Gemeenteblad van Albrandswaard
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Albrandswaard | Gemeenteblad 2026, 242897 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Albrandswaard | Gemeenteblad 2026, 242897 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Individuele inkomenstoeslag Albrandswaard 2026
HOOFDSTUK 2 INDIVIDUELE INKOMENSTOESLAG
Artikel 4. Langdurig laag inkomen
Er is sprake van een langdurig laag inkomen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, wanneer het in aanmerking te nemen inkomen van de belanghebbende gedurende de referteperiode niet hoger is dan 120 procent van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
Onder de voorwaarde, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder c, wordt verstaan een eigen vermogen als bedoeld onder artikel 34 van de Participatiewet.
Aldus besloten door de raad van de gemeente Albrandswaard in zijn openbare vergadering van 13 april 2026,
De griffier,
drs. L. Groenenboom
De voorzitter,
drs. C. Pille
Toelichting individuele inkomenstoeslag
Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van belanghebbenden die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is in artikel 36 van de Participatiewet de mogelijkheid tot het verstrekken van een individuele inkomenstoeslag opgenomen. Het college kan een individuele inkomenstoeslag verlenen als wordt voldaan aan de voorwaarden daarvoor in artikel 36 van de Participatie wet en in deze verordening.
De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan specifieke kosten van levensonderhoud. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor belanghebbenden die langdurig een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de individuele omstandigheden van het geval, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Artikel 8 van de Participatiewet schrijft voor dat gemeenten bij verordening regels vaststellen over elementen van de individuele inkomenstoeslag.
Met de wetswijziging per 1 januari 2026 in het kader van de Participatiewet in Balans wordt het voor gemeenten mogelijk om de individuele inkomenstoeslag ook ambtshalve toe te kennen. Dit betekent dat de toeslag niet meer uitsluitend op aanvraag wordt verstrekt, maar dat het college de toeslag automatisch en zonder aanvraagprocedure kan toekennen aan inwoners die daarvoor in aanmerking komen. Dit vermindert de administratieve lasten en helpt om het niet-gebruik van de toeslag terug te dringen.
De individuele inkomenstoeslag wordt toegekend vanaf de peildatum. Dat is de datum waarop wordt aangevraagd en waarop door de belanghebbende aan de voorwaarden wordt voldaan. Als op de datum van aanvraag aan de voorwaarden is voldaan, is dit de peildatum voor de belanghebbende. Voor personen die 36 maanden of langer een bijstandsuitkering ontvangen, geldt dat zij geen aanvraag hoeven in te dienen. Zij worden verondersteld aan de voorwaarden te voldoen en krijgen de toeslag ambtshalve toegekend.
De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden) van een belanghebbende kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Belanghebbenden moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.
Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.
Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.
De peildatum is de datum waartegen een individuele inkomenstoeslag wordt aangevraagd (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een belanghebbende langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de individuele omstandigheden van het geval van die belanghebbende, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de aanvraagdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de datum waarop een aanvraag om individuele inkomenstoeslag is ingediend, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en de bijbehorende jurisprudentie.
Artikel 2. Indienen aanvraag en ambtshalve verstrekking
Op grond van artikel 36 Participatiewet kan een aanvraag worden ingediend om een individuele inkomenstoeslag. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon om een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb). Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan middels een door de gemeente beschikbaar gesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb en dient aan de daarin opgenomen voorwaarden te voldoen. Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een aanvraag om een individuele inkomenstoeslag..
Belanghebbenden die 36 maanden of langer een bijstandsuitkering ontvangen en voldoen aan de voorwaarden in artikel 3 lid 1 hoeven geen aanvraag te doen. Zij krijgen de toeslag ambtshalve toegekend tegen de voor hen van toepassing zijnde peildatum. De inkomens- en vermogenssituatie is immers al bekend bij het College.
Studenten zijn uitgesloten, omdat er voor deze groep wel uitzicht is op een hoger inkomen.
Artikel 4. Langdurig laag inkomen
Bij het bepalen wat een ‘langdurig laag inkomen’ is in de zin van individuele inkomenstoeslag, is het volgende van belang. Langdurig; de periode voorafgaand aan de peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld op 36 maanden, zoals opgenomen in artikel 1 van deze verordening. Laag inkomen; een inkomen wordt als ‘laag’ gekwalificeerd als het niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm. Uit onderzoek van het Nibud is gebleken dat na drie jaar leven van een minimum inkomen gesproken kan worden van een “langdurig laag inkomen".
Om in aanmerking te komen voor een individuele inkomenstoeslag mag het vermogen van de belanghebbende niet hoger zijn dan het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet. Voor het jaar 2026 bedraagt dit vrij te laten vermogen €8.000 voor een alleenstaande en €16.000 voor een alleenstaande ouder, gehuwden of samenwonenden. De overwaarde van een eigen woning wordt tot een bedrag van €65.500 niet als vermogen in aanmerking genomen.
Artikel 6. Geen zicht op inkomensverbetering
De gemeenteraad is gehouden om aan te geven wanneer er sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering' en is gehouden dit in de verordening vast te leggen. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' houdt het college rekening met de individuele omstandigheden van het geval. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:
In de praktijk blijkt dat als er gedurende de referteperiode een laag inkomen is ontvangen de kans op inkomensverbetering binnen in ieder geval een jaar klein is. Wel dienen hierbij de inspanningen van de belanghebbende in ogenschouw genomen te worden. Er dient altijd een individuele afweging gemaakt te worden.
De belanghebbende die een opleiding volgt of tijdens de referteperiode heeft gevolgd als bedoeld in de WTOS, of een studie als genoemd in de WSF 2000 hebben geen recht op de toeslag, omdat hier wel sprake is van zicht op inkomensverbetering.
Artikel 7. Hoogte individuele inkomenstoeslag
Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden. De hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt jaarlijks geïndexeerd.
Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden belanghebbenden op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag. Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het tweede lid.
Voor personen in een inrichting in het algemeen geldt dat deze objectief gezien een minder grote behoefte hebben aan extra inkomensondersteuning, omdat de inrichting al in bepaalde zaken voorziet. Omdat de bewoners minder uitgaven hebben, wordt de individuele inkomenstoeslag lager vastgesteld.
In het tweede lid is een indexeringsbepaling opgenomen. Deze bepaling voorkomt dat de verordening jaarlijks opnieuw moet worden vastgesteld, enkel voor indexatie van de bedragen. Het is van belang de nieuwe bedragen (na indexatie) bekend te maken middels publicatie. Er is bewust niet gekozen voor een percentage van de bijstandsnorm omdat er in de Participatiewet veel normen zijn door de invoering van de kostendelersnorm. De uitvoeringskosten moeten zo laag mogelijk worden gehouden.
Hoewel het college de mogelijkheid heeft om af te wijken van de bepalingen in deze verordening, past het deze bevoegdheid toe met grote terughoudendheid.
Als een belanghebbende een beroep doet op de hardheidsclausule toetst het college de door hem aangedragen informatie om te bepalen of al dan niet sprake is van een situatie die onredelijk of onbillijk uitpakt voor de belanghebbende wanneer de verordening strikt zou worden toegepast. Het gegeven dat een belanghebbende niet in aanmerking komt voor een individuele inkomenstoeslag is op zichzelf onvoldoende om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.
Ingeval het college overgaat tot toepassing van de hardheidsclausule ligt daaraan een uitgebreide motivatie ten grondslag waarin wordt geduid om welke reden het college in dat specifieke geval van oordeel is dat toepassing gerechtvaardigd is.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-242897.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.