Gemeenteblad van Albrandswaard
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Albrandswaard | Gemeenteblad 2026, 249565 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Albrandswaard | Gemeenteblad 2026, 249565 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Albrandswaard 2026
De raad van de gemeente Albrandswaard;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van d.d. 24 maart 2026 ;
artikel 108, tweede lid, Gemeentewet, wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;
Vast te stellen de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Albrandswaard 2026.
Hoofdstuk 1. BEGRIPSBEPALINGEN
Hoofdstuk 2. MELDING, ONDERZOEK EN AANVRAAG
Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g, van de wet beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen.
De volgende factoren, ook genoemd in artikel 2.3.2 vierde lid van de wet, maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek als bedoeld in tweede lid:
de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang;
de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang;
Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien:
het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 6 heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden.
Hoofdstuk 3. MAATWERKVOORZIENING
Artikel 9. Algemene criteria voor maatwerkvoorziening
Artikel 9A. Financiële tegemoetkoming verhuizing en (woning)inrichting
Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken voor verhuizing en (woning)inrichting indien dit, gelet op de beperkingen van de cliënt, noodzakelijk is voor het bevorderen of behouden van de zelfredzaamheid of participatie en verhuizen een passend en goedkoopst-adequate alternatief vormt.
Artikel 10. Criteria beschermd wonen en maatschappelijke opvang
De door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam vastgestelde beleidsregels en nadere regels voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang worden door het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard overeenkomstig toegepast, tenzij toepassing daarvan in een individueel geval leidt tot onevenredige gevolgen als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht.
Geen woonvoorziening wordt verstrekt:
voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft in een doelgroepengebouw, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;
Artikel 12. Inhoud beschikking
Artikel 14. Onderscheid formele en informele hulp
Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt:
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;
personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
De hoogte van het persoonsgebonden budget vervoer is gebaseerd op de voorziening collectief vervoer in natura, waarbij het uitgangspunt geldt dat maximaal 2000 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd. Als aan de cliënt ten behoeve van de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving een vervoersvoorziening is verstrekt, wordt een maximum van 1000 km als uitgangspunt gehanteerd. Indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het standaard aantal kilometers niet volstaat dan kan een groter aantal kilometers worden verstrekt.
Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen het tarief voor formele en informele hulp:
Het pgb voor informele hulp, zoals bedoeld in artikel 14, derde lid, wordt vastgesteld op het per uur geldende wettelijk minimumloon voor een werknemer van 21 jaar of ouder als bedoeld in de wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), zoals dit van tijd tot tijd geldt. Dit bedrag wordt aangevuld met vakantiebijslag en verlofuren en, als er sprake is van een arbeidsovereenkomst, ook met de werkgeverslasten.
Hoofdstuk 4. BIJDRAGE IN DE KOSTEN
Artikel 17. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen
Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zoals bijvoorbeeld een wasservice en/of scootmobiel zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. De bijdrage voor een algemene voorziening is zodanig vastgesteld dat deze geen belemmering vormt voor het gebruik van de voorziening en in een redelijke verhouding staat tot de kosten van de voorziening.
Hoofdstuk 5. KWALITEIT EN VEILIGHEID
Artikel 20. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
Hoofdstuk 6. TOEZICHT EN HANDHAVING
Artikel 22. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget
Het college informeert cliënten, hun vertegenwoordiger en zorgaanbieders op een begrijpelijke manier over de rechten en plichten die horen bij het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb. Ook wordt uitleg gegeven over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet dan wel hetgeen krachtens de wet is verstrekt of toegekend.
Hoofdstuk 8. KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK
Artikel 27. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
Hoofdstuk 9. OVERGANGSRECHT EN SLOTBEPALINGEN
Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en de op deze verordening gebaseerde nadere beleidsregels maatschappelijke ondersteuning geldende bedragen verhogen of verlagen.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 11 mei 2026.
De griffier,
drs. Leendert Groenenboom
De voorzitter,
drs. Cees Pille
Artikelsgewijze toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2026
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
In de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en het Uitvoeringsbesluit dat daarbij hoort, staan al veel definities. Daarom staan in deze verordening alleen de belangrijkste begrippen. Niet elk begrip heeft nader uitleg nodig.
Lid 1 a. algemeen gebruikelijke voorziening
Bij deze voorziening gaat het om de vraag: zou de cliënt deze voorziening ook hebben gehad als hij geen beperkingen had? De regels hiervoor komen uit uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Het gaat er niet om hoeveel geld de cliënt zelf precies heeft, maar of een vergelijkbare voorziening voor mensen met een normaal inkomen betaalbaar en gebruikelijk is
Dit betreft algemeen vrij toegankelijke voorzieningen zoals bijvoorbeeld een boodschappenservice, welzijnsactiviteiten of vrijwilligersvervoer. Dit is bedoeld om hen te ondersteunen in het zelfstandig functioneren en participeren in de samenleving. Algemene voorzieningen zijn niet op maat gemaakt voor een individuele situatie, maar voor een bredere groep inwoners toegankelijk, vaak zonder indicatie of beschikking. Denk aan een maaltijdvoorziening, boodschappendienst en vrijwilligershulp.
Lid 1 d. beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning zijn door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde regels waarin wordt uitgewerkt hoe de gemeente de Wmo 2015 en de Wmo verordening toepast in de praktijk. Ze geven invulling aan open normen, verduidelijken hoe besluiten worden genomen en zorgen voor voorspelbaarheid en rechtsgelijkheid voor inwoners.
Beschermd wonen is een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 voor mensen die door psychische of psychosociale problemen niet zelfstandig kunnen wonen en toezicht, begeleiding en een veilige woonomgeving nodig hebben. Het gaat om wonen in een beschermde leefomgeving met “24 uurs” toezicht of nabijheid daarvan, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid, participatie en de doorstroom naar zelfstandiger wonen.
Lid 1 g. Financiële tegemoetkoming
Onder een financiële tegemoetkoming wordt verstaan een bijdrage in de kosten die de cliënt maakt om zijn zelfredzaamheid of participatie te behouden of te verbeteren. Het gaat om situaties waarin ondersteuning noodzakelijk is, maar waarin een maatwerkvoorziening niet passend of niet doelmatig is. De hoogte van de tegemoetkoming kan afhankelijk zijn van de individuele omstandigheden en de werkelijke kosten.
De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet. Als iemand met behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat het college allereerst onderzoekt wat de hulpvraag van betrokkene is. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid van de wet is noodzakelijk.
Een ingezetene van Nederland kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening (artikel 1.2.1 van de wet) en het college beslist op een aanvraag van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening (artikel 2.3.5 van de wet). Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich voor een maatwerkvoorziening moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats. De inschrijving in de Basisregistratie Personen vormt daarbij een belangrijke aanwijzing, maar is niet doorslaggevend.
Lid 1 p. maatschappelijke opvang
Maatschappelijke opvang is een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 die gericht is op het bieden van tijdelijke opvang, begeleiding en ondersteuning aan mensen die dakloos zijn of dreigen te worden, of die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven vanwege psychosociale of andere problemen.
Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding doet het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk onderzoek. Wanneer een ingezetene uitsluitend informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen.
Nadere regels zijn door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde, uitvoeringsgerichte regels die de Wmo-verordening verder concretiseren en specificeren. Waar de verordening de kaders bevat (vastgesteld door de gemeenteraad), vullen nadere regels deze kaders praktisch en gedetailleerd in voor de uitvoering.
Het onderzoeksrapport is het schriftelijke verslag dat de gemeente opstelt na het uitvoeren van het Wmo onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015. Het rapport vormt de weergave van het onderzoek, de feiten, de beoordelingen en de conclusies die nodig zijn om te bepalen of iemand in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. Deze toelichting verduidelijkt waarom dit rapport essentieel is en welke functie het heeft in de besluitvorming.
In het plan kan de cliënt – al dan niet samen met zijn persoonlijke netwerk – de hulpvraag nader beschrijven en ook aangeven welke mogelijkheden of oplossingen hij zelf voor ogen heeft. Deze informatie kan het college meenemen bij zijn onderzoek. Het opstellen van een persoonlijk plan kan de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten versterken.
Semimurale ondersteuning betekent dat iemand niet intramuraal woont, maar wel regelmatig en structureel ondersteuning op locatie ontvangt, vaak in een woonvorm waar begeleiding nabij is of op vaste momenten aanwezig is. Het gaat dus om wonen in de eigen woning of een zelfstandige woonunit, gecombineerd met intensieve begeleiding, maar zonder permanent toezicht of “24 uurs” aanwezigheid zoals bij intramuraal verblijf.
Lid 1 x. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) is de landelijke wet die regelt dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het ondersteunen van inwoners die niet op eigen kracht zelfredzaam kunnen zijn of niet volledig kunnen deelnemen aan de samenleving. De toelichting bij de definitie verduidelijkt het doel, de reikwijdte en de kernprincipes van de wet.
Binnen de Wmo 2015 betekent zelfredzaamheid het vermogen van een inwoner om zichzelf te kunnen redden in het dagelijks leven, met of zonder hulp van het eigen netwerk. De toelichting verduidelijkt dat zelfredzaamheid niet alleen gaat over praktische vaardigheden, maar ook over regie, veiligheid, structuur en maatschappelijk functioneren. Zelfredzaamheid is een kernbegrip in de Wmo: het bepaalt of iemand ondersteuning nodig heeft en welke vorm passend is.
Hoofdstuk 2. Melding, onderzoek en aanvraag
In dit hoofdstuk staan de regels voor het traject dat begint als een inwoner de gemeente om hulp vraagt. Dit traject begint met een melding. De melding is voor de gemeente het moment om te starten met een onderzoek. Het onderzoek is het belangrijkste onderdeel van de procedure in de Wmo 2015. Tijdens het onderzoek kijkt de gemeente of er andere oplossingen zijn dan een maatwerkvoorziening. Denk daarbij bijvoorbeeld aan voorliggende of algemene voorzieningen. Als die voldoende zijn, is een maatwerkvoorziening niet nodig.
De inwoner doet een melding als hij ondersteuning nodig heeft. Dit heet ook wel een hulpvraag. De melding kan op verschillende manieren worden gedaan: schriftelijk, digitaal, mondeling of telefonisch. Het maakt dus niet uit op welke wijze of op welke plaats de melding wordt gedaan. De inwoner kan zelf de melding doen, maar ook iemand namens hem, zoals een familielid of mantelzorger. Nadat er een melding is gedaan, ontvangt de inwoner hiervan een schriftelijke bevestiging. Het onderzoek wordt zo spoedig mogelijk uitgevoerd en in beginsel binnen zes weken afgerond, zoals bepaald in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015.
Artikel 3. Cliëntondersteuning
De verplichtingen uit dit artikel staan ook in de artikelen 2.2.4, eerste lid onderdeel a en 2.3.2, derde lid van de wet. Het is belangrijk dat de cliënt wordt gewezen op de mogelijkheid van cliëntondersteuning. Daarom staat in de ontvangstbevestiging van de melding hoe de cliënt contact kan opnemen met een cliëntondersteuner. Cliëntondersteuning is uitgelegd in artikel 1.1.1 van de wet. De cliëntondersteuning is gratis en onafhankelijk.
De verplichtingen voor het college die hier genoemd worden staan ook in artikel 2.3.2 van de wet. De cliënt mag, voordat het onderzoek start, een persoonlijk plan maken. Hierin schrijft de cliënt op welke hulp nodig is en hoe dit georganiseerd kan worden. Het voordeel hiervan is dat de gemeente direct weet wat de wensen van de cliënt zijn. Hiermee behoudt de cliënt zelf regie over zijn ondersteuning.
Artikel 5. Informatie en identificatie
De verplichtingen in dit artikel komen ook uit de wet, namelijk uit artikelen 2.3.2, zevende lid en 2.3.4, eerste lid. Net als bij artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de cliënt ook in de onderzoeksfase de juiste informatie geven. De gemeente moet zeker weten wie de cliënt is. Daarom vraagt zij om een geldig identiteitsbewijs, zoals bedoeld in de Wet op de identificatieplicht.
Om een goed besluit te nemen, moet de gemeente eerst goed onderzoek doen naar de situatie van de cliënt. Bij het onderzoek kijkt de gemeente samen met de cliënt wat de behoeften, mogelijkheden en voorkeuren zijn. Daarvoor zijn alle belangrijke feiten en omstandigheden nodig. Het onderzoek gebeurt altijd in overleg met de cliënt. Als het kan, worden ook de mantelzorger(s) of een vertegenwoordiger betrokken. Soms blijkt uit dit gesprek dat een algemene voorziening al voldoende is, en een maatwerkvoorziening dus niet nodig is. Soms is een combinatie mogelijk.
De gemeente volgt bij het onderzoek de stappen uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ECLI:NL:CRVB:2018:819, Centrale Raad van Beroep, 16/6592 WMO15-T). Voor een goed beeld van de situatie is vaak persoonlijk contact nodig. Daarom worden meestal één of meer (telefonische) gesprekken gevoerd met de cliënt en eventueel ook met de mantelzorger(s) of vertegenwoordiger.
Soms is een uitgebreid gesprek niet nodig. Bijvoorbeeld als het gaat om een extra vraag over een eerdere beslissing of een duidelijke, eenvoudige vraag. In zulke gevallen kan het onderzoek ook telefonisch of via dossieronderzoek gedaan worden. Dit gaat altijd in overleg met de cliënt .
Deze bepaling volgt uit artikel 2.3.2, achtste lid, van de wet. Het onderzoeksrapport is belangrijk voor een zorgvuldige administratie en een goed verloop van de procedure.
De gemeente geeft de cliënt een schriftelijke samenvatting van het onderzoek. Zo weet de cliënt wat de uitkomst is, en kan hij daarna een aanvraag doen voor een maatwerkvoorziening. Het rapport bevat géén letterlijk verslag van de gesprekken. Alleen de gegevens die nodig zijn voor het besluit worden opgenomen. Een duidelijke samenvatting helpt de gemeente om de juiste beslissing te nemen én zorgt voor duidelijke communicatie met de cliënt. De inhoud van het rapport hangt af van hoe ingewikkeld het onderzoek is. Bij een eenvoudig onderzoek is de samenvatting kort, bij een complex onderzoek is een uitgebreidere toelichting nodig.
Het onderzoeksrapport kan ook gebruikt worden als plan of afspraken richting zorgaanbieder. In dit plan staat dan hoe de cliënt wordt geholpen om zelfredzaam te zijn en mee te doen in de samenleving. Als de cliënt al een persoonlijk plan heeft gemaakt, wordt dat ook in het verslag opgenomen.
Het onderzoek moet zorgvuldig gebeuren. Dit is al eerder toegelicht in artikel 6, bijvoorbeeld aan de hand van het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Soms is er voor het onderzoek specialistische kennis nodig. In dat geval kan het college besluiten advies te vragen aan een deskundige. De gemeente zorgt ervoor dat deze deskundige voldoende kennis heeft. Ook moet voor de cliënt duidelijk zijn op welk gebied deze deskundige advies geeft, bijvoorbeeld medisch, bouwkundig of sociaal.
De aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas gedaan worden nadat het onderzoek is afgerond of nadat de zeswekentermijn van het onderzoek is verstreken en er nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden. Wanneer het onderzoek meer tijd vergt, informeert het college de cliënt tijdig over de oorzaak van de vertraging en over de te verwachten vervolgstappen. Redenen kunnen bijvoorbeeld zijn: een ziekenhuisopname of afwezigheid van de cliënt, een langere doorlooptijd bij het opvragen van offertes voor een woningaanpassing of hulpmiddel, of het nog niet beschikbaar zijn van een (medisch) advies.
Wanneer een cliënt na die 6 weken niet langer wil of kan wachten, bestaat altijd de mogelijkheid om toch een aanvraag in te dienen. In dat geval start direct de wettelijke beslistermijn van twee weken waarbinnen de gemeente een besluit moet nemen. Op deze manier blijft het recht van de cliënt gewaarborgd.
Hoewel in artikel 2.3.5, eerste lid, van de Wmo staat dat een aanvraag alleen betrekking heeft op een maatwerkvoorziening, kunnen soms ook andere oplossingen bijdragen aan zelfredzaamheid en participatie. Dit kan zonder aanvraag worden ingezet. Hierbij kan gedacht worden aan algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen.
Bij een aanvraag voor een hulpmiddel of aanpassing van de woning die via een persoonsgebonden budget (Pgb) wordt betaald, kan de cliënt verplicht worden om minimaal 2 offertes aan te leveren. De gemeente mag ook zelf offertes opvragen. Zo kan de gemeente goed vergelijken en kiezen voor de goedkoopst-adequate oplossing.
Lid 6 maakt duidelijk dat dezelfde aanvraagprocedure geldt voor financiële tegemoetkomingen als voor maatwerkvoorzieningen. Dit zorgt voor één uniforme werkwijze en voorkomt dat er verschillende procedures naast elkaar ontstaan.
Hoofdstuk 3. Maatwerkvoorziening
In dit hoofdstuk staat omschreven voor welke maatvoorzieningen een cliënt in aanmerking kan komen. Ook zijn er regels en aanvullende criteria opgenomen op basis waarvan het college beslist op de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Een cliënt kan de maatwerkvoorziening in natura ontvangen, maar ook in de vorm van een pgb, als hij dat wenst. Tevens staat in dit hoofdstuk beschreven wanneer er geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt.
Artikel 9. Algemene criteria voor maatwerkvoorzieningen
Dit artikel beschrijft de uitgangspunten die het college hanteert bij het beoordelen van aanvragen voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. De algemene criteria vormen samen het kader waarbinnen het college zorgvuldig, transparant en consistent besluiten neemt.
Het onderzoeksrapport vormt de basis voor de besluitvorming. In dit rapport staat welke beperkingen de cliënt ervaart, welke ondersteuning nodig is en welke mogelijkheden er zijn binnen de eigen kracht, het netwerk en algemene voorzieningen. Het rapport zorgt ervoor dat het besluit goed onderbouwd en navolgbaar is.
Bij elke aanvraag staat de ondersteuningsvraag van de cliënt centraal. Het college weegt daarbij alle betrokken belangen mee: het belang van de cliënt zelf, de draagkracht van de naaste omgeving, het maatschappelijk belang en de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid. Deze brede belangenafweging zorgt voor een evenwichtig en zorgvuldig besluit.
De gemeente verstrekt pas een maatwerkvoorziening wanneer de cliënt zijn probleem niet zelf kan oplossen. Dit betekent dat eerst wordt gekeken naar:
Pas wanneer deze mogelijkheden onvoldoende zijn, kan een maatwerkvoorziening worden toegekend.
Dit artikel maakt duidelijk dat ondersteuning die als gebruikelijke hulp wordt gezien, niet via een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Gebruikelijke hulp is de hulp die huisgenoten of naasten in redelijkheid kunnen bieden. Wat hieronder valt, hangt af van de relatie tussen betrokkenen, de aard en zwaarte van de ondersteuning, hoe vaak deze nodig is en hoe lang deze duurt. Deze factoren helpen het college om te bepalen of hulp normaal gesproken binnen het huishouden kan worden opgevangen of dat een maatwerkvoorziening nodig is.
Wanneer meerdere passende oplossingen mogelijk zijn, kiest het college voor de goedkoopst adequate-voorziening. Dit sluit aan bij het uitgangspunt van doelmatigheid binnen de Wmo.
Het college beoordeelt of de maatwerkvoorziening veilig is, geen gezondheidsrisico’s oplevert en revalidatie niet belemmert. Ook moet de cliënt een veilige werkomgeving kunnen bieden aan professionals die ondersteuning leveren.
Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt wanneer de noodzaak niet voorzienbaar was en niet te voorkomen was. Dit betekent dat van een cliënt wordt verwacht te anticiperen op bekende beperkingen en geen keuzes maakt waarvan redelijkerwijs te verwachten is dat deze tot problemen kan leiden. Alleen wanneer een cliënt een probleem niet kon voorzien of kon voorkomen kan er een maatwerk voorziening verstrekt worden.
Bij voorzieningen gericht op zelfredzaamheid en participatie beoordeelt het college of de ondersteuningsvraag redelijkerwijs niet te voorkomen was en niet voorzienbaar was. Hiermee wordt voorkomen dat ondersteuning wordt ingezet voor situaties die door de cliënt zelf hadden kunnen worden voorkomen.
Wanneer een voorziening technisch is afgeschreven betekent dat het hulpmiddel door ouderdom of slijtage niet meer goed werkt en of veilig gebruikt kan worden. De leverancier bepaalt of een voorziening technisch is afgeschreven. Wanneer dit het geval is ontvangt de cliënt een nieuwe voorziening.
Het kan ook gebeuren dat een voorziening kwijt of kapot raakt zonder dat de cliënt daar iets aan kan doen. Denk daarbij aan diefstal of door schade vanwege een ongeluk waar de cliënt geen schuld aan heeft. In dat geval kan de gemeente een nieuwe voorziening verstrekken. Wanneer de schade ontstaat door onzorgvuldig gebruik hoeft de gemeente geen nieuwe voorziening te verstrekken.
Wanneer de medische situatie van de cliënt wijzigt waardoor de voorziening niet meer bij de cliënt past kan de gemeente overgaan tot het verstrekken van een nieuwe voorziening die aansluit bij de huidige medische situatie.
Bij woningaanpassingen onderzoekt het college of verhuizen een goedkoper en adequaat alternatief is. Dit voorkomt dat hoge kosten worden gemaakt voor aanpassingen die niet noodzakelijk zijn wanneer een geschikte woning beschikbaar is.
Het college kan aanvullende regels vaststellen om de uitvoering van deze criteria verder te verduidelijken. Hiermee kan de gemeente inspelen op lokale omstandigheden en beleidsontwikkelingen.
Dit lid verduidelijkt welke specifieke voorzieningen, zoals een tegemoetkoming voor verhuizing en (woning)inrichting en sporthulpmiddelen, onder het begrip maatwerkvoorziening kunnen vallen. Hoewel deze voorzieningen op basis van het algemene compensatiebeginsel al mogelijk zijn, biedt expliciete benoeming meer rechtszekerheid en eenduidigheid in de uitvoering. De voorzieningen worden alleen verstrekt indien dit noodzakelijk is om beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie op te heffen of te verminderen en met inachtneming van de criteria van artikel 9, zoals eigen kracht, goedkoopst-adequate en noodzaak.
Dit artikel biedt het college de mogelijkheid een financiële tegemoetkoming te verstrekken voor verhuizing en (woning)inrichting, indien dit vanwege de beperkingen van de cliënt noodzakelijk is voor het bevorderen of behouden van de zelfredzaamheid of participatie. Verhuizen moet daarbij een passend en goedkoopst-adequaat alternatief zijn.
Geen tegemoetkoming wordt verstrekt indien een voorliggende voorziening, verzekering of wettelijke regeling in de kosten voorziet. Ook wordt geen tegemoetkoming verstrekt wanneer sprake is van een eerste zelfstandige woning of bij verhuizing naar een semimurale of intramurale instelling.
Het college stelt nadere regels over onder meer de hoogte van de tegemoetkoming, de wijze van uitbetaling, de termijn waarbinnen opnieuw aanspraak kan bestaan en voorwaarden ter voorkoming van oneigenlijk gebruik.
Voor deze tegemoetkoming is geen eigen bijdrage verschuldigd.
Dit artikel biedt het college de mogelijkheid een tegemoetkoming te verstrekken aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die als gevolg daarvan aannemelijke meerkosten hebben. De tegemoetkoming is bedoeld ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie.
De tegemoetkoming kan tevens betrekking hebben op meerkosten voor sporthulpmiddelen of aanpassingen daarvan, indien deze noodzakelijk zijn voor participatie. Een tegemoetkoming wordt uitsluitend verstrekt voor zover geen aanspraak bestaat op vergoeding via een voorliggende voorziening, verzekering of wettelijke regeling.
Het college stelt nadere regels over onder meer de hoogte van de tegemoetkoming, de doelgroep- en toegangscriteria, de wijze van uitbetaling en de frequentie of termijn waarbinnen aanspraak kan worden gemaakt.
Voor deze tegemoetkoming is geen eigen bijdrage verschuldigd.
Artikel 10. Criteria beschermd wonen en maatschappelijke opvang
Dit artikel legt vast dat Albrandswaard voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang aansluit bij de regionale uitvoering door centrumgemeente Rotterdam. Rotterdam verzorgt de toegang, beoordeling en uitvoering volgens de eigen procedures en beleidsregels. Albrandswaard past deze regels toe, maar kan daarvan afwijken als dit in een individueel geval tot onevenredige gevolgen zou leiden. Waar nodig kan Albrandswaard aanvullende lokale regels vaststellen, zolang deze niet in strijd zijn met de regionale afspraken.
Artikel 10A Toegang tot beschermd wonen en maatschappelijke opvang
Beschermd wonen en maatschappelijke opvang zijn voorzieningen voor inwoners die door psychische, psychosociale of veiligheidsproblemen niet in staat zijn zelfstandig te wonen of zich veilig te handhaven. Artikel 10A geeft de voorwaarden waaronder deze ondersteuning kan worden ingezet. De Wmo 2015 gaat uit van het principe dat ondersteuning zo licht mogelijk en zo zwaar als nodig wordt ingezet. Daarom wordt eerst beoordeeld of andere vormen van hulp, zoals inzet van het netwerk, ambulante begeleiding of voorliggende voorzieningen, voldoende zijn. Alleen wanneer deze opties tekortschieten, komt beschermd wonen of opvang in beeld.
Het college voert een zorgvuldig onderzoek uit naar de aard van de problemen, de noodzaak van een beschermde of opvangomgeving en de mogelijkheden van de cliënt. De voorziening moet bijdragen aan herstel van stabiliteit, zelfredzaamheid en participatie. Het artikel biedt daarnaast ruimte om voorwaarden te stellen, zoals medewerking aan begeleiding, behandeling of uitstroomtrajecten, om de effectiviteit van de ondersteuning te vergroten en de doorstroom naar zelfstandiger wonen te bevorderen.
Artikel 11a beschrijft wat onder beschermd wonen wordt verstaan en welke ondersteuning minimaal onderdeel uitmaakt van deze maatwerkvoorziening. Beschermd wonen biedt inwoners een woonomgeving met begeleiding en toezicht, maar is nadrukkelijk meer dan alleen huisvesting: het gaat om een samenhangend pakket van ondersteuning dat aansluit bij de behoeften van mensen die tijdelijk niet zelfstandig kunnen wonen.
De in het artikel genoemde onderdelen – begeleiding bij dagelijkse activiteiten, het bieden van structuur en veiligheid, en ondersteuning gericht op herstel en participatie – vormen de basisfuncties van beschermd wonen. Deze functies zorgen ervoor dat cliënten kunnen stabiliseren, vaardigheden kunnen ontwikkelen en kunnen toewerken naar een passende vervolgstap, zoals begeleid of zelfstandig wonen.
Het artikel geeft daarnaast ruimte om via nadere regels te bepalen hoe intensief en op welke wijze beschermd wonen lokaal wordt vormgegeven. Dit maakt het mogelijk om het aanbod flexibel aan te passen aan de lokale situatie, de beschikbare woonvormen en de behoeften van verschillende doelgroepen.
Artikel 11b – Maatschappelijke opvang
Artikel 11b beschrijft de voorwaarden en inhoud van maatschappelijke opvang. Deze voorziening is bedoeld voor inwoners die door dakloosheid, huiselijk geweld of een acute crisissituatie tijdelijk niet in staat zijn zelfstandig te wonen. De opvang biedt een veilige plek waar stabiliteit kan worden hersteld en waar begeleiding beschikbaar is om verdere ontregeling te voorkomen.
De maatschappelijke opvang omvat minimaal drie elementen: tijdelijk onderdak, begeleiding gericht op herstel en stabilisatie, en ondersteuning bij uitstroom naar een passende woon- of leefsituatie. Daarmee is de opvang niet alleen gericht op het bieden van een veilige verblijfplaats, maar ook op het creëren van perspectief en het doorbreken van een onveilige of instabiele situatie.
Het artikel geeft het college de mogelijkheid om nadere regels te stellen over de inhoud en omvang van de opvang. Hiermee kan de gemeente inspelen op lokale omstandigheden, verschillende doelgroepen en de gewenste intensiteit van begeleiding. Dit zorgt voor duidelijkheid richting cliënten en aanbieders en maakt het mogelijk om de maatschappelijke opvang flexibel en doelgericht vorm te geven.
In de rechtbankjurisprudentie is bepaald dat de redenen voor een afwijzing altijd in de verordening moeten staan.
In artikel 2.3.5, vijfde lid van de Wmo 2015 staat dat een maatwerkvoorziening alleen wordt verstrekt als de hulp niet op een andere manier beschikbaar is.
Als een cliënt recht heeft op hulp via een andere wettelijke regeling, bijvoorbeeld via de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg (Wlz), moet de gemeente deze mogelijkheid als eerste laten benutten. Dit wordt in de Wmo beschouwd als een vorm van eigen kracht: de cliënt maakt gebruik van wat wettelijk al beschikbaar is. Daarom geldt dat de gemeente in zo’n geval geen maatwerkvoorziening hoeft toe te kennen.
Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening realiseert of aankoopt en daarna pas een beroep op de gemeente doet. Als de voorziening is gerealiseerd voor de melding, dan bestaan er feitelijk geen beperkingen meer die het college moet compenseren. De cliënt heeft op deze wijze laten zien dat de hulpvraag in eigen kracht opgelost kan worden. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie, waardoor cliënt niet in staat was om eerst contact te zoeken met de gemeente. Is de voorziening na de melding, maar voor de aanvraag of het besluit daarop gerealiseerd, dan kan het college de voorziening weigeren als de noodzaak, adequaatheid en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kan worden. Dat is alleen anders als tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisering van de gevraagde voorziening.
Deze weigeringsgrond betekent dat een maatwerkvoorziening alleen wordt verstrekt wanneer de ondersteuning echt gericht is op de persoonlijke situatie van de cliënt. Als de gevraagde voorziening een algemeen of groepsgericht karakter heeft en niet noodzakelijk is voor de individuele zelfredzaamheid of participatie, kan het college de aanvraag afwijzen.
In dit deel staat dat een aanvraag kan worden afgewezen als het gaat om een vergoeding of voorziening die al eerder is gegeven. Dit geldt vooral als het verlies van het middel door toedoen van de cliënt is ontstaan, bijvoorbeeld door onvoorzichtig gedrag of nalatigheid. Als de cliënt er niets aan kan doen, wordt de aanvraag niet geweigerd.
Hier speelt ook de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een rol. Bijvoorbeeld: als in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is geplaatst, moet dit worden meegenomen in de waardebepaling van het huis. Dit risico moet de cliënt laten meeverzekeren in de opstalverzekering. Als er daarna brand uitbreekt en blijkt dat de woning niet goed genoeg verzekerd is, kan de cliënt op dat moment geen gebruik maken van deze regeling.
Als de cliënt bij het maken van keuzes redelijkerwijs had kunnen weten dat dit tot problemen zou leiden, mag de gemeente een aanvraag weigeren.
Wanneer er reden is om aan te nemen dat cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie, zal de cliënt deze aanvraag eerst in moeten dienen bij het CIZ voordat de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wmo maatwerkvoorziening. Wanneer de Wlz-indicatie is afgewezen en de cliënt dit aan kan tonen of toestemming geeft deze informatie bij het CIZ op te vragen, kan er alsnog een beoordeling voor een Wmo-maatwerkvoorziening plaatsvinden.
Een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd, beëindigd of niet worden voortgezet wanneer het gedrag van de cliënt maakt dat de voorziening niet op een verantwoorde manier kan worden verstrekt of gebruikt. Het gaat om situaties waarin de cliënt bijvoorbeeld afspraken structureel niet nakomt, niet meewerkt aan noodzakelijk onderhoud of controle, of door zijn gedrag de veiligheid van medewerkers of anderen in gevaar brengt.
De in het tweede lid opgenomen gronden zijn specifiek van toepassing op maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie.
Een voorziening moet langdurig noodzakelijk zijn. Het begrip langdurig noodzakelijk bestaat uit 2 onderdelen die los van elkaar bekeken kunnen worden. De voorziening moet:
Met langdurig wordt bedoeld dat de cliënt voor minimaal 6 maanden aangewezen moet zijn op de desbetreffende voorziening. Voor langere tijd betekent dan ook in ieder geval dat degene die tijdelijk beperkingen ondervindt, bijvoorbeeld door een ongeluk, niet voor een voorziening in aanmerking komt. Degene die voor 'beperkte of onzekere duur' beperkingen ondervindt kan een beroep doen op de Zorgverzekeringswet.
Kenmerkend is dat de beperking die iemand heeft, volgens de medische wetenschap op het moment van de aanvraag niet meer kan verbeteren. Er is dus geen reden om te verwachten dat de situatie van de cliënt beter wordt. De voorspelling over de toekomst (prognose) is daarom heel belangrijk. Als de prognose zegt dat de cliënt na een tijdje zonder de hulpmiddelen of aanpassingen kan, dan mag het college ervan uitgaan dat het maar tijdelijk nodig is. Maar als de situatie steeds wisselt, met periodes van verbetering en terugval, kan er juist sprake zijn van een langdurige behoefte aan de voorziening. De medisch adviseur helpt bepalen of er wel of geen langdurige noodzaak is voor de voorziening.
In lid 3 zijn de specifieke weigeringsgronden opgenomen die gelden bij de toekenning van woonvoorzieningen. Het college kan in plaats van een woningaanpassing ook een verhuiskostenvergoeding verstrekken.
Het college hoeft geen voorziening te verstrekken als de beperkingen het gevolg zijn van de aard van de gebruikte materialen. Ook als de beperkingen voortkomen uit achterstallig onderhoud van de woning hoeft het college geen woonvoorziening te verstrekken.
Dit beginsel geldt niet als is voldaan aan de volgende twee eisen:
Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de wet op de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden.
Als er in de te verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Uitzondering op deze bepaling is de zogeheten “belangrijke reden”. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is echter steeds afhankelijk van een weging van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Als een cliënt gaat verhuizen, moet hij of zij op zoek gaan naar een woning die zo goed mogelijk past bij zijn of haar situatie. Het is niet de bedoeling dat iemand zomaar een woning kiest die niet geschikt is, en daarna bij de gemeente aanklopt voor aanpassingen.
Met "verhuizen" bedoelt men hier niet alleen de daadwerkelijke verhuizing, maar ook alles wat er normaal gesproken aan voorafgaat. Denk aan het tekenen van een koopcontract, huurcontract of erfpachtovereenkomst. Dat zijn onomkeerbare stappen die betekenen dat de verhuizing bijna zeker doorgaat.
Voor de gemeente is het belangrijk om een goed beeld te hebben van het aantal woningen dat al aangepast is of makkelijk aangepast kan worden. Alleen dan kan de gemeente beoordelen of iemand naar een geschikte woning verhuist. Als een cliënt vanuit een andere gemeente verhuist en van tevoren geen contact heeft opgenomen met de gemeente om samen te kijken naar andere mogelijkheden of toestemming te vragen, dan verandert er iets. Dan moet de cliënt zelf bewijzen (met controleerbare informatie) dat er geen geschikte woning beschikbaar was.
Bijvoorbeeld: een cliënt in een rolstoel verhuist naar een woning zonder lift. De daaruit voortvloeiende beperkingen waren voorzienbaar, dus kan het college de aanvraag afwijzen.
Bij co-ouderschap ligt het ouderlijk gezag in de praktijk vaak bij beide ouders.
Het juridische hoofdverblijf van een kind wordt meestal door de rechter bepaald en vastgelegd in het ouderschapsplan. Als het hoofdverblijf niet is vastgesteld, dan kan gekeken worden naar het feitelijk verblijf. In de praktijk kan het voorkomen dat het feitelijk verblijf evenredig is verdeeld. Nu de CRvB heeft geoordeeld dat een cliënt niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats kan hebben, dient de inschrijving van het kind in het BRP de doorslag te geven.
Voor wat betreft woningaanpassingen heeft dit tot gevolg dat slechts één woning hoeft te worden aangepast. In artikel 1:247, vierde lid BW is gewaarborgd dat het kind recht heeft op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. En uit artikel 3 IVRK volgt dat het belang van het kind voorop moet staan bij alle maatregelen die kinderen aangaan. Om die reden is de uitzondering voor co-ouderschap opgenomen.
Er worden geen voorzieningen verstrekt in gemeenschappelijke ruimten, anders dan de genoemde in deze bepaling. Naar het oordeel van de CRvB is een dergelijke bepaling in het algemeen niet in strijd met de Wmo.
De genoemde voorzieningen kunnen wel verstrekt worden in een gemeenschappelijke ruimte als het voor een individu noodzakelijk is.
Voorzieningen die bij nieuwbouw of verbouwing zonder grote kosten meegenomen hadden kunnen worden, hoeven niet meer apart vergoed te worden.
Er wordt geen tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting verstrekt ook:
Deze bepaling geeft aan dat bij het beoordelen van de vervoersbehoefte voor maatschappelijke participatie alleen wordt gekeken naar verplaatsingen binnen de directe woon- en leefomgeving van de cliënt. Het gaat om dagelijkse en noodzakelijke verplaatsingen, zoals naar winkels, huisarts, dagbesteding of sociaal contact in de nabije omgeving.
Voor vervoer over langere afstanden, bijvoorbeeld voor sociaal contact buiten de regio of familiebezoek verder weg, kunnen cliënten gebruikmaken van Valys, de landelijke vervoersvoorziening voor mensen met een mobiliteitsbeperking.
Artikel 12. Inhoud beschikking
De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel staat beschreven welke onderdelen in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen.
Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. In dit lid staan de voorwaarden en het kwaliteitskader waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor een pgb.
Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij op grond van deze verordening een budgetplan en ondersteuningsplan opstellen. In deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken volgen rechtstreeks uit de wet. De Wmo 2015 noemt in artikel 2.3.6 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. De gemeente gebruikt dit plan om te controleren of aan de voorwaarden uit de wet is voldaan als bedoeld in artikel 2.3.6 van de wet.
In lid 3 zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening. Het pgb bevat om die reden ook geen vrij besteedbaar deel (lid 4).
Het is mogelijk om de SVB te verzoeken om betalingen uit het pgb tijdelijk op te schorten, bijvoorbeeld in situaties waarbij de cliënt tijdelijk in het ziekenhuis is opgenomen of voor langere tijd in het buitenland verblijft. De voorziening hoeft dan niet direct te worden beëindigd, maar kan tijdelijk worden stopgezet.
De Wmo richt zich op mensen die ondersteuning nodig hebben om zelfstandig te blijven wonen. Dat zijn vaak kwetsbare persoongroepen. Als voorwaarde voor verstrekking van een pgb is daarom opgenomen dat de zorgverlener een VOG overhandigt. Voor wat betreft de zorgaanbieders in natura volgt deze verplichting uit de gestelde kwaliteitseisen. Een VOG helpt te voorkomen dat personen met een risicovol verleden in een positie komen waarin misbruik of grensoverschrijdend gedrag mogelijk is.
Op grond van het kwaliteitskader is het mogelijk om de geleverde kwaliteit van de aanbieders te controleren en beoordelen. Het maakt mogelijk om pgb-aanbieders aan te spreken op de geleverde kwaliteit en hier mogelijk consequenties aan te verbinden.
Cliënt is zelf verantwoordelijk voor inkoop van kwalitatief verantwoorde ondersteuning. Het college heeft echter wel een rol bij de beoordeling of sprake is van goede kwaliteit. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt volgens artikel 2.3.6, derde lid Wmo 2015.
Het pgb moet binnen een bepaalde tijd worden besteed. Zo weet iedereen waar hij aan toe is, en blijft het proces duidelijk en rechtmatig.
Een pgb voor vervoer met eigen auto, taxi of rolstoeltaxi wordt alleen verstrekt als de cliënt medisch of gedragsmatig niet in staat is gebruik te maken van het collectieve vervoer, zoals de regiotaxi. Het collectief vervoer is het uitgangspunt binnen de Wmo; een pgb is pas mogelijk als dat aantoonbaar niet passend is.
In spoedeisende situaties, zoals bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo 2015, moet het college snel passende ondersteuning bieden. Omdat een persoonsgebonden budget (pgb) tijd vraagt voor beoordeling, toekenning en verantwoording, is het niet geschikt voor acute situaties. Daarom wordt in zulke gevallen geen pgb verstrekt, maar wordt ondersteuning in natura ingezet om direct hulp te kunnen bieden.
Een persoonsgebonden budget (pgb) is bedoeld voor ondersteuning binnen Nederland. Besteding in het buitenland is in principe niet toegestaan, tenzij het college hiervoor uitdrukkelijk toestemming voor geeft op basis van nadere regels. In het buitenland kan het college namelijk onvoldoende toezicht houden op de besteding en kwaliteit van de ondersteuning, wat controle en verantwoording bemoeilijkt. Alleen in uitzonderlijke gevallen, en onder strikte voorwaarden, kan het college een uitzondering maken.
Het college heeft de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen over de voorwaarden voor het verstrekken van een persoonsgebonden budget (pgb).
Artikel 13A Persoonsgebonden budget voor beschermd wonen
Dit artikel regelt wanneer een persoonsgebonden budget (pgb) voor beschermd wonen mogelijk is. Een pgb wordt alleen verstrekt als de cliënt of diens vertegenwoordiger pgb-vaardig is, de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd en de ondersteuning veilig en doelmatig kan worden geleverd. Het college kan een pgb weigeren als deze voorwaarden niet worden vervuld. Daarnaast stelt het college nadere regels vast om te beoordelen of de ingekochte ondersteuning aan de gestelde eisen voldoet.
Artikel 14. Onderscheid formele en informele hulp
Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.
Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandige hulpverlener (zzp-er) die geregistreerd staat in het Handelsregister. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. ouders, broers, zussen en kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die voldoet aan de criteria genoemd in het tweede lid van deze bepaling; dan nog geldt dit in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorggerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.
Informele hulp is alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroepsmatig of bedrijfsmatig ondersteuning verlenen. In de praktijk gaat het dan meestal om personen uit het sociale netwerk.
De Wmo schrijft voor dat het pgb toereikend moet zijn (artikel 2.1.3, lid 2b). De gemeente mag verschillende tarieven gebruiken voor verschillende soorten hulp en hulpverleners. De Regeling Dienstverlening Aan Huis (RDAH) is afgeschaft per 1-1-2026: dit heeft gevolgen voor budgethouders die nu 3 dagen per week of minder ondersteuning krijgen. Voor die zorgverleners moet de budgethouder ook werkgeverslasten gaan afdragen. Dit heeft invloed op tarieven die cliënt vanuit een pgb aan de zorgverleners moet betalen.
In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor een hulpmiddel, bijvoorbeeld een scootmobiel of woningaanpassing. Het maximale tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven. Als de cliënt aangeeft dat de voorziening voor een lager tarief ingekocht kan worden, mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Als de gemeente voor het betreffende hulpmiddel geen overeenkomst heeft met een leverancier, wordt de hoogte van het pgb op offertebasis bepaald.
Cliënt die gebruik kunnen maken van collectief vervoer, hebben aanspraak op de natura voorziening en niet op een pgb. Is een cliënt echter aangewezen op een andere vorm van vervoer, dan wordt de hoogte van een pgb afgestemd op de afstand die cliënt zou kunnen reizen met behulp van collectief vervoer. Deze afstand bedraagt maximaal 2000 kilometer binnen de eigen woon- en leefomgeving en mits er geen andere vervoersvoorziening verstrekt is.
Hierin wordt de maximale hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten voor professionals en het informele netwerk bepaald. Voor formele hulp geldt dat het pgb-tarief gebaseerd is op de kostprijs van een vergelijkbare maatwerkvoorziening in natura.
Voor informele hulp, zoals hulp van een familielid of iemand uit het sociale netwerk, mag het persoonsgebonden budget (pgb) worden vastgesteld op basis van het wettelijk minimumloon voor een werknemer van 21 jaar of ouder, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Dit bedrag wordt aangevuld met vakantiebijslag en de tegenwaarde van verlofuren. Als er sprake is van een arbeidsovereenkomst wordt het tarief ook verhoogd met werkgeverslasten.
De Centrale Raad van Beroep heeft bevestigd dat dit tarief ook voor informele hulp bij huishoudelijke ondersteuning en individuele begeleiding is toegestaan, mits de cliënt met dit tarief passende ondersteuning kan inkopen. Het college beoordeelt per situatie of het tarief toereikend is.
Het pgb‑tarief voor informele hulp bij kortdurend verblijf wordt gemaximeerd op 75% van het uurtarief van de goedkoopst‑adequate voorziening in natura. Dit percentage waarborgt dat het pgb in verhouding blijft tot de kosten van zorg in natura en voorkomt dat informele hulp duurder wordt dan professionele ondersteuning. Het tarief wordt niet gebaseerd op het minimumloon, omdat dit geen reële afspiegeling vormt van de kosten van kortdurend verblijf en geen recht doet aan de aard van deze voorziening. Door aan te sluiten bij een percentage van het natura‑tarief blijft het pgb doelmatig, uitvoerbaar en in lijn met de landelijke kaders voor informele hulp.
Hierin wordt de maximale hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten voor professionals en het informele netwerk bepaald.
Het pgb-tarief (informeel en formeel) wordt gedurende de looptijd van de toekenning van de maatwerkvoorziening voor dienstverlening, tussentijds geïndexeerd. Het wettelijk minimumloon wordt twee keer per jaar vastgesteld (1 januari en 1 juli). Omdat het informele pgb‑tarief rechtstreeks is gebaseerd op dit minimumloon plus de daarbij behorende toeslagen, wordt het informele pgb‑tarief automatisch ook twee keer per jaar aangepast.
Artikel 16. Nadere verplichtingen budgethouder
Dit artikel stelt een aantal specifieke voorwaarden aan de budgethouder. De budgethouder is verplicht om de aangeschafte voorziening te behandelen alsof het zijn eigendom is. Dit wil zeggen, goed te onderhouden, te verzekeren en op een zorgvuldige wijze mee om te gaan.
Hoofdstuk 4. Bijdrage in de kosten
De gemeente mag van cliënt en een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen. In dit hoofdstuk staan de regels over deze bijdrage.
Artikel 17. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen, pgb en sommige algemene voorzieningen
De gemeente mag van cliënt en een bijdrage in de kosten vragen voor:
Formuleert deze verplichting voor wat betreft de bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen.
De hoogte van de eigen bijdrage is landelijk bepaald en wordt vastgesteld door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het uitgangspunt is wel dat de totale eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening, de kostprijs van de betreffende voorziening niet mag overstijgen: de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen.
Wettelijk gezien is het niet toegestaan om een eigen bijdrage te innen bij rolstoelen en kindvoorzieningen.
Dit lid legt uit hoe de kostprijs wordt vastgesteld bij zorg in natura en bij een pgb. De kostprijs bepaalt de maximale hoogte van de eigen bijdrage die een cliënt moet betalen.
Voor financiële tegemoetkomingen die door het college worden verstrekt, is geen eigen bijdrage verschuldigd. Dit volgt uit het karakter van deze tegemoetkomingen, die bedoeld zijn als ondersteuning bij specifieke meerkosten en niet als maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Het heffen van een eigen bijdrage zou het compenserende doel van deze tegemoetkomingen ondermijnen.
Artikel 17a – Bijdrage beschermd wonen
Ook voor het gebruik van beschermd wonen is cliënt een eigen bijdrage verschuldigd. Wanneer cliënt gebruik maakt van beschermd wonen wordt door de gemeente dit doorgegeven aan het CAK zodat zij de inning van de eigen bijdrage kunnen doen.
Artikel 18. Bijdrage in de kosten van de maatwerkvoorziening Collectief vervoer
De hoogte van de eigen bijdrage voor collectief vervoer wordt bepaald door het tijdstip waarop de rit uitgevoerd wordt. Omdat de bijdrage jaarlijks aangepast wordt door indexering, staat het bedrag in de nadere regels. De eigen bijdrage die verschuldigd is, is gebaseerd op basis van een opstaptarief en zone indeling wat van toepassing is in het regulier openbaar vervoer.
Hoofdstuk 5. Kwaliteit en veiligheid
De gemeente en zorgaanbieders zijn samen verantwoordelijk voor goede kwaliteit van de voorzieningen. In de verordening staat welke kwaliteitseisen er zijn waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten (artikel 2.1.3, tweede lid onderdeel c van de wet). Ook worden er regels gesteld die een goede verhouding waarborgen tussen de prijs voor de levering van een voorziening (artikel 2.6.6 van de wet).
Artikel 19. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke kwaliteitseisen worden gesteld aan de voorzieningen en de eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.
Artikel 20. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan, is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen (artikel 2.6.6, eerste lid van de wet). In artikel 5.4 van het uitvoeringsbesluit is uitgewerkt wat hierin van de gemeente wordt verwacht. Doel is dat een vaste of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die derden verlenen in opdracht van het college.
In het uitvoeringsbesluit is uitgewerkt welke kostprijselementen de gemeente in ieder geval moet meenemen om te kunnen spreken van een vaste of reële prijs. Die kostprijselementen zijn ook vermeld in deze verordening (artikel 20 lid 3 en 4).
Voor de uitvoeringspraktijk zijn handreikingen over de normering van kostprijselementen beschikbaar die colleges en aanbieders kunnen toepassen om te komen tot een reële prijs.
Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht. Hieronder vallen loonkosten en andere kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Het college moet zich dus een beeld vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing. Daarmee gelden die bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector. Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren.
Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten, een voor de sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, reis- en opleidingskosten, indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.
Het vaststellen van een reële prijs door het college heeft pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs moet gebruiken. De vastgestelde reële prijs moet daarvoor zijn plaats krijgen in de aanbestedingsprocedure en in de overeenkomst met de derde.
Het college moet de overheidsopdracht gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving (op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet). Overigens kan het college in afwijking hiervan een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4, derde lid van de wet). Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2:115 van de Aanbestedingswet 2012). Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium. De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis, zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Aan dit besluit moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de Awb). De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig. Het college moet ongeldige inschrijvingen ter zijde leggen, de betrokken ondernemers komen niet meer in aanmerking voor de gunning. Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en vult deze bevoegdheden op grond van de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van artikelen 2.6.4 en 2.6.6 van de wet.
In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, ofwel een vaste prijs vaststelt, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.
Bij het vaststellen van de prijs moet het college rekening houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht. Het college moet ook rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeente. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt als de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht.
Het college moet de vaste prijs of de reële prijs voor diensten minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen.
Hierin is een bepaling opgenomen over de prijs-kwaliteitverhouding van andere voorzieningen dan diensten, bijvoorbeeld hulpmiddelen. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit is hierop niet van toepassing.
Artikel 21. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
De aanbieder moet bij de toezichthoudend ambtenaar melding doen van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden. Ook als er sprake is van geweld tijdens de verstrekking van een voorziening.
Onder 'calamiteit' wordt verstaan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid.
Onder 'geweld bij de verstrekking van een voorziening' wordt verstaan seksueel binnendringen van het lichaam van of ontucht met een cliënt en lichamelijk en geestelijk geweld jegens een cliënt, door een beroepskracht dan wel door een andere inwoner.
Het college heeft de toezichthouders van GGD Rotterdam-Rijnmond aangewezen (artikel 6.1 van de wet). Zij onderzoeken deze meldingen en adviseren het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
Hoofdstuk 6. Toezicht en handhaving
Artikel 22. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget
De gemeente moet in de verordening regels opnemen tegen misbruik. Dit artikel zorgt ervoor dat de gemeente maatregelen kan nemen als iemand onterecht een maatwerkvoorziening of pgb ontvangt, of de Wmo oneigenlijk gebruikt.
De gemeente kan in bepaalde gevallen bedragen verrekenen. Verrekening houdt in dat een vordering van het college wordt verrekend met een bedrag waarop de cliënt aanspraak heeft. Op grond van artikel 4:93, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is verrekening alleen toegestaan indien daarvoor een wettelijke grondslag bestaat.
Deze grondslag is opgenomen in artikel 3.3, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Op basis daarvan kan het college een vordering op grond van de Wmo 2015, waaronder een terugvordering van een persoonsgebonden budget, verrekenen met vorderingen op grond van de Wmo 2015 of de Participatiewet. Verrekening vindt uitsluitend plaats binnen de grenzen van deze wettelijke bevoegdheid.
Hoofdstuk 7. Waardering mantelzorgers
Artikel 24. Jaarlijkse waardering mantelzorgers
In deze bepaling staat wat de jaarlijkse waardering is die de gemeente geeft aan mantelzorgers. Het moet gaan om mantelzorgers van cliënt in de gemeente (zie artikel 2.1.6 van de wet). Die mantelzorgers hoeven zelf dus niet in de gemeente te wonen. Verder is het begrip ‘cliënt ’ breder dan alleen personen die gebruik maken van Wmo-ondersteuning. Het kan ook gaan om personen die zich ooit gemeld hebben, maar waar geen Wmo-voorziening is uitgekomen. Wellicht mede dankzij de inzet van de mantelzorger. Ook die mantelzorgers kunnen in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering.
Hoofdstuk 8. Klachten, medezeggenschap en inspraak
In het eerste lid staat een regel over klachten over aanbieders van ondersteuning.
Volgens de Wmo (artikel 2.1.3, tweede lid, onder e) moet in de verordening staan voor welke voorzieningen een klachtenregeling verplicht is.
Een cliënt kan bijvoorbeeld ontevreden zijn over het gedrag van een medewerker van de gemeente, zoals bij een gesprek of als iemand niet deskundig genoeg is. In dat geval kan de cliënt gebruikmaken van de klachtenregeling van de gemeente. Als de klacht gericht is op het gedrag van een zorgaanbieder dan moet de cliënt bij die aanbieder zelf een klacht indienen.
Het college voert cliënttevredenheidsonderzoeken uit en deelt de uitkomsten met de gemeenteraad.
Artikel 26. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
In de verordening moet staan voor welke voorzieningen een regeling vereist is voor medezeggenschap van cliënt en over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn (zie artikel 2.1.3, tweede lid onder f van de wet). Daar wordt met dit artikel aan voldaan.
Artikel 27. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het college moet inwoners, waaronder cliënten en hun vertegenwoordigers, vroegtijdig betrekken bij de voorbereiding van het Wmo‑beleid en hen ondersteunen om deze rol goed te kunnen vervullen. De gemeente Albrandswaard geeft hieraan invulling via de Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard, die gevraagd en ongevraagd advies uitbrengt over beleid en verordeningen. De leden van de adviesraad worden door het college benoemd. Voor de werkwijze van de adviesraad zijn nadere regels en een huishoudelijk reglement vastgesteld. Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om deze betrokkenheid van inwoners verder uit te werken in nadere regels.
Hoofdstuk 9 Overgangsrecht en slotbepalingen
Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bedragen jaarlijks te indexeren.
In bijzondere situaties mag het college afwijken van de regels in deze verordening, als dat in het voordeel van de cliënt is. Afwijken mag nooit in het nadeel van de cliënt, en ook niet van regels die rechtstreeks in de wet staan.
Het is belangrijk dat dit alleen gebeurt in uitzonderlijke gevallen, dus niet als standaardregel.
Omdat het college dan afwijkt van de normale regels, moet het duidelijk uitleggen waarom. Dit is belangrijk om gelijke gevallen in de toekomst op dezelfde manier te behandelen (dat heet precedentwerking).
In het eerste lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden.
In het tweede lid staat dat lopende bezwaarschriften worden behandeld volgens de geldende verordening op het moment dat het besluit werd genomen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-249565.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.