Gemeenteblad van Tholen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Tholen | Gemeenteblad 2026, 246241 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Tholen | Gemeenteblad 2026, 246241 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Nadere regels jeugdhulp gemeente Tholen 2026
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
In deze nadere regels komen de volgende begrippen voor:
gesprek: het gesprek dat plaatsvindt wanneer een jeugdige en/of ouder(s) een aanvraag voor jeugdhulp doen, waarbij een deskundige van het toegangsteam Jeugd van de gemeente namens het college, met de aanvrager diens gehele situatie bespreekt ten aanzien van de ondervonden problemen, de gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te kiezen oplossingen
Hoofdstuk 2. Beschikbare voorzieningen
In dit hoofdstuk is, aanvullend op artikel 2, 3, 11 en 13 van de verordening, uitgewerkt wat de algemene en individuele voorzieningen inhouden en waarop ze zich richten.
Artikel 2. Algemene voorzieningen
Algemene voorzieningen die jeugdigen, ouders en netwerken ondersteunen zijn gericht op:
De beschikbare algemene voorzieningen staan in artikel 2 van de verordening.
Artikel 3. Individuele voorzieningen
Individuele voorzieningen zijn gericht op:
het oplossen van de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s) die niet kunnen worden opgelost door de jeugdige en/of ouder(s) zelf, met ondersteuning van het sociale netwerk, met een algemene voorziening of met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;
Hoofdstuk 3. Procedure aanvraag jeugdhulp
In dit hoofdstuk is, aanvullend op artikel 4, 7, 8, 15 en 16 van de verordening, uitgewerkt hoe de procedure verloopt bij een ondersteuningsvraag van de jeugdige en/of ouder(s).
Artikel 5. Start van de (aanvraag)procedure
Als de jeugdige en/of ouder(s) behoefte hebben aan ondersteuning zoals bedoeld in artikel 2.3 van de wet, kunnen zij rechtstreeks een algemene voorziening benaderen, zoals vermeld in artikel 2 van de verordening, of een aanvraag voor een individuele voorziening doen bij het toegangsteam Jeugd van de gemeente.
Als na een korte verkenning van de hulpvraag blijkt dat de jeugdige en/of ouder(s) met de gegeven informatie en het advies het ondervonden probleem zelf kunnen oplossen, stopt de aanvraagprocedure. Het college wijst een individuele voorziening af. Er wordt geen informatie bewaard over de jeugdige en/of ouder(s).
Het college neemt na uiterlijk acht weken na de aanvraag een beslissing over het toekennen of afwijzen van een individuele voorziening. De beslissing wordt met een beschikking gecommuniceerd met de jeugdige en/of ouder(s). Als de termijn niet wordt gehaald door (onvoorziene) omstandigheden bij de aanvrager, kan het college gebruik maken van een hersteltermijn van nogmaals acht weken. Dit wordt met een brief gecommuniceerd met de jeugdige en/of ouder(s).
Artikel 7. Procedure bij zeer ingewikkelde problematiek
Als sprake is van zeer ingewikkelde problematiek, kan de jeugdconsulent het regionale expertteam betrekken.
In dit hoofdstuk is, aanvullend op artikel 7, 9, 10 en 16 van de verordening, uitgewerkt wat de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening zijn.
Als sprake is van meerdere problemen binnen een gezin, is een systeemanalyse van de problematiek noodzakelijk, evenals een overzicht van de verschillende voorzieningen die al worden ingezet binnen het gezin. De gemeente beoordeelt, zo veel mogelijk samen met de jeugdige en/of ouder(s), welke problematiek als eerste aangepakt moet worden.
Hoofdstuk 5. Voorwaarden en verplichtingen pgb
In dit hoofdstuk staan, aanvullend op artikel 17, 18, 19 en 20 van de verordening, de nadere voorwaarden en verplichtingen die verbonden zijn aan het ontvangen van een pgb.
Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen moet de beoogd budgethouder of budgetbeheerder:
Hoofdstuk 6. Bevoegdheden toezichthouder
In dit hoofdstuk staan, aanvullend op artikel 24 en 25 van de verordening, de nadere voorwaarden en verplichtingen voor de taken van de door het college aangewezen toezichthouder.
Hoofdstuk 7. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid
In dit hoofdstuk staan, aanvullend op artikel 38 van de verordening, de nadere voorwaarden en verplichtingen voor inspraak en medezeggenschap.
Artikel 17. Inspraak en medezeggenschap
Het college betrekt haar Adviesraad Sociaal Domein bij de voorbereiding van het beleid op het gebied van jeugdhulp.
Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 12 mei 2026.
De burgemeester,
w.g. M.L.P. Sijbers
De secretaris,
w.g. J.K. Fraanje
Bijlage 1. Algemene voorzieningen
Algemene voorzieningen zijn in beginsel ondersteuningsgericht. Ze zijn gericht op het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid van de jeugdige en/of ouder(s). Ze kunnen de jeugdige en/of ouder(s) structureel ondersteunen bij het opvoeden en opgroeien. Het kan gaan om respijtzorg of praktische ondersteuning bij het uitvoeren en/of oefenen van handelingen en vaardigheden met zelfredzaamheid als doel.
Bijlage 2. Individuele voorzieningen
Individuele voorzieningen zijn in beginsel herstelgericht. Ze zijn gericht op het oplossen van hulpvragen van jeugdigen en/of ouder(s) en het herstellen van een gezonde en veilige ontwikkeling van de jeugdige. De jeugdhulp grijpt in op het probleem zelf. Het kan gaan om de behandeling van de jeugdige en/of systeemgebonden problematiek.
Een individuele voorziening kan ook ondersteuningsgericht zijn. Bijvoorbeeld: als sprake is van blijvende problematiek die die chronische belemmeringen opwerpt in het gezin of de ontwikkeling van de jeugdige, is de jeugdhulp niet herstelgericht, maar ondersteuningsgericht. Toch kan de hulpvraag niet worden opgelost door het inzetten van een algemene voorziening.
Het Programma van Eisen voor individuele voorzieningen is hier te vinden: https://www.inkoopjeugdhulpzeeland.nl/onderwerp/programma-van-eisen/
Bijlage 3. Factsheet dyslexie Zeeland
De documenten zijn hier te vinden: https://www.inkoopjeugdhulpzeeland.nl/onderwerp/dyslexie.
Bijlage 4. Ontwikkelingsprofiel kind
Richtlijn gebruikelijke hulp voor ouders met kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind. Dit overzicht geldt als leidraad om objectief in te schatten wat van de ouder(s) zelf verwacht mag worden in de hulp en ondersteuning van een jeugdige en hierover met hen het gesprek aan te gaan.
Kinderen van 5 tot ongeveer 8 jaar hebben overdag nog voortdurend begeleiding en aansturing nodig, maar zijn steeds meer zelfstandig in de zelfzorg en motoriek. Overdag hebben zij veelal op geplande momenten hulp of enige overname van zelfzorg nodig.
Bijlage 5. Richtlijn beoordeling (dreigende) overbelasting
Overbelasting is: meer belasten dat het prestatievermogen toelaat. In medische kringen wordt gesproken over het (on)evenwicht tussen draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting).
Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren.
Factoren, die van invloed zijn op de draagkracht, zijn:
Factoren, die van invloed zijn op de draaglast, zijn:
Onderzoek naar de draaglast en draagkracht
Het kan soms heel duidelijk zijn dat de ouder(s) overbelast is/zijn. Is dit minder duidelijk, dan zal hier in het gesprek maar zeker bij de beoordeling van de aanspraak (indicatie) duidelijkheid over moeten komen. De beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid worden in principe beoordeeld door een deskundige. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende sectoren volstaan om hierover een oordeel te vormen. In andere gevallen zal om een extern medisch advies moeten worden gevraagd.
Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting
Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. De mate waar ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Bedenk daarnaast dat het hierbij om veelal aspecifieke symptomen gaat die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Dit is een van de redenen waarom de beoordeling hiervan bij een deskundige moet worden neergelegd. Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat.
Mogelijke symptomen van overbelasting zijn:
Toelichting op de nadere regels jeugdhulp gemeente Tholen 2026
Deze nadere regels horen bij de Verordening jeugdhulp gemeente Tholen 2026. De gemeenteraad heeft het college de bevoegdheid gegeven om nadere regels vast te stellen over een aantal onderdelen van de verordening. In deze nadere regels zijn die onderdelen uitgewerkt.
Over de procedure bij (het vermoeden van) ernstige dyslexie (ED) is geen artikel opgenomen in de nadere regels, omdat de verordening hierover volledig is. In de factsheet dyslexie Zeeland (bijlage 3) staan de afspraken over de taken van betrokken partijen (jeugdhulpaanbieders, onderwijs en gemeenten) met als doel om eenduidig te werken en daarmee de doelmatigheid te vergroten. Het gaat onder andere om afspraken over de samenwerking tussen aanbieders, onderwijs en aanbieders, doelgroep, trajectduur, kwaliteit en administratie. Belangrijk is dat de school een aantal stappen gezet moet hebben voordat een dyslexiebehandeling kan starten. In de factsheet staat ook wat van de ouder(s) wordt verwacht om de behandeling te laten slagen.
NB: Niet elke bepaling wordt toegelicht.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Om een goede beoordeling te kunnen doen of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is, vindt na een aanvraag voor jeugdhulp een gesprek plaats met een deskundige van het toegangsteam Jeugd van de gemeente namens het college met de jeugdige en/of ouder(s).
Lid 1, onderdeel b: verordening
In deze nadere regels wordt vaak verwezen naar de verordening waar ze bij horen. In deze bepaling wordt aangegeven om welke verordening het gaat.
Het aantal definities van artikel 1 is beperkt, aangezien de wet, verordening en Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) al veel definities kennen die ook bindend zijn voor deze nadere regels. Deze definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze nadere regels.
Hoofdstuk 2. Beschikbare voorzieningen
Artikel 2. Algemene voorzieningen
Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Er vindt geen voorafgaand onderzoek plaats naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s). Het college geeft hiervoor geen beschikking af.
In artikel 2 staat waarop algemene voorzieningen die jeugdigen, ouders en netwerken ondersteunen zijn gericht. Dit is de reikwijdte van algemene voorzieningen. De opsomming in artikel 2 is niet uitputtend en kan tussentijds wijzigen.
In bijlage 1 staat een uitwerking van de beschikbare algemene voorzieningen in de gemeente.
Artikel 3. Individuele voorzieningen
Soms is een algemene voorziening niet passend of niet voldoende compenserend. Dan kan de jeugdige en/of ouder(s) misschien gebruik maken van een individuele voorziening. Hiervoor is voorafgaand diepgaand onderzoek naar de hulpvraag en de behoefte en persoonskenmerken van de jeugdige nodig.
In artikel 3 staat waarop individuele voorzieningen zijn gericht. Dit is de reikwijdte van individuele voorzieningen. De opsomming in artikel 3 is niet uitputtend en kan tussentijds wijzigen.
In bijlage 2 staat een uitwerking van de beschikbare individuele voorzieningen in de gemeente. Dit is het gecontracteerde aanbod van de dertien Zeeuwse gemeenten vanaf 1 januari 2026.
Artikel 4. Nadere regels vervoersvoorziening
Een aanvraag voor vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, volgt in de basis dezelfde procedure als voor een andere individuele voorziening. Daarnaast is een aantal specifieke criteria van toepassing.
Het gaat om een aanvraag voor vervoer van een jeugdige met een beschikking voor een individuele voorziening. Dat betekent in beginsel dat vervoer voor de jeugdige wordt toegekend en niet voor de ouder(s).
De minimale afstand van 6 kilometer enkele reis in deze nadere regels komt overeen met de Verordening jeugdhulp gemeente Tholen 2026.
Hoofdstuk 3. Procedure aanvraag jeugdhulp
Artikel 5. Start van de (aanvraag)procedure
In tegenstelling tot de Wmo 2015 kent de wet geen aanvraagprocedure die afwijkt van de Awb. Daarom geldt de Awb als overkoepelende wetgeving voor de aanvraag voor jeugdhulp. Volgens de Awb is een aanvraag een schriftelijk verzoek om jeugdhulp van de jeugdige en/of ouder(s) aan het college. Een elektronische aanvraag is ook geldig.
Het college neemt binnen een redelijke termijn, maar in elk geval binnen acht weken, een besluit over het toekennen of afwijzen van een individuele voorziening. De datum waarop de complete aanvraag (inclusief handtekening) is ontvangen, geldt als startdatum van deze acht weken. Wat een redelijke termijn is, hangt mede af van de situatie van de jeugdige en/of ouder(s) en de hulpvraag. Als sprake is van spoed, neemt het college sneller een besluit. Als de termijn van acht weken overschreden wordt, kan gebruik gemaakt worden van een hersteltermijn. De gemeente stelt de aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte.
Het gesprek is de start van het onderzoek naar de situatie van de jeugdige en/of ouder(s). Het gesprek vindt zo snel mogelijk plaats, aangezien het onderzoek binnen acht weken na de aanvraag moet zijn afgerond (artikel 5, vijfde lid).
Op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) mag de gemeente vragen naar informatie over andere levensdomeinen als dat een duidelijk doel heeft. Het is dus belangrijk dat de jeugdconsulent met de jeugdige en/of ouder(s) bespreekt waarom die hiernaar vraagt en vastlegt waarom. Als blijkt dat de informatie niet relevant is, mag deze niet vastgelegd worden.
Artikel 7. Procedure bij zeer ingewikkelde problematiek
Zeer ingewikkelde problematiek betekent dat de jeugdige en/of ouder(s) meerdere hulpvragen hebben, waarbij de jeugdige zelf forse problemen heeft en er problemen zijn tussen de jeugdige en diens ouder(s) en/of gezin.
Voor deze problematiek is brede en integrale samenwerking nodig tussen aanbieders van verschillende voorzieningen die het jeugddomein overstijgen. De problematiek vraagt om maatwerk en intensieve behandeling, vaak gecombineerd met begeleiding. Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland heeft hiervoor perceel 1 ingericht.
Artikel 8. Tenaamstelling beschikking
Als beide ouders het gezag hebben en één ouder weigert toestemming te geven voor de start van de jeugdhulp (bij een jeugdige jonger dan 16 jaar), kan de jeugdhulp niet starten. In bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij opvoedondersteuning, kan de beschikking op naam van een van beide ouders worden gezet. De hulp richt zich dan op de ouder en niet op de jeugdige.
Als meerdere problemen spelen in een gezin en eventueel ook al andere voorzieningen zijn toegekend, is het belangrijk dat de regie over de in te zetten ondersteuning duidelijk is. In eerste instantie ligt de regie bij de jeugdige en/of ouder(s) zelf, maar soms blijkt dat zij moeite hebben om het overzicht te bewaren. Voorzieningen kunnen ook tegen elkaar in werken. Daarom is het belangrijk om prioriteiten te stellen en samen met het gezin te bepalen welke problematiek als eerste aangepakt moet worden.
Als binnen het gezin ook problemen spelen in andere domeinen, bespreekt de jeugdconsulent deze met diens collega’s Wmo en Participatiewet, altijd voor zover de AVG dat toelaat en in overleg met de jeugdige en/of ouder(s). Ook kan de jeugdconsulent de casus inbrengen in een multidisciplinair overleg.
De gemeente legt vast welke instrumenten, methodieken en werkwijzen worden gebruikt bij het onderzoek. Het ‘Ontwikkelingsprofiel kind’ (bijlage 4) kan gebruikt worden bij het onderzoek.
Hoofdstuk 5. Voorwaarden en verplichtingen pgb
In artikel 8.1.1, tweede lid onder a, van de wet staat dat de jeugdige en/of ouder(s) in staat moeten zijn de aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. Dit om te voorkomen dat de jeugdige en/of ouder(s) in de problemen komen, bijvoorbeeld omdat ze niet goed weten welke jeugdhulp nodig is, hoe ze goede afspraken kunnen maken met een jeugdhulpaanbieder of hoe ze de financiën moeten regelen.
Om de pgb-vaardigheid te toetsen, sluit de gemeente aan bij de criteria die het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Per Saldo hebben opgesteld: https://www.pgb.nl/alles-over-het-pgb/is-een-pgb-iets-voor-jou/ben-jij-pgb-vaardig. Als de jeugdige en/of ouder(s) niet aan de criteria voldoen en het beheer van het pgb ook niet door een ander gedaan kan worden (zie artikel 14), is zorg in natura een betere oplossing en kan het college de aanvraag voor een pgb afwijzen.
Het budgetplan is de basis voor de evaluatie met de budgethouder of budgetbeheerder. Daarom is het belangrijk dat de activiteiten hierin helder zijn beschreven.
Artikel 13. Kwaliteitscriteria hulpverleners
Formele jeugdhulpaanbieders moeten voldoen aan de eisen van het Kwaliteitskader Jeugd (toepassing verantwoorde werktoedeling in de praktijk): https://skjeugd.nl/.
Met een pgb worden vaak eenpitters ingehuurd. Als zij als een formele aanbieder worden beschouwd – en dus vallen onder het formele tarief – geldt ook voor hen de verantwoorde werktoedeling. Bij jeugdprofessionals in dienst van een aanbieder is de werkgever verantwoordelijk voor de uitvoering van de verantwoorde werktoedeling. Een eenpitter (zzp’er) heeft geen werkgever. In dat geval heeft de opdrachtgever (de budgethouder) de verantwoordelijkheid om in het budgetplan aan te tonen dat de norm voor verantwoorde werktoedeling wordt gehanteerd.
Het college toetst de kwaliteit van jeugdhulp geboden door formele aanbieders niet zelf. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) zorgt voor toetsing van de kwaliteit van jeugdhulp. Landelijk is afgesproken dat gemeenten aanbieders aanmelden bij het Inspectieloket Sociaal Domein als ze niet bekend zijn bij de IGJ.
Het college beoordeelt bij een aanvraag voor een pgb of de in te kopen jeugdhulp van de juiste kwaliteit is. Het college moet daarvoor onder andere vaststellen of de te leveren jeugdhulp een passende oplossing biedt voor de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s). Het gaat vooral om een toets op de doelmatigheid: biedt de te leveren jeugdhulp een oplossing voor de ontwikkeldoelen van de jeugdige en/of ouder(s)?
Ook de hulp van een informele hulpverlener die met een pgb betaald wordt, moet aan minimale kwaliteitseisen voldoen. De IGJ controleert geen informele hulpverleners (veelal het sociale netwerk). Daarom stelt het college aan deze groep aparte eisen.
Artikel 14. Pgb beheerd door een ander dan de jeugdige en/of ouder(s)
Als de jeugdige en/of ouder(s) zelf niet in staat zijn om het pgb te beheren, mag dit ook gedaan worden door iemand uit het sociale netwerk. De budgetbeheerder kan ook een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp zijn. Het is aan het college om dit in elke individuele situatie te beoordelen (TK 2013 2014, 33983. nr. 3, p. 23). Om misbruik te voorkomen, stelt het college hieraan een aantal eisen.
Het pgb moet voor de jeugdige en/of ouder(s) toereikend zijn om de gewenste jeugdhulp daadwerkelijk te kunnen inkopen. Als het door de jeugdige en/of ouder(s) voorgestelde aanbod duurder is dan het goedkoopst passende aanbod van zorg in natura, kan het college het pgb weigeren voor dat deel dat duurder is.
Artikel 18. Intrekking oude nadere regels en overgangsrecht
Dit artikel bevat overgangsrecht en regelt welke nadere regels in een aantal situaties van toepassing zijn op het moment dat de nieuwe nadere regels in werking treden.
In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten (op basis van de oude nadere regels) doorlopen totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-246241.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.