijft nader welke voorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval kunnen worden verbonden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid als bedoeld in artikel 22.284 , eerste lid , die van invloed is op een archeologisch monument. Gelet op deze van overeenkomstige toepassing verklaring wordt hier verder volstaan met een verwijzing naar artikel 22.303 en de toelichting daarop.

Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk. De aanvraagvereisten zijn grotendeels ontleend aan de artikelen uit de voormalige Regeling omgevingsrecht met aanvraagvereisten vanwege planologische voorschriften en stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening en vanwege redelijke eisen van welstand, voor zover deze eisen onder de Omgevingswet nog relevant zijn voor in het omgevingsplan geregelde bouwactiviteiten. Anders dan in de Regeling omgevingsrecht zijn deze aanvraagvereisten in artikel 22.35 geregeld in één artikel, omdat alle genoemde aspecten, inclusief de redelijke eisen van welstand, onder de Omgevingswet worden geregeld in het omgevingsplan. Voor de redelijke eisen van welstand wordt in dit verband verwezen naar de beoordelingsregel in artikel 22.29 , eerste lid , aanhef en onder b, van dit omgevingsplan. Aan de aanvraagvereisten is verder toegevoegd de eis dat een opgave van de bouwkosten wordt gedaan. De bouwkosten vormen doorgaans de grondslag voor de legesberekening voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In de voormalige Regeling omgevingsrecht was in de algemene aanvraagvereisten geregeld dat van de kosten van de werkzaamheden van de te verrichten activiteiten opgave wordt gedaan. In de Omgevingsregeling komt dit als algemeen aanvraagvereiste niet meer voor. Daarom moet dit bij een activiteit waarvoor dit van belang is, zoals de in dit artikel bedoelde omgevingsplanactiviteit, bij de specifieke aanvraagvereisten voor die activiteit worden geregeld.

Onderdeel j

Bij een aanvraag om een vergunning voor het bouwen wordt een bodemonderzoek overgelegd. Dit bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem is overschreden. In dat geval zijn sanerende of andere beschermende maatregelen een voorwaarde voor het bouwen ( artikel 22.29 , derde lid, en 22.30 ).

Dit is een voortzetting van artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de lokale bouwverordening.

Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

In dit artikel is geregeld dat de onderdelen van artikel 2 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, die niet langer landelijk uniform vergunningvrij zijn op grond van het Bbl, op grond van het omgevingsplan onder dezelfde voorwaarden vergunningvrij zijn. Het betreft hier de bijbehorende bouwwerken en erf- en perceelafscheidingen hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter. Met dit artikel wordt geregeld dat het bouwen, in stand houden en gebruiken van deze bouwwerken, mits voldaan wordt aan de hierbij gegeven randvoorwaarden, van rechtswege in overeenstemming is met het omgevingsplan. In combinatie met artikel 22.27 , waarin deze bouwwerken eveneens zijn aangewezen, leidt dit ertoe dat deze bouwwerken zonder vergunning zijn toegelaten op grond van het omgevingsplan. Er is geen binnenplanse vergunning en ook geen buitenplanse vergunning voor deze bouwwerken nodig. De vergunningplicht, bedoeld in artikel 22.26 , is immers niet van toepassing omdat de bouwwerken zijn aangewezen in artikel 22.27 . Evenmin is een andere binnenplanse vergunningplicht of een buitenplanse vergunningplicht aan de orde, omdat hier wordt bepaald dat de aangewezen bouwwerken van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. Dit betekent ook dat een omgevingsvergunning die is vereist op grond van een eventuele in het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen bepaling dat voor een activiteit van een bepaalde regel (zoals bijvoorbeeld een toegelaten bouwhoogte) bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken, niet nodig is.

Een uitzondering geldt voor de in de aanhef van het artikel opgenomen regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan. Dit betreft de omgevingsplanregels van rijkswege, afkomstig uit onder meer het Bouwbesluit 2012, de Woningwet en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze regels, die ook betrekking kunnen hebben op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zijn onverminderd van toepassing. Zo geldt voor deze bouwwerken bijvoorbeeld onverminderd het repressieve welstandsvereiste uit artikel 22.7. Als een bouwwerk in strijd zou zijn met één of meer van deze regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en dus een omgevingsvergunning vereist.

Bijzondere vermelding verdient nog het in dit artikel in onderdeel c aangewezen gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Omdat het hier slechts gaat om gebruik van een bestaand bouwwerk en niet om het bouwen, in stand houden en gebruiken van een te bouwen bouwwerk, is de vergunningplicht uit artikel 22.26 op deze activiteit niet van toepassing en hoeft deze activiteit dus ook niet te worden aangewezen in artikel 22.27. De aanwijzing in artikel 22.36 leidt ertoe dat een binnenplanse noch buitenplanse vergunning nodig is voor gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen

Dit artikel bevat de specifieke bepalingen voor bijbehorende bouwwerken, zoals die waren opgenomen in artikel 7 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Inhoudelijk zijn deze bepalingen ongewijzigd.

Paragraaf 22.2.8 Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Met dit artikel wordt gecodificeerd dat het overgangsrecht voor bouwwerken, zoals dat in bestemmingsplannen moest zijn opgenomen op grond van artikel 3.2.1 van het voormalige Besluit ruimtelijke ordening en dat betrekking had op de voorwaarden waaronder de in dat artikel bedoelde bouwwerken mogen worden vernieuwd of veranderd, ook voorziet in het in stand mogen houden van die bouwwerken. Het uitdrukkelijk regelen van het in stand mogen houden van die bouwwerken, is een logisch gevolg van het codificeren dat de vergunningplicht in de bruidsschat voor de bouwactiviteit ook ziet op het in stand houden van het te bouwen bouwwerk. In paragraaf 3.2.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet is hierop ingegaan. Het in stand mogen houden van een bouwwerk wordt hiermee onder het nieuwe recht uitdrukkelijk geregeld. Voor de bouwwerken die onder het planologisch overgangsrecht vielen zoals opgenomen in voormalige bestemmingsplannen, welk overgangsrecht met de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel is geworden van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, treden hiermee geen veranderingen op. Ook bij het vaststellen van nieuwe regels over bouwwerken in het omgevingsplan ligt het, zoals al toegelicht in paragraaf 3.2.2, in de rede dat wordt gekozen voor eerbiedigende overgangsbepalingen. In het nieuwe stelsel wordt het echter mogelijk om onder omstandigheden ook minder eerbiedigende vormen van overgangsrecht te kiezen.

Afdeling 22.3 Milieubelastende activiteiten  
Paragraaf 22.3.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik

In dit artikel staat het algemeen toepassingsbereik dat geldt voor de hele afdeling 22.3 . 

 Alle paragrafen in deze afdeling zijn ook voorzien van een toepassingsbereik. Dat betekent dat voor beantwoording van de vraag of een regel uit deze afdeling wel of niet geldt, getoetst moet worden of een activiteit valt binnen het algemene toepassingsbereik zoals staat in dit artikel. Als dat niet het geval is, is de gehele afdeling niet van toepassing. Ook niet als de activiteit past binnen de omschrijving van het toepassingsbereik in een van de paragrafen van deze afdeling.

Eerste lid

In het eerste lid zijn milieubelastende activiteiten als bedoeld in de Omgevingswet onder het toepassingsbereik van deze afdeling gebracht. Dit zijn dus alle activiteiten die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, anders dan lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk en wateronttrekkingsactiviteiten.

Tweede lid

De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.

Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.

Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.

Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.

Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat: 

 a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt; 

 b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico's voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.

Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de 'onderkant' van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.

Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.

Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.

Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd. De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria 'een omvang alsof zij bedrijfsmatig is', 'binnen een zekere begrenzing' en 'pleegt te worden verricht' binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.

Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.

Onderdeel a

De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.

Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto's, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium 'een omvang alsof zij bedrijfsmatig is' ook altijd een grijs gebied.

Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.

Onderdeel b

Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 22.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk ( artikel 22.18 ). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.

Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.

Onderdeel c

Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.

Onderdeel d

Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.

Onderdeel e

Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.

Onderdeel f

Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Onderdeel g

Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan.

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Derde lid

Lozingen in de bodem en in de riolering die vielen onder het Besluit lozing afvalwater huishoudens of het Besluit lozen buiten inrichtingen (en de daarmee corresponderende artikelen van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer) worden ook gedecentraliseerd en vallen daarom onder het toepassingsbereik van deze afdeling. Het gaat alleen om de gevolgen van die lozingen voor de bodem, de riolering of het zuiveringtechnisch werk. Zo valt bijvoorbeeld de hoeveelheid en kwantiteit van het lozen van water afkomstig van het ontwateren van een bouwput in de riolering, wel onder de regels van deze afdeling, maar de geluidhinder of geurhinder veroorzaakt door het ontwateren niet.

Vierde lid

De regels voor bodembeheer, zoals opgenomen in paragraaf 22.3.7 gelden voor alle milieubelastende activiteiten zoals bedoeld in de Omgevingswet. De voorschriften gelden dus ook voor milieubelastende activiteiten buiten voormalige wet milieubeheer-inrichtingen.

Artikel 22.42 Oogmerken

Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de milieubelastende activiteiten in dit (tijdelijke) omgevingsplan zijn gesteld. De wet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 22.42 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 22.42 werkt ook door in de bevoegdheden van bestuursorganen tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de toelichting op artikel 22.45 .

Het artikel sluit aan bij de oogmerken van artikel 4.22 van de Omgevingswet, voor het stellen van rijksregels. Het artikel bouwt voort op de te beschermen belangen die in artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer zijn genoemd. Onderdeel c van dit artikel benoemt enkele milieuthema's, maar ook andere milieuaspecten zoals geluid, trillingen en geur vallen onder de oogmerken van deze afdeling.

Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken of milieuthema's een rol spelen, en zullen zeker niet alle milieuaspecten bij een activiteit terugkomen in meer uitgewerkte regels. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in dit omgevingsplan zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht.

Artikel 22.43 Normadressaat

De regels van deze afdeling zijn gericht tot degene die de activiteit verricht waarop die regels betrekking hebben. Diegene moet zorg dragen voor de naleving van de regels die voor de activiteit gelden. Kortheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 2.3.2 over de normadressaat van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal.

Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht

De specifieke zorgplicht zorgt ervoor dat degene die een activiteit verricht, alles moet doen en laten om negatieve gevolgen voor de veiligheid, het milieu en de gezondheid te voorkomen. Soms lukt voorkomen niet. Dan moet hij ervoor zorgen dat er zo min mogelijk negatieve gevolgen voor het milieu en de gezondheid zijn.

Deze specifieke zorgplichtbepaling komt grotendeels overeen met de specifieke zorgplichtbepaling in het Bal. Dit artikel geldt daarom niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Dit is bepaald in het vierde lid. Voor meer informatie over de inhoud en werking van de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar paragraaf 3.1 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal.

De specifieke zorgplichten die in dit artikel zijn opgenomen, blijven gelden naast de algemene regels van deze afdeling in dit omgevingsplan, eventuele maatwerkvoorschriften en de vergunningplichten die in deze afdeling zijn opgenomen.

Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie het navolgende artikel) maar dat hoeft niet. Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Bal[2].

Deze specifieke zorgplicht vervangt onder meer artikel 2.7a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer dat ging over geurhinder. Dit houdt in dat als bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, daarbij de geurhinder bij het geurgevoelige gebouw tot een aanvaardbaar niveau moet worden beperkt. Wat aanvaardbaar is, hangt af van de situatie. Hierbij kan rekening gehouden worden met onder meer de volgende aspecten:

  • de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;

  • de geurbelasting ter plaatse van het geurgevoelige gebouw;

  • de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de activiteit;

  • de historie van degene die de activiteit verricht en het klachtenpatroon over geurhinder;

  • de bestaande en verwachte geurhinder van de activiteit; en

  • de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Deze specifieke zorgplicht geldt naast de verplichtingen die in de paragrafen en subparagrafen van deze afdeling zijn gesteld voor het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder.

Derde lid

Nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de activiteit betreffen hinder door bezoekersverkeer en indirecte geluidhinder.

Bezoekersverkeer is het bezoek van klanten of bezoekers aan een activiteit. De Handreiking Vervoermanagement (november 2017) geeft inzicht in de wijze waarop invulling gegeven kan worden aan dit aspect van de specifieke zorgplicht. Daarnaast legt de handreiking de relatie met de EED, the European Energy Efficiency Directive en hoe daar mee om te gaan. De verschillende doelgroepen krijgen met deze handreiking meer inzicht in de mogelijkheden voor een 'integrale' aanpak van duurzame mobiliteit.

Onder indirecte geluidhinder wordt geluidhinder verstaan die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt, maar die wel aan die activiteit zijn toe te rekenen. In de toelichting bij artikel 22.56(geluid: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit) wordt nader ingegaan op het verschil tussen directe geluidhinder en indirecte geluidhinder.

Het bevoegd gezag heeft op grond van artikel 22.45 de bevoegdheid maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften kunnen ook inhouden dat de activiteiten worden beschreven en dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht om de mate waarin nadelige gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt, te bepalen. De resultaten van een dergelijk onderzoek kunnen aanleiding zijn aanvullende maatwerkvoorschriften te stellen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen voor het milieu, zoals het voorschrijven van maatregelen en gedragsvoorschriften. Bij het stellen van maatwerkvoorschriften ter voorkoming van indirecte geluidhinder vanwege wegverkeer kan de circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, getiteld 'Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer' als hulpmiddel dienen. Dit is niet veranderd ten opzichte van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Voor een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal, stonden in artikel 21 van het voormalige Besluit algemene regels milieu mijnbouw en artikel 4 van de voormalige Regeling algemene regels milieu mijnbouw, regels over geluid door verkeersbewegingen. Deze regels hielden in dat de etmaalwaarde van de verkeersbewegingen van en naar de mobiele installatie niet hoger was dan 50 dB(A), beoordeeld volgens de hierboven genoemde circulaire van 29 februari 1996. Deze regels komen niet expliciet terug in deze afdeling, maar vallen wel onder de specifieke zorgplicht van dit omgevingsplan, bedoeld in dit derde lid.

Anders dan bij de plichten uit het tweede lid van dit artikel, geldt de zorgplicht uit dit derde lid ook voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Niet voor alle nadelige gevolgen van milieubelastende activiteiten voor de fysieke leefomgeving zijn rijksregels gesteld in het Bal. Anders dan in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, onderdeel k en q) maken de nadelige gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar een activiteit en de bescherming van het donkere landschap geen onderdeel uit van de belangen die met het Bal worden behartigd. Voor de belangen die buiten het Bal vallen, kunnen voor het waarborgen van deze belangen op decentraal niveau regels worden gesteld. In dit artikel is dit gedaan, door in het  derde lid het voorkomen of beperken van hinder, veroorzaakt door verkeer van en naar de activiteit en het beschermen van de duisternis en het donkere landschap op te nemen.

Vierde lid

Voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 van het Bal. Daarom is in het vierde lid bepaald dat het eerste en tweede lid van dit artikel niet gelden voor dergelijke milieubelastende activiteiten. Het derde lid geldt wel voor milieubelastende activiteiten die onder het Bal vallen. In het derde lid zijn immers aspecten genoemd die niet behoren tot het oogmerk van de regels in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Bal.

Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften

In dit artikel is de bevoegdheid opgenomen om maatwerkvoorschriften te stellen. De beperkingen die het Activiteitenbesluit milieubeheer stelde aan de mogelijkheden voor maatwerkvoorschriften, zijn daarbij niet overgenomen. Dit sluit aan bij de systematiek van het Bal. Het is niet logisch om beperkingen op te leggen aan het stellen van maatwerkvoorschriften, omdat die beperkingen altijd omzeild kunnen worden via een buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Met een maatwerkvoorschrift mag niet worden afgeweken van de specifieke zorgplicht, zoals opgenomen in artikel 22.44 . Daarmee zou namelijk buiten de oogmerken van deze afdeling worden getreden. Wel mag er met maatwerkvoorschriften invulling gegeven worden aan de specifieke zorgplichten van deze afdeling. Maatwerk houdt altijd rekening met de oogmerken uit artikel 22.42 en mag daar niet mee in strijd zijn.

Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift volgt het bevoegd gezag de instructieregels van het Bkl. Voorbeeld: Dit omgevingsplan bepaalt voor verschillende situaties dat onversterkt stemgeluid niet meegenomen wordt in de beoordeling van de toelaatbare geluidwaarde. Een gemeente kan niet zomaar voorschrijven dat onversterkt stemgeluid toch meegenomen wordt bij de beoordeling van de geluidwaarde. Het Bkl stelt namelijk in artikel 5.73 (uitzonderingen geluidbronnen) dat dit in de meeste gevallen niet kan.

Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als op grond van een paragraaf in deze afdeling van dit omgevingsplan, gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag worden verstrekt, worden die gegevens begeleid door een aantal algemene gegevens. De plicht om gegevens te verstrekken vloeit niet voort uit dit artikel. Die plicht is namelijk per activiteit opgenomen in de paragrafen van deze afdeling. Als in een paragraaf van deze afdeling het verstrekken van gegevens en bescheiden is voorgeschreven, bijvoorbeeld vóórdat wordt begonnen met die activiteit, wordt daarbij om specifieke gegevens gevraagd. Die gegevens worden dan verstrekt in aanvulling op de algemene gegevens uit dit artikel.

Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

Het eerste lid van artikel 22.47 regelt dat een naamswijziging of adreswijziging wordt doorgegeven aan het bevoegd gezag vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene wil immers dat correspondentie van het bevoegd gezag op het juiste adres aankomt. Het tweede lid regelt dat bij overdracht van de activiteit naar iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Bijvoorbeeld omdat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.

Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders

Dit artikel regelt dat gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt aan het bevoegd gezag, als dat bevoegd gezag die gegevens en bescheiden nodig heeft om voor een specifieke activiteit of een specifieke locatie te beoordelen of de algemene regels en eventuele maatwerkvoorschriften die voor die activiteit of die locatie gelden, nog volstaan. Het gaat om gegevens en bescheiden waar het bevoegd gezag om vraagt. Degene die de activiteit verricht hoeft dus niet uit eigen beweging gegevens of bescheiden op te sturen; al staat dat natuurlijk vrij.

Het gaat in dit artikel alleen om de situatie dat het bevoegd gezag wil bekijken of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit nog toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de gezondheid en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. Bij ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu kan gedacht worden aan het beschikbaar komen van nieuwe passende preventieve maatregelen of de actualisatie van de beste beschikbare technieken. De ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu kunnen bijvoorbeeld aan de orde zijn als er door cumulatie van activiteiten een verslechtering van de kwaliteit van lucht, veiligheid, geluid, oppervlaktewater of grondwater optreedt. Met deze formulering is aangesloten op dezelfde regeling voor vergunningplichtige gevallen, zoals opgenomen in artikel 16.56 in combinatie met artikel 5.38 van de Omgevingswet. Zie de artikelsgewijze toelichting op die artikelen voor verdere uitleg over 'ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu' en 'ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu'. Gegevens waarover degene die de activiteit uitvoert niet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, hoeven uiteraard niet te worden verstrekt.

Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval

Zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval moet het bevoegd gezag direct worden geïnformeerd; vertraging is gezien de gevolgen voor de gezondheid en het milieu niet wenselijk. Het gaat hier om voorvallen met een duidelijk negatief gevolg voor het milieu. Voor deze ongewone voorvallen bevat de Omgevingswet in hoofdstuk 19 regels gericht tot bestuursorganen.

De definitie in de Omgevingswet beperkt ongewone voorvallen tot afwijkende gebeurtenissen die significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen hebben. In navolging daarvan verplicht de regeling in dit omgevingsplan er niet toe om het bevoegd gezag te informeren over gebeurtenissen die afwijken van het normale verloop van een activiteit maar die geen significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben. Zie voor verdere uitleg over ongewone voorvallen afdeling 3.6 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal.

Het tweede lid bepaalt dat de informatieplicht niet geldt bij milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en bij wonen. Het Bal bevat zelf al een informatieplicht voor ongewone voorvallen. Ongewone voorvallen bij de activiteit wonen komen zelden voor, en ook in het oude recht gold daarvoor geen informatieplicht.

Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

In dit artikel is omschreven welke gegevens en bescheiden over het ongewoon voorval aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt, zodra deze informatie beschikbaar is. Dat hoeft dus niet met dezelfde spoed als het informeren over het ongewone voorval zelf.

Paragraaf 22.3.2 Energiebesparing

Artikel 22.51 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten die in afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal aangewezen zijn als milieubelastende activiteiten. Voor die activiteiten gelden de artikelen van paragraaf 5.4.1 van het Bal.

De milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in afdeling 3.2 van het Bal, de bedrijfstakoverstijgende activiteiten, vallen wel onder deze paragraaf van dit omgevingsplan. De activiteiten van afdeling 3.2 van het Bal waren onder het oude recht zelden een zelfstandige inrichting, maar meestal onderdeel van een grotere inrichting. Onder het stelsel van de Omgevingswet zijn ze meestal onderdeel van een grotere milieubelastende activiteit. Activiteiten, anders dan de activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal, zijn ofwel geregeld in het Bal in de afdelingen 3.3 en verder, ofwel in het omgevingsplan.

Als een richtingaanwijzer in het Bal de energiemodule aanwijst voor een bepaalde activiteit en daarbij ook een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal plaatsvindt, dan is de energiemodule ook van toepassing op de activiteit uit afdeling 3.2, die dan immers een functioneel ondersteunende activiteit is.

De regels van deze paragraaf gelden voor milieubelastende activiteiten waarbij het energieverbruik van alle milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de milieubelastende activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar, gezamenlijk gelijk is aan of groter dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m 3 aardgasequivalenten aan brandstoffen. Hierbij moeten de activiteiten die in afdeling 3.2 van het Bal zijn geregeld ook worden meegenomen. Dus als bijvoorbeeld een supermarkt of horecagelegenheid een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal verricht, dan gelden ook daarvoor de energiebesparingsregels van dit omgevingsplan, tenzij het energieverbruik van de activiteiten op de locatie, gezamenlijk niet boven de drempel uitkomt.

Activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal die zelfstandig boven de drempel kunnen uitkomen, zoals de zuiveringsvoorziening uit paragraaf 3.2.17 van het Bal, waren in de regel onder het oude recht een inrichting, zodat het logisch is dat daarvoor de energiebesparingsregels uit dit omgevingsplan gelden.

Overigens is de gelding van deze paragraaf beperkt tot 1 december 2023. Dit hangt samen met het beleidsvoornemen om in het kader van de voorziene regelgeving over de actualisatie van de energiebesparingsplicht alsnog op rijksniveau ook voor bepaalde milieubelastende activiteiten die niet zijn aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal regels over energiebesparing te stellen. Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 in artikel 22.52 , vierde lid , dat betrekking heeft op de verplichting energiebesparende maatregelen te treffen, is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor genoemde voorziene regelgeving. Ook de gelding van artikel 22.52a, dat betrekking heeft op het overgangsrecht voor de regels over energiebesparing zoals deze golden onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, is gekoppeld aan deze datum. Als een gemeente voor 1 december 2023 is overgegaan tot aanpassing van artikel 22.52 of 22.52a van dit omgevingsplan, zal na die datum op grond van de geactualiseerde regels over energiebesparing in het Bal moeten worden bezien of deze regels in het omgevingsplan kunnen blijven voortbestaan als maatwerkregel.

De regels in deze paragraaf, die betrekking hebben op zogeheten procesgebonden energiebesparende maatregelen, laten onverlet de regels over de zogeheten gebouwgebonden energiebesparende maatregelen, zoals deze zijn gesteld in de artikelen 3.84, 3.84a en 3.84b van het Bbl.

Artikel 22.52 Energie: maatregelen

Dit artikel vervangt artikel 2.15 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze paragraaf is overgenomen uit paragraaf 5.4.1 van het Bal. Zie de bij die paragraaf horende toelichting voor een uitleg van deze artikelen.

Het bevoegd gezag kan, als aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan dit artikel, met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan een onderzoek verlangen waaruit blijkt of aan dit artikel wordt voldaan.

Bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling bevat energiebesparende maatregelen die kunnen worden getroffen.

Artikel 22.52a Energie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht

Dit artikel bevat overgangsrecht voor milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van paragraaf 22.3.2 van dit omgevingsplan vallen en waarvoor al op grond van het recht voor de Omgevingswet – in concreto artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer – door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht aan het bevoegd gezag is verstrekt of had moeten worden verstrekt.

Dit overgangsrecht heeft in de eerste plaats tot gevolg dat tot 1 december 2023 kan worden volstaan met het treffen van de energiebesparende maatregelen, bedoeld in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is inclusief de bijbehorende regels en bijlagen uit afdeling 2.5 van de Activiteitenregeling milieubeheer, zoals de lijst met erkende energiebesparende maatregelen, de rekenmethode voor de terugverdientijd en de rekenmethode voor de hoeveelheid aardgasequivalent. In artikel 22.52a , tweede lid , is in dat licht gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid van het artikel, artikel 22.52 op de betreffende milieubelastende activiteiten niet van toepassing verklaard.

Daarnaast volgt uit dit overgangsrecht dat als voor een onder het toepassingsbereik vallende milieubelastende activiteit die is gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht had moeten worden verstrekt, maar dat nog niet is gebeurd, tot 1 december 2023 nog steeds in overeenstemming met de daaraan in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde eisen aan de informatieplicht moet worden voldaan.

Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 als einddatum voor het overgangsrecht is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor in de toelichting bij artikel 22.51 genoemde voorziene regelgeving.

Paragraaf 22.3.3 Zwerfafval

Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil

Dit artikel is een nadere invulling van de specifieke zorgplicht uit dit omgevingsplan of uit artikel 2.11 van het Bal. Anders dan onder het oude recht, geldt dit artikel ook voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. 

 De voorrangsbepaling van artikel 22.1 , tweede lid van dit omgevingsplan is ook relevant voor deze vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Als het aspect zwerfafval bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet al in een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is geregeld, is deze omgevingsplanregel niet van toepassing.

Paragraaf 22.3.4 Geluid

Subparagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.54 Toepassingsbereik

Eerste lid

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw. Alleen geluidgevoelige gebouwen die op een locatie toegelaten zijn op grond van het omgevingsplan of via een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, worden beschermd tegen het geluid veroorzaakt door een activiteit.

Activiteiten

Dit artikel geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude Wet milieubeheer begrip inrichting te vangen. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41 , tweede lid . De geluidvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer- inrichtingen.

Dat betekent dat het geluid door activiteiten die buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling vallen, niet hoeft te voldoen aan de bepalingen van deze geluidparagraaf. Voor die activiteiten blijven op grond van artikel 22.4 van de Omgevingswet onder meer de regels gelden over geluidhinder uit de Algemene Plaatselijke Verordening.

Ook is er in artikel 22.1 van dit omgevingsplan een algemene voorrangsbepaling opgenomen. Het eerste lid van dat artikel bevat een voorrangsregel voor geluidregels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet, voor zover die regels afwijken van de geluidregels in deze paragraaf van dit omgevingsplan. Een voorbeeld hiervan zijn afwijkende geluidwaarden in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet.

Het tweede lid van artikel 22.1 van dit omgevingsplan bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend. De geluidvoorschriften uit die vergunningen krijgen voorrang op de geluidregels in dit omgevingsplan.

Geluidgevoelig gebouw en geluidgevoelige ruimte

Onder de Omgevingswet zijn begrippen geüniformeerd. Dat betekent dat voor sommige begrippen een nieuwe definitie geldt. Meestal is daar geen beleidsmatige verandering in bedoeld, maar soms kan de nieuwe definitie wel een iets andere uitwerking hebben. Zo wordt niet meer gesproken over een gevoelig gebouw of een gevoelig object. In plaats daarvan wordt gesproken over een geluidgevoelig gebouw.

Of een gebouw geluidgevoelig is, is afhankelijk van de gebruiksfuncties van dat gebouw. Zo wordt onder de Omgevingswet gesproken van een gebouw met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, in plaats van over een woning.

In bestemmingsplannen werden specifieke ruimtes vaak niet bestemd. Het hele gebouw heeft dan dezelfde bestemming. Hierdoor kan in bestaande situaties een verandering ontstaan in de plaats waar de geluidwaarde geldt. Denk aan een aan- of inpandige garage, die wel een nevengebruiksfunctie van wonen heeft, maar geen verblijfsruimte is. De geluidwaarde geldt dan op de gevel van die garage.

Overigens is het begrip geluidgevoelige ruimte in het Bkl ook anders gedefinieerd dan in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m 2 . Die ondergrens van 11 m  vervalt. Een geluidgevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de aangewezen gebruiksfuncties.

In de praktijk kunnen zodoende kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.

Tweede lid, onderdeel b

Met dit artikel wordt bepaald dat het geluid van een activiteit niet geldt op een geluidgevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten. 

 De aanwezigheid van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw kan wel aanleiding zijn voor het (met maatwerk) opleggen van een andere waarde dan de standaardwaarde of voor het opleggen van maatregelen of gedragsvoorschriften. De specifieke zorgplicht voor een milieubelastende activiteit is ook van toepassing op geluid door een activiteit op deze tijdelijke geluidgevoelige gebouwen.

Tweede lid, onderdeel c

Een gevel kan bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen met toepassing van de artikelen 5.78y of 5.78aa van het Bkl, als niet-geluidgevoelige gevel in het omgevingsplan worden aangemerkt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 5.78y en 5.78aa in het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Deze niet-geluidgevoelige gevels vervangen in het nieuwe stelsel de gevels die onder de voormalige Wet geluidhinder als 'doof' werden aangemerkt of waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en- milieubenadering werd afgeweken van de wettelijke norm.

In het overgangsrecht van het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet is in artikel 12.17 bepaald dat onder 'niet-geluidgevoelige gevel' ook wordt verstaan een gevel die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangemerkt als zogenoemde 'dove gevel', evenals een gevel waarvoor de Interimwet stad-en-milieubenadering is toegepast. Ook die gevels blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet geluidgevoelig.

Derde lid, onderdeel a

Voor activiteiten met verplaatsbare mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal worden geluidwaarden gesteld in paragraaf 4.109 'Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk' van het Bal.

Derde lid, onderdeel b

Geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen valt niet onder de regels van deze paragraaf. Andere geluiden door een spoorwegemplacement, zoals geluid door het wassen van de treinwagons, vallen wel onder deze paragraaf. 

 Voor het geluid door wegverkeersbewegingen van en naar een spoorwegemplacement geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 22.44 , derde lid , onder a, van dit omgevingsplan.

Vierde lid

Een winkel was onder het oude recht vaak geen Wet milieubeheer-inrichting. De regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden daarom niet voor activiteiten bij detailhandel. Winkels vielen wel onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer als de volgende installaties aanwezig waren:

  • elektromotoren met een opgeteld vermogen groter dan 1,5 kW (bijvoorbeeld in automatische rolluiken of airco's); of

  • stookinstallaties met een opgeteld thermisch vermogen van meer dan 130 kW.

Met dit artikel wordt voorkomen dat de geluidwaarden uit deze paragraaf gaan gelden voor die winkels waarvoor de geluidnormen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet golden. Wel geldt voor deze winkels de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan.

Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid

De uitzondering in artikel 22.54, tweede lid, onder b, voor een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw, geldt alleen voor een geluidgevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm 'aanvaardbaar' uit artikel 5.59, tweede lid van het Bkl.

Voor een geluidgevoelig gebouw dat al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten geldt de uitzondering niet. Zo'n gebouw valt wel binnen het toepassingsbereik van deze paragraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid door een activiteit op de gevel van een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw.

De reden voor het uitzonderen is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als geluidgevoelig gebouw.

Zie het schema in de volgende alinea voor een overzicht van de gevallen waarin een waarde voor geluid geldt bij verschillende situaties van geluidgevoelige gebouwen die tijdelijk toegelaten zijn versus activiteiten.

Tweede lid

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen geprojecteerde en in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is wel zo bij de instructieregels van het Bkl. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in omgevingsplannen, zou toetsing op een geprojecteerd gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. In de transitieperiode is dit ongewenst: voor rechtmatige bestaande situaties moeten niet ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is in de omgevingsplanregels van rijkswege, voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een geprojecteerd gebouw of een geluidgevoelig gebouw in aanbouw. Het uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat de initiatiefnemer onder dezelfde condities zijn activiteit moet kunnen blijven voortzetten. Als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten bij een bestaande activiteit, of een nieuwe activiteit begint bij een bestaand geluidgevoelig gebouw, gelden al wel de nieuwe regels. Dit verschil werkt ook door naar de omgevingsplanregels van rijkswege.

Schema: of waarden voor geluid gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen of tijdelijke geluidgevoelig gebouwen versus situatie activiteiten

 

Activiteiten

Geluidgevoelig gebouw

al rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

nog niet rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van hetomgevingsplan toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de geluidregels voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.

De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.58 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.

Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling over de milieubelastende activiteit uit te breiden. Bijvoorbeeld met het geluid van een landbouwvoertuig op een akker. Deze bepaling trekt die activiteit niet alsnog 'binnen' de activiteit.

Directe hinder, laden en lossen versus indirecte hinder

Ook activiteiten die niet hoofzakelijk op de locatie van het terrein van een bedrijf plaatsvinden, maar in de onmiddellijke nabijheid daarvan, kunnen onderdeel zijn van een activiteit in de zin van dit artikel. Dit wordt beschouwd als 'directe hinder'. Een voorbeeld hiervan zijn laad- en losactiviteiten die op de openbare weg worden uitgevoerd. Het geluid van dit laden en lossen moet dus ook voldoen aan de waarde voor geluid van een activiteit, zoals opgenomen in deze paragraaf. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen ook voor deze activiteiten in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting.

De geluidvoorschriften in deze paragraaf gelden dus voor het geluid dat beschouwd wordt als 'directe hinder'. Geluid, veroorzaakt door het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit (totdat het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld) wordt beschouwd als 'indirecte hinder'. Voor indirecte hinder geldt alleen de specifieke zorgplicht in artikel 22.44, derde lid van dit omgevingsplan. Zie ook de toelichting bij  artikel 22.44, derde lid.

Overigens was het onder het oude recht ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer laden en lossen overgaat in het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit. Deze omgevingsplanregels van rijkswege brengen hier geen verandering in.

Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden

Dit artikel is gebaseerd op artikel 5.60 van het Bkl. Kortheidshalve wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij dat besluit.

Onderdeel c

Net als voorheen worden de ligplaatsen van woonschepen en de standplaatsen van woonwagens beschermd tegen geluidhinder. Anders dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer worden woonschepen en woonwagens wel als geluidgevoelig gebouw aangemerkt en wordt daarvoor niet de aparte benaming 'gevoelige terreinen' gehanteerd. Dit artikel bepaalt vervolgens dat de waarden voor geluid voor woonschepen en woonwagens geldt op de grens van de locatie. Langs andere weg wordt daarmee hetzelfde bereikt.

In bijlage I bij het Bkl is een woonschip gedefinieerd als 'drijvende woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip'.

In bijlage I bij het Bbl wordt onder een woonwagen verstaan: woonfunctie op een locatie bestemd voor het plaatsen van een woonwagen.

Artikel 22.58 Geluid: functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn op geluid door een activiteit, op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.61 van het Bkl.

Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geluid op of in een geluidgevoelig gebouw, dat voorheen onderdeel was van de Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor het geluid door die agrarische activiteit op dat geluidgevoelige gebouw.

Het gebouw blijft wel beschermd tegen geluid, veroorzaakt door andere omliggende activiteiten.

Onderdeel a

Onderdeel a regelt dit voor zogenaamde 'plattelandswoningen' die als plattelandswoning zijn aangewezen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).

Onderdeel b

Onderdeel b regelt dit in het geval van een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

In een situatie als bedoeld onder b wordt in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor de woning waar het om gaat (of een ander geluidgevoelig gebouw) bepaald dat deze woning geen bescherming geniet in de vorm van geluidwaarden, tegen geluidhinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden.

Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de waarden voor geluid uit dit tijdelijke deel van het omgevingsplan, die gelden voor de agrarische activiteit, ook daadwerkelijk niet gaan gelden op de gevel van de naastgelegen woning, die nu geen functionele binding meer heeft.

Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.62 van het Bkl. Dat artikel biedt ruimere mogelijkheden bij geluidgevoelige gebouwen met een voormalige functionele binding. Deze ruimere mogelijkheden zijn niet opgenomen in de omgevingsplanregels van rijkswege.

Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.62 van het Bkl en paragraaf 2.3.8, onder 'Voormalige bedrijfswoningen', en paragraaf 8.1.3 onder 'Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties', van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.

Artikel 22.60 Geluid: onderzoek

Dit artikel is een voortzetting van artikel 1.11 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In dit artikel wordt bij een aantal activiteiten bepaald dat een rapport van een geluidonderzoek moet worden ingediend. Het gaat daarbij onder meer om het onder bepaalde omstandigheden ten gehore brengen van muziekgeluid en om transportactiviteiten in de avond- en nachtperiode (tussen 19.00 en 7.00 uur). In de gevallen waarvoor bij de specifieke bepalingen een plicht is opgenomen tot het indienen van een akoestisch rapport, leert de ervaring dat doorgaans problemen te verwachten zijn bij toetsing aan de geluidwaarden.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook een specifieke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om bij besluit ook voor andere activiteiten een geluidonderzoek te eisen. Deze mogelijkheid heeft het bevoegd gezag nog steeds, via de maatwerkmogelijkheid in artikel 22.45 van dit omgevingsplan. Hiervoor moet het bevoegd gezag aannemelijk maken dat het geluidsniveau of het maximale geluidsniveau meer bedraagt dan de waarden die gelden voor de activiteit op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning. Het gaat om gevallen waarin gelet op de te verwachten bronvermogens en afstanden tot gevoelige gebouwen het aannemelijk is dat de normen zullen worden overschreden.

De maatwerkmogelijkheid kan ook gebruikt worden om in voorkomende gevallen van de plicht tot het verstrekken van een geluidonderzoek af te zien. 

 In sommige gevallen kan het voor zonebeheer noodzakelijk zijn de geluidsproductie van activiteiten gelegen op een gezoneerd industrieterrein te weten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een activiteit aan de rand van het industrieterrein is gelegen of als een activiteit met de waarden, genoemd in dit omgevingsplan, een onevenredig groot beslag zou leggen op de nog beschikbare geluidsruimte, zonder dat die activiteit de bij deze waarden behorende geluidsruimte daadwerkelijk nodig heeft. Op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden.

Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

Ten minste vier weken voor het begin of wijziging van de activiteit moet het geluidonderzoek aan het bevoegd gezag versterkt worden. Behalve het geluidonderzoek moeten ook de gegevens zoals vermeld in artikel 22.46 worden verstrekt.

Artikel 22.61a Gegevens en bescheiden

Dit artikel heeft als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein.

Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van artikel 22.60 en 22.61 of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.

Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het tweede lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in artikel 22.61a van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.

Subparagraaf 22.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

Artikel 22.62 Toepassingsbereik

Eerste lid

Deze paragraaf geldt voor activiteiten waarvoor waarden voor langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) of het maximaal geluidsniveau (LAmax) gesteld worden. Voor windturbines en buitenschietbanen worden voor geluid andere waarden gesteld, namelijk voor Lden en Lnight en geluid Bs,dan.

Tweede lid

Deze paragraaf is niet van toepassing op geluid dat niet representatief is voor een activiteit. Uitgangspunt is dat elke activiteit onderdeel is van de representatieve bedrijfssituatie en het geluid van elke activiteit representatief geluid is. Niet representatief geluid is alleen het geluid door een uitzonderlijke bedrijfssituatie, dat in een maatwerkbesluit als zodanig is aangemerkt. 

 Het is aan het oordeel van het bevoegd gezag wat een uitzonderlijke bedrijfssituatie is. In paragraaf 4.2 van bijlage IVh van de Omgevingsregeling zijn richtlijnen gegeven die daarbij kunnen worden toegepast. Hiermee wordt – grofweg – de situatie uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de Handleiding meten en rekenen industrielawaai voortgezet dat incidentele bedrijfssituaties niet worden meegenomen bij het bepalen van het geluid. In het voormalige Activiteitenbesluit is een incidentele bedrijfssituatie een bedrijfssituatie waarvoor op grond van artikel 2.20, zesde lid, andere waarden zijn vastgesteld.

Voor het geluid dat niet representatief is voor een activiteit kan het bevoegd gezag als dat nodig is, wel regels stellen, bijvoorbeeld waarden, tijdstippen of werkwijzen voor de gebeurtenissen die het niet-representatieve geluid veroorzaken. Artikel 5.59 van het Bkl bepaalt namelijk dat het omgevingsplan erin moet voorzien dat ook het niet-representatieve geluid aanvaardbaar is.

Derde lid

In het toepassingsbereik worden windparken met 3 of meer windturbines expliciet uitgesloten, omdat zij ook niet vallen onder subparagraaf 22.3.4.3 over het geluid door windturbines.

Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen

Eerste lid

Het eerste lid bepaalt hoeveel geluid toelaatbaar is op de gevel van een geluidgevoelig gebouw en komt overeen met de geluidnormen die in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stonden. In de instructieregels van het Bkl zijn geen normen meer opgenomen voor het LAmax in de dagperiode.

Tweede lid

Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kende in artikel 2.17, derde lid, de regeling dat voor geluidgevoelige gebouwen op Activiteitenbesluit-bedrijventerreinen (geen gezoneerde industrieterreinen zijnde) het beschermingsniveau op de gevel 5 dB(A) lager ligt. Om te voorkomen dat activiteiten opeens niet meer aan de geluidwaarden voldoen, is deze regeling in het tweede lid van dit artikel overgenomen. In bijlage I bij de omgevingsplanregels van rechtswege is een begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein opgenomen. Het Bkl biedt in artikel 5.65, tweede lid, voor zulke bedrijventerreinen de mogelijkheid om een 5 dB(A) hogere waarde te stellen.

Derde lid

In de instructieregels (artikel 5.65) van het Bkl zijn de geldende binnenwaarden opgenomen voor in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Deze komen, voor wat betreft het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, overeen met de waarden zoals deze op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden. In de instructieregels van het Bkl zijn geen waarden meer opgenomen voor het LAmax in de dagperiode, en de waarden in de avondperiode zijn strenger dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Om te voorkomen dat in de transitieperiode andere waarden voor de activiteiten gaan gelden, zijn in dit artikel de waarden uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer overgenomen.

Vierde lid

Het vierde lid gaat in op de piekgeluiden die veroorzaakt worden door het laden en lossen in de dagperiode. Laden en lossen valt via artikel 22.41 (algemeen toepassingsbereik) en artikel 22.56 (meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit) onder de activiteit, en daarmee onder de geluidwaarden die in de tabellen zijn gesteld. Dat geldt dus ook voor laden en lossen dat op de openbare weg ('in de onmiddellijke nabijheid van') plaatsvindt. Om te voorkomen dat in de periode waarin de gemeenten hun omgevingsplannen nog niet hebben aangepast aan de Omgevingswet, het overdag laden en lossen onder de norm voor het piekgeluid gaat vallen, is het vierde lid toegevoegd. Dit lid bepaalt uitdrukkelijk dat – net als onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer– voor het laden en lossen in de dagperiode geen geluidwaarden voor het piekgeluidniveau gelden. Ook het Bkl geeft geen afzonderlijke waarden voor de piekniveaus in de dagperiode, en dus ook niet voor de piekniveaus van het laden en lossen.

Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, vierde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit artikel geldt alleen voor bedrijven die uitsluitend of in hoofdzaak een inrichting voor verkoop van brandstoffen aan derden zijn. Door het vervangen van het begrip Wet milieubeheer- inrichting door activiteiten is het niet meer mogelijk gebruik te maken van dit zogenoemde hoofdzaakcriterium. Daarvoor is het tankstation nu omschreven als het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Het Bkl gaat in de instructieregels niet meer uit van een apart geluidregime met afwijkende dagperioden voor tankstations. Wel zijn er op grond van de flexibiliteitsbepalingen van deze instructieregels mogelijkheden om in het omgevingsplan rekening te houden met de bijzondere kenmerken van het geluid bij een tankstation, zoals de pieken bij dichtslaan van autoportieren, als het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen maar aanvaardbaar is en er voldaan wordt aan de grenswaarden in het Bkl. In dit artikel wordt het onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidregime overgenomen, zodat de geluidsituatie niet verandert zolang de gemeente nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld.

Artikel 22.65 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, vijfde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het begrip agrarische activiteiten wordt in dit omgevingsplan niet meer specifiek gedefinieerd. Het gaat om activiteiten die betrekking hebben op gewassen of landbouwhuisdieren voor zover deze geteeld of gekweekt respectievelijk gefokt, gemest, gehouden of verhandeld worden. Daaronder wordt ook verstaan agrarisch gemechaniseerd loonwerk zoals het uitvoeren van cultuurtechnische werken, mestdistributie, grondverzet of soortgelijke dienstverlening. Dit artikel geldt alleen voor bedrijven of andere locaties waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten of activiteiten die daarmee verband houden worden verricht. Door het vervangen van het Wet milieubeheer begrip inrichting door activiteiten is het niet meer mogelijk gebruik te maken van dit zogenoemde hoofdzaakcriterium. Daarvoor in de plaats wordt gesteld dat het moet gaan om een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

In navolging van het voormalige Besluit landbouw milieubeheer en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer worden voor de in het eerste lid genoemde activiteiten mobiele bronnen niet meegewogen bij het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Daarom zijn de waarden in tabel 22.3.5, die zien op het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, alleen van toepassing op de vast opgestelde installaties en toestellen. De waarden voor maximale geluidsniveaus zijn van toepassing op alle bronnen: vast en mobiel.

Voor het geluid van deze mobiele installaties geldt alleen de specifieke zorgplicht. Voor agrarische bedrijven die bij inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsvergunning voor milieuactiviteiten hebben, blijven op grond van artikel 22.1 , de voorschriften van de omgevingsvergunning gelden.

Belangrijke verschillen tussen dit artikel en de instructieregels voor geluid van het Bkl zijn:

  • Dit artikel geeft standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en afwijkende tijdsperioden voor agrarische activiteiten. De instructieregels van het Bkl kennen voor agrarische activiteiten niet standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en ook geen afwijkende tijdsperioden. Het Bkl biedt wel de mogelijkheid om een agrarisch gebied aan te wijzen waar de toelaatbare waarde 5 dB(A) lager is.

  • In dit artikel gelden de standaardwaarden niet voor mobiele installaties. De standaardwaarden van het Bkl gelden ook voor de mobiele installaties bij een agrarisch bedrijf als die vallen onder de representatieve bedrijfsituatie.

  • Akkers en weilanden zijn voor de toepassing van dit artikel geen onderdeel van de activiteit. De instructieregels van het Bkl gaan over al het geluid van locatiegebonden activiteiten, als dat geluid representatief is voor die activiteit.

In dit artikel wordt het onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidregime overgenomen, zodat de geluidsituatie niet verandert zolang de gemeente nog geen nieuw deel van het omgevingsplan heeft vastgesteld

Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, zesde lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

De begrippen glastuinbouwbedrijf en glastuinbouwgebied worden in dit omgevingsplan niet meer specifiek gedefinieerd. Het gaat dan respectievelijk om een activiteit die in de kern bestaat uit het in een kas telen van gewassen en een cluster aaneengesloten percelen voor glastuinbouwbedrijven.

De instructieregels van het Bkl kennen voor geluid door glastuinbouwbedrijven niet standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en ook geen afwijkende tijdsperioden. Het Bkl biedt wel de mogelijkheid om een agrarisch gebied aan te wijzen waar de toelaatbare waarde 5 dB(A) lager is. In dit artikel wordt het onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidregime overgenomen, zodat de geluidsituatie niet verandert zolang de gemeente nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld.

Artikel 22.67 Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening

In artikel 2.17, zevende lid, juncto 2.17a, vijfde lid, en de artikelen 2.18, vijfde lid, en 2.19a, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond een mogelijkheid om bij of krachtens een gemeentelijke verordening hogere of lagere normen te laten gelden, dan de standaardnormen. Op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet blijven die regels zoals opgenomen in een gemeentelijke verordening (in veel gevallen in de Algemene Plaatselijke Verordening) nog gelden. Artikel 22.67 van dit omgevingsplan zorgt ervoor dat de waarden uit die verordening, voorrang hebben op de waarden zoals opgenomen in dit (tijdelijk deel) van het Omgevingsplan.

Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

Dit artikel is een voortzetting van het overgangsrecht voor ligplaatsen, zoals was opgenomen in artikel 2.17, vierde lid, onder d, vijfde lid, onder f, en het zesde lid, onder d, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. 

 Het in de artikelen 22.63 , eerste lid , 22.64 , eerste lid , 22.65 , eerste lid en 22.66 , eerste lid opgenomen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximaal geluidsniveau wordt verhoogd met 5 dB(A). Deze verhoging geldt voor drijvende woonschepen die als zodanig voor 1 juli 2012 in dit omgevingssplan zijn toegelaten èn voor drijvende woonfuncties die voor 1 juli 2012 waren opgenomen in een gemeentelijke verordening en nadien, maar voor 1 juli 2022, alsnog zijn opgenomen in een omgevingsplan.

Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking

Deze bepaling geldt ter vervanging van artikel 2.17a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In de meeste algemene maatregelen van bestuur op grond van het vervallen artikel 8.40 Wet milieubeheer, zoals het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, was een overgangsbepaling opgenomen die teruggreep op zogenaamde '8.40-AMvB's' die daarvóór in werking waren. Dit lid is van toepassing op activiteiten die worden verricht op de locatie van inrichtingen die onder de werking van die oudere besluiten vielen. Voor deze activiteiten worden de waarden in tabel 22.3.1 (standaard) en tabel 22.3.7 (glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied) met 5 dB(A) verhoogd, tenzij voordien volgens een milieuvergunning lagere waarden golden. Overigens wordt in artikel 2.17a, eerste tot en met derde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer abusievelijk verwezen naar artikel 2.17, in plaats van artikel 2.17a.

Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.18, eerste tot en met vierde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Eerste lid, onderdeel a

Net als in artikel 5.73, eerste lid, onder a, van het Bkl is bepaald dat de geluidwaarden die in het omgevingsplan zijn opgenomen geen betrekking hebben op het geluid van de spoedeisende inzet van hulpvoertuigen. Dat geldt voor het gemiddelde geluidniveau en voor het maximale geluidniveau. Deze uitzondering geldt alleen voor de spoedeisende inzet en dus niet voor het geluid als gevolg van niet-spoedeisende inzet van hulpvoertuigen of bijvoorbeeld het onderhouden en testen van die voertuigen.

Anders dan in artikel 2.22 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, gaat deze omgevingsplanregel ook over geluid van traumahelikopters en over het Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT.

De mogelijkheid om met maatwerkvoorschriften gebruiksregels op te nemen geldt niet voor de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval. Zie de toelichting bij de artikelen 5.71 en 5.72 van het Bkl voor een verduidelijking.

Op grond van artikel 2.22, tweede lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het mogelijk om maatwerkvoorschriften te stellen over te treffen technische en organisatorische maatregelen bij het uitrukken van motorvoertuigen voor ongevallenbestrijding, spoedeisende medische hulpverlening, brandbestrijding of gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval. Dit is dus veranderd in de instructieregels van het Bkl en deze omgevingsplanregels van rijkswege.

Bij het toedelen van functies aan locaties betrekt de gemeenteraad wel al het geluid vanwege de toegelaten activiteiten bij de vraag of het geluidniveau op een bepaalde locatie aanvaardbaar is. Het feit dat er in het omgevingsplan, maatwerkvoorschrift of omgevingsvergunning geen waarden of maatregelen mogen worden opgenomen voor het geluid van de spoedeisende inzet van hulpvoertuigen, betekent dus niet dat die geluidbronnen bij de toepassing van artikel 5.59, eerste lid, van het Bkl buiten beschouwing mogen blijven.

Eerste lid, onderdelen b tot en met e

Voor onversterkt stemgeluid geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat het stemgeluid afkomstig van bijvoorbeeld onverwarmde of onoverdekte terrassen, schoolpleinen en sportvelden, buiten beschouwing wordt gelaten bij het beoordelen van de geluidwaarden veroorzaakt door een activiteit.

Op grond van de instructieregel in artikel 5.73 van het Bkl, moet onversterkt stemgeluid vaker buiten beschouwing worden gelaten dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en in deze omgevingsplanregels van rijkswege. Op grond van de instructieregel wordt onversterkt menselijk stemgeluid buiten beschouwing gelaten, tenzij het muziekgeluid is of daarmee vermengd is.

Eerste lid, onderdeel f

Voor geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. 

 In de Grondwet is bepaald dat iedereen het recht heeft zijn godsdienst of levensovertuiging individueel of in gemeenschap met anderen vrij te belijden. Wel kunnen volgens de Grondwet regels worden gesteld ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Eerste lid, onderdelen g en h

Bij het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang bij militaire inrichtingen en het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht kan soms niet worden voldaan aan de waarden uit de artikelen in deze paragraaf. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in de buitenlucht is het doorgaans niet mogelijk om maatregelen te treffen ter beperking van de geluidsemissie. Omdat het onwenselijk is deze activiteiten onmogelijk te maken, worden ze bij het bepalen van de geluidsniveaus buiten beschouwing gelaten.

Eerste lid, onderdelen i en j

Voor onversterkte muziek en traditioneel schieten geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat onversterkte muziek en traditioneel schieten buiten beschouwing wordt gelaten, tenzij anders is bepaald in een Algemene Plaatselijke Verordening.

In de instructieregels van het Bkl wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen versterkte en onversterkte muziek, wat betekent dat onder het Bkl, anders dan onder het oude recht, onversterkte muziek wél onder de standaardwaarden voor geluid valt. Het Bkl biedt wel de flexibiliteit om bijvoorbeeld alsnog een splitsing aan te brengen tussen versterkte en onversterkte muziek. Deze flexibiliteit geldt ook voor traditioneel schieten.

Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. De aanvullende eis van 50 dB(A) op 50 m geldt altijd, ongeacht of er een geluidgevoelig gebouw (buiten het gezoneerd industrieterrein) op minder dan 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, is gelegen.

Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.18, zesde tot en met achtste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het geluid dat wordt veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden wordt buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. In bedrijven waar het systeem van substraatteelt niet wordt toegepast, maar waar in de grond wordt geteeld, moet op gezette tijden ontsmetting van de grond plaatsvinden. Dit geschiedt door de grond te stomen. Grondstomen vindt niet vaker dan enkele keren per jaar plaats. De frequentie hangt af van het te telen gewas. Gelet op de frequentie van het grondstomen en het feit dat het een activiteit is die door derden wordt uitgevoerd, kan deze activiteit niet worden beschouwd als een representatieve bedrijfssituatie zoals bedoeld in de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai'. Daarom blijft bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, bedoeld in artikel 22.63 , het door deze activiteit veroorzaakte geluid buiten beschouwing. Het grondstomen wordt in de regel uitgevoerd door gespecialiseerde bedrijven. Deze bedrijven plaatsen tijdelijk een mobiele installatie bij het tuinbouwbedrijf. Als het grondstomen met een eigen ketelinstallatie plaatsvindt, wordt het wel meegeteld bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus omdat die installatie een vast onderdeel is van de activiteit, vaker kan worden gebruikt en door degene die de activiteit verricht zodanig kan worden aangepast dat het geluid gereduceerd wordt.

Omdat het grondstomen dat plaatsvindt met een installatie van derden buiten beschouwing blijft bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, moeten maatregelen of voorzieningen getroffen worden om de geluidhinder zo veel mogelijk te reduceren. De maatregelen of voorzieningen zijn in het tweede lid omschreven. Op grond van artikel 22.45 kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen, waarmee de maatregelen of voorzieningen meer specifiek kunnen worden ingevuld.

Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten

In artikel 2.21, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook een bevoegdheid voor gemeenten om bij of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te verbinden aan festiviteiten om geluidhinder te beperken of te voorkomen. Deze regels in een gemeentelijke verordening blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet mag de gemeente voorwaarden verbinden aan festiviteiten in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening.

Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van meten van - en rekenen met industrielawaai, verwezen naar de Handreiking meten en rekenen industrielawaai. Deze Handreiking meten en rekenen industrielawaai is nu verwerkt in de Omgevingsregeling. Deze meet- en rekenvoorschriften voor geluid blijven landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan hoeven dus in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In de Omgevingsregeling zijn deze meet- en rekenbepalingen voor geluid opgenomen in paragraaf 6.2.1.

Subparagraaf 22.3.4.3 Geluid door windturbines

Artikel 22.75 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is een voorzetting van de regeling voor geluid veroorzaakt door windturbines uit paragraaf 3.2.3 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Deze paragraaf is niet van toepassing op nieuwe windparken met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stonden hele concrete maatwerkmogelijkheden voor geluid van windturbines. Die mogelijkheden zijn er nu op grond van de maatwerkmogelijkheid van artikel 22.45 van dit omgevingsplan. Die mogelijkheden worden begrensd door onder andere de instructieregels van het Bkl.

Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.14e van de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer. 

 Die ministeriële regeling bevatte in de artikelen 3.14a tot en met 3.14d ook veel gedetailleerde regels over de wijze van meten en rekenen van het geluid door windturbines. Deze regels staan niet in dit omgevingsplan maar zijn opgenomen in de Omgevingsregeling. Een geluidonderzoek voor windturbines wordt wel in dit omgevingsplan voorgeschreven in artikel 22.60.

Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van meten van - en rekenen met industrielawaai, verwezen naar de Handreiking meten en rekenen industrielawaai. Deze Handreiking meten en rekenen industrielawaai is nu verwerkt in de Omgevingsregeling. Deze meet- en rekenvoorschriften voor geluid blijven landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan hoeven dus in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In de Omgevingsregeling zijn deze meet- en rekenbepalingen voor geluid opgenomen in paragraaf 6.2.1.

Subparagraaf 22.3.4.4 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

Artikel 22.79 Toepassingsbereik

De regeling voor buitenschietbanen in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is overgenomen in de omgevingsplanregels van rijkswege. Hierdoor ontstaat bij de invoering van de Omgevingswet geen rechtsvacuüm voor buitenschietbanen. Hoewel het toepassingsbereik in dit artikel iets anders wordt verwoord dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer het geval was, is geen beleidswijziging beoogd. Hieronder vallen dus nog steeds de civiele en militaire schietbanen, en het kleiduivenschieten, dat ook een civiele buitenschietbaan is waar met vuurwapens wordt geschoten. Daarnaast is het toepassingsbereik uitgebreid met militaire springterreinen. Geluid door militaire springterreinen werd onder het oude recht geregeld in de omgevingsvergunning voor milieu. In de Beleidsregel schietlawaai defensieterreinen staat een beoordelingswijze die overeenkomt met de beoordelingswijze voor buitenschietbanen.

Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen

In bijlage I bij het Bkl wordt het geluid Bs,dan gedefinieerd als: geluid op een plaats over alle dag-, avond- en nachtperioden van een jaar, berekend in overeenstemming met de bij ministeriële regeling aangewezen berekeningsmethode voor schietgeluid.

Artikel 22.81 Registratie gegevens buitenschietbanen

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.118a van de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer. 

 Die ministeriële regeling bevatte in artikel 3.118 ook gedetailleerde regels over de wijze van meten en rekenen van het geluid bij buitenschietbanen. Deze regels staan niet in dit omgevingsplan maar zijn opgenomen in de Omgevingsregeling.

In dit artikel is een registratieverplichting opgenomen. Aangezien het door de vele overdrachtsgegevens die deel uitmaken van de rekenmethodiek nauwelijks mogelijk is controlemetingen uit te voeren, wordt door de handhavende instanties gebruik gemaakt van het geregistreerde aantal schoten, het kaliber van de verschoten munitie en de dagdelen waarin deze verschoten is. Deze parameters komen overeen met die van het geluidonderzoek dat is voorgeschreven op grond van artikel 22.60 van dit omgevingsplan. Op deze wijze is bestuursrechtelijk toezicht mogelijk van de akoestische belasting op de omgeving.

In de Omgevingsregeling zijn deze meet- en rekenbepalingen voor geluid voor buitenschietbanen opgenomen in artikel 6.9.

Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van meten van - en rekenen met industrielawaai verwezen naar de Handreiking meten en rekenen industrielawaai. Deze Handreiking meten en rekenen industrielawaai is nu verwerkt in de Omgevingsregeling. Deze meet- en rekenvoorschriften voor geluid blijven landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan hoeven dus in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In de Omgevingsregeling staan deze meet- en rekenbepalingen voor geluid in paragraaf 6.2.1.

Paragraaf 22.3.5 Trillingen

Artikel 22.83 Toepassingsbereik

Eerste lid

Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen door een activiteit, in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Dit artikel geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in 1artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude begrip Wet milieubeheer- inrichting grotendeels te dekken. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41. De trillingvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op activiteiten die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken. Dat bleek onder het Activiteitenbesluit milieubeheer impliciet door de verwijzing naar normwaarden in de Meet- en beoordelingsrichtlijn B 'Hinder voor personen' van de Stichting Bouwresearch.

De trillingparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Deze paragraaf van dit omgevingsplan is wel van toepassing op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, soms trillingnormen of andere voorschriften ter beperking van trillinghinder opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Deze bestaande vergunningvoorschriften blijven op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelden en hebben op grond van artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan voorrang op de regels voor trillingen in deze paragraaf van dit omgevingsplan.

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd bij de bescherming tegen trillinghinder verwezen naar de begrippen 'geluidgevoelige ruimten' en 'verblijfsruimten', bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder. Het Bkl bevat eigen begrippen 'trillinggevoelige gebouwen' en 'trillinggevoelige ruimten'. Deze gelden op grond van artikel 1.3  , van dit omgevingsplan.

Overigens is het begrip trillinggevoelige ruimte in het Bkl wel anders gedefinieerd dan een geluidgevoelige ruimte in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een trillinggevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een aangewezen gebruiksfunctie. In de praktijk kunnen dus kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.

Tweede lid, onderdeel b

Met dit artikel wordt bepaald dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten.

Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

In artikel 22.83 , tweede lid , onder b is de uitzondering opgenomen dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar . 

 Op grond van dit artikel, geldt die uitzondering alleen voor een trillinggevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm 'aanvaardbaar' uit artikel 5.83, tweede lid, van het Bkl.

Artikel 22.85 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de trillingnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvonden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de waarden voor trillingen voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.

De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.82 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.

Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41 , uit te breiden. Deze bepaling trekt een activiteit, zoals bijvoorbeeld landbouwvoertuigen op de weg, niet alsnog 'binnen' de activiteit.

Artikel 22.86 Trillingen: functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn op trillingen door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat functioneel verbonden is met de activiteit. 

 Dit artikel sluit aan bij artikel 5.84 van het Bkl.

Artikel 22.87 Trillingen: voormalige functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor trillingen in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat voorheen onderdeel was van een Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor trillingen door die agrarische activiteit in dat trillinggevoelige gebouw.

Het gebouw blijft wel beschermd tegen trillingen, veroorzaakt door andere omliggende activiteiten.

Onderdeel a

Onderdeel a regelt dit voor zogenaamde 'plattelandswoningen' die in het tijdelijke deel van het omgevingsplan als zodanig zijn aangewezen. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).

Onderdeel b

Onderdeel b regelt dit voor trillingen door een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

In een situatie als bedoeld onder b wordt in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander trillinggevoelig gebouw), bepaald dat deze woning geen bescherming geniet via waarden tegen trillinghinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden.

Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de waarden voor trillingen uit dit omgevingsplan, die gelden voor de agrarische activiteit, ook daadwerkelijk niet gaan gelden in de trillinggevoelige ruimten van de naastgelegen woning die nu geen functionele binding meer heeft.

Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.85 van het Bkl. 

 Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.85 van het Bkl en paragraaf 2.3.8, onder 'Voormalige bedrijfswoningen', en paragraaf 8.1.3 onder 'Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties', van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.

Artikel 22.88 Trillingen: waarden voor continue trillingen

Over de verhouding tussen de standaardwaarde A1 enerzijds en standaardwaarden A2 en A3 anderzijds wordt het volgende opgemerkt. Bij de continue trillingen moet in eerste instantie worden voldaan aan waarde A1 wat betreft het maximaal optredende trillingniveau (uitgedrukt als trillingssterkte Vmax). Als daar niet aan kan worden voldaan, mag het maximaal optredende trillingniveau weliswaar hoger zijn dan waarde A1, namelijk A2, maar dan moet het gemiddelde trillingniveau (uitgedrukt als trillingssterkte V per ) wel onder een bepaalde waarde (A3) blijven. Met andere woorden: er wordt voldaan aan de waarden als:

  • de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (V max ) kleiner is dan A1, of als

  • de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (V max ) kleiner is dan A2 waarbij de trillingssterkte over de beoordelingsperiode voor deze ruimte (V per ) kleiner is dan A3.

Deze systematiek is een voortzetting van die onder het voorheen geldende recht. In artikel 2.23 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd verwezen naar tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen, deel B. Dat is de richtlijn Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen, deel B 'Hinder voor personen in gebouwen' van de Stichting Bouwresearch Rotterdam. De waarden voor continue trillingen zijn ontleend aan tabel 2 van deze richtlijn.

Degene die de activiteit verricht waardoor continue trillingen worden veroorzaakt, heeft dus de keuze tussen voldoen aan de waarden onder A1, of aan de waarden onder A2 én A3 zoals opgenomen in dit omgevingsplan.

Artikel 22.89 Trillingen: meet- en rekenbepalingen

Deze meet- en rekenvoorschriften voor trillingen worden landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan zijn dus in principe geen verwijzingen nodig naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is in dit geval wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In artikel 6.11 van de Omgevingsregeling staan deze meet- en rekenbepalingen voor trillingen.

Paragraaf 22.3.6 Geur

Subparagraaf 22.3.6.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.90 Toepassingsbereik

Eerste lid

Activiteiten 

Deze paragraaf is van toepassing op geur door alle milieubelastende activiteiten die onder het algemeen toepassingsbereik, bedoeld in artikel 22.41 , van dit omgevingsplan vallen.

Geurgevoelige objecten

Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object. 

 Uit de begripsomschrijving in bijlage I bij dit omgevingsplan volgt dat een geurgevoelig object is:

  • a.

    een geurgevoelig object zoals bedoeld in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij; en

  • b.

    een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteiten mag worden gebouwd.

Het begrip geurgevoelig gebouw is omschreven in artikel 5.91 van het Bkl.

Het begrip geurgevoelig object is anders dan het begrip geurgevoelig gebouw in het Bkl. Meer uitleg over het verschil tussen de twee begrippen staat in de toelichting op het begrip geurgevoelig object zoals opgenomen in bijlage I bij dit omgevingsplan.

Het Bkl biedt wel de flexibiliteit om het begrip geurgevoelig gebouw uit te breiden naar gebouwen die nu ook vallen onder het begrip geurgevoelig object. Het gaat hierbij om gebouwen waar hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.

Tweede lid

Dit artikel sluit aan bij artikel 5.90 van het Bkl. Daarin zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit.

Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid

In artikel 5.90 van het Bkl zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze gebouwen dezelfde bescherming tegen geurhinder als alle andere geurgevoelige objecten.

Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke geurgevoelige objecten die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming in de vorm van geurwaarden en afstandseisen blijven houden. Dit tot het moment dat bij:

  • het vaststellen van het nieuwe deel van dit omgevingsplan; of

  • het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit beoordeeld is dat de situatie ook zonder geldende waarde of afstanden voor geur op het tijdelijke geurgevoelige gebouw aanvaardbaar is.

Tweede lid

Onderdeel b van het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde geurgevoelige gebouwen die op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor geur. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming voor geur aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.

Schema: of waarden of afstanden voor geur gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen of tijdelijke geurgevoelig gebouwen of objecten

Geurgevoelig gebouw of object

Activiteit

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan), toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan, toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing

geurgevoelig object dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar .

de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing

geurgevoelig gebouw dat in het nieuwe deel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.

de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing

Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden

Dit artikel regelt waar de waarden of afstanden gelden die voor geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden. Als het geurgevoelige gebouw al gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de gevel van het geurgevoelige gebouw (onderdeel a). Als het geurgevoelige gebouw nog niet gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de plaats waar de gevel van het geurgevoelige gebouw mag worden gerealiseerd (onderdeel b).

Voor woonwagens en woonschepen geldt dat, anders dan bij andere geurgevoelige objecten, de waarden gelden op een begrenzing van de locatie. De woonwagen en het woonschip wordt dus niet zelf beschermd, maar de locatie waarop de woonwagen of het woonschip geplaatst kan worden. Dit heeft te maken met de verplaatsbaarheid van de woonwagen en het woonschip binnen de locatie en de lagere eisen aan de gevels van zulke gebouwen. Dit artikel sluit aan bij de artikelen 5.93 en 5.94 van het Bkl.

Artikel 22.93 Geur: functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geur niet van toepassing zijn op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met die activiteit. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.95 van het Bkl.

Artikel 22.94 Geur: voormalige functionele binding

Dit artikel bepaalt dat voor een geurgevoelig object dat voorheen onderdeel was van de Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, de afstanden en waarden voor geur door die agrarische activiteit niet gelden. Het gebouw blijft wel beschermd tegen geur, veroorzaakt door andere omliggende bedrijven.

Onderdeel a

Onderdeel a regelt dat de afstanden en waarden voor geur door een activiteit niet gelden voor de zogenaamde 'plattelandswoningen' die in het tijdelijke deel van het omgevingsplan als zodanig zijn aangewezen. Dit was onder het oude recht bepaald in de bepalingen van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij (artikel 2, derde lid) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).

Onderdeel b

Onderdeel b regelt dat de afstanden en waarden voor geur voor een agrarische activiteit niet gelden voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

Dit betekent dat in dit omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander geurgevoelig gebouw), wordt bepaald dat deze woning geen bescherming krijgt tegen geurhinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden, via waarden of afstanden.

Onderdeel b van deze bepaling voorziet er vervolgens in dat de waarden en afstanden voor geur uit dit omgevingsplan die gelden voor de agrarische activiteit, niet gaan gelden op de gevel van de naastgelegen woning die nu geen functionele binding meer heeft.

Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.96 Bkl. 

 Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.96 Bkl en paragraaf 2.3.8, onder 'Voormalige bedrijfswoningen', en paragraaf 8.1.3 onder 'Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties', van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.

Artikel 22.95 Geur: cumulatie

De bepalingen in deze paragraaf van het tijdelijke deel van het omgevingsplan stellen waarden of minimumafstanden voor geur voor een individuele activiteit. In de paragrafen voor het houden van landbouwhuisdieren gaat het om een waarde of minimumafstanden voor een individuele veehouderij en alleen vanwege dierenverblijven. Hierbij is geen rekening gehouden met cumulatie van geur, veroorzaakt door meerdere veehouderijen in een gebied of cumulatie door meerdere bronnen binnen de veehouderij. Cumulatie kan een reden zijn om strengere eisen te stellen dan de waarden of afstanden die afgeleid zij van een individuele activiteit. Op grond van het Bal is het houden van landbouwhuisdieren in veel gevallen vergunningplichtig. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit moet bij het beoordelen van de significante milieuverontreiniging, bedoeld in artikel 8.9 van het Bkl, rekening worden gehouden met cumulatie van geur. Dat kan leiden tot strengere vergunningvoorschriften dan de regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Bij niet-vergunningplichtige veehouderijen kunnen strengere eisen zo nodig in een maatwerkvoorschrift worden vastgelegd.

Bij het opnemen van omgevingsplanregels in het nieuwe deel van het omgevingsplan moet op grond van artikel 5.92, eerste lid, van het Bkl, cumulatie betrokken worden. Dat kan leiden tot strengere regels in het nieuwe deel dan de regels van het tijdelijke deel. Als in het nieuwe deel van het omgevingsplan waarden worden opgenomen waarbij cumulatie al is meegewogen, zal bij het verlenen van de omgevingsvergunningen in beginsel geen noodzaak bestaan om in de vergunning strengere eisen op te nemen. Een andere mogelijkheid is dat in situaties waarin er een vergunningplicht voor een veehouderijen op grond van het Bal geldt, ook het nieuwe deel van het omgevingsplan expliciet uit zal gaan van geurhinder als gevolg van de geurbelasting door de individuele activiteit, en de beoordeling van cumulatieve geurbelasting overlaat aan het traject van vergunningverlening. In dat geval zullen omgevingsvergunningen in cumulatieve situaties strengere eisen kunnen bevatten.

Subparagraaf 22.3.6.2 Geur houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf

Artikel 22.96 Toepassingsbereik

Eerste lid

Deze paragraaf gaat over beginnen, wijzigen of uitbreiden van het houden in een dierenverblijf van landbouwhuisdieren en paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden.

Paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden zijn specifiek benoemd omdat deze niet vallen onder het begrip landbouwhuisdieren in het Bal. Het begrip landbouwhuisdieren in het Bal is op grond van artikel 1.3   van dit omgevingsplan van toepassing op dit omgevingsplan.

Het gaat in deze paragraaf dus om:

landbouwhuisdieren zoals bedoeld in Bijlage I bij het Bal, zijnde:

  • zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony's voor het fokken; en

  • paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden.

Bovenstaande komt overeen met het begrip landbouwhuisdier uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, dierentuinen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat bij deze bedrijven namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden. Deze activiteiten vallen wel onder paragraaf 22.3.25. Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren of andere vogels of zoogdieren.

Tweede lid

Als ondergrens voor het van toepassing zijn van deze paragraaf is aangesloten bij de ondergrenzen zoals die ook golden in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, namelijk: minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony's, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.

Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden

De afstanden zoals opgenomen in deze paragraaf worden gemeten tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en het dichtstbijzijnde geurgevoelige object.

Het gaat om het emissiepunt als bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Bal. Op grond van dat artikel wordt onder emissiepunt verstaan: 

 a. het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het dierenverblijf treedt of wordt gebracht; of

b. bij een gedeeltelijk overdekt dierenverblijf: het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het overdekte gedeelte van het dierenverblijf treedt of wordt gebracht.

In artikel 22.103 wordt hier een uitzondering op gemaakt voor de zogenaamde gevel- gevelafstanden.

Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden

Eerste lid

Dit lid is een voorzetting van artikel 3.115, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij. In dit artikel worden de standaardwaarden voor geurbelasting in odour units gegeven voor dierenverblijven met dieren waarvoor een emissiefactor is vastgesteld.

De waarden gelden alleen voor beginnen, wijzigen of uitbreiden. Dit staat in het toepassingsbereik van deze paragraaf. Of de situatie overbelast is, maakt niet uit zolang niet wordt uitgebreid of gewijzigd.

Op grond van bijlage I bij dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren met geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën: 

 a. varkens, kippen, schapen of geiten; of

b. als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

1°. rundvee tot 24 maanden;

2°. kalkoenen;

3°. eenden; of

4°. parelhoenders.

Er wordt net zoals in de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom. Het begrip 'bebouwde kom' was en is niet gedefinieerd. De grens van de bebouwde kom wordt niet alleen bepaald door de wegenverkeerswetgeving, maar ook door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur. In het Bkl wordt de bebouwde kom vervangen door de bebouwingscontour die in het omgevingsplan moet worden opgenomen, zodat vooraf hierover altijd duidelijkheid is. Gemeenten wijzen dan bebouwingscontouren aan in het omgevingsplan.

Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere waarde is vastgesteld dan de waarde in dit lid, die andere waarde voorrang heeft op de waarde zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1 , eerste lid, van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf, bijvoorbeeld voor het berekenen van de geur in het tweede lid of de eerbiedigende werking in artikel 22.99 .

Tweede lid

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van berekenen van de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor verwezen naar de ministeriële regeling die op grond van artikel 10 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was vastgesteld. In de Omgevingsregeling is deze methode voor het berekenen van de geurwaarden verwerkt in artikel 6.14.

Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden

In dit artikel is een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de immissiewaarden die gelden op grond van artikel 22.97 . De standaardwaarden uit artikel 22.98 gelden niet voor het op een locatie wijzigen of uitbreiden van het aantal of soort landbouwhuisdieren met geuremissiefactor in dierenverblijven, als sprake is van een rechtmatig voor geur overbelaste situatie op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Er hoeft in dat geval dus niet aan de standaardwaarden te worden voldaan, maar uitbreiden en wijzigen is alleen mogelijk in de volgende gevallen:

  • a.

    Zolang de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig object niet toeneemt en het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. Dit is de voortzetting van de artikelen 3, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.115, tweede lid, onder c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

  • b.

    Als aan de 50%-regeling wordt voldaan. 

     In rechtmatig toegestane overschrijdingssituaties mag het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, tenzij er een geurbelastingreducerende maatregel getroffen is en de toegestane overschrijding van de geur gehalveerd wordt. Bij het toepassen van de 50%-regeling moet gerekend worden met de waarden zoals opgenomen in het omgevingsplan of in de geurverordening.

Voor wat betreft de geur die rechtmatig veroorzaakt mocht worden, gaat het om de geur die onmiddellijk voorafgaand aan het toepassen van de maatregel rechtmatig mocht worden veroorzaakt. 

 Daarmee is voorzien in de eerbiedigende regeling voor het houden van landbouwhuisdieren in bestaande dierenverblijven waarbij sprake is van een toegestane overschrijdingssituatie.

Dit lid vormt de voortzetting van artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.115, tweede lid, onder b en c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor de 50%-regeling is aangesloten bij de formulering zoals die in artikel 3.115, tweede lid, onder b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen in plaats van de formulering in artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder veehouderij. Hierdoor hoeft niet berekend te worden wat de reductie als gevolg van de geurbelastingreducerende maatregelen zou zijn, gelet op de bestaande (oude) situatie. Dit is eenvoudiger voor de praktijk.

Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten

In dit artikel staan de minimumafstanden tussen een dierenverblijf met landbouwhuisdieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object dat hoort of heeft gehoord bij een andere veehouderij of een ruimte-voor-ruimtewoning. Het gaat hier om woningen bij omliggende veehouderijen, woningen bij omliggende veehouderijen die na 19 maart 2000 zijn gestopt of woningen die zijn gebouwd na 19 maart 2000 tegelijk met het (deels) beëindigen van een omliggende veehouderij. De genoemde geurgevoelige objecten krijgen minder bescherming dan andere geurgevoelige objecten, maar er moet wel sprake zijn van een minimaal beschermingsniveau. Dit minimale beschermingsniveau wordt bereikt door een afstand aan te houden van 100 meter tot een object binnen de bebouwde kom en 50 meter tot een object buiten de bebouwde kom. Als niet voldaan wordt aan de minimumafstand, dan moet wel aan artikelen 22.98 en 22.99 voldaan worden.

Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony's voor het berijden: afstand

Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.

In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in Bijlage 1 bij dit omgevingsplan.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.

Artikel 22.102 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony's voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand

In dit artikel is een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de vereiste afstanden die gelden op grond van artikel 22.101 .

In dat geval is uitbreiden toegestaan als het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, niet toeneemt en de afstand tot een geurgevoelig object niet kleiner wordt.

Dit lid vormt de voortzetting van de artikelen 4, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.117, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 22.103 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony's voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf

Dit artikel bevat afstanden gemeten vanaf (de buitenzijde van) de gevel van het dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig object, de zogenaamde gevel tot gevelafstanden.

De afstanden, bedoeld in dit artikel, gelden naast de waarden die op grond van artikel 22.98 gelden en naast de afstanden die op grond van de artikelen 22.100 en 22.101 gelden.

Dit artikel geldt voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en voor het houden van paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden. Door dit artikel wordt geborgd dat er altijd een zekere afstand is tussen een geurgevoelig object en een dierenverblijf. Dit onderdeel is een voortzetting van artikel 5, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 22.104 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

In dit artikel is een regeling opgenomen voor het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, voor locaties waar de afstand tussen de gevel van een dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en een geurgevoelig object rechtmatig kleiner is dan de afstand, bedoeld in artikel 22.103 . Dat houdt in dat bij wijzigen of uitbreiden op die locatie, de gevel tot gevelafstand niet mag afnemen, het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet mag toenemen én de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet mag toenemen. De eisen zoals gesteld onder a, b en c zijn cumulatief.

Dit artikel is de voortzetting van artikel 5, tweede lid, onder a, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, tweede lid, onder a en b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 22.105 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

In dit artikel is een regeling opgenomen voor een soortgelijke situatie als in artikel 22.104 , maar dan voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden. Dat houdt in dat bij wijzigen of uitbreiden op die locatie, de gevel tot gevelafstand niet mag afnemen en het aantal het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden niet mag toenemen. De eisen gesteld onder a en b zijn cumulatief.

Subparagraaf 22.3.6.4 Geur door andere agrarische activiteiten

Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand

Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op een deel ervan. De regels voor de andere agrarische bedrijfsstoffen zijn elders in paragraaf 22.3.6.4 geregeld.

Dit artikel geldt voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in 1 artikel 22.41 , waaronder opslag van vaste mest op een weiland of akker.

Eerste lid, onderdeel a

Dit artikel geldt niet voor de opslag van vaste mest afkomstig van andere dieren dan landbouwhuisdieren of paarden en pony's die gehouden worden in verband met het berijden, zoals honden, dieren op de kinderboerderij of dieren in dierentuinen. Voor de geurhinder, veroorzaakt door die mestopslagen geldt artikel 22.240.

Tweede lid, onderdeel a

Bij het opslaan van minder dan 3 m 3 vaste mest, champost of dikke fractie gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel b

Als vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is dit artikel niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel c

Een opslag van meer dan 600 m 3 vaste mest valt niet onder het toepassingsbereik van dit artikel. In artikel 22.262 is aanvullend op deze bovengrens een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m 3 vaste mest.

Derde lid

De afstanden in dit lid komen overeen met de afstanden in artikel 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. 

 De maatwerkmogelijkheid in artikel 3.46, achtste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is niet specifiek overgenomen. Dit valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan.

Artikel 22.115 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand

Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op substraatmateriaal van plantaardige oorsprong. De regels voor de andere agrarische bedrijfsstoffen zijn elders in subparagraaf 22.3.6.4 geregeld.

Eerste lid

Bij het opslaan van minder dan 3 m 3 gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht.

Tweede lid

De afstanden in dit lid komen overeen met de afstanden in artikel 3.46, eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand

Dit artikel regelt het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen. Kuilvoer is veevoer dat door inkuilen als wintervoorraad opgeslagen wordt. Kuilgras en snijmaïs kunnen onder meer als kuilvoer gebruikt worden. In bijlage I bij het Bal worden vaste bijvoedermiddelen omschreven als plantaardige restproducten uit de landbouw en tuinbouw. Ook de plantaardige restproducten afkomstig van voedselbereiding en voedselverwerking vallen onder vaste bijvoedermiddelen. Dat geldt niet voor voedselresten afkomstig van restaurants, cateringfaciliteiten en keukens.

Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste, vijfde en negende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen van dat besluit zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen. De afstandseisen voor het opslaan van vaste bijvoedermiddelen en kuilvoer gelden niet als er sprake is van een totaal volume van minder dan 3 m 3 . Dit is in lijn met de regels uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In de instructieregels van het Bkl en in het Bal is deze grens van 3 m3 vervallen.

Dit artikel geldt voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41 . Zo gelden deze regels voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen bij bijvoorbeeld een veehouderij, een manege of dierentuin.

Artikel 22.117 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand

Eerste lid

Met dit artikellid en de begripsomschrijvingen in het Bal zijn de artikelen 3.50, derde lid, en 3.51, elfde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer omgezet. 

 Het mestbassin is bovengronds gelegen en kan ook uit een mestzak of foliebassin bestaan. Voor de berekening van de gezamenlijke oppervlakte en de gezamenlijke inhoud worden de oppervlakte en inhoud van mestkelders en ondergrondse mestbassins die zijn voorzien van een afdekking die als vloer fungeert niet meegerekend. Is sprake van meerdere bassins, dan worden deze voor de oppervlakte- of inhoudsbepaling dus bij elkaar opgeteld. Een uitgebreide toelichting over het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie is te lezen in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.855 van het Bal.

In het Bal staat geen vergunningplicht voor het opslaan van dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m 2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m 3 . Deze vergunningplicht komt wel terug in artikel 22.262 van dit omgevingsplan.

Tweede lid

De afstand die ten minste in acht moet worden genomen, is kleiner voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte kleiner dan 350 m 2 dan voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte van 350 m 2 of meer. Verder geldt een kleinere afstand van het bassin tot een geurgevoelig object of een geprojecteerd geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een veehouderij in de directe omgeving dan een te beschermen object zonder die functionele binding met een veehouderij.

Ondanks dat de afstanden in acht worden genomen, kan toch geuroverlast optreden. Het bevoegd gezag heeft dan de mogelijkheid om aanvullende eisen te stellen met maatwerkvoorschriften. Dit kan bijvoorbeeld voor de situering van het mestbassin, het afdekken ervan en de frequentie en tijdstip van de aan- en afvoer. Dit geldt ook voor mestkelders. Met name het leegpompen van mestkelders kan leiden tot geuroverlast.

Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand

Eerste lid

Dit artikel is van toepassing op een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen.

Dit artikel geldt bij alle milieubelastende activiteiten, die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41 . Zo is dit artikel niet alleen van toepassing bij een bedrijf voor mestbehandeling, als bedoeld in artikel 3.225 van het Bal, maar op alle mestvergistingsinstallaties die voldoen aan de omschrijving in het eerste lid .

Tweede lid

Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in het Bal. 

 Een vergunningplicht kan onder meer gelden bij mestverwerking van meer dan 25.000 m 3 mest van derden (grootschalige mestverwerking, artikel 3.91 Bal) of als de vergistingsinstallatie onderdeel is van een IPPC-installatie.

Derde lid

Dit lid is een voortzetting van de artikelen 3.129c en 3.129g, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het bepaalde in artikel 3.129g, derde lid, van dat besluit, dat regelde dat bepaalde gebruikseisen bij maatwerkvoorschrift kon worden vastgelegd, valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan. Het stellen van gebruiksregels, ofwel maatwerkvoorschriften, aanvullend op de afstandseis kan nodig zijn om te voldoen aan artikel 5.92 van het Bkl, dat vereist dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hierbij kan gedacht worden aan maatwerkvoorschriften over:

  • de situering van de voorziening;

  • het gesloten uitvoeren van de voorziening;

  • de ligging en afvoerhoogte van het emissiepunt, wanneer emissies worden afgezogen;

  • de toepassing van een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand

Dit artikel is een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45 en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover het gaat om het opslaan van groenafval inclusief afgedragen gewas (restmateriaal afkomstig van de teelt van gewassen), en de artikelen 3.106 en 3.108, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover het gaat om composteren van groenafval.

Eerste liden tweede lid

Dit artikel ziet op de geur door het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 4.879 van het Bal.

Derde lid

Het bepaalde in de artikelen 3.46, achtste lid, en 3.108, derde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, dat regelde dat bepaalde gebruikseisen bij maatwerkvoorschrift konden worden vastgelegd, valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan. Het stellen van gebruiksregels aanvullend op de afstandseis kan nodig zijn om te voldoen aan artikel 5.92 van het Bkl. Dat artikel vereist dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.

Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking

In beginsel geldt bij geur die veroorzaakt wordt door de activiteiten, bedoeld in de artikelen 22.114 tot en met 22.119 , de afstanden die in die artikelen zijn genoemd. Deze afstandseisen gelden niet bij 'overbelaste situaties'. Dit artikel bevat een regeling met 'eerbiedigende werking' voor zulke bestaande situaties. Zie voor een nadere toelichting hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.126 van het Bkl.

Als dit artikel van toepassing is, heeft degene die de activiteit verricht op grond van de specifieke zorgplichtbepaling de plicht om maatregelen of voorzieningen te treffen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken. Hierbij kan gedacht worden aan maatregelen over:

  • de situering van de plaats van de opgeslagen bedrijfsstoffen;

  • het afdekken van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen; of

  • de frequentie van de afvoer van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook dat degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aangeeft welke maatregelen of voorzieningen hij daarvoor heeft getroffen of zal treffen. Deze gegevens kan het bevoegd gezag ook vragen op grond van de toezichtsbevoegdheden van de Algemene wet bestuursrecht. Deze plicht komt dus niet expliciet terug in de omgevingsplanregels van rijkswege.

Subparagraaf 22.3.6.5 Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken

Artikel 22.121 Toepassingsbereik

Kortheidshalve wordt voor een uitleg over het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3.173 van het Bal. De verwijzing naar artikel 3.173 van het Bal brengt met zich mee dat het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk ook andere milieubelastende activiteiten omvat die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteit functioneel ondersteunen. De activiteiten worden gezien als één activiteit. Er is dan dus geen sprake van cumulatie van geur door verschillende activiteiten.

Dit artikel betreft een voortzetting van artikel 3.5a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. De regels van subparagraaf 22.3.6.5 kent als gevolg van aansluiting bij het Bal een breder toepassingsbereik ten opzichte van artikel 3.5a van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.5a van het Activiteitenbesluit milieubeheer bepaalde namelijk dat de regels alleen van toepassing waren op zuiveringtechnische werken voor zover het de waterlijn betrof met inbegrip van slibindikking en mechanische slibontwatering.

Deze paragraaf stelt alleen regels voor het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder. De regels die zien op andere belangen zijn opgenomen in paragraaf 4.49 van het Bal.

Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.5b, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het tweede lid bevat hogere waarden voor het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996, en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer was verleend en onherroepelijk was.

De geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten wordt bepaald met behulp van een rekenmethode. In de Omgevingsregeling is deze methode voor het berekenen van de geurwaarden verwerkt in artikel 6.13.

In de Omgevingsregeling is bepaald dat als voor een procesonderdeel in bijlage XXIX bij die Omgevingsregeling geen geuremissiefactor is vastgesteld, de emissie van geur door dat onderdeel wordt bepaald met een geuronderzoek volgens NTA 9065 'Luchtkwaliteit - Geurmetingen - Meten en rekenen geur'. Op grond van de algemene maatwerkmogelijkheid in deze afdeling van dit omgevingsplan kan het bevoegd gezag ook een geuronderzoek vragen voor het begin van de activiteit. Het bevoegd gezag kan op grond van deze informatie beoordelen of extra maatregelen moeten worden getroffen om geurhinder zoveel mogelijk te voorkomen.

Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige objecten

De waarden die in dit omgevingsplan zijn opgenomen, gelden niet voor de geur door een zuiveringtechnisch werk op bepaalde geurgevoelige objecten als voor het zuiveringtechnisch werk tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was verleend en onherroepelijk was. Het gaat daarbij in de eerste plaats om geurgevoelige objecten die op het moment van verlening van de omgevingsvergunning milieu niet aanwezig waren en voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn gebouwd (onderdeel a). In de tweede plaats gaat het om geurgevoelige objecten die in de omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet als geurgevoelig object werden beschouwd (onderdeel b).

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.5b, zevende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking

Bij wijziging van een zuiveringtechnisch werk mag de geur niet toenemen als voor dat zuiveringtechnisch werk rechtmatig een hogere waarde geldt, dan de waarde, bedoeld in artikel 22.120 , eerste lid . De geur mag wel toenemen als die binnen de waarden bedoeld in artikel 22.120 , eerste lid blijft.

Paragraaf 22.3.7 Bodembeheer

Subparagraaf 22.3.7.1 Nazorg na saneren van de bodem

Artikel 22.125 Toepassingsbereik

Vervallen.  

Artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem

Vervallen.  

Subparagraaf 22.3.7.2 Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 22.127 Toepassingsbereik

In dit artikel staat het toepassingsbereik van deze paragraaf.

Eerste lid

Deze paragraaf heeft in de eerste plaats betrekking op het graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk is aan 25 m3 en wordt ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3 . In het eerste lid is ook aangegeven op welke locaties de paragraaf daarnaast van toepassing is.

a. In onderdeel a staat vermeld dat het gaat om locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zonder dat sprake is van actuele risico's voor mens, plant of dier of verspreiding van het grondwater (zogenaamde beschikking ernst en geen spoed). Hiervoor is gekozen omdat voor deze locaties via eerder onderzoek is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is tot boven de interventiewaarde en hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden. Locaties die op grond van de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming zijn beschikt als ernstig waarbij de sanering spoedeisend is (ernst en spoed) vallen niet onder het toepassingsbereik omdat deze locaties onder het overgangsrecht voor de Wet bodembescherming blijven vallen.

b. In onderdeel b staat vermeld dat het gaat om locaties of gebieden waar de bodem op grond van een bodemkwaliteitskaart, vastgesteld op grond van artikel 25d, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit (voorheen artikel 57 van het oude Besluit bodemkwaliteit), diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn delen van de binnenstad van (grote) steden waarbij de bodem verontreinigd is met enkele metalen (bijvoorbeeld lood, koper of zink). Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet, worden bestaande bodemkwaliteitskaarten op grond van artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet, onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Gemeenten moeten deze bodemkwaliteitskaarten omzetten naar regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

Tweede lid

De aangewezen activiteit omvat ook het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie, of het tijdelijk opslaan en het terugplaatsen na afloop van het tijdelijk uitnemen bij het tijdelijk uitnemen en terugplaatsen. Met zeven wordt veelal puin uit de grond gehaald waardoor de verdichtbaarheid en de civieltechnische toepassingsmogelijkheden worden verbeterd voordat de grond wordt teruggeplaatst of elders wordt toegepast. Dit zeven is niet gericht op kwaliteitsverbetering en wordt bij deze activiteit niet beschouwd als bewerking. Andere bewerkingen van grond vallen onder de milieubelastende activiteit grondbank of grondreinigingsbedrijf, aangewezen in artikel 3.178, eerste lid, onder b.

Met het tijdelijk opslaan van de grond wordt bedoeld het opslaan van de bij het graven vrijkomende grond tijdens de activiteit, voorafgaand aan het terugplaatsen of afvoeren van de grond. Bemalen dat nodig is voor het graven valt niet onder de milieubelastende activiteit, maar is een wateractiviteit.

Derde lid

In het Derde lid is aangegeven dat de milieubelastende activiteit zich niet uitstrekt tot graven in de waterbodem. Hiermee komt tot uiting dat deze activiteit zich beperkt tot de landbodem. Onder waterbodem wordt verstaan de bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust. Het graven in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust, valt niet onder de reikwijdte van de activiteit graven in de waterbodem. Dit betekent dat de regels voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde wel gelden voor voormalige droge oevergebieden, die als term/aanduiding niet meer terugkomen onder de Omgevingswet.

Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

Dit artikel bevat een informatieplicht. Voordat met het graven wordt begonnen, moet het bevoegd gezag worden geïnformeerd over de activiteit. De informatieplicht uit dit artikel in het omgevingsplan zorgt ervoor dat het bevoegd gezag over kleinschalige grondverzet geïnformeerd wordt. Deze bepaling komt in de plaats van het voormalige artikel 28 uit de Wet bodembescherming dat stelde dat alle handelingen (dus ook kleinschalig grondverzet) die plaatsvinden in een geval van ernstige verontreiniging moeten worden gemeld. Voor grondverzet in een omvang groter dan 25 m 3 geldt via de algemene regels uit paragraaf 4.120 (graven in de bodem met kwaliteit boven de interventiewaarde) een meldingsplicht. Voor grondverzet in een omvang kleiner dan of gelijk aan 25 m  (ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet) geldt op grond van de algemene regels uit deze paragraaf van het Besluit activiteiten leefomgeving geen informatie of meldingsplicht.

Eerste lid

De gegevens en bescheiden worden ten minste een week voor het begin van de activiteit graven aangeleverd. Met deze informatie wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van een aantal praktische gegevens, zodat het voor het bevoegd gezag mogelijk is om toezicht te houden. Uit de verstrekte gegevens en bescheiden moet blijken wat de begrenzing is van de locatie waar de activiteit plaats vindt, de verwachte datum van het begin van de activiteit en de duur van de activiteit.

Tweede lid

Als de verstrekte informatie over begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit wijzigt, geeft de initiatiefnemer de wijziging onverwijld door. Dit betekent dat ook als er een wijziging in die gegevens optreedt tijdens de uitvoering van de activiteit, de initiatiefnemer het bevoegd gezag opnieuw moet informeren.

Derde lid

De informatieplicht van dit artikel geldt niet als de activiteit alleen bestaat uit het tijdelijk uitnemen en weer terugplaatsen van de grond.

Vierde lid

De informatieplicht is niet van toepassing als het graven in bodem plaatsvindt in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Hierbij moet gedacht worden aan het herstellen van gasleidingen en (drink)waterleidingen in geval van lekkages of het herstellen van een kabelbreuk (elektriciteit, glasvezels et cetera). Bij een dergelijke spoedreparatie is het niet redelijk en ook niet mogelijk om vooraf een bodemonderzoek uit te voeren en te voldoen aan de termijn van de informatieplicht (een week). Daarom komt in die situatie een beperkte informatieplicht achteraf in plaats van een meldingsplicht en onderzoek vooraf. De hoeveelheid te ontgraven grond moet proportioneel zijn voor het uitvoeren van een spoedreparatie. Op het uitvoeren van spoedreparaties is uiteraard wel de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en hoe hij de gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Als bijvoorbeeld bekend is – of visueel eenvoudig is vast te stellen – dat er verschil is in de kwaliteit van de grond, worden de verschillende lagen voorzichtigheidshalve gescheiden gehouden.

Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond

Vervallen.

Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven

Vervallen.  

Subparagraaf 22.3.7.3 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

Artikel 22.131 Toepassingsbereik

Vervallen.

Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen

Vervallen.

Subparagraaf 22.3.7.4 Saneren van de bodem in het gebied De Kempen

Artikel 22.133 Toepassingsbereik

Vervallen.

Artikel 22.134 Voorafgaand bodemonderzoek

Vervallen.

Artikel 22.135 Bodem: saneringsaanpak open ontgraving tot niveau terugsaneerwaarde

Vervallen.

Artikel 22.136 Bodem: terugsaneerwaarde

Vervallen.

Paragraaf 22.3.8 Afvalwaterbeheer

Subparagraaf 22.3.8.1 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering

Artikel 22.137 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, en op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering. Bij dat laatste kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een bouwputbemaling.

Lozingen afkomstig van onderzoeken voorafgaand aan bodemsaneringen zijn geregeld in het Bal. In paragraaf 6.2 van de nota van toelichting bij het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is ingegaan op de keuze om voor grondwatersaneringen geen algemene rijksregels meer te stellen.

Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

De plicht om het bevoegd gezag te informeren geldt niet voor lozingen bij ontwatering (bijvoorbeeld bronbemalingen) van minder dan 48 uur, of bij lozingen vanuit huishoudens. Voor lozingen bij ontwatering met een duur tussen 48 uur en 8 weken geldt een afwijkende termijn voor het verstrekken van gegevens en bescheiden: 5 werkdagen in plaats van 4 weken.

Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen

Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de RWZI (rioolwaterzuiveringsinstallatie) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op of in de bodem of in een schoonwaterriool (ieder riool dat geen vuilwaterriool is) toegestaan. Deze paragraaf geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze paragraaf maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.

Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de bodem of de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in de bodem of een schoonwaterriool geloosd.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was ook bepaald dat het afvalwater doelmatig moest kunnen worden bemonsterd. Die regel is nu opgenomen in de specifieke zorgplicht in deze afdeling.

Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering

Grondwater bij ontwatering is de algemene term voor grondwater dat vrijkomt bij bijvoorbeeld bronneringen en water uit drainagebuizen. Dit kunnen kleinschalige activiteiten betreffen die na een paar uur zijn afgerond, maar ook grootschalige projecten (vooral in de bouw) die jaren duren en waar zeer grote hoeveelheden grondwater worden weggepompt.

De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Maar het is niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt grondwater in enige mate verontreinigd kan zijn of van nature stoffen bevat, waarvan de lozing bezwaarlijk kan zijn. Veelal is dit lokaal bekend uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de overheid. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om de gemeente te informeren over de bekende gegevens over de samenstelling en eventuele verontreiniging van het grondwater. Dit is met name van belang daar waar de samenstelling van het grondwater afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit. Bij twijfel over de vraag of hiervan sprake zou kunnen zijn, is het raadzaam om contact op te nemen met de gemeente om na te gaan of er in dit gebied nog stoffen in de bodem aanwezig zijn, waarvan lozing tot problemen zou kunnen leiden. Dit artikel is niet van toepassing op lozingen van grondwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.

Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN- normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

Subparagraaf 22.3.8.2 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening

Artikel 22.142 Toepassingsbereik

Deze paragraaf heeft betrekking op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een verplichte bodembeschermende voorziening. Het gaat met name om afvloeiend hemelwater van daken en van verhardingen, waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Dit artikel is wel van toepassing op afvloeiend hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen die vrijwillig zijn aangebracht. Onder afvloeiend hemelwater wordt niet verstaan het hemelwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Bal of drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van dat besluit.

Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden

Lozingen van afstromend hemelwater vormen in het algemeen geen risico voor de bodem of de riolering. Het is daarom niet nodig om voorafgaand aan de start of wijziging van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Alleen wanneer er een rijksweg of provinciale weg wordt aangelegd of gewijzigd, moet het bevoegd gezag tijdig op de hoogte worden gesteld. Het bevoegd gezag kan dan samen met de wegbeheerder bekijken wat de gewenste wijze van verwerking van het afstromende regenwater is.

Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater

De regeling voor het lozen van hemelwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen, is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden: het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In dit omgevingsplan is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen.

In het tweede lid is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. In het verleden is veel onderzoek verricht naar verontreinigingen in afvloeiend hemelwater van wegen en overige openbare ruimte. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK's, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afstromend wegwater in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels zijn aangelegd, of alleen rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater. Het wegwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen wordt buiten de bebouwde kom bij voorkeur geloosd op de bodem. Als lozen in de bodem niet (of niet volledig) mogelijk is, kan lozing (deels) plaatsvinden in een oppervlaktewaterlichaam. De regels hierover staan in de waterschapsverordening.

De voorkeursvolgorde in het tweede lid is niet van toepassing op lozingen van hemelwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.

Subparagraaf 22.3.8.3 Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 22.145 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater. Voor zover deze lozing plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, bevat deze paragraaf maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit. 

 De eisen aan lozingen van huishoudelijk afvalwater gelden niet voor spoorvoertuigen en voor militaire oefeningen op militaire terreinen. De voorzieningen voor de opvang van huishoudelijk afvalwater bij spoorvoertuigen kunnen via de spoorwegwetgeving worden geregeld. Bij militaire oefeningen is de plaatsing van IBA's redelijkerwijs niet mogelijk.

Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.138 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.147 Geen voedselvermaling

Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool. Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organische afvalstoffen in het afvalwater.

Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater

In de praktijk vinden de meeste lozingen van huishoudelijk afvalwater plaats in het vuilwaterriool. Voor een beperkt aantal situaties waar geen aansluiting op het vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk mogelijk is, is lozen op of in de bodem toegestaan. Dit is toegestaan buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten.

Binnen de in het eerste lid aangegeven afstanden tot de riolering in combinatie met het aantal inwonerequivalenten dat geloosd wordt, is het verboden direct op of in de bodem te lozen. Er moet dan worden geloosd op het vuilwaterriool. Buiten deze afstandsgrenzen moet het huishoudelijk afvalwater gezuiverd worden voordat het geloosd mag worden op of in de bodem.

De afstanden in dit artikel zijn de afstanden van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt. Voor een aantal lozingen van huishoudelijk afvalwater die al voor 1 maart 1997 plaatsvonden werd op grond van de toen geldende wetgeving de afstand bepaald tot het gedeelte van het gebouw dat het dichtst bij het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk was gelegen. Voor deze lozingen geldt overgangsrecht. Dit overgangsrecht is ongewijzigd overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en de daaraan voorafgaande besluiten: het voormalige Lozingenbesluit bodembescherming en het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.

In sommige gevallen is hemelsbreed de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool minder dan genoemd in het eerste lid, maar is het in de praktijk niet mogelijk daar een afvoerleiding aan te leggen. Bijvoorbeeld omdat dan een watergang gekruist of een dijk doorboord moet worden. Daarvoor is in het tweede lid, onderdeel b, opgenomen dat de afstand berekend moet worden langs de lijn waar in de praktijk een afvoerleiding aangelegd kan worden.

Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd op of in de bodem worden met dit artikel lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld. Aan de hier gestelde lozingseisen ligt het CIW-rapport 'Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA- systemen' van januari 1999 ten grondslag.

De voorwaarden die aan de beperkte directe lozingen in de bodem van huishoudelijk afvalwater worden gesteld, komen in grote lijnen overeen met de hieraan voorafgaande voorwaarden op grond van het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.

Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in afwijking van de emissiegrenswaarden, voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid van dit artikel is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via die voorziening geloosd mogen worden.

Deze voorwaarden komen overeen met de voorwaarden die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen afvalwater huishoudens golden op grond van de Regeling Wvo septic tank en de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1 beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is.

Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN- normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

Subparagraaf 22.3.8.4 Lozen van koelwater

Artikel 22.151 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater, dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Voor het lozen van koelwater dat afkomstig is van een milieubelastende activiteit, zoals aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, staan de regels in dat besluit.

Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 22.153 Koelwater

Voor veel bedrijfstakken waarbij koelwater wordt geloosd, gelden de regels in het Bal. Maar het lozen van koelwater kan ook plaatsvinden bij bedrijven die niet onder het toepassingsbereik van het Bal vallen. Daarom is in dit artikel het lozen van koelwater in de riolering geregeld. Koelwater kan ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam. De regels daarover staan in de waterschapsverordening.

Het lozen van koelwater in een schoonwaterriool is toegestaan. Lozen in een vuilwaterriool is alleen toegestaan als het lozen in een schoonwaterriool of in een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. Koelwater is relatief schoon water, zodat het lozen daarvan in het vuilwaterriool bij voorkeur vermeden moet worden.

Er mogen aan het koelwater geen chemicaliën (zoals aangroeiwerende middelen of antikalkmiddelen) worden toegevoegd.

De maximale warmtevracht is 1.000 kiloJoule per seconde. De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van het lozingsdebiet en het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam (waarop het schoonwaterriool uitkomt). De warmtecapaciteit van het koelwater is gelijk aan 4.190 Kilojoule per m 3 per graad temperatuursverhoging. Anders geformuleerd: 

 De warmtevracht = L x ∆T x W, waarbij 

 L = lozingsdebiet (m 3 /s). 

 ∆T = verschil temperatuur koelwater en temperatuur ontvangend oppervlaktewater in graden Celsius. 

 W = warmtecapaciteit van het koelwater = 4.190 kJ/m 3 per graad temperatuurstijging.

Voor het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht, of voor het toedienen van chemicaliën, is een maatwerkvoorschrift vereist.

Subparagraaf 22.3.8.5 Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken

Artikel 22.154 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken. Dit betreft zowel weinig milieubelastende activiteiten, zoals activiteiten als ramenlappen, als activiteiten die een hogere milieubelasting kunnen veroorzaken, zoals verwijderen van hardnekkige aanslag bij gevelreiniging.

Artikel 22.155 Periodiek reinigen

Bij het periodiek reinigen van bouwwerken, waarbij slechts vuilafzetting wordt verwijderd, komt afvalwater vrij. Deze werkzaamheden zijn wat verontreiniging van het afvalwater betreft vergelijkbaar met ramenlappen. Naast ramen worden op deze wijze bijvoorbeeld ook gladde gevels periodiek gereinigd. Dit afvalwater kan zonder problemen in de bodem of de riolering worden geloosd. Het is niet nodig om het bevoegd gezag hierover te informeren.

Bij andere reinigingsactiviteiten dan periodiek reinigen is het uitgangspunt dat geen afvalwater wordt geloosd. Dit geldt voor bijvoorbeeld werkzaamheden, waarbij na verloop van een lange periode (vaak meer dan enkele jaren) hardnekkige aanslag wordt verwijderd (gevelreiniging). Ook vallen hieronder werkzaamheden, waarbij bijvoorbeeld graffiti of andere verflagen worden verwijderd.

Subparagraaf 22.3.8.6 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen

Artikel 22.156 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater, afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen. Deze activiteit is ook geregeld in paragraaf 4.104 van het Bal. Deze paragraaf bevat daarom maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit. Die paragraaf bevat de regels over het opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen. In deze paragraaf zijn, in aanvulling daarop, regels gesteld over het lozen van inerte goederen.

Artikel 22.157 Inerte goederen

Dit artikel geeft aan welke goederen in ieder geval inerte goederen zijn. De opsomming is dus niet uitputtend. Voor alle genoemde goederen geldt wel dat deze niet verontreinigd mogen zijn, bijvoorbeeld met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen.

Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 22.159 Lozen bij opslaan van inerte goederen

In lijn met de voorkeursvolgorde voor de verwijdering van afvalwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) wordt het afvalwater bij voorkeur hergebruikt en eventueel overtollig afvalwater wordt geloosd onder de voorwaarden die in dit artikel worden gesteld. In het algemeen zal dit (verzameld) afstromend hemelwater, schrob- en spoelwater of water van een nevelgordijn zijn. Op grond van het vierde lid moet dit afvalwater bij voorkeur (her)gebruikt te worden voor bevochtiging van de goederen, ter voorkoming van stofverspreiding.

Afvalwater dat slechts met inerte goederen in aanraking is geweest moet bij voorkeur direct geloosd worden (op oppervlaktewater, bodem of schoonwaterriool), waarbij de hoeveelheid onopgeloste bestanddelen beperkt moet worden tot minder dan 300 milligram per liter. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden met preventieve maatregelen en eventueel een slibvangput voorafgaande aan de lozing. Als een directe lozing redelijkerwijs niet mogelijk is, bijvoorbeeld door afwezigheid in de nabijheid van oppervlaktewater of een schoonwaterriool en een bodem die ongeschikt is voor lozingen, kan het afvalwater geloosd worden op het vuilwaterriool, waarbij ook gezorgd moet worden dat het niet meer dan 300 milligram per liter onopgeloste bestanddelen bevat. Dit ter voorkoming van dichtslibben van het vuilwaterriool.

De eis voor onopgeloste stoffen geldt voor enig steekmonster. Dat wil zeggen dat alleen in extreme situaties deze concentratie mag worden aangetroffen, bijvoorbeeld bij extreme regenval. Concentraties van ongeveer 100–150 mg/l zijn normaal en daaronder bestaat in principe geen probleem. Als concentraties worden aangetroffen tussen de 100–150 en 300 kan de handhaver vragen gaan stellen. Overschrijding van de norm van 300 betekent optreden.

Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Artikel 22.161 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen

In artikel 4.1058 van het Bal is voor afvalwater afkomstig van het opslaan van uitlogende goederen een verplichte lozingsroute opgenomen naar het vuilwaterriool. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer maakte het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen op oppervlaktewater. Deze alternatieve lozingsroute is als maatwerkregel opgenomen in de waterschapsverordening. Maar het waterschap is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool 'uit te zetten'. Vandaar dat dit artikel de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool omzet in een facultatieve lozingsroute, voor zover de lozingsroute naar het oppervlaktewater in de waterschapsverordening is toegestaan.

Subparagraaf 22.3.8.7 Lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater

Artikel 22.162 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is uit een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel en uit de zogeheten overheids-IBA's. Dat zijn voorzieningen voor de verwerking van huishoudelijk afvalwater, anders dan een openbaar vuilwaterriool.

Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel

In dit artikel wordt het lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels en openbare hemelwaterstelsels op of in de bodem toegestaan. Voorwaarde daarbij is dat deze stelsels voorkomen op het overzicht van voorzieningen en maatregelen dat is opgenomen in het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) als bedoeld in het voormalige artikel 4.22 van de Wet milieubeheer. Volgens het overgangsrecht van artikel 4.93 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven GRP's van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het plan is vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het plan vervalt. 

 De Omgevingswet biedt in artikel 3.14 de mogelijkheid dat het college van burgemeester en wethouders een (facultatief) gemeentelijk rioleringsprogramma vaststelt. Als het college een rioleringsprogramma heeft vastgesteld, is het lozen vanuit de in dat programma opgenomen voorzieningen eveneens toegestaan. De naam 'rioleringsprogramma' is overigens niet limitatief, de gemeente kan dit programma bijvoorbeeld ook een waterprogramma noemen.

Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Voor lozingen vanuit 'overheids-IBA's' geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 22.163 .

Subparagraaf 22.3.8.8 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen

Artikel 22.165 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van water dat wordt gebruikt bij het spoelen van distributieleidingen voor drinkwater, tapwater en huishoudwater, om die leidingen voor het eerst in gebruik te nemen of bij het onderhoud aan die leidingen.

Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen

Bij het schoonmaken van leidingen kan onderscheid gemaakt worden tussen afvalwater afkomstig van leidingen uit het transportnet en afvalwater afkomstig van leidingen uit het distributienet. Vanuit de productiestations wordt het drinkwater via transportleidingen naar het distributienet gepompt. Het transportnet kenmerkt zich door een grotere leidingdiameter en het geringe aantal vertakkingen en aansluitingen. Het distributienet verdeelt de hoofdstroom naar de vele eindgebruikers en kenmerkt zich door de vele vertakkingen en het verloop van grotere naar kleinere diameters. In grote lijnen zal het schoonmaken van leidingen uit het transportnet lozingen opleveren van 100 m 3 of meer, terwijl lozingen van afvalwater afkomstig van distributieleidingen daaronder blijven. Ook op het schoonmaken van de aanvoerleiding heeft dit artikel betrekking.

Tegen lozingen van dit afvalwater bestaat, voor zover het geen desinfecteermiddelen of andere chemicaliën bevat, geen bezwaar, anders dan dat het geen overlast mag veroorzaken. In dit geval heeft het direct terugvoeren van dit water in het milieu de voorkeur. Het lozen op of in de bodem of in schoonwaterstelsels wordt daarom zonder beperkingen toegestaan ( eerste lid ). Bij het schoonmaken van leidingen van het distributienet kan het water veelal direct ter plaatse in de bodem worden geloosd zonder overlast te veroorzaken. Bij het schoonmaken van leidingen van het transportnet zal gezocht moeten worden naar een geschikte locatie. Het lozen van dit afvalwater in het oppervlaktewater is ook toegestaan. Dat is geregeld in de waterschapsverordening.

Het lozen op het vuilwaterriool is minder gewenst vanwege de verminderde werking van de zuivering bij de toevoeging van een relatief grote hoeveelheid schoon water. Dit is alleen een optie als anders lozen niet in redelijkheid mogelijk is ( tweede lid ).

Als er desinfecteermiddelen zijn gebruikt is overleg met het bevoegd gezag noodzakelijk om de meest geschikte oplossing voor het lozen te vinden. Het bevoegd gezag kan het lozen met een maatwerkvoorschrift toestaan, als het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

Subparagraaf 22.3.8.9 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Artikel 22.167 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is van een calamiteitenoefening, met uitzondering van de permanente voorzieningen voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Bal.

Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Bij calamiteitoefeningen kan soms afvalwater vrijkomen. Zo zal een oefening om een brand te bestrijden gepaard kunnen gaan met het gebruik van grote hoeveelheden bluswater, dat tijdens de oefening in de bodem of een rioolstelsel stroomt. Wanneer daarbij zorgvuldig wordt gehandeld zodat het water niet onnodig verontreinigd raakt, kan het zonder problemen worden geloosd.

Paragraaf 22.3.9 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen

Artikel 22.170 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal.

Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas

Artikel 4.791l van het Bal schrijft voor dat bij grondgebonden teelt in een kas een recirculatiesysteem voor drainagewater aanwezig is en in gebruik is. Op grond van artikel 3.71, zevende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer hoefde geen recirculatiesysteem aanwezig te zijn, als hergebruik van het drainagewater niet doelmatig is. Voor lozingen van drainagewater die al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bestonden, wordt deze uitzondering in dit artikel voortgezet.

Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen

In artikel 7.761 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet. 

 De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.

Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit

In artikel 7.773 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet. 

 De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.

Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw

Op grond van artikel 4.795 van het Bal geldt voor het lozen van afvalwater bij het telen van gewassen de plicht om te lozen in het vuilwaterriool, of het afvalwater gelijkmatig te verspreiden over landbouwgronden. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was geregeld dat dat afvalwater ook in oppervlaktewater mag worden geloosd. In de waterschapsverordening is geregeld dat die lozingsroute mogelijk blijft. Het waterschap is echter niet bevoegd om de verplichte lozingsroute van artikel 4.795 'uit te zetten'. Daarom is in dit artikel bepaald dat, als de waterschapsverordening het lozen op oppervlaktewater mogelijk maakt, de verplichte lozingsroute een facultatieve lozingsroute wordt.

Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Paragraaf 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortel

Artikel 22.177 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Deze paragraaf bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.

Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 22.179 Water

Volgens artikel 4.140, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.

Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Paragraaf 22.3.11 Uitwassen van beton

Artikel 22.181 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Deze paragraaf bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.

Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 22.183 Water

Volgens artikel 4.158, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.

Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Paragraaf 22.3.12 Recreatieve visvijvers

Artikel 22.185 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een recreatieve visvijver. Recreatieve visvijvers vallen onder de recreatieve sector. Anders dan in kwekerijen van vis voor menselijke consumptie of voor siervissen worden in recreatieve visvijvers geen vissen gekweekt. Het kweken van vissen wordt als een agrarische activiteit beschouwd.

Het vissen vindt plaats in aparte vijvers. Deze vijvers maken in het algemeen geen deel uit van een oppervlaktewaterlichaam. Gemiddeld eens per twee weken wordt een aantal consumptievissen aangevoerd van een kwekerij. Deze vissen worden tijdelijk in voorraadbakken bewaard. Vervolgens worden ze - afhankelijk van de vraag - uit de voorraadbakken gehaald en uitgezet in één of meerdere grotere vijvers om te worden gevangen door recreatieve vissers.

De vissen worden in de tijd dat ze in de bakken en visvijvers aanwezig zijn in principe niet (bij)gevoerd. Een forel kan gemakkelijk een half jaar zonder voedsel. Ook worden geen antibiotica toegepast. Dat is sowieso bij vissen, die voor consumptiedoeleinden worden gebruikt, niet toegestaan.

Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden

De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:

  • de activiteit zelf en wat daarbij hoort;

  • de precieze plek en indeling van de activiteit; en

  • wanneer deze begint of wordt gewijzigd.

Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W op grond van artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu.

Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, zijn ook altijd artikel 22.46 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden) en artikel 22.47 (gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat) van toepassing.

Artikel 22.187 Water: lozingsroute

Het water in de visvijvers wordt in beweging gehouden om vorming van onder andere blauwalgen te voorkomen. Daarvoor wordt een aantal m 3 grondwater per dag opgepompt en toegevoegd aan de voorraadbakken, die weer in open verbinding staan met de visvijvers. Uiteindelijk wordt het spuiwater geloosd. Het spuiwater bestaat uit schoon (grond)water zonder toevoegingen. Het lozen van dit afvalwater in de bodem of in een schoonwaterriool is zonder nadere voorschriften toegestaan. Lozen in het vuilwaterriool is niet toegestaan.

Meestal wordt het afvalwater overigens in het oppervlaktewater geloosd. De regels daarvoor staan in de waterschapsverordening.

Paragraaf 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

Artikel 22.188 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal. Dit is de 'ouderwetse', chemische manier van ontwikkelen en afdrukken van lichtgevoelige film.



Digitaal afdrukken, het met onder andere inkjet- en laserprinters afdrukken van digitale foto's, is specifiek uitgezonderd.

Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.190 Water

In dit artikel is het in het vergelijkbare artikel van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer voorkomende voorschrift dat het te lozen afvalwater op een doelmatige wijze kan worden bemonsterd geschrapt. Dit volgt namelijk al uit de specifieke zorgplicht.

Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Paragraaf 22.3.14 Wassen van motorvoertuigen

Artikel 22.192 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen, met uitzondering van het wassen van motorvoertuigen dat onderdeel uitmaakt van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en bij de activiteit wonen. In het Bal zijn, waar nodig, al regels gesteld over het reinigen van voertuigen. De reden dat deze paragraaf ook niet van toepassing is bij wonen, is dat er in het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens ook geen regels aan deze lozingen waren gesteld, anders dan de zorgplicht.

Artikel 22.193 Bodem

Het wassen van motorvoertuigen moet in principe plaatsvinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening. Vanwege de aard van de activiteit, waarbij continue bodembedreigende vloeistoffen over de voorziening stromen, zijn niet-vloeistofdichte voorzieningen niet toereikend.

Op de plicht om het wassen van motorvoertuigen plaats te laten vinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening is een uitzondering gemaakt voor het wassen van motorvoertuigen op een mobiele wasinstallatie. Dit soort installaties worden tegenwoordig steeds meer toegepast bij initiatiefnemers die zelf niet beschikken over de vereiste voorzieningen. Mobiele installaties moeten wel voldoende bodembeschermende werking hebben. Daarom is bepaald dat er geen vloeistoffen in de bodem terecht mogen komen.

Ook geldt, in navolging van de artikelen 3.23b, tweede lid, aanhef en onder a, en 3.24, aanhef en onder a, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, een uitzondering voor het per week uitwendig wassen van ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. Artikel 22.194 , tweede lid , van dit omgevingsplan regelt in samenhang hiermee dat het water bij het wassen in de bodem mag komen. Dit zal in beperkte mate het geval zijn, als de verharding waarop wordt gewassen niet vloeistofdicht is.

Artikel 22.194 Water

Uitgangspunt bij het lozen van oliehoudend afvalwater is een norm van 20 milligram olie per liter in enig steekmonster. Aan deze norm kan worden voldaan door ofwel het toepassen van zuiveringstechnieken volgens BBT, ofwel het zodanig inrichten van de werkwijze, dat het gehalte van 20 milligram per liter ook zonder behandeling in zuiveringsvoorzieningen niet wordt overschreden.

Op de norm van 20 milligram per liter wordt een uitzondering gemaakt als het afvalwater geleid wordt door een olie-afscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2. Vanzelfsprekend moeten de olie-afscheider en slibvangput adequaat functioneren. Dit kan worden beoordeeld aan de hand van het oliegehalte van het geloosde water. Daarbij is het wel van belang, dat de werkwijze (waaronder de keuze van het reinigingsmiddel en de wijze van toepassing van een eventuele hogedrukreiniger) zodanig is dat een goede werking van de afscheider niet onmogelijk wordt gemaakt door vorming van emulsies. Ook moeten de slibvangput en olieafscheider goed worden onderhouden. Dit omvat het tijdig ledigen en reinigen en het zo spoedig mogelijk verhelpen van geconstateerde gebreken. Wanneer het verwijderen van afgescheiden olie en slib exact aan de orde is afhankelijk van het type afscheider en kan verschillen. Over het algemeen moet de slibvangput of slibvangruimte worden geleegd wanneer deze voor meer dan 50% gevuld is met slib/zand. Dit valt onder de specifieke zorgplicht.

Om de goede werking van een slibvangput en olieafscheider te waarborgen moet bij alle afscheiders, naast het zo nodig verwijderen van olie en slib, de afscheider met enige regelmaat volledig geleegd en gereinigd worden en onderzocht worden op aantasting en andere gebreken. Gebleken gebreken moeten zo spoedig mogelijk verholpen worden. Ook dit valt onder de specifieke zorgplicht.

Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Paragraaf 22.3.15 Niet-industriële voedselbereiding

Artikel 22.196 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op (kleinschalige) voedselbereiding. Het betreft bijvoorbeeld bedrijfskantines of de horeca.

Deze paragraaf is niet van toepassing op de voedingsmiddelenindustrie als bedoeld in artikel 3.128 van het Bal, met uitzondering van de kantine van die bedrijven.

Het toepassingsbereik van artikel 3.128 van het Bal verschilt enigszins van het toepassingsbereik van paragraaf 3.6.3 (industrieel vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken) uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Daardoor ontstaan mogelijk wat verschuivingen in het werkingsgebied van de voorschriften ten opzichte van de oude situatie. Zo is de ondergrens voor het nominaal vermogen van een bakkerijoven van 400 kW uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer veranderd in een aansluitwaarde van meer dan 100 kW omdat die ondergrens in artikel 3.128 van het Bal wordt gehanteerd. In gevallen waarin dit een probleem oplevert kan dit worden opgelost met maatwerk.

Grootkeukenapparatuur is apparatuur die wordt gebruikt voor professionele keukens in de horeca en bij andere bedrijven. De apparatuur die in professionele keukens wordt gebruikt, is een slag groter dan huishoudelijke apparatuur en wordt gekocht bij gespecialiseerde leveranciers.

Grootkeukenapparatuur komt zowel in elektrische als gasgestookte varianten voor. Het maximale vermogen van grootkeukenapparatuur is ongeveer 80 kW. Zware grootkeukenapparaten zijn bijvoorbeeld pastakokers voor een mensa of instelling of de bakwand van een snackbar.

Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.198 Water

Vethoudend afvalwater wordt in beginsel altijd op het vuilwaterriool geloosd.

Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool. Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organisch afval in het afvalwater.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2. Op grond van het vijfde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde 'afgestemd op de hoeveelheid water'.

Artikel 22.199 Geur

Eerste lid

Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in artikel 22.45 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de installatie voldoende vaak worden gereinigd.

Tweede lid

Grootkeukens die grillen, frituren of bakken in olie of vet, moeten de hierbij vrijkomende dampen afzuigen. Bovendien moeten de afgezogen dampen via een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter worden afgevoerd naar de buitenlucht. Dit geldt niet voor het grillen met houtskool.

Derde lid, onderdeel a

Net als in de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer, gelden de regels voor het voorkomen van geurhinder niet voor het koken met keukenapparatuur. De specifieke zorgplicht is voldoende.

vierde lid

Het vierde lid betreft overgangsrecht dat overgenomen is uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

Paragraaf 22.3.16 Voedingsmiddelenindustrie

Artikel 22.200 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op milieubelastende activiteiten zoals die voorkomen bij de voedingsmiddelenindustrie. De activiteiten zijn benoemd in artikel 3.128 van het Bal, Het gaat onder meer om het op grote schaal bewerken of verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen, slachten van dieren of maken van veevoer. Het aspect geurimmissie is voor deze activiteiten niet specifiek geregeld in het Bal. Wel valt dit aspect onder de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal. Deze paragraaf is een maatwerkregel op grond van die specifieke zorgplicht.

Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten als bedoeld in de artikelen 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Bal wordt het toestaan van (meer) geur door het beginnen met of uitbreiden in capaciteit van de activiteit, geregeld via een vergunningaanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Bij de vergunningaanvraag kan een geuronderzoek geëist worden.

Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.140, eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het bevoegd gezag kan in afwijking van dit artikel bij maatwerkvoorschrift op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan een bepaalde mate van nieuwe geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen toestaan.

Ook kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat een bepaalde geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten niet wordt overschreden, of dat technische voorzieningen worden aangebracht of gedragsregels in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

Bij het industrieel vervaardigen of bewerken van levensmiddelen of voeder is de kans op geurhinder reëel. Daarom kan het bevoegd gezag via een maatwerkvoorschrift om een geuronderzoek vragen. In dat geuronderzoek wordt onder meer aangegeven welke maatregelen worden getroffen ter voorkoming of beperking van geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen.

Paragraaf 22.3.17 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen.

Artikel 22.202 Toepassingsbereik

Op het slachten van meer dan 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week is paragraaf 3.4.8 (Voedingsmiddelenindustrie) van het Bal van toepassing. Bij de andere drie activiteiten genoemd in artikel 22.202 , eerste lid , onderdelen c tot en met d, staat geen ondergrens. Paragraaf 3.4.8 van het Bal is van toepassing op alle IPPC-installaties in de voedingsmiddelenindustrie. Wanneer dus de andere drie activiteiten onderdeel zijn van een IPPC-installatie, dan is deze paragraaf niet van toepassing.

Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering

Door het inpandig uitvoeren van het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten wordt voorkomen dat afvalwater onbedoeld in de bodem of het oppervlaktewater terecht komt.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en -2. Op grond van het vierde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en -2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. In plaats van een vetafscheider kan ook een flocculatie- afscheider als alternatieve maatregel worden toegepast.

Een slibvangput en vetafscheider, die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan kan worden volstaan met de voorwaarde 'afgestemd op de hoeveelheid water'. Hetzelfde geldt voor een flocculatie-afscheider geplaatst voor 1 januari 2013.

Voor meer uitleg over de zuivering bij het lozen van vethoudend afvalwater in een vuilwaterriool wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.407 van het Bal.

Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder

Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in het eerste lid , onder b, van dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de ontgeuringsinstallatie voldoende vaak worden gereinigd.

Het tweede lid bevat oud overgangsrecht van het Activiteitenbesluit milieubeheer dat is overgenomen. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening

Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 22.202, eerste lid verricht houdt in een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van artikel 22.50 , onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.3 van het Bal.

Eerste lid

Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verontreinigd of aangetast. 

 Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voorgeschreven, is niet langer verplicht voor deze activiteit. Degene die het pekelen van dierlijke bijproducten of organen beëindigd kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan het beëindigen van de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.

Tweede lid

Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht:

  • op de bodembedreigende stoffen die als gevolg van de activiteit in de bodem kunnen geraken of daarin terecht kunnen zijn gekomen; en

  • op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht.

Derde lid

Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek moet voldoen aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een instelling met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een 'erkenning bodemkwaliteit' is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.4 van het Bal. In het rapport van het eindonderzoek bodem moeten een aantal gegevens worden opgenomen. Bij de naam van degene die het onderzoek heeft uitgevoerd zal het in de regel gaan om de bedrijfsnaam. De wijze waarop het onderzoek is verricht zal over het algemeen een weergave bevatten van de normdocumenten die zijn gevolgd en de gegevens die op grond daarvan moeten worden vastgelegd. Het rapport moet informatie bevatten over de soort en concentratie van de aangetroffen verontreinigende stoffen, van welke bronnen deze stoffen afkomstig zijn en informatie over de geschiedenis van het terrein. Als er bestaande informatie is over bodem- en grondwatermonsters van de verontreinigende stoffen die bij de activiteit gebruikt zijn, geproduceerd zijn of zijn vrijgekomen ten tijde van het opstellen van het rapport kunnen deze gegevens in de rapportage verwerkt worden, anders moeten nieuwe monsters worden genomen. Wanneer is gebleken dat de bodem is verontreinigd of aangetast, zal in het rapport ook moeten worden vastgelegd op welke wijze de bodemkwaliteit wordt hersteld en de mate waarin dat plaatsvindt.

Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.5 van het Bal. De resultaten van het eindonderzoek bodem moeten uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de activiteit zijn gerapporteerd aan het bevoegd gezag.

Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.

Eerste lid

Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld. 

 Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:

– De waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd. 

 – De bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart.

– De achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.

Tweede lid

Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een persoon of onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een 'erkenning bodemkwaliteit' is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Bal. Zowel ten minste vijf dagen voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden als ten hoogste vijf dagen na de afronding van de herstelwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag door degene die de activiteit heeft verricht geïnformeerd over deze herstelwerkzaamheden, zodat het bevoegd gezag daarop haar toezichtsactiviteiten kan afstemmen.

Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen

Bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen kunnen bepaalde stoffen lekken en worden gemorst, die bij voorkeur niet in het afvalwater terecht mogen komen. Daarom is in dit artikel voorgeschreven dat ze zoveel mogelijk, zonder verder toevoegen van water worden opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.

Paragraaf 22.3.18 Opwekken van elektriciteit met een windturbine

Artikel 22.214 Toepassingsbereik

Deze paragraaf ziet op windturbines die lichtschitteringveroorzaken of slagschaduw in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen.Onder deze paragraaf vallen alleen windturbines met een rotordiameter van meer dan 2 m.

Een windturbine die deel uitmaakt van een windpark in de Noordzee valt niet onder deze paragraaf.Een windturbine die deel uitmaakt van een nieuw windpark valt niet onder deze paragraaf.

Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid

In artikel 5.89a van het Bkl zijn slagschaduwgevoelige gebouwen, die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over slagschaduw in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen wel bescherming. Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouwen, die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming tegen slagschaduw blijven houden. Dit tot het moment dat bij:

  • het vaststellen van het nieuwe deel van het omgevingsplan; of

  • het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; beoordeeld is dat de situatie ook zonder deze regel voor slagschaduw op het tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouw, aanvaardbaar is.

Tweede lid

Het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen, die op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor slagschaduw. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming tegen slagschaduw aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.

Schema: of regels voor slagschaduw gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen of tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen

Slagschaduwgevoelig gebouw

Activiteit

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan), toegelaten maar nog niet gebouwd

de regel voor slagschaduw is niet van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan, toegelaten maar nog niet gebouwd

de regel voor slagschaduw is wel van toepassing

slagschaduwgevoelig gebouw dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de regel voor slagschaduw is wel van toepassing

slagschaduwgevoelig gebouw dat in het nieuwedeel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de regel voor slagschaduw is niet van toepassing

Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening

De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan op bepaalde plaatsen en onder bepaalde omstandigheden een hinderlijk schaduweffect, dat wil zeggen wisseling van lichtsterkte, veroorzaken. Dit kan vooral hinderlijk zijn als de schaduw over ramen valt en zich bijvoorbeeld over een werkplek beweegt waar gestudeerd of gelezen wordt. De mate van hinder wordt onder meer bepaald door de frequentie van het passeren (rotortoerental), door de blootstellingsduur en door de intensiteit van de wisselingen in lichtsterkte. Passeerfrequenties tussen 2,5 en 14 Hz (aantal passeringen per seconde) veroorzaken hinder. Bij grotere turbines is het toerental lager zodat de passeerfrequenties doorgaans beneden 2,5 Hz liggen. Naast de passeerfrequentie is een aantal andere factoren ook bepalend voor eventuele hinder in de omgeving. Deze factoren zijn dermate locatie specifiek dat het ondoenlijk is een eenduidige alomvattende norm te stellen. Doorgaans is het noodzakelijk deze factoren in samenhang te analyseren en te projecteren op de specifieke situatie. Zo nodig kan hiervoor een maatwerkvoorschrift worden gesteld. Een hinderduur van maximaal 64 (en gemiddeld 17) dagen per jaar met een maximum van 20 minuten per dag is op grond van artikel 5.89f van het Bkl als aanvaardbaar te beschouwen. Bovendien zijn in veel gevallen eenvoudige voorzieningen aan te brengen aan een turbine. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een stilstandregeling. De eis uit dit artikel geldt in slagschaduwgevoelige ruimten. Een blinde gevel of tuinen bij woningen worden niet beschermd tegen slagschaduw. Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door slagschaduw als de maatregel in artikel 22.216 in een specifiek geval niet toereikend is.

Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de regel voor het beperken van slagschaduw niet van toepassing is op de slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.89d van het Bkl.

Artikel 22.218 Slagschaduw: voormalige functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de regels voor slagschaduw in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat voorheen onderdeel was van een Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor slagschaduw door een windturbine, behorende bij die agrarische activiteit in dat slagschaduwgevoelige gebouw. 

 Het gebouw blijft wel beschermd tegen slagschaduw, veroorzaakt door andere omliggende windturbines.

Onderdeel a

Onderdeel a is een regeling voor zogenaamde 'plattelandswoningen' die als plattelandswoning zijn aangewezen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).

Onderdeel b

Onderdeel b is een regeling voor slagschaduw door een windturbine bij een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

In een situatie als bedoeld onder b, wordt in het nieuwe deel van het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander slagschaduwgevoelig gebouw) bepaald dat deze woning geen bescherming geniet tegen slagschaduw door een windturbine bij de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden, door regels in het omgevingsplan.

Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de regel voor slagschaduw uit dit omgevingsplan ook daadwerkelijk niet gaat gelden voor de naastgelegen woning, die nu geen functionele binding meer heeft.

Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.89e van het Bkl. 

 Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij dat artikel en paragrafen 2.3.8, onder 'Voormalige bedrijfswoningen', en 8.1.3, onder 'Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties', van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.

Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie

Lichthinder door lichtschittering kan voorkomen worden door het gebruik van niet-reflecterende materialen of door coating op de rotorbladen aan te brengen. Daarnaast blijkt dat door weersinvloeden de rotorbladen mat kunnen worden (glansgraad maximaal 30%) waardoor reflectiewaarden in de tijd afnemen. De methode van meten van reflectiewaarden is opgenomen in NEN-EN-ISO 2813, 'Verven en vernissen - Metingen van de glans (spiegelende reflectie) van niet- metallieke verflagen onder 20°, 60° en 85°. Hoewel de voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit dit voorschrift, kan ook van een gelijkwaardige meetmethode gebruik worden gemaakt. Gelijkwaardige meetmethoden zijn bijvoorbeeld opgenomen in DIN (Deutsche Industrie Norm) 67530 en NEN 3632. 

 Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door lichtschittering als artikel 22.219 of artikel 22.220 in een specifiek geval niet toereikend is.

Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden

Lichthinder door lichtschittering kan voorkomen worden door het gebruik van niet-reflecterende materialen of door coating op de rotorbladen aan te brengen. Daarnaast blijkt dat door weersinvloeden de rotorbladen mat kunnen worden (glansgraad maximaal 30%) waardoor reflectiewaarden in de tijd afnemen. De methode van meten van reflectiewaarden is opgenomen in NEN-EN-ISO 2813, 'Verven en vernissen - Metingen van de glans (spiegelende reflectie) van niet- metallieke verflagen onder 20°, 60° en 85°. Hoewel de voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit dit voorschrift, kan ook van een gelijkwaardige meetmethode gebruik worden gemaakt. Gelijkwaardige meetmethoden zijn bijvoorbeeld opgenomen in DIN (Deutsche Industrie Norm) 67530 en NEN 3632.

Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door lichtschittering als artikel 22.219 of artikel 22.220 in een specifiek geval niet toereikend is.

Paragraaf 22.3.19 In werking hebben van een acculader

Artikel 22.221 Toepassingsbereik

Deze paragraaf heeft enkel betrekking op het opladen van 'natte' accu's. Deze accu's bevatten (zwavel)zuur en zijn niet volledig gesloten waardoor er lekkage kan optreden.

Deze activiteit was onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet meldingsplichtig. Vandaar dat er geen plicht om gegevens en bescheiden aan te leveren is opgenomen in deze paragraaf.

Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening

Uit een natte accu kan zuur lekken, dat de bodem kan verontreinigen. Daarom moet een aaneengesloten bodemvoorziening aanwezig zijn. Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. 

 Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van artikel 22.50 , onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Paragraaf 22.3.20 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage

Artikel 22.224 Toepassingsbereik

Deze paragraaf geldt voor parkeergarages met mechanische ventilatie. Er vindt dan ook emissie uit een puntbron van uitlaatgassen van auto's plaats. Hierdoor kan er lokaal geurhinder of een te hoge concentratie van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid ontstaan.

Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Deze paragraaf treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen. De plicht gegevens en bescheiden te verstrekken treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen. Dit verschil is afkomstig uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, waarbij een parkeergarage pas vanaf 30 parkeerplaatsen meldingsplichtig was.

Artikel 22.226 Lucht en geur: afvoeren emissies

Eerste lid

De voorschriften in het eerste lid dienen om te voorkomen dat er op een bepaald punt geurhinder of een te hoge concentratie ontstaat van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid.

Tweede lid

Het tweede lid betreft overgangsrecht dat overgenomen is uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

Paragraaf 22.3.21 Traditioneel schieten

Artikel 22.227 Toepassingsbereik

Traditioneel schieten is het schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Het traditioneel schieten vindt voornamelijk plaats bij schutterijen en schuttersgilden in de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Afhankelijk van de streek worden andere schietdisciplines beoefend. De meest gebruikelijke disciplines van het traditioneel schieten zijn:

Oud-Limburgs schieten: het harkschieten en het vogelschieten. 

 Brabants schieten: het schieten op de wip en het gaai- of vogelschieten. 

 Gelders schieten: het lepel- of fladderschieten, het vogelschieten en het schieten op de schijf.

Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Met de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, wordt bedoeld het hele gebied, van de plaats waar wordt geschoten tot de plaats waar de munitie terecht kan komen.

Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid

Bij het traditioneel schieten moet een kogelvanger worden toegepast. Een kogelvanger is een voorziening, waarmee alle afgeschoten kogels worden opgevangen. Het schieten moet zodanig plaatsvinden dat alle afgeschoten kogels in de kogelvanger terecht komen. Voor bepaalde schietdisciplines kan dat betekenen dat het schieten met een oplegsteun of affuit nodig is. Om ervoor zorg te dragen dat alle afgeschoten kogels in de kogelvanger terecht komen, mogen ongeoefende schutters alleen met toepassing van een affuit schieten. De baancommandant beoordeelt of sprake is van een geoefende of een ongeoefende schutter.

Het toepassen van een kogelvanger is noodzakelijk in het kader van externe veiligheid en voor het voorkomen, of als dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem.

Door het toepassen van een kogelvanger worden de externe veiligheidsrisico's van het traditioneel schieten zoveel mogelijk beperkt, doordat geen kogels achter het doel – waarop geschoten wordt – terecht komen. Het gebruik van de kogelvanger beperkt derhalve de 'onveilige zone'.

Daarnaast is het toepassen van een kogelvanger noodzakelijk voor het voorkomen, of als dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem. Bij het traditioneel schieten wordt onder meer gebruik gemaakt van kogels die uit lood bestaan. Lood is schadelijk voor het milieu en derhalve een zwarte lijst-stof. Door het toepassen van een kogelvanger wordt voorkomen dat kogels in de bodem terecht kunnen komen. Afgeschoten kogels worden opgevangen in een verzamelbak (of wattenbak). Deze verzamelbak maakt onderdeel uit van de kogelvanger.

In de paragraaf van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer over traditioneel schieten stonden ook bepalingen over het zich bij de kogelvanger bevinden van personen of veediersoorten. Dit gedragsvoorschrift valt nu onder de specifieke zorgplicht.

Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening

Eerste lid

Er moet worden voorkomen dat de hulzen van verschoten munitie in of op de bodem terecht komen. Om deze reden wordt in het eerste lid van dit artikel voorgeschreven dat het schieten plaats moet vinden boven een bodembeschermende voorziening. Dit betekent dat de zone rond de standplaats van de schutter dusdanig geconditioneerd moet zijn, dat het verzamelen van de hulzen makkelijk uitvoerbaar is.

Tweede lid

De kogelvanger, bedoeld in artikel 22.229 , moet opgesteld worden boven een bodembeschermende voorziening. Dit om te voorkomen dat de kogels die opgevangen worden door de kogelvanger, maar onverhoopt niet in de verzamelbak terecht komen, op of in de bodem terecht kunnen komen. De exploitant van de schietbaan kan een keuze maken voor de toe te passen bodembeschermende voorzieningen (en daarbij horende maatregelen). 

 Doorgaans gaat het om een verharding, kleed of voldoende dik plasticfolie met voldoende oppervlakte onder de kogelvanger. De kogels die niet worden opgevangen in de verzamelbak komen op deze voorziening terecht. Deze kogels, maar ook de kogels die worden opgevangen in de verzamelbak, moeten na afloop van een schietdag worden verwijderd om uitloging naar de bodem te voorkomen. 

 Een andere optie is het treffen van voorzieningen waardoor verzekerd wordt dat alle kogels die worden opgevangen door de kogelvanger terecht komen in de verzamelbak. Dit kan gerealiseerd worden door de kogels, die worden opgevangen door de kogelvanger, met een gesloten buis af te voeren naar een afgesloten verzamelbak.

Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. 

 Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van artikel 22.50 , onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.3 van het Bal.

Eerste lid

Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van de activiteit is verontreinigd of aangetast. 

 Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer het geval was, is niet langer verplicht voor deze activiteit.

Degene die een activiteit verricht kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.

Tweede lid

Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht:

  • op de bodembedreigende stoffen die als gevolg van de activiteit in de bodem kunnen geraken of daarin terecht kunnen zijn gekomen; en

  • op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht.

Met het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden, wordt het gehele gebied bedoeld, van de standplaats van de schutters tot de plek waar munitie terecht kan komen.

Derde lid

Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een 'erkenning bodemkwaliteit' is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.4 van het Bal. In het rapport van het bodemonderzoek moeten een aantal gegevens worden opgenomen. Bij de naam van degene die het onderzoek heeft uitgevoerd zal het in de regel gaan om de bedrijfsnaam. De wijze waarop het onderzoek is verricht zal over het algemeen een weergave bevatten van de normdocumenten die zijn gevolgd en de gegevens die op grond daarvan moeten worden vastgelegd. Het rapport moet informatie bevatten over de soort en concentratie van de aangetroffen verontreinigende stoffen en van welke bronnen deze afkomstig zijn en informatie over de geschiedenis van het terrein. Als er bestaande informatie is over bodem- en grondwatermonsters van de verontreinigende stoffen die bij de activiteit gebruikt zijn, geproduceerd zijn of zijn vrijgekomen ten tijde van het opstellen van het bodemrapport kunnen deze gegevens in de rapportage verwerkt worden. Als er geen bestaande informatie over bestaat, moeten nieuwe monsters worden genomen. Wanneer is gebleken dat de bodem is verontreinigd of aangetast, zal in het rapport ook moeten worden vastgelegd op welke wijze de bodemkwaliteit wordt hersteld en de mate waarin dat plaatsvindt.

Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.5 van het Bal. 

 De resultaten van het bodemonderzoek moeten uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de activiteit zijn gerapporteerd aan het bevoegd gezag.

Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.

Eerste lid

Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem, blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld. 

 Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:

  • de waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd;

  • de bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart; of

  • de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.

Tweede lid

Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een 'erkenning bodemkwaliteit' is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Bal. Zowel ten minste vijf dagen voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden als ten hoogste vijf dagen na de afronding van de herstelwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag door degene die de activiteit heeft verricht geïnformeerd over deze herstelwerkzaamheden, zodat het bevoegd gezag daarop haar toezichtsactiviteiten kan afstemmen.

Paragraaf 22.3.22 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht

Artikel 22.237 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op buiten sporten met terreinverlichting. Wanneer een sportveld terreinverlichting heeft, kan dit lichthinder veroorzaken voor omwonenden.

Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.239 Licht

Dit artikel beperkt het gebruik van de terreinverlichting tot specifiek aangewezen gevallen. Op grond van het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor bepaalde festiviteiten en speciaal aangewezen andere activiteiten. Deze festiviteiten en activiteiten zijn op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt aangewezen in de Algemeen Plaatselijke Verordening van de gemeente.

Paragraaf 22.3.23 Opslaan van vaste mest

Artikel 22.240 Toepassingsbereik

Eerste lid

Bij het opslaan van minder dan 3 m 3 vaste mest gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht. Een opslag van meer dan 600 m 3 valt niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf. In artikel 22.267 is een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m 3 vaste mest.

Tweede lid, onderdeel a

Als mest korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is deze paragraaf niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel b

Het opslaan van vaste mest maakt vaak deel uit van bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van vaste mest uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in artikel 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.

Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.242 Bodem: opslag

Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. 

 Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van artikel 22.50 , onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 22.244 Water: lozingsroute

Het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest is voorgeschreven omdat het lozen van deze vloeistoffen in het riool of in oppervlaktewater niet de voorkeur heeft.

Artikel 22.245 Geur

Dit artikel is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest, afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden die gehouden worden in verband met het berijden. Hiervoor geldt artikel 22.114 en verder.

Paragraaf 22.3.24 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

Artikel 22.246 Toepassingsbereik

Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen maakt vaak deel uit van een veehouderij, die aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.200 van het Bal of een agrarisch loonwerkbedrijf dat aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.215 van het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in art 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.

Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor geldt artikel 22.116 (geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand).

Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening

Een elementenbodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert, waarvan eventuele onderbrekingen of naden niet zijn gedicht.

Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn. 

 Op grond van artikel 22.50 , onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen

Door het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen wordt grotendeels voorkomen dat deze in het oppervlaktewater terecht komen.

Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening

Onder de genoemde voorwaarden is het lozen op of in de bodem niet bezwaarlijk en is daarom mogelijk gemaakt. Als aan de voorwaarden niet kan worden voldaan moet afvalwater van de bodembeschermende voorziening samen met de vrijkomende vloeistoffen worden opgevangen en kan dit over onverharde bodem worden verspreid in lijn met artikel 22.250 .

Paragraaf 22.3.25 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels

Artikel 22.252 Toepassingsbereik

Deze paragraaf bevat voorschriften voor het houden van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels. Hieronder vallen dus bijvoorbeeld het op kleine schaal houden van landbouwhuisdieren, kinderboerderijen, dierentuinen, maneges, hondenkennels of dierenasiels. Het grootschalig houden van landbouwhuisdieren wordt geregeld door het Bal.

Het houden van landbouwhuisdieren of paarden of pony's kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor gelden de artikelen uit subparagraaf 22.3.6.2 (Geur door het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden).

Deze paragraaf bevat geen aanvullende geurvoorschriften voor het houden van andere zoogdieren of vogels. Wanneer er toch maatregelen tegen geuroverlast noodzakelijk zijn, kan het bevoegd gezag deze bij maatwerkvoorschrift stellen. Te denken valt aan maatwerkvoorschriften waarbij wordt voorgeschreven dat uitwerpselen met een bepaalde frequentie worden verwijderd of maatwerkvoorschriften die gaan over de uitvoering en ligging van een dierenverblijf.

Het voorschrift uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer 'Het te lozen afvalwater als gevolg van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd' is niet meer expliciet uitgeschreven, omdat dit onder de specifieke zorgplicht valt.

Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening

Uitwerpselen van dieren kunnen de bodem verontreinigen. Een aaneengesloten bodemvoorziening is in principe voldoende om het bodemrisico tot verwaarloosbaar te beperken. Bij een dierenverblijf in de open lucht zoals een dierenweide ontbreekt de vloer. Over het algemeen zal dit geen problemen geven, mits de uitwerpselen en andere bederfelijke waren regelmatig worden verwijderd. Hiervoor is geen frequentie vastgesteld. Het bevoegd gezag kan de frequentie nader invullen met een maatwerkvoorschrift als dat nodig is om geurhinder te beperken of de bodem te beschermen.

Artikel 22.255 Bodem: logboek

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn. Op grond van artikel 22.50 onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde

Dit artikel stelt eisen aan het afvalwater afkomstig van dierenverblijven waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony's voor het berijden worden gehouden. 

 Het gaat dan om aantallen landbouwhuisdieren die niet vallen onder de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.200 van het Bal. Dieren bij kinderboerderijen of dierentuinen zijn geen landbouwhuisdieren. Daarvoor gelden de eisen uit dit artikel ook niet.

Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Paragraaf 22.3.26 Vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten

Artikel 22.258 Toepassingsbereik

In dit artikel zijn de milieubelastende activiteiten die al vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 3 van het Bal uitgezonderd van de vergunningplicht op grond van deze paragraaf. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vergunningplichten voor complexe bedrijven en vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling.

Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars

Eersteen derde lid

Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor handelingen met polyesterhars en de bijbehorende toetsingsgrond voor geurhinder. Bij het verwerken van polyesterhars worden producten van polyesterhars gemaakt in een mal of op een ondergrond die deel uitmaakt van het product. Een mal wordt elke keer weer opnieuw gebruikt. Voor het "loslaten" uit de mal wordt vaak een was gebruikt. Voor het ontvetten van de mal een organisch oplosmiddel, zoals aceton of dichloormethaan.

Op grond van artikel 22.258 geldt deze vergunningplicht niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal aangewezen zijn als vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.135 van het Bal geldt voor deze activiteit een vergunningplicht als de activiteit onderdeel is van een ippc- installatie.

Tweede lid

De te verstrekken gegevens en bescheiden moeten ook op grond van paragraaf 4.110 van het Bal worden aangeleverd. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem

Eerste lid

Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen.

Tweede lid

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt op grond van artikel 4.1137 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten

Bij het kweken van maden van vliegende insecten moeten in ieder geval maatregelen ter voorkoming van geurhinder worden getroffen.

Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen

Eerste lid

Opslagtanks voor gassen die in elkaars onmiddellijke nabijheid staan, kunnen elkaar beïnvloeden bij incidenten. Het risico op een incident van twee opslagtanks in elkaars nabijheid is meer dan twee keer zo groot als het risico van de twee opslagtanks apart. De PGS-richtlijnen schrijven om die reden voor dat opslagtanks onderling bepaalde afstanden aan moeten houden, en ook een bepaalde afstand tot de erfgrens aan moeten houden. Bij het toelaten van een opslag van gassen op een locatie in meer dan twee opslagtanks moet de veiligheid beoordeeld worden. Dit vergt maatwerk.

Op grond van artikel 22.258 geldt deze vergunningplicht niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal aangewezen zijn als vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.22 van het Bal geldt er een vergunningplicht voor opslagtanks met een inhoud van meer dan 13 m 3 .

Tweede lid

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met een deel van de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.897 van het Bal. 

 Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.263 Omgevingsvergunning tanken met LPG

Eerste lid

De belangrijkste reden voor het opnemen van een vergunningplicht voor deze activiteit is de ruimtelijke inpassing van de activiteit op een locatie vanuit het oogpunt van de veiligheid.

tweede lid

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.472a van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen

De belangrijkste beoordelingsgrond voor deze activiteit is geluidhinder.

Artikel 22.265 Omgevingsvergunning biologisch agens

Eerste lid

Een vergunningplicht geldt voor laboratoria die werken met biologische agentia vanaf categorie 3 volgens de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).

Tweede lid

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.648 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.266 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen

Eersteen tweede lid

Deze vergunningplicht is niet van toepassing als het gaat om ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 waarop inperkingsniveau IV van toepassing is. In dat geval geldt de vergunningplicht op grond van artikel 3.247 van het Bal.

Derde lid

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.630 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.267 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen

Eerste lid

De vergunningplicht voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie gelden voor mestbassins met een gezamenlijk oppervlak van meer dan 750 m 2 of meer dan 2.500 m 3 . Deze activiteiten waren onder het oude recht als vergunningplichtig aangewezen in Bijlage I, onderdeel C, onderdeel 7.5, onder i en j, bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Ook voor het opslaan van meer dan 600 m 3 vaste mest moeten een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangevraagd. De vergunningplicht stond onder het oude recht in Bijlage I, onderdeel C, onderdeel 7.5, onder d, bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.

Tweede lid

Deze gegevens en bescheiden komen deels overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.836 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.268 Vangnetvergunning lozen in de bodem

In de voorgaande paragrafen van deze afdeling zijn verschillende lozingen in de bodem toegestaan. Voor alle andere lozingen is een voorafgaande toestemming vereist, vanwege de nadelige gevolgen die deze lozingen kunnen hebben voor de bodemkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voorheen was hiervoor een maatwerkvoorschrift op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen of het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens vereist. Maar een omgevingsvergunning ligt meer voor de hand, omdat de activiteit zonder toestemming geheel verboden is. 

 De vergunningplicht geldt niet voor lozingen die afkomstig zijn van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Dat besluit bevat immers al de regels die ter bescherming van de bodem nodig zijn. 

 Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en het soort afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de bodemkwaliteit te beoordelen. 

 Dit artikel is niet van toepassing op lozingen bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens alle lozingen bij wonen toestond. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.

Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool

In de voorgaande paragrafen van deze afdeling zijn verschillende lozingen in de schoonwaterriolering toegestaan. Voor alle lozingen die niet door deze afdeling worden toegestaan is een voorafgaande toestemming vereist, vanwege de nadelige gevolgen die deze lozingen kunnen hebben voor de doelmatige werking van die riolering en voor de oppervlaktewaterkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voorheen was hiervoor een maatwerkvoorschrift op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen of het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens vereist. Maar een omgevingsvergunning ligt meer voor de hand, omdat de activiteit zonder toestemming geheel verboden is. 

 Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en het soort afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de riolering en de oppervlaktewaterkwaliteit te beoordelen.

Dit artikel is niet van toepassing op lozingen bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens alle lozingen bij wonen toestond. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.

Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten

Voor de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van dit omgevingsplan, zijn de beoordelingsregels van het Bkl van overeenkomstige toepassing. Dat sluit aan op de situatie die gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Afdeling 22.4 Aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafonds  
Artikel 22.271 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over aanleg of reconstructie van een weg of spoorweg die weliswaar niet in strijd is met dit omgevingsplan, maar waarover geen afweging heeft plaatsgevonden bij de totstandkoming van de constituerende onderdelen van dit plan, zoals bestemmingsplannen. De afdeling ziet niet op rijkswegen en provinciale wegen omdat daarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn of worden vastgesteld. Die geluidproductieplafonds beschermen de omliggende geluidgevoelige gebouwen tegen een eventuele toename van het geluid en dus hoeft een omgevingsplan daar niet in te voorzien. De bepaling is een omzetting van artikel 73, onder a (toepassingsbereik), artikel 79 (aanleg) en artikel 99 (reconstructie) van de Wet geluidhinder en artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder. Het tijdelijk deel van dit omgevingsplan heeft geen betrekking op provinciale wegen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, omdat daarvoor nog de Wet geluidhinder van toepassing is (zoals bepaald in artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet).

Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Eerste lid

Onder de Wet geluidhinder was voor aanleg of wijziging een besluit op aanvraag van het college van burgemeester en wethouders vereist. In dit omgevingsplan is dit besluit omgezet in een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Ook dit lid vormt een omzetting van de artikelen 79 (aanleg) en 99 (reconstructie) van de Wet geluidhinder en artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder. In de praktijk zal het bij toepassing van deze artikelen vrijwel altijd gaan om situaties waar nog onder de Wet geluidhinder over is besloten, bijvoorbeeld bij het vaststellen van een bestemmingsplan. In de formulering is echter de terminologie van het stelsel van de Omgevingswet gebruikt, omdat bestemmingsplannen en inpassingsplannen op grond van de Invoeringswet Omgevingswet onderdeel zijn geworden van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan en tracébesluiten gelden als omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Tweede lid

Hier zijn uitzonderingen op het eerste lid uit de oude regelgeving opgenomen, voor zover ze zien op wegen. Deze uitzonderingen zijn afkomstig uit de Wet geluidhinder: de begripsbepaling 'reconstructie van een weg' in artikel 1, artikel 1b, vijfde lid, en artikel 74. Opgemerkt wordt dat deze uitzonderingen niet allemaal gehandhaafd kunnen worden bij de ombouw van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. De instructieregels voor het geluid door gemeentewegen, die zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, kennen bijvoorbeeld niet de uitzondering voor 30-km-wegen en de uitzondering vanwege het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Derde lid

Hier zijn uitzonderingen op het eerste lid uit de oude regelgeving opgenomen, voor zover ze zien op spoorwegen. Deze uitzonderingen zijn afkomstig uit artikel 1.1 van het Besluit geluidhinder: de begripsbepaling 'wijziging van een spoorweg' in het eerste lid van dat artikel en de uitzonderingen daarop in het tweede lid. Opgemerkt wordt dat deze uitzonderingen niet allemaal gehandhaafd kunnen worden bij de ombouw van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan.

Artikel 22.273 Aandachtsgebied

Eerste lid

Dit bepaalt de ligging van het aandachtsgebied voor wegen en spoorwegen die zijn verweven of gebundeld met wegen. De aanwijzing is gelijk aan de geluidzone zoals die gedefinieerd werd in de artikelen 74, eerste lid, en 75, eerste lid, van de Wet geluidhinder, waarbij de begripsbepalingen 'bebouwde kom', 'buitenstedelijk gebied' en 'stedelijk gebied' uit artikel 1 van die wet zijn uitgeschreven in de artikeltekst. Deze bepaling kan bij de omzetting van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan worden geschrapt omdat in de Omgevingsregeling zal worden voorzien in regels over de bepaling van het geluidaandachtsgebied.

Tweede lid

Dit lid bepaalt de ligging van het aandachtsgebied voor vrijliggende spoorwegen. De aanwijzing is afgeleid uit de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder. Daar was een tabel van lokale spoorwegen opgenomen met voor alle spoorwegen een geluidzone van 100 meter aan weerszijden van het spoor, met uitzondering van drie in tunnels gelegen metro's waar de geluidzone 25 meter bedroeg. Hier is de afstand niet in een tabel opgenomen, maar in tekst uitgewerkt, omdat het tijdelijke deel van dit omgevingsplan immers, anders dan een ministeriële regeling, niet kan worden aangepast als er nieuwe spoorwegen worden aangelegd. Deze bepaling kan bij de omzetting van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan worden geschrapt omdat in de Omgevingsregeling zal worden voorzien in regels over de bepaling van het geluidaandachtsgebied.

Derdeen vierde lid

Deze leden vormen een omzetting van artikel 75, tweede en derde lid, van de Wet geluidhinder en artikel 1.4a, tweede en derde lid, van het Besluit geluidhinder.

Artikel 22.274 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Net als onder de Wet geluidhinder moet de initiatiefnemer een akoestisch onderzoek overleggen. Dit artikel is een omzetting van bepalingen in artikel 80 van de Wet geluidhinder in samenhang met de artikelen 77 en 99, tweede lid, van die wet en artikel 4.5 in samenhang met artikel 4.10 van het Besluit geluidhinder. Opgemerkt wordt dat de gehanteerde standaardwaarde en de binnenwaarde waarnaar verwezen wordt niet zijn ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Dat was nodig omdat opnemen van oude normwaarden zou hebben betekend dat de bij die normwaarden behorende meet- en rekenvoorschriften hier opgenomen hadden moeten worden. Dat had de regeling te zeer gecompliceerd. De nieuwe normwaarden zijn, zoals beschreven in het algemeen deel van de toelichting bij het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet, gelijkwaardig aan de oude.

Artikel 22.275 Beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

De Wet geluidhinder bepaalde dat het college van burgemeester en wethouders in zijn besluit bepaalde welke maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de geluidbelasting binnen de zone de hoogst toelaatbare waarden te boven zou gaan. Dat is te lezen als een regel over voorschriften.

Omdat een binnenplans vergunningstelsel altijd een beoordelingsregel vereist, is deze regel hier uitgesplitst in een beoordelingsregel, inhoudende dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning alleen verleent als binnenplanse omgevingsvergunning als de grenswaarde niet wordt overschreden, en in een regel over voorschriften, die inhoudt dat het bevoegd gezag de maatregelen voorschrijft die nodig zijn om te voorkomen dat niet aan de standaardwaarden wordt voldaan of dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid direct voorafgaand aan de wijziging. Als de omgevingsvergunning niet kan worden verleend als binnenplanse omgevingsplanactiviteit, kan de aanvraag worden beoordeeld als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op die beoordeling zijn de regels van paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

De gehanteerde grenswaarde is niet ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het

Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. In de toelichting op artikel 22.274 is ingegaan op de achtergrond hiervan.

Afdeling 22.5 Overige activiteiten  
Paragraaf 22.5.1 Vergunningplichten en beoordelingsregels voor activiteiten in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

Artikel 22.277 Toepassingsbereik

Deze paragraaf bevat een aantal bepalingen die verband houden met vergunningplichten en daarop betrekking hebbende beoordelingsregels voor activiteiten die onderdeel kunnen zijn van op grond van de voormalige Wet ruimtelijke ordening geldende planologische regelingen. Deze regelingen behoren onder het stelsel van de Omgevingswet tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van die wet. Het betreft de vergunningenstelsels voor het slopen van bouwwerken (sloopactiviteiten) en het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheden (aanlegwerkzaamheden). Ook bevat deze paragraaf bepalingen met betrekking tot in het tijdelijke deel opgenomen mogelijkheden om bij omgevingsvergunning van bepaalde regels af te wijken.

De bepalingen in deze paragraaf gelden als aanvullend op wat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, al voor die activiteiten kan zijn geregeld en zijn nodig om een goede overgang van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening naar de Omgevingswet te bewerkstelligen.

Artikel 22.278 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

Wat in artikel 22.33 van dit omgevingsplan is geregeld voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, is in artikel 22.278 op vergelijkbare wijze geregeld voor de omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid (ook wel de aanlegvergunning of aanlegactiviteit genoemd). Net als voor bouwactiviteiten regelde de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in artikel 3.3 een voorbeschermingsregime in de vorm van een aanhoudingsplicht voor de beslissing op aanvragen om een omgevingsvergunning voor de hier bedoelde aanlegactiviteiten. Voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit dergelijke aanlegactiviteiten komt artikel 22.278 voor de regeling uit artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in de plaats. Voor zijn verdere werking is artikel 22.278 identiek aan de werking van artikel 22.33 . Voor de toelichting op die werking wordt dan ook verwezen naar de toelichting op artikel 22.33 .

Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk

In artikel 22.279 is een beoordelingsregel opgenomen voor in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen verbodsbepalingen om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten. Onder 'sloopactiviteit' moet op grond van de bijlage bij de Omgevingswet 'het slopen van een bouwwerk' worden verstaan. Deze begripsbepaling is op grond van artikel 1.1 van dit omgevingsplan ook van toepassing op hoofdstuk 22 van dit plan. De vergunningenstelsels voor de hier bedoelde sloopactiviteiten konden op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening in onder meer bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen zijn opgenomen. In het nieuwe stelsel zijn deze regelingen onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De beoordelingsregel voor deze in ruimtelijke regelingen opgenomen sloopvergunningenstelsels was opgenomen in artikel 2.16 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Ter vervanging van deze bepaling is in artikel 22.279 in een gelijkluidende beoordelingsregel voorzien. In de nieuwe redactie is er echter rekening mee gehouden dat naast deze (vanuit artikel 2.16 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht overgehevelde) beoordelingsregel ook nog andere specifieke beoordelingsregels kunnen zijn gesteld in de vergunningenstelsels voor sloopactiviteiten in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de jurisprudentie is de mogelijkheid om in bijvoorbeeld een bestemmingsplan ook nog specifieke beoordelingsregels voor het slopen te stellen bevestigd (verwezen wordt naar ABRvS 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:898, TBR 2014/61). Als dergelijke beoordelingsregels zijn gesteld, blijven deze onverminderd van toepassing en werkt de beoordelingsregel in artikel 22.279 hierop aanvullend.

Paragraaf 22.5.2 Aanvraagvereisten

Subparagraaf 22.5.2.1 Algemene bepalingen.

Artikel 22.283 Toepassingsbereik

Onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren de indieningsvereisten voor omgevingsvergunningen op rijksniveau geregeld, ook als de vergunningplicht was ingesteld in een bestemmingsplan of gemeentelijke verordening. Deze indieningsvereisten waren opgenomen in de voormalige Regeling omgevingsrecht en komen, voor zover het gaat om die laatste vergunningen, niet meer terug op rijksniveau. Daarom worden deze opgenomen in deze paragraaf. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in een bestemmingsplan, maken die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel uit van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van die wet. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in gemeentelijke verordeningen (artikel 2.2 van die wet) houden de aanvraagvereisten verband met artikel 22.8 van de Omgevingswet. Artikel 22.8 van de Omgevingswet brengt met zich dat zolang deze vergunningenstelsels nog niet zijn overgeheveld naar het omgevingsplan, de regeling van artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht feitelijk wordt gecontinueerd. Een in een autonome verordening opgenomen vergunningplicht, die krachtens artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werd aangemerkt als een Wabo-omgevingsvergunningplicht, wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet aangemerkt als een omgevingsvergunningplicht op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.

In deze afdeling zijn daarnaast nog de aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor twee andere activiteiten opgenomen. In de eerste plaats de activiteit die strekt tot het afwijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, waarvoor in dat tijdelijke deel is bepaald dat daarvan bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken. De hiermee samenhangende vergunningplicht die onder de gelding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht volgde uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, is opgenomen in artikel 22.280 van dit omgevingsplan. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de hiervoor gegeven toelichting op dat artikel.

De tweede activiteit waarvoor deze afdeling nog aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning bevat, is het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Ook dat artikel is een overgangsrechtelijke bepaling. In artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was een vergunningplicht opgenomen voor het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht. Onder de Omgevingswet is dit geen afzonderlijke, in artikel 5.1 van die wet geregelde vergunningplicht meer, maar wordt het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten onderdeel van het omgevingsplan. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat bestemmingsplannen nog uitgingen van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing. Vanwege dit beschermingsregime zijn ook de indieningsvereisten voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zoals die waren opgenomen in artikel 6.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht naar deze afdeling overgeheveld.

De vier categorieën activiteiten waarop de aanvraagvereisten in deze afdeling betrekking hebben, komen terug in de nadere onderverdeling van paragraaf 22.5.2 van deze afdeling in een viertal subparagrafen.

De indieningsvereisten uit de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komen niet allemaal in identieke bewoordingen als aanvraagvereisten terug. Dat kan alleen al niet vanwege de begrippen uit het oude recht die in die regels voorkomen. In de artikelen 22.2 en 22.14 van de Omgevingswet is bepaald dat de bruidsschat bestaat uit rijksregels of daaraan gelijkwaardige regels. Door aan te sluiten op de terminologie van het nieuwe stelsel wordt invulling gegeven aan het opstellen van gelijkwaardige regels. Dat betekent bijvoorbeeld dat het begrip locatie wordt gehanteerd en niet het begrip grond. Wat betreft de aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument is aangesloten bij de formulering van de aanvraagvereisten voor een rijksmonumentenactiviteit die in de Omgevingsregeling zijn opgenomen.

De artikelen 22.287 tot en met 22.295 voorzien in specifieke aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument. Bij een gemeentelijk monument gaat het op grond van bijlage I bij het Bbl om een monument of archeologisch monument als bedoeld in de Erfgoedwet waaraan in dit omgevingsplan de functie- aanduiding gemeentelijk monument is gegeven. Op grond van artikel 22.295 zijn deze aanvraagvereisten van overeenkomstige toepassing op eventuele voorbeschermde gemeentelijke monumenten in dit omgevingsplan. Bijlage I bij het Bbl definieert een voorbeschermd gemeentelijk monument voor zover in het kader van het omgevingsplan van belang als een monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding van gemeentelijk monument te geven. De artikelen 22.287 tot en met 22.295 zijn ook van toepassing op monumenten en archeologische momenten die een (voor)beschermde status hebben op grond van een gemeentelijke verordening en nog niet via een voorbeschermingsregel of functie-aanduiding in het omgevingsplan zijn overgezet. Dit volgt uit artikel 22.2 van dit omgevingsplan.

Voor de leesbaarheid wordt hierna alleen van gemeentelijk monument gesproken, maar kan steeds ook voorbeschermd gemeentelijk monument worden gelezen.

Omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument komen overeen met de activiteiten die op grond van de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet onder de 'rijksmonumentenactiviteit' vallen: het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een monument of een archeologisch monument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Waar in deze begripsomschrijving gesproken wordt van 'monument' wordt alleen op gebouwde en aangelegde (groene) monumenten gedoeld. Waar gesproken wordt van 'archeologisch monument' wordt gedoeld op een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen (zie de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet en artikel 1.1 van de Erfgoedwet).

Voor deze aanvraagvereisten hebben, zoals hierboven al aangegeven, de indieningsvereisten in de voormalige Regeling omgevingsrecht onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als basis gediend, aangevuld met indieningsvereisten voor archeologische rijksmonumenten op grond van de Monumentenwet 1988. De redactie is daarbij wel aangepast aan voortschrijdend inzicht en aan de stelselkeuzes van de Omgevingswet.

In artikel 22.276 zijn de algemene aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument opgenomen, die bij iedere aanvraag van toepassing zijn. Voor het overige zijn de aanvraagvereisten in verschillende artikelen gespecificeerd voor de volgende activiteiten:

  • activiteiten die betrekking hebben op archeologische monumenten;

  • het slopen (= geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen) van monumenten;

  • het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van monumenten;

  • het wijzigen van een monument (restauratie, verbouw, reconstructie of op een andere manier wijzigen) of het door herstel ontsieren of in gevaar brengen van een monument;

  • het gebruiken van een monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Ook zijn er twee artikelen opgenomen met eisen aan tekeningen, een voor monumenten en een voor archeologische monumenten.

Met deze uitsplitsing in activiteiten wordt voorkomen dat initiatiefnemers (vergunningaanvragers) worden geconfronteerd met aanvraagvereisten die niet relevant voor hen zijn. Deze insteek bestond al in de voormalige Regeling omgevingsrecht, maar is nu verder vereenvoudigd. Bij een aantal artikelen is ook een splitsing aangebracht in aanvraagvereisten die in beginsel altijd noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de voorgenomen activiteit in relatie tot het monument of archeologisch monument en zijn monumentale waarde (eerste lid), en aanvraagvereisten die niet in alle gevallen nodig zijn of die alleen voor bepaalde soorten gemeentelijke monumenten van toepassing zijn (tweede lid).

De aard en de omvang van de activiteit en het soort gemeentelijk monument bepalen welke aanvraagvereisten in een concreet geval van toepassing zijn. Zo zijn voor de beoordeling van een vergunningaanvraag voor uitvoering van een restauratie- of (ver)bouwplan meer gegevens en bescheiden noodzakelijk dan voor het beoordelen van een vergunningaanvraag voor het aanbrengen van gevelreclame. Voorafgaand aan ingrijpende restauraties is het uitvoeren van een bouwhistorisch onderzoek vaak wenselijk, terwijl dit voor kleinere herstelwerkzaamheden meestal niet aan de orde zal zijn. Ook de locatie van de activiteiten is voor de aanvraagvereisten van belang. Als er werkzaamheden in het interieur worden uitgevoerd, zijn interieurfoto's nodig, maar deze zijn doorgaans niet relevant als de ingrepen alleen de buitenkant van het monument betreffen.

Door de grote verscheidenheid aan activiteiten die van invloed kunnen zijn op de monumentale waarde van een monument of archeologisch monument is geen volledig dekkend beeld te geven van alle mogelijke aanvraagvereisten. Het bevoegd gezag kan in specifieke gevallen, naast de genoemde aanvraagvereisten, op grond van artikel 4:2, tweede lid, in samenhang met artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht ook nog andere aanvraagvereisten formuleren. De gevraagde informatie moet uiteraard wel noodzakelijk zijn voor, en in directe relatie te staan tot, de beoordeling van de aanvraag. Het is dan ook in het algemeen bij voorgenomen omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument raadzaam voor een aanvrager om eerst in vooroverleg te treden met het bevoegd gezag en daarna pas over te gaan tot het maken van definitieve plannen. Zo krijgt hij vroegtijdig inzicht in welke aanvullende aanvraagvereisten in het concrete geval nodig worden geacht en kan rekening worden gehouden met eventuele toepasselijke kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten.

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag zal het belang van de (archeologische) monumentenzorg bij het behoud van het monument of archeologisch monument in redelijkheid moeten worden afgewogen tegen de belangen van de aanvrager (eigenaar/gebruiker) en die van derde belanghebbenden. Bij die belangenafweging staat het voorkomen van nadelige gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het monument of archeologisch monument en de monumentale waarden ervan voorop. Ook zal er bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning rekening moeten worden gehouden met de volgende beginselen uit het verdrag van Granada (de op 3 oktober 1985 te Granada tot stand gekomen Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa; Trb. 1985, 163) en het verdrag van Valletta (het op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen herziene Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed; Trb. 1992, 32):

a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten,

b. het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van die monumenten,

c. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden, en

d. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

Een aanvraag moet dus voldoende inzicht geven in de reden, aard en omvang van de activiteit, de impact op het monument of archeologisch monument en de monumentale waarde ervan, en het (voorgenomen) gebruik van het monument of archeologisch monument.

Subparagraaf 22.5.2.2 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet

Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid

Dit artikel bevat een aantal specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een werk dat geen bouwwerk is, of het uitvoeren van een werkzaamheid. 

 Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten in artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (ondertekening, naam en adres van de aanvrager, dagtekening en aanduiding van de gevraagde beschikking) en de aanvraagvereisten in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling (aanduiding van de activiteit, elektronisch adres en telefoonnummer van de aanvrager, aanduiding en begrenzing van de locatie van de activiteit en eventuele gegevens van een gemachtigde).

Met het vereiste om aan te geven welke obstakels aanwezig zijn, bedoeld in het eerste lid , onder c, wordt bijvoorbeeld bedoeld een boom, lantaarnpaal of nutsvoorziening die in de weg staat aan het realiseren van het werk of het uitvoeren van de werkzaamheid.

Het tweede lid betreft een rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk

Dit artikel bevat een aanvraagvereiste voor een sloopactiviteit. In verband met de beoordelingsregel uit artikel 22.279 moeten gegevens worden overgelegd waarmee aannemelijk moet worden gemaakt dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Met 'kan' worden gebouwd wordt gedoeld op de situatie waarin het bouwen van een vervangend bouwwerk juridisch mogelijk is. Om dit aannemelijk te maken is in beginsel een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit voor het bouwen van het vervangende bouwwerk voldoende. Om aannemelijk te maken dat er, als de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning (nog) niet is verleend, 'zal' worden gebouwd, moet de intentie om het vervangende bouwwerk te bouwen op andere wijze worden onderbouwd, bijvoorbeeld door inzicht te geven in vergevorderde bouwplannen. Dat laatste geldt ook als voor het bouwen van een vervangend bouwwerk op de locatie geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Als het naar het oordeel van het bevoegd gezag onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er sprake zal zijn van vervangende nieuwbouw, biedt artikel 22.279 de mogelijkheid om de vergunning te weigeren. Het is mogelijk dat naast artikel 22.279 nog andere specifieke beoordelingsregels zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan bij de daar opgenomen vergunningplicht om een bouwwerk te slopen zonder omgevingsvergunning. Op grondslag van artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het bevoegd gezag zo nodig nog aanvullende gegevens en bescheiden opvragen die gelet op die beoordelingsregels nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag.

Subparagraaf 22.5.2.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet

Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen

Dit artikel bevat aanvraagvereisten die gelden voor iedere activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument.

Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten in artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (ondertekening, naam en adres van de aanvrager, dagtekening en aanduiding van de gevraagde beschikking) en de aanvraagvereisten in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling (aanduiding van de activiteit, elektronisch adres en telefoonnummer van de aanvrager, aanduiding en begrenzing van de locatie van de activiteit en eventuele gegevens van een gemachtigde).

Onderdeel a

Onderdeel a van dit artikel betreft de identificatie van het gemeentelijk monument waarop de aanvraag betrekking heeft.

Onderdeel b

Onderdeel b betreft informatie over het huidige en het beoogde gebruik na verlening van de omgevingsvergunning. Deze gegevens zijn nodig om nut en noodzaak van de activiteit en de gevolgen daarvan voor het gemeentelijk monument te kunnen beoordelen.

Onderdeel c

Onderdeel c is nieuw ten opzichte van de voormalige Regeling omgevingsrecht. Dit aanvraagvereiste werd in de praktijk gemist, en dient enerzijds om inzicht te krijgen in de belangen van de aanvrager en de keuzes die ten grondslag liggen aan de aanvraag en anderzijds in de gevolgen voor (de monumentale waarde van) het gemeentelijk monument. Het aanvraagvereiste sluit ook aan op de algemene zorgplicht in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. Die brengt met zich dat een initiatiefnemer voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd nadelige gevolgen voor het gemeentelijk monument zoveel mogelijk moet voorkomen of beperken, of, als dit niet mogelijk is, de activiteit (in die vorm) achterwege laat. Overigens hoeft niet elk verlies van monumentale waarden tot weigering van de omgevingsvergunning te leiden. Bij de belangenafweging worden ook de belangen van de aanvrager betrokken. Dit volgt onder meer uit artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Vooroverleg met het bevoegd gezag is nuttig om te komen tot een haalbaar plan. De aanvrager kan in het kader van het aanvraagvereiste in dit onderdeel refereren aan dit overleg.

Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument

In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ- behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de toelichting bij artikel 22.303).

In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.

Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:

  • bouw-, sloop-, inrichtings- en graafwerkzaamheden,

  • de aanleg of het onderhoud van infrastructurele werken zoals (spoor)wegen, rioleringen, kabels en leidingen.

Ook kan het gaan om:

  • het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,

  • het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,

  • het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,

  • het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,

  • het wijzigen van het grondwaterpeil,

  • het winnen van grondstoffen,

  • agrarische grondwerkzaamheden, en

  • activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.

Eerste lid

In het eerste lid is geregeld welke gegevens en bescheiden nodig zijn om de exacte locatie(s) te bepalen waar en tot welke diepte het archeologisch monument door de voorgenomen activiteit zal worden verstoord, en op welke wijze.

Eerste lid, onderdeel a en c

In onderdeel a moet de aard van de activiteit worden omschreven.

Als het maaiveldniveau, bedoeld in de onderdelen a en c en elders in dit artikel, niet of lastig is vast te stellen, zoals het geval is binnen een bouwwerk, kan hiervoor het niveau van de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer worden aangehouden.

Eerste lid, onderdeel b

Voor de topografische kaart, bedoeld in onderdeel b, kan gebruik worden gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en voor locaties op zee van de officiële zeekaarten van de Dienst der Hydrografie. De BGT-kaart is een digitale topografische kaart met een schaal variërend van 1:500 – 1:5000 en bevat topografische objecten, zoals gebouwen, wegen, spoorwegen, waterlopen, parken en bossen. Via de Landelijke Voorziening BGT-informatie kan eenieder vrij de beschikbare BGT-informatie opvragen en downloaden.

Met de coördinatenparen in dit onderdeel wordt gedoeld op het coördinatensysteem van de Rijksdriehoeksmeting en, voor locaties op zee, het Europees Terrestrisch Referentiesysteem 1989 (ETRS89). Er zijn minimaal twee coördinatenparen nodig, zodat daaruit de schaal van de tekening kan worden herleid.

eerste lid, onderdeel d

Met een programma van eisen als bedoeld in onderdeel d kan het bevoegd gezag specifieke eisen aan een archeologische opgraving stellen, gericht op een professionele uitvoering van de archeologische opgraving als bedoeld in de Erfgoedwet. In een programma van eisen worden de onderzoeksvragen en onderzoeksmethoden beschreven en beargumenteerd. Die zijn gebaseerd op de archeologische verwachting uit het aan het veldonderzoek voorafgaande (bureau)onderzoek.

Eerste lid, onderdeel e

Bij booronderzoek als bedoeld in onderdeel e kan in plaats van met een programma van eisen worden volstaan met een (minder uitvoerig) plan van aanpak. Zie verder de toelichting bij onderdeel d.

Eerste lid, onderdeel f

In onderdeel f is geregeld dat als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument zoals een terp/wierde of een grafheuvel, de aanvrager gevraagd kan worden aan de hand van foto's inzichtelijk te maken wat de huidige situatie is en tekeningen te overleggen waaruit blijkt hoe het archeologisch monument eruit zal zien na realisatie van het voorgenomen plan. Behalve het bouwen van bouwwerken kan het ook andere ingrepen betreffen, zoals terreinverhardingen, het graven of dempen van sloten of het planten van bomen. Het gaat er bij dit aanvraagvereiste om de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor de zichtbaarheid en de belevingswaarde van het archeologisch monument inzichtelijk te maken.

Eerste lid, onderdeel g

Het aanvraagvereiste in onderdeel g – funderingstekeningen – betreft dat deel van de bouwwerkzaamheden dat in de bodem plaatsvindt. Het bovengrondse deel van het bouwplan is voor de impact op archeologie in de bodem niet relevant.

Tweede lid

Het tweede lid bevat aanvraagvereisten die niet altijd nodig zijn voor de beoordeling van de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het archeologisch monument. Tijdens het vooroverleg kan het bevoegd gezag aangeven welke aanvraagvereisten in het concrete geval van toepassing zijn. Ook kan het bevoegd gezag die gegevens opvragen naar aanleiding van een ingediende aanvraag, voor de beoordeling waarvan deze gegevens en bescheiden ook nodig blijken.

Tweede lid, onderdeel a

Onderdeel a betreft een volgens de normen van de archeologische beroepsgroep opgesteld rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

Tweede lid, onderdeel b

Het rapport in onderdeel b verschilt in die zin van een rapport als bedoeld in onderdeel a, dat uit dit rapport moet blijken wat de gevolgen van de activiteit zullen zijn voor het archeologisch monument, bijvoorbeeld een zettingsrapport (over het samendrukken van de grond door belasting). Een rapport als hier bedoeld is niet altijd nodig, maar vooral als het om specifieke informatie gaat die niet al blijkt uit de overige gegevens en bescheiden en het bevoegd gezag deze informatie zelf niet al heeft.

Tweede lid, onder d

Met aanlegwerkzaamheden als bedoeld in onderdeel d worden alle werkzaamheden bedoeld die geen bouwactiviteit, sloopactiviteit of ontgrondingsactiviteit zijn en waarbij de bodem wordt geroerd, een werk wordt aangelegd of het terrein anders wordt ingericht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aanbrengen van terreinverhardingen, aan het graven of dempen van sloten, aan het planten van bomen, struiken of andere diepwortelende planten, of aan het (deels) ophogen van een terrein. Als deze aanvraagvereisten moeten worden aangeleverd in het kader van een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit of een ontgrondingsactiviteit, kunnen dezelfde bescheiden ook in dit kader worden ingediend. Deze aanvraagvereisten zijn niet nodig in geval van kleinschalige werkzaamheden die door de grondgebruiker of eigenaar zelf worden uitgevoerd. Het gaat bij deze aanvraagvereisten vooral om omvangrijkere werkzaamheden die door een aannemer worden uitgevoerd, zoals het verbreden of verdiepen van sloten, het uitbaggeren van grachten, het beschoeien van vaarwegen, sloten of grachten, het (gedeeltelijk) ophogen van het maaiveld, het graven van sleuven voor kabels, leidingen of riolering, of de aanleg van wegen, opritten of verhardingen (bestrating, parkeerplaatsen).

Tweede lid, onderdeel e

In onderdeel e is geregeld dat als de activiteit (ook) bestaat uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk het bevoegd gezag bestaande funderingstekeningen kan verlangen. Dit kan uiteraard niet als deze tekeningen verloren zijn gegaan of redelijkerwijs niet meer te achterhalen zijn.

Tweede lid, onderdeel f

Bij de sonaropnamen, bedoeld in onderdeel f, gaat het doorgaans om zogenoemde 'multibeamopnamen'. Deze hebben als doel om de topografische hoogte, de bathymetrie, van de zeebodem ter plekke te bepalen en dienen als nulmeting om de situatie voorafgaand aan de ingreep te kunnen vergelijken met die daarna.

Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het slopen van een monument. Onder slopen wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen, zie de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. Het gaat hierbij dus niet alleen om het slopen van een monument of complete bouwdelen, maar ook over het slopen van kleinere onderdelen zoals muren, houtwerkconstructies, deuren en vensters, of interieurelementen.

eerste lid, onderdeel a

De foto's in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument of het te slopen onderdeel, zodat de noodzaak van de voorgenomen sloop voldoende wordt geïllustreerd. Het gaat er hierbij niet om dat het originele (digitale) foto's moeten zijn, maar het mogen geen onduidelijke kopieën zijn.

eerste lid, onderdeel b

Situatietekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 1°, zijn nodig in geval van het gedeeltelijk afbreken van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt. Als de voorgenomen activiteit alleen bestaat uit inpandig slopen of als het monument geheel wordt gesloopt, geldt dit aanvraagvereiste dus niet.

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Afhankelijk van de aard, omvang en plaats van de voorgenomen sloop kan het gaan om plattegronden, doorsneden, gevelaanzichten en een dakaanzicht. Als alleen inpandige sloopwerkzaamheden plaatsvinden zullen die laatste twee soorten tekeningen niet nodig zijn.

Uit slooptekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3°, moet blijken welke materialen of onderdelen verwijderd worden. Dit moet de omvang en de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken. De opnametekeningen kunnen hiervoor als basis worden gebruikt.

Eerste lid, onderdeel c

Een omschrijving van de aard van en de bestemming voor het door de sloop vrijkomende materiaal als bedoeld in onderdeel c is van belang omdat aan de omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan historische dakpannen, een monumentale topgevel, gevelsteen of een monumentale schouw.

Tweede lid, onderdeel a

De rapporten, bedoeld in onderdeel a, kunnen nodig zijn om de monumentale waarde van het monument of de te slopen onderdelen (nader) te bepalen. Lang niet altijd zullen de actuele monumentale waarden al in voldoende mate in beeld zijn om de gevolgen van de voorgenomen sloopwerkzaamheden voor de aanwezige monumentale waarden te kunnen beoordelen.

Tweede lid, onderdeel b

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 22.288.

Tweede lid, onderdeel c

Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c is bijvoorbeeld nodig in geval van een voorgenomen sloop op grond van de technische staat van een monument of een onderdeel daarvan. Als deze beschrijving en de foto's niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d).

Artikel 22.291 Omgevingsplanactiviteit: verplaatsen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kerkorgel of een molen. Het bevoegd gezag zal rekening moeten houden met het beginsel uit het verdrag van Granada dat verplaatsing van monumenten of een onderdeel daarvan moet worden voorkomen, tenzij dit dringend vereist is voor het voortbestaan ervan. Gaat het bevoegd gezag in een concreet geval toch over tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van het monument, dan zal het gelet op artikel 5 van het verdrag van Granada [3]voorschriften aan de vergunning verbinden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van het monument op de nieuwe locatie. Gelet hierop moeten de gegevens en bescheiden voldoende inzicht geven in de reden en de noodzaak van de voorgenomen verplaatsing, in de huidige en de toekomstige ruimtelijke context van het monument, en in de beoogde wijze van demonteren, verplaatsen en herbouwen. De herbouw op een nieuwe, geschikte locatie mag dus niet onzeker zijn.

Eerste lid

De foto's in onderdeel b moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat van het monument (toestand) of het te verplaatsen onderdeel en van de ruimtelijke context van het monument (situatie) of het onderdeel in de huidige en in de nieuwe situatie en mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument (zoals een kerkorgel) zullen minder tekeningen nodig zijn dan bij verplaatsing van het gehele monument.

Plantekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 3°, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na de voorgenomen verplaatsing) is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument zijn dit ook tekeningen van de nieuwe toestand van het monument waar het verplaatste gedeelte dan deel van uitmaakt. Zo zijn bij verplaatsing van een orgel van de ene kerk naar de andere kerk ook plantekeningen nodig van de toestand van die andere kerk nadat het orgel daarin is aangebracht.

Als het te verplaatsen monument een molen is, moet op grond van onderdeel e, ook inzicht worden gegeven in de molenbiotoop, zowel op de huidige als de nieuwe locatie. Met de molenbiotoop wordt hier de omgeving van de molen bedoeld, voor zover die van belang is voor de werking van de molen. Het gaat daarbij met name om de windvang (bij een windmolen) of de watertoe- en afvoer (bij een watermolen).

Tweede lid

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument of voor de nieuwe locatie (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 22.288 .

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel d kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument op de nieuwe plek, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een rijksmonumentenactiviteit kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel e moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

Artikel 22.292 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen

Dit artikel omvat de meest voorkomende activiteiten. Onder het wijzigen van een monument vallen bijvoorbeeld het restaureren, reconstrueren, renoveren, verbouwen, uitbouwen, aanbouwen, of het bijvoorbeeld op een andere manier wijzigen van een gebouwd monument of een aangelegd (groen) monument. Denk hierbij ook aan het in een afwijkende kleur schilderen van een gevel of het hanteren van een ander verfsysteem.

Voorbeelden van het herstellen van een monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, zijn het met golfplaten repareren van een rieten dak, of het reinigen of herstellen van een interieurschildering, of gevel, waarbij een onvoldoende deskundige uitvoering in potentie grote gevolgen kan hebben voor de technische staat en de monumentale waarde van het onderdeel (bij een gevel ook het patina).

Eerste lid, onderdeel a

De foto's in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument, zodat de noodzaak van de voorgenomen activiteit voldoende wordt geïllustreerd. Het mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.

Eerste lid Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Welke soort tekeningen in een concreet geval nodig zijn, hangt af van de aard van de activiteit. In de regel zullen plattegronden en doorsnedetekeningen nodig zijn. Als de activiteit ook impact heeft op het exterieur of het aangezicht van het monument, zullen ook geveltekeningen en in voorkomend geval een dakaanzicht nodig zijn.

Gebrekentekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3°, zijn nodig als er gebreken worden hersteld. Het betreft feitelijk opnametekeningen waarop de te verhelpen gebreken adequaat zijn weergegeven.

Plantekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 4°, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na afloop van de voorgenomen activiteit) is weergeven.

Als er in het kader van de activiteit ook materiaal wordt verwijderd, moeten er in een dergelijk geval ook enkele gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 22.290 (slopen) worden overgelegd. Zoals blijkt uit de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt onder slopen ook verstaan het gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. In de praktijk van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bleek dat een aanvrager die zijn monument wil restaureren of verbouwen zich niet altijd realiseert dat het wegnemen van materialen ook onder slopen valt en noodzakelijke gegevens en bescheiden daardoor geregeld ontbraken. Daarom zijn de aanvraagvereisten uit artikel 22.290 expliciet (en niet met een verwijzing) in dit artikel opgenomen. Op grond van onderdeel b, onder 5°, moet de aanvrager in een dergelijk geval ook slooptekeningen overleggen, waaruit blijkt welke materialen of onderdelen verwijderd worden. De slooptekeningen moeten de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken.

Eerste lid, onderdeel c

Op grond van onderdeel c moet in het bestek of in de werkomschrijving de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal worden omschreven. Aan de omgevingsvergunning kan namelijk het voorschrift worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen.

Tweede lid, onderdeel b

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 22.288.

Tweede lid, onderdeel c en d

Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c kan bijvoorbeeld nodig zijn in geval van het herstellen van technische gebreken. Als deze beschrijving en de foto's niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d). Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een (complexe) restauratie.

tweede lid, onderdeel e

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel e kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument na verrichting van de activiteit, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D- visualisaties.

Tweede lid, onderdeel f

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel f moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

Tweede lid, onderdeel g

Een beheervisie als bedoeld in onderdeel g is een visie op het beheer van een groenaanleg, gebaseerd op een analyse en een waardering op grond van (cultuur)historisch onderzoek en inventarisaties van natuurwaarden, recreatieve en belevingswaarden, waterhuishouding en bodem, en wensen van belanghebbenden (eigenaar en gebruikers). De beheervisie maakt duidelijk welke keuzes zijn gemaakt voor het beheer en is richtinggevend voor een langere periode, bijvoorbeeld 12 tot 18 jaar, of langer. De visie kan ook worden weergegeven in streefbeelden.

Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht. Bij het eerste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het (tijdelijk) aanbrengen van reclames of op een andere manier aan het zicht onttrekken van een gevel of het dak. Bij het laatste bijvoorbeeld aan het gebruiken van een monument als vuurwerkopslag of op een wijze die slecht verenigbaar is met een kwetsbaar interieur, zoals een disco in een zaal met een historische wandbespanning en parketvloer.

Ook als het voorgenomen gebruik niet gepaard gaat met een fysieke wijziging van het monument moet de aanvrager aangeven welke maatregelen hij treft om ontsiering van het monument of de nadelige gevolgen van het in gevaar brengen van het monument te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument

In dit artikel is bepaald dat de aanvraagvereisten die op grond van de artikelen 22.287 tot en met 22.294 voor gemeentelijke monumenten gelden, ook gelden voor voorbeschermde gemeentelijke monumenten (als bedoeld in bijlage I bij het Bbl). Omwille van de leesbaarheid is voor een apart artikel gekozen in plaats van het opnemen in voornoemde artikelen zelf.

Artikel 22.296 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

Eerste lid

Dit artikel bevat aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op het slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. Op grond van het eerste lid moet aannemelijk worden gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Met 'kan' worden gebouwd wordt gedoeld op de situatie waarin het bouwen van een vervangend bouwwerk juridisch mogelijk is. Om dit aannemelijk te maken is in beginsel een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die op grond van dit omgevingsplan is vereist voor het bouwen van dat bouwwerk voldoende. Om aannemelijk te maken dat er, als de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning (nog) niet is verleend, 'zal' worden gebouwd, moet de intentie om het vervangende bouwwerk te bouwen op andere wijze worden onderbouwd, bijvoorbeeld door inzicht te geven in vergevorderde bouwplannen. Dit aanvraagvereiste is opgenomen ter voorkoming van braakliggende terreinen in de beschermde historische structuur. Hiermee wordt het daadwerkelijk indienen van plannen voor de vervangende bebouwing, waarin voldoende rekening wordt gehouden met het karakter van het beschermde stads- of dorpsgezicht, bevorderd. Dergelijke plannen kunnen dan worden getoetst aan het omgevingsplan en de beleidsregels voor de beoordeling of een bouwwerk voldoet aan de regels over het uiterlijk van bouwwerken in het omgevingsplan. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als een dergelijke beleidsregel. Dit volgt uit artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet. De welstandsnota bevat criteria om te beoordelen of een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand. Als bij het vaststellen van het omgevingsplan de regels over het uiterlijk van bouwwerken wijzigen ten opzichte van de daarover in hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan gestelde regels, kunnen gemeenten uiteraard ook de daarop betrekking hebbende beleidsregels wijzigen.

Tweede lid

Het tweede lid bevat een omzetting van de landelijke regels die nog gebaseerd zijn op het (nog steeds geldende) beoordelingskader ter voorkoming van gaten in de bebouwingsstructuur. Op basis van de archeologische verwachting kan het bevoegd gezag bij een vergunningaanvraag een archeologisch rapport als aanvraagvereiste nodig achten, om de archeologische waarde van het te verstoren terrein nader vast te stellen. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. Dat was al zo (via het bestemmingsplan) en is terug te voeren op de gemaakte keuzes bij de implementatie van het verdrag van Valletta (via de Wet op de archeologische monumentenzorg). In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

Artikel 22.297 Omgevingsplanactiviteit: uitweg

Deze artikelen bevatten aanvraagvereisten voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten die op grond van een gemeentelijke verordening in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet als vergunningplichtig zijn aangemerkt. Deze artikelen zijn gebaseerd op de artikelen 7.3 tot en met 7.7 van de voormalige Regeling omgevingsrecht, waarbij de indieningsvereisten destijds zijn overgenomen van bestaande formulieren bij gemeenten.

Artikel 22.298 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie

Deze artikelen bevatten aanvraagvereisten voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten die op grond van een gemeentelijke verordening in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet als vergunningplichtig zijn aangemerkt. Deze artikelen zijn gebaseerd op de artikelen 7.3 tot en met 7.7 van de voormalige Regeling omgevingsrecht, waarbij de indieningsvereisten destijds zijn overgenomen van bestaande formulieren bij gemeenten.

Artikel 22.299 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand

Deze artikelen bevatten aanvraagvereisten voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten die op grond van een gemeentelijke verordening in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet als vergunningplichtig zijn aangemerkt. Deze artikelen zijn gebaseerd op de artikelen 7.3 tot en met 7.7 van de voormalige Regeling omgevingsrecht, waarbij de indieningsvereisten destijds zijn overgenomen van bestaande formulieren bij gemeenten.

Artikel 22.300 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame

Deze artikelen bevatten aanvraagvereisten voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten die op grond van een gemeentelijke verordening in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet als vergunningplichtig zijn aangemerkt. Deze artikelen zijn gebaseerd op de artikelen 7.3 tot en met 7.7 van de voormalige Regeling omgevingsrecht, waarbij de indieningsvereisten destijds zijn overgenomen van bestaande formulieren bij gemeenten.

Artikel 22.301 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken

Deze artikelen bevatten aanvraagvereisten voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten die op grond van een gemeentelijke verordening in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet als vergunningplichtig zijn aangemerkt. Deze artikelen zijn gebaseerd op de artikelen 7.3 tot en met 7.7 van de voormalige Regeling omgevingsrecht, waarbij de indieningsvereisten destijds zijn overgenomen van bestaande formulieren bij gemeenten.

Subparagraaf 22.5.2.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet

Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht

Zoals hiervoor al toegelicht bij artikel 22.283 gaat het hier om het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Hiervoor gelden dezelfde aanvraagvereisten als voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 22.296 . Volstaan wordt daarom met een verwijzing naar de toelichting op dat artikel. Ook onder de voormalige Regeling omgevingsrecht golden voor deze activiteiten dezelfde indieningsvereisten.

Paragraaf 22.5.3 Voorschriften

Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg

Dit artikel is een voortzetting van de regeling in artikel 2.22, tweede lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.2 van het voormalige Besluit omgevingsrecht.

Eerste lid

In het eerste lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een werk, dat geen bouwwerk is, of het uitvoeren van een werkzaamheid –ook wel een aanlegactiviteit genoemd – die van invloed is op een archeologisch monument, in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval de onder a tot en met d bedoelde voorschriften kunnen worden verbonden.

Eerste lid, onderdeel a

Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften die een plicht inhouden tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden. Voorbeelden zijn voorschriften die verplichten tot het treffen van technische maatregelen, zoals het aanbrengen van een ophogingslaag, het aanpassen van de funderingswijze of het beperken van het aantal heipalen.

Eerste lid, onderdeel b

Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften over het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 in samenhang met artikel 5.1, eerste lid, van de Erfgoedwet. Dit betreft dus voorschriften over handelingen bij het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem, of verstoring of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt, tenzij het een op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Erfgoedwet uitgezonderd geval betreft.

Eerste lid, onderdeel c

Onderdeel c heeft betrekking op voorschriften over de begeleiding door een archeologisch deskundige van uitvoeringswerkzaamheden. Deze deskundige is bij de werkzaamheden aanwezig en documenteert eventuele overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden die hierbij aan het licht komen.

Het instrument van archeologische begeleiding is bedoeld voor situaties waarin adequaat vooronderzoek niet mogelijk is door fysieke belemmeringen, zoals een te slopen bouwwerk, waardoor niet tot een betrouwbare waardenstelling kan worden gekomen. Ook kan de begeleiding worden ingezet voor situaties waarin civieltechnische werkzaamheden archeologisch onderzoek niet mogelijk maken of op grond van de beschikbare archeologische informatie is geconcludeerd dat het doen van een opgraving niet (meer) nodig is, maar men toch graag het zekere voor het onzekere wil nemen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de aanleg van een pijpleiding voor aardgas, omdat de gegraven sleuf te smal is om een goede documentatie mogelijk te maken. Daarnaast kan er bij uitvoeringstrajecten sprake zijn van bijzondere onderzoeksvragen, die juist door archeologische begeleiding kunnen worden beantwoord. Het gaat daarbij om gebieden of complextypen waar wel een archeologische verwachting is, maar waaraan door inventariserend veldonderzoek geen specifieke locatie kan worden gekoppeld. Archeologische begeleiding is nadrukkelijk niet bedoeld als een vervanging voor een inventariserend veldonderzoek of een opgraving. Aan dit onderdeel kan niet worden voldaan met een verwijzing naar een gecertificeerde opgravingsdeskundige, omdat niet alle handelingen waaruit een archeologische begeleiding kan bestaan, handelingen zijn waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het uitzeven van grond afkomstig uit een bouwput of een baggerlocatie om archeologische overblijfselen of voorwerpen te verzamelen. Voor die gevallen kan het bevoegd gezag op basis van dit onderdeel specifieke eisen stellen aan de deskundigheid van de bij de archeologische begeleiding betrokken personen. Denk bijvoorbeeld aan de voorwaarde dat de deskundige kennis moet hebben van de archeologie van het rivierengebied of van de Romeinse tijd. Veelal zullen deze eisen via het programma van eisen worden afgedwongen (zie onderdeel d). Maar het bevoegd gezag kan ook eisen stellen aan de kwalificaties van de deskundige zonder dat het een specifiek programma van eisen als voorschrift opneemt. Dit laat onverlet dat de uitvoerder van de archeologische begeleiding voor zover het handelingen betreft waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is, in ieder geval moet voldoen aan het bepaalde in artikel 5.4, eerste en tweede lid, van die wet.

Eerste lid, onderdeel d

Met het voorschrift dat de opgraving of begeleiding op een bepaalde wijze, die in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet, moet worden verricht, wordt beoogd aan te sluiten bij de Erfgoedwet en vooral bij het in die wet opgenomen certificatiesysteem, waarbij de nadruk meer is komen te liggen op de professionele standaarden uit het veld zoals tot nu toe neergelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Met deze voorschriften worden die voorschriften bedoeld die ook wel als een programma van eisen of een plan van aanpak worden aangeduid en voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet en de Omgevingswet werden gebaseerd op artikel 38, eerste lid, onder a, van de Monumentenwet 1988. In het programma van eisen en plan van aanpak kunnen randvoorwaarden aan het archeologisch onderzoek worden meegegeven, in het bijzonder de doel- en vraagstelling van het onderzoek, en kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van uitvoering. Er wordt bijvoorbeeld aangegeven welke onderzoeksmethodiek moet worden ingezet en over welke specifieke kennis en ervaring de actoren moeten beschikken om het onderzoek te kunnen uitvoeren.

Voorkomen moet worden dat de inhoud van de voorschriften in strijd is met de professionele kwaliteitsnorm voor archeologisch onderzoek binnen het in de Erfgoedwet opgenomen certificatiesysteem. Dit betekent dat de voorschriften wel aanvullende eisen mogen bevatten, maar geen eisen die onder het niveau van deze normen van de beroepsgroep liggen. De voorschriften kunnen tenslotte ook betrekking hebben op non-destructief archeologisch onderzoek, zoals een veldkartering of een sonaropname van de zeebodem.

Tweede lid

In het tweede lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht voorschriften kunnen worden verbonden over de wijze van slopen. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, derde lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het doel van een dergelijk voorschrift is de sloopmethode zo te kiezen dat de nadelige gevolgen voor de archeologische waarden ter plaatse zoveel mogelijk beperkt blijven. Ook kan zo de inzet van het instrument van archeologische begeleiding als bedoeld in het eerste lid, onder c, mogelijk worden gemaakt.

Hoofdstuk 25 Procesregels

Afdeling 25.2 Adviescommissie omgevingskwaliteit
Paragraaf 25.2.1 Algemene bepalingen Adviescommissie omgevingskwaliteit

Artikel 25.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat procesregels over de Adviescommissie omgevingskwaliteit Hendrik-Ido-Ambacht. Deze wordt in deze afdeling hierna aangeduid als ‘de commissie’. Deze afdeling gaat onder meer in op wat de commissie doet, hoe de commissie is samengesteld en de werkwijze van de commissie.

Artikel 25.2 Normaddressaat

Dit artikel geeft aan wie zich aan de regels in deze afdeling moeten houden. Dit is enerzijds de commissie. Bijvoorbeeld wanneer het gaat over de kennis die commissieleden moeten bezitten en hoe deze leden moeten worden aangesteld. Maar ook het college van burgemeester en wethouders moet zich aan de regels houden. Bijvoorbeeld als het gaat om het inwinnen van advies.

Paragraaf 25.2.2 Taken en werkzaamheden

Artikel 25.3 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de taken en werkzaamheden van de commissie. In de paragraaf wordt uitgelegd wanneer en waarover aan de commissie advies wordt gevraagd.

Artikel 25.4 Adviestaak

De commissie adviseert de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en alles wat daarmee verband houdt of bevorderlijk kan zijn. Hieronder valt ook het geven van voorlichting over de doelstelling van een goede omgevingskwaliteit en voorlichting over de werkzaamheden van de commissie.

De commissie moet zich houden aan de verplichtingen uit de Omgevingswet

In artikel 17.9 van de Omgevingswet zijn een aantal verplichtingen van de gemeentelijke adviescommissie vastgelegd. In dit artikel staat onder andere dat de commissie haar adviezen deugdelijk moet motiveren en schriftelijk openbaar moet maken. Het is belangrijk dat de commissie haar taken en werkzaamheden conform deze verplichtingen uitvoert.

Op grond van de Omgevingswet moet de commissie bijvoorbeeld haar voorlichting en adviezen baseren op de vastgestelde beleidskaders, voor zover deze van toepassing zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om de omgevingsvisie, het omgevingsplan en beleidsregels onder de Omgevingswet.

Een voorbeeld maakt dit duidelijk. De commissie zal regelmatig advies uitbrengen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. De commissie moet dan beoordelen of voorgenomen activiteit bijdraagt aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, zoals vastgesteld in de Welstandsnota of diens rechtsopvolger. De Omgevingswet regelt dat de commissie bij het toetsen van het bouwplan ook moet kijken naar de beoordelingsregels in het omgevingsplan. Deze beoordelingsregels bepalen namelijk onder welke voorwaarden de omgevingsvergunning kan worden verleend. In dit geval is het omgevingsplan het uitgangspunt.

Artikel 25.5 Oogmerken

Deze bepaling benadrukt dat de commissie haar taak uitvoert met het oog op een goede omgevingskwaliteit. Daarbij gaat het om het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden. De commissie adviseert dus niet over andere aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals een veilige en gezonde leefomgeving.

Artikel 25.6 Adviesorgaan

Dorp, Stad en Land is een onafhankelijke kennis- en adviesorganisatie die gemeenten ondersteunt bij het verbeteren van ruimtelijke en omgevingskwaliteit, met expertise in architectuur, stedenbouw, landschap en erfgoed. Dorp, Stad en Land is verantwoordelijk voor het uitbrengen van adviezen namens de commissie. Daarbij wijst deze organisatie zelf de personen aan die als commissielid optreden en de advisering uitvoeren.

Artikel 25.7 Taken en werkzaamheden

Dit artikel beschrijft uitgebreid de taken en werkzaamheden van de commissie. De commissie heeft onder andere als taak om inwoners en betrokkenen te informeren over het belang van een goede omgevingskwaliteit. Daarbij legt zij uit welke rol de commissie speelt en welke werkzaamheden zij verricht.

De commissie adviseert

In dit artikel staat in welke gevallen de commissie advies uitbrengt. Dit varieert van het verstrekken van advies bij het ontwikkelen van beleid tot het adviseren op een concrete aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument. In het tweede tot en met het vijfde lid en het achtste tot en met het tiende lid worden deze adviestaken omschreven.

Gemeentelijke monumenten worden in het omgevingsplan aangewezen. Deze worden door middel van een functie aangeduid op de kaart. De monumenten zijn in de locatie 'Monument' opgenomen.

De commissie adviseert ook bij een aanvraag voor een rijksmonumentactiviteit met betrekking tot een monument. In de Omgevingswet wordt nader uitgelegd wat onder deze activiteit wordt verstaan.

De commissie brengt advies uit over de omgevingskwaliteit op verzoek van het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan de commissie inschakelen als zij dat nodig achten voor het beschermen en bevorderen van de omgevingskwaliteit. Het gaat hier om situaties waarin geen vaste adviesplicht bestaat, maar waarin deskundig advies toch wenselijk kan zijn. Bijvoorbeeld in het geval van complexe bouwplannen, zoals infrastructurele werken, een nieuwe woonwijk of andere projecten met een grote impact op de fysieke leefomgeving. Ook kan de commissie worden gevraagd om te adviseren bij de vorming van beleid, zoals de omgevingsvisie en het omgevingsplan. De commissie kan in dit laatste geval ook ongevraagd advies uitbrengen.

De commissie heeft ook een begeleidende rol

Dit maken het zesde en zevende lid duidelijk. Tijdens het ontwerpproces kan de commissie planindieners en ontwerpers informeren en ondersteunen, zodat de plannen vanaf het begin beter aansluiten bij de doelstelling van een goede omgevingskwaliteit. Daarnaast kan de commissie in een vroeg stadium vooroverleg voeren over een aanvraag om een omgevingsvergunning, waardoor knelpunten tijdig worden gesignaleerd en oplossingen worden gevonden.

Soms speelt de commissie een rol bij andere beschikkingen

Dit benadrukt het tiende lid. Deze besluiten hebben niet direct met bouwplannen te maken, maar kunnen wel een invloed hebben op de uitstraling en beleving van de openbare ruimte. Het college van burgemeester en wethouders kan in die gevallen de commissie inschakelen, wanneer zij een beschikking moeten nemen op grond van gemeentelijke verordening die eisen stellen aan de omgevingskwaliteit. Het gaat daarbij om uiteenlopende onderwerpen, zoals een exploitatievergunning voor een horecabedrijf, een incidentele standplaats of een tijdelijk object op of aan de openbare weg. Zo kan bijvoorbeeld voorkomen worden dat de kwaliteit van de leefomgeving wordt aangetast door slecht geplaatste objecten.

Artikel 25.8 Verplicht advies commissie

Dit artikel legt uit wanneer het college van burgemeester en wethouders advies moet inwinnen van de commissie. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument.

Het gaat in de gevallen die zijn beschreven in artikel 25.8 om een verplichting. Dit betekent dat het bevoegd gezag voordat het besluit wordt genomen altijd advies moet inwinnen bij de commissie.

Paragraaf 25.2.3 Samenstelling en inrichting commissie

Artikel 25.9 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de samenstelling en de inrichting van de commissie. Met 'samenstelling' bedoelen we wie er in de commissie zitten. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het aantal leden, de deskundigheid van deze leden en hoe de leden worden benoemd. Bij de 'inrichting' van de commissie gaat het over hoe de commissie werkt. Denk aan hoevaak de commissie moet vergaderen en tot haar besluit komt. Ook praktische zaken zoals de ondersteuning van de commissie vanuit de gemeente komt aan bod.

In de volgende paragraaf wordt dieper ingegaan op de uitvoering van de adviestaak.

Artikel 25.10 Aanwijzing commissieleden en plaatsvervangers

Dit artikel regelt de samenstelling en onafhankelijkheid van de Adviescommissie omgevingskwaliteit. De commissie bestaat uit minimaal drie leden, waaronder een voorzitter, zodat een brede deskundigheid gewaarborgd is. De leden worden geselecteerd en voorgedragen door Dorp, Stad en Land. De selectie vindt onafhankelijk van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht plaats, zodat belangenverstrengeling wordt voorkomen.

De benoeming van leden gebeurt op persoonlijke titel, waardoor zij hun rol als onafhankelijke deskundigen vervullen en niet als vertegenwoordigers van een organisatie of bestuur. Daarbij is expliciet bepaald dat zij niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur of het college, zodat belangenverstrengeling wordt voorkomen. Bij afwezigheid van een commissielid wordt een plaatsvervanger aangewezen, zodat de continuïteit van het werk van de commissie altijd gewaarborgd blijft.

Artikel 25.11 Deskundigheid, kennis en ervaring

Dit artikel maakt duidelijk dat de commissie bestaat uit leden met een brede en professionele deskundigheid. Zij beschikken over de kennis en ervaring die nodig is om hun taken en werkzaamheden goed uit te kunnen voeren. Daarbij is specifieke expertise op het gebied van monumentenzorg verplicht, zodat cultuurhistorische waarden altijd worden meegewogen. In gezamenlijkheid vertegenwoordigen de leden verschillende disciplines, zoals architectuur, stedenbouw, landschap, cultuurhistorie en restauratiearchitectuur. Deze diversiteit zorgt ervoor dat de commissie plannen en besluiten integraal kan beoordelen en dat alle relevante aspecten van omgevingskwaliteit worden meegenomen.

Artikel 25.12 Benoeming van commissieleden

Dit artikel regelt dat het college van burgemeester en wethouders formeel bevoegd is om de leden van de commissie te benoemen. De gemeenteraad wordt hierover geïnformeerd.

Artikel 25.13 Termijn en herbenoeming

Dit artikel regelt de duur van het lidmaatschap en de mogelijkheden voor herbenoeming in de Adviescommissie omgevingskwaliteit. Leden worden benoemd voor een periode van maximaal vier jaar, zodat regelmatig vernieuwing en doorstroming kan plaatsvinden. Leden kunnen eenmaal voor eenzelfde termijn worden herbenoemd, waardoor continuïteit in de commissie gewaarborgd blijft, maar langdurige afhankelijkheid wordt voorkomen. Afgetreden leden kunnen pas na een jaar opnieuw worden benoemd, wat ruimte biedt voor nieuwe deskundigheid en inzichten.

Artikel 25.14 Ontslag van commissieleden

Dit artikel regelt de wijze waarop commissieleden kunnen worden ontslagen. In principe gebeurt dit op eigen verzoek. Maar bij zwaarwegende gronden, zoals ongeschiktheid of onbekwaamheid, kan het college van burgemeester en wethouders ook overgaan tot een schorsing. De gemeenteraad besluit vervolgens of het lid wordt ontslagen.

Artikel 25.15 Ondersteuning van de commissie

Dit artikel regelt de ambtelijke ondersteuning van de commissie. De commissie wordt bij haar werkzaamheden geholpen door één of meerdere ambtelijke medewerkers, zodat de praktische en organisatorische taken goed kunnen worden uitgevoerd. Belangrijk is dat de ambtelijke medewerkers geen lid zijn van de commissie en dus geen inhoudelijke stem hebben in de advisering. Zij zijn uitsluitend verantwoordelijk voor de ondersteunende werkzaamheden en leggen daarover verantwoording af aan de commissie zelf.

Paragraaf 25.2.4 Uitvoering van taken en werkzaamheden

Artikel 25.16 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de taken en werkzaamheden die door de commissie worden uitgevoerd.

Artikel 25.17 Adviestermijn

Dit artikel regelt de termijn waarbinnen de commissie haar advies moet uitbrengen. In beginsel geldt hiervoor een periode van vier weken, zodat tijdige besluitvorming kan plaatsvinden. Als het college van burgemeester en wethouders een andere termijn vaststelt, volgt de commissie die aanwijzing en brengt zij het advies binnen de opgegeven periode uit.

Artikel 25.18 Openbaarheid van vergaderingen

Dit artikel regelt de openbaarheid van de vergaderingen van de commissie. De beraadslagingen, beoordelingen en adviezen zijn openbaar, zodat er sprake is van transparantie en controle mogelijk is. Informeel vooroverleg en beleids- of ontwerpgerichte advisering vinden daarentegen besloten plaats, om een vrije en vertrouwelijke uitwisseling van ideeën mogelijk te maken.

Artikel 25.19 Verzoek tot geheime behandeling

Dit artikel regelt de mogelijkheid voor het college van burgemeester en wethouders om een aanvraag voor een omgevingsvergunning in uitzonderlijke gevallen niet openbaar te laten behandelen. Burgemeester en wethouders kunnen zelf beslissen om over te gaan tot een niet-openbare behandeling. Maar dit kan ook op verzoek van een aanvrager.

Een dergelijk verzoek kan alleen worden gedaan wanneer er sprake is van klemmende redenen die een geheimhouding rechtvaardigen. Daarbij moet het college van burgemeester en wethouders het verzoek zorgvuldig motiveren en baseren op artikel 5.1 van de Wet open overheid.

Artikel 25.20 Geheimhoudingsplicht

Dit artikel bepaalt dat zowel de commissieleden als de ondersteunende medewerkers gebonden zijn aan een geheimhoudingsplicht. Daarmee wordt ervoor gezorgd dat vertrouwelijke informatie zorgvuldig wordt behandeld en niet naar buiten wordt gebracht.

Artikel 25.21 Bekendmaking agenda

Dit artikel bepaalt dat de agenda van de vergaderingen tijdig bekendgemaakt wordt. Dit gebeurt op een geschikte wijze, zodat belanghebbenden de mogelijkheid hebben zich voor te bereiden.

Artikel 25.22 Spreekrecht initiatiefnemer

Dit artikel regelt het spreekrecht van de initiatiefnemer bij de commissie. Degene die een omgevingsvergunning heeft aangevraagd, of daartoe gemachtigd is, krijgt de mogelijkheid om de aanvraag mondeling toe te lichten bij de commissie. De mogelijkheid tot spreekrecht is er niet in het geval van beraadslagingen.

Artikel 25.23 Randvoorwaarden voor het uitbrengen van advies

Dit artikel stelt randvoorwaarden om de kwaliteit en onafhankelijkheid van de adviezen van de commissie te waarborgen. Bij aanvragen voor advies over rijksmonumenten zijn altijd minimaal twee leden met specifieke deskundigheid in monumentenzorg aanwezig. Hierdoor wordt verzekerd dat cultuurhistorische waarden zorgvuldig en met voldoende kennis worden meegewogen. Daarnaast wordt belangenverstrengeling voorkomen doordat leden met een direct of indirect persoonlijk belang zich moeten terugtrekken uit de beraadslaging en besluitvorming. Het gaat hier bijvoorbeeld om leden die als opdrachtgever of ontwerper betrokken zijn bij het uitvoeren van de activiteit waarover de commissie adviseert.

Artikel 25.24 Afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie

Dit artikel beschrijft hoe de commissie haar werkzaamheden kan verdelen of delegeren en toch verantwoordelijk blijft voor de uitkomst. De commissie kan ervoor kiezen om de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning toe te vertrouwen aan specifieke leden of aan een subcommissie. Ook de voorbereiding van besluiten die niet direct betrekking hebben op een vergunningaanvraag kan op dezelfde manier worden aangepakt. Belangrijk is dat alle taken die op deze manier worden uitgevoerd altijd onder de verantwoordelijkheid van de gehele commissie blijven vallen. Dit betekent dat de commissie eindverantwoordelijk blijft voor de kwaliteit en zorgvuldigheid van het advies of besluit.

Bovendien blijft artikel 17.9, eerste lid, van de Omgevingswet volledig van toepassing, zodat de wettelijke kaders en waarborgen onverminderd gelden. Op die manier wordt een balans bereikt tussen praktische taakverdeling en behoud van de formele verantwoordelijkheid van de commissie. Meer informatie over de verplichtingen voor de gemeentelijke adviescommissie die blijken uit de Omgevingswet staat in de toelichting bij artikel 25.4.

Artikel 25.25 Adviseurs

De commissie heeft de mogelijkheid om zich te laten ondersteunen door deskundigen. In de eerste plaats kan zij daarvoor een beroep doen op ambtenaren van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht die beschikken over relevante kennis en ervaring. Daarnaast kan de commissie ook externe personen inschakelen wanneer dat nodig is om haar taken goed uit te voeren. Het gaat hierbij om mensen die specifieke expertise meebrengen, bijvoorbeeld op het gebied van architectuur, stedenbouw of erfgoed. Wanneer de commissie dat wenselijk vindt, kunnen deze deskundigen als adviseur deelnemen aan beraadslagingen.

Artikel 25.26 Second opinion

Dit artikel biedt het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid second opinion te vragen bij een andere adviescommissie. Een second opinion kan slechts eenmaal per activiteit worden ingewonnen, zodat het proces overzichtelijk en efficiënt blijft. Voordat een second opinion wordt gevraagd, krijgt de commissie altijd eerst de kans om haar advies te heroverwegen. Dit zorgt ervoor dat de commissie zelf eventuele onduidelijkheden of nieuwe inzichten kan verhelderen of bijstellen. Het college moet de commissie informeren over het voornemen om een second opinion te laten uitvoeren. De commissie neemt de second opinion vervolgens voor kennisgeving aan.

Artikel 25.27 Informeren bij een afwijkend besluit

Dit artikel regelt de situatie waarin het college van burgemeester en wethouders een beschikking neemt dat afwijkt van het advies van de commissie. In dat geval moet het college de commissie hiervan op de hoogte stellen.

Paragraaf 25.2.5 Werkwijze commissie en het college van burgemeester en wethouders

Artikel 25.28 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de werkwijze van de commissie en de werkwijze van het college van burgemeester er wethouders.

Artikel 25.29 Reglement van orde

Dit artikel regelt dat de commissie haar eigen werkwijze vastlegt in een reglement van orde. Daarmee wordt de interne organisatie en het functioneren van de commissie duidelijk en transparant gemaakt. Het reglement bevat onder meer bepalingen over hoe de commissie adviseert, hoe het vooroverleg wordt ingericht en op welke manier de agenda openbaar wordt gemaakt en belanghebbenden worden uitgenodigd. Ook worden afspraken vastgelegd over het quorum, de vergaderorde en de scheiding tussen de toelichtende fase en de beraadslagingen. Verder wordt vastgelegd hoe adviezen openbaar worden gemaakt, hoe subcommissies kunnen worden ingesteld en hoe taken onder verantwoordelijkheid van de commissie kunnen worden afgedaan. Tot slot regelt het reglement de procedure voor de selectie en voordracht van kandidaat-leden.

Artikel 25.30 Bekendmaking reglement van orde

Het college van burgemeester en wethouders zorgt ervoor dat het vastgestelde reglement van orde openbaar wordt gemaakt. Dit gebeurt door publicatie op de gemeentelijke website, zodat iedereen het eenvoudig kan raadplegen.

Artikel 25.31 Aanwijzing en afstemming met andere adviseurs

Dit artikel maakt het mogelijk dat het college naast de commissie ook andere deskundigen kan inschakelen, zoals een supervisor of kwaliteitsteam. Daarmee kan extra kennis en ervaring worden toegevoegd aan het proces van beoordeling en advisering.

Artikel 25.32 Vergoeding commissieleden en adviseurs

Dit artikel regelt dat commissieleden en adviseurs een vergoeding ontvangen voor hun werkzaamheden. Over de tarieven worden jaarlijks afspraken gemaakt met Dorp, Stad en Land. Wanneer een lid of adviseur rechtstreeks door het college van burgemeester en wethouders is voorgesteld of gevraagd, bepaalt het college zelf de hoogte van de vergoeding.

Artikel 25.33 Jaarverslag

De commissie brengt jaarlijks een verslag uit over haar werkzaamheden aan de gemeenteraad. Bijvoorbeeld over het advies dat is gegeven. In dit jaarverslag geeft de commissie ook aan hoe aan de kaders uit artikel 17.9, derde lid, van de Omgevingswet is voldaan en op welke wijze vergaderingen openbaar zijn gemaakt.

Artikel 25.34 Onvoorzienbaarheid

Dit artikel regelt hoe moet worden gehandeld in situaties waarin de regels van afdeling 25.2 geen oplossing bieden of wanneer er verschillen van inzicht ontstaan. In zulke gevallen ligt de beslissingsbevoegdheid bij het college van burgemeester en wethouders. Daarmee wordt gewaarborgd dat er altijd een bevoegd orgaan is dat een knoop kan doorhakken en dat het proces niet stilvalt. Voordat het college een besluit neemt, moet de commissie wel worden gehoord. Het artikel biedt daarmee een vangnet voor onvoorziene situaties.

Afdeling 25.3 Aanwijzing gemeentelijke monumenten
Artikel 25.35 Toepassingsbereik

In deze afdeling staat hoe het proces tot het aanwijzen van een gemeentelijk monument verloopt.

Artikel 25.36 Normaddressaat

Deze afdeling moet worden opgevolgd door het college van burgemeester en wethouders. Aan het college van burgemeester en wethouders is de bevoegdheid tot het aanwijzen van een gemeentelijk monument gedelegeerd. Dit staat in hoofdstuk 29.

Artikel 25.37 Bekendmaking voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument

Het college van burgemeester en wethouders brengt alle zakelijk gerechtigden schriftelijk op de hoogte

Het eerste lid regelt hoe en aan wie het college van burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing van een gemeentelijk monument moet bekendmaken. De bekendmaking moet schriftelijk gebeuren en wordt gericht aan alle zakelijk gerechtigden van de betreffende onroerende zaak. Dit zijn bijvoorbeeld de eigenaar, erfpachter, opstalhouder of hypotheekhouder. Om te bepalen wie deze gerechtigden zijn, gebruikt het college de gegevens uit de openbare registers van het Kadaster, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. Zakelijk gerechtigden hebben op deze manier gelegenheid om te reageren op het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument.

Voordat het aanwijzingsbesluit wordt genomen moet het college van burgemeester en wethouders overleggen met de eigenaar van een aan te wijzen kerkelijk monument

Het tweede lid bepaalt dat het college verplicht is om te overleggen met de eigenaar, voordat het besluit om een kerkelijk monument aan te wijzen. Het gaat daarbij vaak om monumenten die eigendom zijn van een kerkgenootschap of zelfstandig onderdeel daarvan. Maar het kerkelijk monument kan ook in eigendom zijn van een ander genootschap op geestelijke grondslag. Een monument kan alleen een kerkelijk monument zijn wanneer het monument uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van een godsdienst of levensovertuiging. Dit volgt uit de Erfgoedwet.

Artikel 25.38 Bekendmaking aanwijzing tot gemeentelijk monument of voorbeschermd gemeentelijk monument

Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot het bekendmaken van besluiten op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Ontvangst van de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, is voor alle zakelijk gerechtigden van belang en dus niet alleen voor de eigenaar. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.

De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een administratieve handeling. Het gaat hier niet om een apart besluit.

Artikel 25.39 Wijzigen van het gemeentelijk erfgoedregister

Als het college van burgemeester en wethouders een monument uit het register wil schrappen, dan gelden daarvoor de regels in deze afdeling. Dit betekent dat dezelfde procedures moeten worden gevolgd, bijvoorbeeld over het bekendmaken van dit besluit. Er geldt een uitzondering op deze regel. Deze uitzondering geldt als het gemeentelijk monument teniet is gegaan. Dit betekent dat het monument niet meer bestaat, bijvoorbeeld doordat deze volledig is verwoest door een brand of is ingestort. Normaal moet het college dus een formele procedure volgen om een monument uit het register te schrappen. Maar als er niets meer over is van het monument, dan is die procedure niet meer nodig.

Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan.

Artikel 25.40 Vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk monument

Dit artikel bepaalt dat een aanwijzing van een gemeentelijk monument vervalt, zodra het monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister, in een provinciaal erfgoedregister of een provinciale omgevingsverordening. In dat geval verwerkt het college dit verval van de aanwijzing direct in het erfgoedregister.

Hoofdstuk 28 Overgangsrecht

Afdeling 28.1 Algemeen overgangsrecht
Artikel 28.1 Toepassingsbereik

Dit artikel bepaalt het toepassingsbereik van hoofdstuk 28. Het eerste lid bepaalt dat dit hoofdstuk algemene bepalingen bevat over overgangsrecht. Het tweede lid bepaalt dat elders in dit omgevingsplan specifieke overgangsrechtelijke bepalingen kunnen zijn opgenomen waarmee wordt afgeweken van dit hoofdstuk. In dat geval is het specifieke overgangsrecht van toepassing.

Artikel 28.2 Overgangsrecht met betrekking tot verleende vergunningen, ontheffingen, maatwerkvoorschriften en andere genomen besluiten

De Omgevingswet voorziet erin dat allerlei gemeentelijke verordeningen, of onderdelen daarvan, op enig moment opgaan in het omgevingsplan (zie ook hoofdstuk 3 van de algemene toelichting). Veel van deze verordeningen zullen een grondslag bevatten tot het verlenen van een vergunning of ontheffing, het stellen van een maatwerkvoorschrift, of het nemen van een ander besluit. Wanneer die grondslag opgaat in het omgevingsplan, is het nodig dat voor op grond van de verordening genomen besluiten overgangsrecht wordt geregeld. artikel 28.2 bevat daartoe overgangsrecht. Hetzelfde geldt voor besluit die zijn genomen op grond van het omgevingsplan, maar waarvoor de van toepassing zijnde regels wijzigen.

Het eerste lid regelt dat bestaande vergunningen, ontheffingen, maatwerkvoorschriften en andere besluiten die zijn genomen op grond van een gemeentelijke verordening die is vervangen door dit omgevingsplan hun rechtskracht behouden totdat ze hetzij vervallen, hetzij met toepassing van dit omgevingsplan worden ingetrokken of gewijzigd. Het eerste lid spreekt van een grondslag, opgenomen in een gemeentelijke verordening. Opgemerkt wordt dat daaronder niet valt een grondslag, opgenomen in een onder oud recht vastgesteld ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Daarvoor bevat afdeling 4.2 van de Invoeringswet Omgevingswet overgangsrecht.

Het tweede lid regelt de situatie dat op grond van het omgevingsplan voor een bepaalde activiteit een omgevingsvergunning is verleend, of een maatwerkvoorschrift is gesteld, maar dat de regels die op dat genomen besluit van toepassing zijn door een wijziging van het omgevingsplan zijn gewijzigd. Het tweede lid regelt dat dan de omgevingsvergunning of het maatwerkvoorschrift rechtskracht behoudt, hetzij tot het einde van de looptijd, hetzij tot het tijdstip dat het besluit met toepassing van dit omgevingsplan wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 28.3 Overgangsrecht met betrekking tot een aanvraag om een vergunning, ontheffing, maatwerkvoorschrift of ander besluit

Artikel 28.3 bevat overgangsrecht voor de situatie dat een aanvraag om een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift is ingediend, en dat voor het moment dat op dit aanvraag is beslist, het van toepassing zijnde recht wijzigt. Daarbij kan het gaan om een aanvraag om een besluit op grond van een gemeentelijke verordening, die voordat op de aanvraag is beslist is vervangen door het omgevingsplan. Het kan ook gaan om een aanvraag om een besluit op grond van het omgevingsplan, waarbij de regels die op die aanvraag van toepassing zijn worden gewijzigd voordat op de aanvraag is beslist.

Het eerste lid bepaalt dat op een aanvraag om een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan de beslissing wordt genomen met toepassing van de regels zoals die gelden op het moment dat op de aanvraag wordt beslist. Dat is in lijn met de jurisprudentie, die bepaalt dat bij het nemen van een besluit op aanvraag in beginsel het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt (ECLI:NL:RVS:2020:2619, ECLI:NL:RVS:2023:2505). Dit eerste lid is ook van toepassing op de situatie dat een aanvraag om een vergunning, ontheffing, maatwerkvoorschrift of ander besluit op grond van een gemeentelijke verordening is ingediend, en de regels die daarop betrekking hebben zijn opgegaan in het omgevingsplan. Een dergelijk besluit zal, gelet op het instrumentarium dat de Omgevingswet voor het omgevingsplan biedt, de vorm krijgen van een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. Het eerste lid is daarop ook dan van toepassing.

Het tweede lid bevat een uitzondering op het eerste lid. Met deze uitzondering wordt de jurisprudentie met betrekking tot specifiek aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, verwerkt. Zoals hiervoor aangegeven is uitgangspunt dat een besluit op aanvraag wordt genomen met toepassing van de regels zoals die gelden op dat moment. Bij wijze van uitzondering moet echter het ten tijde van de aanvraag geldende nog wel, maar het ten tijde van het besluit niet meer geldende recht worden toegepast, maar uitsluitend indien ten tijde van het indienen sprake was van een rechtstreekse aanspraak op het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het bouwen. Dat is het geval als het betreffende bouwplan in overeenstemming was met de dan geldende ruimtelijke regels over bouwwerken, er geen sprake was van strijd met hoger recht en ook geen voorbeschermingsregels golden (ECLI:NL:RVS:2020:2619, ECLI:NL:RVS:2023:2505).

Artikel 28.4 Overgangsrecht met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken en regels over gebruiksactiviteiten

In artikel 28.4 is overgangsrecht opgenomen met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken. Het overgangsrecht heeft betrekking op het gebruik van gronden en bouwwerken dat legaal bestond op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, maar waarbij het gebruik als gevolg van die wijziging in strijd is gekomen met de regels over gebruik. Met deze regeling wordt het uitgangspunt van eerbiedigend overgangsrecht zoals dat voorheen in bestemmingsplannen moest worden opgenomen, voortgezet. Het artikel beoogt in de daarop betrekking hebbende rechtspraktijk geen inhoudelijke verandering te brengen. Dit laat onverlet dat er op enig moment voor een bepaald gebied een uitzondering kan worden gemaakt.

Met deze regeling wordt als uitgangspunt genomen een wijziging van het omgevingsplan, waardoor beperkingen zijn gaan gelden ten opzichte van de situatie voordat het wijzigingsbesluit in werking was getreden. Dat kan bijvoorbeeld zijn de situatie dat een nog onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan wordt vervangen, en het omgevingsplan een beperking meebrengt ten opzichte van de mogelijkheden die dat onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan bood. Het kan ook betrekking hebben op een wijziging van de regels in het omgevingsplan op een moment later in de tijd.

In het eerste lid is bepaald dat het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, als dat gebruik als gevolg van die wijziging in strijd is gekomen met de regels over gebruik, gesteld in het omgevingsplan, mag worden voortgezet. Het eerste lid bevat de peildatum voor het vaststellen van het bestaande gebruik: het gebruik dat bestond op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden waardoor het gebruik in strijd is gekomen met de regels over gebruik. Alleen dat gebruik mag, ook al is het in strijd met de regels over gebruik in dit hoofdstuk, worden voortgezet.

Dit artikel is ook van toepassing voor het geval dat er door inwerkingtreding van een wijziging van het omgevingsplan een nieuwe vergunningplicht ontstaat. Die vergunningplicht kan inhouden een in het omgevingsplan opgenomen verbod om zonder omgevingsvergunning de betreffende activiteit te verrichten. De vergunningplicht kan ook bestaan uit de vergunningplicht voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, die is ontstaan door het stellen van bijvoorbeeld nieuwe algemene regels, waardoor de betreffende activiteit in strijd is gekomen met het omgevingsplan. Voor zover er sprake is van voortzetting van dezelfde activiteit geldt van rechtswege een omgevingsvergunning.

Het tweede lid maakt duidelijk dat het overgangsrecht niet geldt voor gebruik dat voorafgaand aan wijziging van dit omgevingsplan reeds in strijd was met de voorheen geldende regels over gebruik in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan. In dit lid wordt niet gesproken van regels over gebruik in dit hoofdstuk, maar regels over gebruik in dit omgevingsplan. Door in dit tweede lid te refereren aan regels over gebruik in dit omgevingsplan, geldt deze uitzondering dus ook wanneer het bestaand gebruik in strijd was met regels over gebruik van gronden en bouwwerken, opgenomen in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.

Het derde lid bepaalt dat het verboden is het strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen in een ander met het omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

Het vierde lid bepaalt dat indien het strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde wijziging voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, het verboden is dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Artikel 28.5 Overgangsrecht handhavingsbesluiten

Artikel 28.5 voorziet in overgangsrecht voor handhavingsbesluiten. De strekking ervan is dat als op een bestuurlijke sanctie ter uitvoering of handhaving van regels die nadien zijn gewijzigd, het recht zoals dat luidde voor de wijziging op die bestuurlijke sanctie van toepassing blijft. In de regels worden een drietal situaties geregeld.

Artikel 28.6 Overgangsrecht met betrekking tot ruimtelijke regels over bouwwerken als bedoeld in hoofdstuk 6

In dit artikel is overgangsrecht met betrekking tot het bouwwerken opgenomen. De regeling zoals opgenomen in het eerste tot en met het derde lid is analoog aan de regeling zoals die voorheen vanwege artikel 3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening moest worden opgenomen in bestemmingsplannen. Enkel de eenmalige afwijking van 10% is hier niet opgenomen. Met deze regeling wordt het uitgangspunt van eerbiedigend overgangsrecht zoals dat voorheen in bestemmingsplannen moest worden opgenomen, voortgezet. Ten opzichte van die regeling is tevens voorzien in instandhouding van het bouwwerk. Daarop heeft ook het derde lid betrekking.

Het overgangsrecht geldt alleen voor legale bouwwerken

In het eerste lid, aanhef en onder a, wordt bepaald dat een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is en afwijkt van het omgevingsplan na wijziging, in stand mag worden gehouden, gedeeltelijk mag worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand mag worden gehouden, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot. Hiermee is vastgelegd dat van het gewijzigde omgevingsplan afwijkende bouwwerken in alle gevallen in stand mogen worden gehouden, gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd, en dat het bouwwerk ook in de vernieuwde of veranderde toestand in stand mag worden gehouden. Dit alles uiteraard met inachtneming van alle verder toepasselijke wettelijke regels, en met als enige verdere restrictie dat daardoor de afwijking van het omgevingsplan niet naar aard en omvang wordt vergroot. De kern van de bepaling is dat de vernieuwing of verandering er niet toe mag leiden dat het onder de oude regels toegestane gebruik van het bouwwerk verder daarvan gaat afwijken dan reeds het geval was.

De bedoeling is, met andere woorden, dat het gebruik geen wezenlijke verandering of verzwaring ondergaat. Onder b, wordt bepaald dat een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is en afwijkt van het omgevingsplan na wijziging, na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel mag worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand mag worden gehouden, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot. Voorwaarde is wel dat de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan. Hiermee wordt voorkomen dat gedurende langere tijd onzeker blijft of de oude situatie zal worden hersteld. Ook in dit geval geldt uiteraard dat een en ander gebeurt met inachtneming van alle verder toepasselijke wettelijke regels, en met als enige verdere restrictie dat daardoor de afwijking van het omgevingsplan niet naar aard en omvang wordt vergroot. Vernieuwing of verandering bij gedeeltelijke beschadiging is mogelijk met toepassing van het bepaalde onder a. Bij calamiteiten dienen de feiten goed in beeld te zijn gebracht. De feiten kunnen slechts door het verrichten van goed onderzoek worden achterhaald. Dat vergt dus enige inspanning, maar het past binnen de aard van het overgangsrecht om ook bij calamiteiten kritisch te bezien in hoeverre de vernieuwingsbehoefte werkelijk in verband staat met de calamiteit.

In het tweede lid is bepaald dat onder een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking treedt legaal aanwezig is, in dit artikel tevens wordt verstaan een bouwwerk dat in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen. Ook daarop is dit overgangsrecht van toepassing.

Let op. Illegale bouwwerken zijn expliciet uitgesloten van het overgangsrecht bouwwerken. Bepaald is dat het eerste en tweede lid niet van toepassing zijn op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking treedt, maar zijn gebouwd zonder vergunning of in strijd met de voorheen geldende regels over bouwwerken in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.

Bouwwerken mogen ook in stand gehouden worden

Het derde lid maakt duidelijk dat het overgangsrecht voor bouwwerken ook voorziet in het in stand mogen houden van die bouwwerken. Dit is uitdrukkelijk geregeld, omdat het in stand houden van een bouwwerk en het bouwen van een bouwwerk als afzonderlijke activiteiten zijn opgenomen in het omgevingsplan. Deze regels staan in afdeling 6.3 en afdeling 6.4, respectievelijk.

Artikel 28.7 Overgangsrecht met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

Dit artikel bevat overgangsrecht met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten.

De reden voor de overgangsbepaling is dat in het omgevingsplan regels voorkomen die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten of voorbeschermde gemeentelijke monumenten. Deze regels staan voornamelijk in hoofdstuk 8. Het Besluit bouwwerken leefomgeving bepaalt wat moet verstaan onder een ‘gemeentelijk monument’ of een ‘voorbeschermd gemeentelijk monument’.

Bij een gemeentelijk monument gaat het om een monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven. Deze zijn opgenomen in locaties met de functie ‘Monument’ en locaties met de functie ‘Archeologisch monument’.

Bij een voorbeschermd gemeentelijk monument gaat het om een monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.

Hoofdstuk 29 Delegatie

Afdeling 29.1 Bodem
Artikel 29.1 Delegatie afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie

Uitleg artikel

In artikel 11.15 wordt het reeds sinds 2010 bestaande hergebruiksbeleid overgenomen voor nieuwe industrieterreinen/bedrijventerreinen van groter dan 2 hectare. Op deze terreinen is het mogelijk om grond uit het beheergebied toe te passen die voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie. Echter zijn kunnen hier uitzonderingen op zijn. Dit artikel bepaalt dat de aanwijzing van eventuele andere locaties is gedelegeerd aan het college. Dit zijn locaties waar de gemeente andere ambities ten aanzien van de bodemkwaliteit heeft.

Artikel 29.2 Delegatie locaties nazorg aanwijzen

Uitleg artikel

Op de kaart 'locaties nazorg Omgevingswet' komen nazorglocaties (na saneren en na nemen tijdelijke beschermingsmaatregelen) te staan. Deze moeten worden geregistreerd in het omgevingsplan. Met dit artikel kunnen door het college worden doorgevoerd.

Reikwijdte

Het college kan alleen wijzigingen in de kaarten: 'locaties nazorg Omgevingswet', doorvoeren voor het eigen beheergebied.

Afdeling 29.2 Bevoegdheid tot het aanwijzen van gemeentelijke monumenten
Artikel 29.3 Toepassingsbereik

De gemeente mag monumenten en archeologische monumenten aanwijzen in het omgevingsplan. De aanwijzing vindt plaats door in het omgevingsplan aan de locatie van het desbetreffende gemeentelijke monument een functie-aanduiding te geven. Deze aanwijzing zorgt ervoor dat de gemeente regels kan stellen om het culturele erfgoed te beschermen. Bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat het belang van het gemeentelijke monument voldoende wordt meegewogen bij het toestaan van een initiatief.

Artikel 29.4 Delegatiebepalingen

De gemeenteraad is bevoegd tot het vaststellen van het omgevingsplan. Dit betekent ook dat de gemeenteraad automatisch verantwoordelijk is voor het aanwijzen van gemeentelijke monumenten. De gemeenteraad kan ervoor kiezen om deze bevoegdheid te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. Bijvoorbeeld om de procedures sneller en efficiënter te laten verlopen. Dit wordt geregeld in het eerste lid.

Het aanwijzen van een gemeentelijk monument vindt plaats door aan de desbetreffende locatie een functie-aanduiding te geven. Deze aanduiding maakt duidelijk dat er op die locatie regels gelden voor de bescherming van het monument.

Het college van burgemeester en wethouders heeft ook de bevoegdheid om een monument in voorbescherming te nemen. Dit staat in het tweede lid. We noemen dit een voorbeschermd monument. Een omschrijving van het begrip 'voorbeschermd monument' vindt u in het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Het is soms nodig om iets aan te passen in de aanwijzing van een monument. Dit is een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders op grond van het derde lid. Het gaat hier om het intrekken, vervallen of in enig opzicht wijzigen van de aanwijzing als gemeentelijk monument. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn, omdat het monument door een brand niet langer bestaat.

Artikel 1.2 Normaddressaat

In dit artikel is voor heel het omgevingsplan de normadressaat bepaald. Binnen het stelsel van de wet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van activiteiten. Voor vergunningplichtige activiteiten is dat expliciet verwoord in artikel 5.37, eerste lid, van de wet. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of de opdrachtgever. Deze moet de vergunningvoorschriften zelf naleven en zorgen dat deze door zijn werknemers of contractanten worden nageleefd. Dit artikel bevat een soortgelijke bepaling voor de activiteiten die worden geregeld met algemene regels: degene die de activiteiten verricht, moet voldoen aan de regels van dit besluit, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich aan de regels over de activiteit houden. Het is primair de vergunninghouder of melder die zich aan de regels moet houden. Bij handhaving kan iedereen die het in zijn macht heeft om de overtreding te beëindigen echter worden aangesproken. In relatie tot de activiteit bouwen kan een aannemer of onderaannemer rechtstreeks worden aangesproken. In specifieke artikelen van dit hoofdstuk kan een andere normadressaat zijn aangewezen. Meestal zal het dan gaan om de rechthebbende op een perceel.

Artikel 1.3 Begripsbepalingen in het omgevingsplan

Deze afdeling bepaald welke begripsbepalingen van toepassing zijn op het omgevingsplan.In de afdeling wordt verwezen naar Bijlage I Begripsbepalingen van het omgevingsplan. In deze bijlage staan de definities van begrippen die in het omgevingsplan worden gebruikt en meer uitleg nodig hebben om de regel leesbaarder of uitvoerbaarder te maken. Begrippen die al voldoende duidelijk zijn in het normale spraakgebruik zijn niet opgenomen. Het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal biedt in die gevallen een uitleg.

Artikel 1.4 Aanvullende begripsbepalingen

Daarnaast is de keuze gemaakt om begrippen uit het Omgevingsbesluit en de vier Algemene Maatregelen van Bestuur niet in het omgevingsplan zelf op te nemen, maar van overeenkomstige toepassing te verklaren.Tenzij er een dringende noodzaak is, wordt lokaal niet afgeweken van deze begrippen. Op deze manier wordt de aansluiting bewaakt tussen de definities in het omgevingsplan en de hogere wet- en regelgeving. Van de begrippen met definities uit de Omgevingswet mag niet worden afgeweken.

Artikel 2.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling maakt duidelijk op welke doelen het omgevingsplan is gericht. Uit deze doelen kan worden afgeleid wat de reden is om regels te stellen in het omgevingsplan.

Artikel 2.2 Doelen

Door regels in het omgevingsplan op te nemen, probeert de gemeente een aantal doelen te behalen. Het gaat hier grotendeels om doelen die gebaseerd zijn op artikel 2.1, derde lid van de Omgevingswet. Waar nodig zijn de doelen op basis van lokale omstandigheden aangepast of aangevuld.

Niet alle doelen die in deze afdeling genoemd zijn, zullen bij elke activiteit een rol spelen. Om deze reden is er in het omgevingsplan soms voor gekozen om de doelen te benoemen of verder uit te werken in oogmerken. Deze oogmerken laten voor een specifieke activiteit zien wat de achterliggende reden is om regels te stellen.

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

Dit artikel regelt waar dit hoofdstuk over gaat, namelijk over het verrichten van alle gebruiksactiviteiten die in hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten opgenomen zijn. Onder gebruiksactiviteiten wordt verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor een activiteit. Dit kunnen vele soorten activiteiten zijn; het kan bijvoorbeeld gaan om het gebruik van gronden en bouwwerken voor wonen, maar ook om detailhandelsactiviteiten of horeca-activiteiten. De regels voor de verschillende gebruiksactiviteiten zijn in de afdelingen van hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten opgenomen.

De regels in hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten gaan namelijk niet over activiteiten in de openbare ruimte. Het stellen van regels over het gebruik van de openbare ruimte, anders dan opgenomen in andere hoofdstukken van dit omgevingsplan, wordt vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet noodzakelijk geacht. De regels gesteld in andere hoofdstukken van dit omgevingsplan zijn voldoende om te voorkomen dat er gebruiksactiviteiten kunnen plaats vinden die een ongewenste aantasting van de leefomgeving in de openbare ruimte betekenen. Bijvoorbeeld: het gebruik de publieke ruimte voor een evenement of terras kan leiden tot een ongewenste aantasting van de leefomgeving (rustig wonen). De regels in de APV (nog over te nemen in dit omgevingsplan) voorkomen echter dat te veel hinder voor de woonomgeving kan ontstaan. Een regel in dit hoofdstuk wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Dit omgevingsplan biedt zodoende gebruiksruimte aan activiteiten die horen bij het normale gebruik van de openbare ruimte, waaronder in ieder geval wordt verstaan wandelen, fietsen, autorijden, reizigers vervoeren, goederen vervoeren, evenementen, horeca-terrassen, marktactiviteiten en activiteiten met betrekking tot kabels en leidingen.

Artikel 5.2 Oogmerken

Dit artikel bepaalt met welk oogmerk (doel) de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld. Het oogmerk van dit hoofdstuk is afgeleid uit de omgevingsvisie. In de omgevingsvisie zijn diverse gebieden aangewezen, zoals woongebieden, bedrijventerreinen, poldergebied, etc. Het omgevingsplan moet gebruiksruimte bieden om deze gebieden tot ontwikkeling te brengen en te houden. In de woongebieden staat bijvoorbeeld gebruiksruimte voor wonen voorop. Om die woongebieden optimaal te laten functioneren is het noodzakelijk beperkingen te stellen aan de andere gebruiksactiviteiten die daar mogen plaatsvinden. Activiteiten zoals detailhandel en horeca kunnen hinder opleveren voor het wonen en worden zodoende aan regels gebonden.

Artikel 5.3 Maatwerkvoorschriften

Wanneer een beoordeling van de parkeerbehoefte en/of de hinder voor de woonomgeving door het college van burgemeester en wethouders als onvoldoende wordt beschouwd om een vergunning te kunnen verlenen, dan kan het college van burgemeester en wethouders middels deze regel om een aanvullend onderzoek vragen.

Artikel 5.4 Toegestane gebruiksactiviteiten

Dit artikel regelt dat binnen gronden en bouwwerken alleen gebruiksactiviteiten zijn toegestaan als die expliciet in dit hoofdstuk aan een locatie zijn toegedeeld. In het tweede lid zijn nog twee aanvullingen opgenomen voor de gestelde toegestane gebruiksactiviteiten. Activiteiten die zien op een groenblauwe inrichting, natuur, nutsvoorzieningen, water, en/of de aanleg, het onderhoud of beheer daarvan, vallen functioneel gezien niet onder het verbod. Dit is geregeld in het tweede lid, onder a. De uitzondering in het tweede lid, onder b, heeft betrekking op activiteiten die het feitelijke gebruik ondersteunen en daar ondergeschikt aan zijn. Dat feitelijke gebruik moet passend zijn binnen de toegedeeld gebruiksactiviteiten op een locatie. Als bijvoorbeeld op een perceel op de begane grond 'detailhandel' is toegestaan en in het pand is een fietsenzaak gevestigd, dan is de activiteit reparatie van fietsen strikt genomen geen detailhandel maar wel een activiteit die het gebruik van een fietsenwinkel ondersteunt en daar tevens ondergeschikt aan is.

Ondergeschikt wil zeggen dat de activiteit de kwaliteit van de hoofdactiviteit vergroot of completeert en dat er duidelijk sprake moet zijn van een waarneembare ondergeschiktheid van de activiteit. Dit betekent dat de hoofdactiviteit van de locatie voor bezoekers duidelijk waarneembaar is. Wanneer er sprake is van zelfstandige toegankelijkheid of van uitoefening los van de hoofdactiviteit is er geen directe relatie meer met de hoofdactiviteit, maar gaat het om zelfstandige activiteiten.

Artikel 5.5 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel geeft aan wanneer gebruiksactiviteiten verbonden zijn aan een vergunningplicht. Van een toename van de parkeerbehoefte in de openbare ruimte is geen sprake als er voldoende parkeerplaatsen kunnen worden aangelegd op eigen terrein. De Beleidsregel Parkeren kan wordt gebruikt om te toetsen of er sprake is van een toename in de parkeerbehoefte.

Als het gaat om hinder voor de woonomgeving dan ziet de vergunningplicht op situaties waarbij tevoren al duidelijk is dat de nieuwe gebruiksactiviteit hinder kan opleveren voor de omgeving.

Belangrijk is dat dit artikel alleen geldt als de beoogde hoofdactiviteit al is toegestaan door middel van een artikel locatietoedeling. Stel er is een initiatief om het gebouw van een bestaande school te veranderen naar een kinderopvang. Als op deze plek nu al kinderopvang is toegestaan, dan geldt het artikel.

Het volgende voorbeeld laat zien wanneer dit artikel niet geldt: Stel er is een initiatief om een bestaand schoolgebouw om te gaan zetten naar appartementen (woningen). Als op deze plek alleen maatschappelijke activiteiten zijn toegestaan, zijn er dus geen appartementen (woningen) toegestaan. Het artikel geldt dus niet in dit soort situaties. Een dergelijk initiatief kan dus niet binnenplans worden opgelost. Hiervoor is een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (een Bopa) nodig of zal er een wijziging van het omgevingsplan moeten plaatsvinden.

Het verschil tussen het starten van een nieuwe gebruiksactiviteit of het wijzigen van een gebruiksactiviteit kan ook worden toegelicht met een voorbeeld. Stel er is een initiatief om in het pand van een bestaand schoolgebouw, waar nu reeds maatschappelijke activiteiten zijn toegestaan en nog geen kinderopvang gevestigd is, kinderopvang te beginnen, dan wordt hier een nieuwe gebruiksactiviteit (kinderopvang) gestart. Wat onder wijzigen van een gebruiksactiviteit moet worden verstaan volgt uit het volgende voorbeeld: als in een bestaand schoolgebouw al kinderopvang plaatsvindt en er een initiatief komt om de binnen bestaande kinderopvang in bijvoorbeeld grotere aantallen op te vangen of de opvangduur te veranderen, en wat niet past binnen de in het omgevingsplan opgenomen regels, dan is sprake van het wijzigen van een gebruiksactiviteit. Kortom: bij wijzigen van een gebruiksactiviteit is de (sub)activiteit al toegestaan, en ga je iets aan de (sub)activiteit veranderen.

Artikel 5.6 Bijzondere aanvraagvereisten

In dit artikel zijn de gegevens en bescheiden opgenomen die moeten worden verstrekt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gebruiksactiviteit. Deze aanvraagvereisten zijn aanvullend op de algemene aanvraagvereisten uit de Omgevingsregeling, zoals de naam, het telefoonnummer en het adres van de aanvrager of gemachtigde. Het artikel spreekt daarom over 'bijzondere' aanvraagvereisten.

Met de parkeerbehoefte wordt de vraag naar parkeerplaatsen bedoeld. Deze kan veranderen door de manier waarop gronden en bouwwerken worden gebruikt, bijvoorbeeld doordat er klanten aan huis worden ontvangen bij een beroep of bedrijf aan huis of doordat een woning wordt omgezet in een winkel. Bij een motivering van de parkeerbehoefte is het belangrijk dat er wordt ingegaan op de manier waarop de parkeerbehoefte anders wordt door het verrichten van de gebruiksactiviteit. Gedacht kan worden aan het aantal parkeerplaatsen dat nodig is of de duur of frequentie van het bezoek. Ook wordt ingegaan op de inrichting van parkeerplaatsen op eigen terrein, indien deze aanwezig zijn of gemaakt kunnen worden (volgens de regels in het omgevingsplan). Als dit nodig wordt geacht, kan het college van burgemeester en wethouders kan met een maatwerkvoorschrift om een aanvullend parkeeronderzoek vragen.

Bij een motivering van de hinder voor de woonomgeving zijn vooral de aspecten van belang die niet ergens anders in dit omgevingsplan al zijn geregeld. Het gaat dan bijvoorbeeld om een motivering van de hinder die zal plaatsvinden ten gevolge van het stemgeluid bij een kinderdagverblijf of het terras van een horecabedrijf.

Artikel 5.7 Beoordelingsregels

In dit artikel worden de kaders geschetst voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het starten van een gebruiksactiviteit of het wijzigen van een gebruiksactiviteit, als bedoeld in artikel 5.5. Hierbij worden voorwaarden genoemd waaraan voldaan moet worden voordat de vergunning wordt verleend. Allereerst moet er bij het starten of wijzigen van een nieuwe gebruiksactiviteit zorg voor worden gedragen dat er voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid als bedoeld in de beleidsregel parkeren. Deze regel moet voorkomen dat op een locatie gebruiksactiviteiten worden verricht die zorgen voor een toename aan parkeerdruk. Dit betreft een beleidsneutrale omzetting van regels uit het voormalige paraplubestemmingsplan 'Parkeernormen Hendrik-Ido-Ambacht'. Een verschil is dat de eis van voldoende parkeergelegenheid wordt gekoppeld aan de gebruiksactiviteiten en niet aan de bouwactiviteit, zoals gebruikelijk was in het paraplubestemmingsplan.

In sub b wordt een norm gesteld die toeziet op hinder in woonomgevingen. De bepaling strekt ertoe een extra afweging mogelijk te maken waarmee voorkomen moet worden dat nieuwe gebruiksactiviteiten te veel hinder opleveren in de directe woonomgeving. Daarbij valt dan bijvoorbeeld te denken aan hinder door kinderdagverblijven, scholen, de brandweer en gebruiksactiviteiten die verkeer aantrekken en die niet elders in dit omgevingsplan een regeling hebben gekregen.

Artikel 5.8 Voorrangsbepaling

In het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn onder andere alle bestemmingsplannen opgenomen die golden direct voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze zijn per 1 januari 2024 van rechtswege onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente geworden. In deze bestemmingsplannen staan verschillende regels die het gebruik van gronden en bouwwerken reguleren. Zo bevat elk bestemmingsplan in de algemene gebruiksregels een verbod om bouwwerken of onbebouwde gronden anders te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken dan ten dienste van de aan die locatie toebedeelde bestemming. Welk gebruik als ten dienste van de bestemming moet worden opgevat, wordt bepaald middels de bestemmingsomschrijving. Daarnaast kunnen er aan een bestemming ook nog specifieke gebruiksregels gekoppeld zijn, bijvoorbeeld over de omvang en situering van het gebruik. Gedacht kan worden aan het maximum oppervlakte dat mag worden gebruikt voor het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis.

Artikel 5.8 bevat een voorrangsbepaling om de verhouding te verduidelijken tussen de omgevingsplanwijziging en het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De voorrangsbepaling zorgt ervoor dat de gebruiksactiviteiten voor de gehele gemeente in het nieuwe deel van het omgevingsplan worden geregeld. De regels over deze gebruiksactiviteiten in de voormalige bestemmingsplannen kunnen op grond van de Omgevingswet echter niet afzonderlijk worden ingetrokken. Het is alleen mogelijk om een volledig bestemmingsplan te laten vervallen. Daarom regelt dit artikel de voorrang van de nieuwe regels boven de oude regels.

Een voorbeeld: De regels over de gebruiksactiviteit 'Begraafplaats en uitvaartcentrum' konden voorheen worden gevonden in de bestemmingsplannen en de Verordening op het beheer van de begraafplaatsen Hendrik-Ido-Ambacht 2021. De artikelen uit de verordening zijn voor zover relevant overgenomen in het omgevingsplan. De verordening wordt aangepast vastgesteld, zonder deze artikelen. In het bestemmingsplan regelt het verbod in de algemene gebruiksregels ten aanzien van bouwwerken en onbebouwde gronden dat deze vorm van gebruik alleen mag plaatsvinden zover dit in de bestemmingsomschrijving vermeld is. In dat geval is het gebruik immers ten dienste van de toebedeelde bestemming. Deze oude regels kunnen niet worden ingetrokken. De regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan moeten echter wel voorrang krijgen op de oude regels. Daarom regelt artikel 5.8 dat de nieuwe regels voorrang krijgen op de regels in de bestemmingsplannen, voor zover het gaat om de gebruiksactiviteit 'Begraafplaats en uitvaartcentrum', als bedoeld in afdeling 5.9 Maatschappelijke activiteiten van het omgevingsplan.

Artikel 5.9 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling gaan over activiteiten met betrekking tot detailhandel. Dit worden ook wel detailhandelsactiviteiten genoemd. Wat met het begrip detailhandel wordt bedoeld is opgenomen in Bijlage I Begripsbepalingen van het omgevingsplan.

In deze afdeling worden detailhandelsactiviteiten opgesplitst in basisactiviteiten en activiteiten met betrekking tot volumineuze detailhandel, tuincentra en detailhandel in motorbrandstoffen. De reden voor deze splitsing is dat deze verschillende vormen van detailhandel ook verschillende ruimtelijke behoeften hebben. Ook de impact op de omgeving kan anders zijn. Door de detailhandelsactiviteiten op te splitsen kunnen er specifieke locaties toegewezen worden die geschikt zijn voor elke type activiteit.

Artikel 5.10 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van gebruiksactiviteiten met betrekking tot detailhandel, voor zover het gaat om een detailhandelsactiviteit die als 'basis' aan te merken is. Het soort detailhandel dat onder het toepassingsbereik van deze paragraaf valt is daarmee bijvoorbeeld een supermarkt voor de dagelijkse boodschappen of een kledingwinkel. Het gaat om detailhandelsactiviteiten die beleidsmatig voorzien zijn in de winkelcentra om leegstand aldaar te voorkomen.

Artikel 5.12 Omvang en situering

Op enkele locaties mogen detailhandelsactiviteiten alleen op de begane grond worden verricht. Dit is bijvoorbeeld het geval in winkelcentrum Hoog Ambacht en De Schoof.

Artikel 5.13 Toepassingsbereik

In deze paragraaf staan regels over het verrichten van een gebruiksactiviteit met betrekking tot detailhandel in volumineuze goederen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op vormen van detailhandel in volumineuze goederen die niet zijn ondergebracht in een eigen paragraaf. De regels zijn daarmee dus niet van toepassing op het verrichten van gebruiksactiviteiten in de vorm van een tuincentrum of detailhandel in motorbrandstoffen. Dit regelt artikel 5.13.

Artikel 5.14 Locatietoedeling volumineuze detailhandel

Binnen de locatie 'Detailhandelsactiviteit - Volumineuze detailhandel' is het verrichten van gebruiksactiviteiten met betrekking tot volumineuze detailhandel toegestaan. Onder deze noemer vallen specifieke branches van detailhandel die vanwege de aard of de omvang van de aangeboden goederen in ruimtelijk zin soms niet goed inpasbaar zijn in de centra. Als volumineus worden in ieder geval de zogenaamde ABC-branches beschouwd: auto's, boten en caravans. Andere voorbeelden van volumineuze goederen zijn bijvoorbeeld grove bouwmaterialen, landbouwwerktuigen, motoren, zwembaden, speel- of fitnessapparatuur, piano's, orgels, surfplanken en tenten.

Artikel 5.15 Omvang en situering

Het voeren van detailhandel in goederen die vallen onder het nevenassortiment is slechts onder voorwaarden toegestaan op locaties waar volumineuze detailhandelsactiviteiten de kern vormen. Dit is om te voorkomen dat de aard en omvang van het nevenassortiment dusdanig wordt, dat dit een negatief effect heeft op de overige detailhandel binnen de centra. Dit komt voort uit een instructieregel van de provincie.

De algemene regels in artikel 5.14 en artikel 5.15 werken in aanvulling op de regels in afdeling 5.1. Bij een initiatief moet er dus aan de regels onder beide koppen worden voldaan.

Artikel 5.16 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over het verrichten van de gebruiksactiviteit tuincentrum. In Bijlage I Begripsbepalingen van het omgevingsplan wordt het begrip tuincentrum gedefinieerd. Door de begripsbepaling in het omgevingsplan op te nemen wordt aansluiting gezocht bij de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5.17 Locatietoedeling tuincentrum

Tuincentra hebben in de meeste gevallen grote buitenruimtes nodig voor de presentatie van planten en tuinartikelen. Vanwege deze ruimtebehoefte en om overlast in de woonwijken te beperken is het daarom wenselijk dat tuincentra zich aan de rand van stedelijke of landelijke gebieden bevinden. Om deze reden wordt in artikel 5.17 de locatie 'Detailhandelsactiviteit - Tuincentrum' toegedeeld. Alleen binnen deze locatie is het verrichten van de gebruiksactiviteit tuincentrum toegestaan.

Artikel 5.18 Omvang en situering

Bij deze detailhandelsactiviteit wordt de verkoop van goederen, die in overwegende mate volumineus zijn, gecombineerd met een breed assortiment. Het gaat dan bijvoorbeeld om de – deels seizoensgebonden - verkoop van planten in de openlucht en in kassen.

Artikel 5.19 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over de gebruiksactiviteit detailhandel in motorbrandstoffen. Onder deze vorm van detailhandel valt onder andere de verkoop van benzine, diesel en andere olieproducten. Op een enkele plek binnen de gemeente komt ook detailhandel in andere motorbrandstoffen voor. Het gaat dan om een aantal verkooppunten voor motorbrandstoffen met LPG in de buitengebieden en het verkooppunt voor alternatieve motorbrandstoffen (zoals waterstof) dat wordt gerealiseerd op Bedrijvenpark Ambachtsezoom.

De huidige paragraaf regelt niet welke motorbrandstoffen er mogen worden verkocht. In deze paragraaf worden alleen de locaties aangewezen waar detailhandel in motorbrandstoffen mag plaatsvinden. Welke motorbrandstof waar mag worden verkocht is met name afhankelijk van de omgevingsveiligheid. Om deze reden worden deze regels gesteld in afdeling 11.4 Milieu overig, dan wel het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

Artikel 5.22 Omvang en situering

Detailhandel in motorbrandstoffen vindt plaats bij tankstations. In artikel 5.22 wordt bepaald welk tankstation een gemakswinkel mag exploiteren. Dit is een vorm van kleinschalige detailhandel, waarbij er producten uit het nevenassortiment worden verkocht. Het hoofdassortiment van een tankstation bestaat uit motorbrandstoffen. Een gemakswinkel is niet ondersteunend aan de hoofdactiviteit en moet daarom toebedeeld worden. De gemakswinkel moet ondergeschikt zijn. Voor enkele locaties is er een maximum verkoopvloeroppervlakte opgenomen als omgevingsnorm, waarmee specifiek wordt vastgelegd welke omvang deze andere detailhandelsactiviteiten mogen aannemen om ondergeschikt te blijven aan de hoofdactiviteit.

Bij een tankstation mag tevens horeca plaatsvinden, mits het een lichte horeca-activiteit in ondergeschikte vorm betreft.

Aanvullend mogen binnen de locatie 'Mobilityhub' op Bedrijvenpark Ambachtsezoom naast de verkoop van motorbrandstoffen ook activiteiten met betrekking tot leisure en sport, kleinschalige automotive services, 'first en last mile'-oplossingen en distributie en (flex)werk- en vergaderplekken plaatsvinden. Deze ondergeschikte activiteiten mogen geen grotere omvang aannemen dan is bepaald in het dertiende lid. Dit is opgenomen om te bewaken dat de activiteiten samen ondergeschikt blijven aan de hoofdactiviteit, namelijk het verkopen van (alternatieve) motorbrandstoffen. Aan de (flex)werk- en vergaderplekken wordt verder een maximum aan de totale vloeroppervlakte en de vloeroppervlakte per kavel en per bedrijf gesteld.

Artikel 5.23 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van de gebruiksactiviteit horeca. Wat hieronder wordt verstaan, is opgenomen in Bijlage I Begripsbepalingen.

Horeca is een dynamische markt met telkens nieuwe concepten. Om ruimte te scheppen voor nieuwe concepten, maar om met het ook op een evenwichtige verdeling van functies aan locaties ook regels te verbinden aan de verschillende vormen van horeca zijn horecabedrijven opgedeeld in vijf categorieën:

  • a.

    Lichte horeca

  • b.

    Middelzware horeca

  • c.

    Zware horeca

  • d.

    24-uurshoreca

  • e.

    Hotel en pension

Ten tijde van het schrijven van deze regels zijn er geen zware horeca-activiteiten mogelijk in Hendrik-Ido-Ambacht. Een zware horeca-activiteit bestaat uit vormen van horeca die primair gericht zijn op het bedrijfsmatig verstrekken voor gebruik ter plaatse van alcoholische dranken. Hierbij kan gedacht worden aan bars (die niet primair gericht zijn op het verstrekken van maaltijden), discotheken, nachtclubs en partycentra.

Artikel 5.24 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over de gebruiksactiviteit lichte horeca.

Artikel 5.26 Omvang en situering

Onder lichte horeca wordt verstaan horecabedrijven die qua exploitatievorm aansluiten bij winkelvoorzieningen en die in hoofdzaak gericht zijn op het bedrijfsmatig verstrekken van etenswaren en/of zwak alcoholische en niet-alcoholische dranken voor nuttiging ter plaatse. Hierbij kan gedacht worden aan broodjeszaken, ijssalons, eethuisjes en lunchrooms. Dit regelt artikel 5.26, eerste lid.

Voor sommige horecabedrijven geldt een maximum vloeroppervlak. Dat wordt in artikel 5.26, tweede lid, geregeld. Op het Omgevingsloket bij 'Regels op de kaart' is het mogelijk om te zien waar een maximum vloeroppervlak geldt.

Daarnaast mag lichte horeca op sommige plekken in de gemeente alleen plaatsvinden op de begane grond. Dit wordt geregeld in artikel 5.26, derde lid.

Artikel 5.27 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over de gebruiksactiviteit middelzware horeca.

Artikel 5.29 Omvang en situering

Artikel 5.29, eerste lid, duidt wat er met middelzware horeca bedoeld wordt. Onder middelzware horeca wordt verstaan horecabedrijven die in hoofdzaak gericht zijn op het bedrijfsmatig verstrekken van maaltijden en/of (al dan niet alcoholhoudende) dranken voor consumptie ter plaatse. Hierbij kan gedacht worden aan restaurants, bistro's of (grand) cafés.

Voor sommige horecabedrijven geldt een maximum vloeroppervlak. Dat wordt in artikel 5.29, tweede lid, geregeld. Op het Omgevingsloket bij 'Regels op de kaart' is het mogelijk om te zien waar een maximum vloeroppervlak geldt.

Artikel 5.30 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over de gebruiksactiviteit 24-uurshoreca.

Artikel 5.31 Locatietoedeling 24-uurshoreca

24-uurshoreca kan meer overlast veroorzaken, zoals geluidsoverlast en verkeersdrukte, vooral 's nachts. Door 24-uurshoreca apart toe te delen kan de gemeente meer invloed uitoefenen op waar deze horecabedrijven zich mogen vestigen. Dit helpt om 24-uurshoreca te vestigen in gebieden waar ze minder hinder veroorzaken voor omwonenden.

Artikel 5.32 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over de gebruiksactiviteit hotel en pension. Hotels en pensions hebben andere operationele behoeften en uitdagingen dan andere horecabedrijven. Door een aparte categorie te maken, is het mogelijk specifieke locaties aan te wijzen, zoals gebieden met goede infrastructuur en voldoende parkeergelegenheid.

Artikel 5.35 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van verschillende soorten maatschappelijke activiteiten, maar niet over gebruiksactiviteiten met betrekking tot kinderopvang, begraafplaats en uitvaartcentrum en brandweerkazerne. Die activiteiten zijn geregeld in de hierop volgende paragrafen. De overige maatschappelijke activiteiten behoren in de regels tot de gebruiksactiviteit 'maatschappelijk basis'.

Artikel 5.37 Omvang en situering

Op sommige plekken in de gemeente is de gebruiksactiviteit maatschappelijk basis alleen toegestaan op de begane grond van een gebouw. Dat regelt artikel 5.37.

Binnen de locatie 'Kerkgebouw van Zuidwende-Zuid' zijn alleen maatschappelijke activiteiten toegestaan in de vorm van levensbeschouwelijke en/of religieuze activiteiten. Dit volgt uit het tweede lid van artikel 5.37. Onder dit soort activiteiten valt bijvoorbeeld het houden van kerkdiensten.

Aanvullend is er ter plaatse van de locatie 'Voorziening hulpdiensten' een voorziening ten behoeve van de Veiligheidsregio toegestaan. Dit soort gebruik van gronden en gebouwen valt onder de maatschappelijke activiteiten, omdat dit soort voorzieningen onder andere worden aangebracht om de bereikbaarheid en het functioneren van de hulpdiensten te bevorderen. De vloeroppervlakte van deze voorziening mag maximaal 100 m2 bedragen. Als onderdeel van deze voorziening mag een stallingsruimte, werk- en opslagruimte en verblijfsruimte worden ingericht. Tot op heden omvat deze locatie alleen de voorziening die is voorzien bij de eerste fase van de Noordoevers.

Artikel 5.38 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over maatschappelijke activiteiten in de vorm van een kinderopvang. Onder kinderopvang vallen ook kinderdagverblijven.

Een kinderdagverblijf is een vorm van kinderopvang voor kinderen met de leeftijd van 0 tot 4 jaar.

Artikel 5.40 Omvang en situering

In artikel 5.40, eerste lid, is geregeld het binnen de toegedeelde locatie alleen op de begane grond van een gebouw is toegestaan om een gebruiksactiviteit die betrekking heeft op een kinderdagverblijf te verrichten. Dit heeft te maken met de zelfredzaamheid, oftewel de mate waarin iemand in staat is om zichzelf in veiligheid te brengen in een gebied waar een ramp of zwaar ongeval plaatsvindt. Een kind in die leeftijdscategorie is veelal afhankelijk van volwassen om zichzelf in veiligheid te brengen in geval van dit soort situaties.

In een aantal gevallen is kinderopvang in algemene zin alleen toegestaan op de begane grond. Voor deze situaties is de locatie 'Maatschappelijke activiteit kinderopvang alleen op de begane grond' opgenomen. Zie daarvoor artikel 5.40, tweede lid.

Artikel 5.41 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de gebruiksactiviteiten begraafplaats en uitvaartcentrum. Wat deze activiteiten inhouden is opgenomen in Bijlage I Begripsbepalingen van het omgevingsplan.

Artikel 5.43 Specifieke zorgplicht

In artikel 5.43 is een specifieke zorgplicht opgenomen. Deze specifieke zorgplicht zorgt ervoor dat het aanzien van de begraafplaats niet aangetast wordt.

Artikel 5.44 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het gebruiken van gronden en bouwwerken voor een brandweerkazerne.

Artikel 5.46 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het verrichten van recreatieve activiteiten. Belangrijk is om te herhalen dat dit hoofdstuk, omwille van het toepassingsbereik in artikel 5.1, niet ziet op activiteiten die worden uitgevoerd in de openbare ruimte. Verschillende activiteiten die onder de bestemmingsplannen onder de recreatieve bestemmingen vielen, worden daardoor in hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten niet meer toebedeeld. Het gaat dan bijvoorbeeld om extensieve dagrecreatie, zoals wandelen, fietsen, skaten en natuurobservatie.

Artikel 5.47 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de gebruiksactiviteit volkstuin. Wat met een volkstuin wordt bedoeld is opgenomen in Bijlage I Begripsbepalingen van het omgevingsplan.

Artikel 5.48 Locatietoedeling volkstuin

In artikel 5.48 is bepaald op welke locaties de gebruiksactiviteit volkstuin mag worden uitgeoefend. Alleen hier mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor het op recreatieve wijze telen van voedings- en siergewassen voor particulier gebruik. Op het moment van vaststelling zijn deze volkstuinen gesitueerd in het zuidoosten van de gemeente, rondom het tracé van de Betuwélijn.

Artikel 5.49 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van de gebruiksactiviteit zwembad. In Bijlage I Begripsbepalingen van het omgevingsplan is van een zwembad een begripsomschrijving opgenomen. Benadrukt moet worden dat het gaat om het bedrijfsmatig exploiteren van een zwembad. Deze paragraaf is dus niet van toepassing op een privé-zwembad in de achtertuin van een woning of zwemactiviteiten die worden verricht in de openbare ruimte.

Artikel 5.51 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken als ligplaats voor particuliere vaartuigen in het kader van de pleziervaart.

Artikel 5.53 Omvang en situering

Met artikel 5.53 wordt geregeld dat het innemen van een ligplaats alleen is toegestaan aan een openbare of particuliere steiger. Hiermee wordt voorkomen dat ligplaatsen zonder meer aan oevers en beschoeiingen worden ingenomen.

Artikel 5.54 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het verrichten van de gebruiksactiviteit sport. Wat met de term sport wordt bedoeld is opgenomen in Bijlage I Begripsbepalingen van het omgevingsplan.

Artikel 5.55 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het verrichten van de gebruiksactiviteit sport basis. Onder deze gebruiksactiviteit valt bijvoorbeeld het gebruik van gronden of bouwwerken voor het realiseren van een sporthal of sportvoorziening.

Artikel 5.57 Omvang en situering

Op sommige plekken in de gemeente is de gebruiksactiviteit sport basis alleen op de begane grond toegestaan. Dat regelt artikel 5.57.

Artikel 5.58 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over de gebruiksactiviteiten met betrekking tot het wonen.

Artikel 5.59 Verbod

In artikel 5.59 zijn twee verboden opgenomen.

Artikel 5.59, eerste lid, bevat een verbod om binnen het ambtsgebied een woonschip of ander drijvend werk te hebben of af te meren voor het verrichten van een woonactiviteit.

Artikel 5.59, tweede lid, bevat een verbod om het gebouwerf te gebruiken voor het parkeren van motorvoertuigen. Met gebouwerf wordt het perceel bedoeld dat direct is gelegen bij de woning en wat is ingericht ten dienste van het wonen. Voor de volledige definitie, zie het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Onder het gebouwerf vallen dus ook het voor- en achtererfgebied van de woning. Onder voorerfgebied wordt het erfdeel verstaan dat geen onderdeel uitmaakt van het achtererfgebied. Het gaat hier dus ook om die delen van het zijerf die naar openbaar toegankelijk gebied zijn gekeerd, dan wel op minder dan 1 meter van de voorkant van het hoofdgebouw zijn gelegen. Het verbod voorkomt dat de gronden die direct grenzen aan de woning zonder meer in gebruik kunnen worden genomen als parkeervoorziening.

Bestaande rechten worden gehandhaafd via het overgangsrecht uit hoofdstuk 28. Hierdoor is het mogelijk om het dit soort gronden te blijven gebruiken als parkeervoorziening, als iemand diezelfde plek op het moment van inwerkingtreding van het omgevingsplan al rechtmatig in gebruik had voor het parkeren van motorvoertuigen of dit binnen een jaar na inwerkingtreding van het omgevingsplan doet.

Artikel 5.60 Toepassingsbereik

Deze paragraaf stelt regels voor het verrichten van gebruiksactiviteiten met betrekking tot het wonen, voor zover het gaat om woonactiviteiten in een vorm die als 'basis' aan te merken zijn. Het betreft hier voornamelijk woonactiviteiten die horen bij het wonen in een normale burgerwoning. Om dit te duiden zijn woonactiviteiten die passen bij de andere woningtypologieën in deze afdeling uitgesplitst. Deze paragraaf gaat dus niet over een bedrijfswoning, een plattelandswoning, een woonwagen, een zorgwoning of een mantelzorgwoning. Een woonschip valt ook niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf, aangezien dit niet onder de basiswoonvormen valt.

Artikel 5.63 Omvang en situering

Artikel 5.63 regelt dat het toevoegen van een woning (op een plek waaraan de gebruiksactiviteit wonen basis is toebedeeld) alleen is toegestaan binnen de locatie 'Bouwlocaties'. Dit zorgt ervoor dat het aantal woningen niet toeneemt, behalve op de locaties waarvan bekend is dat er (grootschalig) gebouwd wordt. Op deze manier wordt er ruimte geboden aan projecten die in gang zijn, zoals de Volgerlanden en de Noordoevers, terwijl de bouwmogelijkheden tegelijkertijd worden aangepast aan de feitelijke situatie op plekken waar de bouw al is afgerond. Het gevolg hiervan is dat – zonder wijziging van het omgevingsplan – de gebruiksactiviteit 'wonen basis' alleen mag plaatsvinden op een locatie waar dit gebruik nu ook al plaatsvindt of is toegestaan.

Binnen de locatie 'Woonactiviteiten alleen vanaf de eerste verdieping' mogen de woonactiviteiten alleen worden verricht vanaf de eerste verdieping. Dit betekent dat de gebruiksactiviteit niet mag plaatsvinden op de begane grond. Deze norm is onder andere opgenomen voor situaties waarbij in de plint van een woning of woongebouw detailhandelsactiviteiten plaatsvinden.

Het aantal personen per gebruiksoppervlakte wordt begrensd in artikel 5.63 om schade aan de gezondheid van bewoners door overbewoning te voorkomen. Daarnaast regelt het omgevingsplan dat de bewoning van een woning op sommige plekken beperkt wordt tot één huishouden. Dit is een voortzetting van de praktijk onder de bestemmingsplannen en geldt onder andere voor locaties binnen de binnenstedelijke woongebieden. De huisvesting van meerdere huishoudens in een pand kan met name in de kernen van invloed zijn op het woon- en leefklimaat van de omgeving.

Tot slot is er een locatie 'Woongebied van Graaf Willemlaan' opgenomen. In de volksmond wordt deze locatie ook wel het Ambachts Lint genoemd. Op deze locatie mogen woningen slechts worden gerealiseerd als aan de voorwaarde in artikel artikel 5.63, zesde lid, wordt voldaan. Dit betekent dat minimaal 30% van het totaal aantal woningen dat wordt gerealiseerd in de categorie sociale huur- of koopwoning moet vallen.

Artikel 5.64 Toepassingsbereik

Een bedrijfswoning is een woning die een functionele binding heeft met een bedrijf. Deze vorm van wonen komt met name voor op de bedrijventerreinen en agrarische percelen.

Artikel 5.65 Locatietoedeling bedrijfswoning

In artikel 5.65 wordt de gebruiksactiviteit bedrijfswoning toegedeeld aan locaties binnen de gemeente. Dit betekent dat deze locaties mogen worden gebruikt voor wonen met een functionele binding.

Artikel 5.67 Omvang en situering

Het zal vaak voorkomen dat de bedrijfswoning eerst gebouwd moet worden, alvorens het in gebruik kan worden genomen. Voor het bouwen van bedrijfswoningen zijn daarom regels opgenomen in hoofdstuk 6 Bouwwerken, dan wel in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit laat echter onverlet dat bij het verrichten van de daadwerkelijke gebruiksactiviteit ten alle tijden de algemene regels in artikel 5.67 in acht moeten worden genomen.

Het omgevingsplan maakt slechts nieuwe bedrijfswoningen mogelijk binnen de locatie 'Woon-werktuinen van Bedrijvenpark Ambachtsezoom'. Dit bedrijvenpark is nog in aanleg. Met artikel 5.67, eerste en tweede, wordt geregeld dat de gronden en bouwwerken alleen ten behoeve van de bedrijfswoning mogen worden gebruikt als er in totaal maximaal 7 bedrijfswoningen in de woon-werktuinen aanwezig zijn.

In artikel 5.67, derde lid, wordt het aantal personen per gebruiksoppervlakte begrensd. Dit om schade aan de gezondheid van bewoners door overbewoning te voorkomen.

Tot slot mogen sommige bedrijfswoningen slechts door één huishouden worden bewoond. Dit regelt artikel 5.67, vierde lid, via de locatie 'Bewoning alleen door een afzonderlijk huishouden'. Dit is een voortzetting van de praktijk onder de bestemmingsplannen en geldt onder andere voor locaties binnen de binnenstedelijke woongebieden. De huisvesting van meerdere huishoudens in een pand kan met name in de kernen van invloed zijn op het woon- en leefklimaat van de omgeving.

Artikel 5.68 Toepassingsbereik

Als een agrarische bedrijfswoning niet meer nodig is, kan deze worden omgezet naar een plattelandswoning. Een plattelandswoning is een voormalige agrarische bedrijfswoning, die mag worden gebruikt door derden die geen functionele binding hebben met het bijbehorende (agrarische) bedrijf. Voor een plattelandswoning geldt dat deze niet wordt beschermd tegen hinder van het bedrijf waarmee het eerder functioneel verbonden was. Daarmee wordt voorkomen dat de bewoning van de plattelandswoning door derden die niet functioneel verbonden zijn met het bedrijf, de ontwikkelmogelijkheden van het bedrijf beperken. De woning wordt wel beschermd tegen hinder van omliggende activiteiten, zoals een ander boerenbedrijf verderop. Dat is ook al het geval als er nog wel functionele binding is met het bijbehorende (agrarische) bedrijf.

Artikel 5.69 Locatietoedeling plattelandswoning

In het omgevingsplan worden locaties voor plattelandswoningen aangewezen in artikel 5.69. In de directe omgeving van de bestaande plattelandswoningen vinden voornamelijk bedrijfsactiviteiten plaats in de vorm van (glas)tuinbouw. Het omgevingsplan voorziet in een volledig gelijkluidende regeling als in de voormalige bestemmingsplannen van kracht was.

Artikel 5.71 Omvang en situering

Het aantal personen per gebruiksoppervlakte wordt begrensd om schade aan de gezondheid van bewoners door overbewoning te voorkomen. Dit staat in artikel 5.71, eerste lid.

Via het tweede lid wordt geregeld dat de plattelandswoningen die binnen de locatie 'Bewoning alleen door een afzonderlijk huishouden' vallen, slechts mogen worden bewoond door één afzonderlijk huishouden. Dit ter bescherming van het woon- en leefklimaat.

Artikel 5.72 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over woonactiviteiten die bestaan uit het wonen in een woonwagen.

Artikel 5.73 Locatietoedeling woonwagen

Niet elke plek in de gemeente mag worden gebruikt voor het wonen in een woonwagen. De gemeente heeft hiervoor een woonwagenbuurtje aangewezen aan weerszijden van de Roelof Duyckstraat. Aan deze locatie wordt in artikel 5.73 de gebruiksactiviteit 'woonwagen' toebedeeld. Dat betekent dat deze gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor dit gebruiksdoel. Het plaatsen of bouwen van een woonwagen wordt daarentegen geregeld in hoofdstuk 6 Bouwwerken, dan wel het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

Artikel 5.75 Omvang en situering

In artikel 5.75 worden een aantal voorwaarden gesteld aan het toevoegen van een woonwagen, binnen de locatie als bedoeld in artikel 5.73. Zo is het belangrijk dat de woonwagen zich op een woonwagenstandplaats bevindt. Daarnaast mag het maximum aantal woonwagens op deze locatie niet worden overschreden. In totaal is er binnen de locatie ruimte voor 6 woonwagenstandplaatsen en daarmee ook voor 6 woonwagens.

Ter bescherming van de gezondheid en om overbewoning te voorkomen, wordt in artikel 5.75, derde lid, een maximum gesteld aan het aantal personen dat in een woonwagen mag wonen. Dit is 1 persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte. Deze norm is ongewijzigd ten opzichte van de bruidsschat.

Artikel 5.76 Toepassingsbereik

Een zorgwoning is een zelfstandige of onzelfstandige woonruimte waar huisvesting plaatsvindt, mede gericht op het verlenen van zorg. Deze paragraaf bepaalt waar het verrichten van de gebruiksactiviteit zorgwoning is toegestaan, met inachtneming van de algemene regels.

Artikel 5.79 Omvang en situering

In artikel 5.79, eerste lid, wordt het aantal personen per gebruiksoppervlakte begrensd. Dit om schade aan de gezondheid van bewoners door overbewoning te voorkomen.

Uit de algemene regels van artikel 5.79, tweede lid, blijkt daarnaast dat de situering van deze woonactiviteit kan verschillen per locatie. Om dit te verbeelden is de locatie 'Woonactiviteit zorgwoning alleen op de verdiepingen' opgenomen. Dit betekent dat de gebruiksactiviteit zorgwoning binnen deze locatie alleen op de verdieping(en) mag worden verricht. De overgebleven lagen mogen worden gebruikt ten behoeve van andere gebruiksactiviteiten, mits deze in het omgevingsplan zijn toegedeeld aan die locatie.

Artikel 5.80 Toepassingsbereik

Deze paragraaf regelt waar de gebruiksactiviteit mantelzorgwoning mag worden verricht. Wat onder mantelzorg en huisvesting in verband met mantelzorg wordt verstaan is gedefinieerd in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Deze begrippen worden daarom niet opgenomen in het omgevingsplan. Vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving gelden de regels dat het gaat om huisvesting in of bij een woning van één huishouden van ten hoogste twee personen. Daarnaast dient ten minste één persoon mantelzorg te verlenen aan of te ontvangen van een bewoner van de woning.

Het is belangrijk dat de gebruiksactiviteit alleen wordt verricht, zolang er sprake is van een mantelzorgrelatie. Als er geen sprake (meer) is van mantelzorg of de mantelzorgrelatie wordt anderzijds beëindigd, dan moet de activiteit worden gestaakt. Dit betekent dat de gronden en bouwwerken niet langer mogen worden gebruikt voor de gebruiksactiviteit mantelzorgwoning.

Het is als initiatiefnemer in de meeste gevallen niet nodig om een omgevingsvergunning aan te vragen om met de gebruiksactiviteit mantelzorgwoning te beginnen of deze te wijzigen. Mogelijk volgt er wel een vergunningplicht uit de bouwregels in hoofdstuk 6 Bouwwerken, dan wel uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

Artikel 5.81 Locatietoedeling mantelzorgwoning

Met artikel 5.81 wordt aangegeven dat gronden of bouwwerken binnen de locatie 'Woonactiviteit - Basis', naast de gebruiksactiviteit 'wonen basis', tevens gebruikt mogen worden voor een mantelzorgwoning en de daarmee gepaarde zorg- en woonactiviteiten.

Artikel 5.82 Toepassingsbereik

Een woning wordt in hoofdzaak gebruikt voor woonactiviteiten. De gemeente ontvangt echter regelmatig verzoeken om kleinschalige beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten te mogen uitoefenen bij een woning. Onder bepaalde voorwaarden is het toegestaan om deze twee gebruiksactiviteiten met elkaar te vermengen. De regels in deze paragraaf zien hierop toe, voor zover het gaat om een beroep of bedrijf aan huis. Als onderdeel van een beroep of bedrijf aan huis worden meestal activiteiten uitgevoerd die een grotere omvang hebben dan hobbymatige activiteiten, maar nog steeds zo beperkt zijn dat de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving buiten toepassing kunnen blijven.

Artikel 5.84 Omvang en situering

In artikel 5.84 zijn een aantal algemene regels opgenomen. Een initiatiefnemer moet zich ten alle tijden aan deze (direct werkende) regels houden, ook wanneer er geen omgevingsvergunning nodig is. Het zijn regels die ertoe strekken dat de gebruiksactiviteit ondergeschikt blijft aan het wonen. Om deze reden is er ook een begrenzing van de hoeveelheid vloeroppervlakte dat mag worden gebruikt ten behoeve van het beroep of bedrijf aan huis opgenomen. Algemene regels werken bovendien voortdurend. Bestaande beroepen en bedrijven aan huis die hun bedrijfsvoering veranderen of intensiveren moeten ook voldoen aan deze regels.

Artikel 5.86 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen

Als de gebruiksactiviteit voldoet aan de eisen in artikel 5.86 mag het beroep of bedrijf aan huis zonder melding of omgevingsvergunning worden gestart. Het is aannemelijk dat het bestaande gebruik van de woning dan voldoende zal worden gehandhaafd.

Artikel 5.88 Beoordelingsregels

Wordt het beroep of bedrijf uitgeoefend in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk, neemt het aantal werknemers toe of vindt er een (onevenredige) toename van de parkeerbehoefte in de openbare ruimte of de hinder voor de woonomgeving plaats? Dan zal de gemeente eerst toetsen of het initiatief wenselijk is door middel van een vergunningplicht. Dit gebeurt aan de hand van de beoordelingsregels in artikel 5.88. Wederom blijven de algemene regels uit artikel 5.84 van kracht.

Artikel 5.89 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over de gebruiksactiviteit bed en breakfast. Een bed en breakfast is een overnachtingsaccomodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch kortdurend verblijf in of bij een woning.

Artikel 5.91 Maatwerkvoorschriften

Wanneer een beoordeling van de parkeerbehoefte en/of de hinder voor de woonomgeving door het college van burgemeester en wethouders als onvoldoende wordt beschouwd om een vergunning te kunnen verlenen, dan kan het college van burgemeester en wethouders middels deze regel om een aanvullend onderzoek vragen.

Artikel 5.92 Omvang en situering

Bij de gebruiksactiviteit bed en breakfast gaat het nadrukkelijk niet om een zelfstandige woning of een vorm van permante bewoning. Dit blijkt onder andere uit artikel 5.92, onder a en b. Zo moet de bed en breakfast zich bij of in een woning bevinden, waarbij de bewoner van die woning de bed en breakfast exploiteert.

Vanwege de schaal van Hendrik-Ido-Ambacht is het wenselijk om alleen kleinschalige bed en breakfast toe te staan. Daarom wordt in artikel 5.92, onder c en d, een maximum gesteld aan het aantal vierkante meter dat de bed en breakfast mag beslaan en het aantal slaapverblijven. Als bovengrens van het aantal slaapverblijven wordt 4 per bed en breakfast aangehouden. Deze begrenzing van het aantal slaapverblijven, evenals de andere algemene regels uit artikel 5.92, gelden in alle gevallen.

Artikel 5.93 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Aan het starten van een nieuwe gebruiksactiviteit bed en breakfast is een vergunningplicht gekoppeld. Deze vergunningplicht geldt ongeacht het bepaalde in artikel 5.5. Dit regelt artikel 5.93.

Artikel 5.95 Beoordelingsregels

Bij het beoordelen van de omgevingsvergunning wordt de aanvraag aan de hand van artikel 5.95 beoordeeld. Deze beoordelingsregels bewaken dat de hinder voor de woonomgeving of de nabijgelegen percelen niet een dusdanige vorm aannemen, dat het onevenredig wordt. Daarnaast moet de bed en breakfast er niet voor zorgen dat de uitstraling of bijzondere waarden van de woning worden aangetast. Tot slot wordt er bij het beoordelen van de aanvraag gekeken naar de gevolgen die de gebruiksactiviteit heeft op de parkeerdruk. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de parkeerbehoefte niet onevenredig toeneemt in de openbare ruimte of als de parkeerbehoefte volledig op eigen terrein kan worden opgelost.

Artikel 6.2 Aanwijzing toestemmingsvrije gevallen

Het toestemmingsvrij maken van grafkelders vermindert de administratieve lasten voor zowel de aanvragers als de gemeente. Dit versnelt het proces en maakt het eenvoudiger voor burgers om een grafkelder te bouwen. Om het aanzien van de begraafplaats te waarborgen is in hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten een specifieke zorgplicht opgenomen. Om het onderhoud van de begraafplaats efficiënt te laten verlopen, is in de Beheersverordening begraafplaatsen een vergunningplicht opgenomen.

Artikel 7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk gaan over activiteiten met een fysiek effect op de openbare ruimte. Het gaat hier met name om activiteiten die plaatsvinden in de openbare ruimte (zoals het innemen van een standplaats) of de werking daarvan veranderen (zoals het realiseren van een uitweg in aansluiting op de openbare weg).

Artikel 7.3 Voorrangsbepalingen

Artikel 7.3 bevat een voorrangsbepaling voor afdeling 7.10 Standplaats innemen, in stand houden, of gebruiken en afdeling 7.12 Jongerenontmoetingsplek gebruiken. Afdeling 7.10 gaat over het innemen van een standplaats op een weekmarkt of op een andere locatie binnen het ambtsgebied. Dit soort gebruik wordt niet geregeld in hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten, maar valt binnen het toepassingsbereik van dit hoofdstuk. Enkele voormalige bestemmingsplannen bevatten regels over het innemen van een standplaats, zoals een locatietoewijzing. Afdeling 7.12 gaat over het maken, hebben of veranderen van een Jongerenontmoetingsplek (JOP). Dit stond voorheen als afwijkingsbevoegdheid in de bestemmingsplannen. Om te voorkomen dat de lasten voor het realiseren van een Jongerenontmoetingsplek hoger worden dan noodzakelijk is dit als binnenplanse vergunningplicht in het omgevingsplan opgenomen.

Het is van belang dat de regels uit het omgevingsplan voorgaan op deze regels over het gebruik van gronden en bouwwerken over het innemen van een standplaats en het realiseren van een Jongerenontmoetingsplek (JOP) in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, zo lang als deze nog niet kunnen worden ingetrokken. De voorrangsbepalingen uit artikel 7.3 regelen dit.

Artikel 7.4 Toepassingsbereik

Wat met een standplaats op een weekmarkt wordt bedoeld is nader gedefinieerd in Bijlage I Begripsbepalingen van het omgevingsplan, onder de definities van 'standplaats' en 'markt'. Van belang is dat het markten betreft die zijn aangewezen door het college van burgemeester en wethouders. Het gaat dan bijvoorbeeld om de wekelijks terugkerende markt bij winkelcentrum Hoog Ambacht.

Artikel 7.5 Algemene regels

In artikel 7.5 staan de algemene regels die van toepassing zijn op de standplaatsen. Uit het artikel blijkt dat de standplaatsen zich binnen de locatie 'Weekmarkt' bevinden en dat een standplaats op een weekmarkt niet meer dan 1 dag per week mag worden ingenomen. Deze regels gelden in aanvulling op het Reglement Markten Hendrik-Ido-Ambacht 2023 of diens rechtsopvolger.

Artikel 7.7 Toepassingsbereik

Een vaste standplaats is niet gelegen op een markt, maar wordt wel gedurende het gehele jaar gebruikt op vaste dagen en op vaste tijden. Dit hoeft niet steeds door dezelfde standplaatshouder te zijn. Het kan dus zo zijn dat de vaste standplaats op verschillende dagen van de week door verschillende standplaatshouders wordt gebruikt, bijvoorbeeld voor de verkoop van vis, loempia's en brood.

Artikel 7.8 Algemene regels

In artikel 7.8 staan de algemene regels die gelden, zoals het aantal dagen dat de standplaats per week mag worden ingenomen. Bij een vaste standplaats is dat niet meer dan 2 dagen per week. Uit het eerste lid is ook af te leiden waar de vaste standplaatsen zich bevinden. Deze regels gelden in aanvulling op het Reglement Standplaatsen Hendrik-Ido-Ambacht 2023 of diens rechtsopvolger

Artikel 7.10 Toepassingsbereik

Bij een tijdelijke standplaats gaat het om een standplaats die per jaar slechts voor een bepaalde periode, achtereenvolgend, mag worden gebruikt. Waar deze tijdelijke standplaatsen zich precies bevinden binnen de gemeente is af te lezen via 'Regels op de Kaart' in het Omgevingsloket door op de locatie 'Tijdelijke standplaats' te drukken. Een tijdelijke standplaats wordt vaak gebruikt voor de verkoop van seizoensgebonden waren en producten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een olliebollenkraam die in het najaar een standplaats inneemt om in de decembermaanden lekkernijen te verkopen of een ijscokar die dit in de zomermaanden doet.

Artikel 7.11 Algemene regels

In artikel 7.11 staan de algemene regels die van toepassing zijn op een tijdelijke standplaats. Zo stelt artikel 7.11, tweede lid, dat een tijdelijke standplaats voor een maximale periode van 3 aaneengesloten maanden per jaar mag worden ingenomen. Deze regels gelden in aanvulling op het Reglement Standplaatsen Hendrik-Ido-Ambacht 2023 of diens rechtsopvolger.

Artikel 7.12 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over het gebruiken van gronden en bouwwerken voor een jongerenontmoetingsplek, ook wel afgekort tot JOP. Dit is gedefinieerd in Bijlage I Begripsbepalingen bij dit omgevingsplan.

Artikel 7.13 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Een jongerenontmoetingsplek is niet direct toegestaan, maar alleen met een omgevingsvergunning. Daardoor wordt het initiatief eerst getoetst op een aantal punten, alvorens met de activiteit kan worden begonnen.

Artikel 7.15 Beoordelingsregels

Een jongerenontmoetingsplek kan overlast geven naar omwonenden. Daarom wordt in artikel 7.15, onder a, een voorwaarde gesteld aan de afstand tot woningen. Een omgevingsvergunning kan alleen worden verleend als het initiatief aan deze voorwaarde voldoet.

Verder is, aangezien het slechts om een ontmoetingsplek gaat, een regel gesteld aan het maximale oppervlak. Dit staat in artikel 7.15, onder b.

Voor het bouwen van een jongerenontmoetingsplek geldt tevens een vergunningplicht voor het bouwen. Deze vergunningplicht staat in hoofdstuk 6 Bouwwerken, dan wel in het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

Artikel 11.1 Oogmerken bodem

Dit artikel geeft aan welk oogmerk, oftewel aan welk(e) doel(en) de regels voor de activiteit toepassen van grond of baggerspecie moeten bijdragen. Achter het oogmerk zit een afweging tussen het zoveel mogelijk hergebruiken van primaire grondstoffen en het beschermen van de bodemkwaliteit op gebiedsniveau. Bij duurzaam bodembeheer wordt gestreefd naar een balans tussen de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen. Doel is het mogelijk maken van ontwikkelingen zonder de bodem (onevenredig) te schaden.

Artikel 11.2 Maatwerkvoorschriften bodem

Dit artikel geeft aan dat maatwerk mogelijk is op de regels in dit hoofdstuk.

In dit artikel is vastgelegd dat het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift kan opstellen of een verzoek tot maatwerkvoorschrift door een initiatiefnemer gedaan kan worden. Een maatwerkvoorschrift is vergelijkbaar met een vergunningvoorschrift. Het is een apart besluit waarin in specifieke gevallen specifieke regels worden gesteld (vaak voor onvoorziene lokale omstandigheden) in aanvulling of afwijking van de algemene regel.

Artikel 11.3 Aanwijzing bodembeheergebied met bijbehorende bodemkwaliteitskaarten

In het omgevingsplan moet de geometrische begrenzing van het aangewezen bodembeheergebied worden vastgesteld. Deze regel vervangt de regel in het voormalige Besluit Bodemkwaliteit (art. 44 om specifiek te zijn). Het bodembeheergebied betreft hier de 10 gemeenten van Zuid-Holland Zuid. De bodemkwaliteitskaarten en toepassingskaarten zijn te raadplegen op: https://geo.ozhz.nl/?@Bodemkwaliteitskaart

Artikel 11.4 Aanwijzing bodemfunctieklassen binnen bodembeheergebied

In het omgevingsplan moet de gemeente de landbodem van het grondgebied indelen in bodemfunctieklassen. De landbodem wordt ingedeeld in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie. Bij de indeling in bodemfunctieklassen wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan de locatie is toegedeeld. Deze regel vervangt de regel in het voormalige Besluit Bodemkwaliteit (art. 55 om specifiek te zijn). De bodemfunctiekaart is te raadplegen op: https://geo.ozhz.nl/?@Bodemkwaliteitskaart

Artikel 11.5 Toepassingsbereik toepassen van grond of baggerspecie

Dit artikel geeft aan over welke activiteit de regels in deze paragraaf gaan.

Artikel 11.6 Oogmerken toepassen grond of baggerspecie

Zie de toelichting bij artikel 11.1.

Artikel 11.7 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen thermisch gereinigde grond

Uitleg artikel

Dit artikel bepaalt dat voor het toepassen van thermisch gereinigde grond een vergunningplicht geldt. Voor het toepassen van deze bouwstoffen moet eerst een omgevingsvergunning aangevraagd worden om het te kunnen toepassen.

Artikel 11.8 Aanvraagvereisten vergunning thermisch gereinigde grond

De aanvraagvereisten zijn nodig bij het beoordelen, opstellen en afgeven van een omgevingsvergunning. De gegevens zijn ook nodig voor het uitvoeren van toezicht- en handhavingstaken door het bevoegd gezag.

In lid a en lid b wordt gevraagd om de verwachte begintijd van de activiteit en een planning hiervan. De planning wordt mede gevraagd om te beoordelen of aan de zorgplicht wordt voldaan. Bijvoorbeeld een lange tussentijdse opslag van de thermisch gereinigde grond voordat deze wordt toegepast/verwerkt in het werk (als gevolg van bijvoorbeeld een zomervakantie) kan onnodige risico's voor het milieu opleveren.

Met de gegevens gevraagd in lid c kan mede gecontroleerd worden of de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

In lid d wordt gevraagd om de ligging, omvang en locatietekeningen van het toe te passen materiaal. Op basis hiervan wordt bijvoorbeeld beoordeeld of de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte. Daarnaast kan de ligging op basis hiervan ook worden geregistreerd.

Aan de hand van lid e, f en g kan beoordeeld worden of het materiaal in de aanlegfase en in de gebruiksfase geen nadelige gevolgen heeft voor veiligheid, gezondheid en milieu, waaronder de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. Uit de gevraagde beschrijving moet blijken dat vooraf nagedacht is over de invulling van de zorgplicht tijdens het werk. Voor bijvoorbeeld de kritische aspecten, zoals stofvorming, contact materiaal met water en beïnvloeding oppervlaktewater, dient aangegeven te worden hoe hier in de aanlegfase mee omgegaan wordt.

Op basis van de in lid h en i opgegeven toepassingshoogte kan worden beoordeeld of wordt voldaan aan de eis dat de toepassing vanaf het begin van de activiteit tot aan het buiten gebruik stellen van het werk boven de grondwaterstand (GHG) liggen en niet in contact komen met het grond- en oppervlaktewater.

De leden j, k en l geven inzicht in wie verantwoordelijk is tijdens de aanlegfase, gebruiksfase en buiten gebruik stelling van het werk. Deze gegevens zijn nodig voor vergunningverlening, toezicht en eventuele handhaving.

Met de gegevens uit de leden kunnen verder ook de nog niet benoemde aspecten uit de beoordelingsregels worden beoordeeld.

Artikel 11.9 Beoordelingsregels thermisch gereinigde grond

Een omgevingsvergunning wordt verleend als de toepassing past bij de functie van een locatie en omgeving en als in voldoende mate rekening wordt gehouden met de zorgplicht.

Allereerst (lid a) wordt gecontroleerd of de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In deze paragraaf staan algemeen geldende regels voor het toepassen van thermisch gereinigde grond. Zo wordt bijvoorbeeld getoetst of sprake is van een nuttige en functionele toepassing in een werk; bijvoorbeeld als fundatie onder infrastructuur of bouwwerk en wordt de kwaliteit van de toe te passen grond gecontroleerd.

Daarnaast (lid b) wordt ook beoordeeld of de zorgplicht tijdens en na het toepassen wordt gewaarborgd. Bij de aanvraagvereisten worden gegevens gevraagd over specifieke aspecten die vaak voorkomen bij het werk. Deze gegevens worden in ieder geval beoordeeld in dit kader.

Het belang zoals in lid c en d wordt omschreven is afkomstig uit de instructieregel in de Zuid Hollande Omgevingsverordening (artikel 7.39g) voor milieubelastende activiteiten met gevolgen voor watersystemen. Dit belang is overgenomen aangezien de toepassing van thermisch gereinigde grond gevolgen kan hebben voor watersystemen.

In lid e, f en i wordt overwogen of de toepassing bij de gebruiksfunctie van de locatie en omgeving past. De toepassing past bijvoorbeeld bij locaties gelegen op bedrijfs- of industrieterreinen of grootschalige infrastructuur. Toepassing in woon-, grondwaterbeschermings-, landbouw- of natuur- gebieden past minder goed bij de functie van het gebied. Indien sprake is van hergebruik op plaats van vrijkomen is dit wel weer te overwegen. Toepassing in grootschalige werken (lid g) zoals een (snel)weg of viaduct is passend, maar in een kleinschalig werk zoals een fietspad of een kleine brug is toepassing minder voor de hand liggend. Het is van belang dat als na toepassing graafwerkzaamheden plaatsvinden dat dan de aanwezigheid van de grond herkend wordt.

In lid g en h staan maatregelen om uitspoeling van stoffen naar de bodem en oppervlaktewater te voorkomen. Het doel van de afdekking en hoge ligging is het voorkomen van contact van de toepassing met water. Op die manier wordt uitspoeling voorkomen. Getoetst wordt of de grond boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand wordt aangelegd en deze ook na zetting tijdens de gebruiksfase blijft liggen. Daarnaast wordt getoetst of de toepassing wordt afgedekt met een gesloten verharding. Een gesloten verharding betreft bijvoorbeeld een asfaltverharding en een vergelijkbare afdekking kan bijvoorbeeld een kleilaag in combinatie met folie zijn.

Indien afgeweken wordt van de criteria in dit omgevingsplan, dan is het is mogelijk om een buitenplanse omgevingsvergunning voor afwijking op het omgevingsplan (BOPA) aan te vragen.

Buiten de scope van de beoordeling van de omgevingsvergunning vallen mogelijk andere van toepassing zijnde regelgeving, zoals bijvoorbeeld regels, zoals artikel 3.41 ZHOV ten aanzien van grondwaterbeschermingsgebieden (Zuid-Hollandse Omgevingsverordening). Op basis van deze regelgeving kan het verplicht zijn om een omgevingsvergunning bij (Omgevingsdienst Haaglanden namens) de provincie aan te vragen.

Artikel 11.10 Bodemvreemd materiaal in toe te passen grond of baggerspecie

Uitleg artikel

In dit artikel staat dat in gebieden die volgens de bodemfunctiekaart de functieklasse Landbouw/natuur of Wonen hebben, geen grond of baggerspecie mag worden toegepast met meer dan 5 gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout. Dit in tegenstelling tot de in het Besluit activiteiten leefomgeving genoemde 20 gewichtsprocent in artikel 4.1271 lid 1 onder a.

Alleen bij een partijkeuring wordt het percentage bodemvreemd materiaal daadwerkelijk aangegeven bij de keuring door de veldwerker. Dit is niet zo bij (water)bodemonderzoeken. Dit is ook niet in het protocol hiervoor vastgelegd (protocol 2001). Hier wordt praktisch mee omgegaan. Matig, sterk of uiterst steenachtig of houtachtig materiaal houdend wordt ingeschat als meer dan 5%. Sporen en licht steenachtig of houtachtig materiaal houdend wordt ingeschat als minder dan 5%

Reikwijdte

Dit artikel is van toepassing op grond en baggerspecie die wordt toegepast in gebieden met de functie landbouw/natuur of wonen.

Artikel 11.11 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie

Uitleg artikel

Lid 1

In dit artikel wordt bij lid 1 aangegeven welke kwaliteitseisen strenger zijn in dit beheergebied dan de landelijke regels (artikel 4.1272 uit het Besluit activiteiten leefomgeving). Dit geldt voor het toepassen van grond of baggerspecie op landbodem die zowel uit het beheergebied afkomstig is als van elders komt.

PH (zuurgraad): Bij toepassing van grond of baggerspecie in het beheergebied moet de pH-waarde van de toe te passen grond of bagger tussen de 5 en 9 liggen. Grond met andere pH-waarden zijn niet toegestaan. In ons beheergebied komt over het algemeen een pH van tussen de 5 en 9 voor, dit sluit aan bij het natuurlijke ecologische systeem. Vreemde gronden (zure gronden of antropogene gronden) worden weleens aangeboden, maar zijn vanuit ecologisch oogpunt niet wenselijk, de toepassing van deze gronden wordt hiermee uitgesloten.

Chloride: Bij toepassing van grond of baggerspecie in het beheergebied mag de grond of bagger niet zilt of zout zijn. Van zilte of zoute grond is sprake bij een chloridegehalte van 200 mg/kg of hoger. Deze norm is ontleend aan de eisen die gesteld worden aan ontzilt zeezand. Het toepassen van zilte of zoute gronden is niet wenselijk, omdat dit negatief effect heeft op de flora en fauna in ons gebied. De toepassing van deze gronden wordt hiermee uitgesloten. Er is wel maatwerk (maatwerkbesluit) mogelijk voor bijzondere situaties.

Barium: Bij toepassing van grond of baggerspecie in het beheergebied geldt een maximale waarde van 920 mg/kg droge stof (standaard bodem). Voor barium is geen toetsingswaarde opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit bij indeling van grond en baggerspecie in een kwaliteitsklasse. In ons beheergebied komen van nature gehalten tot de voormalige interventiewaarde van 920 mg/kg droge stof voor. Barium wordt standaard meegenomen in de analyse van de grond of baggerspecie en kan ook een antropogene verontreiniging zijn. Het gehalte barium boven de voormalige interventiewaarde kan duiden op een sterke antropogene verontreiniging. Hergebruik van grond met een sterke verontreiniging wordt hiermee uitgesloten.

Lood: In gebieden met de functie wonen geldt voor lood een maximale waarde van 90 mg/kg droge stof (standaard bodem) en voor volks- en moestuinen (loodgevoelige locatie) een maximale waarde van 50 mg/kg droge stof (standaard bodem). Deze ten opzichte van het landelijke beleid (Regeling bodemkwaliteit) strengere waarden vloeien voort uit het provinciale handelingskader voor lood (2020) dat is opgesteld naar aanleiding van advies van het RIVM (2015 en 2017) en de GGD (2016). De waarden sluiten gezondheidsrisico's uit en bij deze waarden is de bodem duurzaam geschikt voor de beoogde bodemfunctie.

Asbest: Op asbestgevoelige locaties geldt voor asbest een maximale waarde van 10 mg/kg droge stof (gewogen gehalte). Dit verkleint de kans op het aantreffen van asbesthoudend materiaal in opgebrachte grond. Asbestgevoelige locaties zijn openbare kinderspeelplaatsen, achtertuinen bij woningen, volks- en moestuinen, tuinen en verhardingen die horen bij een school en openbare plantsoenen in woonwijken.

Lid 2

In dit artikel wordt in lid 2 aangegeven welke kwaliteitseisen soepeler zijn in dit beheergebied dan de landelijke eisen (artikel 4.1272 uit het Besluit activiteiten leefomgeving). Met het versoepelen van de kwaliteitseisen zorgen we ervoor dat meer grond en baggerspecie kan worden hergebruikt, zonder dat de risico's voor de gezondheid of de bodemkwaliteit toenemen. Dit geldt voor het toepassen van grond of baggerspecie op landbodem afkomstig uit ons beheergebied. Grond die van elders komt dient aan de landelijke eisen te voldoen.

Nikkel: Voor toepassen van grond of baggerspecie in een gebied met gebruiksfunctie landbouw/natuur en wonen geldt een maximaal gehalte nikkel van 56 mg/kg droge stof (standaard bodem). In ons beheergebied komen gehalten voor tot 56 mg/kg droge stof. Dit is de P95 (95ste percentiel) van ons beheergebied. Deze waarden leiden niet tot gezondheidsrisico's.

Reikwijdte

De kwaliteitseisen ten aanzien van pH, barium, chloride, lood en asbest gelden voor alle grond of baggerspecie die in het beheergebied wordt toegepast. De soepele kwaliteitseisen ten aanzien van nikkel geldt voor grond die vrijkomt en wordt toegepast binnen het beheergebied.

Artikel 11.12 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen van baggerspecie

Bij verspreiden van baggerspecie in het beheergebied mag de bagger niet zilt of zout zijn. Van zilte of zoute grond is sprake bij een chloridegehalte van 200 mg/kg of hoger. Deze norm is ontleend aan de eisen die gesteld worden aan ontzilt zeezand. Het verspreiden van zilte of zoute bagger in zoetwatersystemen is niet wenselijk, omdat dit negatief effect heeft op de flora en fauna. Omdat bagger ook van nature (door kwel) zilt of zout kan zijn, wordt wel toegestaan dat de bagger nabij de locatie van vrijkomen op de kant wordt gezet of op locaties wordt verspreid waar tevens sprake is van nature zilte/zoute omstandigheden. Op deze manier wordt invulling gegeven aan de zorgplicht.

Artikel 11.13 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie voor de Volgerlanden

Uitleg artikel

In de grond van De Volgerlanden worden regelmatig lage gehalten aan bestrijdingsmiddelen aangetroffen die hergebruik op basis van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bodemkwaliteit binnen De Volgerlanden formeel in de weg staan. De oorzaak van de bestrijdingsmiddelen in de grond is het langjarige gebruik van het gebied als tuinbouwgrond. In dit artikel wordt het reeds sinds 1999 bestaande hergebruiksbeleid overgenomen, waarmee, op aanvaardbare wijze, hergebruik van deze grond binnen De Volgerlanden als gebiedseigen grond kan worden gerealiseerd.

In onderdeel a staat aangegeven dat de grond voor de andere stoffen aan de kwaliteitseisen moet voldoen. In onderdeel b staat dat het gaat om grond die vrijkomt en wordt hergebruikt binnen het gebied De Volgerlanden. In onderdeel c staan de kwaliteitseisen die gelden voor de individuele bestrijdingsmiddelen (organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) en polychloorbifenylen (PCB) en in onderdeel d staat dat de dat de som van deze bestrijdingsmiddelen maximaal 1 mg/kg droge stof (standaardbodem) mag bedragen.

Reikwijdte

De verruimde kwaliteitseisen ten aanzien van OCB en PCB gelden voor grond die vrijkomt en wordt hergebruikt binnen het gebied De Volgerlanden.

Artikel 11.15 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor bedrijventerreinen

De grond die op een industrie- of bedrijventerrein van groter dan 2 hectare mag worden toegepast mag van de kwaliteit industrie (en schoner) zijn. Met deze regel wordt niet gekeken naar de bestaande bodemkwaliteit, maar alleen naar de gebruiksfunctie van de locatie. Dit is een verruiming van de mogelijkheden voor hergebruik van de grond, zonder dat hierdoor risico's voor de gezondheid of de bodemkwaliteit ontstaan (eerste lid). Dit beleid is overgenomen uit de bodembeheernota van 2010.

In het tweede lid is een uitzondering aangegeven. Dit betreft het Circulair Bedrijvenpark Ambachtsezoom. In de toekomst kunnen er eventueel ook andere locaties worden aangewezen als bedrijven- of industrieterreinen waarop de afwijkende kwaliteitseisen niet van toepassing zijn. Dit kan bijvoorbeeld voor locaties waar de gemeente andere ambities ten aanzien van de bodemkwaliteit heeft.

Reikwijdte

Dit betreft alleen grond uit het beheersgebied die wordt toegepast in het beheersgebied op nieuwe industrie-/bedrijventerreinen, met uitzondering van bedrijventerreinen waar de gemeente andere ambities heeft ten aanzien van de bodemkwaliteit. Op basis van het Besluit activiteiten leefomgeving dat verwijst naar de bodemkwaliteitskaart en bodemfunctiekaart geldt voor nieuwe bedrijventerreinen vaak dat schone grond moet worden toegepast. Echter, met deze regel (eerste lid) bepalen wij dat grond van een vuilere klasse mag worden toegepast. Dit is een verruiming.

Artikel 11.14 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor wegbermen buiten bebouwde kom

Uitleg artikel

De kwaliteit van wegbermen is de laatste decennia beter geworden, vanwege schonere voertuigen, kwaliteit van het wegdek en wegonderhoud. Wegbermen vormen een steeds belangrijker groenvoorziening en bron voor biodiversiteit. Dat blijkt o.a. uit beleid van de provincie Zuid-Holland en een veranderend groenbeheer in gemeenten. Er zijn aantoonbaar negatieve effecten van enkele zware metalen en bestrijdingsmiddelen op planten, insecten en bodemfauna. Deze hopen zich op in de voedselketen. Wegbermen betreffen 'Groen met natuurwaarden' met 'gemiddelde generieke bescherming'. Dit komt overeen met de bodemkwaliteitsklasse "wonen". Om het milieu te beschermen is in dit artikel opgenomen dat alleen grond van de kwaliteitsklasse wonen of schoner (landbouw/natuur) mag worden toegepast in wegbermen.

Reikwijdte

Het betreft het toepassen van grond en baggerspecie van uit de regio en van buiten de regio in wegbermen. Het is niet van toepassing op grootschalige toepassingen. Bij tijdelijke uitname van grond gelden de regels uit paragraaf 3.2.21 (Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit) van het Besluit activiteit leefomgeving.

Artikel 11.16 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie PFAS

Uitleg artikel

In de regio Zuid-Holland Zuid komt een omvangrijke diffuse bodemverontreiniging met PFOA voor met concentraties die aanzienlijk hoger zijn dan de landelijke achtergrondwaarde. Om hergebruik mogelijk te maken zijn lokale normen nodig. We willen grond en baggerspecie zo veel mogelijk hergebruiken, omdat dan storten van grond en winning van nieuwe grondstoffen (primair materiaal) minder nodig is. Dit is een invulling van het rijksbeleid voor duurzaam bodembeheer (Besluit bodemkwaliteit en Handelingskader PFAS 2021).

Ten behoeve van het lokale hergebruiksbeleid is een zone A en B gedefinieerd. In zone A worden over het algemeen gehalten PFAS (P95) verwacht die liggen onder de landelijke achtergrondwaarden. Daarom gelden hier geen afwijkende kwaliteitseisen. In zone B komen gehalten voor die hoger zijn dan de landelijke achtergrondwaarden voor PFOA en in mindere mate ook PFOS. Zie figuur 1.

In onderdeel a van dit artikel staat aangegeven dat de grond voor de andere stoffen dan PFOA en PFOS aan de kwaliteitseisen moet voldoen. In onderdeel b staat dat het gaat om grond afkomstig uit zone B en toegepast wordt in zone B van de PFAS-zonekaart. Voor de gebruiksfunctie landbouw/natuur en voor moestuinen en volkstuinen zijn afwijkende (soepelere) eisen gesteld voor de stof PFOA en PFOS. Voor de gebruiksfunctie wonen en industrie zijn de landelijke normen wat ruimer. De grond die nu aangeboden wordt in die gebieden voldoet in de meeste gevallen aan de landelijke norm, een regionale norm is hier niet nodig.

In grondwaterbeschermingsgebieden gelden ook eisen vanuit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Op dit moment voldoen de eisen ook aan de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

In onderdeel c van dit artikel staan de lokale normen voor PFOA en PFOS voor de gebruiksfuncties landbouw/natuur en voor moestuinen en volkstuinen. De normen zijn een balans tussen de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen. Gezondheidsrisico's zijn hierbij uitgesloten.

Dit resulteert samengevat in het volgende overzicht van lokale en landelijke normen (weergegeven in µg/kg in plaats van in het artikel in mg/kg) voor hergebruik van PFAS-houdende grond:

Tabel 1: Toepassen grond/baggerspecie Zone A – conform landelijk beleid
Tabel 2: Toepassen grond/baggerspecie Zone B – conform landelijk beleid

Kanttekening

De kwaliteitseisen in dit artikel bieden voor grond uit zone B onvoldoende hergebruiksruimte. Dit is niet met een algemeen geldend artikel op te lossen. Met maatwerk kan wel ruimte worden geboden waar dit verantwoord is. In zone B kan daarom, onder voorwaarden, ruimte worden geboden voor maatwerk voor grond met hogere hergebruiksnormen. Per locatie kan hiervoor een maatwerkvoorschrift worden aangevraagd. Het beleid is verder uitgewerkt in het beleidsstuk “hergebruik PFAS houdende grond en bagger Zuid-Holland Zuid”. Deze staat op de website van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid.

Reikwijdte

De in dit artikel opgenomen Lokale Maximale Waarden gelden alleen voor grond en baggerspecie afkomstig uit de regio Zuid-Holland Zuid, die wordt toegepast in zone B. Het betreft niet het verspreiden van baggerspecie (en weilanddepots voor baggerspecie). Voor de overige PFAS zijn geen Lokale Maximale Waarden opgesteld, maar is het landelijke beleid geldig.

Ter plaatse van puntbronnen (bijvoorbeeld plaatsen waar met blusschuim is gewerkt) kunnen sterk verhoogde gehalten aan PFAS voorkomen in de bodem. Dit artikel geldt alleen voor grond met verhoogde gehalten als gevolg van de regionale diffuse verontreiniging met PFOA. Ook bij perceelsmatching zijn verhoogde gehalten als gevolg van puntbronnen in zowel de toe te passen grond als de ontvangende bodem uitgesloten van de toets. Puntbronnen vallen onder andere regelgeving, zoals het overgangsrecht van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet.

Artikel 11.18 Maatwerkregel informatieplicht toepassen grond of baggerspecie

Uitleg artikel

Als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit toepassing van grond of baggerspecie staat in lid 1 dat bij het toepassen van grond of baggerspecie van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur tevens een milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt. In artikel 4.1267, tweede lid, onder c van het Besluit activiteiten leefomgeving staat dat dit niet hoeft. Maar met dit artikel wordt de uitzondering buiten werking gesteld en moet dit dus wel. Zonder dit rapport kan het bevoegd gezag haar VTH-taken niet uitvoeren.

In lid 2 van dit artikel wordt aangegeven dat het verkennend bodemonderzoek uit het vorige artikel ook als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit toepassen van grond of baggerspecie moet worden verstrekt.

Verder staat in het tweede lid dat naast een milieuverklaring bodemkwaliteit ook de hieraan ten grondslag liggende rapporten moeten worden ingediend bij het bevoegd gezag. Zonder deze rapporten kan het bevoegd gezag haar VTH-taken niet uitvoeren.

In het derde lid wordt aangegeven welke gegevens ook als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit toepassen van grond of baggerspecie moeten worden verstrekt. De gevraagde gegevens hier betreffen enkele vragen over de milieubelastende activiteit, zoals het percentage bodemvreemd materiaal en of de grond van een saneringslocatie komt. Deze gegevens zijn wel bekend, alleen bij ontvangst van de melding niet digitaal toegankelijk. Het gaat dus om gegevens die bij de aanvrager bekend zijn. De gegevens zijn bedoeld om de risico's van een toepassing inzichtelijk te maken. Dit stelt het bevoegd gezag in staat tot een risico gestuurde uitvoering van de VTH-taken.

Reikwijdte

Dit artikel heeft betrekking op de gegevens en bescheiden die voor het begin van een activiteit moeten worden verstrekt. In aanvulling op de gegevens en bescheiden van artikel 4.1267 van het Besluit activiteiten leefomgeving moeten ook de hierboven vermelde gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover deze van toepassing zijn en moeten ook gegevens en bescheiden worden verstrekt ten aanzien van de risico's van de activiteit.

Artikel 11.17 Maatwerkregel milieukwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie

Uitleg artikel

In het eerste lid van dit artikel wordt aangegeven dat een milieuverklaring voor bodemkwaliteit niet enkel mag bestaan uit een verklaring op grond van de bodemkwaliteitskaart, maar dat de kwaliteit tevens tenminste moet zijn bevestigd met een verkennend bodemonderzoek. Een milieuverklaring voor de bodemkwaliteit kan bestaan uit een verkennend bodemonderzoek in combinatie met een verklaring op basis van de bodemkwaliteitskaart. Deze kan niet bestaan uit enkel een verklaring op basis van de bodemkwaliteitskaart. In het tweede lid staat aangegeven dat dit alleen kan als sprake is van een onverdachte locatie en dat het verkennend bodemonderzoek moet voldoen aan de NEN5725 en NEN5740. Indien uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit slechter is dan wat de bodemkwaliteitskaart aangeeft, dient een kwaliteitsbewijs voor de bodemkwaliteit te bestaan uit een verklaring op grond van een partijkeuring. Ook als de locatie verdacht is, dient een kwaliteitsbewijs voor de bodemkwaliteit te bestaan uit een verklaring op grond van een partijkeuring.

Een onderzoek conform NEN5740 betreft ook grondwateronderzoek. Omdat het om toepassen van grond of baggerspecie gaat, hoeft de kwaliteit van het grondwater niet te worden onderzocht. Dit is dan ook uitgesloten in het tweede lid van dit artikel.

Reikwijdte

Door dit artikel wordt het niet toegestaan om enkel op grond van de bodemkwaliteitskaart grondverzet te plegen. De grond moet tenminste zijn onderzocht met een verkennend bodemonderzoek. De bodemkwaliteitskaart is gebaseerd op een gemiddelde bodemkwaliteit, dit betekent dat de kwaliteit van een vrijkomende partij grond slechter kan zijn dan de kaart aangeeft. Daarom is specifiek bodemonderzoek naar de te verplaatsen partij grond nodig. In de praktijk is grond die vrijkomt meestal al onderzocht en vindt grondverzet plaats op basis van een partijkeuring of een representatief verkennend bodemonderzoek in combinatie met de bodemkwaliteitskaart.

Artikel 11.19 Toepassingsbereik toepassen van bouwstoffen

Uitleg artikel

Dit artikel geeft aan waar deze paragraaf over gaat.

Artikel 11.20 Oogmerken toepassen van bouwstoffen

Zie de toelichting bij artikel 11.1.

Artikel 11.24 Toepassingsbereik opslaan van grond en baggerspecie

Dit artikel geeft aan waar deze paragraaf over gaat.

Artikel 11.21 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken

Uitleg artikel

Dit artikel bepaalt dat voor het toepassen van secundaire bouwstoffen, specifiek de bouwstoffen AVI-bodemassen, metaalslakken, immobilisaten en grondstabilisatie of een bouwstof met 20% gewichtsprocent aan één van deze vier bouwstoffen een vergunningplicht geldt. Voor het toepassen van deze bouwstoffen moet eerst een omgevingsvergunning aangevraagd worden om het te kunnen toepassen.

Artikel 11.25 Oogmerken opslaan van grond en baggerspecie

Zie de toelichting bij artikel 11.1.

Artikel 11.26 Afscherming bij opslaan grond

Uitleg artikel

Niet afgeschermde depots grond vormen een risico voor spelende kinderen (graven van kuilen/grotten). Niet afgeschermde depots grond zijn gevoelig voor illegale bijstort van grond en afval. Depots kunnen makkelijk verstuiven. Dat is zeer ongewenst voor asbesthoudende grond. Daarom worden aanvullende voorzieningen voorgeschreven bij het opslaan van grond die erop gericht zijn dit te voorkomen. Het betreft het afschermen van het depot van de omgeving (bv door een hekwerk) en het afdekken van asbesthoudende grond.

Reikwijdte

Dit betreft vooral het eenmalig opslaan van één partij grond buiten een onderneming.

Artikel 11.22 Aanvraagvereisten vergunning AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken

De aanvraagvereisten zijn nodig bij het beoordelen, opstellen en afgeven van een omgevingsvergunning. De gegevens zijn ook nodig voor het uitvoeren van toezicht- en handhavingstaken door bevoegd gezag.

In lid a en b wordt gevraagd om de verwachte begintijd van de activiteit en een planning hiervan. De planning wordt mede gevraagd om te beoordelen of aan de zorgplicht wordt voldaan. Bijvoorbeeld een lange tussentijdse opslag van de bouwstof voordat deze wordt toegepast/verwerkt in het werk (als gevolg van bijvoorbeeld een zomervakantie) kan onnodige risico's voor het milieu opleveren.

Lid c en d betreffen de locatie van de toepassing. Deze zijn nodig om de locatie te registreren. En te toetsen of de toepassing past bij de functie van de locatie en niet in een waterwingebied ligt.

Op basis van de in lid e opgegeven toepassingshoogte kan worden beoordeeld of wordt voldaan aan de eis dat de toepassing vanaf het begin van de activiteit tot aan het buiten gebruik stellen van het werk boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ligt en niet in contact komt met het grond- en oppervlaktewater. Een onderbouwing kan bestaan uit bijvoorbeeld een zettingsberekening in combinatie met grondwaterpeilingen.

In lid f wordt gevraagd om de hoeveelheid van toe te passen materiaal. Eerder in b werd ook al de omvang gevraagd, deze zouden in overeenstemming met elkaar moeten zijn. Daarnaast kan op basis hiervan ook worden beoordeeld of de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte.

Met de gegevens gevraagd in lid g en h kan mede gecontroleerd worden of de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

De lid i, j en k geven inzicht in wie verantwoordelijk is tijdens de aanlegfase, gebruiksfase en buiten gebruik stelling van het werk. Deze gegevens zijn nodig voor vergunningverlening, toezicht en eventuele handhaving.

Aan de hand van de leden l, m, n en o kan beoordeeld worden of de toepassing in de aanlegfase en in de gebruiksfase geen nadelige gevolgen heeft voor veiligheid, gezondheid en milieu, waaronder de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. Uit de gevraagde beschrijving moet blijken dat vooraf is nagedacht over de invulling van de zorgplicht tijdens het werk. Voor bijvoorbeeld de kritische aspecten, zoals stofvorming, contact bouwstof met water en beïnvloedding oppervlaktewater, dient aangegeven te worden hoe hier in de aanlegfase mee omgegaan wordt. Indien sprake is van immobilisaat is ook van belang:

  • het type materiaal (inclusief de dikte en het moment van aanbrengen) wat gebruikt gaat worden om de uitdroging, slijtage en erosie van het immobilisaat te voorkomen tijdens het uithardingsproces;

  • een beschrijving en visualisatie van hoe de randen en taluds van de definitieve toepassing worden afgewerkt;

  • een beschrijving van alle uit te voeren metingen en werkwijzen met betrekking tot de vereiste controles van de verdichtingsgraad van de ondergrond en het aan te brengen immobilisaat (verwijzing naar RAW bepalingen is onvoldoende). Daarnaast ook een beschrijving wat de minimale druksterkte (in Mpa) moet zijn van het aangebracht immobilisaat voordat dit immobilisaat wordt betreden met hei/funderingsmachines.

Met de gegevens uit de leden kunnen verder ook de nog niet benoemde aspecten uit de beoordelingsregels worden beoordeeld.

Artikel 11.27 Maatwerkregel informatieplicht: beëindigen activiteit

Uitleg artikel

Indien bij het beëindigen van de activiteit een eindsituatie bodemonderzoek moet worden ingediend, dan moet deze ook in XML-format worden ingediend. Dit XML-format gebruikt het bevoegd gezag om invulling te geven aan de Wet basisregistratie ondergrond.

Reikwijdte

Alleen als een eindsituatie bodemonderzoek moet worden verstrekt, wordt aanvullend een XML-format van dit bodemonderzoek gevraagd.

Artikel 11.23 Beoordelingsregels vergunning AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken

In deze beoordelingsregel is bepaald wanneer het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verleent.

Allereerst (lid a) wordt gecontroleerd of de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In deze paragraaf staan algemeen geldende regels voor het toepassen van bouwstoffen. Zo wordt bijvoorbeeld getoetst of sprake is van een nuttige en functionele toepassing in een werk; bijvoorbeeld als fundatie onder infrastructuur of bouwwerk en wordt de kwaliteit van de bouwstof gecontroleerd.

Daarnaast (lid b) wordt ook beoordeeld of de zorgplicht tijdens en na het toepassen wordt gewaarborgd. Bij de aanvraagvereisten worden gegevens gevraagd over specifieke aspecten die vaak voorkomen bij het werk. Deze gegevens worden in ieder geval beoordeeld in dit kader.

Het belang zoals in lid c en d wordt omschreven is afkomstig uit de instructieregel in de Zuid Hollande Omgevingsverordening (artikel 7.39g) voor milieubelastende activiteiten met gevolgen voor watersystemen. Dit belang is overgenomen aangezien de toepassing van deze bouwstoffen gevolgen kan hebben voor watersystemen.

Ook lid e is overgenomen uit de Zuid Hollande Omgevingsverordening (artikel 3.103 (aanwijzing verboden gevallen)). Het is volgens de verordening verboden om in een waterwingebied de activiteit toepassen van een bouwstof te verrichten. In artikel 3.18, tweede lid, van de ZHOV is bepaald dat afdeling 3.3 van de ZHOV niet geldt voor de uitvoering van taken door drinkwaterbedrijven als bedoeld in artikel 7 van de Drinkwaterwet. Met waterwingebied wordt bedoeld een waterwingebied zoals blijkt uit de geometrische begrenzing van grondwaterbeschermingsgebieden die is vastgelegd in bijlage II van de ZHOV.

In lid f wordt overwogen of de toepassing bij de gebruiksfunctie van de locatie en omgeving past. De toepassing past bijvoorbeeld bij locaties gelegen op bedrijfs- of industrieterreinen of grootschalige infrastructuur. Toepassing in woon-, grondwaterbeschermings-, landbouw- of natuur- gebieden past minder goed bij de functie van het gebied. Indien sprake is van hergebruik op plaats van vrijkomen is dit wel weer te overwegen. Toepassing in grootschalige werken (lid g) zoals een (snel)weg of viaduct is passend, maar in een kleinschalig werk zoals een fietspad, parkeerplaats of een kleine brug is toepassing minder voor de hand liggend. Meest gewenste toepassingslocaties zijn in weg- en waterbouwkundige werken als aanvul-, ophoog- en funderingsmateriaal en als steunlaagmateriaal op stortplaatsen.

Lid g: Herkenbaar en beheersbaar door voldoende schaalgrootte: hiermee wordt bedoeld dat als er in de grond wordt gegraven waar deze bouwstof is toegepast, dat je herkent dat er een bouwstof aanwezig is in de grond.

Toepassing in grootschalige werken verdient milieuhygiënisch en beheersmatig gezien de voorkeur. De omvang (schaalgrootte) is van belang voor de levensduur van de toepassing, waarbij de bouwstof niet doorgraven mag worden, goed aanwijsbaar/terug vindbaar en goed terug neembaar moet zijn. Het is van belang dat als na toepassing graafwerkzaamheden plaatsvinden, de aanwezigheid van een bouwstof herkent wordt. Bij een grootschalige toepassing kun je denken aan bijvoorbeeld toepassing over een oppervlakte van 1000 m2 of omvang van 5000 m3. In sub g wordt gesproken over voldoende, omdat hier geen exact getal aan te verbinden is. Zo kan bijvoorbeeld een toepassing onder een loods met een oppervlakte van 500-1000 m2 ook herkenbaar en beheersbaar zijn.

In lid h staan maatregelen om uitspoeling van stoffen naar de bodem en oppervlaktewater te voorkomen. Het doel van de afdekking en hoge ligging is het voorkomen van contact van de toepassing met water. Op die manier wordt uitspoeling voorkomen.

Getoetst wordt of de bouwstof boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand wordt aangelegd en deze ook na zetting tijdens de gebruiksfase blijft liggen. Daarnaast wordt getoetst of de toepassing wordt afgedekt met een gesloten verharding. Een gesloten verharding betreft bijvoorbeeld een asfaltverharding en een vergelijkbare afdekking kan bijvoorbeeld een kleilaag in combinatie met folie zijn. De gesloten verharding is rekkelijk maar hangt ook af van de functie, locatie en soort toepassing en onder welke condities de bouwstof wordt toegepast.

Lid i: Ook kunnen voorzieningen of maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de bouwstof in de aanlegfase en gebruiksfase de kwaliteit of zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden. Bij het verlenen van een vergunning wordt afgewogen of voldoende rekening wordt gehouden met de effecten van de toepassing op mens en milieu (nadere invulling van de zorgplicht).

Lid j: Als randvoorwaarde bij het verlenen van een vergunning geldt altijd dat de veiligheid, gezondheid en milieu niet geschaad mogen worden.

Indien afgeweken wordt van de criteria in dit omgevingsplan, dan is het is mogelijk om een buitenplanse omgevingsvergunning voor afwijking op het omgevingsplan (BOPA) aan te vragen.

Artikel 11.28 Oogmerken graven in de bodem

Zie de toelichting bij artikel 11.1.

Artikel 11.29 Toepassingsbereik graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit

Dit artikel geeft aan waar deze subparagraaf over gaat.

Artikel 11.30 Graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit

Uitleg artikel

Met dit artikel worden de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving over de milieubelastende activiteit "graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit" ook van toepassing verklaard als dit gaat om graven in grond met een kwaliteit voor PFOA onder of gelijk aan de INEV (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging), wat een verglijkbare waarde is als de interventiewaarde.

Reikwijdte en werking

Bij het graven in de bodem met een bodemvolume groter dan 25 m3 waarin een niet-sterke verontreiniging (gehalten onder de INEV) met PFOA voorkomt is de milieubelastende activiteit "graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit" van toepassing. Dit betekent dat de algemene regels die gelden voor het graven in niet-sterk met reguliere stoffen verontreinigde grond nu ook gelden voor het graven in niet-sterk met PFOA verontreinigde grond. De regels geven onder andere aan dat milieuhygiënisch gewerkt moet worden en dat er een informatieplicht is.

Artikel 11.31 Maatwerkregel informatieplicht: voor het begin van de activiteit

In dit artikel wordt aangegeven welke gegevens nog meer als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit moeten worden verstrekt. De gevraagde gegevens hier betreffen enkele vragen over de milieubelastende activiteit, zoals of sprake is van verschillende kwaliteiten grond. Deze gegevens zijn wel bekend, alleen bij ontvangst van de melding niet digitaal toegankelijk. Het gaat dus om gegevens die bij de aanvrager bekend zijn. De gegevens zijn bedoeld om de risico's van de graafactiviteit inzichtelijk te maken. Dit stelt het bevoegd gezag in staat tot een risico gestuurde uitvoering van de VTH-taken.

Reikwijdte

Dit artikel heeft betrekking op de gegevens en bescheiden die voor het begin van een activiteit moeten worden verstrekt. In aanvulling op de gegevens en bescheiden van artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving moeten ook gegevens en bescheiden worden verstrekt over de risico's van de activiteit.

Artikel 11.34 Maatwerkregel meldingsplicht: voor het begin van de activiteit

Uitleg artikel

In dit artikel wordt aangegeven welke gegevens ook als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit moet worden verstrekt. Bij de melding is het verplicht om een bodemonderzoek in te dienen. In dit artikel wordt aangegeven dat ook in XML-format van het bodemonderzoek moet worden ingediend. Dit XML-format gebruikt het bevoegd gezag om invulling te geven aan de Wet basisregistratie ondergrond.

Reikwijdte

Dit artikel heeft betrekking op de gegevens en bescheiden die voor het begin van een activiteit moeten worden verstrekt.

Artikel 11.32 Toepassingsbereik graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Dit artikel geeft aan waar deze subparagraaf over gaat.

Artikel 11.35 Maatwerkregel informatieplicht: voor het begin van de activiteit

Uitleg artikel

In dit artikel wordt aangegeven welke gegevens ook als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit moeten worden verstrekt. De gevraagde gegevens hier betreffen enkele vragen over de milieubelastende activiteit, zoals of sprake is van verschillende kwaliteiten grond. Deze gegevens zijn wel bekend, alleen bij ontvangst van de melding niet digitaal toegankelijk. Het gaat dus om gegevens die bij de aanvrager bekend zijn. De gegevens zijn bedoeld om de risico's van de graafactiviteit inzichtelijk te maken. Dit stelt het bevoegd gezag in staat tot een risico gestuurde uitvoering van de VTH-taken.

Dit artikel maakt mogelijk dat de gegevens en bescheiden c.q. vragen in het Digitaal Stelsel Omgevingswet kunnen worden gesteld.

Reikwijdte

Dit artikel heeft betrekking op de gegevens en bescheiden die voor het begin van een activiteit moeten worden verstrekt. In aanvulling op de gegevens en bescheiden van artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving moeten ook gegevens en bescheiden worden verstrekt ten aanzien van de risico's van de activiteit.

Artikel 11.33 Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Uitleg artikel

Met dit artikel worden de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving over de milieubelastende activiteit "graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit" van overeenkomstige toepassing verklaard als dit gaat om graven in grond met een kwaliteit voor PFOA boven de INEV (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging), wat een vergelijkbare waarde is als de interventiewaarde.

Reikwijdte en werking

Bij het graven in de bodem met een bodemvolume groter dan 25 m3 waarin een sterke verontreiniging (gehalten boven de INEV) met PFOA voorkomt zijn de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving voor de milieubelastende activiteit "graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit" van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de algemene regels die gelden voor het graven in sterk met reguliere stoffen verontreinigde grond nu ook gelden voor het graven in sterk met PFOA verontreinigde grond. De regels geven onder andere aan dat milieuhygiënisch gewerkt moet worden en dat er een meldplicht is.

Artikel 11.36 Oogmerken saneren van de bodem

Zie de toelichting bij artikel 11.1.

Artikel 11.38 Maatwerkregel saneringsaanpak: aanbrengen duurzaam aaneengesloten verhardingslaag

Uitleg artikel

Bij sanering van de bodem met de saneringsaanpak afdekken wordt een afdeklaag aangebracht die blootstelling van mensen aan verontreiniging op of in de bodem voorkomt. De afdeklaag kan bestaan uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag. Onder een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag wordt, volgens artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, in ieder geval verstaan een verhardingslaag die bestaat uit beton, asfalt, asfaltbeton, betonplaat of bestrating met klinkers of tegels. Met dit artikel wordt aangegeven dat onder een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag ook wordt verstaan een halfopen verharding (zoals grasbetontegels of verharding met ruimtes/ groene voegen ertussen) met hieronder tenminste 10 cm grond van de kwaliteit 'landbouw/natuur'. De grond in de halfopen verharding dient ook van de kwaliteitsklasse 'landbouw/natuur' te zijn. Bij bomen kan een boomrooster worden toegepast. Er is geen maatwerkbesluit voor nodig.

Ten behoeve van duurzaamheid zijn waterdoorlatende verhardingen vaak gewenst en vanuit het oogpunt van bodemrisico is dit acceptabel. Ook met dergelijke verhardingen wordt namelijk voorzien in een zodanige isolatie dat geen blootstelling aan de verontreiniging mogelijk is.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat voor het treffen van een gelijkwaardige maatregel met hetzelfde doel van dit artikel geen maatwerkbesluit of melding (artikel 4.7 Omgevingswet) vereist is. Dergelijke gelijkwaardige maatregelen mogen zonder voorafgaande toestemming worden genomen. De gemeente kan in het kader van regulier toezicht wel vragen om de gelijkwaardigheid van de maatregel aan te tonen.

Reikwijdte

Het betreft saneringen die worden uitgevoerd met een afdeklaag bestaande uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag. Wat wordt verstaan onder zo een verhardingslaag wordt uitgebreid.

Artikel 11.39 Maatwerkregel saneringsaanpak: aanbrengen laag grond of baggerspecie

Uitleg artikel

Bij sanering van de bodem met de saneringsaanpak afdekken wordt een afdeklaag aangebracht die blootstelling van mensen aan verontreiniging op of in de bodem voorkomt. De afdeklaag kan bestaan uit een laag grond of baggerspecie met een minimale dikte van 1,0 meter met een kwaliteit die volgt uit artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij bepaalde bodemgebruiken is een dunnere leeflaag veelal afdoende. Dit geldt voor industrieterreinen, groenzones op industrieterreinen, zonneparken en bermen bij infrastructuur. Met dit artikel wordt bij deze bodemgebruiken een afdeklaag bestaande uit een laag grond of baggerspecie met een minimale dikte van 0,5 meter gerekend tot de standaard saneringsaanpak. Er is geen maatwerkbesluit voor nodig.

Reikwijdte

Het betreft saneringen die worden uitgevoerd met een afdeklaag bestaande uit een laag grond of baggerspecie met een kwaliteit die volgt uit artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij het bodemgebruik industrieterreinen, groenzones op industrieterreinen, zonneparken en bermen bij infrastructuur is de vereiste minimale laagdikte versoepeld van 1,0 naar van 0,5 meter.

Artikel 11.37 Toepassingsbereik saneren

Dit artikel geeft aan waar deze subparagraaf over gaat.

Artikel 11.41 Maatwerkregel saneringsaanpak: uitdampen naar bodemgevoelig gebouw bij verwijderen van verontreiniging

Uitleg artikel

In dit artikel wordt voorgeschreven dat de sanering van vluchtige stoffen alleen mag plaatsvinden met de saneringsaanpak: verwijderen van verontreiniging (zoals bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving). Hiermee wordt de saneringsaanpak: afdekken (zoals bedoeld in artikel 4.1241 van dat besluit), niet meer mogelijk.

Reikwijdte en werking

Van de in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving voorgeschreven saneringsaanpak 'verwijderen van de verontreiniging' is sprake bij sanering van de bodem en als de grond verontreinigd is met vluchtige stoffen. Door het verwijderen van de verontreiniging wordt het risico op uitdamping (wat tot gezondheidsrisico's kan leiden) geminimaliseerd.

Hierbij een kanttekening:

Het kan zijn dat het verwijdering, zoals aangegeven in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet volledig technisch of financieel haalbaar is. Het saneren van een bodemverontreiniging met vluchtige stoffen is over het algemeen maatwerk. Dit was het ook onder de voormalige Wet bodembescherming. Een verzoek tot maatwerkvoorschriften kan op dit artikel worden aangevraagd op basis van artikel 2.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Bij aanvraag van maatwerkvoorschriften dienen de voorschriften te voorkomen dat blootstelling kan plaatsvinden aan uitdamping vanuit die verontreinigingen naar een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De aanvrager dient hierbij rekening te houden met de volgende uitgangspunten:

a. de verontreiniging dient zoveel als mogelijk te worden verwijderd;

b. blootstelling aan uitdamping vanuit die verontreiniging naar een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie dient voorkomen te worden;

c. geurhinder als gevolg van die verontreiniging op een bodemgevoelige locatie dient zoveel als mogelijk te worden voorkomen;

d. de nazorg dient zoveel als mogelijk te worden voorkomen of beperkt;

e. bovenstaande dient aannemelijk te worden gemaakt in een saneringsplan.

Artikel 11.42 Maatwerkregel meldingsplicht saneren

Uitleg artikel

In dit artikel wordt aangegeven dat bij een melding van de milieubelastende activiteit saneren van de bodem de onderzoeken (bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving) tevens in XML-format moeten worden verstrekt.

Reikwijdte

Dit artikel heeft betrekking op de gegevens die bij de melding van deze activiteit moeten worden verstrekt.

Artikel 11.40 Maatwerkregel saneringsaanpak: terugsaneerwaarden lood en PFOA bij verwijdering van verontreiniging

Uitleg artikel

In artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving is te lezen dat, bij verwijdering van een verontreiniging als saneringsaanpak, de verontreiniging moet worden verwijderd tot onder of gelijk aan de waarde die gelijk is aan de waarde voor de bodemfunctieklasse van die locatie. Ten aanzien van lood en PFOA gelden voor een aantal gebruiksfuncties met dit artikel lokale waarden.

In principe hoeven alleen die stoffen te worden gesaneerd, die in sterk verhoogde gehalten voorkomen (in gehalten die de toelaatbare kwaliteit van de bodem overschrijden). Dit wordt met aanhaling van artikel 11.58 expliciet genoemd en zo staat het voor andere stoffen ook in het Besluit activiteiten leefomgeving genoemd waar dit artikel maatwerk op is.

Lood: De Omgevingswet en bruidsschat sluiten voor lood aan op de oude normen. Maar de normen zijn reeds achterhaald door het onderzoek en advies van het RIVM (2015 en 2017) en de GGD (2016). De huidige normen voor lood bieden onvoldoende bescherming voor jonge kinderen. De provincie Zuid-Holland heeft, op basis van de rapporten van het RIVM en de GGD, in 2020 een handelingskader voor lood vastgesteld met advieswaarden. De huidige norm voor de functieklasse landbouw/natuur voldoet aan de advieswaarden. Voor de gevoelige gebruiken van volks- en moestuinen wordt hierbij aangesloten. De norm voor wonen is lager dan de landelijke norm en is gelijkgesteld aan de advieswaarde van de provincie. De gebruiksfunctie industrie is niet gevoelig, daarom wordt hiervoor aangesloten bij de landelijke normen voor de functieklasse industrie. De waarden sluiten aan bij de hergebruiksnormen in paragraaf 11.1.2.

PFOA: De terugsaneerwaarden die per gebruiksfunctie behaald moeten worden na sanering zijn in dit artikel gelijkgesteld aan de hergebruiksnormen die gelden bij die gebruiksfunctie. Zoals in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangegeven, is het gebruikelijk en ook logisch om met terugsaneerwaarden aan te sluiten bij de waarde die past bij de bodemfunctieklasse, omdat deze waarden zijn gebaseerd op een duurzaam bodemgebruik en zijn afgestemd op de gebruiksfunctie. Opgemerkt wordt dat maatwerk mogelijk is. Dit zal per situatie moeten worden afgestemd. Per locatie kan hiervoor een maatwerkbesluit worden aangevraagd. Ook bij maatwerk moet de gezondheid van de mens beschermd blijven. Voor maatwerkmogelijkheden is het beleid dat geldt voor maatwerk op hergebruik van grond van toepassing.

Reikwijdte

Dit artikel is van toepassing op het saneren van de bodem met de standaardaanpak verwijderen van de verontreiniging en wel bij de sanering van een verontreiniging met lood en/of PFOA.

Artikel 11.43 Maatwerkregel informatieplicht aan het begin van de activiteit saneren

Uitleg artikel

In dit artikel wordt aangegeven welke gegevens ook als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit saneren van de bodem moeten worden verstrekt. De gevraagde gegevens hier betreffen enkele vragen over de milieubelastende activiteit, zoals of sprake is van een complexe sanering. Deze gegevens zijn wel bekend, alleen bij ontvangst van de melding niet digitaal toegankelijk. Het gaat dus om gegevens die bij de aanvrager bekend zijn. De gegevens zijn bedoeld om de risico's van een toepassing inzichtelijk te maken. Dit stelt het bevoegd gezag in staat tot een risico gestuurde uitvoering van de VTH-taken.

Dit artikel maakt het mogelijk dat de gegevens en bescheiden c.q. vragen in het Digitaal Stelsel Omgevingswet kunnen worden gesteld.

Reikwijdte 

Dit artikel heeft betrekking op de gegevens en bescheiden die voor het begin van een activiteit moeten worden verstrekt. In aanvulling op de gegevens en bescheiden van artikel 4.1237 van het Besluit activiteiten leefomgeving moeten ook gegevens en bescheiden worden verstrekt ten aanzien van de risico's van de activiteit.

Artikel 11.45 Maatwerkvoorschrift grondwaterverontreiniging

Uitleg artikel

In dit artikel wordt aangegeven dat maatwerkvoorschriften bij een bronaanpak als bedoeld in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening alleen zijn toegestaan als de saneringsaanpak leidt tot beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater. Dit artikel geeft invulling aan artikel 7.38 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Reikwijdte

Dit artikel heeft betrekking op de beoordeling van maatwerkvoorschriften bij een bronaanpak.

Artikel 11.46 Maatwerkregel saneringsaanpak grondwaterverontreiniging

Uitleg artikel

Het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie waar een significante grondwaterverontreiniging aanwezig is, is alleen toegelaten als een bronaanpak als sanerende maatregelen wordt getroffen. Een bronaanpak is gericht op het voorkomen dat een mobiele verontreiniging, die zich in de vaste bodem bevindt, leidt tot een inbreng naar het grondwater dan wel het beperken van de inbreng naar het grondwater.

In lid 1 van dit artikel staat dat de bronaanpak uitsluitend mag worden uitgevoerd met de saneringsaanpak verwijderen van de verontreiniging. Lid 2 bepaalt dat (in afwijking van het eerste lid) afdekken ook mag, maar alleen onder voorwaarde is toegestaan bij het uitvoeren van een bronaanpak. Dit omdat afdekken niet leidt tot het verminderen of voorkomen van de mobiele verontreiniging die zich in de vaste bodem bevindt. In sommige gevallen is echter denkbaar dat een afdeklaag wel ertoe leidt dat de in de vaste bodem aanwezige mobiele verontreiniging niet langer, of in ieder geval minder, uitspoelt naar het grondwater. Dit kan alleen aan de orde zijn bij een afdeklaag die bestaat uit een verhardingslaag waarbij aantoonbaar minder uitspoeling ontstaat van de mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.

Reikwijdte

Dit artikel is van toepassing op het uitvoeren van een bronaanpak als sanerende maatregel. Een bronaanpak is bijvoorbeeld verplicht bij het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie waar een significante grondwaterverontreiniging aanwezig is. Ook kan een initiatiefnemer besluiten om vrijwillig een bronaanpak uit te voeren.

In het geval er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft is (naast de bronaanpak) ook een grondwatersanering verplicht. Het saneren van de bodem in een grondwaterbeschermingsgebied is uitgesloten van het toepassingsbereik. Op grond van artikel 3.134 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is een omgevingsvergunning vereist voor:

- het saneren van een (mobiele) verontreiniging in de bodem binnen een grondwaterbeschermingsgebied;

- het saneren van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft.

Artikel 11.44 Toepassingsbereik grondwatersaneringen

Dit artikel geeft aan waar deze subparagraaf over gaat.

Artikel 11.47 Maatwerkregel informatieplicht bij begin van de grondwaterbodemactiviteit

Zie toelichting bij artikel 11.48.

Artikel 11.48 Maatwerkregel informatieplicht bij beëindiging van de grondwaterbodemactiviteit

Uitleg artikel

Bij beëindiging van een bronaanpak dient het evaluatieverslag als bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving te worden verstrekt aan de gemeente als het bevoegd gezag voor het saneren van de bodem. Dit artikel garandeert dat hetzelfde evaluatieverslag ook wordt aangeleverd aan Gedeputeerde Staten. Dit is in het belang van de provincie, omdat die verantwoordelijkheden heeft voor het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn water voor grondwater en het daardoor van belang is zicht te hebben op het saneringsresultaat.

Reikwijdte

Dit betreft saneringen waarbij sprake is van een bronaanpak (bijvoorbeeld bij het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie of vrijwillige bronaanpak). Een bronaanpak is gericht op het voorkomen dat een mobiele verontreiniging, die zich in de vaste bodem bevindt, leidt tot een inbreng naar het grondwater dan wel het beperken van de inbreng naar het grondwater.

Artikel 11.49 Toepassingsbereik nazorg

Uitleg artikel

Deze paragraaf gaat over nazorg na een bodemsanering. In onderdeel a staat dat als bij het saneren een afdeklaag is aangebracht boven op de sterke verontreiniging, dat dan nazorg van toepassing is. De afdeklaag kan op grond van meerdere wet- en regelgeving zijn aangebracht. In dit onderdeel staat opgesomd welke. Onderdeel b geldt voor nazorg na tijdelijke beschermingsmaatregelen die genomen zijn in het kader van een toevalsvondst en die blootstelling aan verontreinigingen voorkomen.

Onder een afdeklaag wordt verstaan een afdeklaag zoals aangegeven in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving met eventueel maatwerk hierop zoals aangegeven in dit omgevingsplan of een maatwerkbesluit. Dit betreft bijvoorbeeld een laag grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag (beton, asfalt en/of bestrating) die blootstelling aan een sterke bodemverontreiniging daaronder voorkomt.

Reikwijdte

Dit artikel betreft enkel nazorg op afdeklagen van saneringen en tijdelijke beschermingsmaatregelen bij toevalsvondsten na inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 11.50 Nazorg na afloop van saneren van de bodem

Uitleg artikel

Het artikel betreft nazorg na sanering van de bodem met een afdeklaag. De afdeklaag dient in stand te worden gehouden, te worden onderhouden of te worden vervangen. De locaties staan op de genoemde kaart.

Reikwijdte

Dit artikel betreft enkel nazorg op afdeklagen van bodemsaneringen na inwerkingtreding van de Omgevingswet (1‑1‑2024).

Artikel 11.51 Nazorg tijdelijke beschermingsmaatregelen bij toevalsvondst

Uitleg artikel

Het artikel betreft nazorg na het nemen van tijdelijke beschermingsmaatregelen in het kader van een toevalsvondst om blootstelling hieraan voorkomen. De tijdelijke beschermingsmaatregelen dienen in stand te worden gehouden, te worden onderhouden of te worden vervangen. De locaties staan op de genoemde kaart.

Reikwijdte

Dit artikel betreft enkel nazorg op tijdelijke beschermingsmaatregelen genomen naar aanleiding van een toevalsvondst na inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 11.52 Toepassingsbereik historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

Uitleg en reikwijdte artikel

Deze paragraaf is van toepassing op locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging niet leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

En deze paragraaf is van toepassing op activiteiten op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging niet leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. Dit zijn de zogenaamde ernst, niet-spoedlocaties. Daarnaast is deze paragraaf ook van toepassing op activiteiten op locaties waar uit nader bodemonderzoek dat voldoet aan NTA 5755 volgt dat er sprake is van een zogenaamde ernst, niet-spoedlocatie. In de provincie Zuid-Holland zijn er immers veel locaties onderzocht waaruit is gebleken dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, maar welke nooit beschikt zijn opdat er geen spoedige sanering noodzakelijk was. De paragraaf is daarmee van toepassing op activiteiten op alle bekende ernst, niet-spoedlocaties, ongeacht of deze beschikt zijn.

Artikel 11.53 Oogmerken historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

Zie de toelichting bij artikel 11.1.

Artikel 11.54 Mitigerende maatregelen historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

Uitleg artikel

Uit lid 1 volgt dat degene die op de locatie met een historische bodemverontreiniging een activiteit verricht, in het belang van bescherming van de bodem maatregelen neemt die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken, of – als en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is als onderdeel van een activiteit die wordt verricht – ongedaan te maken. Zie verder hierna over de mogelijkheden en beperkingen van dit artikel. Er geldt een licht beschermingsregime voor deze bekende verontreinigde locaties in afwachting van sanering, net als onder de Wet bodembescherming.

Lid 1 heeft betrekking op zogenoemde niet-spoed locaties, zoals deze waren beschikt als saneringsgeval op grond van de Wet bodembescherming. In de toelichting bij de Aanvullingswet bodem is aangegeven dat de beschikking niet-spoed als zodanig bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt. Er is overgangsrecht geregeld voor onder meer gebruiksbeperkingen op grond van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming (artikelen 3.1 en 3.2 Aanvullingswet bodem).

Voor de spoedlocaties is overgangsrecht opgenomen in de Aanvullingswet bodem (artikel 3.1), zodat daarvoor de bestaande regels bij of krachtens de Wet bodembescherming blijven gelden. Locaties met een verontreiniging boven de interventiewaarde die onder de Wet bodembescherming waren aangemerkt als niet-spoed worden in het nieuwe stelsel, net als onder de Wet bodembescherming, gesaneerd op een natuurlijk moment, meestal bouwen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en dit omgevingsplan regelen dat saneren een voorwaarde is voor het bouwen en de saneringsaanpak. De milieubelastende activiteit graven regelt hoe om te gaan met graven in verontreiniging boven de interventiewaarde. Bij deze activiteiten is een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift mogelijk bijvoorbeeld als een bronaanpak aan de orde is die om een specifieke saneringsaanpak vraagt.

Lid 1 heeft een tweeledig doel. Ten eerste om de in het verleden beschikte locaties, die niet onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen. Ten tweede om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog bodemverontreiniging aanwezig is.

Ten behoeve van het eerste doel (kenbaarheid) is het mogelijk om met een maatwerkvoorschrift een individuele locatie te koppelen aan deze algemene regel in dit omgevingsplan, wat het voor de huidige of toekomstige eigenaar beter inzichtelijk maakt. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn maatwerkvoorschriften namelijk (nog) niet zichtbaar in DSO met de zogenoemde 'klik op de kaart'. Het inzien van de (voormalige) registratie van de niet-spoed beschikkingen in het Kadaster blijft nodig om het volledige beeld te hebben van de exacte locaties (gekoppeld aan kadastrale percelen) waar dit artikel op van toepassing is.

Voor wat betreft het tweede doel (beschermen in afwachting van sanering) geldt dat het mogelijk is om het lichte basisregime dat geldt op deze locaties te concretiseren, verder aan te vullen of toe te spitsen op de individuele locatie. Dat kan door middel van een maatwerkvoorschrift, dat voor een initiatiefnemer voldoende concreet maakt welke actie het bevoegd gezag verwacht. Bij de activiteiten bouwen, saneren of graven voorziet de Omgevingswet al in die mogelijkheid, daarom heeft dit artikel vooral betekenis als sprake is van een andere activiteit dan bouwen, saneren of graven. Ook kan dit basisregime een aangrijpingspunt bieden voor een individueel maatwerkvoorschrift om in sommige situaties van een initiatiefnemer te verlangen dat die als onderdeel van een voorgenomen activiteit van de gelegenheid gebruik maakt om aanwezige verontreiniging van de bodem te verwijderen of mitigerende maatregelen te treffen. Gelet op die inkadering is voornamelijk gedoeld op situaties waarin de extra moeite en kosten van het beperken of verwijderen van verontreiniging niet onevenredig belastend zijn voor de initiatiefnemer. Dit basisregime is zodanig ingekaderd dat er geen sprake is van een zelfstandige saneringsplicht.

Onder verontreiniging van de bodem wordt ook verstaan de verontreiniging van het grondwater, maar aangezien grondwaterkwaliteit primair tot de taken en bevoegdheden van de provincie ligt het voor de hand dat het vooral gaat om de vaste bodem en eventuele bronnen van verontreiniging die zich verspreiden naar het grondwater.

Lid 2 heeft betrekking op zogenoemde ernst niet-spoed locaties, zoals deze waren beschikt of bekend op grond van nader bodemonderzoek, als saneringsgeval op grond van de Wet bodembescherming. In de toelichting bij de Aanvullingswet bodem is aangegeven dat de verplichtingen die de Wet bodembescherming kent ten aanzien van het verrichten van handelingen in een geval van ernstige verontreiniging voor deze bekende ernst, niet-spoedlocaties bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt. Er is overgangsrecht geregeld voor onder meer gebruiksbeperkingen op grond van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming (artikelen 3.1 en 3.2 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet).

Voor de spoedlocaties is overgangsrecht opgenomen in de Aanvullingswet bodem Omgevingswet (artikel 3.1), zodat daarvoor de bestaande regels bij of krachtens de Wet bodembescherming blijven gelden.

Dit artikel heeft een tweeledig doel. Ten eerste om de bekende historische verontreinigingen, die niet onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen. Ten tweede om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog altijd een (bron van) een significante grondwaterverontreiniging aanwezig is.

Aanvullend op artikel 1 vraagt dit artikel specifiek aandacht voor maatregelen die zich richten tot de bescherming van het grondwater. Historische bodemverontreinigingen omvatten immers ook verontreiniging van het grondwater. Maatregelen hoeven niet altijd nodig te zijn ter bescherming van de gezondheid, terwijl de aanwezige verontreiniging wel degelijk een risico vormt voor het grondwater. Dit kan een risico zijn ten aanzien van de doelen die de kaderrichtlijn water (KRW) aan het grondwater stelt, voor grondwater dat gebruikt wordt voor de openbare drinkwatervoorziening of overige vormen van gebruik die afhangen van het grondwater. Denk hierbij aan veedrenking of irrigatie van landbouwgewassen. Indien zich een natuurlijk moment voordoet, zoals een activiteit op een dergelijke locatie, dan wordt van de initiatiefnemer verwacht om maatregelen te treffen die verdere verontreiniging van het grondwater voorkomen of verminderen en – indien redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit – ongedaan te maken. De maatregelen kunnen zich ook richten tot het verminderen of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging in de vaste bodem naar het grondwater, de zogeheten bronaanpak.

Het Besluit activiteiten leefomgeving in samenhang met dit omgevingsplan (instructie Voorbeschermingsregels Wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening 2022 grondwaterkwaliteit) regelt het uitvoeren van een bronaanpak. De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening bevat regels voor het uitvoeren van een grondwatersanering. Op grond van dit omgevingsplan (instructie artikel 2.1 Voorbeschermingsregels Wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening 2022 grondwaterkwaliteit) zijn in ieder geval een bronaanpak en eventueel ook een grondwatersanering een voorwaarde voor het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie in geval van een significante grondwaterverontreiniging.

Artikel 11.55 Toepassingsbereik bouwen van een bodemgevoelig gebouw

Uitleg artikel

Dit artikel geeft het toepassingsbereik van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie aan. Daar wordt de instructieregel uit het Bkl opgevolgd. Lid 2 geeft aan wat een bodemgevoelig gebouw is. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt.

De term gebouw is in het Bkl en het Bbl gedefinieerd als: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. De term bouwwerk is in de Omgevingswet gedefinieerd. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen (onder b).

Voor de definitie voor een bodemgevoelig gebouw wordt via maatwerk afgeweken van de definitie in het Besluit kwaliteit leefomgeving artikel 5.89g. Anders dan in het Bkl is ook sprake van een bodemgevoelig gebouw als er minder dan twee uur per dag personen aaneengesloten aanwezig zijn (verblijfsfunctie in de Woningwet). Voorbeelden van dit soort gebouwen zijn een transformatorhuisje, een gemaal, een schuur bij een woning of een loods waar alleen kort wordt geladen of gelost en waar de rest van de tijd geen personen of werknemers verblijven. Deze vallen met het derde lid dus ook binnen de definitie van een bodemgevoelig gebouw. De reden hiervan staat bij de reikwijdte van dit artikel aangegeven.

Voor de definitie van een bodemgevoelige locatie wordt geheel aangesloten bij de definitie zoals gegeven in artikel 5.89h Bkl.

Reikwijdte en reden artikel

Dit artikel is van toepassing op het bouwen (toelaten) van een gebouw of een deel van een gebouw dat de grond raakt. De ratio hiervan is dat daar blootstelling kan plaatsvinden en risico's voor de gezondheid kunnen optreden. Het gaat bijvoorbeeld niet om het aanbouwen van een uitbouw op de eerste verdieping of een dakkapel (voor zover daarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist), omdat bij een dergelijke bouwactiviteit de gezondheidsrisico's door de bodemkwaliteit niet toenemen. Daarnaast wordt ook aangesloten bij dit natuurlijke moment dat de bodemverontreiniging kan worden aangepakt (werk met werk maken). Hierbij wordt naast gezondheidsrisico's ook gekeken naar duurzaam bodembeheer (gebruik en functie afstemmen).

Artikel 11.56 Oogmerken bouwen van een bodemgevoelig gebouw

Zie de toelichting bij artikel 11.1.

Artikel 11.58 Waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie

Uitleg artikel

De gemeente heeft op grond van de Omgevingswet onder meer de bevoegdheid om in het omgevingsplan functies evenwichtig toe te delen aan locaties en met het oog hierop algemene regels vast te stellen. Artikel 5.89i van het Bkl bevat de verplichting voor de gemeenten om in het omgevingsplan waarden op te nemen voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor bodemgevoelige locaties waar een bodemgevoelig gebouw is toegelaten. In artikel 5.89j Bkl staat aan welke randvoorwaarden deze waarden moeten voldoen.

De reikwijdte van de instructieregel is beperkt tot een vaste stoffenlijst, opgenomen in bijlage VC bij het Bkl. Wanneer er een vermoeden bestaat van de aanwezigheid van andere gezondheidsbedreigende stoffen is het aan de gemeente om ook voor die andere stoffen een waarde in het omgevingsplan vast te stellen.

Eerste lid

In het omgevingsplan wordt als lokale waarde de interventiewaarde bodemkwaliteit vastgelegd in bijlage IIA Bal. Voorheen was dit ook de waarde waaraan de bodemkwaliteit getoetst werd.

Een verbod om te bouwen op verontreinigde bodem (boven de lokale waarde) zonder omgevingsvergunning als er geen maatregelen worden getroffen, volgt uit het samenstel van de vergunningplicht voor bouwen met de beoordelingsregel, dat die vergunning alleen wordt verleend in de situatie die is gedefinieerd in de specifieke beoordelingsregel.

Tweede lid

Gelijkwaardig met de regels van de voormalige Wet bodembescherming is hierbij opgenomen dat sprake is van een overschrijding van deze interventiewaarde als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie is overschreden in meer dan 25 m3 bodemvolume. Voorheen werd dit 'het geval van verontreiniging' genoemd. Hierbij kan sprake zijn van onaanvaardbare risico's en moet, afhankelijk van de functie en het gebruik, wellicht worden gesaneerd of een andere beschermende maatregel worden getroffen. Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het niet noodzakelijk om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen; de grens van 25 m3 is alleen bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen en vereist daarom alleen maatregelen als het om meer dan 25 m3 verontreiniging binnen een perceel gaat.

Derde lid

De grens van 25 m3 uit het tweede lid geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen.

Vierde lid

In afwijking van het eerste lid zijn voor lood andere waarden opgenomen. Dit omdat de interventiewaarde voor lood achterhaald is door het onderzoek en advies van het RIVM (2015 en 2017) en de GGD (2016). De huidige interventiewaarde voor lood bieden onvoldoende bescherming voor jonge kinderen. De provincie Zuid-Holland heeft, op basis van de rapporten van het RIVM en de GGD, in 2020 een handelingskader voor lood vastgesteld met advieswaarden.

De aangegeven maximale waarde voor toelaatbare kwaliteit voor de gebruiksfunctie landbouw/natuur/wonen is met dit artikel gelijkgesteld aan de advieswaarde van de provincie behorende bij de functie wonen waarboven sprake is van een 'onvoldoende bodemloodkwaliteit'. De gebruiksfunctie industrie is niet gevoelig, daarom wordt hiervoor wel aangesloten bij de interventiewaarde.

Vijfde lid

Voor PFOA wordt aangesloten bij de maximale advieswaarde voor duurzaam bodemgebruik (RIVM 2021). In dit artikel worden geen waarden voor overige PFAS aangegeven omdat deze in de regio niet zodanig diffuus verhoogd zijn, dat sprake is van gezondheidsrisico's of geen sprake is van duurzaam bodemgebruik. Overige PFAS en andere stoffen worden wel meegenomen in de beoordeling van een omgevingsvergunning bouw of melding bouw, maar dan op een andere manier (bij de beoordelingsregel van de vergunning of melding). De Omgevingswet biedt geen ruimte om op deze plek een onuitputtelijke lijst of omschrijving te geven van 'overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit bodem'.

Reikwijdte artikel

Dit artikel betreft het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen, mits die technisch mogelijk zijn. Dit geldt voor de in bijlage IIA van het Bal genoemde stoffen en ook voor PFOA.

Artikel 11.59 Maatregelen bij overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie

Uitleg artikel

Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen, mits die technisch mogelijk zijn. De vraag is louter of het technisch mogelijk is om het geschikt te maken. Het antwoord op die vraag is niet afhankelijk van de goede wil van de initiatiefnemer maar alleen of het objectief, technisch, milieuhygiënisch mogelijk is.

Saneringsmaatregelen worden uitgevoerd in overeenstemming met de milieubelastende activiteit saneren van de bodem, zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierin staan twee standaardaanpakken beschreven. Indien deze aanpakken niet voldoen, kan degene die saneert een maatwerkvoorschrift aanvragen bij het bevoegd gezag.

Reikwijdte

Dit artikel is van toepassing als sprake is van een overschrijding van de toelaatbare bodemkwaliteit. In het voorgaande artikel 11.58 staat wanneer hier sprake van is.

Artikel 11.57 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een bodemgevoelig gebouw

Dit artikel betreft een beleidsneutrale omzetting van artikel 22.26 (bruidsschat). Het bepaalt dat voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw (o.a. gebouw dat de bodem raakt) een vergunning aangevraagd moet worden.

Met de bouwactiviteit wordt bedoeld:

  • In dit omgevingsplan in hoofdstuk 6 aangewezen vergunningplichtige gebouwen en bouwwerken bouwen

  • In dit omgevingsplan in hoofdstuk 22 aangewezen vergunningplichtige bouwactiviteit (artikel 22.26).

Artikel 11.60 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen van een bodemgevoelig gebouw

Uitleg artikel

Bij een aanvraag om een vergunning voor het bouwen wordt een bodemonderzoek overgelegd. In lid 2 is aangegeven dat de resultaten van een voorafgaand bodemonderzoek ook in digitaal format (XML-format) moet worden verstrekt.

Dit bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem is overschreden. In dat geval zijn sanerende of andere beschermende maatregelen een voorwaarde voor het bouwen artikel 11.61 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen op een bodemgevoelige locatie en artikel 11.58 Waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie. Digitale aanlevering is nodig om te kunnen voldoen aan de Wet basisregistratie ondergrond.

Dit is een voortzetting van artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de lokale bouwverordening.

Reikwijdte

Dit betreft aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

Artikel 11.61 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen op een bodemgevoelige locatie

Uitleg artikel

Dit artikel bevat voorwaarden voor het toelaten van een bouwactiviteit, kortgezegd het bouwen van een bouwwerk of gebouw, op een bodemgevoelige locatie. Deze activiteit mag niet uitgevoerd worden zonder een omgevingsvergunning. Het eerste deel geeft onder a en b criteria waaraan een omgevingsvergunningaanvraag van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt getoetst. Het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van de toelaatbare bodemkwaliteit is alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Het tweede deel geeft een criteria aan waaraan tevens een omgevingsvergunningaanvraag van een binnenplanse omgevingsactiviteit wordt getoetst. Het criteria bestaat uit het oordeel van bevoegd gezag of de bodem geschikt is voor het beoogde doel. Als dit naar haar oordeel niet het geval is, kan zij voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning om de bodem geschikt te maken. Dit artikel is bedoeld als vangnet voor overige stoffen die niet in artikel 11.58 Waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie van dit omgevingsplan staan.

Het doel van dit artikel is om een gelijk beschermingsniveau (voor mens en milieu) te borgen dat bestond onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en Woningwet. Deze ging uit van een geval van ernstige bodemverontreiniging zoals bedoeld in de voormalige Wet bodembescherming en uitgewerkt in de voormalige Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013.

Bij de beoordeling van bevoegd gezag of de bodemkwaliteit toelaatbaar is, zal aangesloten worden bij dit beschermingsniveau. In deze voormalige wet- en regelgeving staat aangegeven hoe wordt omgegaan met niet-reguliere en/of niet genormeerde stoffen. Het Bevoegd gezag kan hiermee bij overschrijding van de interventiewaarde of vergelijkbare waarde (in een bodemvolume groter dan 25 m3) voor elke stof sanerende of andere beschermende maatregelen voorschrijven, mits die technisch mogelijk zijn.

Het tweede deel bepaalt dat het college bij ernstige bodemverontreiniging aanvullende maatregelen aan de omgevingsvergunning kan verbinden.

Bijvoorbeeld bij de beoordeling van een aanvraag van een omgevingsvergunning bouw voor een kantoorpand op een bedrijfsterrein met chemische industrie of de bouw van een woning op een locatie wat voorheen een tankstation was of een voormalige scheepswerf. Op deze locaties kan sprake zijn van een sterke verontreiniging met bijvoorbeeld tributyltin, MTBE, ETBE, detergenten of diethyltriamine. Voor deze verontreinigingen kunnen bij de bouwactiviteit op basis van dit artikel sanerende of andere beschermende maatregelen worden voorgeschreven in de vergunning. Deze kunnen niet worden voorgeschreven op basis van artikel 11.58 Waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie, omdat de in het voorbeeld genoemde verontreinigde stoffen niet binnen de reikwijdte van deze artikelen valt. Het Besluit kwaliteit leefomgeving biedt onvoldoende ruimte om dit te regelen.

Reikwijdte en werking

Dit artikel betreft het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie.

Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen, mits die technisch mogelijk zijn. Dit geldt voor de in artikel 11.58 Waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie genoemde stoffen. Daarnaast kan het bevoegd gezag in een omgevingsvergunning bouwen ook voor andere stoffen, die maken dat de bodem een ontoelaatbare kwaliteit heeft, sanerende of andere beschermende maatregelen voorschrijven.

Artikel 11.62 Meldingsplichtige gevallen bouwen van een bodemgevoelig gebouw

Uitleg artikel

Dit artikel legt vast dat voor bouwactiviteiten waar geen omgevingsvergunning voor moet worden aangevraagd wel een meldplicht geldt als het bouwen van een bodemgevoelig gebouw betreft. Lid 1 bepaalt dat vooraf aan het bouwen van een bodemgevoelig gebouw (definitie staat in eerder artikel) een melding bij het bevoegd gezag gedaan moet worden. Het is verboden de activiteit te starten zonder de melding te doen. Met een melding wordt het bevoegd gezag op de hoogte gesteld van de te starten activiteit (het bouwen van een bodemgevoelig gebouw).

Reikwijdte en werking

Het artikel geldt als sprake is van een het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, tenzij deze activiteit vergunningplichtig is.

Artikel 11.63 Indieningsvereisten melding bouwen van een bodemgevoelig gebouw

Uitleg artikel

In dit artikel is puntsgewijs aangegeven welke gegevens moeten worden aangeleverd bij de melding. Bij het tweede lid wordt voor overschrijding van de toelaatbare bodemkwaliteit verwezen naar artikel 11.58 in dit omgevingsplan.

In lid 3 is aangegeven dat de resultaten van een voorafgaand bodemonderzoek uit lid 1 onder a ook in digitaal format (XML-format) moet worden verstrekt.

Reikwijdte en werking

Met dit artikel worden voor de bodemkwaliteit bij een melding dezelfde voorwaarden als voor een omgevingsvergunning bouwen van een bodemgevoelig gebouw opgelegd voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Het vangnetartikel (lid 2 van artikel 11.61) is van toepassing bij een melding.

Artikel 11.64 Maatwerkvoorschriften meldingsplicht bouwen van een bodemgevoelig gebouw

Uitleg artikel

In artikel 11.2 is een algemene bepaling opgenomen voor het stellen van maatwerkvoorschriften door het bevoegd gezag (op verzoek van een initiatiefnemer). Dat artikel is van toepassing op alle paragrafen in hoofdstuk 11. In aanvulling hierop is deze specifieke bepaling voor het stellen van maatwerkvoorschriften opgenomen in artikel 11.61 voor de meldingen voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Met dit artikel maken we naar de buitenwereld duidelijk dat het bevoegd gezag voor deze melding dezelfde voorschriften wil kunnen stellen als bij de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Dit artikel vormt tegelijk een vangnet voor de meldingen, zodoende kan gebruik worden gemaakt van het vangnetartikel artikel 11.61).

Artikel 11.65 Informatieplicht na het bouwen op een bodemgevoelige locatie

Uitleg artikel

Voordat een bodemgevoelig gebouw of een gedeelte van een bodemgevoelig gebouw in gebruik genomen wordt, wordt die informatie verstrekt waaruit blijkt hoe de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in artikel paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn uitgevoerd.

Ter bescherming van de gezondheid van de gebruikers van een bodemgevoelig gebouw is het van belang om te waarborgen dat de voorgeschreven maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Daartoe dient het voldoen aan deze informatieplicht als voorwaarde voor ingebruikname. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent ook een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de activiteit bodemsanering. De initiatiefnemer kan in één keer aan beide informatieplichten voldoen.

De strekking is dat de initiatiefnemer na afloop van de sanering het bevoegd gezag informeert dat en hoe hij de sanering heeft uitgevoerd. Dit geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om adequaat en tijdig toezicht te houden voordat het gebouw in gebruik wordt genomen om te beoordelen of de sanering is afgerond en inderdaad heeft opgeleverd dat het bodemgevoelige gebouw geschikt is voor gebruik.

Dit artikel is gericht op een vergunningvoorschrift met een verbod op ingebruikname als niet is voldaan aan de voorwaarde (voldoen aan de informatieplicht). Het voldoen aan deze informatieplicht heft dat verbod op. Ingeval van het verzuimen om te informeren of het ontbreken van de benodigde informatie kan het bevoegd gezag dus handhaven op overtreding van deze informatieplicht. Toezicht en handhaving op de wijze van saneren en of die in overeenstemming is met de voorschriften over saneren in het Besluit activiteiten leefomgeving vindt plaats op basis van dat besluit.

Reikwijdte

Dit betreft de in gebruik name van een bodemgevoelig gebouw of een gedeelte van een bodemgevoelig gebouw waar sanerende of andere beschermende maatregelen waren voorgeschreven in een omgevingsvergunning bouw.

Artikel 11.66 Toepassingsbereik bouwen van een grondwatergevoelig gebouw

De definitie van een grondwatergevoelig gebouw is van belang omdat bij het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie door middel van onderzoek (paragraaf 7.3.5.1 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening) vastgesteld moet worden of er sprake is van verontreiniging van het grondwater. Bij verontreiniging van het grondwater volgt dat een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in paragraaf 3.4.2 (Module risicobeoordeling grondwaterkwaliteit uit de ZHOV) verplicht is. Indien uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging, zijn sanerende maatregelen verplicht.

Voor het bepalen wat een grondwatergevoelig gebouw is allereerst aangesloten bij de definitie die het Rijk in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving geeft voor bodemgevoelige gebouwen. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw dat geheel of gedeeltelijk de bodem raakt waar minimaal 2 uur per dag blootstelling plaatsvindt. Ook bijbehorende bouwwerken horen bij een bodemgevoelig gebouw, mits ze groter dan 50 m2 zijn.

Het toepassingsbereik van een grondwatergevoelig gebouw omvat daarnaast ook niet-bodemgevoelige gebouwen. Of een mobiele verontreiniging in de vaste bodem een risico vormt voor het grondwater staat immers los van of er blootstelling plaatsvindt. Voor gebouwen die geen bodemgevoelig gebouw zijn, vindt de provincie het echter niet proportioneel de regels in deze paragraaf te koppelen aan zeer kleine gebouwen. De provincie heeft daarom niet-bodemgevoelige gebouwen die kleiner zijn dan 50 m2 uitgesloten van het toepassingsbereik. Het gaat hier om het oppervlak van het deel van het gebouw dat de bodem raakt.

Met de definitie van een grondwatergevoelige locatie stuurt de provincie er op het aangrijpen van dat het natuurlijk moment om een mobiele bron van verontreiniging in de vaste bodem in samenhang met een activiteit aan te pakken.

Voor het bepalen wat een grondwatergevoelig locatie is, is allereerst aangesloten bij de definitie die het Rijk in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving geeft voor een bodemgevoelige locatie. Een bodemgevoelige locaties, omvat ook het perceel en de tuin.

Voor niet-bodemgevoelige gebouwen vindt de provincie het niet proportioneel om naar het gehele perceel te kijken of het natuurlijk moment aangegrepen kan worden voor het verbeteren van de grondwaterkwaliteit. De instructieregels richten zich tot het deel van het perceel waar de ontwikkeling of herinrichting daadwerkelijk plaatsvindt in samenhang met de bouw van het grondwatergevoelige gebouw zodat in samenhang met de activiteit, net als onder de Wet bodembescherming, het natuurlijk moment aangegrepen wordt bij dergelijke verontreinigingen. Zodoende is geduid dat het enkel gaat om het aangrenzende tuin of perceel voor zover het samenhang heeft met het te bouwen grondwatergevoelige gebouw.

Artikel 11.67 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een grondwatergevoelig gebouw

Dit artikel betreft een beleidsneutrale omzetting van de vergunningplicht opgenomen in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Het bepaalt dat er niet zonder een vergunning een grondwatergevoelig gebouw (o.a. gebouw dat de bodem raakt) gebouwd mag worden.

Artikel 11.68 Voorafgaand grondwateronderzoek

Het voorafgaand onderzoek heeft tot doel om vast te stellen of er sprake is van verontreiniging van het grondwater. Hiervoor kan de initiatiefnemer gebruik maken van het voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving. In gevallen waar in het verleden de locatie al beschikt is onder de Wet bodembescherming, bevat de beschikking vaak al voldoende informatie om vast te stellen of er al dan niet sprake is van verontreiniging van het grondwater.

Er is reeds sprake van verontreiniging van het grondwater als voor éen of meer verontreinigende stoffen de waarde als bedoeld in artikel 7.30 overschreden wordt. Vaak biedt het vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7 a van het Besluit activiteiten leefomgeving al voldoende informatie om de verontreiniging al dan niet vast te stellen. Indien het vooronderzoek niet voldoende informatie bevat, zal een verkennend bodemonderzoek, bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving voldoende informatie bevatten. Het verkennend bodemonderzoek dient te voldoen aan NEN5740. Het nemen van grondwatermonsters is, vooralsnog, onderdeel van de NEN-protocollen betreffende bodemonderzoek. Zuid-Holland zal de regels aanpassen indien hier een wijziging in komt om zodoende aan te sluiten bij de laatste versie van de NEN-bodemonderzoeksprotocollen.

De initiatiefnemer hoeft in deze fase in ieder geval alleen onderzoek uit te voeren, en te overleggen, om vast te stellen of er sprake is van verontreiniging van het grondwater.

Artikel 11.69 Risicobeoordeling grondwaterkwaliteit

De risicobeoordeling moet uitgevoerd worden als er sprake is van een verontreiniging van het grondwater, tenzij -in geval van een toetsing aan de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering - de concentraties dermate laag zijn dat onmiddellijk of toekomstig gevaar voor het grondwater, gegeven het gebruik, op voorhand uit te sluiten zijn.

De risicobeoordeling grondwaterkwaliteit bepaalt in welke mate de verontreiniging leidt tot gevolgen voor de chemische en ecologische kwaliteit van het watersystemen en het vervullen van aan watersystemen toegekende maatschappelijke functies (lees: KRW-doelen). Bovendien bepaalt de risicobeoordeling of de verontreiniging daadwerkelijk risico's oplevert voor het grondwater en het gebruik daarvan, zoals oppervlaktewater, water dat bestemd is voor menselijke consumptie of grondwaterafhankelijke natuur.

Als er sprake is van verontreiniging van het grondwater waar op grond van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit van blijkt dat het geen significante grondwaterverontreiniging betreft, zijn er geen voorschriften nodig ter bescherming van het grondwater en kan de bouw direct starten na het verlenen van de omgevingsvergunning of nadat de termijn voor de melding verstreken is.

Er is een aantal situaties waar sprake is van verontreiniging van het grondwater en er geen risicobeoordeling grondwaterkwaliteit verplicht is.

Dit is in ieder geval aan de orde indien er geen puntbron of er zich niet langer een (punt)bron van een mobiele verontreiniging in de vaste bodem bevindt. Zodoende kan er nooit sprake zijn van een bouwactiviteit waarbij een grondwatersanering verlangd wordt als dit niet in samenhang met een bronaanpak plaatsvindt. Een grondwatersanering is alleen redelijk te verlangen van een initiatiefnemer indien dit in samenhang met een bronaanpak plaatsvindt. Ditzelfde geldt indien de bron in de vaste bodem afkomstig is van een diffuse bron, zoals bijvoorbeeld atmosferische depositie. Het is in een dergelijk geval niet redelijk - en in strijd met het “vervuiler betaald principe”- en bovendien ook weinig effectief om een bronaanpak te verlangen.

Een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit wordt ook niet verlangd indien de verontreiniging van het grondwater het gevolg is van natuurlijk verhoogde achtergrondconcentraties. De provincie volgt hierbij de lijn zoals opgenomen in de Beleidsregel onderzoek sanering van bodemverontreiniging die aangeeft dat in gebieden waar voor arseen, nikkel, zink, lood en barium sprake is van verontreiniging van het grondwater, maar er geen specifieke bron voor deze verontreiniging aanwijsbaar is, geen nader onderzoek nodig is. Dit geldt alleen indien dit samengaat met gehalten in de vaste bodem die lager zijn dan de landelijke achtergrondwaarden of specifieke achtergrondwaarden.

Een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is ook niet aan de orde indien de aanwezige verontreiniging het resultaat is van een eerder uitgevoerde grondwatersanering. De grondwatersanering kan hebben plaatsgevonden op grond van regels in deze omgevingsverordening of op grond van de Wet bodembescherming.

Artikel 11.70 Sanerende maatregelen bij significante grondwaterverontreiniging

Zie de toelichting bij artikel 11.75.

Artikel 11.71 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen van een grondwatergevoelig gebouw

Zie de toelichting bij artikel 11.75.

Artikel 11.72 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen van een grondwatergevoelig gebouw

Zie de toelichting bij artikel 11.75.

Artikel 11.73 Meldingsplichtige gevallen bouwen van een grondwatergevoelig gebouw

Zie de toelichting bij artikel 11.75.

Artikel 11.74 Indieningsvereisten melding bouwen van een grondwatergevoelig gebouw

Zie de toelichting bij artikel 11.75.

Artikel 11.75 Informatieplicht ingebruikname na maatregelen bouwen van een grondwatergevoelig gebouw

Uitleg artikel

De risicobeoordeling grondwaterkwaliteit wordt uitgevoerd conform de regels in paragraaf 3.4.2 van deze omgevingsverordening. Het is daarmee aan Gedeputeerde Staten om toe te zien of de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit inhoudelijk goed is uitgevoerd. Om de provincie in staat te stellen de risicobeoordeling te beoordelen, moeten er op grond van artikel 7.33, tweede lid, onder b en artikel 7.34, tweede lid, onder e, ZHOV minstens vier weken zitten tussen het verstrekken van de resultaten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit aan Gedeputeerde Staten en het aanleveren van dezelfde gegevens aan de gemeente ten behoeve van de aanvraag om een omgevingsvergunning dan wel melding voor het bouwen van het grondwatergevoelige gebouw op een grondwatergevoelige locatie. Zodoende kan de gemeente ook vertrouwen dat de aangeleverde gegevens en bescheiden inhoudelijk juist zijn.

Als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante verontreiniging van het grondwater, volgt uit artikel 7.33, eerste lid, onder a de verplichting dat het omgevingsplan heeft geregeld dat een bronaanpak uitgevoerd moet worden conform de algemene rijksregels van de milieubelastende activiteit saneren van de bodem, met de gemeente als bevoegd gezag. Er is immers altijd sprake van een (punt)bron in de vaste bodem, want indien er (niet langer) een bron aanwezig is op de grondwatergevoelige locatie is er op grond van artikel 7.31, tweede lid, immers geen noodzaak tot het uitvoeren van een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit. De voorgeschreven saneringsaanpak dient hierbij op grond van paragraaf 7.3.5.1 wel te leiden tot het beperken of voorkomen van een indirecte inbreng van een mobiele verontreinigende stof in de vaste bodem naar het grondwater. Er kan pas gestart worden met bouwen indien op grond van artikel 7.33, tweede lid, onder c uit de gegevens en bescheiden blijkt dat de initiatiefnemer de milieubelastende activiteit bodemsanering gaat verrichten. De melding bij aanvang van het saneren van de bodem, als bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving dient als bewijslast.

Bij een grondwaterverontreiniging waar op grond van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit sprake is van een significante grondwaterverontreiniging, is een bronaanpak verplicht, ongeacht of de significante grondwaterverontreiniging nu al tot een onaanvaardbaar risico leidt en daarmee de doelen die de kaderrichtlijn water stelt nu al bedreigt. De grondwaterrichtlijn verlangt immers al maatregelen indien er sprake is van een inbreng, tenzij gebruik gemaakt kan worden van een uitzonderingsbepaling.

Bij een significante verontreiniging kan nu wellicht geen sprake zijn van een onaanvaardbaar risico voor het grondwater of het gebruik dat afhangt van het grondwater, maar kan een risico in de toekomst niet uit te sluiten zijn. In deze situaties vindt de provincie het lonen om, indien dit redelijkerwijs te verlangen is, het natuurlijk moment van een activiteit te benutten om de bron aan te pakken of op z'n minst de inbreng van de mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater te verminderen of beheersen.

Als er sprake is van een verontreiniging in het grondwater, waarbij op grond van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is vastgesteld dat sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoefte, dan levert de grondwaterverontreiniging op dat moment al een risico op voor het grondwater of het gebruik dat afhangt van het grondwater. Voor aanvang van de bouwactiviteit dient de initiatiefnemer, naast het uitvoeren van een bronaanpak een grondwatersanering uit te voeren. Voor het uitvoeren van de grondwatersanering dient de initiatiefnemer bij de provincie een aanvraag voor een grondwatersanering als bedoeld in artikel 3.130 te doen. Uit artikel 7.33, eerste lid volgt dat pas gestart kan worden met bouwen als aannemelijk gemaakt wordt dat de initiatiefnemer de grondwatersanering gaat treffen. Op grond van artikel 7.33, tweede lid, onder d volgt dat een afschrift van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een grondwatersanering bij de provincie als bevoegd gezag, volstaat als bewijslast.

Met de in artikel 7.32 verplichte maatregelen volgt de provincie het Europese beginsel de "vervuiler betaalt". In artikel 7.32, tweede lid is de plicht tot het treffen van een grondwatersanering uitgezonderd indien het gaat om diffuse grondwaterverontreinigingen. Van een initiatiefnemer kan redelijkerwijs niet verlangd worden een grondwaterverontreiniging te saneren waar hij niet verantwoordelijk voor is. Mogelijk is een bronaanpak echter wel aan de orde. De aanwezigheid van een diffuse grondwaterverontreiniging sluit de aanwezigheid van een puntbron niet uit. Indien uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging ziet de provincie primair een rol voor zichzelf weggelegd om te komen tot een gebiedsgerichte aanpak.

Het gebouw kan in gebruik genomen worden als uit gegevens en bescheiden blijkt dat de bronaanpak is uitgevoerd of eventueel ook de grondwatersanering. Een bronaanpak kan bewezen worden door de gegevens en bescheiden, als bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aangeleverd moeten worden na het uitvoeren van de milieubelastende activiteiten saneren van de bodem. De gegevens en bescheiden die aan dat aan Gedeputeerde Staten verstrekt moet worden na het uitvoeren van een grondwatersanering bevatten voldoende bewijslast voor de gemeente om te bepalen of de maatregel getroffen is.

Artikel 22.1 Voorrangsbepaling

Eerste lid

In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan worden zowel ruimtelijke besluiten (artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet) als de omgevingsplanregels van rijkswege (artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet) opgenomen. Deze omgevingsplanregels van rijkswege wordt ook wel de bruidsschat genoemd. Onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan vallen bijvoorbeeld bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet. In deze bestemmingsplannen is er afgeweken van bepalingen bij of krachtens de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer. Dat betekent dat de omgevingsplanregels uit die bestemmingsplannen op onderdelen in strijd zijn met de omgevingsplanregels van rijkswege. Ook kan in een bestemmingsplan toepassing zijn gegeven aan artikel 2, onder a, van de voormalige Interimwet stad-en-milieubenadering waarin is bepaald dat de gemeenteraad in een bestemmingsplan kan afwijken van een milieukwaliteitsnorm voor bodem, geluid en lucht. Omdat ook deze bestemmingsplannen samen met de omgevingsplanregels van rijkswege in het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden opgenomen moet er een voorrangsregel worden opgenomen. Deze voorrangsregel geldt ook bij strijdigheid tussen de omgevingsplanregels van rijkswege en de:

  • voorwaarden aan het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in een riool in een gemeentelijke verordening op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer; en

  • de aanwijzing van concentratiegebieden en waarden of afstanden voor geur bij het houden van landbouwhuisdieren in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij.

Om die reden is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de regels van afdeling 22.2, met uitzondering van subparagraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan niet van toepassing zijn voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. De toets of er sprake is van 'strijd' omvat ook een toets of wel of niet sprake is van regels met hetzelfde oogmerk. Als de regels een ander oogmerk hebben, doet 'strijd' in de zin van de bepaling zich niet voor. Dit is vergelijkbaar met de wijze waarop bij de toepassing van artikel 121 van de Gemeentewet wordt getoetst of er sprake is van 'strijd' met een hogere regeling. Subparagraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling uitgezonderd. Deze paragraaf regelt dat bepaalde bouw- en gebruiksactiviteiten van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan, ongeacht wat er in het omgevingsplan concreet is bepaald. Daarmee zijn deze activiteiten, voor zover die in strijd zouden zijn met het omgevingsplan, aangewezen als vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Als subparagraaf 22.2.7.3 niet van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling zou worden uitgezonderd, waardoor die paragraaf toch opzij gezet zou kunnen worden door andersluidende bepalingen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zou als gevolg daarvan de werking van die paragraaf worden ontkracht. Dat is onwenselijk.

Tweede lid

Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels in afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo'n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking 'voor zover' betekent 'in de mate dat'. Dat houdt in dat alleen die voorschriften van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 22.63 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 22.60 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing. Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan:

  • paragraaf 22.3.2 Energiebesparing

  • paragraaf 22.3.3 Zwerfafval

  • paragraaf 22.3.4 Geluid

  • paragraaf 22.3.5 Trillingen

  • paragraaf 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortelparagraaf 22.3.11 Uitwassen van beton

  • paragraaf 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

  • paragraaf 22.3.19 In werking hebben van een acculader

Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen 'gemeentelijk monument' en 'voorbeschermd gemeentelijk monument'. Deze begrippen gelden op grond van artikel 1.3  , van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in de artikelen 22.28eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en Artikel 22.295.

De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie- aanduiding gemeentelijk monument te geven.

Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen 'gemeentelijk monument' en 'voorbeschermd gemeentelijk monument' dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten 'oude stijl').

Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten 'oude stijl' gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.

Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten 'oude stijl' al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten 'oude stijl' is ook vereist dat de onderdelen van de artikelen 22.28, 22.38, 22.276,22.277, 22.279 tot en met 22.282 en 22.284 die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten 'oude stijl' van toepassing zijn. Artikel 22.2 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een 'monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is' als bedoeld in artikel 22.2, eerste lid. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten 'oude stijl' kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in artikel 22.2, tweede lid), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.

Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

Dit artikel bevat voor rijksbeschermde stads- en dorpgezichten vergelijkbaar overgangsrecht als artikel 22.2 voor gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten. Bij onder het oud recht aangewezen rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten doet zich in relatie tot de toepassing van de artikelen 22.28 , derde lid , en 22.38 , aanhef en onder b, van dit omgevingsplan de situatie voor dat deze bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet buiten de bescherming vallen die deze artikelonderdelen bieden aan rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Deze artikelonderdelen koppelen de bescherming namelijk aan de in het omgevingsplan aan een locatie gegeven functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht maar deze functie-aanduiding zal er op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet veelal niet zijn. Dit omdat de systematiek van bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten naar oud recht, anders dan onder de Omgevingswet, niet alleen via het bestemmingsplan en welstandseisen in de gemeentelijke welstandsnota verliep, maar ook via het rechtstreeks werkend sloopvergunningenstelsel in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Onder de Omgevingswet is het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten een onderwerp dat als onderdeel van het omgevingsplan wordt geregeld. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat in bestemmingsplannen nog is uitgegaan van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing.

Voor de toepassing van de artikelen 22.28 , derde lid , en artikel 22.38 , aanhef en onder b, van dit omgevingsplan, zou het ontbreken in het omgevingsplan van de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht met zich brengen dat - zolang in dit omgevingsplan aan een locatie waarvoor een op grond van het oude recht gegeven aanwijzing als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht geldt - die functie-aanduiding nog niet is gegeven, op die locatie zonder beperking op grond van de artikelen 22.27 en 22.36 van dit omgevingsplan, vergunningvrij mag worden gebouwd. Dit is uiteraard onwenselijk. Artikel 22.3 zorgt dat dit gevolg zich niet voordoet door te bepalen dat de artikelen 22.28 , derde lid , en 22.38 , aanhef en onder b, van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing zijn op deze locaties tot aan het moment waarop daaraan in dit omgevingsplan wel de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Hoewel de achtergrond van de artikelen 22.2 en 22.3 vergelijkbaar is, heeft artikel 22.3 een iets andere opzet dan artikel 22.2 . Dit komt door het feit dat voor de begrippen 'gemeentelijk monument' en 'voorbeschermd gemeentelijk monument' in bijlage I bij het Bbl in begripsomschrijvingen is voorzien. Maar er is binnen het stelsel van de Omgevingswet geenbegripsomschrijving voor 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht'. Om die reden is er in artikel 22.3 voor gekozen om de artikelen 22.28 , derde lid en 22.38 , aanhef en onder b, van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing te verklaren.

Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften

In dit artikel wordt de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften breed opengesteld voor alle artikelen in deze afdeling. Aangezien alle onderwerpen in deze afdeling van landelijke regelgeving zijn overgeheveld naar de gemeente is het onnodig om de maatwerkmogelijkheid te clausuleren. Voorheen bevatten verschillende artikelen van het Bouwbesluit 2012 een uitdrukkelijke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om anders te besluiten dan opgenomen in de in het betrokken artikel opgenomen eis. In deze afdeling wordt die mogelijkheid niet voor afzonderlijke artikelen opgenomen, aangezien maatwerk met dit artikel breed openstaat. Het bevoegd gezag kan dus altijd bepalen of in het concrete geval met een gemotiveerd maatwerkvoorschrift kan worden gewerkt. Een uitzondering op het niet meer specifiek benoemen van afwijkmogelijkheden in het artikel zelf is artikel 22.12 over de aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater. De voorheen in het Bouwbesluit opgenomen mogelijkheid voor het bevoegd gezag om aanwijzingen te geven is voor de duidelijkheid van bevoegd gezag en de gebruiker wel in dit artikel overgenomen. Het is op basis van de brede bevoegdheid om maatwerk te stellen op grond van artikel 22.4 echter ook mogelijk dat het maatwerkvoorschrift in een concreet geval anders moet komen te luiden.

Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

In door het bevoegd gezag te bepalen situaties kan het nodig zijn dat, voorafgaande aan het bouwen, door of namens het bevoegd gezag rooilijnen, bebouwingsgrenzen of het meetniveau van het te bouwen bouwwerk op het bouwterrein worden vastgesteld en gemarkeerd (uitgezet). In dit artikel is geregeld dat vergunningplichtige bouwwerkzaamheden pas mogen beginnen als door of namens het bevoegd gezag de rooilijnen of bebouwingsgrenzen of het straatpeil zijn uitgezet. Het kan hierbij gaan om activiteiten die op grond van artikel 5.1, tweede lid onder a, van de Omgevingswet vergunningplichtig zijn (de technische bouwactiviteit) of activiteiten die op grond van dit omgevingsplan vergunningplichtig zijn.

Artikel 22.7 Repressief welstand

Dit artikel heeft betrekking op het repressief welstandstoezicht en was voorheen opgenomen in artikel 12 van de Woningwet. Het uiterlijk van bestaande bouwwerken of te bouwen bouwwerken waar op grond van dit plan geen omgevingsvergunning voor nodig is, mogen niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold. Op grond van artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt die welstandsnota als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. In het voormalige artikel 13a van de Woningwet was opgenomen dat bij een overtreding van artikel 12, eerste lid, het bevoegd gezag de eigenaar kon verplichten zodanige door het bevoegd gezag aan te geven voorzieningen te treffen, dat daarmee werd voldaan aan artikel 12 van die wet. In de systematiek van de Omgevingswet is dit een maatwerkvoorschrift. Op grond van artikel 22.4 kan het bevoegd gezag zo'n maatwerkvoorschrift ook stellen voor het onderwerp welstand. Omdat de vraag of artikel 22.7 overtreden is, beantwoord moet worden door de criteria van de welstandsnota te beoordelen, ligt het voor de hand dat het bevoegd gezag door middel van een maatwerkvoorschrift aan de eigenaar van een gebouw duidelijk maakt op welke punten aanpassing nodig is om de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand op te heffen.

Als de gemeente geen welstandsnota heeft vastgesteld, gelden er voor de gehele gemeente geen welstandsregels waaraan het uiterlijk van bestaande bouwwerken moet voldoen. Optreden tegen welstandsexcessen is dan niet mogelijk. Op grond van het tweede lid is welstandstoezicht evenmin aan de orde voor door de gemeenteraad aangewezen bouwwerken in daarbij aangewezen (zogenoemde welstandsvrije) gebieden. Op grond artikel 12, tweede lid, van de Woningwet, kon de gemeenteraad die welstandsvrije bouwwerken en gebieden aanwijzen. Deze besluiten zijn in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet, toegevoegd aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan waar zowel voor het repressieve welstandstoezicht (in artikel 22.7 , tweede lid ) als voor de beoordeling van een nieuw te bouwen vergunningplichtig bouwwerk aan redelijke eisen van welstand ( artikel 22.29 , tweede lid , onderdeel a.), een uitzondering is gemaakt. Het repressieve welstandsvereiste is niet van toepassing op tijdelijke bouwwerken, met uitzondering van seizoensgebonden bouwwerken zoals strandtenten.

De vraag of het uiterlijk van nieuw te bouwen bouwwerken waarvoor wel een omgevingsvergunning op grond van het omgevingsplan nodig is aan daarop van toepassing zijnde welstandseisen voldoet, wordt tijdens het proces van vergunningverlening getoetst. Zie hiervoor artikel 22.29 .

Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor elektriciteit. Een aansluiting is voorgeschreven wanneer de aansluitafstand niet groter is dan 100 m. Bij een afstand van meer dan 100 m is de aansluiting voorgeschreven wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een afstand van 100 m. In gevallen dat de afstand groter is dan 100 m en de aansluitkosten hoger, kan worden gekozen voor een vrijwillige aansluiting op het distributienet of voor een individuele voorziening zoals bijvoorbeeld een generator. De wijze waarop de in dit artikellid genoemde afstanden moeten worden gemeten, vloeit voort uit de in dit omgevingsplan opgenomen begripsbepaling 'aansluitafstand'.

De aansluitplicht houdt alleen de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van elektriciteit mogelijk maken. Of elektriciteit daadwerkelijk wordt geleverd, is afhankelijk van een met het energiebedrijf te sluiten contract.

Overigens is een aansluiting op het distributienet niet verplicht wanneer op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van elektriciteit is toegestaan.

De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor elektriciteit geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Uiteraard staat het een initiatiefnemer wel vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten.

Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas

Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de gasvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor gas. De aansluitplicht geldt voor een aansluitafstand die niet groter is dan 40 m of wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Opgemerkt wordt dat het sinds de wijzigingen in de Gaswet van 1 juli 2018 en de daarop aansluitende wijziging van het Bouwbesluit 2012 in veel gevallen niet meer mogelijk is nieuw te bouwen gebouwen te voorzien van een gasaansluiting voor zogenoemde kleinverbruikers. In dit artikel is net zoals voorheen in het Bouwbesluit 2012 de relatie met artikel 10, zesde lid, onderdeel a of b, van de Gaswet gelegd om duidelijk te maken dat dit artikel van de Gaswet van invloed is op de vraag of er bij nieuwbouw wel een aansluiting op het gasnet gerealiseerd kan worden door de netbeheerder. Het artikel in de Gaswet gaat niet over bestaande aansluitingen die al gerealiseerd zijn. Daarnaast geldt de aansluitplicht in dit artikel alleen als de aansluitafstand 40 m of kleiner is, of als de aansluitkosten niet hoger liggen dan bij een aansluitafstand van 40 m.

De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor gas geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Deze bouwwerken hoeven dus al sinds enkele jaren niet meer aan te sluiten op het distributienet voor gas. Daarnaast is het sinds de bovengenoemde aanpassing van de Gaswet in 2018 in slechts enkele gevallen nog mogelijk is om nieuwe bouwwerken aan te sluiten op het distributienet voor gas. Het tweede lid van dit artikel bewerkstelligt dat er in drijvende bouwwerken en woning gebouwd in particulier opdrachtgeverschap nooit een aansluitplicht geldt.

Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte

Dit artikel stelt een eis voor nieuw te bouwen bouwwerken met een verblijfsgebied. Een dergelijk bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor warmte als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Die plicht is niet alleen afhankelijk van de aansluitafstand maar ook van de vraag of het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van het indienen van de aanvraag om vergunning voor het bouwen nog niet is bereikt. Bij een distributienet voor warmte kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een netwerk voor stadsverwarming. Op grond van het tweede lid zal bij een beroep op een daaraan gelijkwaardige oplossing niet alleen rekening moeten worden gehouden met veiligheid maar ook met energiezuinigheid en milieu. Met het tweede lid wordt de toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel op de aansluiting op het distributienet ingekaderd. In dat tweede lid is aangegeven aan welke energiezuinigheids- en milieucriteria een andere oplossing dan een aansluiting op het warmtenet moet voldoen om in een voorkomend geval als gelijkwaardig aan die aansluiting te kunnen worden aangemerkt. Bij de beoordeling van die gelijkwaardigheid moeten de energiezuinigheids- en milieuprestaties van de aangedragen andere oplossing vergeleken worden met de prestaties bij aansluiting op het warmtenet. Referentiekader daarbij is de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu zoals deze in het warmteplan is opgenomen. De prestaties van het warmtenet moeten daarom voldoende concreet in het warmteplan, als onderdeel van het omgevingsplan, zijn opgenomen. Als, bijvoorbeeld, in het warmteplan alleen gegevens over de CO2-uitstoot van het warmtenet zijn opgenomen en niet over NOx-effecten, dan moeten de milieuprestaties van de te beoordelen andere oplossing alleen voor de CO2-uitstoot worden bepaald en mag NOx niet als factor in beschouwing worden genomen. Als een gemeente voor energiezuinigheid de wettelijk vastgestelde energieprestatiecoëfficiënt (EPC) wil realiseren, dan kan de gemeente in het warmteplan volstaan met de vermelding dat de wettelijke EPC wordt nagestreefd. Aanleg van nieuwe warmtenetten geschiedt veelal in gebieden met een grote bouwopgave (bijvoorbeeld een nieuwe woonwijk met meerdere duizenden woningen). De uitvoering van zo'n bouwopgave en – in samenhang daarmee – van de aanleg van het distributienet voor warmte geschiedt niet in één keer, maar gefaseerd. De uiteindelijke prestatie van het distributienet voor energiezuinigheid en bescherming van het milieu treedt pas op vanaf het moment dat het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen is bereikt. De beoordeling van de gelijkwaardigheid van een aangedragen andere oplossing moet daarom plaatsvinden op basis van die uiteindelijke energiezuinigheids- en milieuprestaties van het warmtenet, zoals die in het warmteplan zijn aangegeven. Zie verder ook de toelichting op de omschrijvingen van de begrippen distributienet voor warmte en warmteplan.

De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Wanneer er een lokale aansluitplicht gold als bedoeld in het vierde lid van dit artikel, blijft deze aansluitplicht wel van kracht. Uiteraard staat het een initiatiefnemer daarnaast ook vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten.

Het overgangsrecht uit artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 dat behoort bij artikel 6.10, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 is inhoudelijk ongewijzigd opgenomen in het vierde lid van dit artikel. Dit lid zet de bestaande overgangsbepaling voort, voor die gebieden waar voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 6.10, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 op basis van de gemeentelijke bouwverordening en eventuele daarop gebaseerde nadere afspraken een aansluitplicht op een distributienet voor warmte (stadsverwarming) gold. In die gebieden blijft die aansluitplicht ook met inwerkingtreding van dit omgevingsplan bestaan. Als er na de inwerkingtreding van dit omgevingsplan in een dergelijk gebied wordt bijgebouwd dan geldt de aansluitplicht ook voor deze nieuwe gebouwen. Met dit overgangsrecht wordt rekening gehouden met de bijzondere eigenschappen van een warmtenet. Alleen wanneer in een bepaald gebied de aansluitplicht op een warmtenet over een langere periode is gewaarborgd, is een dergelijk systeem uit het oogpunt van energiezuinigheid en milieu haalbaar. Met gebied wordt bedoeld het gebied waarvoor een gemeente daadwerkelijk een concessie voor de aanleg en exploitatie van een warmtenet aan een netbeheerder heeft gegund. Dit kan ook de hele gemeente zijn. Artikel 22.10 , eerste lid , is, als het overgangsrecht nog geldt, dus niet van toepassing. Genoemd eerste lid is wel van toepassing op nieuwe bouwwerken in gebieden waar op het moment van inwerkingtreding van dit omgevingsplan nog geen stadsverwarming is aangelegd en ook geen concessie volgens bovenstaande is verleend.

Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater

Dit artikel regelt in welke gevallen de drinkwatervoorziening moet zijn aangesloten op het openbare distributienet voor drinkwater. De wijze waarop de in dit artikel bedoelde afstanden moeten worden gemeten volgt uit de begripsbepaling van aansluitafstand opgenomen in dit omgevingsplan. Overigens houdt de aansluitplicht niet in dat het drinkwaterbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is of dat de aangeslotene tot het afnemen van drinkwater verplicht is. De aansluitplicht houdt slechts de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of drinkwater wordt geleverd, is afhankelijk van een met het drinkwaterbedrijf te sluiten contract. Een aansluiting op het distributienet is niet verplicht wanneer door toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater is toegestaan.

Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

In het eersteen tweede lid zijn technische eisen over de aansluiting van de gebouwriolering op de buitenriolering opgenomen. Het derde  lid bevat technische eisen aan de uitvoering van een eventueel aanwezige buitenriolering. De eerste drie leden gelden ongeacht de vraag of het bouwwerk aangesloten is op een openbare voorziening voor het beheer van afvalwater. Het vierde  lid is alleen van toepassing als er een openbare voorziening voor de afvoer van afvalwater (huishoudelijk afvalwater of hemelwater) aanwezig is waarop kan worden aangesloten. Onderdeel a heeft betrekking op het geval dat er voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is. Onderdeel b heeft betrekking op het geval dat er een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is. In die gevallen bepaalt het bevoegd gezag op welke plaats, op welke hoogte en met welke middellijn de voor de aansluiting van de afvoervoorziening noodzakelijke aansluiting bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd. Op grond van onderdeel c kan het bevoegd gezag voorzieningen eisen om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Dit kan met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 22.4 . Voor de duidelijkheid is de formulering die voorheen in het Bouwbesluit 2012 was opgenomen over deze aanwijzing overgenomen in dit artikel, omdat een maatwerkvoorschrift over dit onderwerp naar verwachting in de meeste gevallen deze inhoud zal krijgen. Het is echter op grond van artikel 22.4 ook mogelijk dat er in gevallen door het bevoegd gezag op een andere manier invulling zal worden gegeven aan het maatwerk.

In paragraaf 2.4.1 van de Omgevingswet zijn de overheidszorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater beschreven. Onder stedelijk afvalwater wordt verstaan huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. De regels over het lozen van huishoudelijk afvalwater, afstromend hemelwater en overtollig grondwater in de openbare riolering staan elders in dit omgevingsplan (en eventueel in het deel van dit omgevingsplan dat is voortgekomen uit de voormalige verordening over afvoer van hemel- en grondwater op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer). In dit artikel zijn vervolgens de bouw- en installatietechnische eisen opgenomen die gelden voor de afvoer vanuit of vanaf bouwwerken die aangesloten worden op de perceelaansluiting en in het verlengde daarvan op de openbare voorzieningen voor het beheer van afvalwater.

Die overheidszorgplicht voor afvalwater is zowel bij huishoudelijk afvalwater als bij hemelwater niet absoluut. Wanneer de aanleg van voorzieningen voor huishoudelijk afvalwater in het buitengebied niet doelmatig is, moeten burgers en bedrijven zelf in de afvoer of zuivering van huishoudelijk afvalwater voorzien.

De zorgplicht voor hemelwater gaat ervan uit dat gemeenten ook in stedelijk gebied niet hoeven in te zamelen als burgers en bedrijven zelf in afvoer van hemelwater kunnen voorzien. 

 Waar wel wordt ingezameld, kan de gemeente bij de invulling van haar zorgplicht kiezen tussen de gemengde of afzonderlijke inzameling.

Artikel 22.13 Bluswatervoorziening

Op grond van het eerste lid moeten gebouwen en andere bouwwerken een toereikende bluswatervoorziening hebben. Doel van dit voorschrift is te waarborgen dat voor de brandweer een adequate openbare of niet-openbare bluswatervoorziening in of bij een bouwwerk beschikbaar is. Wanneer geen toereikende openbare bluswatervoorziening aanwezig is, moet worden zorg gedragen voor een toereikende niet-openbare bluswatervoorziening. Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een brandkraan of andere aansluiting op het drinkwater- of ander leidingnet voor bluswater, een watervoorraad, zoals een reservoir, een bassin, een blusvijver, een waterput of een bron (grondwater) of oppervlaktewater zoals een meer, de zee, een sloot, of een kanaal. Een bluswatervoorziening moet bereikbaar en betrouwbaar zijn, dus ook bij droogte of vorst. Daarom is in het artikel opgenomen dat een bluswatervoorziening niet nodig is als dit naar oordeel van het bevoegd gezag gezien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk niet nodig is.

Het tweede lid regelt de maximaal toegestane afstand tussen een bluswatervoorziening en een ingang van een bouwwerk (gebouw of bouwwerk geen gebouw zijnde). Als het bouwwerk op grond van het Bbl over een brandweeringang moet beschikken, wordt de maximale afstand tussen de bluswatervoorziening en die specifieke ingang geregeld. 

 De afstand mag niet meer dan 40 m bedragen. Wanneer in de straat of de weg een fysieke scheiding aanwezig is, zoals een gracht of beschermde trambaan, dan moet rekening worden gehouden met de omweg die daar het gevolg van is.

Het derde lid regelt dat de bluswatervoorziening altijd direct bereikbaar moet zijn. Zo kan het bijvoorbeeld noodzakelijk zijn om maatregelen te treffen om te voorkomen dat een bluswatervoorziening wordt geblokkeerd door geparkeerde auto's of andere objecten.

Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

Dit artikel bevat regels bestemd voor de bereikbaarheid van gebouwen en bouwwerken die geen gebouw zijn waarin personen kunnen verblijven, voor brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Op grond van het eerste lid moet tussen de openbare weg en de toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg aanwezig zijn die geschikt is voor het te verwachten verkeer, zoals brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Niet elk gebouw of elk bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven hoeft over zo'n verbindingsweg te beschikken. Zo'n weg is niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m 2 of als de toegang tot het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt of wanneer het bevoegd gezag van oordeel is dat de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk de aanwezigheid van die voorziening niet nodig maakt.

In het derde lid is aangegeven aan welke eisen een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid moet voldoen. De voorgeschreven minimumbreedte van de verbindingsweg en het voorgeschreven minimum draagvermogen van die weg zijn afgestemd op het gebruik door gangbare voertuigen zonder dat deze elkaar hoeven te kunnen passeren. Aan de in het derde lid gestelde eisen hoeft niet te worden voldaan wanneer in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening een afwijkende regel is opgenomen.

In het vierde lid is bepaald dat op een voorgeschreven verbindingsweg (de in het eerste lid bedoelde weg) geen obstakels aanwezig mogen zijn die de voor de doorgang van brandweervoertuigen benodigde vrije hoogte en breedte blokkeren. Zo mag die weg niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto's of overhangende takken.

Het vijfde lid bepaalt dat een verbindingsweg niet zodanig mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpdiensten onnodig hindert.

Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

Dit artikel heeft betrekking op opstelplaatsen voor brandweervoertuigen bij bouwwerken die voor het verblijf van personen zijn bestemd. Op grond van het eerste lid moeten bij een gebouw en bij een bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven opstelplaatsen voor brandweervoertuigen aanwezig zijn, zodat die voertuigen op doeltreffende wijze kunnen worden aangesloten op de bluswatervoorziening. Die opstelplaatsen moeten in voldoende aantal aanwezig zijn, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. Zulke opstelplaatsen zijn niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m 2 of als de aard, de ligging of het gebruik van het gebouw respectievelijk het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist. Het derde lid regelt de maximaal toegestane afstand tussen een opstelplaats en een ingang van het gebouw/bouwwerk. Als het bouwwerk op grond van het Bbl over een brandweeringang moet beschikken, wordt de maximale afstand tussen de bluswatervoorziening en die specifieke ingang geregeld. De afstand mag niet meer dan 40 m bedragen. In het vierde lid is bepaald dat een opstelplaats over de voorgeschreven hoogte en breedte moet worden vrijgehouden voor brandweervoertuigen. Zo mag een opstelplaats niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto's of overhangende takken. Het vijfde lid bepaalt dat een opstelplaats niet zodanig door hekwerken mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpdiensten (onnodig) hindert. Een eventueel ontsluitingssysteem moet in overleg met het bevoegd gezag worden gekozen.

Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte

Dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat de gezondheid van de bewoners door overbewoning in het geding komt. Dit voorschrift is nadrukkelijk niet bedoeld als normstelling in het kader van de verdeling van woonruimte. Op basis van dit voorschrift kan het bevoegd gezag alleen optreden in het uitzonderlijke geval dat er zoveel mensen in een woning of woonwagen wonen dat dit problemen voor de gezondheid kan opleveren.

Voor de normering in het eerste lid is aangesloten bij wat hierover in het Bouwbesluit 2012 was opgenomen. Voor dat besluit werd het onderwerp lokaal in de bouwverordening geregeld en werden verschillende afmetingen gehanteerd. Door opname van dit onderdeel in de omgevingsplanregels van rijkswege kunnen gemeenten bezien of lokaal een eis op het vlak van overbewoning nodig is en zo ja, met welke maatvoering.

Uit het tweede lid blijkt dat de eis over overbewoning niet van toepassing is op een woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Zo'n opvang moet voldoen aan de normen zoals vastgelegd in de Richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (2003/9/EG).

Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Dit artikel heeft betrekking op het staken van het gebruik van een bouwwerk als dat gebruik gevaarlijk is in verband met de bouwvalligheid van een nabij gelegen bouwwerk. Voordat sprake kan zijn van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden is het nodig dat het bevoegd gezag eerst een mededeling heeft gedaan dat het gebruik vanwege de technische kwaliteit van dat andere bouwwerk gevaarlijk is. Die mededeling is een mededeling van feitelijke aard en geen beschikking. Als het gebruik na ontvangst van de bedoelde mededeling toch wordt voortgezet, kan op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht handhavend worden opgetreden door oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder de dwangsom. In spoedeisende gevallen kan bestuursdwang zo nodig zonder voorafgaande last worden toegepast (artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht).

Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Deze zorgplicht ('kapstokartikel') heeft betrekking op gebruik van bouwwerken waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan en het Bbl. Hiermee heeft het bevoegd gezag een 'kapstok' om in een specifiek geval in te grijpen wanneer het gebruik van een bouwwerk leidt tot hinder, overlast, gezondheidsrisico's en veiligheidsrisico's anders dan de brandveiligheidsrisico's die al in het Bbl zijn geregeld.

De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een bouwwerk gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Het eerste lid regardeert dus enerzijds degene die (als eigenaar, beheerder, verhuurder of anders) het gebouw laat gebruiken door een ander, evenals degene die (zelf) gebruik maakt van een bouwwerk. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.

De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheids- en gezondheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt. De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen onderbouwen.

Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit zorgplichtartikel gerechtvaardigd kan zijn:

  • als sprake is van geluidhinder;

  • als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;

  • als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;

  • als sprake is van een illegale hennepkwekerij;

  • als op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);

  • als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.

Met het tweede lid , onderdeel c, is beoogd dat een bouwwerk in een dusdanig nette staat is dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer in een woning overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Het moet gaan om ernstige gevallen.

Het derde lid geeft aan dat dit artikel niet gaat over gebruik van bouwwerken dat al geregeld is in afdeling 6.2 van het Bbl (zie ook hierboven). Die regels zijn namelijk uitputtend en er bestaat geen ruimte dat gebruik daarnaast onderwerp van dit omgevingsplan te laten zijn.

Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

Dit artikel heeft betrekking op de aanwezigheid van relatief beperkte hoeveelheden brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken, de zogenoemde huishoudelijke opslag. De regels over opslag van brandgevaarlijke stoffen waren voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012 (voor opslag in, op of nabij een bouwwerk) en het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (voor opslag in, op of nabij een bouwsel). De inwerkingtreding van de Omgevingswet brengt geen verandering in de regeling van de opslag in, op of nabij een bouwsel, wel in de regeling van de opslag in, op of nabij een bouwwerk. De opslag in of op een bouwwerk is voortaan geregeld in het Bbl. Dat besluit bevat geen regels over de opslag nabij een bouwwerk omdat het geen regels bevat over zaken buiten een bouwwerk. Om te voorkomen dat er op dit punt een hiaat in de regelgeving ontstaat, wordt de opslag van brandgevaarlijke stoffen nabij een bouwwerk voortaan geregeld in dit omgevingsplan.

Onder brandgevaarlijke stoffen wordt in dit verband verstaan: vaste stoffen, vloeistoffen en gassen die brandbaar of brandbevorderend zijn of bij brand gevaar opleveren. Voor zover die stoffen aanwezig zijn in of op een bouwwerk is die aanwezigheid voortaan landelijk geregeld met de specifieke zorgplicht voor het brandveilig gebruik van bouwwerken (artikel 6.4 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken). Het stellen van regels over bedrijfsmatige opslag van stoffen die zowel brand- als milieugevaarlijk zijn, geschiedt in het Bal en in omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten. Dit artikel beperkt zich tot huishoudelijke opslag, dat wil zeggen kleinere hoeveelheden die – rekening houdend met de gevaarsaspecten van die stoffen – voor de goede bedrijfsvoering als werkvoorraad mogen worden beschouwd. Dit is in dit artikel uitgewerkt in een verbod op het aanwezig hebben van brandgevaarlijke stoffen in combinatie met expliciete uitzonderingen op dat verbod. In de bij dit artikel opgenomen tabel 22.2.1 is per soort stof en verpakkingsgroep aangegeven welke hoeveelheid van een brandgevaarlijke stof is toegestaan.

In de eerste kolom van de tabel zijn die stoffen geordend in overeenstemming met de deelverzameling 'stoffen die zowel milieu- als brandgevaarlijk zijn' van de ADR (Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg; Trb. 1959, 171). Conform de ADR-terminologie wordt daarbij de netto massa in kilo's gehanteerd als eenheid voor het vaststellen van hoeveelheden vaste stoffen, vloeibaar gemaakte gassen en onder druk opgeloste gassen en wordt de nominale inhoud in liters als eenheid gehanteerd wanneer het gaat om vloeistoffen en samengeperste gassen.

In het eerste lid is het verbod op het aanwezig hebben van een brandgevaarlijke stof opgenomen. Of iets een brandgevaarlijke stof is, is te lezen in tabel 22.2.1. Uit deze tabel blijkt dat ook medicinale zuurstof een gas is dat onder het voorschrift van dit artikel valt.

Op grond van het tweede lid is het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing wanneer de toegestane maximum hoeveelheid van een bepaalde stof niet wordt overschreden (onderdeel a), de stof deugdelijk is verpakt (onderdeel b) en die stof met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen wordt gebruikt (onderdeel c). Hierbij geldt dat de totale hoeveelheid stoffen niet meer mag zijn dan 100 kilogram of liter. De stof moet zodanig verpakt zijn dat de verpakking tegen een normale behandeling bestand is (wat bij de originele verpakking in de regel al het geval zal zijn) en van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen (wat bij deugdelijke sluiting van een geopende originele verpakking in de regel het geval zal zijn). Bij gebruik in overeenstemming met de gevaarsaanduiding moeten de zogenoemde R- en S-zinnen in acht worden genomen. Die zinnen, die in de regel op de originele verpakking zijn aangegeven, geven de producteigenschappen aan (R = risc: bijvoorbeeld 'ontvlambaar') en bevatten gebruiksinstructies (S = safety: bijvoorbeeld 'niet roken tijdens het gebruik').

In het derde lid wordt een aantal zelfstandig te lezen afwijkingen van het eerste lid gegeven. Bij de bepaling van de totale hoeveelheid toegestane stoffen hoeft geen rekening te worden gehouden met de in het derde lid opgenomen stoffen. Er hoeft bijvoorbeeld geen rekening te worden gehouden met de in een auto of scooter aanwezige motorbrandstoffen (onder a) of met voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken (onder c).

Onderdeel f van het derde lid bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens de Omgevingswet is toegestaan. Hiermee wordt zeker gesteld dat voor die stoffen alleen eventuele algemene regels en een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit gelden en zodoende strijdige voorschriften worden uitgesloten.

Op grond van het vierde lid moet de inhoudsmaat van een aangebroken verpakking volledig worden meegerekend. Als bijvoorbeeld in een vat nog vier liter zit van de oorspronkelijke tien liter dan moet gerekend worden met tien liter.

Enkele rekenvoorbeelden op basis van dit artikel. Ongeacht de aanwezigheid van andere stoffen mogen altijd gasflessen met een maximum inhoud van in totaal 115 liter en maximaal 1.000 liter diesel-, gas- of lichte stookolie (vlampunt tussen 61°C en 100°C) aanwezig zijn. Bij de overige stoffen gaat het niet alleen om een maximum hoeveelheid voor stoffen per ADR-klasse (bijvoorbeeld: geen grotere hoeveelheid van stoffen van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep II dan totaal 25 liter) maar mag ook de hoeveelheid van stoffen uit alle genoemde ADR-klassen samen niet meer dan 100 kilogram of liter bedragen. Wanneer bijvoorbeeld in een bouwwerk 50 liter vloeistof van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep III en 50 kilogram stoffen van ADR-klasse 5.1 aanwezig zijn, is die grens van de toegestane maximum hoeveelheid van 100 kilogram of liter bereikt. In dat geval mogen daarnaast nog wel de eerdergenoemde gasflessen en oliesoorten tot maximaal de daarvoor aangegeven maximum hoeveelheid aanwezig zijn maar geen van de overige in de tabel aangegeven stoffen.

In het vijfde lid is geregeld dat in afwijking van het derde lid , onder e, meer dan 1.000 liter van een in dat artikelonderdeel bedoelde oliesoort aanwezig mag zijn als de wijze van opslag en gebruik daarvan zodanig is dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende worden voorkomen. Op grond daarvan kan het bevoegd gezag dus instemmen met de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid. De reikwijdte van die bevoegdheid is beperkt tot gevallen die buiten de werkingssfeer van de het Bal of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit vallen.

Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit. 

 Deze zorgplicht ('kapstokartikel') heeft betrekking op de staat en het gebruik van open erven en terreinen waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan. Hiermee heeft het bevoegd gezag een 'kapstok' om in een specifiek geval in te grijpen wanneer de staat of het gebruik van een open erf of terrein leidt tot hinder, gezondheidsrisico's en veiligheidsrisico's. Ook als de staat of het gebruik op zich voldoet aan de voorschriften van dit omgevingsplan kan er reden zijn voor een beroep op dit artikel.

De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een open erf of terrein gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.

De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt.

De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen aantonen.

Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit kapstokartikel gerechtvaardigd kan zijn:

  • als sprake is van lawaaihinder;

  • als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;

  • als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;

  • als sprake is van een illegale hennepkwekerij;

  • op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);

  • als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.

Met het derde lid onderdeel c is beoogd dat een open erf of terrein in een dusdanig nette staat verkeert dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer op een erf overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Een open erf en terrein behoort geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid op te leveren door drassigheid, stank, verontreiniging, (on)gedierte, begroeiing of voorwerpen. Het moet gaan om ernstige gevallen.

Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Dit artikel heeft betrekking op het staken van het gebruik van een open erf of terrein als dat gebruik gevaarlijk is in verband met de bouwvalligheid van een nabij gelegen bouwwerk. Voordat sprake kan zijn van een overtreding waartegen het handhavend kan worden opgetreden is het nodig dat het bevoegd gezag eerst een mededeling heeft gedaan dat het gebruik vanwege de technische kwaliteit van dat andere bouwwerk gevaarlijk is. Die mededeling is een mededeling van feitelijke aard en geen beschikking. Als het gebruik na ontvangst van de bedoelde mededeling toch wordt voortgezet kan op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht handhavend worden opgetreden door oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder de dwangsom. In spoedeisende gevallen kan bestuursdwang zo nodig zonder voorafgaande last worden toegepast (artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht).

Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek

Dit artikel is een voortzetting van artikel 41a van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, dat een vrijstelling van de archeologische onderzoeksplicht bevatte. Dit artikel voorkomt dat er in dit omgevingsplan een lacune zou ontstaan door het wegvallen van artikel 41a. Het gaat hierbij om bodemverstoringen op huis-tuin-en- keukenniveau. Er worden geen grootschalige projecten mee vrijgesteld. Zie ook de toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl [1].

Het eerste lid bepaalt dat als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels zijn gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid (ook wel: aanlegactiviteit), deze regels niet gelden als de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m 2 . Deze activiteiten zijn vrijgesteld van het vereiste om bij de aanvraag om een omgevingsvergunning een archeologisch rapport aan te leveren en van eventuele vergunningvoorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg.

In het tweede lid is bepaald dat als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, (voor een locatie) voor bodemverstorende activiteiten een grotere of kleinere oppervlakte dan 100 m2 is vastgesteld voor de vrijstelling van de archeologische onderzoeksplicht, die afwijkende andere oppervlakte geldt. In dat verband wordt erop gewezen dat aan een vastgestelde afwijkende andere oppervlakte, voor zover die minder dan 50 m  bedraagt, geen praktische betekenis toekomt als het gaat om het vergunningvrij bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf dat voldoet aan de in artikel 22.27 , onder a en b, van dit omgevingsplan gestelde eisen. De vergunningplicht voor een bouwactiviteit op grond van artikel 22.26 van dit omgevingsplan geldt dan immers niet. Een archeologische onderzoeksplicht zal voor die gevallen overigens wel kunnen worden opgelegd via andere omgevingsvergunningen die op grond van dit omgevingsplan kunnen zijn vereist, bijvoorbeeld voor het uitvoeren van graafwerkzaamheden ter voorbereiding van de bouwactiviteit. Hiervoor wordt nader verwezen naar artikel 22.28 , vierde lid van dit omgevingsplan en de toelichting daarop.

Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen

De in dit artikel opgenomen afbakeningseisen zijn ongewijzigd overgenomen uit artikel 5, eerste en tweede lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. In het eerste lid is opgenomen dat vergunningvrij bouwen niet is toegestaan als het oorspronkelijke bouwwerk waarin, waaraan, waarop of waarbij gebouwd wordt, zonder de daarvoor vereiste vergunning is gebouwd of wordt gebruikt. Dit kan zowel gaan om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van die wet. In het geval het bouwwerk (geheel of gedeeltelijk) illegaal is gebouwd of wordt gebruikt, is het onwenselijk dat eventuele latere aanpassingen van of uitbreidingen aan of bij dit gebouw vergunningvrij en daarmee legaal zouden kunnen zijn. De mogelijkheid tot vergunningvrij bouwen is daarom zowel hier, als in het Bbl uitgesloten.

In het tweede lid wordt geregeld dat het aantal woningen niet mag toenemen door de vergunningvrije mogelijkheden, tenzij voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.24 Meetbepalingen

In dit artikel zijn de bepalingen over de wijze van meten uit het tweede en derde lid van artikel 1 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht ongewijzigd overgenomen. De in deze afdeling genoemde waarden worden gemeten conform dit artikel.

Artikel 22.25 Mantelzorg

Dit artikel is ongewijzigd overgenomen uit artikel 1, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Voor de toepassing van de genoemde paragrafen wordt huisvesting in verband met mantelzorg altijd als functioneel verbonden met het hoofdgebouw aangemerkt. Daarmee wordt bewerkstelligd dat een bijgebouw dat of een aan- of uitbouw die wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg vanwege de expliciet bepaalde functionele verbondenheid met het hoofdgebouw, ook moet worden aangemerkt als een functioneel verbonden bouwwerk en daarmee als bijbehorend bouwwerk als bedoeld in dit omgevingsplan. Daarmee wordt het mogelijk het bijgebouw of de aan- of uitbouw op de grondslag van artikel 22.27 , aanhef en onder a, of 22.36 , aanhef en onder a, van dit omgevingsplan vergunningvrij te bouwen. In de praktijk blijkt de vraag wel eens te ontstaan of er bij de toewijzing van een eigen huisnummer aan een bij een woning aanwezige mantelzorgvoorziening, nog sprake kan zijn van een bijbehorend bouwwerk. Het al dan niet toekennen van een afzonderlijk huisnummer is echter niet van belang voor de uitleg van deze bepaling.

Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Op grond van dit artikel is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege wordt hiermee de vergunningplicht voortgezet, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover die betrekking heeft op artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van die wet. In afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet, is uitvoerig ingegaan op het expliciet maken dat deze vergunningplicht voor een bouwactiviteit ook betrekking heeft op het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.

Het verbod behoudens vergunning geldt overigens niet als het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet aangewezen geval. Die vergunningvrije gevallen zijn aangewezen in artikel 2.15f van het Bbl. Bij die aanwijzing gaat het om een landelijk uniforme categorie gevallen waarin geen omgevingsvergunning is vereist voor het verrichten van een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk (zoals bouwen, verbouwen, vervangen of uitbreiden). In zo'n geval is geen omgevingsvergunning vereist, ook niet als de bouw in strijd zou zijn met een in het omgevingsplan gestelde regel. Voldoet een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk niet aan de in het besluit gestelde voorwaarden, dan mag die activiteit niet zonder omgevingsvergunning worden verricht. In aanvulling op de landelijke categorie vergunningvrije gevallen kunnen in het omgevingsplan meer categorieën bouwactiviteiten worden aangewezen waarvoor geen omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit is vereist. In artikel 22.27 van dit omgevingsplan is van die bevoegdheid gebruik gemaakt om bouwactiviteiten die voorheen waren opgenomen in artikel 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, onder gelijkwaardige voorwaarden, als vergunningvrije omgevingsplanactiviteit mogelijk te maken. In artikel 22.36 is geregeld dat de onderdelen van artikel 2, bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, die niet langer landelijk uniform vergunningvrij zijn op grond van het Bbl, op grond van het omgevingsplan onder dezelfde voorwaarden vergunningvrij zijn. Het betreft hier de bijbehorende bouwwerken, erf- en perceelafscheidingen hoger dan een meter en gebruik van bestaande bouwwerken voor mantelzorg. De artikelen 22.28 en 22.38 bevatten uitzonderingen op dat vergunningvrije bouwen als dat bouwen betrekking heeft op monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en archeologisch erfgoed.

Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 - omgevingsplan onverminderd van toepassing

In dit artikel zijn de bouwwerken aangewezen waarvoor de vergunningplicht, bedoeld in  artikel 22.26, niet van toepassing is. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen en een aanvulling van erf- en perceelafscheiding (hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter), voortgezet. Zoals ook in afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet toegelicht, geldt voor deze bouwwerken weliswaar niet de vergunningplicht uit artikel 22.26, maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Onderdeel van die regels kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo'n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.

Zoals al beschreven betreft het hier een voortzetting van de bouwwerken die in artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen. Op enkele onderdelen zijn daarin wijzigingen aangebracht. Zo is de eis in onderdeel a, onder 3°, dat een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan op meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied moet zijn gelegen, niet langer afhankelijk van de gelding van redelijke eisen van welstand voor het betrokken gebied of bouwwerk. Hiermee wordt de praktische toepassing van de regeling verbeterd.

Onderdeel h zondert van de binnenplanse vergunningplicht uit buisleidingen anders dan buisleidingen waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15f, onder p, aanhef en onder 4°) van toepassing is. Hierdoor ontstaat een vergelijkbare samenhang tussen dit artikelonderdeel van de bruidsschat en het genoemde artikelonderdeel uit het Bbl als de samenhang tussen de onderdelen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.

In onderdeel i zijn enkele voorwaarden geschrapt (geen verandering van de draagconstructie of (sub)brandcompartimentering), aangezien die om bouwtechnische redenen gesteld werden en geen invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit van het bouwen zoals die door een omgevingsplan wordt gereguleerd.

Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed

Artikel 22.28bevat uitzonderingen en aanvullende randvoorwaarden voor de in artikel 22.27 aangewezen gevallen. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht uit artikel 22.26 toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Artikel 22.28 , vierde lid , is een voortzetting van artikel 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarbij op basis van de jurisprudentie één wijziging is aangebracht. Artikel 22.28 , vierde lid , aanhef, verklaart als hoofdregel de op grond van artikel 22.27 , aanhef en onder a en b, van dit omgevingsplan bestaande mogelijkheden om een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen zonder de op grond van artikel 22.26 van dit omgevingsplan vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit buiten toepassing, als er op de locatie van het bouwwerk regels gelden als bedoeld in artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In artikel 22.28 , vierde lid , onder a, is de al onder het Besluit omgevingsrecht bestaande uitzondering op deze hoofdregel opgenomen dat deze niet geldt als de oppervlakte van het bouwwerk minder dan 50 m 2 bedraagt. Op basis van de jurisprudentie is aan de regeling in dit omgevingsplan een subonderdeel toegevoegd ( artikel 22.28 , vierde lid , onder b). Per saldo leidt dit nieuwe subonderdeel ertoe dat de vergunningvrije bouwmogelijkheden voor een bijbehorend bouwwerk en een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf op grond van artikel 22.27 , aanhef en onder a en b, van dit omgevingsplan in een groter aantal gevallen van toepassing blijven, ook al gelden er op de locatie van het bouwwerk regels als bedoeld in artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Het nieuwe subonderdeel regelt namelijk dat die vergunningvrije bouwmogelijkheden in dat geval ook van toepassing blijven als het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit en daarop regels als bedoeld in artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Op het moment dat sprake is van een dergelijk verbod met daarop betrekking hebbende regels over het verrichten van archeologisch onderzoek, is er geen reden om de desbetreffende vergunningvrije gevallen uit artikel 22.27 te beperken. In dat geval is de bescherming van de archeologische waarden op de locatie voldoende verzekerd. De uitzondering op de vergunningplicht uit artikel 22.26 kan dan blijven gelden. De toevoeging van dit nieuwe subonderdeel is een uitvloeisel van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met nummer ECLI:NL:RVS:2014:2066. Bij deze uitspraak heeft de Afdeling kort samengevat geoordeeld dat het bestaan van een vergunningplicht voor een bouwactiviteit een eventuele vergunningplicht voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit onverlet laat. Om die reden is het niet langer meer nodig om de bescherming van archeologische waarden die gevolgen kunnen ondervinden van grondwerkzaamheden in het kader van een bouwactiviteit, te laten plaatsvinden via regels die betrekking hebben op die bouwactiviteit. Het zijn twee zelfstandige kaders. In de voormalige planologische regelingen die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is dit uiteraard nog niet tot uitdrukking gebracht. Om die reden gebeurt dit nu in het nieuwe subonderdeel. Het is aan gemeenten om dit bij het vaststellen van het omgevingsplan verder te regelen en de regels die met het oog op de bescherming van archeologische waarden op een locatie worden gesteld aan het bouwen en het uitvoeren van grondwerkzaamheden in onderlinge samenhang te bezien en desgewenst aan te passen.

In aanvulling op de toelichting op artikel 2.30 van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15g) wordt hieronder ingegaan op de instructieregels en instructies die in ieder geval in acht genomen moeten worden bij het in het omgevingsplan aanpassen van de artikelen 22.26 en 22.27 van dit omgevingsplan en de in dit artikel ( 22.28 ) opgenomen uitzonderingen daarop voor cultureel erfgoed. Bij aanpassing van het omgevingsplan moet de gemeente de instructieregels en instructies van de provincie en het Rijk in acht nemen. Bij dit onderwerp gaat het dan in ieder geval om de instructieregels uit het Bkl over het behoud van cultureel erfgoed (artikel 5.130) en werelderfgoed (artikel 5.131), de provinciale instructieregels over werelderfgoed (op grond van artikel 7.4, derde lid, van het Bkl) en de instructies ter bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten, bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet (in samenhang met artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet). Voor omgevingsplanactiviteiten in, aan  of op  via het omgevingsplan (voor)beschermde monumenten of archeologische monumenten zal het daarbij vooral draaien om de vraag of de activiteit van invloed kan zijn op de monumentale waarden. De omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk valt hier immers één op één samen met de omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een (gemeentelijk of provinciaal) beschermd monument of archeologisch monument. Als een gemeente niet tot een vergunningvrijregime per locatie wil overgaan, ligt een vergelijkbaar regime als opgenomen in artikel 13.11 van het Bal, waarin de vergunningvrije gevallen voor de rijksmonumentenactiviteit zijn aangewezen, voor de hand. In de omgeving van – bij  – (voor)beschermde monumenten is in ieder geval relevant de instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 1°, van het Bkl, dat de aantasting van de omgeving van deze monumenten moet worden voorkomen voor zover deze daardoor zouden worden ontsierd of beschadigd. De mogelijkheden om binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht meer omgevingsplanactiviteiten vergunningvrij te maken, worden enerzijds specifiek begrensd door het niveau van bescherming dat ten tijde van de aanwijzing als beschermd gezicht op grond van de Monumentenwet 1988 of de instructie op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet voldoende beschermend werd geacht. Anderzijds vormt de generieke instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 2°, van het Bkl in algemene zin een ondergrens. Deze instructieregel bepaalt dat aantasting van het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten (ongeacht op welk overheidsniveau deze zijn beschermd) moet worden voorkomen. Hoewel in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl is opgemerkt dat het tweede lid, onder d, onder 2°, zich in eerste instantie richt op stads- en dorpsgezichten (en cultuurlandschappen) die op initiatief van de gemeente zelf worden beschermd, is de bepaling uitdrukkelijk ook van toepassing op rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Dit is ook nodig, omdat veel aanwijzingen als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht inmiddels zo'n vijftig jaar oud zijn en de meeste nog op het oude stelsel zijn geënt, waarin van rechtswege een bouwvergunningplicht gold. Daardoor zijn die als instructie aangemerkte oude aanwijzingen in de praktijk niet altijd leesbaar als een actuele en gedetailleerde instructie als bedoeld in artikel 2.34 van de Omgevingswet. De instructieregel in artikel 5.130, eerste lid, van het Bkl verplicht de gemeente in zo'n geval de karakteristieken van het beschermde gezicht aanvullend te analyseren en te betrekken bij de vraag of er ruimte is voor aanvullende vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Het ligt niet voor de hand dat er op gemeentelijk niveau generiek veel meer vergunningvrij zal kunnen worden verklaard. Voornoemde instructieregel voor beschermde stads- en dorpsgezichten geldt overigens ook voor eventuele via het omgevingsplan beschermde cultuurlandschappen, iets wat met name in het buitengebied aan de orde zou kunnen zijn.

In het licht van het voorgaande wordt ook nog gewezen op het – ook rechtstreeks de gemeenten bindende – verdrag van Granada. Op basis van artikel 4 van dat verdrag moet het beschermingsregime zo ingericht worden dat het bevoegd gezag ter voorkoming van ontsiering, vernieling of afbraak van beschermd cultureel erfgoed in een passende controle en goedkeuringsprocedure in kennis wordt gesteld van alle plannen tot het slopen of wijzigen (“afbraak of verandering”) van een (voor)beschermd monument of aantasting van de omgeving van zo'n monument, of waardoor een beschermd gezicht of cultuurlandschap geheel dan wel gedeeltelijk wordt aangetast als gevolg van de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen, of belangrijke veranderingen waardoor het karakter van het gezicht of cultuurlandschap zou worden aangetast. Artikel 14, eerste lid, van dit verdrag vraagt verder in de verschillende stadia van besluitvorming te zorgen voor passende structuren voor informatie, overleg en samenwerking tussen de centrale overheid, de regionale en lokale overheden, culturele instellingen en verenigingen en het publiek (participatie). In de meeste gevallen zal een preventieve toets aan het omgevingsplan in de vorm van een vergunningplicht met het oog op bovenstaande overwegingen wenselijk blijven. De hoeveelheid activiteiten in, aan, op en bij beschermde monumenten en archeologische monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten die in een gebied vergunningvrij zullen kunnen worden na aanpassing van het omgevingsplan zal naar verwachting dus ook niet veel afwijken van de mogelijkheden die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet landelijk in het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen.

Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen

Dit artikel regelt wanneer een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk wordt verleend. Het artikel is een voortzetting van artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op grond van artikel 22.29 , eerste lid , wordt de vergunning alleen verleend als het bouwplan niet in strijd is met de regels die in dit omgevingsplan zijn gesteld over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken (onderdeel a) en dat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota (onderdeel b). In onderdeel a is paragraaf 22.2.4 expliciet uitgezonderd omdat het hier om voormalige rijksregels gaat waar op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ook niet aan getoetst werd bij de vergunningverlening. Daarnaast zijn er in dit omgevingsplan (als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege) tal van regels opgenomen die niet over bouwwerken gaan, maar bijvoorbeeld over open erven en terreinen. Deze regels vallen alle buiten het beoordelingskader voor de omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op bouwwerken. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op de eis dat het bouwwerk niet in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand. Ook deze uitzonderingen zijn een voortzetting van het recht zoals dat gold onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet.

De redactie van het eerste lid sluit aan bij artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl. Het imperatieve karakter ('wordt verleend') houdt in dat de vergunning moet worden verleend als het bouwplan niet in strijd is met de daarvoor gestelde regels in het omgevingsplan. Er kunnen buiten het omgevingsplan om dus geen aanvullende redenen worden gehanteerd om een vergunning toch te weigeren. Het limitatieve karakter komt tot uiting doordat 'alleen' op grondslag van de in het omgevingsplan gestelde regels het 'binnenplans' verlenen van een vergunning mogelijk is. Als het bevoegd gezag op basis van de regels in het omgevingsplan tot het oordeel komt dat vergunningverlening niet mogelijk of (bij beslissingsruimte) niet wenselijk is, moet de activiteit als strijdig met het omgevingsplan worden aangemerkt. In dat geval is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt dat op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, de vergunning alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een verdere toelichting hierover wordt verwezen naar de nota van toelichting bij artikel 8.0a van het Bkl.

Onderdeel c

Op grond van artikel 22.26 is het verboden om zonder vergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Dit onderdeel bevat de aanvullende beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt getoetst.

Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen, mits die technisch mogelijk zijn. De vraag is louter of het technisch mogelijk is om het geschikt te maken. Het antwoord op die vraag is niet afhankelijk van de goede wil van de initiatiefnemer maar alleen of het objectief, technisch, milieuhygiënisch mogelijk is.

Saneringsmaatregelen worden uitgevoerd in overeenstemming met de milieubelastende activiteit saneren van de bodem, zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierin staan twee standaardaanpakken beschreven. Indien deze aanpakken niet voldoen, kan degene die saneert een maatwerkvoorschrift aanvragen bij het bevoegd gezag. In het omgevingsplan van de gemeenten die vallen in het zinkassengebied De Kempen staan maatwerkregels ten opzichte van de voorschriften in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie

Eerste lid

In het omgevingsplan wordt als lokale waarde de interventiewaarde bodemkwaliteit vastgelegd in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voorheen was dit ook de waarde waaraan de bodemkwaliteit getoetst werd.

Een verbod om te bouwen op verontreinigde bodem (boven de lokale waarde) zonder omgevingsvergunning als er geen maatregelen worden getroffen, volgt uit het samenstel van de vergunningplicht voor bouwen die al elders in de bruidsschat is geregeld met de beoordelingsregel in artikel 22.29 , eerste lid (het toegevoegde onderdeel c), dat die vergunning alleen wordt verleend in de situatie die is gedefinieerd in de specifieke beoordelingsregel.

Tweede lid

Gelijkwaardig met de regels van de voormalige Wet bodembescherming is hierbij opgenomen dat sprake is van een overschrijding van deze interventiewaarde als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie is overschreden in meer dan 25 m 3 bodemvolume. Voorheen werd dit 'het geval van verontreiniging' genoemd. Hierbij kan sprake zijn van onaanvaardbare risico's en moet, afhankelijk van de functie en het gebruik, wellicht worden gesaneerd of een andere beschermende maatregel worden getroffen. Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het niet noodzakelijk om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen; de grens van 25 m 3 is alleen bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen en vereist daarom alleen maatregelen als het om meer dan 25 m 3 verontreiniging binnen een perceel gaat.

Derde lid

De grens van 25 m 3 uit het tweede lid geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m 3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen.

Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit

Voordat een bodemgevoelig gebouw of een gedeelte van een bodemgevoelig gebouw in gebruik genomen wordt, wordt die informatie verstrekt waaruit blijkt hoe de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in artikel paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn uitgevoerd.

Ter bescherming van de gezondheid van de gebruikers van een bodemgevoelig gebouw is het van belang om te waarborgen dat de voorgeschreven maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Daartoe dient het voldoen aan deze informatieplicht als voorwaarde voor ingebruikname. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent ook een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de activiteit bodemsanering. De initiatiefnemer kan in één keer aan beide informatieplichten voldoen.

De strekking is dat de initiatiefnemer na afloop van de sanering het bevoegd gezag informeert dat en hoe hij de sanering heeft uitgevoerd. Dit geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om adequaat en tijdig toezicht te houden voordat het gebouw in gebruik wordt genomen om te beoordelen of de sanering is afgerond en inderdaad heeft opgeleverd dat het bodemgevoelige gebouw geschikt is voor gebruik.

Dit artikel is gericht op een vergunningvoorschrift met een verbod op ingebruikname als niet is voldaan aan de voorwaarde (voldoen aan de informatieplicht). Het voldoen aan deze informatieplicht heft dat verbod op. Ingeval van het verzuimen om te informeren of het ontbreken van de benodigde informatie kan het bevoegd gezag dus handhaven op overtreding van deze informatieplicht. Toezicht en handhaving op de wijze van saneren en of die in overeenstemming is met de voorschriften over saneren in het Besluit activiteiten leefomgeving vindt plaats op basis van dat besluit.

Een bodemgevoelig gebouw is omschreven als: 

 a. gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of 

 b. woonschip of woonwagen.

Deze begripsomschrijving is afkomstig uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en geldt via een schakelbepaling in dit omgevingsplan (artikel 1.1).

Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht

In het eerste lid van dit artikel wordt, in aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel 22.29 , de mogelijkheid gegeven om een omgevingsvergunning toch te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, maar niet in strijd is met de regels die zijn gesteld voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht. Dit betreft regels die in (van het tijdelijke deel van het omgevingsplan deel uitmakende) bestemmingsplannen of inpassingsplannen kunnen zijn opgenomen op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Voor het voortzetten van de figuren van wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen is niet in overgangsrecht voorzien. Het college van burgemeester en wethouders kan na inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook geen toepassing meer geven aan deze bepalingen. In plaats van deze specifieke wijzigingsbevoegdheden of uitwerkingsplichten, kan toepassing worden gegeven aan de generieke delegatiemogelijkheid op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet. Als vergunningverlening op grond van artikel 22.29 , eerste lid , aanhef en onder a, niet mogelijk is, maar een bouwplan niet in strijd is met de regels die zijn gegeven voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, kan de vergunning echter toch binnenplans worden verleend. Hierbij bestaat overigens beslissingsruimte. Onder de werking van de voormalige Wet ruimtelijke ordening moest bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht (voor zover de bij een uitwerkingsplicht in acht te nemen regels daarvoor de ruimte laten) ook nog zelfstandig beoordeeld worden of het wijzigings- of uitwerkingsplan, los van de daarbij in acht te nemen regels, in overeenstemming was met een goede ruimtelijke ordening. Om die reden is geen imperatief karakter gegeven aan deze aanvullende mogelijkheid om een vergunning voor een bouwplan, dat niet in strijd is met die voor een wijziging- of uitwerking gegeven regels, toch te kunnen verlenen. Het gevolg hiervan is dat, ook al is een bouwplan met de regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht niet in strijd, ook nog een zelfstandige beoordeling moet plaatsvinden of het bouwplan uit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar kan worden geacht.

In het tweede lid van dit artikel worden alle instructieregels en instructies waaraan moet worden getoetst bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van overeenkomstige toepassing verklaard op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend. Ook dit vindt zijn oorsprong in de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht moesten, los van de daarbij in acht te nemen regels uit het moederplan, ook de regels uit het voormalige Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de provinciale ruimtelijke verordening in acht worden genomen. Met het tweede lid wordt verzekerd dat ook bij de in het eerste lid geïntroduceerde mogelijkheid om binnenplans een vergunning te verlenen met toepassing van de regels die zijn gesteld voor een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, geen situatie ontstaat die niet is toegelaten op grond van een onder nieuw recht gestelde instructieregel of gegeven instructie.

Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

Ook in dit artikel zijn aanvullende beoordelingsregels gegeven. Deze aanvullende beoordelingsregels zien op twee specifieke overgangsrechtelijke situaties die verband houden met het feit dat de Omgevingswet niet langer een aanhoudingsplicht kent zoals die was geregeld in artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Die aanhoudingsplicht kon gelden vanwege een voorbereidingsbesluit dat was genomen ter voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan of vanwege een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan gold.

Toepassing van deze beoordelingsregels leidt ertoe dat, ondanks dat aan de beoordelingsregels uit artikel 22.29 wordt voldaan, de vergunning toch moet worden geweigerd als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft op grond van de in artikel 22.33 , eerste lid , genoemde bepalingen van de Invoeringswet Omgevingswet een nog onder oud recht genomen voorbereidingsbesluit van kracht is, of een tracébesluit of een besluit krachtens de Wet luchtvaart dat op grond van het oude recht gold als een zodanig voorbereidingsbesluit, of een onder oud recht gedane aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend omgevingsplan geldt. Op de plicht om in zo'n geval de vergunning te weigeren bestaat een uitzondering in het geval het bouwplan niet in strijd is met het omgevingsplan dat in voorbereiding is. Dit is vergelijkbaar met de situatie onder oud recht, waarin artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid bood de onder oud recht toepasselijke aanhoudingsplicht te doorbreken.

In praktische zin betekent de regeling dat onder nieuw recht aangevraagde omgevingsvergunningen voor het verrichten van een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk in een gebied waar een nog onder oud recht tot stand gekomen regime van voorbereidingsbescherming van toepassing is, respectievelijk dat onder oud recht als beschermd stads- of dorpsgezicht is aangewezen maar waarop nog geen voldragen beschermingsregime van toepassing is, in beginsel moeten worden geweigerd. Zo kan de vergunning dus worden geweigerd voor activiteiten die in de toekomst niet meer wenselijk worden geacht en onmogelijk zullen worden gemaakt met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. De vergunning kan ook worden geweigerd voor activiteiten waarvan het nog onvoldoende zeker is om te kunnen vaststellen of deze met het toekomstige omgevingsplan aanvaardbaar zullen blijven. Ten tijde van de te nemen beslissing op de aanvraag is het besluit tot wijziging van het omgevingsplan immers nog in voorbereiding en is het mogelijk nog onvoldoende vastomlijnd om te kunnen vaststellen of bepaalde activiteiten daarin uiteindelijk zullen worden toegestaan. Een andere mogelijkheid in zo'n geval kan overigens ook zijn om met instemming van de aanvrager, met toepassing van artikel 4:15, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, de beslistermijn op te schorten tot een moment waarop de voorbereiding zich in een zodanig stadium bevindt dat wel kan worden vastgesteld hoe het bouwplan zich verhoudt tot het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. Gewezen wordt in dat verband op het tweede lid , dat de mogelijkheid biedt om de vergunning toch te verlenen als kan worden vastgesteld dat de betrokken activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. In het laatste geval zal een dergelijk omgevingsplan onder meer moeten voorzien in op de karakteristieken van het beschermde stads- of dorpsgezicht afgestemde beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Zie ook artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Met dit tweede lid wordt een vergelijkbare voorziening getroffen als in het al eerder genoemde artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Verschil is echter dat met het tweede lid niet de toepasselijke aanhoudingsplicht wordt doorbroken maar dat in plaats van de vergunning te moeten weigeren, de mogelijkheid is gegeven om de vergunning, onder de vergelijkbare condities dat de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan, toch te verlenen. Voor een meer uitgebreide toelichting op de gevolgen van het vervallen van de aanhoudingsplicht op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt verwezen naar de toelichting bij de tweede nota van wijziging van het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet (Kamerstukken II 2018/19, 34986, nr. 9, p. 35-42).

Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Dit artikel is voor de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit de voortzetting van de regeling in artikel 2.22, tweede lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de gevallen, bedoeld in artikel 22.26 . Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarin de mogelijkheid tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg afhankelijk was gesteld van een expliciete regeling in het bestemmingsplan.

Op het verbinden van deze voorschriften is artikel 22.303 , eerste lid , van overeenkomstige toepassing. Dat artikellid omschrijft nader welke voorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval kunnen worden verbonden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid als bedoeld in artikel 22.284 , eerste lid , die van invloed is op een archeologisch monument. Gelet op deze van overeenkomstige toepassing verklaring wordt hier verder volstaan met een verwijzing naar artikel 22.303 en de toelichting daarop.

Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk. De aanvraagvereisten zijn grotendeels ontleend aan de artikelen uit de voormalige Regeling omgevingsrecht met aanvraagvereisten vanwege planologische voorschriften en stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening en vanwege redelijke eisen van welstand, voor zover deze eisen onder de Omgevingswet nog relevant zijn voor in het omgevingsplan geregelde bouwactiviteiten. Anders dan in de Regeling omgevingsrecht zijn deze aanvraagvereisten in artikel 22.35 geregeld in één artikel, omdat alle genoemde aspecten, inclusief de redelijke eisen van welstand, onder de Omgevingswet worden geregeld in het omgevingsplan. Voor de redelijke eisen van welstand wordt in dit verband verwezen naar de beoordelingsregel in artikel 22.29 , eerste lid , aanhef en onder b, van dit omgevingsplan. Aan de aanvraagvereisten is verder toegevoegd de eis dat een opgave van de bouwkosten wordt gedaan. De bouwkosten vormen doorgaans de grondslag voor de legesberekening voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In de voormalige Regeling omgevingsrecht was in de algemene aanvraagvereisten geregeld dat van de kosten van de werkzaamheden van de te verrichten activiteiten opgave wordt gedaan. In de Omgevingsregeling komt dit als algemeen aanvraagvereiste niet meer voor. Daarom moet dit bij een activiteit waarvoor dit van belang is, zoals de in dit artikel bedoelde omgevingsplanactiviteit, bij de specifieke aanvraagvereisten voor die activiteit worden geregeld.

Onderdeel j

Bij een aanvraag om een vergunning voor het bouwen wordt een bodemonderzoek overgelegd. Dit bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem is overschreden. In dat geval zijn sanerende of andere beschermende maatregelen een voorwaarde voor het bouwen ( artikel 22.29 , derde lid, en 22.30 ).

Dit is een voortzetting van artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de lokale bouwverordening.

Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

In dit artikel is geregeld dat de onderdelen van artikel 2 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, die niet langer landelijk uniform vergunningvrij zijn op grond van het Bbl, op grond van het omgevingsplan onder dezelfde voorwaarden vergunningvrij zijn. Het betreft hier de bijbehorende bouwwerken en erf- en perceelafscheidingen hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter. Met dit artikel wordt geregeld dat het bouwen, in stand houden en gebruiken van deze bouwwerken, mits voldaan wordt aan de hierbij gegeven randvoorwaarden, van rechtswege in overeenstemming is met het omgevingsplan. In combinatie met artikel 22.27 , waarin deze bouwwerken eveneens zijn aangewezen, leidt dit ertoe dat deze bouwwerken zonder vergunning zijn toegelaten op grond van het omgevingsplan. Er is geen binnenplanse vergunning en ook geen buitenplanse vergunning voor deze bouwwerken nodig. De vergunningplicht, bedoeld in artikel 22.26 , is immers niet van toepassing omdat de bouwwerken zijn aangewezen in artikel 22.27 . Evenmin is een andere binnenplanse vergunningplicht of een buitenplanse vergunningplicht aan de orde, omdat hier wordt bepaald dat de aangewezen bouwwerken van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. Dit betekent ook dat een omgevingsvergunning die is vereist op grond van een eventuele in het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen bepaling dat voor een activiteit van een bepaalde regel (zoals bijvoorbeeld een toegelaten bouwhoogte) bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken, niet nodig is.

Een uitzondering geldt voor de in de aanhef van het artikel opgenomen regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan. Dit betreft de omgevingsplanregels van rijkswege, afkomstig uit onder meer het Bouwbesluit 2012, de Woningwet en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze regels, die ook betrekking kunnen hebben op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zijn onverminderd van toepassing. Zo geldt voor deze bouwwerken bijvoorbeeld onverminderd het repressieve welstandsvereiste uit artikel 22.7. Als een bouwwerk in strijd zou zijn met één of meer van deze regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en dus een omgevingsvergunning vereist.

Bijzondere vermelding verdient nog het in dit artikel in onderdeel c aangewezen gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Omdat het hier slechts gaat om gebruik van een bestaand bouwwerk en niet om het bouwen, in stand houden en gebruiken van een te bouwen bouwwerk, is de vergunningplicht uit artikel 22.26 op deze activiteit niet van toepassing en hoeft deze activiteit dus ook niet te worden aangewezen in artikel 22.27. De aanwijzing in artikel 22.36 leidt ertoe dat een binnenplanse noch buitenplanse vergunning nodig is voor gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen

Dit artikel bevat de specifieke bepalingen voor bijbehorende bouwwerken, zoals die waren opgenomen in artikel 7 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Inhoudelijk zijn deze bepalingen ongewijzigd.

Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed

Dit artikel bevat uitzonderingen en randvoorwaarden voor het vergunningvrij bouwen als bedoeld in 6 artikel 22.36 . Deze uitzonderingen waren in artikel 4a van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht opgenomen. Het gaat om uitzonderingen voor (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.

Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid

Dit artikel bevat uitzonderingen op de mogelijkheden om vergunningvrije activiteiten als bedoeld in artikel 22.36 te verrichten vanwege het belang van de externe veiligheid. Deze uitzonderingen waren opgenomen in artikel 5, derde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Hieraan ligt ten grondslag de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste een op de miljoen per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van artikel 5.7 van het Bkl in een omgevingsplan in acht moet worden genomen. Voor zover artikel 22.36 betrekking heeft op die gebouwen - de onderdelen a en c - is het niet wenselijk dat op locaties waar door de in die onderdelen bedoelde activiteiten overschrijding van de norm voor het plaatsgebonden risico aan de orde zou kunnen zijn, vergunningvrij de in die onderdelen bedoelde activiteiten zouden kunnen worden verricht.

De locaties waar deze activiteiten niet mogelijk zijn, zijn in de eerste plaats de locaties waarvoor het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zelf al vanwege de overschrijding van het plaatsgebonden risico bouwmogelijkheden die kunnen leiden tot kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen niet toelaat. Het gaat hier om artikel 22.39, onder a en b, dat een omzetting is van artikel 5, derde lid, onder a en b, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De verwijzing naar dit omgevingsplan is hier uitdrukkelijk beperkt tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, dat kort samengevat bestaat uit de onder het voormalige recht geldende planologische regelingen. Dit omdat die regelingen uitgaan van de in de desbetreffende onderdelen van artikel 5, derde lid, gehanteerde begrippen en systematiek, die onder de Omgevingswet anders zijn. Het is aan gemeenten om daar bij het vaststellen van het omgevingsplan toepassing aan te geven. Hierop kan niet in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet worden vooruitgelopen.

Artikel 22.39, onder c, zondert daarnaast ook vergunningvrije activiteiten als bedoeld in artikel 22.36, onder a en c, uit, als de beoogde locatie voor die activiteiten is gelegen binnen afstanden die degene die een vergunningvrije milieubelastende activiteit verricht op grond van het Bal in verband met het plaatsgebonden risico in acht moet nemen. Het gaat dan om de afstanden tussen bepaalde installaties of opslagvoorzieningen waar met stoffen wordt gewerkt die een veiligheidsrisico voor de omgeving met zich kunnen brengen en te beschermen gebouwen en locaties. Op grond van het Bal geldt als hoofdregel dat veiligheidsafstanden zoals hier bedoeld gelden tot de begrenzing van de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht. Hierdoor zijn er ook geen beperkingen aan de gebruiksruimte buiten die begrenzing. Maar het Bal staat in een aantal situaties afwijking van deze regel toe. Onderdeel c is alleen voor die gevallen van praktisch belang. De zinsnede 'voor zover ... van toepassing is' in de verschillende subonderdelen van artikel 22.39, onder c, brengt dat tot uitdrukking. Degene die een milieubelastende activiteit als hier bedoeld verricht, moet op grond van het Bal op het moment dat de veiligheidsafstanden van toepassing worden buiten de locatie waar hij zijn activiteit verricht, het bevoegd gezag daarover informeren. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat deze gegevens terecht komen in het landelijk register externe veiligheidsrisico's en aldus voor eenieder kenbaar zijn.

Bij de opsomming van activiteiten in artikel 22.39, onder c, is aangesloten bij de opsomming van activiteiten in bijlage VII, onder A, bij het Bkl. Dat onderdeel van die bijlage geeft voor de daarin genoemde vergunningvrije milieubelastende activiteiten uit het Bal vastgestelde afstanden waarbij wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. De opgesomde activiteiten, zoals die in artikel 22.39, onder c, onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit het Bal zijn overgenomen, omvatten zes activiteiten die niet worden genoemd in artikel 5, derde lid, onder c, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de subonderdelen 2°, 5°, 6°, 7°, 12° en 13°. Voor de activiteit, bedoeld in subonderdeel 2° (het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG), heeft dat als achtergrond dat deze activiteit onder het recht voor de Omgevingswet nog vergunningplichtig was. Door de verschuiving van vergunningplichtig naar vergunningvrij moet de activiteit nu aan de opsomming in artikel 22.39, onder c, worden toegevoegd. Voor de overige toegevoegde activiteiten is gelet op het belang van de externe veiligheid evenmin aanleiding om deze voor de toepassing van  artikel 22.39, onder c, buiten beschouwing te laten.

Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Met dit artikel wordt gecodificeerd dat het overgangsrecht voor bouwwerken, zoals dat in bestemmingsplannen moest zijn opgenomen op grond van artikel 3.2.1 van het voormalige Besluit ruimtelijke ordening en dat betrekking had op de voorwaarden waaronder de in dat artikel bedoelde bouwwerken mogen worden vernieuwd of veranderd, ook voorziet in het in stand mogen houden van die bouwwerken. Het uitdrukkelijk regelen van het in stand mogen houden van die bouwwerken, is een logisch gevolg van het codificeren dat de vergunningplicht in de bruidsschat voor de bouwactiviteit ook ziet op het in stand houden van het te bouwen bouwwerk. In paragraaf 3.2.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet is hierop ingegaan. Het in stand mogen houden van een bouwwerk wordt hiermee onder het nieuwe recht uitdrukkelijk geregeld. Voor de bouwwerken die onder het planologisch overgangsrecht vielen zoals opgenomen in voormalige bestemmingsplannen, welk overgangsrecht met de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel is geworden van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, treden hiermee geen veranderingen op. Ook bij het vaststellen van nieuwe regels over bouwwerken in het omgevingsplan ligt het, zoals al toegelicht in paragraaf 3.2.2, in de rede dat wordt gekozen voor eerbiedigende overgangsbepalingen. In het nieuwe stelsel wordt het echter mogelijk om onder omstandigheden ook minder eerbiedigende vormen van overgangsrecht te kiezen.

Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik

In dit artikel staat het algemeen toepassingsbereik dat geldt voor de hele afdeling 22.3 . 

 Alle paragrafen in deze afdeling zijn ook voorzien van een toepassingsbereik. Dat betekent dat voor beantwoording van de vraag of een regel uit deze afdeling wel of niet geldt, getoetst moet worden of een activiteit valt binnen het algemene toepassingsbereik zoals staat in dit artikel. Als dat niet het geval is, is de gehele afdeling niet van toepassing. Ook niet als de activiteit past binnen de omschrijving van het toepassingsbereik in een van de paragrafen van deze afdeling.

Eerste lid

In het eerste lid zijn milieubelastende activiteiten als bedoeld in de Omgevingswet onder het toepassingsbereik van deze afdeling gebracht. Dit zijn dus alle activiteiten die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, anders dan lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk en wateronttrekkingsactiviteiten.

Tweede lid

De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.

Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.

Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.

Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.

Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat: 

 a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt; 

 b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico's voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.

Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de 'onderkant' van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.

Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.

Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.

Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd. De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria 'een omvang alsof zij bedrijfsmatig is', 'binnen een zekere begrenzing' en 'pleegt te worden verricht' binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.

Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.

Onderdeel a

De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.

Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto's, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium 'een omvang alsof zij bedrijfsmatig is' ook altijd een grijs gebied.

Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.

Onderdeel b

Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 22.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk ( artikel 22.18 ). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.

Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.

Onderdeel c

Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.

Onderdeel d

Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.

Onderdeel e

Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.

Onderdeel f

Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Onderdeel g

Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan.

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Derde lid

Lozingen in de bodem en in de riolering die vielen onder het Besluit lozing afvalwater huishoudens of het Besluit lozen buiten inrichtingen (en de daarmee corresponderende artikelen van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer) worden ook gedecentraliseerd en vallen daarom onder het toepassingsbereik van deze afdeling. Het gaat alleen om de gevolgen van die lozingen voor de bodem, de riolering of het zuiveringtechnisch werk. Zo valt bijvoorbeeld de hoeveelheid en kwantiteit van het lozen van water afkomstig van het ontwateren van een bouwput in de riolering, wel onder de regels van deze afdeling, maar de geluidhinder of geurhinder veroorzaakt door het ontwateren niet.

Vierde lid

De regels voor bodembeheer, zoals opgenomen in paragraaf 22.3.7 gelden voor alle milieubelastende activiteiten zoals bedoeld in de Omgevingswet. De voorschriften gelden dus ook voor milieubelastende activiteiten buiten voormalige wet milieubeheer-inrichtingen.

Artikel 22.42 Oogmerken

Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de milieubelastende activiteiten in dit (tijdelijke) omgevingsplan zijn gesteld. De wet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 22.42 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 22.42 werkt ook door in de bevoegdheden van bestuursorganen tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de toelichting op artikel 22.45 .

Het artikel sluit aan bij de oogmerken van artikel 4.22 van de Omgevingswet, voor het stellen van rijksregels. Het artikel bouwt voort op de te beschermen belangen die in artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer zijn genoemd. Onderdeel c van dit artikel benoemt enkele milieuthema's, maar ook andere milieuaspecten zoals geluid, trillingen en geur vallen onder de oogmerken van deze afdeling.

Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken of milieuthema's een rol spelen, en zullen zeker niet alle milieuaspecten bij een activiteit terugkomen in meer uitgewerkte regels. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in dit omgevingsplan zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht.

Artikel 22.43 Normadressaat

De regels van deze afdeling zijn gericht tot degene die de activiteit verricht waarop die regels betrekking hebben. Diegene moet zorg dragen voor de naleving van de regels die voor de activiteit gelden. Kortheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 2.3.2 over de normadressaat van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal.

Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht

De specifieke zorgplicht zorgt ervoor dat degene die een activiteit verricht, alles moet doen en laten om negatieve gevolgen voor de veiligheid, het milieu en de gezondheid te voorkomen. Soms lukt voorkomen niet. Dan moet hij ervoor zorgen dat er zo min mogelijk negatieve gevolgen voor het milieu en de gezondheid zijn.

Deze specifieke zorgplichtbepaling komt grotendeels overeen met de specifieke zorgplichtbepaling in het Bal. Dit artikel geldt daarom niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Dit is bepaald in het vierde lid. Voor meer informatie over de inhoud en werking van de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar paragraaf 3.1 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal.

De specifieke zorgplichten die in dit artikel zijn opgenomen, blijven gelden naast de algemene regels van deze afdeling in dit omgevingsplan, eventuele maatwerkvoorschriften en de vergunningplichten die in deze afdeling zijn opgenomen.

Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie het navolgende artikel) maar dat hoeft niet. Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Bal[2].

Deze specifieke zorgplicht vervangt onder meer artikel 2.7a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer dat ging over geurhinder. Dit houdt in dat als bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, daarbij de geurhinder bij het geurgevoelige gebouw tot een aanvaardbaar niveau moet worden beperkt. Wat aanvaardbaar is, hangt af van de situatie. Hierbij kan rekening gehouden worden met onder meer de volgende aspecten:

  • de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;

  • de geurbelasting ter plaatse van het geurgevoelige gebouw;

  • de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de activiteit;

  • de historie van degene die de activiteit verricht en het klachtenpatroon over geurhinder;

  • de bestaande en verwachte geurhinder van de activiteit; en

  • de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Deze specifieke zorgplicht geldt naast de verplichtingen die in de paragrafen en subparagrafen van deze afdeling zijn gesteld voor het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder.

Derde lid

Nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de activiteit betreffen hinder door bezoekersverkeer en indirecte geluidhinder.

Bezoekersverkeer is het bezoek van klanten of bezoekers aan een activiteit. De Handreiking Vervoermanagement (november 2017) geeft inzicht in de wijze waarop invulling gegeven kan worden aan dit aspect van de specifieke zorgplicht. Daarnaast legt de handreiking de relatie met de EED, the European Energy Efficiency Directive en hoe daar mee om te gaan. De verschillende doelgroepen krijgen met deze handreiking meer inzicht in de mogelijkheden voor een 'integrale' aanpak van duurzame mobiliteit.

Onder indirecte geluidhinder wordt geluidhinder verstaan die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt, maar die wel aan die activiteit zijn toe te rekenen. In de toelichting bij artikel 22.56(geluid: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit) wordt nader ingegaan op het verschil tussen directe geluidhinder en indirecte geluidhinder.

Het bevoegd gezag heeft op grond van artikel 22.45 de bevoegdheid maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften kunnen ook inhouden dat de activiteiten worden beschreven en dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht om de mate waarin nadelige gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt, te bepalen. De resultaten van een dergelijk onderzoek kunnen aanleiding zijn aanvullende maatwerkvoorschriften te stellen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen voor het milieu, zoals het voorschrijven van maatregelen en gedragsvoorschriften. Bij het stellen van maatwerkvoorschriften ter voorkoming van indirecte geluidhinder vanwege wegverkeer kan de circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, getiteld 'Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer' als hulpmiddel dienen. Dit is niet veranderd ten opzichte van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Voor een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal, stonden in artikel 21 van het voormalige Besluit algemene regels milieu mijnbouw en artikel 4 van de voormalige Regeling algemene regels milieu mijnbouw, regels over geluid door verkeersbewegingen. Deze regels hielden in dat de etmaalwaarde van de verkeersbewegingen van en naar de mobiele installatie niet hoger was dan 50 dB(A), beoordeeld volgens de hierboven genoemde circulaire van 29 februari 1996. Deze regels komen niet expliciet terug in deze afdeling, maar vallen wel onder de specifieke zorgplicht van dit omgevingsplan, bedoeld in dit derde lid.

Anders dan bij de plichten uit het tweede lid van dit artikel, geldt de zorgplicht uit dit derde lid ook voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Niet voor alle nadelige gevolgen van milieubelastende activiteiten voor de fysieke leefomgeving zijn rijksregels gesteld in het Bal. Anders dan in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, onderdeel k en q) maken de nadelige gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar een activiteit en de bescherming van het donkere landschap geen onderdeel uit van de belangen die met het Bal worden behartigd. Voor de belangen die buiten het Bal vallen, kunnen voor het waarborgen van deze belangen op decentraal niveau regels worden gesteld. In dit artikel is dit gedaan, door in het  derde lid het voorkomen of beperken van hinder, veroorzaakt door verkeer van en naar de activiteit en het beschermen van de duisternis en het donkere landschap op te nemen.

Vierde lid

Voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 van het Bal. Daarom is in het vierde lid bepaald dat het eerste en tweede lid van dit artikel niet gelden voor dergelijke milieubelastende activiteiten. Het derde lid geldt wel voor milieubelastende activiteiten die onder het Bal vallen. In het derde lid zijn immers aspecten genoemd die niet behoren tot het oogmerk van de regels in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Bal.

Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften

In dit artikel is de bevoegdheid opgenomen om maatwerkvoorschriften te stellen. De beperkingen die het Activiteitenbesluit milieubeheer stelde aan de mogelijkheden voor maatwerkvoorschriften, zijn daarbij niet overgenomen. Dit sluit aan bij de systematiek van het Bal. Het is niet logisch om beperkingen op te leggen aan het stellen van maatwerkvoorschriften, omdat die beperkingen altijd omzeild kunnen worden via een buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Met een maatwerkvoorschrift mag niet worden afgeweken van de specifieke zorgplicht, zoals opgenomen in artikel 22.44 . Daarmee zou namelijk buiten de oogmerken van deze afdeling worden getreden. Wel mag er met maatwerkvoorschriften invulling gegeven worden aan de specifieke zorgplichten van deze afdeling. Maatwerk houdt altijd rekening met de oogmerken uit artikel 22.42 en mag daar niet mee in strijd zijn.

Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift volgt het bevoegd gezag de instructieregels van het Bkl. Voorbeeld: Dit omgevingsplan bepaalt voor verschillende situaties dat onversterkt stemgeluid niet meegenomen wordt in de beoordeling van de toelaatbare geluidwaarde. Een gemeente kan niet zomaar voorschrijven dat onversterkt stemgeluid toch meegenomen wordt bij de beoordeling van de geluidwaarde. Het Bkl stelt namelijk in artikel 5.73 (uitzonderingen geluidbronnen) dat dit in de meeste gevallen niet kan.

Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als op grond van een paragraaf in deze afdeling van dit omgevingsplan, gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag worden verstrekt, worden die gegevens begeleid door een aantal algemene gegevens. De plicht om gegevens te verstrekken vloeit niet voort uit dit artikel. Die plicht is namelijk per activiteit opgenomen in de paragrafen van deze afdeling. Als in een paragraaf van deze afdeling het verstrekken van gegevens en bescheiden is voorgeschreven, bijvoorbeeld vóórdat wordt begonnen met die activiteit, wordt daarbij om specifieke gegevens gevraagd. Die gegevens worden dan verstrekt in aanvulling op de algemene gegevens uit dit artikel.

Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

Het eerste lid van artikel 22.47 regelt dat een naamswijziging of adreswijziging wordt doorgegeven aan het bevoegd gezag vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene wil immers dat correspondentie van het bevoegd gezag op het juiste adres aankomt. Het tweede lid regelt dat bij overdracht van de activiteit naar iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Bijvoorbeeld omdat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.

Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders

Dit artikel regelt dat gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt aan het bevoegd gezag, als dat bevoegd gezag die gegevens en bescheiden nodig heeft om voor een specifieke activiteit of een specifieke locatie te beoordelen of de algemene regels en eventuele maatwerkvoorschriften die voor die activiteit of die locatie gelden, nog volstaan. Het gaat om gegevens en bescheiden waar het bevoegd gezag om vraagt. Degene die de activiteit verricht hoeft dus niet uit eigen beweging gegevens of bescheiden op te sturen; al staat dat natuurlijk vrij.

Het gaat in dit artikel alleen om de situatie dat het bevoegd gezag wil bekijken of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit nog toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de gezondheid en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. Bij ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu kan gedacht worden aan het beschikbaar komen van nieuwe passende preventieve maatregelen of de actualisatie van de beste beschikbare technieken. De ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu kunnen bijvoorbeeld aan de orde zijn als er door cumulatie van activiteiten een verslechtering van de kwaliteit van lucht, veiligheid, geluid, oppervlaktewater of grondwater optreedt. Met deze formulering is aangesloten op dezelfde regeling voor vergunningplichtige gevallen, zoals opgenomen in artikel 16.56 in combinatie met artikel 5.38 van de Omgevingswet. Zie de artikelsgewijze toelichting op die artikelen voor verdere uitleg over 'ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu' en 'ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu'. Gegevens waarover degene die de activiteit uitvoert niet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, hoeven uiteraard niet te worden verstrekt.

Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval

Zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval moet het bevoegd gezag direct worden geïnformeerd; vertraging is gezien de gevolgen voor de gezondheid en het milieu niet wenselijk. Het gaat hier om voorvallen met een duidelijk negatief gevolg voor het milieu. Voor deze ongewone voorvallen bevat de Omgevingswet in hoofdstuk 19 regels gericht tot bestuursorganen.

De definitie in de Omgevingswet beperkt ongewone voorvallen tot afwijkende gebeurtenissen die significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen hebben. In navolging daarvan verplicht de regeling in dit omgevingsplan er niet toe om het bevoegd gezag te informeren over gebeurtenissen die afwijken van het normale verloop van een activiteit maar die geen significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben. Zie voor verdere uitleg over ongewone voorvallen afdeling 3.6 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal.

Het tweede lid bepaalt dat de informatieplicht niet geldt bij milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en bij wonen. Het Bal bevat zelf al een informatieplicht voor ongewone voorvallen. Ongewone voorvallen bij de activiteit wonen komen zelden voor, en ook in het oude recht gold daarvoor geen informatieplicht.

Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

In dit artikel is omschreven welke gegevens en bescheiden over het ongewoon voorval aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt, zodra deze informatie beschikbaar is. Dat hoeft dus niet met dezelfde spoed als het informeren over het ongewone voorval zelf.

Artikel 22.51 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten die in afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal aangewezen zijn als milieubelastende activiteiten. Voor die activiteiten gelden de artikelen van paragraaf 5.4.1 van het Bal.

De milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in afdeling 3.2 van het Bal, de bedrijfstakoverstijgende activiteiten, vallen wel onder deze paragraaf van dit omgevingsplan. De activiteiten van afdeling 3.2 van het Bal waren onder het oude recht zelden een zelfstandige inrichting, maar meestal onderdeel van een grotere inrichting. Onder het stelsel van de Omgevingswet zijn ze meestal onderdeel van een grotere milieubelastende activiteit. Activiteiten, anders dan de activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal, zijn ofwel geregeld in het Bal in de afdelingen 3.3 en verder, ofwel in het omgevingsplan.

Als een richtingaanwijzer in het Bal de energiemodule aanwijst voor een bepaalde activiteit en daarbij ook een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal plaatsvindt, dan is de energiemodule ook van toepassing op de activiteit uit afdeling 3.2, die dan immers een functioneel ondersteunende activiteit is.

De regels van deze paragraaf gelden voor milieubelastende activiteiten waarbij het energieverbruik van alle milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de milieubelastende activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar, gezamenlijk gelijk is aan of groter dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m 3 aardgasequivalenten aan brandstoffen. Hierbij moeten de activiteiten die in afdeling 3.2 van het Bal zijn geregeld ook worden meegenomen. Dus als bijvoorbeeld een supermarkt of horecagelegenheid een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal verricht, dan gelden ook daarvoor de energiebesparingsregels van dit omgevingsplan, tenzij het energieverbruik van de activiteiten op de locatie, gezamenlijk niet boven de drempel uitkomt.

Activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal die zelfstandig boven de drempel kunnen uitkomen, zoals de zuiveringsvoorziening uit paragraaf 3.2.17 van het Bal, waren in de regel onder het oude recht een inrichting, zodat het logisch is dat daarvoor de energiebesparingsregels uit dit omgevingsplan gelden.

Overigens is de gelding van deze paragraaf beperkt tot 1 december 2023. Dit hangt samen met het beleidsvoornemen om in het kader van de voorziene regelgeving over de actualisatie van de energiebesparingsplicht alsnog op rijksniveau ook voor bepaalde milieubelastende activiteiten die niet zijn aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal regels over energiebesparing te stellen. Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 in artikel 22.52 , vierde lid , dat betrekking heeft op de verplichting energiebesparende maatregelen te treffen, is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor genoemde voorziene regelgeving. Ook de gelding van artikel 22.52a, dat betrekking heeft op het overgangsrecht voor de regels over energiebesparing zoals deze golden onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, is gekoppeld aan deze datum. Als een gemeente voor 1 december 2023 is overgegaan tot aanpassing van artikel 22.52 of 22.52a van dit omgevingsplan, zal na die datum op grond van de geactualiseerde regels over energiebesparing in het Bal moeten worden bezien of deze regels in het omgevingsplan kunnen blijven voortbestaan als maatwerkregel.

De regels in deze paragraaf, die betrekking hebben op zogeheten procesgebonden energiebesparende maatregelen, laten onverlet de regels over de zogeheten gebouwgebonden energiebesparende maatregelen, zoals deze zijn gesteld in de artikelen 3.84, 3.84a en 3.84b van het Bbl.

Artikel 22.52 Energie: maatregelen

Dit artikel vervangt artikel 2.15 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze paragraaf is overgenomen uit paragraaf 5.4.1 van het Bal. Zie de bij die paragraaf horende toelichting voor een uitleg van deze artikelen.

Het bevoegd gezag kan, als aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan dit artikel, met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan een onderzoek verlangen waaruit blijkt of aan dit artikel wordt voldaan.

Bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling bevat energiebesparende maatregelen die kunnen worden getroffen.

Artikel 22.52a Energie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht

Dit artikel bevat overgangsrecht voor milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van paragraaf 22.3.2 van dit omgevingsplan vallen en waarvoor al op grond van het recht voor de Omgevingswet – in concreto artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer – door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht aan het bevoegd gezag is verstrekt of had moeten worden verstrekt.

Dit overgangsrecht heeft in de eerste plaats tot gevolg dat tot 1 december 2023 kan worden volstaan met het treffen van de energiebesparende maatregelen, bedoeld in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is inclusief de bijbehorende regels en bijlagen uit afdeling 2.5 van de Activiteitenregeling milieubeheer, zoals de lijst met erkende energiebesparende maatregelen, de rekenmethode voor de terugverdientijd en de rekenmethode voor de hoeveelheid aardgasequivalent. In artikel 22.52a , tweede lid , is in dat licht gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid van het artikel, artikel 22.52 op de betreffende milieubelastende activiteiten niet van toepassing verklaard.

Daarnaast volgt uit dit overgangsrecht dat als voor een onder het toepassingsbereik vallende milieubelastende activiteit die is gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht had moeten worden verstrekt, maar dat nog niet is gebeurd, tot 1 december 2023 nog steeds in overeenstemming met de daaraan in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde eisen aan de informatieplicht moet worden voldaan.

Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 als einddatum voor het overgangsrecht is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor in de toelichting bij artikel 22.51 genoemde voorziene regelgeving.

Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil

Dit artikel is een nadere invulling van de specifieke zorgplicht uit dit omgevingsplan of uit artikel 2.11 van het Bal. Anders dan onder het oude recht, geldt dit artikel ook voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. 

 De voorrangsbepaling van artikel 22.1 , tweede lid van dit omgevingsplan is ook relevant voor deze vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Als het aspect zwerfafval bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet al in een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is geregeld, is deze omgevingsplanregel niet van toepassing.

Artikel 22.54 Toepassingsbereik

Eerste lid

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw. Alleen geluidgevoelige gebouwen die op een locatie toegelaten zijn op grond van het omgevingsplan of via een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, worden beschermd tegen het geluid veroorzaakt door een activiteit.

Activiteiten

Dit artikel geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude Wet milieubeheer begrip inrichting te vangen. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41 , tweede lid . De geluidvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer- inrichtingen.

Dat betekent dat het geluid door activiteiten die buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling vallen, niet hoeft te voldoen aan de bepalingen van deze geluidparagraaf. Voor die activiteiten blijven op grond van artikel 22.4 van de Omgevingswet onder meer de regels gelden over geluidhinder uit de Algemene Plaatselijke Verordening.

Ook is er in artikel 22.1 van dit omgevingsplan een algemene voorrangsbepaling opgenomen. Het eerste lid van dat artikel bevat een voorrangsregel voor geluidregels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet, voor zover die regels afwijken van de geluidregels in deze paragraaf van dit omgevingsplan. Een voorbeeld hiervan zijn afwijkende geluidwaarden in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet.

Het tweede lid van artikel 22.1 van dit omgevingsplan bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend. De geluidvoorschriften uit die vergunningen krijgen voorrang op de geluidregels in dit omgevingsplan.

Geluidgevoelig gebouw en geluidgevoelige ruimte

Onder de Omgevingswet zijn begrippen geüniformeerd. Dat betekent dat voor sommige begrippen een nieuwe definitie geldt. Meestal is daar geen beleidsmatige verandering in bedoeld, maar soms kan de nieuwe definitie wel een iets andere uitwerking hebben. Zo wordt niet meer gesproken over een gevoelig gebouw of een gevoelig object. In plaats daarvan wordt gesproken over een geluidgevoelig gebouw.

Of een gebouw geluidgevoelig is, is afhankelijk van de gebruiksfuncties van dat gebouw. Zo wordt onder de Omgevingswet gesproken van een gebouw met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, in plaats van over een woning.

In bestemmingsplannen werden specifieke ruimtes vaak niet bestemd. Het hele gebouw heeft dan dezelfde bestemming. Hierdoor kan in bestaande situaties een verandering ontstaan in de plaats waar de geluidwaarde geldt. Denk aan een aan- of inpandige garage, die wel een nevengebruiksfunctie van wonen heeft, maar geen verblijfsruimte is. De geluidwaarde geldt dan op de gevel van die garage.

Overigens is het begrip geluidgevoelige ruimte in het Bkl ook anders gedefinieerd dan in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m 2 . Die ondergrens van 11 m  vervalt. Een geluidgevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de aangewezen gebruiksfuncties.

In de praktijk kunnen zodoende kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.

Tweede lid, onderdeel b

Met dit artikel wordt bepaald dat het geluid van een activiteit niet geldt op een geluidgevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten. 

 De aanwezigheid van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw kan wel aanleiding zijn voor het (met maatwerk) opleggen van een andere waarde dan de standaardwaarde of voor het opleggen van maatregelen of gedragsvoorschriften. De specifieke zorgplicht voor een milieubelastende activiteit is ook van toepassing op geluid door een activiteit op deze tijdelijke geluidgevoelige gebouwen.

Tweede lid, onderdeel c

Een gevel kan bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen met toepassing van de artikelen 5.78y of 5.78aa van het Bkl, als niet-geluidgevoelige gevel in het omgevingsplan worden aangemerkt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 5.78y en 5.78aa in het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Deze niet-geluidgevoelige gevels vervangen in het nieuwe stelsel de gevels die onder de voormalige Wet geluidhinder als 'doof' werden aangemerkt of waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en- milieubenadering werd afgeweken van de wettelijke norm.

In het overgangsrecht van het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet is in artikel 12.17 bepaald dat onder 'niet-geluidgevoelige gevel' ook wordt verstaan een gevel die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangemerkt als zogenoemde 'dove gevel', evenals een gevel waarvoor de Interimwet stad-en-milieubenadering is toegepast. Ook die gevels blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet geluidgevoelig.

Derde lid, onderdeel a

Voor activiteiten met verplaatsbare mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal worden geluidwaarden gesteld in paragraaf 4.109 'Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk' van het Bal.

Derde lid, onderdeel b

Geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen valt niet onder de regels van deze paragraaf. Andere geluiden door een spoorwegemplacement, zoals geluid door het wassen van de treinwagons, vallen wel onder deze paragraaf. 

 Voor het geluid door wegverkeersbewegingen van en naar een spoorwegemplacement geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 22.44 , derde lid , onder a, van dit omgevingsplan.

Vierde lid

Een winkel was onder het oude recht vaak geen Wet milieubeheer-inrichting. De regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden daarom niet voor activiteiten bij detailhandel. Winkels vielen wel onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer als de volgende installaties aanwezig waren:

  • elektromotoren met een opgeteld vermogen groter dan 1,5 kW (bijvoorbeeld in automatische rolluiken of airco's); of

  • stookinstallaties met een opgeteld thermisch vermogen van meer dan 130 kW.

Met dit artikel wordt voorkomen dat de geluidwaarden uit deze paragraaf gaan gelden voor die winkels waarvoor de geluidnormen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet golden. Wel geldt voor deze winkels de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan.

Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid

De uitzondering in artikel 22.54, tweede lid, onder b, voor een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw, geldt alleen voor een geluidgevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm 'aanvaardbaar' uit artikel 5.59, tweede lid van het Bkl.

Voor een geluidgevoelig gebouw dat al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten geldt de uitzondering niet. Zo'n gebouw valt wel binnen het toepassingsbereik van deze paragraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid door een activiteit op de gevel van een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw.

De reden voor het uitzonderen is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als geluidgevoelig gebouw.

Zie het schema in de volgende alinea voor een overzicht van de gevallen waarin een waarde voor geluid geldt bij verschillende situaties van geluidgevoelige gebouwen die tijdelijk toegelaten zijn versus activiteiten.

Tweede lid

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen geprojecteerde en in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is wel zo bij de instructieregels van het Bkl. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in omgevingsplannen, zou toetsing op een geprojecteerd gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. In de transitieperiode is dit ongewenst: voor rechtmatige bestaande situaties moeten niet ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is in de omgevingsplanregels van rijkswege, voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een geprojecteerd gebouw of een geluidgevoelig gebouw in aanbouw. Het uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat de initiatiefnemer onder dezelfde condities zijn activiteit moet kunnen blijven voortzetten. Als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten bij een bestaande activiteit, of een nieuwe activiteit begint bij een bestaand geluidgevoelig gebouw, gelden al wel de nieuwe regels. Dit verschil werkt ook door naar de omgevingsplanregels van rijkswege.

Schema: of waarden voor geluid gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen of tijdelijke geluidgevoelig gebouwen versus situatie activiteiten

 

Activiteiten

Geluidgevoelig gebouw

al rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

nog niet rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van hetomgevingsplan toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de geluidregels voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.

De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.58 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.

Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling over de milieubelastende activiteit uit te breiden. Bijvoorbeeld met het geluid van een landbouwvoertuig op een akker. Deze bepaling trekt die activiteit niet alsnog 'binnen' de activiteit.

Directe hinder, laden en lossen versus indirecte hinder

Ook activiteiten die niet hoofzakelijk op de locatie van het terrein van een bedrijf plaatsvinden, maar in de onmiddellijke nabijheid daarvan, kunnen onderdeel zijn van een activiteit in de zin van dit artikel. Dit wordt beschouwd als 'directe hinder'. Een voorbeeld hiervan zijn laad- en losactiviteiten die op de openbare weg worden uitgevoerd. Het geluid van dit laden en lossen moet dus ook voldoen aan de waarde voor geluid van een activiteit, zoals opgenomen in deze paragraaf. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen ook voor deze activiteiten in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting.

De geluidvoorschriften in deze paragraaf gelden dus voor het geluid dat beschouwd wordt als 'directe hinder'. Geluid, veroorzaakt door het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit (totdat het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld) wordt beschouwd als 'indirecte hinder'. Voor indirecte hinder geldt alleen de specifieke zorgplicht in artikel 22.44, derde lid van dit omgevingsplan. Zie ook de toelichting bij  artikel 22.44, derde lid.

Overigens was het onder het oude recht ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer laden en lossen overgaat in het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit. Deze omgevingsplanregels van rijkswege brengen hier geen verandering in.

Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden

Dit artikel is gebaseerd op artikel 5.60 van het Bkl. Kortheidshalve wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij dat besluit.

Onderdeel c

Net als voorheen worden de ligplaatsen van woonschepen en de standplaatsen van woonwagens beschermd tegen geluidhinder. Anders dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer worden woonschepen en woonwagens wel als geluidgevoelig gebouw aangemerkt en wordt daarvoor niet de aparte benaming 'gevoelige terreinen' gehanteerd. Dit artikel bepaalt vervolgens dat de waarden voor geluid voor woonschepen en woonwagens geldt op de grens van de locatie. Langs andere weg wordt daarmee hetzelfde bereikt.

In bijlage I bij het Bkl is een woonschip gedefinieerd als 'drijvende woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip'.

In bijlage I bij het Bbl wordt onder een woonwagen verstaan: woonfunctie op een locatie bestemd voor het plaatsen van een woonwagen.

Artikel 22.58 Geluid: functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn op geluid door een activiteit, op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.61 van het Bkl.

Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geluid op of in een geluidgevoelig gebouw, dat voorheen onderdeel was van de Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor het geluid door die agrarische activiteit op dat geluidgevoelige gebouw.

Het gebouw blijft wel beschermd tegen geluid, veroorzaakt door andere omliggende activiteiten.

Onderdeel a

Onderdeel a regelt dit voor zogenaamde 'plattelandswoningen' die als plattelandswoning zijn aangewezen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).

Onderdeel b

Onderdeel b regelt dit in het geval van een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

In een situatie als bedoeld onder b wordt in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor de woning waar het om gaat (of een ander geluidgevoelig gebouw) bepaald dat deze woning geen bescherming geniet in de vorm van geluidwaarden, tegen geluidhinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden.

Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de waarden voor geluid uit dit tijdelijke deel van het omgevingsplan, die gelden voor de agrarische activiteit, ook daadwerkelijk niet gaan gelden op de gevel van de naastgelegen woning, die nu geen functionele binding meer heeft.

Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.62 van het Bkl. Dat artikel biedt ruimere mogelijkheden bij geluidgevoelige gebouwen met een voormalige functionele binding. Deze ruimere mogelijkheden zijn niet opgenomen in de omgevingsplanregels van rijkswege.

Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.62 van het Bkl en paragraaf 2.3.8, onder 'Voormalige bedrijfswoningen', en paragraaf 8.1.3 onder 'Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties', van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.

Artikel 22.60 Geluid: onderzoek

Dit artikel is een voortzetting van artikel 1.11 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In dit artikel wordt bij een aantal activiteiten bepaald dat een rapport van een geluidonderzoek moet worden ingediend. Het gaat daarbij onder meer om het onder bepaalde omstandigheden ten gehore brengen van muziekgeluid en om transportactiviteiten in de avond- en nachtperiode (tussen 19.00 en 7.00 uur). In de gevallen waarvoor bij de specifieke bepalingen een plicht is opgenomen tot het indienen van een akoestisch rapport, leert de ervaring dat doorgaans problemen te verwachten zijn bij toetsing aan de geluidwaarden.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook een specifieke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om bij besluit ook voor andere activiteiten een geluidonderzoek te eisen. Deze mogelijkheid heeft het bevoegd gezag nog steeds, via de maatwerkmogelijkheid in artikel 22.45 van dit omgevingsplan. Hiervoor moet het bevoegd gezag aannemelijk maken dat het geluidsniveau of het maximale geluidsniveau meer bedraagt dan de waarden die gelden voor de activiteit op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning. Het gaat om gevallen waarin gelet op de te verwachten bronvermogens en afstanden tot gevoelige gebouwen het aannemelijk is dat de normen zullen worden overschreden.

De maatwerkmogelijkheid kan ook gebruikt worden om in voorkomende gevallen van de plicht tot het verstrekken van een geluidonderzoek af te zien. 

 In sommige gevallen kan het voor zonebeheer noodzakelijk zijn de geluidsproductie van activiteiten gelegen op een gezoneerd industrieterrein te weten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een activiteit aan de rand van het industrieterrein is gelegen of als een activiteit met de waarden, genoemd in dit omgevingsplan, een onevenredig groot beslag zou leggen op de nog beschikbare geluidsruimte, zonder dat die activiteit de bij deze waarden behorende geluidsruimte daadwerkelijk nodig heeft. Op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden.

Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

Ten minste vier weken voor het begin of wijziging van de activiteit moet het geluidonderzoek aan het bevoegd gezag versterkt worden. Behalve het geluidonderzoek moeten ook de gegevens zoals vermeld in artikel 22.46 worden verstrekt.

Artikel 22.61a Gegevens en bescheiden

Dit artikel heeft als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein.

Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van artikel 22.60 en 22.61 of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.

Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het tweede lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in artikel 22.61a van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.

Artikel 22.62 Toepassingsbereik

Eerste lid

Deze paragraaf geldt voor activiteiten waarvoor waarden voor langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) of het maximaal geluidsniveau (LAmax) gesteld worden. Voor windturbines en buitenschietbanen worden voor geluid andere waarden gesteld, namelijk voor Lden en Lnight en geluid Bs,dan.

Tweede lid

Deze paragraaf is niet van toepassing op geluid dat niet representatief is voor een activiteit. Uitgangspunt is dat elke activiteit onderdeel is van de representatieve bedrijfssituatie en het geluid van elke activiteit representatief geluid is. Niet representatief geluid is alleen het geluid door een uitzonderlijke bedrijfssituatie, dat in een maatwerkbesluit als zodanig is aangemerkt. 

 Het is aan het oordeel van het bevoegd gezag wat een uitzonderlijke bedrijfssituatie is. In paragraaf 4.2 van bijlage IVh van de Omgevingsregeling zijn richtlijnen gegeven die daarbij kunnen worden toegepast. Hiermee wordt – grofweg – de situatie uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de Handleiding meten en rekenen industrielawaai voortgezet dat incidentele bedrijfssituaties niet worden meegenomen bij het bepalen van het geluid. In het voormalige Activiteitenbesluit is een incidentele bedrijfssituatie een bedrijfssituatie waarvoor op grond van artikel 2.20, zesde lid, andere waarden zijn vastgesteld.

Voor het geluid dat niet representatief is voor een activiteit kan het bevoegd gezag als dat nodig is, wel regels stellen, bijvoorbeeld waarden, tijdstippen of werkwijzen voor de gebeurtenissen die het niet-representatieve geluid veroorzaken. Artikel 5.59 van het Bkl bepaalt namelijk dat het omgevingsplan erin moet voorzien dat ook het niet-representatieve geluid aanvaardbaar is.

Derde lid

In het toepassingsbereik worden windparken met 3 of meer windturbines expliciet uitgesloten, omdat zij ook niet vallen onder subparagraaf 22.3.4.3 over het geluid door windturbines.

Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen

Eerste lid

Het eerste lid bepaalt hoeveel geluid toelaatbaar is op de gevel van een geluidgevoelig gebouw en komt overeen met de geluidnormen die in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stonden. In de instructieregels van het Bkl zijn geen normen meer opgenomen voor het LAmax in de dagperiode.

Tweede lid

Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kende in artikel 2.17, derde lid, de regeling dat voor geluidgevoelige gebouwen op Activiteitenbesluit-bedrijventerreinen (geen gezoneerde industrieterreinen zijnde) het beschermingsniveau op de gevel 5 dB(A) lager ligt. Om te voorkomen dat activiteiten opeens niet meer aan de geluidwaarden voldoen, is deze regeling in het tweede lid van dit artikel overgenomen. In bijlage I bij de omgevingsplanregels van rechtswege is een begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein opgenomen. Het Bkl biedt in artikel 5.65, tweede lid, voor zulke bedrijventerreinen de mogelijkheid om een 5 dB(A) hogere waarde te stellen.

Derde lid

In de instructieregels (artikel 5.65) van het Bkl zijn de geldende binnenwaarden opgenomen voor in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Deze komen, voor wat betreft het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, overeen met de waarden zoals deze op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden. In de instructieregels van het Bkl zijn geen waarden meer opgenomen voor het LAmax in de dagperiode, en de waarden in de avondperiode zijn strenger dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Om te voorkomen dat in de transitieperiode andere waarden voor de activiteiten gaan gelden, zijn in dit artikel de waarden uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer overgenomen.

Vierde lid

Het vierde lid gaat in op de piekgeluiden die veroorzaakt worden door het laden en lossen in de dagperiode. Laden en lossen valt via artikel 22.41 (algemeen toepassingsbereik) en artikel 22.56 (meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit) onder de activiteit, en daarmee onder de geluidwaarden die in de tabellen zijn gesteld. Dat geldt dus ook voor laden en lossen dat op de openbare weg ('in de onmiddellijke nabijheid van') plaatsvindt. Om te voorkomen dat in de periode waarin de gemeenten hun omgevingsplannen nog niet hebben aangepast aan de Omgevingswet, het overdag laden en lossen onder de norm voor het piekgeluid gaat vallen, is het vierde lid toegevoegd. Dit lid bepaalt uitdrukkelijk dat – net als onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer– voor het laden en lossen in de dagperiode geen geluidwaarden voor het piekgeluidniveau gelden. Ook het Bkl geeft geen afzonderlijke waarden voor de piekniveaus in de dagperiode, en dus ook niet voor de piekniveaus van het laden en lossen.

Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, vierde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit artikel geldt alleen voor bedrijven die uitsluitend of in hoofdzaak een inrichting voor verkoop van brandstoffen aan derden zijn. Door het vervangen van het begrip Wet milieubeheer- inrichting door activiteiten is het niet meer mogelijk gebruik te maken van dit zogenoemde hoofdzaakcriterium. Daarvoor is het tankstation nu omschreven als het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Het Bkl gaat in de instructieregels niet meer uit van een apart geluidregime met afwijkende dagperioden voor tankstations. Wel zijn er op grond van de flexibiliteitsbepalingen van deze instructieregels mogelijkheden om in het omgevingsplan rekening te houden met de bijzondere kenmerken van het geluid bij een tankstation, zoals de pieken bij dichtslaan van autoportieren, als het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen maar aanvaardbaar is en er voldaan wordt aan de grenswaarden in het Bkl. In dit artikel wordt het onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidregime overgenomen, zodat de geluidsituatie niet verandert zolang de gemeente nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld.

Artikel 22.65 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, vijfde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het begrip agrarische activiteiten wordt in dit omgevingsplan niet meer specifiek gedefinieerd. Het gaat om activiteiten die betrekking hebben op gewassen of landbouwhuisdieren voor zover deze geteeld of gekweekt respectievelijk gefokt, gemest, gehouden of verhandeld worden. Daaronder wordt ook verstaan agrarisch gemechaniseerd loonwerk zoals het uitvoeren van cultuurtechnische werken, mestdistributie, grondverzet of soortgelijke dienstverlening. Dit artikel geldt alleen voor bedrijven of andere locaties waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten of activiteiten die daarmee verband houden worden verricht. Door het vervangen van het Wet milieubeheer begrip inrichting door activiteiten is het niet meer mogelijk gebruik te maken van dit zogenoemde hoofdzaakcriterium. Daarvoor in de plaats wordt gesteld dat het moet gaan om een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

In navolging van het voormalige Besluit landbouw milieubeheer en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer worden voor de in het eerste lid genoemde activiteiten mobiele bronnen niet meegewogen bij het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Daarom zijn de waarden in tabel 22.3.5, die zien op het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, alleen van toepassing op de vast opgestelde installaties en toestellen. De waarden voor maximale geluidsniveaus zijn van toepassing op alle bronnen: vast en mobiel.

Voor het geluid van deze mobiele installaties geldt alleen de specifieke zorgplicht. Voor agrarische bedrijven die bij inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsvergunning voor milieuactiviteiten hebben, blijven op grond van artikel 22.1 , de voorschriften van de omgevingsvergunning gelden.

Belangrijke verschillen tussen dit artikel en de instructieregels voor geluid van het Bkl zijn:

  • Dit artikel geeft standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en afwijkende tijdsperioden voor agrarische activiteiten. De instructieregels van het Bkl kennen voor agrarische activiteiten niet standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en ook geen afwijkende tijdsperioden. Het Bkl biedt wel de mogelijkheid om een agrarisch gebied aan te wijzen waar de toelaatbare waarde 5 dB(A) lager is.

  • In dit artikel gelden de standaardwaarden niet voor mobiele installaties. De standaardwaarden van het Bkl gelden ook voor de mobiele installaties bij een agrarisch bedrijf als die vallen onder de representatieve bedrijfsituatie.

  • Akkers en weilanden zijn voor de toepassing van dit artikel geen onderdeel van de activiteit. De instructieregels van het Bkl gaan over al het geluid van locatiegebonden activiteiten, als dat geluid representatief is voor die activiteit.

In dit artikel wordt het onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidregime overgenomen, zodat de geluidsituatie niet verandert zolang de gemeente nog geen nieuw deel van het omgevingsplan heeft vastgesteld

Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, zesde lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

De begrippen glastuinbouwbedrijf en glastuinbouwgebied worden in dit omgevingsplan niet meer specifiek gedefinieerd. Het gaat dan respectievelijk om een activiteit die in de kern bestaat uit het in een kas telen van gewassen en een cluster aaneengesloten percelen voor glastuinbouwbedrijven.

De instructieregels van het Bkl kennen voor geluid door glastuinbouwbedrijven niet standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en ook geen afwijkende tijdsperioden. Het Bkl biedt wel de mogelijkheid om een agrarisch gebied aan te wijzen waar de toelaatbare waarde 5 dB(A) lager is. In dit artikel wordt het onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidregime overgenomen, zodat de geluidsituatie niet verandert zolang de gemeente nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld.

Artikel 22.67 Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening

In artikel 2.17, zevende lid, juncto 2.17a, vijfde lid, en de artikelen 2.18, vijfde lid, en 2.19a, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond een mogelijkheid om bij of krachtens een gemeentelijke verordening hogere of lagere normen te laten gelden, dan de standaardnormen. Op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet blijven die regels zoals opgenomen in een gemeentelijke verordening (in veel gevallen in de Algemene Plaatselijke Verordening) nog gelden. Artikel 22.67 van dit omgevingsplan zorgt ervoor dat de waarden uit die verordening, voorrang hebben op de waarden zoals opgenomen in dit (tijdelijk deel) van het Omgevingsplan.

Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

Dit artikel is een voortzetting van het overgangsrecht voor ligplaatsen, zoals was opgenomen in artikel 2.17, vierde lid, onder d, vijfde lid, onder f, en het zesde lid, onder d, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. 

 Het in de artikelen 22.63 , eerste lid , 22.64 , eerste lid , 22.65 , eerste lid en 22.66 , eerste lid opgenomen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximaal geluidsniveau wordt verhoogd met 5 dB(A). Deze verhoging geldt voor drijvende woonschepen die als zodanig voor 1 juli 2012 in dit omgevingssplan zijn toegelaten èn voor drijvende woonfuncties die voor 1 juli 2012 waren opgenomen in een gemeentelijke verordening en nadien, maar voor 1 juli 2022, alsnog zijn opgenomen in een omgevingsplan.

Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking

Deze bepaling geldt ter vervanging van artikel 2.17a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In de meeste algemene maatregelen van bestuur op grond van het vervallen artikel 8.40 Wet milieubeheer, zoals het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, was een overgangsbepaling opgenomen die teruggreep op zogenaamde '8.40-AMvB's' die daarvóór in werking waren. Dit lid is van toepassing op activiteiten die worden verricht op de locatie van inrichtingen die onder de werking van die oudere besluiten vielen. Voor deze activiteiten worden de waarden in tabel 22.3.1 (standaard) en tabel 22.3.7 (glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied) met 5 dB(A) verhoogd, tenzij voordien volgens een milieuvergunning lagere waarden golden. Overigens wordt in artikel 2.17a, eerste tot en met derde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer abusievelijk verwezen naar artikel 2.17, in plaats van artikel 2.17a.

Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.18, eerste tot en met vierde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Eerste lid, onderdeel a

Net als in artikel 5.73, eerste lid, onder a, van het Bkl is bepaald dat de geluidwaarden die in het omgevingsplan zijn opgenomen geen betrekking hebben op het geluid van de spoedeisende inzet van hulpvoertuigen. Dat geldt voor het gemiddelde geluidniveau en voor het maximale geluidniveau. Deze uitzondering geldt alleen voor de spoedeisende inzet en dus niet voor het geluid als gevolg van niet-spoedeisende inzet van hulpvoertuigen of bijvoorbeeld het onderhouden en testen van die voertuigen.

Anders dan in artikel 2.22 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, gaat deze omgevingsplanregel ook over geluid van traumahelikopters en over het Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT.

De mogelijkheid om met maatwerkvoorschriften gebruiksregels op te nemen geldt niet voor de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval. Zie de toelichting bij de artikelen 5.71 en 5.72 van het Bkl voor een verduidelijking.

Op grond van artikel 2.22, tweede lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het mogelijk om maatwerkvoorschriften te stellen over te treffen technische en organisatorische maatregelen bij het uitrukken van motorvoertuigen voor ongevallenbestrijding, spoedeisende medische hulpverlening, brandbestrijding of gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval. Dit is dus veranderd in de instructieregels van het Bkl en deze omgevingsplanregels van rijkswege.

Bij het toedelen van functies aan locaties betrekt de gemeenteraad wel al het geluid vanwege de toegelaten activiteiten bij de vraag of het geluidniveau op een bepaalde locatie aanvaardbaar is. Het feit dat er in het omgevingsplan, maatwerkvoorschrift of omgevingsvergunning geen waarden of maatregelen mogen worden opgenomen voor het geluid van de spoedeisende inzet van hulpvoertuigen, betekent dus niet dat die geluidbronnen bij de toepassing van artikel 5.59, eerste lid, van het Bkl buiten beschouwing mogen blijven.

Eerste lid, onderdelen b tot en met e

Voor onversterkt stemgeluid geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat het stemgeluid afkomstig van bijvoorbeeld onverwarmde of onoverdekte terrassen, schoolpleinen en sportvelden, buiten beschouwing wordt gelaten bij het beoordelen van de geluidwaarden veroorzaakt door een activiteit.

Op grond van de instructieregel in artikel 5.73 van het Bkl, moet onversterkt stemgeluid vaker buiten beschouwing worden gelaten dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en in deze omgevingsplanregels van rijkswege. Op grond van de instructieregel wordt onversterkt menselijk stemgeluid buiten beschouwing gelaten, tenzij het muziekgeluid is of daarmee vermengd is.

Eerste lid, onderdeel f

Voor geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. 

 In de Grondwet is bepaald dat iedereen het recht heeft zijn godsdienst of levensovertuiging individueel of in gemeenschap met anderen vrij te belijden. Wel kunnen volgens de Grondwet regels worden gesteld ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Eerste lid, onderdelen g en h

Bij het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang bij militaire inrichtingen en het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht kan soms niet worden voldaan aan de waarden uit de artikelen in deze paragraaf. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in de buitenlucht is het doorgaans niet mogelijk om maatregelen te treffen ter beperking van de geluidsemissie. Omdat het onwenselijk is deze activiteiten onmogelijk te maken, worden ze bij het bepalen van de geluidsniveaus buiten beschouwing gelaten.

Eerste lid, onderdelen i en j

Voor onversterkte muziek en traditioneel schieten geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat onversterkte muziek en traditioneel schieten buiten beschouwing wordt gelaten, tenzij anders is bepaald in een Algemene Plaatselijke Verordening.

In de instructieregels van het Bkl wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen versterkte en onversterkte muziek, wat betekent dat onder het Bkl, anders dan onder het oude recht, onversterkte muziek wél onder de standaardwaarden voor geluid valt. Het Bkl biedt wel de flexibiliteit om bijvoorbeeld alsnog een splitsing aan te brengen tussen versterkte en onversterkte muziek. Deze flexibiliteit geldt ook voor traditioneel schieten.

Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. De aanvullende eis van 50 dB(A) op 50 m geldt altijd, ongeacht of er een geluidgevoelig gebouw (buiten het gezoneerd industrieterrein) op minder dan 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, is gelegen.

Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.18, zesde tot en met achtste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het geluid dat wordt veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden wordt buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. In bedrijven waar het systeem van substraatteelt niet wordt toegepast, maar waar in de grond wordt geteeld, moet op gezette tijden ontsmetting van de grond plaatsvinden. Dit geschiedt door de grond te stomen. Grondstomen vindt niet vaker dan enkele keren per jaar plaats. De frequentie hangt af van het te telen gewas. Gelet op de frequentie van het grondstomen en het feit dat het een activiteit is die door derden wordt uitgevoerd, kan deze activiteit niet worden beschouwd als een representatieve bedrijfssituatie zoals bedoeld in de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai'. Daarom blijft bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, bedoeld in artikel 22.63 , het door deze activiteit veroorzaakte geluid buiten beschouwing. Het grondstomen wordt in de regel uitgevoerd door gespecialiseerde bedrijven. Deze bedrijven plaatsen tijdelijk een mobiele installatie bij het tuinbouwbedrijf. Als het grondstomen met een eigen ketelinstallatie plaatsvindt, wordt het wel meegeteld bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus omdat die installatie een vast onderdeel is van de activiteit, vaker kan worden gebruikt en door degene die de activiteit verricht zodanig kan worden aangepast dat het geluid gereduceerd wordt.

Omdat het grondstomen dat plaatsvindt met een installatie van derden buiten beschouwing blijft bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, moeten maatregelen of voorzieningen getroffen worden om de geluidhinder zo veel mogelijk te reduceren. De maatregelen of voorzieningen zijn in het tweede lid omschreven. Op grond van artikel 22.45 kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen, waarmee de maatregelen of voorzieningen meer specifiek kunnen worden ingevuld.

Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten

In artikel 2.21, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook een bevoegdheid voor gemeenten om bij of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te verbinden aan festiviteiten om geluidhinder te beperken of te voorkomen. Deze regels in een gemeentelijke verordening blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet mag de gemeente voorwaarden verbinden aan festiviteiten in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening.

Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van meten van - en rekenen met industrielawaai, verwezen naar de Handreiking meten en rekenen industrielawaai. Deze Handreiking meten en rekenen industrielawaai is nu verwerkt in de Omgevingsregeling. Deze meet- en rekenvoorschriften voor geluid blijven landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan hoeven dus in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In de Omgevingsregeling zijn deze meet- en rekenbepalingen voor geluid opgenomen in paragraaf 6.2.1.

Artikel 22.75 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is een voorzetting van de regeling voor geluid veroorzaakt door windturbines uit paragraaf 3.2.3 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Deze paragraaf is niet van toepassing op nieuwe windparken met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stonden hele concrete maatwerkmogelijkheden voor geluid van windturbines. Die mogelijkheden zijn er nu op grond van de maatwerkmogelijkheid van artikel 22.45 van dit omgevingsplan. Die mogelijkheden worden begrensd door onder andere de instructieregels van het Bkl.

Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.14e van de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer. 

 Die ministeriële regeling bevatte in de artikelen 3.14a tot en met 3.14d ook veel gedetailleerde regels over de wijze van meten en rekenen van het geluid door windturbines. Deze regels staan niet in dit omgevingsplan maar zijn opgenomen in de Omgevingsregeling. Een geluidonderzoek voor windturbines wordt wel in dit omgevingsplan voorgeschreven in artikel 22.60.

Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van meten van - en rekenen met industrielawaai, verwezen naar de Handreiking meten en rekenen industrielawaai. Deze Handreiking meten en rekenen industrielawaai is nu verwerkt in de Omgevingsregeling. Deze meet- en rekenvoorschriften voor geluid blijven landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan hoeven dus in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In de Omgevingsregeling zijn deze meet- en rekenbepalingen voor geluid opgenomen in paragraaf 6.2.1.

Artikel 22.79 Toepassingsbereik

De regeling voor buitenschietbanen in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is overgenomen in de omgevingsplanregels van rijkswege. Hierdoor ontstaat bij de invoering van de Omgevingswet geen rechtsvacuüm voor buitenschietbanen. Hoewel het toepassingsbereik in dit artikel iets anders wordt verwoord dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer het geval was, is geen beleidswijziging beoogd. Hieronder vallen dus nog steeds de civiele en militaire schietbanen, en het kleiduivenschieten, dat ook een civiele buitenschietbaan is waar met vuurwapens wordt geschoten. Daarnaast is het toepassingsbereik uitgebreid met militaire springterreinen. Geluid door militaire springterreinen werd onder het oude recht geregeld in de omgevingsvergunning voor milieu. In de Beleidsregel schietlawaai defensieterreinen staat een beoordelingswijze die overeenkomt met de beoordelingswijze voor buitenschietbanen.

Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen

In bijlage I bij het Bkl wordt het geluid Bs,dan gedefinieerd als: geluid op een plaats over alle dag-, avond- en nachtperioden van een jaar, berekend in overeenstemming met de bij ministeriële regeling aangewezen berekeningsmethode voor schietgeluid.

Artikel 22.81 Registratie gegevens buitenschietbanen

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.118a van de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer. 

 Die ministeriële regeling bevatte in artikel 3.118 ook gedetailleerde regels over de wijze van meten en rekenen van het geluid bij buitenschietbanen. Deze regels staan niet in dit omgevingsplan maar zijn opgenomen in de Omgevingsregeling.

In dit artikel is een registratieverplichting opgenomen. Aangezien het door de vele overdrachtsgegevens die deel uitmaken van de rekenmethodiek nauwelijks mogelijk is controlemetingen uit te voeren, wordt door de handhavende instanties gebruik gemaakt van het geregistreerde aantal schoten, het kaliber van de verschoten munitie en de dagdelen waarin deze verschoten is. Deze parameters komen overeen met die van het geluidonderzoek dat is voorgeschreven op grond van artikel 22.60 van dit omgevingsplan. Op deze wijze is bestuursrechtelijk toezicht mogelijk van de akoestische belasting op de omgeving.

In de Omgevingsregeling zijn deze meet- en rekenbepalingen voor geluid voor buitenschietbanen opgenomen in artikel 6.9.

Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van meten van - en rekenen met industrielawaai verwezen naar de Handreiking meten en rekenen industrielawaai. Deze Handreiking meten en rekenen industrielawaai is nu verwerkt in de Omgevingsregeling. Deze meet- en rekenvoorschriften voor geluid blijven landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan hoeven dus in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In de Omgevingsregeling staan deze meet- en rekenbepalingen voor geluid in paragraaf 6.2.1.

Artikel 22.83 Toepassingsbereik

Eerste lid

Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen door een activiteit, in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Dit artikel geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in 1artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude begrip Wet milieubeheer- inrichting grotendeels te dekken. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41. De trillingvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op activiteiten die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken. Dat bleek onder het Activiteitenbesluit milieubeheer impliciet door de verwijzing naar normwaarden in de Meet- en beoordelingsrichtlijn B 'Hinder voor personen' van de Stichting Bouwresearch.

De trillingparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Deze paragraaf van dit omgevingsplan is wel van toepassing op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, soms trillingnormen of andere voorschriften ter beperking van trillinghinder opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Deze bestaande vergunningvoorschriften blijven op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelden en hebben op grond van artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan voorrang op de regels voor trillingen in deze paragraaf van dit omgevingsplan.

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd bij de bescherming tegen trillinghinder verwezen naar de begrippen 'geluidgevoelige ruimten' en 'verblijfsruimten', bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder. Het Bkl bevat eigen begrippen 'trillinggevoelige gebouwen' en 'trillinggevoelige ruimten'. Deze gelden op grond van artikel 1.3  , van dit omgevingsplan.

Overigens is het begrip trillinggevoelige ruimte in het Bkl wel anders gedefinieerd dan een geluidgevoelige ruimte in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een trillinggevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een aangewezen gebruiksfunctie. In de praktijk kunnen dus kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.

Tweede lid, onderdeel b

Met dit artikel wordt bepaald dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten.

Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

In artikel 22.83 , tweede lid , onder b is de uitzondering opgenomen dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar . 

 Op grond van dit artikel, geldt die uitzondering alleen voor een trillinggevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm 'aanvaardbaar' uit artikel 5.83, tweede lid, van het Bkl.

Artikel 22.85 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de trillingnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvonden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de waarden voor trillingen voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.

De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.82 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.

Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41 , uit te breiden. Deze bepaling trekt een activiteit, zoals bijvoorbeeld landbouwvoertuigen op de weg, niet alsnog 'binnen' de activiteit.

Artikel 22.86 Trillingen: functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn op trillingen door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat functioneel verbonden is met de activiteit. 

 Dit artikel sluit aan bij artikel 5.84 van het Bkl.

Artikel 22.87 Trillingen: voormalige functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor trillingen in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat voorheen onderdeel was van een Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor trillingen door die agrarische activiteit in dat trillinggevoelige gebouw.

Het gebouw blijft wel beschermd tegen trillingen, veroorzaakt door andere omliggende activiteiten.

Onderdeel a

Onderdeel a regelt dit voor zogenaamde 'plattelandswoningen' die in het tijdelijke deel van het omgevingsplan als zodanig zijn aangewezen. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).

Onderdeel b

Onderdeel b regelt dit voor trillingen door een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

In een situatie als bedoeld onder b wordt in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander trillinggevoelig gebouw), bepaald dat deze woning geen bescherming geniet via waarden tegen trillinghinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden.

Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de waarden voor trillingen uit dit omgevingsplan, die gelden voor de agrarische activiteit, ook daadwerkelijk niet gaan gelden in de trillinggevoelige ruimten van de naastgelegen woning die nu geen functionele binding meer heeft.

Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.85 van het Bkl. 

 Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.85 van het Bkl en paragraaf 2.3.8, onder 'Voormalige bedrijfswoningen', en paragraaf 8.1.3 onder 'Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties', van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.

Artikel 22.88 Trillingen: waarden voor continue trillingen

Over de verhouding tussen de standaardwaarde A1 enerzijds en standaardwaarden A2 en A3 anderzijds wordt het volgende opgemerkt. Bij de continue trillingen moet in eerste instantie worden voldaan aan waarde A1 wat betreft het maximaal optredende trillingniveau (uitgedrukt als trillingssterkte Vmax). Als daar niet aan kan worden voldaan, mag het maximaal optredende trillingniveau weliswaar hoger zijn dan waarde A1, namelijk A2, maar dan moet het gemiddelde trillingniveau (uitgedrukt als trillingssterkte V per ) wel onder een bepaalde waarde (A3) blijven. Met andere woorden: er wordt voldaan aan de waarden als:

  • de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (V max ) kleiner is dan A1, of als

  • de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (V max ) kleiner is dan A2 waarbij de trillingssterkte over de beoordelingsperiode voor deze ruimte (V per ) kleiner is dan A3.

Deze systematiek is een voortzetting van die onder het voorheen geldende recht. In artikel 2.23 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd verwezen naar tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen, deel B. Dat is de richtlijn Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen, deel B 'Hinder voor personen in gebouwen' van de Stichting Bouwresearch Rotterdam. De waarden voor continue trillingen zijn ontleend aan tabel 2 van deze richtlijn.

Degene die de activiteit verricht waardoor continue trillingen worden veroorzaakt, heeft dus de keuze tussen voldoen aan de waarden onder A1, of aan de waarden onder A2 én A3 zoals opgenomen in dit omgevingsplan.

Artikel 22.89 Trillingen: meet- en rekenbepalingen

Deze meet- en rekenvoorschriften voor trillingen worden landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan zijn dus in principe geen verwijzingen nodig naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is in dit geval wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In artikel 6.11 van de Omgevingsregeling staan deze meet- en rekenbepalingen voor trillingen.

Artikel 22.90 Toepassingsbereik

Eerste lid

Activiteiten 

Deze paragraaf is van toepassing op geur door alle milieubelastende activiteiten die onder het algemeen toepassingsbereik, bedoeld in artikel 22.41 , van dit omgevingsplan vallen.

Geurgevoelige objecten

Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object. 

 Uit de begripsomschrijving in bijlage I bij dit omgevingsplan volgt dat een geurgevoelig object is:

  • a.

    een geurgevoelig object zoals bedoeld in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij; en

  • b.

    een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteiten mag worden gebouwd.

Het begrip geurgevoelig gebouw is omschreven in artikel 5.91 van het Bkl.

Het begrip geurgevoelig object is anders dan het begrip geurgevoelig gebouw in het Bkl. Meer uitleg over het verschil tussen de twee begrippen staat in de toelichting op het begrip geurgevoelig object zoals opgenomen in bijlage I bij dit omgevingsplan.

Het Bkl biedt wel de flexibiliteit om het begrip geurgevoelig gebouw uit te breiden naar gebouwen die nu ook vallen onder het begrip geurgevoelig object. Het gaat hierbij om gebouwen waar hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.

Tweede lid

Dit artikel sluit aan bij artikel 5.90 van het Bkl. Daarin zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit.

Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid

In artikel 5.90 van het Bkl zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze gebouwen dezelfde bescherming tegen geurhinder als alle andere geurgevoelige objecten.

Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke geurgevoelige objecten die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming in de vorm van geurwaarden en afstandseisen blijven houden. Dit tot het moment dat bij:

  • het vaststellen van het nieuwe deel van dit omgevingsplan; of

  • het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit beoordeeld is dat de situatie ook zonder geldende waarde of afstanden voor geur op het tijdelijke geurgevoelige gebouw aanvaardbaar is.

Tweede lid

Onderdeel b van het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde geurgevoelige gebouwen die op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor geur. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming voor geur aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.

Schema: of waarden of afstanden voor geur gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen of tijdelijke geurgevoelig gebouwen of objecten

Geurgevoelig gebouw of object

Activiteit

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan), toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan, toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing

geurgevoelig object dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar .

de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing

geurgevoelig gebouw dat in het nieuwe deel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.

de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing

Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden

Dit artikel regelt waar de waarden of afstanden gelden die voor geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden. Als het geurgevoelige gebouw al gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de gevel van het geurgevoelige gebouw (onderdeel a). Als het geurgevoelige gebouw nog niet gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de plaats waar de gevel van het geurgevoelige gebouw mag worden gerealiseerd (onderdeel b).

Voor woonwagens en woonschepen geldt dat, anders dan bij andere geurgevoelige objecten, de waarden gelden op een begrenzing van de locatie. De woonwagen en het woonschip wordt dus niet zelf beschermd, maar de locatie waarop de woonwagen of het woonschip geplaatst kan worden. Dit heeft te maken met de verplaatsbaarheid van de woonwagen en het woonschip binnen de locatie en de lagere eisen aan de gevels van zulke gebouwen. Dit artikel sluit aan bij de artikelen 5.93 en 5.94 van het Bkl.

Artikel 22.93 Geur: functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geur niet van toepassing zijn op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met die activiteit. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.95 van het Bkl.

Artikel 22.94 Geur: voormalige functionele binding

Dit artikel bepaalt dat voor een geurgevoelig object dat voorheen onderdeel was van de Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, de afstanden en waarden voor geur door die agrarische activiteit niet gelden. Het gebouw blijft wel beschermd tegen geur, veroorzaakt door andere omliggende bedrijven.

Onderdeel a

Onderdeel a regelt dat de afstanden en waarden voor geur door een activiteit niet gelden voor de zogenaamde 'plattelandswoningen' die in het tijdelijke deel van het omgevingsplan als zodanig zijn aangewezen. Dit was onder het oude recht bepaald in de bepalingen van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij (artikel 2, derde lid) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).

Onderdeel b

Onderdeel b regelt dat de afstanden en waarden voor geur voor een agrarische activiteit niet gelden voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

Dit betekent dat in dit omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander geurgevoelig gebouw), wordt bepaald dat deze woning geen bescherming krijgt tegen geurhinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden, via waarden of afstanden.

Onderdeel b van deze bepaling voorziet er vervolgens in dat de waarden en afstanden voor geur uit dit omgevingsplan die gelden voor de agrarische activiteit, niet gaan gelden op de gevel van de naastgelegen woning die nu geen functionele binding meer heeft.

Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.96 Bkl. 

 Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.96 Bkl en paragraaf 2.3.8, onder 'Voormalige bedrijfswoningen', en paragraaf 8.1.3 onder 'Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties', van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.

Artikel 22.95 Geur: cumulatie

De bepalingen in deze paragraaf van het tijdelijke deel van het omgevingsplan stellen waarden of minimumafstanden voor geur voor een individuele activiteit. In de paragrafen voor het houden van landbouwhuisdieren gaat het om een waarde of minimumafstanden voor een individuele veehouderij en alleen vanwege dierenverblijven. Hierbij is geen rekening gehouden met cumulatie van geur, veroorzaakt door meerdere veehouderijen in een gebied of cumulatie door meerdere bronnen binnen de veehouderij. Cumulatie kan een reden zijn om strengere eisen te stellen dan de waarden of afstanden die afgeleid zij van een individuele activiteit. Op grond van het Bal is het houden van landbouwhuisdieren in veel gevallen vergunningplichtig. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit moet bij het beoordelen van de significante milieuverontreiniging, bedoeld in artikel 8.9 van het Bkl, rekening worden gehouden met cumulatie van geur. Dat kan leiden tot strengere vergunningvoorschriften dan de regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Bij niet-vergunningplichtige veehouderijen kunnen strengere eisen zo nodig in een maatwerkvoorschrift worden vastgelegd.

Bij het opnemen van omgevingsplanregels in het nieuwe deel van het omgevingsplan moet op grond van artikel 5.92, eerste lid, van het Bkl, cumulatie betrokken worden. Dat kan leiden tot strengere regels in het nieuwe deel dan de regels van het tijdelijke deel. Als in het nieuwe deel van het omgevingsplan waarden worden opgenomen waarbij cumulatie al is meegewogen, zal bij het verlenen van de omgevingsvergunningen in beginsel geen noodzaak bestaan om in de vergunning strengere eisen op te nemen. Een andere mogelijkheid is dat in situaties waarin er een vergunningplicht voor een veehouderijen op grond van het Bal geldt, ook het nieuwe deel van het omgevingsplan expliciet uit zal gaan van geurhinder als gevolg van de geurbelasting door de individuele activiteit, en de beoordeling van cumulatieve geurbelasting overlaat aan het traject van vergunningverlening. In dat geval zullen omgevingsvergunningen in cumulatieve situaties strengere eisen kunnen bevatten.

Artikel 22.96 Toepassingsbereik

Eerste lid

Deze paragraaf gaat over beginnen, wijzigen of uitbreiden van het houden in een dierenverblijf van landbouwhuisdieren en paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden.

Paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden zijn specifiek benoemd omdat deze niet vallen onder het begrip landbouwhuisdieren in het Bal. Het begrip landbouwhuisdieren in het Bal is op grond van artikel 1.3   van dit omgevingsplan van toepassing op dit omgevingsplan.

Het gaat in deze paragraaf dus om:

landbouwhuisdieren zoals bedoeld in Bijlage I bij het Bal, zijnde:

  • zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony's voor het fokken; en

  • paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden.

Bovenstaande komt overeen met het begrip landbouwhuisdier uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, dierentuinen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat bij deze bedrijven namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden. Deze activiteiten vallen wel onder paragraaf 22.3.25. Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren of andere vogels of zoogdieren.

Tweede lid

Als ondergrens voor het van toepassing zijn van deze paragraaf is aangesloten bij de ondergrenzen zoals die ook golden in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, namelijk: minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony's, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.

Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden

De afstanden zoals opgenomen in deze paragraaf worden gemeten tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en het dichtstbijzijnde geurgevoelige object.

Het gaat om het emissiepunt als bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Bal. Op grond van dat artikel wordt onder emissiepunt verstaan: 

 a. het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het dierenverblijf treedt of wordt gebracht; of

b. bij een gedeeltelijk overdekt dierenverblijf: het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het overdekte gedeelte van het dierenverblijf treedt of wordt gebracht.

In artikel 22.103 wordt hier een uitzondering op gemaakt voor de zogenaamde gevel- gevelafstanden.

Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden

Eerste lid

Dit lid is een voorzetting van artikel 3.115, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij. In dit artikel worden de standaardwaarden voor geurbelasting in odour units gegeven voor dierenverblijven met dieren waarvoor een emissiefactor is vastgesteld.

De waarden gelden alleen voor beginnen, wijzigen of uitbreiden. Dit staat in het toepassingsbereik van deze paragraaf. Of de situatie overbelast is, maakt niet uit zolang niet wordt uitgebreid of gewijzigd.

Op grond van bijlage I bij dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren met geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën: 

 a. varkens, kippen, schapen of geiten; of

b. als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

1°. rundvee tot 24 maanden;

2°. kalkoenen;

3°. eenden; of

4°. parelhoenders.

Er wordt net zoals in de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom. Het begrip 'bebouwde kom' was en is niet gedefinieerd. De grens van de bebouwde kom wordt niet alleen bepaald door de wegenverkeerswetgeving, maar ook door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur. In het Bkl wordt de bebouwde kom vervangen door de bebouwingscontour die in het omgevingsplan moet worden opgenomen, zodat vooraf hierover altijd duidelijkheid is. Gemeenten wijzen dan bebouwingscontouren aan in het omgevingsplan.

Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere waarde is vastgesteld dan de waarde in dit lid, die andere waarde voorrang heeft op de waarde zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1 , eerste lid, van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf, bijvoorbeeld voor het berekenen van de geur in het tweede lid of de eerbiedigende werking in artikel 22.99 .

Tweede lid

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van berekenen van de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor verwezen naar de ministeriële regeling die op grond van artikel 10 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was vastgesteld. In de Omgevingsregeling is deze methode voor het berekenen van de geurwaarden verwerkt in artikel 6.14.

Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden

In dit artikel is een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de immissiewaarden die gelden op grond van artikel 22.97 . De standaardwaarden uit artikel 22.98 gelden niet voor het op een locatie wijzigen of uitbreiden van het aantal of soort landbouwhuisdieren met geuremissiefactor in dierenverblijven, als sprake is van een rechtmatig voor geur overbelaste situatie op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Er hoeft in dat geval dus niet aan de standaardwaarden te worden voldaan, maar uitbreiden en wijzigen is alleen mogelijk in de volgende gevallen:

  • a.

    Zolang de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig object niet toeneemt en het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. Dit is de voortzetting van de artikelen 3, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.115, tweede lid, onder c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

  • b.

    Als aan de 50%-regeling wordt voldaan. 

     In rechtmatig toegestane overschrijdingssituaties mag het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, tenzij er een geurbelastingreducerende maatregel getroffen is en de toegestane overschrijding van de geur gehalveerd wordt. Bij het toepassen van de 50%-regeling moet gerekend worden met de waarden zoals opgenomen in het omgevingsplan of in de geurverordening.

Voor wat betreft de geur die rechtmatig veroorzaakt mocht worden, gaat het om de geur die onmiddellijk voorafgaand aan het toepassen van de maatregel rechtmatig mocht worden veroorzaakt. 

 Daarmee is voorzien in de eerbiedigende regeling voor het houden van landbouwhuisdieren in bestaande dierenverblijven waarbij sprake is van een toegestane overschrijdingssituatie.

Dit lid vormt de voortzetting van artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.115, tweede lid, onder b en c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor de 50%-regeling is aangesloten bij de formulering zoals die in artikel 3.115, tweede lid, onder b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen in plaats van de formulering in artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder veehouderij. Hierdoor hoeft niet berekend te worden wat de reductie als gevolg van de geurbelastingreducerende maatregelen zou zijn, gelet op de bestaande (oude) situatie. Dit is eenvoudiger voor de praktijk.

Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten

In dit artikel staan de minimumafstanden tussen een dierenverblijf met landbouwhuisdieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object dat hoort of heeft gehoord bij een andere veehouderij of een ruimte-voor-ruimtewoning. Het gaat hier om woningen bij omliggende veehouderijen, woningen bij omliggende veehouderijen die na 19 maart 2000 zijn gestopt of woningen die zijn gebouwd na 19 maart 2000 tegelijk met het (deels) beëindigen van een omliggende veehouderij. De genoemde geurgevoelige objecten krijgen minder bescherming dan andere geurgevoelige objecten, maar er moet wel sprake zijn van een minimaal beschermingsniveau. Dit minimale beschermingsniveau wordt bereikt door een afstand aan te houden van 100 meter tot een object binnen de bebouwde kom en 50 meter tot een object buiten de bebouwde kom. Als niet voldaan wordt aan de minimumafstand, dan moet wel aan artikelen 22.98 en 22.99 voldaan worden.

Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony's voor het berijden: afstand

Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.

In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in Bijlage 1 bij dit omgevingsplan.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.

Artikel 22.102 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony's voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand

In dit artikel is een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de vereiste afstanden die gelden op grond van artikel 22.101 .

In dat geval is uitbreiden toegestaan als het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, niet toeneemt en de afstand tot een geurgevoelig object niet kleiner wordt.

Dit lid vormt de voortzetting van de artikelen 4, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.117, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 22.103 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony's voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf

Dit artikel bevat afstanden gemeten vanaf (de buitenzijde van) de gevel van het dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig object, de zogenaamde gevel tot gevelafstanden.

De afstanden, bedoeld in dit artikel, gelden naast de waarden die op grond van artikel 22.98 gelden en naast de afstanden die op grond van de artikelen 22.100 en 22.101 gelden.

Dit artikel geldt voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en voor het houden van paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden. Door dit artikel wordt geborgd dat er altijd een zekere afstand is tussen een geurgevoelig object en een dierenverblijf. Dit onderdeel is een voortzetting van artikel 5, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 22.104 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

In dit artikel is een regeling opgenomen voor het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, voor locaties waar de afstand tussen de gevel van een dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en een geurgevoelig object rechtmatig kleiner is dan de afstand, bedoeld in artikel 22.103 . Dat houdt in dat bij wijzigen of uitbreiden op die locatie, de gevel tot gevelafstand niet mag afnemen, het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet mag toenemen én de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet mag toenemen. De eisen zoals gesteld onder a, b en c zijn cumulatief.

Dit artikel is de voortzetting van artikel 5, tweede lid, onder a, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, tweede lid, onder a en b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 22.105 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

In dit artikel is een regeling opgenomen voor een soortgelijke situatie als in artikel 22.104 , maar dan voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden. Dat houdt in dat bij wijzigen of uitbreiden op die locatie, de gevel tot gevelafstand niet mag afnemen en het aantal het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden niet mag toenemen. De eisen gesteld onder a en b zijn cumulatief.

Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand

Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op een deel ervan. De regels voor de andere agrarische bedrijfsstoffen zijn elders in paragraaf 22.3.6.4 geregeld.

Dit artikel geldt voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in 1 artikel 22.41 , waaronder opslag van vaste mest op een weiland of akker.

Eerste lid, onderdeel a

Dit artikel geldt niet voor de opslag van vaste mest afkomstig van andere dieren dan landbouwhuisdieren of paarden en pony's die gehouden worden in verband met het berijden, zoals honden, dieren op de kinderboerderij of dieren in dierentuinen. Voor de geurhinder, veroorzaakt door die mestopslagen geldt artikel 22.240.

Tweede lid, onderdeel a

Bij het opslaan van minder dan 3 m 3 vaste mest, champost of dikke fractie gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel b

Als vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is dit artikel niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel c

Een opslag van meer dan 600 m 3 vaste mest valt niet onder het toepassingsbereik van dit artikel. In artikel 22.262 is aanvullend op deze bovengrens een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m 3 vaste mest.

Derde lid

De afstanden in dit lid komen overeen met de afstanden in artikel 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. 

 De maatwerkmogelijkheid in artikel 3.46, achtste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is niet specifiek overgenomen. Dit valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan.

Artikel 22.115 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand

Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op substraatmateriaal van plantaardige oorsprong. De regels voor de andere agrarische bedrijfsstoffen zijn elders in subparagraaf 22.3.6.4 geregeld.

Eerste lid

Bij het opslaan van minder dan 3 m 3 gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht.

Tweede lid

De afstanden in dit lid komen overeen met de afstanden in artikel 3.46, eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand

Dit artikel regelt het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen. Kuilvoer is veevoer dat door inkuilen als wintervoorraad opgeslagen wordt. Kuilgras en snijmaïs kunnen onder meer als kuilvoer gebruikt worden. In bijlage I bij het Bal worden vaste bijvoedermiddelen omschreven als plantaardige restproducten uit de landbouw en tuinbouw. Ook de plantaardige restproducten afkomstig van voedselbereiding en voedselverwerking vallen onder vaste bijvoedermiddelen. Dat geldt niet voor voedselresten afkomstig van restaurants, cateringfaciliteiten en keukens.

Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste, vijfde en negende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen van dat besluit zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen. De afstandseisen voor het opslaan van vaste bijvoedermiddelen en kuilvoer gelden niet als er sprake is van een totaal volume van minder dan 3 m 3 . Dit is in lijn met de regels uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In de instructieregels van het Bkl en in het Bal is deze grens van 3 m3 vervallen.

Dit artikel geldt voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41 . Zo gelden deze regels voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen bij bijvoorbeeld een veehouderij, een manege of dierentuin.

Artikel 22.117 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand

Eerste lid

Met dit artikellid en de begripsomschrijvingen in het Bal zijn de artikelen 3.50, derde lid, en 3.51, elfde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer omgezet. 

 Het mestbassin is bovengronds gelegen en kan ook uit een mestzak of foliebassin bestaan. Voor de berekening van de gezamenlijke oppervlakte en de gezamenlijke inhoud worden de oppervlakte en inhoud van mestkelders en ondergrondse mestbassins die zijn voorzien van een afdekking die als vloer fungeert niet meegerekend. Is sprake van meerdere bassins, dan worden deze voor de oppervlakte- of inhoudsbepaling dus bij elkaar opgeteld. Een uitgebreide toelichting over het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie is te lezen in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.855 van het Bal.

In het Bal staat geen vergunningplicht voor het opslaan van dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m 2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m 3 . Deze vergunningplicht komt wel terug in artikel 22.262 van dit omgevingsplan.

Tweede lid

De afstand die ten minste in acht moet worden genomen, is kleiner voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte kleiner dan 350 m 2 dan voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte van 350 m 2 of meer. Verder geldt een kleinere afstand van het bassin tot een geurgevoelig object of een geprojecteerd geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een veehouderij in de directe omgeving dan een te beschermen object zonder die functionele binding met een veehouderij.

Ondanks dat de afstanden in acht worden genomen, kan toch geuroverlast optreden. Het bevoegd gezag heeft dan de mogelijkheid om aanvullende eisen te stellen met maatwerkvoorschriften. Dit kan bijvoorbeeld voor de situering van het mestbassin, het afdekken ervan en de frequentie en tijdstip van de aan- en afvoer. Dit geldt ook voor mestkelders. Met name het leegpompen van mestkelders kan leiden tot geuroverlast.

Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand

Eerste lid

Dit artikel is van toepassing op een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen.

Dit artikel geldt bij alle milieubelastende activiteiten, die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41 . Zo is dit artikel niet alleen van toepassing bij een bedrijf voor mestbehandeling, als bedoeld in artikel 3.225 van het Bal, maar op alle mestvergistingsinstallaties die voldoen aan de omschrijving in het eerste lid .

Tweede lid

Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in het Bal. 

 Een vergunningplicht kan onder meer gelden bij mestverwerking van meer dan 25.000 m 3 mest van derden (grootschalige mestverwerking, artikel 3.91 Bal) of als de vergistingsinstallatie onderdeel is van een IPPC-installatie.

Derde lid

Dit lid is een voortzetting van de artikelen 3.129c en 3.129g, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het bepaalde in artikel 3.129g, derde lid, van dat besluit, dat regelde dat bepaalde gebruikseisen bij maatwerkvoorschrift kon worden vastgelegd, valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan. Het stellen van gebruiksregels, ofwel maatwerkvoorschriften, aanvullend op de afstandseis kan nodig zijn om te voldoen aan artikel 5.92 van het Bkl, dat vereist dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hierbij kan gedacht worden aan maatwerkvoorschriften over:

  • de situering van de voorziening;

  • het gesloten uitvoeren van de voorziening;

  • de ligging en afvoerhoogte van het emissiepunt, wanneer emissies worden afgezogen;

  • de toepassing van een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand

Dit artikel is een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45 en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover het gaat om het opslaan van groenafval inclusief afgedragen gewas (restmateriaal afkomstig van de teelt van gewassen), en de artikelen 3.106 en 3.108, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover het gaat om composteren van groenafval.

Eerste liden tweede lid

Dit artikel ziet op de geur door het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 4.879 van het Bal.

Derde lid

Het bepaalde in de artikelen 3.46, achtste lid, en 3.108, derde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, dat regelde dat bepaalde gebruikseisen bij maatwerkvoorschrift konden worden vastgelegd, valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan. Het stellen van gebruiksregels aanvullend op de afstandseis kan nodig zijn om te voldoen aan artikel 5.92 van het Bkl. Dat artikel vereist dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.

Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking

In beginsel geldt bij geur die veroorzaakt wordt door de activiteiten, bedoeld in de artikelen 22.114 tot en met 22.119 , de afstanden die in die artikelen zijn genoemd. Deze afstandseisen gelden niet bij 'overbelaste situaties'. Dit artikel bevat een regeling met 'eerbiedigende werking' voor zulke bestaande situaties. Zie voor een nadere toelichting hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.126 van het Bkl.

Als dit artikel van toepassing is, heeft degene die de activiteit verricht op grond van de specifieke zorgplichtbepaling de plicht om maatregelen of voorzieningen te treffen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken. Hierbij kan gedacht worden aan maatregelen over:

  • de situering van de plaats van de opgeslagen bedrijfsstoffen;

  • het afdekken van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen; of

  • de frequentie van de afvoer van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook dat degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aangeeft welke maatregelen of voorzieningen hij daarvoor heeft getroffen of zal treffen. Deze gegevens kan het bevoegd gezag ook vragen op grond van de toezichtsbevoegdheden van de Algemene wet bestuursrecht. Deze plicht komt dus niet expliciet terug in de omgevingsplanregels van rijkswege.

Artikel 22.121 Toepassingsbereik

Kortheidshalve wordt voor een uitleg over het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3.173 van het Bal. De verwijzing naar artikel 3.173 van het Bal brengt met zich mee dat het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk ook andere milieubelastende activiteiten omvat die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteit functioneel ondersteunen. De activiteiten worden gezien als één activiteit. Er is dan dus geen sprake van cumulatie van geur door verschillende activiteiten.

Dit artikel betreft een voortzetting van artikel 3.5a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. De regels van subparagraaf 22.3.6.5 kent als gevolg van aansluiting bij het Bal een breder toepassingsbereik ten opzichte van artikel 3.5a van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.5a van het Activiteitenbesluit milieubeheer bepaalde namelijk dat de regels alleen van toepassing waren op zuiveringtechnische werken voor zover het de waterlijn betrof met inbegrip van slibindikking en mechanische slibontwatering.

Deze paragraaf stelt alleen regels voor het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder. De regels die zien op andere belangen zijn opgenomen in paragraaf 4.49 van het Bal.

Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.5b, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het tweede lid bevat hogere waarden voor het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996, en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer was verleend en onherroepelijk was.

De geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten wordt bepaald met behulp van een rekenmethode. In de Omgevingsregeling is deze methode voor het berekenen van de geurwaarden verwerkt in artikel 6.13.

In de Omgevingsregeling is bepaald dat als voor een procesonderdeel in bijlage XXIX bij die Omgevingsregeling geen geuremissiefactor is vastgesteld, de emissie van geur door dat onderdeel wordt bepaald met een geuronderzoek volgens NTA 9065 'Luchtkwaliteit - Geurmetingen - Meten en rekenen geur'. Op grond van de algemene maatwerkmogelijkheid in deze afdeling van dit omgevingsplan kan het bevoegd gezag ook een geuronderzoek vragen voor het begin van de activiteit. Het bevoegd gezag kan op grond van deze informatie beoordelen of extra maatregelen moeten worden getroffen om geurhinder zoveel mogelijk te voorkomen.

Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige objecten

De waarden die in dit omgevingsplan zijn opgenomen, gelden niet voor de geur door een zuiveringtechnisch werk op bepaalde geurgevoelige objecten als voor het zuiveringtechnisch werk tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was verleend en onherroepelijk was. Het gaat daarbij in de eerste plaats om geurgevoelige objecten die op het moment van verlening van de omgevingsvergunning milieu niet aanwezig waren en voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn gebouwd (onderdeel a). In de tweede plaats gaat het om geurgevoelige objecten die in de omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet als geurgevoelig object werden beschouwd (onderdeel b).

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.5b, zevende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking

Bij wijziging van een zuiveringtechnisch werk mag de geur niet toenemen als voor dat zuiveringtechnisch werk rechtmatig een hogere waarde geldt, dan de waarde, bedoeld in artikel 22.120 , eerste lid . De geur mag wel toenemen als die binnen de waarden bedoeld in artikel 22.120 , eerste lid blijft.

Artikel 22.125 Toepassingsbereik

Vervallen.  

Artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem

Vervallen.  

Artikel 22.127 Toepassingsbereik

In dit artikel staat het toepassingsbereik van deze paragraaf.

Eerste lid

Deze paragraaf heeft in de eerste plaats betrekking op het graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk is aan 25 m3 en wordt ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3 . In het eerste lid is ook aangegeven op welke locaties de paragraaf daarnaast van toepassing is.

a. In onderdeel a staat vermeld dat het gaat om locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zonder dat sprake is van actuele risico's voor mens, plant of dier of verspreiding van het grondwater (zogenaamde beschikking ernst en geen spoed). Hiervoor is gekozen omdat voor deze locaties via eerder onderzoek is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is tot boven de interventiewaarde en hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden. Locaties die op grond van de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming zijn beschikt als ernstig waarbij de sanering spoedeisend is (ernst en spoed) vallen niet onder het toepassingsbereik omdat deze locaties onder het overgangsrecht voor de Wet bodembescherming blijven vallen.

b. In onderdeel b staat vermeld dat het gaat om locaties of gebieden waar de bodem op grond van een bodemkwaliteitskaart, vastgesteld op grond van artikel 25d, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit (voorheen artikel 57 van het oude Besluit bodemkwaliteit), diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn delen van de binnenstad van (grote) steden waarbij de bodem verontreinigd is met enkele metalen (bijvoorbeeld lood, koper of zink). Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet, worden bestaande bodemkwaliteitskaarten op grond van artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet, onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Gemeenten moeten deze bodemkwaliteitskaarten omzetten naar regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

Tweede lid

De aangewezen activiteit omvat ook het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie, of het tijdelijk opslaan en het terugplaatsen na afloop van het tijdelijk uitnemen bij het tijdelijk uitnemen en terugplaatsen. Met zeven wordt veelal puin uit de grond gehaald waardoor de verdichtbaarheid en de civieltechnische toepassingsmogelijkheden worden verbeterd voordat de grond wordt teruggeplaatst of elders wordt toegepast. Dit zeven is niet gericht op kwaliteitsverbetering en wordt bij deze activiteit niet beschouwd als bewerking. Andere bewerkingen van grond vallen onder de milieubelastende activiteit grondbank of grondreinigingsbedrijf, aangewezen in artikel 3.178, eerste lid, onder b.

Met het tijdelijk opslaan van de grond wordt bedoeld het opslaan van de bij het graven vrijkomende grond tijdens de activiteit, voorafgaand aan het terugplaatsen of afvoeren van de grond. Bemalen dat nodig is voor het graven valt niet onder de milieubelastende activiteit, maar is een wateractiviteit.

Derde lid

In het Derde lid is aangegeven dat de milieubelastende activiteit zich niet uitstrekt tot graven in de waterbodem. Hiermee komt tot uiting dat deze activiteit zich beperkt tot de landbodem. Onder waterbodem wordt verstaan de bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust. Het graven in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust, valt niet onder de reikwijdte van de activiteit graven in de waterbodem. Dit betekent dat de regels voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde wel gelden voor voormalige droge oevergebieden, die als term/aanduiding niet meer terugkomen onder de Omgevingswet.

Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

Dit artikel bevat een informatieplicht. Voordat met het graven wordt begonnen, moet het bevoegd gezag worden geïnformeerd over de activiteit. De informatieplicht uit dit artikel in het omgevingsplan zorgt ervoor dat het bevoegd gezag over kleinschalige grondverzet geïnformeerd wordt. Deze bepaling komt in de plaats van het voormalige artikel 28 uit de Wet bodembescherming dat stelde dat alle handelingen (dus ook kleinschalig grondverzet) die plaatsvinden in een geval van ernstige verontreiniging moeten worden gemeld. Voor grondverzet in een omvang groter dan 25 m 3 geldt via de algemene regels uit paragraaf 4.120 (graven in de bodem met kwaliteit boven de interventiewaarde) een meldingsplicht. Voor grondverzet in een omvang kleiner dan of gelijk aan 25 m  (ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet) geldt op grond van de algemene regels uit deze paragraaf van het Besluit activiteiten leefomgeving geen informatie of meldingsplicht.

Eerste lid

De gegevens en bescheiden worden ten minste een week voor het begin van de activiteit graven aangeleverd. Met deze informatie wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van een aantal praktische gegevens, zodat het voor het bevoegd gezag mogelijk is om toezicht te houden. Uit de verstrekte gegevens en bescheiden moet blijken wat de begrenzing is van de locatie waar de activiteit plaats vindt, de verwachte datum van het begin van de activiteit en de duur van de activiteit.

Tweede lid

Als de verstrekte informatie over begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit wijzigt, geeft de initiatiefnemer de wijziging onverwijld door. Dit betekent dat ook als er een wijziging in die gegevens optreedt tijdens de uitvoering van de activiteit, de initiatiefnemer het bevoegd gezag opnieuw moet informeren.

Derde lid

De informatieplicht van dit artikel geldt niet als de activiteit alleen bestaat uit het tijdelijk uitnemen en weer terugplaatsen van de grond.

Vierde lid

De informatieplicht is niet van toepassing als het graven in bodem plaatsvindt in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Hierbij moet gedacht worden aan het herstellen van gasleidingen en (drink)waterleidingen in geval van lekkages of het herstellen van een kabelbreuk (elektriciteit, glasvezels et cetera). Bij een dergelijke spoedreparatie is het niet redelijk en ook niet mogelijk om vooraf een bodemonderzoek uit te voeren en te voldoen aan de termijn van de informatieplicht (een week). Daarom komt in die situatie een beperkte informatieplicht achteraf in plaats van een meldingsplicht en onderzoek vooraf. De hoeveelheid te ontgraven grond moet proportioneel zijn voor het uitvoeren van een spoedreparatie. Op het uitvoeren van spoedreparaties is uiteraard wel de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en hoe hij de gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Als bijvoorbeeld bekend is – of visueel eenvoudig is vast te stellen – dat er verschil is in de kwaliteit van de grond, worden de verschillende lagen voorzichtigheidshalve gescheiden gehouden.

Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond

Vervallen.

Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven

Vervallen.  

Artikel 22.131 Toepassingsbereik

Vervallen.

Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen

Vervallen.

Artikel 22.133 Toepassingsbereik

Vervallen.

Artikel 22.134 Voorafgaand bodemonderzoek

Vervallen.

Artikel 22.135 Bodem: saneringsaanpak open ontgraving tot niveau terugsaneerwaarde

Vervallen.

Artikel 22.136 Bodem: terugsaneerwaarde

Vervallen.

Artikel 22.137 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, en op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering. Bij dat laatste kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een bouwputbemaling.

Lozingen afkomstig van onderzoeken voorafgaand aan bodemsaneringen zijn geregeld in het Bal. In paragraaf 6.2 van de nota van toelichting bij het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is ingegaan op de keuze om voor grondwatersaneringen geen algemene rijksregels meer te stellen.

Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

De plicht om het bevoegd gezag te informeren geldt niet voor lozingen bij ontwatering (bijvoorbeeld bronbemalingen) van minder dan 48 uur, of bij lozingen vanuit huishoudens. Voor lozingen bij ontwatering met een duur tussen 48 uur en 8 weken geldt een afwijkende termijn voor het verstrekken van gegevens en bescheiden: 5 werkdagen in plaats van 4 weken.

Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen

Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de RWZI (rioolwaterzuiveringsinstallatie) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op of in de bodem of in een schoonwaterriool (ieder riool dat geen vuilwaterriool is) toegestaan. Deze paragraaf geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze paragraaf maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.

Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de bodem of de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in de bodem of een schoonwaterriool geloosd.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was ook bepaald dat het afvalwater doelmatig moest kunnen worden bemonsterd. Die regel is nu opgenomen in de specifieke zorgplicht in deze afdeling.

Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering

Grondwater bij ontwatering is de algemene term voor grondwater dat vrijkomt bij bijvoorbeeld bronneringen en water uit drainagebuizen. Dit kunnen kleinschalige activiteiten betreffen die na een paar uur zijn afgerond, maar ook grootschalige projecten (vooral in de bouw) die jaren duren en waar zeer grote hoeveelheden grondwater worden weggepompt.

De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Maar het is niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt grondwater in enige mate verontreinigd kan zijn of van nature stoffen bevat, waarvan de lozing bezwaarlijk kan zijn. Veelal is dit lokaal bekend uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de overheid. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om de gemeente te informeren over de bekende gegevens over de samenstelling en eventuele verontreiniging van het grondwater. Dit is met name van belang daar waar de samenstelling van het grondwater afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit. Bij twijfel over de vraag of hiervan sprake zou kunnen zijn, is het raadzaam om contact op te nemen met de gemeente om na te gaan of er in dit gebied nog stoffen in de bodem aanwezig zijn, waarvan lozing tot problemen zou kunnen leiden. Dit artikel is niet van toepassing op lozingen van grondwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.

Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN- normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

Artikel 22.142 Toepassingsbereik

Deze paragraaf heeft betrekking op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een verplichte bodembeschermende voorziening. Het gaat met name om afvloeiend hemelwater van daken en van verhardingen, waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Dit artikel is wel van toepassing op afvloeiend hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen die vrijwillig zijn aangebracht. Onder afvloeiend hemelwater wordt niet verstaan het hemelwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Bal of drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van dat besluit.

Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden

Lozingen van afstromend hemelwater vormen in het algemeen geen risico voor de bodem of de riolering. Het is daarom niet nodig om voorafgaand aan de start of wijziging van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Alleen wanneer er een rijksweg of provinciale weg wordt aangelegd of gewijzigd, moet het bevoegd gezag tijdig op de hoogte worden gesteld. Het bevoegd gezag kan dan samen met de wegbeheerder bekijken wat de gewenste wijze van verwerking van het afstromende regenwater is.

Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater

De regeling voor het lozen van hemelwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen, is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden: het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In dit omgevingsplan is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen.

In het tweede lid is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. In het verleden is veel onderzoek verricht naar verontreinigingen in afvloeiend hemelwater van wegen en overige openbare ruimte. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK's, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afstromend wegwater in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels zijn aangelegd, of alleen rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater. Het wegwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen wordt buiten de bebouwde kom bij voorkeur geloosd op de bodem. Als lozen in de bodem niet (of niet volledig) mogelijk is, kan lozing (deels) plaatsvinden in een oppervlaktewaterlichaam. De regels hierover staan in de waterschapsverordening.

De voorkeursvolgorde in het tweede lid is niet van toepassing op lozingen van hemelwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.

Artikel 22.145 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater. Voor zover deze lozing plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, bevat deze paragraaf maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit. 

 De eisen aan lozingen van huishoudelijk afvalwater gelden niet voor spoorvoertuigen en voor militaire oefeningen op militaire terreinen. De voorzieningen voor de opvang van huishoudelijk afvalwater bij spoorvoertuigen kunnen via de spoorwegwetgeving worden geregeld. Bij militaire oefeningen is de plaatsing van IBA's redelijkerwijs niet mogelijk.

Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.138 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.147 Geen voedselvermaling

Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool. Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organische afvalstoffen in het afvalwater.

Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater

In de praktijk vinden de meeste lozingen van huishoudelijk afvalwater plaats in het vuilwaterriool. Voor een beperkt aantal situaties waar geen aansluiting op het vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk mogelijk is, is lozen op of in de bodem toegestaan. Dit is toegestaan buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten.

Binnen de in het eerste lid aangegeven afstanden tot de riolering in combinatie met het aantal inwonerequivalenten dat geloosd wordt, is het verboden direct op of in de bodem te lozen. Er moet dan worden geloosd op het vuilwaterriool. Buiten deze afstandsgrenzen moet het huishoudelijk afvalwater gezuiverd worden voordat het geloosd mag worden op of in de bodem.

De afstanden in dit artikel zijn de afstanden van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt. Voor een aantal lozingen van huishoudelijk afvalwater die al voor 1 maart 1997 plaatsvonden werd op grond van de toen geldende wetgeving de afstand bepaald tot het gedeelte van het gebouw dat het dichtst bij het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk was gelegen. Voor deze lozingen geldt overgangsrecht. Dit overgangsrecht is ongewijzigd overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en de daaraan voorafgaande besluiten: het voormalige Lozingenbesluit bodembescherming en het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.

In sommige gevallen is hemelsbreed de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool minder dan genoemd in het eerste lid, maar is het in de praktijk niet mogelijk daar een afvoerleiding aan te leggen. Bijvoorbeeld omdat dan een watergang gekruist of een dijk doorboord moet worden. Daarvoor is in het tweede lid, onderdeel b, opgenomen dat de afstand berekend moet worden langs de lijn waar in de praktijk een afvoerleiding aangelegd kan worden.

Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd op of in de bodem worden met dit artikel lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld. Aan de hier gestelde lozingseisen ligt het CIW-rapport 'Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA- systemen' van januari 1999 ten grondslag.

De voorwaarden die aan de beperkte directe lozingen in de bodem van huishoudelijk afvalwater worden gesteld, komen in grote lijnen overeen met de hieraan voorafgaande voorwaarden op grond van het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.

Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in afwijking van de emissiegrenswaarden, voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid van dit artikel is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via die voorziening geloosd mogen worden.

Deze voorwaarden komen overeen met de voorwaarden die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen afvalwater huishoudens golden op grond van de Regeling Wvo septic tank en de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1 beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is.

Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN- normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

Artikel 22.151 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater, dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Voor het lozen van koelwater dat afkomstig is van een milieubelastende activiteit, zoals aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, staan de regels in dat besluit.

Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 22.153 Koelwater

Voor veel bedrijfstakken waarbij koelwater wordt geloosd, gelden de regels in het Bal. Maar het lozen van koelwater kan ook plaatsvinden bij bedrijven die niet onder het toepassingsbereik van het Bal vallen. Daarom is in dit artikel het lozen van koelwater in de riolering geregeld. Koelwater kan ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam. De regels daarover staan in de waterschapsverordening.

Het lozen van koelwater in een schoonwaterriool is toegestaan. Lozen in een vuilwaterriool is alleen toegestaan als het lozen in een schoonwaterriool of in een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. Koelwater is relatief schoon water, zodat het lozen daarvan in het vuilwaterriool bij voorkeur vermeden moet worden.

Er mogen aan het koelwater geen chemicaliën (zoals aangroeiwerende middelen of antikalkmiddelen) worden toegevoegd.

De maximale warmtevracht is 1.000 kiloJoule per seconde. De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van het lozingsdebiet en het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam (waarop het schoonwaterriool uitkomt). De warmtecapaciteit van het koelwater is gelijk aan 4.190 Kilojoule per m 3 per graad temperatuursverhoging. Anders geformuleerd: 

 De warmtevracht = L x ∆T x W, waarbij 

 L = lozingsdebiet (m 3 /s). 

 ∆T = verschil temperatuur koelwater en temperatuur ontvangend oppervlaktewater in graden Celsius. 

 W = warmtecapaciteit van het koelwater = 4.190 kJ/m 3 per graad temperatuurstijging.

Voor het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht, of voor het toedienen van chemicaliën, is een maatwerkvoorschrift vereist.

Artikel 22.154 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken. Dit betreft zowel weinig milieubelastende activiteiten, zoals activiteiten als ramenlappen, als activiteiten die een hogere milieubelasting kunnen veroorzaken, zoals verwijderen van hardnekkige aanslag bij gevelreiniging.

Artikel 22.155 Periodiek reinigen

Bij het periodiek reinigen van bouwwerken, waarbij slechts vuilafzetting wordt verwijderd, komt afvalwater vrij. Deze werkzaamheden zijn wat verontreiniging van het afvalwater betreft vergelijkbaar met ramenlappen. Naast ramen worden op deze wijze bijvoorbeeld ook gladde gevels periodiek gereinigd. Dit afvalwater kan zonder problemen in de bodem of de riolering worden geloosd. Het is niet nodig om het bevoegd gezag hierover te informeren.

Bij andere reinigingsactiviteiten dan periodiek reinigen is het uitgangspunt dat geen afvalwater wordt geloosd. Dit geldt voor bijvoorbeeld werkzaamheden, waarbij na verloop van een lange periode (vaak meer dan enkele jaren) hardnekkige aanslag wordt verwijderd (gevelreiniging). Ook vallen hieronder werkzaamheden, waarbij bijvoorbeeld graffiti of andere verflagen worden verwijderd.

Artikel 22.156 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater, afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen. Deze activiteit is ook geregeld in paragraaf 4.104 van het Bal. Deze paragraaf bevat daarom maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit. Die paragraaf bevat de regels over het opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen. In deze paragraaf zijn, in aanvulling daarop, regels gesteld over het lozen van inerte goederen.

Artikel 22.157 Inerte goederen

Dit artikel geeft aan welke goederen in ieder geval inerte goederen zijn. De opsomming is dus niet uitputtend. Voor alle genoemde goederen geldt wel dat deze niet verontreinigd mogen zijn, bijvoorbeeld met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen.

Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 22.159 Lozen bij opslaan van inerte goederen

In lijn met de voorkeursvolgorde voor de verwijdering van afvalwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) wordt het afvalwater bij voorkeur hergebruikt en eventueel overtollig afvalwater wordt geloosd onder de voorwaarden die in dit artikel worden gesteld. In het algemeen zal dit (verzameld) afstromend hemelwater, schrob- en spoelwater of water van een nevelgordijn zijn. Op grond van het vierde lid moet dit afvalwater bij voorkeur (her)gebruikt te worden voor bevochtiging van de goederen, ter voorkoming van stofverspreiding.

Afvalwater dat slechts met inerte goederen in aanraking is geweest moet bij voorkeur direct geloosd worden (op oppervlaktewater, bodem of schoonwaterriool), waarbij de hoeveelheid onopgeloste bestanddelen beperkt moet worden tot minder dan 300 milligram per liter. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden met preventieve maatregelen en eventueel een slibvangput voorafgaande aan de lozing. Als een directe lozing redelijkerwijs niet mogelijk is, bijvoorbeeld door afwezigheid in de nabijheid van oppervlaktewater of een schoonwaterriool en een bodem die ongeschikt is voor lozingen, kan het afvalwater geloosd worden op het vuilwaterriool, waarbij ook gezorgd moet worden dat het niet meer dan 300 milligram per liter onopgeloste bestanddelen bevat. Dit ter voorkoming van dichtslibben van het vuilwaterriool.

De eis voor onopgeloste stoffen geldt voor enig steekmonster. Dat wil zeggen dat alleen in extreme situaties deze concentratie mag worden aangetroffen, bijvoorbeeld bij extreme regenval. Concentraties van ongeveer 100–150 mg/l zijn normaal en daaronder bestaat in principe geen probleem. Als concentraties worden aangetroffen tussen de 100–150 en 300 kan de handhaver vragen gaan stellen. Overschrijding van de norm van 300 betekent optreden.

Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Artikel 22.161 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen

In artikel 4.1058 van het Bal is voor afvalwater afkomstig van het opslaan van uitlogende goederen een verplichte lozingsroute opgenomen naar het vuilwaterriool. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer maakte het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen op oppervlaktewater. Deze alternatieve lozingsroute is als maatwerkregel opgenomen in de waterschapsverordening. Maar het waterschap is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool 'uit te zetten'. Vandaar dat dit artikel de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool omzet in een facultatieve lozingsroute, voor zover de lozingsroute naar het oppervlaktewater in de waterschapsverordening is toegestaan.

Artikel 22.162 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is uit een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel en uit de zogeheten overheids-IBA's. Dat zijn voorzieningen voor de verwerking van huishoudelijk afvalwater, anders dan een openbaar vuilwaterriool.

Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel

In dit artikel wordt het lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels en openbare hemelwaterstelsels op of in de bodem toegestaan. Voorwaarde daarbij is dat deze stelsels voorkomen op het overzicht van voorzieningen en maatregelen dat is opgenomen in het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) als bedoeld in het voormalige artikel 4.22 van de Wet milieubeheer. Volgens het overgangsrecht van artikel 4.93 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven GRP's van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het plan is vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het plan vervalt. 

 De Omgevingswet biedt in artikel 3.14 de mogelijkheid dat het college van burgemeester en wethouders een (facultatief) gemeentelijk rioleringsprogramma vaststelt. Als het college een rioleringsprogramma heeft vastgesteld, is het lozen vanuit de in dat programma opgenomen voorzieningen eveneens toegestaan. De naam 'rioleringsprogramma' is overigens niet limitatief, de gemeente kan dit programma bijvoorbeeld ook een waterprogramma noemen.

Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Voor lozingen vanuit 'overheids-IBA's' geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 22.163 .

Artikel 22.165 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van water dat wordt gebruikt bij het spoelen van distributieleidingen voor drinkwater, tapwater en huishoudwater, om die leidingen voor het eerst in gebruik te nemen of bij het onderhoud aan die leidingen.

Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen

Bij het schoonmaken van leidingen kan onderscheid gemaakt worden tussen afvalwater afkomstig van leidingen uit het transportnet en afvalwater afkomstig van leidingen uit het distributienet. Vanuit de productiestations wordt het drinkwater via transportleidingen naar het distributienet gepompt. Het transportnet kenmerkt zich door een grotere leidingdiameter en het geringe aantal vertakkingen en aansluitingen. Het distributienet verdeelt de hoofdstroom naar de vele eindgebruikers en kenmerkt zich door de vele vertakkingen en het verloop van grotere naar kleinere diameters. In grote lijnen zal het schoonmaken van leidingen uit het transportnet lozingen opleveren van 100 m 3 of meer, terwijl lozingen van afvalwater afkomstig van distributieleidingen daaronder blijven. Ook op het schoonmaken van de aanvoerleiding heeft dit artikel betrekking.

Tegen lozingen van dit afvalwater bestaat, voor zover het geen desinfecteermiddelen of andere chemicaliën bevat, geen bezwaar, anders dan dat het geen overlast mag veroorzaken. In dit geval heeft het direct terugvoeren van dit water in het milieu de voorkeur. Het lozen op of in de bodem of in schoonwaterstelsels wordt daarom zonder beperkingen toegestaan ( eerste lid ). Bij het schoonmaken van leidingen van het distributienet kan het water veelal direct ter plaatse in de bodem worden geloosd zonder overlast te veroorzaken. Bij het schoonmaken van leidingen van het transportnet zal gezocht moeten worden naar een geschikte locatie. Het lozen van dit afvalwater in het oppervlaktewater is ook toegestaan. Dat is geregeld in de waterschapsverordening.

Het lozen op het vuilwaterriool is minder gewenst vanwege de verminderde werking van de zuivering bij de toevoeging van een relatief grote hoeveelheid schoon water. Dit is alleen een optie als anders lozen niet in redelijkheid mogelijk is ( tweede lid ).

Als er desinfecteermiddelen zijn gebruikt is overleg met het bevoegd gezag noodzakelijk om de meest geschikte oplossing voor het lozen te vinden. Het bevoegd gezag kan het lozen met een maatwerkvoorschrift toestaan, als het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

Artikel 22.167 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is van een calamiteitenoefening, met uitzondering van de permanente voorzieningen voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Bal.

Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Bij calamiteitoefeningen kan soms afvalwater vrijkomen. Zo zal een oefening om een brand te bestrijden gepaard kunnen gaan met het gebruik van grote hoeveelheden bluswater, dat tijdens de oefening in de bodem of een rioolstelsel stroomt. Wanneer daarbij zorgvuldig wordt gehandeld zodat het water niet onnodig verontreinigd raakt, kan het zonder problemen worden geloosd.

Artikel 22.170 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal.

Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas

Artikel 4.791l van het Bal schrijft voor dat bij grondgebonden teelt in een kas een recirculatiesysteem voor drainagewater aanwezig is en in gebruik is. Op grond van artikel 3.71, zevende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer hoefde geen recirculatiesysteem aanwezig te zijn, als hergebruik van het drainagewater niet doelmatig is. Voor lozingen van drainagewater die al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bestonden, wordt deze uitzondering in dit artikel voortgezet.

Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen

In artikel 7.761 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet. 

 De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.

Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit

In artikel 7.773 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet. 

 De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.

Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw

Op grond van artikel 4.795 van het Bal geldt voor het lozen van afvalwater bij het telen van gewassen de plicht om te lozen in het vuilwaterriool, of het afvalwater gelijkmatig te verspreiden over landbouwgronden. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was geregeld dat dat afvalwater ook in oppervlaktewater mag worden geloosd. In de waterschapsverordening is geregeld dat die lozingsroute mogelijk blijft. Het waterschap is echter niet bevoegd om de verplichte lozingsroute van artikel 4.795 'uit te zetten'. Daarom is in dit artikel bepaald dat, als de waterschapsverordening het lozen op oppervlaktewater mogelijk maakt, de verplichte lozingsroute een facultatieve lozingsroute wordt.

Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Artikel 22.177 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Deze paragraaf bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.

Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 22.179 Water

Volgens artikel 4.140, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.

Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Artikel 22.181 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Deze paragraaf bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.

Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 22.183 Water

Volgens artikel 4.158, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.

Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Artikel 22.185 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een recreatieve visvijver. Recreatieve visvijvers vallen onder de recreatieve sector. Anders dan in kwekerijen van vis voor menselijke consumptie of voor siervissen worden in recreatieve visvijvers geen vissen gekweekt. Het kweken van vissen wordt als een agrarische activiteit beschouwd.

Het vissen vindt plaats in aparte vijvers. Deze vijvers maken in het algemeen geen deel uit van een oppervlaktewaterlichaam. Gemiddeld eens per twee weken wordt een aantal consumptievissen aangevoerd van een kwekerij. Deze vissen worden tijdelijk in voorraadbakken bewaard. Vervolgens worden ze - afhankelijk van de vraag - uit de voorraadbakken gehaald en uitgezet in één of meerdere grotere vijvers om te worden gevangen door recreatieve vissers.

De vissen worden in de tijd dat ze in de bakken en visvijvers aanwezig zijn in principe niet (bij)gevoerd. Een forel kan gemakkelijk een half jaar zonder voedsel. Ook worden geen antibiotica toegepast. Dat is sowieso bij vissen, die voor consumptiedoeleinden worden gebruikt, niet toegestaan.

Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden

De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:

  • de activiteit zelf en wat daarbij hoort;

  • de precieze plek en indeling van de activiteit; en

  • wanneer deze begint of wordt gewijzigd.

Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W op grond van artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu.

Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, zijn ook altijd artikel 22.46 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden) en artikel 22.47 (gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat) van toepassing.

Artikel 22.187 Water: lozingsroute

Het water in de visvijvers wordt in beweging gehouden om vorming van onder andere blauwalgen te voorkomen. Daarvoor wordt een aantal m 3 grondwater per dag opgepompt en toegevoegd aan de voorraadbakken, die weer in open verbinding staan met de visvijvers. Uiteindelijk wordt het spuiwater geloosd. Het spuiwater bestaat uit schoon (grond)water zonder toevoegingen. Het lozen van dit afvalwater in de bodem of in een schoonwaterriool is zonder nadere voorschriften toegestaan. Lozen in het vuilwaterriool is niet toegestaan.

Meestal wordt het afvalwater overigens in het oppervlaktewater geloosd. De regels daarvoor staan in de waterschapsverordening.

Artikel 22.188 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal. Dit is de 'ouderwetse', chemische manier van ontwikkelen en afdrukken van lichtgevoelige film.



Digitaal afdrukken, het met onder andere inkjet- en laserprinters afdrukken van digitale foto's, is specifiek uitgezonderd.

Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.190 Water

In dit artikel is het in het vergelijkbare artikel van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer voorkomende voorschrift dat het te lozen afvalwater op een doelmatige wijze kan worden bemonsterd geschrapt. Dit volgt namelijk al uit de specifieke zorgplicht.

Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Artikel 22.192 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen, met uitzondering van het wassen van motorvoertuigen dat onderdeel uitmaakt van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en bij de activiteit wonen. In het Bal zijn, waar nodig, al regels gesteld over het reinigen van voertuigen. De reden dat deze paragraaf ook niet van toepassing is bij wonen, is dat er in het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens ook geen regels aan deze lozingen waren gesteld, anders dan de zorgplicht.

Artikel 22.193 Bodem

Het wassen van motorvoertuigen moet in principe plaatsvinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening. Vanwege de aard van de activiteit, waarbij continue bodembedreigende vloeistoffen over de voorziening stromen, zijn niet-vloeistofdichte voorzieningen niet toereikend.

Op de plicht om het wassen van motorvoertuigen plaats te laten vinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening is een uitzondering gemaakt voor het wassen van motorvoertuigen op een mobiele wasinstallatie. Dit soort installaties worden tegenwoordig steeds meer toegepast bij initiatiefnemers die zelf niet beschikken over de vereiste voorzieningen. Mobiele installaties moeten wel voldoende bodembeschermende werking hebben. Daarom is bepaald dat er geen vloeistoffen in de bodem terecht mogen komen.

Ook geldt, in navolging van de artikelen 3.23b, tweede lid, aanhef en onder a, en 3.24, aanhef en onder a, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, een uitzondering voor het per week uitwendig wassen van ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. Artikel 22.194 , tweede lid , van dit omgevingsplan regelt in samenhang hiermee dat het water bij het wassen in de bodem mag komen. Dit zal in beperkte mate het geval zijn, als de verharding waarop wordt gewassen niet vloeistofdicht is.

Artikel 22.194 Water

Uitgangspunt bij het lozen van oliehoudend afvalwater is een norm van 20 milligram olie per liter in enig steekmonster. Aan deze norm kan worden voldaan door ofwel het toepassen van zuiveringstechnieken volgens BBT, ofwel het zodanig inrichten van de werkwijze, dat het gehalte van 20 milligram per liter ook zonder behandeling in zuiveringsvoorzieningen niet wordt overschreden.

Op de norm van 20 milligram per liter wordt een uitzondering gemaakt als het afvalwater geleid wordt door een olie-afscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2. Vanzelfsprekend moeten de olie-afscheider en slibvangput adequaat functioneren. Dit kan worden beoordeeld aan de hand van het oliegehalte van het geloosde water. Daarbij is het wel van belang, dat de werkwijze (waaronder de keuze van het reinigingsmiddel en de wijze van toepassing van een eventuele hogedrukreiniger) zodanig is dat een goede werking van de afscheider niet onmogelijk wordt gemaakt door vorming van emulsies. Ook moeten de slibvangput en olieafscheider goed worden onderhouden. Dit omvat het tijdig ledigen en reinigen en het zo spoedig mogelijk verhelpen van geconstateerde gebreken. Wanneer het verwijderen van afgescheiden olie en slib exact aan de orde is afhankelijk van het type afscheider en kan verschillen. Over het algemeen moet de slibvangput of slibvangruimte worden geleegd wanneer deze voor meer dan 50% gevuld is met slib/zand. Dit valt onder de specifieke zorgplicht.

Om de goede werking van een slibvangput en olieafscheider te waarborgen moet bij alle afscheiders, naast het zo nodig verwijderen van olie en slib, de afscheider met enige regelmaat volledig geleegd en gereinigd worden en onderzocht worden op aantasting en andere gebreken. Gebleken gebreken moeten zo spoedig mogelijk verholpen worden. Ook dit valt onder de specifieke zorgplicht.

Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Artikel 22.196 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op (kleinschalige) voedselbereiding. Het betreft bijvoorbeeld bedrijfskantines of de horeca.

Deze paragraaf is niet van toepassing op de voedingsmiddelenindustrie als bedoeld in artikel 3.128 van het Bal, met uitzondering van de kantine van die bedrijven.

Het toepassingsbereik van artikel 3.128 van het Bal verschilt enigszins van het toepassingsbereik van paragraaf 3.6.3 (industrieel vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken) uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Daardoor ontstaan mogelijk wat verschuivingen in het werkingsgebied van de voorschriften ten opzichte van de oude situatie. Zo is de ondergrens voor het nominaal vermogen van een bakkerijoven van 400 kW uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer veranderd in een aansluitwaarde van meer dan 100 kW omdat die ondergrens in artikel 3.128 van het Bal wordt gehanteerd. In gevallen waarin dit een probleem oplevert kan dit worden opgelost met maatwerk.

Grootkeukenapparatuur is apparatuur die wordt gebruikt voor professionele keukens in de horeca en bij andere bedrijven. De apparatuur die in professionele keukens wordt gebruikt, is een slag groter dan huishoudelijke apparatuur en wordt gekocht bij gespecialiseerde leveranciers.

Grootkeukenapparatuur komt zowel in elektrische als gasgestookte varianten voor. Het maximale vermogen van grootkeukenapparatuur is ongeveer 80 kW. Zware grootkeukenapparaten zijn bijvoorbeeld pastakokers voor een mensa of instelling of de bakwand van een snackbar.

Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.198 Water

Vethoudend afvalwater wordt in beginsel altijd op het vuilwaterriool geloosd.

Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool. Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organisch afval in het afvalwater.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2. Op grond van het vijfde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde 'afgestemd op de hoeveelheid water'.

Artikel 22.199 Geur

Eerste lid

Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in artikel 22.45 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de installatie voldoende vaak worden gereinigd.

Tweede lid

Grootkeukens die grillen, frituren of bakken in olie of vet, moeten de hierbij vrijkomende dampen afzuigen. Bovendien moeten de afgezogen dampen via een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter worden afgevoerd naar de buitenlucht. Dit geldt niet voor het grillen met houtskool.

Derde lid, onderdeel a

Net als in de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer, gelden de regels voor het voorkomen van geurhinder niet voor het koken met keukenapparatuur. De specifieke zorgplicht is voldoende.

vierde lid

Het vierde lid betreft overgangsrecht dat overgenomen is uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

Artikel 22.200 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op milieubelastende activiteiten zoals die voorkomen bij de voedingsmiddelenindustrie. De activiteiten zijn benoemd in artikel 3.128 van het Bal, Het gaat onder meer om het op grote schaal bewerken of verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen, slachten van dieren of maken van veevoer. Het aspect geurimmissie is voor deze activiteiten niet specifiek geregeld in het Bal. Wel valt dit aspect onder de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal. Deze paragraaf is een maatwerkregel op grond van die specifieke zorgplicht.

Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten als bedoeld in de artikelen 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Bal wordt het toestaan van (meer) geur door het beginnen met of uitbreiden in capaciteit van de activiteit, geregeld via een vergunningaanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Bij de vergunningaanvraag kan een geuronderzoek geëist worden.

Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.140, eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het bevoegd gezag kan in afwijking van dit artikel bij maatwerkvoorschrift op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan een bepaalde mate van nieuwe geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen toestaan.

Ook kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat een bepaalde geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten niet wordt overschreden, of dat technische voorzieningen worden aangebracht of gedragsregels in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

Bij het industrieel vervaardigen of bewerken van levensmiddelen of voeder is de kans op geurhinder reëel. Daarom kan het bevoegd gezag via een maatwerkvoorschrift om een geuronderzoek vragen. In dat geuronderzoek wordt onder meer aangegeven welke maatregelen worden getroffen ter voorkoming of beperking van geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen.

Artikel 22.202 Toepassingsbereik

Op het slachten van meer dan 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week is paragraaf 3.4.8 (Voedingsmiddelenindustrie) van het Bal van toepassing. Bij de andere drie activiteiten genoemd in artikel 22.202 , eerste lid , onderdelen c tot en met d, staat geen ondergrens. Paragraaf 3.4.8 van het Bal is van toepassing op alle IPPC-installaties in de voedingsmiddelenindustrie. Wanneer dus de andere drie activiteiten onderdeel zijn van een IPPC-installatie, dan is deze paragraaf niet van toepassing.

Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering

Door het inpandig uitvoeren van het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten wordt voorkomen dat afvalwater onbedoeld in de bodem of het oppervlaktewater terecht komt.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en -2. Op grond van het vierde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en -2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. In plaats van een vetafscheider kan ook een flocculatie- afscheider als alternatieve maatregel worden toegepast.

Een slibvangput en vetafscheider, die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan kan worden volstaan met de voorwaarde 'afgestemd op de hoeveelheid water'. Hetzelfde geldt voor een flocculatie-afscheider geplaatst voor 1 januari 2013.

Voor meer uitleg over de zuivering bij het lozen van vethoudend afvalwater in een vuilwaterriool wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.407 van het Bal.

Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder

Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in het eerste lid , onder b, van dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de ontgeuringsinstallatie voldoende vaak worden gereinigd.

Het tweede lid bevat oud overgangsrecht van het Activiteitenbesluit milieubeheer dat is overgenomen. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening

Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 22.202, eerste lid verricht houdt in een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van artikel 22.50 , onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.3 van het Bal.

Eerste lid

Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verontreinigd of aangetast. 

 Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voorgeschreven, is niet langer verplicht voor deze activiteit. Degene die het pekelen van dierlijke bijproducten of organen beëindigd kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan het beëindigen van de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.

Tweede lid

Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht:

  • op de bodembedreigende stoffen die als gevolg van de activiteit in de bodem kunnen geraken of daarin terecht kunnen zijn gekomen; en

  • op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht.

Derde lid

Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek moet voldoen aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een instelling met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een 'erkenning bodemkwaliteit' is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.4 van het Bal. In het rapport van het eindonderzoek bodem moeten een aantal gegevens worden opgenomen. Bij de naam van degene die het onderzoek heeft uitgevoerd zal het in de regel gaan om de bedrijfsnaam. De wijze waarop het onderzoek is verricht zal over het algemeen een weergave bevatten van de normdocumenten die zijn gevolgd en de gegevens die op grond daarvan moeten worden vastgelegd. Het rapport moet informatie bevatten over de soort en concentratie van de aangetroffen verontreinigende stoffen, van welke bronnen deze stoffen afkomstig zijn en informatie over de geschiedenis van het terrein. Als er bestaande informatie is over bodem- en grondwatermonsters van de verontreinigende stoffen die bij de activiteit gebruikt zijn, geproduceerd zijn of zijn vrijgekomen ten tijde van het opstellen van het rapport kunnen deze gegevens in de rapportage verwerkt worden, anders moeten nieuwe monsters worden genomen. Wanneer is gebleken dat de bodem is verontreinigd of aangetast, zal in het rapport ook moeten worden vastgelegd op welke wijze de bodemkwaliteit wordt hersteld en de mate waarin dat plaatsvindt.

Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.5 van het Bal. De resultaten van het eindonderzoek bodem moeten uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de activiteit zijn gerapporteerd aan het bevoegd gezag.

Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.

Eerste lid

Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld. 

 Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:

– De waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd. 

 – De bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart.

– De achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.

Tweede lid

Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een persoon of onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een 'erkenning bodemkwaliteit' is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Bal. Zowel ten minste vijf dagen voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden als ten hoogste vijf dagen na de afronding van de herstelwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag door degene die de activiteit heeft verricht geïnformeerd over deze herstelwerkzaamheden, zodat het bevoegd gezag daarop haar toezichtsactiviteiten kan afstemmen.

Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen

Bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen kunnen bepaalde stoffen lekken en worden gemorst, die bij voorkeur niet in het afvalwater terecht mogen komen. Daarom is in dit artikel voorgeschreven dat ze zoveel mogelijk, zonder verder toevoegen van water worden opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.

Artikel 22.214 Toepassingsbereik

Deze paragraaf ziet op windturbines die lichtschitteringveroorzaken of slagschaduw in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen.Onder deze paragraaf vallen alleen windturbines met een rotordiameter van meer dan 2 m.

Een windturbine die deel uitmaakt van een windpark in de Noordzee valt niet onder deze paragraaf.Een windturbine die deel uitmaakt van een nieuw windpark valt niet onder deze paragraaf.

Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid

In artikel 5.89a van het Bkl zijn slagschaduwgevoelige gebouwen, die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over slagschaduw in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen wel bescherming. Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouwen, die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming tegen slagschaduw blijven houden. Dit tot het moment dat bij:

  • het vaststellen van het nieuwe deel van het omgevingsplan; of

  • het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; beoordeeld is dat de situatie ook zonder deze regel voor slagschaduw op het tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouw, aanvaardbaar is.

Tweede lid

Het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen, die op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor slagschaduw. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming tegen slagschaduw aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.

Schema: of regels voor slagschaduw gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen of tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen

Slagschaduwgevoelig gebouw

Activiteit

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan), toegelaten maar nog niet gebouwd

de regel voor slagschaduw is niet van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan, toegelaten maar nog niet gebouwd

de regel voor slagschaduw is wel van toepassing

slagschaduwgevoelig gebouw dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de regel voor slagschaduw is wel van toepassing

slagschaduwgevoelig gebouw dat in het nieuwedeel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de regel voor slagschaduw is niet van toepassing

Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening

De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan op bepaalde plaatsen en onder bepaalde omstandigheden een hinderlijk schaduweffect, dat wil zeggen wisseling van lichtsterkte, veroorzaken. Dit kan vooral hinderlijk zijn als de schaduw over ramen valt en zich bijvoorbeeld over een werkplek beweegt waar gestudeerd of gelezen wordt. De mate van hinder wordt onder meer bepaald door de frequentie van het passeren (rotortoerental), door de blootstellingsduur en door de intensiteit van de wisselingen in lichtsterkte. Passeerfrequenties tussen 2,5 en 14 Hz (aantal passeringen per seconde) veroorzaken hinder. Bij grotere turbines is het toerental lager zodat de passeerfrequenties doorgaans beneden 2,5 Hz liggen. Naast de passeerfrequentie is een aantal andere factoren ook bepalend voor eventuele hinder in de omgeving. Deze factoren zijn dermate locatie specifiek dat het ondoenlijk is een eenduidige alomvattende norm te stellen. Doorgaans is het noodzakelijk deze factoren in samenhang te analyseren en te projecteren op de specifieke situatie. Zo nodig kan hiervoor een maatwerkvoorschrift worden gesteld. Een hinderduur van maximaal 64 (en gemiddeld 17) dagen per jaar met een maximum van 20 minuten per dag is op grond van artikel 5.89f van het Bkl als aanvaardbaar te beschouwen. Bovendien zijn in veel gevallen eenvoudige voorzieningen aan te brengen aan een turbine. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een stilstandregeling. De eis uit dit artikel geldt in slagschaduwgevoelige ruimten. Een blinde gevel of tuinen bij woningen worden niet beschermd tegen slagschaduw. Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door slagschaduw als de maatregel in artikel 22.216 in een specifiek geval niet toereikend is.

Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de regel voor het beperken van slagschaduw niet van toepassing is op de slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.89d van het Bkl.

Artikel 22.218 Slagschaduw: voormalige functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de regels voor slagschaduw in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat voorheen onderdeel was van een Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor slagschaduw door een windturbine, behorende bij die agrarische activiteit in dat slagschaduwgevoelige gebouw. 

 Het gebouw blijft wel beschermd tegen slagschaduw, veroorzaakt door andere omliggende windturbines.

Onderdeel a

Onderdeel a is een regeling voor zogenaamde 'plattelandswoningen' die als plattelandswoning zijn aangewezen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).

Onderdeel b

Onderdeel b is een regeling voor slagschaduw door een windturbine bij een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

In een situatie als bedoeld onder b, wordt in het nieuwe deel van het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander slagschaduwgevoelig gebouw) bepaald dat deze woning geen bescherming geniet tegen slagschaduw door een windturbine bij de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden, door regels in het omgevingsplan.

Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de regel voor slagschaduw uit dit omgevingsplan ook daadwerkelijk niet gaat gelden voor de naastgelegen woning, die nu geen functionele binding meer heeft.

Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.89e van het Bkl. 

 Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij dat artikel en paragrafen 2.3.8, onder 'Voormalige bedrijfswoningen', en 8.1.3, onder 'Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties', van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.

Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie

Lichthinder door lichtschittering kan voorkomen worden door het gebruik van niet-reflecterende materialen of door coating op de rotorbladen aan te brengen. Daarnaast blijkt dat door weersinvloeden de rotorbladen mat kunnen worden (glansgraad maximaal 30%) waardoor reflectiewaarden in de tijd afnemen. De methode van meten van reflectiewaarden is opgenomen in NEN-EN-ISO 2813, 'Verven en vernissen - Metingen van de glans (spiegelende reflectie) van niet- metallieke verflagen onder 20°, 60° en 85°. Hoewel de voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit dit voorschrift, kan ook van een gelijkwaardige meetmethode gebruik worden gemaakt. Gelijkwaardige meetmethoden zijn bijvoorbeeld opgenomen in DIN (Deutsche Industrie Norm) 67530 en NEN 3632. 

 Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door lichtschittering als artikel 22.219 of artikel 22.220 in een specifiek geval niet toereikend is.

Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden

Lichthinder door lichtschittering kan voorkomen worden door het gebruik van niet-reflecterende materialen of door coating op de rotorbladen aan te brengen. Daarnaast blijkt dat door weersinvloeden de rotorbladen mat kunnen worden (glansgraad maximaal 30%) waardoor reflectiewaarden in de tijd afnemen. De methode van meten van reflectiewaarden is opgenomen in NEN-EN-ISO 2813, 'Verven en vernissen - Metingen van de glans (spiegelende reflectie) van niet- metallieke verflagen onder 20°, 60° en 85°. Hoewel de voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit dit voorschrift, kan ook van een gelijkwaardige meetmethode gebruik worden gemaakt. Gelijkwaardige meetmethoden zijn bijvoorbeeld opgenomen in DIN (Deutsche Industrie Norm) 67530 en NEN 3632.

Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door lichtschittering als artikel 22.219 of artikel 22.220 in een specifiek geval niet toereikend is.

Artikel 22.221 Toepassingsbereik

Deze paragraaf heeft enkel betrekking op het opladen van 'natte' accu's. Deze accu's bevatten (zwavel)zuur en zijn niet volledig gesloten waardoor er lekkage kan optreden.

Deze activiteit was onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet meldingsplichtig. Vandaar dat er geen plicht om gegevens en bescheiden aan te leveren is opgenomen in deze paragraaf.

Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening

Uit een natte accu kan zuur lekken, dat de bodem kan verontreinigen. Daarom moet een aaneengesloten bodemvoorziening aanwezig zijn. Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. 

 Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van artikel 22.50 , onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 22.224 Toepassingsbereik

Deze paragraaf geldt voor parkeergarages met mechanische ventilatie. Er vindt dan ook emissie uit een puntbron van uitlaatgassen van auto's plaats. Hierdoor kan er lokaal geurhinder of een te hoge concentratie van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid ontstaan.

Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Deze paragraaf treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen. De plicht gegevens en bescheiden te verstrekken treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen. Dit verschil is afkomstig uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, waarbij een parkeergarage pas vanaf 30 parkeerplaatsen meldingsplichtig was.

Artikel 22.226 Lucht en geur: afvoeren emissies

Eerste lid

De voorschriften in het eerste lid dienen om te voorkomen dat er op een bepaald punt geurhinder of een te hoge concentratie ontstaat van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid.

Tweede lid

Het tweede lid betreft overgangsrecht dat overgenomen is uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

Artikel 22.227 Toepassingsbereik

Traditioneel schieten is het schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Het traditioneel schieten vindt voornamelijk plaats bij schutterijen en schuttersgilden in de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Afhankelijk van de streek worden andere schietdisciplines beoefend. De meest gebruikelijke disciplines van het traditioneel schieten zijn:

Oud-Limburgs schieten: het harkschieten en het vogelschieten. 

 Brabants schieten: het schieten op de wip en het gaai- of vogelschieten. 

 Gelders schieten: het lepel- of fladderschieten, het vogelschieten en het schieten op de schijf.

Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Met de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, wordt bedoeld het hele gebied, van de plaats waar wordt geschoten tot de plaats waar de munitie terecht kan komen.

Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid

Bij het traditioneel schieten moet een kogelvanger worden toegepast. Een kogelvanger is een voorziening, waarmee alle afgeschoten kogels worden opgevangen. Het schieten moet zodanig plaatsvinden dat alle afgeschoten kogels in de kogelvanger terecht komen. Voor bepaalde schietdisciplines kan dat betekenen dat het schieten met een oplegsteun of affuit nodig is. Om ervoor zorg te dragen dat alle afgeschoten kogels in de kogelvanger terecht komen, mogen ongeoefende schutters alleen met toepassing van een affuit schieten. De baancommandant beoordeelt of sprake is van een geoefende of een ongeoefende schutter.

Het toepassen van een kogelvanger is noodzakelijk in het kader van externe veiligheid en voor het voorkomen, of als dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem.

Door het toepassen van een kogelvanger worden de externe veiligheidsrisico's van het traditioneel schieten zoveel mogelijk beperkt, doordat geen kogels achter het doel – waarop geschoten wordt – terecht komen. Het gebruik van de kogelvanger beperkt derhalve de 'onveilige zone'.

Daarnaast is het toepassen van een kogelvanger noodzakelijk voor het voorkomen, of als dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem. Bij het traditioneel schieten wordt onder meer gebruik gemaakt van kogels die uit lood bestaan. Lood is schadelijk voor het milieu en derhalve een zwarte lijst-stof. Door het toepassen van een kogelvanger wordt voorkomen dat kogels in de bodem terecht kunnen komen. Afgeschoten kogels worden opgevangen in een verzamelbak (of wattenbak). Deze verzamelbak maakt onderdeel uit van de kogelvanger.

In de paragraaf van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer over traditioneel schieten stonden ook bepalingen over het zich bij de kogelvanger bevinden van personen of veediersoorten. Dit gedragsvoorschrift valt nu onder de specifieke zorgplicht.

Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening

Eerste lid

Er moet worden voorkomen dat de hulzen van verschoten munitie in of op de bodem terecht komen. Om deze reden wordt in het eerste lid van dit artikel voorgeschreven dat het schieten plaats moet vinden boven een bodembeschermende voorziening. Dit betekent dat de zone rond de standplaats van de schutter dusdanig geconditioneerd moet zijn, dat het verzamelen van de hulzen makkelijk uitvoerbaar is.

Tweede lid

De kogelvanger, bedoeld in artikel 22.229 , moet opgesteld worden boven een bodembeschermende voorziening. Dit om te voorkomen dat de kogels die opgevangen worden door de kogelvanger, maar onverhoopt niet in de verzamelbak terecht komen, op of in de bodem terecht kunnen komen. De exploitant van de schietbaan kan een keuze maken voor de toe te passen bodembeschermende voorzieningen (en daarbij horende maatregelen). 

 Doorgaans gaat het om een verharding, kleed of voldoende dik plasticfolie met voldoende oppervlakte onder de kogelvanger. De kogels die niet worden opgevangen in de verzamelbak komen op deze voorziening terecht. Deze kogels, maar ook de kogels die worden opgevangen in de verzamelbak, moeten na afloop van een schietdag worden verwijderd om uitloging naar de bodem te voorkomen. 

 Een andere optie is het treffen van voorzieningen waardoor verzekerd wordt dat alle kogels die worden opgevangen door de kogelvanger terecht komen in de verzamelbak. Dit kan gerealiseerd worden door de kogels, die worden opgevangen door de kogelvanger, met een gesloten buis af te voeren naar een afgesloten verzamelbak.

Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. 

 Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van artikel 22.50 , onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.3 van het Bal.

Eerste lid

Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van de activiteit is verontreinigd of aangetast. 

 Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer het geval was, is niet langer verplicht voor deze activiteit.

Degene die een activiteit verricht kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.

Tweede lid

Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht:

  • op de bodembedreigende stoffen die als gevolg van de activiteit in de bodem kunnen geraken of daarin terecht kunnen zijn gekomen; en

  • op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht.

Met het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden, wordt het gehele gebied bedoeld, van de standplaats van de schutters tot de plek waar munitie terecht kan komen.

Derde lid

Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een 'erkenning bodemkwaliteit' is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.4 van het Bal. In het rapport van het bodemonderzoek moeten een aantal gegevens worden opgenomen. Bij de naam van degene die het onderzoek heeft uitgevoerd zal het in de regel gaan om de bedrijfsnaam. De wijze waarop het onderzoek is verricht zal over het algemeen een weergave bevatten van de normdocumenten die zijn gevolgd en de gegevens die op grond daarvan moeten worden vastgelegd. Het rapport moet informatie bevatten over de soort en concentratie van de aangetroffen verontreinigende stoffen en van welke bronnen deze afkomstig zijn en informatie over de geschiedenis van het terrein. Als er bestaande informatie is over bodem- en grondwatermonsters van de verontreinigende stoffen die bij de activiteit gebruikt zijn, geproduceerd zijn of zijn vrijgekomen ten tijde van het opstellen van het bodemrapport kunnen deze gegevens in de rapportage verwerkt worden. Als er geen bestaande informatie over bestaat, moeten nieuwe monsters worden genomen. Wanneer is gebleken dat de bodem is verontreinigd of aangetast, zal in het rapport ook moeten worden vastgelegd op welke wijze de bodemkwaliteit wordt hersteld en de mate waarin dat plaatsvindt.

Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.5 van het Bal. 

 De resultaten van het bodemonderzoek moeten uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de activiteit zijn gerapporteerd aan het bevoegd gezag.

Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.

Eerste lid

Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem, blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld. 

 Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:

  • de waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd;

  • de bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart; of

  • de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.

Tweede lid

Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een 'erkenning bodemkwaliteit' is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Bal. Zowel ten minste vijf dagen voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden als ten hoogste vijf dagen na de afronding van de herstelwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag door degene die de activiteit heeft verricht geïnformeerd over deze herstelwerkzaamheden, zodat het bevoegd gezag daarop haar toezichtsactiviteiten kan afstemmen.

Artikel 22.237 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op buiten sporten met terreinverlichting. Wanneer een sportveld terreinverlichting heeft, kan dit lichthinder veroorzaken voor omwonenden.

Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.239 Licht

Dit artikel beperkt het gebruik van de terreinverlichting tot specifiek aangewezen gevallen. Op grond van het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor bepaalde festiviteiten en speciaal aangewezen andere activiteiten. Deze festiviteiten en activiteiten zijn op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt aangewezen in de Algemeen Plaatselijke Verordening van de gemeente.

Artikel 22.240 Toepassingsbereik

Eerste lid

Bij het opslaan van minder dan 3 m 3 vaste mest gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht. Een opslag van meer dan 600 m 3 valt niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf. In artikel 22.267 is een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m 3 vaste mest.

Tweede lid, onderdeel a

Als mest korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is deze paragraaf niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel b

Het opslaan van vaste mest maakt vaak deel uit van bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van vaste mest uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in artikel 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.

Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.242 Bodem: opslag

Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. 

 Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van artikel 22.50 , onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 22.244 Water: lozingsroute

Het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest is voorgeschreven omdat het lozen van deze vloeistoffen in het riool of in oppervlaktewater niet de voorkeur heeft.

Artikel 22.245 Geur

Dit artikel is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest, afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden die gehouden worden in verband met het berijden. Hiervoor geldt artikel 22.114 en verder.

Artikel 22.246 Toepassingsbereik

Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen maakt vaak deel uit van een veehouderij, die aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.200 van het Bal of een agrarisch loonwerkbedrijf dat aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.215 van het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in art 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.

Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor geldt artikel 22.116 (geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand).

Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening

Een elementenbodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert, waarvan eventuele onderbrekingen of naden niet zijn gedicht.

Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn. 

 Op grond van artikel 22.50 , onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen

Door het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen wordt grotendeels voorkomen dat deze in het oppervlaktewater terecht komen.

Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening

Onder de genoemde voorwaarden is het lozen op of in de bodem niet bezwaarlijk en is daarom mogelijk gemaakt. Als aan de voorwaarden niet kan worden voldaan moet afvalwater van de bodembeschermende voorziening samen met de vrijkomende vloeistoffen worden opgevangen en kan dit over onverharde bodem worden verspreid in lijn met artikel 22.250 .

Artikel 22.252 Toepassingsbereik

Deze paragraaf bevat voorschriften voor het houden van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels. Hieronder vallen dus bijvoorbeeld het op kleine schaal houden van landbouwhuisdieren, kinderboerderijen, dierentuinen, maneges, hondenkennels of dierenasiels. Het grootschalig houden van landbouwhuisdieren wordt geregeld door het Bal.

Het houden van landbouwhuisdieren of paarden of pony's kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor gelden de artikelen uit subparagraaf 22.3.6.2 (Geur door het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden).

Deze paragraaf bevat geen aanvullende geurvoorschriften voor het houden van andere zoogdieren of vogels. Wanneer er toch maatregelen tegen geuroverlast noodzakelijk zijn, kan het bevoegd gezag deze bij maatwerkvoorschrift stellen. Te denken valt aan maatwerkvoorschriften waarbij wordt voorgeschreven dat uitwerpselen met een bepaalde frequentie worden verwijderd of maatwerkvoorschriften die gaan over de uitvoering en ligging van een dierenverblijf.

Het voorschrift uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer 'Het te lozen afvalwater als gevolg van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd' is niet meer expliciet uitgeschreven, omdat dit onder de specifieke zorgplicht valt.

Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening

Uitwerpselen van dieren kunnen de bodem verontreinigen. Een aaneengesloten bodemvoorziening is in principe voldoende om het bodemrisico tot verwaarloosbaar te beperken. Bij een dierenverblijf in de open lucht zoals een dierenweide ontbreekt de vloer. Over het algemeen zal dit geen problemen geven, mits de uitwerpselen en andere bederfelijke waren regelmatig worden verwijderd. Hiervoor is geen frequentie vastgesteld. Het bevoegd gezag kan de frequentie nader invullen met een maatwerkvoorschrift als dat nodig is om geurhinder te beperken of de bodem te beschermen.

Artikel 22.255 Bodem: logboek

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn. Op grond van artikel 22.50 onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde

Dit artikel stelt eisen aan het afvalwater afkomstig van dierenverblijven waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony's voor het berijden worden gehouden. 

 Het gaat dan om aantallen landbouwhuisdieren die niet vallen onder de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.200 van het Bal. Dieren bij kinderboerderijen of dierentuinen zijn geen landbouwhuisdieren. Daarvoor gelden de eisen uit dit artikel ook niet.

Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Artikel 22.258 Toepassingsbereik

In dit artikel zijn de milieubelastende activiteiten die al vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 3 van het Bal uitgezonderd van de vergunningplicht op grond van deze paragraaf. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vergunningplichten voor complexe bedrijven en vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling.

Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars

Eersteen derde lid

Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor handelingen met polyesterhars en de bijbehorende toetsingsgrond voor geurhinder. Bij het verwerken van polyesterhars worden producten van polyesterhars gemaakt in een mal of op een ondergrond die deel uitmaakt van het product. Een mal wordt elke keer weer opnieuw gebruikt. Voor het "loslaten" uit de mal wordt vaak een was gebruikt. Voor het ontvetten van de mal een organisch oplosmiddel, zoals aceton of dichloormethaan.

Op grond van artikel 22.258 geldt deze vergunningplicht niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal aangewezen zijn als vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.135 van het Bal geldt voor deze activiteit een vergunningplicht als de activiteit onderdeel is van een ippc- installatie.

Tweede lid

De te verstrekken gegevens en bescheiden moeten ook op grond van paragraaf 4.110 van het Bal worden aangeleverd. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem

Eerste lid

Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen.

Tweede lid

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt op grond van artikel 4.1137 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten

Bij het kweken van maden van vliegende insecten moeten in ieder geval maatregelen ter voorkoming van geurhinder worden getroffen.

Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen

Eerste lid

Opslagtanks voor gassen die in elkaars onmiddellijke nabijheid staan, kunnen elkaar beïnvloeden bij incidenten. Het risico op een incident van twee opslagtanks in elkaars nabijheid is meer dan twee keer zo groot als het risico van de twee opslagtanks apart. De PGS-richtlijnen schrijven om die reden voor dat opslagtanks onderling bepaalde afstanden aan moeten houden, en ook een bepaalde afstand tot de erfgrens aan moeten houden. Bij het toelaten van een opslag van gassen op een locatie in meer dan twee opslagtanks moet de veiligheid beoordeeld worden. Dit vergt maatwerk.

Op grond van artikel 22.258 geldt deze vergunningplicht niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal aangewezen zijn als vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.22 van het Bal geldt er een vergunningplicht voor opslagtanks met een inhoud van meer dan 13 m 3 .

Tweede lid

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met een deel van de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.897 van het Bal. 

 Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.263 Omgevingsvergunning tanken met LPG

Eerste lid

De belangrijkste reden voor het opnemen van een vergunningplicht voor deze activiteit is de ruimtelijke inpassing van de activiteit op een locatie vanuit het oogpunt van de veiligheid.

tweede lid

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.472a van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen

De belangrijkste beoordelingsgrond voor deze activiteit is geluidhinder.

Artikel 22.265 Omgevingsvergunning biologische agens

Eerste lid

Een vergunningplicht geldt voor laboratoria die werken met biologische agentia vanaf categorie 3 volgens de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).

Tweede lid

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.648 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.266 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen

Eersteen tweede lid

Deze vergunningplicht is niet van toepassing als het gaat om ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 waarop inperkingsniveau IV van toepassing is. In dat geval geldt de vergunningplicht op grond van artikel 3.247 van het Bal.

Derde lid

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.630 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.267 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen

Eerste lid

De vergunningplicht voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie gelden voor mestbassins met een gezamenlijk oppervlak van meer dan 750 m 2 of meer dan 2.500 m 3 . Deze activiteiten waren onder het oude recht als vergunningplichtig aangewezen in Bijlage I, onderdeel C, onderdeel 7.5, onder i en j, bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Ook voor het opslaan van meer dan 600 m 3 vaste mest moeten een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangevraagd. De vergunningplicht stond onder het oude recht in Bijlage I, onderdeel C, onderdeel 7.5, onder d, bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.

Tweede lid

Deze gegevens en bescheiden komen deels overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.836 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.268 Vangnetvergunning lozen in de bodem

In de voorgaande paragrafen van deze afdeling zijn verschillende lozingen in de bodem toegestaan. Voor alle andere lozingen is een voorafgaande toestemming vereist, vanwege de nadelige gevolgen die deze lozingen kunnen hebben voor de bodemkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voorheen was hiervoor een maatwerkvoorschrift op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen of het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens vereist. Maar een omgevingsvergunning ligt meer voor de hand, omdat de activiteit zonder toestemming geheel verboden is. 

 De vergunningplicht geldt niet voor lozingen die afkomstig zijn van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Dat besluit bevat immers al de regels die ter bescherming van de bodem nodig zijn. 

 Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en het soort afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de bodemkwaliteit te beoordelen. 

 Dit artikel is niet van toepassing op lozingen bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens alle lozingen bij wonen toestond. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.

Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool

In de voorgaande paragrafen van deze afdeling zijn verschillende lozingen in de schoonwaterriolering toegestaan. Voor alle lozingen die niet door deze afdeling worden toegestaan is een voorafgaande toestemming vereist, vanwege de nadelige gevolgen die deze lozingen kunnen hebben voor de doelmatige werking van die riolering en voor de oppervlaktewaterkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voorheen was hiervoor een maatwerkvoorschrift op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen of het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens vereist. Maar een omgevingsvergunning ligt meer voor de hand, omdat de activiteit zonder toestemming geheel verboden is. 

 Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en het soort afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de riolering en de oppervlaktewaterkwaliteit te beoordelen.

Dit artikel is niet van toepassing op lozingen bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens alle lozingen bij wonen toestond. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.

Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten

Voor de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van dit omgevingsplan, zijn de beoordelingsregels van het Bkl van overeenkomstige toepassing. Dat sluit aan op de situatie die gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.271 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over aanleg of reconstructie van een weg of spoorweg die weliswaar niet in strijd is met dit omgevingsplan, maar waarover geen afweging heeft plaatsgevonden bij de totstandkoming van de constituerende onderdelen van dit plan, zoals bestemmingsplannen. De afdeling ziet niet op rijkswegen en provinciale wegen omdat daarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn of worden vastgesteld. Die geluidproductieplafonds beschermen de omliggende geluidgevoelige gebouwen tegen een eventuele toename van het geluid en dus hoeft een omgevingsplan daar niet in te voorzien. De bepaling is een omzetting van artikel 73, onder a (toepassingsbereik), artikel 79 (aanleg) en artikel 99 (reconstructie) van de Wet geluidhinder en artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder. Het tijdelijk deel van dit omgevingsplan heeft geen betrekking op provinciale wegen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, omdat daarvoor nog de Wet geluidhinder van toepassing is (zoals bepaald in artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet).

Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Eerste lid

Onder de Wet geluidhinder was voor aanleg of wijziging een besluit op aanvraag van het college van burgemeester en wethouders vereist. In dit omgevingsplan is dit besluit omgezet in een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Ook dit lid vormt een omzetting van de artikelen 79 (aanleg) en 99 (reconstructie) van de Wet geluidhinder en artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder. In de praktijk zal het bij toepassing van deze artikelen vrijwel altijd gaan om situaties waar nog onder de Wet geluidhinder over is besloten, bijvoorbeeld bij het vaststellen van een bestemmingsplan. In de formulering is echter de terminologie van het stelsel van de Omgevingswet gebruikt, omdat bestemmingsplannen en inpassingsplannen op grond van de Invoeringswet Omgevingswet onderdeel zijn geworden van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan en tracébesluiten gelden als omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Tweede lid

Hier zijn uitzonderingen op het eerste lid uit de oude regelgeving opgenomen, voor zover ze zien op wegen. Deze uitzonderingen zijn afkomstig uit de Wet geluidhinder: de begripsbepaling 'reconstructie van een weg' in artikel 1, artikel 1b, vijfde lid, en artikel 74. Opgemerkt wordt dat deze uitzonderingen niet allemaal gehandhaafd kunnen worden bij de ombouw van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. De instructieregels voor het geluid door gemeentewegen, die zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, kennen bijvoorbeeld niet de uitzondering voor 30-km-wegen en de uitzondering vanwege het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Derde lid

Hier zijn uitzonderingen op het eerste lid uit de oude regelgeving opgenomen, voor zover ze zien op spoorwegen. Deze uitzonderingen zijn afkomstig uit artikel 1.1 van het Besluit geluidhinder: de begripsbepaling 'wijziging van een spoorweg' in het eerste lid van dat artikel en de uitzonderingen daarop in het tweede lid. Opgemerkt wordt dat deze uitzonderingen niet allemaal gehandhaafd kunnen worden bij de ombouw van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan.

Artikel 22.273 Aandachtsgebied

Eerste lid

Dit bepaalt de ligging van het aandachtsgebied voor wegen en spoorwegen die zijn verweven of gebundeld met wegen. De aanwijzing is gelijk aan de geluidzone zoals die gedefinieerd werd in de artikelen 74, eerste lid, en 75, eerste lid, van de Wet geluidhinder, waarbij de begripsbepalingen 'bebouwde kom', 'buitenstedelijk gebied' en 'stedelijk gebied' uit artikel 1 van die wet zijn uitgeschreven in de artikeltekst. Deze bepaling kan bij de omzetting van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan worden geschrapt omdat in de Omgevingsregeling zal worden voorzien in regels over de bepaling van het geluidaandachtsgebied.

Tweede lid

Dit lid bepaalt de ligging van het aandachtsgebied voor vrijliggende spoorwegen. De aanwijzing is afgeleid uit de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder. Daar was een tabel van lokale spoorwegen opgenomen met voor alle spoorwegen een geluidzone van 100 meter aan weerszijden van het spoor, met uitzondering van drie in tunnels gelegen metro's waar de geluidzone 25 meter bedroeg. Hier is de afstand niet in een tabel opgenomen, maar in tekst uitgewerkt, omdat het tijdelijke deel van dit omgevingsplan immers, anders dan een ministeriële regeling, niet kan worden aangepast als er nieuwe spoorwegen worden aangelegd. Deze bepaling kan bij de omzetting van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan worden geschrapt omdat in de Omgevingsregeling zal worden voorzien in regels over de bepaling van het geluidaandachtsgebied.

Derdeen vierde lid

Deze leden vormen een omzetting van artikel 75, tweede en derde lid, van de Wet geluidhinder en artikel 1.4a, tweede en derde lid, van het Besluit geluidhinder.

Artikel 22.274 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Net als onder de Wet geluidhinder moet de initiatiefnemer een akoestisch onderzoek overleggen. Dit artikel is een omzetting van bepalingen in artikel 80 van de Wet geluidhinder in samenhang met de artikelen 77 en 99, tweede lid, van die wet en artikel 4.5 in samenhang met artikel 4.10 van het Besluit geluidhinder. Opgemerkt wordt dat de gehanteerde standaardwaarde en de binnenwaarde waarnaar verwezen wordt niet zijn ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Dat was nodig omdat opnemen van oude normwaarden zou hebben betekend dat de bij die normwaarden behorende meet- en rekenvoorschriften hier opgenomen hadden moeten worden. Dat had de regeling te zeer gecompliceerd. De nieuwe normwaarden zijn, zoals beschreven in het algemeen deel van de toelichting bij het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet, gelijkwaardig aan de oude.

Artikel 22.275 Beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

De Wet geluidhinder bepaalde dat het college van burgemeester en wethouders in zijn besluit bepaalde welke maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de geluidbelasting binnen de zone de hoogst toelaatbare waarden te boven zou gaan. Dat is te lezen als een regel over voorschriften.

Omdat een binnenplans vergunningstelsel altijd een beoordelingsregel vereist, is deze regel hier uitgesplitst in een beoordelingsregel, inhoudende dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning alleen verleent als binnenplanse omgevingsvergunning als de grenswaarde niet wordt overschreden, en in een regel over voorschriften, die inhoudt dat het bevoegd gezag de maatregelen voorschrijft die nodig zijn om te voorkomen dat niet aan de standaardwaarden wordt voldaan of dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid direct voorafgaand aan de wijziging. Als de omgevingsvergunning niet kan worden verleend als binnenplanse omgevingsplanactiviteit, kan de aanvraag worden beoordeeld als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op die beoordeling zijn de regels van paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

De gehanteerde grenswaarde is niet ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het

Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. In de toelichting op artikel 22.274 is ingegaan op de achtergrond hiervan.

Artikel 22.277 Toepassingsbereik

Deze paragraaf bevat een aantal bepalingen die verband houden met vergunningplichten en daarop betrekking hebbende beoordelingsregels voor activiteiten die onderdeel kunnen zijn van op grond van de voormalige Wet ruimtelijke ordening geldende planologische regelingen. Deze regelingen behoren onder het stelsel van de Omgevingswet tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van die wet. Het betreft de vergunningenstelsels voor het slopen van bouwwerken (sloopactiviteiten) en het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheden (aanlegwerkzaamheden). Ook bevat deze paragraaf bepalingen met betrekking tot in het tijdelijke deel opgenomen mogelijkheden om bij omgevingsvergunning van bepaalde regels af te wijken.

De bepalingen in deze paragraaf gelden als aanvullend op wat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, al voor die activiteiten kan zijn geregeld en zijn nodig om een goede overgang van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening naar de Omgevingswet te bewerkstelligen.

Artikel 22.278 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

Wat in artikel 22.33 van dit omgevingsplan is geregeld voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, is in artikel 22.278 op vergelijkbare wijze geregeld voor de omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid (ook wel de aanlegvergunning of aanlegactiviteit genoemd). Net als voor bouwactiviteiten regelde de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in artikel 3.3 een voorbeschermingsregime in de vorm van een aanhoudingsplicht voor de beslissing op aanvragen om een omgevingsvergunning voor de hier bedoelde aanlegactiviteiten. Voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit dergelijke aanlegactiviteiten komt artikel 22.278 voor de regeling uit artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in de plaats. Voor zijn verdere werking is artikel 22.278 identiek aan de werking van artikel 22.33 . Voor de toelichting op die werking wordt dan ook verwezen naar de toelichting op artikel 22.33 .

Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk

In artikel 22.279 is een beoordelingsregel opgenomen voor in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen verbodsbepalingen om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten. Onder 'sloopactiviteit' moet op grond van de bijlage bij de Omgevingswet 'het slopen van een bouwwerk' worden verstaan. Deze begripsbepaling is op grond van artikel 1.1 van dit omgevingsplan ook van toepassing op hoofdstuk 22 van dit plan. De vergunningenstelsels voor de hier bedoelde sloopactiviteiten konden op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening in onder meer bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen zijn opgenomen. In het nieuwe stelsel zijn deze regelingen onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De beoordelingsregel voor deze in ruimtelijke regelingen opgenomen sloopvergunningenstelsels was opgenomen in artikel 2.16 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Ter vervanging van deze bepaling is in artikel 22.279 in een gelijkluidende beoordelingsregel voorzien. In de nieuwe redactie is er echter rekening mee gehouden dat naast deze (vanuit artikel 2.16 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht overgehevelde) beoordelingsregel ook nog andere specifieke beoordelingsregels kunnen zijn gesteld in de vergunningenstelsels voor sloopactiviteiten in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de jurisprudentie is de mogelijkheid om in bijvoorbeeld een bestemmingsplan ook nog specifieke beoordelingsregels voor het slopen te stellen bevestigd (verwezen wordt naar ABRvS 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:898, TBR 2014/61). Als dergelijke beoordelingsregels zijn gesteld, blijven deze onverminderd van toepassing en werkt de beoordelingsregel in artikel 22.279 hierop aanvullend.

Artikel 22.280 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

Artikel 22.280 heeft betrekking op regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan waarin is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels. Dergelijke afwijkingsmogelijkheden konden op grond van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening worden gesteld in bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen. Voor de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht hadden deze bepalingen de vorm van een bevoegdheid om een (binnenplanse) ontheffing te verlenen. Onder de (oude) Wet op de Ruimtelijke Ordening werd nog gesproken van een (binnenplanse) vrijstelling. In de redactie van de ruimtelijke regelingen die onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn vastgesteld, hebben de bepalingen, zoals al vermeld, een vorm waarin wordt bepaald dat bij omgevingsvergunning van een gestelde regel kan worden afgeweken. Uit de letterlijke redactie van dergelijke bepalingen vloeit niet een zelfstandig verbod voort om een activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning. Onder de werking van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werden al deze bepalingen dan ook in juridische vorm 'gevangen' onder de werking van het verbod behoudens omgevingsvergunning uit artikel 2.1, eerste lid, onder c. Deze wet is echter bij de inwerkintreding van de Omgevingswet ingetrokken, zodat de explicitering van de vergunningplicht voor deze afwijkingsmogelijkheden niet langer is geregeld. In plaats daarvan wordt deze explicitering van de vergunningplicht nu in  artikel 22.280 van dit omgevingsplan geregeld. Met artikel 22.280 wordt daarmee buiten twijfel gesteld dat de bepalingen uit het tijdelijke deel waarin de mogelijkheid wordt geboden om bij omgevingsvergunning van regels af te wijken, gelden als binnenplans verbod om de betrokken activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Ook de nog voorkomende redacties in oude ruimtelijke regelingen die deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, met termen als ontheffing en vrijstelling, worden door dit binnenplanse verbod om de betrokken activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten aangestuurd.

Artikel 22.281 Omgevingsplanactiviteit: nadere invulling beoordelingsregels omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet algemeen

Artikel 22.281moet worden gelezen in samenhang met artikel 22.280 en heeft ook betrekking op de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen mogelijkheden om bij omgevingsvergunning van gestelde regels te kunnen afwijken. Zoals al toegelicht bij artikel 22.280 vielen dergelijke afwijkingsmogelijkheden onder de juridische werking van de vergunningplicht van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1o, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, konden deze omgevingsvergunningen worden verleend. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft er in haar advies over het ontwerp Invoeringsbesluit Omgevingswet terecht op gewezen dat uit de werking van de beoordelingsregel in artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl een imperatieve werking voortvloeit, die ertoe leidt dat een omgevingsvergunning voor activiteiten als hier bedoeld moet worden verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Hierdoor zou de mogelijkheid uit artikel 2.12 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om de vergunning, ook als werd voldaan aan de in de betrokken planologische regeling gestelde regels over afwijking, toch te kunnen weigeren, komen te vervallen. Voor zover de regels voor het kunnen verlenen van een omgevingsvergunning voor deze afwijkingsmogelijkheden geen zelfstandige beslissingsruimte bieden (maar een imperatieve redactie kennen die kan dwingen tot vergunningverlening), zou dit onder de werking van het nieuwe stelsel tot het probleem kunnen leiden dat het bevoegd gezag wordt gedwongen een vergunning te verlenen terwijl onder oud recht artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nog de afwegingsruimte bood de vergunning in die omstandigheid toch te kunnen weigeren. Om een neutrale overgang naar het nieuwe stelsel te borgen, wordt met artikel 22.281 beslissingsruimte toegevoegd aan de imperatief geformuleerde regels voor het verlenen van deze vergunningen. Daarmee blijft het net als onder de werking van het oude stelsel mogelijk een afweging te maken en de vergunning voor een geboden afwijkingsmogelijkheid in voorkomende omstandigheden toch te weigeren, in het geval de regels voor het verlenen van de afwijking zouden dwingen om de vergunning te verlenen. Het zal overigens in de praktijk geregeld voorkomen dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een dergelijke afwijking van een regel gezamenlijk wordt verleend met een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.

Artikel 22.282 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht

Artikel 22.282biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 22.280 een aanvullende mogelijkheid de omgevingsvergunning te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan gestelde regels over afwijking, waardoor vergunningverlening op grond van die regels niet mogelijk is, maar niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel. Hiermee wordt een vergelijkbare mogelijkheid geboden zoals artikel 22.32 van dit omgevingsplan biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit bouwactiviteiten en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Omdat de werking identiek is wordt voor de toepassing van deze bepaling verder verwezen naar de toelichting bij artikel 22.32 .

Artikel 22.283 Toepassingsbereik

Onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren de indieningsvereisten voor omgevingsvergunningen op rijksniveau geregeld, ook als de vergunningplicht was ingesteld in een bestemmingsplan of gemeentelijke verordening. Deze indieningsvereisten waren opgenomen in de voormalige Regeling omgevingsrecht en komen, voor zover het gaat om die laatste vergunningen, niet meer terug op rijksniveau. Daarom worden deze opgenomen in deze paragraaf. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in een bestemmingsplan, maken die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel uit van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van die wet. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in gemeentelijke verordeningen (artikel 2.2 van die wet) houden de aanvraagvereisten verband met artikel 22.8 van de Omgevingswet. Artikel 22.8 van de Omgevingswet brengt met zich dat zolang deze vergunningenstelsels nog niet zijn overgeheveld naar het omgevingsplan, de regeling van artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht feitelijk wordt gecontinueerd. Een in een autonome verordening opgenomen vergunningplicht, die krachtens artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werd aangemerkt als een Wabo-omgevingsvergunningplicht, wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet aangemerkt als een omgevingsvergunningplicht op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.

In deze afdeling zijn daarnaast nog de aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor twee andere activiteiten opgenomen. In de eerste plaats de activiteit die strekt tot het afwijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, waarvoor in dat tijdelijke deel is bepaald dat daarvan bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken. De hiermee samenhangende vergunningplicht die onder de gelding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht volgde uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, is opgenomen in artikel 22.280 van dit omgevingsplan. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de hiervoor gegeven toelichting op dat artikel.

De tweede activiteit waarvoor deze afdeling nog aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning bevat, is het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Ook dat artikel is een overgangsrechtelijke bepaling. In artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was een vergunningplicht opgenomen voor het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht. Onder de Omgevingswet is dit geen afzonderlijke, in artikel 5.1 van die wet geregelde vergunningplicht meer, maar wordt het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten onderdeel van het omgevingsplan. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat bestemmingsplannen nog uitgingen van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing. Vanwege dit beschermingsregime zijn ook de indieningsvereisten voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zoals die waren opgenomen in artikel 6.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht naar deze afdeling overgeheveld.

De vier categorieën activiteiten waarop de aanvraagvereisten in deze afdeling betrekking hebben, komen terug in de nadere onderverdeling van paragraaf 22.5.2 van deze afdeling in een viertal subparagrafen.

De indieningsvereisten uit de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komen niet allemaal in identieke bewoordingen als aanvraagvereisten terug. Dat kan alleen al niet vanwege de begrippen uit het oude recht die in die regels voorkomen. In de artikelen 22.2 en 22.14 van de Omgevingswet is bepaald dat de bruidsschat bestaat uit rijksregels of daaraan gelijkwaardige regels. Door aan te sluiten op de terminologie van het nieuwe stelsel wordt invulling gegeven aan het opstellen van gelijkwaardige regels. Dat betekent bijvoorbeeld dat het begrip locatie wordt gehanteerd en niet het begrip grond. Wat betreft de aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument is aangesloten bij de formulering van de aanvraagvereisten voor een rijksmonumentenactiviteit die in de Omgevingsregeling zijn opgenomen.

De artikelen 22.287 tot en met 22.295 voorzien in specifieke aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument. Bij een gemeentelijk monument gaat het op grond van bijlage I bij het Bbl om een monument of archeologisch monument als bedoeld in de Erfgoedwet waaraan in dit omgevingsplan de functie- aanduiding gemeentelijk monument is gegeven. Op grond van artikel 22.295 zijn deze aanvraagvereisten van overeenkomstige toepassing op eventuele voorbeschermde gemeentelijke monumenten in dit omgevingsplan. Bijlage I bij het Bbl definieert een voorbeschermd gemeentelijk monument voor zover in het kader van het omgevingsplan van belang als een monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding van gemeentelijk monument te geven. De artikelen 22.287 tot en met 22.295 zijn ook van toepassing op monumenten en archeologische momenten die een (voor)beschermde status hebben op grond van een gemeentelijke verordening en nog niet via een voorbeschermingsregel of functie-aanduiding in het omgevingsplan zijn overgezet. Dit volgt uit artikel 22.2 van dit omgevingsplan.

Voor de leesbaarheid wordt hierna alleen van gemeentelijk monument gesproken, maar kan steeds ook voorbeschermd gemeentelijk monument worden gelezen.

Omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument komen overeen met de activiteiten die op grond van de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet onder de 'rijksmonumentenactiviteit' vallen: het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een monument of een archeologisch monument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Waar in deze begripsomschrijving gesproken wordt van 'monument' wordt alleen op gebouwde en aangelegde (groene) monumenten gedoeld. Waar gesproken wordt van 'archeologisch monument' wordt gedoeld op een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen (zie de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet en artikel 1.1 van de Erfgoedwet).

Voor deze aanvraagvereisten hebben, zoals hierboven al aangegeven, de indieningsvereisten in de voormalige Regeling omgevingsrecht onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als basis gediend, aangevuld met indieningsvereisten voor archeologische rijksmonumenten op grond van de Monumentenwet 1988. De redactie is daarbij wel aangepast aan voortschrijdend inzicht en aan de stelselkeuzes van de Omgevingswet.

In artikel 22.276 zijn de algemene aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument opgenomen, die bij iedere aanvraag van toepassing zijn. Voor het overige zijn de aanvraagvereisten in verschillende artikelen gespecificeerd voor de volgende activiteiten:

  • activiteiten die betrekking hebben op archeologische monumenten;

  • het slopen (= geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen) van monumenten;

  • het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van monumenten;

  • het wijzigen van een monument (restauratie, verbouw, reconstructie of op een andere manier wijzigen) of het door herstel ontsieren of in gevaar brengen van een monument;

  • het gebruiken van een monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Ook zijn er twee artikelen opgenomen met eisen aan tekeningen, een voor monumenten en een voor archeologische monumenten.

Met deze uitsplitsing in activiteiten wordt voorkomen dat initiatiefnemers (vergunningaanvragers) worden geconfronteerd met aanvraagvereisten die niet relevant voor hen zijn. Deze insteek bestond al in de voormalige Regeling omgevingsrecht, maar is nu verder vereenvoudigd. Bij een aantal artikelen is ook een splitsing aangebracht in aanvraagvereisten die in beginsel altijd noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de voorgenomen activiteit in relatie tot het monument of archeologisch monument en zijn monumentale waarde (eerste lid), en aanvraagvereisten die niet in alle gevallen nodig zijn of die alleen voor bepaalde soorten gemeentelijke monumenten van toepassing zijn (tweede lid).

De aard en de omvang van de activiteit en het soort gemeentelijk monument bepalen welke aanvraagvereisten in een concreet geval van toepassing zijn. Zo zijn voor de beoordeling van een vergunningaanvraag voor uitvoering van een restauratie- of (ver)bouwplan meer gegevens en bescheiden noodzakelijk dan voor het beoordelen van een vergunningaanvraag voor het aanbrengen van gevelreclame. Voorafgaand aan ingrijpende restauraties is het uitvoeren van een bouwhistorisch onderzoek vaak wenselijk, terwijl dit voor kleinere herstelwerkzaamheden meestal niet aan de orde zal zijn. Ook de locatie van de activiteiten is voor de aanvraagvereisten van belang. Als er werkzaamheden in het interieur worden uitgevoerd, zijn interieurfoto's nodig, maar deze zijn doorgaans niet relevant als de ingrepen alleen de buitenkant van het monument betreffen.

Door de grote verscheidenheid aan activiteiten die van invloed kunnen zijn op de monumentale waarde van een monument of archeologisch monument is geen volledig dekkend beeld te geven van alle mogelijke aanvraagvereisten. Het bevoegd gezag kan in specifieke gevallen, naast de genoemde aanvraagvereisten, op grond van artikel 4:2, tweede lid, in samenhang met artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht ook nog andere aanvraagvereisten formuleren. De gevraagde informatie moet uiteraard wel noodzakelijk zijn voor, en in directe relatie te staan tot, de beoordeling van de aanvraag. Het is dan ook in het algemeen bij voorgenomen omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument raadzaam voor een aanvrager om eerst in vooroverleg te treden met het bevoegd gezag en daarna pas over te gaan tot het maken van definitieve plannen. Zo krijgt hij vroegtijdig inzicht in welke aanvullende aanvraagvereisten in het concrete geval nodig worden geacht en kan rekening worden gehouden met eventuele toepasselijke kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten.

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag zal het belang van de (archeologische) monumentenzorg bij het behoud van het monument of archeologisch monument in redelijkheid moeten worden afgewogen tegen de belangen van de aanvrager (eigenaar/gebruiker) en die van derde belanghebbenden. Bij die belangenafweging staat het voorkomen van nadelige gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het monument of archeologisch monument en de monumentale waarden ervan voorop. Ook zal er bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning rekening moeten worden gehouden met de volgende beginselen uit het verdrag van Granada (de op 3 oktober 1985 te Granada tot stand gekomen Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa; Trb. 1985, 163) en het verdrag van Valletta (het op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen herziene Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed; Trb. 1992, 32):

a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten,

b. het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van die monumenten,

c. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden, en

d. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

Een aanvraag moet dus voldoende inzicht geven in de reden, aard en omvang van de activiteit, de impact op het monument of archeologisch monument en de monumentale waarde ervan, en het (voorgenomen) gebruik van het monument of archeologisch monument.

Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid

Dit artikel bevat een aantal specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een werk dat geen bouwwerk is, of het uitvoeren van een werkzaamheid. 

 Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten in artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (ondertekening, naam en adres van de aanvrager, dagtekening en aanduiding van de gevraagde beschikking) en de aanvraagvereisten in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling (aanduiding van de activiteit, elektronisch adres en telefoonnummer van de aanvrager, aanduiding en begrenzing van de locatie van de activiteit en eventuele gegevens van een gemachtigde).

Met het vereiste om aan te geven welke obstakels aanwezig zijn, bedoeld in het eerste lid , onder c, wordt bijvoorbeeld bedoeld een boom, lantaarnpaal of nutsvoorziening die in de weg staat aan het realiseren van het werk of het uitvoeren van de werkzaamheid.

Het tweede lid betreft een rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk

Dit artikel bevat een aanvraagvereiste voor een sloopactiviteit. In verband met de beoordelingsregel uit artikel 22.279 moeten gegevens worden overgelegd waarmee aannemelijk moet worden gemaakt dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Met 'kan' worden gebouwd wordt gedoeld op de situatie waarin het bouwen van een vervangend bouwwerk juridisch mogelijk is. Om dit aannemelijk te maken is in beginsel een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit voor het bouwen van het vervangende bouwwerk voldoende. Om aannemelijk te maken dat er, als de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning (nog) niet is verleend, 'zal' worden gebouwd, moet de intentie om het vervangende bouwwerk te bouwen op andere wijze worden onderbouwd, bijvoorbeeld door inzicht te geven in vergevorderde bouwplannen. Dat laatste geldt ook als voor het bouwen van een vervangend bouwwerk op de locatie geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Als het naar het oordeel van het bevoegd gezag onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er sprake zal zijn van vervangende nieuwbouw, biedt artikel 22.279 de mogelijkheid om de vergunning te weigeren. Het is mogelijk dat naast artikel 22.279 nog andere specifieke beoordelingsregels zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan bij de daar opgenomen vergunningplicht om een bouwwerk te slopen zonder omgevingsvergunning. Op grondslag van artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het bevoegd gezag zo nodig nog aanvullende gegevens en bescheiden opvragen die gelet op die beoordelingsregels nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag.

Artikel 22.286 Omgevingsplanactiviteit: afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid ,onder a, van de Omgevingswet

Dit artikel bevat aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning om af te wijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.280 . Voor een nadere toelichting op deze vergunningplicht wordt verwezen naar de toelichting op dat artikel. De aanvraagvereisten in artikel 22.286 zijn ontleend aan artikel 3.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht.

Het tweede lid betreft een rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen

Dit artikel bevat aanvraagvereisten die gelden voor iedere activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument.

Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten in artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (ondertekening, naam en adres van de aanvrager, dagtekening en aanduiding van de gevraagde beschikking) en de aanvraagvereisten in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling (aanduiding van de activiteit, elektronisch adres en telefoonnummer van de aanvrager, aanduiding en begrenzing van de locatie van de activiteit en eventuele gegevens van een gemachtigde).

Onderdeel a

Onderdeel a van dit artikel betreft de identificatie van het gemeentelijk monument waarop de aanvraag betrekking heeft.

Onderdeel b

Onderdeel b betreft informatie over het huidige en het beoogde gebruik na verlening van de omgevingsvergunning. Deze gegevens zijn nodig om nut en noodzaak van de activiteit en de gevolgen daarvan voor het gemeentelijk monument te kunnen beoordelen.

Onderdeel c

Onderdeel c is nieuw ten opzichte van de voormalige Regeling omgevingsrecht. Dit aanvraagvereiste werd in de praktijk gemist, en dient enerzijds om inzicht te krijgen in de belangen van de aanvrager en de keuzes die ten grondslag liggen aan de aanvraag en anderzijds in de gevolgen voor (de monumentale waarde van) het gemeentelijk monument. Het aanvraagvereiste sluit ook aan op de algemene zorgplicht in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. Die brengt met zich dat een initiatiefnemer voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd nadelige gevolgen voor het gemeentelijk monument zoveel mogelijk moet voorkomen of beperken, of, als dit niet mogelijk is, de activiteit (in die vorm) achterwege laat. Overigens hoeft niet elk verlies van monumentale waarden tot weigering van de omgevingsvergunning te leiden. Bij de belangenafweging worden ook de belangen van de aanvrager betrokken. Dit volgt onder meer uit artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Vooroverleg met het bevoegd gezag is nuttig om te komen tot een haalbaar plan. De aanvrager kan in het kader van het aanvraagvereiste in dit onderdeel refereren aan dit overleg.

Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument

In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ- behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de toelichting bij artikel 22.303).

In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.

Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:

  • bouw-, sloop-, inrichtings- en graafwerkzaamheden,

  • de aanleg of het onderhoud van infrastructurele werken zoals (spoor)wegen, rioleringen, kabels en leidingen.

Ook kan het gaan om:

  • het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,

  • het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,

  • het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,

  • het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,

  • het wijzigen van het grondwaterpeil,

  • het winnen van grondstoffen,

  • agrarische grondwerkzaamheden, en

  • activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.

Eerste lid

In het eerste lid is geregeld welke gegevens en bescheiden nodig zijn om de exacte locatie(s) te bepalen waar en tot welke diepte het archeologisch monument door de voorgenomen activiteit zal worden verstoord, en op welke wijze.

Eerste lid, onderdeel a en c

In onderdeel a moet de aard van de activiteit worden omschreven.

Als het maaiveldniveau, bedoeld in de onderdelen a en c en elders in dit artikel, niet of lastig is vast te stellen, zoals het geval is binnen een bouwwerk, kan hiervoor het niveau van de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer worden aangehouden.

Eerste lid, onderdeel b

Voor de topografische kaart, bedoeld in onderdeel b, kan gebruik worden gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en voor locaties op zee van de officiële zeekaarten van de Dienst der Hydrografie. De BGT-kaart is een digitale topografische kaart met een schaal variërend van 1:500 – 1:5000 en bevat topografische objecten, zoals gebouwen, wegen, spoorwegen, waterlopen, parken en bossen. Via de Landelijke Voorziening BGT-informatie kan eenieder vrij de beschikbare BGT-informatie opvragen en downloaden.

Met de coördinatenparen in dit onderdeel wordt gedoeld op het coördinatensysteem van de Rijksdriehoeksmeting en, voor locaties op zee, het Europees Terrestrisch Referentiesysteem 1989 (ETRS89). Er zijn minimaal twee coördinatenparen nodig, zodat daaruit de schaal van de tekening kan worden herleid.

eerste lid, onderdeel d

Met een programma van eisen als bedoeld in onderdeel d kan het bevoegd gezag specifieke eisen aan een archeologische opgraving stellen, gericht op een professionele uitvoering van de archeologische opgraving als bedoeld in de Erfgoedwet. In een programma van eisen worden de onderzoeksvragen en onderzoeksmethoden beschreven en beargumenteerd. Die zijn gebaseerd op de archeologische verwachting uit het aan het veldonderzoek voorafgaande (bureau)onderzoek.

Eerste lid, onderdeel e

Bij booronderzoek als bedoeld in onderdeel e kan in plaats van met een programma van eisen worden volstaan met een (minder uitvoerig) plan van aanpak. Zie verder de toelichting bij onderdeel d.

Eerste lid, onderdeel f

In onderdeel f is geregeld dat als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument zoals een terp/wierde of een grafheuvel, de aanvrager gevraagd kan worden aan de hand van foto's inzichtelijk te maken wat de huidige situatie is en tekeningen te overleggen waaruit blijkt hoe het archeologisch monument eruit zal zien na realisatie van het voorgenomen plan. Behalve het bouwen van bouwwerken kan het ook andere ingrepen betreffen, zoals terreinverhardingen, het graven of dempen van sloten of het planten van bomen. Het gaat er bij dit aanvraagvereiste om de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor de zichtbaarheid en de belevingswaarde van het archeologisch monument inzichtelijk te maken.

Eerste lid, onderdeel g

Het aanvraagvereiste in onderdeel g – funderingstekeningen – betreft dat deel van de bouwwerkzaamheden dat in de bodem plaatsvindt. Het bovengrondse deel van het bouwplan is voor de impact op archeologie in de bodem niet relevant.

Tweede lid

Het tweede lid bevat aanvraagvereisten die niet altijd nodig zijn voor de beoordeling van de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het archeologisch monument. Tijdens het vooroverleg kan het bevoegd gezag aangeven welke aanvraagvereisten in het concrete geval van toepassing zijn. Ook kan het bevoegd gezag die gegevens opvragen naar aanleiding van een ingediende aanvraag, voor de beoordeling waarvan deze gegevens en bescheiden ook nodig blijken.

Tweede lid, onderdeel a

Onderdeel a betreft een volgens de normen van de archeologische beroepsgroep opgesteld rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

Tweede lid, onderdeel b

Het rapport in onderdeel b verschilt in die zin van een rapport als bedoeld in onderdeel a, dat uit dit rapport moet blijken wat de gevolgen van de activiteit zullen zijn voor het archeologisch monument, bijvoorbeeld een zettingsrapport (over het samendrukken van de grond door belasting). Een rapport als hier bedoeld is niet altijd nodig, maar vooral als het om specifieke informatie gaat die niet al blijkt uit de overige gegevens en bescheiden en het bevoegd gezag deze informatie zelf niet al heeft.

Tweede lid, onder d

Met aanlegwerkzaamheden als bedoeld in onderdeel d worden alle werkzaamheden bedoeld die geen bouwactiviteit, sloopactiviteit of ontgrondingsactiviteit zijn en waarbij de bodem wordt geroerd, een werk wordt aangelegd of het terrein anders wordt ingericht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aanbrengen van terreinverhardingen, aan het graven of dempen van sloten, aan het planten van bomen, struiken of andere diepwortelende planten, of aan het (deels) ophogen van een terrein. Als deze aanvraagvereisten moeten worden aangeleverd in het kader van een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit of een ontgrondingsactiviteit, kunnen dezelfde bescheiden ook in dit kader worden ingediend. Deze aanvraagvereisten zijn niet nodig in geval van kleinschalige werkzaamheden die door de grondgebruiker of eigenaar zelf worden uitgevoerd. Het gaat bij deze aanvraagvereisten vooral om omvangrijkere werkzaamheden die door een aannemer worden uitgevoerd, zoals het verbreden of verdiepen van sloten, het uitbaggeren van grachten, het beschoeien van vaarwegen, sloten of grachten, het (gedeeltelijk) ophogen van het maaiveld, het graven van sleuven voor kabels, leidingen of riolering, of de aanleg van wegen, opritten of verhardingen (bestrating, parkeerplaatsen).

Tweede lid, onderdeel e

In onderdeel e is geregeld dat als de activiteit (ook) bestaat uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk het bevoegd gezag bestaande funderingstekeningen kan verlangen. Dit kan uiteraard niet als deze tekeningen verloren zijn gegaan of redelijkerwijs niet meer te achterhalen zijn.

Tweede lid, onderdeel f

Bij de sonaropnamen, bedoeld in onderdeel f, gaat het doorgaans om zogenoemde 'multibeamopnamen'. Deze hebben als doel om de topografische hoogte, de bathymetrie, van de zeebodem ter plekke te bepalen en dienen als nulmeting om de situatie voorafgaand aan de ingreep te kunnen vergelijken met die daarna.

Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288

Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288 .

Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het slopen van een monument. Onder slopen wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen, zie de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. Het gaat hierbij dus niet alleen om het slopen van een monument of complete bouwdelen, maar ook over het slopen van kleinere onderdelen zoals muren, houtwerkconstructies, deuren en vensters, of interieurelementen.

eerste lid, onderdeel a

De foto's in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument of het te slopen onderdeel, zodat de noodzaak van de voorgenomen sloop voldoende wordt geïllustreerd. Het gaat er hierbij niet om dat het originele (digitale) foto's moeten zijn, maar het mogen geen onduidelijke kopieën zijn.

eerste lid, onderdeel b

Situatietekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 1°, zijn nodig in geval van het gedeeltelijk afbreken van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt. Als de voorgenomen activiteit alleen bestaat uit inpandig slopen of als het monument geheel wordt gesloopt, geldt dit aanvraagvereiste dus niet.

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Afhankelijk van de aard, omvang en plaats van de voorgenomen sloop kan het gaan om plattegronden, doorsneden, gevelaanzichten en een dakaanzicht. Als alleen inpandige sloopwerkzaamheden plaatsvinden zullen die laatste twee soorten tekeningen niet nodig zijn.

Uit slooptekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3°, moet blijken welke materialen of onderdelen verwijderd worden. Dit moet de omvang en de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken. De opnametekeningen kunnen hiervoor als basis worden gebruikt.

Eerste lid, onderdeel c

Een omschrijving van de aard van en de bestemming voor het door de sloop vrijkomende materiaal als bedoeld in onderdeel c is van belang omdat aan de omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan historische dakpannen, een monumentale topgevel, gevelsteen of een monumentale schouw.

Tweede lid, onderdeel a

De rapporten, bedoeld in onderdeel a, kunnen nodig zijn om de monumentale waarde van het monument of de te slopen onderdelen (nader) te bepalen. Lang niet altijd zullen de actuele monumentale waarden al in voldoende mate in beeld zijn om de gevolgen van de voorgenomen sloopwerkzaamheden voor de aanwezige monumentale waarden te kunnen beoordelen.

Tweede lid, onderdeel b

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 22.288.

Tweede lid, onderdeel c

Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c is bijvoorbeeld nodig in geval van een voorgenomen sloop op grond van de technische staat van een monument of een onderdeel daarvan. Als deze beschrijving en de foto's niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d).

Artikel 22.291 Omgevingsplanactiviteit: verplaatsen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kerkorgel of een molen. Het bevoegd gezag zal rekening moeten houden met het beginsel uit het verdrag van Granada dat verplaatsing van monumenten of een onderdeel daarvan moet worden voorkomen, tenzij dit dringend vereist is voor het voortbestaan ervan. Gaat het bevoegd gezag in een concreet geval toch over tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van het monument, dan zal het gelet op artikel 5 van het verdrag van Granada [3]voorschriften aan de vergunning verbinden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van het monument op de nieuwe locatie. Gelet hierop moeten de gegevens en bescheiden voldoende inzicht geven in de reden en de noodzaak van de voorgenomen verplaatsing, in de huidige en de toekomstige ruimtelijke context van het monument, en in de beoogde wijze van demonteren, verplaatsen en herbouwen. De herbouw op een nieuwe, geschikte locatie mag dus niet onzeker zijn.

Eerste lid

De foto's in onderdeel b moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat van het monument (toestand) of het te verplaatsen onderdeel en van de ruimtelijke context van het monument (situatie) of het onderdeel in de huidige en in de nieuwe situatie en mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument (zoals een kerkorgel) zullen minder tekeningen nodig zijn dan bij verplaatsing van het gehele monument.

Plantekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 3°, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na de voorgenomen verplaatsing) is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument zijn dit ook tekeningen van de nieuwe toestand van het monument waar het verplaatste gedeelte dan deel van uitmaakt. Zo zijn bij verplaatsing van een orgel van de ene kerk naar de andere kerk ook plantekeningen nodig van de toestand van die andere kerk nadat het orgel daarin is aangebracht.

Als het te verplaatsen monument een molen is, moet op grond van onderdeel e, ook inzicht worden gegeven in de molenbiotoop, zowel op de huidige als de nieuwe locatie. Met de molenbiotoop wordt hier de omgeving van de molen bedoeld, voor zover die van belang is voor de werking van de molen. Het gaat daarbij met name om de windvang (bij een windmolen) of de watertoe- en afvoer (bij een watermolen).

Tweede lid

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument of voor de nieuwe locatie (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 22.288 .

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel d kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument op de nieuwe plek, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een rijksmonumentenactiviteit kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel e moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

Artikel 22.292 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen

Dit artikel omvat de meest voorkomende activiteiten. Onder het wijzigen van een monument vallen bijvoorbeeld het restaureren, reconstrueren, renoveren, verbouwen, uitbouwen, aanbouwen, of het bijvoorbeeld op een andere manier wijzigen van een gebouwd monument of een aangelegd (groen) monument. Denk hierbij ook aan het in een afwijkende kleur schilderen van een gevel of het hanteren van een ander verfsysteem.

Voorbeelden van het herstellen van een monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, zijn het met golfplaten repareren van een rieten dak, of het reinigen of herstellen van een interieurschildering, of gevel, waarbij een onvoldoende deskundige uitvoering in potentie grote gevolgen kan hebben voor de technische staat en de monumentale waarde van het onderdeel (bij een gevel ook het patina).

Eerste lid, onderdeel a

De foto's in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument, zodat de noodzaak van de voorgenomen activiteit voldoende wordt geïllustreerd. Het mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.

Eerste lid Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Welke soort tekeningen in een concreet geval nodig zijn, hangt af van de aard van de activiteit. In de regel zullen plattegronden en doorsnedetekeningen nodig zijn. Als de activiteit ook impact heeft op het exterieur of het aangezicht van het monument, zullen ook geveltekeningen en in voorkomend geval een dakaanzicht nodig zijn.

Gebrekentekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3°, zijn nodig als er gebreken worden hersteld. Het betreft feitelijk opnametekeningen waarop de te verhelpen gebreken adequaat zijn weergegeven.

Plantekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 4°, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na afloop van de voorgenomen activiteit) is weergeven.

Als er in het kader van de activiteit ook materiaal wordt verwijderd, moeten er in een dergelijk geval ook enkele gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 22.290 (slopen) worden overgelegd. Zoals blijkt uit de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt onder slopen ook verstaan het gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. In de praktijk van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bleek dat een aanvrager die zijn monument wil restaureren of verbouwen zich niet altijd realiseert dat het wegnemen van materialen ook onder slopen valt en noodzakelijke gegevens en bescheiden daardoor geregeld ontbraken. Daarom zijn de aanvraagvereisten uit artikel 22.290 expliciet (en niet met een verwijzing) in dit artikel opgenomen. Op grond van onderdeel b, onder 5°, moet de aanvrager in een dergelijk geval ook slooptekeningen overleggen, waaruit blijkt welke materialen of onderdelen verwijderd worden. De slooptekeningen moeten de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken.

Eerste lid, onderdeel c

Op grond van onderdeel c moet in het bestek of in de werkomschrijving de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal worden omschreven. Aan de omgevingsvergunning kan namelijk het voorschrift worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen.

Tweede lid, onderdeel b

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 22.288.

Tweede lid, onderdeel c en d

Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c kan bijvoorbeeld nodig zijn in geval van het herstellen van technische gebreken. Als deze beschrijving en de foto's niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d). Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een (complexe) restauratie.

tweede lid, onderdeel e

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel e kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument na verrichting van de activiteit, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D- visualisaties.

Tweede lid, onderdeel f

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel f moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

Tweede lid, onderdeel g

Een beheervisie als bedoeld in onderdeel g is een visie op het beheer van een groenaanleg, gebaseerd op een analyse en een waardering op grond van (cultuur)historisch onderzoek en inventarisaties van natuurwaarden, recreatieve en belevingswaarden, waterhuishouding en bodem, en wensen van belanghebbenden (eigenaar en gebruikers). De beheervisie maakt duidelijk welke keuzes zijn gemaakt voor het beheer en is richtinggevend voor een langere periode, bijvoorbeeld 12 tot 18 jaar, of langer. De visie kan ook worden weergegeven in streefbeelden.

Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht. Bij het eerste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het (tijdelijk) aanbrengen van reclames of op een andere manier aan het zicht onttrekken van een gevel of het dak. Bij het laatste bijvoorbeeld aan het gebruiken van een monument als vuurwerkopslag of op een wijze die slecht verenigbaar is met een kwetsbaar interieur, zoals een disco in een zaal met een historische wandbespanning en parketvloer.

Ook als het voorgenomen gebruik niet gepaard gaat met een fysieke wijziging van het monument moet de aanvrager aangeven welke maatregelen hij treft om ontsiering van het monument of de nadelige gevolgen van het in gevaar brengen van het monument te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.292

Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 , 22.291 en 22.292 . Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling.

Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument

In dit artikel is bepaald dat de aanvraagvereisten die op grond van de artikelen 22.287 tot en met 22.294 voor gemeentelijke monumenten gelden, ook gelden voor voorbeschermde gemeentelijke monumenten (als bedoeld in bijlage I bij het Bbl). Omwille van de leesbaarheid is voor een apart artikel gekozen in plaats van het opnemen in voornoemde artikelen zelf.

Artikel 22.296 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

Eerste lid

Dit artikel bevat aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op het slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. Op grond van het eerste lid moet aannemelijk worden gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Met 'kan' worden gebouwd wordt gedoeld op de situatie waarin het bouwen van een vervangend bouwwerk juridisch mogelijk is. Om dit aannemelijk te maken is in beginsel een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die op grond van dit omgevingsplan is vereist voor het bouwen van dat bouwwerk voldoende. Om aannemelijk te maken dat er, als de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning (nog) niet is verleend, 'zal' worden gebouwd, moet de intentie om het vervangende bouwwerk te bouwen op andere wijze worden onderbouwd, bijvoorbeeld door inzicht te geven in vergevorderde bouwplannen. Dit aanvraagvereiste is opgenomen ter voorkoming van braakliggende terreinen in de beschermde historische structuur. Hiermee wordt het daadwerkelijk indienen van plannen voor de vervangende bebouwing, waarin voldoende rekening wordt gehouden met het karakter van het beschermde stads- of dorpsgezicht, bevorderd. Dergelijke plannen kunnen dan worden getoetst aan het omgevingsplan en de beleidsregels voor de beoordeling of een bouwwerk voldoet aan de regels over het uiterlijk van bouwwerken in het omgevingsplan. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als een dergelijke beleidsregel. Dit volgt uit artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet. De welstandsnota bevat criteria om te beoordelen of een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand. Als bij het vaststellen van het omgevingsplan de regels over het uiterlijk van bouwwerken wijzigen ten opzichte van de daarover in hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan gestelde regels, kunnen gemeenten uiteraard ook de daarop betrekking hebbende beleidsregels wijzigen.

Tweede lid

Het tweede lid bevat een omzetting van de landelijke regels die nog gebaseerd zijn op het (nog steeds geldende) beoordelingskader ter voorkoming van gaten in de bebouwingsstructuur. Op basis van de archeologische verwachting kan het bevoegd gezag bij een vergunningaanvraag een archeologisch rapport als aanvraagvereiste nodig achten, om de archeologische waarde van het te verstoren terrein nader vast te stellen. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. Dat was al zo (via het bestemmingsplan) en is terug te voeren op de gemaakte keuzes bij de implementatie van het verdrag van Valletta (via de Wet op de archeologische monumentenzorg). In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

Artikel 22.297 Omgevingsplanactiviteit: uitweg

Deze artikelen bevatten aanvraagvereisten voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten die op grond van een gemeentelijke verordening in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet als vergunningplichtig zijn aangemerkt. Deze artikelen zijn gebaseerd op de artikelen 7.3 tot en met 7.7 van de voormalige Regeling omgevingsrecht, waarbij de indieningsvereisten destijds zijn overgenomen van bestaande formulieren bij gemeenten.

Artikel 22.298 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie

Deze artikelen bevatten aanvraagvereisten voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten die op grond van een gemeentelijke verordening in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet als vergunningplichtig zijn aangemerkt. Deze artikelen zijn gebaseerd op de artikelen 7.3 tot en met 7.7 van de voormalige Regeling omgevingsrecht, waarbij de indieningsvereisten destijds zijn overgenomen van bestaande formulieren bij gemeenten.

Artikel 22.299 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand

Deze artikelen bevatten aanvraagvereisten voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten die op grond van een gemeentelijke verordening in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet als vergunningplichtig zijn aangemerkt. Deze artikelen zijn gebaseerd op de artikelen 7.3 tot en met 7.7 van de voormalige Regeling omgevingsrecht, waarbij de indieningsvereisten destijds zijn overgenomen van bestaande formulieren bij gemeenten.

Artikel 22.300 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame

Deze artikelen bevatten aanvraagvereisten voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten die op grond van een gemeentelijke verordening in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet als vergunningplichtig zijn aangemerkt. Deze artikelen zijn gebaseerd op de artikelen 7.3 tot en met 7.7 van de voormalige Regeling omgevingsrecht, waarbij de indieningsvereisten destijds zijn overgenomen van bestaande formulieren bij gemeenten.

Artikel 22.301 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken

Deze artikelen bevatten aanvraagvereisten voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten die op grond van een gemeentelijke verordening in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet als vergunningplichtig zijn aangemerkt. Deze artikelen zijn gebaseerd op de artikelen 7.3 tot en met 7.7 van de voormalige Regeling omgevingsrecht, waarbij de indieningsvereisten destijds zijn overgenomen van bestaande formulieren bij gemeenten.

Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht

Zoals hiervoor al toegelicht bij artikel 22.283 gaat het hier om het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Hiervoor gelden dezelfde aanvraagvereisten als voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 22.296 . Volstaan wordt daarom met een verwijzing naar de toelichting op dat artikel. Ook onder de voormalige Regeling omgevingsrecht golden voor deze activiteiten dezelfde indieningsvereisten.

Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg

Dit artikel is een voortzetting van de regeling in artikel 2.22, tweede lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.2 van het voormalige Besluit omgevingsrecht.

Eerste lid

In het eerste lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een werk, dat geen bouwwerk is, of het uitvoeren van een werkzaamheid –ook wel een aanlegactiviteit genoemd – die van invloed is op een archeologisch monument, in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval de onder a tot en met d bedoelde voorschriften kunnen worden verbonden.

Eerste lid, onderdeel a

Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften die een plicht inhouden tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden. Voorbeelden zijn voorschriften die verplichten tot het treffen van technische maatregelen, zoals het aanbrengen van een ophogingslaag, het aanpassen van de funderingswijze of het beperken van het aantal heipalen.

Eerste lid, onderdeel b

Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften over het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 in samenhang met artikel 5.1, eerste lid, van de Erfgoedwet. Dit betreft dus voorschriften over handelingen bij het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem, of verstoring of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt, tenzij het een op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Erfgoedwet uitgezonderd geval betreft.

Eerste lid, onderdeel c

Onderdeel c heeft betrekking op voorschriften over de begeleiding door een archeologisch deskundige van uitvoeringswerkzaamheden. Deze deskundige is bij de werkzaamheden aanwezig en documenteert eventuele overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden die hierbij aan het licht komen.

Het instrument van archeologische begeleiding is bedoeld voor situaties waarin adequaat vooronderzoek niet mogelijk is door fysieke belemmeringen, zoals een te slopen bouwwerk, waardoor niet tot een betrouwbare waardenstelling kan worden gekomen. Ook kan de begeleiding worden ingezet voor situaties waarin civieltechnische werkzaamheden archeologisch onderzoek niet mogelijk maken of op grond van de beschikbare archeologische informatie is geconcludeerd dat het doen van een opgraving niet (meer) nodig is, maar men toch graag het zekere voor het onzekere wil nemen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de aanleg van een pijpleiding voor aardgas, omdat de gegraven sleuf te smal is om een goede documentatie mogelijk te maken. Daarnaast kan er bij uitvoeringstrajecten sprake zijn van bijzondere onderzoeksvragen, die juist door archeologische begeleiding kunnen worden beantwoord. Het gaat daarbij om gebieden of complextypen waar wel een archeologische verwachting is, maar waaraan door inventariserend veldonderzoek geen specifieke locatie kan worden gekoppeld. Archeologische begeleiding is nadrukkelijk niet bedoeld als een vervanging voor een inventariserend veldonderzoek of een opgraving. Aan dit onderdeel kan niet worden voldaan met een verwijzing naar een gecertificeerde opgravingsdeskundige, omdat niet alle handelingen waaruit een archeologische begeleiding kan bestaan, handelingen zijn waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het uitzeven van grond afkomstig uit een bouwput of een baggerlocatie om archeologische overblijfselen of voorwerpen te verzamelen. Voor die gevallen kan het bevoegd gezag op basis van dit onderdeel specifieke eisen stellen aan de deskundigheid van de bij de archeologische begeleiding betrokken personen. Denk bijvoorbeeld aan de voorwaarde dat de deskundige kennis moet hebben van de archeologie van het rivierengebied of van de Romeinse tijd. Veelal zullen deze eisen via het programma van eisen worden afgedwongen (zie onderdeel d). Maar het bevoegd gezag kan ook eisen stellen aan de kwalificaties van de deskundige zonder dat het een specifiek programma van eisen als voorschrift opneemt. Dit laat onverlet dat de uitvoerder van de archeologische begeleiding voor zover het handelingen betreft waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is, in ieder geval moet voldoen aan het bepaalde in artikel 5.4, eerste en tweede lid, van die wet.

Eerste lid, onderdeel d

Met het voorschrift dat de opgraving of begeleiding op een bepaalde wijze, die in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet, moet worden verricht, wordt beoogd aan te sluiten bij de Erfgoedwet en vooral bij het in die wet opgenomen certificatiesysteem, waarbij de nadruk meer is komen te liggen op de professionele standaarden uit het veld zoals tot nu toe neergelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Met deze voorschriften worden die voorschriften bedoeld die ook wel als een programma van eisen of een plan van aanpak worden aangeduid en voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet en de Omgevingswet werden gebaseerd op artikel 38, eerste lid, onder a, van de Monumentenwet 1988. In het programma van eisen en plan van aanpak kunnen randvoorwaarden aan het archeologisch onderzoek worden meegegeven, in het bijzonder de doel- en vraagstelling van het onderzoek, en kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van uitvoering. Er wordt bijvoorbeeld aangegeven welke onderzoeksmethodiek moet worden ingezet en over welke specifieke kennis en ervaring de actoren moeten beschikken om het onderzoek te kunnen uitvoeren.

Voorkomen moet worden dat de inhoud van de voorschriften in strijd is met de professionele kwaliteitsnorm voor archeologisch onderzoek binnen het in de Erfgoedwet opgenomen certificatiesysteem. Dit betekent dat de voorschriften wel aanvullende eisen mogen bevatten, maar geen eisen die onder het niveau van deze normen van de beroepsgroep liggen. De voorschriften kunnen tenslotte ook betrekking hebben op non-destructief archeologisch onderzoek, zoals een veldkartering of een sonaropname van de zeebodem.

Tweede lid

In het tweede lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht voorschriften kunnen worden verbonden over de wijze van slopen. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, derde lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het doel van een dergelijk voorschrift is de sloopmethode zo te kiezen dat de nadelige gevolgen voor de archeologische waarden ter plaatse zoveel mogelijk beperkt blijven. Ook kan zo de inzet van het instrument van archeologische begeleiding als bedoeld in het eerste lid, onder c, mogelijk worden gemaakt.

Artikel 28.1 Toepassingsbereik

Dit artikel bepaalt het toepassingsbereik van hoofdstuk 28 Overgangsrecht. Het eerste lid bepaalt dat dit hoofdstuk algemene bepalingen bevat over overgangsrecht. Het tweede lid bepaalt dat elders in dit omgevingsplan specifieke overgangsrechtelijke bepalingen kunnen zijn opgenomen waarmee wordt afgeweken van dit hoofdstuk. In dat geval is het specifieke overgangsrecht van toepassing.

Artikel 28.2 Overgangsrecht met betrekking tot verleende vergunningen, ontheffingen, maatwerkvoorschriften en andere genomen besluiten

De Omgevingswet voorziet erin dat allerlei gemeentelijke verordeningen, of onderdelen daarvan, op enig moment opgaan in het omgevingsplan (zie ook hoofdstuk 3 van de algemene toelichting). Veel van deze verordeningen zullen een grondslag bevatten tot het verlenen van een vergunning of ontheffing, het stellen van een maatwerkvoorschrift, of het nemen van een ander besluit. Wanneer die grondslag opgaat in het omgevingsplan, is het nodig dat voor op grond van de verordening genomen besluiten overgangsrecht wordt geregeld. artikel 28.2 bevat daartoe overgangsrecht. Hetzelfde geldt voor besluit die zijn genomen op grond van het omgevingsplan, maar waarvoor de van toepassing zijnde regels wijzigen.

Het eerste lid regelt dat bestaande vergunningen, ontheffingen, maatwerkvoorschriften en andere besluiten die zijn genomen op grond van een gemeentelijke verordening die is vervangen door dit omgevingsplan hun rechtskracht behouden totdat ze hetzij vervallen, hetzij met toepassing van dit omgevingsplan worden ingetrokken of gewijzigd. Het eerste lid spreekt van een grondslag, opgenomen in een gemeentelijke verordening. Opgemerkt wordt dat daaronder niet valt een grondslag, opgenomen in een onder oud recht vastgesteld ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Daarvoor bevat afdeling 4.2 van de Invoeringswet Omgevingswet overgangsrecht.

Het tweede lid regelt de situatie dat op grond van het omgevingsplan voor een bepaalde activiteit een omgevingsvergunning is verleend, of een maatwerkvoorschrift is gesteld, maar dat de regels die op dat genomen besluit van toepassing zijn door een wijziging van het omgevingsplan zijn gewijzigd. Het tweede lid regelt dat dan de omgevingsvergunning of het maatwerkvoorschrift rechtskracht behoudt, hetzij tot het einde van de looptijd, hetzij tot het tijdstip dat het besluit met toepassing van dit omgevingsplan wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 28.3 Overgangsrecht met betrekking tot een aanvraag om een vergunning, ontheffing, maatwerkvoorschrift of ander besluit

Artikel 28.3 bevat overgangsrecht voor de situatie dat een aanvraag om een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift is ingediend, en dat voor het moment dat op dit aanvraag is beslist, het van toepassing zijnde recht wijzigt. Daarbij kan het gaan om een aanvraag om een besluit op grond van een gemeentelijke verordening, die voordat op de aanvraag is beslist is vervangen door het omgevingsplan. Het kan ook gaan om een aanvraag om een besluit op grond van het omgevingsplan, waarbij de regels die op die aanvraag van toepassing zijn worden gewijzigd voordat op de aanvraag is beslist.

Het eerste lid bepaalt dat op een aanvraag om een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan de beslissing wordt genomen met toepassing van de regels zoals die gelden op het moment dat op de aanvraag wordt beslist. Dat is in lijn met de jurisprudentie, die bepaalt dat bij het nemen van een besluit op aanvraag in beginsel het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt (ECLI:NL:RVS:2020:2619, ECLI:NL:RVS:2023:2505). Dit eerste lid is ook van toepassing op de situatie dat een aanvraag om een vergunning, ontheffing, maatwerkvoorschrift of ander besluit op grond van een gemeentelijke verordening is ingediend, en de regels die daarop betrekking hebben zijn opgegaan in het omgevingsplan. Een dergelijk besluit zal, gelet op het instrumentarium dat de Omgevingswet voor het omgevingsplan biedt, de vorm krijgen van een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. Het eerste lid is daarop ook dan van toepassing.

Het tweede lid bevat een uitzondering op het eerste lid. Met deze uitzondering wordt de jurisprudentie met betrekking tot specifiek aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, verwerkt. Zoals hiervoor aangegeven is uitgangspunt dat een besluit op aanvraag wordt genomen met toepassing van de regels zoals die gelden op dat moment. Bij wijze van uitzondering moet echter het ten tijde van de aanvraag geldende nog wel, maar het ten tijde van het besluit niet meer geldende recht worden toegepast, maar uitsluitend indien ten tijde van het indienen sprake was van een rechtstreekse aanspraak op het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het bouwen. Dat is het geval als het betreffende bouwplan in overeenstemming was met de dan geldende ruimtelijke regels over bouwwerken, er geen sprake was van strijd met hoger recht en ook geen voorbeschermingsregels golden (ECLI:NL:RVS:2020:2619, ECLI:NL:RVS:2023:2505).

Artikel 28.4 Overgangsrecht met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken en regels over gebruiksactiviteiten

In artikel 28.4 is overgangsrecht opgenomen met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken. Het overgangsrecht heeft betrekking op het gebruik van gronden en bouwwerken dat legaal bestond op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, maar waarbij het gebruik als gevolg van die wijziging in strijd is gekomen met de regels over gebruik. Met deze regeling wordt het uitgangspunt van eerbiedigend overgangsrecht zoals dat voorheen in bestemmingsplannen moest worden opgenomen, voortgezet. Het artikel beoogt in de daarop betrekking hebbende rechtspraktijk geen inhoudelijke verandering te brengen. Dit laat onverlet dat er op enig moment voor een bepaald gebied een uitzondering kan worden gemaakt.

Met deze regeling wordt als uitgangspunt genomen een wijziging van het omgevingsplan, waardoor beperkingen zijn gaan gelden ten opzichte van de situatie voordat het wijzigingsbesluit in werking was getreden. Dat kan bijvoorbeeld zijn de situatie dat een nog onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan wordt vervangen, en het omgevingsplan een beperking meebrengt ten opzichte van de mogelijkheden die dat onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan bood. Het kan ook betrekking hebben op een wijziging van de regels in het omgevingsplan op een moment later in de tijd.

In het eerste lid is bepaald dat het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, als dat gebruik als gevolg van die wijziging in strijd is gekomen met de regels over gebruik, gesteld in het omgevingsplan, mag worden voortgezet. Het eerste lid bevat de peildatum voor het vaststellen van het bestaande gebruik: het gebruik dat bestond op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden waardoor het gebruik in strijd is gekomen met de regels over gebruik. Alleen dat gebruik mag, ook al is het in strijd met de regels over gebruik in dit hoofdstuk, worden voortgezet.

Dit artikel is ook van toepassing voor het geval dat er door inwerkingtreding van een wijziging van het omgevingsplan een nieuwe vergunningplicht ontstaat. Die vergunningplicht kan inhouden een in het omgevingsplan opgenomen verbod om zonder omgevingsvergunning de betreffende activiteit te verrichten. De vergunningplicht kan ook bestaan uit de vergunningplicht voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, die is ontstaan door het stellen van bijvoorbeeld nieuwe algemene regels, waardoor de betreffende activiteit in strijd is gekomen met het omgevingsplan. Voor zover er sprake is van voortzetting van dezelfde activiteit geldt van rechtswege een omgevingsvergunning.

Het tweede lid maakt duidelijk dat het overgangsrecht niet geldt voor gebruik dat voorafgaand aan wijziging van dit omgevingsplan reeds in strijd was met de voorheen geldende regels over gebruik in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan. In dit lid wordt niet gesproken van regels over gebruik in dit hoofdstuk, maar regels over gebruik in dit omgevingsplan. Door in dit tweede lid te refereren aan regels over gebruik in dit omgevingsplan, geldt deze uitzondering dus ook wanneer het bestaand gebruik in strijd was met regels over gebruik van gronden en bouwwerken, opgenomen in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.

Het derde lid bepaalt dat het verboden is het strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen in een ander met het omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

Het vierde lid bepaalt dat indien het strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde wijziging voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, het verboden is dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Artikel 28.5 Overgangsrecht handhavingsbesluiten

Artikel 28.5 voorziet in overgangsrecht voor handhavingsbesluiten. De strekking ervan is dat als op een bestuurlijke sanctie ter uitvoering of handhaving van regels die nadien zijn gewijzigd, het recht zoals dat luidde voor de wijziging op die bestuurlijke sanctie van toepassing blijft. In de regels worden een drietal situaties geregeld.

Artikel 29.1 Delegatie afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie

Uitleg artikel

In artikel 11.15 wordt het reeds sinds 2010 bestaande hergebruiksbeleid overgenomen voor nieuwe industrieterreinen/bedrijventerreinen van groter dan 2 hectare. Op deze terreinen is het mogelijk om grond uit het beheergebied toe te passen die voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie. Echter zijn kunnen hier uitzonderingen op zijn. Dit artikel bepaalt dat de aanwijzing van eventuele andere locaties is gedelegeerd aan het college. Dit zijn locaties waar de gemeente andere ambities ten aanzien van de bodemkwaliteit heeft.

Artikel 29.2 Delegatie locaties nazorg aanwijzen

Uitleg artikel

Op de kaart 'locaties nazorg Omgevingswet' komen nazorglocaties (na saneren en na nemen tijdelijke beschermingsmaatregelen) te staan. Deze moeten worden geregistreerd in het omgevingsplan. Met dit artikel kunnen door het college worden doorgevoerd.

Reikwijdte

Het college kan alleen wijzigingen in de kaarten: 'locaties nazorg Omgevingswet', doorvoeren voor het eigen beheergebied.

Motivering

Deel I

  • [1]

    Stb. 2018, nr. 292, p. 384 e.v. Terug naar link van noot.

  • [2]

    Stb. 2018, 293, p. 526–527. Terug naar link van noot.

  • [3]

    Artikel 5: «Iedere Partij verplicht zich ertoe de verplaatsing van een beschermd monument of van een deel daarvan te verbieden, behalve indien zulks dringend is vereist voor het behoud van dit monument. In dat geval neemt de bevoegde autoriteit de nodige voorzorgsmaatregelen betreffende het demonteren, het overbrengen en het herbouwen van het monument op een geschikte plaats.» 

     Voor rijksmonumenten is dit geregeld in artikel 8:82 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Terug naar link van noot.

  • [1]

    Stb. 2018, nr. 292, p. 384 e.v. Terug naar link van noot.

  • [2]

    Stb. 2018, 293, p. 526–527. Terug naar link van noot.

  • [3]

    Artikel 5: «Iedere Partij verplicht zich ertoe de verplaatsing van een beschermd monument of van een deel daarvan te verbieden, behalve indien zulks dringend is vereist voor het behoud van dit monument. In dat geval neemt de bevoegde autoriteit de nodige voorzorgsmaatregelen betreffende het demonteren, het overbrengen en het herbouwen van het monument op een geschikte plaats.» 

     Voor rijksmonumenten is dit geregeld in artikel 8:82 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Terug naar link van noot.

Naar boven