Gemeenteblad van Harderwijk
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Harderwijk | Gemeenteblad 2026, 260685 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Harderwijk | Gemeenteblad 2026, 260685 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Nadere regels vaste ligplaatsen historische schepen Harderwijk
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders d.d. 19 mei 2026
de heer M. Krijgsman
loco-secretaris
de heer J. Joon
burgemeester
Bijlage 1 Ruimtelijk kwaliteitsplan varende historische schepen Harderwijk, Plan voor gebruik en beheer van de havens voor varende historische schepen
Rapport in opdracht van de gemeente Harderwijk
Door Adviesbureau de ErfgoedWerf
1. Context Ruimtelijk kwaliteitsplan varende historische schepen Harderwijk
Het uitgangspunt van dit ruimtelijk kwaliteitsplan voor de invulling van de havens van Harderwijk met varende1 historische schepen is een goede omgevingskwaliteit. Het ontwikkelen van beleid voor maritiem erfgoed past in het streven naar een goede kwaliteit van de leefomgeving in Harderwijk.
De gemeente Harderwijk vindt dat historische schepen in de havens de aantrekkelijke uitstraling en het historisch karakter van Harderwijk versterken, zowel in als buiten het vaarseizoen. De gemeente heeft met dit ruimtelijk kwaliteitsplan criteria opgesteld voor historische schepen, passend bij de deels historische havens en passend bij de bebouwing rondom de havens waar deze schepen ligplaats kunnen innemen.
De gemeente Harderwijk is in 2012 gestart met de uitvoering van het plan Waterfront, een flink meerjarenplan voor stedelijke herontwikkeling van het havengebied. Op het oude industrieterrein Haven, dat de historische binnenstad had afgesneden van het water van het Veluwemeer en het Wolderwijd, worden in het Waterfront op zo’n 40 hectare 1900 woningen gebouwd. Daarnaast zijn een jachthaven, passantenhaven, stadsstrand, parkeergarages en winkel-, horeca- en vrijetijds-voorzieningen en een nieuw bedrijventerrein ontwikkeld. Met het Waterfront wordt de relatie tussen de stad en het water hersteld en ontstaat een aantrekkelijke woonstad, een toeristische trekpleister en een regionaal economisch centrum.
In het Waterfront hebben de oude industriële Vissershaven en Lelyhaven hun bedrijfsmatige functie verloren en zijn in het zuidelijk havengebied nieuwe havens gecreëerd voor andere functies. In deze havens is ruimte voor diverse soorten vaartuigen: recreatievaartuigen voor passanten en bewoners, charter- en passagiersschepen en historische schepen.
In het gebied in de zuidelijke havens van Harderwijk worden verschillende kades gereserveerd voor ligplaatsen voor historische schepen. Dit zijn in de Vissershaven de kade aan de Kleine Hellingkade, in de kom de kade aan de Havendam, aan de Scheepssingel, aan de Havendijk, aan de Vissershaven / Burgemeester de Meesterstraat en in de Lelyhaven aan de Ir. Lelykade en aan de Drees van Dordenkade. Deze havens hebben elk een eigen karakter, waarvoor ook per haven onderscheidende beeldkwaliteitscriteria voor historische schepen gewenst zijn.
1.3 Doel, doelstelling en ambitie
Het Ruimtelijk kwaliteitsplan varende historische schepen Harderwijk bevat een ruimtelijk en een scheepsbouwkundig kader vanuit een cultuurhistorische optiek. Het doel daarvan is de herkenbaarheid en beleefbaarheid van het zuidelijke havengebied in het gebied Waterfront te behouden en versterken.
De doelstelling van het ruimtelijk kwaliteitsplan is drieledig. Dit document:
Is de maatlat2 waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor een ligplaatsvergunning voor een historisch schip.
Beschrijft de richtlijnen3 voor de vormgeving van historische schepen in de havens van Harderwijk. Het uitgangspunt daarbij is behoud van de cultuurhistorische waarde.
Geeft criteria4 waarmee de adviescommissie Omgevingskwaliteit voor het onderdeel beeldkwaliteit de aanvragen voor historische schepen kan toetsen. Het uitgangspunt daarbij is dat de historische schepen passend zijn in de havens waar ligplaatsen voorzien zijn voor historische schepen en waarvoor onderscheidende ruimtelijke kwaliteitscriteria gelden.
De ambitie van de gemeente met dit Ruimtelijk kwaliteitsplan varende historische schepen Harderwijk is de waarden en kwaliteiten van de havens voor historische schepen in het zuidelijk havengebied veilig te stellen en ontwikkelingen die kunnen bijdragen aan de herkenbaarheid en beleefbaarheid van deze havengebieden mogelijk te maken. Dit document schetst de gewenste sfeer van de havens voor historische schepen, om daarmee de stakeholders te inspireren om bij te dragen aan een hoge omgevings- en beeldkwaliteit.
Het is belangrijk om draagvlak en erkenning te creëren voor de ruimtelijke kwaliteiten van de havens voor historische schepen in het zuidelijk havengebied en voor de scheepsbouwhistorische criteria voor de historische schepen die in dit gebied een ligplaats willen krijgen. Dat zijn behalve de gemeente bijvoorbeeld ook de eigenaren van de historische schepen en de omwonenden van de havens waar ligplaatsen voor historische schepen zijn aangewezen.
In de Erfgoedwet van 2016 en de Omgevingswet die in werking is getreden op 1 januari 2024 heeft het rijk de wettelijke kaders vastgelegd voor erfgoed en monumenten en de manier waarop daar in het ruimtelijk beleid mee omgegaan moet worden.
Nota bene - Deze wetten zijn nog van recente datum en er moet in de praktijk nog ervaring mee worden opgedaan, op basis waarvan ze nog worden geëvalueerd en mogelijk nog worden aangepast.
De Erfgoedwet onderscheidt twee soorten cultureel erfgoed met elk een eigen beschermingsregime: het regime voor monumenten en het regime voor cultuurgoederen. Beide regimes beschermen historische schepen in Nederland niet. De Erfgoedwet beperkt de aanwijzing van monumenten tot onroerende zaken en vaartuigen zijn roerende zaken. Cultuurgoederen, waar roerende zaken onder vallen, kunnen alleen beschermd worden tegen verkoop naar het buitenland, maar zijn in Nederland verder niet beschermd tegen aantasting, vernieling en sloop.
De rijksoverheid heeft in de Erfgoedwet van 2016 als definitie van monument opgenomen: ‘een onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed’. De rijksoverheid beschouwt vaartuigen als roerende zaken, waardoor de rijksoverheid deze niet kan aanwijzen als monument. Gemeenten kunnen door deze definitie in de Erfgoedwet op het idee komen dat ook zij geen vaartuigen kunnen aanwijzen als monument. Maar dat idee klopt niet; met een autonome verordening varend erfgoed kunnen gemeenten (en provincies) dit wel.
De Omgevingswet biedt ook mogelijkheden voor borging, omdat het naast gebouwen ook gaat over gebieden en over de maatschappelijke en verbindende waarde van erfgoed. De Omgevingswet gaat over het erfgoed in de fysieke leefomgeving.
Binnen de Omgevingswet kan maritiem erfgoed opgenomen worden in de provinciale en gemeentelijke omgevingsvisie, als onderlegger voor de borging daarvan in het gemeentelijke omgevingsplan. Roerend erfgoed zoals schepen en immaterieel erfgoed zoals maritieme ambachten kunnen, als dat aan een locatie verbonden is, opgenomen worden in de omgevingsvisie en het omgevingsplan, als zij behoren bij een maritieme locatie, zoals een historische haven, werf, scheepshelling en/of touwbaan. Hiermee wordt de cultuurhistorische waarde van een maritieme locatie geborgd in het ruimtelijke beleid.
Gemeenten geven in het omgevingsplan aan op welke wijze zij rekening houden met het belang van cultureel erfgoed. Dit gebeurt door inventariseren en analyseren van het erfgoed dat binnen de gemeente aanwezig is. Op basis daarvan neemt de gemeente een toereikend beschermingsregime in het omgevingsplan op.
Gemeenten moeten in het omgevingsplan zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, wat bereikt kan worden door:
Concrete mogelijkheden voor toepassing hiervan voor de bescherming en borging van maritiem erfgoed zijn:
Gemeenten (en provincies met een eigen erfgoedbeleid) kunnen traditionele vaartuigen aanwijzen als gemeentelijk (of provinciaal) varend monument, mits zij hiervoor een autonome verordening varend erfgoed waar ook roerend erfgoed in is opgenomen, opstellen.
B. Historisch maritiem ensemble
Binnen het omgevingsplan kan maritiem erfgoed geborgd worden als historisch maritiem ensemble, waarmee schepen, havens en maritieme bebouwing op de kades als samenhangende eenheid gezien worden.
C. Beschermd stads- of dorpsgezicht
Gemeenten kunnen, door historische schepen te beschrijven in de cultuurhistorische paragraaf van een conserverend omgevingsplan, deze opnemen als onderdeel van een beschermd stads- of dorpsgezicht.
Het Ruimtelijk kwaliteitsplan varende historische schepen Harderwijk sluit aan bij het vigerende gemeentelijke beleid voor de ruimtelijke ontwikkeling van Waterfront. Dit beleid is vastgelegd in o.a. de Welstandsnota Harderwijk uit 2017, aangevuld met het Beeldkwaliteitplan Waterfront fase 3 uit 2020 en het bestemmingsplan Waterfront-Zuid – Stadswerven en De Kades uit 2020, de Havenvisie Harderwijk uit 2016 en het Beleid historische schepen Harderwijk uit 2019. De Havenverordening Harderwijk uit 1994 is ingetrokken en is nu een hoofdstuk/paragraaf in de Verordening fysieke leefomgeving Harderwijk, evenals de Verordening historische schepen. Dit beleid wordt te zijner tijd onderdeel van het omgevingsplan Harderwijk.
3.1 Positie historische havens
Harderwijk is van oudsher onlosmakelijk met het water verbonden. In vroeger tijden vormden handel en visserij een belangrijke bron van inkomsten. Na de aanleg van de Afsluitdijk en de drooglegging van Flevoland ligt de stad aan het Wolderwijd en het Veluwemeer. Vanaf de tweede helft van de vorige eeuw werd de historische binnenstad geleidelijk van het water afgesneden door de toenemende druk van bedrijvigheid en recreatie en de hiermee samenhangende verkeers- en parkeerproblemen. Aan de binnenstad grensde het verouderde en vervuilde industrieterrein Haven. Om het tij te keren ontwikkelt gemeente Harderwijk, in nauwe samenwerking met andere partijen, het project Waterfront. Een veelomvattend project dat de stad volop toekomst biedt als toeristische trekpleister, als aantrekkelijke woonstad en als regionaal economisch centrum. Met het Waterfront wordt de relatie tussen de binnenstad en het water hersteld en ontstaat een nieuwe aantrekkelijke kustlijn die berekend is op de eisen van de moderne tijd, met respect voor de natuur en het historische karakter van Harderwijk.
Op de onderstaande afbeelding is verbeeld waar in de havens van Harderwijk ruimte is voor historische schepen.
Met het project Waterfront zijn ook nieuwe havens gecreëerd en hebben enkele oude industriële havens hun functie verloren. In deze (nieuwe) havens is nu ruimte ontstaan voor recreatievaartuigen voor passanten en bewoners, charter- en passagiersschepen en historische schepen. Dit ruimtelijk kwaliteitsplan heeft alleen betrekking op de historische schepen. Historische schepen in de havens van Harderwijk versterken de aantrekkelijke uitstraling en het historisch karakter van Harderwijk, niet alleen tijdens het vaarseizoen maar juist ook buiten het vaarseizoen, als de bezettingsgraad van de havens laag is.
Aan een deel van de kades in de Lelyhaven en in de Vissershaven, inclusief de kom van de Vissershaven, is ruimte gereserveerd voor historische schepen. De voorzieningen in deze havens zijn aanwezig of worden in de komende jaren aangelegd. De kades in deze havens zijn middels ophaalbruggen bereikbaar en dus geschikt voor grotere schepen eventueel met mast. De Lelyhaven, Vissershaven en kom van de Vissershaven hebben ieder hun eigen karakter, wat ook terugkomt in de aangrenzende woningbouwontwikkeling van het project Waterfront. Vandaar dat in dit ruimtelijk kwaliteitsplan voor deze kades onderscheidende ruimtelijke kwaliteitscriteria voor de daar te plaatsen historische schepen gelden. In de Strandhaven en de Waterstadshaven is eveneens ruimte voor historische schepen. Hier zijn echter nog geen voorzieningen en daar zijn ook nog geen middelen voor beschikbaar.
De kades in de havens die bedoeld zijn voor historische schepen liggen in een nieuw ontwikkelgebied met woningen, waar vroeger een watergebonden bedrijventerrein lag. De havens liggen tussen het historische stadscentrum en het Veluwemeer en Wolderwijd. Daarmee verbindt dit gebied de stadskern opnieuw met het water. De historische schepen die hier een ligplaats krijgen, kunnen desgewenst vrij eenvoudig de haven uitvaren en de Randmeren op varen.
Het nieuwe ontwikkelgebied Waterfront telt 1900 huizen. De havens met de historische schepen zullen beeldbepalend zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in dit nieuw te bebouwen gebied. De kades zijn toegankelijk voor voetgangers en krijgen daarmee een recreatieve functie. De historische schepen in deze havens kunnen zich daardoor goed presenteren aan het publiek. De betekenis van de havens in Waterfront is daarmee zowel historisch als toekomstgericht. Historische schepen vertellen het verhaal van de geschiedenis van voormalige overslag- en industriehavens en van de ontwikkeling van voormalige bedrijfshavens naar toekomstige woon- en verblijfsgebieden.
Dit Ruimtelijk kwaliteitsplan varende historische schepen Harderwijk sluit zoveel mogelijk aan op bestaande en in de beoordeling van ruimtelijke kwaliteit gangbare werkwijzen en toetsingsmethoden. Deze werkwijzen en methoden zijn met enige aanpassing goed toepasbaar op de beoordeling van de ruimtelijke kwaliteit van historische schepen in de context van het karakter van de havens.
De methode voor het waarderen van historische schepen is ontleend aan de standaard voor het waarderen van gebouwen, zoals die ontwikkeld is door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze methode is beschreven in de ‘Waarderingscriteria voor bouwkunst’, zie bijlage 6. Deze methode is licht aangepast aan de waardering van schepen en beschrijft de cultuurhistorische waarden, de ontwerp- en (scheeps)bouwwaarden, de situationele en ensemblewaarden, de gaafheid en herkenbaarheid, en de zeldzaamheid, zie bijlage 7. Deze waarderingsmethode is bekend bij adviescommissies ruimtelijke kwaliteit.
Voor het beoordelen van de vraag of een historisch vaartuig past binnen de ruimtelijke kwaliteit van de havens voor historische schepen in Harderwijk wordt ook gekeken naar de staat van onderhoud van het vaartuig en naar de vraag of dit vaartuig ook past binnen de specifieke karakteristiek van de havens met kades voor historische schepen.
4.2 Beoordeling in drie stappen
De beoordeling van de historische schepen, die een ligplaatsvergunning aanvragen als varend historisch schip in de havens van Harderwijk, verloopt in drie stappen. Elke stap wordt uitgevoerd door een andere partij:
Inschrijving in het Register Varend Erfgoed Nederland. De scheepseigenaar die de ligplaatsvergunning aanvraagt, verzorgt deze inschrijving en maakt hiertoe een objectbeschrijving en recente foto’s van haar of zijn historische schip. Indien nodig kan de scheepseigenaar hierbij hulp vragen aan een behoudsorganisatie voor historische schepen of tegen een vergoeding aan de onafhankelijke expert.
Beoordeling van de cultuurhistorische waarde en de staat van onderhoud. Een of meer door de gemeente hiertoe aangewezen onafhankelijke expert(s)5 voert/en op basis van de objectbeschrijving en de foto’s de beoordeling van de cultuurhistorische waarde en de staat van onderhoud uit en stelt op basis hiervan een scheepsbouwhistorisch adviesrapport op.
Beoordeling van de beeldkwaliteit passend bij de karakteristieken van de verschillende havens in Harderwijk. De door de gemeente hiertoe aangewezen adviescommissie Omgevingskwaliteit voert op basis van het scheepsbouwhistorisch adviesrapport en de foto’s de beoordeling van de beeldkwaliteit van het historisch schip uit voor een ligplaats in één van de havens, passend bij de karakteristieken van deze havens.
Ad 1. Inschrijving in het RVEN
Het Register Varend Erfgoed Nederland (RVEN) wordt bijgehouden door de Federatie Varend Erfgoed Nederland (FVEN). De FVEN is de koepel van behoudsorganisaties van historische schepen. De inschrijving in het RVEN verloopt via de inschrijving in het register van de behoudsorganisatie van het type schip. Deze inschrijving regelt de eigenaar van een historisch schip zelf.
De eerste stap voor de aanvraag van een ligplaatsvergunning voor een historisch schip ligt bij de scheepseigenaar. De scheepseigenaar is doorgaans op de hoogte van de technische specificaties en de voorgeschiedenis van haar of zijn schip. Vaak is de scheepseigenaar in het bezit van de documenten waarin deze gegevens zijn beschreven. De eigenaar wordt gevraagd om deze gegevens in te vullen in de objectbeschrijving, die als bijlage 7 is toegevoegd.
De scheepseigenaar levert de volgende informatie aan:
Communautair Binnenvaartcertificaat voor Binnenschepen (CBB) of Certificaat van Onderzoek voor de Rijn (CvO-R) aanwezig voor die schepen, waarvoor dit verplicht is6 . Dit veiligheidscertificaat is volgens de Binnenvaartwet verplicht onder andere voor varende historische schepen vanaf een bepaalde lengte of blokvolume; zonder een geldig veiligheidscertificaat mogen schepen die onder deze verplichting vallen niet zelfstandig varen. Een historisch schip is in het kader van het vigerende Beleid historische schepen Harderwijk een vaartuig dat bestemd is en gebruikt wordt om te varen en dat voldoet aan de in het Beleid historische schepen Harderwijk opgenomen toetsingskader.
Ad 2. Beoordeling cultuurhistorische waarde en staat van onderhoud
De tweede stap in het beoordelen van de aanvraag voor een ligplaats voor een historisch schip wordt gezet door de onafhankelijk expert. Deze wordt hiertoe door de gemeente aangewezen. De onafhankelijk expert bezit deskundigheid op het gebied van scheepsbouw, scheepsonderhoud en cultuurhistorie.
De expert controleert of de objectbeschrijving en de cultuurhistorische waardering correct en volledig is ingevuld en kan leiden tot een positief advies, of de overige documenten aanwezig en voldoende zijn, en beoordeelt de staat van onderhoud. De expert volgt de volgende stappen:
Communautair Binnenvaartcertificaat voor Binnenschepen (CBB) of Certificaat van Onderzoek voor de Rijn (CvO-R) aanwezig voor die schepen, waarvoor dit verplicht is7 . Zie nadere toelichting onder Ad 1.
Met behulp van de hier beschreven methode van beoordelen stelt de expert een scheepsbouwhistorisch adviesrapport op – zie hiervoor hoofdstuk 4.6. Dit adviesrapport bevat de volgende onderdelen:
Op basis van deze informatie beoordeelt de expert of het historische schip voldoende cultuurhistorische waarde heeft en voldoende onderhouden is om een positief advies te kunnen krijgen. In het geval dat dit niet zo is, beargumenteert de expert het negatieve advies.
Ad 3. Beoordeling beeldkwaliteit in relatie tot karakter havens
De derde stap in de beoordeling van een aanvraag voor een ligplaats voor een historisch schip wordt gezet door de adviescommissie Omgevingskwaliteit. De adviescommissie Omgevingskwaliteit bezit deskundigheid op het gebied van de beeldkwaliteit in samenhang met de havenomgeving en de openbare ruimte – zie hiervoor hoofdstuk 5 ‘Streefbeeld havens’.
De gemeente legt het scheepsbouwhistorisch adviesrapport voor aan de adviescommissie Omgevingskwaliteit en gebruikt het adviesrapport als achtergrondinformatie voor een ligplaatsvergunning voor een vaartuig in een historische haven in Harderwijk.
De adviescommissie Omgevingskwaliteit zal de beoordeling uitvoeren van de historische schepen, waarvoor op grond van de vigerende regelgeving en het Ruimtelijk kwaliteitsplan varende historische schepen Harderwijk een ligplaats voor een historisch schip wordt gevraagd. De adviescommissie Omgevingskwaliteit beoordeelt of het schip, waarvoor een ligplaats aan één van de kades voor historische schepen in de havens van Harderwijk wordt aangevraagd, voldoende beeldkwaliteit heeft conform hoofdstuk 5 om een ligplaatsvergunning te krijgen conform de uitgangspunten van het Ruimtelijk kwaliteitsplan varende historische schepen Harderwijk.
Bij deze beoordeling weegt de adviescommissie het scheepstype, de constructies, de gebruikte materialen en de huidige staat van onderhoud mee. Daarbij wordt gekeken naar de oorspronkelijke situatie (bouwstaat) en naar de veranderingen in de loop der tijd (de gebruiksfasen). Bij de beoordeling wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van ondersteunende documentatie.
De adviescommissie maakt een schriftelijke motivering waarin zij haar advies over de beeldkwaliteit van de aanvraag van een ligplaatsvergunning toelicht. Het advies bestaat uit:
Dit advies is gericht aan het college van burgemeester en wethouders.
Stroomschema Ruimtelijk kwaliteitsplan varende historische schepen Harderwijk
De behandelend ambtenaar adviseert het college van burgemeester en wethouders, op basis van de afgegeven adviezen en documenten, of de vergunning verleend of afgewezen moet worden. Het besluit over de toekenning dan wel afwijzing van de aanvraag voor een ligplaatsvergunning ligt bij het college van burgemeester en wethouders.
De algemene ruimtelijke criteria voor historische schepen zijn:
A. Schaal en maatverhoudingen – evenwicht en bescheidenheid
De romp en de opbouw hebben een evenwichtige verhouding. De opbouw blijft binnen de romp, heeft een bescheiden hoogte en breedte en laat het voor- en achterdek vrij. Ongewenst zijn overmatige onderdelen en opbouwen die over de romp heen gebouwd zijn. Bij historische schepen worden de oorspronkelijk bij het type horende schaal en maatverhoudingen gerespecteerd.
B. Relatie tussen vorm, gebruik en constructie – scheepse vorm
De vorm van het vaartuig volgt logisch uit het gebruik en de constructie. Een vaartuig heeft een vorm en constructie die terug te leiden is op de functie en het vaarwater waarvoor een vaartuig bedoeld is. Veranderingen aan schepen ten behoeve van wonen, passagiersvaart of ander niet-oorspronkelijk gebruik moeten op logische en samenhangende wijze worden ingepast. Onderdelen gebruikt voor de vaart, oorspronkelijke onderdelen en detaillering zijn behoudenswaardig.
C. Relatie tussen schip en omgeving – passend bij karakteristiek omliggende bebouwing
D. Betekenissen van vormen in sociaal-culturele context - zorgvuldige vormgeving en detaillering
De scheepsbouwkundige uitwerking en detaillering zijn zorgvuldig en evenwichtig. Historische schepen moeten zorgvuldig vormgegeven en gedetailleerd zijn. Ongewenst zijn grove vormen en een onzorgvuldige afwerking, bijvoorbeeld door de toepassing van opzichtige reclames voor de eigenaar zelf dan wel als reclamebord voor derden.
E. Evenwicht tussen helderheid en complexiteit – aantrekkelijk en niet simpel
F. Materiaal, textuur, kleur en licht – hoogwaardige materialen en terughoudende kleuren
4.4 Cultuurhistorische criteria
Historische schepen kennen een grote verscheidenheid aan typen en subtypen. In de loop van de tijd zijn veel schepen veranderd van functie, waarvoor ook vaak aanpassingen werden gedaan aan het schip. Schepen kunnen zijn verlengd of ingekort, voorzien van een motor, voorzien van daglicht in het scheepsruim bij herbestemming tot woonschip, uitgerust met relingen ten behoeve van de veiligheid van opvarenden en opgetuigd met wettelijk verplichte verlichting en communicatieapparatuur. Voor de instandhouding van de cultuurhistorische waarde van historische schepen blijft het van belang dat de oorspronkelijke schaal en maatverhoudingen van romp en opbouwen, de vorm van het schip en het gebruikte materiaal en kleuren de historische waarden herkenbaar laten blijven. Het is van belang om geen historische waarden verloren te laten gaan. Bij de toepassing van de criteria ligt de nadruk dan ook op zorgvuldigheid en ambachtelijke scheepsbouwkunde.
De scheepseigenaar stelt de objectbeschrijving op – zie Bijlage 7. Deze objectbeschrijving bevat de feitelijke informatie over het vaartuig. De objectbeschrijving geeft inzicht in de bouw, de inrichting en de uitrusting van het vaartuig. In de objectbeschrijving wordt ook duidelijk wat de staat van de bouw van het vaartuig was bij de bouw, bij eventuele verbouwingen tijdens de eerdere functies van het vaartuig en wat de huidige staat is op het moment van de beschrijving van het object, en wat de verschillen zijn tussen de bouwstaat en de huidige verschijningsvorm.
De scheepseigenaar beschikt doorgaans over de informatie die nodig is om de objectbeschrijving te kunnen invullen, dan wel zoekt deze informatie bijeen. Indien de scheepseigenaar dat niet kan of wil, kan deze de onafhankelijk expert tegen vergoeding verzoeken om de benodigde informatie (te helpen) op te zoeken.
4.5.2 Veranderingen tussen oorspronkelijke en huidige situatie
Veel vaartuigen zijn in de loop der tijd ten behoeve van de verschillende gebruiksfuncties aangepast. Zo kan een zeilend vrachtschip aanvankelijk gevaren hebben op windkracht, daarna voortgestuwd door een opduwer en na enige tijd voorzien zijn van een binnenboord verbrandingsmotor. Daarbij kan de mast en het mastdek zijn verwijderd, evenals de lieren en de zwaarden. Vaak is dan ook op het achterdek een stuurhuis gezet en het helmhout vervangen door een stuurinrichting met een stuurwiel. Bij veel vrachtschepen is in de loop der tijd de den opgehoogd of het schip verlengd om meer lading mee te kunnen nemen. Er zijn weinig schepen over die er nog uitzien als direct na de bouw.
Na de Tweede Wereldoorlog brak een periode van grote veranderingen aan in de scheepvaart en scheepsbouw. Veel schepen zijn in de oorlog verloren gegaan. Na de oorlog was de behoefte aan tonnage groot, omdat er voor de wederopbouw veel bouwmaterialen vervoerd moesten worden. Er waren dus veel nieuwe schepen nodig. Er brak een periode aan van enorme schaalvergroting en nieuwe scheepsbouwwijzen. Schepen werden veel groter en kleine schepen werden ingeruild, zeilschepen en stoomschepen werden vervangen door vrachtschepen met verbrandingsmotoren, schepen werden steeds minder geklonken en steeds meer gelast. Ook deed langzamerhand de serie- en sectiebouw zijn intrede.
Rond 1960-1970 is het grootste deel van de vloot die in de eerste helft van de vorige eeuw gebouwd is, gesloopt. Een klein deel is behouden gebleven, vooral door vaartuigen in te zetten als charterschip, woonschip of recreatievaartuig. Deze vaartuigen werden veelal aangepast voor deze nieuwe functies. Een deel van deze nieuwe scheepseigenaren wilde ook de cultuurhistorische waarde van deze schepen behouden. Zij deden dat door hun schip te conserveren, soms te restaureren waarbij zij versleten materialen vervingen, en soms door te reconstrueren, waarbij zij delen van de voormalige verbouwingen weghaalden en streefden naar een beeld van het schip zoals het er bij de bouw uitgezien heeft of uitgezien zou kunnen hebben. Deze drie vormen van behoud (conserveren, restaureren en reconstrueren) komen zowel bij varend als bij gebouwd erfgoed voor en alle drie hebben ze cultuurhistorische en (scheeps)bouwkundige waarde. Een vierde vorm van behoud is het bouwen van een replica. Daarmee wordt een object dat verloren is gegaan opnieuw gebouwd, zo mogelijk zeer exact gedocumenteerd en met de oorspronkelijke bouwmaterialen en bouwwijzen. Met een replica kan het beeld gevisualiseerd worden van een verloren gegaan vaartuig en kunnen ook de bouwwijzen en de ambachten toegepast en bewaard worden.
De documentatie van historische schepen is van belang voor het analyseren en beoordelen van de scheepsbouwhistorische en de cultuurhistorische waarde. Er bestaan handleidingen8 die behulpzaam kunnen zijn bij het opzoeken van deze documentatie.
Van veel scheepswerven zijn de archieven bewaard gebleven. In de loop der tijd zijn deze archieven vaak overgebracht naar de maritieme musea.
Het Scheepskadaster bewaart de gegevens over de inschrijvingen, de brandmerken, eventuele doorhalingen, de meetbrieven en de eigenaarsgegevens.
Brandmerken zijn ingeslagen in de huid van het vaartuig en zijn doorgaans bewaard gebleven, al is het soms goed zoeken onder diverse lagen verf. Zo’n brandmerk is niet altijd makkelijk te ontcijferen. Ook het ontcijferen en interpreteren van de meetbrief is niet altijd gemakkelijk. Er zijn handige boekjes die hierbij kunnen helpen. In de Bijlagen zijn hiervan de titels opgenomen, evenals een aantal links naar archieven en bronnen.
Het verdient aanbeveling om de documentatie over de bouw en geschiedenis van historische vaartuigen, over eerdere verbouwingen en over de techniek aan boord goed te bewaren, helder te ordenen en goed te registreren. In een archief kan de volgende documentatie aanwezig zijn:
4.6 Scheepsbouwhistorische waardering
De onafhankelijke expert stelt de scheepsbouwhistorische waardering op.
Onder een ‘schip’ wordt verstaan: een boot die herkenbaar is als een (van origine/authentiek) varend schip en daarbij behorende kenmerken. Een schip heeft in de regel een gezeegde romp met verhoogde stevens, stroomlijn en symmetrie. Al naar gelang het type is een schip voorzien van kenmerken zoals een voordek, achterdek, stuurhut, roer, gangboord, een luikenkap, mast en zwaarden.
Onder ‘historische schepen’ wordt verstaan: vaartuigen die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.
De scheepsbouwhistorische waardering van historische vaartuigen volgt in grote lijnen de standaard die de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft ontwikkeld voor het waarderen van bouwkunst, ‘Waarderingscriteria voor bouwkunst’9 genoemd . Deze waardering is gebaseerd op vijf hoofdcriteria die zijn onderverdeeld in sub-criteria. De hoofdcriteria zijn:
De scheepsbouwhistorische waardering van historische schepen volgt deze standaard10 en gaat achtereenvolgens in op de cultuurhistorische waarden, de ontwerp- en scheepsbouwwaarden, de situationele en ensemblewaarden, de gaafheid en herkenbaarheid, en de zeldzaamheid.
De vakgebieden (scheeps)bouw en geschiedenis vormen de basis van de waardering van het varende en het gebouwde erfgoed; dit is beschreven in de objectbeschrijving. Daarnaast spelen de geestelijke, geografische, sociaaleconomische, bestuurlijke en technische ontwikkelingen een rol in de waardering, naast gaafheid en zeldzaamheid. Ieder historisch schip heeft een eigen palet van waarden.
De vijf criteria hoeven niet allemaal tegelijkertijd van toepassing te zijn om een schip te kunnen beoordelen als een historisch schip. Historische schepen zijn doorgaans unica, gebouwd volgens de wensen van de opdrachtgever en de eigen interpretatie van de scheepsbouwer.
In elk geval moet een historisch schip voldoen aan de volgende criteria:
Het schip is meer dan 50 jaar geleden gebouwd11, en moet
4.6.2 Cultuurhistorische waarden
In de maatschappelijke betekenis van een schip zit de cultuurhistorische waarde besloten. Vaak is een schip verbonden aan de geschiedenis van een persoon, een familie of een bedrijf, soms zelfs van verschillende na elkaar. Historische schepen hebben altijd een functie gehad, die gerelateerd is aan maatschappelijke en sociaaleconomische ontwikkelingen. De cultuurhistorische betekenis kan daarnaast ook in bredere zin gerelateerd worden, bijvoorbeeld aan de vrachtvaart op de grote rivieren, of de visvangst op de Zuiderzee.
4.6.2.1 Belang van het schip als bijzondere uitdrukking van een culturele, sociaaleconomische, bestuurlijke, beleidsmatige en/of geestelijke ontwikkeling;
4.6.2.2 Belang van het schip als bijzondere uitdrukking van een geografische, waterstaatkundige en/of historisch-ruimtelijke ontwikkeling;
4.6.2.3 Belang van het schip als bijzondere uitdrukking van een technische en/of typologische ontwikkeling;
4.6.2.4 Belang van het schip wegens innovatieve waarde of pionierskarakter;
4.6.2.5 Belang van het schip wegens bijzondere herinneringswaarde.
4.6.3 Ontwerp- en scheepsbouwwaarden
Behalve een neutrale vaststelling van het doel waarvoor en de werf waar een schip ooit gebouwd is, is van belang welke functies een schip in de loop van de tijd gehad heeft. Dat verklaart welke wijzigingen zijn aangebracht aan het exterieur, het interieur of de techniek van een schip. Wetenschappelijke of vaktechnische betekenis betreft de waarde die het schip heeft als bron van informatie, als ‘archiefstuk’. Daarbij is ook van belang welke ontwikkelingen in technieken te zien zijn, zoals klinken of lassen.
4.6.3.1 Belang van het schip voor de geschiedenis van het scheepsontwerp, de scheepsbouwtechniek of de constructiewijze;
4.6.3.2 Belang van het schip voor het werk van een scheepsontwerper, scheepsbouwer of scheepswerf;
4.6.3.3 Belang van het schip wegens de hoogwaardige esthetische kwaliteiten van het ontwerp;
4.6.3.4 Belang van het schip wegens het bijzondere materiaalgebruik, de ornamentiek en/of de monumentale detaillering;
4.6.3.5 Belang van het schip wegens de bijzondere samenhang tussen exterieur en interieur(onderdelen).
4.6.4 Situationele en ensemblewaarden
Bij schepen kan er sprake zijn van een infrastructureel ensemble, waarbij er een relatie bestaat tussen het schip en zijn omgeving, zoals een werf, een bedrijf, een haven of een vaargebied.
4.6.4.1 Betekenis van het schip als essentieel (cultuurhistorisch, functioneel en/of scheepsbouwhistorisch en visueel) onderdeel van een complex;
4.6.4.2 Bijzondere, beeldbepalende betekenis van het schip voor het aanzien van zijn omgeving, wijk, stad of streek;
4.6.4.3 Bijzondere betekenis van het schip wegens de hoogwaardige kwaliteit van het vaartuig in relatie tot de onderlinge historisch-ruimtelijke context en in relatie tot de daarbij behorende omgevingskenmerken, ruimtelijke inrichting, voorzieningen, wateren, wegen, waterstaatkundige werken en/of archeologie.
4.6.5 Gaafheid en herkenbaarheid
De situatie waarin een schip in stand gehouden is, bepaalt mede de historische waarde: Is het schip nog origineel zoals het ooit is gebouwd, is het goed geconserveerd, is het gerestaureerd of is het gereconstrueerd? Is zichtbaar welke veranderingen in de loop der tijd zijn aangebracht omwille van de verschillende functies die een schip heeft gehad? Is het schip op dit moment nog operationeel, dus in werkende staat?
4.6.5.1 Belang van het schip wegens de scheepsbouwkundige gaafheid en/of herkenbaarheid van exterieur en/of interieur;
4.6.5.2 Belang van het schip wegens de materiële, technische en/of constructieve gaafheid;
4.6.5.3 Belang van het schip als een nog goed herkenbare uitdrukking van de oorspronkelijke of een belangrijke historische functie;
4.6.5.4 Belang van het schip wegens de waardevolle accumulatie van belangwekkende historische scheepsbouw- en/of gebruiksfasen;
4.6.5.5 Belang van het schip wegens de gaafheid en herkenbaarheid van het gehele ensemble van de samenstellende onderdelen;
4.6.5.6 Belang van het schip in relatie tot de structurele en/of visuele gaafheid van de stedelijke, dorpse, landschappelijke of waterstaatkundige omgeving.
Een schip kan het enige of één van de weinige schepen van een bepaald type zijn dat nog bewaard gebleven is. Een schip kan zo oud of uniek zijn, dat er geen of nauwelijks informatie over terug te vinden is. Dit kunnen argumenten zijn om een schip van waarde te vinden, zelfs als het aan bepaalde criteria niet kan voldoen.
4.6.6.1 Belang van het schip wegens absolute zeldzaamheid in ontwerp-historisch, scheepsbouwkundig, typologisch of functioneel opzicht;
4.6.6.2 Uitzonderlijk belang van het schip wegens relatieve zeldzaamheid in relatie tot één of meer van de onder 3.1 t/m 3.3 genoemde kwaliteiten.
Historische schepen zijn doorgaans verzekerd bij een scheepsverzekeraar tegen pech, diefstal en aanvaringsschade. Vaak zit daar ook een ongevallendekking en een inboedelverzekering bij. De gemeente Harderwijk stelt een scheepsverzekering verplicht als voorwaarde voor een ligplaatsvergunning.
De veiligheid van grotere schepen is wettelijk geregeld door middel van een periodieke veiligheidskeuring, waarbij de deugdelijkheid van het vlak en casco, de machinekamer, de verlichting en de veiligheidsmiddelen worden gecontroleerd. Sinds 1 januari 2019 moeten schepen van 20 meter of langer of een blokvolume van meer dan 100 m3 in het bezit zijn van een CvO-R (Certificaat van Onderzoek voor de Rijn) of CBB (Communautair Binnenvaart Certificaat). Deze verplichting volgt uit de Europese Richtlijn ES-TRIN. Deze verplichting geldt behalve voor pleziervaartuigen ook voor sleepboten, duwboten en sleepduwboten, passagiersschepen voor meer dan 12 personen, veerponten voor meer dan 12 personen, drijvende werktuigen en binnenvaartschepen. Als een CvO-R of CBB verlopen is, kan een historisch vaartuig alleen nog een veiligheidscertificaat krijgen als het gekeurd wordt volgens nieuwbouwcriteria; wat in veel gevallen niet mogelijk is. In bijzondere gevallen, bijvoorbeeld bij het verlopen van een CvO-R of CBB of bij een herbestemming van een historisch schip naar een andere functie, kan een beroep gedaan worden voor een aangepaste keuring via een beoordeling van de historische waarde door de Stichting Adviesorgaan Traditionele Vaartuigen.
De gemeente Harderwijk stelt een geldig CvO-R of CBB verplicht als voorwaarde voor een ligplaatsvergunning.
Als voorwaarde voor een ligplaatsvergunning geldt tevens een voldoende staat van onderhoud. Daarbij wordt gekeken naar de volgende aspecten:
Het materiaal van schepen, zoals metaal, hout en zeildoek staan bloot aan water, weer en wind en vragen om regelmatig onderhoud. Gebruikssporen en enige mate van verwering zijn niet te voorkomen en horen bij het behouden en benutten van historische schepen, maar deze worden door de eigenaar gecontroleerd en zo nodig aangepakt.
5. Ruimtelijke kwaliteit en streefbeeld havens
De beoordeling van de ruimtelijke kwaliteit van een historisch schip in relatie tot het streefbeeld van de havens voor historische schepen wordt gedaan door de Commissie Omgevingskwaliteit van het Gelders Genootschap.
De schaal van de havens met kades voor historische schepen, de breedte en lengte van het vaarwater, de breedte van de bruggen en het volume van de omringende bebouwing is verschillend. Dat maakt dat de twee havens een geheel eigen sfeer kunnen krijgen, waarbij ook verschillende scheepstypen passen.
De ruimtelijke kwaliteit van historische schepen in combinatie met havens en de havenarchitectuur is gericht op het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit en het voorkomen van aantasting van de karakteristieke kenmerken van de historische schepen. Daarbij is het van belang te onderscheiden welk type schip welke kenmerken en kenmerkende onderdelen heeft. Daarom is in bijlage 8 een beschrijving bijgevoegd van de meest voorkomende typen schepen met onderscheid in binnenvaartschepen, vissersschepen en zeeschepen. In bijlage 9 is een beschrijving opgenomen van gebruikelijke scheepsonderdelen.
Veel scheepstypen zijn oorspronkelijk gebouwd met specifieke maten voor een bepaalde regio of voor bepaalde trajecten. Andere schepen zijn gebouwd om overal te varen waar er maar lading vervoerd moest worden. Daardoor zijn veel scheepstypen door heel Nederland te vinden, ook scheepstypen met een regionale naam, zoals de Friese maatkast, de Vollenhovense bol, de Hasselteraak en de Hagenaar.
5.2 Vissershaven – het gele liggebied
De Vissershaven ligt tussen de historische binnenstad en de buurt Stadswerven van het Waterfront. Stadswerven sluit qua sfeer en stedenbouwkundige opzet het meest aan bij de binnenstad. Langs de Vissershaven komen in het gebied Stadswerven ‘historische’ stadswoningen van twee bouwlagen met een kap. Aan de Vissershaven is ook recentelijk het nieuwe havenkantoor gebouwd. In de Vissershaven aan de Stadswerven-zijde is ruimte voor historische schepen. Deze historische schepen dienen qua uitstraling aan te sluiten bij het historische karakter van de omliggende bebouwing.
In de Vissershaven is circa 150 m¹ kadelengte beschikbaar. De maximale lengte van de in deze haven in te nemen ligplaatsen voor historische schepen bedraagt 25 meter. De maximale breedte van de hier aan te leggen schepen is bepaald door de Waterfrontbrug. Deze brug heeft een doorvaartbreedte van 7 meter.
Het streefbeeld voor de historische schepen die hier ligplaats in kunnen nemen, wordt gekenmerkt door diversiteit in functies en variatie in scheepstypen. Naast historische schepen die gebruikt worden voor recreatie en/of bewoning is hier ook ruimte voor maximaal 2 schepen met een publieke en/of bedrijfsfunctie, zoals een pannenkoekschip of een galerieschip. Er kunnen bij voorkeur zeilschepen, gemotoriseerde zeilschepen en incidenteel motorschepen ligplaats krijgen, waarvan de vormgeving refereert aan schepen van 1900 tot 1940, passend bij de maat en schaalverhoudingen en de bouwstijl en detaillering van de binnenstad en de ‘historische’ stadswoningen aan de Stadswerven. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een tjalk, skûtsje, kleine klipper, kleine luxe motor, grote botter, kotter, aak of steilsteven. Dit kunnen stalen, maar ook houten schepen zijn.
In de Vissershaven kunnen ook enkele opduwertjes liggen. Een opduwer of opdrukker is een klein duw- en sleepbootje. Deze opduwertjes werden in de eerste helft van de twintigste eeuw gebruikt als bijboot van tjalken en klippers, en worden daarom ook als historische schepen aangemerkt. Gezien hun afmeting, lengte 3 à 4 meter, en hun voormalige functie passen deze schepen goed in de Vissershaven. De opduwers kunnen assisteren bij het manoeuvreren van de grotere historische schepen in deze haven. Grotere sleepboten krijgen bij voorkeur een ligplaats in de Lelyhaven.
Criteria schepen in de Vissershaven 12
5.3 Kom Vissershaven – het blauwe liggebied
De kom van de Vissershaven ligt tussen de historische binnenstad, de Burgemeester de Meesterstraat en het historisch Havenkwartier, bestaande uit de Vischafslag met Botterloods, Molen de Hoop en Scheepshelling Veluvia met smederij. In de kom van de Vissershaven is ruimte voor historische schepen. Deze dienen qua uitstraling aan te sluiten bij het historisch karakter van de omliggende bebouwing, met name in het historische Havenkwartier.
Karakteristiek voor de havens van Harderwijk is de bruine vloot13 . De bruine vloot van Harderwijk bestaat uit zeilende voormalige vracht- en vissersschepen, die tegenwoordig veelal ingezet worden als recreatievaartuig of passagiers-/rondvaartschip. De bruine vloot van Harderwijk bestaat voor een groot deel uit botters. Botters, een scheepstype dat is ontstaan in de 2e helft van de 18e eeuw, zijn al ruim 1½ eeuw beeldbepalend voor de havens van Harderwijk en andere Zuiderzeehavens. Maar de bruine vloot van Harderwijk bestond ook uit andere schepen zoals de Wieringeraak, Vollenhoofse bol en een tweetal unieke schepen: een pluunter (een tussenvorm van een pluut en een punter) en het enige ooit in Harderwijk van ijzer gebouwde visserijschip. Anno 2024 bestaat de bruine vloot uit ongeveer 12 schepen. De bruine vloot is een unieke verzameling schepen die onderdeel zijn van het nautisch verleden van Harderwijk en andere Zuiderzeehavens. De combinatie van de ligplaatsen met de scheepswerf, visafslag, botterloods en molen, leveren in dit deel van de haven een belangrijke bijdrage aan een historisch en sfeervol beeld. Deze schepen hebben Harderwijk als thuishaven, in de kom van de Vissershaven heeft de bruine vloot vaste ligplaatsen. De kom van de Vissershaven is een logische locatie vanwege de combinatie met de eerdergenoemde voorzieningen.
In de kom van de Vissershaven is circa 200 m¹ kadelengte beschikbaar. De maximale lengte van de in deze haven ligplaatsen in te nemen door historische schepen bedraagt 18 meter. De maximale breedte van de aan te leggen schepen is bepaald door de Vissersbrug. Deze brug heeft een doorvaartbreedte van 5 meter.
Het uitgangspunt voor de kom is:
Het streefbeeld voor de historische schepen die hier ligplaats in kunnen nemen, wordt gekenmerkt door historische (voormalige) vissersschepen, de zogenoemde ‘Bruine Vloot’, en door een klein aantal historische (bedrijfs)vaartuigen van maximaal 18 meter lengte die gebruikt worden voor rondvaarten. Bij de schepen van de ‘Bruine Vloot’ kan bijvoorbeeld gedacht worden aan scheepstypen als een botter, aak, bol, pluut, punter, jol, kubboot, schokker of schouw. Dit zijn in de regel houten schepen. Incidenteel is ook staal denkbaar.
Criteria schepen in kom Vissershaven 14
5.4 Lelyhaven – het groene liggebied
De Lelyhaven ligt tussen de buurt de Stadswerven en de buurt De Kades. De Kades krijgt meer een industrieel en grootstedelijk karakter. De maat en schaal van de gebouwen en bouwblokken is hier groter dan in het gebied ‘Stadswerven’. In het gebied De Kades wordt een woonmilieu gecreëerd rond verschillende watergangen. Deze watergangen zijn onderling met elkaar verbonden en bevaarbaar voor kleine bootjes. Het gebied is in de architectuur minder historisch van opzet dan het gebied Stadswerven. De gebouwen zijn hier kloeker en refereren meer aan de grotere maat van het water. Pakhuizen en industriële havengebouwen vormen hier een inspiratie voor de architectuur. Deze historische schepen in de Lelyhaven dienen qua uitstraling aan te sluiten bij het industriële karakter van de bebouwing in De Kades.
In de Lelyhaven is circa 285 m¹ kadelengte beschikbaar. Deze kadelengte is opgedeeld in 3 delen van elk 77 meter lengte aan de hele noordoostzijde van de haven en 60 meter aan de noordwestzijde. De maximale breedte en lengte van de schepen en de manoeuvreerruimte die hier een ligplaats kunnen innemen, is bepaald door de Flevobrug en de Lelybrug.
Aan het einde van de Lelyhaven is geen zwaaikom; de schepen die hier ligplaats innemen, moeten achteruit de haven invaren, waarbij de hulp van een opduwer of sleepboot zo nodig ingezet kan worden. Een koproer of kopschroef kan dan behulpzaam zijn. Aan de overzijde van de Lelyhaven zijn ligplaatsen in boxen voorzien voor kleine recreatievaartuigen. De historische schepen moeten in de Lelyhaven voorzichtig manoeuvreren. Deze bruggen hebben een doorvaartbreedte van 6 meter. Vanwege de knik in het vaarwater voor de brug is 28 meter de maximale scheepslengte15 .
De Lelyhaven wordt aan beide zijden bebouwd met woningen. Vanwege de gewenste rust en de beperkte manoeuvreerruimte is er in de Lelyhaven geen ligplaats voor historische passagiersvaartuigen en voor historische vaartuigen die nog als bedrijfsvaartuig gebruikt worden.
Het streefbeeld voor de historische schepen die hier ligplaats in kunnen nemen, wordt gekenmerkt door een wat robuustere vormgeving, die past bij de iets jongere historische schepen, zoals een motorvrachtschip, sleepboot, dienstvaartuig of reddingsboot en incidenteel een gemotoriseerd zeilschip. Dit zijn in de regel stalen schepen.
In de Lelyhaven kunnen ook enkele opduwertjes liggen. Een opduwer of opdrukker is een klein duw- en sleepbootje. Deze opduwertjes werden in de eerste helft van de twintigste eeuw gebruikt als bijboot van tjalken en klippers, en worden daarom ook als historische schepen aangemerkt. Gezien hun afmeting, lengte 3 à 4 meter, en hun voormalige functie passen deze schepen goed in de Lelyhaven. De opduwers kunnen assisteren bij het manoeuvreren van de grotere historische schepen in deze haven. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een sleepboot, beurtschip en spits.
Criteria schepen in Lelyhaven 16
Bijlage 1. Register Varend Erfgoed Nederland
Het Register Varend Erfgoed Nederland (RVEN) is een onafhankelijk register dat wordt bijgehouden door de Federatie Varend Erfgoed Nederland (FVEN) en beheerd door de Register Commissie - register@fven.nl. Alle schepen, die aan de toelatingscriteria voldoen, kunnen in het register worden ingeschreven. Na registratie krijgt de scheepseigenaar een RVEN-pas met een registratienummer.
De gebruikelijke weg om een historisch schip in het RVEN op te nemen, is een aanmelding bij een behoudsorganisatie die is aangesloten bij de FVEN. Deze behoudsorganisatie regelt ook de verlengingen van de inschrijving en eventuele wijzigingen in de scheepsgegevens en het plaatsen van foto’s.
De volgende behoudsorganisaties zijn aangesloten bij de FVEN en hebben hun registers aangesloten bij het RVEN:
Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten SSRP
Landelijke Vereniging tot Behoud van het Historisch Bedrijfsvaartuig LVBHB
Vereniging Klassieke Scherpe Jachten VKSJ
Stichting tot Behoud van Authentieke Stoomvaartuigen en Motorsleepboten BASM
Vereniging van Booteigenaren “Oude Glorie” VBOG
Vereniging De Motorsleepboot VDMS
Vereniging tot behoud van de Zalmschouw VBZ
Nederlandse Vereniging tot Behoud van Zeilwherries “Het Zeilend Scheehout” NVBZ
Nautische Vereniging Oude Reddings Glorie NVORG
Stichting Langedijk Waterrijk SLW
Zuiderzeemuseum, Enkhuizen (collectie)
Het Scheepvaartmuseum, Amsterdam (collectie)
Bijlage 2. Verplichte veiligheidscertificaten
Vanaf 1 januari 2019 moeten veel binnenschepen voor het varen op Europese wateren een geldig certificaat van onderzoek hebben. Deze verplichting staat in de Binnenvaartwet hoofdstuk 3, paragraaf 1. Aanvragen voor een certificaat kunnen worden ingediend bij klassenbureaus en keuringsinstanties.
De certificaatplicht geldt voor de volgende typen schepen:
Certificaten hebben een beperkte geldigheid en moeten, afhankelijk van het type schip en type certificaat, iedere tweeënhalf, vijf of zeven jaar verlengd worden. Er zijn verschillende soorten binnenschipcertificaten:
De standaardeisen waaraan een certificaat-plichtig binnenschip moet voldoen, zijn in Europees verband vastgesteld in de ES-TRIN, de ‘Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen’. Hierin zijn de bouw, de inrichting en de uitrusting van binnenschepen uitgewerkt. Deze technische eisen staan voor Nederland beschreven in de Binnenvaartregeling hoofdstuk 3.
De ES-TRIN bevat in hoofdstuk 24 een hoofdstuk ‘Bijzondere bepalingen voor traditionele vaartuigen’. Deze bijzondere bepalingen bieden een opening om, indien een vaartuig door zijn aard niet aan de standaardvoorschriften kan voldoen én de moeite van het behouden waard is, afwijkende of bijkomende bepalingen vast te stellen die een gelijkwaardige veiligheid waarborgen. Een voorwaarde om van dit hoofdstuk gebruik te maken is dat een ‘erkend deskundige’ heeft geadviseerd dat vaartuig te erkennen als ‘traditioneel vaartuig’. Als erkend deskundige heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de Stichting Adviesorgaan Traditionele Vaartuigen aangewezen. Als een eigenaar haar of zijn vaartuig wil laten erkennen als ‘traditioneel vaartuig’, moet zij of hij onderzoek doen en verschillende documenten opstellen. Meer informatie hierover is te lezen via de volgende link:
https://adviesorgaan-traditionele-vaartuigen.nl/certificering-op-hoofdlijnen/
Een meetbrief is een certificaat waarin de hoofdafmetingen van een schip vermeld staan. Voor vrachtschepen staat ook de tonnenmaat vermeld. Op het Nederlandse binnenwater moet een binnenschip dat te boek gesteld is, voorzien zijn van een meetbrief. Voor Nederlandse schepen werd deze tot 2012 afgegeven door de ScheepsMetingsDienst en na die tijd door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De meetbrief geeft aan wat de waterverplaatsing en de inzinking van een schip is, waarmee de diepgang wordt bepaald.
Een meetbrief vervalt wanneer een binnenschip een verbouwing ondergaat of van bestemming en functie verandert. Veel voormalige binnenschepen hebben nog wel een vervallen meetbrief aan boord, waaruit veel scheepsgegevens afgelezen kunnen worden.
Een geldige meetbrief is alleen verplicht voor beroepsvaartuigen die geregistreerd moeten zijn bij het Kadaster. Voor voormalig beroepsvaartuigen en pleziervaartuigen is een meetbrief niet verplicht.
Zie voor een voorbeeld de meetbrief van de Friese tjalk Harmonie:
https://www.debinnenvaart.nl/binnenvaarttaal/index.php?afbeeldingen2=meetbrief_harmonie
Bijlage 4. Documentatie en archivering
Scheepseigenaren hebben vaak al de nodige documentatie over hun historische schip verzameld. Deze documentatie is niet alleen bruikbaar om een objectbeschrijving te kunnen opstellen, maar ook een waardevolle bron voor het beoordelen van de cultuurhistorische waarde. De documentatie is daarmee ook onderdeel van de cultuurhistorische waarde van een historisch schip en het is van belang om deze documenten goed te archiveren.
Naast de scheepsbouwhistorische en technische gegevens is het ook van belang om de veranderingen die zijn toegepast aan het schip en de functie daarvan vast te leggen. Deze hangen vaak samen met de sociale en functionele historie van het schip. De scheepseigenaar kan zich daarbij een aantal vragen stellen, zoals: waarvoor is het schip gebouwd, voor welke functie, hoe lang heeft het deze functie gehad, wanneer en waarom hebben er functieveranderingen plaatsgevonden en wie waren toen de eigenaren van het schip? Wat is de naam van het schip nu en wat waren de eerdere namen en welke betekenis hadden die? Zijn er nog bepaalde typische kenmerken zichtbaar aan het schip van een eerdere functie of gebeurtenis? Waar heeft het schip vooral gevaren en gelegen? Heeft het schip bijzondere situaties meegemaakt, bijvoorbeeld tijdens de Tweede Wereldoorlog of de Watersnoodramp? Welke relatie heeft het schip met Harderwijk?
Er staan een scheepseigenaar diverse boeken, websites en archieven ter beschikking, die behulpzaam kunnen zijn om een scheepsbiografie – een levensbeschrijving – te maken van het eigen historische schip. Hieronder zijn een aantal vindplaatsen opgenoemd:
Historisch Kenniscentrum Harderwijk – Samenwerkingsverband tussen de Historische Vereniging Herderewich, Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe met beeldbank Harderwijk, Stadsmuseum Harderwijk – https://www.hkharderwijk.nl/
Maritiem digitaal NL – De gezamenlijke database van een aantal maritieme musea met informatie over voorwerpen en literatuur - https://www.maritiemdigitaal.nl/
Maritiem Portal – Informatie over de maritieme geschiedenis van Nederland in een internationale context en heden, verleden en toekomst - https://maritiemportal.nl/
Visserijregister – De gegevens van vissersschepen werden vanaf 1911 vastgelegd en worden bewaard bij het Nationaal Archief in Den Haag. De gegevens zijn online in te zien - https://www.zuiderzeecollectie.nl/zoeken?qs=visserijregister
Delpher – In deze database zijn ruim 130.000.000 pagina’s uit Nederlandse kranten, boeken en tijdschriften te lezen en via trefwoorden te doorzoeken, waaronder scheepsberichten en tewaterlatingen - https://www.google.com/search?client=firefox-b-d&q=delpher
Historische vereniging Herderewich – behoudt de kennis van de geschiedenis van Harderwijk - http://www.herderewich.nl/herderewich_organisaties.html
Hanzestad Harderwijk – toeristische informatie over de geschiedenis en het heden van Harderwijk, waaronder rondwandelingen met stadsgidsen langs de havens - https://www.heerlijkharderwijk.nl/
Bijlage 5. Waarderingscriteria voor bouwkunst
De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft een standaard ontwikkeld voor het waarderen van bouwkunst. Daarmee kunnen de monumentale waarden van een gebouw helder en eenduidig vastgesteld worden. De waardering speelt een leidende rol bij het aanwijzen van een gebouw als monument én bij het wijzigen van het beschermde gebouw.
De waardering is gebaseerd op vijf hoofdcriteria die zijn onderverdeeld in subcriteria. De vakgebieden kunst en geschiedenis vormen de basis van de waardering van het gebouwde erfgoed. Maar daarnaast spelen ook geestelijke, geografische, sociaaleconomische, bestuurlijke en technische ontwikkelingen een rol in de waardering, naast gaafheid en zeldzaamheid. Ieder monument heeft een eigen palet van waarden.
II. Architectuur- en kunsthistorische waarden
III. Situationele en ensemblewaarden
betekenis van het object als essentieel (cultuurhistorisch, functioneel en/of architectuurhistorisch en visueel) onderdeel van een complex; a. bijzondere, beeldbepalende betekenis van het object voor het aanzien van zijn omgeving; b. bijzondere betekenis van het complex voor het aanzien van zijn omgeving, wijk, stad of streek;
a. bijzondere betekenis van het complex wegens de hoogwaardige kwaliteit van de bebouwing in relatie tot de onderlinge historisch-ruimtelijke context en in relatie tot de daarbij behorende groenvoorzieningen, wegen, wateren, bodemgesteldheid en/of archeologie; b. bijzondere betekenis van het object wegens de wijze van verkaveling/inrichting/voorzieningen.
IV. Gaafheid en herkenbaarheid
Bijlage 6. Waarderingscriteria voor scheepsbouwkunst
De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft een standaard ontwikkeld voor het waarderen van bouwkunst. Deze standaard is in dit document vertaald voor het waarderen van scheepsbouwkunst. Daarmee kunnen de cultuurhistorische waarden van een vaartuig helder en eenduidig vastgesteld worden.
De waardering is gebaseerd op vijf hoofdcriteria die zijn onderverdeeld in subcriteria. De vakgebieden scheepsbouw en geschiedenis vormen de basis van de waardering van het gebouwde erfgoed. Maar daarnaast spelen ook geestelijke, geografische, sociaaleconomische, bestuurlijke en technische ontwikkelingen een rol in de waardering, naast gaafheid en zeldzaamheid. Ieder traditioneel vaartuig heeft een eigen palet van waarden.
2. Ontwerp- en scheepsbouwwaarde
3. Situationele en ensemblewaarden
Bijzondere betekenis van het vaartuig wegens de hoogwaardige kwaliteit van het vaartuig in relatie tot de onderlinge historisch-ruimtelijke context en in relatie tot de daarbij behorende omgevingskenmerken, ruimtelijke inrichting, voorzieningen, wateren, wegen, waterstaatkundige werken en/of archeologie.
Bijlage 7. Gegevens vaartuig voor objectbeschrijving
Bijlage 8. Scheepstypen – algemeen overzicht
Historische schepen beschikken niet alleen over een historische romp, maar ook over een historische opbouw en een meestal grote hoeveelheid kenmerkende onderdelen. Bijgaand een omschrijving van de meest voorkomende historische scheepsonderdelen, gegroepeerd naar de functie die zij hebben.
De scheepsromp is het drijflichaam van een schip. De romp is doorgaans van hout, ijzer, staal en in bijzondere gevallen ook van ferrocement of beton gemaakt. Een scheepsromp bestaat uit diverse onderdelen, die hieronder omschreven zijn.
Een spant is een houten of stalen balk of profiel, waaruit de romp van een schip is opgebouwd. Spanten worden op regelmatige afstand van elkaar bevestigd en vormen zo een spantenraam, het geraamte van een schip. Elke spant wordt op maat gebogen, zodat een vloeiende rompvorm ontstaat.
De scheepshuid wordt gevormd door houten huiddelen of huidplanken, of door stalen huidplaten of huidgangen, die aan de spanten zijn bevestigd. Houten huiddelen worden daartoe in de juiste kromming gebracht door ze krom te branden. Stalen huidplaten worden in de juiste kromming gebogen. Stalen huidplaten kunnen aan de spanten bevestigd worden door ze met klinknagels vast te klinken of door ze vast te lassen. Veel oude schepen die nog voor de Tweede Wereldoorlog zijn gebouwd, zijn nog geklonken.
Berghout, boeisel en potdeksel
Het berghout is een horizontale stevige plaat of strip, die op het breedste deel van de romp bevestigd is en die als stootrand dient. Het bovenste gedeelte van de scheepsromp boven het berghout heet het boeisel, ook wel boeiing of verschansing genoemd. Het boeisel wordt aan de bovenzijde afgewerkt met een potdeksel, een horizontale rand langs de bovenzijde van de romp.
De dekken en gangboorden zijn de horizontale loopvlakken die bevestigd zijn aan de romp. Schepen hebben doorgaans een voordek en een achterdek en aan de zijkanten van het laadruim een gangboord. Zeilschepen hebben vaak ook een mastdek.
Schepen hebben boven op de scheepsromp diverse constructies, bedoeld om de functie waarvoor het schip is gebouwd mogelijk te maken. Hieronder volgt een omschrijving van de meest voorkomende opbouwen.
Een constructie met rondom ramen, van waaruit een schip wordt bestuurd. De stuurhut bevat naast het stuurwiel ook de bedieningshandels van de scheepsmotor en de keerkoppeling, een instrumentenpaneel met meters en waarschuwingslampen en het bedieningspaneel van de navigatieverlichting.
De roef is de opbouw op een schip die bedoeld is als schipperswoning. Een roef heeft doorgaans ramen aan de zijkanten. Bij een motorschip is de roef vaak direct achter of soms voor de stuurhut gebouwd. Zeilschepen hebben doorgaans een roef aan de den, waarbij de roef direct aan het laadruim is gebouwd, voor het achterdek waar het schip bestuurd wordt. Bij later gemotoriseerde zeilschepen is op het achterdek achter de roef vaak een stuurhut gebouwd.
Het ruim of laadruim is bedoeld om de lading of vracht van een schip in te kunnen vervoeren.
De opstand van het laadruim die boven de scheepsromp uitsteekt heet de den. Aan de zijkant van de den zit meestal een keggenbank, een profiel waarop bevestigingsmateriaal zit, waarmee de dekzeilen kunnen worden vastgemaakt.
De luikenkap sluit het laadruim aan de bovenkant af. De luiken die samen de luikenkap vormen, zijn doorgaans van hout of metaal. Houten scheepsluiken zijn panelen van drie dikke houten planken naast elkaar, die aan de onderkant verbonden zijn met klampen. De naden tussen de planken zijn dichtgemaakt met presenningband, zodat de luiken waterdicht zijn. De luiken liggen op merkels, houten of stalen balken met een geul, waardoor het regenwater kan weglopen. Een luikenkap is vaak afgedekt met een dekzeil of dekkleed. Een luikenkap kan verschillende vormen hebben:
Ramen, lichtluiken, lichtranden en patrijspoorten
Bij woonschepen waarbij ook het voormalig laadruim als woning is ingericht, is vaak een aantal luiken vervangen door lichtluiken, waarin ramen zijn aangebracht. Ook zijn vaak ramen, lichtranden en/of patrijspoorten aangebracht in de den. Lichtranden en patrijspoorten zijn ronde of ovale ramen; lichtranden zijn gesloten, patrijspoorten kunnen opengezet worden, zodat ze ook verse lucht toelaten. In de roef zitten roeframen, die vaak opengezet kunnen worden. Roeframen zijn meestal in een getoogd houten kozijn gezet. Ook bij historische vaartuigen en arken zijn de ramen vaak getoogd, dat wil zeggen dat ze aan de bovenkant boogvormig zijn.
Een theehut is een voor de stuurhut geplaatste opbouw, doorgaans van staal, waarin vaak een keuken zat. Een theehut is hoger dan de luikenkap, maar lager dan de ramen van de stuurhut. Theehutten komen vaak voor op sleepschepen en luxe motors.
Een herft is een meestal aan de voor- en achterzijde van de luikenkap geplaatste bergplaats, die afgesloten wordt met een herftluik. Een herft wordt gebruikt om materiaal in op te bergen dat tijdens het varen of voor het scheepsonderhoud gebruikt wordt, zoals emmers, trossen, schoonmaakmiddelen, stootwillen en fenders.
Een koekoek is een lichtkap die op het dek of het dak van opbouwen wordt geplaatst. Een koekoek is vaak gemaakt van hout en soms van staal. Doorgaans heeft een koekoek scharnierende raampjes, zodat een koekoek licht binnenlaat, maar ook verse lucht.
Een voor- en achteronder zijn onderdekse ruimtes die voor verblijf of bewoning bedoeld zijn voor het schippersgezin of voor de scheepsmaat. Het voor- en achteronder zijn toegankelijk via een ingangskap of ingangskoekoek. Dit zijn kleine verhoogde opbouwen met scharnierende deuren en vaak een schuifkap, schuifluik of scharnierend luik.
Op het potdeksel van het schip en langs het dak van de roef zijn vaak voor de veiligheid relingen aangebracht, om te voorkomen dat mensen overboord vallen. Relingen zijn doorgaans gemaakt van verticale stalen scepters met een horizontale stalen of houten verbinding.
Een schip wordt gestuurd met een roer: een aan het achterschip bevestigde verticale draaibare constructie van hout of staal.
Een stuurwiel, ook stuurrad of haspel genoemd, is een houten of stalen spaakwiel, dat via een overbrenging het roer bedient, waarmee een schip gestuurd wordt. De overbrenging kan bestaan uit kettingen met een kwadrant (een halve schijf boven de roerkoning, de as die het roer bedient), een mechanisch stuurwerk met een wormas, of een hydraulisch stuurwerk op oliedruk. Een stuurwerk met wormas heet een Engels stuurwerk. De houten afdekkap over het wormasstuurwerk op het achterdek wordt dankzij zijn vorm en omvang ook broodkast of broodwagen genoemd.
Een helmhout is een stevige hefboom die aan de bovenzijde van het roer bevestigd is en waarmee een schip gestuurd kan worden. Aan de bovenkant van het roer of het helmhout is bij zeilschepen vaak een roerklik aangebracht, een doorgaans houten sierstuk vaak met beschilderd houtsnijwerk. Een helmhout komt veel voor op zeilschepen.
Een zwaard is een houten of metalen peervormige stevige platte plaat, die aan de zijkant van een schip is bevestigd. Een zwaard of zijzwaard kan omhoog en omlaag scharnieren; in de lage stand steekt het zwaard een stuk in het vaarwater. Zwaarden zijn bedoeld om onbedoelde zijwaartse verplaatsing van een schip te voorkomen. Daarom komen zwaarden vooral op zeilschepen voor, die door de wind in de zeilen opzijgezet kunnen worden; dit wordt verlijeren genoemd. Zwaarden worden via een staalkabel met een zwaardlier op het achterdek bediend. Een zwaardlier is een tandwielkast met een jaagwiel, waarmee de as van de lier wordt rondgedraaid, om het zwaard met behulp van de staalkabel omhoog te draaien.
Een mast is een verticale paal bedoeld om dingen omhoog te kunnen trekken. Zeilschepen zijn voorzien van één of meer zeilmasten. Vrachtschepen waren vaak voorzien van een laadmast, de mast behorend bij het hijstuig, waarmee het schip lading aan en van boord kon zetten. De mast wordt bediend met een mastlier. Daarnaast hebben veel schepen op het voordek een lichtmast, waarop het toplicht is bevestigd, een onderdeel van de navigatieverlichting. Een mast, bokkenbenen, giek, gaffel, boegspriet of kluiverboom zijn van oorsprong van hout gemaakt, maar worden tegenwoordig ook van staal gemaakt.
Voor het zetten en strijken van de mast zijn vaak bokkenbenen (ook bokkenpoten genoemd) aangebracht, twee stevige rondhouten die gebruikt worden als hefboom.
De giek is een horizontaal aan de mast bevestigd rondhout. Bij zeilschepen dient de giek ervoor om het zeil uitgestrekt te houden. Bij vrachtschepen met een hijstuig dient de giek om lading van de wal naar het schip te zwenken of omgekeerd.
Een gaffel is een recht of gebogen rondhout dat aan de mast omhoog getrokken wordt en waaraan de bovenkant van een zeil vastgemaakt is.
Een stag is een dik touw of staaldraad die van hoog in de mast gespannen wordt naar een putting, een stevig bevestigingspunt aan de scheepsromp. De verstaging is het geheel van stagen die de mast van een schip overeind houden.
Boegspriet, Kluiverboom of Botteloef
Een kluiverboom of een boegspriet is een over of langs de voorsteven(balk) uitstekend rondhout waaraan de voorste zeilen bevestigd kunnen worden. Een botteloef is een stalen boegspriet en komt voor op kleinere zeilschepen.
Een overloop is een stang of balk op het voor- of achterdek, waarmee via een blok een zeil naar de ene of de andere kant van het schip kan worden gebracht.
Een blok of katrol is een constructie met ronde schijven waarlangs touwen of staaldraden geleid worden. Blokken worden bijvoorbeeld gebruikt bij het hijsen van zeilen of lading. Blokken zijn er in vele soorten en maten. Ze worden zowel van hout als van staal gemaakt.
Een scheepsmotor is meestal een dieselmotor die de scheepsschroef aandrijft en zo zorgt voor de voortstuwing van het schip.
Een zijschroef of ‘lamme arm’ is een schroef aan een lange as die aan de zijkant van een schip in het water gehangen kan worden. De as wordt aangedreven door een motor die aan dek staat.
Een opduwer is een motor in een klein bootje, dat achter een schip wordt vastgemaakt. De opduwer duwt het schip vooruit. Hetzelfde principe zien we ook terug in de combinatie van een duwboot met één of meer duwbakken ervoor.
Een sleepboot is een boot met een sterke motor, die andere schepen kan voortslepen. Sleepboten worden onder andere gebruikt om schepen tegen sterke stroom in stroomopwaarts te slepen of om grote schepen naar een ha-ven of ligplaats te manoeuvreren.
Een bekende vorm van voortstuwing is varen met de wind in de zeilen. Als een zeilschip ligt aangemeerd zijn de zeilen gestreken en opgedoekt, dat wil zeggen dat ze neergelaten zijn en geplooid onder een dekzeil liggen, een huik genoemd. Als een schip voor langere tijd stilligt, worden de zeilen doorgaans losgehaald van de mast en de giek en droog weggelegd.
Andere vormen van voortstuwing
Een schip kan ook worden voortbewogen door menskracht of paardenkracht. Zeilschepen werden bij windstil weer of wind uit de verkeerde hoek vaak voortgetrokken aan een lang touw. De schipperse, schipperskinderen of de schipper liepen dan voor het schip uit over het jaagpad, een smal looppad naast het vaarwater. Daarbij hadden ze een brede band voor hun borst, het trekzeel, waaraan het touw bevestigd was waarmee ze het schip vooruit trokken. Als schippers het konden betalen, lieten ze het schip trekken door een trekpaard.
Een schip kan, als het water niet te diep is, ook voortbewogen worden met behulp van een vaarboom. Dat is een lange stok, die schippers op het voordek in het water steken, totdat de vaarboom de grond raakt. Dan bewegen zij het schip voorwaarts, door tegen de vaarboom te duwen, terwijl zij door het gangboord naar achteren lopen, waar zij de vaarboom weer omhoogtrekken. Door deze handeling steeds te herhalen houden zij de gang in het schip.
Een andere vorm van voortbewegen heet wegen. Daarbij loopt de schipper op de wal met een lange stok, die in een speciaal daarvoor aangebrachte geul in het voor- of achterdek steekt, die weegstoel of weeggoot heet. Door tegen de stok te duwen en naast het schip op de kant mee te lopen, blijft de gang in het schip.
Een davit is een hijswerktuig bestaande uit een rechtopstaande paal met een zijarm, waaraan een lier met blokken, een staalkabel en een haak bevestigd zijn. Een blok is een ronde schijf waarover een touw of staalkabel geleid wordt. Met een davit kunnen voorwerpen zoals een anker of een bijboot aan en van boord gehesen worden.
Een lier is een constructie met tandwielen, assen en één of meer jaagwielen, waarmee grote kracht kan worden uitgeoefend op touwen, staalkabels of kettingen. De tandwielen zijn zo geconstrueerd, dat zij de kracht kunnen regelen die nodig is om een zwaar voorwerp op te kunnen hijsen. Zo kan een schipper door aan het jaagwiel te draaien een anker ophalen, een zwaard ophalen, lading verplaatsen of de mast strijken of zetten. Veel voorkomende lieren aan boord zijn de ankerlier, mastlier, zwaardlier en davitlier. Lieren met een jaagwiel zijn met de hand te bedienen door aan het jaagwiel te draaien. Moderne lieren zijn vaak elektrisch bediend.
Een bijzondere vorm van een lier is een braadspil. Dit is een zware horizontale as op het voordek, waarmee de ankerketting kan worden opgehaald. Daartoe zitten aan de zijkant van de braadspil uitsparingen, waarin een stok gestoken wordt die als hefboom dient. Door de stok in een uitsparing te steken en opzij te bewegen draait het braadspil en trekt deze de ketting steeds verder op. Een braadspil is doorgaans van hout gemaakt.
Een anker is een zwaar metalen voorwerp met daaraan bevestigd een lang stuk touw, staalkabel of ankerketting. Een anker is bedoeld om zich in de bodem van het vaarwater vast te haken, zodat het schip op zijn plek blijft liggen. Er zijn veel soorten en vormen ankers, maar de meest voorkomende zijn het stokanker, klipanker en dreganker.
Een bolder is een stevige korte paalvormige constructie, op het schip of op de wal, waarop een tros of meertouw kan worden belegd, oftewel vastgemaakt. Er bestaan veel soorten en vormen bolders. Grotere schepen hebben vaak een bolderkast die de bolders op het voor- en achterdek van het schip omgeven en steunen.
De beting of sleepbeting is een stevige constructie van twee verticale buizen verbonden aan een horizontale buis die op het achterdek van een sleepboot staat. Over de beting lopen de sleepkabels, waarmee een sleepboot één of meer schepen voortsleept.
Varende schepen hebben doorgaans navigatieverlichting, zoals een toplicht, heklicht, bakboord- en stuurboordlicht, fluitlicht en schijnwerper.
Een luchthapper is een gebogen buis die boven de machinekamer geplaatst wordt en die verse lucht naar de scheepsmotor voert.
Schepen hebben doorgaans naamborden op de boeg, op het dak van de roef of aan de achterkant van de roef, of aan de zijkanten van het gangboord op het potdeksel staan. Een naambord is vaak van hout met sierletters in beschilderd houtsnijwerk.
Een varend schip voert tijdens de vaart doorgaans de vlag van het land van herkomst aan de achterzijde van het schip. Een schip heeft daartoe een vlaggenstokhouder.
Sommige schepen hebben nog een cultuurhistorisch waardevol interieur van roef, stuurhut of woning. Het interieur kan veel informatie bevatten over de geschiedenis van het schip en kan van invloed zijn op de cultuurhistorische en de economische waarde ervan.
www.debinnenvaart.nl/binnenvaarttaal
Ruimtelijk kwaliteitsplan historische schepen Harderwijk;
Plan voor gebruik en beheer van de havens voor historische schepen
De nota ‘Ruimtelijk kwaliteitsplan historische schepen Harderwijk’ maakt deel uit van het welstandsbeleid van de gemeente en daarmee van het Omgevingsplan Harderwijk.
……………………………., gemeente Harderwijk
……………………………., gemeente Harderwijk
Commissie Omgevingskwaliteit van het Gelders Genootschap
De term ‘bruine vloot’ werd oorspronkelijk gebruikt voor de houten visserijschepen, die voeren met bruin getaande zeilen. Later werd deze term ook gebruikt voor grotere zeilschepen die met groepen passagiers varen, doorgaans de chartervloot genoemd. De term ‘bruine vloot’ wordt in dit rapport gebruikt voor zeilende historische schepen die met passagiers varen; dit kunnen zowel visserijschepen als vrachtschepen zijn, en zowel houten als stalen schepen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-260685.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.