Gemeenteblad van Ede
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ede | Gemeenteblad 2026, 280412 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ede | Gemeenteblad 2026, 280412 | beleidsregel |
Damoclesbeleid gemeente Ede 2026
Beleidsregels van de burgemeester van de gemeente Ede houdende regels omtrent drugshandel en voorbereidingshandelingen vanuit woningen, lokalen en/of daarbij behorende erven.
De burgemeester van de gemeente Ede;
gelet op artikel 13b van de Opiumwet, de Aanwijzing Opiumwet, artikel 4:81 en 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 2:41 van de Algemene Plaatselijke Verordening Ede 2026 (APV),
Hoofdstuk 1. Definities, reikwijdte en doelstellingen
In dit Damoclesbeleid wordt verstaan onder:
handelshoeveelheid: een hoeveelheid drugs die de criteria voor ‘geringe hoeveelheid voor eigen gebruik’ zoals vastgelegd in de ‘Aanwijzing Opiumwet’ van het Openbaar Ministerie 1 (OM) overstijgt;
lokaal: zowel voor publiek toegankelijke als niet voor publiek toegankelijke lokalen;
‘voor publiek toegankelijke lokalen’: een besloten ruimte, met inbegrip van een daarbij behorend erf, die – al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijk is. Voorbeelden van voor publiek toegankelijke lokalen zijn winkels, horecabedrijven, zoals hotels, restaurants, pensions, cafés, cafetaria, snackbars en discotheken, kantoren, buurthuizen of clubhuizen;
‘niet voor publiek toegankelijke lokalen’: een besloten ruimte, met inbegrip van een daarbij behorend erf, die niet voor het publiek toegankelijk is, niet zijnde een woning. Een voor bewoning bestemde ruimte die niet wordt gebruikt als woning kan ook als lokaal worden aangemerkt. Voorbeelden zijn bedrijfsruimten, kantoren, opslagruimtes, productiehallen, bergingen, garages, garageboxen, schuren en stallen.
woning: een pand dat in hoofdzaak dient tot woning, dan wel dienstbaar is aan wonen, alsmede het daarbij behorende erf en de hierop staande (bijbehorende) objecten. Hieronder valt zowel een koopwoning als een huurwoning, maar bijvoorbeeld ook een stacaravan, woonwagen, woonschip en een keet. Onder het begrip ‘woning’ worden tevens begrepen de op hetzelfde perceel gelegen en aan de woning dienstbare bijgebouwen, waaronder bergingen, garages, garageboxen, schuren en stallen.
Het algemene doel van artikel 13b van de Opiumwet is het bieden van een bestuursrechtelijke mogelijkheid aan de burgemeester om drugshandel en de aanwezigheid van handelshoeveelheden drugs in of bij woningen en lokalen tegen te gaan. Hiermee kunnen situaties die de openbare orde en veiligheid in de directe omgeving van een pand ernstig verstoren worden beëindigd en kan de openbare orde hersteld worden. Daarnaast gelden als algemene doelstellingen de bescherming van het woon- en leefklimaat en de bestrijding van drugscriminaliteit. De sluiting van een pand is in principe een herstelsanctie en is bedoeld om de bekendheid van het pand als drugspand bij gebruikers en dealers ongedaan te maken. De toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet en dit Damoclesbeleid strekken er concreet toe om:
Deze beleidsregels hebben daarnaast tot doel om:
2.1. Vaststellen van de bevoegdheid
Op grond van artikel 13b van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, indien in woningen of lokalen of op een daarbij behorend erf drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. Deze last onder bestuursdwang kan het bevel van de burgemeester inhouden om de woning of het lokaal te sluiten. In beginsel is daarom niet van belang wie feitelijk de overtreding van de Opiumwet heeft begaan, zoals de eigenaar, verhuurder, huurder, bewoner, rechthebbende of een derde. De constatering van overtreding van de Opiumwet in een pand is voor de burgemeester als zodanig al voldoende om van zijn bevoegdheid tot handhaving gebruik te kunnen maken. Tevens omvat deze bevoegdheid de mogelijkheid om een waarschuwing of een last onder dwangsom op te leggen, zie hiervoor 3.5. en 3.6. De bevoegdheid bestaat ook als in een pand of op een daarbij behorend erf geen drugs worden aangetroffen, noch verkocht, afgeleverd of verstrekt, maar er wel voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs, zoals bepaalde apparatuur, waaronder maar niet beperkt tot assimilatielampen, slakkenhuizen, IBC-vaten, chemicaliën zoals apaan, zoutzuur, aceton en versnijdingsmiddelen, oftewel wanneer sprake is van zogenoemde strafbare voorbereidingshandelingen, als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3° (harddrugs), of artikel 11a van de Opiumwet (softdrugs).
Onder drugshandel wordt op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet verstaan: de verkoop, aflevering of verstrekking, dan wel de aanwezigheid daartoe van drugs als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA van de Opiumwet of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van de Opiumwet. De genoemde lijst I heeft betrekking op harddrugs, lijst II bevat de verboden softdrugs en lijst IA bevat de zogenoemde designerdrugs. Om te bepalen of sprake is van een handelshoeveelheid is in dit Damoclesbeleid aansluiting gezocht bij de ‘Aanwijzing Opiumwet’ van het College van procureurs-generaal van het OM van 27 februari 2025’2 . Volgens deze Aanwijzing wordt een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram en een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram (of 0,5 milliliter, 1 pil, 1 bolletje, 1 ampul of 1 wikkel) gezien als hoeveelheden voor eigen gebruik. Om te bepalen of sprake is van een handelshoeveelheid designerdrugs is in dit beleid aansluiting gezocht bij de ‘Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, lijst I en lijst IA’3 . Uit de rechtspraak volgt dat in het bestuursrecht gebruik mag worden gemaakt van een indicatieve test om te bepalen of het aannemelijk is dat een bepaalde stof/drugs een verdovend middel bevat4 . Als sprake is van een handelshoeveelheid mag in beginsel worden aangenomen dat de drugs (mede) bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking en dat de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet, bevoegd is om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen. De verboden van de Opiumwet gelden dus niet alleen voor middelen als genoemd in lijst I en II, maar ook voor middelen die vooruitlopend op plaatsing op lijst I of II, zijn aangewezen bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet. 5
2.1.2. Voorbereidingshandelingen
Van een strafbare voorbereidingshandeling in de zin van artikel 13b, eerste lid, onder b, van de Opiumwet is sprake als in een woning of een lokaal of een daarbij behorend erf voorwerpen of stoffen voorhanden zijn, die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om hetzij harddrugs, hetzij softdrugs te produceren en/of te verhandelen. De aangetroffen voorwerpen en stoffen moeten van dien aard zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden, zoals deze door de politie zijn vastgesteld. Het gaat bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stof(fen), de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie en andere uit onderzoek blijkende feitelijkheden, zoals resultaten van tapgesprekken of observaties. Bij deze beoordeling kan ook de Aanwijzing Opiumwet worden betrokken, zoals bij voorbereidingshandelingen ten behoeve van een hennepkwekerij. Hierbij kan aan de hand van het beoogde aantal planten, de mate van de professionaliteit en het doel van de teelt, het beroeps- of bedrijfsmatige karakter worden gewaardeerd. De burgemeester is bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel, indien op basis van de feitelijke situatie voldoende aannemelijk is dat de voorwerpen en stoffen aanwezig waren en waarvan kan worden geweten of ernstig kan worden vermoed dat deze bestemd waren voor het bereiden van drugs.
Per 1 juli 2025 is de ‘Wijzigingswet Opiumwet’ in werking getreden. Deze wet richt zich op het tegengaan van productie en handel in nieuwe psychoactieve stoffen (NPS), ook wel ‘designerdrugs’ genoemd. Voorheen vielen deze middelen niet onder de Opiumwet. Met de wijziging is lijst IA toegevoegd, waarin stofgroepen zijn opgenomen die chemisch zijn afgeleid van harddrugs op lijst I. Door deze uitbreiding kan de burgemeester op grond van artikel 13b Opiumwet ook optreden wanneer in een pand stoffen of preparaten aanwezig zijn die behoren tot de stofgroepen op lijst IA. Daarmee wordt handhaving tegen handel in designerdrugs mogelijk. Omdat lijst IA de basisstructuren bevat van harddrugs op lijst I, wordt voor de beoordeling van handelshoeveelheden aangesloten bij de Aanwijzing Opiumwet voor harddrugs. Dit betekent dat bij meer dan 0,5 gram designerdrugs wordt aangenomen dat deze (mede) bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking.’
Het evenredigheidsbeginsel speelt een belangrijke rol in de beoordeling of gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid uit artikel 13b van de Opiumwet. De sluiting van een woning is namelijk een ingrijpende maatregel: het raakt aan het recht op huisvesting, aan de privacy van bewoners en aan het recht op gezinsleven. Het evenredigheidsbeginsel is ten aanzien van woningsluitingen nader uitgewerkt in de overzichtsuitspraak uit 2025 van de Raad van State. 6
Bij de beoordeling of sluiting van een pand op grond van artikel 13b van de Opiumwet noodzakelijk is, weegt de burgemeester alle relevante omstandigheden mee. Het toetsingskader voor de beoordeling of sluiting noodzakelijk is, is gebaseerd op vaste rechtspraak van de Afdeling waaronder de uitspraak van 6 juli 2022 (Harderwijk-uitspraak)7 en de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025.8 De af te wegen feiten en omstandigheden staan hiervoor onder artikel 2.2 genoemd. Indicaties voor handel in of vanuit het pand zijn onder meer: meldingen van de politie, verklaringen van buurtbewoners of betrokkenen, het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand, waaronder maar niet beperkt tot: gripzakjes, ponypacks, grammenweegschaal, een vuurwapen, en/of het aantreffen van een grote hoeveelheid contant geld. Indicaties of een pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk ligt zijn onder meer: meldingen bij de politie, MMA-meldingen, verklaringen van buurtbewoners of betrokkenen en/of meerdere constateringen van overtredingen van de Opiumwet binnen de betreffende of direct aangrenzende wijk(en) in de afgelopen drie jaar. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling geldt dat in ieder geval bij een geringe overschrijding van een gebruikshoeveelheid steeds dient te worden beoordeeld of kan worden volstaan met een minder verstrekkende maatregel.9 De burgemeester betrekt bij zijn afweging of het noodzakelijk is om tot sluiting van een pand over te gaan aan de concrete
omstandigheden van het geval. De beoordeling van de noodzaak van de sluiting van een pand kan tot gevolg hebben dat de burgemeester kiest voor een lichtere bestuurlijke maatregel dan een sluiting, bijvoorbeeld het geven van een waarschuwing of het opleggen van een last onder dwangsom. Ook kan uit de beoordeling van de noodzaak volgen dat sluiting noodzakelijk is om het doel te bereiken, maar dat gekozen wordt voor een kortere sluitingsduur.
Na het beoordelen van de noodzakelijkheid beoordeelt de burgemeester of de sluiting in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Hierbij worden de voor betrokkenen nadelige gevolgen van de sluiting afgewogen tegen de zwaarwegende belangen van de burgemeester bij het handhaven van de openbare orde, het beëindigen van de overtreding en het voorkomen van herhaling. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. Bij woningen vindt de beoordeling plaats met inachtneming van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De impact op bewoners wordt meegewogen, maar bij ernstige of structurele overtredingen kan het belang van bescherming van de samenleving zwaarder wegen. Bij de beoordeling of de bewoners na de sluiting van de woning weer gebruik kunnen maken van de woning weegt de burgemeester bij een huurwoning mee of de verhuurder de mogelijkheid om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter te ontbinden, toepast. Het is inherent aan de sluiting van een woning dat de bewoner de woning moet verlaten. Het is in beginsel de verantwoordelijkheid van de bewoner zelf om, al dan niet met behulp van zijn netwerk, vervangende woonruimte te vinden. 10 Indien de bewoner geen vervangende woonruimte kan vinden, is het aan de bewoner zelf om dit tijdig bij de burgemeester kenbaar te maken en aan te tonen. Zonder hulpvraag mag de burgemeester ervan uitgaan dat de bewoner zelf kan voorzien in tijdelijke woonruimte. De kosten voor vervangende woonruimte komen voor rekening van bewoner. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang. Voorbeelden zijn de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, de aanwezigheid van minderjarige kinderen, een bijzondere binding met de woning en de mogelijkheid om na de sluiting weer van de woning gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegenover de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is zoals gezegd niet per definitie onevenwichtig, bijvoorbeeld als de bewoner een ernstig verwijt van de overtreding kan worden gemaakt of gezien de ernst en omvang van de overtreding. Een belangrijk element bij de beoordeling van de evenwichtigheid is de persoonlijke verwijtbaarheid van de bewoner/eigenaar. Daarbij geldt dat van degene die een pand verhuurt of in gebruik geeft wordt verwacht dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het pand wordt gemaakt. Dat houdt in dat concreet toezicht moet worden gehouden op het gebruik van het verhuurde pand en dat het niet genoeg is als het pand alleen maar wordt bezocht. Ook als echter de verwijtbaarheid ontbreekt, bijvoorbeeld omdat verhuurder op een goede manier invulling heeft gegeven aan zijn zorgplicht, kan een sluiting toch op zijn plaats zijn omdat de belangen die daarmee zijn gediend zwaarder wegen.
In het kader van een effectieve regionale samenwerking is op 1 september 2014 het ‘Regionaal hennepconvenant voor de integrale aanpak van hennepkwekerijen in Oost Nederland’ in werking getreden. Dit convenant is ondertekend door verschillende gemeenten in de provincies Gelderland en Overijssel, politie, het OM van het arrondissementsparket Oost-Nederland, woningbouwcorporaties, netwerkbeheerders, drinkwaterbedrijven, waterschappen, intergemeentelijke diensten en omgevingsdiensten (partners). Het doel van het convenant is het integraal aanpakken en bestrijden van
drugscriminaliteit en de daarmee samenhangende problematiek. Het convenant zorgt ervoor dat de aangesloten partners onderling informatie kunnen uitwisselen om dit doel te kunnen behalen.
Hoofdstuk 3. Uitgangspunten Damoclesbeleid
In dit hoofdstuk zijn de algemene uitgangspunten opgenomen voor de wijze waarop de burgemeester uitvoering geeft aan zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
Voor lokalen, al dan niet voor publiek toegankelijk, geldt het uitgangspunt van vooraf waarschuwen of het treffen van minder ingrijpende maatregelen in beginsel niet. Of een pand als woning of als lokaal wordt aangemerkt, wordt per geval vastgesteld op basis van alle relevante feiten en omstandigheden.
Van een ernstig geval is in ieder geval sprake als één of meer van de onderstaande indicatoren van toepassing zijn. Dit gaat om de volgende niet-limitatieve indicatoren:
er is een vermoeden dat de bewoner(s)/betrokkene(n) verkeert/verkeren in kringen van personen met antecedenten ten aanzien van de Opiumwet of de Wet Wapens en Munitie. Ook antecedenten op het gebied van geweld tegen personen of zaken, zoals geweldpleging, mishandeling, bedreiging, vernieling of diefstal kunnen een rol spelen;
er is sprake van beroeps- of bedrijfsmatige (hennep)teelt. De mate van professionaliteit wordt beoordeeld aan de hand van de indicatoren, opgenomen in bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet. Wanneer aan twee of meer van de aangegeven indicatoren van professionaliteit wordt voldaan, wordt aangenomen dat er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt.
Hoofdstuk 4. Handhavingsmatrix
4.1. Drugshandel in woningen of lokalen
Bij drugshandel in woningen of lokalen of daarbij behorende erven, in de zin van artikel 13b, eerste lid onder a, van de Opiumwet, wordt, nadat is vastgesteld dat sprake is van een handelshoeveelheid drugs, in beginsel het regime toegepast zoals opgenomen in onderstaande matrix.
4.2. Voorbereidingshandelingen in woningen of lokalen
Bij de constatering van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 13b, eerste lid onder b, van de Opiumwet, wordt, nadat uit alle feiten en omstandigheden is vastgesteld dat sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen, in beginsel het regime toegepast zoals opgenomen in onderstaande matrix.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-280412.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.