Gemeenteblad van Zundert
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zundert | Gemeenteblad 2026, 250491 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zundert | Gemeenteblad 2026, 250491 | beleidsregel |
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Zundert 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert;
gelezen het bepaalde in art. 160 lid 1b van de gemeentewet, de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 en de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zundert 2025
overwegende dat overwegende dat het noodzakelijk is beleidsregels vast te stellen ter uitvoering van de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zundert 2025;
Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat zonder voorafgaand onderzoek of individuele beschikking toegankelijk is voor inwoners. Deze voorzieningen zijn bedoeld om de zelfredzaamheid en participatie te ondersteunen en zijn laagdrempelig beschikbaar. Voorbeelden zijn welzijnsactiviteiten, inloopvoorzieningen of collectieve diensten. Een algemene voorziening is niet individueel afgestemd, maar kan wel bijdragen aan het voorkomen of verminderen van ondersteuningsvragen.
Algemeen gebruikelijke voorziening
Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die niet specifiek bedoeld is voor mensen met een beperking, die daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan zelfredzaamheid of participatie en financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.
Een beschikking is een schriftelijk besluit van het college waarin wordt vastgelegd of een inwoner wel of niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget. In de beschikking staat onder andere welke ondersteuning wordt toegekend, met welk doel, voor welke periode en onder welke voorwaarden. Ook bevat de beschikking informatie over bezwaar en beroep.
De cliënt is de inwoner die zich tot de gemeente wendt met een ondersteuningsvraag op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. De cliënt kan zelf de aanvraag doen of zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde of wettelijke vertegenwoordiger.
Een door de cliënt aangewezen persoon die met toestemming van de cliënt namens hem/haar optreedt richting de gemeente.
Een persoon die de cliënt op grond van de wet of een rechterlijke uitspraak vertegenwoordigt, zoals een ouder, voogd, curator, mentor of bewindvoerder.
Een collectieve voorziening is een voorziening die door meerdere personen tegelijk wordt gebruikt, maar die wel kan worden ingezet om individuele ondersteuningsbehoeften te compenseren. Kenmerkend is dat de voorziening niet exclusief voor één persoon is, maar in gezamenlijkheid wordt benut, zoals bijvoorbeeld collectief vervoer.
De eigen bijdrage is het bedrag dat een cliënt verschuldigd is voor het gebruik van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget. De hoogte en de wijze van inning worden landelijk geregeld en uitgevoerd. De eigen bijdrage kan nooit hoger zijn dan de kostprijs van de voorziening.
Met eigen kracht wordt bedoeld wat een cliënt zelf kan doen om beperkingen in het dagelijks functioneren te verminderen of op te lossen. Hierbij wordt gekeken naar de mogelijkheden, vaardigheden en inzet van de cliënt zelf, voordat professionele ondersteuning wordt ingezet.
Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde maatstaven mag worden verwacht van huisgenoten. Het gaat om normale, dagelijkse hulp in het huishouden en bij het functioneren in het dagelijks leven. Deze hulp wordt geacht onderdeel te zijn van het normale samenleven binnen een huishouden.
Mantelzorg is langdurige en onbetaalde zorg die wordt verleend aan iemand uit de directe omgeving, zoals een partner, familielid, vriend of buur. Mantelzorg is geen professionele zorg en is gebaseerd op een persoonlijke relatie. De gemeente heeft oog voor de positie en belasting van mantelzorgers.
Een maatwerkvoorziening is een individueel afgestemde voorziening die wordt toegekend op basis van een zorgvuldig onderzoek naar de persoonlijke situatie van de cliënt. De voorziening is bedoeld om de zelfredzaamheid en participatie te ondersteunen wanneer algemene of andere oplossingen onvoldoende zijn.
Het onderzoek is het proces waarin het college samen met de cliënt in kaart brengt wat de hulpvraag is, welke beperkingen er zijn, welke mogelijkheden de cliënt en zijn omgeving hebben en welke ondersteuning nodig is. Dit onderzoek vormt de basis voor het besluit over het al dan niet toekennen van een maatwerkvoorziening of pgb.
Een persoonsgebonden budget is een geldbedrag waarmee de cliënt zelf ondersteuning of voorzieningen kan inkopen. De cliënt is verantwoordelijk voor de besteding en verantwoording van het budget. Met een pgb kan de cliënt de ondersteuning meer naar eigen wensen en behoeften organiseren.
Reablement / herstelgericht werken
Reablement of herstelgericht werken is een manier van ondersteunen die gericht is op het (her)leren van vaardigheden en het vergroten van de zelfredzaamheid van de cliënt. De ondersteuning is tijdelijk en activerend van aard en heeft als doel dat de cliënt zoveel mogelijk weer zelf de regie en dagelijkse handelingen kan uitvoeren.
Het sociaal netwerk bestaat uit personen uit de directe omgeving van de cliënt, zoals familie, vrienden, buren en kennissen. Dit netwerk kan een belangrijke rol spelen bij het bieden van ondersteuning en het versterken van de zelfredzaamheid van de cliënt.
Een voorliggende voorziening is een voorziening of regeling op grond van een andere wet of regeling die voorrang heeft op ondersteuning vanuit de Wmo. Wanneer een dergelijke voorziening passend en beschikbaar is, wordt deze eerst benut voordat een beroep wordt gedaan op maatschappelijke ondersteuning.
Zelfredzaamheid is het vermogen van een persoon om de noodzakelijke dagelijkse handelingen zelfstandig uit te voeren en het eigen leven te organiseren. Het gaat om het functioneren in het dagelijks leven zonder of met zo min mogelijk ondersteuning.
Participatie betekent het kunnen meedoen in de samenleving. Het gaat om het onderhouden van sociale contacten, het deelnemen aan maatschappelijke activiteiten en het vervullen van rollen in het dagelijks leven.
Waar in deze beleidsregels wordt verwezen naar “hij”, wordt daaronder tevens verstaan: “zij”, “hen” en andere genderneutrale aanduidingen.
Onafhankelijke cliëntondersteuning
Gratis en onafhankelijke ondersteuning voor inwoners bij vragen over zorg en ondersteuning, het maken van keuzes en het vinden van passende hulp, zoals bedoeld in de Wmo 2015.
De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zundert hierna: verordening) geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo). Binnen de Wmo wordt er bekeken, wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en diens sociaal netwerk om zo lang mogelijk zelfstandig thuis te kunnen blijven wonen en deel te nemen aan de maatschappij. Waar nodig kan het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) in aanvulling hierop cliënt in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of, als dat niet volstaat, een maatwerkvoorziening verstrekken.
Wanneer een cliënt behoefte heeft aan ondersteuning kan hij bij het Wmo-loket zijn vraag stellen.
Er wordt altijd een zorgvuldige toegangsprocedure gevolgd. Dit is nodig om de hulpvraag, behoeften en gewenste resultaten van de cliënt duidelijk te krijgen. Ook wordt gekeken wat de cliënt zelf kan doen op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van zijn sociaal netwerk. Het doel is om de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te behouden of te verbeteren. Vervolgens wordt bepaald of een algemene voorziening voldoende is of dat een maatwerkvoorziening nodig is. Daarnaast wordt gekeken of er een voorliggende of andere voorziening is die niet onder de Wmo valt. De Wmo, de verordening en deze beleidsregel leggen deze toegangsprocedure daarom vast.
Als een cliënt zich niet kan vinden in het besluit van het college, dan kan hij bezwaar maken tegen dit besluit. Daarna kan hij eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. Tegen de beslissing op bezwaar kan beroep worden ingesteld. Tegen de uitspraak van de rechter staat hoger beroep open.
De Wmo en de verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door Wmo-consulenten. Waar in de verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de Algemene wet bestuursrecht (hierna).
Deze beleidsregel is een praktische vertaling van de verordening naar de uitvoering en zorgt voor transparantie en rechtszekerheid. Het college kan hierdoor consistent beleid voeren en inwoners weten waar ze aan toe zijn.
Overal waar in deze beleidsregels hij/hem geschreven staat, kan ook zij/haar of die/diens gelezen worden.
In artikel 2 tot en met 7 van de verordening is de procedure van het indienen en behandelen van een ondersteuningsvraag opgenomen. Deze artikelen worden hieronder verder uitgewerkt en toegelicht.
Wanneer een cliënt behoefte heeft aan ondersteuning kan hij bij het Wmo-loket zijn vraag stellen. Soms blijkt na een korte vraagverkenning dat informatie en advies voldoende is voor de cliënt om het ondervonden probleem op te lossen. Als dit niet het geval is, dan kan de cliënt een melding bij het Wmo-loket indienen. In principe ontvangt de cliënt binnen vijf werkdagen na de melding een bevestiging, dat zijn melding is ontvangen. Een melding kan schriftelijk, mondeling of elektronisch worden bevestigd. Bij de bevestiging wordt informatie verstrekt over:
2.3 Het gesprek en het verslag
De Wmo-consulent heeft na ontvangst van de melding met de cliënt een afspraak gemaakt voor een gesprek, het zogenaamde keukentafelgesprek. Voor zover daartoe aanleiding is, komen in dat gesprek ook andere domeinen (o.a. jeugd- en participatiewet) aan de orde. Wanneer deze domeinen van toepassing zijn, dan bespreekt de Wmo-consulent de melding met de consulenten jeugd- en/of participatiewet, voor zover de privacy dat toelaat en altijd in overleg met de cliënt.
Het gesprek vindt zo spoedig als mogelijk plaats, aangezien een daarop volgend onderzoek (zie artikel 2.4 hieronder) binnen zes weken na de melding moet zijn afgerond. Aan het gesprek neemt in ieder geval de Wmo-consulent en de cliënt deel en/of diens contactpersoon en zijn eventuele mantelzorger. Ook kan de onafhankelijke cliëntondersteuner erbij aanwezig zijn als de cliënt dat wenst. Indien een persoonlijk plan is ingediend door de cliënt wordt dit betrokken in het gesprek. De Wmo-consulent stuurt binnen 10 werkdagen na het gesprek de cliënt een gespreksverslag. Een ondertekend gespreksverslag kan door de cliënt gebruikt worden als aanvraag.
In dit gespreksverslag wordt een ondersteuningsplan opgenomen waarin de tijdens het gesprek gemaakte afspraken staan samengevat. De cliënt krijgt de mogelijkheid om op het gespreksverslag te reageren in de vorm van correcties en/of aanvullingen. Hierna wordt indien noodzakelijk het gespreksverslag aangepast; correcties en aanvullingen worden als bijlage bij het oorspronkelijke gespreksverslag aan het dossier toegevoegd. Deze komen dus niet in de plaats van het oorspronkelijke gespreksverslag, maar worden aan het oorspronkelijke gespreksverslag toegevoegd.
De cliënt wordt bij de aanbieding van het gespreksverslag gevraagd dit uiterlijk binnen twee weken ondertekend terug te sturen, al dan niet voorzien van bedoelde correcties of aanvullingen.
Indien een cliënt het gespreksverslag niet binnen drie weken ondertekend heeft teruggestuurd aan de Wmo-consulent, wordt ervan uitgegaan dat de cliënt geen behoefte meer heeft aan ondersteuning en wordt de melding afgesloten.
De Wmo-consulent doet op basis van de gegevens uit het gesprek onderzoek om te bepalen of de cliënt een voorziening of dienst op grond van de Wmo nodig heeft.
Bij het uitgebreide onderzoek naar de situatie van de cliënt is aandacht voor:
de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
Het aanvragen van een medisch advies, bij een door het college gecontracteerd bureau voor sociaal medisch advies, kan onderdeel uitmaken van het onderzoek. Dit onderzoek vindt ook uiterlijk binnen zes weken na de melding plaats.
De Wmo-consulent zal vervolgens samen met de cliënt verder uitzoeken welke voorziening het meest passend is in de situatie van cliënt. Een passing van een voorziening (bijvoorbeeld een rolstoel), een haalbaarheidstraining of een offerte laten opmaken door een woningaanpassingsbedrijf kan ook onderdeel uitmaken van het onderzoek.
Als cliënt (of gemachtigde van cliënt) het gespreksverslag ondertekent en het gespreksverslag is voorzien van zijn naam, Burgerservicenummer (BSN), geboortedatum en dagtekening, kan het gespreksverslag fungeren als aanvraagformulier voor een maatwerkvoorziening. Zonder de correcte persoonsgegevens en/of ondertekening wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. De datum waarop de aanvraag juist en volledig is ingediend door de cliënt bij het college, geldt als aanvraagdatum.
Indien het college een aanvraag ontvangt die door een ander bestuursorgaan behandeld moet worden, heeft het college een doorzendplicht (artikel 2:3 van de Awb). In de praktijk wordt contact opgenomen met cliënt om te vragen of de stukken moeten worden doorgezonden naar het juiste bestuursorgaan.
De cliënt ontvangt de beslissing op zijn Wmo-aanvraag binnen twee weken na indiening van de volledige aanvraag in de vorm van een beschikking. Indien het ernaar uitziet dat deze termijn niet gehaald kan worden, wordt de cliënt schriftelijk geïnformeerd over een verlenging van deze termijn.
In de beschikking staan in ieder geval de aanvraagdatum, de beslissing, de motivering van de beslissing en informatie over de effectuering van de beslissing. Voor een nadere toelichting op hetgeen wat opgenomen wordt in een beschikking, zie artikel 5.1 en 5.4 hieronder. De Wmo-consulent kan de cliënt vóór verzending van de beschikking telefonisch informeren over de beslissing. Tegen de beslissing zijn bezwaar, beroep en hoger beroep mogelijk.
3. Voorwaarden en verplichtingen voor een maatwerkvoorziening
Of iemand in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening wordt bepaald door de Wmo (zoals wie tot de doelgroep behoort en wat iemand zelf kan doen), de verordening (de voorwaarden om in aanmerking te komen) en deze beleidsregels. Daarnaast geldt, dat er sprake moet zijn van maatwerk. Iedere aanvraag wordt getoetst aan onderstaande toegangscriteria en weigeringsgronden.
3.1.1 Hoofdverblijf/Woonplaats
Een voorwaarde om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen is dat de cliënt zijn hoofdverblijf in Zundert heeft. De cliënt moet ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) van de gemeente Zundert. Hoofdverblijf betekent volgens jurisprudentie meer dan alleen ingeschreven staan in het BRP; de cliënt moet daadwerkelijk het grootste deel van de tijd in de gemeente Zundert verblijven. Als de cliënt kan aantonen dat hij op korte termijn in Zundert komt wonen, kan, als hij nog niet staat ingeschreven in het BRP, de melding in behandeling worden genomen. Er wordt dan wel een termijn afgesproken waarbinnen de inschrijving in het BRP geregeld moet zijn.
Voor het toekennen van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo geldt, dat de voorziening langdurig aantoonbaar noodzakelijk moet zijn ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt. Daarbij wordt door het college beoordeeld of er sprake is van een langdurige noodzaak.
Onder een langdurige noodzaak wordt verstaan:
In sommige gevallen kan ook bij een kortere duur sprake zijn van een noodzakelijke maatwerkvoorziening, bijvoorbeeld bij tijdelijke beperkingen na ziekenhuisopname. De beoordeling of sprake is van een kortdurende of langdurige noodzaak vindt plaats op basis van de individuele omstandigheden van de cliënt.
Bij een wisselend ziektebeeld, waarbij periodes van verbetering worden afgewisseld met terugval, kan eveneens sprake zijn van een langdurige noodzaak, mits dit medisch onderbouwd is.
Er wordt geen voorziening verstrekt op basis van wenselijkheid of gemak. De beoordeling vindt plaats op basis van het compensatiebeginsel, waarbij het doel is om de cliënt in staat te stellen zo zelfstandig mogelijk te functioneren en deel te nemen aan het maatschappelijk leven.
3.1.3 Eigen verantwoordelijkheid en gebruikelijke hulp
Onder eigen verantwoordelijkheid van een cliënt wordt verstaan het vermogen van een cliënt om op eigen kracht dan wel met de hulp van mantelzorger(s), personen uit het sociale netwerk en gebruikelijke hulp de belemmeringen redelijkerwijs zelf op te lossen. Oplossingen die een cliënt redelijkerwijs kan realiseren op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid gaan vóór op de verstrekking van een maatwerkvoorziening.
Daarnaast is het ook de verantwoordelijkheid van cliënt om in zijn woning periodiek onderhoud uit te voeren.
Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening, als de cliënt huisgenoten heeft die wel in staat zijn hulp te bieden bij bijvoorbeeld het voeren van een gestructureerd huishouden of het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen. Dit wordt gebruikelijke hulp genoemd.
3.1.4 Verantwoordelijkheden cliënt versus college
In de verordening worden de verantwoordelijkheid van het college en de verantwoordelijkheid van cliënt benoemd. In de Wmo wordt uitgegaan van wederzijdse inspanningen van zowel het college als cliënt. Er wordt zowel een beroep gedaan op het college om zeer uitgebreid alle mogelijkheden om tot oplossingen te komen te onderzoeken, als op de eigen kracht van de cliënt van wie wordt verwacht eerst zelf naar oplossingen te zoeken voordat bij het college om ondersteuning wordt gevraagd.
3.1.5 Voorliggende voorzieningen op grond van andere wet- of regelgeving
Als er een beroep kan worden gedaan op een voorziening/dienst op grond van andere wet- of regelgeving, zoals de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz), ziektekostenverzekering of het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (hierna: UWV), wordt er op grond van de Wmo geen voorziening/dienst verstrekt. Dit geldt ook gedurende de inzet van een maatwerkvoorziening Wmo. Als er gedurende voornoemde inzet een beroep kan worden gedaan op een andere voorziening of dienst, omdat dit bijvoorbeeld meer passend is, wordt de client binnen een redelijke termijn in de gelegenheid gesteld om daarvoor een aanvraag in te dienen. Zodra de indicatie is afgegeven, wordt de Wmo-maatwerkvoorziening door het college beëindigd.
Wanneer blijkt dat cliënt niet op eigen kracht of met hulp van het sociaal netwerk tot een oplossing kan komen, wordt beoordeeld of er zogenaamde algemene voorzieningen zijn die de problemen die cliënt ervaart (gedeeltelijk) kunnen oplossen. Algemene voorziening is een breed begrip en gedefinieerd in de Wmo. Het betreft voorzieningen waar iedereen, zonder indicatie of andere vorm van toegang en doorgaans tegen betaling, gebruik van kan maken. Algemene voorzieningen kunnen worden aangeboden door overheidsinstellingen of door particuliere bedrijven/organisaties. Voorbeelden van algemene voorzieningen kunnen zijn:
3.1.7 Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Er wordt op grond van de Wmo geen voorziening verstrekt wanneer het probleem van de cliënt opgelost kan worden met een algemeen gebruikelijke voorziening. Een algemeen gebruikelijke voorziening in het kader van de Wmo is een voorziening, die:
Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen zijn:
3.1.8 Collectieve voorzieningen
Collectieve voorzieningen zijn voorzieningen die individueel worden verstrekt, maar die door meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Collectief vervoer (deeltaxi) is een voorbeeld van een collectieve voorziening.
Zowel bij de algemene, als bij de algemeen gebruikelijke als bij de collectieve voorziening wordt onderzocht of deze:
Alleen wanneer is aangetoond dat een collectieve voorziening niet geschikt is voor de cliënt, kan een individuele voorziening worden verstrekt door het college.
3.1.9 Goedkoopst adequate maatwerkvoorziening
De verstrekking van een maatwerkvoorziening of pgb door het college is altijd gebaseerd op de goedkoopst adequate voorziening. Er zijn vaak meerdere geschikte oplossingen, maar er wordt gekozen voor de oplossing die naar objectieve maatstaven het goedkoopste is. Indien cliënt een duurdere voorziening wil (die eveneens adequaat is) komen de meerkosten voor rekening van cliënt.
Een voorziening kan ook bestaan uit compensatie van noemenswaardige meerkosten ten opzichte van de algemeen gebruikelijke kosten, die iemand voor de noodzakelijke voorziening moet maken. Bijvoorbeeld een auto of fiets met (specifiek vanwege de beperking noodzakelijke) aanpassingen.
3.2.1 Vermijdbaarheid en voorzienbaarheid
De cliënt kan alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komen als de noodzaak tot ondersteuning redelijkerwijs niet vermijdbaar was en niet voorzienbaar was. Achtergrond is dat van iedereen mag worden verwacht tijdig te anticiperen op ondersteuningsvragen die te voorzien zijn, door rekening te houden met zijn of haar beperkingen in keuzes die worden gemaakt.
Bijvoorbeeld het verhuizen naar een woning waarvan op het moment van verhuizing duidelijk is, dat deze niet geschikt is voor de cliënt en/of zijn huisgenoten. Of de betreffende woning is bijvoorbeeld niet bedoeld voor permanente bewoning. In beide voorbeelden bestaat er geen aanspraak op een woonvoorziening.
Voorzienbaarheid moet door het college goed onderzocht en in kaart gebracht worden.
3.2.2 Vervanging en schade aan eerder verstrekte voorzieningen
Afschrijving en herhaalde aanvragen
Een cliënt komt in beginsel niet in aanmerking voor een nieuwe maatwerkvoorziening, als de aanvraag betrekking heeft op een eerder verstrekte voorziening waarvan de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken. Het college bedoelt met de ‘normale afschrijvingstermijn’ hoe lang een voorziening technisch meegaat.
Als de normale afschrijvingstermijn is verstreken, dan betekent dat niet dat het college ook verplicht is om een voorziening te vervangen. Als de voorziening nog goed werkt en geschikt is voor de cliënt, ook al is die volgens economische regels afgeschreven, dan kan het college besluiten om geen nieuwe maatwerkvoorziening toe te kennen. De afschrijvingstermijn wordt vastgesteld op basis van de gebruikelijke levensduur van de voorziening. De normale afschrijvingstermijnen van voorzieningen zijn in bijlage 2 opgenomen.
Uitzondering bij verlies of schade
Een uitzondering op het bovenstaande kan door het college worden gemaakt, als de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan of onbruikbaar is geworden als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen. Hieronder wordt mede verstaan schade die normaliter gedekt wordt door een opstal- of inboedelverzekering.
In dat geval wordt van de cliënt verwacht dat hij:
Indien de cliënt aantoonbaar niet in staat was zich te verzekeren of als het onredelijk is om hem op de verzekering of aansprakelijkstelling te wijzen (bijvoorbeeld bij acute noodzaak of overmacht), kan het college besluiten alsnog een voorziening te verstrekken.
Een maatwerkvoorziening of pgb wordt door het college afgewezen, als de cliënt op het moment van het indienen van de aanvraag zelf al in de kosten waarop de gevraagde voorziening ziet, heeft voorzien.
3.2.4 Geen aanleiding voor verhuizen
Aanspraken op maatwerkvoorzieningen die het gevolg zijn van een verhuizing vanuit een voor de cliënt geschikte woning en waarvoor dus geen noodzaak bestaat, leiden tot afwijzing. Dat is anders indien er een belangrijke reden voor de verhuizing bestaat, dit voor de verhuizing gemeld is door de cliënt aan het college. In deze situaties mag verwacht worden dat de cliënt vooraf contact opneemt met het college, zodat het college mee kan bepalen wat de goedkoopst adequate oplossing is. Onder belangrijke redenen kan bijvoorbeeld worden verstaan: het gaan samenwonen, huwelijk, echtscheiding of het aanvaarden van werk op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is voor cliënt. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is steeds afhankelijk van een weging van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden.
3.2.5 College niet vooraf geïnformeerd
Uit de jurisprudentie blijkt dat van cliënten mag worden verwacht, dat ze eerst contact opnemen met het college voordat ze een andere woning huren of kopen of een (nieuw) gehuurde of gekochte woning willen gaan aanpassen. Het college moet de gelegenheid krijgen om vooraf eventuele alternatieven en de goedkoopst adequate oplossing in kaart te brengen met cliënt. Het is aan cliënt om tijdig maar in ieder geval ruim voordat men een huurcontract of (voorlopig) koopcontract aangaat, contact op te nemen met het college.
De cliënt heeft de volgende verplichtingen:
De cliënt moet uit zichzelf melden of op verzoek van het college informatie verstrekken als er iets verandert, dat invloed kan hebben op het (eerdere) besluit over de maatwerkvoorziening of het pgb.
Dit stelt het college in staat om te beoordelen of het beroep op die maatwerkvoorziening of het daaraan gekoppelde pgb (nog) terecht is. Verstrekt de cliënt niet uit eigen beweging of op verzoek van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan heeft dat gevolgen voor de toekenning van de maatwerkvoorziening of het daaraan gekoppelde pgb. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook na toekenning van de maatwerkvoorziening of pgb concrete informatie en bewijsstukken van de cliënt vragen.
Het niet naleven van de inlichtingenverplichting kan leiden tot:
Op verzoek van het college is de cliënt verplicht medewerking te verlenen aan het onderzoek en daarna. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het verlenen van medewerking aan een oproep van het college om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met de (beoordeling van de) aanspraak op een maatwerkvoorzieningen of pgb. Deze medewerkingsplicht geldt bijvoorbeeld ook voor huisgenoten, als het gaat om de beoordeling van eventuele gebruikelijke hulp.
Het niet of onvoldoende meewerken kan leiden tot:
3.4.1 Bij een beleidswijziging
Het college kan een maatwerkvoorziening of een pgb herzien of intrekken als gevolg van een beleidswijziging (zie artikel 2.3.9 van de Wmo). Het college zal in die gevallen tijdig de nodige communicatie daartoe verzorgen en daarbij de situatie van elke cliënt zorgvuldig en nader onderzoeken. Wanneer dit leidt tot een gewijzigde indicatie, zal herziening of intrekking van de maatwerkvoorziening of het pgb met in acht name van een redelijke overgangstermijn worden geëffectueerd.
Artikel 2.3.10, eerste lid, van de Wmo geeft aan, dat het college een beslissing tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of pgb kan herzien dan wel intrekken. Deze bevoegdheid kan worden toegepast wanneer:
Wanneer één van de hiervoor genoemde situaties zich voordoet, zal het college de bevoegdheid tot herziening of intrekking toepassen. Hier gaat een zorgvuldige belangenafweging aan vooraf. In dat kader zal de cliënt (op grond van artikel 4:8 van de Awb) ook vooraf moeten worden gehoord. Daar waar mogelijk zullen intrekking en een terugvordering in één besluit worden gecombineerd.
In artikel 2.4.1, eerste lid, van de Wmo en in artikel 15 van de verordening is, ten aanzien van een besluit tot intrekking van een maatwerkvoorziening of een pgb op grond van artikel 2.3.10, eerste lid onder a, van de Wmo, de bevoegdheid van het college tot terugvordering geregeld. De mogelijkheid tot terugvordering is op grond van de Wmo beperkt tot schending van de inlichtingenplicht en die schending moet bovendien opzettelijk hebben plaatsgevonden.
Het college hanteert als uitgangspunt, dat bij een opzettelijke schending van de inlichtingenplicht tot terugvordering van de geldwaarde van de maatwerkvoorziening of het pgb wordt overgegaan. Daarvan ziet het college slechts af, als objectief wordt vastgesteld dat de gemeente niet (in financiële zin) is benadeeld.
Van het opzettelijk schenden van de inlichtingenplicht is naar het oordeel van het college in ieder geval sprake wanneer de cliënt, of degene die daaraan zijn medewerking heeft verleend, wist of behoorde te weten dat de informatie die hij niet, niet tijdig dan wel onvolledig aan het college heeft overgelegd van invloed kon zijn op het vaststellen van het recht op een maatwerkvoorziening of pgb en is vastgesteld dat die informatie niet, niet tijdig dan wel onvolledig aan het college is overgelegd.
In de beschikking wordt opgenomen, onder welke omstandigheden van de cliënt en/of zijn netwerk wordt verlangd welke informatie wanneer aan het college moet worden overgelegd. Het voorgaande moet niet limitatief worden opgevat. Ook in andere situaties kan sprake zijn van opzet. Het is aan het college om dit te onderbouwen en het besluit tot terugvordering te motiveren.
4. Regels voor bijdrage van een cliënt voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen
In artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo is opgenomen, dat het college in de verordening kan bepalen dat een cliënt een bijdrage in de kosten is verschuldigd voor het gebruik van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen, dan wel een pgb.
Voor algemene voorzieningen kan een bijdrage van de cliënt worden gevraagd door de aanbieder van deze voorzieningen voor algemeen gebruikelijke kosten. Algemeen gebruikelijke kosten zijn bijvoorbeeld,een bedrag voor koffie, thee, maaltijden, materiaalkosten voor cursussen/activiteiten of bezorgkosten.
In artikel 12 van de verordening is bepaald, dat een cliënt een bijdrage in de kosten is verschuldigd aan het college voor een maatwerkvoorziening, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. Voor maatwerkvoorzieningen geldt dat de bijdrage van de cliënt niet hoger mag zijn dan de kostprijs van de voorziening. Als het college een maatwerkvoorziening verstrekt in de vorm van een gehuurde voorziening (bijvoorbeeld een scootmobiel of tillift), wordt de huurprijs aangemerkt als de kostprijs.
In dat geval is de cliënt een bijdrage verschuldigd gedurende de periode waarin de voorziening feitelijk in gebruik is. Deze bijdrage wordt geïnd conform de regels van het Centraal Administratie Kantoor (hierna: CAK), tenzij anders bepaald.
Cliënten die gebruik maken van één of meerdere maatwerkvoorzieningen betalen een eigen bijdrage, zoals dat in artikel 2.1.4.a, lid 4 van de Wmo is vastgelegd. Dit geldt voor alle cliënten ongeacht inkomen of vermogen.
Wettelijk is geregeld, dat het CAK de eigen bijdrage vaststelt, oplegt en int. Vervolgens vindt door het CAK afdracht aan het college plaats.
Bij alle maatwerkvoorzieningen is een bijdrage in de kosten verschuldigd, met uitzondering van wat bepaald is in artikel 3.8, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo. Ook in artikel 12, vijfde lid, van de verordening zijn uitzonderingen opgenomen.
5. Voorziening in natura of pgb - Algemeen
Op basis van de wet zijn er twee manieren waarop een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt:
Persoonsgebonden budget (hierna: pgb): Het pgb is een bedrag waarmee de cliënt zelf zorg of ondersteuning regelt. Cliënten met een pgb bepalen zelf waar, wanneer en van wie zij de zorg krijgen. Dit is een wettelijk verplicht alternatief, waarbij de betaling verloopt via de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB). Een uitzondering geldt voor een eenmalig toegekend pgb.
Volgens de Wmo is het belangrijk, dat een cliënt vooraf goed begrijpt wat een pgb inhoudt en welke verantwoordelijkheden daarbij horen. Tijdens het gesprek en de aanvraagprocedure zal de Wmo-consulent de cliënt informeren en toetsen of cliënt in aanmerking komt voor een pgb. Daarnaast biedt de SVB voorlichting en ondersteuning aan.
Een voorziening in natura wordt door het college bij beschikking verstrekt.
In de beschikking wordt in ieder geval opgenomen:
De verdere uitwerking van in natura maatwerkvoorzieningen is in andere hoofdstukken van deze beleidsregels beschreven.
Een pgb kan een geschikt instrument zijn voor de cliënt om de ondersteuning naar eigen wensen en behoeften in te vullen.
5.2.1 Voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb
Een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt alleen toegekend als de cliënt of vertegenwoordiger/gemachtigde hier gemotiveerd om vraagt, bekwaam is en daarbij een pgb-plan indient.
Dit pgb-plan moet door of namens de cliënt zijn opgesteld en laat zien:
Het college beoordeelt of het pgb-plan aan deze eisen voldoet.
Daarnaast gelden voor een pgb dezelfde kwaliteitseisen als voor zorg in natura. Dat betekent dat:
5.2.2 Bekwaamheid van de aanvrager
Voorafgaand aan het toekennen van pgb vindt altijd een pgb-vaardigheidstoets plaats.
De pgb-vaardigheidstoets (of pgb-vaardigheidsscan) is bedoeld om te beoordelen of een budgethouder (cliënt of zijn vertegenwoordiger/gemachtigde ) in staat is om een pgb te beheren.
De toets of scan is gebaseerd op 10 kernvaardigheden die nodig zijn voor een budgethouder. Dit zijn:
Een onafhankelijke cliëntondersteuner of een persoon die vanuit zijn of haar specifieke professionele rol verbonden is aan een cliënt, kan niet optreden als budgethouder van een pgb. Deze bepaling is bedoeld om de onafhankelijkheid van de ondersteuning te waarborgen en belangenverstrengeling te voorkomen. De budgethouder moet altijd iemand zijn die losstaat van de professionele ondersteuning of begeleiding van de cliënt.
5.3 Eigen verantwoordelijkheden van de budgethouder
De budgethouder is altijd zelf verantwoordelijk voor, indien van toepassing:
De SVB zal ondersteuning bieden bij het uitvoeren van de administratieve taken. Degene die ingeschakeld wordt door de budgethouder voor het uitvoeren van de maatwerkvoorziening (de zorgverlener) is zelf verantwoordelijk voor het doorgeven van loongegevens aan de belastingdienst.
In de Wmo is de verplichting opgenomen, dat het college het pgb uitbetaalt in de vorm van trekkingsrecht. Dit houdt in, dat het college het pgb niet op de bankrekening van de budgethouder stort, maar op rekening van de SVB. De budgethouder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren hulp zijn geleverd en de SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling aan de zorgverlener. De niet besteedde pgb-bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan het college. Het voorgaande is niet van toepassing op verstrekking van een eenmalig pgb.
Hierbij wordt uitgegaan van het bedrag van de goedkoopst adequate voorziening in natura. Het college kan onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (bijvoorbeeld werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s). De maximale hoogte van een pgb is begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Tussenpersonen, belangbehartigers en de eigen bijdrage mogen niet uit het pgb betaald worden.
De Wmo gaat uit van maatwerk door te kijken naar de beperkingen die iemand ondervindt, het te behalen resultaat en de oplossingen die daarbij passen. Twee personen met dezelfde beperking kunnen voor andere voorzieningen in aanmerking komen, omdat zij op andere terreinen beperkingen ondervinden of over verschillende oplossingen beschikken. Het is in deze beleidsregels dan ook niet de bedoeling om een lijst op te stellen waar iemand voor in aanmerking komt met een bepaalde beperking. Per cliënt wordt eerst gekeken naar de mogelijkheden om zelf of in het netwerk oplossingen te vinden voor zijn beperking. Wel is getracht om, mede op basis van jurisprudentie, richtlijnen te geven waarin een maatwerkvoorziening passend is.
Maatwerkvoorzieningen worden resultaatgericht afgegeven en zijn gericht op het bereiken van het resultaat. De Wmo-consulent bekijkt samen met de cliënt welke resultaten behaald moeten worden (“het WAT”) en welke aandachtsgebieden nodig zijn. Op welke manier (“het HOE”) de resultaten en daarmee samenhangend de aandachtsgebieden het beste gerealiseerd kunnen worden, wordt overgelaten aan de aanbieder van de maatwerkvoorziening in overleg met de cliënt.
In de Wmo zijn in ieder geval de volgende resultaatgebieden te vinden:
6.1 Huishoudelijke ondersteuning: Het voeren van een gestructureerd huishouden
Sinds 2016 wordt er binnen de Wmo bij de huishoudelijke ondersteuning gewerkt volgens resultaatgerichte indicering en -financiering.
6.1.1. Resultaat gericht werken
Zelfredzaamheid is in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Bij het kunnen participeren en zelfredzaam zijn mag de huishouding geen obstakel vormen. Het hoeft niet overal 'spic en span’ te zijn, maar het huishouden moet 'op orde’ zijn. Er kan goed en veilig geleefd worden, het vormt een basis, waar de cliënt mensen kan ontvangen en van waaruit de cliënt kan participeren in de samenleving.
Een gestructureerd huishouden wordt uitgewerkt in vijf aandachtsgebieden:
1) Een schoon en leefbaar huis
Een schoon huis betekent dat het huis stof- en vlekvrij is, zodanig dat het niet vervuild is. Daarom dient er periodiek binnenshuis te worden schoongemaakt. Schoon volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Dit kan heel praktisch betekenen, dat de uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden niet helemaal voldoen aan de persoonlijke standaard en verwachtingen van iedere cliënt afzonderlijk. Dat betekent dat er niet wordt schoongemaakt uit gewoonte, maar om te voorkomen dat het vervuilt. De inzet moet echter wel in alle redelijkheid en in voldoende mate aansluiten bij de persoonlijke situatie (mogelijkheden en beperkingen) en de leefwijze (gezinssamenstelling en gezondheid) van een cliënt. De cliënt moet eerst zelf al het mogelijke gedaan hebben om vervuiling te beperken.
Leefbaar betekent dat het huis opgeruimd is en dat de cliënt gebruik kan maken van alle primaire leefruimten.
Onder huis wordt verstaan alle primaire leefruimten, die door een leefeenheid daadwerkelijk voor het daarvoor bestemde doel frequent gebruikt worden in de woning: woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer, toilet, trap, overloop en hal.
2) Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften
In elk huishouden zijn boodschappen voor de dagelijkse levensbehoeften (voedsel, toilet- en schoonmaakartikelen) en activiteiten nodig. Het is heel normaal, dat mensen eenmaal in de week een grote voorraad boodschappen in huis halen. In het algemeen geldt, dat het verzorgen van de boodschappen niet geïndiceerd wordt als maatwerkvoorziening. Hiertoe wordt in de meeste gevallen gebruik gemaakt van een algemeen gebruikelijke dienst (zoals de plaatselijke boodschappendienst) of het sociale netwerk van cliënt zet zich hiervoor in. Uitsluitend wanneer het eigen netwerk en een boodschappenservice geen optie is, kan een indicatie worden afgegeven van in principe één keer per week boodschappen halen en opbergen. Hieronder vallen niet de grotere inkopen zoals kleding en duurzame goederen, zoals apparaten.
Het uitgangspunt voor het te behalen resultaat met betrekking tot maaltijden is, dat de broodmaaltijden worden bereid en klaargezet en een warme maaltijd wordt opgewarmd en/of klaargezet. In de meeste situaties kan van een algemeen gebruikelijke dienst, zoals maaltijdservice voor de warme maaltijd, gebruik worden gemaakt. Ook zijn er kant-en-klaar maaltijden te koop die een oplossing kunnen bieden. Tevens biedt het eigen sociale netwerk van de cliënt mogelijk opties. Uitsluitend wanneer het eigen netwerk of een maaltijdservice geen optie is (bijvoorbeeld geen leveringsgebied), kan een indicatie worden afgegeven voor het opwarmen van de maaltijd en/of voor het klaar maken van de broodmaaltijden.
3) Beschikken over schone en draagbare kleding
Het doel van dit aandachtsgebied is, dat de cliënt beschikt over schone kleding. Het omvat het wassen, het drogen en/of vouwen van kleding en het terugleggen van kleding in de garderobekast. Indien noodzakelijk wordt de kleiding gestreken. Verwacht wordt, dat de cliënt beschikt over een wasmachine. Als die er niet is, behoort het aanschaffen van een wasmachine tot de verantwoordelijkheid van de cliënt, aangezien een wasmachine als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd.
Daarnaast wordt van de cliënt verwacht, dat de reikwijdte van de ondersteuning tot een minimum wordt beperkt door bijvoorbeeld de aanschaf van een wasdroger of kleding die niet gestreken hoeft te worden. De dagelijkse kleding moet met enige regelmaat worden gereinigd. Het gaat dan om het wassen, drogen, eventueel strijken en opvouwen. Uitgegaan wordt van 1 maal per week. Op grond van de persoonlijke situatie van een cliënt kan er in overleg tussen aanbieder en cliënt een afwijkende frequentie worden vastgelegd in het leveringsplan. Begeleiden bij het kopen van kleding hoort niet binnen dit aandachtsgebied.
Via de collectieve maatwerkvoorziening: het WasPunt
Cliënten die vanwege hun beperking in aanmerking komen voor het aandachtsgebied "beschikken over schone en draagbare kleding" kunnen gratis gebruik maken van het WasPunt. Dit is een collectieve maatwerkvoorziening. Een cliënt komt voor het WasPunt in aanmerking, als hij niet zelf en/of met behulp van zijn omgeving de wasverzorging uit kan voeren. Het WasPunt is voor het wassen, drogen, eventueel strijken en vouwen van het wasgoed. Het wasgoed wordt één keer per week op een vaste ochtend thuis opgehaald en vervolgens weer binnen twee dagen bij de cliënt thuisgebracht. Er kunnen maximaal drie waszakken (witte, lichtbonte en bonte was) per week worden meegegeven. In principe wordt de was gedroogd in de droger. De kleding die niet in de droger kan, wordt opgehangen. De schone was gaat gevouwen in een wasmand. Het WasPunt wast onder andere geen vitrage, overgordijnen, dekbedden, spreien en jassen.
Als om medische of andere zwaarwegende redenen het wassen van de kleding niet via het WasPunt gedaan kan worden, wordt de was door de medewerker van de zorgaanbieder gedaan en kan het aandachtsgebied "beschikken over schone en draagbare kleding" als individuele maatwerkvoorziening worden geïndiceerd.
4) Advies, Instructie en voorlichting
Het doel van dit aandachtsgebied is om de cliënt te leren om zelfstandig of met lichte ondersteuning de huishoudelijke taken uit te voeren. De activiteit is gericht op het aanleren van activiteiten en samen uitvoeren van activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis en de wasverzorging en/of het zelf doen van boodschappen en het bereiden van maaltijden.
Dit aandachtsgebied is alleen van toepassing als een cliënt ontwikkelbaar is.
5) Het thuis kunnen zorgen voor kinderen, die tot het gezin behoren
De zorg voor kinderen, die tot het huishouden behoren, is primair een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders ervoor zorg dragen dat er op tijden dat zij beiden werken, opvang voor de kinderen is. Dat kan worden ingevuld op de manier waarop zij dat willen (oppas, grootouders, kinderopvang), maar het is een eigen verantwoordelijkheid.
Dat is niet anders in de situatie dat één of beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie moet een permanente oplossing worden gezocht. Kan/kunnen de ouder(s) deze rol tijdelijk niet vervullen, waarbij het gaat om een onvoorziene, acute, situatie, dan kan aanvullend op de eigen mogelijkheden extra huishoudelijke ondersteuning voor de duur van maximaal 3 maanden worden geïndiceerd. Het gaat nooit om een volledige overname. De Wmo heeft in deze vooral een taak om tijdelijk in te springen, zodat ruimte ontstaat om een goede oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost, zodat gezocht kan worden naar een permanente oplossing.
6.1.3. Alleen maatwerkvoorziening als er geen andere oplossingen zijn
Huishoudelijke ondersteuning wordt alleen geboden, wanneer er geen andere oplossingen zijn die problemen op dit leefgebied kunnen voorkomen of oplossen. Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd, dan wel kunnen worden aangeleerd (reablement), behoren dan ook tot de eigen verantwoordelijkheid. In de dagelijkse praktijk kan dit ook betekenen, dat een deel van het huishouden door de cliënt wordt uitgevoerd en voor een ander deel (tijdelijk als er sprake is van reablement) ondersteuning wordt geboden. Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking aan een zo efficiënt mogelijke ondersteuning. Dit betekent, dat van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en de planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt aan het zo mogelijk voorbereiden van de was en het ergonomisch verantwoord inrichten van de woning.
6.1.4. Hanteren van cliëntprofielen
Bij de inzet van huishoudelijke ondersteuning wordt gekeken, naar de wijze waarop de cliënt kan worden gestimuleerd om zelf huishoudelijke werkzaamheden te blijven doen of weer te gaan doen. Daarom wordt gewerkt met twee cliëntperspectieven, te weten:
We verstaan onder ontwikkeling en stabilisatie het volgende:
Ontwikkeling : met de cliënt wordt toegewerkt naar ontwikkeling in zijn of haar zelfredzaamheid, waardoor geen of minder huishoudelijk ondersteuning vanuit de Wmo noodzakelijk is.
Stabilisatie : er is sprake van een behoefte aan huishoudelijke ondersteuning vanuit de Wmo, omdat de cliëntsituatie en de mogelijkheden van diens netwerk zich er niet toe lenen om zich te ontwikkelen om de huishoudelijke taken volledig of deels zelfstandig uit te (gaan) voeren.
NB: Er kan ook sprake zijn van achteruitgang in de situatie van de cliënt. Voor de taken die de huishoudelijke ondersteuning uitvoert, die gericht zijn op een schoon en leefbaar huis, heeft dit geen consequenties. Behalve dat de ondersteuningsbehoefte zo groot kan worden, dat de huishoudelijke ondersteuning wordt overgenomen door de Wlz.
Als de cliënt huisgenoten heeft die in staat zijn de huishoudelijke werkzaamheden over te nemen, komt de cliënt niet in aanmerking voor huishoudelijke ondersteuning. Volgens algemeen aanvaarbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met jurisprudentie. Gebruikelijke hulp heeft dus een verplichtend karakter en hierbij wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, drukke werkzaamheden of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden. Er kunnen zich bijzonderheden voordoen waardoor de gebruikelijke hulp niet kan worden verleend. Denk bijvoorbeeld aan overbelasting of dreigende overbelasting.
6.1.6. Volwassene, jongeren en kinderen
Iedere volwassene wordt geacht, ook naast een (drukke) baan en/of gezin, een huishouden te voeren. Jonge volwassenen in de leeftijd van 18 tot 23 jaar worden geacht een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Vanaf 23 jaar wordt iemand geacht een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren. Van kinderen in de leeftijd tussen twaalf en achttien jaar wordt verwacht dat zij hun eigen kamer schoonhouden en een bijdrage leveren in de licht huishoudelijke taken (zoals tafel afruimen, afwassen, kleding in de wasmand doen of kleine boodschappen halen).
Uitzondering op één of meer van bovenstaande huishoudelijke taken kan worden gemaakt, als de 18 tot 23-jarige zelf beperkingen heeft en/of er sprake is van (mogelijke) overbelasting en/of een negatieve invloed op schoolprestaties.
6.1.7. Leefeenheid en/of huisgenoot
Aangezien bij iedere aanvraag een onderzoek naar de individuele kenmerken en mogelijkheden van de cliënt wordt gedaan, is het mogelijk om af te wijken van gebruikelijke hulp. Uit jurisprudentie volgt, dat als een huisgenoot afwezig is met een verplichtend karakter én er sprake is van taken die niet uitgesteld kunnen worden er geen gebruikelijke hulp kan worden verwacht. Als dat niet (volledig) kan, kan een (gedeeltelijke) maatwerkvoorziening worden toegekend.
Wel zal eerst onderzocht worden welke andere eigen en/of voorliggende oplossingen beschikbaar zijn (binnen het gezin/sociale netwerk).
Voor huisgenoten die aangeven geen huishoudelijke taken over te kunnen nemen, omdat ze niet weten hoe dit moet en dit nog nooit hebben gedaan, kan korte tijd huishoudelijke ondersteuning worden ingezet om de huisgenoot de vaardigheden aan te leren.
Wanneer een huisgenoot overbelast blijkt te zijn of dreigt te worden door de zorg voor cliënt, kan tijdelijk huishoudelijke ondersteuning worden ingezet. Voor een objectieve beoordeling van (dreigende) overbelasting zal in de meeste gevallen een medisch adviseur geraadpleegd worden. Van cliënt en huisgenoot wordt dan verwacht, dat zij onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de overbelasting te verminderen, zodat op den duur de huishoudelijke taken weer door de huisgenoot kunnen worden overgenomen. Alleen wanneer blijkt dat - na een tijdelijke indicatie - ondanks pogingen van betrokkenen om tot oplossingen te komen het echt niet mogelijk is om de overbelasting te reduceren, kan langduriger huishoudelijke ondersteuning worden ingezet. Tevens geldt dat eerst onderzocht wordt welke andere eigen en/of voorliggende oplossingen dan wel voorzieningen beschikbaar zijn (binnen het gezin/sociale netwerk).
Veel personen zijn bereid mantelzorg te verlenen. Deze vorm van vrijwillige ondersteuning door derden, doorgaans niet behorend tot de leefeenheid, gaat voor op ondersteuning van het college. Tegelijk is deze vorm van vrijwillige hulp niet afdwingbaar en daarmee in de praktijk vaak incidenteel en aanvullend op andere vormen van zorg. Indien noodzakelijk kan de gemeentelijke ondersteuning bestaan uit tijdelijke vervanging van de mantelzorger.
6.1.9. Algemene voorziening - algemeen gebruikelijke voorziening
Als eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg of vrijwilligershulp geen of onvoldoende oplossing bieden, wordt bekeken of een algemene voorziening een (gedeeltelijke) oplossing kan bieden. Om van een algemene voorziening gebruik te kunnen maken, wordt niet naar de specifieke individuele behoefte aan maatschappelijke ondersteuning gekeken. Dat is bij een maatwerkvoorziening wel het geval. Denk bijvoorbeeld aan een maaltijdservice (tafeltje-dek-je) of vrijwilligers.
Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening als de beperkingen van de cliënt met een voor hem als algemeen gebruikelijk te beschouwen zaak of dienst kunnen worden opgelost dan wel vermindert. Bij algemeen gebruikelijke zaken voor een schoon en leefbaar huis kan onder andere worden gedacht aan algemene technische hulpmiddelen: afwasmachine, aangepast bestek, (robot)stofzuiger, steelstofzuiger, wasmachine, wasdroger, verhoging voor wasmachine of wasdroger.
6.1.10. Invloed van de woonvorm
Als mensen zelfstandig samenwonen op één adres en gemeenschappelijke ruimte(n) delen, wordt verwacht dat het aandeel in het schoonmaken van de gedeelde ruimtes bij uitval van één van de bewoners wordt overgenomen door een andere bewoner. Bij kamerverhuur wordt de huurder van de betreffende ruimte niet als een huisgenoot gezien van wie gebruikelijke hulp wordt verwacht. Dat er sprake is van kamerhuur, moet met een huurovereenkomst worden aangetoond.
Huishoudelijke ondersteuning wordt bij meerdere bewoners alleen geleverd in de woonruimte van cliënt en een evenredig deel van het schoonmaken van de gemeenschappelijke ruimte. Hierbij kan worden gedacht aan woongroepen, vormen van beschermd wonen of meerdere generaties in één huis.
Voor de aanwezige beschermde woonvormen wordt specifiek op de situatie afgestemde ondersteuning geïndiceerd. Hierbij wordt naast de eigen mogelijkheden van de bewoners ook rekening gehouden met het doel en de intensiviteit van het gebruik van de gemeenschappelijke ruimtes.
Een grotere woning leidt niet vanzelfsprekend tot meer inzet van ondersteuning. Er wordt uitgegaan van het niveau van sociale woningbouw.
In vakantiewoningen, tweede woningen, hotels/pensions, kamerhuur c.q. huisvesting niet bedoeld voor permanente bewoning wordt geen huishoudelijke ondersteuning verstrekt. Aangezien een vakantie doorgaans van korte duur is, is er sprake van uitstelbare taken of kan schoonmaak bij de verhuurder worden ingekocht. Ook wanneer men langer verblijft in de hierboven genoemde woonvormen, wordt geen huishoudelijke ondersteuning verstrekt.
6.1.11. Invloed van aanwezigheid huisdieren
De aanwezigheid van een huisdier, behoudens een hulphond, geeft in beginsel geen aanleiding tot het vaststellen van extra activiteiten of het voorzien in een hogere frequentie van huishoudelijke ondersteuning.
6.1.12 Huishoudelijke ondersteuning na overlijden
Voortzetten hulp na overlijden huisgenoot of bij permanente opname van de cliënt (naar bijvoorbeeld een verpleeghuis met Wlz indicatie)
Wanneer binnen een leefeenheid de cliënt overlijdt wordt onderzocht of huishoudelijke ondersteuning nodig is voor de overgebleven partner. Dit beleid is ook van kracht als er sprake is van een permanente opname van de cliënt.
6.1.13 Maatwerkvoorziening Huishoudelijke Ondersteuning - Producten
Als eerder onderzoek door een Wmo-consulent niet heeft geleid tot een (volledige) oplossing van de hulpvraag van de cliënt, zal het college een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van:
Voor de doelgroep huishoudelijke ondersteuning plus, wordt een maatwerkvoorziening verstrekt in de vorm van:
6.1.14. Huishoudelijke ondersteuning plus
Huishoudelijke ondersteuning plus (ontwikkeling of stabilisatie) wordt ingezet als er sprake is van gedragsproblematiek. Hierbij heeft of toont de cliënt grensoverschrijdend gedrag waardoor de huishoudelijke hulp, naast het huishouden, ook extra inzet moet plegen op het disfunctioneren van de leefeenheid. Hier zijn bijzondere vaardigheden van de huishoudelijke hulp nodig om met de situatie ter plaatse om te kunnen gaan om een schoon en leefbaar huis te kunnen realiseren. Denk bij gedragsproblemen als de cliënt zich negatief, dwars, opstandig, vijandig en/of agressief gedraagt en/of veel aandacht vraagt.
6.1.15. Huishoudelijke ondersteuning offerte
Het college blijft de mogelijkheid behouden om een offerte aan te vragen in die situaties gebaseerd op objectiveerbare (medische) beperkingen, waarbij het vullen van het leveringsplan uitwijst dat de cliëntsituatie zeer afwijkend is en het resultaat niet afdoende bereikt kan worden door middel van de eerder geformuleerde producten.
Werkwijze resultaatgericht werken: een gestructureerd huishouden
Huishoudelijke ondersteuning (zorg in natura en pgb) wordt geïndiceerd op basis van resultaat. Bij zorg in natura maakt de aanbieder in opdracht van het college in overleg met de cliënt een leveringsplan, waarin vastgelegd is welke activiteiten er plaatsvinden en wat de frequentie van de activiteiten is. In het leveringsplan is opgenomen, dat de uitvoering van het plan flexibel moet zijn. Het college toetst het leveringsplan met de bevindingen van de Wmo-consulent, die zijn opgenomen in het gespreksverslag, en met de van toepassing zijnde regels voor huishoudelijke ondersteuning. Als het leveringsplan daarmee niet in overeenstemming is, wordt de aanbieder opdracht gegeven een aangepast leveringsplan te maken dat wel voldoet.
Op basis van persoonsonderzoek en in overleg met de cliënt zijn in het leveringsplan gemotiveerd aanpassingen in activiteiten en frequentie mogelijk. Om maatwerk te kunnen leveren is tevens een flexibele uitvoering van het leveringsplan mogelijk. Dat betekent dat er met instemming van de cliënt in de ene week meer/minder/andere activiteiten uitgevoerd kunnen worden dan in de andere week. Leidend is dat het resultaat passend moet zijn voor de cliënt.
Het leveringsplan maakt onderdeel uit van de beschikking en uit deze documenten moet duidelijk zijn wat de cliënt kan verwachten aan ondersteuning.
6.1.18. Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025: Activiteiten en frequentie
De activiteiten en frequentie opgenomen in het leveringsplan én het niveau van schoon dat hiermee behaald kan worden, is gebaseerd op het objectieve en onafhankelijke onderzoek, uitgevoerd door KPMG Plexus en Bureau HHM. Dit onderzoek is gepubliceerd onder de naam Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025. Het college hanteert het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 als richtlijn. Het normenkader is terug te vinden in bijlage 3.
6.2. Verplaatsen in en om de woning
Het verplaatsen in en om de woning kan door cliënt op verschillende wijzen plaatsvinden: met een rollator, lopend met krukken, met een trippelstoel of met een rolstoel. Van deze voorzieningen valt uitsluitend de rolstoel onder de Wmo. Een rolstoel is een voorziening om het bestaande verplaatsingsprobleem in en om de woning te compenseren. Verplaatsen is vervoer over kleine afstanden, van enkele tientallen tot maximaal enkele honderden meters. Wie op grond van zijn beperkingen geen andere mogelijkheid heeft dan zich te verplaatsen met een rolstoel, kan een rolstoel toegekend krijgen. De resultaatverplichting daarbij bestaat uit het zich kunnen verplaatsen, al dan niet met hulp van anderen.
Voor een individuele maatwerkrolstoel geldt als aanvullende eis, dat 'dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning' noodzakelijk is voor de cliënt. Het gaat om verplaatsingen die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om cliënten, die voor het dagelijks zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel. Rolstoelen voor het zogenaamde ‘incidentele’ gebruik, bijvoorbeeld als iemand zijn/haar been heeft gebroken of wanneer de rolstoel slechts enkele keren per jaar wordt gebruikt, vallen niet onder dit met een maatwerkvoorziening te bereiken doel. De algemene rolstoelvoorziening biedt mogelijkheden voor deze cliënten. Zij kunnen een beroep doen op de uitleen- of verhuurservice.
De transportrolstoel wordt als algemene voorziening aangemerkt. Er blijft altijd ruimte voor maatwerk.
6.2.3 Aanpassingen aan de rolstoel
Met aanpassingen aan de rolstoel wordt bedoeld; extra onderdelen, die niet standaard op een rolstoel zitten (zoals comfort beensteunen of een werkblad), maar wel noodzakelijk zijn voor de cliënt. Accessoires, zoals een boodschappenmand of een extra spiegel, zijn doorgaans wenselijk, maar niet noodzakelijk en worden daarom niet vergoed.
Sporten kan een belangrijk middel tot participatie zijn. Wanneer het voor de cliënt zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn - dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport - kan een sportvoorziening worden verstrekt.
Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel. De cliënt moet aantonen, dat er sprake is van een actieve sportbeoefening. De ervaring leert dat sportclubs, sponsors of fondsen vaak bereid zijn een deel van de kosten te vergoeden. Gemeente Zundert is aangesloten bij Uniek Sporten centraal loket.
6.3. Het wonen in een geschikte woning
Om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving (dat kan de eigen woning zijn of een geschiktere woning in deze omgeving) zijn er tegenwoordig veel voorzieningen die dit mogelijk maken. In deze paragraaf volgt een toelichting op verschillende soorten woonvoorzieningen en begrippen. Deze spelen bij de beoordeling van de noodzaak van een voorziening een rol.
Wij onderscheiden de volgende woonvoorzieningen:
Voor kortdurend gebruik (maximaal zes maanden) zijn losse woonvoorzieningen te leen via de uitleendepots van thuiszorgaanbieders of hulpmiddelenleveranciers. Losse voorzieningen hebben als voordelen dat ze vaak snel kunnen worden ingezet, soms voordeliger zijn, vaak voor meerdere doeleinden kunnen worden ingezet (bijvoorbeeld een douchestoel ook gebruiken om aan de wastafel te zitten of om op te zitten bij het aankleden) en meegenomen kunnen worden in geval van verhuizing. Losse voorzieningen zijn daarom veelal voorliggend op bouwkundige woonvoorzieningen. Een losse tillift is bijvoorbeeld te verkiezen boven een plafondlift.
Losse woonvoorzieningen kunnen zowel in bruikleen als in eigendom worden verstrekt. Relatief goedkope hulpmiddelen, waarvan de kosten van transport en reiniging voor herverstrekking niet opwegen tegen de kosten van verstrekking van een nieuw hulpmiddel, zullen in eigendom worden verstrekt.
6.3.1. Algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen
Op grond van artikel 8, lid 2, aanhef en onder a, van de verordening wordt er geen voorziening toegekend voor zover deze algemeen gebruikelijk is. In dit kader worden de verhoogde toiletpot, eenvoudige wandbeugels (handgrepen), hendelmengkranen en thermostatische kranen, antislipbehandeling badkamervloer, opklapbare (toilet)beugels, losse douchestoel (niet verrijdbaar), douchestoel voor aan de muur, po/toiletstoel, badplank en standaard drempelhulpen in de woning in principe als algemeen gebruikelijk aangemerkt. Deze voorzieningen zijn tegenwoordig in de reguliere handel te koop en kunnen hierdoor eenvoudig door iedereen worden aangeschaft.
6.3.2 Normaal gebruik van de woning
Uit jurisprudentie blijkt dat een woningaanpassing als doel heeft normaal gebruik van de woning mogelijk te maken. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het zich verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden in principe geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat dat geen elementaire woonfuncties betreft. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel, bijvoorbeeld een dialyseruimte of een therapeutische bad.
Wanneer de cliënt in een Wlz-instelling woont, kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van ouders) bezoekbaar worden gemaakt. Bezoekbaar houdt in, dat de cliënt toegang heeft tot de woning, één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en het toilet. Indien noodzakelijk kunnen er losse woonvoorzieningen worden verstrekt. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken.
Wanneer sprake is van aantoonbare beperkingen ten gevolge van COPD, astma of allergie (zolang de allergie niet voortvloeit uit de aard van de gebruikte materialen in de woning of de bouwtechnische staat van de woning) waardoor vervanging van vloerbedekking en/of gordijnen noodzakelijk is, kan hiervoor (onder voorwaarden) een financiële tegemoetkoming worden verstrekt aan cliënt. In principe wordt alleen de slaapkamer gesaneerd. Bij kinderen onder de vier jaar kan ook de woonkamer worden gesaneerd. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is afhankelijk van de afschrijvingstermijn van de te saneren artikelen:
6.3.5. Grote woningaanpassingen versus verhuizen
Als er grote woningaanpassingen nodig zijn om normaal gebruik van de woning mogelijk te maken, wordt er eerst bekeken of verhuizen een passende oplossing is. Een zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd. Bij deze beoordeling worden in ieder geval de volgende aspecten meegewogen:
Als blijkt dat verhuizen een goedkopere oplossing is dan het aanpassen van de woning, wordt er geen maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing toegekend. Dit wordt het primaat van verhuizing genoemd.
Als het primaat van verhuizing kan worden toegepast, maar de cliënt wil niet verhuizen, dan kan er een bedrag worden toegekend ter hoogte van een verhuiskostenvergoeding. Hiermee kan de huidige woning aangepast worden. De meerkosten komen voor eigen rekening van cliënt.
Om te voorkomen dat bij iedere aanvraag om een woonvoorziening de bovenstaande beoordeling moet worden gemaakt, is ervoor gekozen om bij woonvoorzieningen waarvan de kostprijs minder dan € 7.000,- bedraagt, het primaat van verhuizing niet toe te passen.
Uit de criteria voor een maatwerkvoorziening, opgenomen in artikel 8 van de verordening, blijkt dat de cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als de noodzaak tot ondersteuning redelijkerwijs niet vermijdbaar was, de noodzaak voor de voorziening niet voorzienbaar was of van cliënt niet verwacht kon worden dat hij maatregelen getroffen zou hebben die de hulpvraag overbodig had gemaakt. Dit betekent bijvoorbeeld, dat wanneer een cliënt verhuist naar een woning waarvan bij verhuizing duidelijk is dat deze niet geschikt is voor de cliënt of zijn huisgenoten, cliënt niet in aanmerking komt voor (een tegemoetkoming in) woningaanpassingen.
Een verhuizing die samenhangt met een levensfase (bijvoorbeeld ouder worden en kleiner en gelijkvloers willen gaan wonen) is voorzienbaar. Deze verhuizingen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd en hiervoor heeft cliënt geld kunnen reserveren. Hiervoor wordt geen verhuiskostenvergoeding verstrekt. Als een cliënt ten gevolge van plotseling opgetreden beperkingen onvoorzien met een verhuizing wordt geconfronteerd, dan kan bij het college een melding worden ingediend, om met de Wmo-consulent in kaart te brengen welke mogelijkheden van bijstand en/of maatwerkvoorzieningen er zijn. De cliënt dient zelf te zoeken naar geschikte woonruimte.
6.3.8 Gemeenschappelijke ruimten
Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening voor het aanpassen van een gemeenschappelijke ruimte, wanneer het woongebouw specifiek bedoeld is voor gehandicapten of senioren. Bijvoorbeeld automatische deuropeners, hellingbanen of het verbreden van een toegangsdeur. Ondersteuning vanuit de Wmo is in principe gericht op de cliënt en strekt niet tot algemeen nut.
6.3.9. Kosten van onderhoud en reparatie
Alle voorzieningen in natura, waarvan de kosten € 300,- of minder bedragen, zijn na verstrekking eigendom van de cliënt. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor het onderhoud en reparatie van deze voorzieningen. Voor alle voorzieningen in natura die meer kosten dan € 300,- is het college verantwoordelijk voor onderhoud, reparatie en de verzekering, mits er geen sprake is van nalatigheid van de cliënt.
Bouwkundige woonvoorzieningen in natura (met uitzondering van bijvoorbeeld een traplift, zorgunit en drempelhulpen) worden eigendom van de woningeigenaar. De woningeigenaar is verantwoordelijk voor onderhoud en reparatie van deze voorzieningen. Voorzieningen die periodiek onderhoud of een keuring nodig hebben, worden in bruikleen verstrekt,
6.4 Lokaal verplaatsen per vervoermiddel
Wanneer een cliënt problemen ervaart op het gebied van vervoer zal worden onderzocht of en welke beperkingen cliënt heeft en wat de vervoersbehoefte is. Er wordt bekeken in hoeverre cliënt zelf in de vervoersbehoefte kan voorzien (bijvoorbeeld heeft cliënt een auto of een brommer), hulp kan inschakelen van het eigen netwerk (bijvoorbeeld kan cliënt meerijden met de buurvouw naar de kaartclub of kan een familielid uit Groningen naar cliënt toekomen in plaats van dat cliënt daar naartoe reist), gebruik kan maken van een algemene voorziening (buurtbus of automaatje) of dat uiteindelijk een individuele voorziening noodzakelijk is. Om beperkingen en vervoersbehoefte inzichtelijk te maken onderscheiden we drie soorten afstanden:
Bij de korte en middellange afstanden wordt in de regel een straal van 10 tot 15 kilometer aangehouden vanaf de woning van de cliënt.
Uit jurisprudentie blijkt dat om te kunnen participeren, de cliënt de mogelijkheden moet hebben om jaarlijks lokaal en regionaal 1.500 km te kunnen reizen. Omdat ieders reisgedrag verschillend is, kan door cliënt een gemotiveerd verzoek tot een verhoogd budget worden gedaan. Er zal dan worden onderzocht of een uitbreiding van het kilometerbudget mogelijk is.
Alle buitenregionale vervoersdoelen vallen buiten de reikwijdte van de Wmo. Hiervoor is Valys door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen. Om Valys aan te vragen moet cliënt kunnen aantonen, dat hij een indicatie heeft voor lokaal collectief vervoer of de beschikking hebben over een OV-begeleiderspas.
Waar voor het resultaat begeleiding (zie hiervoor 7.5) vervoer aan de orde is voor de oplossing van de hulpvraag, maakt dat vervoer onderdeel uit van de maatwerkvoorziening begeleiding. Hiervoor wordt een vervoersindicatie begeleiding afgegeven. Dit valt niet onder het resultaat ‘zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel’.
Op de website www.vervoerzoeken.nl staan de lokale mogelijkheden van vervoer opgenomen. Op deze website kan ook een openbaar vervoeradvies opgezocht worden.
De Deeltaxi is een collectief vervoerssysteem met (rolstoel)busjes en taxi’s, dat middels de vrije reizigerspas vervoer van deur tot deur biedt voor iedere cliënt van Zundert. Het tarief ligt boven dat van het openbaar vervoer, maar onder dat van een reguliere taxi. Mensen met een beperking die geen andere (eigen) oplossing voor hun vervoer hebben, kunnen bij een bepaalde vervoersbehoefte en -frequentie mogelijk in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van de Wmo-Deeltaxipas.
Om in aanmerking te komen voor de Wmo-Deeltaxipas is een indicatie nodig. Hiervoor kan - indien cliënt nog niet bekend is bij de Wmo of het bestaande dossier geen uitsluitsel geeft over de beperkingen op het gebied van vervoer- medisch advies worden aangevraagd.
De cliënt kan een loophulpmiddel, rolstoel of scootmobiel meenemen in het vervoer. Ook kan een medereiziger (tegen een dezelfde tarief) of een begeleider (gratis, mits medisch gezien noodzakelijk) meereizen. Voor het reizen met een medisch begeleider moet een indicatie worden gesteld. Als men een dergelijke indicatie heeft, mag de cliënt niet meer zonder medisch begeleider reizen.
Bij de toekenning van een Wmo-Deeltaxipas wordt de (omvang van de) vervoersbehoefte van de cliënt in beeld gebracht. Vervolgens wordt bepaald welke categorie toereikend is. De volgende categorieën worden gehanteerd:
Wanneer een categorie niet (meer) toereikend is, onderzoekt de Wmo-consulent of opschaling noodzakelijk is.
6.4.2 Collectief vervoer versus individueel vervoer
Wanneer een cliënt problemen ervaart op het gebied van vervoer die hij niet zelf of met hulp van zijn sociale omgeving kan oplossen, wordt allereerst beoordeeld of Deeltaxi een geschikte oplossing biedt alvorens individuele voorzieningen worden overwogen. De Deeltaxi is hiermee voorliggend op individuele vervoersvoorzieningen, zoals gebruik taxi of gebruik eigen auto en/of aanpassing daarvan. Een individuele voorziening wordt vaak beschouwd als meest wenselijke oplossing, het is vaak niet de goedkoopst adequate oplossing.
Voor vervoer naar school is de cliënt zelf verantwoordelijk. In bepaalde gevallen (bijvoorbeeld bij speciaal onderwijs) kan leerlingenvervoer bij het college worden aangevraagd op grond van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Zundert 2022. Als bij vervoer naar werk beperkingen worden ervaren, moet cliënt een beroep doen op de werkgever om een oplossing te zoeken.
Er zijn fietsen, zoals de driewielfiets en een duofiets, die speciaal ontworpen en bestemd zijn voor mensen met een beperking en alleen bij gespecialiseerde bedrijven worden verkocht.
Een fiets met lage instap, fiets met hulpmotor of elektrische fiets zijn in principe niet speciaal ontworpen voor mensen met een beperking en worden in de reguliere handel verkocht (al dan niet tweedehands). Daarom worden deze over het algemeen als algemeen gebruikelijk beschouwd.
Een scootmobiel is bedoeld voor vervoer op de korte en middellange afstanden. Het (kortdurend) huren van een scootmobiel is mogelijk.
Als een cliënt in aanmerking komt voor een scootmobiel, onderzoekt het college of deze adequaat kan worden gestald en opgeladen of dat deze mogelijkheden gerealiseerd kunnen worden. Wanneer het woongebouw specifiek bedoeld is voor gehandicapten of senioren is het college niet verantwoordelijk voor het realiseren van stallingsruimten en oplaadpunten voor scootmobiels. Mocht het uiteindelijk niet mogelijk zijn om een adequate stallingsmogelijkheid te realiseren, dan kan een scootmobiel worden afgewezen. Er moet dan wel onderzocht worden of het participatieprobleem van de cliënt op een andere manier kan worden opgelost.
Een gesloten buitenwagen is een overdekt voertuig, dat niet harder dan 45 km rijdt en waarvoor aparte (verkeers)regels gelden. Canta is een bekend merk van een gesloten buitenwagen en wordt vaak als soortnaam gebruikt. De gesloten buitenwagen dient onderscheiden te worden van de brommobiel, die eveneens niet harder dan 45 km rijdt, maar daarvoor gelden geen aparte verkeersregels. De brommobiel is niet specifiek voor gehandicapten bedoeld en wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd. Een gesloten buitenwagen wordt door de cliënt vaak als gewenste oplossing voor het vervoersprobleem beschouwd, maar is niet de goedkoopst adequate oplossing. Alleen als op basis van medisch advies is vastgesteld dat geen van de voorliggende voorzieningen voldoet wordt de toekenning van een gesloten buitenwagen overwogen.
Als een cliënt zonder autoaanpassingen geen gebruik kan maken van zijn auto en het collectief vervoer niet voldoet, kunnen autoaanpassingen worden vergoed. Bij autoaanpassingen wordt beoordeeld of het specifiek voor mensen met een beperking bedoelde voorzieningen betreft, die meer kosten dan gebruikelijke autoaanpassingen (dus geen stuurbekrachtiging of cruise controle).
In de Wmo wordt uitgegaan van een levensduur van minimaal zeven jaar van de aanpassingen; dit is in praktijk een redelijke termijn. Bij verstrekking van een vergoeding voor een autoaanpassing is het daarom redelijk om van de cliënt te verlangen, dat wordt aangetoond door middel van een keuringsrapport, dat de aan te passen auto de investering nog waard is (dus naar verwachting nog zo’n zeven jaar mee kan).
Vervanging van een bestaande autoaanpassing of overzetten naar of aanbrengen in een nieuwe auto is niet vanzelfsprekend. Wanneer een dergelijk verzoek wordt gedaan, zal eerst in kaart gebracht worden wat de goedkoopst adequate voorziening is.
6.4.8. Gehandicaptenparkeerkaart
Een gehandicaptenparkeerkaart wordt verstrekt op basis van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (https://wetten.overheid.nl/BWBR0012625/2013-01-01), als cliënt hiervoor in aanmerking komt. In deze regeling is opgenomen, dat een gehandicaptenparkeerkaart niet wordt afgegeven voordat een geneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden met betrekking tot de handicap van de cliënt. Een medisch advies kan achterwege worden gelaten, indien:
Voor een gehandicaptenparkeerkaart worden leges opgelegd. Deze bedragen zijn terug te vinden op de website van de gemeente Zundert.
Wanneer een Wmo-consulent zelf niet kan beoordelen of een cliënt (nog steeds) in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerkaart, wordt er door de Wmo-consulent een externe partij ingeschakeld.
De uitgave van de gehandicaptenparkeerkaart vindt plaats in het stadskantoor. Cliënt betaalt voor uitgave van de gehandicaptenparkeerkaart de legeskosten en levert, indien van toepassing, de verlopen gehandicaptenparkeerkaart tegelijkertijd in.
Het college is ook verantwoordelijk voor begeleiding. Door begeleiding wordt ondersteuning geboden gericht op de cliënt, zodat deze zelfredzaam blijft of wordt, zelfstandig kan blijven wonen, zijn week op orde heeft en kan deelnemen aan de maatschappij. Dit zijn activiteiten die gericht zijn op het structureren van de dag, het oefenen met vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen, toezicht op of aansturing bij activiteiten op het gebied van praktische vaardigheden, ondersteuning bij het organiseren van het dagelijks leven en het uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen. Anderzijds kan ondersteuning er ook op gericht zijn om het netwerk rondom de cliënt in staat te stellen om hun mantelzorgtaken (langer) vol te houden. Een combinatie van beide vormen van ondersteuning is mogelijk. Dit geeft aan dat de verantwoordelijkheid voor begeleiding een tweeledige is.
Ook heeft het college een verantwoordelijkheid voor beschermd wonen en opvang. Omdat dit georganiseerd is in een gemeenschappelijke regeling waarin centrumgemeente Breda concreet de uitvoering doet wordt beschermd wonen en opvang in deze beleidsregels niet verder uitgewerkt. Voor het bieden van beschermd wonen kan aanleiding bestaan indien iemand er vanwege psychische problematiek niet in slaagt om zelfstandig te wonen zonder de directe nabijheid van 24 uur per dag toezicht of ondersteuning. Maatschappelijke opvang is het tijdelijk bieden van onderdak, begeleiding, informatie en advies aan personen die, door één of meer problemen, al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Centrumgemeente Breda is verantwoordelijk voor de uitvoering van een samenhangend aanbod van maatschappelijke opvang en heeft dit ondergebracht in Centraal Onthaal.
Begeleiding gaat om activiteiten gericht op het bevorderen of behoud van de zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie van cliënt. Gedacht kan worden aan het kunnen doen van de administratie, het plannen van de week, regel- en geldzaken, het uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen, het hebben van een zinvolle invulling van de dag en ondersteuning bij het oplossen van problemen. Ook het ontlasten van de mantelzorger en/of gezinsleden maakt hier onderdeel van uit. Het gaat om activiteiten gericht op het bevorderen van de inzet van mantelzorg en/of het continueren van de inzet van de mantelzorg (voorkomen van overbelasting bij de mantelzorger). Gedacht kan worden aan logeervoorzieningen of vormen van dagbesteding etc.
Cliënten kunnen aanspraak maken op persoonlijke verzorging, wanneer de behoefte aan persoonlijke verzorging in het verlengde ligt van de behoefte aan begeleiding. Deze verzorging houdt dan geen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Persoonlijke verzorging Wmo kan bijvoorbeeld bestaan uit hulp bij het aansturen op de algemene dagelijkse levensverrichtingen, waaronder in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning en sociaal contact.
6.5.2. Hanteren van cliëntperspectieven
Het perspectief van de cliënt is van invloed op wat een cliënt zelf kan, wat binnen zijn sociale netwerk kan of wat met voorliggende/algemene voorzieningen opgelost kan worden. Bij begeleiding onderscheiden we drie cliëntperspectieven:
Ontwikkelen: Met de cliënt kan worden toegewerkt naar een verbetering in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, waardoor geen of minder begeleiding vanuit de Wmo noodzakelijk is. Dit perspectief is gericht op afschalen en/of uitstroom.
Stabiliseren: Er is sprake van een langdurige behoefte aan begeleiding vanuit de Wmo, omdat de cliëntsituatie zich op moment van indicatiestelling er niet toe leent zich op alle leefgebieden verder te ontwikkelen om zelfredzamer te worden en/of de maatschappelijke participatie te vergroten. Voor een deel van de cliënten is het perspectief stabilisatie tijdelijk, zij stromen uit of stromen door naar ontwikkeling als hun situatie is gestabiliseerd. Voor een ander deel van de cliënten is op één of enkele leefgebieden wel ontwikkeling mogelijk hetgeen op termijn kan leiden tot afschaling of uitstroom. Mogelijk regieverlies kan door het sociaal netwerk dan wel de aanbieder worden opgevangen.
Ondersteunen bij achteruitgang: Door een progressieve ziekte is de cliënt in de situatie gekomen, dat zijn zelfredzaamheid en participatie zodanig structureel achteruit zijn gegaan, dat sprake is van regieverlies wat zodanig is dat dit uiteindelijk niet meer door het sociaal netwerk dan wel de aanbieder opgevangen kan worden en overgang naar de Wlz noodzakelijk is. De ondersteuning is erop gericht om de cliënt en diens netwerk met deze onomkeerbare achteruitgang om te laten gaan en deze draaglijk te maken.
6.5.3. Alleen maatwerkvoorziening als er geen andere oplossingen zijn
Allereerst beoordeelt het college of er eigen mogelijkheden zijn. Hierbij is niet de diagnose leidend (van welk ziektebeeld/welke grondslag is sprake) maar zijn de mogelijkheden en beperkingen van de cliënt en zijn sociale netwerk leidend. Daarbij wordt in kaart gebracht van welke aandoening of beperking sprake is en wat de effecten daarvan zijn op de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van de cliënt. Bij het in kaart brengen van de eigen mogelijkheden kan gedacht worden aan handige hulpmiddelen waardoor de cliënt een (deel van de) activiteiten weer zelf kan doen. Bijvoorbeeld een boodschappen-app voor mensen met een verstandelijke beperking, een pictogrammen bord of speciale multomap waarmee de administratie overzichtelijk opgeborgen kan worden. Ter ondersteuning van de mantelzorger kan hierbij gedacht worden aan beeldspraakverbindingen, een alarmeringssysteem of scholing van mantelzorgers waardoor de draagkracht wordt vergroot.
Het college beziet of er sprake is van gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp is hulp, die verwacht wordt van huisgenoten en die normaal wordt geacht in een relatie tussen huisgenoten en/of niet structureel meer is dan wanneer de huisgenoot geen beperking zou hebben (zoals bezoek familie/ vrienden, bezoek (huis)arts, het doen van de administratie). Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen kortdurende en langdurige situaties:
Alle begeleiding van de cliënt door de partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot is gebruikelijke hulp als er sprake is van een kortdurende situatie, met uitzicht op een dusdanig herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat deze daarna niet meer is aangewezen op Wmo-ondersteuning. Hierbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.
Langdurig: als het gaat om een chronische situatie, dan is het begeleiden van een cliënt gebruikelijke hulp, wanneer die begeleiding naar algemeen aanvaarde maatstaven voor partner, ouder, inwonend kind en/of andere huisgenoot in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden. Te denken valt aan het bezoeken van familie/ vrienden, (huis)arts of zaken die bij een gezamenlijk huishouden horen zoals het doen van de administratie.
Alleen wanneer sprake is van een langdurige situatie waarbij de tijdsinvestering in activiteiten in relatie tot een situatie waarin geen sprake is van een beperking substantieel wordt overschreden, is er sprake van boven gebruikelijke hulp. In bijlage 5 is opgenomen op welke wijze afgewogen wordt of er sprake is van overbelasting.
De draaglast/draagkracht van de betrokken mantelzorgers zal, waar van toepassing, in het onderzoek in beeld worden gebracht.
Het college beziet of personen uit het sociale netwerk een oplossing kunnen zijn voor de hulpvraag. Kunnen zij bijvoorbeeld samen de administratie doen, door regelmatig een oogje in het zeil te houden structuur in de week aanbrengen, kunnen zij door het samen activiteiten ondernemen zorgen voor een zinvolle invulling van (een deel van) de dag? Kan het sociaal netwerk bijvoorbeeld een deel van de activiteiten van de mantelzorger overnemen, zodat er een gedeelde verantwoordelijkheid wordt ervaren. Kunnen vrienden, buren of familie een oogje in het zeil houden of kunnen zij door het samen met de cliënt ondernemen van activiteiten ervoor zorgen dat de mantelzorger even op adem kan komen of zijn eigen activiteiten kan ondernemen?
6.5.5. Voorliggende voorzieningen - algemene voorziening - algemeen gebruikelijke voorziening
Vervolgens beoordeelt het college of in het gesprek alle voorliggende voorzieningen zijn meegenomen. Alvorens een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo te verstrekken is het van belang om na te gaan wat de mogelijkheden van behandeling zijn. Soms kunnen een maatwerkvoorziening Wmo (begeleiding) en behandeling gelijktijdig worden ingezet. De maatwerkvoorziening Wmo neemt de taak dan tijdelijk over totdat de taak in de behandeling is aangeleerd. Ook de mogelijkheden van wettelijk voorliggende voorzieningen worden in kaart gebracht zoals opvoedingsondersteuning voor de ouders vanuit de Jeugdwet, persoonlijke verzorging of mantelzorgondersteuning vanuit de Zorgverzekeringswet, arbeidsvoorzieningen op grond van de ziektewet, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, Wajong of Participatiewet. Als aangepast werk of speciaal onderwijs op grond van genoemde wetgeving niet mogelijk is, dan kan een maatwerkvoorziening Wmo worden overwogen.
De hulpvraag van een cliënt kan, door de zwaarte van de beperking, zo omvangrijk zijn dat een indicatie voor de Wlz aan de orde is. Het gaat hier om cliënten die 24 uur intensieve zorg en toezicht dichtbij nodig hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om ouderen met ernstige dementie, om mensen met een ernstige verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking en om mensen met een ernstige psychische stoornis. In de memorie van toelichting op de wet is opgenomen, dat, indien cliënten een beroep kunnen doen op de Wlz, zij geen beroep kunnen doen op ondersteuning op grond van de Wmo. Mantelzorgers van cliënten met een toelating tot de Wlz kunnen geen gebruik maken van maatwerkvoorzieningen Wmo voor respijtzorg. Voor algemene mantelzorgondersteuning (zoals advies, voorlichting etc.) kan wel een beroep op de Wmo gedaan worden.
Het college beoordeelt of algemene en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn meegenomen en beoordeelt of deze passend zijn in de individuele situatie van de cliënt. Deze voorzieningen moeten voor de cliënt daadwerkelijk beschikbaar zijn, financieel gedragen kunnen worden met een inkomen op minimumniveau en adequate compensatie bieden. Bieden welzijnsactiviteiten een oplossing? Bijvoorbeeld een Pluspunt of Inloopvoorziening (waar ontmoeting en activiteiten plaatsvinden), een administratie-maatjes project, vrijwillige thuiszorg, mantelzorgondersteuning door de welzijnsinstelling, een cursus waardoor de cliënt zijn sociale netwerk uitbreidt, de inzet van vrijwilligers of een soos voor mensen met een verstandelijke beperking etc.
In Zundert bestaat de huiskamer voor ouderen, wat aangemerkt kan worden als algemene voorziening voor kwetsbare ouderen. Oudere cliënten van Zundert, die behoefte hebben aan dagstructuur en een zinvolle dagbesteding, worden eerst toegeleid naar de huiskamer voor een periode van 3 maanden. In deze 3 maanden wordt onderzocht of de huiskamer voldoende compensatie biedt voor de cliënt en zijn naasten. Indien dit niet het geval is, wordt de cliënt aangemeld voor een indicatie zinvolle dagbesteding.
De aanlopen zijn laagdrempelige steunpunten waar cliënten indicatieloos en kosteloos terecht kunnen. Laagdrempelige steunpunten zijn er voor mensen met (ernstige) psychische kwetsbaarheden en de inzet van ervaringsdeskundigheid staat centraal. Binnen het aanbod zijn herstel en ontwikkeling belangrijke kenmerken.
Cliënten worden gewezen op de huiskamer, de aanlopen en andere voorzieningen die algemeen toegankelijk zijn. Indien dit voldoende compensatie biedt voor hun problematiek, wordt geen maatwerkvoorziening op grond van de Wmo verstrekt.
Als de hiervoor beschreven afweging niet geleid heeft tot een (volledige) oplossing van de hulpvraag zal het college een maatwerkvoorziening verstrekken op basis van het van toepassing zijnde clientperspectief en de benodigde intensiteit (waakvlam, laag, midden, hoog). We onderscheiden de volgende maatwerkvoorzieningen begeleiding:
Een combinatie van individuele begeleiding, begeleiding in een groep en logeeropvang kan voorkomen. In bijlage 5 worden alle vormen van de maatwerkvoorziening Wmo begeleiding verder toegelicht. Indien een cliënt niet zelf kan voorzien in het vervoer naar daginvulling stabilisatie, daginvulling bij verminderde zelfredzaamheid of arbeidsmatige dagbesteding, dan kan hiervoor een indicatie aan de cliënt worden afgegeven per etmaal/ etmalen per week per kilometercategorie. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen gewoon- en rolstoelvervoer. Bij dagbesteding ontwikkeling reist de cliënt in principe zelfstandig. Er kan tijdelijk vervoer worden ingezet met als doel toewerken naar zelfstandig reizen naar de dagbesteding.
De ondersteuning kan door het college worden toegekend in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. In de verordening zijn de uitgangspunten voor het pgb vastgelegd.
Bij het vormgeven van de maatwerkvoorziening wordt het uitgangspunt gehanteerd, dat de ondersteuning zo dichtbij mogelijk bij de cliënt (thuis, school, kern of wijk} georganiseerd is.
7. Persoonsgebonden budget – maatwerkvoorzieningen
7.1 Pgb voor huishoudelijke ondersteuning
Bij het pgb voor huishoudelijke ondersteuning (hierna: HO pgb) gaat het om de inhuur van menskracht. Hiervoor is het onder andere belangrijk dat de cliënt goed weet wat zijn rechten en plichten zijn. In het indicatietraject wordt nagegaan, of de cliënt en/of de vertegenwoordiger van de cliënt ook daadwerkelijk in staat is de regie te voeren over het HO pgb. Het toegekende pgb dient te worden aangewend voor de inkoop van huishoudelijke ondersteuning.
De Wmo stelt dat de cliënt met zijn pgb een gelijkwaardige voorziening moet kunnen treffen als bij de inzet van zorg in natura. Het toegekende pgb dient te worden aangewend voor de inkoop van huishoudelijke ondersteuning.
Voor een pgb wordt, net als voor zorg in natura, het HHM-normenkader (bijlage 3) als richtlijn gebruikt. De hoogte van het pgb wordt mede bepaald door het type ondersteuningsverlener. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen: pgb professioneel en pgb niet professioneel/sociaal netwerk.
Indien de budgethouder verplicht is tot het afdragen van werkgeverslasten, wordt het budget met inachtneming van op dat moment geldende wet- en regelgeving met die lasten verhoogd.
Tarief pgb niet professioneel/sociaal netwerk
Voor de berekening van het budget wordt gebruik gemaakt van het uurtarief gebaseerd op de cao VVT, salarisschaal HBH, trede 5, en het uurtarief conform de cao VVT te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren.
Het budget bedraagt maximaal het tarief, dat is overeengekomen voor een verstrekking middels zorg in natura.
De maximale tarieven zijn opgenomen in bijlage 6 van deze beleidsregels.
Het pgb-plan wat wordt ingediend door de cliënt is leidend. Ligt het tarief wat is opgenomen in het pgb-plan lager dan de tarieven zoals die zijn opgenomen in bijlage 6, dan wordt dit tarief gehanteerd. Het uurtarief wordt wel gecheckt vanwege de wetgeving rondom het minimumloon en de inleg bij de SVB.
In uitzonderingssituaties is het mogelijk om gemotiveerd een hoger tarief vast te stellen. Is meer inzet van huishoudelijke ondersteuning nodig en dus een hoger tarief, dan wordt hiervoor het HHM-normenkader als richtlijn gebruikt.
Het college keert een “bruto” pgb uit aan de SVB. Hierop is geen eigen bijdrage in mindering gebracht. De eigen bijdrage wordt bij cliënt geïnd door het CAK en mag niet worden betaald uit het pgb.
Het tarief pgb niet professioneel/sociaal netwerk wordt geïndexeerd overeenkomstig de cao VVT. Het tarief pgb professioneel wordt gelijktijdig geïndexeerd met het tarief zorg in natura.
Het salaris van de zorgverlener is het uurloon dat de zorgverlener kan declareren. In het uurloon zijn de reiskosten, het vakantiegeld en tegenwaarde verlofuren inbegrepen. Onder het salaris voor een zorgverlener wordt niet verstaan:
Voor huishoudelijke ondersteuning is het niet toegestaan vaste maandlonen af te spreken met Een zorgverlener. Alleen uurlonen worden toegestaan.
Voor huishoudelijke ondersteuning geldt aanvullend, dat de toekenning eindigt:
als de budgethouder aangeeft geen pgb meer te willen ontvangen en eventueel kiest voor een verstrekking in natura. Verplichtingen die de budgethouder is aangegaan met een zorgverlener, dienen op dat moment door de budgethouder tijdig te worden beëindigd.
In dat geval blijft het recht op huishoudelijke ondersteuning (bij ongewijzigde omstandigheden) bestaan, maar wijzigt de vorm en krijgt cliënt een nieuwe beschikking. Een cliënt kan één keer per jaar wisselen tussen het pgb en verstrekking in natura.
7.2 Pgb voor begeleiding, dagbesteding en logeerzorg
Bij het pgb voor begeleiding gaat het om de inhuur van menskracht. Hierdoor is het onder andere belangrijk, dat de cliënt goed weet wat zijn rechten en plichten zijn. Cliënt moet een pgb-plan aanleveren, dat inzicht geeft in de ondersteuningsvraag van de cliënt en de te bereiken doelen en resultaten, frequentie van ondersteuning en waarin de uit te voeren activiteiten zijn benoemd. Waar de term pgb houder wordt gebruikt wordt bedoeld de pgb houder of zijn vertegenwoordiger.
De uitgangspunten voor het pgb voor begeleiding zijn:
Er wordt geen pgb verstrekt als deze wordt ingezet bij een gecontracteerde zorgaanbieder (begeleiding zin) tenzij dit in een combinatie met het sociaal netwerk is.
Bij het pgb voor begeleiding werken we met een pgb-plan waarin doelen en resultaten, activiteiten en frequentie worden benoemd. Het pgb-plan is gelijk voor het pgb bij een zorgaanbieder en het pgb sociaal netwerk. Van de pgb-houder wordt verwacht dat deze een kwalitatief goed doordacht pgb-plan opstelt. Hij levert een pgb-plan voor begeleiding aan, dat inzicht geeft in de ondersteuningsvraag van de cliënt en benoemt te bereiken doelen en resultaten, frequentie van ondersteuning en de uit te voeren activiteiten. De pgb houder dient te beseffen dat het pgb-plan een belangrijk document is.
Indien een cliënt kiest voor een pgb, dient vooraf de afweging gemaakt te worden of het resultaat kan worden behaald met het pgb. Het is belangrijk, dat het pgb zo wordt ingezet dat het in het pgb-plan geformuleerde resultaat wordt behaald. De pgb houder is hier verantwoordelijk voor. Het college informeert de pgb houder vooraf, dat periodiek getoetst kan worden of het resultaat met het pgb behaald wordt en welke consequenties verbonden zijn aan het niet behalen van het resultaat. Wanneer (tussentijds) door de Wmo-consulent wordt vastgesteld, dat de resultaten die in het pgb-plan zijn genoemd niet of onvoldoende worden behaald, zijn mogelijke consequenties:
7.2.4 Kwaliteitseisen pgb begeleiding
Net als bij zorg in natura is het ook bij het pgb belangrijk dat de ondersteuning van goede kwaliteit is. De pgb houder is verantwoordelijk voor het aantonen van de kwaliteit. De pgb-houder ondertekent een verklaring waarin hij aangeeft dat de pgb zorgverlener voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen.
Alle maatschappelijke ondersteuning die wordt geboden, dus ook de ondersteuning op basis van het pgb voor begeleiding dient te voldoen aan de wettelijke voorwaarden voor kwaliteit. Deze voorwaarden gelden zowel voor zorgaanbieders/ Zzp’er als sociaal netwerk/ overig die op grond van een pgb ondersteunen. In de Wmo is opgenomen dat een voorziening in elk geval:
Kwaliteitseisen zorgaanbieders/ zzp’ers
Aan zorgaanbieders/zzp’ers worden de volgende kwaliteitseisen gesteld:
Opdrachtnemer heeft een voor haar branche geldend kwaliteitsborgingscertificaat, in ieder geval betrekking hebbende op zorg, maatschappelijke en/of aanpalende dienstverlening, dan wel, een geldig ISO 9001:2008-certificaat met daarbij een bewijs van implementatie van additionele normen die gelden voor haar branche, in ieder geval betrekking hebbende op zorg, maatschappelijke en/of aanpalende dienstverlening, dan wel, een geldig ISO 9001:2015-certificaat met daarbij een bewijs van implementatie van additionele normen die gelden voor haar branche, in ieder geval betrekking hebbende op zorg, maatschappelijke en/of aanpalende dienstverlening, dan wel een kwaliteitsborgingssysteem waarvan na toetsing gesteld kan worden dat het aan het hier bovenstaande gelijk te stellen is;
Opdrachtnemer werkt met medewerkers, die onder supervisie staan van een medewerker met minimaal mbo niveau 4 van een relevante opleiding. Voor het product stabilisatie hoog geldt, dat opdrachtnemer met medewerkers werkt die onder supervisie staan van een hbo geschoolde professional. Waar een zzp-er zelfstandig de begeleiding verzorgt, dient deze te voldoen aan de opleidingseis. De opleidingenlijst is op aanvraag te verkrijgen.
Aanvullende kwaliteitseisen die gelden voor locaties pgb-professionals
Voor locaties pgb-professionals worden de volgende aanvullende kwaliteitseisen gesteld:
Kwaliteitseisen niet professionals
Naast de hiervoor genoemde algemene kwaliteitseisen worden aan het sociaal netwerk/overig, die worden gecontracteerd door de pgb-houder, de volgende kwaliteitseisen gesteld:
7.2.5 Uitsluitingen pgb voor begeleiding
Gebruikelijke hulp bij begeleiding
Het pgb voor begeleiding mag niet ingezet worden voor gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp is de hulp, die naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de huisgenoten. Tot huisgenoten worden gerekend de partner, ouders, inwonende kinderen en anderen met wie cliënt duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd voor gebruikelijke hulp bij begeleiding:
Bij zorg in natura kennen we stabilisatie midden en hoog. Deze is bedoeld voor cliënten, die beperkingen hebben die (langdurig) gepaard gaan met matig of zwaar regieverlies, of met een invaliderende aandoening of beperking (fysieke, cognitieve, sociaal-emotionele beperkingen). Deze beperkingen hebben een tekortschietend zelfregelend vermogen tot gevolg. De integratie in de samenleving door de beperking of aandoening kan zeer moeilijk zijn. Gezien de benodigde deskundigheid voor deze producten, is het bieden van deze vorm van begeleiding door het sociaal netwerk in principe niet aan de orde. Maatwerk blijft altijd mogelijk. Een uitzondering kan gemaakt worden, als aangetoond kan worden dat de begeleider uit het sociaal netwerk beschikt over de benodigde diploma’s en ervaring om deze vorm van begeleiding te bieden.
Het pgb sociaal netwerk kan niet worden ingezet voor de producten dagbesteding ontwikkelgericht, arbeidsmatige dagbesteding, daginvulling stabilisatie, daginvulling bij verminderde zelfredzaamheid en logeerzorg.
Wanneer de Wmo-consulent vindt dat er sprake is van verbeterbare problematiek (ontwikkelen), is het uitgangspunt, dat door de pgb ondersteuner wordt gewerkt aan verbetering en/of herstel. Dit geldt zowel voor het sociaal netwerk/ overig als voor zorgaanbieders/ Zzp’ers. Wanneer de cliënt, het sociaal netwerk of de zorgaanbieder in tegenstelling tot de Wmo-consulent van mening is, dat de problematiek niet te verbeteren is, is de ondersteuning niet cliëntgericht en wordt geen pgb verstrekt en wordt een andere passende oplossing gezocht. Dit kan zijn een zorg in natura maatwerkvoorziening of een pgb bij een andere zorgaanbieder. Als hierover tussen het college en cliënt verschil van mening ontstaat, dan kan een onafhankelijk advies worden opgevraagd.
7.2.6 Hoogte pgb voor begeleiding
Voor de hoogte van het pgb voor begeleiding wordt onderscheid gemaakt in:
De maximale tarieven zijn opgenomen in bijlage 6 van deze beleidsregels.
De pgb tarieven professionals worden jaarlijks geïndexeerd volgens de methodiek van het contract maatwerkvoorziening Begeleiding. De pgb tarieven voor niet professionals/sociaal netwerk worden één keer per jaar geïndexeerd. Hiervoor benutten we het tarief sociaal netwerk Wlz wat op 1 oktober het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar bekend is.
Het pgb-plan, wat wordt ingediend door de cliënt, is leidend. Ligt het maandtarief, wat is opgenomen in het pgb-plan lager dan de tarieven zoals die zijn opgenomen in bovenstaande tabel, dan wordt het door de pgb houder opgegeven tarief gehanteerd. Het college checkt wel het uurtarief vanwege de wet- en regelgeving rondom het minimumloon en de inleg bij de SVB.
Het pgb mag niet hoger zijn dan het tarief, dat beschikbaar is voor de begeleiding zorg in natura. In individuele situaties blijft maatwerk mogelijk en kan op basis van een onderbouwde motivatie het pgb tarief worden verhoogd met de benodigde extra inzet.
Het college keert een “bruto” pgb uit aan de SVB. Hierop is geen eigen bijdrage in mindering gebracht. De eigen bijdrage wordt bij cliënt geïnd door het CAK en mag niet worden betaald uit het pgb.
7.3 Pgb voor rolstoelen, losse woonvoorzieningen en vervoersvoorzieningen
Wanneer een cliënt kiest voor een pgb, krijgt hij na indicatie bij de beschikking een Programma van Eisen (hierna: PvE) waar de voorziening aan moet voldoen. De cliënt kan op basis van dit PvE zelf de voorziening aanschaffen.
Als de cliënt een andere voorziening wil, kan hij daarvoor kiezen onder de voorwaarde dat de voorziening geen (andere) belemmeringen oproept. De voorziening, die de cliënt aanschaft, moet de beperking volledig op hetzelfde niveau compenseren als in het PvE wordt gesteld.
Een niet stabiele gezondheidssituatie kan er toe leiden, dat het college zal besluiten dat toekenning van een pgb niet mogelijk is, omdat hiermee niet snel en adequaat op een veranderende situatie ingesprongen kan worden.
De cliënt vraagt op basis van het PvE zelf een offerte voor levering, onderhoud en verzekering van de voorziening op. In opdracht van het college vraagt de cliënt een tweede offerte op bij Mediplus of Mobiliteit & Comfort.
De voorziening in de vorm van pgb wordt tenminste toegekend voor de normale afschrijvingstermijn (tenzij anders beschreven in de beschikking). Als de voorziening tussentijds niet blijkt te voldoen en er geen sprake is van veranderde omstandigheden, kan er door cliënt geen beroep worden gedaan op een vervangende voorziening.
De situatie van de cliënt kan verslechteren. Als wordt verwacht dat de cliënt (langzaam) achteruit zal gaan, wordt dit ook opgenomen in het PvE. Indien nodig dient cliënt mee te werken aan een medisch onderzoek of een passing.
7.3.4. Normale afschrijvingstermijn
Het college verstaat onder de normale afschrijvingsduur de technische afschrijvingsduur. Dit houdt in dat het college niet gehouden is een economisch afgeschreven voorziening, die nog in goede staat is en passend voor de cliënt, in te nemen en een nieuwe maatwerkvoorziening te verstrekken. De normale afschrijvingstermijnen zijn in bijlage 2 opgenomen.
Het pgb voor voorzieningen dient in beginsel toereikend en vergelijkbaar te zijn met de in natura voorziening. De maximale bedragen zijn afgeleid van de bedragen die gelden voor de in natura voorzieningen, inclusief kosten voor onderhoud/reparaties en verzekering. De kosten van de individuele afgestemde aanpassingen worden op grond van de offerte(s) van de hulpmiddelenleverancier(s) vastgesteld. Als de naturaverstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd. In de beschikking wordt een bedrag opgenomen voor verzekering en onderhoud en reparaties. Deze kosten worden vergoed op declaratiebasis tot een - in de beschikking vastgesteld - maximum bedrag per jaar. De hoogte van het pgb en de voorwaarden voor de verantwoording zijn opgenomen in de beschikking.
Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn, dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura. De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college, betekent niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is, dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte, dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat het college vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren, dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb.
Na ontvangst van de beschikking heeft de cliënt zes maanden de tijd om de voorziening aan te schaffen. De Wmo-consulent zal na circa vier maanden contact opnemen met cliënt om te vragen of het lukt om een voorziening aan te schaffen. Mocht het op dat moment nodig zijn, dan krijgt cliënt de mogelijkheid om alsnog naar in natura over te stappen.
7.3.7. Omzetting pgb in voorziening in natura
Een omzetting van het pgb in een voorziening in natura is niet meer mogelijk nadat het pgb reeds is besteed aan een voorziening. De cliënt moet dan tenminste vijf jaar wachten met het doen van een nieuwe aanvraag.
7.4 Pgb voor nagelvaste woningaanpassingen
Bij bouwkundige of technische voorzieningen aan de woning worden twee of meer offertes opgevraagd. Bij een koopwoning vraagt de cliënt zelf twee offertes op en bij een huurwoning wordt door de Wmo-consulent één of meerdere offertes opgevraagd, afhankelijk van de soort woningaanpassing en/of de kosten van de woningaanpassing. De hoogte van het pgb is het bedrag van de goedkoopste adequate offerte; hierbij wordt ook een bedrag opgenomen voor onderhoud, keuring en reparatie.
Aldus besloten in de vergadering van 19-05-2026
Burgemeester en wethouders van Zundert,
secretaris,
G.A.A. van Rijswijk
de burgemeester,
J.G.P. Vermue
Bijlage 1 Zelfredzaamheid-Matrix
GGD Amsterdam. Lauriks, Buster, De Wit, Van de Weerd, Van den Boom, Segeren, Klaufus, Kamann, Fassaert &Tigchelaar. 2016.
ZRM-supplement: Ouderschap 2017
GGD Amsterdam. Fassaert, Lauriks, Buster, De Wit, Van de Weerd en Schönenberger. 2016
Bijlage 4 Omschrijvingen van de vormen van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning
Clientperspectief ontwikkeling
Clientperspectief Stabilisatie
Bijlage 5 Omschrijvingen van de categorieën begeleiding
Clientperspectief ontwikkeling
Clientperspectief ontwikkeling
Clientperspectief ontwikkeling
Clientperspectief Stabilisatie
Clientperspectief stabilisatie
Clientperspectief stabilisatie
Clientperspectief stabilisatie
Clientperspectief stabilisatie
Clientperspectief stabilisatie
Clientperspectief ondersteunen bij achteruitgang
Clientperspectief ondersteunen bij achteruitgang
6.1 Tarieven pgb huishoudelijke ondersteuning
Pgb tarieven huishoudelijke ondersteuning niet professioneel/sociaal netwerk:
PGB tarieven huishoudelijke ondersteuning professioneel (peiljaar 2026)
|
HO stabilisatie incl. wasverzorging en strijk (v.a. 2 personen) |
||
|
||
|
HO+ stabilisatie incl. wasverzorging en strijk (v.a. 2 personen) |
||
|
Maaltijden (bij doelgroep) HO+
|
||
Beide tabellen betreffen peildatum 1 januari 2026.
Tarieven per maand voor pgb begeleiding professionals
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-250491.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.