Nadere regels jeugdhulp gemeente Tholen 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen;

 

overwegende dat:

  • de gemeenteraad op 5 maart 2026 de Verordening Jeugdhulp gemeente Tholen 2026 heeft vastgesteld;

  • de gemeenteraad het college de bevoegdheid heeft gegeven om nadere regels vast te stellen over:

    • °

      welke algemene en individuele voorzieningen concreet beschikbaar zijn in de gemeente en wat deze inhouden (artikel 2, derde lid en artikel 3, tweede lid);

    • °

      de procedure voor de aanvraag van jeugdhulp (artikel 4, vierde lid);

    • °

      de inhoud van het onderzoek en de manier waarop het wordt uitgevoerd (artikel 7, elfde lid);

    • °

      de aan een pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen (artikel 17, achtste lid);

    • °

      pgb-tarieven (artikel 21, vijfde lid);

    • °

      de bevoegdheden van de toezichthouder (artikel 24, derde lid); en

    • °

      het betrekken van ingezetenen bij het ontwikkelen van beleid (artikel 38, vierde lid);

  • gelet op de genoemde artikelen in de Verordening Jeugdhulp gemeente Tholen 2026

besluit vast te stellen de Nadere regels jeugdhulp gemeente Tholen 2026

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze nadere regels komen de volgende begrippen voor:

    • a.

      gesprek: het gesprek dat plaatsvindt wanneer een jeugdige en/of ouder(s) een aanvraag voor jeugdhulp doen, waarbij een deskundige van het toegangsteam Jeugd van de gemeente namens het college, met de aanvrager diens gehele situatie bespreekt ten aanzien van de ondervonden problemen, de gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te kiezen oplossingen

    • b.

      verordening: Verordening Jeugdhulp gemeente Tholen 2026.

  • 2.

    Alle overige begrippen die in deze nadere regels voorkomen, hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, de verordening of de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2. Beschikbare voorzieningen

In dit hoofdstuk is, aanvullend op artikel 2, 3, 11 en 13 van de verordening, uitgewerkt wat de algemene en individuele voorzieningen inhouden en waarop ze zich richten.

 

Artikel 2. Algemene voorzieningen

Algemene voorzieningen die jeugdigen, ouders en netwerken ondersteunen zijn gericht op:

  • het versterken en stimuleren van informele netwerken en ouders die elkaar helpen;

  • het faciliteren dat ouders de ondersteuning aan hun kind(eren) kunnen blijven bieden;

  • het ondersteunen van de jeugdige bij participatie en/of het leren van sociale vaardigheden; en

  • het ondersteunen van jeugdigen en ouders die een groter risico lopen, bijvoorbeeld jeugdigen met (een) ouder(s) met psychiatrische problemen.

De beschikbare algemene voorzieningen staan in artikel 2 van de verordening.

Artikel 3. Individuele voorzieningen

  • 1.

    Individuele voorzieningen zijn gericht op:

    • a.

      het oplossen van de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s) die niet kunnen worden opgelost door de jeugdige en/of ouder(s) zelf, met ondersteuning van het sociale netwerk, met een algemene voorziening of met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

    • b.

      het herstellen van een gezonde en veilige ontwikkeling van de jeugdige; en

    • c.

      het behandelen van de jeugdige en/of systeemgerichte problematiek.

Artikel 4. Nadere regels vervoersvoorziening

  • 1.

    De jeugdige en/of ouder(s) dienen een aanvraag voor een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder g, en artikel 11 van de verordening zo mogelijk samen in met een aanvraag voor een individuele jeugdhulpvoorziening.

  • 2.

    Het college kan een formulier aanmerken als aanvraag voor een vervoersvoorziening als de jeugdhulpaanbieder in overleg met de jeugdige en/of ouder(s) dit op het formulier heeft aangegeven en het formulier een dagtekening, naam, burgerservicenummer en geboortedatum van de jeugdige bevat.

  • 3.

    Het college kan een vervoersvoorziening verstrekken als:

    • a.

      de indicatie van de individuele jeugdhulpvoorziening voor ten minste drie maanden en/of ten minste drie keer per week is; en

    • b.

      de minimale afstand tot de jeugdhulpvoorziening ten minste 6 kilometer enkele reis bedraagt.

  • 4.

    In aanvulling op artikel 11, zesde lid, van de verordening zijn de volgende vervoersvoorzieningen mogelijk, waarbij het college de goedkoopste passende voorziening inzet:

    • a.

      kilometervergoeding: op basis van een vastgesteld tarief: de actuele maximale belastingvrije vergoeding per kilometer vanaf een enkele reis van ten minste 6 kilometer;

    • b.

      openbaar vervoer: een vergoeding voor de tweede klas voor de jeugdige en indien nodig een volwassen begeleider; en

    • c.

      waar mogelijk aansluiting bij bestaande vervoersbewegingen in het kader van de Wmo en/of leerlingenvervoer binnen (aanvullende) afspraken met het betreffende vervoersbedrijf.

Hoofdstuk 3. Procedure aanvraag jeugdhulp

In dit hoofdstuk is, aanvullend op artikel 4, 7, 8, 15 en 16 van de verordening, uitgewerkt hoe de procedure verloopt bij een ondersteuningsvraag van de jeugdige en/of ouder(s).

Artikel 5. Start van de (aanvraag)procedure

  • 1.

    Als de jeugdige en/of ouder(s) behoefte hebben aan ondersteuning zoals bedoeld in artikel 2.3 van de wet, kunnen zij rechtstreeks een algemene voorziening benaderen, zoals vermeld in artikel 2 van de verordening, of een aanvraag voor een individuele voorziening doen bij het toegangsteam Jeugd van de gemeente.

  • 2.

    De jeugdige en/of ouder(s) kunnen een aanvraag doen met het aanvraagformulier dat op de website staat of opgevraagd kan worden bij het toegangsteam Jeugd via telefoon of e-mail.

  • 3.

    Als na een korte verkenning van de hulpvraag blijkt dat de jeugdige en/of ouder(s) met de gegeven informatie en het advies het ondervonden probleem zelf kunnen oplossen, stopt de aanvraagprocedure. Het college wijst een individuele voorziening af. Er wordt geen informatie bewaard over de jeugdige en/of ouder(s).

  • 4.

    Als verdere vraagverheldering of verdieping nodig is, volgt een afspraak met de jeugdconsulent van het toegangsteam Jeugd. De gemeente stuurt dan binnen vijf dagen na de aanvraag een bevestiging dat de aanvraag is ontvangen.

    • a.

      In deze ontvangstbevestiging staat hoe de aanvraagprocedure verder verloopt, welke informatie nodig is en wat de rechten en plichten van de jeugdige en/of ouder(s) zijn.

    • b.

      Naast het genoemde onder a krijgen de jeugdige en/of ouders informatie over:

      • i.

        de mogelijkheid om zelf een familiegroepsplan op te stellen, uiterlijk binnen zeven dagen na de start van de aanvraagprocedure;

      • ii.

        de identificatieplicht;

      • iii.

        de verwerking van persoonsgegevens;

      • iv.

        eventuele wachttijd; en

      • v.

        de mogelijkheid om een pgb aan te vragen.

  • 5.

    Het college neemt na uiterlijk acht weken na de aanvraag een beslissing over het toekennen of afwijzen van een individuele voorziening. De beslissing wordt met een beschikking gecommuniceerd met de jeugdige en/of ouder(s). Als de termijn niet wordt gehaald door (onvoorziene) omstandigheden bij de aanvrager, kan het college gebruik maken van een hersteltermijn van nogmaals acht weken. Dit wordt met een brief gecommuniceerd met de jeugdige en/of ouder(s).

  • 6.

    Als de termijn niet wordt gehaald door (onvoorziene) omstandigheden bij de gemeente, is er sprake van verdaging en wordt de beslistermijn met zes weken verlengd.

Artikel 6. Het gesprek

  • 1.

    Na de aanvraag volgt een afspraak voor een gesprek tussen de jeugdige en/of ouder(s) en de jeugdconsulent. Dit gesprek kan ook plaatsvinden na een melding van Veilig Thuis of een andere zorgprofessional.

  • 2.

    Bij het gesprek kan een onafhankelijke cliëntondersteuner aanwezig zijn.

  • 3.

    Voor zover daartoe aanleiding is, komen in het gesprek ook andere levensdomeinen en de mogelijkheid om een pgb aan te vragen aan de orde.

Artikel 7. Procedure bij zeer ingewikkelde problematiek

Als sprake is van zeer ingewikkelde problematiek, kan de jeugdconsulent het regionale expertteam betrekken.

Artikel 8. Tenaamstelling beschikking

  • 1.

    Uitgangspunt is dat de beschikking op naam staat van de jeugdige voor wie de jeugdhulp is bedoeld.

  • 2.

    Is er sprake van jeugdhulp aan meerdere jeugdigen binnen een gezin, krijgt elke jeugdige voor wie individuele doelen zijn vastgesteld een eigen beschikking.

  • 3.

    In bepaalde gevallen kan een beschikking op naam van de ouder(s) staan:

    • a.

      als jeugdhulp aan de ouder wordt toegekend; en

    • b.

      als de problematiek systeemgericht is en doelen op gezinsniveau zijn vastgesteld.

Hoofdstuk 4. Onderzoek

In dit hoofdstuk is, aanvullend op artikel 7, 9, 10 en 16 van de verordening, uitgewerkt wat de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening zijn.

Artikel 9. Onderzoek

  • 1.

    Als de jeugdige en/of ouder(s) een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt de jeugdconsulent dat bij het onderzoek.

  • 2.

    Als sprake is van meerdere problemen binnen een gezin, is een systeemanalyse van de problematiek noodzakelijk, evenals een overzicht van de verschillende voorzieningen die al worden ingezet binnen het gezin. De gemeente beoordeelt, zo veel mogelijk samen met de jeugdige en/of ouder(s), welke problematiek als eerste aangepakt moet worden.

  • 3.

    Het college houdt zo goed mogelijk rekening met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en/of ouder(s).

  • 4.

    Het college legt de uitkomsten van het onderzoek vast in het ondersteuningsplan. De jeugdige en/of ouder(s) kunnen hierop binnen twee weken reageren met correcties en/of aanvullingen. Onjuistheden en feiten worden aangepast, opmerkingen en meningen worden aan het plan toegevoegd.

  • 5.

    Als sprake is van een crisissituatie of een situatie met ernstige, acute veiligheidsrisico’s, kan bij uitzondering meteen gestart worden met jeugdhulp na de ondertekening van de aanvraag, zonder voorafgaand onderzoek of het opstellen van een ondersteuningsplan.

Artikel 10. Ondersteuningsplan

  • 1.

    Het ondersteuningsplan bevat:

    • a.

      het verslag van het onderzoek met de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(s);

    • b.

      de beoogde doelen/resultaten, waarbij zo veel mogelijk wordt aangesloten bij het principe van één gezin, één plan, en die bij voorkeur specifiek beschreven zijn, meetbaar en binnen afzienbare tijd haalbaar (SMART); en

    • c.

      afspraken over het moment en de wijze waarop de resultaten met de jeugdige en/of ouder(s), het toegangsteam Jeugd en de jeugdhulpaanbieder geëvalueerd worden.

  • 2.

    De aanbieder levert hulp en ondersteuning op basis van het ondersteuningsplan.

  • 3.

    Een door de jeugdige en/of ouder(s) ondertekend ondersteuningsplan kan gelden als een aanvraag.

  • 4.

    Als de aanvraag niet is ondertekend, krijgen de jeugdige en/of ouder(s) tot drie weken na het opstellen van het ondersteuningsplan de tijd om de aanvraag alsnog te ondertekenen. Als het plan niet binnen deze termijn is ondertekend, kan het college de aanvraag buiten behandeling stellen.

Hoofdstuk 5. Voorwaarden en verplichtingen pgb

In dit hoofdstuk staan, aanvullend op artikel 17, 18, 19 en 20 van de verordening, de nadere voorwaarden en verplichtingen die verbonden zijn aan het ontvangen van een pgb.

Artikel 11. Pgb-vaardigheid

Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen moet de beoogd budgethouder of budgetbeheerder:

  • a.

    een goed overzicht hebben van de eigen situatie, dan wel die van de aanvrager, en zelf kunnen aangeven welke hulp nodig is; en

  • b.

    op basis van de pgb-administratie weten welk deel van het pgb al uitgegeven is. Deze administratie moet overlegd kunnen worden als de gemeente daarom vraagt in het kader van verantwoording.

Artikel 12. Budgetplan

De budgethouder of budgetbeheerder beschrijft in het budgetplan:

  • a.

    hoe de jeugdige en/of ouder(s) met de in te kopen hulp hun ontwikkeldoelen kunnen behalen;

  • b.

    de activiteiten zijn verbonden aan de doelen en er is inzicht in wie wat doet (gezin, sociaal netwerk, school, algemene voorziening) en voor welke activiteiten een individuele voorziening nodig is;

  • c.

    de activiteiten worden in uren per week uitgedrukt; en

  • d.

    als de activiteiten een relatie hebben met een behandeling, moet duidelijk omschreven zijn hoe de inzet van professionele hulp en sociaal netwerk gecombineerd worden.

Artikel 13. Kwaliteitscriteria hulpverleners

  • 1.

    Voor professionele (formele) hulpverleners die betaald worden met een pgb, gelden de volgende kwaliteitseisen:

    • a.

      als de jeugdhulpaanbieder in Nederland is gevestigd, voldoet die aan de eisen van het Kwaliteitskader Jeugd (toepassing verantwoorde werktoedeling in de praktijk);

    • b.

      als de jeugdhulpaanbieder niet in Nederland is gevestigd, dient de budgethouder of budgetbeheerder in het budgetplan aan te tonen hoe een vergelijkbare kwaliteitsstandaard bereikt wordt als met het Kwaliteitskader Jeugd; en

    • c.

      de aanbieder moet zich hebben gemeld bij het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG).

  • 2.

    Voor informele hulpverleners gelden de volgende kwaliteitseisen:

    • a.

      de hulpverlener werkt planmatig, volgens het familiegroepsplan en/of ondersteuningsplan en/of plan van aanpak; en

    • b.

      de hulpverlener beschikt aantoonbaar over de benodigde vaardigheden om de hulp zoals omschreven in het budgetplan op veilige, doelmatige en cliëntgerichte manier te verlenen.

Artikel 14. Pgb beheerd door een ander dan de jeugdige en/of ouder(s)

  • 1.

    Als de jeugdige en/of ouder(s) zelf niet in staat zijn om het pgb te beheren, mogen ze hiervoor hulp vragen aan een persoon uit het sociale netwerk of een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp.

  • 2.

    Als de jeugdige en/of ouder(s) het pgb laten beheren door iemand uit hun sociale netwerk of door een gemachtigde, niet zijnde een advocaat, gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      er is geen sprake van een ongezonde relatie tussen de jeugdige en/of ouder(s) en de budgetbeheerder;

    • b.

      er is geen vermoeden van manipulatie van de jeugdige en/of ouder(s) door de budgetbeheerder;

    • c.

      degene die hulp biedt bij het beheer van het pgb heeft een vaste woon- of verblijfplaats; en

    • d.

      de budgetbeheerder, uitgezonderd een aanbieder van gesloten jeugdhulp, voert niet zelf de hulp uit met het pgb.

Artikel 15. Weigeringsgronden

Het college kan een deel van een pgb weigeren voor zover de kosten van jeugdhulp geleverd door derden hoger zijn dan de kosten van jeugdhulp in natura.

Hoofdstuk 6. Bevoegdheden toezichthouder

In dit hoofdstuk staan, aanvullend op artikel 24 en 25 van de verordening, de nadere voorwaarden en verplichtingen voor de taken van de door het college aangewezen toezichthouder.

Artikel 16. Bevoegdheden toezichthouder

  • 1.

    De door het college aangewezen toezichthouder is belast met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    De toezichthouder werkt volgens het geldende toezichtkader kwaliteit en rechtmatigheid Wmo 2015 en Jeugdwet Zeeland.

Hoofdstuk 7. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid

In dit hoofdstuk staan, aanvullend op artikel 38 van de verordening, de nadere voorwaarden en verplichtingen voor inspraak en medezeggenschap.

Artikel 17. Inspraak en medezeggenschap

Het college betrekt haar Adviesraad Sociaal Domein bij de voorbereiding van het beleid op het gebied van jeugdhulp.

Artikel 18. Intrekking oude nadere regels en overgangsrecht

  • 1.

    De Nadere regels jeugdhulp gemeente Tholen 2021 worden ingetrokken.

  • 2.

    De jeugdige en/of ouder(s) houden recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Nadere regels jeugdhulp gemeente Tholen 2021 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Nadere regels jeugdhulp gemeente Tholen 2021 en waarop nog niet is beslist bij het inwerking treden van deze nadere regels, worden afgehandeld op grond van deze nadere regels.

Artikel 19. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze nadere regels treden in werking op de eerste dag na bekendmaking in het Gemeenteblad.

  • 2.

    Deze nadere regels worden aangehaald als: Nadere regels jeugdhulp gemeente Tholen 2026.

Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 12 mei 2026.

De burgemeester,

w.g. M.L.P. Sijbers

De secretaris,

w.g. J.K. Fraanje

Bijlage 1. Algemene voorzieningen

Algemene voorzieningen zijn in beginsel ondersteuningsgericht. Ze zijn gericht op het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid van de jeugdige en/of ouder(s). Ze kunnen de jeugdige en/of ouder(s) structureel ondersteunen bij het opvoeden en opgroeien. Het kan gaan om respijtzorg of praktische ondersteuning bij het uitvoeren en/of oefenen van handelingen en vaardigheden met zelfredzaamheid als doel.

Kenmerken

  • Stimuleren en behouden van huidige situatie van zelfredzaamheid en participatie

  • Voorkomen van achteruitgang

  • Problematiek niet zo ingewikkeld dat hoge graad van deskundigheid nodig is

  • Ondersteuning is gericht op vergroten van zelfredzaamheid van de ouder(s)

  • Ondersteuning is planbaar

Opvoedondersteuning

Doel(groep)

  • Ouder(s) voor wie ondersteuning nodig is bij het opvoeden

  • Problematiek: enkelvoudige hulpvragen van de ouder(s) over opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen van jeugdigen tot 18 jaar

Resultaat

  • Omgaan met psychische problemen en stoornissen door de jeugdige en/of ouder(s)

  • (Dreiging van) terugval wordt tijdig gesignaleerd en voorkomen

  • Ouder(s) sluiten met opvoeding en verzorging beter aan bij de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige

  • Het sociale netwerk is zodanig versterkt dat de ouder(s) zonder jeugdhulp verder kunnen

Leveringsvoorwaarden

  • Intensiteit: in beginsel maximaal 4 uur per week

  • Doorlooptijd: in beginsel maximaal 6 maanden

 

Kenmerken

  • Laagdrempelige toegang tot preventieve hulp voor de jeugdige en/of ouder(s)

  • Versterken van brede, integrale aanpak van problematiek in gezinnen

  • Versterken van signaleringsfunctie: tijdig de juiste hulp op de juiste plek, door de juiste professional

Praktijkondersteuner huisarts – Jeugd (POH-Jeugd)

Doel(groep)

  • Jeugdigen tot 18 jaar met lichte ontwikkelingsproblemen op één of enkele leefgebieden

  • Problematiek: enkelvoudige hulpvragen van de jeugdige en/of ouders ouder(s) over opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische en psychosociale problematiek van jeugdigen tot 18 jaar

Resultaat

  • Omgaan met psychische problemen en stoornissen door de jeugdige en/of ouder(s)

  • Bijdrage aan normaliseren: sommige problemen horen bij bepaalde fasen en/of het leven

  • Versterken van samenwerking tussen huisarts en gemeente

  • Minder verwijzingen van de huisarts naar een individuele voorziening

Leveringsvoorwaarden

  • Intensiteit: in beginsel maximaal 1 uur per week

  • Doorlooptijd: in beginsel maximaal 3 maanden

Bijlage 2. Individuele voorzieningen

Individuele voorzieningen zijn in beginsel herstelgericht. Ze zijn gericht op het oplossen van hulpvragen van jeugdigen en/of ouder(s) en het herstellen van een gezonde en veilige ontwikkeling van de jeugdige. De jeugdhulp grijpt in op het probleem zelf. Het kan gaan om de behandeling van de jeugdige en/of systeemgebonden problematiek.

 

Een individuele voorziening kan ook ondersteuningsgericht zijn. Bijvoorbeeld: als sprake is van blijvende problematiek die die chronische belemmeringen opwerpt in het gezin of de ontwikkeling van de jeugdige, is de jeugdhulp niet herstelgericht, maar ondersteuningsgericht. Toch kan de hulpvraag niet worden opgelost door het inzetten van een algemene voorziening.

 

Het Programma van Eisen voor individuele voorzieningen is hier te vinden: https://www.inkoopjeugdhulpzeeland.nl/onderwerp/programma-van-eisen/

Bijlage 3. Factsheet dyslexie Zeeland

De documenten zijn hier te vinden: https://www.inkoopjeugdhulpzeeland.nl/onderwerp/dyslexie.

Bijlage 4. Ontwikkelingsprofiel kind

Richtlijn gebruikelijke hulp voor ouders met kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind. Dit overzicht geldt als leidraad om objectief in te schatten wat van de ouder(s) zelf verwacht mag worden in de hulp en ondersteuning van een jeugdige en hierover met hen het gesprek aan te gaan.

 

Kinderen van 0 tot 3 jaar:

  • hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig;

  • hebben ouderlijk toezicht zeer nabij nodig;

  • zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; en

  • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 3 tot 5 jaar:

  • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijvoorbeeld: de ouder kan de was ophangen in een andere kamer);

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

  • ontvangen zindelijkheidstraining van de ouder(s)/verzorger(s);

  • hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

  • hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

  • zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven; en

  • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 5 tot 12 jaar:

  • hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur per week;

  • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijvoorbeeld: het kind kan buitenspelen in de directe omgeving van de woning als een ouder thuis is);

  • hebben toezicht nodig, maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook. Ze ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouder(s)/verzorger(s);

  • hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan; en

  • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Jongeren van 12 tot 18 jaar:

  • hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

  • kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

  • kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden;

  • kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

  • hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en weinig toezicht nodig;

  • hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling, zoals huiswerk of zelfstandig (gaan) wonen;

  • hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 5 tot ongeveer 8 jaar hebben overdag nog voortdurend begeleiding en aansturing nodig, maar zijn steeds meer zelfstandig in de zelfzorg en motoriek. Overdag hebben zij veelal op geplande momenten hulp of enige overname van zelfzorg nodig.

Bijlage 5. Richtlijn beoordeling (dreigende) overbelasting

Algemeen

Overbelasting is: meer belasten dat het prestatievermogen toelaat. In medische kringen wordt gesproken over het (on)evenwicht tussen draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting).

 

Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren.

 

Factoren, die van invloed zijn op de draagkracht, zijn:

  • lichamelijke conditie ouder(s);

  • geestelijke conditie ouder(s);

  • wijze van omgaan met problemen (coping);

  • motivatie voor ondersteunings- en/of zorgtaak;

  • sociaal netwerk.

Factoren, die van invloed zijn op de draaglast, zijn:

  • omvang en mate van (on)planbaarheid van ondersteuningstaken, ziektebeeld en prognose;

  • inzicht van ouder(s) in ziektebeeld van het kind;

  • woonsituatie;

  • bijkomende sociale problemen;

  • bijkomende emotionele problemen;

  • bijkomende relationele problemen.

Onderzoek naar de draaglast en draagkracht

Het kan soms heel duidelijk zijn dat de ouder(s) overbelast is/zijn. Is dit minder duidelijk, dan zal hier in het gesprek maar zeker bij de beoordeling van de aanspraak (indicatie) duidelijkheid over moeten komen. De beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid worden in principe beoordeeld door een deskundige. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende sectoren volstaan om hierover een oordeel te vormen. In andere gevallen zal om een extern medisch advies moeten worden gevraagd.

 

Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting

Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. De mate waar ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Bedenk daarnaast dat het hierbij om veelal aspecifieke symptomen gaat die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Dit is een van de redenen waarom de beoordeling hiervan bij een deskundige moet worden neergelegd. Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat.

 

Mogelijke symptomen van overbelasting zijn:

  • gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug;

  • hoge bloeddruk;

  • gewrichtspijn;

  • gevoelens van slapte;

  • slapeloosheid;

  • migraine, duizeligheid;

  • spierkrampen;

  • verminderde weerstand, ziektegevoeligheid;

  • opvliegingen;

  • ademnood en gevoelens van beklemming op de borst;

  • plotseling hevig zweten;

  • gevoelens van beklemming in de hals;

  • spiertrekkingen in het gezicht;

  • verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen;

  • ongeduld;

  • vaak huilen;

  • neerslachtigheid;

  • isolering;

  • verbittering;

  • concentratieproblemen;

  • dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen;

  • rusteloosheid;

  • perfectionisme;

  • geen beslissingen kunnen nemen;

  • denkblokkades.

Toelichting op de nadere regels jeugdhulp gemeente Tholen 2026

Algemene toelichting

Deze nadere regels horen bij de Verordening jeugdhulp gemeente Tholen 2026. De gemeenteraad heeft het college de bevoegdheid gegeven om nadere regels vast te stellen over een aantal onderdelen van de verordening. In deze nadere regels zijn die onderdelen uitgewerkt.

 

Over de procedure bij (het vermoeden van) ernstige dyslexie (ED) is geen artikel opgenomen in de nadere regels, omdat de verordening hierover volledig is. In de factsheet dyslexie Zeeland (bijlage 3) staan de afspraken over de taken van betrokken partijen (jeugdhulpaanbieders, onderwijs en gemeenten) met als doel om eenduidig te werken en daarmee de doelmatigheid te vergroten. Het gaat onder andere om afspraken over de samenwerking tussen aanbieders, onderwijs en aanbieders, doelgroep, trajectduur, kwaliteit en administratie. Belangrijk is dat de school een aantal stappen gezet moet hebben voordat een dyslexiebehandeling kan starten. In de factsheet staat ook wat van de ouder(s) wordt verwacht om de behandeling te laten slagen.

 

Artikelsgewijze toelichting

NB: Niet elke bepaling wordt toegelicht.

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

Lid 1, onderdeel a: gesprek

Om een goede beoordeling te kunnen doen of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is, vindt na een aanvraag voor jeugdhulp een gesprek plaats met een deskundige van het toegangsteam Jeugd van de gemeente namens het college met de jeugdige en/of ouder(s).

 

Lid 1, onderdeel b: verordening

In deze nadere regels wordt vaak verwezen naar de verordening waar ze bij horen. In deze bepaling wordt aangegeven om welke verordening het gaat.

 

Lid 2

Het aantal definities van artikel 1 is beperkt, aangezien de wet, verordening en Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) al veel definities kennen die ook bindend zijn voor deze nadere regels. Deze definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze nadere regels.

 

Hoofdstuk 2. Beschikbare voorzieningen

 

Artikel 2. Algemene voorzieningen

Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Er vindt geen voorafgaand onderzoek plaats naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s). Het college geeft hiervoor geen beschikking af.

 

In artikel 2 staat waarop algemene voorzieningen die jeugdigen, ouders en netwerken ondersteunen zijn gericht. Dit is de reikwijdte van algemene voorzieningen. De opsomming in artikel 2 is niet uitputtend en kan tussentijds wijzigen.

 

In bijlage 1 staat een uitwerking van de beschikbare algemene voorzieningen in de gemeente.

 

Artikel 3. Individuele voorzieningen

Soms is een algemene voorziening niet passend of niet voldoende compenserend. Dan kan de jeugdige en/of ouder(s) misschien gebruik maken van een individuele voorziening. Hiervoor is voorafgaand diepgaand onderzoek naar de hulpvraag en de behoefte en persoonskenmerken van de jeugdige nodig.

 

In artikel 3 staat waarop individuele voorzieningen zijn gericht. Dit is de reikwijdte van individuele voorzieningen. De opsomming in artikel 3 is niet uitputtend en kan tussentijds wijzigen.

 

In bijlage 2 staat een uitwerking van de beschikbare individuele voorzieningen in de gemeente. Dit is het gecontracteerde aanbod van de dertien Zeeuwse gemeenten vanaf 1 januari 2026.

 

Artikel 4. Nadere regels vervoersvoorziening

Een aanvraag voor vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, volgt in de basis dezelfde procedure als voor een andere individuele voorziening. Daarnaast is een aantal specifieke criteria van toepassing.

 

Lid 3, onderdeel a

Het gaat om een aanvraag voor vervoer van een jeugdige met een beschikking voor een individuele voorziening. Dat betekent in beginsel dat vervoer voor de jeugdige wordt toegekend en niet voor de ouder(s).

 

Lid 3, onderdeel b

De minimale afstand van 6 kilometer enkele reis in deze nadere regels komt overeen met de Verordening jeugdhulp gemeente Tholen 2026.

 

Hoofdstuk 3. Procedure aanvraag jeugdhulp

 

Artikel 5. Start van de (aanvraag)procedure

Lid 1 en 2

In tegenstelling tot de Wmo 2015 kent de wet geen aanvraagprocedure die afwijkt van de Awb. Daarom geldt de Awb als overkoepelende wetgeving voor de aanvraag voor jeugdhulp. Volgens de Awb is een aanvraag een schriftelijk verzoek om jeugdhulp van de jeugdige en/of ouder(s) aan het college. Een elektronische aanvraag is ook geldig.

 

Lid 5 en 6

Het college neemt binnen een redelijke termijn, maar in elk geval binnen acht weken, een besluit over het toekennen of afwijzen van een individuele voorziening. De datum waarop de complete aanvraag (inclusief handtekening) is ontvangen, geldt als startdatum van deze acht weken. Wat een redelijke termijn is, hangt mede af van de situatie van de jeugdige en/of ouder(s) en de hulpvraag. Als sprake is van spoed, neemt het college sneller een besluit. Als de termijn van acht weken overschreden wordt, kan gebruik gemaakt worden van een hersteltermijn. De gemeente stelt de aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte.

 

Artikel 6. Het gesprek

Lid 1

Het gesprek is de start van het onderzoek naar de situatie van de jeugdige en/of ouder(s). Het gesprek vindt zo snel mogelijk plaats, aangezien het onderzoek binnen acht weken na de aanvraag moet zijn afgerond (artikel 5, vijfde lid).

 

Lid 3

Op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) mag de gemeente vragen naar informatie over andere levensdomeinen als dat een duidelijk doel heeft. Het is dus belangrijk dat de jeugdconsulent met de jeugdige en/of ouder(s) bespreekt waarom die hiernaar vraagt en vastlegt waarom. Als blijkt dat de informatie niet relevant is, mag deze niet vastgelegd worden.

 

Artikel 7. Procedure bij zeer ingewikkelde problematiek

Zeer ingewikkelde problematiek betekent dat de jeugdige en/of ouder(s) meerdere hulpvragen hebben, waarbij de jeugdige zelf forse problemen heeft en er problemen zijn tussen de jeugdige en diens ouder(s) en/of gezin.

Voor deze problematiek is brede en integrale samenwerking nodig tussen aanbieders van verschillende voorzieningen die het jeugddomein overstijgen. De problematiek vraagt om maatwerk en intensieve behandeling, vaak gecombineerd met begeleiding. Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland heeft hiervoor perceel 1 ingericht.

 

Artikel 8. Tenaamstelling beschikking

Als beide ouders het gezag hebben en één ouder weigert toestemming te geven voor de start van de jeugdhulp (bij een jeugdige jonger dan 16 jaar), kan de jeugdhulp niet starten. In bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij opvoedondersteuning, kan de beschikking op naam van een van beide ouders worden gezet. De hulp richt zich dan op de ouder en niet op de jeugdige.

 

Hoofdstuk 4. Onderzoek

 

Artikel 9. Onderzoek

Lid 2

Als meerdere problemen spelen in een gezin en eventueel ook al andere voorzieningen zijn toegekend, is het belangrijk dat de regie over de in te zetten ondersteuning duidelijk is. In eerste instantie ligt de regie bij de jeugdige en/of ouder(s) zelf, maar soms blijkt dat zij moeite hebben om het overzicht te bewaren. Voorzieningen kunnen ook tegen elkaar in werken. Daarom is het belangrijk om prioriteiten te stellen en samen met het gezin te bepalen welke problematiek als eerste aangepakt moet worden.

 

Als binnen het gezin ook problemen spelen in andere domeinen, bespreekt de jeugdconsulent deze met diens collega’s Wmo en Participatiewet, altijd voor zover de AVG dat toelaat en in overleg met de jeugdige en/of ouder(s). Ook kan de jeugdconsulent de casus inbrengen in een multidisciplinair overleg.

 

De gemeente legt vast welke instrumenten, methodieken en werkwijzen worden gebruikt bij het onderzoek. Het ‘Ontwikkelingsprofiel kind’ (bijlage 4) kan gebruikt worden bij het onderzoek.

 

Hoofdstuk 5. Voorwaarden en verplichtingen pgb

 

Artikel 11. Pgb-vaardigheid

In artikel 8.1.1, tweede lid onder a, van de wet staat dat de jeugdige en/of ouder(s) in staat moeten zijn de aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. Dit om te voorkomen dat de jeugdige en/of ouder(s) in de problemen komen, bijvoorbeeld omdat ze niet goed weten welke jeugdhulp nodig is, hoe ze goede afspraken kunnen maken met een jeugdhulpaanbieder of hoe ze de financiën moeten regelen.

 

Om de pgb-vaardigheid te toetsen, sluit de gemeente aan bij de criteria die het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Per Saldo hebben opgesteld: https://www.pgb.nl/alles-over-het-pgb/is-een-pgb-iets-voor-jou/ben-jij-pgb-vaardig. Als de jeugdige en/of ouder(s) niet aan de criteria voldoen en het beheer van het pgb ook niet door een ander gedaan kan worden (zie artikel 14), is zorg in natura een betere oplossing en kan het college de aanvraag voor een pgb afwijzen.

 

Artikel 12. Budgetplan

Het budgetplan is de basis voor de evaluatie met de budgethouder of budgetbeheerder. Daarom is het belangrijk dat de activiteiten hierin helder zijn beschreven.

 

Artikel 13. Kwaliteitscriteria hulpverleners

Lid 1

Formele jeugdhulpaanbieders moeten voldoen aan de eisen van het Kwaliteitskader Jeugd (toepassing verantwoorde werktoedeling in de praktijk): https://skjeugd.nl/.

Met een pgb worden vaak eenpitters ingehuurd. Als zij als een formele aanbieder worden beschouwd – en dus vallen onder het formele tarief – geldt ook voor hen de verantwoorde werktoedeling. Bij jeugdprofessionals in dienst van een aanbieder is de werkgever verantwoordelijk voor de uitvoering van de verantwoorde werktoedeling. Een eenpitter (zzp’er) heeft geen werkgever. In dat geval heeft de opdrachtgever (de budgethouder) de verantwoordelijkheid om in het budgetplan aan te tonen dat de norm voor verantwoorde werktoedeling wordt gehanteerd.

 

Lid 1, onderdeel c

Het college toetst de kwaliteit van jeugdhulp geboden door formele aanbieders niet zelf. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) zorgt voor toetsing van de kwaliteit van jeugdhulp. Landelijk is afgesproken dat gemeenten aanbieders aanmelden bij het Inspectieloket Sociaal Domein als ze niet bekend zijn bij de IGJ.

 

Lid 2

Het college beoordeelt bij een aanvraag voor een pgb of de in te kopen jeugdhulp van de juiste kwaliteit is. Het college moet daarvoor onder andere vaststellen of de te leveren jeugdhulp een passende oplossing biedt voor de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s). Het gaat vooral om een toets op de doelmatigheid: biedt de te leveren jeugdhulp een oplossing voor de ontwikkeldoelen van de jeugdige en/of ouder(s)?

 

Ook de hulp van een informele hulpverlener die met een pgb betaald wordt, moet aan minimale kwaliteitseisen voldoen. De IGJ controleert geen informele hulpverleners (veelal het sociale netwerk). Daarom stelt het college aan deze groep aparte eisen.

 

Artikel 14. Pgb beheerd door een ander dan de jeugdige en/of ouder(s)

Als de jeugdige en/of ouder(s) zelf niet in staat zijn om het pgb te beheren, mag dit ook gedaan worden door iemand uit het sociale netwerk. De budgetbeheerder kan ook een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp zijn. Het is aan het college om dit in elke individuele situatie te beoordelen (TK 2013 2014, 33983. nr. 3, p. 23). Om misbruik te voorkomen, stelt het college hieraan een aantal eisen.

 

Artikel 15. Weigeringsgronden

Het pgb moet voor de jeugdige en/of ouder(s) toereikend zijn om de gewenste jeugdhulp daadwerkelijk te kunnen inkopen. Als het door de jeugdige en/of ouder(s) voorgestelde aanbod duurder is dan het goedkoopst passende aanbod van zorg in natura, kan het college het pgb weigeren voor dat deel dat duurder is.

 

Artikel 18. Intrekking oude nadere regels en overgangsrecht

Dit artikel bevat overgangsrecht en regelt welke nadere regels in een aantal situaties van toepassing zijn op het moment dat de nieuwe nadere regels in werking treden.

 

In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten (op basis van de oude nadere regels) doorlopen totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden.

Naar boven