Richtlijnen locatiebepaling inzamelvoorzieningen en aanbiedplaatsen gemeente Oudewater 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oudewater,

 

Overwegende dat het wenselijk is om richtlijnen vast te stellen voor het bepalen van locaties voor inzamelvoorzieningen en aanbiedplaatsen, zodat voor alle betrokkenen, zowel intern als extern, inzichtelijk is welke uitgangspunten de gemeente hanteert bij de selectie en beoordeling van dergelijke locaties.

 

Gelet op de bepalingen van de vigerende afvalstoffenverordening en de Wet Milieubeheer;

 

BESLUIT:

 

De Richtlijnen locatiebepaling inzamelvoorzieningen en aanbiedplaatsen gemeente Oudewater 2026 vast te stellen.

 

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

 

  • Aanbiedplaats: een locatie aan de openbare weg waar gebruikers van percelen een minicontainer ter lediging kunnen aanbieden;

  • Aansluiting: een perceel waar op basis van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt;

  • GFT-cocon: een container in een metalen behuizing ten behoeve van de inzameling van GFT;

  • Locatie: plaats in de openbare ruimte voor een of meer (ondergrondse) afvalcontainers;

  • Loopafstand: de afstand gemeten vanaf de rand van een perceel tot aan de rand van een inzamelvoorziening;

  • Perceel: een stuk grond waar een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt (op grond van artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer).

Hoofdstuk II. Ondergrondse Containers

Artikel 2. Locatierichtlijnen plaatsing ondergrondse containers

  • 1.

    De locaties voor ondergrondse containers liggen bij voorkeur in gronden die in eigendom zijn van de gemeente. Is er geen geschikte locatie in de openbare ruimte voorhanden, of wordt daarmee de afstand tot de woningen te groot, dan is plaatsing van ondergrondse containers op terrein van derden een optie.

  • 2.

    Bij het bepalen van de locatie van ondergrondse containers wordt bij voorkeur een centrale ligging gekozen om een doelmatig gebruik te bevorderen (zoveel mogelijk aansluitingen per container).

  • 3.

    De loopafstand van een perceel tot de dichtstbijzijnde ondergrondse container voor restafval bedraagt maximaal 125 meter gemeten vanaf de erfgrens.

  • 4.

    Voor ondergrondse containers voor monostromen, zoals oud papier, glas en textiel, zijn geen maximale loopafstanden vastgesteld. Deze containers worden geplaatst op logische en goed bereikbare locaties langs natuurlijke aanlooproutes, bijvoorbeeld op centrale punten binnen een wijk.

  • 5.

    Bij het bepalen van de locatie van ondergrondse containers wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een zo kort mogelijke loopafstand vanaf seniorenwoningen.

  • 6.

    De ondergrondse containers worden zodanig geplaatst dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de verkeersveiligheid (door bijvoorbeeld zichthinder).

  • 7.

    De ondergrondse containers worden zodanig geplaatst dat voetgangers, al dan niet met een rolstoel, rollator, scootmobiel of kinderwagen, niet worden belemmerd bij het gebruik van het trottoir.

  • 8.

    De ondergrondse containers worden zodanig geplaatst dat deze bereikbaar zijn voor mindervaliden.

  • 9.

    Ondergrondse containers worden zodanig geplaatst dat deze aan de openbare weg liggen, bij voorkeur aan een doorgaande weg (in of uit een wijk).

  • 10.

    De ondergrondse containers worden zodanig geplaatst dat er bij lediging minimale verkeershinder en oponthoud ontstaat.

  • 11.

    Ondergrondse containers worden zodanig geplaatst dat het inzamelvoertuig niet achteruit hoeft te rijden, te steken of door smalle straatjes hoeft te manoeuvreren om de container te kunnen ledigen (dus niet in een doodlopende straat).

  • 12.

    Ondergrondse containers worden zodanig geplaatst dat de inzamelvoertuigen veilig kunnen stoppen en geen onveilige manoeuvres hoeven te maken om de containers op een veilige manier te kunnen ledigen.

  • 13.

    Ondergrondse containers worden zoveel mogelijk bij of naast bestaande (ondergrondse) inzamelvoorzieningen geplaatst.

  • 14.

    De afstand tussen een locatie en de rijweg bedraagt in verband met de maximale reikwijdte van de kraan van het inzamelvoertuig niet meer dan zes meter.

  • 15.

    De afstand tussen een locatie (rand van de container) en de dichtstbijzijnde gevel is minimaal twee meter.

  • 16.

    Bomen worden ontzien bij het aanwijzen van locaties: er worden in principe geen bomen gekapt en in de buurt van bomen wordt rekening gehouden met de verwachte groei van de boom (zoals de kroon en wortels).

  • 17.

    Er worden geen ondergrondse afvalcontainers geplaatst in archeologisch waardevol gebied tenzij er geen alternatief voorhanden is.

  • 18.

    Het aanwijzen van locaties ten koste van parkeerplaatsen wordt zoveel mogelijk voorkomen.

  • 19.

    Voor het plaatsen van containers worden in principe geen kabels en leidingen verlegd. Vooraf wordt hiernaar onderzoek verricht. Indien desondanks tijdens de plaatsing blijkt dat een kabel of leiding aanwezig is waardoor het plaatsen van de ondergrondse container niet mogelijk is wordt een afweging gemaakt tussen een alternatieve locatie voor de ondergrondse container of het verleggen van de kabels en leidingen.

  • 20.

    Een ondergrondse container wordt zodanig geplaatst dat het inzamelvoertuig bij het legen van de container geen hinder heeft van objecten (bijvoorbeeld verkeersborden, lantaarnpalen) en geparkeerde voertuigen.

  • 21.

    Een ondergrondse container wordt zodanig geplaatst dat zich tussen het inzamelvoertuig en de locatie geen fietspad of parkeerplaats bevindt.

  • 22.

    Bij situaties waarin het plaatsen van een ondergrondse container niet mogelijk is kan (tijdelijk) een bovengrondse dan wel een semi-ondergrondse inzamelvoorziening met een toegangssysteem worden geplaatst.

Artikel 3. Gebruikerscriteria ondergrondse containers

Het uitgangspunt is dat per ondergrondse container voor restafval 80 aansluitingen worden toegewezen. Voor oud papier geldt een richtwaarde van 120 aansluitingen per container. Afhankelijk van de verwachte hoeveelheid afval in een specifieke straat of buurt kan worden besloten om meer of juist minder aansluitingen toe te wijzen.

Hoofdstuk III. GFT-Cocons

Artikel 4. Locatierichtlijnen plaatsing GFT-cocon

  • 1.

    De loopafstand van een perceel tot de dichtstbijzijnde GFT-cocon bedraagt maximaal 125 meter gemeten vanaf de erfgrens.

  • 2.

    Bij het bepalen van de locatie van een GFT-cocon wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een zo kort mogelijke loopafstand vanaf seniorenwoningen.

  • 3.

    De GFT-cocons worden zodanig geplaatst dat er geen belemmering van de verkeersveiligheid ontstaat (zichthinder).

  • 4.

    De GFT-cocons worden zodanig geplaatst dat voetgangers, al dan niet met een rolstoel, rollator, scootmobiel of kinderwagen, niet worden belemmerd bij het gebruik van het trottoir.

  • 5.

    De GFT-cocons worden zodanig geplaatst dat deze bereikbaar zijn voor mindervaliden.

  • 6.

    De GFT-cocons worden zoveel mogelijk in de nabijheid van bestaande (ondergrondse) inzamelvoorzieningen geplaatst.

  • 7.

    De GFT-cocons worden zodanig geplaatst dat voldoende ruimte is om de hierin geplaatste minicontainer eenvoudig en op een veilige manier uit de GFT-cocon te halen.

  • 8.

    Wanneer op één locatie meerdere GFT‑cocons worden geplaatst, worden deze bij voorkeur in een rechte lijn opgesteld.

  • 9.

    De afstand tussen een GFT-cocon en de rijweg is bij voorkeur niet meer dan vijftien meter.

  • 10.

    Het plaatsen van GFT-cocons op bestaande parkeerplaatsen wordt zoveel mogelijk voorkomen.

  • 11.

    Voor het plaatsen van GFT-cocons is het in principe niet noodzakelijk te graven. Indien desondanks tijdens de plaatsing blijkt dat een kabel of leiding aanwezig is waardoor het plaatsen van de GFT-cocon niet mogelijk is, wordt een afweging gemaakt tussen een alternatieve locatie voor de GFT-cocon of het verleggen van de kabels en leidingen.

  • 12.

    In situaties waarbij het plaatsen van een GFT-cocon niet mogelijk is, kan (tijdelijk) geen voorziening of een alternatieve voorziening worden geplaatst of kan een alternatieve locatie worden aangewezen met een langere loopafstand.

Artikel 5. Gebruikerscriteria GFT-cocons

Als uitgangspunt geldt dat per GFT cocon minimaal 5 en maximaal 25 percelen worden aangesloten.

Hoofdstuk IV. Aanbiedplaatsen minicontainers

Artikel 6. Locatierichtlijnen aanbiedplaatsen

  • 1.

    Uitgangspunt voor het bepalen van de locatie van een aanbiedplaats voor minicontainers is een goed bereikbare locatie aan de rijweg.

  • 2.

    Bij het bepalen van de locatie wordt om doelmatige inzameling te bevorderen zoveel mogelijk rekening gehouden met een ligging langs een doorgaande weg (in of uit een wijk).

  • 3.

    In de regel wordt aangesloten op een reeds bestaande locatie.

  • 4.

    De ruimte tussen een aanbiedplaats en de dichtstbijzijnde gevel of erfafscheiding is bij voorkeur minimaal 1,5 meter.

  • 5.

    De aanbiedplaatsen moeten zodanig bereikbaar zijn dat het inzamelvoertuig niet achteruit hoeft te rijden, te steken of door smalle straatjes hoeft te manoeuvreren.

  • 6.

    Een aanbiedplaats wordt zodanig gesitueerd dat het inzamelvoertuig bij het legen van de minicontainers geen hinder heeft van objecten (bijvoorbeeld verkeersborden en lantaarnpalen) en geparkeerde voertuigen.

  • 7.

    De afstand tussen een aanbiedplaats en een perceel bedraagt standaard maximaal 50 meter, gemeten vanaf de erfgrens.

  • 8.

    Indien de meest logische locatie niet voldoet aan een of meerdere richtlijnen en in de directe nabijheid van de logische locatie geen alternatieven voorhanden zijn kan van de maximale loopafstand worden afgeweken.

Hoofdstuk V. Richtlijnen

Artikel 7. Afwijken en weging richtlijnen

  • 1.

    Indien het niet mogelijk is om een locatie aan te wijzen voor een ondergrondse container, een GFT-cocon en/of een aanbiedplaats zonder concessies te doen aan een aantal richtlijnen, kan besloten worden om van de richtlijnen af te wijken.

  • 2.

    De in dit besluit opgenomen omschrijvingen betreffen nadrukkelijk richtlijnen beschreven in willekeurige volgorde.

  • 3.

    Indien richtlijnen tegen elkaar moeten worden afgewogen geldt de volgende zwaarte: richtlijnen op het gebied van veiligheid wegen het zwaarst, vervolgens richtlijnen op het gebied van doelmatigheid en ten slotte volgt een afweging van de overige richtlijnen naar hun merites.

Artikel 8. Inwerkingtreding

  • 1.

    Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van bekendmaking.

  • 2.

    Dit besluit wordt aangehaald als: Richtlijnen locatiebepaling inzamelvoorzieningen en aanbiedplaatsen gemeente Oudewater 2026

Aldus besloten te Oudewater op 2 juni 2026,

Het college van burgemeester en wethouders,

drs. S.G.M. van Eck

Gemeentesecretaris

drs. A.M Jongerius

Burgemeester

Naar boven