U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Wijziging omgevingsplan gemeente Winterswijk 002 (kleinschalige landschapselementen, verwerken vangnetregeling, Bloemstraat 3-3a, spuitvrije zone omgeving Esinkweg 10-12)

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk,

Overwegende dat:

  • a.

    artikel 2.4 van de Omgevingswet bepaalt dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vaststelt waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen;

  • b.

    de Omgevingswet de gemeenteraad de mogelijkheid biedt om de bevoegdheid tot het wijzigingen van het omgevingsplan in bepaalde gevallen te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders;

  • c.

    in het Verzamelbesluit bevoegdheden Omgevingswet vermeld staat in welke gevallen de gemeenteraad de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het omgevingsplan heeft gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders;

  • d.

    het college van burgemeester en wethouders bevoegd is tot het vaststellen van dit wijzigingsbesluit;

  • e.

    artikel 16.30 en artikel 16.23, eerste lid, Omgevingswet bepalen dat:

    • 1.

      op de voorbereiding van een omgevingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, met dien verstande dat een ieder een zienswijze bij de gemeenteraad mag indienen omtrent het ontwerp wijzigingsbesluit;

    • 2.

      de artikelen 3:43 tot en met 3:45 en afdeling 3.7 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zijn op een omgevingsplan;

  • f.

    er geen zienswijzen zijn ingediend op het ontwerp wijzigingsbesluit;

  • g.

    artikel 16.78, eerste lid, Omgevingswet bepalen dat een wijziging van een omgevingsplan in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit is bekend gemaakt;

Besluit;

Artikel I

Het Omgevingsplan gemeente Winterswijk wordt gewijzigd conform de wijzigingen zoals opgenomen in Bijlage A.

Artikel II

Dit besluit treedt in werking vier weken na bekendmaking ervan.

 

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk, 9 juni 2026.

de secretaris, 

B. Freriks-ten Hagen

 

de burgemeester,

B. Dijkstra

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Voor titel 21.1 wordt een titel ingevoegd, luidende:

Titel 21.1 Voorrangsbepalingen tijdelijk deel van het omgevingsplan

Afdeling 21.1.1 Voorrangsbepaling kleinschalige landschapselementen in het buitengebied

Artikel 21.1 Voorrangsbepaling kleinschalige landschapselementen in het buitengebied

In afwijking van artikel 3.1, onder g, onder 1, van het bestemmingsplan 'Integrale herziening buitengebied Winterswijk' met IMRO-idn NL.IMRO.0294.BP1001BGHERZIENING-va01 als onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is de maximale oppervlakte voor kleinschalige landschapselementen, zoals poelen, ruigtes, heggen, boomgroepen, houtwallen en -singels, 5.000 m2 per landschapselement.

Afdeling 21.1.2 Voorrangsbepaling Bloemstraat 3-3a

Artikel 21.2 Voorrangsbepaling Bloemstraat 3-3a

In afwijking van de verbeelding en artikel 18 van het bestemmingsplan 'Kom Winterswijk 2011' met IMRO-idn NL.IMRO.0294.BP1106KO01-VA02 als onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, wordt in het werkingsgebied voorrangsbepaling Bloemstraat 3 en 3a de aanduiding aaneengebouwd vervangen door twee-aan-een.

Afdeling 21.1.3 Voorrangsbepaling omgeving Esinkweg 10-12

Artikel 21.3 Voorrangsbepaling omgeving Esinkweg 10-12

In aanvulling op artikel 3.1 en 3.5 van het bestemmingsplan 'Integrale herziening buitengebied Winterswijk' met IMRO-idn NL.IMRO.0294.BP1001BGHERZIENING-va01 als onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is het verboden om chemische gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken binnen het werkingsgebied voorrangsbepaling omgeving Esinkweg 10.

B

Titel 21.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 21.1 Voorrangsbepalingen tijdelijk deel van het omgevingsplan

[Gereserveerd]

[Vervallen]

C

Het opschrift van artikel 21.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.1 21.4 Toepassingsbereik

D

Artikel 21.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.2 21.5 Voorrangsbepaling ontwikkelgebied Groenloseweg 60

  • 1.

    De volgende bestemmingsplannen zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in artikel 21.121.4.

    • a.

      Kom Winterswijk 2011 met IMRO-idn NL.IMRO.0294.BP1106KO01-VA02;

    • b.

      Facetbestemmingsplan parkeren Winterswijk met IMRO-idn NL.IMRO.0294.PP1803PARKEREN-VA01

  • 2.

    De regels in hoofdstuk 3, 5 tot en met 20 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in artikel 21.121.4.

E

Het opschrift van artikel 21.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.3 21.6 Meet- en rekenbepalingen

F

Het opschrift van artikel 21.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.4 21.7 Algemeen gebruiksverbod

G

Het opschrift van artikel 21.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.5 21.8 Doelen en waarden

H

Het opschrift van artikel 21.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.6 21.9 Toepassingsbereik

I

Het opschrift van artikel 21.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.7 21.10 Oogmerken

J

Het opschrift van artikel 21.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.8 21.11 Voldoende parkeergelegenheid

K

Het opschrift van artikel 21.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.9 21.12 Toepassingsbereik

L

Het opschrift van artikel 21.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.10 21.13 Bouwen in overeenstemming met de locatie 

M

Het opschrift van artikel 21.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.11 21.14 Algemene regels bouwwerken

N

Artikel 21.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.12 21.15 Aanvullende aanvraagvereisten

In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een bouw-akoestisch onderzoek, waaruit blijkt dat wordt voldaan aan:

    • 1.

      de waarde(n), bedoeld in artikel 21.1121.14elfde lid; en

    • 2.

      met de toegepaste voorzieningen en materialen wordt voldaan aan de eisen voor de karakteristieke gevelwering.

O

Het opschrift van artikel 21.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.13 21.16 Toepassingsbereik

P

Het opschrift van artikel 21.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.14 21.17 Algemene regels woonruimte gebruiken

Q

Het opschrift van artikel 21.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.15 21.18 Toepassingsbereik

R

Het opschrift van artikel 21.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.16 21.19 Algemene regels beroep of bedrijf aan huis uitoefenen

S

Het opschrift van artikel 21.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.17 21.20 Maatwerkvoorschriften

T

Het opschrift van artikel 21.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.18 21.21 Regels voor activiteiten met gebruiksruimte

U

Het opschrift van artikel 21.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.19 21.22 Verboden

V

Het opschrift van artikel 21.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.20 21.23 Parkeerplaatsen in stand houden

W

Het opschrift van artikel 21.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.21 21.24 Toepassingsbereik

X

Het opschrift van artikel 21.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.22 21.25 Algemene regels woonactiviteiten

Y

Het opschrift van artikel 21.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.23 21.26 Toepassingsbereik

Z

Het opschrift van artikel 21.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.24 21.27 Oogmerken

AA

Artikel 21.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.25 21.28 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen cultuurhistorische waarden Groenloseweg 60 de activiteiten als bedoeld in artikel 21.2321.26 te verrichten.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet:

    • a.

      als door de bouwactiviteiten het uitwendig karakter van het bouwwerk in bestaande toestand niet wordt veranderd voor wat betreft de hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen, de dakvorm, de nokrichting en de dakhelling alsmede de gevelindeling door ramen, deuropeningen en erkers;

    • b.

      voor zover het de sloop betreft:

      • 1.

        ten behoeve normaal onderhoud en herstel;

      • 2.

        van inpandige delen van een bouwwerk die niet medebepalend zijn voor het uiterlijk van het cultuurhistorisch waardevolle bouwwerk;

      • 3.

        ten behoeve van het uitvoeren van destructief onderzoek dat nodig is voor de instandhouding van een cultuurhistorisch waardevol bouwwerk; of

      • 4.

        die noodzakelijk is ter voorkoming van instortingsgevaar, waarbij de veiligheid van personen of beschadiging van omliggende bebouwing acuut dreigt en andere maatregelen het instortingsgevaar niet kunnen voorkomen; en

    • c.

      voor activiteiten die reeds rechtmatig in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning of een vastgesteld beheerplan reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit besluit;

    • d.

      voor activiteiten die in overeenstemming met een krachtens de Omgevingswet, Erfgoedwet of de gemeentelijke erfgoedverordening verleende vergunning.

BB

Het opschrift van artikel 21.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.26 21.29 Aanvraagvereisten

CC

Het opschrift van artikel 21.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.27 21.30 Beoordelingsregels omgevingsvergunning cultuurhistorische waarden

DD

Artikel 21.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.28 21.31 Advies deskundige cultuurhistorie

Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij een deskundige commissie inzake cultuurhistorie of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 21.2721.30.

EE

Artikel 21.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.29 21.32 Vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden met het oog op het belang, bedoeld in artikel 21.2421.27.

FF

Artikel 22.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing

Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:

  • a.

    een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      op de grond staand;

    • 2.

      gelegen in achtererfgebied;

    • 3.

      op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;

    • 4.

      niet hoger dan 5 m;

    • 5.

      de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en

    • 6.

      niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;

  • b.

    een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      op de grond staand;

    • 2.

      niet hoger dan 5 m; en

    • 3.

      de oppervlakte niet meer dan 70 m2;

  • c.

    een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;

    • 2.

      voorzien van een plat dak;

    • 3.

      gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;

    • 4.

      onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;

    • 5.

      bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en

    • 6.

      zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;

  • d.

    een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      niet hoger dan 4 m; en

    • 2.

      alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;

  • e.

    een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien;

  • f.

    een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;

    • 2.

      op een erf of perceel waarop al een gebouwhoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

    • 3.

      achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat gebouwhoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen;

  • g.

    een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:

    • 1.

      een silo; of

    • 2.

      een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m;

  • h.

    een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of

  • i.

    een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;

    • 2.

      geen uitbreiding van het bouwvolume; en

    • 3.

      geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

GG

Artikel 22.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

  • 1.

    In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:

    • a.

      van kracht is een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of

    • b.

      van kracht is een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.;

    • c.

      als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag:

      • 1.

        een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;

      • 2.

        een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of

      • 3.

        een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.

HH

Artikel 22.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen

  • 1.

    Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen:

    • a.

      in zijn geheel of in delen verplaatsbaar;

    • b.

      de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en

    • c.

      buiten de bebouwde kom.

  • 3.

    Het tweede lid is alleen van toepassing als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in het tweede lid niet voldoet aan de in artikel 22.36, onder a, onder 3 gestelde eisen.

II

Artikel 22.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid

Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:

  • a.

    op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen;

  • b.

    op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of

  • c.

    op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:

    • 1.

      artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;

    • 2.

      artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 3.

      artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 4.

      artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;

    • 5.

      artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 6.

      artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 7.

      artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;

    • 8.

      artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 9.

      artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;

    • 10.

      artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 11.

      artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 12.

      artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 12 13.

      artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of

    • 13 14.

      artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.

JJ

Artikel 22.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen  22.3.222.3.3  tot en met 22.3.26.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen  22.3.222.3.3  tot en met 22.3.26.

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.42.

  • 4.

    Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

KK

Paragraaf 22.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.2 Energiebesparing

Artikel 22.51 Toepassingsbereik Vervallen

[Gereserveerd]

Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.52 Energie: maatregelen Vervallen

[Gereserveerd]

  • 1.

    Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen;

    • b.

      als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of

    • c.

      op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

  • 3.

    Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.

  • 4.

    Dit artikel is van toepassing tot 1 december 2023.

  • 5.

    Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.

  • 6.

    Op een activiteit waarop het eerste lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, artikel 22.52 niet van toepassing.

LL

Artikel 22.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.54 Toepassingsbereik

  • 1.

    Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit:

    • a.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en

    • c.

      op een niet-geluidgevoelige gevel.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van:

    • a.

      het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • b.

      spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.

  • 4.

    Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als:

    • a.

      een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of

    • b.

      een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.

  • 5.

    Paragraaf 22.3.4 is niet van toepassing op: 

    • a.

      een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd; en

    • b.

      een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.

MM

Artikel 22.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:

    • a.

      de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.

  • 4.

    In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.

NN

Artikel 22.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.:

    • a.

      op een gezoneerd industrieterrein; en

    • b.

      op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

  • 4.

    Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar:

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

  • 5.

    Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 6.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 7.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, zoals bedoeld in leden 3 t/m 7, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

OO

Artikel 22.84 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 22.83, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.83 is deze paragraaf niet van toepassing op trillingen door een activiteit op een trillinggevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.

PP

Artikel 22.91 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 22.90, tweede lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.90, eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    De waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, zijn ook niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw of geurgevoelig object waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c. 

QQ

Het opschrift van artikel 22.133 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.133 Gereserveerd

RR

Het opschrift van artikel 22.134 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.134 Gereserveerd

SS

Het opschrift van artikel 22.135 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.135 Gereserveerd

TT

Het opschrift van artikel 22.136 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.136 Gereserveerd

UU

Artikel 22.200 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.200 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    Deze paragraaf is ook niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.

VV

Artikel 22.215 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 22.214, tweede lid, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.214, eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    In afwijking van artikel 22.214, eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.

WW

Artikel 22.271 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.271 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van een weg of spoorweg, tenzij:

    • a.

      aan de aanleg of wijziging een besluit tot vaststelling van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ten grondslag ligt; of

    • b.

      het een rijksweg, provinciale weg of bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg betreft.

  • 2.

    In aanvulling op deze afdeling gelden de volgende regels bij het bepalen en het beoordelen van het geluid door een weg of spoorweg als bedoeld in die afdeling:

    • a.

      Onder het geluid door een weg of spoorweg wordt verstaan: het geluid door de aan te leggen of te wijzigen weg of spoorweg;

    • b.

      Het geluid door een weg of spoorweg wordt bepaald;

      • 1.

        voor het geluid door een gemeenteweg of waterschapsweg op een geluidsgevoelig gebouw: volgens bijlage IVe bij de Omgevingsregeling; en

      • 2.

        voor het geluid door een lokale spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVf bij de Omgevingsregeling;

    • c.

      voor een hogere waarde voor het geluid door een weg op de gevel van een geluidgevoelig gebouw die is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding, wordt:

      • 1.

        de aftrek opgeteld die bij het vaststellen van die hogere waarde is toegepast op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder; en

      • 2.

        een hogere waarde in dB(A) omgerekend tot een waarde in dB, door de getalswaarde van die hogere waarde te verminderen met het verschil tussen de heersende waarde in dB(A) en de heersende waarde in dB, waarbij het verschil op een geheel getal wordt afgerond en waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal.

XX

Artikel 22.272 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of spoorweg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als:

    • a.

      deze is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;

    • b.

      een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt;

    • c.

      de snelheid wordt verlaagd;

    • d.

      een wegdeklaag wordt vervangen door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking;

    • e.

      de snelheid wordt verhoogd tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold voor een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; of

    • f.

      het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:

      • 1.

        niet meer dan 5052 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw;

      • 2.

        als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding: niet meer dan 21 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan die hogere waarde of, als de heersende waarde lager is, de heersende waarde; of

      • 3.

        als de weg en het geluidgevoelige gebouw op 1 januari 2007 waren toegelaten, niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 48 dB en de heersende waarde hoger is dan 4851 dB: niet meer dan 21 dB meer dan de heersende waarde.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een spoorweg als:

    • a.

      de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beide wordt gewijzigd waardoor het geluid onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van het geluid gedurende de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;

    • b.

      spoorstaven horizontaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 2 m;

    • c.

      spoorstaven verticaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 1 m;

    • d.

      de baanconstructie wordt vervangen door een baanconstructie die niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie; of

    • e.

      het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:

      • 1.

        niet meer dan 3 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan de heersende waarde; en

      • 2.

        niet meer dan 63 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een geluidgevoelig gebouw:

    • a.

      waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c; of

    • b.

      dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: 

      • 1.

        op grond van dit omgevingsplan, met uitzondering van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 

      • 2.

        op grond van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd na de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

YY

Artikel 22.274 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.274 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.272eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een akoestisch onderzoek naar:

    • 1.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;

    • 2.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;

    • 3.

      het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 21 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;

    • 4.

      de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1, de standaardwaarde, zijnde 53 Lden voor een weg en 55 Lden voor een spoorweg, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging;

  • b.

    een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4; en

  • c.

    een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van de situatie voor de wijziging of aanleg, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

ZZ

Artikel 22.275 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.275 Beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.272eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid wordt de omgevingsvergunning verleend als de grenswaarde 70 Lden alleen wordt overschreden  op:

    • a.

      een niet-geluidgevoelige gevel;

    • b.

      een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd; of

    • c.

      een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.

AAA

Artikel 22.278 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.278 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid waarvoor op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning is vereist, wordt, als die activiteit niet in strijd is met de in dat tijdelijke deel gestelde regels over het verlenen van de vergunning voor die activiteit, in afwijking van die regels de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:

    • a.

      een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of 

    • b.

      een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.;

    • c.

      als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag:

      • 1.

        een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;

      • 2.

        een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of

      • 3.

        een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht

BBB

Bijlage III wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage III Overzicht Informatieobjecten

bijgebouw toegestaan=Groenloseweg60

/join/id/regdata/gm0294/2025/5329a907e1a349d0bff98aaf773b8b2a/nld@2026‑04‑20;13344083

bouwvlak Groenloseweg 60

/join/id/regdata/gm0294/2026/d2c7bffb57984e25a36b5104ff1c9437/nld@2026‑04‑20;13344083

cultuurhistorische waarden Groenloseweg 60

/join/id/regdata/gm0294/2026/7ee069b483b14a72bc2354ca27cfc521/nld@2026‑04‑20;13344083

geluidsbelasting Groenloseweg 60

/join/id/regdata/gm0294/2025/2b391118b3a941d5abbb2e6e19378d6b/nld@2026‑04‑20;13344083

gestapeld=Groenloseweg60

/join/id/regdata/gm0294/2025/1d469084a8ea4ac8a8b21f3505a25cdc/nld@2026‑04‑20;13344083

Groenloseweg 60

/join/id/regdata/gm0294/2025/dc2c3cede2ae4a45a20b6d6ed403446b/nld@2026‑04‑20;13344083

maximum bouwhoogte Groenloseweg 60

/join/id/regdata/gm0294/2026/caaeb7e63a604e2db3d5ee28e28601b4/nld@2026‑04‑20;13344083

maximum goothoogte Groenloseweg 60

/join/id/regdata/gm0294/2026/066d1b8f40f74cf4bc8cc16d41e22f08/nld@2026‑04‑20;13344083

ontwikkelgebied Groenloseweg 60

/join/id/regdata/gm0294/2025/725cf0f67f034172b426a4f195e28cf0/nld@2026‑04‑20;13344083

parkeerterrein Groenloseweg 60

/join/id/regdata/gm0294/2025/f9f9180d7a8e457998245e00d991e329/nld@2026‑04‑20;13344083

twee-aan-een=Groenloseweg60

/join/id/regdata/gm0294/2025/57b6c8ab600b44b78d18c079d8bd8bad/nld@2026‑04‑20;13344083

voorrangsbepaling Bloemstraat 3 en 3a

/join/id/regdata/gm0294/2026/4f526ebda4a94b7c837db42c8753cc03/nld@2026‑05‑27;10320345

voorrangsbepaling omgeving Esinkweg 10

/join/id/regdata/gm0294/2026/6dab5dc4ab784ac7a02d659b6afffd28/nld@2026‑05‑27;10320345

vrijstaand=Groenloseweg60

/join/id/regdata/gm0294/2025/d20d0fa08c874fd99e0e990fa7922e16/nld@2026‑04‑20;13344083

wonen Groenloseweg 60

/join/id/regdata/gm0294/2026/b6a1775044b64b7885c81143e3ede450/nld@2026‑04‑20;13344083

CCC

Na sectie ' Doelen omgevingsplan' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 21.1 Voorrangsbepaling kleinschalige landschapselementen in het buitengebied

In het bestemmingsplan Integrale herziening buitengebied Winterswijk, als onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, is in artikel 3.1, onder g, onder 1 een regeling opgenomen voor kleinschalige landschapselementen. Dit zijn onder andere poelen, ruigtes, heggen, boomgroepen, houtwallen en -singels. Het maximale oppervlak van deze kleinschalige landschapselementen is beperkt tot 400 m2. In de praktijk blijkt dit onvoldoende. Initiatiefnemers willen vaak grotere oppervlaktes aan kleinschalige landschapselementen plaatsen. Met deze voorrangsbepaling wordt artikel 3.1, onder g, onder 1, van het bestemmingsplan 'Integrale herziening buitengebied Winterswijk' aangepast en geldt een maximale maat van 5.000 m2 per landschapselement. Hiervoor is geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit vereist.

Dat is anders als kleinschalige landschapselementen worden gerealiseerd in een gebied met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - openheid' en 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - hoogteverschillen'. In die gevallen is bijvoorbeeld het aanleggen van een voedselbos (in een gebied met de aanduiding 'openheid') en een poel (in een gebied met de aanduiding 'hoogteverschillen' ) alleen mogelijk met een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Daarbij moet dan worden aangetoond dat het aanleggen van een (voedsel)bos en poel niet ten kosten gaat van respectievelijk de openheid en hoogteverschillen.

DDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.121.4 Toepassingsbereik

EEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.221.5 Voorrangsbepaling ontwikkelgebied Groenloseweg 60

FFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.321.6 Meet- en rekenbepalingen

GGG

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.421.7 Algemeen gebruiksverbod

HHH

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.521.8 Doelen en waarden

III

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.621.9 Toepassingsbereik

JJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.821.11 Voldoende parkeergelegenheid

KKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.921.12 Toepassingsbereik

LLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.2321.26 Toepassingsbereik

MMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.2521.28 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Eerste lid: in het eerste lid is de vergunningplicht opgenomen. Daarin wordt bepaald dat het op de locatie, genoemd in het eerste lid, verboden is zonder omgevingsvergunning de activiteiten die in artikel 21.2321.26 worden genoemd, uit te voeren. 

Tweede lid: In het tweede lid wordt een aantal uitzonderingen op de in het eerste lid opgenomen vergunningplicht. Met de uitzonderingen op de vergunningplicht wordt een voortzetting gegeven aan de uitzonderingen die ook werden opgenomen in bestemmingsplannen. 

NNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.2721.30 Beoordelingsregels omgevingsvergunning cultuurhistorische waarden

OOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 21.2921.32 Vergunningvoorschriften

PPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.1 lid 2

Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels in afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 22.63 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 22.60 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.

Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan:

paragraaf 22.3.2 Energiebesparing

paragraaf 22.3.3 Zwerfafval

paragraaf 22.3.4 Geluid

paragraaf 22.3.5 Trillingen

paragraaf 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortel

paragraaf 22.3.11 Uitwassen van beton

paragraaf 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

paragraaf 22.3.19 In werking hebben van een acculader

Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.

QQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen

Dit artikel bevat de specifieke bepalingen voor bijbehorende bouwwerken, zoals die waren opgenomen in artikel 7 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Inhoudelijk zijn deze bepalingen ongewijzigd.

In het derde lid is de Vangnetregeling Omgevingswet verwerkt.

RRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.51 Toepassingsbereik Vervallen

Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten die in afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal aangewezen zijn als milieubelastende activiteiten. Voor die activiteiten gelden de artikelen van paragraaf 5.4.1 van het Bal.

De milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in afdeling 3.2 van het Bal, de bedrijfstakoverstijgende activiteiten, vallen wel onder deze paragraaf van dit omgevingsplan. De activiteiten van afdeling 3.2 van het Bal waren onder het oude recht zelden een zelfstandige inrichting, maar meestal onderdeel van een grotere inrichting. Onder het stelsel van de Omgevingswet zijn ze meestal onderdeel van een grotere milieubelastende activiteit. Activiteiten, anders dan de activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal, zijn ofwel geregeld in het Bal in de afdelingen 3.3 en verder, ofwel in het omgevingsplan.

Als een richtingaanwijzer in het Bal de energiemodule aanwijst voor een bepaalde activiteit en daarbij ook een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal plaatsvindt, dan is de energiemodule ook van toepassing op de activiteit uit afdeling 3.2, die dan immers een functioneel ondersteunende activiteit is.

De regels van deze paragraaf gelden voor milieubelastende activiteiten waarbij het energieverbruik van alle milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de milieubelastende activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar, gezamenlijk gelijk is aan of groter dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen. Hierbij moeten de activiteiten die in afdeling 3.2 van het Bal zijn geregeld ook worden meegenomen. Dus als bijvoorbeeld een supermarkt of horecagelegenheid een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal verricht, dan gelden ook daarvoor de energiebesparingsregels van dit omgevingsplan, tenzij het energieverbruik van de activiteiten op de locatie, gezamenlijk niet boven de drempel uitkomt.

Activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal die zelfstandig boven de drempel kunnen uitkomen, zoals de zuiveringsvoorziening uit paragraaf 3.2.17 van het Bal, waren in de regel onder het oude recht een inrichting, zodat het logisch is dat daarvoor de energiebesparingsregels uit dit omgevingsplan gelden.

Overigens is de gelding van deze paragraaf beperkt tot 1 december 2023. Dit hangt samen met het beleidsvoornemen om in het kader van de voorziene regelgeving over de actualisatie van de energiebesparingsplicht alsnog op rijksniveau ook voor bepaalde milieubelastende activiteiten die niet zijn aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal regels over energiebesparing te stellen. Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 in artikel 22.52, vierde lid, dat betrekking heeft op de verplichting energiebesparende maatregelen te treffen, is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor genoemde voorziene regelgeving. Ook de gelding van artikel 22.52, dat betrekking heeft op het overgangsrecht voor de regels over energiebesparing zoals deze golden onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, is gekoppeld aan deze datum. Als een gemeente voor 1 december 2023 is overgegaan tot aanpassing van artikel 22.52 van dit omgevingsplan, zal na die datum op grond van de geactualiseerde regels over energiebesparing in het Bal moeten worden bezien of deze regels in het omgevingsplan kunnen blijven voortbestaan als maatwerkregel.

De regels in deze paragraaf, die betrekking hebben op zogeheten procesgebonden energiebesparende maatregelen, laten onverlet de regels over de zogeheten gebouwgebonden energiebesparende maatregelen, zoals deze zijn gesteld in de artikelen 3.84, 3.84a en 3.84b van het Bbl.

Deze paragraaf is vervallen. Regelgeving voor energiebesparing is opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving.

SSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.52 Energie: maatregelen

Dit artikel vervangt artikel 2.15 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze paragraaf is overgenomen uit paragraaf 5.4.1 van het Bal. Zie de bij die paragraaf horende toelichting voor een uitleg van deze artikelen.

Het bevoegd gezag kan, als aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan dit artikel, met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan een onderzoek verlangen waaruit blijkt of aan dit artikel wordt voldaan.

Bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling bevat energiebesparende maatregelen die kunnen worden getroffen.

Dit artikel bevat overgangsrecht voor milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van paragraaf 22.3.2 van dit omgevingsplan vallen en waarvoor al op grond van het recht voor de Omgevingswet – in concreto artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer – door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht aan het bevoegd gezag is verstrekt of had moeten worden verstrekt.

Dit overgangsrecht heeft in de eerste plaats tot gevolg dat tot 1 december 2023 kan worden volstaan met het treffen van de energiebesparende maatregelen, bedoeld in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is inclusief de bijbehorende regels en bijlagen uit afdeling 2.5 van de Activiteitenregeling milieubeheer, zoals de lijst met erkende energiebesparende maatregelen, de rekenmethode voor de terugverdientijd en de rekenmethode voor de hoeveelheid aardgasequivalent. In artikel, lid, is in dat licht gedurende de periode, bedoeld in het  lid van het artikel, artikel op de betreffende milieubelastende activiteiten niet van toepassing verklaard.

Daarnaast volgt uit dit overgangsrecht dat als voor een onder het toepassingsbereik vallende milieubelastende activiteit die is gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht had moeten worden verstrekt, maar dat nog niet is gebeurd, tot 1 december 2023 nog steeds in overeenstemming met de daaraan in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde eisen aan de informatieplicht moet worden voldaan.

Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 als einddatum voor het overgangsrecht is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor in de toelichting bij artikel 22.51 genoemde voorziene regelgeving.

[Vervallen]

Motivering

1 Leeswijzer motivering

De komende jaren zal het omgevingsplan Winterswijk regelmatig gewijzigd worden. Dat gebeurt met zogeheten wijzigingsbesluiten, waarmee stukjes van het omgevingsplan Winterswijk zullen worden aangepast. Het tweede wijzigingsbesluit bevat de volgende wijzigingen:

  • a.

    aanpassing van de regeling voor kleinschalige landschapselementen: In het bestemmingsplan "Integrale herziening buitengebied Winterswijk", dat nu onderdeel is van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Winterswijk is een regeling opgenomen voor kleinschalige landschapselementen. In de praktijk blijkt de maximaal toegestane oppervlakte onvoldoende. In het ontwerp wijzigingsbesluit wordt deze maat daarom aangepast naar 5.000 m2 per landschapselement. Eerder lag hiervoor al een ontwerpbesluit (Wijziging omgevingsplan gemeente Winterswijk 2025-1) ter inzage. Dat ontwerp bevatte onderdelen die zowel door het college als door de gemeenteraad moeten worden vastgesteld. Later bleek dat dit juridisch en technisch niet mogelijk is. Daarom is dit ontwerpbesluit aangepast en wordt de aanpassing van de regels voor kleinschalige landschapselementen opgenomen in dit tweede wijzigingsbesluit.

  • b.

    opnemen van de Vangnetregeling Omgevingswet: de Vangnetregeling Omgevingswet is een regeling van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze regeling vult bestaande regels aan en herstelt fouten. Deze regeling wordt met dit tweede wijzigingsbesluit verwerkt in het omgevingsplan.

  • c.

    Bloemstraat 3-3a: Voor deze woningen wordt een omissie over de woningtypologie in het bestemmingsplan Kom Winterswijk 2011 hersteld. 

  • d.

    Opnemen spuitvrije zone omgeving Esinkweg 10-12: Aan de Esinkweg 10-12 is een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning. Bij het verlenen van de vergunning is als voorwaarde opgenomen dat in het omgevingsplan een zone wordt vastgelegd waar het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen verboden is. Aan die voorwaarde wordt in dit wijzigingsbesluit invulling gegeven.

In de bijlage is een uitgebreidere motivering opgenomen:  Motivering wijziging omgevingsplan Winterswijk 002.

I Overzicht Documentenbijlagen

Motivering wijziging omgevingsplan Winterswijk 002

/join/id/pubdata/gm0294/2026/273562ef31cc4fd6989a6836f1460606/nld@2026‑05‑27;10320345

Naar boven