Gemeenteblad van Ridderkerk
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ridderkerk | Gemeenteblad 2026, 251298 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ridderkerk | Gemeenteblad 2026, 251298 | beleidsregel |
Beleidsregels Terugvordering en Verhaal gemeente Ridderkerk 2026
Artikel 2. Herziening of intrekking van het toekenningsbesluit
Een besluit tot toekenning van de uitkering wordt herzien of ingetrokken indien:
Herziening of intrekking van het toekenningsbesluit kan geschieden op de 2 gronden vermeld in de betreffende artikelen van de Pw, IOAW en IOAZ.
Indien de belanghebbende de op hem rustende inlichtingenplicht jegens het college en het UWV WERKbedrijf (artikelen 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen) niet of niet behoorlijk nakomt, én indien de uitkering anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Op basis van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan dit in het laatste geval alleen als de belanghebbende redelijkerwijs kon begrijpen dat hij te veel of ten onrechte uitkering ontving. Dit is geregeld in artikel 2 onder a van deze beleidsregels Terugvordering.
Het belangrijkste onderscheid in de herziening van het recht op uitkering is gelegen in de omstandigheid aan wie de verwijtbaarheid kan worden toegerekend. Dit kan veroorzaakt zijn door schending van de inlichtingenplicht door de klant of door een fout van de gemeente.
Herziening geschiedt op grond van artikel 54 lid 3 van de Pw en artikel 17 lid 3 van de IOAW en IOAZ. In alle wetten kent het 3e lid een onderdeel a en b. Herziening op grond van het onderdeel a geschiedt indien er sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Herziening op grond van onderdeel b geschiedt indien er sprake is van een fout van de gemeente, aangeduid als “indien de uitkering anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd vastgesteld”. Herziening van het recht op bijstand geschiedt in die gevallen waarin nog recht op (gedeeltelijke) bijstandsverlening blijft bestaan. Indien blijkt dat geen recht meer bestaat wordt het recht op uitkering ingetrokken. Door de herziening wordt in feite de besluitvorming in overeenstemming gebracht met de situatie zoals deze had moeten zijn.
Artikel 4. Terugvordering algemeen
In dit artikel is bepaald in welke gevallen het college overgaat tot terugvordering. De strekking van dit artikel is overeenkomstig het bepaalde in de terugvorderingsartikelen van de Pw, IOAW, IOAZ en het Bbz 2004.
Ad a. Dit betreft terugvordering als gevolg van een herziening of intrekkingsbesluit wegens schending van de inlichtingenplicht. Dit is een wettelijke verplichting.
Ad f. Dit betreft te veel betaalde uitkering op grond van een administratieve vergissing. Een belangrijk onderscheid in deze ten opzichte van herziening op grond van “anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd vastgesteld” is dat aan deze terugvordering geen herziening van het recht op uitkering voorafgaat. Het betreft hier vooral die gevallen waarbij de uitkering niet overeenkomstig de besluitvorming betaalbaar werd gesteld.
Wettelijk is bepaald dat ingeval van een administratieve vergissing als bedoeld onder f, terugvordering slechts kan geschieden voor zover de kosten van bijstand zijn gemaakt binnen 2 jaar voorafgaand aan de datum van het besluit tot terugvordering.
Naast bovenstaande bepalingen is van belang de zogenaamde 6-maanden jurisprudentie. De Centrale Raad van Beroep heeft in diverse uitspraken bepaald dat indien een uitvoeringsorgaan beschikt over gegevens welke moeten leiden tot aanpassing van het recht op uitkering, zij binnen een redelijke termijn daartoe moet overgaan. De vanaf de datum van ontvangst van de gegevens daardoor te veel verstrekte uitkering kan niet worden teruggevorderd indien een termijn van meer dan 6 maanden is verstreken.
Artikel 5. Terugvordering van gezinsleden
Indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17, of artikelen 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.
In lid 2 wordt gedoeld op met name de verzwegen samenwoning. Hoewel de aanvankelijk “onbekende” partner niet in de bijstandsverlening was betrokken kan deze toch aansprakelijk worden gesteld aangezien de aanwezigheid van die partner wel van belang was voor de bepaling van het recht op en de hoogte van de bijstandsverlening.
De onbekende partner is echter alleen aansprakelijk te stellen indien wordt teruggevorderd op grond van de Pw. Dit dient echter zuiver te worden toegepast. Indien de belanghebbende heeft samengewoond met een partner buiten de gemeentegrenzen, is de partner niet aansprakelijk te stellen. De feitelijke grond voor de herziening en terugvordering, hoewel ingegeven door de samenwoning, is dan niet zo zeer de samenwoning doch het verblijf buiten de gemeente. In dat geval is de onbekende partner niet van belang voor het recht op uitkering.
Artikel 6. Afzien van terugvordering wegens dringende redenen
Indien, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan geheel of gedeeltelijk van terugvordering worden afgezien.
De wettelijke grondslag voor het afzien van (verdere) terugvordering wegens dringende redenen is te vinden in artikel 58 van de Pw (ook voor het Bbz 2004) en de overeenkomende bepalingen in de IOAW en IOAZ.
Naar aanleiding van recente jurisprudentie – onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022 (evenredigheidstoets) en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2024 over “dringende redenen” – wordt deze bevoegdheid ruimer en nadrukkelijker ingevuld als een open norm.
Uitgangspunt blijft dat wat ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen, in beginsel moet worden terugbetaald. Als een belanghebbende echter wijst op omstandigheden die kunnen duiden op dringende redenen, moet het college de relevante feiten en omstandigheden zo wegen dat het besluit een toets aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan doorstaan.
Praktisch betekent dit: gericht vragen naar en (zo mogelijk) stukken opvragen over onder meer:
Bij de beoordeling weeg je minstens drie elementen:
Wat betreft de financiële gevolgen geldt dat inwoners worden beschermd door de beslagvrije voet. Dat betekent dat financiële problemen op zichzelf niet zonder meer een dringende reden opleveren. Als echter bij het nemen van het terugvorderingsbesluit al voorzienbaar is dat de vordering ertoe zal leiden dat een lopend schuldhulptraject wordt beëindigd of feitelijk onmogelijk wordt gemaakt, kan het college deze gevolgen actief meewegen in de evenredigheidstoets.
Belanghebbende kan een beroep doen op dringende redenen en de daarvoor relevante feiten en omstandigheden aanvoeren. De Centrale Raad heeft echter benadrukt dat daaraan geen hoge eisen mogen worden gesteld: belanghebbende hoeft het begrip “dringende redenen” niet expliciet te gebruiken. Van het college mag worden verwacht dat het in het contact met inwoners alert is op signalen die kunnen wijzen op dringende redenen, en zo nodig aanvullend onderzoekt of de gemeente zelf een aandeel heeft gehad in het ontstaan of oplopen van de vordering (bijvoorbeeld door gemiste signalen of te late besluitvorming).
Afzien van terugvordering kan zowel definitief (kwijtschelding van de vordering of een deel daarvan) als tijdelijk (bijvoorbeeld het voor een bepaalde periode op nihil stellen van de aflossing of het tijdelijk staken van invorderingsmaatregelen). In alle gevallen geldt dat het besluit zorgvuldig gemotiveerd moet worden: in de motivering moet concreet worden vastgelegd welke feiten en omstandigheden zijn vastgesteld, hoe de belangen van de gemeente en van belanghebbende tegen elkaar zijn afgewogen, en waarom in dit specifieke geval geheel of gedeeltelijk van (verdere) terugvordering wordt afgezien. Daarbij hoort een zichtbare toets op geschiktheid, noodzakelijkheid en evenredigheid.
Artikel 7. Gedeeltelijk afzien van terugvordering wegens schulden
Indien de belanghebbende in beginsel in staat moet worden geacht zijn schulden binnen een redelijke periode te kunnen voldoen, is er geen reden om af te zien van terugvordering. Pas als voorzienbaar is dat de belanghebbende niet zal kunnen doorgaan met het betalen van zijn schulden kan er aanleiding zijn om gedeeltelijk van terugvordering af te zien (algemene bevoegdheid artikel 58 Pw). Omdat volgens de ‘Gedragscode Schuldregeling Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet’ slechts aan schuldsanering wordt meegewerkt als het hele schuldbedrag kan worden gesaneerd, kan de gemeente alleen dan toestemmen in het gedeeltelijk afzien van terugvordering indien alle schuldeisers meewerken. Immers, een schuldregeling kan alleen dan tot stand komen als alle schuldeisers hieraan meewerken.
De wetgever heeft in artikel 60c opgenomen dat geen medewerking wordt verleend aan een schuldregeling indien de vordering het gevolg is van een schending van de inlichtingenplicht. Dit betreft echter alleen die vorderingen welke vallen onder de verplichte terugvordering en dus zijn ontstaan na 1 januari 2013. Voor vorderingen die uiterlijk op 31 december 2012 zijn ontstaan, geldt het verbod van artikel 60c niet. Voor die oude vorderingen kan het college dus in beginsel wél meewerken aan een schuldregeling, uiteraard binnen het overige wettelijke en beleidskader.
In niet alle gevallen is het redelijk om strikte toepassing te geven aan het bepaalde in het 2e lid onder a. te weten het niet verlenen van medewerking in geval van verwijtbare vorderingen.
Het moet o.a. onredelijk worden geacht om daar waar de verwijtbare vordering slechts een fractie uitmaakt van het totaal te saneren schuldenpakket, op grond van strikte toepassing een sanering te blokkeren.
Daarnaast kan het mogelijk zijn dat op grond van een minnelijke regeling of sanering meer zal worden ontvangen dan bij uiteindelijke toelating tot de WSNP. Ook in deze gevallen is de gemeente erbij gebaat om akkoord te gaan.
Artikel 8. Afzien van terugvordering wegens kruimelbedragen
In afwijking van de artikelen 2 tot en met 5 van deze beleidsregels kan van verdere terugvordering worden afgezien indien het restant dat teruggevorderd dient te worden een bedrag van € 150 niet te boven gaat en de kosten van invordering hoger dreigen te worden dan de opbrengst.
Indien de uitkering die ten onrechte is uitbetaald lager is dan € 150 dan kan van verdere terugvordering worden afgezien. Uitdrukkelijk is gekozen voor de term dat van “verdere” terugvordering kan worden afgezien. Dit impliceert dat er in eerste instantie zal worden
teruggevorderd. Als de restantschuld lager is dan € 150 en vanwege het achterwege blijven van aflossingen de kosten van invordering hoger dreigen te worden dan de opbrengst, kan op grond van deze bepaling van verdere terugvordering worden afgezien.
Artikel 9. Gedeeltelijk afzien van (verdere) terugvordering bij fraude
In afwijking van de artikelen 2 tot en met 5 van de beleidsregels kan het college besluiten van verdere terugvordering af te zien, indien de persoon van wie de kosten van bijstand worden teruggevorderd:
Voor vorderingen die zijn ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht (fraudevorderingen) geldt op grond van artikel 58, eerste lid, Pw een wettelijke verplichting tot terugvordering: in beginsel moet de ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen bijstand volledig worden terugbetaald.
De wetgever heeft in artikel 58, zevende lid, Pw een bevoegdheid opgenomen om in uitzonderingsgevallen toch (gedeeltelijk) af te zien van verdere terugvordering van dergelijke fraudevorderingen. Er wordt ook in de wet een termijn gehanteerd van 10 jaar. Gedurende deze periode moet geheel aan de aflossingsverplichting zijn voldaan. Voor zover in deze periode niet volledig aan de aflossingsverplichting werd voldaan, kan alsnog van verdere terugvordering worden afgezien als de achterstallige aflossing is voldaan.
Ook kan van verdere terugvordering worden afgezien indien een debiteur gedurende 10 jaar geen aflossing heeft verricht en niet aannemelijk is dat de debiteur op enig moment zal gaan aflossen. Daarbij kan worden gedacht aan debiteuren welke zich (definitief) in het buitenland hebben gevestigd of geen aantoonbaar inkomen hebben. Deze vorderingen kunnen na verloop van 10 jaar als oninbaar worden afgeboekt.
Ook wordt de mogelijkheid geopend tot afkoop van de vordering mits ten minste 50% van de restsom in een keer wordt afgelost. De wetgever heeft daarbij geen nadere voorwaarden gesteld.
Het is echter niet de bedoeling dat iedere vordering, op welke moment dan ook akkoord kan worden gegaan met een afkoop tegen ten minste 50%.
In de beleidsregels is daarom in aanvulling op de wet gesteld dat een afkoop een meerwaarde dient te hebben voor de gemeente ten opzichte van het reguliere invorderingstraject en de belanghebbende daardoor in de gelegenheid wordt gesteld uit een schuldsituatie te geraken. Uit de aanvullende gestelde voorwaarden volgt dat in ieder afzonderlijk geval een individuele beoordeling dient te geschieden.
Er wordt met betrekking tot het afzien van terugvordering een passief beleid gevoerd. Dit houdt in dat belanghebbende zelf dient te verzoeken om kwijtschelding.
Artikel 10. Afzien van verdere terugvordering
Het uitgangspunt is en blijft dat de ten onrechte verstrekte uitkering zoveel mogelijk wordt teruggevorderd.
Aan een beslissing tot buiten invordering stellen (algemene bevoegdheid artikel 58 Pw) dient altijd een individuele beoordeling ten grondslag te liggen. Deze individuele beoordeling moet vooral raakvlakken hebben met uitstroombevordering en armoedebestrijding.
Tevens is deze bepaling bedoeld om het debiteurenbestand beheersbaar te houden. Na een termijn van ten minste 5 jaar en indien gedurende deze termijn volledig aan de betalingsverplichting is voldaan, kan van verdere terugvordering worden afgezien.
Een uitzondering wordt gemaakt voor verwijtbare vorderingen. Voor verwijtbare vordering geldt echter ook dat op enig moment afgezien moet kunnen worden van verdere terugvordering.
Voorwaarde daarbij is dan wel dat gedurende de periode van aflossing, deze is geschied naar draagkracht en bovendien afhankelijk van de hoogte van de vordering een andere (langere) termijn geldt. Ook geldt een passief beleid in deze. Het initiatief tot kwijtschelding ligt bij de betreffende klant.
Artikel 11. Aflossingshoogte vordering
De maximale aflossingsduur voor het terugbetalen van bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004 dat in de vorm van een geldlening is verstrekt, wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het Bbz 2004. De verschuldigde rente wordt gelijkgesteld aan het door het ministerie van SZW vastgestelde percentage.
De hoogte van het aflossingsbedrag is afhankelijk van de soort vordering en het inkomen van de schuldenaar. In geval een geldlening wordt teruggevorderd van een schuldenaar met een inkomen op minimumniveau bedraagt het aflossingspercentage 5% van de toepasselijke bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag en rekening houdend met eventuele toeslagen en/ of verlagingen). Met het percentage van 5% wordt beoogd gelijke tred te houden met een reguliere kredietverstrekker.
In geval uit andere hoofde dan een geldlening wordt teruggevorderd van een schuldenaar met een inkomen op minimumniveau bedraagt de aflossing het bedrag waarmee de uitkeringsaanspraken de van toepassing zijnde beslagvrije voet (95% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (incl. vakantietoeslag)) te boven gaat.
In geval de vordering het gevolg is van verstrekt bedrijfskapitaal, wordt aansluiting gezocht bij het Bbz 2004 en wordt de maximale aflossingsduur bepaald op 10 jaar. Gedurende de aflossingsperiode is (dag)rente verschuldigd over het totale uitstaande bedrag. Deze rente wordt vastgesteld op het percentage dat het ministerie van SZW hanteert op het moment van verstrekking van het bedrijfskapitaal.
Aangezien in de Pw de aflossingshoogte niet is afgebakend is het mogelijk zowel ten voordele als ten nadele van de schuldenaar het aflossingsbedrag bij te stellen. De mogelijkheid bestaat bovendien om in afwijking van het voorgaande een regeling te treffen. Dit bevordert de effectiviteit en voorkomt onnodige heronderzoeken.
Artikel 12. Verrekening en beslaglegging
Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling, of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet (meer) nakomt, dan wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van:
De Pw kent geen bepalingen over verrekening en pseudo- verrekening. Het terugvorderingsbesluit levert geen executoriale titel op. Echter een dwangbevel geeft op grond van artikel 4:116 Awb een executoriale titel. De gemeente kan overgaan tot dwanginvordering door middel van verrekening
(wanneer aan de debiteur bijstand wordt verleend), of door middel van het leggen van vereenvoudigd derdenbeslag. Daarnaast staat ook de “gewone” weg van executoriaal beslag open, daar waar verrekening of vereenvoudigd derdenbeslag niet mogelijk is. Deze omstandigheid kan zich voordoen wanneer er geen inkomstenbron beschikbaar is, of wanneer beslag wordt gelegd op een onroerend goed.
Verrekening met de bijstand wordt gebaseerd op artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek. Voor deze vorm van verrekenen moet aan de volgende eisen worden voldaan:
Ten uitvoerlegging door middel van beslag kan geschieden conform de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De gemeente heeft de mogelijkheid van vereenvoudigd derdenbeslag op loon of uitkering.
Op grond van artikel 4:119 van de Awb kunnen bij het uitvaardigen van een dwangbevel en bij loonbeslag door de gemeente kosten in rekening worden gebracht.
Indien de gemeente overgaat tot overdracht ter incasso van de vordering aan een deurwaarder of incassobureau, brengt de gemeente geen rente en kosten, zoals benoemd in lid 2, in rekening. Dit vanwege het feit dat de deurwaarder of het incassobureau deze kosten eveneens in rekening brengt, en de belanghebbende als gevolg daarvan geconfronteerd zou worden met dubbele kosten. Dit wordt niet wenselijk geacht.
In de Pw is het bruteren van de bijstandsvordering, over het algemeen aan het einde van het kalenderjaar, als bevoegdheid opgenomen in artikel 58 lid 5 Pw. Door het opnemen van dit artikel in de beleidsregels wordt geregeld dat in die gevallen waarin de vordering niet binnen het kalenderjaar kan worden terugbetaald, deze zal worden gebruteerd.
Daarnaast is het niet ongebruikelijk om brutering van een vordering achterwege te laten indien de terugvordering niet verwijtbaar is aan de klant. Veelal heeft dan herziening van het recht op uitkering plaatsgevonden op grond van artikel 54 lid 3 onder van de Pw “anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verleend”, of er heeft terugvordering plaatsgevonden op grond van artikel 58 lid 2 onder e Pw “anderszins onverschuldigd is betaald voor zover belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen”.
Artikel 15. Verhaal van bijstand op grond van onderhoudsplicht
Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van kosten van bijstand als bedoeld in artikel 62a en b van de Pw:
Tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het BW: op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt en op het minderjarige kind dat zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet of niet behoorlijk nakomt;
Onder a. en b. worden de verhaalsmogelijkheden op de (ex)echtgenoot en de daarmee gelijkgestelde (ex)geregistreerde partner bedoeld ten aanzien van zijn onderhoudsplicht jegens zijn (ex)echtgenoot en/of minderjarige kinderen.
Met de formulering “tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 BW” wordt tot uitdrukking gebracht dat de gemeente bij verhaal niet méér kan vorderen dan wat naar civielrechtelijke maatstaven als onderhoudsbijdrage verschuldigd zou zijn.
Artikel 16. Geen verhaal van bijstand bij bijstandsverlening aan jongmeerderjarigen
Het college maakt geen gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van kosten van bijstand op degene die zijn onderhoudsplicht op grond van artikel 395a van Boek 1 van het BW niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn meerderjarig kind (18 t/m 20-jarigen).
Artikel 17. Verhaal van bijstand, schenking en nalatenschap
Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van kosten van bijstand op grond van de Pw:
Op degene aan wie de persoon die bijstand ontvangt of heeft ontvangen een schenking heeft gedaan voor zover bij het besluit op de aanvraag Pw met de geschonken middelen rekening zou zijn gehouden indien de schenking niet had plaatsgevonden, tenzij gelet op alle omstandigheden aannemelijk is dat de schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van bijstandsverlening dan wel inkomensvoorziening redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien;
Artikel 18. Beoordeling onderhoudsplicht
Bij de beoordeling van het bestaan van het verhaalsrecht als bedoeld in artikel 15 van deze
beleidsregels en de omvang van het te verhalen bedrag wordt rekening gehouden met de maatstaven die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechter dient te beslissen over de vraag of en, zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend.
Indien de rechter (nog) geen uitspraak heeft gedaan over de onderhoudsplicht, dan zal voor de vaststelling van het verhaalsbedrag een berekening worden gemaakt op basis van de rechterlijke maatstaven. De zogenaamde tremanormen, die worden gebruikt voor het maken van berekeningen, voldoen hieraan.
De tremanormen worden vastgesteld en periodiek geactualiseerd door de Expertgroep Alimentatienormen. Deze expertgroep is ingesteld door de minister van Justitie en Veiligheid. De normen worden gepubliceerd in de zogenaamde 'Tremanormen', die als richtlijn dienen voor de berekening van draagkracht en alimentatie in Nederland.
Artikel 19. Afzien van verhaal wegens dringende redenen
Indien, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan in afwijking van artikel 15 en 17 van deze beleidsregels geheel of gedeeltelijk van verhaal worden afgezien.
Uitgangspunt is dat de kosten van bijstand in beginsel worden verhaald op onderhoudsplichtigen of op schenking/nalatenschap als de wettelijke voorwaarden daarvoor zijn vervuld (zie de artikelen 15 en 17). Wanneer een beroep wordt gedaan op dringende redenen, moet het college de relevante feiten en omstandigheden zo wegen dat het besluit een toets aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan doorstaan, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel.
Bij de beoordeling van dringende redenen kunnen zowel omstandigheden aan de kant van de onderhoudsgerechtigde (de bijstandsgerechtigde) als aan de kant van de onderhoudsplichtige een rol spelen, evenals de gevolgen van het instellen of voortzetten van verhaal. Voorbeelden zijn:
aan de zijde van de onderhoudsgerechtigde:
zeer ernstig en verwijtbaar gedrag jegens de onderhoudsplichtige (bijvoorbeeld ernstige bedreiging, mishandeling of andere gedragingen die de persoonlijke integriteit raken), waardoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer kan worden verlangd dat de onderhoudsplichtige bijdraagt in het levensonderhoud van de ex-partner;
Artikel 20. Verhaal op grond van een alimentatiebeschikking
In artikel 62b Pw is bepaald dat de gemeente in beginsel gebonden is aan de rechterlijke uitspraak. De vastgestelde hoogte en de duur van de alimentatieplicht door de rechter zijn daarom in beginsel steeds leidend. De gemeente is echter pas gebonden aan een rechterlijke uitspraak indien uit die uitspraak blijkt dat de rechter zich zelfstandig een inhoudelijk oordeel heeft gevormd over de onderhoudsplicht als zodanig of inhoudelijk is ingegaan op de draagkracht van de onderhoudsplichtige. Indien de rechter zich geen zelfstandig oordeel heeft gevormd, wat kan geschieden bij een eis tot alimentatie en de onderhoudsplichtige voert geen verweer, komt de gemeente een zelfstandig recht toe om de draagkracht te beoordelen. Indien uit onderzoek van de gemeente blijkt dat de door de rechter vastgestelde alimentatie overeenkomt met de draagkracht kan daarbij eveneens aansluiting worden gezocht.
Daadwerkelijk verhaal op grond van een alimentatiebeschikking geschiedt echter alleen in die gevallen waarin de gemeente, met uitsluiting van de bijstandsklant (rechthebbende) overgaat tot invordering van de verschuldigde alimentatie. Daartoe is een afzonderlijk besluit van de gemeente noodzakelijk. Indien de bij gerechtelijke uitspraak opgelegde alimentatie rechtstreeks wordt voldaan aan de bijstandsklant, kan slechts worden beoordeeld of de opgelegde alimentatie voldoet aan de wettelijke maatstaven.
Uitgangspunt is echter nog altijd de eigen verantwoordelijkheid van de klant om te voorzien in de kosten van het bestaan. Een vastgestelde alimentatieverplichting, voor de klant zelf of ten laste komende kinderen geldt als voorliggende voorziening waarvan gebruik gemaakt dient te worden.
Indien de ex-partner van de klant niet vrijwillig betaalt kan de klant worden verwezen naar het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdrage (LBIO). Deze instantie kan zorgdragen voor de inning van partner- en kinderalimentatie. Het LBIO incasseert echter geen achterstand in alimentatie welke op het moment van aanmelding ouder is dan 6 maanden. Daarnaast stopt het LBIO met incasseren indien de onderhoudsplichtige de bestaande achterstand heeft ingelopen en daarna gedurende een periode van 6 maanden correct aan de betalingsverplichting heeft voldaan.
Het is dus niet zo dat de gemeente, bij een uitvoerbare alimentatie beschikking, zonder meer overgaat tot het incasseren van de verschuldigde alimentatie. Dit dient individueel bezien te worden, en slechts bij uitzondering toegepast te worden.
Artikel 21. Wijziging van de vastgestelde onderhoudsbijdrage door de rechter
De gemeente verzoekt de rechter het verhaalsbedrag in afwijking van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud, verschuldigd krachtens Boek 1 van het BW, vast te stellen indien de rechter:
Indien uit onderzoek door de gemeente blijkt dat de rechterlijke uitspraak door een wijziging van omstandigheden niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet, de uitspraak onmiddellijk al niet aan de wettelijke maatstaven voldeed of de rechter bij zijn uitspraak geen rekening heeft kunnen houden met alle gegevens en omstandigheden, kan de rechter worden verzocht het verhaalsbedrag in afwijking van de eerdere rechterlijke uitspraak vast te stellen. Een en ander is bepaald in artikel 62e Pw.
Artikel 22. Wijziging draagkracht
Er wordt niet overgegaan tot het gewijzigd vaststellen van een betalingsverplichting indien de draagkracht niet meer blijkt te zijn vermeerderd ten opzichte van het vorige onderzoek dan met € 50 per maand of blijkt te zijn verminderd dan met een bedrag van € 25 per maand.
Uit jurisprudentie blijkt dat de rechter een wijziging in de draagkracht van minder dan € 50 per maand niet beschouwt als zijnde een relevante wijziging in omstandigheden op grond waarvan herziening zou moeten geschieden
Artikel 23. Ingangsdatum verhaal
Indien tussen de aanschrijving van de onderhoudsplichtige en het opleggen van een onderhoudsbijdrage een langere termijn is verstreken dan 2 maanden, en deze langere termijn niet is te wijten aan de onderhoudsplichtige, gaat een op te leggen onderhoudsbijdrage niet eerder in dan de dag volgende op de datum van het besluit tot het opleggen van een onderhoudsbijdrage.
Met betrekking tot de ingangsdatum verhaal lopen de meningen uiteen. Dit kan zijn de ingangsdatum van de uitkering, de dag volgend op de aanschrijving van de onderhoudsplichtige of een andere ingangsdatum. Als algemeen uitgangspunt geldt dat een verhaalsbijdrage slechts in beperkte mate met terugwerkende kracht kan worden opgelegd. Als de jurisprudentie erop wordt geraadpleegd is veelal de strekking dat de (financiële) onderhoudsplicht ontstaat vanaf het moment dat daarop aanspraak wordt gemaakt. Vanaf die dag dient te onderhoudsplichtige er rekening mee te houden en dient hij voor een op te leggen bijdrage gelden te reserveren. Deze gedragslijn kan worden gevolgd.
Ondanks dit algemene uitgangspunt kan het voorkomen dat om wat voor reden dan ook, het opleggen van een verhaalsbijdrage vertraging oploopt. Deze vertraging kan, indien deze aan de gemeente is te verwijten, niet worden afgewenteld op de onderhoudsplichtige. Dan dient de bijdrage niet eerder in te gaan dan de dag volgende op die van het verzenden van het besluit tot het opleggen van een bijdrage.
De ingangsdatum verhaal is van minder belang indien verhaal wordt ingesteld op grond van een rechterlijke uitspraak. De ingangsdatum vloeit dan voort uit de uitspraak van de rechter dan wel de datum waarop de onderhoudsplichtige in gebreke is gebleven en de gemeente de incasso overneemt van de onderhoudsgerechtigde.
Artikel 24. Ambtshalve vaststelling
Indien degene op wie verhaal wordt ingesteld geen dan wel onvoldoende gegevens verstrekt voor het vaststellen van de grens van de onderhoudsplicht wordt de verschuldigde onderhoudsbijdrage ambtshalve vastgesteld op:
Ook een onderhoudsplichtige is wettelijk verplicht om de gemeente te voorzien van de benodigde informatie voor het vaststellen van een onderhoudsbijdrage. Voor het geval dat de onderhoudsplichtige niet voldoet aan de inlichtingenplicht dient vastgesteld te worden op welke wijze dan een onderhoudsbijdrage wordt vastgesteld.
Algemeen gebruikelijk is bij een ambtshalve vaststelling om een bijdrage op te leggen gelijk aan de bruto kosten van bijstand. Dit kan echter alleen indien er sprake van onderhoudsplicht jegens de bijstandsgerechtigde en eventuele kinderen. Indien er alleen sprake is van onderhoudsplicht jegens de in de bijstandsverlening begrepen kinderen, dient een andere benadering gekozen te worden.
In de Tremanormen is de tabel eigen aandeel kosten van kinderen opgenomen. De tabel wordt in de rechtspraak gebruikt om de maximale behoefte van kinderen te bepalen en is gebaseerd op onderzoek van het Nibud. Daarbij is onderzoek gedaan naar de hoogte van het netto-inkomen, gezinssamenstelling en wat er dan gemiddeld per kind maandelijks wordt besteed ten behoeve van dat kind. Voor een ambtshalve vaststelling kan worden uitgegaan van het maximaal in die tabel genoemde bedrag.
Artikel 25. Gedeeltelijk afzien van verhaal wegens schulden
In afwijking van de artikelen 15 tot en met 21 van deze beleidsregels kan het college, op verzoek van degene op wie verhaal wordt uitgeoefend, gedeeltelijk afzien van het (verdere) verhalen van kosten van bijstand of inkomensvoorziening, voor zover het betreft verhaalsbedragen die op het moment van het besluit opeisbaar zijn, indien:
Geen kwijtschelding wordt toegepast voor zover alimentatie is verschuldigd op grond van een alimentatiebeschikking. Alleen voor zover de gemeente gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid op basis van die beschikking, met uitsluiting van de bijstandsontvanger, de alimentatie in te vorderen en voor zover het achterstallige alimentatie betreft.
Indien en voor zover de onderhoudsplichtige ook zijn toekomstige alimentatieverplichting wenst te herzien zal dit dienen te gebeuren in een herzieningsprocedure bij de rechtbank. Dit is een procedure tussen de ex-echtelieden. De gemeente is daarin geen partij.
Het college ziet af van het opleggen van een verhaalsbijdrage indien uit de draagkrachtberekening blijkt dat de vast te stellen maandelijkse verhaalsbijdrage minder dan € 50,- bedraagt.
Indien degene op wie verhaal wordt uitgeoefend niet uit eigen beweging bereid is de verschuldigde verhaalsbijdrage aan de gemeente te betalen, dan wel niet of niet tijdig tot betaling daarvan overgaat, kan het college besluiten tot verhaal in rechte over te gaan als bedoeld in artikel 62h van de Pw.
Indien de belanghebbende niet uit eigen beweging bereid is een opgelegde verhaalsbijdrage aan de gemeente te betalen dan wel niet of niet tijdig tot betaling daarvan overgaat, wordt overgegaan tot verhaal in rechte. Daartoe wordt een verzoekschrift ingediend bij de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam.
Artikel 28. Interne richtlijnen
Over alle genoemde onderwerpen in deze beleidsregels kan in interne richtlijnen een nadere regeling plaatsvinden. Deze interne richtlijnen worden vastgesteld door het college.
Artikel 29. Afwijken van bepalingen/ hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende afwijken van het bepaalde in deze beleidsregels, indien strikte toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Het uitgangspunt is steeds dat de beleidsregels voor eenieder leidend zijn en dat - uitsluitend indien naar het oordeel van het college onbillijke of onredelijke situaties ontstaan door toepassing van de bepalingen in deze beleidsregels - ten gunste van de klant kan worden afgeweken van deze beleidsregels.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-251298.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.