Tweede wijziging van de Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen 2025

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,

 

gelezen het voorstel van 22 april 2026 van de concerndirecteur cluster Dienstverlening met kenmerk M2604-1756;

 

gelet op artikel 231, tweede lid, onderdeel a van de Gemeentewet en artikel 31 van de Invorderingswet 1990;

 

overwegende, dat het wenselijk is de Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen 2025 te wijzigen in verband met het verhogen van het bedrag waaronder invorderingsrente bij de enige of laatste betaling niet in rekening wordt gebracht;

 

besluit:

Artikel I  

Artikel 4, derde lid van de Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen 2025 komt te vervallen.

Artikel II  

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het gemeenteblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 17 februari 2026.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 9 juni 2026.

De secretaris,

G.J.D. Wigmans

De voorzitter,

T.B. Versnel, L.b.

Toelichting  

Het bedrag aan invorderingsrente dat bij de enige of laatste betaling vanuit doelmatigheidsoverwegingen niet in rekening wordt gebracht is verhoogd, van € 23 naar € 49. Dit bedrag wordt vanaf nu elke vijf jaar geïndexeerd.

 

Gelet op artikel 4, tweede lid van de Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen 2025 waarin is bepaald dat de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 van overeenkomstige toepassing is op de invordering van gemeentelijke belastingen is artikel 4, derde lid van de Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen 2025 een herhaling van wat er bepaald is in artikel 33, eerste lid van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Om deze reden is er gekozen om artikel 4, lid 3 te laten vervallen.

 

Dit gemeenteblad ligt ook ter inzage bij het Concern Informatiecentrum Rotterdam (CIC): 010-267 2514 of bir@rotterdam.nl

Naar boven