Gemeenteblad van Westerveld
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Westerveld | Gemeenteblad 2026, 280498 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Westerveld | Gemeenteblad 2026, 280498 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening van de raad van Westerveld houdende bepalingen over Jeugdhulp (Verordening jeugdhulp gemeente Westerveld 2026)
De raad van de gemeente Westerveld;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 maart 2026;
gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet;
gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein Westerveld;
gelet op de doelstellingen zoals verwoord in de door raad vastgestelde Maatschappelijke Visie
het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) en de jeugdige zelf ligt. Ouders worden geacht de tot hun gezin behorende jeugdige(n) dagelijkse hulp, zorg en ondersteuning te bieden, ook als er sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking;
h. ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Daarbij wordt rekening gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden;
besluit vast te stellen: de Verordening jeugdhulp gemeente Westerveld 2026.
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
pgb-plan: een plan waarmee de aanvrager het college verzoekt om via een pgb zelf jeugdhulp in te kopen, als bedoeld in artikel 12. In dit plan maakt de aanvrager aan het college inzichtelijk welke jeugdhulp met het pgb wordt ingekocht, het te besteden bedrag per hulpverlener, de gewenste resultaten van deze hulpverlening, in welke mate pgb-vaardigheid aanwezig is en, indien van toepassing, wie de aanvrager vertegenwoordigt en voor welke taken;
sociaal netwerk: de personen uit de huiselijke kring van de jeugdige of diens ouders, evenals andere personen met wie een duurzame sociale relatie bestaat. Dit betreft in ieder geval familieleden, vrienden, kennissen, buren en andere betrokkenen die een rol spelen in het dagelijks leven van de jeugdige of diens ouders;
HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP
Artikel 2. Vormen van jeugdhulp
Het in dit artikel opgenomen aanbod van jeugdhulp geldt als het door het college gecontracteerde aanbod. Verwijzers worden geacht naar dit aanbod te verwijzen, waarbij de in het zesde lid bepaalde voorrang van overige voorzieningen boven individuele voorzieningen in acht wordt genomen. Verwijzing naar ander aanbod komt in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking, tenzij:
HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN
Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de gemeente
In spoedeisende situaties zorgt het college zo snel mogelijk voor een tijdelijke passende voorziening, in afwachting van het onderzoek als bedoeld in artikel 5. Indien nodig, vraagt het college een machtiging voor gesloten jeugdhulp aan als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. De beschikking over de definitieve inzet van hulp wordt vervolgens zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen acht weken na de start van de hulp.
Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan de jeugdige en/of ouders is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft, tenzij:
HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE
Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Het college informeert de aanvrager tijdens het gesprek over de gang van zaken, over hun rechten en plichten, en over de vervolgprocedure, waaronder:
de mogelijkheid om een familiegroepsplan, als bedoeld in de wet, in te dienen. Hiervoor geldt een termijn van veertien dagen nadat de aanvraag kenbaar is gemaakt. Indien de aanvrager daarom verzoekt, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. Als de aanvrager een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord.
Het college onderzoekt samen met de aanvrager, wanneer een vraag over jeugdhulp wordt kenbaar gemaakt, het volgende:
Artikel 6. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming
Het college kan, voor een zorgvuldige afhandeling van een aanvraag en met inachtneming van artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel of advies inwinnen indien het dit noodzakelijk acht. Het deskundigenadvies wordt door het college betrokken bij de beoordeling van de aanvraag.
Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvinden, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt.
Bij het onderzoek vergewist het college zich van de identiteit van de jeugdige en diens ouder(s) dan wel wettelijk vertegenwoordiger. Het vergewissen van de identiteit vindt in elk geval plaats aan de hand van een identiteitsbewijs als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk en evenredig is:
Uiterlijk binnen vijf werkdagen na afronding van het onderzoek, verstrekt het college aan de aanvrager een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek, het in verband daarmee gevoerde gesprek en de uitkomsten van het onderzoek (het onderzoeksverslag). De aanvrager kan opmerkingen of latere aanvullingen op het onderzoeksverslag kenbaar maken. Deze worden aan het onderzoeksverslag toegevoegd.
Artikel 9. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag. Waar beschikbaar wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie. Er wordt geen gebruik gemaakt van interventies die bewezen niet effectief zijn. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:
Artikel 10. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.
Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, dan zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:
Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige, wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.
HOOFDSTUK 5. AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB
Artikel 12. Algemene voorwaarden voor een pgb
Indien een aanvrager in aanmerking komt voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dient de aanvrager daartoe een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb-plan is opgenomen:
Bij de beoordeling of een budgethouder of budgetbeheerder in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord uit te voeren, vindt altijd een individuele toetsing plaats. Hierbij worden de omstandigheden van de budgethouder en het eventuele betrokken netwerk afzonderlijk en in samenhang beoordeeld. De volgende omstandigheden worden meegenomen in de beoordeling:
Artikel 14. Onderscheid formele en informele hulp
Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:
personen die werkzaam zijn bij een organisatie die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of
Artikel 15. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb
Artikel 18. Uitgesloten van pgb
Bij toepassing van de uitsluitingen zoals bedoeld in dit artikel, houdt het college rekening met het evenredigheidsbeginsel zoals bedoeld in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden, kan het college gemotiveerd afwijken van de uitsluitingen, mits dit noodzakelijk is voor een verantwoorde uitvoering van het pgb.
HOOFDSTUK 6. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN
Artikel 19. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
1°. de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en
Het college draagt er zorg voor dat wanneer zij een besluit neemt over de inzet van zorg die vanaf de 18e verjaardag valt onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet en er de reële verwachting is dat deze zorg na de 18e verjaardag van de aanvrager door zal lopen, het besluit voldoet aan de eisen die daaraan gesteld worden door de zorgverzekeraars.
zorg op grond van de benodigde zorg.
Ter uitvoering van het vierde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet.
HOOFDSTUK 7. HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK
Het college informeert de aanvrager in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
Artikel 22. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s
Artikel 23. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik
Het college maakt met de door diens gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.
Het college kan bij herhaald en/of ernstig wangedrag van een jeugdige, diens ouder(s) of wettelijk vertegenwoordiger of bij herhaald onzorgvuldig gebruik van een (in bruikleen verstrekte) voorziening, tijdelijke of blijvende maatregelen nemen ter bescherming van medewerkers, medegebruikers van de voorziening of andere inwoners en ter voorkoming van (verdere) schade aan de voorziening.
HOOFDSTUK 8. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT
Artikel 25. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Het college bedingt bij de door hen gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.
Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouder(s) en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.
HOOFDSTUK 9. KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP
De gemeente hanteert een klachtenregeling voor de afhandeling van klachten van inwoners over de behandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen op grond van de wet en deze verordening. De regeling waarborgt dat inwoners een formeel aanspreekpunt hebben en dat klachten op een zorgvuldige en transparante wijze worden behandeld.
HOOFDSTUK 10. OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 28. Bevoegdheid van het college in gevallen waarin de verordening niet voorziet
In gevallen betreffende de uitvoering van deze verordening, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Artikel 31. Overgangsrecht, intrekking oude verordening
Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de aanvrager van worden afgeweken als heroverweging op grond van de huidige Verordening jeugdhulp gemeente Westerveld 2026 leidt tot een gunstiger uitkomst.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-280498.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.