U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Besluit van de raad van de gemeente Amsterdam tot wijziging van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam in verband het aanbrengen van diverse ondergeschikte verbeteringen van uiteenlopende aard (Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Tweede veegwijziging)

De raad van de gemeente Amsterdam,

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van DATUM WORDT TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT,

gelet op: 

  • a.

    artikel 2.4 van de Omgevingswet, dat bepaalt dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vaststelt waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen;

  • b.

    artikel 16.30 en artikel 16.23, eerste lid, Omgevingswet, die bepalen dat: 

    • 1.

      op de voorbereiding van een omgevingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, met dien verstande dat een ieder een zienswijze bij de gemeenteraad mag indienen omtrent het ontwerp wijzigingsbesluit;

    • 2.

      de artikelen 3:43 tot en met 3:45 en afdeling 3.7 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zijn op een omgevingsplan; 

  • c.

    artikel 16.78, eerste lid, Omgevingswet, dat bepaalt dat een wijziging van een omgevingsplan in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit is bekend gemaakt; 

Besluit;

Artikel I

Het Omgevingsplan gemeente Amsterdam wordt gewijzigd conform de wijzigingen zoals opgenomen in Bijlage A.

Artikel II

Dit besluit treedt in werking vier weken na bekendmaking ervan. 

Artikel III

Dit besluit wordt aangehaald als Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Tweede veegwijziging.

Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam, DATUM WORDT TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT

Niet getekend ontwerp-exemplaar 

BEROEPSCLAUSULE WORDT TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Artikel 2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.2 Meet- en rekenregels

  • 1.

    Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' zijn de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over gebruik in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.  

  • 2.

    Op het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte is NEN 2580 van toepassing. 

  • 3.

    Als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een aanduiding geldt de betreffende norm per afzonderlijk aanduidingsvlak. 

  • 4.

    De afstand van de vloer van de boven een souterrain gelegen bouwlaag ten opzichte van het gemiddeld aangrenzende straatpeil bedraagt maximaal 1,50 meter, zij het dat:

  • 5.

    Voor zover een normwaarde met betrekking tot een bouwlaag is weergegeven als:

    • a.

      -1 wordt gedoeld op de eerste volledige bouwlaag, gelegen onder de eerste bouwlaag;

    • b.

      -2 of lager wordt gedoeld op de tweede volledige bouwlaag of lager, gelegen onder de eerste bouwlaag.

B

Artikel 2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.3 Vangnetbepaling strijdig gebruik

  • 1.

    Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3 en 7.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is het ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming en de daarop betrekking hebbende regels over gebruik, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3 en 7, voor zover die van toepassing zijn.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, waarbij het  ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de daarin opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3 en 7, voor zover die van toepassing zijn.

  • 4.

    In aanvulling op het tweede lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, zonder dat daarbij het  ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de daarin opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken.

  • 5.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met elk aan een locatie gegeven gebruiksdoel, bedoeld in het eerste lid of derde lid, behoort in elk geval het inrichten en/of gebruiken van gronden en bouwwerken voor: 

    • a.

      groenvoorzieningen en waterpartijen;

    • b.

      nutsvoorzieningen, met uitzondering van:

      • 1.

        hoogspanningsverbindingen, bedoeld in paragraaf 2.3.16;

      • 2.

        buisleidingen, bedoeld in paragraaf 2.3.17 en paragraaf 2.3.23;

      • 3.

        nutsvoorzieningen, bedoeld in het zevende lid;

    • c.

      ontsluitingsinfrastructuur ten behoeve van het gebruiksdoel;

    • d.

      het voorzien in de eigen parkeerbehoefte.

    • e.

      fietsstalling.

  • 6.

    Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: 

    • a.

      een bouwwerk dat met toepassing van artikel 4.19 is toegestaan;

    • b.

      een bijbehorend bouwwerk dat op grond van afdeling 5.3 is toegestaan. 

  • 7.

    De volgende nutsvoorzieningen zijn uitsluitend in overeenstemming met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel, bedoeld in het eerste lid, ter plaatse van de aanduiding 'bijzondere nutsvoorziening toegestaan': 

    • a.

      zendinstallatie LG en MG.

  • 8.

    In afwijking van het eerste tot en met vierde lid, is het volgende gebruik van gronden en bouwwerken in overeenstemming met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel of bestemming: 

    • a.

      ondergeschikt kantoorgebruik, als bedoeld in paragraaf 3.2.4, onder de daar gestelde voorwaarden; 

    • b.

      ondergeschikte detailhandel, als bedoeld in paragraaf 3.2.5, onder de daar gestelde voorwaarden;

    • c.

      huisvesting in verband met mantelzorg, als bedoeld in paragraaf 3.2.7, onder de daar gestelde voorwaarden.

C

Artikel 2.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.7 Specifieke regels over het gebruik van het bij een woonruimte behorend erf

  • 1.

    Onverminderd artikel 3.5 is het verboden een bij een woonruimte behorend bijgebouw te gebruiken voor bewoning. 

  • 2.

    In aanvulling op artikel 3.5 is het verboden een motorrijtuig op het bij een woonruimte behorend gebouwerf te parkeren, tenzij dit plaatsvindt: 

    • a.

      binnen een bouwwerk dat klaarblijkelijk is bedoeld voor het parkeren van een motorrijtuig; of 

    • b.

      buiten een daartoe klaarblijkelijk bedoeld bouwwerk, voor zover de bestaande inrichting van de openbare ruimte en de aansluiting van het erf op de openbare weg hieraan niet in de weg staan.

D

Het opschrift van subparagraaf 2.3.1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 2.3.1.3 Regels over activiteiten waarvoor een vergunningplicht op grond van  de Huisvestingsverordening geldt 

E

Na subparagraaf 2.3.1.3 wordt een subparagraaf ingevoegd, luidende:

Subparagraaf 2.3.1.4 Verplichting van een geluidluwe gevel bij gebruikswijziging van een gebouw naar een woonfunctie

Artikel 2.21 Algemeen

  • 1.

    Ter plaatse van de aanduiding 'nadere afweging geluid bij gebruikswijziging noodzakelijk' blijft deze subparagraaf buiten toepassing.

  • 2.

    Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

  • 3.

    Deze subparagraaf is niet van toepassing als de wijziging van gebruik reeds betrokken is bij een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of een verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 

  • 4.

    Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing, zij het dat bij het bepalen van het geluid op een gevel vanwege een gezoneerd industrieterrein de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Wet geluidhinder van toepassing zijn. 

Artikel 2.22 Verplichte geluidluwe gevel, afwijkmogelijkheid

  • 1.

    Bij het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een woonfunctie, dient elke afzonderlijke woning over een geluidluwe gevel te beschikken waarop de geluidbelasting niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 2.22.

    Tabel 2.23: Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per bronsoort

    Geluidbronsoort

    Standaardwaarde

    provinciale wegen en rijkswegen

    50 Lden

    gemeentewegen en waterschapswegen

    53 Lden

    lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    55 Lden

    industrieterrein met geluidproductieplafonds

    50 Lden / 40 Lnight

    gezoneerd industrieterrein

    50 dB(A)

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan van het eerste lid worden afgeweken, als: 

    • a.

      de geluidbeperkende maatregelen om aan de in het eerste lid bedoelde standaardwaarden te voldoen niet doelmatig of bezwaarlijk zijn;

    • b.

      elke afzonderlijke woning over een bijna-geluidluwe gevel beschikt; en

    • c.

      zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.  

  • 3.

    Artikel 3.26, artikel 3.34 en artikel 3.35 zijn van overeenkomstige toepassing. 

F

Het opschrift van artikel 2.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.21 2.23 Toepassingsbereik 

G

Het opschrift van artikel 2.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.22 2.24 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening', toegestaan gebruik

H

Het opschrift van artikel 2.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.23 2.25 Omvang en situering van maatschappelijke dienstverlening

I

Het opschrift van artikel 2.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.24 2.26 Geluidgevoelige ruimten

J

Artikel 2.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.25 2.27 Instellingen met een gezondheidszorgfunctie met bedgebied

Onverminderd paragraaf 2.3.2.2 zijn instellingen met een gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan, bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, anders dan instellingen, bedoeld in artikel 2.282.30 en 2.292.31, uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gezondheidszorgfunctie met bedgebied toegestaan'. 

K

Het opschrift van artikel 2.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.26 2.28 Kinderopvang

L

Het opschrift van artikel 2.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.27 2.29 Onderwijs 

M

Het opschrift van artikel 2.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.28 2.30 Ziekenhuizen en daarmee vergelijkbare instellingen

N

Het opschrift van artikel 2.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.29 2.31 Verpleeghuizen en verzorgingshuizen

O

Het opschrift van artikel 2.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.30 2.32 Kinderboerderijen

P

Het opschrift van artikel 2.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.31 2.33 Begraafplaatsen

Q

Het opschrift van artikel 2.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.32 2.34 Crematoria

R

Het opschrift van artikel 2.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.33 2.35 Dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking 

S

Artikel 2.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.34 2.36 Gereserveerd Religieuze instelling

[Gereserveerd]

Een religieuze instelling is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'religieuze instelling toegestaan'.

T

Het opschrift van artikel 2.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.35 2.37 Overige vormen van maatschappelijke dienstverlening die uitsluitend op specifiek aangegeven locaties zijn toegestaan

U

Het opschrift van artikel 2.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.36 2.38 Beperking ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijke dienstverlening - uitsluitend school(werk)tuin'

V

Het opschrift van artikel 2.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.37 2.39 Beperking ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijke dienstverlening - uitsluitend kinderboerderij'

W

Het opschrift van artikel 2.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.38 2.40 Beperking ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijke dienstverlening - uitsluitend kinderopvang'

X

Artikel 2.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.39 2.41 Beperking ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijke dienstverlening - uitsluitend onderwijs'

Ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijke dienstverlening - uitsluitend onderwijs' is maatschappelijke dienstverlening uitsluitend in de vorm van onderwijs, bedoeld in artikel 2.272.29, toegestaan.  

Y

Het opschrift van artikel 2.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.40 2.42 Toepassingsbereik 

Z

Het opschrift van artikel 2.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.41 2.43 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening', toegestaan gebruik 

AA

Het opschrift van artikel 2.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.42 2.44 Omvang en situering van zakelijke en administratieve dienstverlening

BB

Het opschrift van artikel 2.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.43 2.45 Beperkingen met betrekking tot baliefuncties

CC

Het opschrift van artikel 2.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.44 2.46 Aanbieden aan derden van vergader- en congresfaciliteiten

DD

Het opschrift van artikel 2.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.45 2.47 Gereserveerd

EE

Het opschrift van artikel 2.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.46 2.48 Gereserveerd

FF

Artikel 2.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.47 Gereserveerd

[Gereserveerd]

[Vervallen]

GG

Artikel 2.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.48 Gereserveerd

[Gereserveerd]

[Vervallen]

HH

Artikel 2.80 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.80 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf'.

  • 2.

    Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf'. 

  • 3.

    In deze paragraaf wordt onder bedrijf verstaan een bedrijf gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, verwerken, herstellen, opslaan, verhuren, distributie van en groothandel in goederen.

  • 4.

    Onder bedrijf wordt niet verstaan het verhuren van goederen aan in hoofdzaak consumenten. In dat geval is sprake van detailhandel.

  • 5.

    In deze paragraaf wordt onder Lijst van bedrijfsactiviteiten verstaan de Lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage VI.

II

Artikel 2.83 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.83 Toegestane bedrijven: milieuhindercategorieën

Ter plaatse van de aanduiding 'maximale milieuhindercategorie' zijn bedrijven toegestaan waarvan de activiteiten in de Lijst van bedrijfsactiviteiten  VI vallen in een milieuhindercategorie die gelijk is aan of lager is dan de ter plaatse van de aanduiding bepaalde maximale milieuhindercategorie.

JJ

Artikel 2.84 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.84 Toegestane bedrijven: functiemenging

Ter plaatse van de aanduiding 'functiemenging' zijn de volgende bedrijven en bedrijfsactiviteiten toegestaan: 

  • a.

    vervaardigen van kleding en toebehoren, anders dan het bewerken of verven van leer, met een maximum bruto-vloeroppervlakte van 200 m2

  • b.

    drukken en kopiëren, anders dan drukkerijen van dagbladen en drukkerijen met vlak of rotatie-diepdruk; 

  • c.

    grafisch afwerken en andere grafische activiteiten waaronder reproductie en zetten;

  • d.

    binderijen;

  • e.

    vervaardigen van glas, aardewerk, cement-, kalk- en gipsproducten, voor zover het vermogen van elektrische ovens gezamenlijk minder dan 40kW bedraagt; 

  • f.

    vervaardigen van medische en optische apparaten en instrumenten, met inbegrip van reparatiewerkzaamheden;

  • g.

    stofferen van meubels met een maximum bruto-vloeroppervlakte van 200 m2;

  • h.

    vervaardigen van sierraden en dergelijke;

  • i.

    aannemersbedrijven met werkplaats, timmerwerkfabrieken (inclusief vervaardiging overige artikelen van hout) en meubelmakerijen met een maximum bruto-vloeroppervlakte van  200 m2;

  • j.

    bekleden van het interieur van auto’s; 

  • k.

    repareren van goederen ten behoeve van particulieren, anders dan auto's, motorfietsen en gemotoriseerde vaartuigen;

  • l.

    ontwikkelen van foto's en films;

  • m.

    vervaardigen van producten van metaal (exclusief machines/transportmiddelen) in een gesloten gebouw, met een maximum bruto-vloeroppervlakte van 200 m2;

  • n.

    stallen van fietsen, scooters en motoren ten behoeve van particulieren. 

KK

Artikel 2.108 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.108 Gereserveerd Specifieke regel over het gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf

[Gereserveerd]

Onverminderd artikel 3.5 is het verboden een bij een hoofdgebouw voor culturele voorziening behorend bijgebouw te gebruiken voor publieksaantrekkende culturele activiteiten.

LL

Artikel 2.129 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.129 Beperkende regel over waar sportscholen en fitnesscentra zijn toegestaan

Sportscholen en fitnesscentra zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'sportschool toegestaan'.

MM

Artikel 2.209 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.209 Gereserveerd Podium in de openbare buitenruimte

[Gereserveerd]

Een podium in de openbare buitenruimte, zoals een muziekkoepel of een podium voor een open- luchttheater, is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'podium in de openbare buitenruimte toegestaan'.

NN

Artikel 3.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.5 Inrichting en gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf, erfbebouwing (gebouwerf)

  • 1.

    Het gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf is in overeenstemming met een in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel.  

  • 2.

    Onder het gebruik van een bij een hoofdgebouw behorend erf dat in overeenstemming is met een in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel wordt verstaan een inrichting en gebruik op een wijze die naar algemene maatstaven als een normale inrichting en gebruik van het bijbehorende erf wordt beschouwd.

  • 3.

    Ter plaatse van de aanduiding 'tuinbedrijfsmatig gebruik gebouwerf niet toegestaan' geldt, in afwijking van het tweede lid, dat een bedrijfsmatig gebruik van het bijbehorend erf niet is toegestaan. Onder bedrijfsmatig gebruik wordt in ieder geval begrepen het gebruik voor opslag.

  • 4.

    Ter plaatse van de aanduiding 'beperkingen voor opslag goederen op het gebouwerf' mag een bij een hoofdgebouw behorend erf in ieder geval niet worden gebruikt voor opslag van goederen voor zover deze zichtbaar is vanaf de openbare weg.

  • 5.

    Ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, is dit artikel van overeenkomstige toepassing, tenzij artikel 3.4, tweede lid van toepassing is. 

  • 6.

    Ter plaatse van de aanduiding ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen wordt bij de toepassing van dit artikel in plaats van 'in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel' gelezen 'in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming'. 

OO

Het opschrift van paragraaf 3.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 3.2.3 Parkeernormering Parkeren, parkeernormering voor auto’s en normering voor fietsstalling 

PP

Subparagraaf 3.2.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 3.2.3.1 Parkeernormering auto's 

Artikel 3.6 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan 

Artikel 3.7 Van toepassing zijnde parkeernormen

  • 1.

    Voor de toepassing van deze subparagraaf zijn de geldende parkeernormen over het aantal parkeerplaatsen voor auto’s dat bij het gebruik van gronden en bouwwerken feitelijk op eigen terrein beschikbaar is en moet blijven ten behoeve van dat gebruik de normen zoals opgenomen in bijlage IV.

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'A-locatie (parkeernormering)' gelden de in bijlage IV aangegeven normen voor een A-locatie.

  • 3.

    Ter plaatse van de aanduiding 'B-locatie (parkeernormering)' gelden de in bijlage IV aangegeven normen voor een B-locatie.

  • 4.

    Ter plaatse van de aanduiding 'C-locatie (parkeernormering)' gelden de in bijlage IV aangegeven normen voor een C-locatie.

  • 5.

    In afwijking van het eerste lid geldt ter plaatse van de aanduiding 'aantal autoparkeerplaatsen' de daar bepaalde waarde als norm voor het aantal parkeerplaatsen dat op eigen terrein feitelijk beschikbaar moet zijn. 

  • 6.

    Ter plaatse van de aanduiding 'parkeren op eigen terrein niet toegestaan' is het, in afwijking van het eerste lid, niet toegestaan parkeergelegenheid op een gebouwerf beschikbaar te hebben. Dit verbod is niet van toepassing op een motorrijtuig op twee wielen of op een gehandicaptenvoertuig, bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Artikel 3.8 Geen aanpassingsplicht voor legaal bestaande situaties

Bij ongewijzigd gebruik van gronden en bouwwerken hoeft het aantal parkeerplaatsen dat feitelijk en legaal aanwezig was op 31 oktober 2024 niet in overeenstemming te worden gebracht met de normen als bedoeld in artikel 3.7.

Artikel 3.9 Regels bij het binnenplans wijzigen van bestaand gebruik

  • 1.

    Onverminderd artikel 2.3 is het verboden het bestaand gebruik te wijzigen naar een andere vorm van gebruik, wanneer het aantal feitelijk beschikbare parkeerplaatsen op eigen terrein niet in overeenstemming is of wordt gebracht met de voor het nieuwe gebruik geldende parkeernorm. 

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt alleen voor zover het gaat om een van de volgende wijzigingen: 

    • a.

      een wijziging van wonen naar een ander gebruik dan wonen;

    • b.

      een wijziging van zakelijke en administratieve dienstverlening naar een ander gebruik dan zakelijke en administratieve dienstverlening;

    • c.

      een wijziging van een vorm van gebruik, niet zijnde wonen of zakelijke en administratieve dienstverlening, naar wonen of zakelijke en administratieve dienstverlening.

Artikel 3.10 Regels over het wijzigen van het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein

  • 1.

    Het is verboden het aantal parkeerplaatsen, dat op eigen terrein feitelijk beschikbaar is, te wijzigen.

  • 2.

    Het is eerste lid is niet van toepassing als: 

    • a.

      het aantal parkeerplaatsen dat feitelijk beschikbaar komt op eigen terrein passend wordt of blijft binnen de voor het legaal bestaand gebruik geldende parkeernorm; 

    • b.

      het aantal parkeerplaatsen dat feitelijk beschikbaar komt op eigen terrein meer aansluit bij de voor het legaal bestaand gebruik geldende parkeernorm. 

  • 3.

    De uitzondering, bedoeld in het tweede lid, geldt niet ter plaatse van de aanduiding 'aantal autoparkeerplaatsen'. Daar dient het aantal parkeerplaatsen dat op eigen terrein feitelijk beschikbaar is te blijven voldoen aan de daar bepaalde waarde.

Artikel 3.11 Maatwerkvoorschrift met betrekking tot het aantal parkeerplaatsen

  • 1.

    Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen waarmee kan worden afgeweken van artikel 3.9  en artikel 3.10, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag:

    • a.

      op andere wijze in voldoende mate in parkeergelegenheid wordt voorzien; 

    • b.

      sprake is van een legaal bestaand gebouw of van legaal bestaande gebouwde parkeervoorzieningen en het voldoen aan de parkeernorm op overwegende bezwaren stuit; of 

    • c.

      het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend:

      • 1.

        een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw; 

      • 2.

        een te verwachten meer of minder dan gemiddeld aantal klanten of bezoekers.

  • 2.

    Aan het in het eerste lid bedoelde maatwerkvoorschrift kunnen de voorschriften worden verbonden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen te waarborgen. 

  • 3.

    Bij een verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      het planologisch gebruik dat plaatsvindt en de omvang daarvan, en het aantal feitelijk beschikbare parkeerplaatsen dat daarbij op eigen terrein aanwezig is;

    • b.

      een omschrijving van de beoogde wijziging waarop verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift betrekking heeft; en 

    • c.

      een motivering van het verzoek. 

Artikel 3.12 Locaties waar parkeren op eigen terrein niet is toegestaan

    [Red: Lid 3. verplaatst van artikel 2.7 naar artikel 3.12. ]

  • 3 1.

    Ter plaatse van de aanduiding 'parkeren op eigen terrein niet toegestaan' is, in afwijking van het tweede lid, onder b, artikel 3.7 tot en met 3.11het stallen van een motorrijtuig op het bij een woonruimte behorend erfeigen terrein niet toegestaan, ongeacht de bestaande inrichting van de openbare ruimte en de aansluiting van het erf op de openbare weg, niet toegestaan.

  • [Red: Lid 4. verplaatst van artikel 2.7 naar artikel 3.12. ]

  • 4 2.

    Het in het tweedeeerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op een motorrijtuig op twee wielen of op een gehandicaptenvoertuig, bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

QQ

Het opschrift van artikel 3.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.12 3.13 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan 

RR

Het opschrift van artikel 3.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.13 3.14 Van toepassing zijnde normen voor fietsstalling

SS

Artikel 3.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.14 3.15 Geen aanpassingsplicht voor legaal bestaande situaties

Bij een ongewijzigd gebruik van gronden en bouwwerken hoeft het aantal plaatsen voor fietsstalling dat feitelijk en legaal aanwezig was op 31 oktober 2024 niet in overeenstemming te worden gebracht met de normen, bedoeld in artikel 3.133.14.

TT

Het opschrift van artikel 3.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.15 3.16 Regels bij het binnenplans wijzigen van bestaand gebruik

UU

Artikel 3.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.16 3.17 Regels over het wijzigen van het aantal plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein  

Het is verboden het aantal feitelijk beschikbare plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein te verminderen, tenzij voldaan blijft worden aan de minimum norm, bedoeld in artikel 3.133.14.

VV

Artikel 3.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.17 3.18 Maatwerkvoorschrift met betrekking tot het aantal fietsstallingsplaatsen

  • 1.

    Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen waarmee wordt afgeweken van artikel 3.153.16 voor zover sprake is van een wijziging van gebruik naar een andere vorm van gebruik, niet zijnde wonen, en naar het oordeel van het bevoegd gezag:

    • a.

      op andere wijze in voldoende mate in stallingsgelegenheid wordt voorzien; 

    • b.

      het  redelijkerwijs onmogelijk is voldoende stallingsplaatsen op eigen terrein te realiseren; of

    • c.

      de impact van de stallingsbehoefte op de openbare ruimte klein is. 

  • 2.

    Aan het in het eerste lid bedoelde maatwerkvoorschrift kunnen de voorschriften worden verbonden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal plaatsen voor fietsstalling te waarborgen.

  • 3.

    Bij een verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt: 

    • a.

      het planologisch gebruik dat plaatsvindt  en de omvang daarvan, en het aantal feitelijk beschikbare plaatsen voor fietsstalling dat daarbij aanwezig is;

    • b.

      een omschrijving van de beoogde wijziging waarop het verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift betrekking heeft; en

    • c.

      een motivering van het verzoek.

WW

Het opschrift van artikel 3.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.18 3.19 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan 

XX

Het opschrift van artikel 3.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.19 3.20 Ondergeschikt kantoorgebruik

YY

Het opschrift van artikel 3.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.20 3.21 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan 

ZZ

Het opschrift van artikel 3.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.21 3.22 Ondergeschikte detailhandel

AAA

Het opschrift van artikel 3.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.22 3.23 Geografisch werkingsgebied

BBB

Artikel 3.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.23 3.24 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een:

    • a.

      woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

    • b.

      onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

    • c.

      gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of

    • d.

      bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan,

    uitsluitend voor zover het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.3

  • 2.

    Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

  • 3.

    Bij de toepassing van deze subparagraaf blijft een beoordeling voor de geluidbronsoort Industrieterreinen buiten toepassing voor zover het gaat om industrieterreinen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld. 

  • 4 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als de wijziging van gebruik reeds betrokken is bij een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of een verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 

CCC

Artikel 3.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.24 3.25 Meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing, zij het dat bij het bepalen van het geluid op een gevel vanwege een gezoneerd industrieterrein de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Wet geluidhinder van toepassing zijn.

DDD

Het opschrift van artikel 3.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.25 3.26 Waar waarden gelden

EEE

Het opschrift van artikel 3.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.26 3.27 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie

FFF

Artikel 3.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.27 3.28 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie

De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.263.27, wordt alleen verleend als:

  • a.

    het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.3; en

  • b.

    het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.

GGG

Artikel 3.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.28 3.29 Wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde

  • 1.

    Van een aanvaardbaar geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw is in elk geval sprake als het geluid op de gevel niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 3.283.29:

    Tabel 3.28: Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per bronsoort

    Geluidbronsoort

    Grenswaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    50 Lden

    Gemeentewegen en waterschapswegen

    53 Lden

    Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    55 Lden

    Industrieterreinen

    50 Lden

    40 Lnight

    Tabel 3.29: Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per bronsoort

    Geluidbronsoort

    Standaardwaarde

    provinciale wegen en rijkswegen

    50 Lden

    gemeentewegen en waterschapswegen

    53 Lden

    lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    55 Lden

    industrieterrein met geluidproductieplafonds

    50 Lden / 40 Lnight

    gezoneerd industrieterrein

    50 dB(A)

  • 2.

    Artikel 5.78t, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.   

  • 3.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 3.283.29 gelezen voor «Lden»: »Lde».

  • 4.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 3.283.29 gelezen voor «Lden»: «Lday».

HHH

Artikel 3.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.29 3.30 Overschrijding van de standaardwaarde

  • 1.

    Wanneer het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 3.283.29 bedoelde standaardwaarde kan het geluid aanvaardbaar zijn als: 

    • a.

      geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen;

    • b.

      de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en

    • c.

      het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.293.30:

    Tabel 3.29: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per bronsoort

    Geluidbronsoort

    Grenswaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    60 Lden

    Gemeentewegen en waterschapswegen

    70 Lden

    Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    65 Lden

    Industrieterreinen

    55 Lden

    45 Lnight

    Tabel 3.30: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per bronsoort

    Geluidbronsoort

    Grenswaarde

    provinciale wegen en rijkswegen

    60 Lden

    gemeentewegen en waterschapswegen

    70 Lden

    lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    65 Lden

    industrieterrein met geluidproductieplafonds

    55 Lden / 45 Lnight

    gezoneerd industrieterrein

    wordt bepaald door het van toepassing zijnde besluit hogere waarden

  • 2.

    Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.

  • 3.

    Als de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.263.27, betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen, gelet op het bepaalde in het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, is sprake van een aanvaardbare geluidbelasting als elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 3.283.29, is berekend. 

  • 4.

    Als de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.263.27, betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het bepaalde in het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn en niet elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 3.283.29, is berekend, kan sprake zijn van een aanvaardbare geluidbelasting als: 

    • a.

      elke afzonderlijke woning beschikt over een bijna-geluidluwe gevel; en

    • b.

      zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.

  • 5.

    Artikel 5.78u, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.   

  • 6.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 3.293.30 gelezen voor «Lden»: »Lde».

  • 7.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 3.293.30 gelezen voor «Lden»: «Lday».

III

Artikel 3.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.30 3.31 Belang van een geluidluwe gevel

Bij de toepassing van artikel 3.293.30 wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken. 

JJJ

Artikel 3.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.31 3.32 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid

  • 1.

    Bij de toepassing van artikel 3.293.30 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.

  • 2.

    Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken:

    • a.

      voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of

      industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort;

    • b.

      voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende

      geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour

      van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een

      luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluid

      door luchtvaart;

    • c.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een

      industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en

    • d.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een

      militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 BS,dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein. 

  • 3.

    Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

KKK

Artikel 3.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.32 3.33 Bepalen van gezamenlijk geluid

Bij de toepassing van artikel 3.293.30 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.263.27, vastgelegd. 

LLL

Artikel 3.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.33 3.34 Vergunningvoorschriften

  • 1.

    Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.263.27, worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder. 

  • 2.

    Voor zover de in het eerste lid bedoelde voorschriften betrekking hebben op het nemen van bouwkundige maatregelen, waarvoor op grond van hoofdstuk 4 een vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken geldt, dan is hoofdstuk 4 op het verrichten van die omgevingsplanactiviteit bouwwerken onverkort van toepassing. 

MMM

Artikel 3.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.34 3.35 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.263.27, wordt een rapport verstrekt:

  • a.

    waaruit de mate van geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw blijkt; en 

  • b.

    waarin, indien nodig in verband met een overschrijding van de standaardwaarde, inzicht wordt gegeven in de maatregelen die worden genomen met het oog op de bescherming van de gezondheid.

NNN

Paragraaf 3.2.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 3.2.7 Huisvesting in verband met mantelzorg

Artikel 3.35 3.36 Vergunningplicht huisvesting in verband met mantelzorg in een bestaand bouwwerk

  • 1.

    Ongeacht paragraaf 2.3.1, een nog geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, of een TAM-omgevingsplan is het gebruiken van een bestaand bouwwerk op het gebouwerf van een woning voor huisvesting in verband met mantelzorg in overeenstemming met dit omgevingsplan. 

  • 1 2.

    Het Onverminderd het eerste lid is het verboden zonder omgevingsvergunning een bestaand bouwwerk te gebruiken voor huisvesting in verband met mantelzorg. 

  • 2 3.

    Het eerstetweede lid is niet van toepassing voor zover een gebouw voor 31 oktober 2024 rechtmatig is gebouwd en in gebruik is genomen voor huisvesting in verband met mantelzorg. 

  • 3 4.

    Het eerstetweede lid is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'huisvesting mantelzorg toegestaan'. 

  • 4 5.

    Het eerstetweede lid is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen', voor zover huisvesting in verband met mantelzorg op grond van het nog geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is toegestaan. 

Artikel 3.36 3.37 Beoordelingsregels

  • 1.

    De in artikel 3.353.36, eerstetweede lid, bedoelde omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

    • a.

      het gebouw rechtmatig is gebouwd;

    • b.

      het geluid op het gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is; en

    • c.

      het gebruik van het bestaande bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg niet leidt tot beperkingen bij de bestaande uitoefening van milieubelastende activiteiten, bedoeld in afdeling 9.2. 

  • 2.

    Op de aanvraag en de beoordeling of het geluid op het gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is, is paragraaf 3.2.6 van overeenkomstige toepassing, zij het dat de in artikel 3.353.36, eerstetweede lid, bedoelde omgevingsvergunning niet wordt geweigerd wegens strijd met artikel 2.3, eerste, tweede of tweedederde lid. 

  • 3.

    De in artikel 3.353.36, eerstetweede lid, bedoelde omgevingsvergunning wordt in afwijking van het eerste lid geweigerd als de activiteit wordt verricht:   

  • 4.

    Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' wordt de in artikel 3.353.36, eerstetweede lid, bedoelde omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid geweigerd als de activiteit wordt verricht:   

    • a.

      op een locatie waar de activiteit op grond van het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding;

    • b.

      op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 

      • 1.

        artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is; 

      • 2.

        artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

      • 3.

        artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 4.

        artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 5.

        artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 6.

        artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 7.

        artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 8.

        artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 9.

        artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 10.

        artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 11.

        artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 12.

        artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

      • 13.

        artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 

      • 14.

        artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; of

    • c.

      op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 

      • 1.

        artikel 4.1042, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 

      • 2.

        bijlage VIII, onder A en B het Besluit kwaliteit leefomgeving;

      • 3.

        artikel 4.1051, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, of derde lid van dat artikel van toepassing is; of

      • 4.

        bijlage IX, onder A tot en met C bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 3.37 3.38 Aanvraagvereisten

  • 1.

    Op een aanvraag voor een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.353.36, eerstetweede lid, is artikel 3.343.35 van overeenkomstige toepassing. 

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid wordt bij de aanvraag om omgevingsvergunning een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur verstrekt, waaruit de behoefte aan mantelzorg blijkt.

OOO

Het opschrift van artikel 3.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.38 3.39 Vergunningplicht voor het wijzigen van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, de druk of de vervoerde stof 

PPP

Artikel 3.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.39 3.40 Beoordelingsregel omgevingsvergunning buisleiding gevaarlijke stoffen 

  • 1.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.383.39, wordt alleen verleend als de nodige maatregelen worden getroffen om ongevallen met een buisleiding met gevaarlijke stoffen te voorkomen en de eventuele gevolgen van ongevallen voor de omgeving te beperken.

  • 2.

    Bij de toepassing van het eerste lid wordt in ieder geval rekening gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door de buisleiding voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied, voor zover dat gebied niet is gelegen binnen een risicogebied externe veiligheid.

  • 3.

    Op de beoordeling, bedoeld in het tweede lid zijn de artikelen 5.12 en 5.13 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Bij het beoordelen van de aanvraag om de omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio.

QQQ

Artikel 3.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.40 3.41 Aanvraagvereisten 

  • 1.

    Bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3.383.39 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de voorgenomen wijziging; en

    • b.

      de resultaten van de berekeningen van:

      • 1.

        de afstand vanaf de buisleiding tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar is; en

      • 2.

        de afstand voor het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 2.

    Op het berekenen van het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied is artikel 4.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii van de Omgevingsregeling van toepassing.

RRR

Artikel 3.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.41 3.42 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het in artikel 2.221, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.383.39, voorschriften worden verbonden tot het beschermen van de fysieke leefomgeving van de buisleiding.

SSS

Het opschrift van artikel 3.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.42 3.43 Geografisch werkingsgebied, toepassingsbereik en oogmerk

TTT

Het opschrift van artikel 3.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.43 3.44 Vergunningplicht wijziging ambachtelijk bedrijf naar ander gebruik

UUU

Het opschrift van artikel 3.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.44 3.45 Beoordelingsregel

VVV

Artikel 3.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.45 3.46 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.433.44 wordt in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    een beschrijving van het bestaande gebruik;

  • b.

    een beschrijving van het voorgenomen gebruik; 

  • c.

    een onderbouwing in welke mate het voorgenomen gebruik bijdraagt aan het aanbod aan voorzieningen als bedoeld in artikel 3.443.45, onder b.

WWW

Het opschrift van artikel 3.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.46 3.47 Geografisch werkingsgebied en oogmerk

XXX

Het opschrift van artikel 3.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.47 3.48 Verbod gebruik kwetsbaar gebouw

YYY

Het opschrift van artikel 3.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.48 3.49 Vergunningplicht wijziging naar beperkt kwetsbaar gebouw

ZZZ

Artikel 3.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.49 3.50 Beoordelingsregels

  • 1.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.483.49, eerste lid, wordt alleen verleend als: 

    • a.

      de wijziging naar een beperkt kwetsbaar gebouw niet in strijd is met artikel 2.3;

    • b.

      zwaarwegende economische of maatschappelijke redenen dit rechtvaardigen; 

    • c.

      alle redelijke maatregelen om de gevolgen van een ramp te bestrijden zijn getroffen; en

    • d.

      er zijn voldoende mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp bij de activiteit met het beperkingengebied. 

  • 2.

    Bij het beoordelen van de aanvraag om de omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste lid geldt dat de omgevingsvergunning niet wordt verleend indien het beperkt kwetsbare gebouw geheel of gedeeltelijk staat ter plaatse van de aanduiding 'plaatsgebonden risico 10-5 windturbine'.

AAAA

Artikel 3.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.50 3.51 Vergunningvoorschriften 

Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.483.49, eerste lid, kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van beperkt kwetsbare gebouwen.

BBBB

Artikel 3.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.51 3.52 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.483.49, eerste lid, voor het toelaten van een beperkt kwetsbaar gebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de zwaarwegende economische of maatschappelijke redenen voor de realisatie van het beperkt kwetsbare gebouw of  het gebruik van de gronden;

  • b.

    alle redelijke maatregelen die worden getroffen om de gevolgen van een ramp te bestrijden; en

  • c.

    gegevens over de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp bij de activiteit met het beperkingengebied.

CCCC

Het opschrift van paragraaf 3.2.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 3.2.14 Hospitaverhuur Kamerverhuur, hospitaverhuur en inwoning

DDDD

Artikel 3.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.52 3.53 Hospitaverhuur Kamerverhuur, hospitaverhuur en inwoning

Voor zover in het tijdelijk deel van het omgevingsplan gebruik van een woning door meer dan één huishouden niet is toegestaan, is omzetting van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte wel toegestaan, indien het een omzetting betreft die in de Huisvestigingsverordening is vrijgesteld van de vergunningplicht als bedoeld in artikel 21 lid 1 onder c van de Huisvestingswet.

Voor zover in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan gebruik van een woning door meer dan één huishouden niet is toegestaan, is omzetting van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte in afwijking van dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan wel toegestaan, indien:

  • a.

    de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde omzettingsvergunning is verleend; of

  • b.

    het een omzetting betreft die in de Huisvestigingsverordening is vrijgesteld van de vergunningplicht als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onder c, van de Huisvestingswet.

EEEE

Het opschrift van artikel 3.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.53 3.54 Laden en lossen op eigen terrein

FFFF

Het opschrift van artikel 3.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.54 3.55 Toepassingsbereik

GGGG

Artikel 4.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.16 Beoordelingsregel met betrekking tot ruimtelijke regels over bouwwerken, anti-dubbeltelbepaling

  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 2.3 en artikel 5.6.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt niet geweigerd op grond van het eerste lid, voor zover de omgevingsplanactiviteit bouwwerken passend is binnen: 

    • a.

      een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken of het gebruik van bouwwerken; of 

    • b.

      een onder oud recht verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken of het gebruik van bouwwerken. 

  • 3.

    Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geweigerd op grond van het eerste lid, als:

    • a.

      in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels; en

    • b.

      het bevoegd gezag, gelet op artikel 22.281, van oordeel is dat de vergunning met toepassing van de onder a bedoelde regels kan worden verleend. 

  • 4.

    In afwijking van de voorgaande leden wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag:

    • a.

      een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder ed, van de toenmalige Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;

    • b.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de toenmalige Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of

    • c.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.

  • 5.

    Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

HHHH

Artikel 4.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.19 Algemene mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van de ruimtelijke regels over bouwwerken 

Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.6, en een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken om die reden zou moeten worden geweigerd, kan die omgevingsvergunning in afwijking van artikel 4.16, eerste lid, toch worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op: 

  • a.

    een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover dat vanwege artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet vergunningvrij is toegestaan;

  • b.

    een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.12, voor zover daarop vanwege artikel 4.14 of artikel 4.13 de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, van toepassing is;

  • c.

    een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits: 

    • 1.

      voor zover gelegen binnen de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

      • I.

        niet hoger dan 5 meter; 

      • II.

        de oppervlakte niet meer dan 500 m2; en

    • 2.

      voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

      • I.

        niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

      • II.

        de oppervlakte niet meer dan 150 m2;

  • d.

    een bouwwerk ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2.29, onder p, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, dat niet voldoet aan de in dat artikel genoemde eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      niet hoger dan 6 m; en

    • 2.

      oppervlakte niet meer dan 50 m²;

  • e.

    een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      niet hoger dan 10 m; en

    • 2.

      de oppervlakte niet meer dan 50 m²;

  • f.

    een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m; 

  • g.

    een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998;

  • h.

    een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen;

  • i.

    een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zoals gedenktekens, plastieken, straatmeubilair, vrijstaande muren, keermuren, trapconstructies, bebouwing ten behoeve van al dan niet ondergrondse afvalopslag, geluidwerende voorzieningen, steigers, duikers en andere waterstaatkundige werken, voor zover die niet reeds op grond van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn toegestaan;

  • j.

    een bouwwerk waarbij het bouwvlak wordt overschreden, voor zover die in het belang zijn van een ruimtelijke en/of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken, wegen en anderszins, of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer bedraagt dan 1 meter;

  • k.

    een bouwwerk waarbij de in de regels toegestane maximale bouwhoogte met niet meer dan 1 meter wordt overschreden;

  • l.

    een bordes, erker of galerij, waarbij het bouwvlak wordt overschreden, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 3 meter bedraagt;

  • m.

    een dakkapel, dakterras, luifel, buitentrap, pothuis, balkon, liftopbouw, schoorsteen, ventilatiekanaal, airco-unit, luchtbehandelingsinstallatie, glazenwassersinstallatie, brandtrap, hijs- inrichting, bouwwerk dat samenhangt met installaties binnen een gebouw, of soortgelijke bouwdelen aan of op een gebouw;

  • n.

    een dakopbouw.;

  • o.

    een bouwwerk waarbij, voor zover gesteld, de minimale en maximale hoogte-, breedte-, diepte- en oppervlaktematen worden overschreden, mits de afwijking van enige maat niet meer dan 10% bedraagt, met dien verstande dat geen extra bouwlaag mag worden gerealiseerd en de grenzen van het bouwvlak niet worden overschreden. 

IIII

Artikel 4.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.32 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie

  • 1.

    Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de resultaten van onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving

    • b.

      als de waarde toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 4.29, tweede tot en met vierde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen; en

    • c.

      als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving: een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie;

    • d.

      als een andere beschermende maatregel, bedoeld in artikel 4.28, eerste lid, aanhef en onder c, wordt getroffen: een toetsing volgens het toetsingsmodel Risicotoolbox bodem, waarmee wordt aangetoond dat geen sprake is van  overschrijding van het maximaal toelaatbaar humaan risico.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid, onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw-of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is verricht overeenkomstig NEN 5897 voor zover sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste lid, onder a, wordt ter plaatse van de aanduiding 'uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw' een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ongeacht de resultaten van het vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a Besluit activiteiten leefomgeving. 

  • 4.

    Het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk indien uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid niet rechtvaardigen.

  • 5.

    De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

  • 6.

    Op het uitvoeren van een bodemonderzoek is de Amsterdamse Richtlijn voor Bodemonderzoek 2024 van toepassing. 

JJJJ

Artikel 4.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.36 Beoordelingsregel met betrekking tot het aantal stallingsplaatsen voor fietsen

KKKK

Het opschrift van subparagraaf 4.2.4.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 4.2.4.7 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden  Nadere afweging geluidgevoelige gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'nadere afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk'

LLLL

Artikel 4.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.44 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subparagraaf is alleen van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geluidgevoelig gebouw.

  • 2.

    Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

  • 3.

    Bij de toepassing van deze subparagraaf blijft een beoordeling van het geluid van de geluidbronsoort Industrieterreinen buiten toepassing voor zover het gaat om geluid van industrieterreinen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld. 

MMMM

Artikel 4.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.45 Meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing, zij het dat bij het bepalen van het geluid op een gevel vanwege een gezoneerd industrieterrein de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Wet geluidhinder van toepassing zijn.

NNNN

Artikel 4.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.48 Geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde

  • 1.

    Het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw is aanvaardbaar als het geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 4.48

    Tabel 4.48: Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort

    Geluidbronsoort

    Standaardwaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    50 Lden

    Gemeentewegen en waterschapswegen

    53 Lden

    Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    55 Lden

    Industrieterreinen

    50 Lden

    40 Lnight

    Tabel 4.48: Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort

    Geluidbronsoort

    Standaardwaarde

    provinciale wegen en rijkswegen

    50 Lden

    gemeentewegen en waterschapswegen

    53 Lden

    lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    55 Lden

    industrieterrein met geluidproductieplafonds

    50 Lden / 40 Lnight

    gezoneerd industrieterrein

    50 dB(A)

  • 2.

    Artikel 5.78t, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 4.48 gelezen voor «Lden»: »Lde».

  • 4.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 4.48 gelezen voor «Lden»: «Lday».

OOOO

Artikel 4.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.49 Overschrijding van de standaardwaarde

  • 1.

    Wanneer het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.48 bedoelde standaardwaarde, kan het geluid aanvaardbaar zijn als: 

    • a.

      geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen;

    • b.

      de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en

    • c.

      het geluid op het geluidgevoelige gebouw niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 4.49.

    Tabel 4.49: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort

    Geluidbronsoort

    Grenswaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    60 Lden

    Gemeentewegen en waterschapswegen

    70 Lden

    Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    65 Lden

    Industrieterreinen

    55 Lden

    45 Lnight

    Tabel 4.49: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort

    Geluidbronsoort

    Grenswaarde

    provinciale wegen en rijkswegen

    60 Lden

    gemeentewegen en waterschapswegen

    70 Lden

    lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    65 Lden

    industrieterrein met geluidproductieplafonds

    55 Lden / 45 Lnight

    gezoneerd industrieterrein

    wordt bepaald door het van toepassing zijnde besluit hogere waarden

  • 2.

    Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.

  • 3.

    Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 4.48, is berekend. 

  • 4.

    Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, en niet elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 4.48, is berekend, kan sprake zijn van een aanvaardbare geluidbelasting als:

    • a.

      elke afzonderlijke woning beschikt over een bijna-geluidluwe gevel; en

    • b.

      zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.

  • 5.

    Artikel 5.78u, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.   

  • 6.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 4.49 gelezen voor «Lden»: »Lde».

  • 7.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 4.49 gelezen voor «Lden»: «Lday».

PPPP

Artikel 4.83 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.83 Geografisch werkingsgebied en oogmerk 

  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen'.

  • 2.

    Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen'. 

  • 3.

    De regels in deze afdelingsubparagraaf zijn gesteld met het oog op de veiligheid, integriteit en de werking van een buisleiding met gevaarlijke stoffen.

QQQQ

Artikel 4.84 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.84 Beoordelingsregel, vergunningvoorschriften

  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als door die activiteit de veiligheid, integriteit en werking van de in artikel 4.83, tweedederde lid bedoelde buisleiding niet wordt geschaad.

  • 2.

    Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van de in het tweede lid bedoelde buisleiding over de vraag of door de voorgenomen omgevingsplanactiviteit bouwwerken de veiligheid, integriteit en werking van de buisleiding wordt geschaad en welke voorschriften indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming daarvan.

  • 3.

    Met het oog op de waarborging van de veiligheid, integriteit en werking van de in het tweede lid bedoeldeleiding buisleiding kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden.

RRRR

Na subparagraaf 4.2.4.13 wordt een subparagraaf ingevoegd, luidende:

Subparagraaf 4.2.4.14 Verplichting van een geluidluwe gevel bij woningen

Artikel 4.89 Algemeen

  • 1.

    Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen'. Ter plaatse van de aanduiding 'nadere afweging geluid bij gebruikswijziging noodzakelijk' blijft deze paragraaf buiten toepassing.

  • 2.

    Deze subparagraaf is alleen van toepassing op aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als die activiteit betrekking heeft op het realiseren van een of meerdere nieuwe woningen. 

  • 3.

    Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

  • 4.

    Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing, zij het dat bij het bepalen van het geluid op een gevel vanwege een gezoneerd industrieterrein de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Wet geluidhinder van toepassing zijn. 

Artikel 4.90 Verplichte geluidluwe gevel, afwijkmogelijkheid

  • 1.

    Elke afzonderlijke woning dient over een geluidluwe gevel te beschikken waarop de geluidbelasting niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 4.90.

    Tabel 4.90: Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per bronsoort

    Geluidbronsoort

    Standaardwaarde

    provinciale wegen en rijkswegen

    50 Lden

    gemeentewegen en waterschapswegen

    53 Lden

    lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    55 Lden

    industrieterrein met geluidproductieplafonds

    50 Lden / 40 Lnight

    gezoneerd industrieterrein

    50 dB(A)

  • 2.

    Van het eerste lid kan worden afgeweken, als: 

    • a.

      de geluidbeperkende maatregelen om aan de in het eerste lid bedoelde standaardwaarden te voldoen niet doelmatig of bezwaarlijk zijn;

    • b.

      elke afzonderlijke woning over een bijna-geluidluwe gevel beschikt; en

    • c.

      zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.  

Artikel 4.91 Artikelen die van overeenkomstige toepassing zijn

Artikel 4.46, artikel 4.56 en artikel 4.57 zijn van overeenkomstige toepassing. 

SSSS

Het opschrift van subparagraaf 4.2.4.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 4.2.4.14 4.2.4.15 Toets aan overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken

TTTT

Het opschrift van artikel 4.89 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.89 4.92 Toets aan overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken 

UUUU

Het opschrift van subparagraaf 4.2.4.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 4.2.4.15 4.2.4.16 Overige vergunningvoorschriften en aanvraagvereisten

VVVV

Het opschrift van artikel 4.90 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.90 4.93 Vergunningvoorschriften met betrekking tot de situering van vluchtwegen

WWWW

Het opschrift van artikel 4.91 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.91 4.94 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling hemelwaterberging

XXXX

Het opschrift van artikel 4.92 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.92 4.95 Overgangsbepaling: vergunningvoorschriften over archeologische monumentenzorg 

YYYY

Het opschrift van artikel 4.93 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.93 4.96 Overige gegevens en bescheiden

ZZZZ

Het opschrift van artikel 4.94 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.94 4.97 Toepassingsbereik en oogmerk

AAAAA

Het opschrift van artikel 4.95 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.95 4.98 Uitgestelde toepassing

BBBBB

Het opschrift van artikel 4.96 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.96 4.99 Vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht

CCCCC

Artikel 4.97 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.97 4.100 Uitzonderingen op de vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 4.964.99, geldt niet als de omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht was toegestaan voor het van kracht worden van deze paragraaf en reeds in uitvoering is op het tijdstip van het van kracht worden van deze paragraaf.

DDDDD

Artikel 4.98 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.98 4.101 Beoordelingsregels

  • 1.

    De in artikel 4.964.99 bedoelde omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd als, gelet op de beeldbepalende waarde van het bouwwerk of de onderdelen daarvan, de omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht leidt tot een onevenredige aantasting van het belang, genoemd in artikel 4.944.97, derde lid.

  • 2.

    Van een onevenredige aantasting van het in artikel 4.944.97, het derde lid, genoemde belang kan in elk geval sprake zijn als naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het af te breken bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

EEEEE

Het opschrift van artikel 4.99 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.99 4.102 Advies gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam

FFFFF

Het opschrift van artikel 4.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.100 4.103 Aanvraagvereisten

GGGGG

Artikel 4.101 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.101 4.104 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het beschermen van het in artikel 4.944.97, het derde lid, genoemde belang.

HHHHH

Het opschrift van artikel 4.102 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.102 4.105 Toepassingsbereik en oogmerk

IIIII

Het opschrift van artikel 4.103 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.103 4.106 Vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht

JJJJJ

Artikel 4.104 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.104 4.107 Uitzonderingen op de vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 4.1034.106, eerste lid, geldt niet als de omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht was toegestaan voor het van kracht worden van deze paragraaf en reeds in uitvoering is op het tijdstip van het van kracht worden van deze paragraaf.

KKKKK

Artikel 4.105 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.105 4.108 Beoordelingsregels

De in artikel 4.1034.106, eerste lid, bedoelde omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd als de omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht leidt tot een onevenredige aantasting van het belang, genoemd in artikel 4.1024.105, derde lid.

LLLLL

Het opschrift van artikel 4.106 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.106 4.109 Advies gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam

MMMMM

Het opschrift van artikel 4.107 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.107 4.110 Aanvraagvereisten

NNNNN

Artikel 4.108 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.108 4.111 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het beschermen van het in artikel 4.1024.105, derde lid, genoemde belang.

OOOOO

Paragraaf 4.3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.3.3 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit slopen geluidwerende eerstelijnsbebouwing [gereserveerd]

Artikel 4.109 4.112 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 4.110 4.113 Gereserveerd

[Gereserveerd]

PPPPP

Het opschrift van artikel 4.111 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.111 4.114 Repressief toezicht op het uiterlijk van bouwwerken met het oog op een goede omgevingskwaliteit

QQQQQ

Artikel 4.112 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.112 4.115 Maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over artikel 4.1114.114.

RRRRR

Artikel 4.113 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.113 4.116 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een gebouw, ongeacht of daarvoor de vergunningplicht geldt, bedoeld in artikel 4.7. 

  • 2.

    Deze paragraaf is van toepassing op: 

    • a.

      nieuwe gebouwen;

    • b.

      bestaande gebouwen indien na 11 mei 2021:

      • 1.

        een ingrijpende renovatie als bedoeld in het artikel 5.20, vijfde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving is uitgevoerd of wordt uitgevoerd mits de bruto vloeroppervlakte van het gebouw 1.000 m2 of meer is;

      • 2.

        aan het gebouw één of meer bouwlagen, waaronder begrepen een kelder of een souterrain is toegevoegd of wordt toegevoegd; 

      • 3.

        aan het gebouw een dakopbouw is of wordt toegevoegd, dan wel een bestaande dakopbouw is of wordt vergroot, als het oppervlak van de toegevoegde of toe te voegen dakopbouw:

        • I.

          meer dan 50% van het bebouwd oppervlak van het hoofdgebouw beslaat of gaat beslaan; of

        • II.

          groter is of groter wordt dan 100m2; of

      • 4.

        het bebouwde oppervlak is uitgebreid of wordt uitgebreid. 

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid is deze paragraaf niet van toepassing op gebouwen waarvoor:

    • a.

      voor 11 mei 2021 een omgevingsvergunning voor bouwen is aangevraagd; of 

    • b.

      voor 22 juni 2021 selectieprocedures voor gronduitgifte zijn gestart of overeenkomsten zijn aangegaan waaruit de intentie tot (her)ontwikkeling van een gebouw blijkt.

  • 4.

     

    Bij de toepassing het tweede lid, onderdeel b, onder 2 wordt onder het toevoegen van een kelder of souterrain mede verstaan het vergroten van een bestaande kelder of souterrain mits:

    • a.

      de uitbreiding van de kelder of het souterrain meer dan 50% van het totaal bebouwd oppervlak van het hoofdgebouw zoals van bovenaf gezien beslaat; of

    • b.

      de uitbreiding van de kelder of het souterrain een minimum omvang van 100 m2 oppervlakte heeft; of 

    • c.

      de bestaande kelder of souterrain wordt verdiept waardoor deze in gebruik genomen kan worden ten behoeve van een gebruiksfunctie of nevengebruiksfunctie als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving. 

SSSSS

Het opschrift van artikel 4.114 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.114 4.117 Begripsbepaling

TTTTT

Artikel 4.115 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.115 4.118 Verbod op lozen zonder waterberging

  • 1.

    Het is verboden om vanaf een gebouw hemelwater in het openbaar riool of op de openbare ruimte, anders dan het oppervlaktewater, te lozen, tenzij een hemelwaterberging is aangebracht en in stand wordt gehouden.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover een bestaand gebouw als bedoeld in artikel 4.1134.116, tweede lid, onder b, onderdeel 1 of 2, niet bestand is tegen het aanbrengen van een hemelwaterberging op dat gebouw en er rond dat bestaande gebouw geen of onvoldoende oppervlak aanwezig is om in hemelwaterberging te voorzien. 

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid geldt niet voor tijdelijke gebouwen, met een instandhoudingstermijn van maximaal 10 jaar, mits:

    • a.

      geen toename ontstaat van het al aanwezige verhard oppervlak; of

    • b.

      het tijdelijke gebouw niet bestand is tegen het aanbrengen van een hemelwaterberging op dat gebouw en rond het tijdelijke gebouw geen of onvoldoende oppervlak aanwezig is om in hemelwaterberging te voorzien; of

    • c.

      er sprake is van een bouwkeet of een ander gebouw als bedoeld in artikel 2.29, aanhef en onder q, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

UUUUU

Artikel 4.116 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.116 4.119 Vereisten hemelwaterberging

  • 1.

    Een hemelwaterberging als bedoeld in artikel 4.1154.118:

    • a.

      heeft ten minste een capaciteit van 60 liter per m2 bebouwd oppervlak;

    • b.

      loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool; en

    • c.

      is na 60 uur leeg.

  • 2.

    Een hemelwaterberging met hergebruiksysteem: 

    • a.

      heeft ten minste een capaciteit van 90 liter per m2 bebouwd oppervlak; 

    • b.

      is na 60 uur voor ten minste 33% leeg; en

    • c.

      leegt het restant op basis van het gebruik van het hergebruiksysteem. 

  • 3.

    Voor een waterberging met een centraal besturingssysteem geldt alleen het vereiste uit het eerste lid, onder a. 

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een gebouw dat zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kan worden gebouwdals bedoeld in artikel 4.12, eerste lid of in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, mits het is voorzien van een groen dak met een minimale waterbergingscapaciteit van 30 liter per m2

  • 5.

    In geval van uitbreiding van het bebouwd oppervlak van een bestaand gebouw als bedoeld in artikel 4.1134.116, eerste lid onder b, onderdeel 3, wordt bij de toepassing van dit artikel onder bebouwd oppervlak het bebouwd oppervlak van de uitbreiding verstaan.

  • 6.

    Het geborgen hemelwater wordt in de ondergrond geïnfiltreerd. Als dat niet of maar deels mogelijk is, kan in het openbare riool worden geloosd.

  • 7.

    Het hemelwater dat na toepassing van het eerste, tweede of derde lid niet kan worden geborgen, kan worden geloosd in het openbare riool of op de openbare ruimte.

VVVVV

Het opschrift van artikel 4.117 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.117 4.120 Aanwijzing brandvoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste en tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving

WWWWW

Het opschrift van artikel 4.118 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.118 4.121 Aanwijzing explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving

XXXXX

Het opschrift van artikel 4.119 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.119 4.122 Aanwijzing waarde gezamenlijk geluid

YYYYY

Artikel 4.120 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.120 4.123 Aanwijzing niet-geluidgevoelige gevel als bedoeld in artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving

  • 1.

    Een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'geluidgevoelig gebouw met niet-geluidgevoelige gevel' is een geluidgevoelig gebouw met niet-geluidgevoelige gevel. 

  • 2.

    De gevel ter plaatse van de aanduiding 'niet-geluidgevoelige gevel’ is een niet-geluidgevoelige gevel, bedoeld in artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

  • 3.

    Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag met niet-geluidgevoelige gevel' geldt dat het eerste lid alleen van toepassing is op de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.

  • 4.

    Voor zover met artikel 4.1214.124 een gevel is aangewezen als een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, geldt de gevel als een niet-geluidgevoelige gevel, bedoeld in artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

ZZZZZ

Het opschrift van artikel 4.121 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.121 4.124 Aanwijzing niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen

AAAAAA

Artikel 5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.3 Meet- en rekenregels

Voor de toepassing van dit hoofdstuk afdeling 5.5 tot en met 5.8 worden de volgende meet- en rekenbepalingen gehanteerd: 

  • a.

    de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: 

    • 1.

      afstanden loodrecht; 

    • 2.

      hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en 

    • 3.

      maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven;

  • b.

    voor de toepassing van onderdeel a wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is;

  • c a.

    de bruto-vloeroppervlakte van een bouwwerk: met toepassing van NEN 2580;

  • d b.

    de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

  • e c.

    de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil of, wanneer dat in de regels is bepaald, vanaf N.A.P., tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde. 

  • f d.

    voor het bepalen van de bouwhoogte van een bouwwerk geldt voor gebouwen dat bij het bepalen van de bouwhoogte niet worden betrokken een dakkapel, dakterras, buitentrap, liftopbouw, schoorsteen, ventilatiekanaal, airco-unit, luchtbehandelingsinstallatie, glazenwassersinstallatie, brandtrap, hijsinrichting, bouwwerk dat samenhangt met installaties binnen een gebouw, of soortgelijke bouwdelen aan of op een gebouw;

  • g e.

    de verticale bouwdiepte van een gebouw: vanaf het peil tot aan de onderzijde van de onderste bouwlaag;

  • h f.

    als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een aanduiding, dan geldt de betreffende norm per afzonderlijk aanduidingsvlak;

  • i g.

    de ashoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan het hart van de rotor-as van de windturbine;

  • j h.

    de tiphoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van de wiek van de windturbine.

BBBBBB

Artikel 5.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.7 Algemene afbakeningseisen

  • 1.

    Deze afdeling is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

  • 2.

    Bij de toepassing van deze afdeling neemt het aantal woningen niet toe ten opzichte van het maximum aantal dat in het omgevingsplan is bepaald of, wanneer het maximum aantal woningen niet in het omgevingsplan is bepaald, passen de woningen voor wat betreft situering en omvang binnen het omgevingsplan. 

  • 3.

    Voor de toepassing van deze afdeling worden de volgende meet- en rekenbepalingen gehanteerd:

    • a.

      de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt worden op de volgende wijze gemeten: 

      • 1.

        afstanden loodrecht; 

      • 2.

        hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en 

      • 3.

        maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven;

    • b.

      voor de toepassing van onderdeel a wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is;

CCCCCC

Artikel 5.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.20 Voorgeschreven gevelrooilijn

  • 1.

    Ter plaatse van de aanduiding 'voorgeschreven rooilijn' geldt voor bovengrondse gebouwen dat de gevel aan de zijde ter plaatse van de aanduiding 'rooilijn-A' in die lijn moet staan.  

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'voorgeschreven rooilijn (minimum %)' geldt voor bovengrondse gebouwen dat de gevel aan de zijde ter plaatse van de aanduiding 'rooilijn' voor minimaal het daar bepaalde percentage in die lijn dient te staan.

DDDDDD

Het opschrift van afdeling 5.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.6 BOUWWERKEN GEEN GEBOUWENGEBOUW ZIJNDE

EEEEEE

Artikel 5.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.36 Bouwwerken geen gebouwengebouw zijnde (algemeen)

  • 1.

    Tenzij elders anders is bepaald, bedraagt de maximum bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouw zijnde 1 meter. 

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'afwijkende maximum bouwhoogte bouwwerken geen gebouw zijnde' is, in afwijking van het eerste lid, de maximum bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouw zijnde de daar bepaalde waarde. 

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid zijn bouwwerken geen gebouwengebouw zijnde ter plaatse van de aanduiding 'bouwwerken geen gebouw zijnde niet toegestaan' niet toegestaan, met uitzondering van bestaande bouwwerken geen gebouwengebouw zijnde, voor zover die legaal zijn gebouwd. 

FFFFFF

Artikel 5.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.41 Bouwwerken geen gebouwengebouw zijnde ten behoeve van hoogspanningsverbindingen

GGGGGG

Artikel 5.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.42 Bruggen [gereserveerd]

[Gereserveerd]

  • 1.

    Voor een brug is de bestaande bouwhoogte ervan de maximum bouwhoogte. Voor een brug waar onderdoor gevaren wordt, is de bestaande doorvaarthoogte ervan de minimum door- vaarthoogte.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte brug' de maximum bouwhoogte van een brug in meters de daar bepaalde waarde.

  • 3.

    Ter plaatse van de aanduiding 'te openen brug' is uitsluitend een te openen brug toegestaan.

HHHHHH

Artikel 5.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.45 Bouwwerken ten behoeve van sport in de openbare buitenruimte

Bouwwerken geen gebouwengebouw zijnde ten behoeve van sport in de openbare buitenruimte, zoals bouwwerken ten behoeve van skateboarden, panna, freestyle footbal, en urban sport parcours, zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwwerken geen gebouw zijnde voor sport in de openbare ruimte toegestaan'. 

IIIIII

Artikel 5.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.47 Maximum bebouwingspercentage stadspark

Ter plaatse van de aanduiding 'stadspark: maximum bebouwingspercentage bouwwerken geen gebouw zijnde ' is het maximum bebouwingspercentage van bovengrondse bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de daar bepaalde waarde, met dien verstande dat verhardingen als bedoeld in artikel  6.376.36 meetellen bij het bepalen van het reeds gerealiseerde bebouwingspercentage.

JJJJJJ

Het opschrift van artikel 5.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.49 Gereserveerd gereserveerd

KKKKKK

Artikel 5.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.58 Windturbines

  • 1.

    In afwijking van artikel 5.15 zijn windturbines toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'windturbine toegestaan'. Windturbines zijn uitsluitend daar toegestaan.

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'maximum ashoogte windturbine' is een windturbine toegestaan met als maximum ashoogte de daar bepaalde waarde. 

  • 3.

    De maximum tiphoogte van een windturbine is de ter plaatse van de aanduiding 'maximum tiphoogte windturbine' bepaalde waarde.

LLLLLL

Artikel 5.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.60 Gereserveerd Podium in de openbare buitenruimte 

[Gereserveerd]

Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte podium in de openbare buitenruimte' is een podium in de openbare buitenruimte toegestaan, met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde.

MMMMMM

Het opschrift van artikel 5.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.61 Gereserveerd 

NNNNNN

Artikel 6.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.2 Toepassingsbereik en oogmerk, meet en rekenregels

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit het verstoren van de bodem door: 

    • a.

      het uitvoeren van bodemverstorende werkzaamheden en grondbewerkingen onder maaiveld of indien het water betreft dieper dan de waterbodem, waartoe onder meer wordt gerekend het ophogen, ontgraven, egaliseren, roeren en omwoelen van gronden; 

      het uitvoeren van grondbewerkingen onder maaiveld of indien het water betreft dieper dan de waterbodem, zoals ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen, omwoelen,  mengen en ophogen van gronden; 

    • b.

      het indrijven of aanbrengen van voorwerpen in de bodem, zoals het aanbrengen van drainage of ondergrondse kabels, leidingen en andere infrastructurele voorzieningen en het verrichten van heiwerkzaamheden;

    • c.

      het aanleggen en verbreden van wateren;

      het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van waterstructuren, zoals sloten, vijvers, vaarten, kanalen, grachten, plassen, waterwegen;

    • d.

      het wijzigen van het waterpeil.

    • e.

      het aanbrengen van ondergrondse kabels, leidingen en andere infrastructurele voorzieningen;

    • f.

      het verrichten van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem.

  • 2.

    Deze afdeling geldt ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone archeologie'.

  • 3.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische vindplaatsen.

  • 4.

    De diepte van de bodemverstoring, bedoeld in artikel 6.4, vierde lid, wordt gemeten ten opzichte van maaiveld dan wel de waterbodem. 

OOOOOO

Artikel 6.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.6 Aanvraagvereisten

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld.  

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing indien het college reeds over voldoende informatie beschikt om de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate vast te stellen, en dit schriftelijk aan de aanvrager is medegedeeld. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone wordt deze schriftelijke mededeling verstrekt.

PPPPPP

Artikel 6.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.8 Toepassingsbereik en oogmerk

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit: 

    • a.

      het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur, niet zijnde bouwwerken, hoger dan vijf meter;

    • b.

      het opslaan van stoffen die brandgevaarlijk zijn; 

    • c.

      het aanbrengen van hoogopgaande of diepwortelende beplanting en bomen; 

      het aanbrengen of kappen van beplanting die hoger reikt dan 5 meter boven het maaiveld, of wanneer verwacht mag worden dat dit in de toekomst het geval zal zijn;

    • d.

      het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging.

  • 2.

    Deze afdeling geldt ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbindingen'.

  • 3.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het belang van de bruikbaarheid van bovengrondse hoogspanningsverbindingen, waaronder de verbindingen, bedoeld in artikel 5.159 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Hierbij gaat het om de functionaliteit van de verbinding en daarmee de leveringszekerheid en betrouwbaarheid van de elektriciteitsvoorziening.

QQQQQQ

Artikel 6.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.13 Advies netbeheerder

RRRRRR

Artikel 6.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.15 Toepassingsbereik en oogmerk

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit: 

    • a.

      het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;

      het aanbrengen of kappen van beplanting waarvan de wortels in staat zijn dieper dan 0,50 meter onder maaiveld door te dringen, waaronder in elk geval vallen alle opgaande bomen en struiken met penwortel of sterk ontwikkeld wortelstelsel, zoals eik, populier, wilg, es, iep en vergelijkbare soorten;

    • b.

      het aanbrengen of uitbreiden van verhardingen, wegen en padenoppervlakteverhardingen;

    • c.

      het indrijven of aanbrengen van voorwerpen in de bodem, zoals het aanbrengen van drainage of ondergrondse kabels, leidingen en andere infrastructurele voorzieningen en het verrichten van heiwerkzaamheden;

    • d.

      het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van waterstructuren, zoals sloten, watergangen en andere waterpartijenvijvers, vaarten, kanalen, grachten, plassen, waterwegen;

    • e.

      het uitvoeren van grondbewerkingen, zoals ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen,  mengen en ophogen van gronden; 

    • f.

      het opslaan van goederen, (brandbare)stoffen en/of materialen.

  • 2.

    Deze afdeling geldt ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding'.

  • 3.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het belang van het doelmatig en veilig functioneren  van ondergrondse hoogspanningsverbindingen.

SSSSSS

Artikel 6.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.20 Advies netbeheerder

  • 1.

    Voordat wordt besloten over een aanvraag om een  omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van het hoogspanningsnetwerk over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten het belang, bedoeld in artikel 6.15, derde lid, niet onevenredig wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

  • 2.

    Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning houdt het bevoegd gezag rekening met het in het eerste lid bedoelde advies.

  • 1.

    Voordat wordt besloten over een aanvraag om een  omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van het hoogspanningsnetwerk over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten het belang, bedoeld in artikel 6.15, derde lid, niet onevenredig wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

  • 2.

    Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding houdt het bevoegd gezag rekening met het in het eerste lid bedoelde advies.

TTTTTT

Artikel 6.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.22 Toepassingsbereik en oogmerk

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit:

    • a.

      het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;

    • b.

      het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;

    • c.

      het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;

    • d.

      het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;

    • e.

      het indrijven van voorwerpen in de bodem.

    • a.

      het uitvoeren van grondbewerkingen, zoals ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen, omwoelen, mengen en ophogen van gronden;

    • b.

      het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen;

    • c.

      het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van waterstructuren, zoals sloten, vijvers, vaarten, kanalen, grachten, plassen en waterwegen;

    • d.

      het aanbrengen of verwijderen van beplanting waarvan de wortels in staat zijn dieper dan 0,50 meter onder maaiveld door te dringen, waaronder in elk geval vallen alle opgaande bomen en struiken met penwortel of sterk ontwikkeld wortelstelsel, zoals eik, populier, wilg, es, iep en vergelijkbare soorten;

    • e.

      het indrijven of aanbrengen van voorwerpen in de bodem, zoals het aanbrengen van drainage of ondergrondse kabels, leidingen en andere infrastructurele voorzieningen en het verrichten van heiwerkzaamheden.

  • 2.

    Deze afdeling geldt ter plaatse van de aanduiding 'belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen'.

  • 3.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de veiligheid, integriteit en de werking van een buisleiding met gevaarlijke stoffen.

UUUUUU

Artikel 6.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.24 Uitzondering op de vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 6.23, geldt niet voor:

  • a.

    bedoelde activiteiten voor zover die het normaal onderhoud en beheer betreffen;

  • a b.

    graafwerkzaamheden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten; en

  • b c.

    werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden die in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning.

VVVVVV

Artikel 6.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.27 Advies leidingbeheerder 

  • 1.

    Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van de buisleiding over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten het belang, bedoeld in artikel 6.22, derde lid, niet wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

  • 2.

    Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning houdt het bevoegd gezag rekening met het in het eerste lid bedoelde advies.

  • 1.

    Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van de buisleiding over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten het belang, bedoeld in artikel 6.22, derde lid, niet wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

  • 2.

    Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen houdt het bevoegd gezag rekening met het in het eerste lid bedoelde advies.

WWWWWW

Artikel 6.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.28 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het in artikel 6.22, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen  voorschriften worden verbonden.

XXXXXX

Artikel 6.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.29 Toepassingsbereik en oogmerk

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaathet betreft uit het herinrichten of anderszins wijzigingen aanbrengen in de inrichting van het openbaar toegankelijke gebied waaronder wordt verstaan het, uitsluitend voor zover die bestaat uit:

    • a.

      veranderen van bestaande wegprofielen door het verbreden, verleggen, verharden van wegen en paden en/of wijziging van bestratingsmateriaal;

    • b.

      het veranderen van bestaande dijken, kaden en andere historische hoogteverschillen door ontgronden, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van gronden en/of wijziging van bestratingsmateriaal; 

    • c.

      het veranderen van bestaande groenstructuren door verwijderen en verleggen van groenvoorzieningen, anders dan bij wijze van verzorging;

    • d.

      veranderen van bestaande waterstructuren door graven en/of dempen van waterlopen en waterpartijen.

      het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van waterstructuren, zoals sloten, vijvers, vaarten, kanalen, grachten, plassen, waterwegen.

  • 2.

    Deze afdeling is van toepassing ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht' en de aanduiding 'gemeentelijkaanlegvergunningplicht beschermd stads- of dorpsgezichtgezicht van toepassing'.

  • 3.

    Deze afdeling stelt regels met het oog op het behoud, de bescherming en het herstel van stads- en dorpsgezichten die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang van de samenstellende onroerende zaken of hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde.

  • 4.

    Deze afdeling is ook van toepassing op gronden die met toepassing van hoofdstuk 5 van de Erfgoedverordening Amsterdam als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht zijn aangewezen, zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de aanduiding 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht' is gegeven. 

YYYYYY

Artikel 6.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.30 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan  

Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' blijven de regels in deze afdeling buiten toepassing voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een aanlegvergunningplicht ter bescherming van het beschermd stads- of dorpsgezicht bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.   

[Vervallen]

ZZZZZZ

Artikel 6.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.31 6.30 Vergunningplicht voor aangegeven aanlegactiviteiten

Ter plaatse van de aanduiding 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht' en de aanduiding 'gemeentelijkaanlegvergunningplicht beschermd stads- of dorpsgezichtgezicht van toepassing' is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht te verrichten.

AAAAAAA

Artikel 6.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.32 6.31 Uitzonderingen op de vergunningplicht

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 6.316.30, geldt niet als de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 6.316.30, geldt niet als de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel.

BBBBBBB

Het opschrift van artikel 6.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.33 6.32 Beoordelingsregels

CCCCCCC

Het opschrift van artikel 6.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.34 6.33 Aanvraagvereisten

DDDDDDD

Het opschrift van artikel 6.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.35 6.34 Vergunningvoorschriften

EEEEEEE

Het opschrift van artikel 6.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.36 6.35 Toepassingsbereik en oogmerk

FFFFFFF

Het opschrift van artikel 6.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.37 6.36 Begripsbepalingen, specifiek van toepassing op deze afdeling

GGGGGGG

Het opschrift van artikel 6.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.38 6.37 Vergunningplicht voor aangegeven aanlegactiviteiten

HHHHHHH

Artikel 6.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.39 6.38 Uitzonderingen op de vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 6.386.37, geldt niet als: 

  • a.

    de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen;

  • b.

    de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel;

  • c.

    de bedoelde activiteiten betrekking hebben op een verharding ten behoeve van sportbeoefening op een sportpark;

  • d.

    de bedoelde activiteiten betrekking hebben op een verhard voetpad buiten de aanduiding 'stadsnatuur';

  • e.

    de bedoelde activiteiten plaatsvinden in het kader van een herinrichting van de openbare ruimte, waardoor de verharding ter plaatse van de aanduiding 'vergunningplicht aanlegactiviteit hoofdgroenstructuur', gerekend per afzondelijk aanduidingsvlak, afneemt. 

IIIIIII

Het opschrift van artikel 6.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.40 6.39 Beoordelingsregels

JJJJJJJ

Het opschrift van artikel 6.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.41 6.40 Aanvraagvereisten

KKKKKKK

Artikel 6.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.42 6.41 Advies van de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur

  • 1.

    Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit hoofdgroenstructuur wint het bevoegd gezag advies in van de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteit het belang, bedoeld in artikel 6.366.35, derde lid, niet onevenredig wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

  • 2.

    Bij de beoordeling van de aanvraag om een een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit hoofdgroenstructuur houdt het bevoegd gezag rekening met het in het eerste lid bedoelde advies.

LLLLLLL

Artikel 6.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.43 6.42 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het belang, bedoeld in artikel 6.366.35, derde lid, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit hoofdgroenstructuur voorschriften worden verbonden.

MMMMMMM

Artikel 9.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.10 Toepassingsbereik

  • 1.

    Afdeling 9.2 is van toepassing op milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 9.1, met uitzondering van: 

    • a.

      activiteiten bij wonen;

    • b.

      het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;

    • c.

      een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;

    • d.

      verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;

    • e.

      een evenement:

      • 1.

        waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening;

      • 2.

        dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; of

      • 3.

        dat geen festiviteit of ander evenement is als bedoeld in artikel 9.53, 9.54 of 9.55; 

    • f.

      bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen;

    • g.

      lozingen;

    • h.

      graven, saneren, toepassen van grond of baggerspecie en toepassen van bouwstoffen; en

    • i.

      milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig zijn aangewezen;

    • i j.

      milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig zijn aangewezen en op alle activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

      activiteiten die op dezelfde locatie worden verricht als de activiteiten, bedoeld onder i, en die:

      • 1.

        rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

      • 2.

        elkaar functioneel ondersteunen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onder a, is afdeling 9.2 wel van toepassing op het exploiteren van een beroep of bedrijf aan huis, tenzij het uitoefenen ervan uitsluitend uit administratieve werkzaamheden bestaat, en op andere activiteiten met een bedrijfsmatige omvang. 

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, is artikel 9.203 van overeenkomstige toepassing voor zover propaan of propeen in een opslagtank wordt opgeslagen bij wonen.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder i, is artikel 9.205 van overeenkomstige toepassing op milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig zijn aangewezen.

  • 5.

    In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder j, zijn artikel 9.119 en de subsubparagrafen 9.2.3.3.2, 9.2.3.3.3, 9.2.3.6 en 9.2.3.8 wel van toepassing op de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder j. 

NNNNNNN

Artikel 9.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.11 Gelijkstelling industrieterrein Wet geluidhinder

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld ook verstaan een op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, totdat de gemeenteraad, respectievelijk provinciale staten, op grond van artikel 2.11a van de wet bij omgevingsplan als omgevingswaarden geluidproductieplafonds heeft vastgesteld, respectievelijk op grond van artikel 2.12, derde lid, van de wet bij besluit als omgevingswaarden geluidproductieplafonds hebben vastgesteld rondom dat industrieterrein, en dat besluit in werking is getreden.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder industrieterrein met geluidproductieplafonds ook verstaan een gezoneerd industrieterrein.

OOOOOOO

Artikel 9.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.27 Gegevens en bescheiden op industrieterrein met geluidproductieplafonds

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld industrieterrein met geluidproductieplafonds.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 9.28, of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 3.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      beschrijving van de aard en omvang van de activiteit;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die   is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 4.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college.

PPPPPPP

Artikel 9.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.28 Onderzoek en toezenden rapport

  • 1.

    In ieder geval in de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:

    • a.

      als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken aan motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;

    • b.

      als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;

    • c.

      bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;

    • d.

      bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; 

    • e.

      bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; 

    • f.

      bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; en

    • g.

      als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:

      • 1.

        in enige ruimte op de locatie waar de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

        • I.

          70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of

        • II.

          80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder I; of

      • 2.

        in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

  • 2.

    Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar. 

  • 3.

    Er wordt ook een geluidonderzoek verricht als de volgende activiteiten worden verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld industrieterrein met geluidproductieplafonds:

    • a.

      het gelijktijdig in gebruik hebben van een of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren met een gezamenlijk geïnstalleerd motorisch vermogen van 15 MW of meer, waarbij bij het bepalen van het gezamenlijk vermogen buiten beschouwing blijven:

      • 1.

        elektromotoren en verbrandingsmotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder;

      • 2.

        elektromotoren en verbrandingsmotoren die tijdelijk aanwezig zijn;

      • 3.

        elektromotoren die in een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een woonfunctie voor dat gebouw worden gebruikt; en

      • 4.

        elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen; en

    • b.

      het gebruiken van niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer.

  • 4.

    Uit het rapport van het geluidonderzoek blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen wat de geluidbelasting is en of daarmee aan de waarden, bedoeld in dit Omgevingsplan of de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift wordt voldaan. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen en/of maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden worden overschreden en wanneer deze worden getroffen.

  • 5.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit als bedoeld in lid 1 en 3 wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in dit artikel, verstrekt aan het bevoegd gezag. 

  • 6.

    Dit artikel is niet van toepassing als artikel 9.8 van toepassing is.

QQQQQQQ

Artikel 9.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.37 Toepassingsbereik

  • 1.

    Subsubparagraaf 9.2.2.3.2 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat in dit omgevingsplan, of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is subsubparagraaf 9.2.2.3.2 niet van toepassing: 

    • a.

      op of in een geluidgevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld industrieterrein met geluidproductieplafonds;

    • b.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar; 

    • c.

      op een niet-geluidgevoelige gevel.

  • 3.

    Voor de toepassing van subsubparagraaf 9.2.2.3.2 wordt als niet-geluidgevoelige gevel ook aangemerkt:

    • a.

      bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder, zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, niet als gevel werd beschouwd; 

    • b.

      een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.

RRRRRRR

Artikel 9.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.38 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 9.37tweede lid, onder b, is subsubparagraaf 9.2.2.3.2 ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: 

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 9.37 is deze subsubparagraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op en in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: 

    • a.

      die activiteit die al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en is toegelaten op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; en 

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    In afwijking van artikel 9.37eerste lid is subsubparagraaf 9.2.2.3.2 niet van toepassing op het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw dat wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, als:

    • a.

      die activiteit rechtmatig plaatsvond voor 31 oktober 2024 en mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor 31 oktober 2024; en

    • b.

      dat geluidgevoelig gebouw alleen was toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c, zoals dat luidde voor 31 oktober 2024.

SSSSSSS

Artikel 9.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.50 Waarde industrieterrein

Als een activiteit wordt verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld industrieterrein met geluidproductieplafonds, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in artikel 9.42, eerste lid, en artikel 9.49, eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht. 

TTTTTTT

Artikel 9.73 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.73 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit als bedoeld in artikel 9.10 in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat in dit omgevingsplan, of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op een locatie is toegelaten. 

  • 2.

    Deze subparagraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit als bedoeld in het eerste lid: 

    • a.

      in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld industrieterrein met geluidproductieplafonds; en 

    • b.

      in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar. 

UUUUUUU

Artikel 9.74 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.74 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 

  • 1.

    In afwijking van artikel 9.73, tweede lid, onder b, is deze subparagraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: 

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 

  • 2.

    In afwijking van artikel 9.73eerste lid is subparagraaf 9.2.2.4 niet van toepassing op het trillingen door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, als:

    • a.

      die activiteit rechtmatig plaatsvond voor 31 oktober 2024 en mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor 31 oktober 2024; en

    • b.

      dat trillinggevoelig gebouw alleen was toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c, zoals dat luidde voor 31 oktober 2024.

VVVVVVV

Artikel 9.83 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.83 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op de geur door een activiteit als bedoeld in artikel 9.10 op een geurgevoelig gebouw

  • 2.

    In afwijking van het eerst lid is deze subsubparagraaf niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, als:

    • a.

      die activiteit rechtmatig plaatsvond voor 31 oktober 2024 en mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor 31 oktober 2024; en

    • b.

      dat geurgevoelig gebouw alleen was toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c, zoals dat luidde voor 31 oktober 2024.

WWWWWWW

Artikel 9.84 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.84 Geurgevoelige gebouwen

Onder een geurgevoelig gebouw wordt verstaan:

 

  • a.

    een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met een:

    • 1.

      woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

    • 2.

      onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

    • 3.

      gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan;

    • 4.

      bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

  • b.

    een ander gebouw dat op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en dat volgens aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze, wordt gebruikt. 

XXXXXXX

Artikel 9.96 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.96 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 

  • 1.

    In afwijking van artikel 9.95, tweede lid, is deze subparagraaf ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet; of 

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de wet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 9.95, eerste lid, is deze subparagraaf niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de wet.

  • 3.

    In afwijking van artikel 9.95, eerste lid is subparagraaf 9.2.3.1 niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, als:

    • a.

      die activiteit rechtmatig plaatsvond voor 31 oktober 2024 en mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor 31 oktober 2024; en

    • b.

      dat geurgevoelig gebouw alleen was toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c, zoals dat luidde voor 31 oktober 2024.

YYYYYYY

Artikel 9.119 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.119 Voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het exploiteren van een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

    gereserveerd

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 9.119.

    Tabel 9.119 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten

    Voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten

    Afstand

    Geurgevoelig gebouw gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingscontour geur'

    100 m

    Geurgevoelig gebouw gelegen buiten de aanduiding 'bebouwingscontour geur’

    50 m

ZZZZZZZ

Artikel 9.143 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.143 Geur

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd: 

    • a.

      ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of

    • b.

      geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

  • 2.

    Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing: 

    • a.

      op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en

    • b.

      als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld industrieterrein met geluidproductieplafonds.

AAAAAAAA

Artikel 9.159 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.159 Bodem: eindonderzoek bodem

  • 1.

    Bij het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen. 

  • 2.

    Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, geproduceerd of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waar het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verricht.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

    Op het bepalen van de kwaliteitseisen van het eindonderzoek bodem is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing. 

BBBBBBBB

Artikel 9.162 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.162 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de het pekelen van dierlijke bijproducten of organen;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 25c, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit. 

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

    Op het bepalen van de kwaliteitseisen van het herstel van de bodemkwaliteit is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing. 

CCCCCCCC

Artikel 9.166 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.166 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine op een geluidgevoelig gebouw dat in dit omgevingsplan, of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze subsubparagraaf niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid is deze subsubparagraaf niet van toepassing:

    • a.

      op of in een geluidgevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld industrieterrein met geluidproductieplafonds;

    • b.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar;

    • c.

      op een niet-geluidgevoelige gevel.

  • 4.

    Voor de toepassing van deze subsubparagraaf wordt als niet-geluidgevoelige gevel ook aangemerkt:

    • a.

      bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd;

    • b.

      een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.

DDDDDDDD

Artikel 9.167 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.167 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 

  • 1.

    In afwijking van artikel 9.166derde lid, onder b, is deze subsubparagraaf is ook van toepassing op het geluid door een windturbine op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 9.166 is deze subsubparagraaf niet van toepassing op het geluid door een windturbine op en in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:

    • a.

      die activiteit die al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en is toegelaten op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    In afwijking van artikel 9.166, eerste lid is deze subsubparagraaf niet van toepassing op het geluid door een windturbine op en in een geluidgevoelig gebouw dat wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, als:

    • a.

      die activiteit rechtmatig plaatsvond voor 31 oktober 2024 en mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor 31 oktober 2024; en

    • b.

      dat geluidgevoelig gebouw alleen was toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c, zoals dat luidde voor 31 oktober 2024.

EEEEEEEE

Artikel 9.177 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.177 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 

  • 1.

    In afwijking van artikel 9.176, tweede lid, is deze subsubparagraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 9.176, eerste lid, is deze subsubparagraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar dat mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    In afwijking van artikel 9.176, eerste lid is deze subsubparagraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine op een slagschaduwgevoelig gebouw dat wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, als:

     

    • a.

      die activiteit rechtmatig plaatsvond voor 31 oktober 2024 en mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor 31 oktober 2024; en

    • b.

      dat slagschaduwgevoelig gebouw alleen was toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c, zoals dat luidde voor 31 oktober 2024.

FFFFFFFF

Artikel 9.182 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.182 Lichtschittering: meten reflectiewaarden

Op het uitvoeren van eende meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing. 

GGGGGGGG

Artikel 9.203 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.203 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning propaan of propeen op te slaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 l en met een maximum van 13 m3

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een activiteit:

    • a.

      die voor 31 oktober 2024 rechtmatig aanwezig was;

    • b.

      die korter duurt dan drie maanden; of 

    • c.

      als de aandachtsgebieden binnen het eigen terrein blijven en binnen een aandachtsgebied geen zeer kwetsbare gebouw ligt. 

  • 2 3.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9, eerste lid, onder e en g, 8.10a en 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing. 

  • 3 4.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het aantal opslagtanks, met voor iedere opslagtank:

      • 1.

        de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen in kubieke meters;

      • 2.

        de grootte in kubieke meters; en

      • 3.

        een aanduiding of het gaat om een bovengrondse of ondergrondse opslagtank;

    • b.

      als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van ten hoogste 600 m3:

      • 1.

        de jaarlijkse doorzet in kubieke meters;

      • 2.

        als het gaat om een bovengrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt en de opslagtank;

      • 3.

        als het gaat om een ondergrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp; en

      • 4.

        een beschrijving van de ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet, die zich kunnen voordoen en de passende maatregelen die worden getroffen voor het voorkomen daarvan; en

    • c.

      als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m3 of meer dan 50 m3 propaan of propeen:

      • 1.

        de gegevens en bescheiden, genoemd onder b;

      • 2.

        de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000, 1 op de 10.000.000 en 1 op de 100.000.000 per jaar is en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden; en

      • 3.

        de berekende afstand in meters voor de aandachtsgebieden, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden.

HHHHHHHH

Artikel 9.204 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.204 Omgevingsvergunning tanken met LPG

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning voertuigen of werktuigen te tanken met LPG.

  • 2.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9, eerste lid, onder e en g, 8.10a en 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het aantal opslagtanks dat aanwezig is;

    • b.

      de coördinaten van:

      • 1.

        het vulpunt;

      • 2.

        de bovengrondse vloeistofvoerende leiding;

      • 3.

        de aansluitpunten van die leiding en pomp;

      • 4.

        de bovengrondse opslagtank; en

      • 5.

        de tankzuil;

    • c.

      het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • d.

      de hoeveelheid LPG die ten hoogste wordt opgeslagen; en

    • e.

      een inschatting van de doorzet van LPG in m3 per jaar.

  • 4.

    Een vergunning voor een activiteit die voor 31 oktober 2024 gold op grond van artikel 22.263 zoals dat artikel onmiddellijk voor 31 oktober 2024 luidde, geldt als vergunning voor die activiteit op grond van dit artikel.

IIIIIIII

Artikel 9.229 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.229 gereserveerd Overgangsrecht

[Gereserveerd]

Een vergunning voor een activiteit die voor 31 oktober 2024 gold op grond van artikel 22.259 t/m 22.261 en 22.264 t/m 22.267 zoals die artikelen onmiddellijk voor 31 oktober 2024 luidden, geldt als vergunning voor die activiteit op grond van dit onderdeel.

JJJJJJJJ

Artikel 9.237 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.237 Lozen van huishoudelijk afvalwater: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 9.235 kan huishoudelijk afvalwater worden geloosd op of in de bodem als de lozing rechtmatig plaatsvond op het moment dat dit artikel in werking trad, mits de lozing naar aard en omvang niet verschilt van de lozing zoals deze op dat moment plaatsvond.

  • 2.

    Bij een lozing als bedoeld in het eerste lid wordt het afvalwater geleid door een septictank:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of 

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd. 

  • 3.

    Op het bepalen van de nominale inhoud en van het hydraulisch rendement van een septic tank, bedoeld in het derde lid, onder a, is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing. 

KKKKKKKK

Artikel 9.241 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.241 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het lozen anders dan bij wonen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf van toepassing op het lozen bij het exploiteren van een beroep of bedrijf aan huis, tenzij het uitoefenen ervan uitsluitend uit administratieve werkzaamheden bestaat, en op andere activiteiten met een bedrijfsmatige omvang.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als het lozen onderdeel uitmaakt van een milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig is aangewezen.

  • 4.

    Deze paragraaf is, met uitzondering van de subparagrafen 9.3.2.2, 9.3.2.11, 9.3.2.21 en 9.3.2.22, ook niet van toepassing op activiteiten die op dezelfde locatie worden verricht als  een milieubelastende activiteit als bedoeld in het derde lid, en die:

     

    • a.

      rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

    • b.

      elkaar functioneel ondersteunen.

LLLLLLLL

Subparagraaf 9.3.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 9.3.2.2 Vangnetvergunningplichten lozen op of in de bodem of in schoonwaterriool

Artikel 9.246 Vergunningplicht lozen op of in de bodem 

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater op of in de bodem te lozen, tenzij het lozen op grond van deze paragraaf is toegestaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op: 

    • a.

      het lozen op of in de bodem bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of

    • b.

      het lozen op of in de bodem waaraan in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld. 

  • 3.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en

    • b.

      het soort afvalwater.

  • 5.

    Een vergunning voor een activiteit die voor 31 oktober 2024 gold op grond van artikel 22.268 zoals dat artikel onmiddellijk voor 31 oktober 2024 luidde, geldt als vergunning voor die acti- viteit op grond van dit artikel.

Artikel 9.247 Vergunningplicht lozen in schoonwaterriool 

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater of andere afvalstoffen te lozen in een schoonwaterriool, tenzij het lozen op grond van deze paragraaf is toegestaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen op of in de bodem een schoonwaterriool bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving

  • 3.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en

    • b.

      het soort afvalwater.

  • 5.

    Een vergunning voor een activiteit die voor 31 oktober 2024 gold op grond van artikel 22.269 zoals dat artikel onmiddellijk voor 31 oktober 2024 luidde, geldt als vergunning voor die activiteit op grond van dit artikel.

MMMMMMMM

Artikel 9.250 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.250 Lozen van huishoudelijk afvalwater bij volkstuinparken

  • 1.

    In afwijking van artikel 9.249 kan huishoudelijk afvalwater worden geloosd op of in de bodem als de lozing plaats vindt in een volkstuinpark waar geen vuilwaterriool aanwezig is. 

  • 2.

    Bij een lozing als bedoeld in het eerste lid wordt het afvalwater geleid door een septictank: 

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 3.

    Op het bepalen van de nominale inhoud en van het hydraulisch rendement van een septic tank, bedoeld in het derde lid, onder a, is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing. 

NNNNNNNN

Artikel 9.252 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.252 Lozen van huishoudelijk afvalwater, anders dan wonen: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 9.249 kan huishoudelijk afvalwater worden geloosd op of in de bodem als de lozing rechtmatig plaatsvond op het moment dat dit artikel in werking trad, mits de lozing naar aard en omvang niet verschilt van de lozing zoals deze op dat moment plaatsvond.

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.

  • 3.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 9.252.

    Tabel 9.252 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik     

    30 mg/l     

    60 mg/l 

    Chemisch zuurstofverbruik     

    150 mg/l 

    300 mg/l 

    Onopgeloste stoffen  

    30 mg/l 

    60 mg/l 

  • 4.

    Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het derde lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of 

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 5.

    Op het bepalen van de nominale inhoud en van het hydraulisch rendement van een septic tank, bedoeld in het derde lid, onder a, is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing. 

OOOOOOOO

Artikel 9.253 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.253 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

    Op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; en

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.

PPPPPPPP

Artikel 9.259 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.259 Meet- en rekenbepalingen 

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 

    Op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; en

    • b.

      voor ijzerverbindingen NEN-EN-ISO 17294-2.

QQQQQQQQ

Artikel 9.263 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.263 Meet- en rekenbepalingen 

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 

    Op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: 

    • a.

      voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;

    • b.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • c.

      voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;

    • d.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • e.

      voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • f.

      voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • g.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    • h.

      voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;

    • i.

      voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2;

    • j.

      voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-EN-ISO 15923-1;

    • k.

      voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578;

    • l.

      voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693;

    • m.

      voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680;

    • n.

      voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913;

    • o.

      voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673;

    • p.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • q.

      voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993;

    • r.

      voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1;

    • s.

      voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562;

    • t.

      voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en

    • u.

      voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.

RRRRRRRR

Artikel 9.273 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.273 Meet- en rekenbepalingen 

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

    Op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

SSSSSSSS

Artikel 9.289 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.289 Meet- en rekenbepalingen 

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 

    Op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: 

    • a.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en

    • b.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

TTTTTTTT

Artikel 9.293 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.293 Meet- en rekenbepalingen 

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 

    Op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

UUUUUUUU

Artikel 9.297 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.297 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 

    Op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van zilver is NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.

VVVVVVVV

Artikel 9.304 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.304 Meet- en rekenbepalingen 

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

    Op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

WWWWWWWW

Artikel 9.315 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.315 Meet- en rekenbepalingen 

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 

    Op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

XXXXXXXX

Artikel 9.318 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.318 Lozen van afvalwater: lozingsroute en vetafscheider

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen op het vuilwaterriool worden geloosd.

  • 2.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.

  • 3.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door: 

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; of 

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

  • 4.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

  • 3.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput. Op het in werking hebben van een slibvangput en vetafscheider is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing. Een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004, zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

YYYYYYYY

Artikel 9.322 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.322 Lozen van afvalwater: lozingsroute en zuivering  

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater vindt het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten inpandig plaats. 

  • 2.

    Te lozen afvalwater kan worden geloosd in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van:

    • a.

      het bewerken van dierlijke bijproducten; of

    • b.

      het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in artikel 9.320 is uitgevoerd. 

  • 3.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2;

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd; of

    • c.

      een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd. 

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. 

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput. Op het in werking hebben van een slibvangput en vetafscheider is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing. Een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004, zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van het vierde lid kan het vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, voor vermenging met ander afvalwater ook worden geleid door een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 6.

    Het afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.

ZZZZZZZZ

Artikel 9.326 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.326 Lozen van afvalwater 

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het uitwendig wassen van motorvoertuigen op het vuilwaterriool worden geloosd.

  • 2.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 3.

    Het lozen op of in de bodem is uitsluitend toegestaan als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.

  • 4.

    Voor het afvalwater dat wordt geloosd op het vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, en de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen is 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 5.

    In afwijking van het tweede lid mag het afvalwater voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een slibvangput en olieafscheider:

    • a.

      die voldoen aan en worden gebruikt volgens NEN-EN 858-1 of NEN-EN 858-1/A1 en NEN-EN 858-2; of

    • b.

      die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van het tweede lid mag het afvalwater voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een slibvangput en olieafscheider die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 6.

    Op het in werking hebben van een slibvangput en olieafscheider is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing. 

AAAAAAAAA

Artikel 9.327 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.327 Meet- en rekenbepalingen 

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

    Op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

BBBBBBBBB

Na subparagraaf 9.4.5.2 wordt een subparagraaf ingevoegd, luidende:

Subparagraaf 9.4.5.3 Overig

Artikel 9.375 Vereisten bodemonderzoek

Op het uitvoeren van een bodemonderzoek is de Amsterdamse Richtlijn voor Bodemonderzoek 2024 van toepassing.

CCCCCCCCC

Artikel 10.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.25 Aanwijzing adviseurs

  • 1.

    Gedeputeerde Staten zijn adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 11.19 10.20.

  • 2.

    De commissie, bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet, is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 11.19  10.20 en het college voor die aanvraag bevoegd gezag is.

  • 3.

    Als het college geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid, maar adviseur, is de commissie ook adviseur en richt het advies van de commissie zich tot het college in plaats van tot het bevoegd gezag.

DDDDDDDDD

Artikel 11.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 11.1 Toepassingsbereik

  • 1.

    Dit hoofdstuk is van toepassing op het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen als gevolg van:

    • a.

      de aanleg of wijziging van verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verwachte verkeersintensiteit van meer dan 1.0002.500 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde;

    • b.

      de aanleg of wijziging van lokale spoorwegen, voor zover die niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen; en

    • c.

      de wijziging van gebruik van een lokale spoorweg.

  • 2.

    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel. 

  • 3.

    Dit hoofdstuk geldt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen'. 

  • 4.

    In aanvulling op het derde lid geldt dit hoofdstuk ook ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, maar uitsluitend voor zover daarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen. In dat geval blijft afdeling 22.4 buiten toepassing.

EEEEEEEEE

Artikel 11.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 11.2 Meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.

Het geluid door een weg of spoorweg wordt bepaald:

  • a.

    voor het geluid door een gemeenteweg of waterschapsweg op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVe bij de Omgevingsregeling; en

  • b.

    voor het geluid door een lokale spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVf bij de Omgevingsregeling.

FFFFFFFFF

Het opschrift van artikel 22.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.7 Repressief welstand [vervangen door artikel 4.1114.114]

GGGGGGGGG

Artikel 22.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • b.

      op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • c.

      op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • d.

      als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of

    • e.

      als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

  • 3.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg:

    • a.

      een breedte van ten minste 4,5 m;

    • b.

      een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram;

    • c.

      een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en

    • d.

      een doeltreffende afwatering.

  • 4.

    Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 5.

    Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

  • 6.

    Op het bepalen van de vuurbelasting, bedoeld in het tweede lid, onder a en c, is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing. 

HHHHHHHHH

Artikel 22.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • b.

      op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • c.

      op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of

    • d.

      als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

  • 3.

    De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

  • 4.

    Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

  • 5.

    Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

  • 6.

    Op het bepalen van de vuurbelasting, bedoeld in het tweede lid, onder a en c, is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

IIIIIIIII

Het opschrift van artikel 22.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken [vervangen door artikel 4.924.95]

JJJJJJJJJ

Artikel 22.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig is aangewezen en op alle activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

    • a.

      rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

    • b.

      elkaar functioneel ondersteunen.

  • 2.

    Afdeling 9.1 en 9.4 zijn eveneens van toepassing op activiteiten als bedoeld in het eerste lid. 

    Op een activiteit als bedoeld in het eerste lid, zijn ook regels van hoofdstuk 9 van toepassing, als dat volgt uit het toepassingsbereik van die regels. 

KKKKKKKKK

Artikel 22.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.55 Toepassingsbereik

  • 1.

    Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit:

    • a.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en

    • c.

      op een niet-geluidgevoelige gevel.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van:

    • a.

      het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • b.

      spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.; of

    • c.

      bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.

  • 4.

    Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als:

    • a.

      een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of

    • b.

      een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.

  • 5.

    Paragraaf 22.3.4 is niet van toepassing op:

     

    • a.

      een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd; en

    • b.

      een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.

     

LLLLLLLLL

Artikel 22.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.56 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 22.55tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.55 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:

    • a.

      de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen was toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c, zoals dat luidde voor 31 oktober 2024.

MMMMMMMMM

Artikel 22.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.63 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.die wordt verricht:

    • a.

      op een gezoneerd industrieterrein; of

    • b.

      op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar:

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: 

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt.

  • 3.

    Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.62 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 4.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 5.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college.

NNNNNNNNN

Artikel 22.87 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.87 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 22.86, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit op een trillinggevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c, zoals dat luidde voor 31 oktober 2024.

OOOOOOOOO

Artikel 22.90 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.90 Trillingen: voormalige functionele binding 

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trillingen niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat:

 

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of op grond van een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.85 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn.

PPPPPPPPP

Artikel 22.94 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.94 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 22.93, tweede lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.93, eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    In afwijking van artikel 22.93, eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw of geurgevoelig object waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c, zoals dat luidde voor 31 oktober 2024.

QQQQQQQQQ

Artikel 22.141 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

    Op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;

    • b.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • c.

      voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;

    • d.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • e.

      voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • f.

      voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • g.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    • h.

      voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;

    • i.

      voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2;

    • j.

      voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-ISO 15923-1;

    • k.

      voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578;

    • l.

      voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693;

    • m.

      voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680;

    • n.

      voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913;

    • o.

      voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673;

    • p.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • q.

      voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993;

    • r.

      voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1;

    • s.

      voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562;

    • t.

      voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en

    • u.

      voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.

RRRRRRRRR

Artikel 22.149 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.

  • 2.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.27.

    Tabel 22.3.27 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik

    30 mg/l

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    150 mg/l

    300 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

  • 3.

    Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 4.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

  • 5.

    Op het bepalen van de nominale inhoud en van het hydraulisch rendement van een septic tank, bedoeld in het derde lid, onder a, is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing. 

SSSSSSSSS

Artikel 22.150 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

    Op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; en

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.

TTTTTTTTT

Artikel 22.160 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

    Op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

UUUUUUUUU

Artikel 22.176 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

    Op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

VVVVVVVVV

Artikel 22.180 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

    Op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en

    • b.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

WWWWWWWWW

Artikel 22.184 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

    Op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

XXXXXXXXX

Artikel 22.191 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

    Op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van zilver is NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.

YYYYYYYYY

Artikel 22.198 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.198 Water

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.

  • 3.

    Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; of

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput. Op het in werking hebben van een slibvangput en vetafscheider is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing. Een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004, zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

ZZZZZZZZZ

Artikel 22.215 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 22.214, tweede lid, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.214, eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    In afwijking van artikel 22.214, eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c, zoals dat luidde voor 31 oktober 2024.

AAAAAAAAAA

Artikel 22.220 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden

Op het uitvoeren van eende meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing. 

BBBBBBBBBB

Artikel 22.232 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem

  • 1.

    Bij het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Het eindonderzoek bodem gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt op het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

    Op het bepalen van de kwaliteitseisen van het eindonderzoek bodem is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing. 

CCCCCCCCCC

Artikel 22.235 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem, de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

    Op het bepalen van de kwaliteitseisen van het herstel van de bodemkwaliteit is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing. 

DDDDDDDDDD

Artikel 22.257 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

    Op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

EEEEEEEEEE

Artikel 22.271 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.271 Toepassingsbereik, meet- en rekenregels

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van een weg of spoorweg, tenzij:

    • a.

      aan de aanleg of wijziging een besluit tot vaststelling van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ten grondslag ligt; of

    • b.

      het een rijksweg, provinciale weg of bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg betreft.

  • 2.

    Deze afdeling geldt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen'. 

  • 3.

    Onder het geluid door een weg of spoorweg wordt verstaan: het geluid door de aan te leggen of te wijzigen weg of spoorweg.

  • 4.

    Het geluid door een weg of spoorweg wordt bepaald:

    • a.

      voor het geluid door een gemeenteweg of waterschapsweg op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVe bij de Omgevingsregeling; en

    • b.

      voor het geluid door een lokale spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVf bij de Omgevingsregeling.

  • 5.

    Voor een hogere waarde voor het geluid door een weg op de gevel van een geluidgevoelig gebouw die is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding, wordt:

    • a.

      de aftrek opgeteld die bij het vaststellen van die hogere waarde is toegepast op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder; en

    • b.

      een hogere waarde in dB(A) omgerekend tot een waarde in dB, door de getalswaarde van die hogere waarde te verminderen met het verschil tussen de heersende waarde in dB(A) en de heersende waarde in dB, waarbij het verschil op een geheel getal wordt afgerond en waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal.

FFFFFFFFFF

Artikel 22.272 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of spoorweg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als:

    • a.

      deze is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;

    • b.

      een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt;

    • c.

      de snelheid wordt verlaagd;

    • d.

      een wegdeklaag wordt vervangen door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking;

    • e.

      de snelheid wordt verhoogd tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold voor een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; of

    • f.

      het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:

      • 1.

        niet meer dan 5052 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw;

      • 2.

        als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding: niet meer dan 21 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan die hogere waarde of, als de heersende waarde lager is, de heersende waarde; of

      • 3.

        als de weg en het geluidgevoelige gebouw op 1 januari 2007 waren toegelaten, niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 48 dB en de heersende waarde hoger is dan 48 51 dB: niet meer dan 21 dB meer dan de heersende waarde.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een spoorweg als:

    • a.

      de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beide wordt gewijzigd waardoor het geluid onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van het geluid gedurende de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;

    • b.

      spoorstaven horizontaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 2 m;

    • c.

      spoorstaven verticaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 1 m;

    • d.

      de baanconstructie wordt vervangen door een baanconstructie die niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie; of

    • e.

      het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:

      • 1.

        niet meer dan 3 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan de heersende waarde; en

      • 2.

        niet meer dan 63 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een geluidgevoelig gebouw:

    • a.

      waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c, zoals dat luidde voor 31 oktober 2024; of

    • b.

      dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

      • 1.

        op grond van dit omgevingsplan, met uitzondering van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        op grond van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd na de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

GGGGGGGGGG

Artikel 22.274 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.274 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.272eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een akoestisch onderzoek naar:

    • 1.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;

    • 2.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;

    • 3.

      het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 21 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;

    • 4.

      de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1, de standaardwaarde, zijnde 53 Lden voor een weg en 55 Lden voor een spoorweg, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging;

  • b.

    een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4; en

  • c.

    een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van de situatie voor de wijziging of aanleg, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

HHHHHHHHHH

Artikel 22.275 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.275 Beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

 

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.272eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden.:

  • a.

     de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden; of 

  • b.

    de grenswaarde alleen wordt overschreden op:

    • 1.

      een niet-geluidgevoelige gevel;

    • 2.

      een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd; of

    • 3.

      een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.

IIIIIIIIII

Artikel 22.278 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.278 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid waarvoor op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning is vereist, wordt, als die activiteit niet in strijd is met de in dat tijdelijke deel gestelde regels over het verlenen van de vergunning voor die activiteit, in afwijking van die regels de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:

    • a.

      een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of

    • b.

      een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht

  • 3.

    De omgevingsvergunning wordt ook geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag:

    • a.

      een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder ed, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;

    • b.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of

    • c.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.

JJJJJJJJJJ

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I Begripsbepalingen

aanbouw

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarnaar in de regels wordt verwezen, en waarmee in samenhang met die regeltekst regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

aanlegactiviteit

omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, ongeacht of die werkzaamheden plaatsvinden in het kader van het realiseren van een bouwwerk.

aanlegactiviteit archeologische beschermingszone

aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van dit omgevingsplan.

aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen

aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.22, eerste lid, van dit omgevingsplan. 

aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht

aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.29, eerste lid, van dit omgevingsplan. 

aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding

aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, van dit omgevingsplan.

aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding

aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, van dit omgevingsplan. 

aanlegactiviteit hoofdgroenstructuur

aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.366.35, eerste lid, van dit omgevingsplan. 

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

een cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, als bedrijventerrein bestemd gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein gezoneerd industrieterrein.

agrarisch bedrijf

een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of het houden van dieren, daaronder begrepen een productiegerichte paardenhouderij, houtteelt, zaadveredeling en de teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen.

ambachtelijk bedrijf

bedrijf dat goederen geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigt, bewerkt of herstelt naar ander gebruik.

ambulante handel

straathandel, uitgeoefend op een markt of op een staan- of ligplaats ambulante handel buiten de markt, niet zijnde venten.

AS SIKB 2000

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018.

bebouwingsgebied

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw.

Bed and Breakfast

het tegen betaling in gebruik geven van:

  • a.

    een ruimte binnen een zelfstandige woonruimte voor kort verblijf bij de bewoner van de zelfstandige woonruimte;

  • b.

    bij zelfstandige woonruimte behorende opstallen voor kort verblijf bij de bewoner van de zelfstandige woonruimte.

bedrijfswoning

een woning die gezien ligging en functie bedoeld is voor de huisvesting van personen wier aanwezigheid gelet op het gebruiksdoel van een gebouw of terrein noodzakelijk is.

Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam

Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam zoals die is vastgesteld en bekendgemaakt door het college, en geldt op het moment waarop een vergunningaanvraag wordt gedaan.

Besluit activiteiten leefomgeving

Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.

Besluit bouwwerken leefomgeving

Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.

besluit hogere waarden

besluit tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder zoals die gold op 31 december 2023.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de uitoefening van taken en bevoegdheden, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.

bestaande bouwhoogte

de bestaande bouwhoogte van elk afzonderlijk punt van het legaal gebouwd bestaand gebouw.   

bevoegd gezag

het college van burgemeester en wethouders, tenzij op grond van of krachtens de Omgevingswet een ander bestuursorgaan als bevoegd gezag is aangewezen.

bijeenkomstfaciliteit

vergader- en congresfaciliteit, faciliteit bedoeld voor het houden van huwelijksplechtigheden, huwelijksrecepties, jubilea en vergelijkbare ceremoniële bijeenkomsten, en daarmee vergelijkbare functies.

bijgebouw

een op het bij een hoofdgebouw behorend erf gerealiseerd gebouw dat niet zoals een aanbouw of uitbouw in directe verbinding staat met het hoofdgebouw door bijvoorbeeld een opening of deur. 

bijna-geluidluwe gevel

een gevel waarop het berekende geluid niet hoger is dan de standaardwaarde , bedoeld in de tabellen 3.292.22 en 4.48 plus daarbij opgeteld 3dB.

bijzondere bouwlagen

keldersouterrainkap of dakopbouw

bouwlaag

doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond, en met uitsluiting van bijzondere bouwlagen.

bovengronds gebouw

gebouw of gedeelte van een gebouw, gelegen boven maaiveld.

BRL SIKB 2000

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013.

BRL SIKB 7000

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015

buisleiding met gevaarlijke stoffen

buisleiding als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

buisleiding voor warm water of stoom

buisleiding als bedoeld in artikel 2.29, onder p, onder 4o, onder ii, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. 

buurtcentrum

voor publiek toegankelijk gebouw waar sociaal-culturele activiteiten worden gefaciliteerd en georganiseerd voor met name buurtbewoners.

casino

speelcasino als bedoeld in artikel 27g, tweede lid, van de Wet op de kansspelen.

college

college van burgemeester en wethouders

consumentgerichte dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten met rechtstreeks contact aan consumenten, zoals bankfilialen met hoofdzakelijk een baliefunctie, reisbureaus, kappers, nagelstudio’s en naar de aard daarmee te vergelijken vormen van dienstverlening.

culturele voorziening

   

dagjesmensen en/of toeristen

mensen die niet werken en/of wonen in Amsterdam maar die als vrijetijdsbesteding gebruik maken van de recreatieve mogelijkheden van de stad, en al dan niet in de stad overnachten

dagmarkt

markt die ten minste vier dagen per week wordt gehouden.

dakopbouw

een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak of een toevoeging aan een plat dak.

debatcentrum

voor publiek toegankelijke instelling die in hoofdzaak is gericht op het organiseren van debatten.

detailhandel

het bedrijfsmatig ter plekke te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, het verhuren of het leveren van goederen aan consumenten. Onder detailhandel wordt niet verstaan een onderneming die in hoofdzaak is gericht op het ter plekke te koop aanbieden van ter plaatse bereide, voor directe consumptie bedoelde fastfoodproducten. 

eerste bouwlaag

laagst gelegen bouwlaag die niet een kelderof souterrain is.

eetwinkel

vorm van detailhandel die zich richt op de verkoop van etenswaren en/of drankjes die in hoofdzaak worden meegegeven om direct te worden geconsumeerd.

Erfgoedverordening Amsterdam 

Erfgoedverordening van Amsterdam, vastgesteld door de gemeenteraad op 16 december 2015, gemeenteblad 2015, nr. 301/1388.

faciliteit gericht op spel en vermaak

bowlingbaan, minigolf, speelparadijs, gamehal, arcadehal, gelegenheid voor laser-gamen, escaperoom, biljart- en snookerzaal, speel- en spelvoorziening, activiteit gericht op belevingen, voorziening gericht op entertainment, en naar de aard daarmee te vergelijken faciliteiten en voorzieningen, niet zijnde een elders in deze paragraaf of elders in deze afdeling specifiek genoemde voorziening of faciliteit.

faciliteit op het gebied van ontspanning en vermaak

faciliteit op het gebied van ontspanning en vermaak, uitsluitend zijnde een: 

garagebox

gebouw, in hoofdzaak bedoeld voor het stallen van vervoersmiddelen. 

gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG)

gemiddeld hoogste grondwaterstand, bedoeld in artikel 4.61, eerste lid. 

gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG)

gemiddeld hoogste grondwaterstand, bedoeld in artikel 4.61, tweede lid. 

geurgevoelig gebouw

een gebouw als bedoeld in artikel 9.84 van dit omgevingsplan. 

gezoneerd industrieterrein

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of artikel 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld en in werking getreden.

grootschalige detailhandelsvestiging

een detailhandelsvestiging met een winkelvloeroppervlak van minimaal 1.500 m2 per bedrijfsvestiging in één branche.

growshop

detailhandelsvestiging waarin de hoofdactiviteit of een van de activiteiten wordt gevormd door de handel in artikelen ten behoeve van het kweken van cannabis (binnenshuis, niet voor beroepsmatige teelt), waaronder verwarming- en watersystemen, verlichting, kweekpotten, aarde en meststoffen ten behoeve van het kweken van cannabis.

headshop

detailhandelsvestiging waarin de hoofdactiviteit of een van de activiteiten wordt gevormd door de handel in artikelen voor het gebruiken van drugs, waaronder producten die zijn gerelateerd aan het roken van cannabis, aan het gebruik van (water)pijpen en verdampers, maar waar geen psychoactieve stoffen worden verkocht. 

hotel

onderneming gericht op het bedrijfsmatig aanbieden van faciliteiten ten behoeve van overnachten voor recreatief of zakelijk verblijf in een gebouw, voor de duur van 1 dag tot en met 12 maanden, anders dan op een kampeerterrein of vakantiepark, met inbegrip van bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten en congresfaciliteiten. Onder een hotel wordt niet verstaan het gebruik van woonruimte of de daarbij behorende opstallen voor bed & breakfast, short stay of vakantieverhuur. 

Huisvestingsverordening 

Huisvestingsverordening Amsterdam 2020.

industrieterrein met geluidproductieplafonds

industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of artikel 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld en in werking getreden. 

intensieve veehouderij

een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat slacht-, fok-, leg-, pels- of melkdieren houdt, zonder of nagenoeg zonder weidegang of vrije uitloop, met uitzondering van veehouderij waarin producten worden vervaardigd die gecertificeerd zijn volgens in Nederland geldende regelgeving van de Europese Unie voor biologische producten en met uitzondering van viskwekerij.

ISO 11423-1

ISO 11423-1:1997: Water - Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden - Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997

kantoorvloer

een ruimte, die hoofdzakelijk is ingericht voor bureauwerkzaamheden

kap

bouwlaag waarvan de dakconstructie bestaat uit ten minste één hellend dakvlak. 

kas

bouwwerk van hoofdzakelijk glas of ander lichtdoorlatend materiaal, bedoeld voor de teelt van assimilerende organismen.

kelder

bouwlaag of bouwlagen, waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag maximaal 0,50 meter boven het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen.

kinderopvang

het bedrijfsmatig opvangen, verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen, zoals dat plaatsvindt in een kindercentrum, kinderdagverblijf, peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang, en naar de aard daarmee vergelijkbare activiteiten, niet zijnde opvang aan huis.

kunstijsbaan

een al dan niet overdekte voorziening voor het beoefenen van sport op kunstijs.

Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie

De kwaliteitsnorm zoals opgenomen in de landelijke richtlijn voor archeologisch onderzoek, bedoeld in artikel 5.5, onder b, van de Erfgoedwet.

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën: 

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; en

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • 1.

      rundvee tot 24 maanden;

    • 2.

      kalkoenen;

    • 3.

      eenden; of

    • 4.

      parelhoenders;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor

Landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren

lokale spoorweg

spoorweg die krachtens artikel 2, eerste lid, van de Wet lokaal spoor als zodanig is aangewezen.

loketverkoop

het verkopen van goederen of eetwaren vanuit de gevel van een gebouw gelegen aan de openbare weg. 

Luchthavenindelingbesluit Schiphol

Besluit van 26 november 2002 tot vaststelling van een luchthavenindelingbesluit voor de luchthaven Schiphol.

maatschappelijke dienstverlening

Het verlenen van publieksgerichte diensten of het bieden van voorzieningen op het gebied van educatie, onderwijs, welzijn, gezondheidszorg, levensbeschouwing en bijzondere overheidsvoorzieningen. Onder maatschappelijke dienstverlening vallen in elk geval:

  • a.

     instellingen gericht op het geven van basisonderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger beroeps en universitair onderwijs, en instellingen gericht op het geven van avondonderwijs; 

  • b.

    ziekenhuizen en daarmee vergelijkbare medische centra; 

  • c.

    overige voorzieningen voor medische zorgverlening zoals huisartsenposten,  GGZ-instellingen, revalidatiecentra, tandartsen- of fysiotherapiepraktijken, dierenartspraktijken;

  • d.

    overige dienstverlening op het gebied van zorg en welzijn zoals een verpleeghuis, een verzorgingshuisconsultatiebureaus, apotheken, afkickklinieken, jeugdzorginstelling, dak- en thuislozenopvang, drugsopvang, asielzoekerscentra;

  • e.

    bijzondere overheidsvoorzieningen zoals een justitiële inrichting, kazerne, en uitrukpost;

  • f.

    overige voorzieningen op het gebied van maatschappelijke dienstverlening zoals een buurtcentrum, bibliotheek, kinderopvangmuziek- en dansschool, oefenstudio, religieuze instelling en school(werk)tuin.

manege

bedrijf gericht op het lesgeven in paardrijden aan derden en daarvoor paarden houdt.

mantelzorg

intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.

markt

markt, zoals bedoeld in de Marktverordening.

marktplaats

marktplaats, zoals bedoeld in de Marktverordening.

mini-supermarkt

een zelfbedieningswinkel waar hoofdzakelijk voedingsmiddelen, waaronder verse groente, brood en vlees (= dagelijkse goederen), persoonlijke verzorging en soms enige niet-dagelijkse (bijvoorbeeld huishoudelijke) artikelen worden verkocht, met een maximum winkelvloeroppervlak van 300 m2.

museum of expositieruimte

voor het publiek toegankelijke instelling waar materiële en immateriële getuigenissen van de mens en zijn omgeving op het gebied van kunst, cultuur, historie en techniek worden verzameld, bewaard, onderzocht en/of tentoongesteld, en waarbij  informatie wordt verstrekt voor studie, educatie en/of recreatie.

NEN 5725

NEN 5725:2017: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017.

muziek- en dansschool

instelling gericht op het bieden van onderwijs, niet zijnde onderwijs als bedoeld in subparagraaf 2.3.2.1, in hoofdzaak gericht op muziek, dans en kleinkunst, en daarmee vergelijkbare instellingen.

NEN 5740

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016. 

NEN 6090

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017.

NEN 6578

NEN 6578:2011: Water - Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011.

NEN 6589

NEN 6589:2005/C1:2010: Water - Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010.

NEN 6600-1

NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019

NEN 6965

NEN 6965:2005: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten - Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005

NEN 6966

NEN 6966:2006: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006

NEN-EN 858-1/A1

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004.

NEN-EN 858-2

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003.

NEN-EN 872

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005.

NEN-EN 1825-1

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006.

NEN-EN 1825-2

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002.

NEN-EN 12566-1

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016.

NEN-EN 12673

NEN-EN 12673:1999: Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999

NEN-EN 16693

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015.

NEN-EN-ISO 2813

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen - Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014.

NEN-EN-ISO 5667-3

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

NEN-EN-ISO 9377-2

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000

NEN-EN-ISO 9562

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water - Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

NEN-EN-ISO 10301

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden, versie 1997

NEN-EN-ISO 10523

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water - Bepaling van de pH, versie 2012

NEN-EN-ISO 11885

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009.

NEN-EN-ISO 12846

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012.

NEN-EN-ISO 14403-1

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water - Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012

NEN-EN-ISO 14403-2

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water - Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012.

NEN-EN-ISO 15587-1

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002.

NEN-EN-ISO 15587-2

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002

NEN-EN-ISO 15680

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met 'purge-and-trap' en thermische desorptie, versie 2003.

NEN-EN-ISO 15682

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

NEN-EN-ISO 15913

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water - Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003

NEN-EN-ISO 17294-2

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016

NEN-EN-ISO 17852

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008

NEN-EN-ISO 17993

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004.

NEN-ISO 15705

NEN-ISO 15705:2003: Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik(ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003

NEN-ISO 15923-1

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013.

NTA 9065

NTA 9065:2012: Luchtkwaliteit - Geurmetingen - Meten en rekenen geur, versie 2012

nutstuin

(hoofdzakelijk) moestuin zonder tuinhuis van een lid van de vereniging van het volkstuinpark.

omgevingsplanactiviteit (spoor)weg

activiteit, bedoeld in artikel 11.4, onder a tot en met e, van dit omgevingsplan.

omgevingsplanactiviteit bouwwerken

omgevingsplanactiviteit bestaande uit het bouwen van een bouwwerk en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. 

omgevingsplanactiviteit culturele horeca

een niet zelfstandige horeca-activiteit die plaatsvindt binnen een culturele instelling en daarvan onderdeel is.

omgevingsplanactiviteit gemeentelijke monumenten

omgevingsplanactiviteit bestaande uit het verrichten van activiteiten in, aan, op of bij een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument.

omgevingsplanactiviteit slopen

omgevingsplanactiviteit bestaande uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk.

omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht

omgevingsplanactiviteit slopen binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.

omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht

omgevingsplanactiviteit slopen, waarbij het geheel of gedeeltelijk af te breken bouwwerk is aangewezen als een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht.

Omgevingsregeling

regeling van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.

omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken 

omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, bedoeld in artikel 4.7 van dit omgevingsplan. 

ondergronds gebouw

onder het maaiveld gelegen gebouw of een gedeelte van een gebouw, zoals een kelder, souterrain of parkeerkelder, voor zover de onderkant van de vloer van de betreffende bouwlaag dieper is gelegen dan 0,5 meter onder het peil, uitgezonderd funderingsconstructies.

onzelfstandige woonruimte

woonruimte welke geen eigen toegang heeft of welke niet door een huishouden zelfstandig kan worden bewoond, zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, zoals een keuken en sanitaire voorzieningen.

overkapping

bouwwerk met een dak dat al dan niet voorzien is van ten hoogste één wand

paardenfokkerij

een agrarisch bedrijf gericht op het houden van paarden, waarbij uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden.

peil

in dit omgevingsplan wordt onder peil verstaan:

  • a.

    voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg of een tuin grenst: de hoogte van die weg of tuin ter plaatse van de hoofdtoegang van het gebouw;

  • b.

    voor bouwwerken op gronden met bestemming 'verkeer - railverkeer', met uitzondering van viaducten en duikers: de hoogte van de spoorstaaf;

  • c.

    voor bouwwerken op het perron: de hoogte van het perron;

  • d.

    als in, op of boven het water wordt gebouwd: het plaatselijk aan te houdenhoogste door de waterbeheerder vastgestelde waterpeil, of, als geen waterpeil is vastgesteld, het ter plaatse heersende, natuurlijke waterpeil;

  • e.

    in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;

perifere detailhandel

een detailhandelsvestiging die vooral volumineuze artikelen (goederen) verkoopt, uitsluitend voor zover het betreft detailhandel in auto's, boten, caravans en tenten, op het gebied van woninginrichting, waaronder de verkoop van keukens, badkamers en meubelen, en detailhandel in de vorm van doe-het-zelf bouwmarkten en tuincentra. 

periodieke markt

markt die gedurende maximaal 26 weken per kalenderjaar wordt gehouden.

prostitutie

het zich beschikbaar stellen om tegen vergoeding seksuele handelingen met een ander te verrichten.

prostitutiebedrijf

een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof het bedrijfsmatig is, gelegenheid wordt gegeven tot prostitutie

raamprostitutiebedrijf 

een prostitutiebedrijf, waar het werven van klanten gebeurt door prostituees die zichtbaar zijn vanaf de weg. 

religieuze instelling

voor publiek toegankelijke instelling die het ter plaatse bijeenkomen faciliteert om een godsdienst of levensovertuiging te belijden of uit te oefenen.

rijbaan

elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden.

rijstrook

door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken.

ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan

ruimtelijk besluit of ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen.

ruwvoedergewassen

gewassen, zoals gras, maïs, voederbieten en luzerne, die in de volle grond worden geteeld en waarvan de opbrengst is bestemd als voer voor landbouwhuisdieren.

school(werk)tuin

het gebruik van tuinen, kassen en kwekerijen ten behoeve van educatie.

seedshop

detailhandelsvestiging waarin de hoofdactiviteit of een van de activiteiten wordt gevormd door de handel in zaden met een psychoactieve werking en zaden van planten met een psychoactieve werking, waarbij vaak het grootste deel van het assortiment bestaat uit cannabiszaden. 

seksinrichting

inrichting zijnde een: 

  • a.

    seksautomatenhal: een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar door middel van één of meer automaten voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven;

  • b.

    seksbioscoop: een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar uitsluitend of hoofdzakelijk voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur; of

  • c.

    sekstheater: een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar ook anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven.

sekswinkel

een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar uitsluitend of hoofdzakelijk zaken van erotisch-pornografische aard aan particulieren worden verkocht of verhuurd.

short stay

het structureel aanbieden van een woning voor tijdelijke bewoning aan een huishouden voor een aaneensluitende periode van tenminste een week en maximaal zes maanden. Voor het overige wordt de woning als woonruimte gebruikt. 

smartshop

detailhandelsvestiging waarin de hoofdactiviteit of een van de activiteiten wordt gevormd door de handel in producten die psychoactieve stoffen bevatten.

souterrain

bouwlaag waarvan de vloer onder het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen en waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag maximaal 1,50 meter voor een bij artikel 2.2vierde lid bepaald deel boven het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen.

souvenirwinkel

detailhandelsvestiging waarin de hoofdactiviteit of één van de activiteiten wordt gevormd door de handel in producten die in het teken staan van nationale-, streek- of stadssymbolen en/of namen, tenzij: 

  • a.

    niet meer dan 5% van het netto winkelvloeroppervlak wordt gebruikt voor de verkoop van producten die in het teken staan van nationale-, streek- of stadssymbolen en/of namen, en deze producten uitsluitend achter in de vestiging zijn uitgestald;

  • b.

    sprake is van gespecialiseerde winkels die producten verkopen die in het teken staan van nationale-, streek- of stadssymbolen, zoals kaaswinkels, winkels gespecialiseerd in Delftsblauw aardewerk of bloemenzaken/tuinierswinkels die tulpen(bollen) en klompen verkopen.

speelautomatenhal

speelautomatenhal als bedoeld in de Verordening kansspelautomaten en speelautomatenhallen Amsterdam.

sport

een fysieke bezigheid met al dan niet een mentale component en met vaste regels, vaak beoefend in competitieverband, met als doel ontspanning, prestatie of verbetering van conditie en vaardigheid. Hieronder wordt in ieder geval begrepen yoga en pilates.

sportvoorziening

   

  • a.

    terrein bedoeld voor de uitoefening van sport, zoals sportvelden en/of sportbanen, en de bijbehorende bouwwerken, zoals tribunes, dug-outs, lichtmasten en met verenigingsgebouwen, kantines, kleedkamers en andere naar de aard daarmee te vergelijken accommodaties; 

  • b.

    gebouw of gedeelte van een gebouw bedoeld voor de uitoefening van sport; en 

  • c.

    bouwwerk of andere faciliteit ten behoeve van de uitoefening van watersport in de openbare buitenruimte. 

staan- of ligplaats ambulante handel

plaats op of aan de openbare weg of het openbaar water buiten een markt, waarop de ambulante handel wordt uitgeoefend.

straatpeil

 

  • a.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg

    ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • b.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het

    terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.

studentenwoning

woonruimte die door burgemeester en wethouders is erkend als studentenwoning en die wordt verhuurd met een huurovereenkomst waarin is bepaald dat de woonruimte na beëindiging van de huurovereenkomst opnieuw aan een student zal worden verhuurd (campuscontract als bedoeld in artikel 274d, vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek).

supermarkt

een zelfbedieningswinkel waar hoofdzakelijk voedingsmiddelen, waaronder verse groente, brood en vlees (= dagelijkse goederen), persoonlijke verzorging en soms enige niet-dagelijkse (bijvoorbeeld huishoudelijke) artikelen worden verkocht en waarbij het winkelvloeroppervlak meer dan 300 m2 bedraagt.

TAM-omgevingsplan

wijzigingsbesluit van dit omgevingsplan, dat is gepubliceerd met toepassing van de IMRO-standaarden, bedoeld in artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. 

teeltondersteunende voorzieningen

voorzieningen die toegepast worden om de teelt van groente, fruit, bomen of potplanten te bevorderen en te beschermen, zoals hagelnetten, stellingen en regenkappen en teeltondersteunende kassen.

theater of concertzaal

instelling gericht op het aanbieden van voorstellingen en op- en uitvoeringen van toneel, kleinkunst, circus, muziek, muziektheater, opera, en daarmee vergelijkbare activiteiten.

toeristenwinkel

vorm van detailhandel, niet zijnde een souvenirwinkel, die zich blijkens reclame-uiting, presentatie, assortiment en/of bedrijfsvoering richt op dagjesmensen en/of toeristen

toeristische dienstverlening

een vorm van consumentgerichte dienstverlening die zich blijkens reclame-uiting, presentatie, aanbod, assortiment en/of bedrijfsvoering richt op dagjesmensen en/of toeristen

toetsingskader hoofdgroenstructuur

het door de gemeenteraad op 17 februari 2011 vastgestelde toetsingskader in de Structuurvisie Amsterdam 2040, met inbegrip van na deze datum door de gemeenteraad vastgestelde wijzigingen met betrekking tot het toetsingskader hoofdgroenstructuur, en met inbegrip van specifiek vastgestelde uitwerkingen of kader.

uitbouw

een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, waarmee hij in functioneel opzicht verbonden is, en dat door de vorm als een afzonderlijke en duidelijk ondergeschikte aanvulling op dat hoofdgebouw onderscheiden kan worden en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

venten

venten, bedoeld in de Verordening staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten

verpleeghuis

voorziening voor veelal oudere maar ook jongere patiënten, die als gevolg van een of meer functiestoornissen (tijdelijk) niet meer zelfstandig kunnen functioneren en voortdurende verpleegkundige zorg behoeven in aansluiting op een medische behandeling.

verzorgingshuis

voorziening voor het bieden van uitgebreide zorg, ondersteuning en een beschutte woonomgeving, voor mensen die door ouderdom of ziekte niet meer zelfstandig kunnen wonen, ook niet met hulp van naasten, mantelzorg of thuiszorg. Hieronder wordt mede begrepen een hospice. 

volkstuin

tuin van een lid van een volkstuinpark op een volkstuinpark.

volkstuinpark

een complex van volkstuinen, nutstuinen, verenigingsgebouwen en gemeenschappelijke bouwwerken voor de leden van de vereniging of gebruikers van het volkstuinpark en gemeenschappelijke gronden.

voorziening gericht op entertainment

voorziening met een bedrijfsvoering met winstoogmerk die zich richt op de wens van bezoekers tot (smaak)beleving, sensatie en/of (groeps)entertainment, waarbij het eventuele artistieke, historische of educatieve karakter ondergeschikt is.

voorziening gericht op entertainment

voorziening die zich richt op de wens van bezoekers tot (smaak)beleving, sensatie en/of (groeps)entertainment, waarbij het eventuele artistieke, historische of educatieve karakter ondergeschikt is en die zich kenmerkt door een bedrijfsvoering met winstoogmerk

watersport-gerelateerde faciliteit

voorziening die specifiek is bedoeld voor het beoefenen van sport op het water, met bijbehorende bouwwerken zoals steigers, opslag- of botenloods, clubhuis en kantine.

weekmarkt

markt die ten hoogste drie dagen per week wordt gehouden.

weg

alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.

wellness

een voorziening die is gericht op het aanbieden van faciliteiten voor ontspanning voor lichaam en geest in de vorm van combinaties van met name sauna, zwembaden, massageruimten, relaxruimten, zonnestudio's, of kapsalons.

winkelvloeroppervlak

deel van de bruto-vloeroppervlakte van een detailhandelsvestiging dat daadwerkelijk voor verkoopdoeleinden wordt gebruikt. 

wonen

het gebruik van woonruimte ten behoeve van bewoning, en het daaraan ondergeschikt zijnde gebruik van de bij de woonruimte behorende gronden en opstallen. 

woning

een zelfstandige woonruimte, of een geheel aan onzelfstandige woonruimten die onderdeel uitmaken van hetzelfde adres.

woonruimte

besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bedoeld of geschikt is voor bewoning.

zaalverhuur voor feesten en partijen

het op structurele basis tegen betaling of anders dan om niet beschikbaar stellen van ruimte binnen een horecazaak ten behoeve van feesten voor grotere groepen, al dan niet besloten of tegen entreegeld.

zakelijke en administratieve dienstverlening

een activiteit in de vorm van een onderneming of instelling die is gericht op dienstverlening op bestuurlijk, financieel, zakelijk, juridisch, administratief of overheidsgebied, al dan niet met een daaraan ondergeschikt zijnde baliefunctie. 

zelfstandige woonruimte

woonruimte die een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte.

zorgwoning

woning of wooneenheid, bestemd voor verzorgd wonen, die niet via de reguliere woningdistributie beschikbaar komt, maar waarvan de bewoner(s) vanwege hun beperktere zelfredzaamheid vanaf aanvang van bewoning op basis van een ter zake van overheidswege gehanteerd systeem zijn geïndiceerd voor zorg, die beschikbaar is in de directe nabijheid van die woning of wooneenheid en welke zorg door die bewoner(s) ook daadwerkelijk wordt afgenomen.

KKKKKKKKKK

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

A-locatie (parkeernormering)

/join/id/regdata/gm0363/2024/5fea7f74c2e04297b605d0dce41e8b63/nld@2024‑09‑25;12591980

aanlegvergunningplicht beschermd gezicht van toepassing

/join/id/regdata/gm0363/2026/9511386993a34323a288092557d46895/nld@2026‑05‑20;08183926

aantal autoparkeerplaatsen

/join/id/regdata/gm0363/2025/eb8df99e55ec4491aa8cc05e0aed6ab0/nld@2026‑01‑20;12315259

aantal woningen

/join/id/regdata/gm0363/2025/fea0475ecb494f24876d60c4ae5f2a76/nld@2026‑01‑20;12315259

aanvraagvereiste kelder (opbarstbeheersmaatregelen)

/join/id/regdata/gm0363/2024/5108c049ffd74d6587bbf88d4cbd0e8f/nld@2026‑01‑20;12315259

aanvraagvereiste kelder (standstill)

/join/id/regdata/gm0363/2024/d1908c0408d74d90b09e553be591298a/nld@2026‑01‑20;12315259

activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken

/join/id/regdata/gm0363/2024/df07330dfb764bec88cf33882fa0bab6/nld@2026‑01‑20;12315259

afkickkliniek toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/6d6f29e059f1422bad2d6c727ded9bc2/nld@2026‑02‑20;08485239

afwijkend maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer

/join/id/regdata/gm0363/2025/a959592b38274bf7862bc16f44fa120f/nld@2026‑01‑20;12315259

afwijkende diepteligging souterrain ten opzichte van straatpeil: 1,20 meter

/join/id/regdata/gm0363/2026/3919365d2fdb4b9c8024f6ca0b5a86af/nld@2026‑05‑20;08183926

afwijkende diepteligging souterrain ten opzichte van straatpeil: 2,00 meter

/join/id/regdata/gm0363/2026/a5b18ae147274b22b68ddaacd2f6eb90/nld@2026‑05‑20;08183926

afwijkende hoogte erfafscheiding

/join/id/regdata/gm0363/2025/ae973dc677c0470f9618c4d97be88e88/nld@2026‑05‑12;08425480

afwijkende maximum bouwhoogte bouwwerken geen gebouw zijnde

/join/id/regdata/gm0363/2025/8df3cedbbedc4ba0b775af4cb8d0114b/nld@2026‑05‑12;08425480

afwijkmogelijkheid maximum bebouwingspercentage

/join/id/regdata/gm0363/2026/daba6ea637d4484882100bf05d478bb3/nld@2026‑05‑12;08425480

agrarisch bedrijfsperceel

/join/id/regdata/gm0363/2024/5317f3eb83224e22a1406b980eb206a1/nld@2026‑01‑20;12315259

agrarisch gebied – afwijkende geluidnorm

/join/id/regdata/gm0363/2024/6f92811ae00144db903cf4efc6f7fb06/nld@2026‑01‑20;12315259

asielzoekerscentrum toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/cd4db076f13443eebad0d06cbf413176/nld@2026‑02‑20;08485239

B-locatie (parkeernormering)

/join/id/regdata/gm0363/2025/a98944eee6de4ac19c60a691033ba09e/nld@2026‑01‑26;13173720

baliefunctie uitgesloten

/join/id/regdata/gm0363/2024/985bc422683b4804b4a8a14f46f32140/nld@2026‑01‑20;12315259

baliefunctie uitsluitend op begane grond toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/a4573c5d8d2f405bafa85b8c9aede7b0/nld@2026‑01‑20;12315259

basisschool toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/4dbcadcf692042eb82380dde83aca903/nld@2026‑02‑20;08485239

bebouwingscontour geur

/join/id/regdata/gm0363/2024/99a0c15b66da456aa483fb9ad09befd9/nld@2026‑01‑20;12315259

Bed and Breakfast toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/aabbffee1a86480e831e62cc3eefdf0f/nld@2026‑01‑20;12315259

bedrijf op de begane grond

/join/id/regdata/gm0363/2025/b0890401c1a240e7bbe59be6bb63327e/nld@2026‑01‑20;12315259

tuin

/join/id/regdata/gm0363/2024/150dcfc596c44283932c23ce0c174474/nld@2026‑01‑20;12315259

bedrijfsmatig gebruik gebouwerf niet toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/150dcfc596c44283932c23ce0c174474/nld@2026‑05‑20;08183926

bedrijfswoning

/join/id/regdata/gm0363/2024/fd62ec8149774013b33c2530127b7f4f/nld@2026‑01‑20;12315259

bedrijventerrein – afwijkende geluidwaarde

/join/id/regdata/gm0363/2024/99e3c20d43ac48fcb95e74966981e0bf/nld@2026‑01‑20;12315259

beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht

/join/id/regdata/gm0363/2026/3bfd60a66d8f40a7b823ffc6dee246ce/nld@2026‑02‑20;08485239

begraafplaats toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/bad3145415414ba1a9bdad9a6ecc5d9e/nld@2026‑01‑20;12315259

behoud zelfstandige ontsluiting hogere bouwlagen

/join/id/regdata/gm0363/2026/f7ea5ce587be44d981f3cb1ae7393e14/nld@2026‑05‑12;08425480

belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen

/join/id/regdata/gm0363/2024/f1180bfa9ddd443e83263f537f1a0f84/nld@2026‑01‑20;12315259

beperkingen erfbebouwing

/join/id/regdata/gm0363/2024/0461bf430af44db8bdd79798a191fd50/nld@2026‑02‑20;08485239

beperkingen ten aanzien van de pui

/join/id/regdata/gm0363/2026/17df179bcdff43bb94dfeea722888bfb/nld@2026‑05‑12;08425480

beperkingen voor opslag goederen op het gebouwerf

/join/id/regdata/gm0363/2026/8347e87313a4413783a3eedccbec760c/nld@2026‑05‑12;08425480

beperkingengebied plaatsgebonden risico

/join/id/regdata/gm0363/2024/4f5821e968ec403b95d4382934acdf56/nld@2026‑01‑20;12315259

beschermingszone archeologie

/join/id/regdata/gm0363/2024/24e285d708454795a562dac3ebc6b494/nld@2026‑02‑20;08485239

beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbindingen

/join/id/regdata/gm0363/2024/519f23fa3df7444e97c171399d775dcf/nld@2026‑01‑20;12315259

beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding

/join/id/regdata/gm0363/2025/8da6914ca983417298f3687103e0a5b8/nld@2026‑01‑20;12315259

bijbehorende hotelfaciliteiten ook voor niet-hotelgasten

/join/id/regdata/gm0363/2024/7bd6678e277f44edb689bd1038a76df9/nld@2026‑01‑20;12315259

bijgebouw toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/757ac2b34447407aa1d6dd18204f05a5/nld@2026‑05‑12;08425480

bijzondere nutsvoorziening toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/fd6b80c4ff144f1cb08e73e49e5f3bcd/nld@2026‑02‑20;08485239

bioscoop en filmhuis toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/6cd921036f794bc3904accb40cd3871d/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag aangewezen als brandvoorschriftengebied

/join/id/regdata/gm0363/2026/9690e5a65b6e490fafa3fb447e2e127f/nld@2026‑05‑12;08425480

bouwlaag aangewezen als explosievoorschriftengebied

/join/id/regdata/gm0363/2026/f53538994ef6446d883de4c30a0b50b1/nld@2026‑05‑12;08425480

bouwlaag met niet-geluidgevoelige gevel

/join/id/regdata/gm0363/2026/44ee3cbdfa6f4ae2a160d1f3791c6195/nld@2026‑01‑26;13173720

bouwlaag met niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen

/join/id/regdata/gm0363/2025/e9e1c7b8510d406484b861e100cee2e0/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin bedrijf is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/96702611a11048b9a5ef6e73fb88454b/nld@2026‑05‑12;08425480

bouwlaag waarin bedrijf niet is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/e49bb8794ee5435689e636e1b01aa587/nld@2026‑05‑12;08425480

bouwlaag waarin bijeenkomstfaciliteit is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/2e585367aeef419a9629b54d3857fffd/nld@2026‑05‑12;08425480

bouwlaag waarin bijeenkomstfaciliteit niet is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/8c6251b4f8de4c01a80181f12ba64659/nld@2026‑05‑12;08425480

bouwlaag waarin consumentgerichte dienstverlening is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/687db5fddc3646bab29ac37ac341fa1a/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin consumentgerichte dienstverlening niet is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/791f1435251545f293a194a44ca78569/nld@2026‑05‑12;08425480

bouwlaag waarin culturele voorzieningen niet zijn toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/062be7b8e0074023b73eb6a896bb8954/nld@2026‑05‑12;08425480

bouwlaag waarin culturele voorzieningen zijn toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/d65fd4d058e240bd98b92a7cd45af3bd/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin detailhandel is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/3034a32a6b8b4316a70d6959821240da/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin detailhandel niet is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/8d025e166aff45ea822a509b504be3a1/nld@2026‑05‑12;08425480

bouwlaag waarin een mini-supermarkt is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/119360d6f8034d50a3938eea1362b2e3/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin een prostitutiebedrijf is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/8472bf6738414b8faa8fde6b2c64ee82/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin een seksinrichting is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/0ab682ac0e5343179123592f94d99e9c/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin een supermarkt is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/c60f7cb030a34ea2b8f360f2b8b30a55/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin faciliteiten voor ontspanning en vermaak is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/fe6acb27c4424e8cb08b631ca7f76864/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin faciliteiten voor ontspanning en vermaak niet zijn toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/4bda02bbfb4a47bdb06c9ae03a521167/nld@2026‑05‑12;08425480

bouwlaag waarin hotel is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/c930d93746e54597acda4bbd7330145c/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin hotel niet is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/7a069db0db3d46d98f3cd350bf1ae68c/nld@2026‑05‑12;08425480

bouwlaag waarin kinderopvang is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/7211c6b96d434d6383721a3352fcfa73/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin maatschappelijke dienstverlening is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/c8cbec53306147558dbb832c50429335/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin maatschappelijke dienstverlening niet is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/4db2df8913fe4aa7be301d6a9274ff3a/nld@2026‑05‑12;08425480

bouwlaag waarin sportvoorzieningen niet zijn toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/52c2814ee90041c7ad57fc9d031c15fc/nld@2026‑05‑12;08425480

bouwlaag waarin sportvoorzieningen zijn toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/a74e602d201d4fed9d01a95fe5f08157/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin wonen is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/e2cb0b62c27b4df485ec836d1e8999ae/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin wonen niet is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/fcd011f4b5d246afbd4f99d61e221180/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin zakelijke en administratieve dienstverlening is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/441e7667ebb34c63a26ac39bfda0550f/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin zakelijke en administratieve dienstverlening niet is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/c92dcb181c6b4234988d5187a87d93b6/nld@2026‑05‑12;08425480

bouwvlak

/join/id/regdata/gm0363/2024/a8f1b7d6c3384263b34dfe54e20ee27d/nld@2026‑02‑20;08485239

bouwwerken geen gebouw zijnde niet toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/74c2db1a5f6c4b7fb30f6afacb04da3d/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwwerken geen gebouw zijnde voor sport in de openbare ruimte toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/062168c6782047dbb310f31b1b29ec5c/nld@2026‑02‑20;08485239

bovengrondse metro toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/35fb0537184049b6aa74d1f6a166c7d2/nld@2026‑01‑20;12315259

brandvoorschriftengebied

/join/id/regdata/gm0363/2024/9408e050e6924b8f91e725e5b5d1c56f/nld@2026‑01‑20;12315259

C-locatie (parkeernormering)

/join/id/regdata/gm0363/2024/55647253b2b849b0957d679efbbf7d82/nld@2024‑09‑25;12591980

casino toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/37d7cf1ffa374b9b91510ce45a394888/nld@2026‑01‑20;12315259

celfunctie toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/207c230094564f8d98e5200dab981831/nld@2026‑02‑20;08485239

civiel explosieaandachtsgebied

/join/id/regdata/gm0363/2024/0cbbebf84dce47a1bd7d741db42fe504/nld@2026‑01‑20;12315259

complexe bedrijven toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/8f1f077ba3e84d7a93b280fe119578b0/nld@2026‑01‑20;12315259

crematorium toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/5b4b57f1ee624ddf81c94f357adcd037/nld@2026‑01‑20;12315259

dagmarkt

/join/id/regdata/gm0363/2024/69281c26d9444c4fb66dea61c412101e/nld@2026‑01‑20;12315259

dagverblijf voor personen met een lichamelijke of geestelijke beperking toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/2dad0ea301f04bfd973ac8c26f279690/nld@2026‑02‑20;08485239

dak- en thuislozenopvang toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/a22dc2c2ddc443fca47ee5deb08a2f0f/nld@2026‑02‑20;08485239

dakvorm uitbouw - dwarskap

/join/id/regdata/gm0363/2026/31093f681bc9406fb2602978ddec85e6/nld@2026‑05‑12;08425480

datacentrum toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/7882dd20b27b4ce7a94441d54379f430/nld@2026‑02‑20;08485239

debatcentrum toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/db120551af2c46d5ac7e591bc67299a0/nld@2026‑01‑20;12315259

detailhandel uitsluitend toegestaan in de vorm van een galerie

/join/id/regdata/gm0363/2026/275d819b3a374bbebe26aea0d66dcd6d/nld@2026‑05‑12;08425480

dierentuin toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/67a10c207e194dc6a9fbbe352a0dbb23/nld@2026‑01‑20;12315259

explosieaandachtsgebied vuurwerk

/join/id/regdata/gm0363/2024/4b120d7052334e69b5380f8d7cf11243/nld@2026‑01‑20;12315259

explosievoorschriftengebied

/join/id/regdata/gm0363/2024/6d8bc03ec05842eba2a5a7c0b6ff6148/nld@2026‑02‑20;08485239

functiemenging

/join/id/regdata/gm0363/2024/97865e0f318e4b98a4110b5365e8e695/nld@2026‑01‑20;12315259

garagebox

/join/id/regdata/gm0363/2024/79032264debd4a3087bace914e1c9835/nld@2026‑01‑20;12315259

gebiedsspecifieke gebruiksbeperkingen Centrum - 2

/join/id/regdata/gm0363/2026/1fdcb956cdef46e592a72c202ae2243a/nld@2026‑05‑12;08425480

gebiedsspecifieke gebruiksbeperkingen Centrum – 1

/join/id/regdata/gm0363/2026/9aab659936574a96a6100a482e0df91f/nld@2026‑05‑12;08425480

gebiedsspecifieke gebruiksbeperkingen Centrum – 1: eetwinkel toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/ffb6552b369d4775acf8ae4ba89ffe84/nld@2026‑05‑12;08425480

gebiedsspecifieke gebruiksbeperkingen Centrum – 1: toeristenwinkel toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/807fb73eac94442fb2e298f7eeb293a8/nld@2026‑05‑12;08425480

gebiedsspecifieke gebruiksbeperkingen Centrum – 1: toeristische dienstverlening toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/13d3e6e9e4034f638f37764cfc0f6a8e/nld@2026‑05‑12;08425480

gebiedsspecifieke gebruiksbeperkingen Centrum – 1: voorziening gericht op entertainment toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/3c8cf727c98845b1a2182aa32c94edfa/nld@2026‑05‑12;08425480

gebiedsspecifieke gebruiksbeperkingen Centrum – 2: massagesalon toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/8b629f79ac644216957eb82c56681e7d/nld@2026‑05‑12;08425480

gebiedsspecifieke gebruiksbeperkingen Centrum – 2: souvenirwinkel toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/a1f52c7d7f53401b95650f137e1c3ecf/nld@2026‑05‑12;08425480

gebouwde publiektoegankelijke parkeervoorziening

/join/id/regdata/gm0363/2024/28e00c1666504daeb7e5fb21c4c8d84d/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: ambulante handel

/join/id/regdata/gm0363/2024/f8df353de1794ad2a79b4ea7f1e5ea54/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: bedrijf

/join/id/regdata/gm0363/2024/9a36a44292fd4c5bbf2a80b70f1cbdbe/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: bijeenkomstfaciliteit

/join/id/regdata/gm0363/2026/8023422fa5c845219552d766b7134d09/nld@2026‑05‑12;08425480

gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 110 kV of 150 kV

/join/id/regdata/gm0363/2024/2db6ef505e694a75ab904bb0e9745080/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV

/join/id/regdata/gm0363/2024/52e8a21190e54e0ebe7ea6648610bc14/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen

/join/id/regdata/gm0363/2024/2822da2c52f140afad6ad3c57682aea0/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: buisleiding voor warm water of stoom

/join/id/regdata/gm0363/2026/d4d3af2fb9594854a64493ab1e0248b2/nld@2026‑02‑20;08485239

gebruiksdoel: consumentgerichte dienstverlening

/join/id/regdata/gm0363/2024/35dbde0065824d7185e2cb24e7cf8c3f/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: culturele voorziening

/join/id/regdata/gm0363/2024/5cfea604101a42d28ddd9e8564aa9737/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: detailhandel

/join/id/regdata/gm0363/2024/7869253fe8ba4717b186a864abbd4176/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht

/join/id/regdata/gm0363/2024/e13002ea79b842e5b1d75bfd379fd91f/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: glastuinbouw

/join/id/regdata/gm0363/2024/b890110cb2a9443a952914d16c66a065/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: groen

/join/id/regdata/gm0363/2024/9bc2aa4e9ed2473391a7911326b59afd/nld@2026‑02‑20;08485239

gebruiksdoel: hotel

/join/id/regdata/gm0363/2024/e472372918664f0283d124dbd07fd597/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening

/join/id/regdata/gm0363/2024/87ddca9690b042e488bc13313ef23644/nld@2026‑02‑20;08485239

gebruiksdoel: ondergrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV

/join/id/regdata/gm0363/2024/a7fcde6c7ba946c4afb76859148c06bf/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: ontspanning en vermaak

/join/id/regdata/gm0363/2024/ca0a2897bbd446259e8f6f6895f31d65/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: prostitutiebedrijf

/join/id/regdata/gm0363/2024/91f437d1fc484b6c8b9d0f31316c375e/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: seksinrichting

/join/id/regdata/gm0363/2024/1bbfc7594d08428f9c1937379e53f9d5/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: sportvoorziening

/join/id/regdata/gm0363/2024/da90b5262a504fdbab2641942de55322/nld@2026‑02‑20;08485239

gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij

/join/id/regdata/gm0363/2024/77affb56444a4126a8c1633039bcb3cf/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: verkeer

/join/id/regdata/gm0363/2024/774133cd121848fd92b4facecd5d7dfb/nld@2026‑02‑20;08485239

gebruiksdoel: volkstuinpark

/join/id/regdata/gm0363/2024/8f5785e41f934b88bcc80d9e46b3d87b/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: water

/join/id/regdata/gm0363/2024/9ccf70e492004693ade99b1da2c44458/nld@2026‑02‑20;08485239

gebruiksdoel: wonen

/join/id/regdata/gm0363/2024/bd9e3dc2b7b445d38b76232c332bc147/nld@2026‑02‑20;08485239

gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening

/join/id/regdata/gm0363/2024/a0336b6745d64f4f8e7f8a9db5818075/nld@2026‑01‑20;12315259

geen geluidgevoelige ruimten

/join/id/regdata/gm0363/2024/6bb4a6093c664589ad5e50e086acb146/nld@2026‑01‑20;12315259

geldwisselkantoor

/join/id/regdata/gm0363/2024/3fb253c7fffd48dcb23383a381bb95d0/nld@2026‑01‑20;12315259

geluidgevoelig gebouw met niet-geluidgevoelige gevel

/join/id/regdata/gm0363/2024/3c904166ec944b9e8d4c8fe3c4cd94c8/nld@2026‑01‑20;12315259

geluidzone xx

/join/id/regdata/gm0363/2026/e91b1bd72d5f4104909d7a49ab2f5b69/nld@2026‑05‑12;08425480

gemeenschappelijk gebouw

/join/id/regdata/gm0363/2024/622239f5fd674b06951579b2d2ef3099/nld@2026‑01‑20;12315259

gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

/join/id/regdata/gm0363/2024/70f87ae18ab74aae99d3fcbcf340501d/nld@2024‑09‑25;12591980

gemeentelijk monument

/join/id/regdata/gm0363/2024/9a9e3f5e4d3948d7a99ec157bd2db863/nld@2026‑01‑20;12315259

gezondheidszorgfunctie met bedgebied toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/af54831bdf8f46a8bf04dc966e5bc652/nld@2026‑02‑20;08485239

growshop

/join/id/regdata/gm0363/2024/faeb4929514d46dc88ea2a7ff898bc28/nld@2026‑01‑20;12315259

havengebonden bedrijf

/join/id/regdata/gm0363/2024/a7e980776f1d4513b9add497ed862df5/nld@2026‑01‑20;12315259

headshop

/join/id/regdata/gm0363/2024/fcd1adbe22394d0ca7bdc096b4544be4/nld@2026‑01‑20;12315259

hogeschool en universitair onderwijs toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/1fa142e7c67f4059a0012e6b35f2d074/nld@2026‑01‑20;12315259

huisvesting mantelzorg toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/8f62c1ff058a4b1bad2c4c32d53698c3/nld@2026‑01‑20;12315259

informatieplicht kleinschalig graven na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur

/join/id/regdata/gm0363/2024/047f49c3631e4026b0b4dc258314fe96/nld@2024‑09‑25;12591980

intensieve veehouderij

/join/id/regdata/gm0363/2024/3ee4777d7c7944cf90784a31e1965b79/nld@2026‑01‑20;12315259

internetcafé

/join/id/regdata/gm0363/2024/867a53ee2f0f456fabbf5268dae1fea2/nld@2026‑01‑20;12315259

jeugdzorginstelling toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/926f4654fa8c4687b4bdf8a859bde318/nld@2026‑02‑20;08485239

kapvorm woning

/join/id/regdata/gm0363/2026/2959fd7aa62e4311a1a7e4a6f3e683d7/nld@2026‑05‑12;08425480

kartbaan toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/e36ac73c81124cf796142c9772923e21/nld@2026‑01‑20;12315259

kas toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/c8e79339254044ccbcfad3beba997cb0/nld@2026‑01‑20;12315259

kinderboerderij

/join/id/regdata/gm0363/2024/1ed487e3976f454397f4532a9d437ce4/nld@2026‑01‑20;12315259

kinderopvang toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/6e8f0309694a46db9501542641f05146/nld@2026‑02‑20;08485239

kunstijsbaan toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/708484c1afe64c239ff04f9999477851/nld@2026‑01‑20;12315259

laden en lossen uitsluitend op eigen terrein toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/34593836e4394dc1b8c22fec2343115e/nld@2026‑05‑12;08425480

lichthof behouden

/join/id/regdata/gm0363/2026/b8f862242ab943678760d7eadc4c55e1/nld@2026‑05‑12;08425480

ligplaats toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/913f6ea443184ea09280a7e58e4a444c/nld@2026‑02‑20;08485239

loggia’s aan straatzijde niet toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/f20a464c54fc42c39b5e04790854698f/nld@2026‑05‑12;08425480

loketverkoop toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/9637481718e94f6c89449417c1c4b0da/nld@2026‑01‑20;12315259

maatschappelijke dienstverlening - uitsluitend kinderboerderij

/join/id/regdata/gm0363/2024/5d2513a1524c4d4e82f566aead54e5e7/nld@2026‑05‑12;08425480

maatschappelijke dienstverlening - uitsluitend kinderopvang

/join/id/regdata/gm0363/2026/467b9116ed50452e957a94a4441bc49d/nld@2026‑05‑12;08425480

maatschappelijke dienstverlening - uitsluitend onderwijs

/join/id/regdata/gm0363/2026/6423ad55f25a480496cc555d948b0a68/nld@2026‑05‑12;08425480

maatschappelijke dienstverlening - uitsluitend school(werk)tuin

/join/id/regdata/gm0363/2024/b8b77e3957154c0f86a7027860a33a25/nld@2026‑05‑12;08425480

manege toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/b6a1372efcf54973ad5f6ad15db8445a/nld@2026‑01‑20;12315259

maximaal aansluitvermogen datacentrum

/join/id/regdata/gm0363/2025/16de19428852490ebb8fbc5196b7c868/nld@2026‑01‑20;12315259

maximale milieuhindercategorie

/join/id/regdata/gm0363/2025/a1b58d18f14a4e41ad82cee37471978c/nld@2026‑05‑12;08425480

maximum aantal bedden

/join/id/regdata/gm0363/2025/7b33741cd740401085235892cc5a2942/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal bedden per kamer

/join/id/regdata/gm0363/2025/018f181c4547456a889f67510ac088f3/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal bezoekers bijeenkomstfaciliteit

/join/id/regdata/gm0363/2026/cacbedc4da624d7384eea19b4a4085d9/nld@2026‑05‑12;08425480

maximum aantal bezoekers culturele voorziening

/join/id/regdata/gm0363/2025/40a9695e6d7f4d2c9a2cf30725c3eaa7/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal bezoekers faciliteiten voor ontspanning en vermaak

/join/id/regdata/gm0363/2025/cb7b20b59b0c46a5b4d3981ed351311e/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal bezoekers sportvoorziening

/join/id/regdata/gm0363/2025/4f88a6cdc1a14b96ad2b4a69826e8dd3/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal hotelkamers

/join/id/regdata/gm0363/2025/8fab5c06322b49038af52264595762cb/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal kinderopvang

/join/id/regdata/gm0363/2025/288aaf663b7d4fc584d8f9b4aa8bd37e/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal marktplaatsen

/join/id/regdata/gm0363/2025/24df4e6058ea41efbc929b4e29fe2b49/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal onzelfstandige woonruimten

/join/id/regdata/gm0363/2025/6311666523504a8483c611963ee55a59/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal prostitutieramen

/join/id/regdata/gm0363/2025/6f7dcd7e82a847cd9c2f1da3f779a7cf/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal publiektoegankelijke parkeerplaatsen

/join/id/regdata/gm0363/2025/fdd7cecad1474e1c82a05ac634bcc74b/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal rijstroken

/join/id/regdata/gm0363/2025/a335fd8877bb48d4ae01c3cfae98d6bd/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal staan- of ligplaatsen ambulante handel

/join/id/regdata/gm0363/2025/8a3183c16bc745a5a6b2eec57816a2b3/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal supermarkten

/join/id/regdata/gm0363/2025/3a989b7edf0a4424a2416649fa826927/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum ashoogte windturbine

/join/id/regdata/gm0363/2025/c748cc6a4ed347eca61890bcfbda8d43/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bebouwd oppervlak

/join/id/regdata/gm0363/2025/620e9afa1a6646d5a8d2b853f1e08b97/nld@2026‑02‑20;08485239

maximum bebouwd oppervlakte voor mensen toegankelijke overkappingen

/join/id/regdata/gm0363/2026/534e2d46c9d3415bbfe9fa90c7811338/nld@2026‑05‑12;08425480

maximum bebouwingspercentage

/join/id/regdata/gm0363/2025/d3ce92b0131d48ffb0e8519225061648/nld@2026‑05‑12;08425480

maximum bouwdiepte ondergronds gebouw

/join/id/regdata/gm0363/2025/74070727311043699d8c7aa2a34cd0b4/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bouwhoogte artistiek bouwwerk

/join/id/regdata/gm0363/2025/86f6af05793a4f658118bb892f7a691e/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bouwhoogte brug

/join/id/regdata/gm0363/2026/7fa840e1a7a24ed7ad1274b61133b9a6/nld@2026‑05‑20;08183926

maximum bouwhoogte gebouw

/join/id/regdata/gm0363/2025/7d47d49a0f12433dacc6fe42dcb6f0a7/nld@2026‑05‑12;08425480

maximum bouwhoogte gebouw t.o.v. NAP

/join/id/regdata/gm0363/2025/f8543019a3874e93a65424f1d6f1ec9f/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bouwhoogte infrastructureel kunstwerk

/join/id/regdata/gm0363/2025/5494bddd21bb48b8ad1d91935c8d8bd5/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bouwhoogte podium in de openbare buitenruimte

/join/id/regdata/gm0363/2026/b692a1c5b54f4d4a999fa9e0d873bced/nld@2026‑05‑20;08183926

maximum bouwhoogte reclamezuil

/join/id/regdata/gm0363/2026/0116c35b87b94f658c4df9509a6aaf2b/nld@2026‑05‑12;08425480

maximum bouwhoogte tribune

/join/id/regdata/gm0363/2025/37c3bbe88ee040ff92442140181b799b/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bouwhoogte vlaggenmast

/join/id/regdata/gm0363/2026/b609ef1c492546188244ec340e85e8ea/nld@2026‑05‑12;08425480

maximum bouwhoogte voor mensen toegankelijke overkapping

/join/id/regdata/gm0363/2026/6d8902ce687a48ad9e48674d7e288a33/nld@2026‑05‑12;08425480

maximum bruto-vloeroppervlak maatschappelijke dienstverlening

/join/id/regdata/gm0363/2025/542c8e9150a549a1aa0caae9ea7a513c/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlak maatschappelijke dienstverlening per vestiging

/join/id/regdata/gm0363/2026/75deab36a8e341de8f240ba0dcf8933b/nld@2026‑05‑12;08425480

maximum bruto-vloeroppervlakte bedrijf

/join/id/regdata/gm0363/2025/a88e04e1d6aa42ef81028df1cf784bc2/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte bijeenkomstfaciliteit

/join/id/regdata/gm0363/2026/4074173f4f5b47d3a06bfb2892327b83/nld@2026‑05‑12;08425480

maximum bruto-vloeroppervlakte bovengrondse gebouwen

/join/id/regdata/gm0363/2025/09b12a71aab44aefad974581c95a8e31/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte consumentgerichte dienstverlening

/join/id/regdata/gm0363/2025/e9b3cec7e52248398d669ee213d342d3/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte culturele voorzieningen

/join/id/regdata/gm0363/2025/a303b33b4a1d48dea50dc6464c7dd33e/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte detailhandel

/join/id/regdata/gm0363/2025/139dc29fa78545e991c0ac3b2e4a475d/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte faciliteiten voor ontspanning en vermaak

/join/id/regdata/gm0363/2025/09fb702478214caf9a27e18f24f74f56/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte gebouwen

/join/id/regdata/gm0363/2025/6cb3394b7e094d43b3fa7f04c941c1b6/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte hotel

/join/id/regdata/gm0363/2025/5b4337ce018444ac94052538a79da0c7/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte mini-supermarkt

/join/id/regdata/gm0363/2025/47443883deb2411881ee7e6240ac73d1/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte sportvoorziening

/join/id/regdata/gm0363/2025/f61d2793a9a1451fb2817f6b9ef688f5/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte supermarkt

/join/id/regdata/gm0363/2025/474db66bb48c4d129f5d1bc122bdd52e/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte verhuurbare vergader- en congresfaciliteiten

/join/id/regdata/gm0363/2025/4d04e811651348f887cca5a7e1a5cba2/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte wonen

/join/id/regdata/gm0363/2025/982708dd488c4251833fc2b38e5e5753/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte zakelijke en administratieve dienstverlening

/join/id/regdata/gm0363/2025/b9b3425462a7487ab05e4c4c460f9f32/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum diepte vergunningvrije bodemverstoring

/join/id/regdata/gm0363/2025/04b0408bacdc4e7ab5d6b58a3310c255/nld@2026‑05‑12;08425480

maximum goothoogte

/join/id/regdata/gm0363/2025/020db429a11b4ca196a1608388c4fdc6/nld@2026‑02‑20;08485239

maximum hoogte hoogspanningsmast

/join/id/regdata/gm0363/2025/5f2323aa898e4933ab3bbb08e73d20c5/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum hoogte lichtmast

/join/id/regdata/gm0363/2025/8ddd52e0f678405286c0f3defd4474ec/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum oppervlak paardenbak

/join/id/regdata/gm0363/2025/c899ebae7f504ef3bb0696dc35696f61/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum oppervlak vergunningvrije bodemverstoring

/join/id/regdata/gm0363/2025/a59f21973a0143fead23ae84b8fcfc38/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum oppervlakte ondergronds gebouw

/join/id/regdata/gm0363/2025/5506b5c826a54498a94fa832478e18b4/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum tiphoogte windturbine

/join/id/regdata/gm0363/2025/7feea144b8e449b396c43c5496fdefaa/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum winkelvloeroppervlak detailhandel

/join/id/regdata/gm0363/2026/183e14b3efd549a590c06a40f27d6966/nld@2026‑05‑12;08425480

maximum winkelvloeroppervlak fietsenwinkel

/join/id/regdata/gm0363/2026/467b228f7f6744138f3ba6145dfaea5b/nld@2026‑05‑12;08425480

middelbaar beroepsonderwijs toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/f604b17c2699401fa7eac8289b9e87c8/nld@2026‑02‑20;08485239

mini-supermarkt toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/7b043a7086ad49de8c43ecaa5ceabe53/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum aantal fietsstallingsplaatsen

/join/id/regdata/gm0363/2025/2eb53f7243a44c2ba3d854f2fbfd752d/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum aantal onzelfstandige woonruimten

/join/id/regdata/gm0363/2025/cb3cdf90f8c54855abe3915e8aa71c70/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum aantal publiektoegankelijke fietsstallingsplaatsen

/join/id/regdata/gm0363/2025/effc7a91a21a41eca80099025926aa26/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum aantal publiektoegankelijke parkeerplaatsen

/join/id/regdata/gm0363/2025/2d3e243b707b42ac84c8751b7f19edda/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum bebouwd oppervlak

/join/id/regdata/gm0363/2025/8def934c95a64f20a82e0156068f96e6/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum bebouwingspercentage

/join/id/regdata/gm0363/2025/760b65addb4445fe87ed8042d28e60fb/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum bouwhoogte gebouw

/join/id/regdata/gm0363/2025/79ee20f96389418e854fd728bb513d94/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum bruto-vloeroppervlakte bovengrondse gebouwen

/join/id/regdata/gm0363/2025/18d8dfcd0a154515a5f8c9651ee509fa/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum bruto-vloeroppervlakte gebouwen

/join/id/regdata/gm0363/2025/cb4c5231a4c34ef89f9837d2946ed1cf/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum hoogte eerste bouwlaag

/join/id/regdata/gm0363/2025/fe9b1d732cbc42df80fcf4a99ab20e1d/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum hoogte onderdoorgang

/join/id/regdata/gm0363/2025/e01f0be46c2c45b883245f3f94b46376/nld@2026‑05‑12;08425480

mogelijke toepassing overschrijding grenswaarde geluid bij zeehavengebonden activiteiten

/join/id/regdata/gm0363/2024/88ce1bb8352e43ad8d198e87ba0b6a4e/nld@2026‑01‑20;12315259

museum en expositieruimte toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/c00747192f604350b0510d3cadec1786/nld@2026‑01‑20;12315259

nadere afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk

/join/id/regdata/gm0363/2024/b9e014586e654d7f8bea75954c1f46a3/nld@2026‑01‑20;12315259

nadere afweging geluid bij gebruikswijziging noodzakelijk

/join/id/regdata/gm0363/2024/3622c719a30b41cebd4867c27c9af865/nld@2026‑01‑20;12315259

niet-geluidgevoelige gevel

/join/id/regdata/gm0363/2026/9c12dbe20d8d4d6cb6e3dd8d12096904/nld@2026‑01‑26;13173720

niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen

/join/id/regdata/gm0363/2024/578f5a40f019495ebd05aab38054bc2e/nld@2026‑01‑20;12315259

niet-overdekt zwembad toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/bb7dc71b98d44253983a0c4d35947c1f/nld@2026‑01‑20;12315259

niet-overdekte paardenbak toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/457575204bf04534834fa5a68981b030/nld@2026‑01‑20;12315259

nutstuinpark

/join/id/regdata/gm0363/2024/80a080db65124fb7aec7bad70db67be6/nld@2026‑01‑20;12315259

ondergronds gebouw toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/544d019ba061485391f1fa5332218e47/nld@2026‑02‑20;08485239

ondergrondse metro toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/9a590a5228c144dcadec2e218bd34b00/nld@2026‑01‑20;12315259

onderwijs aan minderjarigen met een lichamelijke of geestelijke beperking uitgesloten

/join/id/regdata/gm0363/2026/498487ab84d444119c1ce356e48106ce/nld@2026‑02‑20;08485239

ontsluiting parkeervoorziening toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/19faaa7e49124c21a1fe9e62e416770c/nld@2026‑01‑26;13173720

onzelfstandige woonruimte niet toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/c0b73950f1ba4d8bb95506c84c53d1dc/nld@2026‑01‑20;12315259

onzelfstandige woonruimte toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/7aeabeb1967145f4b6a9bbce828ba0d3/nld@2026‑01‑20;12315259

overgangsbepaling bouw- en goothoogte

/join/id/regdata/gm0363/2026/de5c86b57b7d4ace8732c0da9dde1ad2/nld@2026‑05‑12;08425480

overgangsbepaling dakvorm Centrum

/join/id/regdata/gm0363/2026/63b8c3839ee54c79834ecc383fdf90ae/nld@2026‑05‑12;08425480

overnachten niet toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/53102a7a78104c40b50794135b9bb664/nld@2026‑01‑20;12315259

parkeerterrein

/join/id/regdata/gm0363/2024/c3983764c9c24856b6112b24d301b6d5/nld@2026‑01‑20;12315259

parkeren op eigen terrein niet toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/764ca63afc0e484bab58fb14d296f319/nld@2026‑02‑20;08485239

peildatum bvo prostitutiebedrijf 1

/join/id/regdata/gm0363/2024/cf5dfbd2e61b4d51b546d8865d54f9c8/nld@2026‑01‑20;12315259

peildatum bvo prostitutiebedrijf 2

/join/id/regdata/gm0363/2024/a8cd50c7a51b4f6e982b110ebc17a539/nld@2026‑01‑20;12315259

peildatum bvo prostitutiebedrijf 3

/join/id/regdata/gm0363/2024/b9c2a4aae40645c98c1b30d379dfa9c7/nld@2026‑01‑20;12315259

peildatum bvo seksinrichting 1

/join/id/regdata/gm0363/2024/323a0f5e63a94c1fa1cf61a6e361cd1c/nld@2026‑01‑20;12315259

peildatum bvo seksinrichting 2

/join/id/regdata/gm0363/2024/f4d79b26430f49dbb0c1bc640b62e6e1/nld@2026‑01‑20;12315259

peildatum bvo seksinrichting 3

/join/id/regdata/gm0363/2024/918301c481e44f3bac789bcfce857668/nld@2026‑01‑20;12315259

periodieke markt

/join/id/regdata/gm0363/2024/1f3183e822fb496b89a82c9b7c2a796e/nld@2026‑01‑20;12315259

plaatsgebonden risico 10-5 windturbine

/join/id/regdata/gm0363/2024/22cb42048910493bb9f98e60e5202f05/nld@2026‑01‑20;12315259

rooilijn

/join/id/regdata/gm0363/2024/14452d9dad2e46f49942fbec0cb5652b/nld@2026‑01‑20;12315259

podium in de openbare buitenruimte toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/a686623a84c24f7ab4268aa9bfd93b37/nld@2026‑05‑20;08183926

publiektoegankelijke (brom)fietsstalling

/join/id/regdata/gm0363/2024/390e86f6e2cc4c6d965bb7338503b58b/nld@2026‑01‑20;12315259

raamprostitutiebedrijf toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/64467e79b00f4fc69b492a464575ff9d/nld@2026‑01‑20;12315259

religieuze instelling toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/3ff1895365c04be58a0d2b962215b2b6/nld@2026‑05‑20;08183926

Rie-bedrijven toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/2722953cf8694fc3879c61a96edabb9d/nld@2026‑01‑20;12315259

rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht

/join/id/regdata/gm0363/2024/3a753034d4f44c84b3c29167515d5b56/nld@2024‑09‑25;12591980

risicobedrijf toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/4eaef29b32d040fd86796769708f2060/nld@2026‑01‑20;12315259

risicogebied externe veiligheid

/join/id/regdata/gm0363/2024/dd5e76f613644f8d875aacddd7acea0c/nld@2026‑01‑20;12315259

rooilijn-A

/join/id/regdata/gm0363/2026/c2518b7467fe429f900c9ca65cc7fe00/nld@2026‑05‑20;08183926

ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen

/join/id/regdata/gm0363/2024/46b13a6470aa4e178431220b193c5bdf/nld@2026‑02‑20;08485239

ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen

/join/id/regdata/gm0363/2024/b98b443889514292aa60e2daaf454e30/nld@2026‑02‑20;08485239

samenvoegen panden niet toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/9fab275dabae40cf9294d424d61fcc54/nld@2026‑05‑12;08425480

seedshop

/join/id/regdata/gm0363/2024/f64b64c459c5424ebaa5c65bf002e371/nld@2026‑01‑20;12315259

sekswinkel toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/33fe177d5ef94e058a3b869c54c373d6/nld@2026‑01‑20;12315259

short stay toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/784f848e1a0c4b07a7feeae300945da8/nld@2026‑01‑20;12315259

smartshop

/join/id/regdata/gm0363/2024/bd86d41bd48b468897c69fc085521b64/nld@2026‑01‑20;12315259

speelautomatenhal toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/860d9a4161924f69a1431a55a670a934/nld@2026‑01‑20;12315259

spel en vermaak toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/5a2bf94296e744b4a87e4ea7c5457184/nld@2026‑01‑20;12315259

spoorweg toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/e309c810ed0e4d50b52fcd9ea8c583c9/nld@2026‑01‑20;12315259

sportschool toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/ade8295a055946a0aa4a3d69ccfdf6e5/nld@2026‑01‑20;12315259

staan- of ligplaats ambulante handel buiten de markt

/join/id/regdata/gm0363/2024/41ae2e0e271c4d8281a002598514754e/nld@2026‑01‑20;12315259

Stadsdeel Centrum

/join/id/regdata/gm0363/2026/e528cd357c134c82a9769e368b854a9a/nld@2026‑05‑12;08425480

stadsnatuur

/join/id/regdata/gm0363/2026/09280c6526d747b3a27a64a2d7868c21/nld@2026‑02‑20;08485239

stadspark: maximum bebouwingspercentage bouwwerken geen gebouw zijnde 

/join/id/regdata/gm0363/2026/902b7406a6324e16a75a974b3a46d8e5/nld@2026‑02‑20;08485239

supermarkt toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/620dc0efea534ca4b1a101dcd8c771e6/nld@2026‑01‑20;12315259

te openen brug

/join/id/regdata/gm0363/2026/f3fb916898ed49dcbb4558dd5cbd9988/nld@2026‑05‑20;08183926

telefoneerinrichting

/join/id/regdata/gm0363/2024/368d4379830f43a8a86ded83fcfb545c/nld@2026‑01‑20;12315259

theater en concertzaal toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/89fb04b1b6824b7b97118dcd109706b7/nld@2026‑01‑20;12315259

tram toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/6edeb6ee709a4aac9988ea51f849279d/nld@2026‑02‑20;08485239

twee bedrijfswoningen toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/3cf91f0e7be34d119246731bb3181a18/nld@2026‑01‑20;12315259

uitbreiding aan de achterzijde toegestaan-Centrum

/join/id/regdata/gm0363/2026/548e2f4085c7443f9cc8faea160f6b11/nld@2026‑05‑12;08425480

uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw

/join/id/regdata/gm0363/2024/b0bfe3415c9b4a7fb7b4337928d212f2/nld@2024‑09‑25;12591980

uitsluitend ABC-goederen

/join/id/regdata/gm0363/2024/111f8f0f1c074896ba8cc49464aac525/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend afhaaldepot goederen

/join/id/regdata/gm0363/2024/8feabfb850e843ae810e9dd43e80f5b8/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend bouwmarkt

/join/id/regdata/gm0363/2024/e732338e5f7a44e1befc8019909a5b82/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend detailhandel in fietsen toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/d1b15ac34acb4a17b998d06cf7a3e0f9/nld@2026‑05‑12;08425480

uitsluitend dienstverlening persoonlijke verzorging toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/2715731522eb477e9c530eaac1f21f8e/nld@2026‑05‑12;08425480

uitsluitend grootschalige detailhandel

/join/id/regdata/gm0363/2024/cd86aa0be8414a8895d5ca831d845575/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend kinderopvang zonder bedgebied toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/339bd4047eea4532ab6077fa6f968382/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend perifere detailhandel

/join/id/regdata/gm0363/2024/b857c651efcc4da6b7b480c368ad21f3/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend studentenwoningen

/join/id/regdata/gm0363/2024/1d08d8c2969c4b95b4565b0251d57c4c/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend supermarkt toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/627876bdc82946cdaec22e8623934b1e/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend tuincentrum

/join/id/regdata/gm0363/2024/e18d5aa07c5e4b79833240521c731751/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend verkooppunt motorbrandstoffen toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/3250dd297fc54bf5b974f50d49358383/nld@2026‑05‑12;08425480

uitsluitend windturbine toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/7f5e5fea1be947618b4db77996ea0f53/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend woninginrichting

/join/id/regdata/gm0363/2024/ded22bfe093943b28f5df79bcf998044/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend yogastudio toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2026/a01584beb6bc49739e27f7f94188a876/nld@2026‑05‑12;08425480

uitzondering maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer

/join/id/regdata/gm0363/2024/e911344e54d1409699d9463dd6546457/nld@2026‑01‑20;12315259

verenigingsgebouw

/join/id/regdata/gm0363/2024/83bcb5d91dbe4af7a5bd5ed5ce4df723/nld@2026‑01‑20;12315259

vergunningplicht aanlegactiviteit hoofdgroenstructuur

/join/id/regdata/gm0363/2026/a8ee13b14f3a4ceb8b1daa22439cab6e/nld@2026‑02‑20;08485239

vergunningplicht bij wijziging ambachtelijk bedrijf

/join/id/regdata/gm0363/2024/e26123bf32b047cab10350ad1f0df622/nld@2026‑01‑20;12315259

verkoop LPG toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/47ae2f6ed5bf4234aab0f2d530e96d85/nld@2026‑01‑20;12315259

verkooppunt motorbrandstoffen toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/7648125de737466d939bb7db3df4cc4c/nld@2026‑01‑20;12315259

verpleeghuis of verzorgingshuis toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/468d2ab053b54f2390fe81942195add2/nld@2026‑01‑20;12315259

verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven

/join/id/regdata/gm0363/2024/a09bdda99a0e456cb192c1b7f75ea292/nld@2024‑09‑25;12591980

verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven

/join/id/regdata/gm0363/2024/4b063da5b41f4ebe9fb36a6054bd4b8d/nld@2024‑09‑25;12591980

voorgeschreven ontsluiting parkeervoorziening

/join/id/regdata/gm0363/2026/b91513a876514e5187a00e0d82e9f3ae/nld@2026‑05‑12;08425480

voorgeschreven rooilijn

/join/id/regdata/gm0363/2024/f3a9dd2ae2e64dc5bc4dabc1686ac067/nld@2026‑02‑20;08485239

voorgeschreven rooilijn (minimum %)

/join/id/regdata/gm0363/2025/fd46f6576f784af8910a49fac8a13506/nld@2026‑01‑20;12315259

voormalige functionele binding - geluid

/join/id/regdata/gm0363/2024/70c8d916e0c84c65878470cebc66c9d2/nld@2026‑01‑20;12315259

voormalige functionele binding - geur

/join/id/regdata/gm0363/2024/4dbdd9316e0141f88e59d1c9a6c45981/nld@2026‑01‑20;12315259

voormalige functionele binding - slagschaduw

/join/id/regdata/gm0363/2024/8afebd6676bb426080110b4c335c72c4/nld@2026‑01‑20;12315259

voormalige functionele binding - trilling

/join/id/regdata/gm0363/2024/435fab2ebccf4e46a46e24cba90459bc/nld@2026‑01‑20;12315259

voortgezet onderwijs toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/aec256ab8616447aaeb70b8e331ddabb/nld@2026‑02‑20;08485239

vrijwaringsgebied ontplofbare stoffen voor civiel gebruik

/join/id/regdata/gm0363/2024/34a605e93bd14ee3bc5fb6f00f070896/nld@2026‑01‑20;12315259

vrijwaringsgebied vuurwerk

/join/id/regdata/gm0363/2024/3ae2f90379dd4e20b8c1a2ceba71edca/nld@2026‑01‑20;12315259

waarde gezamenlijk geluid

/join/id/regdata/gm0363/2026/8378ffc377e547dabd7036972511cb02/nld@2026‑01‑26;13173720

watersportvoorzieningen

/join/id/regdata/gm0363/2024/840839c5e31540b0875533dc60362d72/nld@2026‑01‑20;12315259

weekmarkt

/join/id/regdata/gm0363/2024/298881acc2e94d319246aa697cd8298e/nld@2026‑01‑20;12315259

weg toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/4c70d1af1a8745bca7dae3f2d5becfa1/nld@2026‑02‑20;08485239

wellness toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/97473188793b4681b22b7a5ce522733b/nld@2026‑01‑20;12315259

windturbine toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/94e4656a04ea436a9ac76c4eae95be89/nld@2026‑01‑20;12315259

woonschip - afwijkende geluidsnorm

/join/id/regdata/gm0363/2024/270127bbec214155898fb9816e8aba7e/nld@2026‑01‑20;12315259

ziekenhuis toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/1e820b3b041f4bbb847946c0bccd131e/nld@2026‑01‑20;12315259

Zone 1: hoge stallingsnorm fiets

/join/id/regdata/gm0363/2024/2e0c95a3f93742f2a89228136788021b/nld@2024‑09‑25;12591980

Zone 2: gemiddelde stallingsnorm fiets

/join/id/regdata/gm0363/2024/1d1307cc877c47d2a769d28a8c7794d8/nld@2024‑09‑25;12591980

Zone 3: lage stallingsnorm fiets

/join/id/regdata/gm0363/2024/74f0152fdb75470f988c022c66c95e8d/nld@2026‑01‑26;13173720

zorgwoning

/join/id/regdata/gm0363/2024/99867d9738bc49519f4e70e23c86462f/nld@2026‑02‑20;08485239

zwembad toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/9ecc40b6c6cb4621b8c6185bf0f7c07f/nld@2026‑01‑20;12315259

LLLLLLLLLL

Bijlage VII wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage VII Toegestane bedrijven als bedoeld in artikel 2.86

1 Toegestane bedrijven als bedoeld in artikel 2.86

Bedrijfsactiviteit:

Adres waarop de bedrijfsactiviteit plaatsvindt:

- algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. > 500 m² gereserveerd

3.1 gereserveerd

gereserveerd

gereserveerd

gereserveerd

gereserveerd

gereserveerd

gereserveerd

gereserveerd

gereserveerd

gereserveerd

gereserveerd

gereserveerd

gereserveerd

gereserveerd

gereserveerd

gereserveerd

gereserveerd

MMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

9.2.2.4 Toelaten van gebouwen en locaties in het omgevingsplan 

Artikel 5.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat de paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing zijn op het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van bepaalde activiteiten. 

Voor het toelaten van gebouwen en locaties in het omgevingsplan geven de instructieregels aan welke afstanden voor het plaatsgebonden risico in acht genomen moeten worden of waarmee rekening gehouden moet worden. Het moment waarop aan de regels getoetst moet worden is afhankelijk van de vormgeving van het omgevingsplan. Bij een omgevingsplan waarin specifieke activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden toegelaten, worden de aan te houden afstanden tussen gebouwen en locaties en deze activiteiten met externe veiligheidsrisico’s in het omgevingsplan zelf in acht genomen, of is daarmee rekening gehouden. Als in een omgevingsplan juist ruime en globale bouw- en gebruiksmogelijkheden gehanteerd worden, zijn de afstanden niet op voorhand duidelijk. Het omgevingsplan kan wel bepaalde activiteiten vooraf uitsluiten, zoals activiteiten met externe veiligheidsrisico’s of de activiteit wonen, of die activiteiten pas na toetsing toelaten. Een andere manier is om de instructieregels voor externe veiligheid op te nemen in het omgevingsplan. 

Het bevoegd gezag heeft dus verschillende keuzemogelijkheden bij het toelaten van gebouwen en locaties in het omgevingsplan. In het omgevingsplan voor Amsterdam is hier als volgt invulling aan gegeven. 

Het toelaten van gebouwen en locaties gebeurt met toepassing van de regels over gebruik en bouwwerken zoals opgenomen in hoofdstuk 3 tot en met 5. Welk gebruik waar is toegestaan, wordt bepaald in hoofdstuk 2. Waar gebouwen mogen komen, wordt bepaald in hoofdstuk 5. De afweging wordt gemaakt per afzonderlijk wijzigingsbesluit waarmee vormen van gebruik en gebouwen op een bepaalde locatie worden toegelaten. Bij die afzonderlijke wijzigingsbesluiten wordt dan gemotiveerd op welke wijze aan de instructieregels wordt voldaan. Daarbij kan rekening worden gehouden met de algemeen geldende regels die in het omgevingsplan zijn opgenomen. Zo bevat hoofdstuk 3 een regelonderdeel met beperkingen over het gebruik van beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico' (onderdeel 3.2.10). Het aanwijzen van een dergelijk beperkingengebied gebeurt bij afzonderlijke wijzigingsbesluiten, bijvoorbeeld bij het wijzigingsbesluit waarmee een bestemmingsplan wordt vervangen. Is een gebied als zodanig aangewezen, dan gelden daar de beperkingen van onderdeel 3.2.10. Die beperkingen houden onder meer in dat het gebruik als kwetsbaar gebouw (een enkele bepaalde uitzondering daargelaten) niet is toegestaan (artikel 3.473.48). Verder geldt voor een wijziging van gebruik naar een beperkt kwetsbaar gebouw een vergunningplicht (artikel 3.483.49). Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag wordt het externe veiligheidsrisico nadrukkelijk betrokken (artikel 3.493.50). Het verbod en de vergunningplicht blijven beperkt tot kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen. Reden is dat bij de toepassing van hoofdstuk 2 zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties sowieso niet kunnen worden toegestaan binnen een beperkingengebied externe veiligheid. Aanvullend op deze algemene regels in hoofdstuk 3 bevat hoofdstuk 4 een vergunningplicht voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk. Ook daaraan zijn beoordelingsregels met het oog op externe veiligheid gesteld (onderdeel 4.2.4.9  tot en met 4.2.4.11). 

NNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

9.2.2.5 Veiligheid rond opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines

Paragraaf 5.1.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels met betrekking tot externe veiligheid bij opslag, productie, gebruik en vervoer gevaarlijke stoffen en windturbines. In deze paragraaf zijn bepalingen opgenomen op het gebied van externe veiligheidsrisico’s voor omgevingsplannen. Deze regels betreffen, naast het toepassingsbereik, in de eerste plaats instructieregels op het gebied van het zogenaamde plaatsgebonden risico (zie daarvoor artikel 5.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Deze instructieregels hebben ofwel het karakter van een in acht te nemen regel ofwel van een regel waarmee rekening moet worden gehouden. Deze paragraaf bevat, naast regels voor het bepalen van zogeheten brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden, het aanwijzen van bouwvoorschriftengebieden voor brand en explosie, ook regels voor het afwegen van de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (groepsrisico). 

Artikel 5.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het op een locatie toelaten van bepaalde milieubelastende activiteiten in verband met het externe veiligheidsrisico voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Gelet op artikel 5.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is deze paragraaf ook van toepassing op het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. 

De uitvoering van de instructieregels is met verschillende regels in het omgevingsplan geborgd. Ten eerste wordt in hoofdstuk 2 bepaald waar bedrijven met activiteiten als bedoeld 5.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving plaatsvinden (risicobedrijven) mogen komen. Artikel 2.87 bepaalt dat dat uitsluitend mag ter plaatse van de aanduiding 'risicobedrijf toegestaan'. Waar die aanduiding kan worden toegekend, wordt per gebied bepaald. Bijvoorbeeld bij het vervangen van het voorheen vastgestelde bestemmingsplan. Bij het toelaten van risicobedrijven zoals bedoeld in artikel 2.87  moet worden voldaan aan de overige in paragraaf 5.1.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving gestelde instructieregels. Bij een wijziging van het omgevingsplan waarmee de in dat artikel bedoelde risicobedrijven worden toegelaten, moet worden gemotiveerd op welke wijze aan de instructieregels uitvoering wordt gegeven.   

LPG-tankstations vallen niet onder de werking van artikel 2.87 (beperkende regel risicobedrijven) omdat het een vorm van detailhandel is (verkoop aan particulieren). Artikel 2.59 bevat een vergelijkbare locatiebeperking als die voor risicobedrijven; verkoop van LPG is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘verkoop LPG’ toegestaan. Hiernaast bevat artikel 9.204 een binnenplanse vergunningplicht voor deze activiteit. Daarbij worden de mogelijkheden beoordeeld om ongevallen te voorkomen en de gevolgen van ongevallen te beperken. Deze bepaling is met name van belang voor de vestiging van nieuwe LPG-tankstations dan wel wijziging van bestaande LPG-tankstations als die vestiging of wijziging in hoofdstuk 2 (dan wel in het tijdelijk deel van het omgevingsplan) reeds is toegestaan. 

Het omgevingsplan bevat geen locatiebeperking voor het opslaan van propaan of propeen in opslagtanks. Deze activiteit komt veelal bij bedrijven voor. Daar geldt wel de locatiebeperking voor risicobedrijven. Het valt ook niet uit te sluiten dat opslaan van propaan en propeen in opslagtanks ook bij andere gebruiksdoelen plaats vindt, bijvoorbeeld bij wonen in buitengebieden. In dat geval geldt een binnenplanse vergunningplicht met dezelfde beoordelingscriteria als voor tanken van LPG.

Plaatsgebonden risico

Artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat in een omgevingsplan (behoudens enkele uitzonderingen) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht wordt genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Dit artikel ziet op het uitgangspunt dat mensen in kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen, zoals woningen, scholen en ziekenhuizen en op kwetsbare locaties, zoals grote recreatieterreinen, niet aan een plaatsgebonden risico van meer dan één op de miljoen per jaar mogen worden blootgesteld. Dit is om burgers een bepaald basisbeschermingsniveau te garanderen. Met het plaatsgebonden risico gaat het om een risico als rechtstreeks gevolg van een ongeval met een activiteit met externe veiligheidsrisico’s, zowel voor activiteiten met gevaarlijke stoffen als voor risico’s vanwege windturbines. 

Bij een wijziging van het omgevingsplan, moet worden gemotiveerd dat aan het in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving opgenomen vereiste wordt voldaan. 

Aandachtsgebieden

In artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden drie aandachtsgebieden geïntroduceerd: het brandaandachtsgebied, het explosieaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied. Het aanwijzen van brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden gebeurt in het Besluit kwaliteit leefomgeving zelf. De aandachtsgebieden gelden zonder dat deze in een omgevingsplan worden aangewezen. Doordat aandachtsgebieden gelden wordt in een vroeg stadium duidelijkheid geboden over de mogelijke gevolgen die bij een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen kunnen optreden. Initiatiefnemers, gemeenten en andere belanghebbenden kunnen hier rekening mee houden bij het ontwikkelen van nieuwe initiatieven. 

Bij een wijziging van het omgevingsplan die betrekking heeft op een aandachtsgebied moet worden gemotiveerd op welke wijze hiermee rekening is gehouden. 

Voorschriftengebieden

Op grond van artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving kan in een omgevingsplan een locatie waar een brand- of explosieaandachtsgebied is toegelaten worden aangewezen als een brandvoorschriften- respectievelijk explosievoorschriftengebied. Binnen de voorschriftengebieden gelden bouwvoorschriften voor bouwwerken. Die bouwvoorschriften zijn geregeld in paragraaf 4.2.14 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Na aanwijzing van het gebied gelden deze voorschriften rechtstreeks op grond van dat besluit. 

Deze bepaling biedt ruimte voor gemeenteraden om in een omgevingsplan waarvan de concrete invulling nog niet vaststaat toch alvast aandachtsgebieden toe te laten voor toekomstige activiteiten en deze locatie aan te wijzen als brandvoorschriften- of explosievoorschriftengebied. Aangezien deze bepaling een bevoegdheid inhoudt, hoeft niet voor elke locatie waar een aandachtsgebied is toegelaten een voorschriftengebied te worden aangewezen. Als echter eenmaal een aandachtsgebied geldt omdat een bepaalde activiteit met externe veiligheidsrisico’s wordt verricht, dan is aanwijzing van een voorschriftengebied in ieder geval verplicht als op die locatie ook zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten. 

Deze bouwvoorschriftengebieden voor brand en explosie worden wel in het omgevingsplan aangewezen. Dat gebeurt met toepassing van artikel 4.1174.120 en 4.1184.121. De daadwerkelijke aanwijzing vindt per gebied plaats. Bij het wijzigingen van het omgevingsplan waarmee dit gebeurt, wordt gemotiveerd op welke wijze aan de desbetreffende instructieregel uitvoering wordt gegeven. 

In artikel 9.205 is bovendien een verbod opgenomen om activiteiten met aandachtsgebieden te starten voordat het brand- of explosievoorschriftengebied is aangewezen dan wel daarvan gemotiveerd is afgezien. 

Groepsrisico

Artikel 5.15 bepaalt dat in een omgevingsplan voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied rekening wordt gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. 

Deze bepaling heeft als doel de kans op maatschappelijke ontwrichting door het overlijden van grote groepen mensen te beperken. Binnen de aandachtsgebieden kunnen zich ongewone voorvallen met gevaarlijke stoffen voordoen, waarbij afhankelijk van de bevolkingsdichtheid in het gebied meer of minder slachtoffers kunnen vallen. Daarnaast kan schade optreden aan gebouwen, locaties en het milieu. In feite is dit artikel een concretisering van de wettelijke verplichting dat het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet inhouden ook met het oog op het waarborgen van de veiligheid. 

Op grond van het eerste lid moet de gemeenteraad in het omgevingsplan rekening houden met de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied dat wordt veroorzaakt door een activiteit met externe veiligheidsrisico’s. Deze kans wordt aangeduid als het groepsrisico. Dit betekent onder meer dat de gemeenteraad een eigen afwegingsruimte heeft bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een aandachtsgebied op een locatie buiten de afstand waar de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico geldt. Het noemen van het aantal van tien personen betekent niet dat de kans berekend moet worden. De vraag of van een groepsrisico sprake is, kan ook beantwoord worden aan de hand van demografische gegevens of onderbouwde schattingen.

De wijze waarop de gemeenteraad kan voldoen aan de instructieregel om rekening te houden met het groepsrisico is geregeld in het tweede lid. Om te voldoen aan de plicht om met het groepsrisico rekening te houden worden achtereenvolgens de volgende opties worden overwogen: 1) De ruimtelijke ontwikkeling vindt buiten het aandachtsgebied plaats. 2) Het omgevingsplan biedt waarborgen dat binnen een aandachtsgebied zodanige maatregelen zijn getroffen dat de kans dat personen binnen een gebouw of op een locatie buiten een gebouw overlijden als gevolg van een brand, explosie of giftige stof voldoende wordt beperkt. 3) Het omgevingsplan bevat regels die het mogelijke aantal slachtoffers binnen het aandachtsgebied beperken. 

De eerste optie biedt in beginsel de meeste bescherming. Bij de tweede optie gaat het om maatregelen waardoor de kans op het dodelijk letsel voor tien of meer personen in een gebouw en in het verlengde daarvan, schade aan milieu en economie, tot een maatschappelijk verantwoorde kleine kans wordt gereduceerd. De derde optie houdt in dat de gemeenteraad het mogelijke aantal slachtoffers kan beperken door een dichthedenbeleid te ontwikkelen voor het groepsrisico.

Bij een wijziging van het omgevingsplan moet worden gemotiveerd op welke wijze hiermee rekening is gehouden. 

Risicogebied externe veiligheid

Artikel 5.16 van het Besluit kwaliteit leefomgeving geeft de gemeenteraad een discretionaire bevoegdheid om een risicogebied aan te wijzen rondom een locatie waar bepaalde activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden toegelaten, zoals Seveso-inrichtingen en stuwadoorsbedrijven. Uit de term risicogebied externe veiligheid blijkt al dat het gaat om specifieke gebieden met verhoogde externe veiligheidsrisico’s. Het gaat in dit gebied om bedrijven waarvan de externe veiligheidsrisico’s vanwege de aard, diversiteit of hoeveelheid van de aanwezige gevaarlijke stoffen en het type activiteiten binnen het bedrijf verhoogd zijn (chemische procesindustrie, bedrijven met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen als onderdeel van de vervoersketen). Het gaat om een bijzondere regeling met het oogmerk bedrijven met verhoogde externe veiligheidsrisico’s zo veel mogelijk te groeperen en op afstand te houden van (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties. Dit artikel is erop gericht deze activiteiten de benodigde ontwikkelruimte te geven. Andere redenen om een risicogebied externe veiligheid aan te wijzen zijn de voordelen die voortvloeien uit het bij elkaar vestigen van risicoveroorzakende bedrijven: bedrijven kunnen gebruik maken van gemeenschappelijke voorzieningen in het gebied, waaronder voorzieningen op het gebied van de rampbestrijding, overslaglocaties, buisleidingstraten, aanvoerroutes, energiecentrales enzovoort. Ook voor de omgeving heeft een risicogebied voordelen: de clustering van risicoveroorzakende bedrijven geeft een kleiner ruimtebeslag van het risicogebied en de scheiding tussen kwetsbare bebouwing en risicobedrijven is beter. 

Het aanwijzen van een risicogebied externe veiligheid gebeurt met toepassing van artikel 21.2 van het omgevingsplan. De daadwerkelijke aanwijzing vindt per afzonderlijk wijzigingsbesluit plaats. Bijvoorbeeld bij het vervangen van het voorheen vastgestelde bestemmingsplan. Bij het wijzigingen van het omgevingsplan waarmee dit gebeurt, wordt gemotiveerd op welke wijze aan de hierop betrekking hebbende instructieregels uitvoering wordt gegeven. 

OOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

9.2.5.2 Geluid door industrieterreinen met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden

Subparagraaf 5.1.4.2a.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de instructieregels voor de vaststelling van omgevingsplannen die betrekking hebben op een industrieterrein. Dat zijn de terreinen waarvoor op grond van de Omgevingswet geluidproductieplafonds moeten worden vastgesteld. In de instructieregels van deze subparagraaf wordt geen onderscheid gemaakt tussen een omgevingsplan voor een nieuw industrieterrein of voor de wijziging van een bestaand industrieterrein. In alle gevallen gelden dezelfde instructieregels. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar hoofdstuk 5 en de artikelgewijze toelichting van de Nota van Toelichting bij het Aanvullingsbesluit Geluid (Staatsblad 2020, 557). 

In de Omgevingswet is bepaald dat voor een industrieterrein geluidproductieplafonds als omgevingswaarden moeten worden vastgesteld. Een geluidproductieplafond voor een industrieterrein begrenst het geluid door een industrieterrein en beschermt daarmee de omgeving van het industrieterrein tegen het gezamenlijke geluid van alle activiteiten op een industrieterrein. Daarom wordt een geluidproductieplafond ook vastgesteld als een omgevingswaarde: een aan de overheid gestelde eis over de staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

De keuze voor het systeem van geluidproductieplafonds vloeit ook voort uit de wens om bron en omgeving in de beheersfase beter juridisch te scheiden. Onder de Wet geluidhinder was een grenswaarde voor een nieuwe woning ook direct een grenswaarde voor het industrieterrein die de geluidrechten van het industrieterrein kon aantasten. In het systeem van geluidproductieplafonds is dat niet meer mogelijk omdat bij omgevingsprocedures altijd moet worden uitgegaan van het geluid door het industrieterrein bij volledige benutting van de geldende geluidproductieplafonds. Daarmee zijn het geluid door activiteiten op het industrieterrein en het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw juridisch losgekoppeld. Een ander voordeel van het systeem van geluidproductieplafonds is dat besloten kan worden om niet direct, maar pas op termijn aan een geluidproductieplafond te voldoen. Dat geeft flexibiliteit en voorkomt dat industrieterreinen 'op slot' gaan zoals onder de Wet geluidhinder.

Instructieregels met betrekking tot het industrieterrein 

De instructieregels voor industrieterreinen bestaan op de eerste plaats uit regels met betrekking tot het toelaatbare geluid op geluidreferentiepunten van de geluidbron, dat wil zeggen door het industrieterrein als geheel. Bij het bepalen van het toelaatbare geluid op geluidreferentiepunten wordt het geluid betrokken dat de bestaande en toekomstige activiteiten op het industrieterrein produceren en het geluid op geluidgevoelige gebouwen in de omgeving dat daardoor wordt veroorzaakt. Voor het geluid op bestaande geluidgevoelige gebouwen gelden normen waaraan getoetst wordt. Het toelaatbare geluid op geluidreferentiepunten wordt daarna, net als bij wegen en spoorwegen, vastgelegd met geluidproductieplafonds die in dit geval rond het industrieterrein liggen. Een geluidproductieplafond is daarmee het resultaat van de afweging tussen het benutten van een industrieterrein en het beschermen van de omgeving tegen het geluid van dat industrieterrein. De geluidproductieplafonds worden in de regel vastgesteld door de gemeente als onderdeel van het omgevingsplan voor het industrieterrein. In het omgevingsplan wordt ook de begrenzing van het industrieterrein vastgelegd. 

Instructieregels voor activiteiten op een industrieterrein 

Een tweede groep van instructieregels voor het geluid van industrieterreinen richt zich op activiteiten op het industrieterrein die geluid veroorzaken. Die instructieregels verplichten de gemeente om in het omgevingsplan geluidregels op te nemen voor de toegelaten activiteiten om te borgen dat de geluidproductieplafonds worden nageleefd. De geluidregels voor activiteiten op een industrieterrein zijn vergelijkbaar met de geluidregels voor activiteiten die niet op een industrieterrein worden uitgevoerd. Belangrijk verschil is dat de geluidregels voor activiteiten op een industrieterrein zijn gericht op het voldoen aan het geluidproductieplafond, terwijl de geluidregels voor activiteiten buiten industrieterreinen worden gerelateerd aan omliggende geluidgevoelige gebouwen. De geluidregels kunnen in het omgevingsplan worden afgestemd op de aard van de activiteiten en de locatie op het industrieterrein, waardoor een op de lokale situatie toegesneden geluidverdeling kan ontstaan. Bij de beoordeling van een aanvraag voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten wordt rekening gehouden met de voor de betreffende percelen in het omgevingsplan opgenomen geluidregels.

Wat zijn industrieterreinen? 

De geluidregels zijn van toepassing op industrieterreinen. Industrieterreinen zijn in dit verband terreinen waar 'bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten kunnen worden verricht, die in aanzienlijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken' (deze worden vaak ook ‘grote lawaaimakers’ genoemd). Die activiteiten zijn aangewezen in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, dat voor het merendeel van deze activiteiten overigens verwijst naar een bijlage bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

Voor een bedrijventerrein waarop geen grote lawaaimakers zijn toegelaten, hoeven geen geluidproductieplafonds te worden vastgesteld. Het besluit biedt wel de mogelijkheid om een bedrijventerrein te voorzien van geluidproductieplafonds. Daarmee wordt het betreffende bedrijventerrein voor de werking van dit besluit gelijkgesteld aan een industrieterrein, met alle rechten én plichten die daaraan zijn verbonden.

Bevoegd gezag voor industrieterreinen 

In de Omgevingswet is bepaald dat de gemeenteraad bevoegd is tot het vaststellen van geluidproductieplafonds rond industrieterreinen gelegen in haar gemeente. Voor industrieterreinen die bij omgevingsverordening zijn aangewezen zijn provinciale staten het bevoegd gezag. In de Omgevingsverordening Noord-Holland is Westpoort aangewezen als industrieterrein van regionaal belang. 

De ligging van het geluidaandachtsgebied speelt bij die bevoegdheid geen rol; het kan geheel in de eigen gemeente liggen maar ook gedeeltelijk in andere gemeenten. Met het vaststellen van een geluidproductieplafond neemt de gemeente ook een besluit over de toelaatbaarheid van het geluid op geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied van dat industrieterrein, ook als die gebouwen in een andere gemeente liggen. Anders gezegd: het primaat ligt bij het bevoegd gezag voor de bron, in dit geval een industrieterrein. Dat was onder de Wet geluidhinder overigens niet anders.

De geluidproductieplafonds

De werking van het systeem is als volgt. De plafonds leggen de bovengrens vast voor het geluid op geluidreferentiepunten van een industrieterrein als geheel. Regels in het omgevingsplan borgen dat het geluid voldoet aan die bovengrens. Daarmee wordt de omgeving beschermd tegen het gezamenlijke geluid van alle activiteiten op een industrieterrein. 

Gemeenten hebben tot een nader  te bepalen tijdstip de tijd om geluidproductieplafonds vast te stellen. Daarbij wordt ook bekeken welke regels in het omgevingsplan nodig zijn om te borgen dat er wordt voldaan aan de geluidproductieplafonds.

Met het oog op beheersing van geluid van milieubelastende activiteiten op industrieterreinen bevat Hoofdstuk 9 een specifieke regel, namelijk dat de langtijdgemiddelde geluidproductie van deze activiteiten niet meer mag bedragen dan 50 dB(A) in de dagperiode (7.00-19.00), 45 dB(A) in de avondperiode (19.00-23.00) tot 40 dB(A) in de nachtperiode (23.00-7.00) op 50 meter afstand (zie artikel 9.50 Waarde industrieterrein). Indien voor een activiteit een maatwerkvoorschrift geldt (waaronder mede wordt verstaan voorschriften van milieuvergunningen die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gesteld), dan dient de milieubelastende activiteit aan dat maatwerkvoorschrift te voldoen. Hiernaast kunnen bestemmingsplannen (tijdelijk deel omgevingsplan) ook regels bevatten met het oog op beheersing van de totale geluidproductie van het industrieterrein. Zo gelden bijvoorbeeld in Westpoort de aanvullende regels van het Geluidverdeelplan.

Bij het vaststellen van de geluidproductieplafonds dient het bevoegd gezag te beoordelen of deze regels voldoende zijn om de naleving van de geluidproductieplafonds te borgen of er aanvullende of andere regels meer geschikt zijn. In dat geval worden die aanvullende regels aan het omgevingsplan toegevoegd.

In hoofdstuk 9 (artikel 9.34) is een verbod opgenomen voor een specifieke groep van grote lawaaimakers, namelijk voor grote elektro- en verbrandingsmotoren en voor transformatoren om zonder omgevingsvergunning buiten een industrieterrein hun activiteit te verrichten. Die vergunning kan alleen verleend indien de geluidbelasting relatief gering is. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan 5.72a van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor de overige grote lawaaimakers bevat het Besluit activiteiten leefomgeving een vergelijkbaar verbod. 

Tot slot bevat Hoofdstuk 9 verschillende informatieplichten in verband met het beheersen van geluid van het industrieterrein (zie artikel 9.27 en 9.28). 

Overgangsperiode

Ten aanzien van industriegeluid vindt zoals hiervoor aangegeven een beleidsvernieuwing plaats onder de Omgevingswet. Deze geluidbron wordt voortaan ook door de systematiek van geluidproductieplafonds gereguleerd in plaats van de geluidzonering op grond van de hiervoor geldende Wet geluidhinder. 

In artikel 3.6, eerste lid van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet is geregeld dat het oud recht van toepassing blijft op bestaande industrieterreinen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder (hierna: gezoneerde industrieterreinen) totdat de geluidproductieplafonds zijn vastgesteld. Dat betekent onder meer dat in deze 'tussenperiode' (totdat geluidproductieplafonds zijn vastgesteld) bij het wijzigen van het omgevingsplan (dan wel het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) waarmee een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten getoetst moet worden aan de Wet geluidhinder zoals dat gold voor het tijdstip van de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De toets aan de Wet geluidhinder houdt in dat er getoetst wordt aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. De voorkeurgsgrenswaarde bedraagt 50 dB(A) conform artikel 40 voor woningen en artikel 2.1 van het Besluit geluidhinder voor andere geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige terreinen. Het is mogelijk om een hogere waarde dan de voorkeursgrenswaarde in acht te nemen indien toepassing van maatregelen onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. In dat geval stellen burgemeester en wethouders een hogere waarde vast met toepassing van artikel 110a van de Wet geluidhinder. (Dit heet het hogere waarde besluit.) Die hogere waarde mag niet hoger zijn dan de zogenaamde maximale ontheffingswaarde. De maximale ontheffingswaarde bedraagt niet meer dan 55 dB(A) voor woningen (artikel 45 Wet geluidhinder), 60 dB(A) voor onderwijsgebouwen, ziekenhuizen of verpleeghuizen, 55 dB(A) voor verzorgingshuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven en geluidsgevoelige terreinen, namelijk woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonschepen (zie artikel 2.2 Besluit geluidhinder). In bijzondere situaties, zoals indien de zeehavennorm wordt toegepast (zie artikel 50 Wet geluidhinder) of bij vervangende nieuwbouw (zie artikel 51 Wet geluidhinder) gelden er hogere maximale ontheffingswaarden. 

Van de maximale ontheffingswaarde mag worden afgeweken met toepassing van de stad- en milieubenadering op grond van de Interimwet stad- en milieu dan wel met de flexibiliteitsinstrumenten van de Crisis- en herstelwet.

De geluidnormen gelden op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. Een zogenaamde dove gevel (een gevel zonder te openen delen dan wel met alleen bij uitzondering te openen delen) wordt niet als gevel gezien op grond van artikel 1b, vierde lid van de Wet geluidhinder. Daarom is het mogelijk om geluidgevoelige gebouwen met een dove gevel te realiseren ook als de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden. Indien van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, wordt in het omgevingsplan (of in de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevinsplanactiviteit) bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is (zie artikel 12.13f van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Van dit vereiste in het omgevingsplan kan met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit niet afgeweken worden. Bronbeheerders gaan immers uit van de gegevens van geluidgevoelige gebouwen zoals in het omgevingsplan bepaald.  

PPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

9.2.5.3 Geluid door wegen en lokale spoorwegen zonder geluidsproductieplafonds als omgevingswaarden

Subparagraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels met betrekking tot geluid door wegen en lokale spoorwegen zonder geluidsproductieplafonds als omgevingswaarden. Hiermee zijn nieuwe regels gesteld voor gemeentewegen en lokale spoorwegen om woningen en andere geluidgevoelige gebouwen beter te beschermen tegen geluidhinder. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar hoofdstukken 6 en 7 van de Nota van Toelichting bij het Aanvullingsbesluit Geluid (Staatsblad 2020, 557). 

De taak om het geluid van bepaalde gemeentewegen en lokale spoorwegen te beheersen is in het Besluit kwaliteit leefomgeving uitgewerkt in twee te onderscheiden typen instructieregels: instructieregels met een preventieve werking en instructieregels met een correctieve werking. De preventieve instructieregels worden toegepast bij besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen of over infrastructuur. Het gaat dan bijvoorbeeld om aanleg van of wijzigingen in infrastructuur of de bouw van woningen. Toepassing van deze regels bewerkstelligt voor wat betreft geluid een aanvaardbare kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De correctieve instructieregels volgen uit de Europese richtlijn omgevingslawaai en houdt de verplichting tot het opstellen van een actieplan geluid in. Op grond van de correctieve instructieregels betekent dit in essentie een plicht tot monitoring van het geluid van gemeentewegen en lokale spoorwegen, met daaraan gekoppeld de plicht geluidbeperkende of geluidwerende maatregelen te overwegen als uit de monitoring blijkt dat het geluid van die (spoor)wegen in een bepaalde mate is toegenomen. 

Een omgevingsplan dat aanleg of wijziging van een (spoor)weg of het gebruik van een spoorweg, toelaat moet voldoen aan de preventieve geluidregels. Deze regels zijn zo geformuleerd dat een gemeente ze direct kan toepassen bij vaststelling van een omgevingsplan, of in het omgevingsplan regels kan opnemen waardoor de toetsing uitgesteld wordt naar een later tijdstip. Als de instructieregels direct worden toegepast, worden zo nodig ook de geluidbeperkende maatregelen vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met het maximale geluid in de omgeving die door het bewuste besluit worden toegelaten. Als het omgevingsplan bijvoorbeeld een weg met vier rijstroken toelaat, zal getoetst moeten worden op basis van die situatie, ongeacht het aantal rijstroken dat in eerste instantie wordt aangelegd. Hetzelfde geldt voor de afstand van de weg tot geluidgevoelige gebouwen. Een andere mogelijkheid is dat niet wordt uitgegaan van de infrastructuur die in het omgevingsplan in beginsel is toegelaten, maar dat het omgevingsplan regels bevat die een (nieuwe) toetsing van geluid voorschrijven als op termijn een wijziging van infrastructuur mogelijk is zonder dat daar een wijziging van het omgevingsplan voor nodig is. In plaats van in het omgevingsplan gedetailleerd de ligging van een weg of spoorweg vast te leggen, kan de gemeente dan met een binnenplans vergunningstelsel in het omgevingsplan regelen dat op een later moment alsnog wordt getoetst aan de geluidregels (zie meer uitgebreid onder andere paragraaf 2.4 van de Nota van Toelichting bij het Aanvullingsbesluit Geluid, Staatsblad 2020, 557). 

In dit omgevingsplan is gekozen voor dat laatste. In hoofdstuk 11 is een vergunningplicht opgenomen voor het aanleggen of wijzigen van de betreffende (spoor)wegen en voor het wijzigen van het gebruik van een lokale spoorweg. Overigens valt niet elke wijziging onder de vergunningplicht. In navolging van de instructieregels blijft de vergunningplicht beperkt tot een aantal specifiek benoemde wijzigingen (zie artikel 11.4). Met betrekking tot die activiteiten vindt de finale beoordeling op de aanvaardbaarheid van het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen plaats in het kader van die vergunningaanvraag. 

Het doorschuiven in de tijd van het toetsen aan geluidregels betekent overigens niet dat bij de voorbereiding van het omgevingsplan helemaal geen aandacht aan geluid hoeft te worden besteed. De uitvoerbaarheid van het omgevingsplan moet altijd en dus ook vanuit het perspectief van geluid aannemelijk worden gemaakt. Dat onderzoek kan dan wel globaal zijn, waarbij gebruik wordt gemaakt van de informatie die op dat moment beschikbaar is.

In dit omgevingsplan wordt in hoofdstuk 11 met een vergunningplicht uitvoering gegeven aan de preventieve instructieregels voor wat betreft het aanleggen of wijzigen van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg, of het wijzigen van gebruik van een lokale spoorweg. In navolging van de instructieregels, zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving, heeft hoofdstuk 11 uitsluitend betrekking op verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafonds, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.0002.500 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde, en lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds.

De regeling voorziet erin dat bij de aanleg van een nieuwe weg of spoorweg het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger wordt dan de standaardwaarde. Verder voorziet de regeling erin dat bij wijziging van een bestaande weg of spoorweg het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger wordt dan de standaardwaarde of, als het al hoger was dan de standaardwaarde, het niet verder toeneemt.

De gemeente kan meer geluid toestaan, maar alleen als geen geluidbeperkende maatregelen mogelijk zijn die ervoor zorgen dat de standaardwaarde niet wordt overschreden of die ervoor zorgen dat het geluid niet toeneemt. In beginsel mag de grenswaarde niet worden overschreden. Geluidbeperkende maatregelen die niet financieel doelmatig zijn of die stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard hoeven niet te worden afgewogen. Overschrijding van de grenswaarde is alleen mogelijk als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtsvaardigen.

Waar een toename van het geluid moet worden beoordeeld, wordt dit getoetst door de situatie direct voor het besluit te vergelijken met de situatie zoals die is na het volledig doorvoeren van het besluit. Uitgangspunt daarbij is het geluid zoals zich dat naar verwachting voordoet in het maatgevende jaar. Dat volgt uit artikel 5.78a. Over het algemeen kan voor het maatgevende jaar uitgegaan worden van de situatie tien jaar na de beoogde realisatie van het plan, bijvoorbeeld tien jaar na realisatie van een wegverbreding of van een woonwijk. Als dit echter leidt tot een te grote onderschatting van het geluid, dient een ander jaar gekozen te worden als maatgevend jaar.

De regeling, opgenomen in hoofdstuk 11, is alleen van toepassing op gebieden waar het onder oud recht vastgestelde ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen. Daar waar dat niet het geval is, is op het aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafonds de overgangsrechtelijke regeling van toepassing zoals opgenomen in afdeling 22.4.

QQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

9.2.6 Trillingen

Net als geluid kunnen trillingen een nadelige invloed hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Trillingen hebben effect op de gezondheid en het welzijn (door hinder en slaapverstoring). Ook kunnen trillingen materiële schade aan gebouwen veroorzaken of leiden tot verstoring van gevoelige apparatuur of specifieke handelingen (bijvoorbeeld bij laboratoria of operatiezalen).

Trillingen ontstaan doordat een bron (bijvoorbeeld een machine) een kracht uitoefent op de constructie van een gebouw of op de bodem. Het onderscheid tussen de verschijningsvormen van laagfrequent geluid en trillingen is niet altijd even duidelijk waarneembaar. Anders dan bij geluid vindt de overdracht van trillingen echter niet plaats via de lucht, maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden). Bekende trillingsbronnen zijn: wegverkeer, railverkeer (trein, maar ook tram en metro) en bedrijfsmatige activiteiten (stansmachines, draaiende motoren, heftrucks, zwaar materieel e.d.). 

Met uitzondering van de trillinghinder veroorzaakt door milieubelastende activiteiten van bedrijven zijn er geen wettelijke normen vastgelegd om trillinghinder te beperken. Het wettelijk kader beperkt zich tot de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar in het omgevingsplan in ieder geval rekening mee dient te worden gehouden.

Het wettelijk kader laat onverlet dat gemeenten in het omgevingsplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ook in andere gevallen een afweging maken over de verenigbaarheid van activiteiten die trillingen veroorzaken met functies die trillingen ondervinden. Dat kan betekenen dat voldoende afstand wordt gehouden tussen die activiteiten en die functies, of dat er regels worden gesteld over de activiteiten. In aanvulling op het wettelijk kader kan trillinghinder o.a. ten gevolge van verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen in het omgevingsplan worden geregeld.

Hierbij geldt dat rekening houden met trillingen twee kanten op werkt: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten. 

De instructieregels uit § 5.1.4.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn beperkt tot de bescherming van trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten tegen trillingen in het frequentie interval van 1 tot 80 Hertz (Hz), ten gevolge van (milieubelastende) ‘activiteiten anders dan wonen’. Ondanks de ruime benaming suggereert zijn veel activiteiten uitgezonderd. Uitgezonderd van het wettelijk kader zijn:

  • activiteiten bij wonen (tenzij het gaat om een bedrijf aan huis)

  • het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein

  • een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht

  • verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen

  • evenementen die niet plaatsvinden op een locatie voor evenementen

  • tijdelijke trillinggevoelige gebouwen die niet meer dan tien jaar zijn toegelaten

  • een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk is gelegen op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld (een industrieterrein met geluidproductieplafonds), en/of gelegen op een industrieterrein dat onder de Wet geluidhinder ‘gezoneerd’ was (een gezoneerd industrieterrein).



De wettelijke instructieregels en de uitwerking daarvan in het omgevingsplan dienen te waarborgen dat trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten tegen trillingen van bedrijven beschermd zijn en dat trillingen door een activiteit aanvaardbaar zijn (artikel 5.83 Besluit kwaliteit leefomgeving). De begrippen trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten zijn in artikel 5.80 en 5.81 Besluit kwaliteit leefomgeving gedefinieerd. Op grond van artikel 1.1, tweede lid van dit omgevingsplan zijn deze begripsbepalingen van het Besluit kwaliteit leefomgeving ook op dit omgevingsplan van toepassing. Het gaat om woningen en gebouwen voor onderwijs, en gebouwen voor gezondheidszorg- en kinderopvang met bedgebied. Deze categorie komt overeen met geluidgevoelige gebouwen, met het verschil dat woonschepen en woonwagens uitgezonderd zijn van het begrip trillinggevoelig gebouw.

Op grond van het tweede lid van artikel 5.83 Besluit kwaliteit leefomgeving moet het omgevingsplan erin voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het Besluit kwaliteit leefomgeving geeft daarbij de standaardwaarden waaraan in ieder geval moet worden voldaan. Onderscheid wordt daarbij gemaakt tussen continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen. 

Uitgangspunt bij trillinghinder is primair dat continue trillingen niet voelbaar mogen zijn. Continue trillingen worden doorgaans veroorzaakt door stationaire installaties zoals compressoren of koelmachines en stansen ponsactiviteiten. Herhaald voorkomende trillingen worden meestal veroorzaakt door het aan- en afrijden van vrachtwagens en andere transportmiddelen. Voor zowel de continue trillingen als de herhaald voorkomende trillingen zijn normen opgenomen. De normen voor de continue trillingen zijn strenger dan voor de herhaald voorkomende trillingen.

De standaardwaarden voor trillingssterkte in het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn ontleend aan de Meet - en beoordelingsrichtlijn van trillingen, onderdeel B: Hinder voor personen in gebouwen van de Stichting Bouwresearch (SBR). Daarbij wordt de trilling beoordeeld aan de hand van de maximaal optredende trillingssterkte (Vmax) en de gemiddelde trillingssterkte (Vper). Als de trillingssterkte onder de standaardwaarden blijft, mag verwacht worden dat er geen hinder zal optreden. Aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving over milieubelastende activiteiten is uitvoering gegeven in hoofdstuk 9 van het omgevingsplan. De standaardwaarden zijn, conform wettelijke instructie, opgenomen in onderdeel 9.2.2.4.

In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente ook aan de ‘aanvaardbaarheid’ voldoen door het gebruik van andere waarden. In het omgevingsplan kunnen hogere of lagere waarden worden vastgesteld. Voor hogere waarden kan dit alleen, gelet op het Besluit kwaliteit leefomgeving, indien:

  • eerder al een vergunning of maatwerkvoorschrift is verleend met daarin een hogere waarde;

  • het gaat om een afwijking tot 1,8 maal de standaardwaarde op een bedrijventerrein; 

  • het gaat om een afwijking van de standaard- of grenswaarden als zwaarwegende economische of maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.



De afweging of afwijking van de standaardwaarden in de rede ligt, moet per gebied of geval worden gemaakt. Dat kan het geval zijn bij een gebiedsgerichte wijziging, waarmee een lokale maatwerkregel aan dit omgevingsplan wordt toegevoegd, of door middel van een maatwerkvoorschrift. In beide gevallen zal de motivering voor de afwijking van de standaardwaarde worden gegeven bij het betreffende besluit. 

RRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

10.4 Het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken (voorheen welstand)

Onder oud recht beoordeelde de gemeente bij nieuwbouw of verbouw met een welstandstoets of het bouwwerk paste in de omgeving. Dit gebeurde op basis van de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Daarbij gold de welstandsnota als beoordelingskader. De welstandsnota volgt uit het toenmalig artikel 12a, lid 1 van de Woningwet. Hierin stond dat bestaande en nieuwe bouwwerken niet in strijd mochten zijn met redelijke eisen van welstand. Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, zijn de artikelen over welstand in de Woningwet vervallen. Voor de welstandsnota geldt overgangsrecht.

Onder de Omgevingswet loopt het welstandstoezicht via het omgevingsplan. De Omgevingswet laat gemeenten vrij invulling te geven aan het welstandstoezicht. Wel is in artikel 4.19 van de Omgevingswet bepaalt dat als in het omgevingsplan regels worden opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en de toepassing daarvan uitleg behoeft, de gemeenteraad beleidsregels vaststelt voor de beoordeling of een bouwwerk aan die regels voldoet. Deze beleidsregels zijn zo veel mogelijk toegesneden op de te onderscheiden bouwwerken.  

In het omgevingsplan zijn beoordelingsregels voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken met betrekking tot uiterlijk en plaatsing van bouwwerken opgenomen in paragraaf 4.2.4.3. Daarbij is bepaald dat die beoordeling plaatsvindt volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Dat staat in het derde lid van artikel 4.24 van de planregels. Het vierde lid bepaalt dat dit, zolang de welstandsnota nog niet is vervangen, gebeurd aan de hand van de welstandsnota.    

Hiermee wordt de verplichting van artikel 12a van de Woningwet tot het vaststellen van beleidsregels in de vorm van een welstandsnota inhoudelijk voortgezet. Artikel 12a Woningwet bepaalde dat in die welstandsnota in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het bevoegd gezag toepast bij de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd, als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.  

Anders dan in artikel 12a Woningwet spreekt Artikel 4.19 Omgevingswet alleen nog maar van regels over het uiterlijk van bouwwerken, en niet over uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken. Dat neemt niet weg dat het beoordelingscriterium wel betrekking kan hebben op zowel het uiterlijk als de plaatsing van bouwwerken. En over dat laatste kunnen dan eveneens beleidsregels worden vastgesteld (zij het dat daartoe uit artikel 4.19 Omgevingswet geen verplichting volgt). 

In de beoordelingsregels die het preventieve welstandstoezicht vervangen, is gekozen om deze betrekking te laten hebben op uiterlijk en plaatsing van bouwwerken. Bepaald is dat de omgevingsvergunning voor een bouwwerk alleen wordt verleend als uiterlijk of plaatsing, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit. Daarmee wordt uitdrukking gegeven aan de wens de onder oud recht bestaande rechtspraktijk voort te zetten. Dat houdt tevens in dat de ruimte om bij de beoordeling over plaatsing van het bouwwerk mede wordt bepaald door de mate van concreetheid van de ruimtelijke regels over bouwwerken. De beoordeling van het uiterlijk en plaatsing van een bouwwerk dient zich net als onder oud recht te richten naar de bouwmogelijkheden die de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in afdeling 5.5 tot en met afdeling 5.8 of een nog niet vervangen ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, bieden.  

Hiermee wordt de lijn in de rechtspraak zoals die gold onder out recht, voortgezet. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1139:  “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 10 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1129), dient de welstandstoets zich in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Naarmate het bestemmingsplan meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om een bouwplan te realiseren, heeft het college - met inachtneming van de uitgangspunten van het bestemmingsplan - meer beoordelingsruimte om in het kader van de welstandstoets een ter beoordeling voorliggend bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand te achten zonder dat dat oordeel geacht moet worden te leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Indien echter uit de voorschriften en de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat zulk een keuze niet of slechts in beperkte mate aanwezig is - met name indien de bebouwingsmogelijkheden daarin gedetailleerd zijn aangegeven - vormt die opzet bij de welstandstoets een dwingend gegeven.”. 

Een voortzetting van deze lijn houdt concreet in dat naarmate de ruimtelijke regels over bouwwerken in het omgevingsplan, zoals opgenomen in afdeling 5.5 tot en met afdeling 5.8 of een nog niet vervangen ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om een bouwplan te realiseren, het college meer ruimte heeft om in het kader van de beoordeling van het bouwplan het bouwplan in strijd te achten met een goede omgevingskwaliteit. Andersom geldt dat indien uit de ruimtelijke regels over bouwwerken volgt dat een keuze niet of nauwelijks aanwezig is, deze bij de beoordeling als dwingend gegeven moeten worden beschouwd.   

Excessenregeling voor bestaande bouwwerken en vergunningvrije bouwwerken

Voor bestaande bouwwerken en bouwwerken waarvoor de vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geldt, geldt net als onder oud recht een excessenregeling. Voor vergunningvrije bouwwerken is dat nodig omdat die niet vooraf door de gemeenten worden getoetst op welstand. Daartoe was in artikel 22.7, dat bij wijze van bruisschat onderdeel is geworden van het omgevingsplan, bepaald dat de volgende bouwwerken niet in ernstige mate in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand:

  • bestaande bouwwerken, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, en

  • te bouwen bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning voor een  omgevingsplanactiviteit nodig is

 

Bij een welstandsexces is er ernstige strijd met redelijke eisen van welstand. Dus buitensporigheden in het uiterlijk, die ook voor niet-deskundigen duidelijk zijn. Eventuele welstandsexcessen kan de gemeente via het zogeheten repressief welstandstoezicht aanpakken. Repressief welstandstoezicht wil zeggen dat de gemeente kan handhaven en zo aan de ongewenste situatie een einde kan maken. 

Het genoemde artikel 22.7 is omgezet naar artikel 4.1114.114. Het begrippengebruik is daarbij omgezet naar nieuw recht. 

SSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

10.5.2 Stallingsnormering voor fietsen

Op 14 maart 2018 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter 2018 vastgesteld (Gemeenteblad 2018, nr. 183048). Met de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter wordt voorkomen dat Amsterdammers hun fiets of scooter bij nieuwe woningen of voorzieningen in de openbare ruimte moeten stallen en zo een groot beslag leggen op die ruimte. Daarom worden er eisen gesteld bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Initiatiefnemers bij nieuwbouw en herontwikkeling moeten in hun plannen voldoende parkeervoorzieningen voor de fiets opnemen. Het vereiste aantal fietsparkeerplekken bepaalt de gemeente aan de hand van parkeernormen, die verschillen per functie en per zone. Deze normen worden vastgelegd in het omgevingsplan.

De Nota Parkeernormen Fiets en Scooter bevat beleidsregels voor de normering van fietsstallingsplaatsen. In de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter is op pagina 10 aangegeven dat de beleidsregels in bestemmingsplannen (via een voorwaardelijke verplichting) juridisch worden verankerd. Voor scooters geldt de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter als richtlijn (niet bindend), en is een juridische verankering in een bestemmingsplan niet aan de orde.

Met de komst van één omgevingsplan voor heel de gemeente kunnen de normen voor plaatsen voor fietsstalling direct in het omgevingsplan worden opgenomen. Een wijziging van in de norm werkt dan voor alle gevallen waarop de normen van toepassing zijn automatisch door naar alle gebieden waar die norm op grond van het omgevingsplan van toepassing is. Een werkwijze zoals die onder de Wet ruimtelijke ordening in combinatie met het Besluit ruimtelijke ordening werd gehanteerd, waarbij in bestemmingsplannen een open norm werd opgenomen, die nader werd ingevuld door een beleidsregel, is niet langer nodig.  

In de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter worden twee verschillende beoordelingssituaties onderscheiden: 

1. Nieuwbouw: als een gebouw wordt gebouwd op een perceel zonder bebouwing.

2. Herontwikkeling (c.q. transformatie/bestemmingswijziging): het bestaande gebouw krijgt een andere functie.

De voorgestelde regeling is dan ook gericht op wijziging van de bestaande situatie. Uitgangspunt van het beleid, en ook van de regeling, is dat de bestaande situatie (voor zover legaal) mag worden voortgezet. De voorgestelde regeling is dan ook gericht op wijziging van de bestaande situatie. Vanuit de regels gaat dus geen verplichting uit om een legaal ontstane situatie bij wijziging van parkeernormen in overeenstemming te brengen met de nieuwe normen. Dit is expliciet bepaald in artikel 3.143.15.  

Er worden drie gevallen van wijziging onderscheiden, die binnen de regels van dit omgevingsplan en de daarbij gestelde voorwaarden mogelijk zijn.

Allereerst is het mogelijk dat een initiatiefnemer het bestaand gebruik wil wijzigen in een andere vorm van gebruik die op grond van de regels van het omgevingsplan eveneens is toegestaan (we kennen dat onder de Wro als een vorm van gemengde bestemming). In bepaalde gevallen is dan sprake van een herbestemming waarop de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter van toepassing is. Voor die gevallen waarin het omgevingsplan reeds voorziet de nieuwe vorm van gebruik, bevat artikel 3.153.16 de regels voor deze wijziging.

Ten tweede is het mogelijk dat een initiatiefnemer het bestaande aantal plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein wil wijzigen, zonder dat het gebruik op het perceel wijzigt. Deze vorm van wijziging wordt in de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter niet expliciet genoemd, maar is wel relevant. Artikel 3.163.17 geeft hiervoor de regels.

Ten derde zullen er initiatieven zijn die voorzien in nieuwbouw of sloop-nieuwbouw. In dat geval zal (behoudens uitzonderingen) een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken nodig zijn. Subsubparagraaf 4.2.4.5.2 bevat beoordelingsregels met betrekking tot normen voor plaatsen voor fietsstalling waaraan de vergunningaanvraag zal worden getoetst. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit tevens ziet op een ander dan het bestaand gebruik, dan kan sprake zijn van een wijziging van gebruik dat in de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter als herbestemmen wordt gezien. De beoordeling aan de daarop van toepassing zijnde normen wordt in dat geval meegenomen bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Nadat een bouwwerk is vergund en gerealiseerd is sprake van een bestaande situatie. Vanaf dat moment zijn de regels zoals gesteld in subparagraaf 3.2.3.2 van toepassing.    

Het zijn de hiervoor genoemde drie wijzigingen waarover in het omgevingsplan met betrekking tot plaatsen voor fietsstalling regels worden gesteld. Er wordt geen algemene regel gegeven die stelt dat bij planologisch gebruik aan de normen voor plaatsen voor fietsstalling moet worden voldaan. Dat zou er immers toe leiden dat bij elke wijziging van de norm ook bestaande situaties in overeenstemming moeten worden gebracht met de nieuwe norm. Dat is niet wenselijk. Bestaande rechten worden gerespecteerd. Met betrekking tot het voortzetten van de bestaande situatie bevat het omgevingsplan op het punt van plaatsen voor fietsstalling geen regels, en dat is dus zonder meer toegestaan.

Opgemerkt wordt nog dat er ook initiatieven zijn voor wijziging van gebruik of nieuwbouw die niet rechtstreeks passend of vergunbaar zijn binnen de regels van dit omgevingsplan. In dat geval kan een initiatiefnemer een aanvraag indienen voor een buitenplanse omgevingsvergunning. Bij de beoordeling van die aanvraag zal eveneens worden gekeken naar het minimum aantal plaatsen voor fietsstalling dat bij het planologisch gebruik van gronden en bouwwerken op eigen terrein feitelijk beschikbaar dient te zijn ten behoeve van dat planologisch gebruik.

De Nota Parkeernormen Fiets en Scooter is als beleidsregel vastgesteld en aldus van toepassing bij de beoordeling van buitenplanse omgevingsvergunningen.  

Voor wat betreft de normen wordt voorgesteld de huidige normen over te nemen, en deze op te nemen in een bijlage bij de regels. Vanuit de regels wordt naar die bijlage verwezen. De bijlage maakt daarmee onderdeel uit van de regels.

De Nota Parkeernormen Fiets en Scooter kent drie zones die verschillen in intensiteit van het fietsgebruik. De indeling is als volgt:

  • Zone 1 (hoog fietsgebruik):

    • Amsterdam binnen de Ring A10 exclusief de Zuidas

    • Amsterdam-Noord: Overhoeks, Tolhuistuin, Sixhaven en omgeving, IJplein, Hamerkwartier en NDSM-werf en omgeving

  • Zone 2 (gemiddeld fietsgebruik):

    • Zuidas en gebied tussen Zuidas en Gelderlandplein

    • Ringzone West en omgeving station Sloterdijk

    • Amsterdam-Noord: omgeving metrostation Noord en Oud-Noord

    • Arenapoort-West

    • Winkelcentra: Boven ‘t IJ/Buikslotermeerplein

    • Osdorpplein en omgeving, Gelderlandplein

    • Bijlmer Centrum en Arenagebied

  • Zone 3 (laag fietsgebruik):

    • Overig Amsterdam



De onderscheiden locaties worden door middel van aanduidingen in het omgevingsplan aangegeven. Het is dan duidelijk welke locatie-type op een specifieke locatie van toepassing is, en dus welke normen daar gelden.  

Uitgangspunt bij die onderverdeling zijn de bestaande hoog, gemiddeld en laag fietsgebruik. Het is echter mogelijk dat bij nieuwe gebiedsontwikkelingen of transformatie op basis van een specifieke afweging andere normen, of bijvoorbeeld een gebiedsnorm, gewenst zijn. Ook in dergelijke gevallen kan de afwijkende norm aan de desbetreffende locatie worden gekoppeld. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor bestaande ontwikkelingsgebieden waarvoor het voorheen van toepassing zijnde bestemmingsplan voorzag in een specifieke norm, en waarbij de ontwikkeling nog niet is afgerond. Ook in dat geval is nodig dat (indien gewenst) de afwijkende norm voor plaatsen voor fietsstalling specifiek van toepassing wordt verklaard. Pas wanneer de ontwikkeling is afgerond is immers sprake van een bestaande situatie die, ongeacht de algemeen geldende parkeernorm, in stand gehouden mag worden.  

TTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

10.10 Milieuhinder bedrijven

Bedrijven kunnen een bepaalde mate van overlast geven. Gedacht kan worden aan geluid-, stof- en geurhinder. Het omgevingsplan bevat regels om onaanvaardbare overlast te voorkomen. 

Enerzijds gebeurt dat door middel van ruimtelijke regels over het gebruik, zoals opgenomen in hoofdstuk 3 en 2. Paragraaf 2.3.6 in combinatie met artikel 2.3 bepaalt waar de uitoefening van een bedrijf is toegestaan. Paragraaf 2.3.6 bevat ook een zogenaamde bedrijvenregeling, opgenomen in subparagraaf 2.3.6.2. Dit onderdeel regelt de vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven in verband met het aspect milieuhinder. Met betrekking tot het aspect milieuhinder worden de vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven in dit omgevingsplan geregeld via de systematiek van milieuhindercategorieën, zoals die voorheen was vastgelegd in de brochure Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Hoewel de VNG deze brochure inmiddels heeft ingetrokken, blijft Amsterdam deze de systematiek als uitgangspunt gebruiken. De Brochure blijkt in de praktijk een goed werkend instrument dat in de afgelopen decennia zijn nut heeft bewezen. Indien nodig, zal de gemeente de Lijst van bedrijfsactiviteiten (opgenomen in Bijlage IVBijlage VI bij de regels) actualiseren of bijwerken. Voor een meer uitgebreide toelichting op de wijze van regulering wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 11.2.5.6 van deze toelichting. 

Anderzijds wordt onaanvaardbare overlast voorkomen door het stellen van regels over milieubelastende activiteiten. Daarmee wordt gedoeld op activiteiten die ‘nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit’. Nadelige gevolgen voor het milieu kunnen bijvoorbeeld zijn emissies van stoffen, geluid of geur naar de omgeving, of gevolgen voor de veiligheid of CO2 uitstoot. De regels over milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan zijn opgenomen in hoofdstuk 9 van het omgevingsplan. De regels zijn aanvullend op het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor een meer uitgebreide toelichting op de regeling in het omgevingsplan wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 11.9 van deze toelichting. 

UUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

10.11 Hemelwaterafvoer bij bouwwerken

Amsterdam heeft in het Omgevingsprogramma Riolering 2022-2027 de ambitie opgenomen om in de programmaperiode een bui van 70 mm in één uur aan te kunnen zonder dat schade aan huizen en vitale infrastructuur ontstaat. Om dit te bereiken zal zowel in de bestaande stad als in nieuw te ontwikkelen gebieden rekening moeten worden gehouden met extreme neerslag. Daarbij is onder meer van belang dat zowel op particulier terrein als op openbaar terrein voldoende waterberging wordt gerealiseerd. Een van de juridische instrumenten die een bijdrage kan leveren aan een klimaatbestendig en waterrobuust Amsterdam was onder oud recht een zogenaamde hemelwaterverordening. 

Op grond van artikel 10.32a lid 1 onder a van de Wet milieubeheer kon de gemeente bij verordening regels stellen over het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in de riolering. Die regels konden ook inhouden dat het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater in een openbaar vuilwaterriool binnen een in die verordening aangegeven termijn moet worden beëindigd. Dit bood de grondslag voor het opstellen van een hemelwaterverordening waarin het aanleggen en in stand houden van een waterberging bij bebouwd oppervlak wordt geregeld. Van die grondslag is in Amsterdam gebruik gemaakt (Gemeenteblad 2021 nr. 144493, 10 mei 2021). De bepalingen in deze hemelwaterverordening zijn zodanig opgesteld dat ze zoveel mogelijk al voldoen aan de eisen uit de nieuwe Omgevingswet. 

De hemelwaterverordening is bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel geworden van het omgevingsplan (zie ook paragraaf 6.2 van deze toelichting). Met inpassing van de regels in paragraaf 4.4.2 vindt daadwerkelijke integratie plaats. De regels zijn in die paragraaf opgenomen als algemene regels, die van toepassing zijn op de in artikel 4.1134.116 aangegeven gebouwen. Ze gelden, ongeacht of sprake is van een vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Wel wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken preventief aan deze regels getoetst (artikel 4.894.92). 

Naast de waterbergingseisen in het omgevingsplan bestaat ook de waterschapsverordening van de waterschappen (voorheen: de Keur). In de waterschapsverordening staan voorschriften voor ruimtelijke ontwikkelingen van meer dan 500 m2 of 1.000 m² (afhankelijk van het waterschap). Daarbij geldt een verplichting tot compensatieberging. De twee verplichtingen staan elkaar niet in de weg. Integendeel, ze zijn complementair aan elkaar. Door bij ontwikkelingen groter dan 500 m2 of 1.000 m2 te voldoen aan de waterbergingseisen van dit omgevingsplan, wordt deels of in zijn geheel ook voldaan aan de waterschapsverordening. Door ervoor te zorgen dat er ook waterbergingen worden aangelegd en in stand worden gehouden in gevallen waarin de waterschapsverordening niet geldt, kan de gemeente het doel uit het Omgevingsprogramma Riolering bereiken.

Naast het omgevingsplan bevatten de waterschapsverordeningen van waterschappen ook een compensatieverplichting bij het toevoegen van verhard oppervlak vanaf een bepaalde omvang (afhankelijk van het waterschap). De twee verplichtingen (waterberging op grond van het Omgevingsplan en compensatie op grond van de waterschapsverordening) staan elkaar niet in de weg. Integendeel, ze zijn complementair aan elkaar. Door te voldoen aan de verplichting tot waterberging op grond van het Omgevingsplan, wordt deels of in zijn geheel ook voldaan aan de waterschapsverordening. Tegelijkertijd kan de gemeente het doel uit het Omgevingsprogramma Riolering alleen bereiken door ervoor te zorgen dat er ook waterbergingen worden aangelegd en in stand worden gehouden in gevallen waarin de waterschapsverordening niet geldt.

Voor een meer inhoudelijke toelichting op de artikelen wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelgewijze toelichting. 

VVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.2.5.1 Wonen (paragraaf 2.3.1 van de regels)

Paragraaf 2.3.1 regelt het gebruiksdoel 'wonen'. Geregeld wordt dat daar waar een gebruiksdoel wonen geldt, wonen als activiteit is toegestaan. Onder wonen wordt verstaan het gebruik van woonruimte ten behoeve van bewoning, en het daaraan ondergeschikt zijnde gebruik van de bij de woonruimte behorende gronden en opstallen. In de paragraaf zijn aanvullende regels opgenomen waarmee wonen nader kan worden gereguleerd. Voor de meeste van die regels geldt dat ze alleen van toepassing zijn ter plaatse van specifiek aangegeven aanduidingen. In de artikelgewijze toelichting wordt de strekking van de inhoudelijke regels nader toegelicht. 

Wonen wordt ook gereguleerd door de Huisvestingsverordening. Op een aantal punten zijn er belangrijke raakvlakken. Zo bevat de Huisvestingsverordening regels over het aanbieden van Bed and Breakfast, kamerverhuur en woningvorming. Subparagraaf 2.3.1.3 bevat daarover enkele regels over de verhouding met de huisvestingsverordening. Doel is te voorkomen dat over een en dezelfde activiteit een dubbele vergunningplicht gaat gelden, terwijl de afweging die wordt gemaakt gelijk is. Kort gezegd is het uitgangspunt gehanteerd dat de regeling in de Huisvestingsverordening leidend is.     

Subparagraaf 2.3.1.4 bevat een verplichting van een geluidluwe gevel bij gebruikswijziging van een gebouw naar een woonfunctie. In het verleden kwam het voor dat bij vaststelling van een bestemmingsplan waarmee woningen werden mogelijk gemaakt uit akoestisch onderzoek was gebleken dat aan standaardwaarden dan wel vastgestelde hogere waarden werd voldaan. Wanneer hogere waarden waren vastgesteld, werd dan wel de verplichting opgenomen dat elke woning in elk geval een stille zijde moest hebben.  

Wanneer een bestemmingsplan wordt vervangen waar deze beoordeling reeds is gedaan, hoeft niet nogmaals akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het omgevingsplan moet wel voorzien in de mogelijkheid de stille zije voor te schrijven. Subaragraaf 2.3.1.4 voorziet daarin. Deze subparagraaf is van toepassing op situaties waarbij voor een bestaand gebouw het gebruik wordt gewijzigd naar wonen, en het gebruik als wonen op grond van artikel 2.3, eerste lid, ook is toegestaan. De term stille zijde is daarbij vervangen door geluidluwe gevel. daarbij wordt de mogelijkheid geboden om met een maatwerkvoorschrift toestemming te geven om in bepaalde gevallen af te wijken van de verplichting van een geluidluwe gevel, en te volstaan met een bijna-geluidluwe gevel.  

WWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.2.5.6 Bedrijf (industrie, ambacht, groothandel, opslag en transport) (paragraaf 2.3.6 van de regels)

Paragraaf 2.3.6 regelt het gebruiksdoel 'bedrijf'. Geregeld wordt dat daar waar een gebruiksdoel bedrijf geldt, het uitoefenen van een bedrijf als activiteit is toegestaan. Het begrip bedrijf heeft in algemeen spraakgebruik een bredere betekenis dan in deze paragraaf. In het algemeen spraakgebruik (en dus ook in andere afdelingen of hoofdstukken in dit omgevingsplan) wordt onder bedrijf een onderneming of zaak verstaan. Deze afdeling gaat echter alleen over bedrijf in engere zin, namelijk een bedrijf gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, verwerken, herstellen, opslaan, distributie en groothandel van goederen. Met deze afbakening van wat onder een bedrijf bedoeld in deze paragraaf (bedrijf in enge zin) wordt verstaan, wordt aangesloten bij de begripsbepaling die doorgaans in Amsterdamse bestemmingsplannen werd gebruikt. 

In de paragraaf zijn aanvullende regels opgenomen waarmee het uitoefenen van een bedrijf nader kan worden gereguleerd. Voor de meeste van die regels geldt dat ze alleen van toepassing zijn ter plaatse van specifiek aangegeven aanduidingen. In de artikelgewijze toelichting wordt de strekking van de inhoudelijke regels nader toegelicht.  

Bedrijvenregeling 

Behalve dat in de paragraaf wordt bepaald waar de uitoefening van een bedrijf is toegestaan, bevat de paragraaf ook een zogenaamde bedrijvenregeling, opgenomen in subparagraaf 2.3.6.2. Dit onderdeel regelt de vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven in verband met het aspect milieuhinder. De regels in deze subparagraaf gelden naast de milieuregels die op verschillende niveaus (Europees, landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau) zijn gesteld. Die regels hebben de bescherming van het milieu als oogmerk. Op basis van de milieuregels moeten bedrijven (en andere milieubelastende activiteiten) alle redelijke maatregelen treffen om gevolgen voor het milieu te voorkomen. Ook als een bedrijf volledig voldoet aan de milieuregels, kan het enige hinder naar de omgeving veroorzaken. Teneinde een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te borgen moet een aanvullende afweging plaatsvinden tussen de toe te laten bedrijfsactiviteiten in relatie tot de gevoelige functies.  Met betrekking tot het aspect milieuhinder worden de vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven in dit omgevingsplan geregeld via de systematiek van milieuhindercategorieën, zoals die voorheen was vastgelegd in de brochure Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Hoewel de VNG deze brochure inmiddels heeft ingetrokken, blijft Amsterdam deze de systematiek als uitgangspunt gebruiken. De Brochure blijkt in de praktijk een goed werkend instrument dat in de afgelopen decennia zijn nut heeft bewezen. Indien nodig, zal de gemeente de Lijst van bedrijfsactiviteiten (opgenomen in Bijlage VI bij de regels) actualiseren of bijwerken.  

Onderdeel van de regeling is de Lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in Bijlage VI bij de regels. Hierin zijn bedrijfsactiviteiten opgesomd en is de potentiële milieubelasting met betrekking tot de milieuhinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof bepaald. De potentiële milieubelasting wordt uitgedrukt in een milieuhindercategorie. De milieuhindercategorieën worden ingedeeld in hoofdcategorieën en in een aantal subcategorieën en lopen op naarmate de milieuhinder toeneemt. Per gebied wordt een maximum milieuhindercategorie bepaald. Van bedrijven die in die aangewezen (of in een lagere) milieuhindercategorie vallen wordt verondersteld dat ze qua milieugevolgen passen in dat gebied. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat bedrijven voldoen aan de milieuregelgeving. De meeste milieuregels zijn in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en in hoofdstuk 9 van dit omgevingsplan te vinden. Voor gemengde gebieden is er een afwijkende systematiek. Hiervoor is een korte opsomming van bedrijfsactiviteiten opgesteld die daar inpasbaar zijn.   

Uitwerking bedrijvenregeling in dit omgevingsplan  

Bedrijven die vallen in de voor een gebied aangewezen of een lagere milieuhindercategorie zijn toegelaten in dat gebied (zie artikel 2.83). Ter plaatse van de aanduiding 'functiemenging' zijn bedrijven toegestaan die zijn opgesomd in artikel 2.84. Met een maatwerkvoorschrift kunnen ook andere bedrijven toegestaan worden die weliswaar in een hogere milieuhindercategorie vallen, maar die vergelijkbare milieu-emissie hebben als de rechtstreeks toegestane bedrijven (zie artikel 2.85). Hetzelfde geldt voor bedrijven die niet in de Lijst van bedrijfsactiviteiten voorkomen of die niet in de opsomming bij functiemening zijn benoemd. 

Bedrijven die voor het wijzigen van het omgevingsplan waarmee paragraaf 2.3.6 op hun locatie ging gelden reeds legaal aanwezig waren, maar die niet passen in de nieuwe maximale milieuhindercategorie dan wel niet bij functiemenging zijn opgesomd, kunnen expliciet toegestaan worden. Hiervoor is een afzonderlijk regeling opgenomen in artikel 2.86 (eerbiedigende werking).    

Nadere toelichting op de Lijst van bedrijfsactiviteiten  

De Lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage VI bij dit Omgevingsplan is gebaseerd op de Richtafstandenlijsten van milieubelastende activiteiten die als bijlage 1 bij Bedrijven en milieuzonering, editie 2009. Ten aanzien van die lijst is een aantal aanpassingen doorgevoerd.   

Ten eerste bevat de lijst in bijlage VI alleen die activiteiten die als 'bedrijf' kunnen worden aangemerkt als bedoeld in deze paragraaf. Activiteiten die onder een ander gebruiksdoel vallen (bv. horeca, onderwijs, zakelijke dienstverlening etc.) komen niet meer terug in de lijst. Voor die activiteiten die niet onder het begrip bedrijf vallen, geldt de bedrijvenregeling niet en wordt de systematiek van milieuhindercategorieën niet gebruikt om te sturen op de vestigingsmogelijkheden. Dat kan anders opgelost worden; of met een aparte vergunningplicht (horeca) of met een toets bij het toelaten van de activiteit op een locatie.  Het feit dat een activiteit op de Lijst in bijlage VI voorkomt vormt weliswaar een indicatie dat die activiteit een bedrijf in de zin van deze paragraaf is, maar dat hoeft niet in alle gevallen zo te zijn. Of een activiteit op een locatie als een bedrijf valt te kwalificeren wordt bepaald aan de hand van de begripsbepaling zoals opgenomen in artikel  2.80. Bij sommige activiteiten is het mogelijk dat zowel productie- als kantoorwerkzaamheden plaats vinden. De kantoorwerkzaamheden vallen in principe onder het gebruiksdoel Zakelijk en administratieve dienstverlening (dat is gereguleerd door paragraaf 2.3.3). Onder voorwaarden is het gebruikt van ondergeschikt kantoorruimte bij bedrijven toegestaan (zoals geregeld in artikel 3.193.20). Het hoofdkantoor van een groot productiebedrijf dat niet ondergeschikt is aan dat productiebedrijf of op een andere locatie is gevestigd is aldus geen bedrijf als bedoeld in deze paragraaf.   

Ten tweede is informatie uit de Richtafstandenlijst van de VNG die voor de toepassing van de bedrijvenregeling in dit omgevingsplan niet relevant is, niet overgenomen. Zo zijn de zogenaamde SBI-codes voor de omschrijving van bedrijfsactiviteiten geschrapt. De Standaard Bedrijfsindeling (SBI) is een indeling van economische activiteiten die het Centraal Bureau voor Statistiek heeft ontwikkeld om bedrijfseenheden in te delen naar hun hoofdactiviteit. De SBI-indeling was de basis voor de Richtafstandenlijst van de VNG. Sinds de laatste actualisatie van de Richtafstandenlijst in 2009 is de SBI-indeling meerdere keren gewijzigd. Omdat de SBI-codes uit de Richtafstandenlijst niet meer corresponderen met de codes die het CBS en de Kamer van Koophandel gebruiken, hebben de verouderde codes geen toegevoegde waarde meer en zijn dus niet overgenomen in de Lijst van bedrijfsactiviteiten. De indeling van activiteiten volgt grotendeels wel de indeling van de SBI-2008.   

Ook de indices voor verkeer, visueel, bodem en lucht komen op de lijst van de bedrijfsactiviteiten niet terug. Deze indices werden in het verleden (in Amsterdam noch landelijk) niet toegepast. Tot slot is overige informatie uit de Richtafstandenlijst (zoals welke activiteiten geluidzoneringplichtig zijn, op welke activiteiten het Besluit externe veiligheid inrichting van toepassing was, welke activiteiten in het algemeen continue worden uitgevoerd, etc.) niet overgenomen.   

Met betrekking tot de richtafstanden ten aanzien van de verschillende milieuaspecten wordt het volgende opgemerkt. De hoogste afstand bepaalt de milieuhindercategorie die aan een activiteit wordt toegekend. Voor de toelating van bedrijfsactiviteiten is de milieuhindercategorie bepalend. Het zou daarom mogelijk zijn om alleen de milieuhindercategorie te vermelden op de lijst.  

De richtafstanden per milieuaspect geven echter waardevolle informatie voor het geval dat een activiteit in een hogere categorie valt dan ter plaatse toegelaten. In die situatie wordt duidelijk welk milieuaspect(en) maatgevend is (zijn) en waar het treffen van eventuele maatregelen nodig kan zijn. Daarom is die informatie behouden.   

De richtafstanden zijn bovendien bruikbaar als hulpmiddel in de volgende situaties. Ten eerste kunnen ze gebruikt worden om te bepalen bedrijven uit welke milieuhindercategorie op een bepaalde locatie aanvaardbaar zijn (gelet op de afstand tot bestaande woningen). Ten tweede kunnen ze ook gebruikt worden om te bepalen op welke afstand van bestaande bedrijven (of bedrijventerreinen) nieuwe woningen aanvaardbaar zijn. De afstanden in de lijst zijn indicatief van karakter; de concrete bedrijfsvoering van bedrijven kan aanleiding geven om een kleinere of grotere afstand aan te houden.   

De richtafstanden op de lijst zijn geschikt om het woon- en leefklimaat passend bij een rustige woonwijk te behalen. Indien er sprake is van een gemengd gebied met meer 'stedelijk karakter' is het ook aanvaardbaar om de afstanden te 'halveren'. Daarbij wordt de afstand behorend bij één milieuhindercategorie lager aangehouden.   

Onderstaande tabel geeft de relatie tussen milieuhindercategorieën en richtafstanden tot gebiedstypen rustige woonwijk en gemengd gebied weer.   

Relatie milieuhindercategorieën en richtafstanden  

Milieuhindercategorie

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 

1

10

0

2

30

10

3.1

50

30

3.2

100

50

4.1

200

100

4.2

300

200

5.1

500

300

5.2

700

500

5.3

1000

700

6

1500

1000

XXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.3.3.7 Het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een geluidgevoelige functie (paragraaf 3.2.6 van de regels) 

Paragraaf 3.2.6 bevat een vergunningplicht voor het wijzigen van het gebruik als niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw. Dit wordt in dit onderdeel aangeduid als het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een geluidgevoelige functie. Met deze regeling wordt invulling gegeven aan paragraaf 5.1.4.2a.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover dat niet reeds bij het wijzigen van het omgevingsplan heeft plaatsgevonden. Als bij wijziging van het omgevingsplan al uitvoering is gegeven, dan blijft deze subparagraaf buiten toepassing. Daartoe is bepaald dat deze paragraaf uitsluitend geldt ter plaatse van de aanduiding 'nadere afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk'. Waar de aanduiding moet gelden, wordt bij een wijziging van het omgevingsplan die voorziet in het toelaten van een geluidgevoelig gebouw bepaald.    

Deze paragraaf is van toepassing op het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een:

  • a.

    woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

  • b.

    onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

  • c.

    gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of

  • d.

    bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan. 

Deze paragraaf geldt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'nadere afweging geluid bij gebruikswijziging noodzakelijk'. Waar de aanduiding moet gelden, wordt bij een wijziging van het omgevingsplan die voorziet in het toelaten van een geluidgevoelig gebouw bepaald. 

De paragraaf is alleen van toepassing voor zover het betreffende beoogd gebruik in overeenstemming is met artikel 2.3. Het omgevingsplan moet dus al wel in het betreffende gebruik voorzien. Er geldt echter een aanvullende vergunningplicht, waarbij een finale beoordeling plaatsvindt van de aanvaardbaarheid van het geluid op de gevel.  

Zoals ook aangegeven in de toelichting op het Aanvullingsbesluit geluid is er bij wijziging van het omgevingsplan dat op een locatie een geluidgevoelig gebouw toelaat, soms nog geen gedetailleerde informatie over het te bouwen geluidgevoelige gebouw. Dat is bijvoorbeeld aan de orde bij een omgevingsplan waarin de geluidgevoelige functies alleen in hoofdlijnen zijn aangegeven of zijn gemengd met andere functies. Dan kan het geluid niet goed worden onderzocht, zeker niet als het gaat om meerdere geluidgevoelige gebouwen die elkaar kunnen afschermen of kunnen zorgen voor onderlinge reflecties. Dat probleem werd onder het oude recht vaak opgelost door het onderzoeken van allerlei mogelijke invullingsvarianten voor een plangebied, met alle kosten en tijdsbeslag van dien. Bij flexibele gebruiksmogelijkheden werd dan veelal voorzien in voorgeschreven dove gevels, waarvan met een afwijkvergunning kon worden afgezien wanneer geen sprake was van geluidgevoelig gebruik. In andere gevallen werd voorzien in binnenplanse afwijkmogelijkheden voor wijziging naar een geluidgevoelig gebruik.  

De Omgevingswet biedt de mogelijk om het toelaten en het toetsen aan standaard- en grenswaarden door te schuiven naar het moment waarop wel voldoende gegevens beschikbaar zijn. Dat is bijvoorbeeld het moment waarop een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden aangevraagd. Maar het kan ook het moment zijn waarop het gebruik van een bestaand gebouw wijzigt. Daarvoor moet dan een vergunningplicht worden opgenomen. Met de regeling in paragraaf 3.2.6 wordt hierin voorzien. Bij die vergunningverlening wordt dan alsnog getoetst aan de regels zoals die in artikel 5.78t en de daaropvolgende artikelen van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn gesteld. 

De geluidtoets voor geluidgevoelige gebouwen op geluidgevoelige locaties wordt in principe gemaakt bij een wijziging van het omgevingsplan waarmee een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten. Bij een dergelijke wijziging wordt gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels, opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarbij worden in het omgevingsplan die regels opgenomen, die ervoor zorgen dat sprake is van een aanvaardbaar geluid.  

Bij het vervangen van een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, bijvoorbeeld een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, hoeft op grond van artikel 5.78, tweede lid,  geen toepassing te worden gegeven aan paragraaf 5.1.4.2a.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Er is in dat geval immers sprake van geluidgevoelig gebouw dat reeds rechtmatig is toegestaan op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan. Hetzelfde geldt voor geluidgevoelige gebouwen die op grond een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegestaan. Het maakt daarbij niet uit of het gebouw daadwerkelijk is gerealiseerd. 

Als de toets evenwel wordt doorgeschoven, dan betekent dat overigens niet dat bij het wijzigen van het omgevingsplan helemaal geen onderzoek nodig is. Bij het op grond van het omgevingsplan op een bepaalde locatie toestaan van functies, is reeds op hoofdlijnen getoetst aan de instructieregels zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarbij is onderzocht of het niet onaannemelijk is dat omgevingsvergunningen voor omgevingsplanactiviteiten voor de realisatie van geluidgevoelige gebouwen verleend kunnen worden. Het onderbouwende onderzoek wordt afgestemd op de informatie die op dat moment wel voorhanden is.  

Beoordelingssystematiek  

In artikel 3.273.28 zijn de feitelijke beoordelingsregels opgenomen. Daarin is allereerst bepaald dat de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.263.27, alleen wordt verleend als het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.3. Het gebruik moet dus op grond van hoofdstuk 2 zijn toegestaan. Ten tweede is bepaald dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als het geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is. 

Artikel 3.283.29 bepaalt vervolgens dat dat het geval is als het geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. Die standaardwaarde is opgenomen in tabel 3.283.29. Die waarden zijn gelijk aan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Wanneer aan de standaardwaarde wordt voldaan, dan vormt de geluidbelasting geen reden om de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, te weigeren. 

De standaardwaarden zoals bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in tabel 3.29 aangevuld met een waarde voor gezoneerde industrieterreinen.  Op grond van artikel 3.6 van de Aanvullingswet geluid blijft het oude recht (de Wet geluidhinder) van toepassing zolang er nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld voor een industrieterrein. Deze industrieterreinen worden in dit omgevingsplan aangeduid als gezoneerd industrieterrein. Daaronder wordt verstaan een industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of artikel 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld. Voor het bepalen van het geluid op een gevel vanwege een gezoneerd industrieterrein wordt aanvullend aan de hoofdregel bepaald dat bij het bepalen van het geluid op een gevel vanwege een gezoneerd industrieterrein de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Wet geluidhinder van toepassing zijn.

Wanneer aan de standaardwaarde van tabel 3.29 wordt voldaan, dan vormt de geluidbelasting geen reden om de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.27, te weigeren. 

Artikel 3.293.30 bepaalt vervolgens aan dat als die standaardwaarde wordt overschreden, het geluid nog altijd aanvaardbaar kan zijn, maar wel onder voorwaarden. Als eerste voorwaarde geldt dat geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen. Als tweede voorwaarde geldt dat de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt. En tot slot mag het geluid op het geluidgevoelige gebouw niet hoger zijn dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.293.30. Die zijn gelijk aan de grenswaarden zoals opgenomen in artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving

In de artikelgewijze toelichting worden de hiervoor aangehaalde en overige in subparagraaf 4.2.4.7 opgenomen artikelen nader toegelicht. 

YYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.3.3.15 Hospitaverhuur Kamerverhuur, hospitaverhuur en inwoning (paragraaf 3.2.14 van de regels)

In deze paragraaf wordt een koppeling gemaakt tussen de Huisvestingsverordening en het uitgangspunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 

Een omgevingsvergunning voor kamerverhuur, waarbij een zelfstandige woning wordt omgezet in onzelfstandige woningen, en waarmee mogelijk wordt gemaakt dat de zelfstandige woning door meer dan een huishouden wordt bewoond is niet vereist, indien de voor deze omzetting vereiste vergunning op grond van de Huisvestingsverordening is verleend. Hiermee wordt de vaste praktijk dat de omgevingsvergunning de vergunning op basis van de Huisvestingsverordening volgt in materiële zin voortgezet. 

Om voor meer mensen in de stad woonruimte te bieden is in de bestuursperiode vanaf 2022 onder meer ingezet op het stimuleren van hospitaverhuur en inwoning. Amsterdammers die bijvoorbeeld ruim behuisd zijn, kunnen een kamer verhuren of iemand laten inwonen. FormeelIn geval van hospitaverhuur en inwoning is danformeel sprake van omzetting van een deel van een zelfstandige woning naar een onzelfstandige woning. In de Huisvestigingsverordening is de omzetting die gevolg is van hospitaverhuur en inwoning vrijgesteld van vergunningplicht als bedoeld in artikel 21 lid 1, eerste lid, onder c, van de Huisvestingswet. De omzetting is echter niet in overeenstemming met het primaire uitgangspunt van het omgevingsplan dat woningen uitsluitend zijn toegestaan in de vorm van zelfstandige woonruimte. Daar waar het tijdelijk deel van het omgevingsplan geldt, is ook in een heel aantal gevallen sprake van strijdigheid van hospitaverhuur en inwoning met het plan; in voormalige bestemmingsplannen is namelijk soms de bepaling opgenomen dat een woning slechts door één huishouden mag worden bewoond. MetIn paragraaf 3.2.133.2.14 van de regels wordt op het primaire uitgangspuntis in het omgevingsplan een uitzondering gemaakt voor hospitaverhuur en inwoning voor die gebieden waar het tijdelijk deel van het omgevingsplan geldt. Bepaald wordt dat hospitaverhuur en inwoning zonder meer is toegestaan. Het gevolg is dat voor het gebruiken van een woning voor hospitaverhuur of inwoning geen omgevingsvergunning meer nodig is. Dit kan helpend zijn om deze vorm van bewoning te stimuleren en een bijdrage te leveren aan het bestrijden van de wooncrisis.

ZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.4.2.2.7 Beoordelingsregels, vergunningvoorschriften en aanvraagvereisten (subparagraaf 4.2.4 van de regels)

Wanneer sprake is van een vergunningplichtige omgevingsplanactiviteit bouwwerken, dan wordt een aanvraag beoordeeld aan de hand van een aantal beoordelingsregels. Deze zijn opgenomen in paragraaf 4.2.4 van het omgevingsplan. De beoordelingsregels hebben betrekking op de volgende aspecten: 

  • beoordeling aan algemene regels over bouwwerken, afwijkmogelijkheden (subparagraaf 4.2.4.2), onderverdeeld in:

    • een toets aan ruimtelijke regels over bouwwerken (subsubparagraaf 4.2.4.2.1)

    • een beoordeling om eventueel af te kunnen wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken (subsubparagraaf 4.2.4.2.2)

  • een beoordeling van uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk (subparagraaf 4.2.4.3)

  • een toets aan de normering voor autoparkeerplaatsen en fietsstalling (subparagraaf 4.2.4.5)

  • een beoordeling op de toelaatbare kwaliteit van de bodem bij bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie (subparagraaf 4.2.4.4)

  • een beoordeling op windhinder en windgevaar (subparagraaf 4.2.4.6)

  • een beoordeling de aanvaardbaarheid van geluidbelasting bij geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden (subparagraaf 4.2.4.7)

  • een beoordeling van de grondwatereffecten bij ondergrondse bouwwerken (subparagraaf 4.2.4.8)

  • een beoordeling op externe veiligheidsaspecten bij beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico (subparagraaf 4.2.4.9)

  • een beoordeling op externe veiligheidsaspecten bij zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied vuurwerk (subparagraaf 4.2.4.10)

  • een beoordeling op externe veiligheidsaspecten bij zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied ontplofbare stoffen (subparagraaf 4.2.4.11)

  • een beoordeling op de waarborging van de veiligheid voor buisleidingen met gevaarlijke stoffen (subparagraaf 4.2.4.12) 

  • een toets aan overige algemene regels over het bouwen en in stand houden van bouwwerken (subparagraaf 4.2.4.144.2.4.15)

 

Een beoordelingsregel met betrekking tot bouwtechnische vereisten is vanzelfsprekend niet opgenomen. Dat betreft immers de technische bouwactiviteit, die wordt gereguleerd door het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Ten opzichte van de beoordelingsregels zoals die in de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren opgenomen voor de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk, is er een aantal beoordelingsaspecten bijgekomen. De reden daarvoor is dat de finale beoordeling op aanvaardbaarheid beter kan plaatsvinden op het detailniveau van de concrete bouwaanvraag. Zo is de mate waarin windhinder of windgevaar kan optreden niet alleen afhankelijk van het bouwvolume, maar ook van het architectonisch ontwerp. Waar nodig kunnen naar aanleiding van de beoordeling voorschriften aan de vergunning worden verbonden waarmee de aanvaardbaarheid kan worden geborgd.  

Artikel 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. De in paragraaf 4.2.4 opgenomen beoordelingsregels zijn dan ook limitatief. Dat wil zeggen dat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken uitsluitend op de daarin opgenomen beoordelingsregels wordt getoetst. 

Gekoppeld aan de beoordelingsregels zijn ook de mogelijkheden bepaald tot het aan de vergunning verbinden van voorschriften. Het doel van die voorschriften moet altijd samengaan met het oogmerk van de betreffende beoordelingsregel. 

In afdeling 4.2 zijn tot slot ook de aanvraagvereisten opgenomen die van toepassing zijn op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (paragraaf 4.2.4). De aanvrager moet voldoen aan deze vereisten om een ontvankelijke vergunningaanvraag in te dienen. De aanvraagvereisten hebben betrekking op aan te leveren stukken, aan de hand waarvan de beoordeling op grond van de beoordelingsregels kan plaatsvinden.

De meeste van deze beoordelingsregels bevatten een open beoordelingsnorm. Die open normen zijn ook de reden voor vergunningplicht (zie paragraaf 5.3.4 van deze toelichting). 

Er wordt echter ook getoetst aan een aantal regels met gesloten normen. Zo wordt een vergunningaanvraag op grond van artikel 4.16 getoetst aan de van toepassing zijnde ruimtelijke regels over bouwwerken. Aangezien de ruimtelijke regels over bouwwerken kwalificeren als algemene regels, kan deze beoordeling worden beschouwd als een preventieve toets aan de ruimtelijke regels over bouwwerken. Het bevoegd gezag beoordeeld dus vooraf of aan de algemene ruimtelijke regels over bouwwerken wordt voldaan. Dat voorkomt dat de initiatiefnemer zelf die beoordeling moet doen, en daarbij fouten maakt. De gevolgen daarvan zijn dusdanig groot, dat net als onder oud recht wordt voorzien in preventieve toetsing.  

De toets aan concrete parkeer- en stallingsnormen is eveneens als beoordelingsregel vormgegeven. Terwijl ook daar sprake is van algemene regels. Bijkomende reden daarvoor is dat het de mogelijkheid biedt om bij vergunningvoorschrift af te kunnen wijken van de betreffende normen.   

Niet alle beoordelingsregels zijn op elke aanvraag van toepassing. Zo vind een beoordeling op de aanvaardbaarheid van geluidbelasting alleen plaats als de aanvraag betrekking heeft op een geluidgevoelig gebouwen, dat bovendien is voorzien in een geluidaandachtsgebied. En de beoordeling op de waarborging van de veiligheid voor buisleidingen met gevaarlijke stoffen hoeft alleen plaats te vinden daar waar een dergelijke buisleiding ligt. In paragraaf 11.4.2.3 van deze toelichting wordt meer inhoudelijk ingegaan op de beoordelingsregels voor de verschillende aspecten, en zal ook worden ingegaan op de vraag wanneer ze van toepassing zijn.   

AAAAAAAAAAA

Na sectie 11.4.2.3.13 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

11.4.2.3.14 Verplichting van een geluidluwe gevel bij woningen (subparagraaf 4.2.4.14 van de regels)

Subparagraaf 4.2.4.7 regelt een nadere afweging voor geluidgevoelige gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'nadere afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk'. Deze regels moeten borgen dat beoordeeld kan worden of het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is. Deze beoordeling hoeft alleen plaats te vinden op locaties die zijn aangeduid met de aanduiding aanduiding 'nadere afweging geluid bij gebruikswijziging noodzakelijk'. Bij die beoordeling wordt ook bekeken of elke nieuwe woning beschikt over een geluidluwe gevel, of in elk geval een bijna-geluidluwe gevel (artikel 3.30). 

Deze nadere afweging is niet overal noodzakelijk. Maar waar dat niet het geval is, is het nog steeds zo dat elke nieuwe woning moet beschikken over een geluidluwe gevel. Deze subparagraaf 4.2.4.14 voorziet in erin dat hierop wordt beoordeeld.  

BBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.4.2.3.14 11.4.2.3.15 Toets aan overige regels over het bouwen en in stand houden van bouwwerken (subparagraaf 4.2.4.144.2.4.15 van de regels)

Subparagraaf 4.2.4.144.2.4.15 bevat een artikel dat erin voorziet dat een vergunningaanvraag ook wordt getoetst aan bepaalde algemene regels, anders dan de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.6. 

Het gaat allereerst om algemene regels, gesteld in paragraaf 4.4.2. Deze regels, die betrekking hebben op hemelwaterafvoer bij bouwwerken, zijn ook van toepassing op bouwwerken waarvoor de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet altijd van toepassing is. Ze zijn daarom als algemene regels opgenomen. Wanneer die vergunningplicht wel geldt, dan is het wenselijk dat bij de vergunningaanvraag wordt getoetst of aan de betreffende regels wordt voldaan. Dit artikel voorziet daarin.  

Ten tweede gaat het om algemene regels over het bouwen en in stand houden van bouwwerken die voorheen op grond van landelijke wet- en regelgeving van toepassing waren, en die bij wijze van bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet in paragraaf 22.2.3 zijn opgenomen. Onder oud recht werden vergunningaanvragen voor een omgevingsvergunning bouwen aan deze regels getoetst. Dit artikel voorziet in een voortzetting daarvan.  

CCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.4.4.1 Repressief toezicht op het uiterlijk van bouwwerken op een goede omgevingskwaliteit

Voor bestaande bouwwerken en bouwwerken waarvoor de vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geldt, geldt net als onder oud recht een excessenregeling. Voor vergunningvrije bouwwerken is dat nodig omdat die niet vooraf door de gemeenten worden getoetst op welstand. Daartoe was in artikel 22.7, dat bij wijze van bruisschat onderdeel is geworden van het omgevingsplan, bepaald dat de volgende bouwwerken niet in ernstige mate in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand:

  • bestaande bouwwerken, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, en

  • te bouwen bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning voor een  omgevingsplanactiviteit nodig is

 

Bij een welstandsexces is er ernstige strijd met redelijke eisen van welstand. Dus buitensporigheden in het uiterlijk, die ook voor niet-deskundigen duidelijk zijn. Eventuele welstandsexcessen kan de gemeente via het zogeheten repressief welstandstoezicht aanpakken. Repressief welstandstoezicht wil zeggen dat de gemeente kan handhaven en zo aan de ongewenste situatie een einde kan maken. 

Het genoemde artikel 22.7 is omgezet naar artikel 4.1114.114. Het begrippengebruik is daarbij omgezet naar nieuw recht. 

DDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.5.5 Locatiegerichte ruimtelijke regels over bouwwerken (afdelingen 5.5 tot en met 5.8 van de regels)

De afdelingen 5.5 tot en met 5.8 bevatten locatiegerichte ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die onder oud recht in bestemmingsplannen werden opgenomen. Ze bepalen waar gebouwd mag worden, in welke omvang, welke bouwhoogte is toegestaan, en de mogelijkheid aanvullende bouwregels te stellen. 

Artikel 5.2 bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' afdeling 5.5 tot en met afdeling 5.8 niet van toepassing zijn. Daar gelden de ruimtelijke regels over bouwwerken zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.  

Er is de volgende onderverdeling gemaakt. 

Gebruik van bouwwerken (afdeling  5.4 )

Deze afdeling is vervallen.

Gebouwen (afdeling  5.5 )

Afdeling 5.5 bevat ruimtelijke regels over gebouwen. Wat onder een gebouw wordt verstaan is bepaald in bijlage I van de Omgevingswet. Het betreft een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 

In deze afdeling worden eerst enkele hoofdregels gesteld. Zo wordt bepaald waar gebouwen mogen komen. Het gaat daarbij om zowel bovengrondse als ondergrondse gebouwen. De afdeling bevat tevens regels die bepalen wat de maximum bouwhoogte is. 

Aanvullend kunnen regels van toepassing zijn over bijvoorbeeld de goothoogte, de minimale hoogte van de eerste bouwlaag, het bebouwd oppervlakte dat is toegestaan, etcetera.   

Bouwwerken geen gebouwengebouw zijnde (afdeling  5.6 )

Afdeling 5.6 bevat regels over bouwwerken geen gebouw zijnde. Op grond van bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt daaronder verstaan een bouwwerk of gedeelte daarvan, voor zover dat geen gebouw of onderdeel daarvan is. 

Als uitgangspunt is bepaald dat de maximum bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouw zijnde 1 meter bedraagt. Daarop kunnen allerlei locatiespecifieke uitzonderingen van toepassing zijn.  

Bijzondere bouwwerken (afdeling  5.7 )

Afdeling 5.7 bevat regels over bijzondere bouwwerken, zoals windturbines en tribunes. Het bijzondere zit hem er bijvoorbeeld in dat ze kunnen kwalificeren als gebouw, maar dat dit niet altijd het geval is. Ze zijn daarmee moeilijk te plaatsen. Daarvoor is deze afdeling bedoelt.  

Overige regels over bouwwerken (afdeling  5.8 )

Afdeling 5.8 biedt ruimte voor allerlei overige regels over bouwwerken. Het gaat veelal om locatiegerichte regels met maatwerk die betrekking hebben op specifieke gebouwen. 

EEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.6.6 Afdeling 6.6 Beschermd stads- en dorpsgezicht

Afdeling 6.6 bevat regels, gesteld met het oog op het behoud, de bescherming en het herstel van stads- en dorpsgezichten die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang van de samenstellende onroerende zaken of hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde. 

Met deze regels wordt uitvoering gegeven aan de instructieregel, opgenomen in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dat artikel bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed.  

Elders in dit omgevingsplan is met het oog daarop onder meer een sloopvergunningstelsel in het leven geroepen. Ook bij het vaststellen van ruimtelijke regels over bouwwerken voor een betreffend gebied wordt met de waarde van beschermd gezicht rekening gehouden.   

Ten aanzien van overige activiteiten wordt aan artikel 5.130 Besluit kwaliteit leefomgeving uitvoering gegeven door een vergunningplicht in het leven te roepen voor aanlegactiviteiten die van invloed kunnen zijn op het beschermde gezicht.  

De vergunningplicht hoeft niet in elk beschermd gezicht, of overal binnen een beschermd gezicht van toepassing te zijn. Per beschermd gezicht wordt bepaald waar dat het geval is. waar dat het geval is, wordt de aanduiding 'aanlegvergunningplicht beschermd gezicht van toepassing' opgenomen. Daar geldt vervolgens de vergunningplicht. 

FFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.6.7 Afdeling 6.7 Hoofdgroenstructuur

Deze afdeling bevat regels, gesteld met het oog op het belang van het behoud en het functioneren van de hoofdgroenstructuur. Met deze regels wordt uitvoering gegeven aan het gemeentelijk beleid voor de hoofdgroenstructuur (zie paragraaf 10.19).

Er is een vergunningplicht in het leven geroepen die van toepassing is op aanlegactiviteiten die het belang van het behoud en het functioneren van de hoofdgroenstructuur kunnen schaden. 

In artikel 6.386.37 is als uitgangspunt een vergunningplicht opgenomen voor het verrichten van de in artikel 6.366.35 bedoelde activiteiten. In de regels die hierop volgen worden achtereenvolgens de uitzonderingen op de vergunningplicht aangegeven (artikel 6.396.38), de beoordelingsregels gegeven op basis waarvan de vergunning al dan niet kan worden verleend (artikel 6.406.39), de aanvraagvereisten gesteld (artikel 6.416.40) en de mogelijkheid tot het verbinden van voorschriften geboden (artikel 6.436.42). Verder wordt voorgeschreven dat de Technische Adviescommissie (TAC) daarbij adviseert (artikel 6.426.41). 

GGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.11 Hoofdstuk 11 Het aanleggen of wijzigen van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg, of het wijzigen van gebruik van een lokale spoorweg (geluidsbeoordeling)

Hoofdstuk 11 van het omgevingsplan bevat een regeling met betrekking tot het aanleggen of wijzigen van bepaalde gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen, of het wijzigen van gebruik van een lokale spoorweg. Dit hoofdstuk geldt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen'. Het betreft die gebieden waar een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan is vervangen. Daarbuiten geldt afdeling 22.4. Het betreft de gebieden waar het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervangen. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dat de aanleg of wijziging van een (spoor)weg mogelijk maakt, werd veelal in een finale beoordeling van de aanvaardbaarheid van het geluid voorzien. In dat geval kan van een nadere beoordeling worden afgezien, tenzij op grond van afdeling 22.4 alsnog een beoordeling nodig is.

Met de regeling in dit hoofdstuk wordt uitvoering gegeven aan de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Met het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn nieuwe regels gesteld voor gemeentewegen en lokale spoorwegen om woningen en andere geluidgevoelige gebouwen beter te beschermen tegen geluidhinder.

De taak om het geluid van bepaalde gemeentewegen en lokale spoorwegen te beheersen is in het Besluit kwaliteit leefomgeving uitgewerkt in twee te onderscheiden typen instructieregels: instructieregels met een preventieve werking en instructieregels met een correctieve werking. De preventieve instructieregels worden toegepast bij besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen of over infrastructuur. Het gaat dan bijvoorbeeld om aanleg van of wijzigingen in infrastructuur of de bouw van woningen. Toepassing van deze regels bewerkstelligt voor wat betreft geluid een aanvaardbare kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De correctieve instructieregels volgen uit de Europese richtlijn omgevingslawaai en houdt de verplichting tot het opstellen van een actieplan geluid in. Op grond van de correctieve instructieregels betekent dit in essentie een plicht tot monitoring van het geluid van gemeentewegen en lokale spoorwegen, met daaraan gekoppeld de plicht geluidbeperkende of geluidwerende maatregelen te overwegen als uit de monitoring blijkt dat het geluid van die (spoor)wegen in een bepaalde mate is toegenomen. 

Hoofdstuk 11 geeft uitvoering aan de preventieve instructieregels voor wat betreft het aanleggen of wijzigen van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg, of het wijzigen van gebruik van een lokale spoorweg. De regeling voorziet erin dat bij de aanleg van een nieuwe weg of spoorweg het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger wordt dan de standaardwaarde. Verder voorziet de regeling erin dat bij wijziging van een bestaande weg of spoorweg het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger wordt dan de standaardwaarde of, als het al hoger was dan de standaardwaarde, het niet verder toeneemt.

De gemeente kan meer geluid toestaan, maar alleen als geen geluidbeperkende maatregelen mogelijk zijn die ervoor zorgen dat de standaardwaarde niet wordt overschreden of die ervoor zorgen dat het geluid niet toeneemt. In beginsel mag de grenswaarde niet worden overschreden. Geluidbeperkende maatregelen die niet financieel doelmatig zijn of die stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard hoeven niet te worden afgewogen. Overschrijding van de grenswaarde is alleen mogelijk als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtsvaardigen.

Een omgevingsplan dat aanleg of wijziging van een (spoor)weg of het gebruik van een spoorweg, toelaat moet voldoen aan de preventieve geluidregels. Deze regels zijn zo geformuleerd dat een gemeente ze direct kan toepassen bij vaststelling van een omgevingsplan, of in het omgevingsplan regels kan opnemen waardoor de toetsing uitgesteld wordt naar een later tijdstip. Als de instructieregels direct worden toegepast, worden zo nodig ook de geluidbeperkende maatregelen vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met het maximale geluid in de omgeving die door het bewuste besluit worden toegelaten. Als het omgevingsplan bijvoorbeeld een weg met vier rijstroken toelaat, zal getoetst moeten worden op basis van die situatie, ongeacht het aantal rijstroken dat in eerste instantie wordt aangelegd. Hetzelfde geldt voor de afstand van de weg tot geluidgevoelige gebouwen. Een andere mogelijkheid is dat niet wordt uitgegaan van de infrastructuur die in het omgevingsplan in beginsel is toegelaten, maar dat het omgevingsplan regels bevat die een (nieuwe) toetsing van geluid voorschrijven als op termijn een wijziging van infrastructuur mogelijk is zonder dat daar een wijziging van het omgevingsplan voor nodig is. In plaats van in het omgevingsplan gedetailleerd de ligging van een weg of spoorweg vast te leggen, kan de gemeente dan met een binnenplans vergunningstelsel in het omgevingsplan regelen dat op een later moment alsnog wordt getoetst aan de geluidregels. In dit omgevingsplan is gekozen voor dat laatste. 

In navolging van de instructieregels, zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving, heeft hoofdstuk 11 uitsluitend betrekking op verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafonds, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.0002.500 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde, en lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds. 

In hoofdstuk 11 is een vergunningplicht opgenomen voor het aanleggen of wijzigen van de betreffende (spoor)wegen en voor het wijzigen van het gebruik van een lokale spoorweg. Overigens valt niet elke wijziging onder de vergunningplicht. In navolging van de instructieregels blijft de vergunningplicht beperkt tot een aantal specifiek benoemde wijzigingen (zie artikel 11.4). 

Met betrekking tot die activiteiten vindt de finale beoordeling op de aanvaardbaarheid van het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen plaats in het kader van die vergunningaanvraag. Bij wijziging van een omgevingsplan waarmee de aanleg of wijziging van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg wordt mogelijk gemaakt, vindt wel reeds een beoordelingsplaats op uitvoerbaarheid. 

Waar een toename van het geluid moet worden beoordeeld, wordt dit getoetst door de situatie direct voor het besluit te vergelijken met de situatie zoals die is na het volledig doorvoeren van het besluit. Uitgangspunt daarbij is het geluid zoals zich dat naar verwachting voordoet in het maatgevende jaar. Dat volgt uit artikel 5.78a. Over het algemeen kan voor het maatgevende jaar uitgegaan worden van de situatie tien jaar na de beoogde realisatie van het plan, bijvoorbeeld tien jaar na realisatie van een wegverbreding of van een woonwijk. Als dit echter leidt tot een te grote onderschatting van het geluid, dient een ander jaar gekozen te worden als maatgevend jaar.

HHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.2 Meet- en rekenregels

Artikel 2.2 bevat meet- en rekenvoorschriften die op dit hoofdstuk van toepassing zijn. In diverse onderdelen in dit hoofdstuk worden aanvullend ook nog specifieke, op die onderdelen van toepassing zijnde, meet- en rekenvoorschriften gegeven. 

Eerste lid: 

Het eerste lid bevat een bepaling van overgangsrechtelijke aard. Bepaald wordt dat ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’ de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing zijn op de ruimtelijke regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.   

Het werkingsgebied van dit artikel is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, zal dat werkingsgebied, dat eerst heel Amsterdam is, geleidelijk aan steeds kleiner worden. 

In bijlage I is opgenomen dat onder het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan wordt verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke.

Totdat die ruimtelijke besluiten zijn komen te vervallen, gelden de daarin opgenomen regels. Die ruimtelijke besluiten bevatten eveneens regels over gebruik en ook daarop van toepassing zijnde meet- en rekenvoorschriften. Het eerste lid bepaalt dat zolang die regels nog niet zijn komen te vervallen, de daarin opgenomen meet en rekenregels van toepassing zijn op de daarin opgenomen regels over gebruik.

Tweede lid :

Het tweede lid bevat een regel over het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte. Bij het toekennen van een maximum programma voor een bepaalde vorm van gebruik wordt gebruik gemaakt van bruto-vloeroppervlakte. Daarmee wordt aangesloten op het Besluit bouwwerken leefomgeving. Op grond van de in het Besluit bouwwerken leefomgeving opgenomen begripsbepaling, die op grond van artikel 1.1 ook van toepassing is op dit omgevingsplan, wordt onder bruto-vloeroppervlakte verstaan bruto-vloeroppervlakte als bedoeld in NEN 2580. Dit houdt tevens een meetregel in, namelijk dat de bruto-vloeroppervlakte wordt bepaald overeenkomstig NEN 2580. Dat wordt in dit tweede lid bepaald. 

Derde lid :

Een aantal regels in dit hoofdstuk bevat locatiegerichte normen. Die normen worden veelal niet weergegeven in de tekst van de regels, maar worden vastgelegd in een informatieobject, dat vervolgens wordt weergegeven op de digitale kaart in het Digitale Stelsel Omgevingswet. Gedacht kan worden aan een regel die het maximum aantal woningen voor een locatie bepaalt. Deze regels bevatten altijd een zinsnede van de strekking 'ter plaatse van de aanduiding X geldt de daar bepaalde waarde'. 

In de begripsbepalingen is aangegeven wat onder een aanduiding wordt verstaan, namelijk 'een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarnaar in de regels wordt verwezen, en waarmee in samenhang met die regeltekst regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden'.

Een en dezelfde aanduiding kan aan meerdere locaties worden gegeven. Kijk bijvoorbeeld naar de volgende regel: "Ter plaatse van de aanduiding 'aantal woningen' is het maximum aantal woningen de daar bepaalde waarde." De aanduiding 'aantal woningen' kan op meerdere plekken binnen de gemeente aan een locatie worden gekoppeld. De daarop betrekking hebben norm kan per locatie verschillen, maar het kan ook voorkomen dat de norm ook dezelfde is. Dat kan ertoe leiden dat niet duidelijk is of de norm geldt voor alle locaties te samen waar die norm geldt, of voor elke locatie afzonderlijk. Het derde lid maakt duidelijk dat dit laatste het geval is.

Vierde lid: 

het begrip souterrain is als volgt gedefinieerd (zie bijlage I): bouwlaag waarvan de vloer onder het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen en waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag voor een bij artikel 2.2, vierde lid bepaald deel boven het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen. 

De mate waarin de vloer van de bovengelegen bouwlaag boven het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen, is locatieafhankelijk, en wordt bepaald door dit vierde lid. Uitgangspunt is dat de vloer van de bovengelegen bouwlaag maximaal 1,50 meter boven het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen. Locatiegericht kan daarvoor een afwijkende maat van toepassing zijn. 

IIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.7 Specifieke regels over het gebruik van het bij een woonruimte behorend erf

In artikel 2.7 is een aantal regels opgenomen over het gebruik van het bij een woonruimte behorend erf. Deze regels zijn aanvullend op de algemene regels die betrekking hebben op het gebruik van erven, zoals opgenomen in artikel 3.5. Dat artikel blijft daarbij onverminderd van toepassing.

Eerste lid: In

Het eerste lid
artikel 2.7 is een regel opgenomen die het verbiedt om bij een woonruimte behorende bijgebouwen te gebruiken voor bewoning. Deze regel is aanvullend op de algemene regels die betrekking hebben op het gebruik van erven, zoals opgenomen in artikel 3.5. Dat artikel blijft daarbij onverminderd van toepassing. In bijlage I is bepaald dat onder een bijgebouw wordt verstaan een op het bij een hoofdgebouw behorend erf gerealiseerd gebouw dat niet in directe verbinding staat met het hoofdgebouw door bijvoorbeeld een opening of deur. Hierin verschilt het bijgebouw met een aanbouw of uitbouw. Kort gezegd: een schuur mag worden gebruik als schuur, maar niet voor bewoning. In artikel 3.353.36 wordt hierop overigens een uitzondering gegeven met betrekking tot huisvesting in verband met mantelzorg. 

Tweede lid:

Het tweede lid bevat een verbod om motorrijtuigen op het bij woonruimte behorend erf te parkeren, tenzij het bijbehorende erf daarvoor klaarblijkelijk bedoeld is. Dat verbod is nodig omdat binnen het gebruik van een erf, zoals dat in artikel 3.5 voor alle vormen van planologisch gebruik wordt geregeld, parkeren op eigen erf wordt beschouwd als normaal gebruik van het erf. Voor gronden met als gebruiksdoel 'wonen' geldt de in het tweede lid opgenomen uitzondering. Parkeren op eigen erf mag slechts a) binnen een daartoe klaarblijkelijk bedoeld bouwwerk (denk aan een garage of een carport) of b) buiten een daartoe klaarblijkelijk bedoeld bouwwerk, voor zover de bestaande inrichting van de openbare ruimte en de aansluiting van het erf op de openbare weg hieraan niet in de weg staan. Hiervan is sprake indien er bijvoorbeeld inritten aanwezig zijn en daarmee een aansluiting op de openbare weg. 

Derde lid: 

In uitzonderingsgevallen kan het (denk bijvoorbeeld aan een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) vanwege de aansluiting van het eigen erf op die openbare ruimte mogelijk zijn dat er op eigen erf geparkeerd wordt, maar is dit toch niet wenselijk. Het derde lid voorziet in die gevallen in de mogelijkheid om parkeren op eigen terrein uit te zonderen. 

Vierde lid:

Tot slot bepaalt het vierde lid dat het verbod voor parkeren op eigen terrein niet geldt voor motorrijtuigen met twee wielen of een gehandicaptenvoertuig, bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Daaronder wordt verstaan een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt, en geen bromfiets is.

JJJJJJJJJJJ

Na sectie ' Woningvorming' worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 2.21 Algemeen

Subparagraaf 2.3.1.4 bevat een verplichting van een geluidluwe gevel bij gebruikswijziging van een gebouw naar een woonfunctie. In het verleden kwam het voor dat bij vaststelling van een bestemmingsplan waarmee woningen werden mogelijk gemaakt uit akoestisch onderzoek was gebleken dat aan standaardwaarden dan wel vastgestelde hogere waarden werd voldaan. Wanneer hogere waarden waren vastgesteld, werd dan wel de verplichting opgenomen dat elke woning in elk geval een stille zijde moest hebben.  

Wanneer een bestemmingsplan wordt vervangen waar deze beoordeling reeds is gedaan, hoeft niet nogmaals akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het omgevingsplan moet dan wel voorzien in de mogelijkheid de stille zijde voor te schrijven. Subaragraaf 2.3.1.4 voorziet daarin. Deze subparagraaf is van toepassing op situaties waarbij voor een bestaand gebouw het gebruik wordt gewijzigd naar wonen, en het gebruik als wonen op grond van artikel 2.3, eerste lid, ook is toegestaan. De term stille zijde is daarbij vervangen door geluidluwe gevel. Daarbij wordt de mogelijkheid geboden om met een maatwerkvoorschrift toestemming te geven om in bepaalde gevallen af te wijken van de verplichting van een geluidluwe gevel, en te volstaan met een bijna-geluidluwe gevel.  

Eerste lid:

In artikel 2.4, tweede lid, is ook voor deze subparagraaf bepaald dat die geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen'. Dat is dus overal waar bij het vervangen van het bestemmingsplan de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen' is toegekend. Met het eerste lid wordt het toepassingsbereik echter beperkt. In paragraaf 3.2.6 zijn regels opgenomen voor het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een geluidgevoelige functie. Deze regels moeten borgen dat bij de bedoelde gebruikswijziging beoordeeld kan worden of het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is. Deze beoordeling hoeft alleen plaats te vinden op locaties die zijn aangeduid met de aanduiding aanduiding 'nadere afweging geluid bij gebruikswijziging noodzakelijk'. Bij die beoordeling wordt, als het gaat om een gebruikswijziging naar wonen, en er sprake is van een overschrijding van de standaardwaarde, ook bekeken of elke nieuwe woning beschikt over een geluidluwe gevel, of in elk geval een bijna-geluidluwe gevel (artikel 3.30). In dat geval kan subparagraaf 2.3.1.4 buiten toepassing blijven. Het eerste lid voorziet hierin. 

Tweede lid:

Het tweede lid bepaalt dat voor de toepassing van deze subparagraaf onder geluid uitsluitend het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen wordt verstaan. Hiermee wordt verduidelijkt welke geluidsbronnen bij de beoordeling van het criterium ‘aanvaardbare mate van geluidbelasting’ worden betrokken. Bij de toepassing van deze paragraaf gaat dus alleen om de geluidbronnen die voorheen door de voormalige Wet geluidhinder, nu door paragraaf 5.1.4.2a van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden gereguleerd. 

Ten aanzien van geluid door andere activiteiten zijn regels opgenomen in hoofdstuk 9 van dit omgevingsplan. Toetsing aan die regels en aan artikel 5.59 Besluit kwaliteit leefomgeving (aanvaardbaarheid) vindt vooraf bij de toelating van geluidgevoelige en/of geluidveroorzakende activiteiten plaats. Nadere regels voor wijziging gebruik als niet-geluidgevoelige gebouwen naar gebruik als geluidgevoelige gebouw voor geluid door die activiteiten is derhalve niet nodig.

Derde lid: 

Het derde lid bepaalt dat deze subparagraaf niet van toepassing is voor zover het gebruik als geluidgevoelig gebouw reeds betrokken is bij een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Het is goed mogelijk dat een gebruiksomzetting van een bestaand gebouw naar een geluidgevoelig gebouw gepaard gaat met een verbouwing waarvoor een  omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken is vereist. Wanneer de verbouwing plaatsvindt met het oog op het nieuwe gebruik, dan zal op grond van subparagraaf 4.2.4.7 bij de beoordeling van de aanvraag ook de mate van geluidbelasting op het beoogde geluidgevoelig gebouw worden betrokken. Wanneer die beoordeling heeft plaatsgevonden is het niet nodig dat voor de wijziging van gebruik zelf nog een vergunning wordt aangevraagd. Hetzelfde geldt voor de situatie dat sprake is van een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of een verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit derde lid voorziet hierin. 

Vierde lid: 

Dit vierde lid bepaalt als hoofdregel dat op het bepalen van het geluid op een gevel de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing zijn. 

Op grond van artikel 3.6 van de Aanvullingswet geluid blijft het oude recht (de Wet geluidhinder) van toepassing zolang er nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld voor een industrieterrein. Deze industrieterreinen worden in dit omgevingsplan aangeduid als gezoneerd industrieterrein. Daaronder wordt verstaan een industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of artikel 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld. Voor het bepalen van het geluid op een gevel vanwege een gezoneerd industrieterrein wordt aanvullend aan de hoofdregel bepaald dat bij het bepalen van het geluid op een gevel vanwege een gezoneerd industrieterrein de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Wet geluidhinder van toepassing zijn.

Artikel 2.22 Verplichte geluidluwe gevel, afwijkmogelijkheid

Eerste lid:

Elke nieuw te realiseren woning dient te beschikken over een geluidluwe gevel. Het eerste lid bepaalt dit. Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat dit geen verplichting inhoud voor bestaande woningen. Daarbij wordt bepaald dat een geluidluwe gevel een gevel is waarop de geluidbelasting niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 2.22. Die waarden zijn gelijk aan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aangevuld met een waarde voor gezoneerde industrieterreinen. 

Tweede lid: 

Het tweede lid maakt mogelijk dat een maatwerkvoorschrift kan worden verleend waarmee kan worden afgeweken van het verplichting van een geluidluwe gevel, als geluidbeperkende maatregelen om aan de in het eerste lid bedoelde standaardwaarden te voldoen niet doelmatig of bezwaarlijk zijn. Zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen moeten deze afwijking rechtvaardigen. Bovendien moet dan wel sprake zijn van een bijna-geluidluwe gevel. Dat is een gevel waarop het berekende geluid niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 2.22 plus daarbij opgeteld 3dB.  

Derde lid: 

Het derde lid bepaalt dat artikel 3.26, artikel 3.34 en artikel 3.35 van overeenkomstige toepassing zijn. Dat betekent onder meer dat het maatwerkvoorschrift die voorwaarden kan bevatten die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder. Ook moet bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift een rapport worden verstrekt, waaruit de mate van geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw blijkt, en waarin, in verband met de overschrijding van de standaardwaarde, inzicht wordt gegeven in de maatregelen die worden genomen met het oog op de bescherming van de gezondheid.

KKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.212.23 Toepassingsbereik 

In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.2 bevat regels over maatschappelijke dienstverlening. Artikel 2.212.23 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. 

Eerste lid:

In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijk'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen.   

Tweede lid:

In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald.

LLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.222.24 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening', toegestaan gebruik

Artikel 2.222.24 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening', en over het daar toegestaan gebruik. Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' als gebruiksdoel maatschappelijke dienstverlening hebben, en dat ze mogen worden gebruikt ten behoeve van maatschappelijke dienstverlening. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel betrekking hebben, in acht worden genomen.

In bijlage I is bepaald dat onder maatschappelijke dienstverlening wordt verstaan het verlenen van publieksgerichte diensten of het bieden van voorzieningen op het gebied van educatie, onderwijs, welzijn, gezondheidszorg, levensbeschouwing en bijzondere overheidsvoorzieningen. Onder maatschappelijke dienstverlening vallen in elk geval:

  • a.

     instellingen gericht op het geven van basisonderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger beroeps en universitair onderwijs, en instellingen gericht op het geven van avondonderwijs; 

  • b.

    ziekenhuizen en daarmee vergelijkbare medische centra; 

  • c.

    overige voorzieningen voor medische zorgverlening zoals huisartsenposten,  GGZ-instellingen, revalidatiecentra, tandartsen- of fysiotherapiepraktijken, dierenartspraktijken;

  • d.

    overige dienstverlening op het gebied van zorg en welzijn zoals een verpleeghuis, een verzorgingshuisconsultatiebureaus, apotheken, afkickklinieken, jeugdzorginstelling, dak- en thuislozenopvang, drugsopvang, asielzoekerscentra;

  • e.

    bijzondere overheidsvoorzieningen zoals een justitiële inrichting, kazerne, en uitrukpost;

  • f.

    overige voorzieningen op het gebied van maatschappelijke dienstverlening zoals een buurtcentrum, bibliotheek, kinderopvangmuziek- en dansschoolreligieuze instelling en school(werk)tuin.  

MMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.232.25 Omvang en situering van maatschappelijke dienstverlening

Artikel 2.232.25 bevat beperkende regels over de omvang en situering van maatschappelijke dienstverlening. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet.  

Eerste en tweede lid:

Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak maatschappelijke dienstverlening dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakt maatschappelijke dienstverlening'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Het tweede lid maakt mogelijk dat er een maximum bruto-vloeroppervlak geldt per vestiging.

Derde lid:

Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin maatschappelijke dienstverlening is toegestaan' maatschappelijke dienstverlening uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen maatschappelijke dienstverlening is toegestaan. 

Vierde lid:

Het vierde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin maatschappelijke dienstverlening niet is toegestaan' maatschappelijke dienstverlening niet is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen maatschappelijke dienstverlening niet is toegestaan. 

NNNNNNNNNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.242.26 Geluidgevoelige ruimten

OOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.252.27 Instellingen met een gezondheidszorgfunctie met bedgebied

Artikel 2.252.27 bevat een specifieke regel over instellingen met een gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan, bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, anders dan instellingen, bedoeld in artikel 2.282.30 en 2.292.31. Onder een gezondheidsfunctie wordt op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving verstaan een gebruiksfunctie voor medisch onderzoek, verpleging, verzorging of behandeling. Die kunnen een bedgebied hebben, maar dat hoeft niet. Artikel 2.252.27  bepaalt dat gezondheidszorgfuncties, als ze een bedgebied hebben, uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gezondheidszorgfunctie met bedgebied toegestaan'. Dat geldt niet voor instellingen, bedoeld in artikel 2.282.30 en 2.292.31. Daarvoor geldt dat die altijd een bedgebied zullen hebben.  

Reden voor deze beperkende regel in artikel 2.252.27 is onder meer dat instellingen met een gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan, in artikel 3.21 van het Bkl zijn aangewezen als geluidgevoelig gebouw. In het kader van dat is een gezondheidszorgfunctie een gebruiksfunctie voor medisch onderzoek, verpleging, verzorging of behandeling. Om niet alle gezondheidszorgfuncties – zoals praktijken van huisartsen of voor fysiotherapie – geluidgevoelig te maken, is er in het Bkl voor gekozen om alleen gezondheidszorgfuncties met bedgebied aan te wijzen. Bedgebieden zijn een bijzondere categorie verblijfsgebieden. In een bedgebied ligt ten minste één bedruimte, maar er kunnen daarnaast ook andere (verblijfs)ruimten liggen. Een bedruimte is volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving een verblijfsruimte voor een of meer bedden voor slapen of voor het verblijf van bedgebonden patiënten in die ruimte. Beschikt een gezondheidszorgfunctie over een dergelijk bedgebied, dan is sprake van een geluidgevoelig gebouw. 

Dat maakt dat een gezondheidszorgfunctie met bedgebied, anders dan allerlei andere vormen van maatschappelijke dienstverlening, niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid is toegestaan. Overigens spelen bij die beoordeling meer aspecten. Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar de genoemde vormen van onderwijs gevestigd mag worden. 

Is sprake van een instelling met een gezondheidszorgfunctie zonder een bedgebied, dan geldt de beperking van artikel 2.252.27 niet. In dat geval kunnen nog wel andere locatiebeperkingen gelden, op grond van paragraaf 2.3.2.2. Dat wordt duidelijk gemaakt met de eerste zinsnede van artikel 2.252.27. Een afkickkliniek kan bijvoorbeeld een bedgebied hebben, maar dat hoeft niet. Als een afkickkliniek een bedgebied heeft, dan kan dat alleen ter plaatse van de aanduiding 'gezondheidszorgfunctie met bedgebied toegestaan'. Maar of de afkickkliniek nu een bedgebied heeft of niet, een afkickkliniek is alleen toegestaan ter plaatse van de in artikel 2.352.37, eerste lid bedoelde aanduiding 'afkickkliniek toegestaan'.

PPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.262.28 Kinderopvang

Artikel 2.262.28 bevat specifieke regels over kinderopvang. In bijlage I is bepaald dat onder kinderopvang wordt verstaan het bedrijfsmatig opvangen, verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen, zoals dat plaatsvindt in een kindercentrum, kinderdagverblijf, peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang, en naar de aard daarmee vergelijkbare activiteiten, niet zijnde opvang aan huis.

Opvang aan huis is expliciet uitgesloten van het toepassingsbereik. Dat is een vorm van een beroep of bedrijf aan huis en wonen is als activiteit niet toegestaan binnen het gebruiksdoel kinderopvang. Waar wonen is toegestaan wordt geregeld in onderdeel 2.3.1. Opvang aan huis wordt daarin gereguleerd door artikel 2.8. 

De omschrijving is afgeleid van de begripsbepalingen voor kinderopvang uit de Wet kinderopvang. In de Wet kinderopvang wordt kinderopvang anders dan om niet door bijvoorbeeld gastouders ook onder het begrip kinderopvang geplaatst. In de regeling bij dit omgevingsplan valt deze vorm van opvang buiten de reikwijdte van de definitiebepaling (want wordt aangemerkt als een huis verbonden bedrijf of beroep). In deze paragraaf gaat het dus uitsluitend om bedrijfsmatige kinderopvang anders dan verbonden aan een huis.

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat het bieden van kinderopvang uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kinderopvang toegestaan'. Reden voor deze beperkende regel is onder meer dat gebouwen met een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in beginsel zijn aangewezen als geluidgevoelig gebouw. Ook vanuit oogpunt van externe veiligheid en luchtkwaliteit verdient kinderopvang, ook die zonder bedgebied, extra bescherming. Dat maakt dat kinderopvang, anders dan allerlei andere vormen van maatschappelijke dienstverlening, niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid is toegestaan. Overigens spelen bij die beoordeling meer aspecten. Ook kan kinderopvang bepaalde effecten op de omgeving kan hebben (denk aan stemgeluid van spelende kinderen). Met dit eerste lid wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar kinderopvang gevestigd mag worden.   

Tweede lid: 

Een gebouw met een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied is een geluidgevoelig gebouw. Kinderopvang zonder slaapgebied (bv. een buitenschoolse opvang) is niet geluidgevoelig. Ter plaatse van de aanduiding ‘uitsluitend kinderopvang zonder bedgebied toegestaan’ wordt alleen kinderopvang toegestaan dat niet als geluidgevoelig gebouw wordt aangemerkt. Op locaties met een hogere geluidbelasting kan de vestiging van een kinderopvang met bedgebied waar kinderen zich doorgaans langer verblijven, als onaanvaardbaar worden geacht. Met het gebruik van dit lid kan deze vorm van opvang op geluidbelaste locaties uitgesloten worden. Hier kunnen nog andere vormen van kinderopvang dan wel plaatsvinden, zoals een buitenschoolse opvang zonder slaapplaatsen.  

Derde lid:

Het derde lid bevat een beperking die uitsluitend geldt ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin kinderopvang is toegestaan'. Daar is kinderopvang uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Die bepaalde bouwlaag of bouwlagen zijn voor elke locatie waar deze aanduiding geldt, op de digitale viewer weergegeven. 

Vierde lid: 

Het vierde bevat een beperking die uitsluitend geldt ter plaatse van de locatie-aanduiding 'maximum aantal kinderopvang'. Daar is maximum één kinderopvang per bouwblok toegestaan. Deze beperking is opgenomen om hinder door kinderopvang te beperken. 

QQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.272.29 Onderwijs 

Artikel 2.272.29 bevat specifieke regels over de in het eerste tot en met het vierde lid aangegeven vormen van onderwijs. 

Eerste tot en met vierde lid:

Het eerste tot en met het vierde lid bepalen dat de aangegeven vormen van onderwijs uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aangegeven aanduidingen. Reden voor deze beperkende regel is onder meer dat gebouwen met een onderwijsfunctie in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als geluidgevoelig gebouw. In relatie tot externe veiligheidsrisico’s worden onderwijsinstellingen als kwetsbare gebouwen gezien. Onderwijs aan minderjarigen is zelfs een zeer kwetsbare functie waarvoor aanvullende beperkingen gelden. Ook vanuit luchtkwaliteit verdienen onderwijsinstellingen aan minderjarigen extra bescherming. Dat maakt dat deze vormen van onderwijs niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid is toegestaan. Overigens spelen bij die beoordeling meer aspecten. Genoemde onderwijsinstellingen kunnen bepaalde effecten op de omgeving hebben. De effecten op de omgeving verschillen per type onderwijsinstelling. Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar de genoemde vormen van onderwijs gevestigd mag worden. 

Vijfde lid: 

Zowel middelbaar beroepsonderwijs als hoger beroeps- en universitair onderwijs kunnen worden gegeven in de vorm van avondonderwijs. Dat vindt ook plaats in gebouwen met een andere functie dan een onderwijsfunctie. De leeftijd van de doelgroep en de verblijfsduur is over het algemeen wel anders dan bij het reguliere middelbaar- en hoger beroepsonderwijs. De redenen om voor ook het reguliere middelbaar- en hoger beroepsonderwijs vestigingsbeperkingen op te nemen, zijn niet van toepassing op het geven van avondonderwijs. Dat is overal toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening'. 

Zesde lid: 

Dit lid beoogt extra bescherming te bieden aan minderjarigen met een lichamelijke of geestelijke beperking. Deze groep is minder zelfredzaam bij een ramp of calamiteit met gevaarlijke stoffen dan scholieren van regulier (voortgezet) onderwijs. (Scholieren van basisonderwijs zijn eveneens minder zelfredzaam vanwege de jonge leeftijd.) Daarom worden de onderwijsgebouwen voor deze doelgroep in bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving als ‘zeer kwetsbaar’ aangewezen (samen met basisonderwijs, onder meer). Het uitgangspunt van zowel het Rijks- als gemeentelijke beleid is dat minder zelfredzame personen op grotere afstand worden gehouden van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Daarom kan op sommige locaties waar regulier voortgezet onderwijs toegestaan is, nodig zijn om onderwijs aan minderjarigen met een beperking uit te sluiten.

Het is overigens mogelijk om een onderwijsgebouw aan minderjarigen met beperking (of voor basisonderwijs) dichtbij een risicobron toe te staan na zorgvuldige afweging van de externe veiligheidsrisico’s. Als de locatie binnen een zogenaamd brand- of explosieaandachtsgebied ligt, dan moet een brand- of voorschriftengebied aangewezen te worden. Het gevolg daarvan is dat nieuwe gebouwen binnen het  aangewezen voorschriftengebied van extra bouwkundige maatregelen moet worden voorzien. Meer informatie hierover kunt u lezen in de toelichting op artikel 4.1174.120 en 4.1184.121.

Voor de volledigheid wordt nog dat hier gaat om gebouwen waar onderwijs specifiek aan minderjarigen met een lichamelijke of geestelijke beperking wordt gegeven. Hoewel deze personen vaak regulier onderwijs volgen, maakt dat een regulier onderwijsgebouw nog niet meteen in deze categorie vallen.

RRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.282.30 Ziekenhuizen en daarmee vergelijkbare instellingen

Artikel 2.282.30 bevat specifieke regels over het bieden van medische zorgverlening in een ziekenhuis of universitair medisch centrum. Het wordt voldoende duidelijk geacht wat wordt verstaan onder medische zorgverlening in een ziekenhuis of universitair medisch centrum. Er is daarom afgezien van begripsomschrijvingen.   

Het artikel bepaalt dat het bieden van medische zorgverlening in een ziekenhuis of universitair medisch centrum uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'ziekenhuis toegestaan'. Reden voor deze beperkende regel is onder meer dat gebouwen met een gezondheidszorgfunctie met bedgebied in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als geluidgevoelig gebouw. Een bedruimte is volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving een verblijfsruimte voor een of meer bedden voor slapen of voor het verblijf van bedgebonden patiënten in die ruimte. Beschikt een gezondheidszorgfunctie over een dergelijk bedgebied, dan is sprake van een geluidgevoelig gebouw. 

Dat maakt dat een ziekenhuis, anders dan allerlei andere vormen van maatschappelijke dienstverlening, niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid is toegestaan. Overigens spelen bij die beoordeling meer aspecten. Ziekenhuizen kunnen bepaalde effecten op de omgeving hebben. Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar een ziekenhuis gevestigd mag worden. 

Poliklinieken die organisatorisch weliswaar onderdeel uitmaken van een ziekenhuis maar in een apart gebouw, los van het ziekenhuis zijn gesitueerd vallen niet onder ‘ziekenhuizen en daarmee vergelijkbare instellingen’ zoals bedoeld in dit artikel. In poliklinieken vindt alleen dagbehandeling plaats en deze beschikken niet over een bedgebied. Daarom zijn dergelijke losse poliklinieken ook geen geluidgevoelige gebouwen en mogen daarom overal vestigen waar maatschappelijke dienstverlening is toegestaan. Een polikliniek die binnen het ziekenhuis is ondergebracht maakt wel onderdeel van het geluidgevoelige gebouw en zijn ook geluidgevoelige ruimte (zie volgend lid). 

SSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.292.31 Verpleeghuizen en verzorgingshuizen

Artikel 2.292.31 bevat specifieke regels over verpleeghuizen en verzorgingshuizen. Bijlage I bevat begripsbepalingen voor een verpleeghuis of verzorgingshuis

Onder een verpleeghuis wordt verstaan een voorziening voor veelal oudere maar ook jongere patiënten, die als gevolg van een of meer functiestoornissen (tijdelijk) niet meer zelfstandig kunnen functioneren en voortdurende verpleegkundige zorg behoeven in aansluiting op een medische behandeling. 

Onder een verzorgingshuis wordt verstaan een voorziening voor het bieden van uitgebreide zorg, ondersteuning en een beschutte woonomgeving, voor mensen die door ouderdom of ziekte niet meer zelfstandig kunnen wonen, ook niet met hulp van naasten, mantelzorg of thuiszorg. Hieronder wordt mede begrepen een hospice. 

Het artikel bepaalt dat een verpleeghuis of verzorgingshuis uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'verpleeghuis of verzorgingshuis toegestaan'. Reden voor deze beperkende regel is onder meer dat gebouwen met een woonfunctie en gebouwen met een gezondheidszorgfunctie met bedgebied, in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als geluidgevoelig gebouw. Een bedruimte is volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving een verblijfsruimte voor een of meer bedden voor slapen of voor het verblijf van bedgebonden patiënten in die ruimte. Beschikt een gezondheidszorgfunctie over een dergelijk bedgebied, dan is sprake van een geluidgevoelig gebouw. 

Dat maakt dat een verpleeghuis of verzorgingshuis, anders dan allerlei andere vormen van maatschappelijke dienstverlening, niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid is toegestaan. Overigens spelen bij die beoordeling meer aspecten. Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar verpleeg- en verzorgingshuizen gevestigd mogen worden.  

TTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.302.32 Kinderboerderijen

Artikel 2.302.32 bepaalt dat binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' kinderboerderijen alleen ter plaatse van de aanduiding ‘ kinderboerderij’  zijn toegestaan. Kinderboerderijen kunnen vanwege de te houden dieren leiden tot overlast voor omwonenden. Dat maakt dat een kinderboerderij niet overal is toe te staan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid is toegestaan. Het wordt voldoende duidelijk geacht wat wordt verstaan onder een kinderboerderij. Er is daarom afgezien van een begripsomschrijving.   

UUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.312.33 Begraafplaatsen

Artikel 2.312.33 bepaalt waar binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' begraafplaatsen zijn toegestaan. Een begraafplaats is vanwege het bijzondere karakter ervan een vorm van maatschappelijke dienstverlening die niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid toelaatbaar is. Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar een begraafplaats gevestigd mag worden. 

VVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.322.34 Crematoria

Artikel 2.322.34 bepaalt waar binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' crematoria zijn toegestaan. Een crematorium is vanwege het bijzondere karakter ervan een vorm van maatschappelijke dienstverlening die niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid toelaatbaar is. Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar een crematorium gevestigd mag worden. 

WWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.332.35 Dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking 

Dit artikel beoogt extra bescherming te bieden aan personen met een lichamelijke of geestelijke beperking. Deze groep is immers minder zelfredzaam bij een ramp of calamiteit met gevaarlijke stoffen dan gemiddeld. Daarom wordt een gebouw voor het dagverblijf voor deze doelgroep in bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving als ‘zeer kwetsbaar’ aangewezen. Het uitgangspunt van zowel het Rijks- als gemeentelijke beleid is dat minder zelfredzame personen op grotere afstand worden gehouden van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Daarom kan op sommige locaties waar maatschappelijke dienstverlening toegestaan is, wenselijk zijn om dagverblijf voor personen met een beperking uit te sluiten.

Het is overigens mogelijk om dagverblijf voor deze doelgroep dichtbij een risicobron toe te staan na zorgvuldige afweging van de externe veiligheidsrisico’s. Als de locatie binnen een zogenaamd brand- of explosieaandachtsgebied ligt, dan moet een brand- of voorschriftengebied aangewezen te worden. Het gevolg daarvan is dat nieuwe gebouwen binnen het  aangewezen voorschriftengebied van extra bouwkundige maatregelen moet worden voorzien. Zie meer uitgebreid in de toelichting op artikel 4.1174.120 en 4.1184.121.

XXXXXXXXXXX

Na sectie ' Dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking ' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 2.36 Religieuze instelling

Dit artikel bepaalt waar binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening’ religieuze instellingen zijn toegestaan. In de begripsomschrijving in bijlage I is bepaald wat onder religieuze instelling wordt verstaan. Het betreft een voor publiek toegankelijke instelling die het ter plaatse bijeenkomen faciliteert om een godsdienst of levensovertuiging te belijden of uit te oefenen. Voorbeelden hiervan zijn in ieder geval een moskee, kerk of synagoge. Een religieuze instelling is vanwege het bijzondere karakter ervan een vorm van maatschappelijke dienstverlening die niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid toelaatbaar is. Religieuze instellingen kunnen vanwege hoge bezoekersaantallen en piekmomenten leiden tot ruimtelijke effecten wat betreft verkeer, parkeren en geluid en daardoor overlast voor omwonenden geven. Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar een religieuze instelling gevestigd mag worden.

YYYYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.352.37 Overige vormen van maatschappelijke dienstverlening die uitsluitend op specifiek aangegeven locaties zijn toegestaan

ZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.362.38 Beperking ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijke dienstverlening - uitsluitend school(werk)tuin'

Artikel 2.362.38 bevat een locatiespecifieke beperking voor maatschappelijke dienstverlening. Ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijke dienstverlening -uitsluitend school(werk)tuin' is maatschappelijke dienstverlening uitsluitend in de vorm van een school(werk)tuin toegestaan. In bijlage I is bepaald dat onder een school(werk)tuin wordt verstaan het gebruik van tuinen, kassen en kwekerijen ten behoeve van educatie. Andere vormen van maatschappelijke dienstverlening zijn op de bedoelde locatie niet toegestaan. 

AAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.372.39 Beperking ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijke dienstverlening - uitsluitend kinderboerderij'

Artikel 2.372.39 bevat een locatiespecifieke beperking voor maatschappelijke dienstverlening. Ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijke dienstverlening - uitsluitend kinderboerderij' is maatschappelijke dienstverlening uitsluitend in de vorm van een kinderboerderij toegestaan. Het wordt voldoende duidelijk geacht wat wordt verstaan onder een kinderboerderij. Er is daarom afgezien van een begripsomschrijving. Andere vormen van maatschappelijke dienstverlening zijn op de bedoelde locatie niet toegestaan. 

BBBBBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.382.40 Beperking ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijke dienstverlening - uitsluitend kinderopvang'

CCCCCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.392.41 Beperking ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijke dienstverlening - uitsluitend onderwijs'

DDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.402.42 Toepassingsbereik 

In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.3 bevat regels over zakelijke en administratieve dienstverlening. Artikel 2.402.42 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. 

Eerste lid: 

In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen.   

Tweede lid:

In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Het gaat om het maximale werkingsgebied. Voor een aantal regels in deze paragraaf geldt dat het werkingsgebied nader ingeperkt is. 

EEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.412.43 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening', toegestaan gebruik 

Artikel 2.412.43 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening', en over het daar toegestaan gebruik.

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening' als gebruiksdoel zakelijke en administratieve dienstverlening hebben, en dat ze mogen worden gebruikt ten behoeve van zakelijke en administratieve dienstverlening. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel betrekking hebben, in acht worden genomen.  

In bijlage I is bepaald wat in dit omgevingsplan onder zakelijke en administratieve dienstverlening wordt verstaan. Het gaat om een onderneming of instelling die is gericht op dienstverlening op bestuurlijk, financieel, zakelijk, juridisch of administratief gebied, al dan niet met een daaraan ondergeschikt zijnde baliefunctie. Dienstverlening op bestuurlijk, financieel, zakelijk, juridisch of administratief gebied moet ruim worden geïnterpreteerd, in die zin dat het ook gaat om dienstverlening naar de samenleving toe. Dat wil zeggen dat ook overheidsinstellingen zoals rechtbanken, stads(deel)kantoren, politiebureaus, en dergelijke onder de reikwijdte van deze afdeling vallen. In al deze gevallen wordt op de betreffende locatie in hoofdzaak ‘kantoorwerk’ verricht. 

Tweede lid:

Van zakelijke en administratieve dienstverlening moet worden onderscheiden consumentgerichte dienstverlening, zoals dat wordt gereguleerd in paragraaf 2.3.4. Het onderscheid zit hem met name in het feit dat consumentgerichte dienstverlening in hoofdzaak betrekking heeft op rechtstreeks contact met consumenten, terwijl dit rechtstreeks contact binnen zakelijke en administratieve dienstverlening incidenteel is. Het derde lid maakt expliciet dat dit gebruik niet in overeenstemming is met het in het eerste lid bedoelde gebruiksdoel. Consumentgerichte dienstverlening op een locatie waar zakelijke en administratieve dienstverlening is daardoor alleen toegestaan wanneer met toepassing van paragraaf 2.3.4 aan de locatie ook de functie 'consumentgerichte dienstverlening' is gegeven.

FFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.422.44 Omvang en situering van zakelijke en administratieve dienstverlening

Artikel 2.422.44 bevat regels over de omvang en situering van zakelijke en administratieve dienstverlening. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet.  

Eerste lid:

Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak zakelijke en administratieve dienstverlening dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte zakelijke en administratieve dienstverlening'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. 

Tweede lid:

Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin zakelijke en administratieve dienstverlening is toegestaan' zakelijke en administratieve dienstverlening uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen zakelijke en administratieve dienstverlening is toegestaan. 

Derde lid:

Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin zakelijke en administratieve dienstverlening niet is toegestaan' zakelijke en administratieve dienstverlening niet is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen zakelijke en administratieve dienstverlening niet is toegestaan. 

GGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.432.45 Beperkingen met betrekking tot baliefuncties

Op grond van artikel 2.432.45 kunnen beperkingen gelden voor baliefuncties. Bepaalde vormen van zakelijke en administratieve dienstverlening zullen een baliefunctie nodig hebben. Bij zakelijke en administratieve dienstverlening moet het wel gaan om een ondergeschikte baliefunctie. Daarbij kan worden gedacht aan overheidsinstellingen waarbij hoofdzakelijk administratieve taken aan het bureau plaatsvinden, maar die een publieksloket hebben, aan rechtbanken, maar ook aan bankfilialen met een baliefunctie. In bepaalde gevallen is het echter noodzakelijk daaraan beperkingen te stellen, of ze zelfs geheel uit te sluiten. Op grond van het eerste lid kunnen baliefuncties op een specifiek aangeduide locatie geheel uitgesloten zijn. Op basis van het tweede lid kunnen baliefuncties zijn toegestaan, maar uitsluitend in de eerste bouwlaag (op de begane grond). Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. 

HHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.442.46 Aanbieden aan derden van vergader- en congresfaciliteiten

Artikel 2.442.46 bevat regels over het aanbieden van faciliteiten aan derden voor het houden van vergaderingen en congressen. 

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat het aanbieden van vergader- en congresfaciliteiten aan derden is toegestaan voor zover dit ondergeschikt is aan het hoofdgebruik van zakelijke en administratieve dienstverlening. Wanneer geen sprake is van ondergeschiktheid, of wanneer de bedrijfsvoering zelfs uitsluitend is gericht op het aanbieden van faciliteiten aan derden voor het houden van vergaderingen en congressen, dan is paragraaf 2.3.25 van toepassing. 

Tweede lid:

Op grond van het tweede lid kunnen wel beperkingen gelden. Die beperkingen gelden uitsluitend ter plaatse van de aangegeven locatie. De beperkingen hebben nadrukkelijk betrekking op het aanbieden aan derden van vergader- en congresfaciliteiten. Voor zover beperkingen zijn gesteld, gelden die niet voor de eigen vergader- en congresruimten voor eigen gebruik.  

IIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.80 Toepassingsbereik

In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Deze paragraaf bevat regels over bedrijven. Artikel  2.80 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. 

Eerste lid:

In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel te plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen.   

Tweede lid:

In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Het gaat om het maximale werkingsgebied. Voor een aantal regels in deze paragraaf geldt dat het werkingsgebied nader ingeperkt is.

Derde lid:

In het derde lid is bepaald wat onder bedrijf in deze paragraaf moet verstaan worden. Het begrip bedrijf heeft in algemeen spraakgebruik een bredere betekenis dan in deze paragraaf. In het algemeen spraakgebruik (en dus ook in andere afdelingen of hoofdstukken in dit omgevingsplan) wordt onder bedrijf een onderneming of zaak verstaan. Deze afdeling gaat echter alleen over bedrijf in engere zin, namelijk een bedrijf gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, verwerken, herstellen, opslaan, distributie en groothandel van goederen. Omwille van de leesbaarheid van deze paragraaf wordt in dit artikel bepaald dat in deze paragraaf onder het begrip bedrijf uitsluitend een bedrijf gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, verwerken, herstellen, opslaan, verhuren van goederen en de distributie en groothandel van goederen moet verstaan worden. 

Met deze afbakening van wat onder een bedrijf bedoeld in deze paragraaf (bedrijf in enge zin) wordt verstaan, wordt aangesloten bij de begripsbepaling die doorgaans in Amsterdamse bestemmingsplannen werd gebruikt. Omdat het begrip 'bedrijf' elders in dit omgevingsplan terugkomt met een ruimere betekenis, is ervan afgezien de begripsomschrijving in bijlage I op te nemen. De omschrijving in het derde lid geldt uitsluitend deze paragraaf. 

Vierde lid:

In het vierde lid is bepaald dat het verhuren van goederen aan in hoofdzaak consumenten niet onder het begrip van bedrijf valt. Die activiteit valt onder detailhandel. 

Vijfde lid:

In bijlage VI is een Lijst met bedrijfsactiviteiten opgenomen. Deze lijst is een essentieel element van de bedrijvenregeling zoals opgenomen in subparagraaf  2.3.6.2. Door het gebruik van deze begripsbepaling wordt voorkomen dat in iedere regel waarin de Lijst van bedrijfsactiviteiten wordt benoemd de vindplaats ervan (bijlage VI) vermeld hoeft te worden. Dat komt de leesbaarheid van de betreffende regels ten goede. De toepassing van de Lijst van bedrijfsactiviteit is nader toegelicht bij artikel 2.83.

JJJJJJJJJJJJ

Na sectie ' Beperkende regel over waar debatcentra zijn toegestaan' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 2.108 Specifieke regel over het gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf

Het artikel verbiedt om bij een culturele voorziening behorende bijgebouwen te gebruiken voor publieksaantrekkende culturele activiteiten. In bijlage I is bepaald wat onder culturele voorziening wordt verstaan. Het betreft een theater of concertzaal, museum of expositieruimte, bioscoop of filmhuis en debatcentrum. In bijlage I is bepaald dat onder een bijgebouw wordt verstaan een op het bij een hoofdgebouw behorend erf gerealiseerd gebouw dat niet zoals een aanbouw of uitbouw in directe verbinding staat met het hoofdgebouw door bijvoorbeeld een opening of deur. Kort gezegd: een schuur mag worden gebruik als schuur, ten behoeve van opslag, maar niet voor de hoofdactiviteit zelf, in dit geval publieksaantrekkende culturele activiteiten.  

KKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.129 Beperkende regel over waar sportscholen en fitnesscentra zijn toegestaan

Artikel 2.129 bevat de beperking voor sportscholen en fitnesscentra dat die uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘sportschool toegestaan’. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘sportschool toegestaan’. Wat onder een sportschool of fitnesscentrum naar normale maatstaven moet worden verstaan is voldoende duidelijk, zodat van een nadere omschrijving is afgezien.

Artikel 2.129 bevat de beperking voor sportscholen dat die uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘sportschool toegestaan’. Dit betekent dat aan de betreffende locatie zowel de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening' moet zijn gegeven, als een aanvullende aanduiding ‘sportschool toegestaan’. Dit betekent ook dat naast een sportschool in principe ook andere vormen van sportvoorzieningen zijn toegestaan. Wat onder een sportschool naar normale maatstaven moet worden verstaan is voldoende duidelijk, zodat van een nadere omschrijving is afgezien. In bijlage I is wel bepaald wat in dit omgevingsplan onder sport wordt verstaan. Het gaat om een fysieke bezigheid met al dan niet een mentale component en met vaste regels, vaak beoefend in competitieverband, met als doel ontspanning, prestatie of verbetering van conditie en vaardigheid. Hieronder wordt in ieder geval begrepen yoga. Een yogastudio is op zichzelf geen sportschool, maar kan wel worden gevestigd ter plaatse van een locatie waar een sportschool is toegestaan. Een  yogastudio is immers een sportvoorziening en als zodanig toegestaan binnen het gebruiksdoel sportvoorziening. In bijlage I is tevens bepaald wat in dit omgevingsplan onder sportvoorziening wordt verstaan. 

LLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.201 Beperkende regels over wegen

Artikel 2.201 bevat beperkingen voor rijbanen. Naast deze ruimtelijke beperkingen zijn in hoofdstuk 11 regels opgenomen over het aanleggen of het wijzigen van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg. De in dat hoofdstuk opgenomen vergunningplicht is bedoeld om een beoordeling te kunnen doen op gevolgen voor geluidgevoelige bouwwerken. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in een omgevingsplan dat de aanleg of wijziging van een gemeenteweg of waterschapsweg mogelijk maakt, aan bepaalde voorwaarden worden voldaan (artikel 5.78m Besluit kwaliteit leefomgeving). In hoofdstuk 11  wordt aan deze instructieregels gevolg gegeven. Dat betekent dat ook voor de aanleg van bijvoorbeeld een gemeenteweg ter plaatse van de aanduiding 'weg toegestaan', behoudens in hoofdstuk 11  aangegeven uitzonderingen, een vergunningplicht geldt. 

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt in het eerste lid dat binnen de gronden met de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' rijbanen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'weg toegestaan'. Onder een rijbaan wordt verstaan elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden. Dat is overeenkomstig artikel 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).

Tweede lid: 

Het tweede lid bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is als het gaat om een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, of als een maximumsnelheid geldt van 30km/u. In die gevallen is een weg overal ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' toegestaan. 

Derde lid: 

Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal rijstroken' het maximum aantal rijstroken dat is toegestaan de daar bepaalde waarde is. Onder een rijstrook wordt verstaan een door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken. Dat is overeenkomstig artikel 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).

Deze beperking geldt alleen ter plaatse van de genoemde aanduiding. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal hotelkamers. Gelet op artikel 2.2derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. 

MMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.209 Gereserveerd Podium in de openbare buitenruimte

Dit artikel bepaalt waar binnen locaties in het gebruiksdoel groen podia in de openbare ruimte zijn toegestaan. Een podium in de openbare buitenruimte zoals een muziekkoepel of een podium voor een openluchttheater is vanwege het bijzondere karakter ervan een gebruiksvorm in groen die niet overal kan worden toegestaan. Met dit artikel wordt binnen locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' gestuurd op waar een podium in de openbare ruimte gevestigd mag worden. 

NNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.5 Inrichting en gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf, erfbebouwing (gebouwerf)

Artikel 3.5 bevat algemene regels over het gebruik van het bij hoofdgebouwen behorend erf en de daarop aanwezige erfbebouwing. 

Eerste lid: 

Het eerste lid bepaalt dat het gebruik en het erf behorende bij een hoofdgebouw overeenkomstig het gebruiksdoel van dit hoofdgebouw dient te zijn. Het gebruiksdoel volgt uit afdeling 2.3. Het bij een hoofdgebouw behorende erf zal in de meeste gevallen hetzelfde gebruiksdoel hebben als dat van het hoofdgebouw. Omdat het hoofdgebouw meerdere gebruiksdoelen kan hebben, kan dat ook gelden voor het bijbehorend erf. Ook is mogelijk dat bij een hoofdgebouw met meerdere gebruiksdoelen het bijbehorend erf slechts een enkel gebruiksdoel heeft.  

Tweede lid: 

Het tweede lid bepaalt dat onder het gebruik van een bij een hoofdgebouw behorend erf dat in overeenstemming is met een onder afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel wordt verstaan een inrichting en gebruik op een wijze die naar algemene maatstaven als een normale inrichting en gebruik van het bijbehorende erf wordt beschouwd. Denk hierbij een parkeervoorzieningen op het erf behorend bij een bedrijf, het gebruik van het erf bij een woning als tuin, speelmogelijkheden voor kinderen op een bij een kinderdagverblijf behorend erf, of dat bij een kantoor medewerkers zich in de tuin begeven om te lunchen. Hiermee wordt de jurisprudentie onder de Wro gevolgd (zie o.a. ABRvS 20 april 2011 ECLI:NL:RVS:2011:BQ1895 en ABRvS 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1790).

Derde lid:

Indien het onwenselijk wordt geacht dat het erf bedrijfsmatig wordt gebruikt, dan kan de aanduiding ‘tuin’ aan de gronden zijn toegekend. Het derde lid verbindt aan die aanduiding het gevolg dat daar een bedrijfsmatig gebruik van het erf niet is toegestaan. Daarbij is bepaald dat onder een bedrijfsmatig gebruik in ieder geval opslag wordt begrepen. 

Vierde lid:

Het kan voorkomen dat een bedrijfsmatig gebruik van het gebouwerf voor opslag op zichzelf kan worden toegestaan, maar dat de opslag niet zichtbaar mag zijn vanaf de openbare weg, omdat de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de locatie en de omgeving onevenredig wordt aangetast of het belang van het behoud van cultureel erfgoed zich daartegen verzet. In dat geval kan deze aanduiding aan de gronden worden. 

Vijfde lid: 

Dit lid verklaart dit artikel van overeenkomstige toepassing op een gebied waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld.  

Zesde lid: 

Het vijfdezesde lid voorziet erin dat waar het onder oud recht vastgestelde ruimtelijk besluit nog niet is vervallen, niet naar het aan een locatie gegeven gebruiksdoel wordt gekeken, maar naar de geldende bestemming.  

OOOOOOOOOOOO

Na sectie ' Maatwerkvoorschrift met betrekking tot het aantal parkeerplaatsen' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 3.12 Locaties waar parkeren op eigen terrein niet is toegestaan

Uitgangspunt voor parkeren is dat dit op eigen terrein mag plaatsvinden. In uitzonderingsgevallen kan het zijn dat dit niet wenselijk is. Het eerste l9id van voorziet in de mogelijkheid om parkeren op eigen terrein uit te sluiten. 

Het tweede lid bepaalt dat het verbod voor parkeren op eigen terrein niet geldt voor motorrijtuigen met twee wielen of een gehandicaptenvoertuig, bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Daaronder wordt verstaan een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt, en geen bromfiets is.

PPPPPPPPPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.123.13 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan 

QQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.133.14 Van toepassing zijnde normen voor fietsstalling

In artikel 3.133.14 is bepaald welke parkeernormen van toepassing zijn. Voor de van toepassing zijnde fietsstallingsnormen wordt verwezen naar bijlage V. In het tweede lid tot en met het vierde lid wordt voor de toepassing van die beoordeling een onderscheid gemaakt tussen de verschillende gebieden, ingedeeld op de intensiteit van het fietsgebruik. Het is mogelijk dat voor specifieke locaties op basis van een specifieke afweging andere normen, of bijvoorbeeld een gebiedsnorm, meer gewenst zijn. Ook in dergelijke gevallen kan de afwijkende norm aan de desbetreffende locatie worden gekoppeld. Het vijfde lid voorziet hierin. 

RRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.143.15 Geen aanpassingsplicht voor legaal bestaande situaties

Artikel 3.143.15 bevat een bepaling van overgangsrechtelijke aard. Op het moment dat subparagraaf 3.2.3.2 in werking treedt, zijn er allerlei bestaande situaties, waarin het aantal aanwezige stallingsplaatsen, gelet op het gebruik, niet overeenkomt met de in artikel 3.133.14 bedoelde normen. Voor zover die bestaande situaties legaal zijn op het moment dat de in artikel 3.133.14 bedoelde normen in werking treden, ontstaat dan strijd met die normen. Er is geen verplichting beoogt om die bestaande situatie dan in overeenstemming te brengen met de nieuwe normering. Artikel 3.143.15 zorgt hiervoor. De datum van inwerkingtreding van dit onderdeel is 31 oktober 2024. 

SSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.153.16 Regels bij het binnenplans wijzigen van bestaand gebruik

In artikel 3.153.16 zijn de regels opgenomen met betrekking tot het benodigd aantal stallingsplaatsen bij het wijzigen van bestaand gebruik. Het gaat om wijziging van bestaand gebruik die binnen de regels van het omgevingsplan is toegestaan. Op grond van artikel 2.3 in samenhang met de regels onder afdeling 2.3 wordt per locatie bepaalt welke gebruik van gronden en bouwwerken is toegestaan. In heel veel gevallen zullen er op één locatie meerdere gebruiksdoelen gelden, en zijn dus meerdere vormen van gebruik toegestaan. Bijvoorbeeld dat op een locatie zowel wonen, zakelijke en administratieve dienstverlening als maatschappelijke dienstverlening zijn toegestaan. 

Wanneer op een locatie verschillende vormen van gebruik zijn toegestaan, dan maakt dit een wijziging van gebruik binnen de regels van het omgevingsplan mogelijk. Wel kunnen er aan een wijziging van planologisch gebruik in zijn algemeenheid beperkingen of voorwaarden worden gesteld. Dit gebeurt in artikel 3.153.16. Daarin is een verbod opgenomen het bestaand gebruik te wijzigen naar een andere vorm van gebruik, wanneer het aantal feitelijk beschikbare plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein niet in overeenstemming is of wordt gebracht met de voor het nieuwe gebruik geldende fietsstallingsnorm. Deze regel geldt in aanvulling op artikel 2.3. Dat houdt in dat het vereiste in dat artikel in elk geval blijft gelden: het moet gaan om passend gebruik. Bij een wijziging van bestaand gebruik naar nieuw gebruik, waarbij beide gelet op artikel artikel 2.3 zijn toegestaan, moet dus worden voldaan aan de geldende stallingsnorm. Wat die gelden norm is, volgt uit artikel 3.133.14

TTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.163.17 Regels over het wijzigen van het aantal plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein  

In artikel 3.163.17 zijn regels opgenomen over het wijzigen van het aantal stallingsplaatsen voor fietsen op eigen terrein. In de Nota fietsparkeren is geen beleid geformuleerd ten aanzien van het wijzigen van het aantal parkeerplaatsen bij behoud van bestaand gebruik en bestaande bebouwing. Als uitgangspunt is daarbij gehanteerd dat een bestaand aantal stallingsplaatsen niet gewijzigd wordt. Het is van belang dit uitgangspunt wel juridisch te borgen. Dat gebeurt in dit artikel. Het zorgt ervoor dat bij behoud van een bestaand bouwwerk, en bij voortzetting van bestaand gebruik, het aantal stallingspaatsen niet zomaar gewijzigd kan worden. Daartoe is in het eerste lid als hoofdregel opgenomen dat het verboden is het aantal feitelijk beschikbare plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein te verminderen, tenzij voldaan blijft worden aan de minimum norm, bedoeld in artikel 3.133.14.

UUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.173.18 Maatwerkvoorschrift met betrekking tot het aantal fietsstallingsplaatsen

Artikel 3.173.18 biedt de mogelijkheid om bij maatwerkvoorschrift in concrete gevallen af te wijken van de aangegeven artikelen. Daarbij is aangegeven in welke gevallen van deze bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt.   

In het eerste lid wordt voorzien in de mogelijkheid een maatwerkvoorschrift te stellen waarmee wordt afgeweken van artikel 3.153.16 voor zover sprake is van een wijziging van gebruik naar een andere vorm van gebruik, niet zijnde wonen. Dat kan nodig zijn wanneer op andere wijze in voldoende mate in stallingsgelegenheid wordt voorzien, het redelijkerwijs onmogelijk is om voldoende plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein te realiseren of als de impact van de stallingsbehoefte op de openbare ruimte klein is. Het bevoegd gezag heeft beoordelingsruimte bij de vraag of hiervan sprake is. In het tweede lid is aangegeven dat aan het maatwerkvoorschriften kunnen worden verbonden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen te waarborgen. Een belanghebbende kan een verzoek indienen tot het geven van een maatwerkvoorschrift. In het derde lid zijn specifiek hierop betrekking hebbende aanvraagvereisten geformuleerd. 

VVVVVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.183.19 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan 

WWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.193.20 Ondergeschikt kantoorgebruik

Artikel 3.193.20 bevat regels over het gebruik van bedrijfsruimte als ondergeschikte kantoorruimte. 

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat het inrichten en in gebruik te nemen van bedrijfsruimte voor ondergeschikt kantoorgebruik is toegestaan, maar uitsluitend als aan de aangegeven voorwaarden wordt voldaan. De voorwaarden zijn cumulatief weergegeven, dat wil zeggen dat aan beide voorwaarden moet worden voldaan. Allereerst eerst is in onderdeel a bepaald dat het moet gaan om niet-zelfstandige kantoorruimte die ondersteunend is aan de eigen bedrijfsuitoefening. De ondergeschiktheid aan de eigen bedrijfsuitoefening staat hier centraal. Hieronder valt bijvoorbeeld niet het inrichten van een deel van een bedrijfsruimte als kantoor en het verhuren daarvan als zelfstandige kantoorruimte. Dan is sprake van zakelijke en administratieve dienstverlening. Ten tweede is in onderdeel b bepaald dat het gaat om een maximum van 30% kantoorvloer per vestiging. In de begripsbepalingen is opgenomen dat onder kantoorvloer moet worden verstaan een ruimte, die hoofdzakelijk is ingericht voor bureauwerkzaamheden. Het gebruik tot maximum 30% van de bedrijfsruimte als kantoorvloer ten behoeve van het eigen bedrijfsuitoefening is hiermee overal bij recht toegestaan. 

Tweede lid:

Het tweede lid bepaalt hoe het percentage kantoorvloer wordt bepaald. Het percentage kantoorvloer wordt bepaald over het totaal bruto-vloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen. Ruimten voor algemeen gebruik zoals gangen, toiletruimten, trappenhuizen, verblijfsruimte en dergelijke worden naar evenredigheid toegekend aan de ondergeschikte kantoorruimte en overige bedrijfsruimte, waarbij de verdeling op basis van vierkante meters plaatsvindt. Een deel van ruimten voor algemeen gebruik wordt dis een het oppervlak kantoorvloer toegerekend. 

Derde lid:

Het derde lid bevat een locatiegerichte uitzondering. Bepaald is dat in afwijking van het eerste lid ter plaatse van de aanduiding 'afwijkend maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer' in afwijking van het eerste lid, onder b, als maximum percentage kantoorvloer per vestiging de daar bepaalde waarde geldt. Dit lid is van toepassing in gebieden waar het in het eerste lid bepaalde maximum van 30% onredelijk bezwarend is. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn op bepaalde bestaande bedrijventerreinen waar op grond van de voorheen geldende regeling een hoger percentage was toegestaan. Deze regel biedt de mogelijkheid om locatiegericht maatwerk toe te passen. De afwijking heeft alleen betrekking op het maximum percentage zoals genoemd in het eerste lid, onder b. Het vereiste dat het moet gaan om niet-zelfstandige kantoorruimte die ondersteunend is aan de eigen bedrijfsuitoefening blijft van toepassing.

Vierde lid

Het vierde lid bevat een eveneens locatiegerichte uitzondering. Bepaald is dat ter plaatse van de aanduiding 'uitzondering maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer' het in het eerste lid, onder b, genoemd maximum percentage niet van toepassing is op bedrijven die zich uitsluitend of overwegend bezighouden met opslag in de open lucht. Omdat het percentage, genoemd in het eerste lid, onder b, gerekend wordt over het totaal bruto-vloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen, zou dit percentage voor de locaties waar de aanduiding geldt te beperkend zijn.

XXXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.203.21 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan 

YYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.213.22 Ondergeschikte detailhandel

Artikel 3.213.22 bevat regels over ondergeschikte detailhandel. Het artikel vormt een juridische vertaling van het detailhandelsbeleid met betrekking tot ondergeschikte detailhandel zoals dat is opgenomen in het Detailhandelsbeleid 2018 -  2022 (p. 58). Kern van dat beleid is dat detailhandel wordt geclusterd, waarop een aantal uitzonderingen geldt, onder meer met betrekking tot ondergeschikte detailhandel. Vanuit de daar gegeven beleidsuitgangspunten is de regeling in dit artikel opgebouwd. 

Eerste lid:

In het eerste lid is bepaald dat het uitoefenen van ondergeschikte vormen van detailhandel op een locatie waar detailhandel op grond van artikel 2.3, eerste tot en met vierde lid, niet is toegestaan, uitsluitend is toegestaan als aan de onder b tot en met c genoemde voorwaarden is voldaan. Met de verwijzing naar artikel 2.3, eerste tot en met vierde lid, wordt bepaald dat daar waar een gebruiksdoel of bestemming detailhandel is toegestaan, de beperkingen niet van toepassing zijn. Het is mogelijk dat op grond van artikel 2.3 op één locatie bijvoorbeeld maatschappelijke dienstverlening én detailhandel. In dat geval mag zonder de in dit artikel genoemde beperkingen detailhandel worden uitgeoefend. 

Voor die locaties waar detailhandel op grond van artikel 2.3, eerste tot en met vierde lid, niet is toegestaan, bepaalt het eerste lid, aanhef en onder a, allereerst dat ondergeschikte detailhandel dan alleen is toegestaan binnen de uitoefening van een ambachtelijk bedrijf, consumentgerichte dienstverlening, alcoholvrije horeca of een cultuurinstelling. De onder b en c gestelde aanvullende voorwaarden borgen dat het daadwerkelijk gaat om ondergeschikte detailhandel. Onder b is bepaald dat het assortiment moet liggen in het verlengde van de onder a bedoelde bedrijfsuitoefening. Onder c is als voorwaarde toegevoegd dat het gaat om maximaal 20% (met een plafond van 50 m2) van de bruto-vloeroppervlakte van het desbetreffende bedrijf. 

In afwijking van het beleid is niet opgenomen dat deze uitzondering alleen geldt buiten winkelgebieden. Dat zou immers tot de situatie leiden dat binnen winkelgebieden binnen een ambachtelijke bedrijf, culturele instelling of bij consumentgerichte dienstverlening zoals een kapsalon géén ondergeschikte detailhandel zou mogen plaatsvinden, en daarbuiten wel. Dat is niet conform de bedoeling van het beleid. De betreffende regels zijn derhalve overal van toepassing. 

Tweede lid:

Het tweede lid bepaalt dat de omvang van de ondergeschikte detailhandel bestaat uit het deel van het bruto vloeroppervlak van een gebouw dat daadwerkelijk wordt gebruikt voor verkoopdoeleinden. 

Derde lid: 

In het derde lid is de mogelijkheid opgenomen om bij maatwerkvoorschrift af te wijken van de in het eerste lid, onder c, gestelde normering. Dit biedt de mogelijkheid voor maatwerk voor gevallen waarin toepassing van het eerste lid onredelijk bezwarend is. 

Vierde lid: 

Het vierde lid bevat aanvraagvereisten.

ZZZZZZZZZZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.223.23 Geografisch werkingsgebied

AAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.233.24 Toepassingsbereik

In paragraaf 3.2.6 is een vergunningplicht opgenomen voor het wijzigen van het het gebruik van een gebouw naar een geluidgevoelige functie. De regeling is aanvullend op het in artikel 2.3 opgenomen verbod om gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een onder afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel of gebruiksdoelen, of op een wijze die in strijd is met de daarop betrekking hebbende regels over gebruik. Uit de formulering van dat artikel blijkt al dat aan een locatie één gebruiksdoel kan zijn gegeven, maar dat dat er ook meerdere kunnen zijn. 

Artikel 2.3 staat er op zich zelf niet aan in de weg dat wanneer aan een locatie meerdere gebruiksdoelen gegeven zijn, het gebruik vrijelijk gewijzigd kan worden. Onder oud recht werd dit ook vaak binnen bestemmingsplannen toegestaan. Zo kon aan een bepaalde locatie een gemengde bestemming worden gegeven, waarbinnen het gebruik in beginsel zonder nader beoordelingsmoment kon worden gewijzigd. In bepaalde gevallen is een nader toetsmoment echter noodzakelijk. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer een wijziging van gebruik plaatsvindt waardoor het gebouw een geluidgevoelige functie krijgt. Daarmee wordt het een geluidgevoelig gebouw in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Een dergelijke wijziging kan alleen worden toegestaan wanneer dat niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting. 

In veel gevallen kan die afweging worden gemaakt op het moment dat het omgevingsplan wordt gewijzigd. Dat is echter niet altijd het geval. Zeker bij grotere gebiedsontwikkelingen hoeft vooraf niet altijd vast te staan wat de fasering van de ontwikkeling is, en waar welke vormen van gebruik uiteindelijk worden gerealiseerd. In dat geval kan de finale afweging omtrent aanvaardbaarheid worden doorgeschoven naar een vergunningaanvraag. De regels in deze paragraaf voorzien erin dat die afweging kan worden gemaakt. 

Artikel 3.233.24 bepaalt het toepassingsbereik van deze paragraaf. 

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een:

  • a.

    woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; 

  • b.

    onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; 

  • c.

    gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of 

  • d.

    bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan.

Met deze bepaling wordt aangesloten op artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarin is bepaald wat onder een geluidgevoelig gebouw wordt verstaan. Met de wijziging van het gebruik naar de genoemde geluidgevoelige functies, wijzigt het gebouw in een geluidgevoelig gebouw. 

Het eerste lid bepaalt tevens dat de paragraaf uitsluitend van toepassing is voor zover het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.3. Dat houdt in dat als het beoogde gebruik in strijd is met artikel 2.3, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.263.27, niet kan worden verleend. Volledigheidshalve is dit ook bepaald in de beoordelingsregel (artikel 3.273.28, aanhef en onder a). Bij strijd met artikel 2.3 kan aan een dergelijke gebruikswijziging slechts medewerking worden verleend door middel van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 

Tweede lid:

Het tweede lid bepaalt dat voor de toepassing van deze paragraaf onder geluid uitsluitend het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen wordt verstaan. Hiermee wordt verduidelijkt welke geluidsbronnen bij de beoordeling van het criterium ‘aanvaardbare mate van geluidbelasting’ worden betrokken. Bij de toepassing van deze paragraaf gaat dus alleen om de geluidbronnen die voorheen door de voormalige Wet geluidhinder, nu door paragraaf 5.1.4.2a van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden gereguleerd. 

Ten aanzien van geluid door andere activiteiten zijn regels opgenomen in hoofdstuk 9 van dit omgevingsplan. Toetsing aan die regels en aan artikel 5.59 Besluit kwaliteit leefomgeving (aanvaardbaarheid) vindt vooraf bij de toelating van geluidgevoelige en/of geluidveroorzakende activiteiten plaats. Nadere regels voor wijziging gebruik als niet-geluidgevoelige gebouwen naar gebruik als geluidgevoelige gebouw voor geluid door die activiteiten is derhalve niet nodig.

Derde lid: 

Op grond van artikel 3.6 van de Aanvullingswet geluid blijft het oude recht (de Wet geluidhinder) van toepassing zolang er nog geluidproductieplafonds zijn vastgesteld voor een industrieterrein. Op grond van de Wet geluidhinder vindt volledige toetsing aan geluid aan de voorkant, bij toelating van het geluidgevoelig gebouw in het omgevingsplan plaats, conform de systematiek en rekenmethodes zoals bij die wet is bepaald. Een nadere toetsing op grond van dit onderdeel zou niet alleen juridisch gezien overbodig, maar ook onmogelijk zijn gelet op de andere werkwijze van het Besluit kwaliteit leefomgeving die de basis vormt voor deze paragraaf. 

Vierde lid: 

Het vierdederde lid bepaalt dat deze paragraaf niet van toepassing is voor zover het gebruik als geluidgevoelig gebouw reeds betrokken is bij een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Het is goed mogelijk dat een gebruiksomzetting van een bestaand gebouw naar een geluidgevoelig gebouw gepaard gaat met een verbouwing waarvoor een  omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken is vereist. Wanneer de verbouwing plaatsvindt met het oog op het nieuwe gebruik, dan zal op grond van subparagraaf 4.2.4.7 bij de beoordeling van de aanvraag ook de mate van geluidbelasting op het beoogde geluidgevoelig gebouw worden betrokken. Wanneer die beoordeling heeft plaatsgevonden is het niet nodig dat voor de wijziging van gebruik zelf nog een vergunning wordt aangevraagd. Hetzelfde geldt voor de situatie dat sprake is van een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of een verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit vierdederde lid voorziet hierin. 

BBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.243.25 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel bepaalt als hoofdregel dat op het bepalen van het geluid op een gevel de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing zijn. 

Op grond van artikel 3.6 van de Aanvullingswet geluid blijft het oude recht (de Wet geluidhinder) van toepassing zolang er nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld voor een industrieterrein. Deze industrieterreinen worden in dit omgevingsplan aangeduid als gezoneerd industrieterrein. Daaronder wordt verstaan een industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of artikel 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld. Voor het bepalen van het geluid op een gevel vanwege een gezoneerd industrieterrein wordt aanvullend aan de hoofdregel bepaald dat bij het bepalen van het geluid op een gevel vanwege een gezoneerd industrieterrein de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Wet geluidhinder van toepassing zijn.

CCCCCCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.253.26 Waar waarden gelden

DDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.263.27 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie

Artikel 3.263.27 bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning het gebruik van een gebouw te wijzigen naar een:

  • a.

    woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

  • b.

    onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

  • c.

    gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of

  • d.

    bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan.

Onder een omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik wordt blijkens de omschrijving in bijlage I verstaan een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het wijzigen van het bestaand gebruik van gronden of bouwwerken. 

EEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.273.28 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie

Artikel 3.273.28 bevat beoordelingsregels die van toepassing zijn op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een wijziging gebruik als niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw. 

Onderdeel a:

De aanhef en onderdeel a bepaalt allereerst dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de activiteit in overeenstemming is met artikel 2.3. Dat artikel bepaalt dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik. Voor zover het onder oud recht vastgestelde ruimtelijk plan nog niet is vervallen, wordt daarin tevens bepaald dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming, of op een wijze die in strijd is met de daarop betrekking hebbende regels over gebruik. Artikel 3.263.27 voorziet er dus in dat wordt getoetst of de wijziging passend is met elders gestelde regels over gebruik. Heeft de vraag betrekking op een wijziging naar gebruik als wonen, maar wonen is op grond van artikel 2.3 op de betreffende locatie niet toegestaan, dan moet de omgevingsvergunning wijziging gebruik worden geweigerd.

Onderdeel b:

De aanhef en onderdeel b bevat de feitelijke beoordelingsregel met betrekking tot het wijzigen van het gebruik naar een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtgebied. In dit onderdeel is bepaald dat een omgevingsvergunning bedoeld in artikel 3.263.27 alleen wordt verleend als de mate van geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw, gelet op het belang van de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.

FFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.283.29 Wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde

Met artikel 3.283.29 wordt uitvoering gegeven aan de instructieregel zoals opgenomen in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Die instructieregel bepaalt dat een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, erin voorziet dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving.  

Eerste lid: 

Artikel 3.283.29  neemt als uitgangspunt dat aan de voorwaarde van aanvaardbare mate van geluid in elk geval is voldaan wanneer het geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 3.283.29.  Die waarden zijn gelijk aan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Wanneer aan de standaardwaarde wordt voldaan, dan vormt de geluidbelasting geen reden om de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, te weigerenaangevuld met een waarde voor gezoneerde industrieterreinen 

Wanneer aan de standaardwaarde wordt voldaan, dan vormt de geluidbelasting geen reden om de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.27, te weigeren.  

Als het geluid initieel niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. In artikel 3.333.34 is bepaald dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden over het treffen van geluidbeperkende maatregelen. Daarmee kan worden geborgd dat noodzakelijke maatregelen om te voldoen aan de standaardwaarde ook daadwerkelijk worden genomen. Het kan daarbij uiteraard alleen gaan om maatregelen waarbij het in de macht van de vergunninghouder ligt om die te nemen.  

Tweede lid: 

In het tweede lid wordt het tweede lid van artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing verklaard. Die bepaling houdt in dat als een lokale spoorweg grotendeels is verweven of gebundeld met een gemeenteweg, dan geldt voor het geluid door de gemeenteweg en de lokale spoorweg gezamenlijk de standaardwaarde voor gemeentewegen. Kortheidshalve wordt verwezen naar de daarop van toepassing zijnde artikelgewijze toelichting. 

Derde en vierde lid: 

Het derde en vierde lid geven uitvoering aan hetgeen is bepaald in artikel 5.78t, derde en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Kortheidshalve wordt verwezen naar de daarop van toepassing zijnde artikelgewijze toelichting. 

GGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.293.30 Overschrijding van de standaardwaarde

Artikel 3.293.30 bepaalt dat ook een hogere mate van geluid op de gevel dan de standaardwaarde aanvaardbaar kan zijn. Voorwaarde is dat:

  • a.

    geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen;

  • b.

    de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en

  • c.

    het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Met dit artikel wordt binnenplans invulling gegeven aan de mogelijkheid die artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving biedt. Dat artikel maakt mogelijk dat als het geluid op een toe te laten geluidgevoelig gebouw hoger is dan de standaardwaarde, besloten kan worden om meer geluid dan de standaardwaarde toe te laten. Daaraan worden wel eisen gesteld. Die eisen zijn onder a tot en met c één op één overgenomen. 

Eerste lid:

In onderdeel a van het eerste lid is allereerst bepaald dat meer geluid dan de standaardwaarde alleen toelaatbaar is als er geen geluidbeperkende maatregelen getroffen kunnen worden. Onder een geluidbeperkende maatregel wordt in het Besluit kwaliteit leefomgeving verstaan een maatregel die het geluid op een geluidgevoelig gebouw verlaagt. Het gaat om maatregelen aan de bron en in de overdracht om de geluidbelasting te laten voldoen aan de standaardwaarde van artikel 4.48. Als het nemen van geluidbeperkende maatregelen mogelijk is in een mate waarmee aan de standaardwaarde kan worden voldaan, kan het betreffende gebouw worden toegelaten zonder dat de standaardwaarde wordt overschreden. 

In onderdeel b van het eerste lid is bepaald dat, als niet door het treffen van maatregelen kan worden voldaan aan de standaardwaarde, de overschrijding van die standaardwaarde wel zoveel mogelijk wordt beperkt met geluidbeperkende maatregelen. 

Tot slot is in onderdeel c van het eerste lid bepaald dat afwijken mogelijk is tot ten hoogste de grenswaarden van tabel 3.293.30. Die zijn gelijk aan de grenswaarden zoals opgenomen in artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aangevuld met een waarde voor gezoneerde industrieterreinen. Onder een gezoneerd industrieterrein wordt verstaan een industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of artikel 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld. Voor gezoneerde industrieterreinen wordt de grenswaarde bepaald door het van toepassing zijnde besluit hogere waarden. Daarmee wordt gedoeld op een besluit tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder zoals die gold op 31 december 2023. 

Dit artikel biedt dus flexibiliteit tussen de standaardwaarde en de grenswaarde. Net als in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving is in artikel 5.78u van dat besluit bepaald dat het omgevingsplan erin moet voorzien dat aan de grenswaarde wordt voldaan. De instructieregel schrijft niet voor hoe en op welk moment toetsing aan die norm moet plaatsvinden. Het is aan de gemeente om dit concreet in te vullen. De toetsing kan plaatsvinden bij de vaststelling van het omgevingsplan zelf. Maar het feitelijke toetsen van het geluid kan ook worden doorgeschoven naar een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Met dit artikel is voor dat laatste gekozen. 

Tweede lid:

In het tweede lid is opgenomen dat geluidbeperkende maatregelen in aanmerking worden genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Deze bepaling is nodig, omdat het technisch gezien vrijwel altijd mogelijk isom maatregelen te treffen die het geluid beperken tot de standaardwaarde, echter deze kunnen stuiten op bezwaren. Zo kan een geluidscherm langs een gemeenteweg erg effectief zijn om het geluid te beperken maar kan een dergelijke maatregel uit stedenbouwkundig oogpunt onaanvaardbaar worden gevonden. Daarom is in het tweede lid van dit artikel bepaald dat alleen de maatregelen in aanmerking worden genomen die financieel doelmatig zijn en niet stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige, vervoerskundige of technische aard. 

De gemeente kan in beleid aanvullende voorwaarden stellen waaronder zij gebruik zal maken van de beleidsruimte tussen standaardwaarde en grenswaarde. Daarbij kan worden gedacht aan voorwaarden die onder de Wet geluidhinder waren verbonden aan de vaststelling van de zogenoemde hogere waarden. Een voorbeeld daarvan is het eisen van een geluidluwe buitenruimte die grenst aan een geluidluwe gevel, of kwantitatieve eisen aan het geluid op een geluidluwe gevel. Tegen deze achtergrond is in 3.303.31, eerste lid (in navolging van artikel 5.78ab, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving) geregeld dat bij toepassing van dit artikel het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel wordt betrokken. 

Derde en vierde lid: 

Het derde en vierde lid bevatten een tweetal regels waarin is aangegeven wanneer voor woningen in elk geval aan het vereiste van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is voldaan. Wanneer aan de gestelde voorwaarde is voldaan, vormt artikel 3.273.28 geen weigeringsgrond voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Het derde en vierde lid moeten volgordelijk worden doorlopen. 

In het derde lid is bepaald dat als de aanvraag betrekking heeft op een of meer woningen, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen niet doelmatig zijn, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als iedere woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde is berekend. Bij het bepalen van die waarde moet het gezamenlijk geluid zijn betrokken. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt onder een geluidluwe gevel verstaan een gevel die ten opzichte van de andere gevels van een geluidgevoelig gebouw relatief weinig wordt belast door geluid. 

Gemeenten moeten hier invullen wat wordt verstaan onder 'relatief weinig ten opzicht van andere gevels'. Een gemeente heeft daarbij beleidsvrijheid. Een gemeente kan zeggen dat er sprake is van een geluidluwe gevel als op die gevel ten hoogste de standaardwaarde is berekend. In het derde lid is hieraan invulling gegeven door te bepalen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel. Een geluidluwe gevel voldoet aan alle - daarop betrekking hebbende – standaardwaarden. Getoetst wordt per geluidbronsoort. Ten overvloede wordt opgemerkt dat bij de beoordeling van een geluidluwe gevel dus niet wordt uitgegaan van gecumuleerd of gezamenlijk geluid. 

In het vierde lid is bepaald dat als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het bepaalde in het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als elke afzonderlijke woning beschikt over een bijnageluidluwe gevel. Daaronder wordt blijkens de begripsbepaling, opgenomen in bijlage I, verstaan een gevel waarop het berekende geluid niet hoger is dan de standaardwaarde +3dB.

Kan niet aan de voorwaarde gesteld in het derde of vierde lid worden voldaan, dan kan op grond van het eerste lid alsnog een hogere waarde aanvaardbaar worden gevonden. Of geluidbeperkende maatregelen in dat geval, mede gelet op het tweede lid, wel of niet genomen kunnen worden, moet in dat geval blijken uit de aanvraag. 

Het begrip woning, zoals gebruikt in het derde en vierde lid, is in bijlage I omschreven als een zelfstandige woonruimte, of een geheel aan onzelfstandige woonruimten die onderdeel uitmaken van hetzelfde adres. Deze omschrijving is ook op het derde en vierde lid van toepassing. Dat betekent dat wanneer sprake is van een woning met daarin meerdere onzelfstandige woonruimten, de woning als geheel wordt beschouwd, en dus niet elke onzelfstandige woonruimte afzonderlijk. 

Vijfde lid: 

In het tweede lid wordt het tweede lid van artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing verklaard. Kortheidshalve wordt verwezen naar de daarop van toepassing zijnde artikelgewijze toelichting. 

Zesde en zevende lid:

Het vijfde en zesde lid geven uitvoering aan hetgeen is bepaald in artikel 5.78u, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Kortheidshalve wordt verwezen naar de daarop van toepassing zijnde artikelgewijze toelichting. 

HHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.303.31 Belang van een geluidluwe gevel

Artikel 3.303.31 bevat een regeling die analoog is aan artikel 5.78ab van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het artikel geeft aan hoe in de belangafweging het belang van een geluidluwe gevel een rol moet spelen. Het artikel schrijft voor dat bij de toepassing van artikel 3.293.30 het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel moet worden betrokken. Het 'betrekken bij' van dit belang geldt als het geluid hoger is dan de standaardwaarde, maar lager is dan de grenswaarde. Het gemeentelijk beleid onder oud recht was dat bij andere geluidgevoelige gebouwen dan woningen, het belang van een stille zijde niet werd meegewogen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving schrijft echter voor dat met het oog op de gezondheid dit bij alle geluidgevoelige gebouwen moet gebeuren. Dit betekent dat het vereiste zoals opgenomen in dit artikel zowel bij woningen geldt als bij andere geluidgevoelige gebouwen.   

IIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.313.32 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid

Artikel 3.313.32 bevat een aanvullend beoordelingscriterium dat analoog is aan artikel 5.78ac van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 3.293.30 voorziet in de mogelijkheid tot het toelaten van geluid dat de standaardwaarde overschrijdt. Het kan zijn dat het geluidgevoelige gebouw ook wordt belast door geluid afkomstig van andere geluidbronsoorten. Bijvoorbeeld een woning die wordt belast door geluid afkomstig van een gemeenteweg en tegelijkertijd ook door geluid afkomstig van een industrieterrein. Als zo’n woning binnen het geluidaandachtsgebied van beide geluidbronsoorten wordt toegelaten, moet uiteraard getoetst worden aan de standaard- en grenswaarden van beide geluidbronsoorten. 

Eerste lid: 

In het eerste lid is bepaald dat de gemeente bij het toepassen van de artikelen waarmee de standaardwaarde overschreden kan worden, ook de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op de betreffende geluidgevoelige gebouwen moet beoordelen. 

Het artikel beoogt (in navolging van artikel 5.78ac van het Besluit kwaliteit leefomgeving) dezelfde werking als artikel 3.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

Tweede en derde lid:

Het gecumuleerde geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld met correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Daarbij wordt in artikel 3.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving tevens aangegeven welke geluidbronsoorten bij het bepalen van het gecumuleerde geluid in ieder geval worden betrokken (tweede lid) en dat op het bepalen van het gecumuleerde geluid de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing zijn (derde lid). Hoewel dit uit de begripsbepaling kan worden opgemaakt, is (om elke twijfel daarover te voorkomen) zijn artikel 3.38, derde en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overgenomen in respectievelijk het derde en vierde lid van artikel 4.54. Voor meer informatie over het bepalen en beoordelen van de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en en de daarin opgenomen toelichting op het begrip 'gecumuleerd geluid' (Staatsblad 2020, nr. 557). 

JJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.323.33 Bepalen van gezamenlijk geluid

Artikel 3.323.33 bepaalt dat bij de toepassing van artikel 3.293.30 het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen wordt bepaald en in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.263.27, vastgelegd. Deze verplichting is analoog aan de verplichting zoals die is opgenomen in artikel 5.78ad van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zij het dat op grond van artikel 3.293.30 het gezamenlijk geluid niet in het omgevingsplan moet worden vastgelegd, maar in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. 

Het artikel beoogt (in navolging van artikel 5.78ad van het Besluit kwaliteit leefomgeving) dezelfde werking als artikel 3.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In de begripsbepaling van bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voor de uitleg van het begrip gezamenlijk geluid ook verwezen naar artikel 3.39 van dat besluit. Vanwege artikel 1.1, tweede lid, van dit omgevingsplan is die begripsbepaling ook van toepassing op dit omgevingsplan. 

Het gezamenlijk geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, energetisch opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Kenmerkend is dat het geluid door bronsoorten en andere geluidbronnen – anders dan bij cumulatie, bedoeld in artikel 3.313.32 – wordt opgeteld zonder daarbij te corrigeren voor verschillen in hinderlijkheid. Het gezamenlijke geluid wordt alleen toegepast bij het bepalen van geluidwerende maatregelen waarbij verschillen in hinderlijkheid niet relevant zijn. 

Verder wordt in artikel 3.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving tevens aangegeven welke geluidbronsoorten bij het bepalen van het gecumuleerde geluid in ieder geval worden betrokken (derde lid) en dat op het bepalen van het gezamenlijk geluid de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing zijn (vierde lid). Voor meer informatie over het bepalen en beoordelen van de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de daarin opgenomen toelichting op het begrip 'gezamenlijk geluid' (Staatsblad 2020, nr. 557). Als  artikel 3.293.30 wordt toegepast, besluit het bevoegd gezag om een nieuw geluidgevoelig gebouw toe te laten op een locatie waar het geluid hoger is dan de standaardwaarde voor de betreffende geluidbronsoort. Artikel 5.78ad van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dan dat als het toe te laten geluidgevoelige gebouw door meerdere geluidbronsoorten of geluidbronnen wordt belast, de waarde van het gezamenlijk geluid bij het nemen van dat besluit moet worden bepaald en in het omgevingsplan worden vastgelegd. 

De wetgever gaat ervan uit dat het geluid wordt bepaald bij het toelaten van het betreffende gebouw in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bepalen van dat geluid kan ook worden verschoven naar een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplan (zie Staatsblad 2020 557, p. 356). De Omgevingswet biedt de mogelijk om het toelaten en het toetsen aan standaard- en grenswaarden door te schuiven naar het moment waarop een omgevingsvergunning voor bouwen wordt aangevraagd. In voorliggend omgevingsplan is als uitgangspunt genomen dat de finale beoordeling plaatsvindt bij wijziging van het omgevingsplan. Is dat niet goed mogelijk, dan kan dat finale toetsmoment worden doorgeschoven. Het is in dat geval in het kader van de vergunningaanvraag dat definitief over een mogelijke toepassing van artikel 3.293.30 wordt besloten. Dat is ook het eerste moment dat het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen kan worden bepaald en vastgelegd. Het is om die reden dat in artikel 3.323.33 is bepaald dat het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen niet in het omgevingsplan, maar in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt vastgelegd. 

De waarde van dat gezamenlijk geluid is nodig voor het toepassen van de regels van het Besluit bouwwerken leefomgeving met betrekking tot de geluidwering van het nieuwe geluidgevoelige gebouw. In artikel artikel 4.103, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar het gezamenlijk geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw. Bij de toepassing van artikel 4.103 Van het Besluit bouwwerken leefomgeving hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar het geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw dat maatgevend is voor de geluidwering van het gebouw. De waarde van het gezamenlijke geluid wordt al bepaald bij het toelaten van het betreffende gebouw in het omgevingsplan of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of, als de bepaling is doorgeschoven, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (Staatsblad 2020 557, p. 357). Bij de meeste nieuwe geluidgevoelige gebouwen moet de geluidwering leiden tot het voldoen aan een binnenwaarde van 33 dB.

KKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.333.34 Vergunningvoorschriften

Artikel 3.333.34 bepaalt dat aan de omgevingsvergunning die voorschriften kunnen worden verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder.

LLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.353.36 Vergunningplicht huisvesting in verband met mantelzorg in een bestaand bouwwerk

Artikel 3.353.36 roept een vergunningplicht in het leven voor huisvesting in verband met mantelzorg. Dit artikel komt in de plaats van artikel 22.36, onder c, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan.  

Eerste lid: 

De beoordelingsregels maken duidelijk dat strijd met regels over het geldende gebruiksdoel of een nog geldend bestemmingsplan geen weigeringsgrond is voor de vergunning. Dat houdt bijvoorbeeld in dat als een bestemmingsplan aan de betreffende gronden de bestemming tuin geeft, en het gebruik van een bijgebouw ten behoeve van woonruimte daarbinnen niet is toegestaan, dit geen weigeringsgrind geeft voor de vergunning. Daarmee is tevens beoogd te bepalen dat het gebruik als zodanig ook daadwerkelijk is toegestaan. Artikel 2.3 bepaalt echter dat het verboden is gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die in strijd zijn regels over het gebruik, gesteld in hoofdstuk 2, 3 of een nog geldend bestemmingsplan. Hierin zou gelezen kunnen worden dat als sprake is van strijd, naast de omgevingsvergunning voor het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg, óók een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig zou zijn. Dat is niet het geval, en zeker niet zo beoogd. Om dit duidelijk te maken bepaalt het eerste lid dat ongeacht paragraaf 2.3.1, een nog geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, of een TAM-omgevingsplan, het gebruiken van een bestaand bouwwerk op het gebouwerf van een woning voor huisvesting in verband met mantelzorg in overeenstemming is met dit omgevingsplan. 

Tweede lid: 

In het eerstetweede lid is geregeld dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een bestaand bouwwerk te gebruiken voor huisvesting in verband met mantelzorg. Huisvesting in verband met mantelzorg is een geluidgevoelig gebruik. De vergunningplicht is in het leven geroepen met het oog op een beoordeling van de aanvaardbaarheid van het geluid op de gevel. Dat het eerste lid bepaalt dat het gebruiken van een bestaand bouwwerk op het gebouwerf van een woning voor huisvesting in verband met mantelzorg in overeenstemming is met dit omgevingsplan, maakt niet dat de vergunningplicht niet van toepassing zou zijn. 

Op grond van de begripsbepaling voor mantelzorg, opgenomen in bijlage I, wordt onder mantelzorg verstaan intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.

Deze omschrijving is gelijk aan die onder oud recht van toepassing was. Er is gelet op de omschrijving pas sprake van mantelzorg als de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond. Het overleggen van deze verklaring is als aanvraag vereiste opgenomen in het zevende lid. 

Tweede Derde lid:

Het tweedederde lid bevat een uitzondering op de vergunningplicht, bedoeld in het eerstetweede lid. De uitzondering is van overgangsrechtelijke aard. Onder oud recht was huisvesting in verband met mantelzorg op grond van artikel 2, bijlage II van het toenmalige Bor zonder omgevingsvergunning toegestaan. Voor die gevallen waarin onder oud recht huisvesting in verband met mantelzorg mocht plaatsvinden, en op het moment dat artikel 3.353.36 in werking is getreden ook daadwerkelijk plaatsvindt, wordt bepaald dat de bestaande huisvesting in verband met mantelzorg mag worden voortgezet. Het tweedederde lid bepaalt daartoe dat het eerstetweede lid niet van toepassing is voor zover een gebouw voor het moment dat dit artikel in werking is getreden rechtmatig is gebouwd en in gebruik is genomen voor huisvesting in verband met mantelzorg. De datum van inwerkingtreding van dit onderdeel is 31 oktober 2024.

Of sprake is van rechtmatige huisvesting in verband met mantelzorg op het moment dat dit artikel in werking is getreden, moet blijken uit de verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond. Die (gedateerde) verklaring moest er (gelet op de onder oud recht geldende begripsomschrijving) zijn op het moment dat een gebouw voor huisvesting in verband met mantelzorg in gebruik was genomen. 

Derde Vierde lid: 

Het derdevierde lid biedt de mogelijkheid dat locaties worden aangewezen waar de vergunningplicht, bedoeld in het eerstetweede lid, niet van toepassing is. 

Vierde Vijfde lid: 

Het vierdevijfde lid bepaalt dat als een nog onder oud recht vastgesteld, en niet vervallen bestemmingsplan huisvesting in verband met mantelzorg expliciet toestaat, het eerstetweede lid niet van toepassing is. 

MMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.363.37 Beoordelingsregels

Artikel 3.363.37 bevat de inhoudelijke beoordelingsregels. 

Eerste lid: 

In het eerste lid is bepaald dat de vergunning alleen wordt verleend als:

  • a.

    het geluid op het gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is; en

  • b.

    het gebruik van het bestaande bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg niet leidt tot beperkingen bij de bestaande uitoefening van milieubelastende activiteiten, bedoeld in afdeling 9.2. 

Met het eerste lid, aanhef en onder a, wordt geborgd dat daadwerkelijk een beoordeling op de aanvaardbaarheid van het geluid op de gevel kan plaatsvinden. 

Het eerste lid, aanhef en onder b, moet ervoor zorgen dat het gebruik van een bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg niet leidt tot beperkingen bij de bestaande uitoefening van milieubelastende activiteiten, bedoeld in afdeling 9.2. Die afdeling bevat verschillende normen waaraan bij het uitoefenen van een milieubelastende activiteit moet worden voldaan. Veelal gelden die normen ter plaatse van een gevoelige functie, zoals wonen. Omdat ook huisvesting in verband met mantelzorg als een effect-gevoelig gebruik moet worden gezien, kan het toestaan van huisvesting in verband met mantelzorg leiden tot beperkingen voor bedrijven in de omgeving. Dat is niet gewenst. Vandaar dat deze beoordelingsregel is opgenomen. 

Wanneer vanwege de beoogde huisvesting in verband met mantelzorg sprake zou zijn van een normoverschrijding door een bedrijf in de omgeving, hoeft dat op zich nog geen reden te zijn de vergunning te weigeren. Wanneer ondanks een overschrijding van normen voor een bepaalde milieubelastende activiteit toestemming voor huisvesting in verband met mantelzorg toch in de rede ligt, kan eventueel (voor zover in afdeling 9.2 de mogelijkheid daarvoor bestaat) met een maatwerkvoorschrift aan het bedrijf een ruimere norm worden gegeven.   

Tweede lid: 

Het tweede lid bepaalt dat op de aanvraag en de beoordeling of het geluid op het gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is, paragraaf 3.2.6 van overeenkomstige toepassing is. Daarbij wordt aangegeven dat de omgevingsvergunning (anders dan bepaald in artikel 3.273.28, aanhef en onder a) niet wordt geweigerd wegens strijd met artikel 2.3, eerste, tweede of tweedederde lid. Strijd met artikel 2.3 vormt dus geen weigeringsgrond. Die uitzondering is nodig, omdat artikel 2.5, eerste lid, bepaalt dat gronden en bouwwerken ter plaatse van een gebruiksdoel 'wonen' mogen worden gebruikt ten behoeve van wonen. Onder wonen wordt verstaan het gebruik van woonruimte ten behoeve van bewoning, en het daaraan ondergeschikt zijnde gebruik van de bij de woonruimte behorende gronden en opstallen. Het is dus alleen woonruimte die bewoont mag worden. Bij woonruimte behorende opstallen mogen niet worden bewoond. Het in gebruik nemen van een bijbehorende opstal voor het gebruik van huisvesting in verband met mantelzorg, zou dus in strijd zijn met artikel 2.3. Dit vormt in dit geval geen weigeringsgrond. 

Derde en vierde lid: 

Het derde en vierde lid bevatten een absolute weigeringsgrond vanwege externe veiligheid. Vanwege externe veiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels opgenomen. Met het derde lid wordt uitvoering gegeven aan de instructieregel, opgenomen in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarin is bepaald dat in een omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht wordt genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. 

De in het derde lid opgenomen weigeringsgrond krijgt toepassing nadat aan de betreffende zones de in het tweede lid genoemde aanduidingen zijn gegeven. De beperking dat het eerste lid niet van toepassing is, geldt immers alleen ter plaatse van de in het tweede lid, onder a tot en met f, genoemde locaties. 

Het verbinden van die aanduidingen aan de betreffende zones zal gebiedsgewijs gebeuren, bij het vervangen van nog geldende ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan. 

Tot het moment dat die ruimtelijke besluiten zijn vervallen, wordt met het vierde lid voorzien in een overgangsregeling. Het vierde lid doet hetzelfde als het derde lid, voor locaties waar het onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan nog niet is vervangen. Dit vierde lid, onderdelen a en b, komt in de plaats van en is inhoudelijk gelijk aan artikel 22.39 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Onderdeel c is daaraan toegevoegd.  

De in dit lid opgenomen situaties kunnen gelden daar waar het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan nog niet is komen te vervallen. Deze situaties waren opgenomen in artikel 5, derde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Ook hieraan ligt ten grondslag de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste een op de miljoen per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in een omgevingsplan in acht moet worden genomen. Voor zover het eerste lid betrekking heeft op die gebouwen is het niet wenselijk dat op locaties waar door de in die onderdelen bedoelde activiteiten overschrijding van de norm voor het plaatsgebonden risico aan de orde zou kunnen zijn, de in die onderdelen bedoelde activiteiten zouden kunnen worden verricht. Het vierde lid bepaalt dat in dat geval de vergunning wordt geweigerd. Tenzij op grond van bepalingen elders in dit omgevingsplan alsnog toegestaan, betekent dit dat mantelzorg binnen die zones in strijd is met dit omgevingsplan, en dat een buitenplanse omgevingsvergunning of wijziging van het omgevingsplan is vereist. 

Het gaat in de eerste plaats om de locaties waarvoor het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zelf al vanwege de overschrijding van het plaatsgebonden risico bouwmogelijkheden die kunnen leiden tot kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen niet toelaat. Het gaat hier om artikel 3.363.37, vierde lid, onder a, dat een omzetting is van artikel 5, derde lid, onder b, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De verwijzing naar dit omgevingsplan is hier uitdrukkelijk beperkt tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, dat kort samengevat bestaat uit de onder het voormalige recht geldende planologische regelingen. Dit omdat die regelingen uitgaan van de in de desbetreffende onderdelen van artikel 5, derde lid, gehanteerde begrippen en systematiek, die onder de Omgevingswet anders zijn. Het is aan gemeenten om daar bij het vaststellen van het omgevingsplan toepassing aan te geven. Dat zal gebiedsgewijs bij het vervangen van dit tijdelijk deel bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, gebeuren. Tot dat dit gebeurd is blijft de bepaling zoals die bij wijze van bruidsschat was opgenomen in artikel 22.39 van toepassing, zij het dat die bepaling is verplaatst naar (onder andere) dit vierde lid, en gewijzigd in een weigeringsrond. Daarbij is de bepaling in artikel 22.39, onder a, komen te vervallen, omdat die situatie zich binnen Amsterdam niet voordoet. 

Het vierde lid, onder b, bevat daarnaast ook een weigeringsgrond als de beoogde locatie is gelegen binnen afstanden die degene die een vergunningvrije milieubelastende activiteit verricht op grond van het Bal in verband met het plaatsgebonden risico in acht moet nemen. Het gaat dan om de afstanden tussen bepaalde installaties of opslagvoorzieningen waar met stoffen wordt gewerkt die een veiligheidsrisico voor de omgeving met zich kunnen brengen en te beschermen gebouwen en locaties. Op grond van het Bal geldt als hoofdregel dat veiligheidsafstanden zoals hier bedoeld gelden tot de begrenzing van de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht. Hierdoor zijn er ook geen beperkingen aan de gebruiksruimte buiten die begrenzing. Maar het Bal staat in een aantal situaties afwijking van deze regel toe. Onderdeel b is alleen voor die gevallen van praktisch belang. De zinsnede ‘voor zover … van toepassing is’ in de verschillende subonderdelen van het vierde lid, onder b, brengt dat tot uitdrukking. Degene die een milieubelastende activiteit als hier bedoeld verricht, moet op grond van het Bal op het moment dat de veiligheidsafstanden van toepassing worden buiten de locatie waar hij zijn activiteit verricht, het bevoegd gezag daarover informeren. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat deze gegevens terecht komen in het landelijk register externe veiligheidsrisico’s en aldus voor een ieder kenbaar zijn. 

Bij de opsomming van activiteiten in  het vierde lid, onder c, is aangesloten bij de opsomming van activiteiten in bijlage VII, onder A, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dat onderdeel van die bijlage geeft voor de daarin genoemde vergunningvrije milieubelastende activiteiten uit het Bal vastgestelde afstanden waarbij wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. De opgesomde activiteiten, zoals die in het vierde lid, onder c, onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit het Bal zijn overgenomen, omvatten zes activiteiten die niet worden genoemd in artikel 5, derde lid, onder c, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de subonderdelen 2°, 5°, 6°, 7°, 12° en 13°. Voor de activiteit, bedoeld in subonderdeel 2° (het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG), heeft dat als achtergrond dat deze activiteit onder het recht voor de Omgevingswet nog vergunningplichtig was. Door de verschuiving van vergunningplichtig naar vergunningvrij moet de activiteit nu aan de opsomming in het vierde lid, onder c, worden toegevoegd. Voor de overige toegevoegde activiteiten is gelet op het belang van de externe veiligheid evenmin aanleiding om deze voor de toepassing van het vierde lid, onder c, buiten beschouwing te laten.

NNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.373.38 Aanvraagvereisten

Artikel 3.373.38 bevat een aanvraagvereisten. Allereerst wordt i het eerste lid bepaald dat de aanvraagvereisten, opgenomen in artikel 3.343.35, onverkort van toepassing zijn. Het tweede lid bepaalt in aanvulling daarop dat bij de aanvraag om omgevingsvergunning een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur wordt verstrekt, waaruit de behoefte aan mantelzorg blijkt.

OOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.383.39 Vergunningplicht voor het wijzigen van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, de druk of de vervoerde stof 

Artikel 3.383.39 bevat een vergunningplicht voor de genoemde wijzigingen voor zover deze leiden tot een wijziging van het aandachtsgebied. Een aandachtsgebied ontstaat van rechtswege bij het begin van een nieuwe aangewezen risicoactiviteit met aandachtsgebied. De aandachtsgebieden zijn zichtbaar op de Atlas Leefomgeving. 

De reden voor de vergunningplicht is dat bij wijziging aan de buisleiding (bv. van de diameter, wanddikte, diepte onder het maaiveld en materiaalsoort) of bij wijziging van de druk of de vervoerde stof kunnen de risico’s voor de omgeving wijzigen. De vergunningplicht zorgt ervoor dat die wijzigingen vooraf op aanvaardbaarheid kunnen worden beoordeeld. De vergunningplicht geldt alleen voor zover daardoor de ligging van het aandachtsgebied wijzigt. Bij overige wijzigingen zijn de ruimtelijke implicaties beperkt.

PPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.393.40 Beoordelingsregel omgevingsvergunning buisleiding gevaarlijke stoffen 

Artikel 3.393.40 bevat de beoordelingsregels die op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het vorig artikel van toepassing is. Voor de beoordeling van de omgevingsvergunning is aangesloten bij de relevante externe veiligheidsaspecten uit het toetsingskader voor milieubelastende activiteiten die op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving vergunningplichtig zijn. Het toetsingskader is opgenomen in artikel 8.9 t/m 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving 

Eerste lid:

In het eerste lid is het bepaalde onder artikel 8.9, eerste lid, aanhef en onder g, verwerkt. Dit onderdeel ziet op het treffen van de nodige maatregelen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken. Arbeidsveiligheid valt hierbuiten, nu dit niet de fysieke leefomgeving betreft.

Tweede lid:

In het tweede lid is overeenkomstig artikel 8.10a, eerste lid, aanhef en onder c, Besluit kwaliteit leefomgeving bepaald dat de aanvraag in ieder geval getoetst wordt aan het groepsrisico. Hierbij worden toegelaten gebouwen en locaties meegenomen, dus ook nog niet aanwezige gebouwen en locaties. 

Derde lid: 

In het derde lid wordt overeenkomstig artikel 8.10a, derde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving bepaald dat bij de toetsing aan het groepsrisico wordt rekening gehouden met de aandachtsgebieden. In artikel 5.12 en 5.13 Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de verschillende categorieën van aandachtsgebieden aangewezen en begrensd.

QQQQQQQQQQQQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.403.41 Aanvraagvereisten 

RRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.413.42 Vergunningvoorschriften

Op grond van artikel 4.5 van de Omgevingswet kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften verbonden worden indien hiervoor expliciet de mogelijkheid is opgenomen in het omgevingsplan. Daartoe dient artikel 3.413.42. Bij een aanvraag die tot een verruiming van het aandachtsgebied leidt, kan de bebouwde omgeving binnen het aandachtsgebied of de binnen dat gebied toegelaten nieuwe gebouwen of locaties ertoe leiden dat aanvullende voorschriften aan de omgevingsvergunning voor worden verbonden ter bescherming van personen in die gebouwen of op die locaties.

SSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.423.43 Geografisch werkingsgebied, toepassingsbereik en oogmerk

Deze regeling geldt alleen ter plaatse van de aanduiding 'ambachtelijk bedrijf'. Bij het wijzigen van het omgevingsplan voor een concrete locatie (en waarmee het bestemmingsplan wordt vervangen in de eerste periode) moet worden beoordeeld waar het wenselijk is om de regeling te laten gelden. Het is de bedoeling dat die aanduiding alleen op locaties worden geplaatst waar op het moment van het wijzigen van het omgevingsplan daar een ambachtelijk bedrijf al aanwezig is. 

Bij het wijzigen van het omgevingsplan waarbij deze aanduiding wordt geplaatst (en waardoor de regeling gaat gelden) dient de volledige afweging plaats te vinden hoe de regeling voldoet aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de specifieke instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

Het tweede lid bevat een aanvulling op het eerste lid. Zoals toegelicht in paragraaf 6.4 van de algemene toelichting heeft het Rijk tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAM-omgevingsplan genoemd. 

Hoewel een TAM-omgevingsplan met de oude standaard wordt gepubliceerd, waardoor het digitaal-technisch geen onderdeel is van het omgevingsplan, maakt het juridisch gezien daarvan wel onderdeel uit. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO zal in heel veel gevallen gepaard gaan met het voor het besluitgebied laten vervallen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren met het oog op het faciliteren van een nieuwe ontwikkeling. Echter kan daarbij niet de aanduiding, bedoeld in het eerste lid, aan het besluitgebied worden gegeven met toepassing van de nieuwe standaard STOP-TP. Daaraan staat juist de toepassing van de oude standaard in de weg. Om, mocht dat nodig zijn, paragraaf 3.2.9 toch van toepassing te laten zijn, bepaalt het tweede lid dat, in aanvulling op het eerste lid, deze paragraaf ook geldt ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, maar uitsluitend voor zover dat in een TAM-omgevingsplan is bepaald.

Het derde lid bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het wijzigen van een bestaand gebruik als ambachtelijk bedrijf naar een ander gebruik, uitsluitend voor zover het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.3. Dat houdt in dat als het beoogde gebruik in strijd is met artikel 2.3, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.433.44, niet kan worden verleend. Volledigheidshalve is dit ook bepaald in de beoordelingsregel (artikel 3.443.45, aanhef en onder a). Bij strijd met artikel 2.3 kan aan een dergelijke gebruikswijziging slechts medewerking worden verleend door middel van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 

In bijlage I is bepaald dat onder ambachtelijk bedrijf wordt verstaan een bedrijf dat goederen geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigt, bewerkt of herstelt naar ander gebruik. Dit kan een ambachtelijke meubelmaker, fietsenmaker, kledingreparatiezaak of iets dergelijks zijn. Hoewel ambachtelijke bedrijfsvoering over het algemeen kleinschaligheid veronderstelt, wordt dat in dit artikel niet geregeld. Daartoe kunnen elders in het omgevingsplan, namelijk in onderdeel 2.3.6 regels gesteld worden ten aanzien de maximum bruto vloeroppervlakte van een vestiging.

Het vierde lid bepaalt het oogmerk van de regeling. 

TTTTTTTTTTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.433.44 Vergunningplicht wijziging ambachtelijk bedrijf naar ander gebruik

UUUUUUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.443.45 Beoordelingsregel

VVVVVVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.453.46 Aanvraagvereisten

WWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.463.47 Geografisch werkingsgebied en oogmerk

Met paragraaf 3.2.10 wordt uitvoering gegeven aan enkele instructieregels uit paragraaf 5.1.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze paragraaf ziet erop dat binnen een ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’ beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen zich niet of niet zonder meer kunnen vestigen. Zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties zijn uiteraard ook niet toegestaan, maar die gebruiksdoelen worden dan ook niet mogelijk gemaakt binnen het beperkingengebied. Zeer/ kwetsbaar of beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties zijn in bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen. Gelet op de begripsbepaling in bijlage I Besluit kwaliteit leefomgeving en op het bepaalde in artikel 1.1, tweede lid in dit omgevingsplan, hoeft voor die begrippen in het omgevingsplan niet opnieuw een definitie te worden opgenomen. 

Artikel 3.463.47 bepaalt het werkingsgebied en oogmerk van de regels in deze paragraaf. 

Eerste lid:

De beschermende regeling in deze paragraaf hoeft alleen te gelden daar waar het plaatsgebonden risico 1 op de 1.000.000 per jaar of hoger is. De gebieden waar dat het geval is, worden in dit omgevingsplan aangewezen met de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico’. In het eerste lid is bepaald dat deze afdeling alleen daar van toepassing is. Daarbuiten geldt deze afdeling dus niet. Het toekennen van deze aanduiding vindt in eerste instantie plaats bij het vervangen van het oud recht vastgestelde ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, zoals een bestemmingsplan. Waar dat nog niet is gebeurd, is deze aanduiding nog niet aan een locatie gegeven. Dat brengt mee dat deze paragraaf niet geldt waar het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan nog niet is komen te vervallen. 

Tweede lid:

Het tweede lid bevat een aanvulling op het eerste lid. Zoals toegelicht in paragraaf 6.4 van de algemene toelichting heeft het Rijk tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAM-omgevingsplan genoemd. 

Hoewel een TAM-omgevingsplan met de oude standaard wordt gepubliceerd, waardoor het digitaal-technisch geen onderdeel is van het omgevingsplan, maakt het juridisch gezien daarvan wel onderdeel uit. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO zal in heel veel gevallen gepaard gaan met het voor het besluitgebied laten vervallen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren met het oog op het faciliteren van een nieuwe ontwikkeling. Echter kan daarbij niet de aanduiding, bedoeld in het eerste lid, aan het besluitgebied worden gegeven met toepassing van de nieuwe standaard STOP-TP. Daaraan staat juist de toepassing van de oude standaard in de weg. Om, mocht dat nodig zijn, paragraaf 3.2.10 toch van toepassing te laten zijn, bepaalt het tweede lid dat, in aanvulling op het eerste lid, deze paragraaf ook geldt ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, maar uitsluitend voor zover dat in een TAM-omgevingsplan is bepaald.

Derde lid:

In het derde lid is het oogmerk van de regeling opgenomen, namelijk de bescherming van kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen. De bescherming wordt bereikt door de vestiging van deze gebouwen binnen het beperkingengebied te beperken. Hiermee blijven deze gebouwen (en uiteraard de daarin verblijvende personen) op een grotere (en dus meer veilige) afstand van de risicobronnen.

XXXXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.473.48 Verbod gebruik kwetsbaar gebouw

YYYYYYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.483.49 Vergunningplicht wijziging naar beperkt kwetsbaar gebouw

ZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.493.50 Beoordelingsregels

In dit artikel is bepaald waaraan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het nieuwe / gewijzigde gebruik van een beperkt kwetsbaar gebouw wordt getoetst. 

Eerste lid:

De aanhef en onderdeel a bepaalt allereerst dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de activiteit in overeenstemming is met artikel 2.3. Dat artikel bepaalt dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik. Voor zover het onder oud recht vastgestelde ruimtelijk plan nog niet is vervallen, wordt daarin tevens bepaald dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming, of op een wijze die in strijd is met de daarop betrekking hebbende regels over gebruik. Hiermee wordt erin voorzien dat wordt getoetst of de wijziging passend is met elders gestelde regels over gebruik.

Zoals bij artikel 3.483.49 toegelicht, zijn beperkt kwetsbare gebouwen in het beperkingengebied in principe niet wenselijk. Daarom kan een nieuw / gewijzigd gebruik alleen worden toegestaan zwaarwegende economische of maatschappelijke redenen dit rechtvaardigen (onderdeel b). Hiernaast wordt de beoordeeld de veiligheidssituatie beoordeeld. Om de risico’s zo veel mogelijk te beperken moeten alle redelijkerwijs te vergen maatregelen getroffen zijn (onderdeel c). De hier maatregelen kunnen zowel brongericht als effectgerichte maatregelen zijn als andere maatregelen die de kans op een ongewoon voorval bij de risico veroorzakende activiteit voldoende beperken, zoals het instellen van venstertijden. Tevens is het van belang dat er voldoende mogelijkheden zijn voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid). 

Tweede lid:

Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio. De veiligheidsregio heeft de meeste expertise over de mogelijke gevolgen voor een ramp, alsmede over de mogelijke maatregelen m.b.t. risicobeperking en zelfredzaamheid. 

Derde lid:

Gelet op artikel 5.11, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het niet mogelijk beperkt kwetsbare objecten binnen de ‘plaatsgebonden risico 10-5 zone’ van een windturbine te realiseren. Bij windturbines geldt er een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste 1 op de 100.000 per jaar. Van deze grenswaarde is het niet mogelijk om af te wijken, ook niet voor beperkt kwetsbare gebouwen.

AAAAAAAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.503.51 Vergunningvoorschriften 

BBBBBBBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.513.52 Aanvraagvereisten

CCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.523.53 Hospitaverhuur Kamerverhuur, hospitaverhuur en inwoning

Dit artikel maakt een koppeling tussen de Huisvestingsverordening en het uitgangspunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 

Onder a is bepaald dat het in afwijking van het ruimtelijke plan tijdelijk deel omgevingsplan is toegestaan zelfstandige woonruimte om te zetten naar onzelfstandige woonruimte indien de vergunning is verleend die hier op basis van de Huisvestingsverordening voor benodigd is. Hiermee wordt de vaste praktijk dat de omgevingsvergunning de vergunning op basis van de Huisvestingsverordening volgt in materiële zin voortgezet. Echter een omgevingsvergunning is niet langer nodig. De regeling voorziet immers in een rechtstreekse toestemming. 

Onderdeel b heeft betrekking op hospitaverhuur en inwoning. Om voor meer mensen in de stad woonruimte te bieden is in de bestuursperiode vanaf 2022 onder meer ingezet op het stimuleren van hospitaverhuur en inwoning. Mensen die bijvoorbeeld ruim behuisd zijn, kunnen een kamer verhuren of iemand laten inwonen. Formeel is dan sprake van omzetting van een deel van een zelfstandige woning naar een onzelfstandige woning. In de Huisvestigingsverordening is de omzetting die gevolg is van hospitaverhuur en inwoning vrijgesteld van vergunningplicht als bedoeld in artikel 21 lid 1, eerste lid, onder c, van de Huisvestingswet. In artikel 2.20, dat toepasselijk wordt wanneer de bestemmingsplannen (tijdelijk deel van het omgevingsplan) is omgezet naar het permanente deel, is een regeling opgenomen die ervoor zorgt dat ook vanuit het omgevingsplan geen belemmering bestaan voor de omzetting die het stadsbestuur wenst te stimuleren. De hoofdregel dat woningen zelfstandig zijn, geldt niet in geval van omzetting die van vergunningplicht als bedoeld in artikel 21 lid 1, eerste lid, onder c, van de Huisvestingswet is vrijgesteld.  Onzelfstandige woningen zijn dan wel toegestaan.

In veel gebieden waar het tijdelijk deel van het omgevingsplan nog geldt, geldt de regel dat een woning slechts door een huishouden mag worden bewoond. Dit brengt met zich mee dat hospitaverhuur of inwoning verboden is en slechts mogelijk gemaakt kan worden met een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dit vergunningvereiste past niet goed bij het streven om hospitaverhuur en inwoning te stimuleren, immers het aanvragen van een vergunning kost moeite, tijd en geld. Daarom is voor de periode dat het tijdelijk deel van het omgevingsplan nog niet is omgezet, een uitzondering opgenomen op de regel dat een woning niet door meer dan een huishouden mag worden bewoond: wanneer het gaat om van vergunningplicht als bedoeld in artikel 21 lid 1, eerste lid, onder c, van de Huisvestingswet vrijgestelde hospitaverhuur of inwoning, mag de woning wel door meer dan een huishouden worden bewoond. 

DDDDDDDDDDDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.533.54 Laden en lossen op eigen terrein

EEEEEEEEEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.543.55 Toepassingsbereik

FFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.3 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

Dit artikel komt in de plaats van artikel 22.5 en 22.4 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Het artikel is ongewijzigd.

In door het bevoegd gezag te bepalen situaties kan het nodig zijn dat, voorafgaande aan het bouwen, door of namens het bevoegd gezag rooilijnen, bebouwingsgrenzen of het meetniveau van het te bouwen bouwwerk op het bouwterrein worden vastgesteld en gemarkeerd (uitgezet). In dit artikel is geregeld dat vergunningplichtige bouwwerkzaamheden pas mogen beginnen als door of namens het bevoegd gezag de rooilijnen of bebouwingsgrenzen of het straatpeil zijn uitgezet. Het kan hierbij gaan om activiteiten die op grond van artikel 5.1, tweede lid onder a, van de Omgevingswet vergunningplichtig zijn (de technische bouwactiviteit) of activiteiten die op grond van dit omgevingsplan vergunningplichtig zijn.

Het tweede lid bepaalt, ionin navolging van artikel 22.4 zoals dat bij wijze van bruidsschat in het omgevingsplan was opgenomen, maatwerkvoorschriften over het eerste lid kunnen worden gesteld. 

GGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.9 Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Dit artikel 4.9 komt in de plaats van artikel 22.35, onderdelen a tot en met e en g zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Het vervangt tevens artikel 22.286 Bruidsschat. Het artikel is inhoudelijk ongewijzigd, zij het dat een deel van de erin opgenomen aanvraagvereisten in de hierna volgende artikelen is opgenomen.  

Dit artikel bevat de algemene aanvraagvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk. De aanvraagvereisten zijn grotendeels ontleend aan de artikelen uit de voormalige Regeling omgevingsrecht. De aanvraagvereisten zijn aanvullend op de aanvraagvereisten zoals opgenomen in de Omgevingsregeling. 

In artikel 4.9 zijn die aanvraagvereisten geregeld, die op alle aanvragen van toepassing zijn. Aanvraagvereisten die verband houden met specifieke beoordelingsregels zijn in de subparagrafen 4.2.4.3 tot en met 4.2.4.154.2.4.16 opgenomen. 

Aan de aanvraagvereisten is toegevoegd de eis dat een opgave van de bouwkosten wordt gedaan. De bouwkosten vormen doorgaans de grondslag voor de legesberekening voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In de voormalige Regeling omgevingsrecht was in de algemene aanvraagvereisten geregeld dat van de kosten van de werkzaamheden van de te verrichten activiteiten opgave wordt gedaan. In de Omgevingsregeling komt dit als algemeen aanvraagvereiste niet meer voor. Daarom moet dit bij een activiteit waarvoor dit van belang is, zoals de in dit artikel bedoelde omgevingsplanactiviteit, bij de specifieke aanvraagvereisten voor die activiteit worden geregeld.

HHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.19 Algemene mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van de ruimtelijke regels over bouwwerken 

Artikel 4.19 maakt voor de in het eerste lid aangewezen gevallen mogelijk dat die, ook wanneer ze in strijd zijn met ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.6, met een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen worden toegestaan. 

Het verlenen van deze vergunning gebeurt in afwijking van artikel 4.16, eerste lid. Daarin is bepaald dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 5.6. Daarin is in het eerste lid bepaald dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in hoofdstuk 5 opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' in afwijking van het eerste lid geldt dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met afdeling 5.3 of met het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Daarmee bepaalt artikel 5.6 kort gezegd dat een bouwwerk moet voldoen aan algemene ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die voorheen in bestemmingsplannen werden gesteld. 

De afwijkmogelijkheid heeft allereerst betrekking op de gevallen genoemd in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, die vanwege artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet vergunningvrij zijn toegestaan. Artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving bepaalt voor bepaalde bouwwerken dat deze ongeacht de regels in het omgevingsplan zonder omgevingsvergunning zijn toegestaan. Het omgevingsplan kan voor de in dit artikel genoemde bouwwerken in beginsel geen beperkingen bevatten. Artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving bevat echter wel beperking op artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Deze beperkingen zijn opgenomen met het oog op de bescherming van cultureel erfgoed. In de aangegeven gevallen is artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, of zijn onderdelen daarvan, niet van toepassing. Voor die gevallen kan het omgevingsplan dus wel regels bevatten. Op grond van het omgevingsplan geldt daarvoor dan de vergunningplicht zoals opgenomen in artikel 4.7. Voor zover een betreffend bouwwerk in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken, kan binnenplans van die regels worden afgewezen. 

De afwijkmogelijkheid heeft ook betrekking op gevallen genoemd in artikel 4.12, die vanwege artikel 4.14 niet vergunningvrij zijn. Dat ze niet vergunningvrij zijn, is vanwege strijd met de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.6. Omdat ze daarmee in strijd zijn, zou daarom de vergunning moeten worden geweigerd. Artikel 4.19 voorziet erin dat voor die gevallen, in afwijking van de geldende ruimtelijke regels voor bouwwerken, toch vergunning kan worden verleend. 

Verder heeft de mogelijkheid betrekking op een deel van de gevallen die onder oud recht vielen onder artikel 4, van bijlage II van het toenmalige Besluit omgevingsrecht. Daaraan zijn toegevoegd bouwwerken of onderdelen ervan die onder oud recht in bestemmingsplannen veelal met algemene bouwregels werden toegestaan of een binnenplanse afwijkmogelijkheden vergunbaar waren. Met opname in dit artikel van dergelijke gevallen wordt mogelijk gemaakt om allerlei kleinere initiatieven via een binnenplanse vergunning toe te staan. Op de binnenplanse omgevingsvergunning is artikel 4.17 van de Omgevingswet niet van toepassing. Dit betekent dat het omgevingsplan niet in overeenstemming hoeft te worden gebracht met een verleende vergunning.  

De lijst van gevallen, zoals opgenomen in het eerste lid, is enerzijds beperkt ten opzichte van artikel 4, van bijlage II van het toenmalige besluit omgevingsrecht. De in het derde tot en met elfde lid van dat artikel 4 genoemde 'gebruiksafwijkingen' zijn niet overgenomen. Los van het feit dat positionering in hoofdstuk 2 meer voor de hand liggend zou zijn, betreft het (met uitzondering van het in het elfde lid genoemde geval) gebruiksafwijkingen waarvan het wenselijk is dat die na  (of voorafgaand aan) vergunningverlening ook daadwerkelijk in het omgevingsplan worden opgenomen. Bovendien zou voor de in het negende en elfde lid van dat artikel 4 genoemde gevallen een uitzondering moeten worden gemaakt vanwege regelgeving op het gebied van milieueffectrapportage. Dat zou de regeling nodeloos ingewikkeld maken. Ook zonder een eventuele uitzondering vanwege regelgeving op het gebied van milieueffectrapportage, zijn het dermate onbegrensde gevallen, dat een brede afweging met het oog op een evenwichtige toedeling van functies en locaties nodig is. De buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is daarom het aangewezen instrument om deze gevallen indien gewenst juridisch mogelijk te maken (naast uiteraard de mogelijkheid om het omgevingsplan te wijzigen).    

Verder is de lijst van gevallen uitgebreid met gevallen die onder oud recht in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan via een binnenplanse afwijkmogelijkheid vergunbaar waren. Op die gevallen was, naast een beoordeling op de binnenplanse beoordelingsregels, ook altijd een beoordeling op goede ruimtelijke ordening van toepassing. Deze beoordeling is vertaald naar de in het derde lid opgenomen beoordelingsregels.  

Zolang een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan nog niet is vervangen, blijven die binnenplanse afwijkmogelijkheden van dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing. Omdat ze op grond daarvan vergunbaar zijn, vormt artikel 4.16, tweede lid, geen weigeringsgrond voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. In dat geval wordt aan dit artikel 4.19 niet toegekomen. 

Onderdeel on:

In navolging van artikel 4, bijlage II Bor, is in artikelonderdeel n 4.19 voor dakopbouwen een afwijkmogelijkheid opgenomen. Het begrip dakopbouw moet worden uitgelegd zoals dat ook onder artikel 4, bijlage II van het toenmalig Bor moest worden uitgelegd. Er zijn bestemmingsplannen met een meer beperkte uitleg, maar die uitleg is dan alleen van toepassing op de in het bestemmingsplan opgenomen regels. Zie ook ECLI:NL:RVS:2017:2756. 

Onderdeel o:

In veel bestemmingsplannen is een binnenplanse afwijkmogelijkheid opgenomen die erin voorziet dat gestelde maten mogen worden overschreden, mits de overschrijding niet meer dan 10% bedraagt. Onderdeel o voorziet in een soortgelijke mogelijkheid. Daarbij geldt wel dat geen extra bouwlaag mag worden gerealiseerd en dat de grenzen van het bouwvlak niet worden overschreden. 

IIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.32 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie

Artikel 4.32 bevat de aanvraagvereisten die specifiek verband houden met de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, bedoeld in subparagraaf 4.2.4.4. Dit artikel komt, voor zover betrekking hebbend op de beoordeling van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, in de plaats van artikel 22.35, onder j, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Aanvullend daarop zijn het tweede tot en met vijfde lid opgenomen voor een beleidsneutrale voortzetting van de regels over bouwen op verontreinigde bodem onder de voormalige Bouwverordening Amsterdam.

Eerste lid: 

Onderdeel a:

Volgens artikel 5.89ka van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het verplicht om in het omgevingsplan te eisen dat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw bodemonderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden verstrekt. Daarom verplicht dit onderdeel om bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij de aanvraag in te dienen. Het bodemonderzoek is nodig om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden of om eventueel vast te stellen dat er andere verontreinigingen aanwezig zijn (niet-genormeerde stoffen), waarvoor wel een detectiegrens is bepaald. In dat geval is een sanerende maatregel volgens het Besluit activiteiten leefomgeving of een sanering onder het overgangsrecht (genormeerde stoffen), of maatregelen bedoeld in artikel 4.31, een voorwaarde voor het bouwen. Zie verder de toelichting hierna op onderdeel b.

Onderdeel b:

Als sprake is van overschrijding van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem moeten daarnaast gegevens en bescheiden worden verstrekt die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel zal worden genomen. Dat kan bijvoorbeeld een melding zijn als bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een ingediend saneringsplan onder de Wet bodembescherming, of een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, of andere documentatie die aannemelijk maakt dat een sanerende of andere beschermende maatregel in voorbereiding is en zal worden uitgevoerd.

Onderdeel c:

Als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering is een onderbouwing noodzakelijk dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie, eventueel na het nemen van maatregelen zoals bedoeld in artikel 4.31. Een voorbeeld van een risico voor de gezondheid is dat de TCL (Toelaatbare Concentratie in Lucht) potentieel wordt overschreden in het bodemgevoelige gebouw. Voor de toetsing kan gebruik worden gemaakt van een programma zoals Volasoil, een onderdeel van de Risicotoolbox Bodem van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Onderdeel d:

In sommige situaties in het kader van het bouwen van een  bodemgevoelig gebouw is het niet nodig om bij overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit bodem een sanering volgens het Besluit activiteiten leefomgeving (of andere procedure conform het overgangsrecht) uit te voeren. Gelet op artikel 4.28, tweede lid, aanhef en onder c kan ook worden volstaan met een andere beschermende maatregel zoals een gebruiksbeperking. In welke situaties dit aan de orde kan zijn is nader uitgewerkt in de beleidsregel ‘Andere beschermende maatregelen bij bouwen bodemgevoelig gebouw’. In die beleidsregel staat ook aangegeven dat het aan initiatiefnemers is om een toetsing door middel van de Risicotoolbox bodem van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) uit te voeren. De Risicotoolbox bodem is het wettelijk voorgeschreven model om te toetsen of de aanwezigheid van een verontreiniging in de bodem in combinatie met blootstellingsroutes (zoals grond die je binnen krijgt bij (moes)tuinieren) leidt tot overschrijding van het maximaal toelaatbaar humaan risico zoals opgenomen in de beleidsregel. De waarden voor het maximaal toelaatbaar humaan risico, uitgedrukt in in microgram per kilogram lichaamsgewicht per dag, zijn in bijlage Vb bij het Besluit kwaliteit leefomgeving opgenomen. 

Tweede lid:

In de bodem kan zich bodemvreemd materiaal bevinden. Als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal, wordt gebruik gemaakt van andere onderzoekrichtlijnen dan bij bodem met minder dan 50% bodemvreemd materiaal. Bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat wordt de bodem onderzocht met een asbestonderzoek volgens NEN 5707 als sprake is van minder dan 50% bodemvreemd materiaal. Als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal vindt een asbestonderzoek plaats volgens NEN 5897.

Derde lid:

Op grond van de inmiddels ingetrokken bouwverordening Amsterdam moest er na een vooronderzoek een verkennend bodemonderzoek volgen, met - onder bepaalde voorwaarden - een uitzondering voor de locaties die vallen binnen zones 1 en 2 van de Bodemkwaliteitskaart Amsterdam. Dit is in het derde lid beleidsneutraal omgezet naar het omgevingsplan. In zone 1 of 2 van de Bodemkwaliteitskaart Amsterdam is een verkennend onderzoek alleen verplicht als uit het vooronderzoek bodem een verdenking op specifieke bodemverontreiniging naar voren komt. Met een specifieke verontreiniging wordt een verontreiniging bedoeld die is veroorzaakt door een puntbron, bijvoorbeeld een lekkage bij een bedrijf. Naast specifieke verontreinigingen kunnen er ook diffuse verontreinigingen aanwezig zijn, die niet te relateren zijn aan een puntbron.

Vierde lid:

Bij tijdelijke bouwwerken (maximaal 15 jaar), wordt het verplicht uitvoeren van een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid, in relatie tot de beperkte instandhoudingstermijn van een tijdelijk bouwwerk niet altijd proportioneel geacht indien er geen of nauwelijks verdenkingen zijn van een specifieke verontreiniging (puntbron) op basis van het vooronderzoek. Wat onder een tijdelijk bouwwerk verstaan moet worden is in bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving bepaald, namelijk een bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 15 jaar op dezelfde locatie. De definitie van het Besluit bouwwerken leefomgeving is op dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing, gelet op artikel 1.1, tweede lid.

Vijfde lid:

Om het mogelijk te maken dat de gegevens uit een bodemonderzoeksrapport efficiënt kunnen worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem, regelt het vijfde lid dat de resultaten van een bodemonderzoek ook moeten worden verstrekt in het XML-formaat (naast indiening van het gehele onderzoeksrapport in PDF-formaat) voor zover de gegevens zich daarvoor lenen. Dit sluit aan bij de beoordelingsrichtlijnen en protocollen van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB) die van toepassing zijn op de organisaties die bodemonderzoek verrichten. In die richtlijnen en protocollen wordt voor de digitale uitwisseling van bodemgegevens uitgegaan van de datastandaard SIKB0101 waarin het bestandsformaat XML is voorgeschreven. Het eisen van een XML-formaat is beleidsneutraal, omdat in de Bouwverordening Amsterdam het uitvoeren van een bodemonderzoek volgens de Amsterdamse Richtlijn voor onderzoek 2024 (ARVO) was voorgeschreven, waarin de verplichting tot indienen XML-formaat is opgenomen.

Met een XML-bestand kunnen de resultaten van het bodemonderzoek, na beoordeling, geautomatiseerd en dus snel worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en zijn daarmee snel door iedereen online te raadplegen. 

Het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. Zie voor alle eisen die worden gesteld aan de aanlevering van bodemonderzoeksresultaten de Amsterdamse Richtlijn voor bodemonderzoek 2024 (ARVO).

Zesde lid:

Bodemonderzoeken moeten op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving minimaal voldoen aan de onderzoeksnormen van de NEN  (Nederlands Normalisatie Instituut). De Amsterdamse richtlijn voor bodemonderzoek 2024 (ARVO 2024) geeft nadere invulling aan die NEN-normen. Van de NEN-normen kan gemotiveerd worden afgeweken. De ARVO spitst de onderzoeksnormen toe op de specifieke Amsterdamse situatie.

JJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.36 Beoordelingsregel met betrekking tot het aantal stallingsplaatsen voor fietsen

In deze subsubparagraaf zijn beoordelingsregels opgenomen met betrekking tot fietsstalling. Artikel 4.36 bevat de feitelijke beoordelingsregel.  

Eerste lid:

In het eerste lid is bepaald dat  een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als het aantal stallingsplaatsen voor fietsen dat op eigen terrein wordt gerealiseerd en feitelijk beschikbaar wordt gehouden, gelet op het beoogd gebruik als bedoeld in artikel 4.9, onder b, en de omvang daarvan, in overeenstemming is met de geldende normen, bedoeld in artikel 3.133.14. De verwijzing naar het beoogd gebruik, bedoeld in artikel 4.9, onder b, heeft betrekking op het algemeen aanvraagvereiste dat gegevens worden verstrekt over zowel het bestaand als het beoogd gebruik. In artikel 4.38 is als aanvullend aanvraagvereiste opgenomen dat gegevens worden verstrekt over de inrichting van parkeervoorzieningen en fietsstalling op het eigen terrein.  

Artikel 4.36 bevat beoordelingsregels met betrekking tot normen voor fietsstalling waaraan de bouwaanvraag zal worden getoetst. Voor zover een aanvraag om een bouwvergunning tevens ziet op een ander dan het bestaand gebruik, dan wordt beoordeling aan de daarop van toepassing zijnde normen meegenomen in de aanvraag van de bouwvergunning. Nadat een bouwwerk is vergund en gerealiseerd is sprake van een bestaande situatie. Vanaf dat moment zijn de regels zoals gesteld in onderdeel 3.2.3.2 van toepassing. 

Opgemerkt wordt nog dat er ook initiatieven zijn voor wijziging van gebruik of nieuwbouw die niet rechtstreeks passend of vergunbaar zijn binnen de regels van dit omgevingsplan. In dat geval kan een initiatiefnemer een aanvraag indienen voor een buitenplanse omgevingsvergunning. Bij de beoordeling van die aanvraag zal eveneens worden gekeken naar het aantal stallingsplaatsen voor de fiets dat bij het gebruik van gronden en bouwwerken op eigen terrein feitelijk beschikbaar dient te zijn ten behoeve van dat gebruik.

Tweede lid:

In het tweede lid is een overgangsrechtelijke bepaling opgenomen. Bepaald is dat binnen het gebied met de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen', in afwijking van het eerste lid, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als het aantal stallingsplaatsen voor fietsen dat op eigen terrein wordt gerealiseerd en feitelijk beschikbaar wordt gehouden, gelet op het beoogd gebruik, bedoeld in artikel 4.9, onder b, en de omvang daarvan, in overeenstemming is met de in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen regels stallingsplaatsen voor fietsen. Hiermee wordt kort gezegd bepaald dat voor zover dat tijdelijke deel nog niet is komen te vervallen, de beoordeling plaatsvindt aan de hand van de in dat tijdelijke deel opgenomen regels over stallingsplaatsen voor fietsen. 

Het werkingsgebied van dit lid is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, zal dat werkingsgebied, dat eerst heel Amsterdam is, geleidelijk aan steeds kleiner worden.  

In bijlage I is opgenomen dat onder het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan wordt verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke. 

Derde lid:

Het derde lid regelt dat voor zover een TAM-omgevingsplan regels bevat over het aantal stallingsplaatsen voor fietsen, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als het aantal stallingsplaatsen voor fietsen dat op eigen terrein wordt gerealiseerd in overeenstemming is met die afwijkende regels. 

Zoals toegelicht in paragraaf 6.4 van de algemene toelichting heeft het Rijk tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAM-omgevingsplan genoemd. 

Een TAM-omgevingsplan kan afwijkende parkeernormen bevatten. In dat geval wordt aan die afwijkende normen getoetst. 

Deze uitzondering geldt nadrukkelijk alleen als dat TAM-omgevingsplan regels over het aantal stallingsplaatsen voor fietsen bevat. Is dat niet het geval, dan is het eerste lid onverkort van toepassing. 

KKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.44 Toepassingsbereik

Artikel 4.44 bepaalt het toepassingsbereik van de beoordelingsregels in deze subparagraaf. Dat is beperkt tot die gevallen waarin de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op het realiseren van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. 

Eerste lid:

In het eerste lid is opgenomen dat de regels betrekking hebben op het toestaan van nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied. In dit regelonderdeel zijn geen eisen gesteld aan de geluidwering van geluidgevoelige gebouwen. De bouwkundige eisen die aan een gebouw worden gesteld met betrekking tot geluid, zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Die regels zijn in beginsel gericht aan de initiatiefnemer van het bouwplan of eigenaar van het gebouw.

Geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten

De beoordelingsregels hebben alleen betrekking op geluidgevoelige gebouwen. In bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voor wat onder een geluidgevoelig gebouw moet worden verstaan verwezen naar artikel 3.21 van datzelfde besluit. Vanwege het bepaalde in artikel 1.1 van dit omgevingsplan is die begripsbepaling ook van toepassing op dit omgevingsplan. 

In artikel 3.21 van het is in het eerste lid bepaald dat een geluidgevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw is met een:  

  • a.

    woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; 

  • b.

    onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; 

  • c.

    gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of 

  • d.

    bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

In het tweede lid van artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat het eerste lid niet geldt voor een gedeelte van een gebouw als het omgevingsplan in dat gedeelte van het gebouw geen geluidgevoelige ruimten toelaat, tenzij het gebouw een woonschip of woonwagen is. 

Het derde lid van artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat onder een geluidgevoelig gebouw ook wordt verstaan een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd. 

In bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voor een omschrijving van wat een geluidgevoelige ruimte is verwezen naar artikel 3.22 van datzelfde besluit. Daar is bepaald dat een geluidgevoelige ruimte een verblijfsruimte of verblijfsgebied is van een: 

  • a.

    woonfunctie of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die woonfunctie; 

  • b.

    onderwijsfunctie; 

  • c.

    gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die gezondheidszorgfunctie; of 

  • d.

    bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied.

Woonschepen en woonwagens

Zoals uit het voorgaande blijkt, gelden voor woonschepen en woonwagens enkele specifieke regels. Onder een woonschip wordt verstaan een drijvend bouwwerk met een woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip (artikel 3.10 Bkl). Onder een woonwagen wordt verstaan een woonfunctie op een locatie bestemd voor het plaatsen van een woonwagen (begripsbepaling in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving). In artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat een woonschepen en woonwagens geen geluidgevoelige ruimten hebben. Dat betekent dat daar geen binnenwaarden gelden (artikel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Artikel 3.23 bepaalt vervolgens dat voor woonschepen en woonwagens de standaardwaarden en grenswaarden voor geluid gelden op de begrenzing van de locatie. Dat wil dus zeggen op de begrenzing van de locatie die als ligplaats voor een woonschip is aangewezen, en op de begrenzing van de locatie die is bestemd voor een woonwagen. 

Tweede lid:

Het tweede lid bepaalt dat onder voor de toepassing van deze paragraaf onder geluid uitsluitend wordt verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen verstaan. Hiermee wordt verduidelijkt welke geluidsbronnen bij de beoordeling van het criterium ‘aanvaardbare mate van geluidbelasting’ worden betrokken. Bij de toepassing van deze paragraaf gaat dus alleen om de geluidbronnen die voorheen door de voormalige Wet geluidhinder, nu door paragraaf 5.1.4.2a van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden gereguleerd. 

Ten aanzien van geluid door andere activiteiten zijn regels opgenomen in hoofdstuk 9 van dit omgevingsplan. Toetsing aan die regels en aan artikel 5.59 Besluit kwaliteit leefomgeving (aanvaardbaarheid) vindt vooraf bij de toelating van geluidgevoelige en/of geluidveroorzakende activiteiten plaats. Nadere regels voor wijziging gebruik als niet-geluidgevoelige gebouwen naar gebruik als geluidgevoelige gebouw voor geluid door die activiteiten is derhalve niet nodig.

Derde lid:

Ten aanzien van industriegeluid vindt een beleidsvernieuwing plaats onder de Omgevingswet. Deze geluidbron wordt voortaan ook door de systematiek van geluidproductieplafonds gereguleerd in plaats van de geluidzonering op grond van de hiervoor geldende Wet geluidhinder. Voor meer informatie over dit onderwerp zie onderdeel 9.2.5.2 van de Algemene toelichting van dit omgevingsplan. 

In artikel 3.6, eerste lid van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet is geregeld dat het oud recht van toepassing blijft op bestaande industrieterreinen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder (hierna: gezoneerde industrieterreinen) totdat de geluidproductieplafonds zijn vastgesteld. Dat betekent onder meer dat in deze 'tussenperiode' (totdat geluidproductieplafonds zijn vastgesteld) bij het wijzigen van het omgevingsplan (dan wel het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) waarmee een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten getoetst moet worden aan de Wet geluidhinder zoals dat gold voor het tijdstip van de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De toets aan de Wet geluidhinder houdt in dat er getoetst wordt aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. De voorkeurgsgrenswaarde bedraagt 50 dB(A) conform artikel 40 voor woningen en artikel 2.1 van het Besluit geluidhinder voor andere geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige terreinen. Het is mogelijk om een hogere waarde dan de voorkeursgrenswaarde in acht te nemen indien toepassing van maatregelen onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. In dat geval stellen burgemeester en wethouders een hogere waarde vast met toepassing van artikel 110a van de Wet geluidhinder. (Dit heet het hogere waarde besluit.) Die hogere waarde mag niet hoger zijn dan de zogenaamde maximale ontheffingswaarde. De maximale ontheffingswaarde bedraagt niet meer dan 55 dB(A) voor woningen (artikel 45 Wet geluidhinder), 60 dB(A) voor onderwijsgebouwen, ziekenhuizen of verpleeghuizen, 55 dB(A) voor verzorgingshuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven en geluidsgevoelige terreinen, namelijk woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonschepen (zie artikel 2.2 Besluit geluidhinder). In bijzondere situaties, zoals indien de zeehavennorm wordt toegepast (zie artikel 50 Wet geluidhinder) of bij vervangende nieuwbouw (zie artikel 51 Wet geluidhinder) gelden er hogere maximale ontheffingswaarden. 

Van de maximale ontheffingswaarde mag worden afgeweken met toepassing van de stad- en milieubenadering op grond van de Interimwet stad- en milieu dan wel met de flexibiliteitsinstrumenten van de Crisis- en herstelwet.

De geluidnormen gelden op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. Een zogenaamde dove gevel (een gevel zonder te openen delen dan wel met alleen bij uitzondering te openen delen) wordt niet als gevel gezien op grond van artikel 1b, vierde lid van de Wet geluidhinder. Daarom is het mogelijk om geluidgevoelige gebouwen met een dove gevel te realiseren ook als de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden. Indien van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, wordt in het omgevingsplan (of in de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevinsplanactiviteit) bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is (zie artikel 12.13f van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Van dit vereiste in het omgevingsplan kan met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit niet afgeweken worden. Bronbeheerders gaan immers uit van de gegevens van geluidgevoelige gebouwen zoals in het omgevingsplan bepaald.  

LLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.45 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel bepaalt dat op het bepalen van het geluid op een gevel de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing zijn.

Op grond van artikel 3.6 van de Aanvullingswet geluid blijft het oude recht (de Wet geluidhinder) van toepassing zolang er nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld voor een industrieterrein. Deze industrieterreinen worden in dit omgevingsplan aangeduid als gezoneerd industrieterrein. Daaronder wordt verstaan een industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of artikel 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld. Voor het bepalen van het geluid op een gevel vanwege een gezoneerd industrieterrein wordt aanvullend aan de hoofdregel bepaald dat bij het bepalen van het geluid op een gevel vanwege een gezoneerd industrieterrein de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Wet geluidhinder van toepassing zijn.

MMMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.48 Geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde

Met artikel 4.48 wordt uitvoering gegeven aan de instructieregel zoals opgenomen in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Die instructieregel bepaalt dat een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, erin voorziet dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Die instructieregel schrijft niet voor hoe en op welk moment toetsing aan die norm moet plaatsvinden. Het is aan de gemeente om dit concreet in te vullen. De toetsing kan plaatsvinden bij de vaststelling van het omgevingsplan zelf. Maar het feitelijke toetsen van het geluid kan ook worden doorgeschoven naar een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit waarmee het gebouw daadwerkelijk wordt toegelaten. In voorliggend omgevingsplan is zoals reeds toegelicht bij artikel 4.44 voor dit laatste gekozen. 

Eerste lid:

Artikel 4.48 neemt als uitgangspunt dat aan de voorwaarde van aanvaardbare geluidbelasting in elk geval is voldaan wanneer het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 4.48. Die waarden zijn gelijk aan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Wanneer aan de standaardwaarde wordt voldaan, dan vormt de geluidbelasting geen reden om de omgevingsvergunning, bedoeld inaangevuld met een waarde voor gezoneerde industrieterreinen (zie toelichting bij artikel 4.74.45, te weigeren)

Wanneer aan de standaardwaarde wordt voldaan, dan vormt de geluidbelasting geen reden om de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.7, te weigeren. 

Als het geluid initieel niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. In artikel 4.56 is bepaald dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden over het treffen van geluidbeperkende maatregelen. Daarmee kan worden geborgd dat noodzakelijke maatregelen om te voldoen aan de standaardwaarde ook daadwerkelijk worden genomen. Het kan daarbij uiteraard alleen gaan om maatregelen waarbij het in de macht van de vergunninghouder ligt om die te nemen. 

Tweede lid:

In het tweede lid wordt het tweede lid van artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing verklaard. Kortheidshalve wordt verwezen naar de daarop van toepassing zijnde artikelgewijze toelichting. 

Derde en vierde lid: 

Het derde en vierde lid geven uitvoering aan hetgeen is bepaald in artikel 5.78t, derde en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Kortheidshalve wordt verwezen naar de daarop van toepassing zijnde artikelgewijze toelichting. 

NNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.49 Overschrijding van de standaardwaarde

Artikel 4.49 bepaalt dat ook een hogere geluidbelasting aanvaardbaar kan zijn. Voorwaarde is dat:

  • a.

    geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen;

  • b.

    de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en

  • c.

    het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Met artikel 4.49 wordt binnenplans invulling gegeven aan de mogelijkheid die artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving biedt. Dat artikel maakt mogelijk dat als het geluid op een toe te laten geluidgevoelig gebouw hoger is dan de standaardwaarde, besloten kan worden om meer geluid dan de standaardwaarde toe te laten. Daaraan worden wel eisen gesteld. Die eisen zijn onder a tot en met c één op één overgenomen. 

Eerste lid:

In onderdeel a van het eerste lid is allereerst bepaald dat meer geluid dan de standaardwaarde alleen toelaatbaar is als er geen geluidbeperkende maatregelen getroffen kunnen worden. Onder een geluidbeperkende maatregel wordt in het Besluit kwaliteit leefomgeving verstaan een maatregel die het geluid op een geluidgevoelig gebouw verlaagt. Het gaat om maatregelen aan de bron en in de overdracht om de geluidbelasting te laten voldoen aan de standaardwaarde van artikel 4.48. Als het nemen van geluidbeperkende maatregelen mogelijk is in een mate waarmee aan de standaardwaarde kan worden voldaan, kan het betreffende gebouw worden toegelaten zonder dat de standaardwaarde wordt overschreden. 

In onderdeel b van het eerste lid is bepaald dat, als niet door het treffen van maatregelen kan worden voldaan aan de standaardwaarde, de overschrijding van die standaardwaarde wel zoveel mogelijk wordt beperkt met geluidbeperkende maatregelen. 

Tot slot is in onderdeel c van het eerste lid bepaald dat afwijken mogelijk is tot ten hoogste de grenswaarden van tabel 4.49. Die zijn gelijk aan de grenswaarden zoals opgenomen in artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aangevuld met een waarde voor gezoneerde industrieterreinen. Onder een gezoneerd industrieterrein wordt verstaan een industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of artikel 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld. Voor gezoneerde industrieterreinen wordt de grenswaarde bepaald door het van toepassing zijnde besluit hogere waarden. Daarmee wordt gedoeld op een besluit tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder zoals die gold op 31 december 2023. . 

Artikel 4.49 biedt dus flexibiliteit tussen de standaardwaarde en de grenswaarde. Net als in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving is in artikel 5.78u van dat besluit bepaald dat het omgevingsplan erin moet voorzien dat aan de grenswaarde wordt voldaan. De instructieregel schrijft niet voor hoe en op welk moment toetsing aan die norm moet plaatsvinden. Het is aan de gemeente om dit concreet in te vullen. De toetsing kan plaatsvinden bij de vaststelling van het omgevingsplan zelf. Maar het feitelijke toetsen van het geluid kan ook worden doorgeschoven naar een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Met artikel 4.49 is voor dat laatste gekozen. 

Tweede lid:

In het tweede lid van artikel 4.49 is opgenomen dat geluidbeperkende maatregelen in aanmerking worden genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Deze bepaling is nodig, omdat het technisch gezien vrijwel altijd mogelijk isom maatregelen te treffen die het geluid beperken tot de standaardwaarde, echter deze kunnen stuiten op bezwaren. Zo kan een geluidscherm langs een gemeenteweg erg effectief zijn om het geluid te beperken maar kan een dergelijke maatregel uit stedenbouwkundig oogpunt onaanvaardbaar worden gevonden. Daarom is in het tweede lid van dit artikel bepaald dat alleen de maatregelen in aanmerking worden genomen die financieel doelmatig zijn en niet stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige, vervoerskundige of technische aard. 

De gemeente kan in beleid aanvullende voorwaarden stellen waaronder zij gebruik zal maken van de beleidsruimte tussen standaardwaarde en grenswaarde. Daarbij kan worden gedacht aan voorwaarden die onder de Wet geluidhinder waren verbonden aan de vaststelling van de zogenoemde hogere waarden. Een voorbeeld daarvan is het eisen van een geluidluwe buitenruimte die grenst aan een geluidluwe gevel, of kwantitatieve eisen aan het geluid op een geluidluwe gevel. Tegen deze achtergrond is in 4.53, eerste lid (in navolging van artikel 5.78ab, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving) geregeld dat bij toepassing van dit artikel het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel wordt betrokken. 

Derde en vierde lid:

Het derde en vierde lid bevatten een tweetal regels waarin is aangegeven wanneer voor woningen in elk geval aan het in artikel 4.47 opgenomen vereiste van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wanneer aan de gestelde voorwaarde is voldaan, vormt artikel 4.47 geen weigeringsgrond voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Het derde en vierde lid moeten volgordelijk worden doorlopen.  

In het derde lid is bepaald dat als de aanvraag betrekking heeft op een of meer woningen, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen niet doelmatig zijn, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als iedere woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 4.48, is berekend. Bij het bepalen van die waarde moet het gezamenlijk geluid zijn betrokken. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt onder een geluidluwe gevel verstaan een gevel die ten opzichte van de andere gevels van een geluidgevoelig gebouw relatief weinig wordt belast door geluid. 

Gemeenten moeten hier invullen wat wordt verstaan onder 'relatief weinig ten opzicht van andere gevels'. Een gemeente heeft daarbij beleidsvrijheid. Een gemeente kan zeggen dat er sprake is van een geluidluwe gevel als op die gevel ten hoogste de standaardwaarde is berekend. In het derde lid is hieraan invulling gegeven door te bepalen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 4.48, is berekend.

In het vierde lid is bepaald dat als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning op grond van artikel 2.5 is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het bepaalde in het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als elke afzonderlijke woning beschikt over een bijna-geluidluwe gevel. Daaronder wordt blijkens de begripsbepaling, opgenomen in bijlage I, verstaan een gevel waarop het berekende geluid niet hoger is dan de standaardwaarde +3dB.

Kan niet aan de voorwaarde gesteld in het derde of vierde lid worden voldaan, dan kan op grond van het eerste lid alsnog een hogere waarde aanvaardbaar worden gevonden. Of geluidbeperkende maatregelen in dat geval, mede gelet op het tweede lid, wel of niet genomen kunnen worden, moet in dat geval blijken uit de aanvraag. 

Het begrip woning, zoals gebruikt in het derde en vierde lid, is in bijlage I omschreven als een zelfstandige woonruimte, of een geheel aan onzelfstandige woonruimten die onderdeel uitmaken van hetzelfde adres. Deze omschrijving is ook op het derde en vierde lid van toepassing. Dat betekent dat wanneer sprake is van een woning met daarin meerdere onzelfstandige woonruimten, de woning als geheel wordt beschouwd, en dus niet elke onzelfstandige woonruimte afzonderlijk.  

Vijfde lid: 

In het tweede lid wordt het tweede lid van artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing verklaard. Kortheidshalve wordt verwezen naar de daarop van toepassing zijnde artikelgewijze toelichting. 

Zesde en zevende lid:

Het vijfde en zesde lid geven uitvoering aan hetgeen is bepaald in artikel 5.78u, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Kortheidshalve wordt verwezen naar de daarop van toepassing zijnde artikelgewijze toelichting. 

OOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.51 Overschrijding grenswaarde; niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen

Artikel 4.51 biedt, analoog aan artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving, de mogelijkheid om de grenswaarde te overschrijden in een situatie waarin géén sprake is van een bijzondere stedenbouwkundige situatie zoals bedoeld in artikel 4.50, maar het geluidniveau wel erg hoog ligt. Hoewel het uitgangspunt is dat het geluid op de gevel van een nieuw geluidgevoelig gebouw (en dus ook in de omgeving van dat gebouw) bij voorkeur niet hoger is dan de standaardwaarde, zijn er situaties en omstandigheden denkbaar waarin nieuwbouw op hoogbelaste locaties kan worden toegestaan. Hierbij kan worden gedacht aan een appartementengebouw dat het geluid door een rijksweg afschermt waardoor achter dat gebouw grondgebonden woningen gebouwd kunnen worden waar het geluid wel voldoet aan de standaardwaarde. Een ander voorbeeld is een gebouw waarbij in de ontwerpfase rekening wordt gehouden met het geluid en de bewoners door het treffen van maatregelen binnen goed worden beschermd tegen het geluid van buiten. De gebouwen kunnen dan – mits goed gemotiveerd – met toepassing van artikel artikel 4.51 worden toegelaten. 

Dit artikel moet worden gelezen in samenhang met artikel 4.52, waarin is bepaald dat meer geluid dan de grenswaarde alleen toelaatbaar is als er geen geluidbeperkende maatregelen (aan de bron en in de overdracht) getroffen kunnen worden om de geluidbelasting te laten voldoen aan de grenswaarde van tabel 5.78u. Als dat wel mogelijk is, kan het betreffende gebouw namelijk worden toegelaten zonder dat de grenswaarde wordt overschreden. 

Eerste lid: 

Als het overschrijden van de grenswaarden alles overwegend toch nodig blijkt, kan de gemeente op grond van dit artikel het geluidgevoelige gebouw toelaten als aan het geluidgevoelige gebouw de onder a of b bedoelde bouwkundige maatregelen getroffen kunnen worden. Deze vervangen, in combinatie met artikel 4.103b van het Besluit bouwwerken leefomgeving, de zogenoemde 'dove gevel' uit de Wet geluidhinder, waarbij een aantal verbeteringen is doorgevoerd. 

Onderdeel a is de juridische opvolger van de échte dove gevel, dus een gevel waarin geheel geen te openen delen aanwezig zijn (voorheen artikel 1b, vierde lid, onder a, van de Wet geluidhinder). Onder te openen delen moeten worden verstaan alle constructieonderdelen in de uitwendige scheidingsconstructie die geopend kunnen worden waardoor de geluidwering vermindert en te veel buitengeluid in de woning kan dringen. Het gaat dan in ieder geval om ramen en deuren maar ook om klepraampjes, inspectieluiken enzovoort. Het openen kan verband houden met de toegang tot de woning (de voordeur) of een buitenruimte, maar ook met bouwkundige eisen die al in het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn gesteld, bijvoorbeeld met betrekking tot de spuiventilatie. Op geluidbelaste locaties worden luchtroosters die nodig zijn voor luchtverversing voorzien van geluiddempers om te kunnen voldoen aan de eisen ten aanzien van de geluidwering. Het openen leidt niet tot te veel buitengeluid in de woning. Deze zogenoemde suskasten worden daarom, net als voorheen, niet beschouwd als te openen deel als bedoeld in dit artikel. 

Naast de échte dove gevel kende de Wet geluidhinder de mogelijkheid voor een bouwkundige constructie met bij uitzondering te openen delen, waarbij voorwaarde was dat die bij uitzondering te openen delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. In de praktijk werd zeer uiteenlopend invulling gegeven aan het begrip 'bij uitzondering te openen', ook wel op zodanige wijze dat feitelijk geen recht werd gedaan aan het uitzonderlijke karakter. De specifieke mogelijkheid die artikel 1b, vierde lid, onder b, van de Wet geluidhinder bood, komt daarom niet op dezelfde wijze terug onder de Omgevingswet. Er is wel een uitzondering gemaakt voor deuren die onderdeel zijn van een gemeenschappelijke doorgang. De term 'gemeenschappelijk' wordt hier gebruikt in de betekenis die artikel 2.7, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving er aan geeft: ten dienste van meer dan een gebruiksfunctie. Dit betreft bijvoorbeeld gemeenschappelijke toegangsdeuren, tussendeuren en nooduitgangen in een appartementengebouw, maar niet de voordeur van een appartement of de deur naar een bijbehorende buitenruimte. Door in de formulering van deze uitzondering aan te sluiten bij de terminologie die ook het Besluit bouwwerken leefomgeving in dit verband gebruikt, is deze uitzondering overigens bruikbaar voor alle soorten geluidgevoelige gebouwen zoals gedefinieerd in het eerste lid van artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

Onderdeel b van het eerste lid biedt een tweede mogelijkheid tot het treffen van bouwkundige maatregelen. In dit geval bevat de uitwendige scheidingsconstructie wél te openen delen, maar worden aan het gebouw maatregelen getroffen waarmee het geluid op de te openen delen die direct grenzen aan een verblijfsgebied of niet-gemeenschappelijke verkeersruimte wordt beperkt tot de grenswaarden. Deze mogelijkheid sluit beter aan bij de behoeften van de uitvoeringspraktijk. Bij toepassing van deze bepaling mogen ramen en deuren altijd geopend worden, omdat de bouwkundige constructie ervoor zorgt dat het geluid op alle te openen delen die direct grenzen aan een verblijfsgebied of niet-gemeenschappelijke verkeersruimte beperkt is tot de grenswaarden, waarbij er geen onderscheid is tussen normaal te openen delen en delen die bedoeld zijn om slechts bij uitzondering te openen. Voor de hal of gang maakt het daarbij niet uit of deze is aangeduid als verblijfsgebied of als verkeersruimte. Daarmee is de eenduidigheid en uitvoerbaarheid verbeterd. 

De term 'grenswaarden' is in meervoud. Mocht een gebouw door meerdere bronnen worden belast, bijvoorbeeld een bundel van een weg en een spoorweg, dan moet de constructie zo ontworpen worden dat het geluid op te openen delen van elk van die bronnen voldoet aan de grenswaarde voor die bron. De grenswaarden in het Besluit kwaliteit leefomgeving gelden namelijk, anders dan het gezamenlijke geluid, per bron. In het algemeen zal er overigens maar één maatgevende bron zijn. 

Net als in de Wet geluidhinder wordt geen maximum gesteld aan de geluidbelasting op een niet-geluidgevoelige gevel. Er wordt geen maximum gesteld aan het geluid op de onder a bedoelde uitwendige scheidingsconstructie zonder te openen delen, en ook niet aan het geluid op bouwkundige constructies (de maatregelen) die juist bedoeld zijn om het geluid op (te openen delen in) de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied te verminderen. Als bijvoorbeeld een vliesgevel of een lamellenscherm wordt toegepast, wordt geen eis gesteld aan het geluid op die bouwkundige voorzieningen. Die vliesgevel of dat lamellenscherm – of een andere bouwkundige maatregel – moet er wel voor zorgen dat het geluid op te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied wordt beperkt tot de grenswaarde.

Tweede lid: 

In het tweede lid is bepaald dat bij de toepassing van het eerste lid aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, in elk geval het voorschrift wordt verbonden dat de in het eerste lid bedoelde gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. 

Deze bepaling is analoog aan het tweede lid van artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving waarin is bepaald dat bij de toepassing van het eerste lid van artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving in het omgevingsplan wordt bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. Zoals toegelicht bij artikel 4.44 is met het omgevingsplan Amsterdam echter de keuze gemaakt de afweging door te schuiven naar de vergunningaanvraag. Dit zorgt ervoor dat op het juiste moment een bestuurlijke afweging plaatsvindt of van deze mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt. Gelet op de zeer hoge geluidbelastingen in dit soort situaties – hoger dan de grenswaarde – is een bestuurlijke afweging hierover vanzelfsprekend. 

Het belang van de instructieregel dat in het omgevingsplan wordt bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is, zoals opgenomen in het tweede lid van artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving, gaat echter verder dan er voor te zorgen dat een bestuurlijke afweging wordt gemaakt. 

Zo bevat artikel 4.103b van het Besluit bouwwerken leefomgeving specifieke regels over de geluidwerendheid van een niet-geluidgevoelige gevel en over de uitvoering van een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen. De aanwijzing van de 'niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' betekent onder meer dat het geluidgevoelige gebouw op grond van artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving 3 dB extra geluidwering krijgt. Hiermee is de geluidwering bestand tegen een toekomstige toename van het geluid. Volgens de begripsbepaling van niet-geluidgevoelige gevel, zoals die in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving is opgenomen en die op de hiervoor genoemde artikelen van toepassing is, wordt onder een niet-geluidgevoelige gevel verstaan een gevel die in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met toepassing van artikel 5.78y, tweede lid, 5.78aa, tweede lid, 12.13f of 12.13g Besluit kwaliteit leefomgeving als zodanig is aangemerkt. Een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen valt binnen de reikwijdte van die omschrijving mits deze in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als zodanig is aangemerkt. Het doorschuiven van deze afweging naar de vergunningaanvraag maakt dat pas op dat moment duidelijk wordt dat een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen noodzakelijk en aanvaardbaar is. Het vooraf in het omgevingsplan vastleggen van deze verplichting is dan niet mogelijk. Het is wel noodzakelijk dat die verplichting wordt opgelegd en gelet op het bepaalde in artikel 4.103b van het Besluit bouwwerken leefomgeving ook kenbaar is. Om die reden is de bepaling in het tweede lid opgenomen. 

Verder wordt in de artikelen 3.18 en 5.78i van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaald dat de regelonderdelen waarvan die artikelen het toepassingsbereik bepalen, niet van toepassing zijn op het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel. Die onderdelen zijn gericht tot de beheerders van wegen, spoorwegen en industrieterreinen, maar gelden dus niet daar waar een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is voorgeschreven. Specifieke aanduiding in het omgevingsplan maakt het voor de beheerders van wegen, spoorwegen en industrieterreinen duidelijk voor welke gevels de standaardwaarden en grenswaarden niet gelden en dat bijvoorbeeld bij de verbreding van een weg voor het betrokken bevoegd gezag direct duidelijk is welke gevels niet hoeven te worden getoetst. Door het aanwijzen in het omgevingsplan is dan geborgd dat de gevels blijven voldoen aan de eisen die in dit artikel zijn gesteld. 

Wanneer toepassing wordt gegeven aan artikel 4.51, tweede lid, wordt echter niet voldaan aan de omschrijving van een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen. De betreffende gevel is dan weliswaar in een omgevingsvergunning voor binnenplanse omgevingsplanactiviteit als zodanig aangemerkt, maar daarmee wordt niet aan het vereiste dat de gevel in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als zodanig is aangemerkt. Het aanmerken van een gevel als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen kan gebeuren met artikel 4.1214.124, eerste lid, door het opnemen van de daar genoemde aanduiding. Dat vergt echter een wijziging van het omgevingsplan. Om vooruitlopend aan wijziging van het omgevingsplan toch te kunnen voldoen aan het vereiste zoals dat in de begripsbepaling is opgenomen, is in artikel 4.1214.124, tweede lid, bepaald dat als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving tevens is aangewezen een gevel waarover met toepassing van artikel 4.51, tweede lid, in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken het is voorschrift verbonden dat het een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. 

Daarmee wordt juridisch voldaan aan het vereiste dat de betreffende gevel in het omgevingsplan als zodanig is aangewezen. Inhoudelijke doet het vergunningvoorschrift niet onder voor een geval waarin de gevel in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als zodanig is aangemerkt. Uiteindelijk is het wel de bedoeling (net als bij de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit), dat de niet-geluidgevoelige gevel met een aanduiding als zodanig wordt aangemerkt. In artikel 4.1214.124, tweede lid, wordt dit duidelijk gemaakt het begin van de bepaling, waarin is aangegeven dat dit geldt totdat de in het tweede lid bedoelde aanduiding aan een locatie is gegeven. 

Derde lid:

Het derde lid bepaalt dat artikel 4.49, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing zijn.  

PPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.86 Toepassingsbereik, geografisch werkingsgebied en oogmerk

Met deze paragraaf wordt uitvoering gegeven aan de instructie, opgenomen in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De instructie luidt dat gemeenten in het omgevingsplan rekening moeten houden met het behoud van cultureel erfgoed en daarvoor een toereikend beschermingsregime instellen. 

In deze paragraaf zijn beoordelingsregels opgenomen die betrekking hebben op veranderingen aan beeldbepalende panden. Beeldbepalende panden zijn ordepanden die in het omgevingsplan als aanduiding 'beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht' zijn aangewezen. Als gevolg van die aanwijzing geldt een sloopvergunningplicht (paragraaf 4.3.2). Die sloopvergunningplicht heeft echter geen betrekking op het gedeeltelijk afbreken van een 'beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht' voor zover dat plaatsvindt in het kader van het veranderen van een bestaand bouwwerk (artikel 4.1024.105vierde lid). In dat geval is deze subparagraaf 4.2.4.13 van toepassing. Er is dan naast de benodigde omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet ook nog een aparte sloopvergunning nodig. De beoordeling van de gevolgen van het gedeeltelijk slopen voor de bouwhistorische, cultuurhistorische, architectuurhistorische en/of stedenbouwkundige waarden wordt betrokken bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.  

Artikel 4.86 bepaalt het toepassingsbereik en oogmerk van deze paragraaf. 

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat subparagraaf 4.2.4.13 van toepassing is op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die bestaat uit het veranderen van een bestaand bouwwerk.

Tweede lid: 

Het tweede lid bepaalt waar deze subparagraaf geldt. De locaties waar dat het geval is, worden in dit omgevingsplan aangewezen met de aanduiding 'beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht'. 

Derde lid:

Het derde lid bepaalt het oogmerk van dit onderdeel. De regels zijn gesteld met het oog op de bescherming van beeldbepalende panden vanwege hun bouwhistorische, cultuurhistorische, architectuurhistorische en stedenbouwkundige waarden. Het gaat om objecten die een cultuurhistorische bijdrage aan het stadsbeeld leveren vanwege de hoge architectonische kwaliteit, de plaats in de stedenbouwkundige structuur en/of als toonaangevend element in de gevelwand. Het gaat bij de waardering dus niet alleen om het individuele gebouw of de architectonische eenheid, maar ook om de stedenbouwkundige samenhang. 

Vierde lid:

Het vierde lid bepaalt dat deze subparagraaf alleen van toepassing is voor zover de verandering van het bestaande bouwwerk betrekking heeft op delen van de gevel en het dak die zijn gericht naar openbaar toegankelijk gebied, waaronder in deze subparagraaf mede worden begrepen wegen en paden bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

QQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.88 Vergunningvoorschriften met betrekking tot het veranderen van een beeldbepalend pand

Dit artikel bepaalt dat aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die voorschriften kunnen worden verbonden die nodig zijn met het oog op het beschermen van het in artikel 4.1024.105, derde lid, genoemde belang.

RRRRRRRRRRRRRR

Na sectie ' Vergunningvoorschriften met betrekking tot het veranderen van een beeldbepalend pand' worden drie secties ingevoegd, luidende:

Artikel 4.89 Algemeen

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt waar deze paragraaf geldt. Dat is alleen waar de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen' van toepassing is. Oftewel, waar het bestemmingsplan is vervangen, en wonen is toegestaan. Waar het bestemmingsplan nog geldt, wordt waar nodig de verplichting van een geluidluwe gevel (stille zijde) in het bestemmingsplan geregeld. Deze subparagraaf hoeft niet te worden toegepast waar subparagraaf 4.2.4.7 van toepassing is. In de daarin opgenomen regels wordt immers reeds voorzien in een beoordeling van de aanwezigheid van een geluidluwe gevel. Daarom bepaalt het eerste lid dat subparagraaf 4.2.4.14 daar buiten toepassing blijft. 

Tweede lid:

Het tweede lid bepaalt dat deze subparagraaf alleen van toepassing is op aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als die activiteit betrekking heeft op het realiseren van een of meerdere nieuwe woningen. In alle andere gevallen blijft toepassing van deze subparagraaf achterwege. 

Derde lid:

Het derde lid bepaalt dat voor de toepassing van deze subparagraaf onder geluid uitsluitend het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen wordt verstaan. Hiermee wordt verduidelijkt welke geluidsbronnen bij de beoordeling van het criterium ‘aanvaardbare mate van geluidbelasting’ worden betrokken. Bij de toepassing van deze paragraaf gaat dus alleen om de geluidbronnen die voorheen door de voormalige Wet geluidhinder, nu door paragraaf 5.1.4.2a van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden gereguleerd. 

Ten aanzien van geluid door andere activiteiten zijn regels opgenomen in hoofdstuk 9 van dit omgevingsplan. Toetsing aan die regels en aan artikel 5.59 Besluit kwaliteit leefomgeving (aanvaardbaarheid) vindt vooraf bij de toelating van geluidgevoelige en/of geluidveroorzakende activiteiten plaats. Nadere regels voor wijziging gebruik als niet-geluidgevoelige gebouwen naar gebruik als geluidgevoelige gebouw voor geluid door die activiteiten is derhalve niet nodig.

Vierde lid: 

Dit vierde lid bepaalt als hoofdregel dat op het bepalen van het geluid op een gevel de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing zijn. 

Op grond van artikel 3.6 van de Aanvullingswet geluid blijft het oude recht (de Wet geluidhinder) van toepassing zolang er nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld voor een industrieterrein. Deze industrieterreinen worden in dit omgevingsplan aangeduid als gezoneerd industrieterrein. Daaronder wordt verstaan een industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of artikel 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld. Voor het bepalen van het geluid op een gevel vanwege een gezoneerd industrieterrein wordt aanvullend aan de hoofdregel bepaald dat bij het bepalen van het geluid op een gevel vanwege een gezoneerd industrieterrein de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Wet geluidhinder van toepassing zijn.

Artikel 4.90 Verplichte geluidluwe gevel, afwijkmogelijkheid

Eerste lid:

Elke nieuw te realiseren woning dient te beschikken over een geluidluwe gevel. Het eerste lid bepaalt dit. Daarbij wordt bepaald dat een geluidluwe gevel een gevel is waraop de geluidbelasting niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 2.22. Die waarden zijn gelijk aan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aangevuld met een waarde voor gezoneerde industrieterreinen. 

Tweede lid: 

Het tweede lid maakt mogelijk dat een maatwerkvoorschrift kan worden verleend waarmee kan worden afgeweken van het verplichting van een geluidluwe gevel, als geluidbeperkende maatregelen om aan de in het eerste lid bedoelde standaardwaarden te voldoen niet doelmatig of bezwaarlijk zijn. Zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen moeten deze afwijking rechtvaardigen. Bovendien moet dan wel sprake zijn van een bijna-geluidluwe gevel. Dat is een gevel waarop het berekende geluid niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 2.22 plus daarbij opgeteld 3dB.  

Artikel 4.91 Artikelen die van overeenkomstige toepassing zijn

Dit artikel bepaalt dat artikel 3.26, artikel 3.34 en artikel 3.35 van overeenkomstige toepassing zijn. Dat betekent onder meer dat het maatwerkvoorschrift die voorwaarden kan bevatten die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder. Ook moet bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift een rapport worden verstrekt, waaruit de mate van geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw blijkt, en waarin, in verband met de overschrijding van de standaardwaarde, inzicht wordt gegeven in de maatregelen die worden genomen met het oog op de bescherming van de gezondheid.

SSSSSSSSSSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.894.92 Toets aan overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken 

TTTTTTTTTTTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.904.93 Vergunningvoorschriften met betrekking tot de situering van vluchtwegen

UUUUUUUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.914.94 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling hemelwaterberging

VVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.924.95 Overgangsbepaling: vergunningvoorschriften over archeologische monumentenzorg 

Dit artikel 4.924.95 komt in de plaats van artikel 22.34 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De bepalingen zijn inhoudelijk ongewijzigd.  

Dit artikel is voor de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit de voortzetting van de regeling in artikel 2.22, tweede lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarin de mogelijkheid tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg afhankelijk was gesteld van een expliciete regeling in het bestemmingsplan.

Eerste lid: 

Het artikel bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt dat als dat in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald, aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften kunnen worden verbonden. 

Het werkingsgebied van dit artikel is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, zal dat werkingsgebied, dat eerst heel Amsterdam is, geleidelijk aan steeds kleiner worden.   

In bijlage I is opgenomen dat onder het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan wordt verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke. 

Tweede lid: 

Het tweede lid omschrijft (in navolging van artikel 22.34 jo. artikel 22.303, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan) nader welke voorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval kunnen worden verbonden aan een de omgevingsvergunning.  

In het tweede lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een werk, dat geen bouwwerk is, of het uitvoeren van een werkzaamheid –ook wel een aanlegactiviteit genoemd – die van invloed is op een archeologisch monument, in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval de onder a tot en met d bedoelde voorschriften kunnen worden verbonden. 

Onderdeel a:

Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften die een plicht inhouden tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden. Voorbeelden zijn voorschriften die verplichten tot het treffen van technische maatregelen, zoals het aanbrengen van een ophogingslaag, het aanpassen van de funderingswijze of het beperken van het aantal heipalen. 

Onderdeel b:

Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften over het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 in samenhang met artikel 5.1, eerste lid, van de Erfgoedwet. Dit betreft dus voorschriften over handelingen bij het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem, of verstoring of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt, tenzij het een op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Erfgoedwet uitgezonderd geval betreft. 

Onderdeel c:

Onderdeel c heeft betrekking op voorschriften over de begeleiding door een archeologisch deskundige van uitvoeringswerkzaamheden. Deze deskundige is bij de werkzaamheden aanwezig en documenteert eventuele overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden die hierbij aan het licht komen. 

Het instrument van archeologische begeleiding is bedoeld voor situaties waarin adequaat vooronderzoek niet mogelijk is door fysieke belemmeringen, zoals een te slopen bouwwerk, waardoor niet tot een betrouwbare waardenstelling kan worden gekomen. Ook kan de begeleiding worden ingezet voor situaties waarin civieltechnische werkzaamheden archeologisch onderzoek niet mogelijk maken of op grond van de beschikbare archeologische informatie is geconcludeerd dat het doen van een opgraving niet (meer) nodig is, maar men toch graag het zekere voor het onzekere wil nemen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de aanleg van een pijpleiding voor aardgas, omdat de gegraven sleuf te smal is om een goede documentatie mogelijk te maken. Daarnaast kan er bij uitvoeringstrajecten sprake zijn van bijzondere onderzoeksvragen, die juist door archeologische begeleiding kunnen worden beantwoord. Het gaat daarbij om gebieden of complextypen waar wel een archeologische verwachting is, maar waaraan door inventariserend veldonderzoek geen specifieke locatie kan worden gekoppeld. Archeologische begeleiding is nadrukkelijk niet bedoeld als een vervanging voor een inventariserend veldonderzoek of een opgraving. Aan dit onderdeel kan niet worden voldaan met een verwijzing naar een gecertificeerde opgravingsdeskundige, omdat niet alle handelingen waaruit een archeologische begeleiding kan bestaan, handelingen zijn waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het uitzeven van grond afkomstig uit een bouwput of een baggerlocatie om archeologische overblijfselen of voorwerpen te verzamelen. Voor die gevallen kan het bevoegd gezag op basis van dit onderdeel specifieke eisen stellen aan de deskundigheid van de bij de archeologische begeleiding betrokken personen. Denk bijvoorbeeld aan de voorwaarde dat de deskundige kennis moet hebben van de archeologie van het rivierengebied of van de Romeinse tijd. Veelal zullen deze eisen via het programma van eisen worden afgedwongen (zie onderdeel d). Maar het bevoegd gezag kan ook eisen stellen aan de kwalificaties van de deskundige zonder dat het een specifiek programma van eisen als voorschrift opneemt. Dit laat onverlet dat de uitvoerder van de archeologische begeleiding voor zover het handelingen betreft waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is, in ieder geval moet voldoen aan het bepaalde in artikel 5.4, eerste en tweede lid, van die wet. 

Onderdeel d:

Met het voorschrift dat de opgraving of begeleiding op een bepaalde wijze, die in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet, moet worden verricht, wordt beoogd aan te sluiten bij de Erfgoedwet en vooral bij het in die wet opgenomen certificatiesysteem, waarbij de nadruk meer is komen te liggen op de professionele standaarden uit het veld zoals tot nu toe neergelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Met deze voorschriften worden die voorschriften bedoeld die ook wel als een programma van eisen of een plan van aanpak worden aangeduid en voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet en de Omgevingswet werden gebaseerd op artikel 38, eerste lid, onder a, van de Monumentenwet 1988. In het programma van eisen en plan van aanpak kunnen randvoorwaarden aan het archeologisch onderzoek worden meegegeven, in het bijzonder de doel- en vraagstelling van het onderzoek, en kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van uitvoering. Er wordt bijvoorbeeld aangegeven welke onderzoeksmethodiek moet worden ingezet en over welke specifieke kennis en ervaring de actoren moeten beschikken om het onderzoek te kunnen uitvoeren. 

Voorkomen moet worden dat de inhoud van de voorschriften in strijd is met de professionele kwaliteitsnorm voor archeologisch onderzoek binnen het in de Erfgoedwet opgenomen certificatiesysteem. Dit betekent dat de voorschriften wel aanvullende eisen mogen bevatten, maar geen eisen die onder het niveau van deze normen van de beroepsgroep liggen. De voorschriften kunnen tenslotte ook betrekking hebben op non-destructief archeologisch onderzoek, zoals een veldkartering of een sonaropname van de zeebodem. Tweede lid In het tweede lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht voorschriften kunnen worden verbonden over de wijze van slopen. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, derde lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het doel van een dergelijk voorschrift is de sloopmethode zo te kiezen dat de nadelige gevolgen voor de archeologische waarden ter plaatse zoveel mogelijk beperkt blijven. Ook kan zo de inzet van het instrument van archeologische begeleiding als bedoeld in het eerste lid, onder c, mogelijk worden gemaakt.

WWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.934.96 Overige gegevens en bescheiden

Artikel 4.934.96 bevat de mogelijkheid de mogelijkheid om de aanvrager te verplichten overige gegevens en bescheiden te verstrekken die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn voor toetsing aan dit omgevingsplan. Dit artikel komt in de plaats van artikel 22.35, onderdeel k, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Het artikel is inhoudelijk ongewijzigd.  

XXXXXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.944.97 Toepassingsbereik en oogmerk

YYYYYYYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.954.98 Uitgestelde toepassing

ZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.964.99 Vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht

In artikel 4.964.99 is een verbod opgenomen om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht te verrichten. 

Eerste lid: 

Het eerste lid bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht te verrichten. Zoals in artikel 4.944.97, vijfde lid aangegeven, geldt deze sloopvergunningplicht naast een eventuele sloopvergunningplicht, opgenomen in het nog geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan

Tweede lid:

Onder een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht wordt verstaan zowel het geheel als gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk. In geval van gedeeltelijk afbreken is het met name de sloop van de gevel(delen) en/of dakvlak, die gekeerd zijn naar openbaar toegankelijk gebied, die een onaanvaardbare aantasting van het karakter van het stads- of dorpsgezicht tot gevolg kan hebben. Het tweede lid bepaalt daarom dat de vergunningplicht, voor zover de activiteit betrekking heeft op het gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk, uitsluitend geldt voor zover het afbreken betrekking heeft op delen van de gevel en de dakvorm die zijn gericht naar openbaar toegankelijk gebied. Onder dat laatste wordt mede worden begrepen wegen en paden bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.  

Het begrip openbaar toegankelijk gebied moet in dit kader breder worden geïnterpreteerd dan de definitie van openbaar toegankelijk gebied zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Gekeerd naar openbaar toegankelijk gebied heeft in die betekenis betrekking op de voorkant van een bouwwerk. Echter, afhankelijk van het verkavelingsprincipe, kan het evengoed de zij- of achterkant betreffen, zoals het geval is bij strokenbouw, in halfopen verkavelingen of van vrijstaande bouwwerken. 

Bij een geheel gesloten bouwblok is het begrip openbaar toegankelijk gebied eenduidig toe te passen. Alleen de voorgevels en voordakvlakken zijn gekeerd naar openbaar toegankelijk gebied. Immers vanaf de openbare ruimte is geen toegang tot de achterzijde anders dan via de woningen, laat staan dat de achtergevel of het achterdakvlak zichtbaar is vanaf de openbare ruimte. 

In het geval van strokenbouw zoals die voorkomt in de vroeg naoorlogse wijken; de halfopen verkavelingen in tuindorpen of de vrijstaande bebouwing langs parken en watergangen ligt de toepassing van het begrip gekeerd naar openbaar toegankelijk gebied anders. Dan zijn behalve de voorgevels en voordakvlakken over het algemeen ook de zij- en achterkanten gekeerd naar openbaar toegankelijk gebied ook al grenzen ze daar niet direct aan. Ondanks dat ze van de openbare ruimte gescheiden zijn door de aanwezigheid van privétuinen, achterpaden of semi-openbare groenstroken en vaak minder zichtbaar zijn, kunnen wijzigingen aan deze achtergevels of achterdakvlakken invloed hebben op het karakter van het beschermde stads-of dorpsgezicht en deze onaanvaardbaar aantasten. In de stads- en dorpsgezichten waar deze verkavelingsstructuren voorkomen is het van belang dat de doorzichten op de privétuinen of semi-openbare groenstroken en de wisselwerking met de architectuur intact blijven.

Een vorm van verkavelen die hier tussenin ligt betreft binnenterreinen die niet geheel zijn afgesloten door bebouwing, maar waar men middels een doorgang toegang heeft tot een op dat binnenterrein gelegen openbare ruimte en/of openbaar bouwwerk zoals een school of kerk. Ook hier kunnen wijzigingen, door middel van sloop, aan de achtergevel of achterdakvlak invloed hebben op het karakter van het beschermde stads-of dorpsgezicht en deze onaanvaardbaar aantasten. 

AAAAAAAAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.974.100 Uitzonderingen op de vergunningplicht

BBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.984.101 Beoordelingsregels

Dit artikel bevat de beoordelingsregels die op een aanvraag voor een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht van toepassing zijn. Geven de betreffende beoordelingsregels geen aanleiding de vergunning te weigeren, dan moet de vergunning worden verleend. Dat volgt uit artikel 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

Eerste lid:

In het eerste lid is bepaald dat een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht alleen wordt geweigerd als, gelet op de beeldbepalende waarde van het bouwwerk of de onderdelen daarvan, de omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht leidt tot een onevenredige aantasting van het belang, genoemd in artikel 4.944.97, derde lid. Dat betekent dat bij de beoordeling van de aanvraag voor de activiteit slopen in eerste instantie de beeldbepalende waarde van het bestaande bouwwerk wordt getoetst. Als sprake is van een aanvraag voor geheel afbreken van het bouwwerk wordt beoordeeld of het bouwwerk beeldbepalende waarde heeft die bijdraagt aan het karakter van het stads- of dorpsgezicht. Als sprake is van een aanvraag voor gedeeltelijk afbreken van gevel(delen) en/of dakvlak(ken) die gekeerd zijn naar openbaar toegankelijk gebied wordt beoordeeld of deze onderdelen beeldbepalende waarde hebben die bijdraagt aan het karakter van het stads- of dorpsgezicht. 

Als de beeldbepalende waarde van het bouwwerk dusdanig is dat het geheel of gedeeltelijk afbreken ervan de schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang van de samenstellende onroerende zaken of hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde onevenredig aantast, kan er geen vergunning verleend worden en kan vervangende nieuwbouw niet aan de orde zijn. 

Als de vergunning wel verleend kan worden, zal in het kader van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, die betrekking heeft op de nieuwbouw, nog een beoordeling plaatsvinden om te bezien of deze voldoet aan de welstandseisen die rekening houden met het beschermd stads- of dorpsgezicht. 

Tweede lid:

In het tweede lid is de weigeringsgrond zoals die gold op grond van artikel 2.16 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) opgenomen als beoordelingsregel. De weigeringsgrond in artikel 2.16 Wabo was van toepassing als naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk was dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kon of zou worden gebouwd. Getoetst werd of door de gevraagde sloopvergunning ongewenste open gaten in de bebouwing of de beschermde historische structuur zouden ontstaan en of de plannen voor de vervangende bebouwing voldoende rekening hielden met de ruimtelijke kwaliteit van het beschermde stads- of dorpsgezicht.

Uit de jurisprudentie volgt dat artikel 2.16 van de toenmalige Wabo een bevoegdheid bevatte en niet een verplichting om de vergunning te weigeren als niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Het toekennen van een hoger belang aan het niet ontstaan van open gaten wordt evenmin door artikel 2.16 Wabo bepaald. Verder volgt uit artikel 2.16 ook niet dat slechts vergunning mag worden verleend indien er een (bijzondere) noodzaak voor de sloop van de gebouwen bestaat (ECLI:NL:RVS:2016:2161). Deze lijn wordt in de beoordelingsregel zoals opgenomen in het tweede lid van artikel 4.984.101 voortgezet.

In hoofdstuk 4 Overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet is in artikel 4.35 bepaald dat het de gemeenteraad vrij staat om de beoordelingsregels uit te breiden ten opzichte van de weigeringsgronden uit het oude stelsel en bijvoorbeeld de waarde van het bouwwerk voor het beschermde gezicht mee te wegen bij de beslissing op de aanvraag. 

CCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.994.102 Advies gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam

Op grond van de Verordening op de Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam (2023) adviseert de Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam op verzoek van burgemeester en wethouders over een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op in artikel 2, tweede lid aangegeven activiteiten. De omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezichtis daarin niet expliciet benoemd. Wel geldt er een adviesrol voor een activiteit waarvoor de commissie in het omgevingsplan als adviseur is aangewezen (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, onder 4 van de verordening). Artikel 4.994.102 voorziet daarin. Artikel 3 van de Verordening op de Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam (2023) bepaalt dat het college verplicht is dit advies in te winnen. Artikel 4.994.102, eerste lid, is van gelijke strekking. Het tweede lid bepaalt dat op de advisering de Verordening op de Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam (2023) onverkort van toepassing is. 

DDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1004.103 Aanvraagvereisten

In artikel 4.1004.103 zijn de aanvraagvereisten opgenomen. De aanvraagvereisten hebben betrekking op gegevens en bescheiden die nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen. De aard en de omvang van de sloopactiviteit bepalen welke aanvraagvereisten in een concreet geval van toepassing zijn. Het bevoegd gezag kan in specifieke gevallen, naast de genoemde aanvraagvereisten, op grond van artikel 4:2, tweede lid, in samenhang met artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht ook nog andere aanvraagvereisten formuleren. De gevraagde informatie moet noodzakelijk zijn voor, en in directe relatie staan tot, de beoordeling van de aanvraag.

Onderdeel a:

In onderdeel a is bepaald dat bij de vergunningaanvraag een cultuurhistorische waardebepaling wordt verstrekt van het te slopen bouwwerk of onderdelen daarvan aan de hand van een bouwhistorische opname. Aan de hand van dat onderzoek kan worden bepaald wat de beeldbepalende waarde van het bouwwerk of de onderdelen daarvan is en in hoeverre deze bijdraagt aan het karakter van het stads- of dorpsgezicht. 

Onderdeel b:

Dit onderdeel komt in de plaats van de artikelen 22.296, eerste lid, zoals dat bij wijze van bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet tijdelijk onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De inhoud is ongewijzigd en houdt in dat als de aanvraag omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen in beschermd stads- of dorpsgezicht betrekking heeft op het slopen van een geheel bouwwerk bij het oordeel wordt betrokken of op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 

Dit aanvraagvereiste heeft betrekking op de plannen voor de vervangende bebouwing en of deze voldoende rekening houdt met de ruimtelijke kwaliteit van het beschermde stads- of dorpsgezicht en een onevenredige aantasting van het karakter van het beschermde stads- of dorpsgezicht voorkomen kan worden. 

EEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1014.104 Vergunningvoorschriften

Artikel 4.1014.104 bepaalt dat aan de omgevingsvergunning voor het slopen in een beschermd stads- of dorpsgezicht die voorschriften kunnen worden verbonden die nodig zijn met het oog op het behoud, de bescherming en het herstel van stads- en dorpsgezichten.

FFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1024.105 Toepassingsbereik en oogmerk

Met deze paragraaf wordt uitvoering gegeven aan de instructie, opgenomen in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De instructie luidt dat gemeenten in het omgevingsplan rekening moeten houden met het behoud van cultureel erfgoed en daarvoor een toereikend beschermingsregime instellen. 

In deze paragraaf zijn regels opgenomen die betrekking hebben op een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit slopen van beeldbepalende panden. Beeldbepalende panden zijn ordepanden die in het omgevingsplan als 'beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht' zijn aangewezen. Als gevolg van die aanwijzing geldt een sloopvergunningplicht. Artikel 4.1024.105 bepaalt het toepassingsbereik en oogmerk van deze paragraaf. 

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat paragraaf 4.3.2 van toepassing is op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht. Daaronder wordt verstaan een omgevingsplanactiviteit slopen, waarbij het geheel of gedeeltelijk af te breken bouwwerk is aangewezen als een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht.

Tweede lid: 

Het tweede lid bepaalt waar de regeling geldt. De locaties waar dat het geval is, worden in dit omgevingsplan aangewezen met de aanduiding 'beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht'. 

Derde lid:

Het derde lid bepaalt het oogmerk van de regeling. De regels zijn gesteld met het oog op de bescherming van beeldbepalende panden vanwege hun bouwhistorische, cultuurhistorische, architectuurhistorische en stedenbouwkundige waarden. Het gaat om objecten die een cultuurhistorische bijdrage aan het stadsbeeld leveren vanwege de hoge architectonische kwaliteit, de plaats in de stedenbouwkundige structuur en/of als toonaangevend element in de gevelwand. Het gaat bij de waardering dus niet alleen om het individuele gebouw of de architectonische eenheid, maar ook om de stedenbouwkundige samenhang. 

Vierde lid:

Een omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht, waarover in deze paragraaf regels zijn gesteld, heeft geen betrekking op het gedeeltelijk afbreken van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht voor zover dat plaatsvindt in het kader van het veranderen van een bestaand bouwwerk. Dat veranderen van een bouwwerk valt onder het toepassingsbereik van het bouwen van een bouwwerk, waarop afdeling 4.2 van toepassing is (zie meer uitgebreid paragraaf 11.4.2.3.13. 

Vijfde lid: 

Onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen zijn met inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel geworden van het omgevingsplan. Deze bestemmingsplannen moeten op termijn worden vervangen door nieuwe regels. Deze bestemmingsplannen kunnen een sloopvergunningregeling bevatten voor beeldbepalende panden. Die sloopvergunning in bestemmingsplannen wordt niet integraal vervangen door de regeling in deze paragraaf. Beide sloopvergunningregelingen komen naast elkaar te staan. Dat is omdat er in het bestemmingsplan mogelijk afwijkende regels staan. Bij het vervangen van het betreffende bestemmingsplan kan dan worden beoordeeld of die afwijkende regels noodzakelijk zijn. Het vijfde lid maakt expliciet dat beide vergunningplichten naast elkaar bestaan. 

GGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1034.106 Vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht

In artikel 4.1034.106 is een verbod opgenomen om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht te verrichten.  

HHHHHHHHHHHHHHH

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1044.107 Uitzonderingen op de vergunningplicht

IIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1054.108 Beoordelingsregels

Dit artikel bevat de beoordelingsregels die op een aanvraag voor een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht van toepassing zijn. Geven de betreffende beoordelingsregels geen aanleiding de vergunning te weigeren, dan moet de vergunning worden verleend. Dat volgt uit artikel 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bepaald wordt dat een vergunning alleen wordt geweigerd als de omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht leidt tot een onevenredige aantasting van het belang, genoemd in artikel 4.1024.105, derde lid. 

JJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1064.109 Advies gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam

Op grond van de Verordening op de Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam (2023) adviseert de Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam op verzoek van burgemeester en wethouders over een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op in artikel 2, tweede lid aangegeven activiteiten. De omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht is daarin niet expliciet benoemd. Wel geldt er een adviesrol voor een activiteit waarvoor de commissie in het omgevingsplan als adviseur is aangewezen (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, onder 4 van de verordening). Artikel 4.1064.109 voorziet daarin. Artikel 3 van de Verordening op de Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam (2023) bepaalt dat het college verplicht is dit advies in te winnen. Artikel 4.1064.109, eerste lid, is van gelijke strekking. Het tweede lid bepaalt dat op de advisering de Verordening op de Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam (2023) onverkort van toepassing is. 

KKKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1074.110 Aanvraagvereisten

In artikel 4.1074.110 zijn de aanvraagvereisten opgenomen. De aanvraagvereisten hebben betrekking op gegevens en bescheiden die nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen. De aard en de omvang van de sloopactiviteit bepalen welke aanvraagvereisten in een concreet geval van toepassing zijn. Het bevoegd gezag kan in specifieke gevallen, naast de genoemde aanvraagvereisten, op grond van artikel 4:2, tweede lid, in samenhang met artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht ook nog andere aanvraagvereisten formuleren. De gevraagde informatie moet noodzakelijk zijn voor, en in directe relatie staan tot, de beoordeling van de aanvraag.

Het aanvraagvereiste betreft gegevens op grond waarvan aannemelijk wordt gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Met «kan» worden gebouwd wordt gedoeld op de situatie waarin het bouwen van een vervangend bouwwerk juridisch mogelijk is. Om dit aannemelijk te maken is in beginsel een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die op grond van dit omgevingsplan is vereist voor het bouwen van dat bouwwerk voldoende. Om aannemelijk te maken dat er, als de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning (nog) niet is verleend, «zal» worden gebouwd, moet de intentie om het vervangende bouwwerk te bouwen op andere wijze worden onderbouwd, bijvoorbeeld door inzicht te geven in vergevorderde bouwplannen.

LLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1084.111 Vergunningvoorschriften

Artikel 4.1084.111 bepaalt dat aan de omgevingsvergunning voor het slopen in een beschermd stads- of dorpsgezicht die voorschriften kunnen worden verbonden die nodig zijn met het oog op het beschermen van het in artikel 4.1024.105, derde lid, genoemde belang.

MMMMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1114.114 Repressief toezicht op het uiterlijk van bouwwerken met het oog op een goede omgevingskwaliteit

Dit artikel 4.1114.114 komt in de plaats van artikel 22.7 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De redactie is aangepast. 

Dit artikel heeft betrekking op het repressief welstandstoezicht en was voorheen opgenomen in artikel 12 van de Woningwet. Het uiterlijk van bestaande bouwwerken of te bouwen bouwwerken waar op grond van dit plan geen omgevingsvergunning voor nodig is, mogen niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. 

Die criteria hebben alleen relevantie als in het omgevingsplan regels zijn opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en de toepassing daarvan uitleg behoeft. Voorheen stond de regel over het uiterlijk van bouwwerken in 

Voorheen vond deze beoordeling plaats volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold. Op grond van artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt die welstandsnota als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. In het derde lid van artikel 4.1114.114 is met het oog hierop een expliciete overgangsrechtelijke bepaling opgenomen. 

In het voormalige artikel 13a van de Woningwet was opgenomen dat bij een overtreding van artikel 12, eerste lid, het bevoegd gezag de eigenaar kon verplichten zodanige door het bevoegd gezag aan te geven voorzieningen te treffen, dat daarmee werd voldaan aan artikel 12 van die wet. In de systematiek van de Omgevingswet is dit een maatwerkvoorschrift. Op grond van artikel 4.1124.115 kan het bevoegd gezag zo’n maatwerkvoorschrift ook stellen voor het onderwerp welstand. Omdat de vraag of artikel 4.1114.114 overtreden is, beantwoord moet worden door de criteria van de welstandsnota te beoordelen, ligt het voor de hand dat het bevoegd gezag door middel van een maatwerkvoorschrift aan de eigenaar van een gebouw duidelijk maakt op welke punten aanpassing nodig is om de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand op te heffen. 

Als de gemeente geen welstandsnota heeft vastgesteld, gelden er voor de gehele gemeente geen welstandsregels waaraan het uiterlijk van bestaande bouwwerken moet voldoen. Optreden tegen welstandsexcessen is dan niet mogelijk. Op grond van het tweede lid is welstandstoezicht evenmin aan de orde voor door de gemeenteraad aangewezen bouwwerken in daarbij aangewezen (zogenoemde welstandsvrije) gebieden. 

Op grond artikel 12, tweede lid, van de Woningwet, kon de gemeenteraad die welstandsvrije bouwwerken en gebieden aanwijzen. Deze besluiten zijn in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet, toegevoegd aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan waar zowel voor het repressieve welstandstoezicht (in artikel 4.1114.114, tweede lid) als voor de beoordeling van een nieuw te bouwen vergunningplichtig bouwwerk aan redelijke eisen van welstand (in artikel doel van interne verwijzing '3.21' bestaat niet, tweede lid, onderdeel a.), een uitzondering is gemaakt. Het repressieve welstandsvereiste is niet van toepassing op tijdelijke bouwwerken, met uitzondering van seizoensgebonden bouwwerken zoals strandtenten. De vraag of het uiterlijk van nieuw te bouwen bouwwerken waarvoor wel een omgevingsvergunning op grond van het omgevingsplan nodig is aan daarop van toepassing zijnde welstandseisen voldoet, wordt tijdens het proces van vergunningverlening getoetst. Zie hiervoor artikel doel van interne verwijzing '3.21' bestaat niet.

Het derde lid is opgenomen omdat in het eerste lid, in afwijking van de formulering van artikel 22.7 bruidsschat, niet artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet als uitgangspunt is genomen, maar artikel 4.19 van de Omgevingswet. Dit is ook meer in lijn met het bepaalde in artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, waarnaar volledigheidshalve wordt verwezen. 

NNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1124.115 Maatwerkvoorschriften

Artikel 4.1114.114bevat de algemene regels dat het uiterlijk van de aangegeven bouwwerken niet in ernstige mate in strijd mag zijn met een goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Bij een overtreding van die bepaling moet het bevoegd de eigenaar kunnen verplichten zodanige door het bevoegd gezag aan te geven voorzieningen te treffen, dat daarmee wordt voldaan aan artikel 4.1114.114. In de systematiek van de Omgevingswet is dit een maatwerkvoorschrift. Op grond van artikel 4.1124.115 kan het bevoegd gezag zo’n maatwerkvoorschrift stellen. Omdat de vraag of artikel 4.1114.114 overtreden is, beantwoord moet worden door de criteria van de welstandsnota te beoordelen, ligt het voor de hand dat het bevoegd gezag door middel van een maatwerkvoorschrift aan de eigenaar van een gebouw duidelijk maakt op welke punten aanpassing nodig is om de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand op te heffen. 

Dit artikel komt in de plaats van artikel 22.4 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Met dat artikel is de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften breed opengesteld voor onderwerpen die in de Bruidsschat waren opgenomen. Die mogelijkheid gold ook voor artikel 22.7 van de bruidsschat, die het repressief welstandstoezicht regelde. Met het vervangen van dat artikel door artikel 4.1114.114, is het nodig artikel 4.1124.115 hier op te nemen. 

OOOOOOOOOOOOOOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1134.116 Toepassingsbereik

PPPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1144.117 Begripsbepaling

Eerste lid:

De definitie van ‘centraal besturingssysteem’ is afkomstig uit een handreiking vanuit het Rijk voor klimaatadaptief bouwen en inrichten. De definitie wordt ook door veel andere gemeenten gebruikt. Door een hemelwaterberging aan te sluiten op een ‘centraal besturingssysteem’ is het mogelijk om te anticiperen op actuele neerslagvoorspellingen. Hierdoor kan het hemelwater zolang als noodzakelijk worden vastgehouden om het te hergebruiken voor bijvoorbeeld het voorzien van water voor de planten van een groen dak systeem, of andere toepassingen zoals toilet spoeling.

Tweede lid:

Voor de definitie van ‘groen dak’ (ook wel: vegetatiedak) geldt dat een plat of hellend dak wordt bedoeld met daarop doelbewust aangelegde begroeiing. Een andere benaming is ook wel "begroeid dak" of "dakbegroeiing", waarbij vervolgens onderscheid gemaakt kan worden tussen "intensief" en "extensief" begroeide daken. De begroeiing kan bestaan uit vetplanten zoals vetkruid (sedum), kruiden, mos en/of gras (extensieve begroeiing). Ook struiken en bomen zijn bij bepaalde constructies mogelijk (intensieve begroeiing).

Derde lid:

De definitie van ‘hergebruiksysteem’ ziet op systemen die worden gebruikt om het hemelwater op te vangen en voor langere periodes te bergen om vervolgens te kunnen gebruiken voor bijvoorbeeld het besproeien van de tuin, het doorspoelen van toiletten, voor de wasmachine of het wassen van auto. Opgevangen hemelwater is geen drinkwater en derhalve ongeschikt voor consumptie of om mee te douchen.

Vierde lid:

Het begrip verhard oppervlak is relevant bij tijdelijke gebouwen, als bedoeld in artikel 4.1154.118, derde lid. Indien een tijdelijk gebouw op een verhard oppervlak wordt gebouwd waar hemelwater al niet in de bodem kon infiltreren, dan heeft het nieuwe gebouw geen waterhuishoudkundige effecten. Bij het bepalen van het begrip 'verhard oppervlak' is daarom het absorberende vermogen van de bodem het kernelement.

QQQQQQQQQQQQQQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1154.118 Verbod op lozen zonder waterberging

RRRRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1164.119 Vereisten hemelwaterberging

Via de regel om bij een gebouw te voorzien in een minimale waterbergingscapaciteit per m2 bebouwd oppervlak, wordt hemelwater langer vastgehouden op eigen terrein. Op die manier wordt de extra belasting op de openbare riolering beperkt.

De benodigde waterbergingscapaciteit kan op verschillende manieren worden gerealiseerd. Voorbeelden zijn een blauw-groen dak, het ingraven van infiltratiekratten, het aanleggen van een verdiept gedeelte in de tuin of het aanbrengen van een regenwater hergebruiksysteem voor de spoeling van het toilet of aansluiting van de wasmachine. Een combinatie van waterbergende voorzieningen is ook mogelijk.

Voor het beperken van wateroverlast is het essentieel dat de hemelwaterberging binnen afzienbare tijd na een bui weer beschikbaar is voor het opvangen van de volgende bui. Maar ook niet te snel want dan wordt het stedelijk watersysteem te veel belast. Daarom is in het eerste lid, onder c en in het tweede lid, onder c bepaald wanneer de hemelwaterberging weer beschikbaar moet zijn. Dit kan bijvoorbeeld door de hemelwaterberging als infiltratievoorziening in te richten, zodat het opgevangen water langzaam in de bodem zakt. Als dat niet mogelijk is, of maar deels mogelijk, mag op het gemeentelijke rioolstelsel worden geloosd. Dit met een maximum van 1 liter per m² bebouwd oppervlak per uur, ofwel 1,00 mm per uur (danwel 2,78 l/s*ha). Dit is geregeld in het eerste lid, onder b en het tweede lid, onder b.

Eerste lid:

Hemelwaterbergingen zonder hergebruiksystemen moeten een capaciteit van 60 liter per m2 per vierkante meter bebouwd oppervlak hebben. Dit betekent dat voor een perceel met een totaal bebouwd oppervlak van 100 m2 moet worden voorzien in een vorm van waterberging met een totale capaciteit van 6000 liter.

Tweede lid:

Hemelwaterbergingen met hergebruiksystemen (voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wasmachine) moeten een waterbergende inhoud hebben van 1,5 x 60 = 90 liter per m2 bebouwd oppervlak. Daarvan moet 30% binnen 60 uur weer leeg en beschikbaar zijn, het restant mag worden geledigd op basis van het gebruik van het aangesloten hergebruiksysteem.

Derde lid:

Voor waterbergingen, waaronder ook hergebruiksystemen, die zijn aangestuurd door een centraal besturingssysteem, geldt een apart regime. Die mogen het water langer vasthouden dan de gestelde 60 uur. Dit systeem voorziet in een dynamische besturing die op basis van online neerslagvoorspellingen de aangesloten waterbergingen regelt. Dit is geregeld in het derde lid.

Vierde lid:

De verplichting om te voorzien in een minimale waterbergingscapaciteit van hemelwater geldt voor alle nieuwe gebouwen, ook voor gebouwen die zonder vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als bedoeld in artikelin artikel 4.12 4.7 kan worden gebouwd. Voor gebouwen waarvoor op grond van paragraaf 4.2.3 dan wel op grond van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving geen vergunning voorof in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn aangewezen als bouwwerken die in principe zonder vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als bedoeld in artikel 4.7 kan worden gebouwd. Voor de omgevingsplanactiviteiten bouwwerken is vereist,aangewezen gebouwen geldt dat wanneer deze moeten zijn voorzien van een groen dak met een minimale waterbergingscapaciteit van 30 liter per m2, deze voldoet aan de eisen van het omgevingsplan. VergunningsvrijeDeze gebouwen bevinden zich voornamelijk in achtertuinen, hebben een relatief klein oppervlak en zijn vaak niet aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Een groen dak compenseert dan deels het verlies aan tuin. Het is niet alleen goed voor de waterberging, maar ook voor het behouden van groen, biodiversiteit, het voorkomen van geluidsreflectie en opwarming.

Vijfde lid:

Als het bebouwd oppervlak wordt uitgebreid, dan zijn de eisen uit de vorige artikelleden niet op het volledige bebouwd oppervlak van toepassing, maar slechts op de uitbreiding van het bebouwd oppervlak. 

Zesde lid:

Het zesde lid brengt tot uitdrukking dat het de voorkeur heeft het hemelwater op het perceel in de bodem te infiltreren. Als dat niet of maar gedeeltelijk kan, kan op het riool of geloosd worden. Het is ook mogelijk op het oppervlaktewater te lozen. Lozing in het riool of oppervlaktewater ook nodig is indien er bij infiltratie van hemelwater in de bodem grondwateroverlast zal optreden. Als er een afzonderlijk hemelwaterriool aanwezig is, dan wordt hemelwater daarop geloosd (en niet op het vuilwaterriool). Bij afwezigheid van een gescheiden hemelwaterriool wordt hemelwater op dat gemengd riool (vuilwaterriool) geloosd.

Zevende lid:

Bij extreme neerslag, die de verplichte waterbergingscapaciteit in het betreffende werkingsgebied te boven gaat, kan gebruik worden gemaakt van de gemeentelijke voorzieningen. Het zevende lid maakt duidelijk dat de waterberging niet bedoeld is om alle mogelijke regenbuien op te vangen. Dit artikellid geeft invulling aan de wettelijke zorgplicht die de gemeente heeft voor het verwerken van hemelwater, als dat redelijkerwijs niet van de (ver)bouwer van een gebouw kan worden gevergd.

SSSSSSSSSSSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1174.120 Aanwijzing brandvoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste en tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving

TTTTTTTTTTTTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1184.121 Aanwijzing explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving

UUUUUUUUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1194.122 Aanwijzing waarde gezamenlijk geluid

VVVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1204.123 Aanwijzing niet-geluidgevoelige gevel als bedoeld in artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving

Artikel 5.78aa van het Besluit kwaliteit leefomgeving maakt het mogelijk dat bij wijziging van het omgevingsplan een geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten, waarbij het geluid op dat gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dat mag alleen als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen, en geen andere dan de maatregelen, bedoeld in artikel 5.78z van het Besluit kwaliteit leefomgeving in aanmerking komen om het geluid te laten voldoen aan de hiervoor bedoelde grenswaarde. Bij de toepassing van deze mogelijkheid wordt in het omgevingsplan bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel is. Dat houdt in dat de gevel als zodanig moet worden aangewezen. De consequentie van die aanwijzing is dat artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is. Dat houdt in dat bij het bepalen van de geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied wordt uitgegaan van het gezamenlijke geluid op die gevel, verhoogd met 3 dB. De waarde van het gezamenlijk geluid kan worden bepaald met artikel 4.1194.122. Artikel 4.1204.123 bepaalt wanneer een gevel is aangewezen als niet-geluidgevoelige gevel, zoals bedoeld in artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.. 

Eerste tot en met derde lid: 

Het eerste lid bepaalt dat een gebouw ter plaatse van de aanduiding aanduiding 'geluidgevoelig gebouw met niet-geluidgevoelige gevel' een geluidgevoelig gebouw met niet-geluidgevoelige gevel is. Het tweede lid bepaalt dat de gevel ter plaatse van de aanduiding 'niet-geluidgevoelige gevel’ een niet-geluidgevoelige gevel is, zoals bedoeld in artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Daarmee is artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing. 

Omdat het niet altijd de gehele gevel is die als niet-geluidgevoelige gevel aangewezen hoeft te worden, maakt het tweede lid het mogelijk dat alleen bepaalde bouwlagen als niet-geluidgevoelige gevel worden aangewezen.  

Vierde lid: 

Op grond van artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving kan in een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, erin worden voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bepaalde bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen. In het tweede lid van artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat bij de toepassing van het eerste lid in het omgevingsplan wordt bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. 

Een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen kan worden aangewezen met toepassing van artikel 4.1214.124. Een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen geldt echter ook als niet-geluidgevoelige gevel, zoals bedoeld in artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het derde lid maakt dit duidelijk. Een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen wordt dus niet ook nog als niet-geluidgevoelige gevel aangeduid. De woorden 'voor zover' in het derde lid maken duidelijk dat als toepassing is gegeven aan artikel 4.1214.124, derde lid, alleen die bouwlaag of bouwlagen als geluidgevoelige gevel zijn aan te merken die met dat vierde lid zijn aangewezen als geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen. 

WWWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.1214.124 Aanwijzing niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen

In artikel 4.1214.124 is de aanwijzing van niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen geregeld. Op grond van artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving kan in een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, erin worden voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bepaalde bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen. In het tweede lid van artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat bij de toepassing van het eerste lid in het omgevingsplan wordt bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. 

De beoordeling dat een bepaalde gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is, kan worden gemaakt bij wijziging van het omgevingsplan waarmee een geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten. In dat geval dient de gevel als zodanig te worden aangewezen. Om dat te doen is artikel 4.1214.124 opgenomen. 

Het kan ook zijn dat de finale akoestische beoordeling wordt doorgeschoven naar het concrete bouwinitiatief. In dat geval wordt subparagraaf 4.2.4.7 van toepassing gemaakt. Binnen de daar opgenomen beoordelingssystematiek biedt artikel 4.51 de mogelijkheid om de grenswaarde te overschrijden onder voorwaarde dat de in het eerste lid genoemde bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen. In het tweede lid is bepaald dat bij de toepassing van het eerste lid aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.7, in elk geval het voorschrift wordt verbonden dat de in het eerste lid bedoelde gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. Hiermee is nog niet voldaan aan het vereiste zoals opgenomen in artikel 5.78y, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, dat in het omgevingsplan wordt bepaald dat de betreffende gevel een niet-geluidluwe gevel met bouwkundige maatregelen is. Ook daarvoor dient dan artikel 4.1214.124

Eerste lid:

In het eerste lid wordt expliciet gemaakt dat de gevel ter plaatse van de aanduiding 'niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is, bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het aanwijzen van een gevel als niet-geluidgevoelige gevel betekent dat de in het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde standaardwaarden en grenswaarden na de initiële toelating ervan verder niet meer gelden voor die gevel. 

De technische gevolgen voor het bouwwerk van die aanwijzing worden geregeld in artikel 4.103b van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Deze aanduiding betekent onder meer dat het geluidgevoelige gebouw op grond van artikel 4.103b, eerste lid, Bbl 3 dB extra geluidwering krijgt. Hiermee is de geluidwering bestand tegen een toekomstige toename van het geluid. De geluidwering wordt in overeenstemming met regels van het Bbl bepaald voor de uitwendige scheidingsconstructie van een gebouw, dus bijvoorbeeld inclusief het geluidwerende effect van de borstweringen van balkons. Overigens wordt de aanduiding in dit omgevingsplan voorafgegaan door een voorschrift dat aan de omgevingsvergunning voor het bouwwerk wordt verbonden. Daarmee is al wel geborgd dat de maatregelen worden getroffen, maar is nog niet de inzichtelijkheid voor de wegbeheerder gegeven. Daartoe dient dit artikel 4.1214.124

Specifieke aanduiding in het omgevingsplan maakt het voor de beheerders van wegen, spoorwegen en industrieterreinen duidelijk voor welke gevels de standaardwaarden en grenswaarden niet gelden en dat bijvoorbeeld bij de verbreding van een weg voor het betrokken bevoegd gezag direct duidelijk is welke gevels niet hoeven te worden getoetst (zie toelichting bij artikel 4.51). Artikel 4.1214.124 dient dus ook dat doel. 

Tweede lid:

Het tweede lid is van toepassing op situaties waarin subparagraaf 4.2.4.7 van toepassing is. Wanneer de finale afweging wordt doorgeschoven naar het concrete initiatief, zal een specifieke aanduiding in het omgevingsplan dat een bepaalde gevel een niet-geluidluwe gevel met bouwkundige maatregelen, niet tegelijkertijd met het verlenen van de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.7, kunnen gebeuren. In de omgevingsvergunning wordt op grond van artikel 4.51, tweede lid, wel het voorschrift gegeven dat de betreffende gevel als zodanig ket worden uitgevoerd. Daarmee is dit vereiste wel bekend bij de initiatiefnemer voor het geluidgevoelig gebouw, maar is dit nog niet kenbaar bij de wegbeheerder. Daarvoor zal eerst het omgevingsplan moeten worden gewijzigd. En hoewel dit een technische wijziging betreft die een reeds vergunde situatie consolideert, zal hierop de normale wijzigingsprocedure van toepassing zijn. Om duidelijk te maken dat er ook sprake kan zijn van een niet-geluidluwe gevel met bouwkundige maatregelen zonder dat dit reeds specifiek in het omgevingsplan is aangeduid, is het tweede lid opgenomen. Daarin is bepaald dat totdat de in het eerste lid bedoelde aanduiding aan een locatie is gegeven, ook als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving, is aangewezen een gevel waarover met toepassing van artikel 4.51, tweede lid, in een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.7, het voorschrift is verbonden dat het een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. 

Overigens geldt ook voor buitenplanse omgevingsvergunningen dat wanneer daarbij wordt voorzien in een niet-geluidluwe gevel met bouwkundige maatregelen, dat dit niet direct specifiek in het omgevingsplan is aangeduid. Daarvoor geldt dat het omgevingsplan binnen een termijn van vijf jaar in overeenstemming moet zijn gebracht moet die vergunning (artikel 4.17 van de Omgevingswet). In beide gevallen geldt dat hoe eerder het omgevingsplan is gewijzigd, hoe eerder voor wegbeheerders duidelijk is waar sprake is van niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen. Dit neemt echter niet weg dat de wegbeheerder altijd verder zal moeten kijken dan het omgevingsplan, niet alleen vanwege de binnenplanse vergunningen, maar ook vanwege de buitenplanse.   

Derde lid:

Het derde lid voorziet erin dat de verplichte realisatie van een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen alleen geldt voor die verdiepingen waar dat nodig is. Het bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag met niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' het eerste lid alleen van toepassing is op de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Dat moet voorkomen dat er geveldelen worden uitgevoerd als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, zonder dat dit nodig is. 

Tot slot: geen binnenplanse afwijkmogelijkheid:

Onder oud recht werd in bestemmingsplannen vaak voorzien in een globale regeling, waarbij een dove gevel werd voorgeschreven, maar waarvan met een binnenplanse afwijkvergunning van die verplichting kon worden afgeweken. Een dergelijke afwijkvergunning kon dan worden verleend wanneer vanwege bijvoorbeeld gewijzigde omstandigheden als nog aan een vastgestelde hogere waarde of aan de voorkeursgrenswaarde kon worden voldaan. 

Een dergelijke systematiek is niet langer gewenst, omdat wegbeheerders bij het vaststellen van geluidproductieplafonds geen rekening wordt gehouden met het geluid op die niet-geluidgevoelige gevels. Dat geldt ook als geluidproductieplafonds worden verhoogd en het geluid toeneemt. Ook bij wegverbreding geldt dat voor het betrokken bevoegd gezag direct duidelijk dat aan die gevels niet hoeft te worden getoetst Om inzicht te krijgen in waar zich niet-geluidgevoelige gevels bevinden, zal de wegbeheerder naar verwachting eerst kijken in het omgevingsplan. Bij als zodanig aangegeven gevels, hoeft niet te worden getoetst (artikelen 3.18 en 5.78i van het Besluit kwaliteit leefomgeving). 

Wanneer binnenplanse kan worden afgeweken van de verplichting een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen ook daadwerkelijk als zodanig uit te voeren, dan zou de situatie zich kunnen voordoen dat bij het vaststellen of wijzigen van geluidproductieplafonds geen rekening wordt gehouden met geluid op een gevel die in het omgevingsplan weliswaar als niet-geluidgevoelig is aangemerkt, maar die niet als zodanig is uitgevoerd omdat ontheffing was verleend. Dat zou het ongewenste gevolg kunnen hebben dat op enig moment alsnog de grenswaarde wordt overschreden, echter zonder dat de negatieve gevolgen daarvan worden voorkomen door bronmaatregelen of bouwkundige maatregelen aan de gevel. Wanneer een gevel in het omgevingsplan is aangeduid als een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, dan wordt ervan uitgegaan dat die gevel ook als zodanig is uitgevoerd. 

De verwachting is dat de behoefte aan een globale regeling, zoals in bestemmingsplannen veelal werd gehanteerd, minder groot zal zijn nu in het omgevingsplan is gekozen voor het doorschuiven van de definitieve afweging naar de omgevingsvergunning. Daarmee wordt immers direct op het niveau van de concrete bouwaanvraag beoordeeld of wel of geen niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen nodig is. 

Dit neemt niet weg dat zich altijd de situatie kan voordoen dat vanwege gewijzigde omstandigheden een lagere geluidbelasting zal optreden dan de grenswaarde, waardoor een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen niet langer nodig is. Het als zodanig uitvoeren van de gevel zal dan in veel gevallen ook ongewenst zijn. Dit kan worden bereikt door het omgevingsplan op dat moment te wijzingen en de aanduiding te laten vervallen, of door middel van een buitenplanse omgevingsvergunning ontheffing te verlenen van de verplichting de gevel als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen uit te voeren. Dit laatste is ongewenst, om dezelfde reden als waarom een binnenplanse afwijkmogelijkheid ongewenst is. Mocht daaraan desondanks toepassing worden gegeven dan is het zaak zo snel mogelijk nadat die vergunning is verleend het omgevingsplan alsnog te wijzingen, zodat voor wegbeheerders duidelijk is dat men wel rekening dient te houden met die gevel, waardoor de hiervoor geschetst situatie zich niet zal voordoen. 

XXXXXXXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.3 Meet- en rekenregels

Artikel 5.3 bevat meet- en rekenbepalingen die bij de toepassing van dit hoofdstuk moeten worden gehanteerd.  

Onderdeel a en b:

Dit onderdeel komt in de plaats van artikel 22.24 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Het onderdeel is inhoudelijk ongewijzigd.  In dit onderdeel zijn de bepalingen over de wijze van meten uit het tweede en derde lid van artikel 1 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht ongewijzigd overgenomen.

Onderdeel c:

Dit onderdeel  bepaalt dat op de bruto-vloeroppervlakte van een bouwwerk NEN 2580 van toepassing is. Hiermee wordt aangesloten op het Besluit bouwwerken leefomgeving. Daarin is als begripsbepaling voor bruto-vloeroppervlakte opgenomen dat het betrekking heeft op ‘bruto-vloeroppervlakte als bedoeld in NEN 2580’. 

Onderdeel db:

Dit onderdeel bepaalt dat de goothoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. In de begripsbepalingen is bepaald wat onder peil wordt verstaan. 

Onderdeel ec:

Dit onderdeel bepaald dat de bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. In de begripsbepalingen is bepaald wat onder peil wordt verstaan. Wanneer dat in de regels is aangegeven geldt dat de bouwhoogte niet wordt gemeten vanaf peil, maar vanaf N.A.P.

Onderdeel fd

Dit onderdeel bepaalt dat bepaalde gebouwdelen niet worden betrokken bij het bepalen van de bouwhoogte. Voor de toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.25.

Onderdeel ge

Dit onderdeel bepaalt hoe de bouwdiepte van een gebouw wordt gemeten, namelijk vanaf het peil tot aan de onderzijde van de onderste bouwlaag. In de begripsbepalingen is bepaald wat onder peil en bouwlaag wordt verstaan.

Onderdeel hf

Dit onderdeel bepaald dat als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een aanduiding, dat dan de betreffende norm geldt per afzonderlijk aanduidingsvlak. Deze meetbepaling is nodig omdat een in een regel opgenomen locatie-aanduiding uit meerdere vlakken kan bestaan. Wanneer daaraan een normwaarde is gekoppeld is in sommige gevallen dan niet duidelijk of die normwaarde betrekking heeft op alle vlakken gezamenlijk, of op elk vlak afzonderlijk. Dit meet- en rekenvoorschrift bepaalt dat de normwaarde op elk vlak afzonderlijk van toepassing is.   

Dit speelt bijvoorbeeld bij het artikel dat bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte wonen' de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van wonen mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde is. De begrenzing van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte wonen' wordt geografisch bepaald. Die begrenzing zal uit meerdere vlakken bestaan. Per vlak wordt een normwaarde bepaald. Die normwaarde bepaalt, in samenhang met de regel, het maximum bruto-vloeroppervlakte. Wanneer die normwaarde voor meerdere vlakken gelijk is, dan moet duidelijk zijn of die normwaarde voor de verschillende vlakken gezamenlijk geldt, of voor elk vlak afzonderlijk. 

Onderdeel ig:

Dit onderdeel bepaalt dat de ashoogte van een windturbine wordt gemeten vanaf het peil tot het hart van de rotor-as van de windturbine. In de begripsbepalingen is bepaald wat onder peil wordt verstaan.

Onderdeel jh

Dit onderdeel bepaalt dat de tiphoogte van een windturbine wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van de wiek van de windturbine. In de begripsbepalingen is bepaald wat onder peil wordt verstaan.

YYYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.7 Algemene afbakeningseisen

Dit artikel 5.7 komt in de plaats van artikel 22.23 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan.  

Eerste lid:

De in dit artikel opgenomen afbakeningseisen zijn ongewijzigd overgenomen uit artikel 5, eerste en tweede lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. In het eerste lid is opgenomen dat vergunningvrij bouwen niet is toegestaan als het oorspronkelijke bouwwerk waarin, waaraan, waarop of waarbij gebouwd wordt, zonder de daarvoor vereiste vergunning is gebouwd of wordt gebruikt. Dit kan zowel gaan om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van die wet. In het geval het bouwwerk (geheel of gedeeltelijk) illegaal is gebouwd of wordt gebruikt, is het onwenselijk dat eventuele latere aanpassingen van of uitbreidingen aan of bij dit gebouw vergunningvrij en daarmee legaal zouden kunnen zijn. De mogelijkheid tot vergunningvrij bouwen is daarom zowel hier, als in het Bbl uitgesloten. 

Tweede lid:

In het tweede lid wordt geregeld dat het aantal woningen niet mag toenemen door de vergunningvrije mogelijkheden. De formulering is ten opzichte van die in het oorspronkelijke artikel 22.23 enigszins aangepast. Daarin was aangegeven dat het aantal woningen gelijk dient te blijven. In de jurisprudentie is een lijn ontwikkeld over de betekenis die aan deze woorden moet worden gehecht. Die betekenis komt niet direct overeen met de verwachting die een gemiddeld persoon daarvan zou hebben. Het vereiste dat het aantal woningen blijft gelijk moet worden opgevat als dat het aantal woningen niet toeneemt ten opzichte van wat het omgevingsplan (toen nog bestemmingsplan) mogelijk maakt. De formulering van het tweede lid is in overeenstemming met die lijn gebracht. Ook is de uitzondering voor huisvesting in verband met mantelzorg geschrapt. Onder de Omgevingswet wordt een mantelzorgwoning aangemerkt als geluidgevoelig. Dat brengt mee dat een inhoudelijke beoordeling op aanvaardbaarheid van het geluid op de gevel nodig is. 

Derde lid:

Dit derde lid komt in de plaats van artikel 22.24 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Het onderdeel is inhoudelijk ongewijzigd. In dit onderdeel zijn de bepalingen over de wijze van meten uit het tweede en derde lid van artikel 1 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht ongewijzigd overgenomen.

ZZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.8 Bouwwerken die ruimtelijk zijn toegestaan 

Dit artikel 5.8 komt in de plaats van artikel 22.36 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Inhoudelijk is het vrijwel gelijk aan artikel 22.36 Bruidsschat. Wel is onderdeel b inhoudelijk terug in overeenstemming gebracht met artikel 2, lid 12, onder b van bijlage II van het voormalig Besluit omgevingsrecht. Verder is onderdeel c van artikel 22.36 van de Bruidsschat niet in dit artikel opgenomen maar in artikel 3.353.36 van dit omgevingsplan. Dat onderdeel had betrekking op gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Onder de Omgevingswet wordt een mantelzorgwoning aangemerkt als geluidgevoelig. Dat brengt mee dat een inhoudelijke beoordeling op aanvaardbaarheid van het geluid op de gevel nodig is. Omdat het hier slechts gaat om gebruik van een bestaand bouwwerk en niet om het bouwen, in stand houden en gebruiken van een te bouwen bouwwerk, is deze bepaling overgenomen in hoofdstuk 3. 

Artikel 5.8 regelt dat de gevallen die op grond van artikel 2 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht landelijk uniform toegestaan waren, op grond van het omgevingsplan onder dezelfde voorwaarden toegestaan zijn. Dit artikel is aanvullend op de gevallen die nog wel op grond van landelijke regelgeving, namelijk het Besluit bouwwerken leefomgeving, toegestaan zijn. 

Het betreft hier de bijbehorende bouwwerken en (onder voorwaarden) erf- en perceelafscheidingen hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter (tot een meter hoog is het Bbl van toepassing). Met dit artikel wordt geregeld dat het bouwen, in stand houden en gebruiken van deze bouwwerken, mits voldaan wordt aan de hierbij gegeven randvoorwaarden, van rechtswege in overeenstemming is met het omgevingsplan. In combinatie met artikel 4.12, waarin deze bouwwerken eveneens zijn aangewezen, leidt dit ertoe dat deze bouwwerken zonder vergunning zijn toegelaten op grond van het omgevingsplan. 

Er is geen binnenplanse omgevingsvergunning en ook geen buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken met betrekking tot de in dit artikel aangewezen bouwwerken nodig. De vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, is immers niet van toepassing omdat de bouwwerken ook zijn aangewezen in artikel 4.12. Evenmin is een andere binnenplanse vergunningplicht of een buitenplanse vergunningplicht aan de orde, omdat hier wordt bepaald dat de aangewezen bouwwerken van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. Dit betekent ook dat een omgevingsvergunning die is vereist op grond van een eventuele in het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen bepaling dat voor een activiteit van een bepaalde regel (zoals bijvoorbeeld een toegelaten bouwhoogte) bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken, niet nodig is. 

Een uitzondering geldt voor de in de aanhef van het artikel opgenomen regels van dit omgevingsplan. Het gaat met name om regels, afkomstig uit onder meer het Bouwbesluit 2012 en de Woningwet, zoals die via de bruidsschat zijn overgegaan in verschillende onderdelen in dit hoofdstuk.  Deze regels, die ook betrekking kunnen hebben op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zijn onverminderd van toepassing. Zo geldt voor deze bouwwerken bijvoorbeeld onverminderd het repressieve welstandsvereiste uit artikel 4.1114.114. Als een bouwwerk in strijd zou zijn met één of meer van deze regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en dus een omgevingsvergunning vereist. De uitzondering voor regels uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals die nog wel was opgenomen in artikel 22.36 Bruidsschat, is hier niet opgenomen. Die regels over milieubelastende activiteiten zijn opgenomen in hoofdstuk 9. Dat hoofdstuk heeft zelfstandige betekenis voor de erin gereguleerde activiteiten. 

AAAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.17 Bouwhoogte van gebouwen

In artikel 5.17 wordt bepaald wat voor gebouwen de maximum bouwhoogte op een bepaalde locatie is. De bouwhoogte wordt gemeten met toepassing van artikel 5.3, onderdeel c. Tenzij anders is bepaald, wordt gemeten vanaf peil.

Eerste lid:

In het eerste lid is de uitgangsregel opgenomen dat voor bovengrondse gebouwen de bestaande bouwhoogte de maximum bouwhoogte. Deze uitgangsregel geldt, tenzij elders anders is bepaald. Wanneer met toepassing van het tweede of derde lid voor een locatie een specifieke bouwhoogte is bepaald, dan geldt die maximum bouwhoogte. In bijlage I is bepaald dat onder bestaand wordt verstaan feitelijk en legaal aanwezig, dan wel vergund of zonder vergunning toegestaan  

Tweede lid:

Het tweede lid bepaalt dat in afwijking van het eerste lid ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte gebouw' de maximum bouwhoogte van gebouwen de daar bepaalde waarde is. Op de aangeduide locatie is dus niet de bestaande situatie bepalend, maar de ter plaatse geldende norm. Hoe hoog op een locatie mag worden gebouwd, wordt bepaald door de voor een locatie geldende waarde. Die bepaalt in combinatie met de regeltekst van het tweede lid de daar geldende maximum bouwhoogte. Die waarden zijn weergegeven op de bij deze regel behorende digitale kaart. 

Derde lid: 

De bouwhoogte wordt gemeten met toepassing van artikel 5.3. Tenzij anders is bepaald, wordt gemeten vanaf peil. In het derde lid is een daarvan afwijkende regel opgenomen. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte gebouw t.o.v. NAP' is de maximum bouwhoogte van gebouwen de daar bepaalde waarde, gemeten ten opzichte NAP. Deze regel wordt met name toegepast op locaties waar sprake is van een sterk wisselende maaiveld met grote hoogteverschillen in het maaiveld, of wanneer de bouwhoogte aanzit tegen de maximum bouwhoogte die vanwege hogere regelgeving vanwege bijvoorbeeld de aanwezigheid van Schiphol. Die maxima zijn gerelateerd aan NAP. Het ligt voor de hand in die gevallen in het omgevingsplan daarop aan te sluiten.  

Vierde lid:

In het vierde lid is een regel opgenomen die een minimum bouwhoogte bepaalt. Hoe hoog op een locatie minimaal moet worden gebouwd, wordt bepaald door de voor een locatie geldende waarde. Die waarden zijn weergegeven op de bij deze regel behorende digitale kaart. 

Vijfde lid: 

In het eerste lid is de uitgangsregel opgenomen dat voor bovengrondse gebouwen de bestaande bouwhoogte de maximum bouwhoogte is. Voor een aantal locaties in Amsterdam is in het voorheen geldende bestemmingsplan een maximale bouwhoogte op de plankaart opgenomen, die hoger is dan de bestaande bouwhoogte. Voor die locaties is, voor zover dat wenselijk is, in het vijfde lid een overgangsbepaling opgenomen. Voor de duur van 5 jaar na inwerkingtreding van het eerste lid geldt de hogere bouwhoogte uit het voormalig bestemmingsplan. Dat geldt alleen ter plaatse van de aanduiding 'overgangsbepaling bouw- en goothoogte' 

Zesde lid: 

Het zesde lid bevat een beperking van het toepassingsbereik van dit artikel. Voor de toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.25.

BBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.19 Minimale hoogte van de eerste bouwlaag 

In artikel 5.19 is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding 'hoogte eerste bouwlaag' de minimale bouwhoogte van de eerste bouwlaag de daar bepaalde waarde. Daarbij is aangegeven dat deze wordt gemeten vanaf de vloer van de eerste bouwlaag, tot bouwlaag tot aan de bovenkant vloer van de tweede bouwlaag. In bijlage I is de eerste bouwlaag omschreven als de bouwlaag op de begane grond. Omdat de eerste bouwlaag ophoudt waar de tweede bouwlaag begint, wordt dit gemeten tot dat punt. Dit behoeft geen verduidelijking in de regels.  

Er zijn locaties waar een bepaalde minimale hoogte van de eerste bouwlaag om stedenbouwkundige redenen niet voor de volledige eerste bouwlaag is vereist, maar voor een deel daarvan. Mede om die reden is in het derde lid bepaald dat ter plaatse van de aanduiding 'beperkingen ten aanzien van de eerste bouwlaag' de minimale bouwhoogte van de eerste bouwlaag, gemeten vanaf de vloer van de eerste bouwlaag tot aan de bovenkant vloer van de tweede bouwlaag, niet minder dan 3,5 meter bedragen, met dien verstande dat deze bij ten minste 50% van de eerste bouwlaag niet minder dan 5 meter mag bedragen.  

In het tweede lid is bepaald dat indien de vloer van de eerste verdieping onder het aangrenzend maaiveld ligt, wordt in afwijking van het eerste lid gemeten vanaf aangrenzende maaiveld tot aan de bovenkant vloer van de tweede bouwlaag.

CCCCCCCCCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.36 Bouwwerken geen gebouwengebouw zijnde (algemeen)

DDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.37 Artistieke kunstwerken

Artikel 5.37 bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte artistiek kunstwerk' een artistiek kunstwerk is toegestaan met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde. Omdat de maximum hoogte wordt gekoppeld aan een aanduiding op een locatie, is tevens bepaald waar het kunstwerk mag komen, en wat de maximum omvang ervan is. 

Artikel 5.37 bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte artistiek bouwwerk’ een artistiek kunstwerk is toegestaan met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde. Deze regel houdt niet in dat een artistiek kunstwerk alleen daar is toegestaan. Dit artikel wordt toegepast om een hogere bouwhoogte voor een specifiek artistiek kunstwerk (zijnde een bouwwerk geen gebouw zijnde) toe te staan dan op grond van artikel 5.36, eerste lid of, indien toegepast, het tweede lid, is toegestaan. 

EEEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.38 Infrastructurele en waterbouwkundige kunstwerken

Artikel 5.38 bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte infrastructureel kunstwerk' een infrastructureel kunstwerk is toegestaan met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde. Omdat de maximum hoogte wordt gekoppeld aan een aanduiding op een locatie, is tevens bepaald waar het kunstwerk mag komen, en wat de maximum omvang ervan is. 

Artikel 5.38 bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte infrastructureel kunstwerk' een infrastructureel en waterbouwkundig kunstwerk is toegestaan met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde. Deze regel houdt niet in dat een een infrastructureel of waterbouwkundig kunstwerk alleen daar is toegestaan. Dit artikel wordt toegepast om een hogere bouwhoogte voor een specifiek infrastructureel en waterbouwkundigkunstwerk (zijnde een bouwwerk geen gebouw zijnde) toe te staan dan op grond van artikel 5.36, eerste lid of, indien toegepast, het tweede lid, is toegestaan. 

FFFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.41 Bouwwerken geen gebouwengebouw zijnde ten behoeve van hoogspanningsverbindingen

Artikel 5.41 bevat regels over bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van hoogspanningsverbindingen. Het eerste lid bepaalt in zijn algemeenheid dat ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding' bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van hoogspanningsverbindingen zijn toegestaan met een maximum bouwhoogte van 3 meter. Een nadere bepaling over waar deze zijn toegestaan, is niet opgenomen. Dat betekent dat dat binnen het gehele gebied met de betreffende aanduiding mag. Deze regel houdt niet in dat bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van  hoogspanningsverbindingen alleen daar zijn toegestaan. Dit artikel wordt toegepast om een hogere bouwhoogte voor bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van hoogspanningsverbindingen toe te staan dan op grond van artikel 5.36, eerste lid of, indien toegepast, het tweede lid, is toegestaan. 

Het tweede lid bevat voor hoogspanningsmasten zelf een specifieke bepaling over de maximum bouwhoogte. Die bedraagt de ter plaatse van de aanduiding ‘maximum hoogte hoogspanningsmast’ bepaalde waarde. 

GGGGGGGGGGGGGGGG

Na sectie ' Bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van hoogspanningsverbindingen' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 5.42 Bruggen

In dit artikel wordt bepaald wat voor bruggen de maximum bouwhoogte en de minimum doorvaart- hoogte op een bepaalde locatie is. Ook bevat het artikel een regel over te openen bruggen. 

Eerste lid:

In het eerste lid is de uitgangsregel opgenomen dat voor bruggen de bestaande bouwhoogte de maximum bouwhoogte is. In bijlage I is bepaald wat onder bestaande bouwhoogte wordt verstaan. Wanneer met toepassing van het tweede lid voor een locatie een specifieke bouwhoogte is bepaald, dan geldt die maximum bouwhoogte. Voor een brug waar onder door gevaren wordt, is bepaald dat de bestaande doorvaarthoogte ervan de minimum doorvaarthoogte is.

Tweede lid: 

Het tweede lid bepaalt dat in afwijking van het eerste lid ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte brug' de maximum bouwhoogte van een brug de daar bepaalde waarde is. Op de aangeduide locatie is dus niet de bestaande situatie bepalend, maar de ter plaatse geldende norm. Hoe hoog op een locatie mag worden gebouwd, wordt bepaald door de voor een locatie geldende waarde. Die bepaalt in combinatie met de regeltekst van het tweede lid de daar geldende maximum bouwhoogte. Die waarden zijn weergegeven op de bij deze regel behorende digitale kaart. De bouwhoogte wordt gemeten met toepassing van artikel 5.3. Deze is gerelateerd aan het peil. In bij- lage I is bepaald wat onder peil moet worden verstaan. Bij het in, op of boven het water bouwen is dat het hoogste door de waterbeheerder vastgestelde waterpeil, of, als geen waterpeil is vastgesteld, het ter plaatse heersende, natuurlijke waterpeil. 

Derde lid: 

Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ´te openen brug´ uitsluitend een brug is toegestaan die te openen is. Deze aanduiding is vooral van belang als de locatie deel uitmaakt van een belangrijke vaarroute. Een vaste brug kan te laag zijn voor beroepsvaart of recreatievaart. Een beweegbare, te openen brug voorkomt dat de vaarweg door de brug wordt afgesloten. De aanduiding kan ook nodig zijn met het oog op toekomstige ontwikkelingen, denk aan eventueel veranderende economische functies zoals nieuwe havens, ligplaatsen of bedrijvigheid. Een vaste brug zou de bereikbaarheid van deze functies of toekomstige groei van de vaart kunnen beperken.

HHHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.43 Vlaggenmasten en reclamezuilen

Dit artikel bepaalt dat ter plaatse van de aangegeven aanduidingen vlaggenmasten en reclamezuilen tot een bepaalde hoogte zijn toegestaan. Dit houdt niet in dat de betreffende bouwwerken alleen daar zijn toegestaan. Dit artikel wordt toegepast om een hogere bouwhoogte voor de betreffende bouwwerken toe te staan dan op grond van artikel 5.36, eerste lid of, indien toegepast, het tweede lid, is toegestaan. 

Eerste lid: 

Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte vlaggenmast' vlaggenmasten zijn toegestaan met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde. Hoe hoog op een locatie mag worden gebouwd, wordt bepaald door de voor een locatie geldende waarde. Die bepaalt in combinatie met de regeltekst van het eerste lid de daar geldende maximum bouwhoogte. Die waarden zijn weergegeven op de bij deze regel behorende digitale kaart. 

Tweede lid:

Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte reclamezuil' reclamezuilen zijn toegestaan met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde is. Hoe hoog op een locatie mag worden gebouwd, wordt bepaald door de voor een locatie geldende waarde. Die bepaalt in combinatie met de regeltekst van het tweede lid de daar geldende maximum bouw- hoogte. Die waarden zijn weergegeven op de bij deze regel behorende digitale kaart.

IIIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.47 Maximum bebouwingspercentage stadspark

Dit artikel bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'stadspark: maximum bebouwingspercentage bouwwerken geen gebouw zijnde' het maximum bebouwingspercentage van bovengrondse bouwwerken, geen gebouwen zijnde de daar bepaalde waarde is. Hierbij moeten de verhardingen als bedoeld in artikel  6.376.36 worden meegeteld. Dit artikel is opgenomen om te voldoen aan het beleid over de Hoofdgroenstructuur waarin staat dat er in het groentype ‘stadspark’ niet meer dan 5% aan bebouwing en verhardingen mag zijn. In artikel 5.3 is bepaald dat de waarde geldt per afzonderlijk vlak. 

JJJJJJJJJJJJJJJJ

Na sectie ' Tribunes' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 5.60 Podium in de openbare buitenruimte 

Voor het gebruiksdoel groen is bepaald waar binnen het gebruiksdoel groen podia in de openbare ruimte zijn toegestaan. Een podium in de openbare ruimte zoals een muziekkoepel of een podium voor een openluchttheater is vanwege het bijzondere karakter ervan een gebruiksvorm in groen die niet overal kan worden toegestaan. Met een afzonderlijk artikel in het gebruiksdoel groen wordt binnen locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' gestuurd op waar het gebruik van openbare ruimte voor een podium is toegestaan.  

Dit artikel bepaalt hoe hoog een podium in de openbare ruimte mag worden. Bij podia in de openbare buitenruimte zal veelal sprake zijn van een gebouw. Dit artikel dient in dat geval opgevat te worden als een afwijking van de hoofdregel geformuleerd in artikel 5.15 dat bepaalt dat bovengrondse gebouwen uitsluitend zijn toegestaan binnen een bouwvlak. Voor zover sprake is van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dan dient dit artikel opgevat te worden als een afwijking van de hoofdregel geformuleerd in artikel 5.36 dat bepaalt dat bouwwerken, geen gebouw zijnde, maximaal 1 meter hoog mogen zijn. 

KKKKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.2 Toepassingsbereik en oogmerk, meet en rekenregels

Afdeling 6.2 bevat regels, gesteld met het oog op het belang van het behoud van bekend of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met deze regels wordt uitvoering gegeven aan de instructie, opgenomen in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarin is bepaald dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Om hieraan uitvoering te geven is een vergunningplicht in het leven geroepen die van toepassing is op aanlegactiviteiten die het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten, kunnen schaden.

Artikel 6.2 bepaalt het toepassingsbereik van deze afdeling, en het oogmerk van de erin opgenomen regels.  

Eerste lid:

Niet elke aanlegactiviteit heeft mogelijk gevolgen voor ondergronds cultureel erfgoed. Het gaat om specifiek aan te wijzen aanlegactiviteiten. In het eerste lid is bepaald om welke activiteiten het gaat. Daarbij is tevens aangegeven dat deze afdeling alleen van toepassing is op die activiteiten.  

De regeling, zoals opgenomen in deze afdeling, komt sterk overeen met de aanlegvergunningplicht zoals die in bestemmingsplannen werd opgenomen met het oog op de bescherming van archeologische waarden. Dat geldt ook voor de in het eerste lid opgenomen opsomming. Enige aanpassingen dat onder a ontgraven is toegevoegd, en dat onder d alleen nog wordt gesproken over het wijzigen van het waterpeil. Dat laatste kan zowel een verhoging als een verlaging inhouden. 

Tweede lid:

De beschermende regeling zoals opgenomen in afdeling 6.2 hoeft alleen te gelden daar waar sprake is van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gebieden waar dat het geval is, worden in dit omgevingsplan aangewezen met de aanduiding 'beschermingszone archeologie'. In het tweede lid is bepaald dat deze afdeling daar van toepassing is. Daarbuiten geldt deze afdeling dus niet. 

Derde lid:

In het derde lid is het oogmerk van de regeling opgenomen, namelijk dat de regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het belang van het behoud van bekend of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten, bedoeld in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit lid bepaalt het doel van de regels, en beperkt daarmee ook de beoordelingsruimte bij vergunningaanvragen. 

Vierde lid:

Het vierde lid bevat een meetbepaling.

LLLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.30 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan  

Dit artikel bevat een voorrangsregel, en bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' de regels in deze afdeling buiten toepassing blijven voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan zelf een aanlegvergunningplicht ter bescherming van beschermd stads- of dorpsgezicht bevat. In dat geval zijn de regels in dat tijdelijk deel van toepassing. 

[Vervallen]

MMMMMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.21 Vergunningvoorschriften

In dit artikel is bepaald welke voorschriften aan de vergunning kunnen worden verbonden. Aangegeven is dat alleen voorschriften kunnen worden gegeven die nodig zijn met het oog op belang van het doelmatig en veilig functioneren van ondergrondse hoogspanningsverbindingenhoogspanningsverbindingen.Het tweede lid maakt duidelijk op welke wijze het advies bij de besluitvoering wordt betrokken. 

NNNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.29 Toepassingsbereik en oogmerk

Afdeling 6.6 bevat regels, gesteld met het oog op het belang van behoud, de bescherming en het herstel van stads- en dorpsgezichten die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang van de samenstellende onroerende zaken of hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde. Met deze regels wordt uitvoering gegeven aan de instructie, opgenomen in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarin is bepaald dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Om hieraan uitvoering te geven is een vergunningplicht in het leven geroepen die van toepassing is op aanlegactiviteiten die het belang van het behoud van cultureel erfgoed kunnen schaden.

Artikel 6.29 bepaalt het toepassingsbereik van deze afdeling, en het oogmerk van de erin opgenomen regels.  

Eerste lid:

Niet elke aanlegactiviteit heeft mogelijk gevolgen voor beschermd stads- of dorpsgezicht. Het gaat om specifiek aan te wijzen aanlegactiviteiten. In het eerste lid is bepaald om welke activiteiten het gaat. Daarbij is tevens aangegeven dat deze afdeling alleen van toepassing is op die activiteiten.  

Tweede lid:

De beschermende regeling zoals opgenomen in afdeling 6.2 hoeft alleen te gelden daar waar sprake is van een beschermd gezicht. De gebieden waar dat het geval is, worden in dit omgevingsplan aangewezen metvoor zover daar de aanduiding 'aanlegvergunningplicht beschermd stads- of dorpsgezicht'. In het tweede lid is bepaald dat deze afdeling daargezicht van toepassing is' geldt. Daarbuiten geldt deze afdeling dus niet. 

Derde lid:

In het derde lid is het oogmerk van de regeling opgenomen, namelijk dat de regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoud, de bescherming en het herstel van stads- en dorpsgezichten die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang van de samenstellende onroerende zaken of hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde. Dit lid bepaalt het doel van de regels, en beperkt daarmee ook de beoordelingsruimte bij vergunningaanvragen. 

Vierde lid:

Het vierde lid is van overgangsrechtelijke aard. Aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht vindt vooralsnog plaats door middel van een besluit op grond van hoofdstuk 5 van de Erfgoedverordening Amsterdam. Dat besluit wijzigt het omgevingsplan niet. De aanduiding 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht' kan dan pas bij een latere wijziging van het omgevingsplan worden aangepast. Het vierde lid regelt dat deze afdeling ook van toepassing is op gronden die met toepassing van hoofdstuk 5 van de Erfgoedverordening Amsterdam als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht zijn aangewezen, zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de aanduiding 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht' is gegeven. 

OOOOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.316.30 Vergunningplicht voor aangegeven aanlegactiviteiten

Artikel 6.316.30 roept de vergunningplicht in het leven. Daarin wordt bepaald dat het ter plaatse van de aanduiding 'aanlegvergunningplicht beschermd stads- of dorpsgezichtgezicht van toepassing' verboden is zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht te verrichten. In bijlage I is bepaald dat onder een aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht wordt verstaan een activiteit, bedoeld in artikel 6.29, eerste lid. De vergunningplicht heeft alleen betrekking op de daar genoemde aanlegactiviteiten.

PPPPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.326.31 Uitzonderingen op de vergunningplicht

Artikel 6.326.31 bevat een aantal uitzonderingen op de in artikel 6.316.30 opgenomen vergunningplicht. 

Eerste lid:

In het eerste lid is bepaald dat de vergunningplicht niet geldt als de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen. 

Tweede lid:

Het tweede lid is van overgangsrechtelijk aard en bepaalt dat de vergunningplicht evenmin geldt als de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel.

QQQQQQQQQQQQQQQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.336.32 Beoordelingsregels

RRRRRRRRRRRRRRRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.346.33 Aanvraagvereisten

SSSSSSSSSSSSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.356.34 Vergunningvoorschriften

TTTTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.366.35 Toepassingsbereik en oogmerk

Afdeling 6.7 bevat regels, gesteld met het oog op van het belang van het behoud en functioneren van de hoofdgroenstructuur. Met deze regels wordt uitvoering gegeven aan het beleid met betrekking tot de hoofdgroenstructuur (zie paragraaf 10.19 van de algemene toelichting). Om aan dat beleid uitvoering te geven is een vergunningplicht in het leven geroepen die van toepassing is op aanlegactiviteiten die het belang van het behoud en functioneren van de hoofdgroenstructuur kunnen schaden.

Artikel 6.366.35 bepaalt het toepassingsbereik van deze afdeling, en het oogmerk van de erin opgenomen regels.  

Eerste lid:

Niet elke aanlegactiviteit heeft mogelijk nadelige gevolgen voor het behoud en het functioneren van de hoofdgroenstructuur. Het gaat om specifiek aan te wijzen aanlegactiviteiten. In het eerste lid is bepaald om welke activiteiten het gaat. Daarbij is tevens aangegeven dat deze afdeling alleen van toepassing is op die activiteiten.  

Tweede lid:

De beschermende regeling zoals opgenomen in afdeling 6.2 hoeft alleen te gelden binnen die delen van de hoofdgroenstructuur waar dat nodig is. De gebieden waar dat het geval is, worden in dit omgevingsplan aangewezen met de aanduiding 'vergunningplicht aanlegactiviteit hoofdgroenstructuur'. In het tweede lid is bepaald dat deze afdeling daar van toepassing is. Daarbuiten geldt deze afdeling dus niet. 

De begrenzing van het vergunningstelsel aanlegactiviteit hoofdgroenstructuur valt niet noodzakelijkerwijs samen met de begrenzing van de hoofdgroenstructuur zoals deze is opgenomen in het beleid. Er kan een deel van een groentype worden aangewezen. Per gebied en per groentype kan een gebiedsgewijze afweging worden gemaakt waar het opnemen van een vergunningstelsel noodzakelijk is. Bijvoorbeeld, voor bestaande wegen kan worden afgewogen ze buiten de aanduiding te houden. Hetzelfde geldt voor agrarische bedrijfspercelen in het buitengebied waar op basis van het omgevingsplan bebouwing is toegestaan.  

Derde lid:

In het derde lid is het oogmerk van de regeling opgenomen, namelijk dat de regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het belang van het behoud van het behoud of het functioneren van de hoofdgroenstructuur. Dit lid bepaalt het doel van de regels, en beperkt daarmee ook de beoordelingsruimte bij vergunningaanvragen. 

UUUUUUUUUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.376.36 Begripsbepalingen, specifiek van toepassing op deze afdeling

VVVVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.386.37 Vergunningplicht voor aangegeven aanlegactiviteiten

Artikel 6.386.37 roept de vergunningplicht in het leven. Daarin wordt bepaald dat het ter plaatse van de aanduiding 'vergunningplicht aanlegactiviteit hoofdgroenstructuur' verboden is zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit hoofdgroenstructuur te verrichten. In bijlage I is bepaald dat onder een aanlegactiviteit hoofdgroenstructuur wordt verstaan een activiteit, bedoeld in artikel 6.366.35, eerste lid. De vergunningplicht heeft alleen betrekking op de daar genoemde aanlegactiviteiten.

WWWWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.396.38 Uitzonderingen op de vergunningplicht

Artikel 6.396.38 bevat een aantal uitzonderingen op de in artikel 6.386.37 opgenomen vergunningplicht. In het eerste lid, onder a is bepaald dat de vergunningplicht niet geldt als de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen. Onderdeel b is van overgangsrechtelijk aard en bepaalt dat de vergunningplicht evenmin geldt als de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel. Onderdeel c zondert verharding ten hoeve van sportbeoefening uit van de vergunningplicht binnen het groentype sportpark. In artikel 6.376.36 is bepaald welke verharding hieronder valt. Onderdeel d zondert verharde voetpaden uit van de aanlegvergunningplicht, tenzij deze liggen binnen de aanduiding ‘stadsnatuur’. Hiermee valt de aanleg of wijziging van verharde  voetpaden binnen delen van de hoofdgroenstructuur waarin de ecologische functie voorop staat, zoals het groentype ruigtegebied/struinnatuur en het groentype corridor, onder het aanlegvergunningstelsel. Die delen worden aangeduid met de aanduiding ‘stadsnatuur’. 

Onderdeel e bepaalt dat de vergunningplicht niet geldt als door een herinrichting binnen de hoofdgroenstructuur sprake is van een afname van verharding. Daarbij gaat het om een afname van verharding binnen de ter plaatse geldende aanduiding ‘aanlegactiviteit hoofdgroenstructuur’. Dit wordt berekend per afzonderlijk aanduidingsvlak. Hiermee wordt bedoeld dat het niet gaat om de optelsom van alle aanduidingen ‘vergunningplicht aanlegactiviteit hoofdgroenstructuur’ in het omgevingsplan, maar de aanduiding die geldt op de locatie. 

XXXXXXXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.406.39 Beoordelingsregels

YYYYYYYYYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.416.40 Aanvraagvereisten

ZZZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.426.41 Advies van de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur

Dit artikel bepaalt dat het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies inwint bij de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteit het belang, bedoeld in artikel 6.366.35, derde lid, niet onevenredig wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade. Het tweede lid maakt duidelijk op welke wijze het advies bij de besluitvoering wordt betrokken. 

AAAAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.436.42 Vergunningvoorschriften

In artikel 6.436.42  is bepaald welke voorschriften aan de vergunning kunnen worden verbonden. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het belang van het behoud en functioneren van de hoofdgroenstructuur. Er mogen geen voorschriften worden opgenomen die een ander doel dienen. 

BBBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.10 Toepassingsbereik

Eerste lid:

De milieuregels van deze afdeling stonden voorheen in Afdeling 22.3 van (het tijdelijk deel van) dit omgevingsplan (de bruidsschat voor milieubelastende activiteiten) en zijn vooral afkomstig uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer. Die regels waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de voormalige Wet milieubeheer en die waren aangewezen in bijlage I bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. 

De Omgevingswet heeft het begrip 'inrichting' uit de Wet milieubeheer ('elke door de mens bedrijfsmatige of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht') verlaten. De Omgevingswet gebruikt de term milieubelastende activiteit (‘activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit’) die veel breder is dan het voormalige begrip ‘inrichting’. Zie hierover meer in de toelichting op artikel 9.1. 

Voor het toepassingsbereik van de milieuregels in deze afdeling is zo veel mogelijk aangesloten bij de bruidsschat. Het toepassingsbereik van de bruidsschat was afgebakend zodat de regels zo veel mogelijk voor die activiteiten gingen gelden die tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer vielen. Enige verschuiving bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader was echter niet te voorkomen. 

Het toepassingsbereik van dit artikel is licht aangepast ten opzichte van de voormalige bruidsschat. Reden hiervoor is dat met de regels van het Omgevingsplan moet worden voldaan aan de instructieregels van het Rijk voor gemeenten over milieugevolgen van activiteiten, zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze instructieregels hebben een breder toepassingsbereik dan het toepassingsbereik van de bruidsschat. Gelet hierop is de uitzondering uit het voormalige artikel 22.41 van de bruidsschat voor het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers geschrapt. 

Onderdeel a

Deze afdeling is niet van toepassing op milieubelastende activiteiten bij wonen. Dit sluit aan bij het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl. 

Onder de voormalige Wet milieubeheer was het onduidelijk waar de grens lag bij de toetsing van het criterium «bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is». Ook onder de bruidsschat bleef dit een grijs gebied. Met dit artikel wordt een meer duidelijke regeling beoogd. Activiteiten die in het kader van een bedrijf of beroep aan huis worden verricht, vallen onder deze afdeling. Dit wordt geregeld in het tweede lid, eerste zinsnede. Uitzondering hierop is als het uitoefenen van dat beroep of bedrijf uitsluitend uit administratieve werkzaamheden (bureauwerk) bestaat. Onder het voormalige recht voldeed deze activiteit weliswaar aan het begrip inrichting maar het was geen aangewezen Bor-categorie en dus was het Activiteitenbesluit niet van toepassing hierop. Met het vervallen van de Bor-categorieën zouden alle beroepsmatige activiteiten onder de reikwijdte van deze titel vallen. Dat is onwenselijk voor administratief werk waarbij gevolgen voor het milieu nihil zijn. 

Het uitoefenen van hobby’s wordt als een activiteit bij wonen van het toepassingsbereik van deze afdeling als hoofdregels uitgezonderd. Deze uitzondering geldt echter niet als de hobby een bepaalde omvang overstijgt (denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen). In het tweede lid, laatste zinsnede is expliciet bepaald dat activiteiten met een bedrijfsmatige omvang wel onder de reikwijdte van deze titel vallen. Hiermee wordt aangesloten bij het voorheen geldend recht. Ook de bruidsschat ging ervan uit dat 'extreme hobby's' niet meer als onderdeel van wonen gezien konden worden. In dit omgevingsplan wordt ervoor gekozen om dit expliciet te bepalen. Bij de bepaling wordt aangesloten bij het criterium uit het voormalige recht, namelijk de bedrijfsmatige omvang. Net als in het voorheen geldend recht en de bruidsschat is de grens tussen 'gewone' en 'extreme' hobby's enigszins een grijs gebied. Bij de toepassing ervan wordt aangesloten bij de jurisprudentie die onder het voormalige recht met betrekking tot het begrip inrichting is ontwikkeld. Voor andere activiteiten bij wonen zonder bedrijfsmatige omvang geldt de specifieke zorgplicht van artikel 9.4, en de mogelijkheid om met een maatwerkvoorschrift hier concreet invulling aan te geven als dit in een uitzonderlijk geval nodig is. 

Het opslaan van propaan in tanks bij particulieren werd voorheen als een activiteit in bedrijfsmatige omvang gezien. In het derde lid is expliciet geregeld dat voor deze activiteit uitsluitend de vergunningplicht op grond van artikel 9.203 geldt. Verder gelden voor deze activiteit algemene regels op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (ook bij wonen).

Onderdeel b

Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. In het Bbl zijn wel eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 22.18). Deze artikelen vormen de voortzetting van regels uit het voormalige Bouwbesluit 2012. 

Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden. 

Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.

Onderdeel c

Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging. Het voor een korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling, omdat dit onderdeel of gevolg is van een activiteit (de winkel of het bedrijf) die zelf niet in hoofdzaak in de openbare ruimte wordt verricht. Hiermee wordt aangesloten bij het toepassingsbereik van de voormalige regels over inrichtingen. 

Onderdeel d

Het verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan. 

Onderdeel e

Dit onderdeel sluit bepaalde evenementen uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. 

Aan veel evenementen worden geluidregels gesteld in een vergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Deze worden in onderdeel 1 uitgezonderd. Ook overige evenementen die buiten een locatie voor evenementen worden gehouden zijn uitgezonderd in onderdeel 2. Onder een locatie voor evenementen worden bijvoorbeeld permanente evenemententerreinen of evenementenhallen verstaan. Evenementen op dergelijke locaties vallen onder deze afdeling en zijn dus hier niet uitgezonderd. Uit onderdeel 3 volgt dat evenementen als bedoeld in artikel 9.53, 9.54 en 9.55 ook niet worden uitgezonderd. Dat zijn evenementen die bij een horeca-, sport- of recreatiebedrijf kunnen worden gehouden. Dergelijke bedrijven vallen onder deze afdeling, inclusief de incidentele festiviteiten. 

Onderdeel f

Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van afdeling 9.2 van dit omgevingsplan.

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Onderdeel g

De milieuregels voor lozingen zijn opgenomen in afdeling 9.3. Lozingen hangen vaak samen met andere milieubelastende activiteiten, bijvoorbeeld met het bereiden van voedingsmiddelen. Op die andere milieubelastende activiteit (bv. voedselbereiding) is afdeling 9.2 van toepassing als deze past onder het toepassingsbereik van dit artikel. Voor overige lozingen, die dus los staan van een andere milieubelastende activiteit als bedoeld in dit artikel, gelden de milieuregels in deze afdeling niet. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek van het recht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Voor lozingen buiten voormalige inrichtingen golden alleen de lozingsregels in het Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi) en niet de andere milieuregels van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Onderdeel h

Milieuregels voor graven, saneren, toepassen van grond of baggerspecie en toepassen van bouwstoffen zijn opgenomen in afdeling 3.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en in afdeling 9.4 van dit omgevingsplan. De milieuregels van afdeling 9.2 gelden niet voor graven, saneren,  toepassen van grond of baggerspecie en toepassen van bouwstoffen. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Voor graven, saneren, toepassen van grond of baggerspecie en toepassen van bouwstoffen golden de milieuregels van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet. Tot de activiteit graven behoort ook kortdurende opslag, dus de uitzondering geldt ook voor de kortdurende opslag bij graven.

Onderdeel i

In  onderdeel i worden milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig zijn aangewezen (‘milieuvergunningplichtige activiteiten’) uitgezonderd van de werking van Afdeling 9.2. Voor deze activiteiten blijven de milieuregels in Afdeling 22.3 van dit Omgevingsplan gelden.

De achtergrond van deze uitzondering is het volgende. Ten aanzien van milieuregels die kaderstellend zijn voor activiteiten waarvoor een milieueffectrapport (mer) dan wel milieueffectbeoordeling is benodigd, is een milieueffectrapport is vereist op grond van artikel 16.36 van de Omgevingswet. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de activiteiten aangewezen waarbij voor de ‘milieuvergunning’ een milieueffectrapport moet worden gemaakt dan wel waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben (‘mer(beoordelings)plichtige activiteiten’).

Een deel van de regels in afdeling 9.2 zouden potentieel als kaderstellend kunnen worden gezien zonder deze uitzondering. Zulke kaderstellende milieuregels zouden in dat geval gezien worden als een plan waarvoor een milieueffectrapport is vereist op grond van artikel 16.36 van de Omgevingswet. Vooralsnog is er echter nog geen milieueffectrapport opgesteld. Om een eventuele strijdigheid met artikel 16.36 Omgevingswet te voorkomen is de uitzondering in dit onderdeel opgenomen. Hiermee worden immers milieubelastende activiteiten uitgezonderd die voor de ‘milieuvergunning’ (de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving) een milieueffectrapport dan wel milieueffectbeoordeling behoeven.

De milieubelastende activiteiten die een milieueffectrapport dan wel milieueffectbeoordeling behoeven, zijn altijd milieuvergunningplichtig. Er zijn echter ook milieuvergunningplichtige activiteiten waarvoor geen milieueffectrapport dan wel milieueffectbeoordeling gemaakt hoeft te worden. Toch is er voor gekozen de milieuvergunningplicht als scheidingslijn aan te brengen, omdat dat de meeste duidelijkheid geeft. Dit voorkomt dat voor sommige milieuvergunningplichtige activiteiten afdeling 22.3 geldt en voor andere afdeling 9.2. 

Hiermee worden weliswaar meer activiteiten uitgezonderd dan strikt genomen noodzakelijk is, maar zo ontstaat voor de uitvoeringspraktijk een overzichtelijker afbakening.

Met deze uitzondering blijven milieuvergunningplichtige activiteiten onder het toepassingsbereik van Hoofdstuk 22, Afdeling 22.3 vallen. Het Rijk heeft inmiddels aangekondigd om een milieueffectrapport op te stellen ten aanzien van de regels die in Hoofdstuk 22 zijn opgenomen. In navolging van het Rijk is de gemeente Amsterdam voornemens om een milieueffectrapportage op te stellen ten aanzien van die milieuregels. Daarna kan deze uitzondering vervallen.

Onderdeel j

Daarnaast In samenhang met onderdeel i is tevens bepaald dat voor met de vergunningplichtige activiteit samenhangende of ondersteunende activiteiten op dezelfde locatie ook de regels van afdeling 22.3 gelden, ook als deze zelf niet vergunningplichtig zijn. De artikelen 22.57 en 22.88 bepalen al (in aansluiting bij artikelen 5.58 en 5.82 van het Besluit kwaliteit leefomgeving) dat het geluid, respectievelijk de trilling van samenhangende activiteiten onverminderd artikel 22.41 gezamenlijk moeten beoordeeld worden. Het ligt voor de hand om dan ook andere milieuonderwerpen mee te nemen.  Hiermee geldt bij een bedrijf met een vergunningplichtige milieubelastende activiteit dezelfde afdeling voor alle activiteiten binnen dat bedrijf. 

Hiermee worden weliswaar meer activiteiten uitgezonderd dan strikt genomen noodzakelijk is, maar zo ontstaat voor de uitvoeringspraktijk een overzichtelijker afbakening.

Met deze uitzondering blijven milieuvergunningplichtige activiteiten onder het toepassingsbereik van Hoofdstuk 22, Afdeling 22.3 vallen. Het Rijk heeft inmiddels aangekondigd om een milieueffectrapport op te stellen ten aanzien van de regels die in Hoofdstuk 22 zijn opgenomen. In navolging van het Rijk is de gemeente Amsterdam voornemens om een milieueffectrapportage op te stellen ten aanzien van die milieuregels. Daarna kan deze uitzondering vervallen.

 

Voor een toelichting op het tweede lid (beroep of bedrijf aan huis) en derde lid (opslagtank voor propaan of propeen bij wonen) zie de toelichting op onderdeel a van het eerste lid. 

Vierde lid:

Hoewel milieuvergunningplichtige activiteiten niet onder de milieuregels in deze afdeling vallen, dienen die activiteiten ook te voldoen aan het bepaalde in artikel 9.205. Dat artikel geeft uitvoering aan artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en het is een toevoeging ten opzichte van de milieuregels in afdeling 22.3, die het Rijk 'als bruidsschat' aan gemeenten heeft overgedragen. 

Vijfde lid:

Hoewel de zogenaamde ´samenhangende of ondersteunende activiteiten´ niet onder het toepassingsbereik van deze afdeling vallen (zie onderdeel j van het eerste lid), dienen die activiteiten (naast de regels in afdeling 22.3) ook te voldoen aan de volgende regels van deze afdeling: 

  • artikel 9.119 Voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand;

  • onderdeel 9.2.3.3.2 Voedingsmiddelenindustrie;

  • onderdeel 9.2.3.3.3 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen; en

  • onderdeel 9.2.3.6 Activiteiten met risico met risico voor de omgeving. 

Deze regels (met uitzondering van artikel 9.205, zie toelichting hierboven) gelden niet voor vergunningplichtige activiteiten. Daarom bevat afdeling 22.3 geen vergelijkbare regels. Om te voorkomen dat voor de 'samenhangende of ondersteunende activiteiten' regels ontbreken die nodig zijn om gevolgen voor het milieu te beperken, worden de genoemde regels in dit lid wel van toepassing verklaard.

Dit artikel is een aangepaste voortzetting van het inmiddels vervallen artikelen 22.41 van de bruidsschat (tijdelijk deel).  

CCCCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.11 Gelijkstelling industrieterrein Wet geluidhinder

De Omgevingswet introduceert een nieuwe werkwijze voor de beheersing van industrielawaai. In plaats van geluidzonering wordt aangesloten bij de systematiek van geluidproductieplafonds die sinds 2012 al geldt voor de Rijksinfrastructuur (snelwegen en spoorwegen). Daarom wordt ook het begrip industrieterrein (of gezoneerd industrieterrein) vervangen door de term ‘industrieterrein met geluidproductieplafonds’ (industrieterreinen waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld). Er is een ruime overgangstermijn gegeven voor het overstappen naar de nieuwe systematiek. Totdat de geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, blijft het regime van de Wet geluidhinder gelden. 

Deze afdeling bevat verschillende regels voor industrieterreinen waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld. Omdat bij de inwerkingtreding van deze afdeling nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, moeten de regels ook voor gezoneerd industrieterreinen gelden. In dit artikel wordt dat geregeld. 

De relevantie van dit artikel is in tijd beperkt. Zodra voor alle industrieterreinen geluidproductieplafonds worden vastgesteld, verliest deze bepaling haar betekenis en kan geschrapt worden. 

DDDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.38 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Dit artikel bevat enkele aanvullende regels met betrekking tot het toepassingsbereik, die in feite van overgangsrechtelijke aard zijn. Om die reden is ervoor gekozen ze in een apart artikel op te nemen. Het artikel bevat een tweetal uitzonderingen op de hoofdregel in artikel 9.37.

Eerste lid:

Het eerste lid bevat een uitzondering op de uitzondering in artikel 9.37, tweede lid, onder b. De daar opgenomen uitzondering voor een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw geldt alleen voor een geluidgevoelig gebouw dat na inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar.  Voor een geluidgevoelig gebouw dat al voor inwerkingtreding is toegelaten (onder a) of waarvoor een vergunning is aangevraagd voor de inwerkingtreding en die vervolgens is toegelaten (onder b) geldt de uitzondering niet. Zo’n gebouw valt dus wel binnen het toepassingsbereik van deze subsubparagraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid op de gevel van zo'n tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw. De reden voor deze uitzondering op de uitzondering is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als geluidgevoelig gebouw. 

In de overzichtstabel na de volgende alinea is een overzicht opgenomen van de gevallen waarin een waarde voor geluid geldt bij verschillende situaties van geluidgevoelige gebouwen die tijdelijk toegelaten zijn in relatie tot activiteiten.

Tweede lid:

Ook het tweede lid bevat uitzonderingen van overgangsrechtelijke aard. Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen reeds toegelaten, maar nog niet aanwezige geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is bij de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving veranderd. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in het omgevingsplan, zou toetsing op een dergelijk ´geprojecteerd´ gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. Het is ongewenst dat voor rechtmatige bestaande situaties ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een nog niet aanwezig geluidgevoelig gebouw.

Overzichtstabel bescherming nog niet aanwezige of tijdelijke geluidgevoelig gebouwen in relatie tot activiteiten

Geluidgevoelig gebouw

Activiteiten

 

al rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

nog niet rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten maar nog niet gebouwd 

de waarden voor geluid uit deze subsubparagraaf zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit deze subsubparagraaf zijn wel van toepassing

 

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten maar nog niet gebouwd  

de waarden voor geluid uit deze subsubparagraaf zijn wel van toepassing

 

de waarden voor geluid uit deze subsubparagraaf zijn wel van toepassing

 

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit deze subsubparagraaf zijn wel van toepassing

 

de waarden voor geluid uit deze subsubparagraaf zijn wel van toepassing

 

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

 

de waarden voor geluid uit deze subsubparagraaf zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit deze subsubparagraaf zijn niet van toepassing

Bron: Nota van Toelichting Invoeringsbesluit Omgevingswet

De juridische betekenis van dit artikel is beperkt in tijd. Het eerste lid gaat om tijdelijke geluidgevoelige gebouwen die niet langer dan 10 jaar gebruikt mogen worden. Ook het tweede lid zal zijn juridische betekenis verliezen nadat alle bestemmingsplannen zijn vervangen. Mogelijk zal daarom dit artikel in de toekomst geschrapt worden. 

Derde lid

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 werden mantelzorgwoningen die vergunningvrij werden gebouwd dan wel bestaande gebouwen die zonder vergunning voor huisvesting in verband met mantelzorg werden gebruikt, niet beschermd tegen de milieuhinder van milieubelastende activiteiten. Datzelfde gold voor het Omgevingsplan Amsterdam zoals dat op 1 januari 2024 van rechtswege is ontstaan. 

Per 31 oktober 2024 is het Omgevingsplan Amsterdam met het "Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling" aangepast. Omdat het Besluit kwaliteit leefomgeving mantelzorgwoningen tegen milieuhinder wel beschermt, geldt onderdeel 9.2.2.3.2 sindsdien ook voor mantelzorgwoningen. Met dat wijzigingsbesluit werd ook artikel 22.36, aanhef en onder a of c, geschrapt dat het vergunningvrij bouwen of gebruiken van mantelzorgwoningen mogelijk maakte. 

In het derde lid wordt een uitzondering gemaakt voor rechtmatige bestaande milieubelastende activiteiten in de omgeving van mantelzorgwoningen. Hiermee wordt voorkomen dat die milieubelastende activiteiten hun bedrijfsvoering moeten aanpassen om te kunnen voldoen aan de milieuregels in dit omgevingsplan. Als peilmoment wordt hierbij 31 oktober 2024 gebruikt, het moment waarop het "Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling" in werking is getreden. Milieubelastende activiteiten die hierna zijn gestart dan wel hun bedrijfsvoering na die datum hebben aangepast moeten bij de uitvoering van hun werkzaamheden wel rekening houden met beschermde mantelzorgwoningen.

De uitzondering geldt ook alleen ten aanzien van mantelzorgwoningen die voor 31 oktober 2024 al aanwezig waren en die vergunningvrij zijn gebouwd dan wel in gebruik genomen. Bij de formulering van de zinsnede ‘alleen was toegelaten’ is de term ‘alleen’ van belang. Als een mantelzorgwoning bijvoorbeeld op grond van het voormalige bestemmingsplan (nu tijdelijk deel van het omgevingsplan) of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegestaan, dan geldt de uitzondering niet. In dat geval is de aanvaardbaarheid van de milieuhinder getoetst bij die besluiten. 

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.55 van de bruidsschat (tijdelijk deel).

EEEEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.74 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 

Eerste lid

Dit artikel bevat een aanvullende regeling met betrekking tot het toepassingsbereik, die in feite van overgangsrechtelijke aard is. Om deze reden is ervoor gekozen deze in een apart artikel op te nemen. Het artikel bevat een uitzondering op artikel 9.73, tweede lid, onder b. De daar opgenomen uitzondering voor een tijdelijk toegelaten trillinggevoelig gebouw geldt alleen voor een trillinggevoelig gebouw dat na inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar.  Voor een trillinggevoelig gebouw dat al voor inwerkingtreding is toegelaten (onder a) of waarvoor een vergunning is aangevraagd voor de inwerkingtreding en die vervolgens is toegelaten (onder b) geldt de uitzondering niet. Zo’n gebouw valt dus wel binnen het toepassingsbereik van deze paragraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid op de gevel van een tijdelijk toegelaten trillinggevoelig gebouw. De reden voor het uitzonderen is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de trillingnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als trillinggevoelig gebouw.

Tweede lid

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 werden mantelzorgwoningen die vergunningvrij werden gebouwd dan wel bestaande gebouwen die zonder vergunning voor huisvesting in verband met mantelzorg werden gebruikt, niet beschermd tegen de milieuhinder van milieubelastende activiteiten. Datzelfde gold voor het Omgevingsplan Amsterdam zoals dat op 1 januari 2024 van rechtswege is ontstaan. 

Per 31 oktober 2024 is het Omgevingsplan Amsterdam met het "Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling" aangepast. Omdat het Besluit kwaliteit leefomgeving mantelzorgwoningen tegen milieuhinder wel beschermt, geldt onderdeel 9.2.2.4 sindsdien ook voor mantelzorgwoningen. Met dat wijzigingsbesluit werd ook artikel 22.36, aanhef en onder a of c, geschrapt dat het vergunningvrij bouwen of gebruiken van mantelzorgwoningen mogelijk maakte. 

In het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor rechtmatige bestaande milieubelastende activiteiten in de omgeving van mantelzorgwoningen. Hiermee wordt voorkomen dat die milieubelastende activiteiten hun bedrijfsvoering moeten aanpassen om te kunnen voldoen aan de milieuregels in dit omgevingsplan. Als peilmoment wordt hierbij 31 oktober 2024 gebruikt, het moment waarop het "Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling" in werking is getreden. Milieubelastende activiteiten die hierna zijn gestart dan wel hun bedrijfsvoering na die datum hebben aangepast moeten bij de uitvoering van hun werkzaamheden wel rekening houden met beschermde mantelzorgwoningen.

De uitzondering geldt ook alleen ten aanzien van mantelzorgwoningen die voor 31 oktober 2024 al aanwezig waren en die vergunningvrij zijn gebouwd dan wel in gebruik genomen. Bij de formulering van de zinsnede ‘alleen was toegelaten’ is de term ‘alleen’ van belang. Als een mantelzorgwoning bijvoorbeeld op grond van het voormalige bestemmingsplan (nu tijdelijk deel van het omgevingsplan) of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegestaan, dan geldt de uitzondering niet. In dat geval is de aanvaardbaarheid van de milieuhinder getoetst bij die besluiten. 

Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.84 van de bruidsschat (tijdelijk deel).

FFFFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.83 Toepassingsbereik

Eerste lid:

Dit artikel bepaalt dat deze subsubparagraaf van toepassing is op de geur door een activiteit als bedoeld in het algemene toepassingsbereik van deze afdeling. 

Tweede lid: 

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 werden mantelzorgwoningen die vergunningvrij werden gebouwd dan wel bestaande gebouwen die zonder vergunning voor huisvesting in verband met mantelzorg werden gebruikt, niet beschermd tegen de milieuhinder van milieubelastende activiteiten. Datzelfde gold voor het Omgevingsplan Amsterdam zoals dat op 1 januari 2024 van rechtswege is ontstaan. 

Per 31 oktober 2024 is het Omgevingsplan Amsterdam met het "Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling" aangepast. Omdat het Besluit kwaliteit leefomgeving mantelzorgwoningen tegen milieuhinder wel beschermt, geldt deze subsubparagraaf sindsdien ook voor mantelzorgwoningen. Met dat wijzigingsbesluit werd ook artikel 22.36, aanhef en onder a of c, geschrapt dat het vergunningvrij bouwen of gebruiken van mantelzorgwoningen mogelijk maakte. 

In het derde lid wordt een uitzondering gemaakt voor rechtmatige bestaande milieubelastende activiteiten in de omgeving van mantelzorgwoningen. Hiermee wordt voorkomen dat die milieubelastende activiteiten hun bedrijfsvoering moeten aanpassen om te kunnen voldoen aan de milieuregels in dit omgevingsplan. Als peilmoment wordt hierbij 31 oktober 2024 gebruikt, het moment waarop het "Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling" in werking is getreden. Milieubelastende activiteiten die hierna zijn gestart dan wel hun bedrijfsvoering na die datum hebben aangepast moeten bij de uitvoering van hun werkzaamheden wel rekening houden met beschermde mantelzorgwoningen.

De uitzondering geldt ook alleen ten aanzien van mantelzorgwoningen die voor 31 oktober 2024 al aanwezig waren en die vergunningvrij zijn gebouwd dan wel in gebruik genomen. Bij de formulering van de zinsnede ‘alleen was toegelaten’ is de term ‘alleen’ van belang. Als een mantelzorgwoning bijvoorbeeld op grond van het voormalige bestemmingsplan (nu tijdelijk deel van het omgevingsplan) of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegestaan, dan geldt de uitzondering niet. In dat geval is de aanvaardbaarheid van de milieuhinder getoetst bij die besluiten. 

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.90, eerste lid van de bruidsschat (tijdelijk deel).

GGGGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.96 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 

Eerste lid:

In artikel 5.90 van het Bkl zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en in de Bruidsschat kregen deze gebouwen dezelfde bescherming tegen geurhinder als alle andere geurgevoelige objecten. Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke geurgevoelige gebouwen die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming in de vorm van geurwaarden en afstandseisen blijven houden. 

Tweede lid:

Het tweede lid gaat over reeds toegelaten maar nog niet aanwezige en in aanbouw zijnde geurgevoelige gebouwen die op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit artikellid geen bescherming voor geur. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de Bruidsschat boden namelijk geen bescherming voor geur aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.

Derde lid: 

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 werden mantelzorgwoningen die vergunningvrij werden gebouwd dan wel bestaande gebouwen die zonder vergunning voor huisvesting in verband met mantelzorg werden gebruikt, niet beschermd tegen de milieuhinder van milieubelastende activiteiten. Datzelfde gold voor het Omgevingsplan Amsterdam zoals dat op 1 januari 2024 van rechtswege is ontstaan. 

Per 31 oktober 2024 is het Omgevingsplan Amsterdam met het "Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling" aangepast. Omdat het Besluit kwaliteit leefomgeving mantelzorgwoningen tegen milieuhinder wel beschermt, geldt onderdeel 9.2.3.1 sindsdien ook voor mantelzorgwoningen. Met dat wijzigingsbesluit werd ook artikel 22.36, aanhef en onder a of c, geschrapt dat het vergunningvrij bouwen of gebruiken van mantelzorgwoningen mogelijk maakte. 

In het derde lid wordt een uitzondering gemaakt voor rechtmatige bestaande milieubelastende activiteiten in de omgeving van mantelzorgwoningen. Hiermee wordt voorkomen dat die milieubelastende activiteiten hun bedrijfsvoering moeten aanpassen om te kunnen voldoen aan de milieuregels in dit omgevingsplan. Als peilmoment wordt hierbij 31 oktober 2024 gebruikt, het moment waarop het "Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling" in werking is getreden. Milieubelastende activiteiten die hierna zijn gestart dan wel hun bedrijfsvoering na die datum hebben aangepast moeten bij de uitvoering van hun werkzaamheden wel rekening houden met beschermde mantelzorgwoningen.

De uitzondering geldt ook alleen ten aanzien van mantelzorgwoningen die voor 31 oktober 2024 al aanwezig waren en die vergunningvrij zijn gebouwd dan wel in gebruik genomen. Bij de formulering van de zinsnede ‘alleen was toegelaten’ is de term ‘alleen’ van belang. Als een mantelzorgwoning bijvoorbeeld op grond van het voormalige bestemmingsplan (nu tijdelijk deel van het omgevingsplan) of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegestaan, dan geldt de uitzondering niet. In dat geval is de aanvaardbaarheid van de milieuhinder getoetst bij die besluiten. 

Dit artikel is de voortzetting van artikel 22.91 van de bruidsschat (tijdelijk deel). 

HHHHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.119 Voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand

Eerste lid:

Dit artikel is van toepassing op een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen. Dit artikel geldt bij alle milieubelastende activiteiten, die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling. Zo is dit artikel niet alleen van toepassing bij een bedrijf voor mestbehandeling, als bedoeld in artikel 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving, maar op alle mestvergistingsinstallaties die voldoen aan de omschrijving in het eerste lid. 

Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat in artikel 5.124 instructieregels voor geur bij het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten. Deze instructieregels gelden bij een bedrijf voor mestbehandeling, als bedoeld in artikel 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze subsubparagraaf van het omgevingsplan geeft uitvoering aan die instructieregels, maar geldt ook voor deze activiteit als deze geen onderdeel uitmaakt van een van de genoemde Bal-mba.

Tweede lid:

Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Een vergunningplicht kan onder meer gelden bij mestverwerking van meer dan 25.000 m3 mest van derden (grootschalige mestverwerking, artikel 3.91 Besluit activiteiten leefomgeving) of als de vergistingsinstallatie onderdeel is van een IPPC-installatie. 

(gereserveerd)

Derde lid:

Dit is een voortzetting van het voormalige recht. De bepaling dat bepaalde gebruikseisen bij maatwerkvoorschrift kon worden vastgelegd is niet expliciet overgenomen. Die mogelijkheid valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van dit hoofdstuk van dit omgevingsplan. Het stellen van gebruiksregels aanvullend op de afstandseis kan nodig zijn om te voldoen aan artikel 5.92 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, dat vereist dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hierbij kan gedacht worden aan maatwerkvoorschriften over: 

- de situering van de voorziening; 

- het gesloten uitvoeren van de voorziening; 

- de ligging en afvoerhoogte van het emissiepunt, wanneer emissies worden afgezogen; 

- de toepassing van een doelmatige ontgeuringsinstallatie. 

Dit artikel vormt de voortzetting van artikel 22.118 van de bruidsschat (tijdelijk deel) en van de artikelen 3.129c en 3.129g, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.Hetmilieubeheer. Het artikel geeft uitvoering aan artikel 5.124 Bkl.

IIIIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.159 Bodem: eindonderzoek bodem

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Eerste lid:

Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verontreinigd of aangetast. Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voorgeschreven, is niet langer verplicht voor deze activiteit. Degene die het pekelen van dierlijke bijproducten of organen beëindigd kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan het beëindigen van de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.

Tweede lid:

Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht: 

– op de bodembedreigende stoffen die als gevolg van de activiteit in de bodem kunnen geraken of daarin terecht kunnen zijn gekomen; en

– op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht.

Derde lid:

Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek moet voldoen aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een instelling met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

Paragraaf 6.2.5 van de Omgevingsregeling bevat kwaliteitseisen voor het uitvoeren van bodemonderzoeken. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit lid is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving. 

Dit artikel vormt de voortzetting van artikel 22.208 van de bruidsschat (tijdelijk deel). 

JJJJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.162 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Eerste lid:

Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld. Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht.

De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:

– de waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd;

– de bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart; of

– de kwaliteitsklasse landbouw/natuur bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit.

Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit. Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.

Tweede lid:

Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een persoon of onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

Paragraaf 6.2.5 van de Omgevingsregeling bevat kwaliteitseisen voor het verrichten van herstelwerkzaamheden. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit lid is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

Dit artikel vormt de voortzetting van artikel 22.211 van de bruidsschat (tijdelijk deel). 

KKKKKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.167 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 

Dit artikel bevat enkele aanvullende regels met betrekking tot het toepassingsbereik, die in feite van overgangsrechtelijke aard zijn. Om die reden is ervoor gekozen ze in een apart artikel op te nemen. Het artikel bevat een tweetal uitzonderingen op de hoofdregel in artikel 9.166.

Eerste lid:

Het eerste lid bevat een uitzondering op de uitzondering in artikel 9.166, derde lid, onder b. De daar opgenomen uitzondering voor een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw geldt alleen voor een geluidgevoelig gebouw dat na inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar.  Voor een geluidgevoelig gebouw dat al voor inwerkingtreding is toegelaten (onder a) of waarvoor een vergunning is aangevraagd voor de inwerkingtreding en die vervolgens is toegelaten (onder b) geldt de uitzondering niet. Zo’n gebouw valt dus wel binnen het toepassingsbereik van deze subsubparagraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid op de gevel van een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw. De reden voor het uitzonderen is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als geluidgevoelig gebouw. 

Tweede lid:

Ook het tweede lid bevat uitzonderingen van overgangsrechtelijke aard. Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen reeds toegelaten, maar nog niet aanwezige geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is bij de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving veranderd. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in het omgevingsplan, zou toetsing op een dergelijk ´geprojecteerd´ gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. Het is ongewenst dat voor rechtmatige bestaande situaties ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een nog niet aanwezig geluidgevoelig gebouw.

Derde lid

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 werden mantelzorgwoningen die vergunningvrij werden gebouwd dan wel bestaande gebouwen die zonder vergunning voor huisvesting in verband met mantelzorg werden gebruikt, niet beschermd tegen de milieuhinder van milieubelastende activiteiten. Datzelfde gold voor het Omgevingsplan Amsterdam zoals dat op 1 januari 2024 van rechtswege is ontstaan. 

Per 31 oktober 2024 is het Omgevingsplan Amsterdam met het "Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling" aangepast. Omdat het Besluit kwaliteit leefomgeving mantelzorgwoningen tegen milieuhinder wel beschermt, geldt onderdeel 9.2.3.4.1 sindsdien ook voor mantelzorgwoningen. Met dat wijzigingsbesluit werd ook artikel 22.36, aanhef en onder a of c, geschrapt dat het vergunningvrij bouwen of gebruiken van mantelzorgwoningen mogelijk maakte. 

In het derde lid wordt een uitzondering gemaakt voor rechtmatige bestaande milieubelastende activiteiten in de omgeving van mantelzorgwoningen. Hiermee wordt voorkomen dat die milieubelastende activiteiten hun bedrijfsvoering moeten aanpassen om te kunnen voldoen aan de milieuregels in dit omgevingsplan. Als peilmoment wordt hierbij 31 oktober 2024 gebruikt, het moment waarop het "Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling" in werking is getreden. Milieubelastende activiteiten die hierna zijn gestart dan wel hun bedrijfsvoering na die datum hebben aangepast moeten bij de uitvoering van hun werkzaamheden wel rekening houden met beschermde mantelzorgwoningen.

De uitzondering geldt ook alleen ten aanzien van mantelzorgwoningen die voor 31 oktober 2024 al aanwezig waren en die vergunningvrij zijn gebouwd dan wel in gebruik genomen. Bij de formulering van de zinsnede ‘alleen was toegelaten’ is de term ‘alleen’ van belang. Als een mantelzorgwoning bijvoorbeeld op grond van het voormalige bestemmingsplan (nu tijdelijk deel van het omgevingsplan) of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegestaan, dan geldt de uitzondering niet. In dat geval is de aanvaardbaarheid van de milieuhinder getoetst bij die besluiten. 

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.55 van de bruidsschat (tijdelijk deel).

LLLLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.177 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 

Eerste lid:

In artikel 9.176, tweede lid zijn (conform het Besluit kwaliteit leefomgeving) slagschaduwgevoelige gebouwen, die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over slagschaduw in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en in de bruidsschat kregen deze tijdelijke toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen wel bescherming. Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouwen, die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming tegen slagschaduw blijven houden.

Tweede lid:

Het tweede lid, gaat over reeds toegelaten, maar nog niet aanwezige (geprojecteerde) en in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen, die op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor slagschaduw. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de bruidsschat bood namelijk geen bescherming tegen slagschaduw aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.

Derde lid:

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 werden mantelzorgwoningen die vergunningvrij werden gebouwd dan wel bestaande gebouwen die zonder vergunning voor huisvesting in verband met mantelzorg werden gebruikt, niet beschermd tegen de milieuhinder van milieubelastende activiteiten. Datzelfde gold voor het Omgevingsplan Amsterdam zoals dat op 1 januari 2024 van rechtswege is ontstaan. 

Per 31 oktober 2024 is het Omgevingsplan Amsterdam met het "Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling" aangepast. Omdat het Besluit kwaliteit leefomgeving mantelzorgwoningen tegen milieuhinder wel beschermt, geldt onderdeel 9.2.3.4.2 sindsdien ook voor mantelzorgwoningen. Met dat wijzigingsbesluit werd ook artikel 22.36, aanhef en onder a of c, geschrapt dat het vergunningvrij bouwen of gebruiken van mantelzorgwoningen mogelijk maakte. 

In het derde lid wordt een uitzondering gemaakt voor rechtmatige bestaande milieubelastende activiteiten in de omgeving van mantelzorgwoningen. Hiermee wordt voorkomen dat die milieubelastende activiteiten hun bedrijfsvoering moeten aanpassen om te kunnen voldoen aan de milieuregels in dit omgevingsplan. Als peilmoment wordt hierbij 31 oktober 2024 gebruikt, het moment waarop het "Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling" in werking is getreden. Milieubelastende activiteiten die hierna zijn gestart dan wel hun bedrijfsvoering na die datum hebben aangepast moeten bij de uitvoering van hun werkzaamheden wel rekening houden met beschermde mantelzorgwoningen.

De uitzondering geldt ook alleen ten aanzien van mantelzorgwoningen die voor 31 oktober 2024 al aanwezig waren en die vergunningvrij zijn gebouwd dan wel in gebruik genomen. Bij de formulering van de zinsnede ‘alleen was toegelaten’ is de term ‘alleen’ van belang. Als een mantelzorgwoning bijvoorbeeld op grond van het voormalige bestemmingsplan (nu tijdelijk deel van het omgevingsplan) of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegestaan, dan geldt de uitzondering niet. In dat geval is de aanvaardbaarheid van de milieuhinder getoetst bij die besluiten. 

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.215 van de bruidsschat (tijdelijk deel). 

MMMMMMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.182 Lichtschittering: meten reflectiewaarden

De methode van meten van reflectiewaarden is opgenomen in NEN-EN-ISO 2813, ‘Verven en vernissen - Metingen van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20°, 60° en 85°, uitgave 1999’. Indien de geschiktheid onderbouwd, kan per maatwerkvoorschrift of omgevingsvergunning het gebruik van een gelijkwaardige meetmethode toegestaan worden. Gelijkwaardige meetmethoden zijn bijvoorbeeld opgenomen in DIN (Deutsche Industrie Norm) 67530 en NEN 3632.

Paragraaf 6.2.7 van de Omgevingsregeling bevat meetregels over de lichtschittering van een windturbine. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit lid is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving. 

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.220 van de bruidsschat (tijdelijk deel). 

NNNNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.203 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen

Eerste lid: 

Het opslaan van propaan en propeen in een opslagtank geeft veiligheidsrisico's voor de omgeving. Voor het toelaten van deze activiteit stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels, in het bijzonder ten aanzien van het plaatsgebonden risico, groepsrisico, aandachts- en voorschriftengebieden. Daarom is in dit omgevingsplan een vergunningplicht opgenomen om de risico's en de ruimtelijke inpassing te beoordelen. 

Op grond van artikel 3.22 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geldt er een vergunningplicht voor opslagtanks voor propaan en propeen met een inhoud van meer dan 13 m3. De beoordeling van de risico’s en inpassing vindt dan al plaats in het kader van die vergunning. Daarom is het toepassingsbereik van dit artikel afgebakend op de vergunningplicht op grond van het Bal.

Tweede lid: 

De aanvraag om de omgevingsvergunning wordt beoordeeld op de veiligheidsrisico's. De relevante artikelen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in dit lid genoemd. Deze beoordelingsregels zijn ook van toepassing voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten die als vergunningplichtig zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving. 

In het tweede lid is een drietal aantal uitzonderingen opgenomen van de vergunningplicht. 

In onderdeel a is overgangsrecht opgenomen voor bestaande activiteiten die rechtmatig in werking zijn. Dit is een afwijkende regeling ten opzichte van het algemene overgangsrecht zoals in artikel 23.5 opgenomen. Dat artikel bepaalt dat voor rechtmatig bestaande activiteiten een vergunning van rechtswege geldt voor een termijn van twee jaar. Binnen twee jaar zouden tankhouders een vergunning moeten aanvragen. Dat is echter een onredelijke zware verplichting voor bestaande situaties. Het treffen van maatregelen, zoals het verplaatsen van de tank, is kostbaar waardoor het niet de verwachting is dat die vaak vereist zullen worden. Dit neemt overigens niet weg dat in enkele bijzondere gevallen het nemen van maatregelen wel noodzakelijk zal zijn. In dat geval kan het bevoegde gezag in een maatwerkvoorschrift het treffen van maatregelen eisen op grond van de zorgplicht zoals opgenomen in artikel 9.4 en 9.12. Tot slot wordt erop gewezen dat voor alle bestaande opslagtanks ook algemene regels gelden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

In onderdeel b is een uitzondering gemaakt voor opslag van kortere duur. Indien de opslag van propaan of propeen korter duurt dan drie maanden, dan geldt de vergunningplicht niet. De algemene regels van het Besluit activiteiten leefomgeving gelden ook voor tijdelijke opslag, waarmee al een minimum veiligheidsniveau wordt geborgd. De risico's in dit geval zijn zodanig beperkt in tijd dat een nadere ruimtelijke afweging niet noodzakelijk is. Het Besluit activiteiten leefomgeving verplicht om de (tijdelijke) opslag van propaan of propaan voor de start van de activiteit te melden. Dit biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid om eventueel maatregelen te eisen als de gevolgen van de tijdelijke opslag toch onaanvaardbaar zouden zijn.

Van deze uitzondering kunnen naar verwachting veel bouwprojecten gebruik maken. In dat verband wordt opgemerkt dat de milieuregels in afdeling 9.2 niet gelden voor het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden (zie artikel 9.10, eerste lid, aanhef en onder b). Indien de opslag van propaan of propeen plaats vindt ten behoeve van een ondersteunende bouwactiviteit (bijvoorbeeld voor het verwarmen van een bouwkeet), dan gelden van de milieuregels wel. Voor die situaties is onderdeel b van dit lid van toepassing. 

De derde uitzondering in onderdeel c is opgenomen voor situaties waarin de risico's voor de omgeving beperkt zijn doordat de aandachtsgebieden van de opslagtank geheel op eigen terrein liggen. Buiten een aandachtsgebied zijn mensen binnen gebouwen immers voldoende beschermd tegen de gevolgen van incident met een opslagtank. Bij deze uitzondering geldt een nadere voorwaarde dat binnen dat aandachtsgebied (op eigen terrein) geen zeer kwetsbaar gebouw ligt. Gedacht kan worden aan een opvang voor kinderen in het buitengebied waar propaan of propeen wordt gebruikt om de gebouwen te verwarmen. In dat geval is het wenselijk dat de risico's afgewogen kunnen worden, waarbij ook de mogelijkheden voor het treffen van maatregelen beoordeeld worden. 

Derde lid: 

Een deel van de gevraagde gegevens en bescheiden moeten ook verstrekt worden bij de melding op grond van artikel 4.897 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt. Het is dus voldoende om de gegevens éénmaal te verstrekken.

Vierde lid:

De aanvraag om de omgevingsvergunning wordt beoordeeld op de veiligheidsrisico's. De relevante artikelen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in dit lid genoemd. Deze beoordelingsregels zijn ook van toepassing voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten die als vergunningplichtig zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.262, 22.258 en 22.270 van de bruidsschat (tijdelijk deel). De ondergrens is verlaagd tot het opslaan in één opslagtank in verband met de aanwijzing in bijlage VII, onderdeel A, onder 7, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

OOOOOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.204 Omgevingsvergunning tanken met LPG

Eerste lid: 

Het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG geeft veiligheidsrisico's voor de omgeving. Voor het toelaten van deze activiteit stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels, in het bijzonder ten aanzien van het plaatsgebonden risico, groepsrisico, aandachts- en voorschriftengebieden. Daarom is in dit omgevingsplan een vergunningplicht opgenomen om de risico's en de ruimtelijke inpassing te beoordelen. 

Tweede lid: 

De aanvraag om de omgevingsvergunning wordt beoordeeld op de veiligheidsrisico's. De relevante artikelen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in dit lid genoemd. Deze beoordelingsregels zijn ook van toepassing voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten die als vergunningplichtig zijn aangewezen op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Derde lid: 

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.472a van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt. Het is dus voldoende om de gegevens éénmaal te verstrekken.

Vierde lid

Dit is overgangsrecht voor rechtmatig bestaande situaties. Deze aanvulling op het algemeen overgangsrecht in hoofdstuk 23 is met name relevant voor activiteiten die vergunningplichtige milieubelastende activiteiten ondersteunen of daarmee samenhangen, bedoeld in artikel 9.10, eerste lid, onder j. 

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.263, 22.258 en 22.270 van de bruidsschat (tijdelijk deel). 

PPPPPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.205 Verbod start activiteit met risico

Dit artikel bevat een verbod op het starten van een activiteit met risico met het oog op de verplichting om in bepaalde gevallen een voorschriftengebied aan te wijzen bij een activiteit met een risico-aandachtsgebied. Dit artikel regelt dat in zo’n geval de activiteit niet kan starten voordat het voorschriftengebied is aangewezen of hiervan gemotiveerd is afgezien.

Dit artikel is van toepassing op risicovolle activiteiten zoals afgebakend in het eerste lid. In bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn activiteiten aangewezen die vanwege de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines risico's voor de  omgeving hebben. Op deze activiteiten zijn bepaalde instructieregels van het Bkl van toepassing. Gelet op artikel 5.14 Bkl moeten brand- of explosieaandachtsgebieden als brand- of explosievoorschriftengebieden aangewezen worden (tenzij ervan gemotiveerd is afgezien). Het aanwijzen van een voorschriftengebied heeft tot gevolg dat de bouwkundige maatregelen op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving zullen gelden voor nieuwe gebouwen binnen het voorschriftengebied. Afzien van het aanwijzen van het aandachtsgebied als voorschriftengebied is alleen mogelijk als binnen het gebied geen zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten (feitelijk aanwezig of juridisch mogelijk gemaakt). Zie verder de toelichting bij de artikelen 4.1174.120 en 4.1184.121 van dit omgevingsplan.

Niet alle in bijlage VII Bkl aangewezen activiteiten hebben een brand- of explosieaandachtsgebied. Voor de toepassing van dit artikel zijn de risicovolle activiteiten zonder aandachtsgebied niet relevant en vallen daarom ook buiten het toepassingsbereik. Ook het transport van gevaarlijke stoffen over het basisnet (onderdeel C van bijlage VII Bkl) is niet relevant voor omdat het een bestaande activiteit betreft die in ministeriële regeling is aangewezen. 

Het is mogelijk om het voorschriftengebied reeds vooraf, bij het toelaten van de (risicovolle) activiteit met een aandachtsgebied aan te wijzen (dan wel ervan gemotiveerd af te zien). Dat kan door het 'toelaten van een aandachtsgebied' als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

Indien dat nog niet is gebeurd of onwenselijk is, dan moet het brand- of explosievoorschriftengebied in ieder geval aangewezen zijn als een activiteit met brand- of explosieaandachtsgebied start (tenzij ervan gemotiveerd is afgezien). Om te kunnen voldoen aan deze verplichting, is dit artikel opgenomen. 

De activiteiten met brand- of explosieaandachtsgebied hebben doorgaans een vergunning op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving nodig. De activiteiten die op grond van dat besluit niet als vergunningplichtig zijn aangewezen, namelijk het opslaan van propaan of propeen in een opslagtank tot 13 m3 en het tanken van LPG, hebben op grond van dit omgevingsplan een vergunning nodig (zie de artikelen 9.203 en 9.204).

Indien de risico's van de aangevraagde activiteit aanvaardbaar worden gevonden, kan de vergunning verleend worden ondanks het feit dat er nog geen voorschriftengebied is aangewezen (of het bevoegd gezag daarvan gemotiveerd heeft afgezien). Daarom is het nodig om te bepalen dat men van de vergunning slechts gebruik kan maken als het voorschriftengebied reeds is aangewezen dan wel daarvan is afgezien. 

Er zal getracht worden om de besluitvorming omtrent het voorschriftengebied zo veel mogelijk af te stemmen op het vergunningentraject opdat exploitanten zo snel mogelijk gebruik kunnen maken van hun vergunning. Indien bij het toelaten van de risicoactiviteit (bij het wijzigen van dit omgevingsplan) reeds een voorschriftengebied is aangewezen (of ervan is afgezien), dan wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in het tweede lid. In dat geval kan exploitant meteen gebruik maken van de vergunning zodra die in werking treedt. 

QQQQQQQQQQQQQQQQQ

Na sectie ' Vergunningvoorschriften' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 9.229 Overgangsrecht

Dit is overgangsrecht voor rechtmatig bestaande situaties. Deze aanvulling op het algemeen overgangsrecht in hoofdstuk 23 is met name relevant voor activiteiten die vergunningplichtige milieubelastende activiteiten ondersteunen of daarmee samenhangen, bedoeld in artikel 9.10, eerste lid, onder j. 

RRRRRRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.237 Lozen van huishoudelijk afvalwater: eerbiedigende werking

In de regelgeving die gold voor inwerkingtreding van dit artikel was het onder omstandigheden toegestaan dat huishoudelijk afvalwater werd geloosd op de bodem, na zuivering in een particuliere voorziening (particuliere IBA). Deze situaties doen zich in Amsterdam niet of nauwelijks voor. Daarom is deze regeling niet overgenomen in het Omgevingsplan en vervangen door de vergunningplicht in artikel 9.235. 

Dit artikel bevat een overgangsrechtelijke bepaling voor bestaande lozingen die op grond van de voorheen geldende regelgeving rechtmatig plaatsvonden. Bestaande rechtmatige lozingen hebben geen omgevingsvergunning nodig zo lang er wordt voldaan aan de voorheen geldende eisen. Deze eisen zijn in het tweede lid van dit artikel opgenomen. Rechtmatig bestaande lozingen zijn lozingen die direct voorafgaand aan de gelding van dit artikel plaatsvonden in overeenstemming met paragraaf 22.3.8.3 van het tijdelijk deel van dit Omgevingsplan.

Paragraaf 6.2.2.2 van de Omgevingsregeling bevat regels voor het bepalen van de nominale inhoud en het hydraulisch rendement van septic tanks. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit lid is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving. 

SSSSSSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.241 Toepassingsbereik

Eerste lid:

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater anders dan bij wonen. Het toepassingsbereik van deze paragraaf is ruimer dan het toepassingsbereik van afdeling 9.2 (milieubelastende activiteiten anders dan lozen), omdat de beperkingen van artikel 9.10 niet gelden. De regels over lozen gelden dus ook in de openbare ruimte of bij bouwen. 

Tweede lid:

Het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis vindt plaats bij wonen. Daarom is in het tweede lid van dit artikel bepaald dat de regels voor het lozen van afvalwater in deze afdeling wél van toepassing zijn bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis. De regels van deze afdeling gelden voor de beroeps- of bedrijfsactiviteit. Dit komt overeen met de regeling onder het oude recht. Toen golden de regels van het Activiteitenbesluit voor een activiteit die bedrijfsmatig, of in omvang als bedrijfsmatig werd uitgevoerd. Eventueel kan met maatwerk op grond van artikel 9.5 van de voorschriften in deze paragraaf worden afgeweken als hier gezien de omvang of uitvoering van de activiteit in een concreet geval aanleiding voor is.

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet was het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer bepalend: een bedrijfsmatige activiteit moest aan de regels voor inrichtingen voldoen, als deze was aangewezen in  bijlage I bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.  Het uitoefenen van beroep of bedrijf dat uitsluitend uit administratieve werkzaamheden (bureauwerk) bestaat is daarom in dit artikellid uitgezonderd. Onder het voormalige recht voldeed deze activiteit weliswaar aan het begrip inrichting, maar het was geen aangewezen activiteit bijlage I bij het voormalige Besluit omgevingsrecht en dus was het Activiteitenbesluit niet van toepassing hierop. 

Voor de lozingen van het wonen, zoals het huishoudelijk afvalwater of water dat bij het ramenlappen in de bodem loopt gelden de regels voor wonen.

Derde lid:

Op ‘milieuvergunningplichtige’ activiteiten blijft afdeling 22.3 van toepassing (zie artikel 22.41). Die afdeling bevat ook regels met betrekking tot lozingen. Om dubbele regeling te voorkomen wordt het toepassingsbereik van deze paragraaf beperkt.  Hiermee worden lozingen bij vergunningplichtige activiteiten uitgezonderd. 

Vierde lid:

Activiteiten die met een vergunningplichtige activiteit samenhangen of die ondersteunen en die op dezelfde locatie worden verricht als de vergunningplichtige activiteit worden tevens uitgezonderd van het toepassingsbereik van deze paragraaf. Voor deze 'samenhangende of ondersteunende activiteiten' gelden de regels van afdeling 22.3. Naast de regels in afdeling 22.3 dienen ´samenhangende of ondersteunende activiteiten´ ook te voldoen aan de volgende regels van deze afdeling: 

  • subparagraaf 9.3.2.2 Vangnetvergunningplichten lozen op of in de bodem of in schoonwaterriool;

  • subparagraaf 9.3.2.11 Lozen van koelwater;

  • subparagraaf 9.3.2.21 Lozen bij slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen; en

  • subparagraaf 9.3.2.22 Lozen bij het wassen van motorvoertuigen. 

Deze regels gelden niet voor vergunningplichtige activiteiten. Daarom bevat afdeling 22.3 geen vergelijkbare regels. Om te voorkomen dat voor de 'samenhangende of ondersteunende activiteiten' regels ontbreken die nodig zijn om gevolgen voor het milieu te beperken, worden de genoemde regels in dit lid wel van toepassing verklaard. 

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.42 derde lid van de bruidsschat (tijdelijk deel) en het is licht aangepast. 

TTTTTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.246 Vergunningplicht lozen op of in de bodem 

Eerste lid:

In de volgende subparagrafen van deze paragraaf zijn verschillende lozingen in de bodem toegestaan. Voor alle andere lozingen is een voorafgaande toestemming vereist, vanwege de nadelige gevolgen die dergelijke lozingen kunnen hebben voor de bodemkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voorheen was hiervoor een maatwerkvoorschrift op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit lozen buiten inrichtingen of het Besluit lozing afvalwater huishoudens vereist. Een omgevingsvergunning ligt echter meer voor de hand omdat de activiteit zonder toestemming geheel verboden is.

Tweede lid:

Onderdeel a

De vergunningplicht geldt niet voor lozingen die afkomstig zijn van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Dat besluit bevat regels die ter bescherming van de bodem nodig zijn. Het op of in de bodem brengen van afvalstoffen is in het Bal aangewezen als milieubelastende activiteit (paragraaf 3.2.14 Bal). Het lozen van afvalwater is echter uitgezonderd van deze aanwijzing (artikel 3.40b Bal).

Onderdeel b

Hoofdstuk 16 van het Bal bevat een vergunningplicht voor grote wateronttrekkingsactiviteiten voor industriële toepassingen en het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater bij die wateronttrekking. Als die vergunning de lozing regelt, dan geldt de vergunningplicht van dit artikel niet.

Derde lid:

De beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn van overeenkomstige toepassing op het verlenen van deze vergunning. Dat sluit aan op de situatie die gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In deze artikelen staan de algemene beoordelingsregels voor vergunningen voor milieubelastende activiteiten. Een vergunning wordt alleen verleend als onder andere emissies in het water en de bodem worden voorkomen en alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen. Verder moet rekening worden gehouden met voorkeursvolgorde voor afvalwater (artikel 10.29a Wet milieubeheer) en het Landelijk afvalbeheerplan. Op grond van artikel 5.34 van de Omgevingswet is het mogelijk om voorschriften aan de vergunning te verbinden. 

Vierde lid:

In het vierde lid zijn de aanvraagvereisten opgenomen. Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en het soort afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de bodemkwaliteit te beoordelen.

Vijfde lid: 

Dit is overgangsrecht voor rechtmatig bestaande situaties. Deze aanvulling op het algemeen overgangsrecht in hoofdstuk 23 is met name relevant voor activiteiten die vergunningplichtige milieubelastende activiteiten ondersteunen of daarmee samenhangen, bedoeld in artikel 9.241, vierde lid. 

Dit artikel is een voortzetting van de inmiddels vervallen artikelen 22.268 en 22.270 van de bruidsschat (tijdelijk deel). De uitzondering voor wonen uit dat artikel is niet overgenomen omdat in dit omgevingsplan de regels voor lozen van afvalwater bij wonen in een aparte paragraaf staan en dit artikel daarom niet van toepassing is op wonen. 

UUUUUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.247 Vergunningplicht lozen in schoonwaterriool 

Eerste lid:

In de volgende subparagrafen van deze paragraaf zijn verschillende lozingen in het schoonwaterriool toegestaan. Voor alle andere lozingen is een voorafgaande toestemming vereist, vanwege de nadelige gevolgen die dergelijke lozingen kunnen hebben voor de doelmatige werking van die riolering en voor de oppervlaktewaterkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voorheen was hiervoor een maatwerkvoorschrift op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit lozen buiten inrichtingen of het Besluit lozing afvalwater huishoudens vereist. Een omgevingsvergunning ligt echter meer voor de hand, omdat de activiteit zonder toestemming geheel verboden is.

Tweede lid:

De vergunningplicht geldt niet voor lozingen die afkomstig zijn van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dat besluit bevat regels die ter bescherming van het riool en het oppervlaktewater nodig zijn.

Derde lid:

De beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn van overeenkomstige toepassing op het verlenen van deze vergunning. Dat sluit aan op de situatie die gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In deze artikelen staan de algemene beoordelingsregels voor vergunningen voor milieubelastende activiteiten. Een vergunning wordt alleen verleend als onder andere emissies in het water en de bodem worden voorkomen en alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen. Verder moet rekening worden gehouden met voorkeursvolgorde voor afvalwater (artikel 10.29a Wet milieubeheer) en het Landelijk afvalbeheerplan. Op grond van artikel 5.34 van de Omgevingswet is het mogelijk om voorschriften aan de vergunning te verbinden.

Vierde lid:

Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en het soort afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de riolering en de oppervlaktewaterkwaliteit te beoordelen.

Vijfde lid:

Dit is overgangsrecht voor rechtmatig bestaande situaties. Deze aanvulling op het algemeen overgangsrecht in hoofdstuk 23 is met name relevant voor activiteiten die vergunningplichtige milieubelastende activiteiten ondersteunen of daarmee samenhangen, bedoeld in artikel 9.241, vierde lid. 

Dit artikel is een voortzetting van de inmiddels vervallen artikelen 22.269 en 22.270 van de bruidsschat (tijdelijk deel). De uitzondering voor wonen uit dat artikel is niet overgenomen omdat in dit omgevingsplan de regels voor lozen van afvalwater bij wonen in een aparte paragraaf staan en dit artikel daarom niet van toepassing is op wonen. 

VVVVVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.250 Lozen van huishoudelijk afvalwater bij volkstuinparken

Het algemene uitgangspunt is, zoals in artikel 9.249 neergelegd, dat huishoudelijk afvalwater op het vuilwaterriool wordt geloosd. In enkele bijzondere gevallen kan lozen op of in de bodem toegestaan worden met een omgevingsvergunning. Volkstuinparken wijken echter af van die bijzondere situaties omdat deze lozing op of in de bodem bij volkstuinparken veel voorkomt maar in omvang beperkt is. Het is verder wenselijk dat de regels voor volkstuinparken duidelijk zijn gesteld. Daarom is ervoor gekozen dat het voorheen geldende regeling voor volkstuinparken voorlopig voort te zetten. 

In de Aanpak voor ontwikkeling Amsterdamse volkstuinparken (vastgesteld door de raad op 21 december 2022) is een onderzoek naar oplossingen voor de vuilwateropgave aangekondigd. De uitkomsten van dat onderzoek kunnen aanleiding geven om een andere regeling te treffen. Daarbij is het uiteraard mogelijk om per volkstuinpark verschillende oplossing te kiezen. 

Eerste lid: 

Dit artikel is uitsluitend van toepassing op lozingen uit volkstuinparken waar geen vuilwaterriool aanwezig. Bij vuilwaterriool hoeft niet om een openbaar riool te gaan. Indien een particuliere voorziening aanwezig is, dan wordt afvalwater daarop geloosd en niet op of in de bodem. 

Tweede lid:

In dit lid zijn de voorwaarden uitgeschreven waaraan de lozing op de bodem moet voldoen. Deze zijn afkomstig uit het voorheen geldende regelgeving, namelijk 22.149 van de bruidsschat. Dat is gebaseerd op de regelgeving die daarvoor gold. Omdat het hier om lozen in beperkte omvang gaat, zijn de voorwaarden van het derde lid van dat artikel overgenomen. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1 beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is. 

Derde lid:

Paragraaf 6.2.2.2 van de Omgevingsregeling bevat regels voor het bepalen van de nominale inhoud en het hydraulisch rendement van septic tanks. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit lid is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving. 

WWWWWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.252 Lozen van huishoudelijk afvalwater, anders dan wonen: eerbiedigende werking

Eerste lid:

In de regelgeving die gold voor inwerkingtreding van dit artikel was het onder omstandigheden toegestaan dat huishoudelijk afvalwater werd geloosd op de bodem, na zuivering in een particuliere voorziening (particuliere IBA). Deze situaties doen zich in Amsterdam niet of nauwelijks voor. Daarom is deze regeling niet overgenomen in het Omgevingsplan en vervangen door de vergunningplicht in artikel 9.249. 

Dit artikel bevat een overgangsrechtelijke bepaling voor bestaande lozingen die op grond van de voorheen geldende regelgeving rechtmatig plaatsvonden. Bestaande rechtmatige lozingen hebben geen omgevingsvergunning nodig zo lang er wordt voldaan aan de voorheen geldende eisen. Rechtmatig bestaande lozingen zijn lozingen die direct voorafgaand aan de gelding van dit artikel plaatsvonden in overeenstemming met paragraaf 22.3.8.3 van het tijdelijk deel van dit Omgevingsplan.

Tweede en derde lid:

In het tweede artikellid zijn de emissiegrenswaarden opgenomen. Deze gelden voor grotere lozingen. Voor kleinere lozingen geldt dat deze mogen plaatsvinden via een septictank die voldoet aan het derde lid. 

Vierde lid:

Paragraaf 6.2.2.2 van de Omgevingsregeling bevat regels voor het bepalen van de nominale inhoud en het hydraulisch rendement van septic tanks. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit lid is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving. 

XXXXXXXXXXXXXXXXX

Na sectie ' Lozen van huishoudelijk afvalwater, anders dan wonen: eerbiedigende werking' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 9.253 Meet- en rekenbepalingen

Paragraaf 6.2.2.1 van de Omgevingsregeling bevat meetregels voor het bepalen of er wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in dit onderdeel van het Omgevingsplan. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit artikel is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

YYYYYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.259 Meet- en rekenbepalingen 

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

Paragraaf 6.2.2.1 van de Omgevingsregeling bevat meetregels voor het bepalen of er wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in dit onderdeel van het Omgevingsplan. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit artikel is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.141 van de bruidsschat (tijdelijk deel).

ZZZZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.263 Meet- en rekenbepalingen 

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

Paragraaf 6.2.2.1 van de Omgevingsregeling bevat meetregels voor het bepalen of er wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in dit onderdeel van het Omgevingsplan. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit artikel is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.141 van de bruidsschat (tijdelijk deel).

AAAAAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.273 Meet- en rekenbepalingen 

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.

Paragraaf 6.2.2.1 van de Omgevingsregeling bevat meetregels voor het bepalen of er wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in dit onderdeel van het Omgevingsplan. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit artikel is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.160 van de bruidsschat (tijdelijk deel).

BBBBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.289 Meet- en rekenbepalingen 

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.

Paragraaf 6.2.2.1 van de Omgevingsregeling bevat meetregels voor het bepalen of er wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in dit onderdeel van het Omgevingsplan. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit artikel is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.180 van de bruidsschat (tijdelijk deel).

CCCCCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.293 Meet- en rekenbepalingen 

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.

Paragraaf 6.2.2.1 van de Omgevingsregeling bevat meetregels voor het bepalen of er wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in dit onderdeel van het Omgevingsplan. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit artikel is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.184 van de bruidsschat (tijdelijk deel).

DDDDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.297 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.

Paragraaf 6.2.2.1 van de Omgevingsregeling bevat meetregels voor het bepalen of er wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in dit onderdeel van het Omgevingsplan. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit artikel is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.191 van de bruidsschat (tijdelijk deel).

EEEEEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.304 Meet- en rekenbepalingen 

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.

Paragraaf 6.2.2.1 van de Omgevingsregeling bevat meetregels voor het bepalen of er wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in dit onderdeel van het Omgevingsplan. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit artikel is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.176 van de bruidsschat (tijdelijk deel).

FFFFFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.315 Meet- en rekenbepalingen 

Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.

Paragraaf 6.2.2.1 van de Omgevingsregeling bevat meetregels voor het bepalen of er wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in dit onderdeel van het Omgevingsplan. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit artikel is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.257 van de bruidsschat (tijdelijk deel).

GGGGGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.316 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het bereiden van voedingsmiddelen als bedoeld in subsubparagraaf 9.2.3.3.1. Die subsubparagraaf geldt alleen voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 9.10, dus bijvoorbeeld niet als de activiteit plaatsvindt in de openbare ruimte. Door de verwijzing naar subsubparagraaf 9.2.3.3.1 geldt deze beperking van het toepassingsbereik ook voor de regels over lozen bij de activiteit die in deze subparagraaf zijn opgenomen. Zie verder voor een toelichting op het toepassingsbereik de toelichting bij artikel 9.141. 

Paragraaf 6.2.2.1 van de Omgevingsregeling bevat meetregels voor het bepalen of er wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in dit onderdeel van het Omgevingsplan. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit artikel is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.196 van de bruidsschat (tijdelijk deel).

HHHHHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.318 Lozen van afvalwater: lozingsroute en vetafscheider

Eerste lid:

Vethoudend afvalwater wordt altijd op het vuilwaterriool geloosd.

Tweede lid:

Voor lozen op de bodem of het schoonwaterriool geldt het vangnetverbod (artikel 9.246 en 9.247). Om in dit artikel duidelijkheid te geven over alle lozingsroutes is ook in dit artikellid vermeld dat het afvalwater niet op of in de bodem of in een schoonwaterriool geloosd mag worden.

Derde lid:

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2. Op grond van het vijfde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde ‘afgestemd op de hoeveelheid water’.

In sommige gevallen bevat het afvalwater bij het bereiden van voedingsmiddelen niet zo veel vet dat een vetafscheider noodzakelijk is. Als dit het geval is dan kan door middel van een maatwerkvoorschrift worden toegestaan dat geen vetafscheider wordt toegepast. In het maatwerkvoorschrift wordt de specifieke bedrijfsvoering en werkwijze vastgelegd die er toe leidt dat er weinig vet in het afvalwater terechtkomt.

Vierde lid:

In de NEN-EN 1825-1 en -2 is geregeld hoe vaak de vetafscheider moet worden geleegd en gereinigd. Als de goede werking gewaarborgd blijft mag dit met een lagere frequentie. Als de vetafscheider te vol zit dan wordt het afvalwater niet goed gescheiden.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform de eisen zoals opgenomen in afdeling 6.2.2.2 van de Omgevingsregeling. Die technische eisen zijn alleen van toepassing op een vetafscheider en slibvangpunt die zijn geplaatst op of na 14 september 2004. Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de technische eisen van de Omgevingsregeling. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water».

In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. De tweede zin is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving. 

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.198 van de bruidsschat (tijdelijk deel). Lid 2 van dat artikel regelde het lozen op de bodem in gevallen waarin het afvalwater samen met huishoudelijk afvalwater via een particuliere zuivering mocht worden geloosd. Deze regeling is in dit Omgevingsplan niet overgenomen, maar vervangen door een vergunningplicht (zie art.  9.249 ). Het verbod om te lozen bij voedselrestvermaling uit lid 3 is in een apart artikel opgenomen (art.  9.319 ).

IIIIIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.322 Lozen van afvalwater: lozingsroute en zuivering  

Eerste lid:

Door het inpandig uitvoeren van het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten wordt voorkomen dat afvalwater onbedoeld in de bodem of het oppervlaktewater terecht komt.

Tweede lid:

Afvalwater afkomstig van deze activiteiten moet in het vuilwaterriool worden geloosd. 

Derde lid:

Voor lozen op de bodem of het schoonwaterriool geldt het vangnetverbod (artikel 9.246 en 9.247). Om in dit artikel duidelijkheid te geven over alle lozingsroutes is ook in dit artikellid vermeld dat het afvalwater niet op of in de bodem of in een schoonwaterriool geloosd mag worden.

Vierde lid:

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en -2. Op grond van het vierde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en -2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. In plaats van een vetafscheider kan ook een flocculatie-afscheider als alternatieve maatregel worden toegepast.

Een slibvangput en vetafscheider, die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan kan worden volstaan met de voorwaarde ’afgestemd op de hoeveelheid water’. Hetzelfde geldt voor een flocculatie-afscheider geplaatst voor 1 januari 2013.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform de eisen zoals opgenomen in afdeling 6.2.2.2 van de Omgevingsregeling. Die technische eisen zijn alleen van toepassing op een vetafscheider en slibvangpunt die zijn geplaatst op of na 14 september 2004. Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de technische eisen van de Omgevingsregeling. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water». Hetzelfde geldt voor een flocculatie-afscheider geplaatst voor 1 januari 2013.

In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. De tweede zin is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving. 

Voor meer uitleg over de zuivering bij het lozen van vethoudend afvalwater in een vuilwaterriool wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.407 van het Bal.

Vijfde lid:

Volgens NEN-EN 1825-1 en -2 moet men de vetafscheider eens per maand legen. Als de goede werking gewaarborgd blijft mag dit met een lagere frequentie. Als de vetafscheider te vol zit dan wordt het afvalwater niet goed gescheiden.

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.204 van de bruidsschat (tijdelijk deel). 

JJJJJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.326 Lozen van afvalwater 

Eerste en tweede lid:

Uitgangspunt is dat afvalwater afkomstig van het wassen van motorvoertuigen op het vuilwaterriool wordt geloosd. Lozen op het schoonwaterriool is niet toegestaan. Voor lozen op het schoonwaterriool geldt het vangnetverbod (artikel 10.170). Om in dit artikel duidelijkheid te geven over alle lozingsroutes is ook in dit artikellid vermeld dat het afvalwater niet in een schoonwaterriool geloosd mag worden.

Derde lid:

Lozen op de bodem is niet toegestaan. Om dit te voorkomen zijn in het voorgaande artikel voorzieningen verplicht gesteld. Hierbij geldt een uitzondering voor gevallen waarin per week maximaal één voertuig uitwendig wordt gewassen, en het gaat om een voertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. In dit artikellid wordt in samenhang daarmee toegestaan dat in dat geval het waswater op of in de bodem mag komen. In dat geval is ook het vangnetverbod voor lozen op de bodem (artikel 10.169) niet van toepassing, omdat de lozing in dit artikellid is toegestaan.

Vierde lid:

Uitgangspunt bij het lozen van oliehoudend afvalwater is een norm van 20 milligram olie per liter in enig steekmonster. Aan deze norm kan worden voldaan door ofwel het toepassen van zuiveringstechnieken volgens beste beschikbare technieken, ofwel het zodanig inrichten van de werkwijze, dat het gehalte van 20 milligram per liter ook zonder behandeling in zuiveringsvoorzieningen niet wordt overschreden.

Vijfde lid:

Op de norm van 20 milligram per liter wordt een uitzondering gemaakt als het afvalwater geleid wordt door een olie-afscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2. Vanzelfsprekend moeten de olie-afscheider en slibvangput adequaat functioneren. Dit kan worden beoordeeld aan de hand van het oliegehalte van het geloosde water. Daarbij is het wel van belang, dat de werkwijze (waaronder de keuze van het reinigingsmiddel en de wijze van toepassing van een eventuele hogedrukreiniger) zodanig is dat een goede werking van de afscheider niet onmogelijk wordt gemaakt door vorming van emulsies. Ook moeten de slibvangput en olieafscheider goed worden onderhouden. Dit omvat het tijdig ledigen en reinigen en het zo spoedig mogelijk verhelpen van geconstateerde gebreken. Wanneer het verwijderen van afgescheiden olie en slib exact aan de orde is kan afhankelijk van het type afscheider verschillen. Over het algemeen moet de slibvangput of slibvangruimte worden geleegd wanneer deze voor meer dan 50% gevuld is met slib/zand. Dit valt onder de specifieke zorgplicht.

Om de goede werking van een slibvangput en olieafscheider te waarborgen dient bij alle afscheiders, naast het zo nodig verwijderen van olie en slib, de afscheider met enige regelmaat volledig geleegd en gereinigd te worden en onderzocht te worden op aantasting en andere gebreken. Gebleken gebreken moeten zo spoedig mogelijk verholpen worden. Ook dit valt onder de specifieke zorgplicht.

Zesde lid:

Paragraaf 6.2.2.2 van de Omgevingsregeling bevat technische eisen voor slibvangputten en olieafscheiders. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit lid is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving. 

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.194 van de bruidsschat (tijdelijk deel).

KKKKKKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.327 Meet- en rekenbepalingen 

Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.

Paragraaf 6.2.2.1 van de Omgevingsregeling bevat meetregels voor het bepalen of er wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in dit onderdeel van het Omgevingsplan. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit artikel is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.195 van de bruidsschat (tijdelijk deel).

LLLLLLLLLLLLLLLLLL

Na sectie ' Bodem: omgaan met ernstige bodemverontreiniging bij uitvoeren activiteit' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 9.375 Vereisten bodemonderzoek

Bodemonderzoeken moeten op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving minimaal voldoen aan de onderzoeksnormen van de NEN (Nederlands Normalisatie Instituut). De Amsterdamse richtlijn voor bodemonderzoek 2024 (ARVO 2024) geeft nadere invulling aan die NEN-normen. Van de NEN-normen kan gemotiveerd worden afgeweken. De ARVO spitst de onderzoeksnormen toe op de specifieke Amsterdamse situatie.

MMMMMMMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.25 Aanwijzing adviseurs

In artikel 11.25  10.25 worden adviseurs aangewezen. Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor het wijzigen van een provinciaal monument, moet de gemeente advies vragen aan zowel gedeputeerde staten als aan de gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet (de monumentencommissie). Het artikel regelt ook de situatie dat de gemeente niet het bevoegd gezag is, waarbij Burgemeester en Wethouders adviseur worden en zij bij hun advies advies vragen van de monumentencommissie.

NNNNNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 11.2 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel bepaalt dat op het bepalen van het geluid op een gevel de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtensin de genoemde onderdelen van de OmgevingswetOmgevingsregeling, van toepassing zijn.

OOOOOOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

Dit artikel bevat regels bestemd voor de bereikbaarheid van gebouwen en bouwwerken die geen gebouw zijn waarin personen kunnen verblijven, voor brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Op grond van het eerste lid moet tussen de openbare weg en de toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg aanwezig zijn die geschikt is voor het te verwachten verkeer, zoals brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Niet elk gebouw of elk bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven hoeft over zo’n verbindingsweg te beschikken. Zo’n weg is niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 of als de toegang tot het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt of wanneer het bevoegd gezag van oordeel is dat de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk de aanwezigheid van die voorziening niet nodig maakt.

In het derde lid is aangegeven aan welke eisen een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid moet voldoen. De voorgeschreven minimumbreedte van de verbindingsweg en het voorgeschreven minimum draagvermogen van die weg zijn afgestemd op het gebruik door gangbare voertuigen zonder dat deze elkaar hoeven te kunnen passeren. Aan de in het derde lid gestelde eisen hoeft niet te worden voldaan wanneer in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening een afwijkende regel is opgenomen.

In het vierde lid is bepaald dat op een voorgeschreven verbindingsweg (de in het eerste lid bedoelde weg) geen obstakels aanwezig mogen zijn die de voor de doorgang van brandweervoertuigen benodigde vrije hoogte en breedte blokkeren. Zo mag die weg niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto’s of overhangende takken.

Het vijfde lid bepaalt dat een verbindingsweg niet zodanig mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpdiensten onnodig hindert.

Hoe de vuurbelasting wordt bepaald is landelijk geregeld in paragraaf 6.2.1 van de Omgevingsregeling. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Het zesde lid is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving. 

PPPPPPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

Dit artikel heeft betrekking op opstelplaatsen voor brandweervoertuigen bij bouwwerken die voor het verblijf van personen zijn bestemd. Op grond van het eerste lid moeten bij een gebouw en bij een bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven opstelplaatsen voor brandweervoertuigen aanwezig zijn, zodat die voertuigen op doeltreffende wijze kunnen worden aangesloten op de bluswatervoorziening. Die opstelplaatsen moeten in voldoende aantal aanwezig zijn, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. Zulke opstelplaatsen zijn niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 of als de aard, de ligging of het gebruik van het gebouw respectievelijk het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist. Het derde lid regelt de maximaal toegestane afstand tussen een opstelplaats en een ingang van het gebouw/bouwwerk. Als het bouwwerk op grond van het Bbl over een brandweeringang moet beschikken, wordt de maximale afstand tussen de bluswatervoorziening en die specifieke ingang geregeld. De afstand mag niet meer dan 40 m bedragen. In het vierde lid is bepaald dat een opstelplaats over de voorgeschreven hoogte en breedte moet worden vrijgehouden voor brandweervoertuigen. Zo mag een opstelplaats niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto’s of overhangende takken. Het vijfde lid bepaalt dat een opstelplaats niet zodanig door hekwerken mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpdiensten (onnodig) hindert. Een eventueel ontsluitingssysteem moet in overleg met het bevoegd gezag worden gekozen.

Hoe de vuurbelasting wordt bepaald is landelijk geregeld in paragraaf 6.2.1 van de Omgevingsregeling. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Het zesde lid is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving. 

QQQQQQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik

Eerste lid: 

In Afdeling 9.2 en 9.3 zijn regels opgenomen die milieuaspecten of activiteiten regelen die ook geregeld worden afdeling 22.3. Die afdelingen gelden niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig zijn aangewezen. Op deze activiteiten blijft afdeling 22.3 van toepassing.

De achtergrond van dit onderscheid is het volgende. Ten aanzien van milieuregels die kaderstellend zijn voor activiteiten waarvoor een milieueffectrapport (mer) dan wel milieueffectbeoordeling is benodigd, is een milieueffectrapport is vereist op grond van artikel 16.36 van de Omgevingswet. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de activiteiten aangewezen waarbij voor de ‘milieuvergunning’ een milieueffectrapport moet worden gemaakt dan wel waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben (‘mer(beoordelings)plichtige activiteiten’).

Een deel van de regels in dit omgevingsplan zouden potentieel als kaderstellend voor de milieuvergunning kunnen worden gezien. Zulke kaderstellende milieuregels zouden in dat geval gezien worden als een plan waarvoor een milieueffectrapport is vereist op grond van artikel 16.36 van de Omgevingswet. Vooralsnog is er echter nog geen milieueffectrapport opgesteld.

Gelet hierop is in dit omgevingsplan een tweedeling gemaakt van milieuregels die potentieel kaderstellend kunnen zijn en milieuregels die dat niet zijn. Die laatst genoemde groep van milieuregels zijn opgenomen in afdeling 9.2 en 9.3. Om eventuele ‘kaderstelling’ te voorkomen zijn in art. 9.10 en 9.241 milieubelastende activiteiten uitgezonderd die voor de ‘milieuvergunning’ (de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving) een milieueffectrapport dan wel milieueffectbeoordeling behoeven.

De milieubelastende activiteiten die een milieueffectrapport dan wel milieueffectbeoordeling behoeven, zijn altijd milieuvergunningplichtig. Er zijn echter ook milieuvergunningplichtige activiteiten waarvoor geen milieueffectrapport dan wel milieueffectbeoordeling gemaakt hoeft te worden. Toch is er voor gekozen de milieuvergunningplicht als scheidingslijn aan te brengen, omdat dat de meeste duidelijkheid geeft. Dit voorkomt dat voor sommige milieuvergunningplichtige activiteiten afdeling 22.3 geldt en voor andere afdeling 9.2 en 9.3. 

Daarnaast is bepaald dat voor met de vergunningplichtige activiteit samenhangende of ondersteunende activiteiten op dezelfde locatie ook de regels van afdeling 22.3 gelden, ook als deze zelf niet vergunningplichtig zijn. De artikelen 22.57 en 22.88 bepalen al (in aansluiting bij artikelen 5.58 en 5.82 van het Besluit kwaliteit leefomgeving) dat het geluid, respectievelijk de trilling van samenhangende activiteiten onverminderd artikel 22.41 gezamenlijk moeten beoordeeld worden. Het ligt voor de hand om dan ook andere milieuonderwerpen mee te nemen. Hiermee geldt bij een bedrijf met een vergunningplichtige milieubelastende activiteit dezelfde afdeling voor alle activiteiten binnen dat bedrijf.

Hiermee worden weliswaar meer activiteiten onder de werking van afdeling 22.3 gehouden dan strikt genomen noodzakelijk is, maar zo ontstaat voor de uitvoeringspraktijk een overzichtelijker afbakening.

Met deze bepaling blijven milieuvergunningplichtige activiteiten onder het toepassingsbereik van afdeling 22.3 vallen. Het Rijk heeft inmiddels aangekondigd om een milieueffectrapport op te stellen ten aanzien van de regels die in afdeling 22.3 zijn opgenomen. In navolging van het Rijk is de gemeente Amsterdam voornemens om een milieueffectrapportage op te stellen ten aanzien van die milieuregels. Daarna kan dit onderscheid vervallen en kan afdeling 22.3 ingetrokken worden. 

Enkele onderdelen van afdeling 22.3, die per definitie niet van toepassing zijn op 'milieuvergunningplichtige' activiteiten worden geschrapt. Hiermee wordt afdeling 22.3 overzichtelijker; zowel voor de exploitanten van de vergunningplichtige activiteiten als voor de handhavers. Wel zijn de regels over milieubelastende activiteiten behouden die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving weliswaar niet als vergunningplichtig zijn aangewezen, maar die als functioneel ondersteunende activiteit wel onderdeel kunnen uitmaken van een vergunningplichtige activiteit gelet op de bepalingen in hoofdstuk 3 Bal. 

Het toetsingskader voor de ‘milieuvergunning’ is in hoofdstuk 8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaald. Voor sommige onderwerpen moet rekening gehouden worden met het omgevingsplan. Het is relevant dat niet alle bepalingen van afdeling 22.3 voldoen aan de instructieregels voor het omgevingsplan van hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij de verlening van de ‘milieuvergunning’ is het daarom wenselijk om niet alleen rekening te houden met het omgevingsplan maar ook de relevante instructieregels te betrekken. 

Tweede lid:

In het toepassingsbereik van de verschillende afdelingen van hoofdstuk 9 is bepaald in hoeverre die afdelingen van toepassing zijn op vergunningplichtige activiteiten en op de ´samenhangende of ondersteunende activiteiten´. Met dit lid wordt ´slechts´ beoogd om te signaleren dat afdeling 22.3 geen uitputtende set van milieuregels bevat voor de vergunningplichtige en daarmee samenhangende dan wel ondersteunende activiteiten. 

Welke regels van hoofdstuk 9 ook voor deze activiteiten gelden, wordt per afdeling bepaald in de artikelen 9.1, 9.10 en 9.241.  Afdeling 9.4 (Bodembeheer) geldt zowel voor vergunningplichtige als voor de daarmee samenhangende dan wel ondersteunende activiteiten. 

Afdeling 9.1 (Algemene bepalingen) en 9.4 (Bodembeheer) zijn wel van toepassing ook op milieuvergunningplichtige activiteiten. Dat volgt uit het toepassingsbereik van die afdelingen. In dit verband wordt in het bijzonder verwezen naar artikel 9.8 dat bepaalt dat bij de indiening van een aanvraag om een omgevingsvergunning milieubelastende activiteit op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving tevens informatie verstrekt moet worden over de aspecten geluid, geur en trilling. 

RRRRRRRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.55 Toepassingsbereik

Eerste lid 

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw. Alleen geluidgevoelige gebouwen die op een locatie toegelaten zijn op grond van het omgevingsplan of via een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, worden beschermd tegen het geluid veroorzaakt door een activiteit.

Activiteiten 

Dit artikel geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude Wet milieubeheer begrip inrichting te vangen. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41, tweede lid. De geluidvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Dat betekent dat het geluid door activiteiten die buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling vallen, niet hoeft te voldoen aan de bepalingen van deze geluidparagraaf. Voor die activiteiten blijven op grond van artikel 22.4 van de Omgevingswet onder meer de regels gelden over geluidhinder uit de Algemene Plaatselijke Verordening. Ook is er in artikel 22.1 van dit omgevingsplan een algemene voorrangsbepaling opgenomen. Het eerste lid van dat artikel bevat een voorrangsregel voor geluidregels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet, voor zover die regels afwijken van de geluidregels in deze paragraaf van dit omgevingsplan. Een voorbeeld hiervan zijn afwijkende geluidwaarden in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet. Het tweede lid van artikel 22.1 van dit omgevingsplan bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend. De geluidvoorschriften uit die vergunningen krijgen voorrang op de geluidregels in dit omgevingsplan.

Geluidgevoelig gebouw en geluidgevoelige ruimte 

Onder de Omgevingswet zijn begrippen geüniformeerd. Dat betekent dat voor sommige begrippen een nieuwe definitie geldt. Meestal is daar geen beleidsmatige verandering in bedoeld, maar soms kan de nieuwe definitie wel een iets andere uitwerking hebben. Zo wordt niet meer gesproken over een gevoelig gebouw of een gevoelig object. In plaats daarvan wordt gesproken over een geluidgevoelig gebouw. Of een gebouw geluidgevoelig is, is afhankelijk van de gebruiksfuncties van dat gebouw. Zo wordt onder de Omgevingswet gesproken van een gebouw met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, in plaats van over een woning. In bestemmingsplannen werden specifieke ruimtes vaak niet bestemd. Het hele gebouw heeft dan dezelfde bestemming. Hierdoor kan in bestaande situaties een verandering ontstaan in de plaats waar de geluidwaarde geldt. Denk aan een aan- of inpandige garage, die wel een nevengebruiksfunctie van wonen heeft, maar geen verblijfsruimte is. De geluidwaarde geldt dan op de gevel van die garage. Overigens is het begrip geluidgevoelige ruimte in het Bkl ook anders gedefinieerd dan in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2 . Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een geluidgevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de aangewezen gebruiksfuncties. In de praktijk kunnen zodoende kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften. 

Tweede lid

Tweede lid, onderdeel b 

Met dit artikel wordt bepaald dat het geluid van een activiteit niet geldt op een geluidgevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten. De aanwezigheid van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw kan wel aanleiding zijn voor het (met maatwerk) opleggen van een andere waarde dan de standaardwaarde of voor het opleggen van maatregelen of gedragsvoorschriften. De specifieke zorgplicht voor een milieubelastende activiteit is ook van toepassing op geluid door een activiteit op deze tijdelijke geluidgevoelige gebouwen.

Tweede lid, onderdeel c 

Een gevel kan bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen met toepassing van de artikelen 5.78y of 5.78aa van het Bkl, als niet-geluidgevoelige gevel in het omgevingsplan worden aangemerkt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 5.78y en 5.78aa in het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Deze niet-geluidgevoelige gevels vervangen in het nieuwe stelsel de gevels die onder de voormalige Wet geluidhinder als ‘doof’ werden aangemerkt of waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en milieubenadering werd afgeweken van de wettelijke norm. In het overgangsrecht van het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet is in artikel 12.17 bepaald dat onder ‘niet-geluidgevoelige gevel’ ook wordt verstaan een gevel die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangemerkt als zogenoemde ‘dove gevel’, evenals een gevel waarvoor de Interimwet stad-en-milieubenadering is toegepast. Ook die gevels blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet geluidgevoelig. 

Derde lid, onderdeel a 

Voor activiteiten met verplaatsbare mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal worden geluidwaarden gesteld in paragraaf 4.109 ‘Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk’ van het Bal. 

Derde lid, onderdeel b 

Geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen valt niet onder de regels van deze paragraaf. Andere geluiden door een spoorwegemplacement, zoals geluid door het wassen van de treinwagons, vallen wel onder deze paragraaf. Voor het geluid door wegverkeersbewegingen van en naar een spoorwegemplacement geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 22.44, derde lid, onder a, van dit omgevingsplan. 

Derde lid, onderdeel c

De geluidsregels zijn niet van toepassing op bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Voor deze activiteit golden onder oud recht ook geen geluidsregels omdat het geen inrichting was in de zin van de voormalige Wet milieubeheer. 

Vierde lid 

Een winkel was onder het oude recht vaak geen Wet milieubeheer-inrichting. De regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden daarom niet voor activiteiten bij detailhandel. Winkels vielen wel onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer als de volgende installaties aanwezig waren: - elektromotoren met een opgeteld vermogen groter dan 1,5 kW (bijvoorbeeld in automatische rolluiken of airco’s); of - stookinstallaties met een opgeteld thermisch vermogen van meer dan 130 kW. Met dit artikel wordt voorkomen dat de geluidwaarden uit deze paragraaf gaan gelden voor die winkels waarvoor de geluidnormen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet golden. Wel geldt voor deze winkels de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan.

Vijfde lid

Als gebouwen worden toegelaten op locaties waar niet wordt voldaan aan de grenswaarden voor het geluid op de gevel, worden de gevels niet beschermd bij een verdere toename van het geluid. In artikel 22.54, tweede lid, onder c, van de bruidsschat omgevingsplan is al bepaald dat paragraaf 22.3.4 van de bruidsschat niet van toepassing is op niet-geluidgevoelige gevels. Dat is echter de aanduiding onder nieuw recht. De uitzondering moet ook gelden voor gevels waarbij gebruik is gemaakt van uitzonderingsbepalingen onder oud recht, te weten de zogenoemde ‘dove gevels’ van de Wet geluidhinder en gevels waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.

 

SSSSSSSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.56 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid 

De uitzondering in artikel 22.55, tweede lid, onder b, voor een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw, geldt alleen voor een geluidgevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm ‘aanvaardbaar’ uit artikel 5.59, tweede lid van het Bkl. Voor een geluidgevoelig gebouw dat al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten geldt de uitzondering niet. Zo’n gebouw valt wel binnen het toepassingsbereik van deze 43 paragraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid door een activiteit op de gevel van een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw. De reden voor het uitzonderen is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als geluidgevoelig gebouw. 

Zie het schema in de volgende alinea voor een overzicht van de gevallen waarin een waarde voor geluid geldt bij verschillende situaties van geluidgevoelige gebouwen die tijdelijk toegelaten zijn versus activiteiten.

Tweede lid 

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen geprojecteerde en in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is wel zo bij de instructieregels van het Bkl. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in omgevingsplannen, zou toetsing op een geprojecteerd gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. In de transitieperiode is dit ongewenst: voor rechtmatige bestaande situaties moeten niet ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is in de omgevingsplanregels van rijkswege, voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een geprojecteerd gebouw of een geluidgevoelig gebouw in aanbouw. Het uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat de initiatiefnemer onder dezelfde condities zijn activiteit moet kunnen blijven voortzetten. Als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten bij een bestaande activiteit, of een nieuwe activiteit begint bij een bestaand geluidgevoelig gebouw, gelden al wel de nieuwe regels. Dit verschil werkt ook door naar de omgevingsplanregels van rijkswege.

afbeelding binnen de regeling

 

Derde lid

Op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of, c van het Omgevingsplan Amsterdam, zoals dat luidde op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet konden mantelzorgwoningen onder voorwaarden vergunningvrij worden gebouwd op het achtererf van een woning en konden bestaande gebouwen zonder vergunning worden gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg. Dit was in lijn met het voorheen geldende Besluit omgevingsrecht. 

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd bij het vergunningvrij bouwen of gebruiken niet getoetst aan regels voor geluid door milieubelastende activiteiten. Deze bepaling voorziet in gelijkwaardige bescherming ten opzichte van het oude recht. 

Het Omgevingsplan Amsterdam werd per 31 oktober 2024 gewijzigd. Artikel 22.36 werd daarbij geschrapt. Sindsdien is een omgevingsvergunning nodig voor het bouwen van mantelzorgwoningen of voor het gebruiken van bestaande gebouwen voor de huisvesting in verband met mantelzorg. Gelet op het Besluit kwaliteit leefomgeving dat mantelzorgwoningen als reguliere woningen beschermt, wordt wel getoetst aan de geluidregels. Daarom geldt de uitzondering van het derde lid alleen voor gebouwen die werden toegelaten op grond van artikel 22.36 zoals dat gold voor 31 oktober 2024. Mantelzorgwoningen die na die datum met een omgevingsvergunning werden toegelaten worden wel beschermd.

TTTTTTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.87 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid

In artikel 22.86, tweede lid, onder b is de uitzondering opgenomen dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar.

Op grond van dit artikel, geldt die uitzondering alleen voor een trillinggevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.83, tweede lid, van het Bkl.

Tweede lid

Op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of, c van het Omgevingsplan Amsterdam, zoals dat luidde op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet konden mantelzorgwoningen onder voorwaarden vergunningvrij worden gebouwd op het achtererf van een woning en konden bestaande gebouwen zonder vergunning worden gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg. Dit was in lijn met het voorheen geldende Besluit omgevingsrecht. 

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd bij het vergunningvrij bouwen of gebruiken niet getoetst aan regels voor geluid door milieubelastende activiteiten. Deze bepaling voorziet in gelijkwaardige bescherming ten opzichte van het oude recht. 

Het Omgevingsplan Amsterdam werd per 31 oktober 2024 gewijzigd. Artikel 22.36 werd daarbij geschrapt. Sindsdien is een omgevingsvergunning nodig voor het bouwen van mantelzorgwoningen of voor het gebruiken van bestaande gebouwen voor de huisvesting in verband met mantelzorg. Gelet op het Besluit kwaliteit leefomgeving dat mantelzorgwoningen als reguliere woningen beschermt, wordt wel getoetst aan de trillingregels. Daarom geldt de uitzondering van het derde lid alleen voor gebouwen die werden toegelaten op grond van artikel 22.36 zoals dat gold voor 31 oktober 2024. Mantelzorgwoningen die na die datum met een omgevingsvergunning werden toegelaten worden wel beschermd.

UUUUUUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.94 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid  

In artikel 5.90 van het Bkl zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze gebouwen dezelfde bescherming tegen geurhinder als alle andere geurgevoelige objecten. Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke geurgevoelige objecten die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming in de vorm van geurwaarden en afstandseisen blijven houden. Dit tot het moment dat bij: 

  • het vaststellen van het nieuwe deel van dit omgevingsplan; of 

  • het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; beoordeeld is dat de situatie ook zonder geldende waarde of afstanden voor geur op het tijdelijke geurgevoelige gebouw aanvaardbaar is. 

 

Tweede lid

Onderdeel b van het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde geurgevoelige gebouwen die op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor geur. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming voor geur aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.

afbeelding binnen de regeling

 

Derde lid

Op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of, c van het Omgevingsplan Amsterdam, zoals dat luidde op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet konden mantelzorgwoningen onder voorwaarden vergunningvrij worden gebouwd op het achtererf van een woning en konden bestaande gebouwen zonder vergunning worden gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg. Dit was in lijn met het voorheen geldende Besluit omgevingsrecht. 

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd bij het vergunningvrij bouwen of gebruiken niet getoetst aan regels voor geluid door milieubelastende activiteiten. Deze bepaling voorziet in gelijkwaardige bescherming ten opzichte van het oude recht. 

Het Omgevingsplan Amsterdam werd per 31 oktober 2024 gewijzigd. Artikel 22.36 werd daarbij geschrapt. Sindsdien is een omgevingsvergunning nodig voor het bouwen van mantelzorgwoningen of voor het gebruiken van bestaande gebouwen voor de huisvesting in verband met mantelzorg. Gelet op het Besluit kwaliteit leefomgeving dat mantelzorgwoningen als reguliere woningen beschermt, wordt wel getoetst aan de geurregels. Daarom geldt de uitzondering van het derde lid alleen voor gebouwen die werden toegelaten op grond van artikel 22.36 zoals dat gold voor 31 oktober 2024. Mantelzorgwoningen die na die datum met een omgevingsvergunning werden toegelaten worden wel beschermd.

VVVVVVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

Paragraaf 6.2.2.1 van de Omgevingsregeling bevat meetregels voor het bepalen of er wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in dit onderdeel van het Omgevingsplan. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit artikel is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

WWWWWWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd op of in de bodem worden met dit artikel lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld. Aan de hier gestelde lozingseisen ligt het CIW-rapport «Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA-systemen» van januari 1999 ten grondslag.

De voorwaarden die aan de beperkte directe lozingen in de bodem van huishoudelijk afvalwater worden gesteld, komen in grote lijnen overeen met de hieraan voorafgaande voorwaarden op grond van het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.

Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in afwijking van de emissiegrenswaarden, voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid van dit artikel is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via die voorziening geloosd mogen worden.

Deze voorwaarden komen overeen met de voorwaarden die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen afvalwater huishoudens golden op grond van de Regeling Wvo septic tank en de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1 beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is.

Paragraaf 6.2.2.2 van de Omgevingsregeling bevat regels voor het bepalen van de nominale inhoud en het hydraulisch rendement van septic tanks. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit lid is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving. 

XXXXXXXXXXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage III.

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

Paragraaf 6.2.2.1 van de Omgevingsregeling bevat meetregels voor het bepalen of er wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in dit onderdeel van het Omgevingsplan. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit artikel is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

YYYYYYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Paragraaf 6.2.2.1 van de Omgevingsregeling bevat meetregels voor het bepalen of er wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in dit onderdeel van het Omgevingsplan. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit artikel is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

ZZZZZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Paragraaf 6.2.2.1 van de Omgevingsregeling bevat meetregels voor het bepalen of er wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in dit onderdeel van het Omgevingsplan. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit artikel is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

AAAAAAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Paragraaf 6.2.2.1 van de Omgevingsregeling bevat meetregels voor het bepalen of er wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in dit onderdeel van het Omgevingsplan. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit artikel is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

BBBBBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Paragraaf 6.2.2.1 van de Omgevingsregeling bevat meetregels voor het bepalen of er wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in dit onderdeel van het Omgevingsplan. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit artikel is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

CCCCCCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Paragraaf 6.2.2.1 van de Omgevingsregeling bevat meetregels voor het bepalen of er wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in dit onderdeel van het Omgevingsplan. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit artikel is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

DDDDDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.198 Water

Vethoudend afvalwater wordt in beginsel altijd op het vuilwaterriool geloosd.

Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool.

Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organisch afval in het afvalwater.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2. Op grond van het vijfde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform de eisen zoals opgenomen in afdeling 6.2.2.2 van de Omgevingsregeling. Die technische eisen zijn alleen van toepassing op een vetafscheider en slibvangpunt die zijn geplaatst op of na 14 september 2004. Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normentechnische eisen van de Omgevingsregeling. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water».

In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. De tweede zin is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving. 

EEEEEEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid 

In artikel 5.89a van het Bkl zijn slagschaduwgevoelige gebouwen, die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over slagschaduw in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen wel bescherming. Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouwen, die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming tegen slagschaduw blijven houden. Dit tot het moment dat bij: 

  • het vaststellen van het nieuwe deel van het omgevingsplan; of 

  • het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; beoordeeld is dat de situatie ook zonder deze regel voor slagschaduw op het tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouw, aanvaardbaar is. 

 

Tweede lid 

Het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen, die op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor slagschaduw. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming tegen slagschaduw aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.

Derde lid

Derde lid

Op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of, c van het Omgevingsplan Amsterdam, zoals dat luidde op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet konden mantelzorgwoningen onder voorwaarden vergunningvrij worden gebouwd op het achtererf van een woning en konden bestaande gebouwen zonder vergunning worden gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg. Dit was in lijn met het voorheen geldende Besluit omgevingsrecht. 

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd bij het vergunningvrij bouwen of gebruiken niet getoetst aan regels voor geluid door milieubelastende activiteiten. Deze bepaling voorziet in gelijkwaardige bescherming ten opzichte van het oude recht. 

Het Omgevingsplan Amsterdam werd per 31 oktober 2024 gewijzigd. Artikel 22.36 werd daarbij geschrapt. Sindsdien is een omgevingsvergunning nodig voor het bouwen van mantelzorgwoningen of voor het gebruiken van bestaande gebouwen voor de huisvesting in verband met mantelzorg. Gelet op het Besluit kwaliteit leefomgeving dat mantelzorgwoningen als reguliere woningen beschermt, wordt wel getoetst aan de slagschaduwregels. Daarom geldt de uitzondering van het derde lid alleen voor gebouwen die werden toegelaten op grond van artikel 22.36 zoals dat gold voor 31 oktober 2024. Mantelzorgwoningen die na die datum met een omgevingsvergunning werden toegelaten worden wel beschermd.

 

FFFFFFFFFFFFFFFFFFF

Na sectie ' Lichtschittering: beperken van reflectie' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden

Paragraaf 6.2.7 van de Omgevingsregeling bevat meetregels over de lichtschittering van een windturbine. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit lid is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving. 

GGGGGGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.3 van het Bal. 

Eerste lid 

Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van de activiteit is verontreinigd of aangetast. Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer het geval was, is niet langer verplicht voor deze activiteit. Degene die een activiteit verricht kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.

Tweede lid 

Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht: 

  • op de bodembedreigende stoffen die als gevolg van de activiteit in de bodem kunnen geraken of daarin terecht kunnen zijn gekomen; en

  • op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht. 

 

Met het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden, wordt het gehele gebied bedoeld, van de standplaats van de schutters tot de plek waar munitie terecht kan komen.

Derde lid 

Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een ‘erkenning bodemkwaliteit’ is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

Paragraaf 6.2.5 van de Omgevingsregeling bevat kwaliteitseisen voor het uitvoeren van bodemonderzoeken. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit lid is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving. 

HHHHHHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.

Eerste lid 

Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem, blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld. Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot: 

  • de waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd; 

  • de bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart; of 

  • de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van het Besluit bodemkwaliteit. 

 

Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. 

Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar. 

Tweede lid 

Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een ‘erkenning bodemkwaliteit’ is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

Paragraaf 6.2.5 van de Omgevingsregeling bevat kwaliteitseisen voor het verrichten van herstelwerkzaamheden. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit lid is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

IIIIIIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Paragraaf 6.2.2.1 van de Omgevingsregeling bevat meetregels voor het bepalen of er wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn opgenomen in dit onderdeel van het Omgevingsplan. In dit omgevingsplan hoeven in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar de Omgevingsregeling; die bepalingen zijn van toepassing ook zonder deze verwijzing. Dit artikel is opgenomen voor de leesbaarheid van de regelgeving.

JJJJJJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.271 Toepassingsbereik, meet- en rekenregels

Eerste lid:

Deze afdeling gaat over aanleg of reconstructie van een weg of spoorweg die weliswaar niet in strijd is met dit omgevingsplan, maar waarover geen afweging heeft plaatsgevonden bij de totstandkoming van de constituerende onderdelen van dit plan, zoals bestemmingsplannen. De afdeling ziet niet op rijkswegen en provinciale wegen omdat daarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn of worden vastgesteld. Die geluidproductieplafonds beschermen de omliggende geluidgevoelige gebouwen tegen een eventuele toename van het geluid en dus hoeft een omgevingsplan daar niet in te voorzien. De bepaling is een omzetting van artikel 73, onder a (toepassingsbereik), artikel 79 (aanleg) en artikel 99 (reconstructie) van de Wet geluidhinder en artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder. Het tijdelijk deel van dit omgevingsplan heeft geen betrekking op provinciale wegen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, omdat daarvoor nog de Wet geluidhinder van toepassing is (zoals bepaald in artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet).

Tweede lid:

Het tweede lid is aan het oorspronkelijke artikel, zoals dat bij wijze van bruidsschat onderdeel is geworden van dit omgevingsplan, toegevoegd. Het bepaalt dat deze afdeling uitsluitend van toepassing is ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen'. Daar geldt dus nog een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan. Waar een dergelijk plan wordt vervangen, moeten de regels voor dat gebied in overeenstemming worden gebracht met de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De daarmee in overeenstemming gebrachte regels met betrekking tot het aanleggen of wijzigen van wegen en spoorwegen zijn opgenomen in hoofdstuk 11. Die gaan geldt alleen daar waar het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan is vervallen (artikel 4.44, tweede lid). Zo vindt over dit onderwerp een geleidelijke overgang plaats.  

Derde tot en met vijfde lid: 

Het derde tot en met vijfde lid bevat meet- en rekenregels. 

Onder de Omgevingswet wordt bij het bepalen van het geluid door wegen en spoorwegen het geluid door alle tot die geluidbronsoort behorende wegen of spoorwegen betrokken. Dit verschilt met de benadering onder de Wet geluidhinder, waarbij het geluid van iedere weg of spoorweg afzonderlijk werd beoordeeld. Deze bepaling zorgt voor een neutrale omzetting van de relevante artikelen uit de voormalige Wet geluidhinder. 

Met het vierde lid wordt de bepalingsmethode voor het geluid door een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg aangewezen. Hiervoor moeten de rekenmethoden worden gebruikt die in de Omgevingsregeling zijn voorgeschreven. 

Het vijfde lid bevat in de onderdelen a en b een tweetal aanvullende rekenregels voor de situatie waarin het gaat om het wijzigen van een weg en voor de aanleg van die weg op grond van de Wet geluidhinder een hogerewaardebesluit is vastgesteld.

De achtergrond van de rekenregel in onderdeel a is de volgende. Bij het toetsen van het geluid door een weg op een geluidgevoelig gebouw aan de voorkeurswaarden en maximale waarden (in het algemeen) werd onder de Wet geluidhinder op grond van artikel 110g van die wet een aftrek toegepast vanwege het in de toekomst naar verwachting stiller worden van wegverkeer. Als een hogerewaardebesluit werd vastgesteld, dan werkte deze aftrek ook daarin door. Onder de Omgevingswet is het normenstelsel herzien en is ook de aftrek komen te vervallen. Omdat de aftrek dus niet meer van toepassing is op de heersende waarde en ook niet op het geluid na het wijzigen van de weg, moet als er onder de Wet geluidhinder voor de aanleg van de weg een hogere waarde is vastgesteld ook de geluidbelasting in het hogerewaardebesluit worden vermeerderd met die aftrek. Alleen dan is het mogelijk om die waardes met elkaar te vergelijken. Deze bepaling schrijft deze correctie op de eerder toegepaste aftrek voor.

De achtergrond van de rekenregel in onderdeel b is de volgende. In 2007 is de Wet geluidhinder gewijzigd, waarbij onder andere de Europese dosismaat Lden (dag, avond, nacht) is ingevoerd als beoordelingsgrootheid voor weg- en spoorweglawaai, in plaats van de dosismaat Letmaal die tot die tijd werd gebruikt. Een geluidbelasting in Lden is in vrijwel alle gevallen lager dan wanneer die zou worden uitgedrukt in Letmaal, waardoor een in het verleden vastgestelde hogere waarde in Letmaal meer geluidruimte zou opleveren ingeval een geluidbelasting in Lden aan die hogere waarde zou worden getoetst. Daarom was in het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (RMG) bepaald dat bij het toetsen van een geluidbelasting die in Lden wordt uitgedrukt, een hogere waarde die in Letmaal is vastgesteld moet worden gecorrigeerd voor het verschil tussen de beide dosismaten. Ook bij toepassing van afdeling 22.4 is het mogelijk dat de toename van het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw moet worden bepaald ten opzichte van een in Letmaal vastgestelde hogere waarde. Deze bepaling voorziet voor die situaties in een correctie op de hogere waarde, die dezelfde opzet kent als artikel 3.7 van het RMG. Omdat de geluidwaarde binnen de systematiek van de Omgevingswet een op hele dB’s afgeronde waarde betreft en ook de toename van het geluid in een geheel getal wordt uitgedrukt, is daarbij in afwijking van het RMG bepaald dat bij het toepassen van die correctie dezelfde afrondingsregel geldt als voor het bepalen van geluid op een geluidgevoelig gebouw waarop artikel 3.4 van de Omgevingsregeling van toepassing is.

KKKKKKKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Eerste lid:

Onder de Wet geluidhinder was voor aanleg of wijziging een besluit op aanvraag van het college van burgemeester en wethouders vereist. In dit omgevingsplan is dit besluit omgezet in een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Ook dit lid vormt een omzetting van de artikelen 79 (aanleg) en 99 (reconstructie) van de Wet geluidhinder en artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder.

In de praktijk zal het bij toepassing van deze artikelen vrijwel altijd gaan om situaties waar nog onder de Wet geluidhinder over is besloten, bijvoorbeeld bij het vaststellen van een bestemmingsplan. In de formulering is echter de terminologie van het stelsel van de Omgevingswet gebruikt, omdat bestemmingsplannen en inpassingsplannen op grond van de Invoeringswet Omgevingswet onderdeel zijn geworden van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan en tracébesluiten gelden als omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Tweede lid:

Hier zijn uitzonderingen op het eerste lid uit de oude regelgeving opgenomen, voor zover ze zien op wegen. Deze uitzonderingen zijn afkomstig uit de Wet geluidhinder: de begripsbepaling «reconstructie van een weg» in artikel 1, artikel 1b, vijfde lid, en artikel 74. Opgemerkt wordt dat deze uitzonderingen niet allemaal gehandhaafd kunnen worden bij de ombouw van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. De instructieregels voor het geluid door gemeentewegen, die zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, kennen bijvoorbeeld niet de uitzondering voor 30-km-wegen en de uitzondering vanwege het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Derde lid: 

Hier zijn uitzonderingen op het eerste lid uit de oude regelgeving opgenomen, voor zover ze zien op spoorwegen. Deze uitzonderingen zijn afkomstig uit artikel 1.1 van het Besluit geluidhinder: de begripsbepaling «wijziging van een spoorweg» in het eerste lid van dat artikel en de uitzonderingen daarop in het tweede lid. Opgemerkt wordt dat deze uitzonderingen niet allemaal gehandhaafd kunnen worden bij de ombouw van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan.

Vierde lid: 

Onderdeel a

Op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of, c van het Omgevingsplan Amsterdam, zoals dat luidde op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet konden mantelzorgwoningen onder voorwaarden vergunningvrij worden gebouwd op het achtererf van een woning en konden bestaande gebouwen zonder vergunning worden gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg. Dit was in lijn met het voorheen geldende Besluit omgevingsrecht.

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd bij het vergunningvrij bouwen of gebruiken niet getoetst aan regels voor geluid door milieubelastende activiteiten. Deze bepaling voorziet in gelijkwaardige bescherming ten opzichte van het oude recht.

Het Omgevingsplan Amsterdam werd per 31 oktober 2024 gewijzigd. Artikel 22.36 werd daarbij geschrapt. Sindsdien is een omgevingsvergunning nodig voor het bouwen van mantelzorgwoningen of voor het gebruiken van bestaande gebouwen voor de huisvesting in verband met mantelzorg. Gelet op het Besluit kwaliteit leefomgeving dat mantelzorgwoningen als reguliere woningen beschermt, wordt wel getoetst aan de geluidregels. Daarom geldt deze uitzondering alleen voor gebouwen die werden toegelaten op grond van artikel 22.36 zoals dat gold voor 31 oktober 2024. Mantelzorgwoningen die na die datum met een omgevingsvergunning werden toegelaten worden wel beschermd.

Onderdeel b

Bij het toelaten van geluidgevoelige gebouwen voor een duur van niet meer dan tien jaar wordt, zoals bepaald in artikel 5.78, tweede lid, van het Bkl, niet getoetst aan de standaard- en grenswaarden voor geluid. Deze uitzondering is pas met de inwerkingtreding van de Omgevingswet ingevoerd voor gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen. Daarom wordt met deze bepaling (in lijn met het voorheen geldende recht) een uitzondering gemaakt voor tijdelijke geluidgevoelige gebouwen die zijn toegelaten met toepassing van het nieuwe recht. Tijdelijke geluidgevoelige gebouwen die met toepassing van het oude recht zijn toegelaten, worden (net als voorheen) beschermd bij reconstructies. 

LLLLLLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.275 Beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

De Wet geluidhinder bepaalde dat het college van burgemeester en wethouders in zijn besluit bepaalde welke maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de geluidbelasting binnen de zone de hoogst toelaatbare waarden te boven zou gaan. Dat is te lezen als een regel over voorschriften. Omdat een binnenplans vergunningstelsel altijd een beoordelingsregel vereist, is deze regel hier uitgesplitst in een beoordelingsregel, inhoudende dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning alleen verleent als binnenplanse omgevingsvergunning als de grenswaarde niet wordt overschreden, en in een regel over voorschriften, die inhoudt dat het bevoegd gezag de maatregelen voorschrijft die nodig zijn om te voorkomen dat niet aan de standaardwaarden wordt voldaan of dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid direct voorafgaand aan de wijziging. Als de omgevingsvergunning niet kan worden verleend als binnenplanse omgevingsplanactiviteit, kan de aanvraag worden beoordeeld als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op die beoordeling zijn de regels van paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

De gehanteerde grenswaarde is niet ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. In de toelichting op artikel 22.274 is ingegaan op de achtergrond hiervan.

Het geluid hoeft niet beoordeeld te worden op niet-geluidgevoelige gevels, op gevels die onder oud recht als 'doof' werden aangemerkt of ten aanzien waarvan met de toepassing van de stad-en-milieubenadering werd afgeweken van de normen van de toenmalige Wet geluidhinder. Een overschrijding van de grenswaarde op die gevels is daarom geen weigeringsgrond. 

Toelichting

1 Artikel I: het wijzigen van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam, conform de wijzigingen zoals opgenomen in Bijlage A van het Wijzigingsbesluit

Artikel I voorziet erin het Omgevingsplan gemeente Amsterdam te wijzigen, conform de wijzigingen zoals opgenomen in Bijlage A. Die bijlage A bevat in renvooiweergave de daadwerkelijke wijziging van het omgevingsplan. Die wijzigingen leiden tot een nieuwe versie van het omgevingsplan, die geconsolideerd wordt weergegeven in de landelijke voorzieningen. Na publicatie in de landelijke voorzieningen zal het wijzigingsbesluit en de consolidatie ervan raadpleegbaar zijn in de landelijke voorzieningen. 

In de Motivering wordt het wijzigingsbesluit juridisch onderbouwd. 

2 Artikel II: inwerkingtredingsdatum

Artikel 16.78, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt dat een besluit tot wijziging van een omgevingsplan in werking treedt op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit bekend is gemaakt, tenzij bij het besluit een later tijdstip is bepaald. Er is geen aanleiding gebruik te maken van de mogelijkheid af te wijken van de hoofdregel. Artikel II van dit besluit bepaalt daarom dat dit besluit in werking treedt vier weken na bekendmaking ervan in werking treedt.  

3 Artikel : aanhaaltitel

Niet alleen het omgevingsplan, maar ook elk afzonderlijk wijzigingsbesluit heeft een eigen aanhaaltitel. De aanhaaltitel voor voorliggend wijzigingsbesluit is Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Tweede veegwijziging.

Motivering

1 Aanleiding en achtergrond

1.1 Aanleiding en achtergrond

Op 18 september 2024 heeft de raad van de gemeente Amsterdam het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling vastgesteld. Met deze eerste grootschalige wijziging van het omgevingsplan is een eerste grote stap gezet naar een integraal omgevingsplan voor heel Amsterdam. Dat omgevingsplan betreft een nieuw stelsel van gemeentelijke regelgeving gericht op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.  

Het is bij de bouw van een nieuw stelsel van regelgeving niet te vermijden dat de regels op onderdelen onvolkomenheden bevatten. In het Omgevingsplan gemeente Amsterdam zijn inmiddels enkele inconsistenties, onduidelijkheden, omissies en andere wetstechnische onvolkomenheden aangetroffen. Dit voorstel tot wijziging van het omgevingsplan bevat overwegend wetstechnische wijzigingen en wijzigingen van ondergeschikte aard om die onvolkomenheden op te lossen.

Daarbij worden ook onvolkomenheden weggenomen die zijn ontstaan vanuit de oorspronkelijke bruidsschatregeling. Fouten die het Rijk daarin ontdekt, worden door het Rijk zelf gerepareerd via de Vangnetregeling Omgevingswet. De Vangnetregeling wijzigt niet zelf het omgevingsplan, maar 'repareert' die middels rijksregels, die dan doorwerken bij de toepassing van het omgevingsplan. Die Vangnetregeling is onlangs weer aangevuld. Met voorliggende wijziging worden de regels die daarin zijn opgenomen, daadwerkelijk aan het Omgevingsplan gemeente Amsterdam toegevoegd. Omdat de bruidsschatregeling al grotendeels is gewijzigd, gebeurt dat veelal niet één op één, maar gaat daar vertaalslag overheen, zonder dat dit de inhoud ervan aantast.   

In onderdeel 2 van deze motivering worden de wijzigingen per wijzigingsonderdeel nader toegelicht. 

2 Onderdeelsgewijze toelichting bij Wijzigbijlage A

2.1 Inleiding

Wijzigbijlage A (zie artikel I) geeft met een was/wordt-weergave de wijzigingen aan die in de geldende hoofdregeling van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam worden aangebracht. Deze wijzigingen wordt onderdeelsgewijs aangegeven, aangeduid als onderdeel A tot en met LLLLLLLLLLLLLLLLLLL

In dit deel van de motivering zullen per onderdeel van de Wijzigbijlage A de aangegeven wijzigingen voor zover nodig inhoudelijk worden toegelicht. 

2.2 Onderdeel A: aanvulling meet- en rekenregels artikel 2.2

In de huidige regeling is het begrip souterrain gedefinieerd als 'bouwlaag waarvan de vloer onder het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen en waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag maximaal 1,50 meter boven het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen.'

Dit blijkt in de praktijk een problematische omschrijving te zijn, omdat in verschillende bestemmingsplannen een andere maat wordt gehanteerd dan de opgenomen 1,50 meter; in sommige plannen wordt 1,20 meter gehanteerd, in andere 2,00 meter. Dat geeft moeilijkheden bij het vervangen van bestemmingsplannen. Er moet per gebied een variatie mogelijk zijn in de maatvoering. Omdat het niet mogelijk is locatiegerichte verschillen in begripsbepalingen te regelen, wordt dit als volgt opgelost. 

De begripsbepaling voor souterrain komt als volgt te luiden (onderdeel RRRRRR): 'bouwlaag waarvan de vloer onder het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen en waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag voor een bij artikel 2.2, vierde lid bepaald deel boven het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen.'

Aan artikel 2.2 wordt een nieuw vierde lid toegevoegd, dat als volgt luid (onderdeel A): 

'De afstand van de vloer van de boven een souterrain gelegen bouwlaag ten opzichte van het gemiddeld aangrenzende straatpeil bedraagt maximaal 1,50 meter, zij het dat:

  • a.

    ter plaatse van de aanduiding ‘afwijkende diepteligging souterrain ten opzichte van straatpeil: 1,20 meter’ de afstand van de vloer van de boven een souterrain gelegen bouwlaag ten opzichte van het gemiddeld aangrenzende straatpeil maximaal 1,20 meter bedraagt;

  • b.

    ter plaatse van de aanduiding ‘afwijkende diepteligging souterrain ten opzichte van straatpeil: 2,00 meter’ de afstand van de vloer van de boven een souterrain gelegen bouwlaag ten opzichte van het gemiddeld aangrenzende straatpeil maximaal 2,00 meter bedraagt.'

Uitgangspunt is dus nog steeds dat de vloer van de bovengelegen bouwlaag maximaal 1,50 meter boven het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen. Dat wordt echter niet meer bepaald met een begripsbepaling, maar met een meetbepaling. Locatiegericht kan daarvoor een afwijkende maat van toepassing zijn van 1,20 meter of 2,00 meter. Waar die afwijkende maat moet gaan gelden, wordt bij het vervangen van bestemmingsplannen bepaald.  

Onderdeel A voorziet ook in de toevoeging van een nieuw vijfde lid. Er zijn veel regels waarbij bepaald wordt dat een bepaalde activiteit wel of juist niet in een bepaalde bouwlaag is toegestaan. De betreffende bouwlaag wordt op Regels op de kaart weergegeven met een getal. Dat getal kan ook negatief zijn (-1, -2, etc). Wanneer de waarde -1 is, wordt gedoeld op  de eerste volledige bouwlaag, gelegen onder de eerste bouwlaag. Wanneer de waarde -2 of lager is, wordt gedoeld op de tweede volledige bouwlaag of lager, gelegen onder de eerste bouwlaag. Het nieuwe vijfde lid maakt dit duidelijk. 

In verband hiermee is ook een begripsbepaling voor 'eerste bouwlaag' opgenomen. De eerste bouwlaag is de laagst gelegen bouwlaag die niet een kelder of souterrain is. Onderdeel RRRRRR voorziet hierin. 

2.3 Onderdeel B: fietsstalling overal passend gebruik (artikel 2.3)

Artikel 2.3, vijfde lid, bepaalt voor een aantal ondergeschikte vormen van gebruik dat die altijd passend zijn binnen een gebruiksdoel. Dat voorkomt dat er discussie kan ontstaan of bijvoorbeeld het voorzien in de eigen parkeerbehoefte wel of niet passend is binnen een gebruiksdoel wonen. Dat zijn ze. Op andere locaties in het omgevingsplan kunnen daaraan wel beperkingen worden gesteld, bijvoorbeeld in omvang, of met bouwregels. Aan de opsomming wordt 'fietsstalling' toegevoegd. 

2.4 Onderdeel C en PP: aanpassing artikel 2.7 en toevoeging nieuw artikel 3.12

Artikel 2.7 bevat specifieke regels over het gebruik van het bij een woonruimte behorend erf. Onderdeel daarvan is een aantal leden over parkeren (leden 2, 3 en 4). 

Het tweede lid bevat als regel dat het verboden een motorrijtuig op het bij een woonruimte behorend gebouwerf te parkeren, tenzij dit plaatsvindt binnen een bouwwerk dat klaarblijkelijk is bedoeld voor het parkeren van een motorrijtuig, of buiten een daartoe klaarblijkelijk bedoeld bouwwerk, voor zover de bestaande inrichting van de openbare ruimte en de aansluiting van het erf op de openbare weg hieraan niet in de weg staan. Het derde lid bepaalt dat op aangewezen locaties parkeren op eigen terrein niet is toegestaan, ongeacht de bestaande inrichting van de openbare ruimte en de aansluiting van het erf op de openbare weg. En het vierde lid bevat daarop weer een uitzondering voor motorrijtuigen op twee wielen en gehandicaptenvoertuigen, bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Deze leden staan op gespannen voet met subparagraaf 3.2.3.1, waarin voor parkeren als uitgangspunt is genomen dat parkeren op eigen terrein plaatsvindt. Dat geldt ook voor het gebruiksdoel wonen. Bovendien blijkt het tweede lid in de praktijk tot onduidelijkheid te leiden. 

Voorgesteld wordt de regels over parkeren onder te brengen in subparagraaf 3.2.3.1. Omdat daarin al het uitgangspunt is opgenomen dat parkeren op eigen terrein plaatsvindt, kan het tweede lid worden geschrapt. Het tweede en derde lid worden verplaatst naar een nieuw ingevoegd artikel 3.12, en redactioneel aangepast.  

2.5 Onderdeel E: toevoeging verplichting van een geluidluwe gevel bij gebruikswijziging van een gebouw naar een woonfunctie (subparagraaf 2.3.1.4)

Aan de regels over het gebruiksdoel: wonen wordt een nieuwe subparagraaf 2.3.1.4 toegevoegd, die erin voorziet dat dat bij gebruikswijziging van een gebouw naar een woonfunctie, een geluidluwe gevel wordt gerealiseerd. 

In het verleden kwam het voor dat bij vaststelling van een bestemmingsplan waarmee woningen werden mogelijk gemaakt uit akoestisch onderzoek was gebleken dat aan standaardwaarden dan wel vastgestelde hogere waarden werd voldaan. Wanneer hogere waarden waren vastgesteld, werd dan wel de verplichting opgenomen dat elke woning in elk geval een stille zijde moest hebben.  

Wanneer een bestemmingsplan wordt vervangen waar deze beoordeling reeds is gedaan, hoeft niet nogmaals akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het omgevingsplan moet dan wel voorzien in de mogelijkheid de stille zijde voor te schrijven. Subaragraaf 2.3.1.4 voorziet daarin. 

Deze subparagraaf is van toepassing op situaties waarbij voor een bestaand gebouw het gebruik wordt gewijzigd naar wonen, op een locatie waar naast een ander gebruisdoel ook een gebruiksdoel wonen geldt. De term stille zijde die in bestemmingsplannen werd gebruikt, is daarbij vervangen door geluidluwe gevel. Daarbij wordt de mogelijkheid geboden om met een maatwerkvoorschrift toestemming te geven om in bepaalde gevallen af te wijken van de verplichting van een geluidluwe gevel, en te volstaan met een bijna-geluidluwe gevel. 

Hoewel deze subparagraaf in eerste instantie bedoeld is om het vervangen van bestemmingsplannen met daarin een voorgeschreven stille zijde mogelijk te maken, is deze subparagraaf uiteraard ook van toepassing op nieuwe situaties waarbij woningbouw wordt mogelijk gemaakt, zonder dat daarbij de finale beoordeling op aanvaardbaar geluid wordt doorgeschoven naar het concrete initiatief (zie subparagraaf 4.2.4.7 en paragraaf 3.2.6 van de regels). Ook dan blijft immers vereist dat woningen beschikken over een geluidluwe gevel. 

Overigens zal in veel gevallen een gebruikswijziging naar wonen gepaard gaan van bouwactiviteiten die op grond van afdeling 4.2 als omgevingsplanactiviteit bouwwerken vergunningplichtig zijn. Daarvoor wordt een specifieke beoordelingsregel opgenomen (subparagraaf 4.2.4.14). In dat geval blijft de toepassing van subaragraaf 2.3.1.4 

2.6 Onderdeel S: toevoeging locatiebepaling voor religieuze instellingen (artikel 2.36)

Dit onderdeel voorziet in de toevoeging aan paragraaf 2.3.2 (gebruiksdoel maatschappelijke dienstverlening) van een artikel dat bepaalt dat een religieuze instelling uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'religieuze instelling toegestaan'. Een religieuze instelling is vanwege het bijzondere karakter ervan een vorm van maatschappelijke dienstverlening die niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid toelaatbaar is. Religieuze instellingen kunnen vanwege hoge bezoekersaantallen en piekmomenten leiden tot ruimtelijke effecten wat betreft verkeer, parkeren en geluid en daardoor overlast voor omwonenden geven. Met dit artikel wordt binnen locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar een religieuze instelling gevestigd mag worden.

Deze bepaling werkt na inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit overal door waar het bestemmingsplan is vervangen voor zover daarbij het gebruiksdoel maatschappelijke dienstverlening aan gronden is toegekend. Aangezien zich op die gronden geen religieuze instellingen bevinden, is het niet nodig met voorliggend wijzigingsbesluit aan de betreffende gronden de aanduiding 'religieuze instelling toegestaan' toe te kennen.

2.7 Onderdeel KK: toevoeging specifieke regel over het gebruik van het bij een cultureel hoofdgebouw behorend erf (artikel 2.108)

Dit onderdeel voorziet in de toevoeging aan paragraaf 2.3.7 (gebruiksdoel culturele voorziening) van een artikel dat bepaalt dat het verboden is een bij een hoofdgebouw voor culturele voorziening behorend bijgebouw te gebruiken voor publieksaantrekkende culturele activiteiten. Kort gezegd houdt dit in dat een bij een cultureel hoofdgebouw behorende bijgebouw zoals een schuur wel mag worden gebruik als schuur, ten behoeve van opslag, maar niet voor de hoofdactiviteit zelf, in dit geval publieksaantrekkende culturele activiteiten.  

Deze bepaling werkt na inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit overal door waar het bestemmingsplan is vervangen voor zover daarbij het gebruiksdoel culturele voorziening aan gronden zou zijn toegekend. Dat is nog nergens het geval. 

2.8 Onderdeel LL: aanpassing beperkende regel over waar sportscholen en fitnesscentra zijn toegestaan (artikel 2.129), toevoeging begripsbepalingen 'sport' en 'sportschool'

Artikel 2.129 bepaalt dat sportscholen en fitnesscentra uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'sportschool toegestaan'. Bij het vervangen van bestemmingsplannen blijkt dat niet duidelijk is wat hier onder moet worden verstaan. Zo speelde de vraag of ook yogastudio's hieronder vallen. Dat komt omdat het begrip sportvoorziening weliswaar is gedefinieerd, maar het begrip sport niet. 

Om duidelijkheid te scheppen, wordt aan bijlage I een begripsbepaling voor sport toegevoegd. Die luidt: 'een fysieke bezigheid met al dan niet een mentale component en met vaste regels, vaak beoefend in competitieverband, met als doel ontspanning, prestatie of verbetering van conditie en vaardigheid. Hieronder wordt in ieder geval begrepen yoga en pilates.'

Waar een gebruiksdoel: sport geldt, is sport toegestaan. Voor bepaalde sportvoorzieningen gelden beperkende regels, die bepalen dat ze binnen het gebruiksdoel: sport alleen zijn toegestaan op specifiek aangewezen locaties. Dat geldt ook voor sportscholen. Zolang er geen begripsomschrijving van sportschool wordt opgenomen, kan er discussie ontstaan over de vraag of een bepaalde vorm van sportvoorziening moet worden aangemerkt als sportschool. Dat heeft in het verleden al gespeeld bij yogastudio's. Om die onduidelijkheid en de daarmee gepaard gaande rechtsonzekerheid weg te nemen, wordt de volgende begripsbepaling voor sportschool voorgesteld: 'voorziening die vooral is ingericht met apparaten (trainingstoestellen) en waar met behulp daarvan kan worden gewerkt aan het op peil houden of verbeteren van de lichamelijke conditie en/of een voorziening waar gevechtsporten, zoals kickboksen, kunnen worden uitgeoefend.'

Uit deze begripsomschrijving volgt dat een fitnesscentrum een sportschool is. Het is overbodig en wekt onduidelijkheid in de hand het begrip fitnesscentrum in de regel apart te blijven benoemen. Om die reden wordt het geschrapt.

2.9 Onderdeel MM: toevoeging locatiebepaling voor podia in de openbare buitenruimte (artikel 2.209)

Dit onderdeel voorziet in de toevoeging aan paragraaf 2.3.15 (gebruiksdoel groen) van een artikel dat bepaalt dat podium in de openbare buitenruimte, zoals een muziekkoepel of een podium voor een openluchttheater, is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'podium in de openbare buitenruimte toegestaan'.  

Deze bepaling werkt na inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit overal door waar het bestemmingsplan is vervangen voor zover daarbij het gebruiksdoel groen is toegekend. Aangezien zich op die gronden geen podia in de openbare buitenruimte bevinden, is het niet nodig met voorliggend wijzigingsbesluit aan de betreffende gronden de aanduiding 'podium in de openbare buitenruimte toegestaan' toe te kennen.

2.10 Onderdeel NN: aanpassing naam aanduiding 'tuin' (artikel 3.5)

Artikel 3.5, derde lid, bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'tuin' geldt dat een bedrijfsmatig gebruik van het bijbehorend erf niet is toegestaan. De naam van de aanduiding 'tuin' geeft onvoldoende de strekking van de regel weer. Daarom wordt deze gewijzigd in 'bedrijfsmatig gebruik gebouwerf niet toegestaan'. 

2.11 Onderdelen BBB (artikel 3.24), CCC (artikel 3.25), JJJ (artikel 3.29) en HHH (artikel 3.30): inpassing geluid gezoneerde industrieterreinen 

Ten aanzien van industriegeluid vindt een beleidsvernieuwing plaats onder de Omgevingswet. Deze geluidbron wordt voortaan ook door de systematiek van geluidproductieplafonds gereguleerd in plaats van de geluidzonering op grond van de hiervoor geldende Wet geluidhinder. 

In artikel 3.6, eerste lid van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet is geregeld dat het oud recht van toepassing blijft op bestaande industrieterreinen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder (hierna: gezoneerde industrieterreinen) totdat de geluidproductieplafonds zijn vastgesteld. Dat betekent onder meer dat in deze 'tussenperiode' (totdat geluidproductieplafonds zijn vastgesteld) bij het wijzigen van het omgevingsplan (dan wel het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) waarmee een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten getoetst moet worden aan de Wet geluidhinder zoals dat gold voor het tijdstip van de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 

De toets aan de Wet geluidhinder houdt in dat er getoetst wordt aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 50 dB(A) conform artikel 40 voor woningen en artikel 2.1 van het Besluit geluidhinder voor andere geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige terreinen. 

Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt tabel 3.29 hierop aangevuld. Daartoe wordt een onderscheid gemaakt tussen industrieterreinen met geluidproductieplafonds, en gezoneerde industrieterreinen. In de begripsbepalingen wordt duidelijk gemaakt wat onder beide wordt verastaan. Voor gezoneerde industrieterreinen geldt de standaardwaarde van 50 dB(A).

Het is mogelijk om een hogere waarde dan de voorkeursgrenswaarde in acht te nemen indien toepassing van maatregelen onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. In dat geval stellen burgemeester en wethouders een hogere waarde vast met toepassing van artikel 110a van de Wet geluidhinder. Dit heet een hogere waarde besluit. Die hogere waarde mag niet hoger zijn dan de zogenaamde maximale ontheffingswaarde. De maximale ontheffingswaarde bedraagt niet meer dan 55 dB(A) voor woningen (artikel 45 Wet geluidhinder), 60 dB(A) voor onderwijsgebouwen, ziekenhuizen of verpleeghuizen, 55 dB(A) voor verzorgingshuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven en geluidsgevoelige terreinen, namelijk woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonschepen (zie artikel 2.2 Besluit geluidhinder). In bijzondere situaties, zoals indien de zeehavennorm wordt toegepast (zie artikel 50 Wet geluidhinder) of bij vervangende nieuwbouw (zie artikel 51 Wet geluidhinder) gelden er hogere maximale ontheffingswaarden. 

De maximale overschrijding van de standaardwaarde wordt voor wat betreft gezoneerde industrieterreinen dus bepaald door het hogere waarden besluit. Tabel 3.30 wordt hierop aangevuld. In de begripsbepalingen is duidelijk gemaakt wat wordt verstaan onder een besluit hogere waarden. 

In verband met de aanpassing wordt het derde lid van artikel 3.24 geschrapt. Dat bepaalde dat paragraaf 3.2.6 niet van toepassing was op gezoneerde industrieterreinen. Deze wijziging voorziet er juist in dat de paragraaf ook daarop van toepassing is. 

Ook artikel 3.25 wordt aangepast. Dat voorzag erin dat op het bepalen van het geluid op een gevel de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing zijn. Daaraan wordt toegevoegd dat bij het bepalen van het geluid op een gevel vanwege een gezoneerd industrieterrein de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Wet geluidhinder, van toepassing zijn.

2.12 Onderdeel NNN (artikel 3.36): Toevoeging lid bij vergunningplicht huisvesting in verband met mantelzorg in een bestaand bouwwerk

Paragraaf 3.2.7 regelt een vergunningplicht voor het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. De beoordelingsregels maken duidelijk dat strijd met regels over het geldende gebruiksdoel of een nog geldend bestemmingsplan geen weigeringsgrond is. Dat houdt bijvoorbeeld in dat als een bestemmingsplan aan de betreffende gronden de bestemming tuin geeft, en het gebruik van een bijgebouw ten behoeve van woonruimte daarbinnen niet is toegestaan, dit geen weigeringsgrind geeft voor de vergunning. Daarmee is tevens beoogd te bepalen dat het gebruik als zodanig ook daadwerkelijk is toegestaan. Artikel 2.3 bepaalt echter dat het verboden is gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die in strijd zijn regels over het gebruik, gesteld in hoofdstuk 2, 3 of een nog geldend bestemmingsplan. Hierin zou gelezen kunnen worden dat als sprake is van strijd, naast de in paragraaf 3.2.7 bedoelde omgevingsvergunning voor het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg, óók een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig zou zijn. Dat is niet het geval, en zeker niet zo beoogd. Om dit duidelijk te maken wordt met dit onderdeel aan artikel 3.35 een eerste lid toegevoegd dat bepaalt dat ongeacht paragraaf 2.3.1, een nog geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, of een TAM-omgevingsplan, het gebruiken van een bestaand bouwwerk op het gebouwerf van een woning voor huisvesting in verband met mantelzorg in overeenstemming is met dit omgevingsplan.

2.13 Onderdeel DDDD: aanvulling artikel 3.53

Artikel 3.53 heeft een nieuw opschrift en is aangevuld. Het artikel heeft nu meer alleen betrekking op hospitaverhuur en inwoning, maar ook op kamerverhuur. Het heeft twee onderdelen: a en b. Onderdeel a bevat een nieuwe regel over kamerverhuur. De nieuwe regel geldt voor dat in gebieden waar het tijdelijk deel van het omgevingsplan nog niet is vervangen. In die gebieden is omzetting van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte toegestaan, indien de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde omzettingsvergunning is verleend. Daarmee komt een einde aan de vaste praktijk dat wanneer een BOPA nodig zou zijn voor de omzetting, deze op basis van de ‘Beleidsregel voor het beslissen op aanvragen omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.1 lid 1 onder c jo artikel 2.12, lid 1 onder a, sub 2 Wabo voor het toestaan van kamerverhuur’ vrijwel altijd wordt verleend. Die vergunning is immers niet meer nodig. Genoemde beleidsregel was wat betreft genoemde juridische grondslag nog niet aangepast aan de Omgevingswet. Dat is door toevoeging van dit regelonderdeel niet meer nodig. 

2.14 Onderdeel HHHH (artikel 4.19): aanvulling binnenplanse afwijkmogelijkheden

In veel bestemmingsplannen is een binnenplanse afwijkmogelijkheid opgenomen die erin voorziet dat gestelde maten mogen worden overschreden, mits de overschrijding niet meer dan 10% bedraagt. Met dit onderdeel wordt aan artikel 4.19 een nieuw onderdeel toegevoegd dat voorziet in een soortgelijke mogelijkheid. Daarbij geldt wel dat geen extra bouwlaag mag worden gerealiseerd en dat de grenzen van het bouwvlak niet worden overschreden. 

2.15 Onderdeel IIII (artikel 4.32): toevoeging bepaling over uitvoering bodemonderzoek

Artikel 4.32 bevat aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Dit onderdeel voorziet erin dat een zesde lid wordt toegevoegd. Dat bepaalt dat op het uitvoeren van een bodemonderzoek de Amsterdamse Richtlijn voor Bodemonderzoek 2024 van toepassing is. Bodemonderzoeken moeten op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving minimaal voldoen aan de onderzoeksnormen van de NEN  (Nederlands Normalisatie Instituut). De Amsterdamse richtlijn voor bodemonderzoek 2024 (ARVO 2024) geeft nadere invulling aan die NEN-normen. Van de NEN-normen kan gemotiveerd worden afgeweken. De ARVO spitst de onderzoeksnormen toe op de specifieke Amsterdamse situatie.

2.16 Onderdelen LLLL (artikel 4.44), MMMM (artikel 4.45), NNNN (artikel 4.48) en OOOO (artikel 4.49): inpassing geluid gezoneerde industrieterreinen 

Ten aanzien van industriegeluid vindt een beleidsvernieuwing plaats onder de Omgevingswet. Deze geluidbron wordt voortaan ook door de systematiek van geluidproductieplafonds gereguleerd in plaats van de geluidzonering op grond van de hiervoor geldende Wet geluidhinder. 

In artikel 3.6, eerste lid van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet is geregeld dat het oud recht van toepassing blijft op bestaande industrieterreinen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder (hierna: gezoneerde industrieterreinen) totdat de geluidproductieplafonds zijn vastgesteld. Dat betekent onder meer dat in deze 'tussenperiode' (totdat geluidproductieplafonds zijn vastgesteld) bij het wijzigen van het omgevingsplan (dan wel het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) waarmee een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten getoetst moet worden aan de Wet geluidhinder zoals dat gold voor het tijdstip van de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 

De toets aan de Wet geluidhinder houdt in dat er getoetst wordt aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 50 dB(A) conform artikel 40 voor woningen en artikel 2.1 van het Besluit geluidhinder voor andere geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige terreinen. 

Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt tabel 4.48 hierop aangevuld. Daartoe wordt een onderscheid gemaakt tussen industrieterreinen met geluidproductieplafonds, en gezoneerde industrieterreinen. In de begripsbepalingen wordt duidelijk gemaakt wat onder beide wordt verastaan. Voor gezoneerde industrieterreinen geldt de standaardwaarde van 50 dB(A).

Het is mogelijk om een hogere waarde dan de voorkeursgrenswaarde in acht te nemen indien toepassing van maatregelen onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. In dat geval stellen burgemeester en wethouders een hogere waarde vast met toepassing van artikel 110a van de Wet geluidhinder. Dit heet een hogere waarde besluit. Die hogere waarde mag niet hoger zijn dan de zogenaamde maximale ontheffingswaarde. De maximale ontheffingswaarde bedraagt niet meer dan 55 dB(A) voor woningen (artikel 45 Wet geluidhinder), 60 dB(A) voor onderwijsgebouwen, ziekenhuizen of verpleeghuizen, 55 dB(A) voor verzorgingshuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven en geluidsgevoelige terreinen, namelijk woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonschepen (zie artikel 2.2 Besluit geluidhinder). In bijzondere situaties, zoals indien de zeehavennorm wordt toegepast (zie artikel 50 Wet geluidhinder) of bij vervangende nieuwbouw (zie artikel 51 Wet geluidhinder) gelden er hogere maximale ontheffingswaarden. 

De maximale overschrijding van de standaardwaarde wordt voor wat betreft gezoneerde industrieterreinen dus bepaald door het hogere waarden besluit. Tabel 4.49 wordt hierop aangevuld. In de begripsbepalingen is duidelijk gemaakt wat wordt verstaan onder een besluit hogere waarden. 

In verband met de aanpassing wordt het derde lid van artikel 4.44 geschrapt. Dat bepaalde dat subparagraaf 4.2.4.7 niet van toepassing was op gezoneerde industrieterreinen. Deze wijziging voorziet er juist in dat de paragraaf ook daarop van toepassing is. 

Ook artikel 4.45 wordt aangepast. Dat voorzag erin dat op het bepalen van het geluid op een gevel de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing zijn. Daaraan wordt toegevoegd dat bij het bepalen van het geluid op een gevel vanwege een gezoneerd industrieterrein de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Wet geluidhinder, van toepassing zijn.

2.17 Onderdeel RRRR: toevoeging beoordelingsregel geluidluwe gevel bij gebruikswijziging van een gebouw naar een woonfunctie (subparagraaf 4.2.4.14)

Subparagraaf 4.2.4.7 regelt een nadere afweging voor geluidgevoelige gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'nadere afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk'. Deze regels moeten borgen dat beoordeeld kan worden of het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is. Deze beoordeling hoeft alleen plaats te vinden op locaties die zijn aangeduid met de aanduiding 'nadere afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk'. Bij die beoordeling wordt ook bekeken of elke nieuwe woning beschikt over een geluidluwe gevel, of in elk geval een bijna-geluidluwe gevel (artikel 4.49). 

Deze nadere afweging is echter niet overal noodzakelijk. Maar waar dat niet het geval is, is het nog steeds zo dat elke nieuwe woning moet beschikken over een geluidluwe gevel. De nieuwe subparagraaf 4.2.4.14 voorziet in erin dat vergunningaanvragen voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken hierop worden beoordeeld. Daarbij wordt de mogelijkheid geboden om toestemming te geven om in bepaalde gevallen af te wijken van de verplichting van een geluidluwe gevel, en te volstaan met een bijna-geluidluwe gevel. 

Hoewel deze subparagraaf in eerste instantie bedoeld is om het vervangen van bestemmingsplannen met daarin een voorgeschreven stille zijde mogelijk te maken, is deze subparagraaf uiteraard ook van toepassing op nieuwe situaties waarbij woningbouw wordt mogelijk gemaakt, zonder dat daarbij de finale beoordeling op aanvaardbaar geluid wordt doorgeschoven naar het concrete initiatief (zie subparagraaf 4.2.4.7). Ook dan blijft immers vereist dat woningen beschikken over een geluidluwe gevel. 

2.18 Onderdelen AAAAAA en BBBBBB: aanpassing artikel 5.3 en 5.7

Met het Wijzigingsbesluit omgevingsplan Amsterdam: Eerste tranche vervangen bestemmingsplannen (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-106431.html) is onder andere artikel 5.3 aangevuld met een meetregel die bepaalt dat voor het bepalen van de bouwhoogte van een bouwwerk voor gebouwen geldt dat bij het bepalen van de bouwhoogte niet worden betrokken een dakkapel, dakterras, buitentrap, liftopbouw, schoorsteen, ventilatiekanaal, airco-unit, luchtbehandelingsinstallatie, glazenwassersinstallatie, brandtrap, hijsinrichting, bouwwerk dat samenhangt met installaties binnen een gebouw, of soortgelijke bouwdelen aan of op een gebouw. Deze aanvulling hield verband met meerdere wijzigingen, waaronder een aanpassing van artikel 5.25 en 4.19. Artikel 5.25 houdt kort gezegd een verbod in op de betreffende gebouwonderdelen, waarbij artikel 4.19 ze onder een generieke afwijkmogelijkheid plaatst. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kan kan beoordeeld worden of het betreffende gebouwonderdeel aanvaardbaar is. daarover kunnen desgewenst beleidsregels worden vastgesteld. 

Vanwege de aanhef van artikel 5.3 heeft de aanvulling in dat artikel ook betrekking op de bijbehorende bouwwerken, bedoeld in artikel 5.8, die in beginsel overal zijn toegestaan (de voormalige artikel 2, bijlage II Bor-gevallen). Dat geeft onduidelijkheid, omdat het dan lijkt dat het bijbehorend bouwwerk zonder vergunning mag worden gerealiseerd, maar voor een eventuele schoorsteen erop wel een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken nodig is, waarbij gebruik gemaakt moet worden van de afwijkmogelijkheid zoals bedoeld in artikel 4.19. Dat is een verzwaring ten opzichte van oud recht, en niet beoogd. Dit wordt als volgt aangepast. 

De aanhef van artikel 5.3 wordt aangepast. Bepaald wordt dat het artikel alleen van toepassing is op afdeling 5.5 tot en met 5.8, en niet op afdeling 5.3, waar artikel 5.8 onderdeel van uitmaakt. De hierboven bedoelde meetregel met betrekking tot ondergeschikte gebouwonderdelen is daarmee niet langer van toepassing op de bijbehorende bouwwerken, bedoeld in artikel 5.8.  

De meet- en rekenregel die in het voormalige Bor betrekking had op de vergunningvrije bijbehorende bouwwerken, en die was opgenomen overgenomen in artikel 5.3, wordt verplaatst naar een nieuw derde lid in artikel 5.7. Daarmee wordt hersteld dat die meet- en rekenregel alleen van toepassing is op de bouwwerken, genoemd in artikel 5.8, zoals het onder oud recht ook was.    

2.19 Onderdeel GGGGGG: toevoeging specifieke regel over bruggen (artikel 5.42)

Dit onderdeel voorziet in de toevoeging aan afdeling 5.6 (bouwwerken geen gebouw zijnde) van een artikel dat regels bevat over bruggen. Het eerste lid bevat als hoofdregel dat voor een brug de bestaande bouwhoogte ervan de maximum bouwhoogte is. Voor een brug waar onderdoor gevaren wordt, is de bestaande doorvaarthoogte ervan de minimum doorvaarthoogte. Het tweede en derde lid bevatten aanvullende regels waarmee bepaald kan worden dat de maximum bouwhoogte van een brug met maatvoering wordt aangegeven, of dat een brug te openen moet zijn. 

Uitsluitend het eerste lid werkt na inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit overal door waar het bestemmingsplan is vervangen. Aangezien met dit eerste lid de bestaande situatie als maatgevend wordt bepaald, is het niet nodig aan de betreffende gronden de een specifieke maatvoering mee te geven. 

2.20 Onderdeel LLLLLL: toevoeging specifieke bouwregel over podia in de openbare buitenruimte (artikel 5.60)

Voor het gebruiksdoel groen wordt bepaald waar podia in de openbare buitenruimte zijn toegestaan. Met het toe te voegen artikel 5.60 wordt bepaald hoe hoog een podium in de openbare buitenruimte mag worden. Bij podia in de openbare buitenruimte zal veelal sprake zijn van een gebouw. Dit artikel dient in dat geval opgevat te worden als een afwijking van de hoofdregel geformuleerd in artikel 5.15 dat bepaalt dat bovengrondse gebouwen uitsluitend zijn toegestaan binnen een bouwvlak. Voor zover sprake is van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dan dient dit artikel opgevat te worden als een afwijking van de hoofdregel geformuleerd in artikel 5.36 dat bepaalt dat bouwwerken, geen gebouw zijnde, maximaal 1 meter hoog mogen zijn. 

2.21 Onderdelen NNNNNN t/m VVVVVV: harmonisatie aanlegvergunningplichten (hoofdstuk 6)

Voor een aantal werkzaamheden en werken, geen bouwwerk zijnde, bevat hoofdstuk 6 vergunningplichten (aanlegvergunningplichten). Deze afzonderlijke aanlegvergunningplichten zijn opgenomen in aparte afdelingen. Per aanlegvergunningplicht wordt in het eerste artikel van zo'n afdeling het toepassingsbereik bepaald. Daarin wordt aangegeven op welke activiteiten de afdeling van toepassing is. Hoewel de vergunningplichtige activiteiten per aanlegvergunningplicht verschillen, zijn er ook overeenkomsten. Zo is binnen de aanlegvergunningplicht beschermd stads- of dorpsgezicht een van de vergunningplichtige activiteiten het veranderen van bestaande waterstructuren door graven en/of dempen van waterlopen en waterpartijen. Terwijl binnen de aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen een van de vergunningplichtige activiteiten. De activiteiten zijn verschillend geformuleerd, maar inhoudelijk wordt hetzelfde bedoeld. Met voorliggende wijziging worden die formulering geharmoniseerd. 

2.22 Onderdelen XXXXXX (artikel 6.29) en YYYYYY (artikel 6.30): aanpassing regeling aanlegvergunningplicht beschermde gezichten

Afdeling 6.6 bevat regels over aanlegactiviteiten binnen beschermde stads- en dorpsgezichten. De regeling zoals die nu nog luidt geldt overal binnen Amsterdam waar een beschermd gezicht is aangewezen (artikel 6.29, tweede lid). Daarbij is geregeld dat als een nog geldend bestemmingsplan een aanlegvergunningplicht ter bescherming van het beschermd stads- of dorpsgezicht bevat, afdeling 6.6 buiten toepassing blijft (artikel 6.30). In dat geval zijn de regels in dat bestemmingsplan van toepassing. 

Wanneer een bestemmingsplan géén aanlegvergunningplicht bevat, geldt afdeling 6.6 dus wel. Dat is ook het geval wanneer in dat bestemmingsplan, rekening houdend met de status van beschermd gezicht, bewust van een vergunningplicht is afgezien. Dat is ongewenst. Om die reden wordt artikel 6.29, tweede lid, aangepast. Afdeling 6.6 wordt niet meer automatisch gekoppeld aan gebieden die in het omgevingsplan zijn aangewezen als beschermd gezicht, maar gekoppeld aan een nieuwe aanduiding 'aanlegvergunningplicht beschermd gezicht van toepassing'. De regels gelden dan alleen daar waar die aanduiding gaat gelden. Bij het vervangen van een bestemmingsplan kan dan worden bepaald waar dat het geval moet zijn. 

 Met deze aanpassing is artikel 6.30 overbodig geworden, en wordt geschrapt. 

Artikel 6.29, vierde lid, bepaalt nu nog dat afdeling 6.6 ook van toepassing is op nog nieuw aan te wijzen beschermde gezichten, voor zolang die nog niet zijn aangeduid als beschermd gezicht. Dit vierde lid wordt eveneens geschrapt, omdat ook daarvoor geldt dat de beoordeling of afdeling 6.6 van toepassing moet zijn, per gebied moet plaatsvinden. Als dat het geval is, kan met een wijziging van het omgevingsplan de aanduiding 'aanlegvergunningplicht beschermd gezicht van toepassing' worden toegekend. Dat kan ook zonder dat daarbij het geldende bestemmingsplan vervangen moet worden. 

2.23 Onderdelen MMMMMMM (artikel 9.10), HHHHHHHH (artikel 9.204), IIIIIIII (artikel 9.229), KKKKKKKK (artikel 9.241), LLLLLLLL (artikel 9.246 en 9.247), JJJJJJJJJ (artikel 22.41): reparatie ten aanzien van ondersteunende en samenhangende milieubelastende activiteiten

In deze onderdelen wordt een fout hersteld ten aanzien van milieubelastende activiteiten die een andere, vergunnigplichtige milieubelastende activiteit functioneel ondersteunen of daarmee rechtstreeks samenhangen. Zowel de vergunningplichtige milieubelastende activiteit als de daaraan ondersteunende dan wel daarmee samenhangende activiteiten vallen onder het toepassingsbereik van afdeling 22.3. Met het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling zijn regels in afdeling 22.3 geschrapt die niet van toepassing waren voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Hierbij is voorbij gegaan aan het feit dat de geschrapte regels relevant waren voor de 'ondersteunende en samenhangende' activiteiten. In artikel 9.10 en 9.241 wordt deze fout hersteld door de relevante onderdelen van afdeling 9.2 en van paragraaf 9.3.2 van toepassing te verklaren voor de 'ondersteunende en samenhangende' activiteiten.

Ook wordt voorzien in overgangsrecht voor activiteiten met een vergunningplicht op grond van dit omgevingsplan. Daarmee wordt geregeld dat bestaande vergunningen die als gevolg van hierboven genoemde omissie zijn vervallen, herleven. 

2.24 Onderdelen RRRRRRR (artikel 9.38), UUUUUUU (artikel 9.74), VVVVVVV (artikel 9.83), XXXXXXX (artikel 9.96), DDDDDDDD (artikel 9.167) en EEEEEEEE (artikel 9.177): uitzondering milieubescherming van bestaande mantelzorgwoningen 

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 werden mantelzorgwoningen niet beschermd tegen de milieuhinder van milieubelastende activiteiten. Datzelfde gold voor het Omgevingsplan Amsterdam zoals dat op 1 januari 2024 van rechtswege is ontstaan.

Per 31 oktober 2024 is het Omgevingsplan Amsterdam met het "Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling" aangepast. Omdat het Besluit kwaliteit leefomgeving mantelzorgwoningen tegen milieuhinder wel beschermt, gelden de milieuregels in hoofdstuk 9 sindsdien ook voor mantelzorgwoningen. Hierbij is echter voorbij gegaan aan de gevolgen voor de bedrijfsvoering van rechtmatige bestaande milieubelastende activiteiten in de omgeving van mantelzorgwoningen. Met deze onderdelen wordt voorzien in een overgangsrecht voor die bestaande milieubelastende activiteiten. 

2.25 Diverse onderdelen: schrappen NEN-normen (artikel 9.159, 9.162, 9.182, 9.237, 9.250, 9.252, 9.253, 9.259, 9.263, 9.273, 9.289, 9.293, 9.297, 9.304, 9.315, 9.318, 9.322, 9.326, 9.327)

Het Omgevingsplan Amsterdam bevat verwijzingen naar niet-publiekrechtelijke normen, waaronder veel van de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN), ook wel NEN-normen genoemd. Deze NEN-normen betreffen vooral technische bepalingen, bijvoorbeeld meet- en rekenregels en geen inhoudelijke normen. Vooral de milieuregels die het Rijk heeft overgedragen aan gemeenten, bevatten veel technische verwijzingen naar NEN-normen. 

Op verzoek van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft het Rijk decentralisatie op dit punt teruggedraaid. Met een wijziging van de Omgevingsregeling (Stcrt. 2025, nr. 32862) zijn de meet- en rekenmethoden weer op rijksniveau geregeld. De verwijzingen naar de NEN-normen in het  Omgevingsplan Amsterdam zijn hiermee onverbindend geworden. Gelet hierop worden ze uit het omgevingsplan geschrapt. 

2.26 Onderdeel GGGGGGGG: uitzonderingen vergunningplicht voor propaantanks (artikel 9.203)

In verband met de veiligheidsrisico's bevat het Omgevingsplan Amsterdam een vergunningplicht voor het opslaan van propaan of propeen in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 l (en met een maximum van 13 m3). Met dit besluit wordt een drietal uitzonderingen gemaakt op de vergunningplicht, namelijk voor rechtmatige bestaande situaties, voor tijdelijke opslag (bv. ter ondersteuning van bouwactiviteiten) of als de veiligheidsrisico's voor de omgeving beperkt zijn. Uit de uitvoeringspraktijk blijkt dat in deze gevallen de vergunningplicht een onevenredige zware verplichting betekent. 

2.27 Onderdeel BBBBBBBBB: toevoeging bepaling over uitvoering bodemonderzoek (artikel 9.375)

Het nieuw toe te voegen artikel 9.375 bepaalt dat op het uitvoeren van een bodemonderzoek dat door het Besluit activiteiten leefomgeving wordt voorgeschreven, de Amsterdamse Richtlijn voor Bodemonderzoek 2024 van toepassing is. Bodemonderzoeken moeten op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving minimaal voldoen aan de onderzoeksnormen van de NEN  (Nederlands Normalisatie Instituut). De Amsterdamse richtlijn voor bodemonderzoek 2024 (ARVO 2024) geeft nadere invulling aan die NEN-normen. Van de NEN-normen kan gemotiveerd worden afgeweken. De ARVO spitst de onderzoeksnormen toe op de specifieke Amsterdamse situatie.

2.28 Onderdeel DDDDDDDDD: aanpassing artikel 11.1

Hoofdstuk 11 is op grond van artikel 11.1, eerste lid, van toepassing op onder meer de aanleg of wijziging van verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verwachte verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde. Het aantal van 1.000 motorvoertuigen wordt met dit wijzigingsonderdeel verhoogd naar 2.500. Dit naar aanleiding van een wijziging in het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

2.29 Onderdeel EEEEEEEEE: meet- en rekenregel aanleg of wijziging lokaal (spoor)weg (artikel 11.2)

In dit gewijzigde onderdeel worden de van toepassing zijnde meet- en rekenregels concreet aangewezen per geluidbronsoort in plaats van een generieke verwijzing naar de landelijke regeling. 

2.30 Onderdeel JJJJJJJJJJ: aanpassing begripsbepalingen bouwlaag en bijzondere bouwlagen

In het omgevingsplan is de volgende begripsbepaling opgenomen voor bouwlaag: 'doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond, en met uitsluiting van bijzondere bouwlagen'. 

Op grond van de begripsbepaling voor bouwlaag zijn bijzondere bouwlagen dus géén bouwlaag. 

Een bijzonder bouwlaag wordt gedefinieerd als kelder, souterrain, kap of dakopbouw. Deze begrippen worden zelf ook weer gedefinieerd. De begripsbepalingen van kelder, souterrain en kap beginnen daarbij met te stellen dat ze wél een bouwlaag zijn. Dat is innerlijk tegenstrijdig, en moet worden hersteld. 

Een ander probleem is dat in verschillende te vervangen bestemmingsplannen uiteenlopende definities worden gebruikt voor het begrip bijzondere bouwlaag. In het ene geval valt de kap er niet onder, elders valt een souterrain er niet onder, etc. Dat levert een probleem op bij het vervangen van die bestemmingsplannen met gebruikmaking van de huidige begripsomschrijvingen. 

Met voorliggende wijziging wordt dit als volgt opgelost. 

Allereerst wordt de begripsbepaling voor bouwlaag gewijzigd in: 'doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd'.

De begripsbepaling voor bijzondere bouwlaag wordt geschrapt. Wanneer een regel betrekking heeft op een kelder, souterrain, kap of dakopbouw, dan worden die begrippen gebruikt. Gebruikmaking van een overkoepelend begrip bijzondere bouwlaag is overbodig. Daarmee wordt tevens het probleem voor het vervangen van bestemmingsplannen ondervangen.

2.31 Overige onderdelen

In de Vangnetregeling Omgevingswet heeft het Rijk de aan gemeenten overgedragen milieuregels aangevuld. Die bepalingen in de Vangnetregeling gelden nu al in aanvulling op het Omgevingsplan Amsterdam. Deze zijn echter in technische zin geen onderdeel van het Omgevingsplan Amsterdam en zijn dan ook niet zichtbaar in de viewer Regels op de kaart. Met dit wijzigingsbesluit worden de aanvullende regels uit de Vangnetregeling verwerkt in het Omgevingsplan Amsterdam. Dit draagt bij aan de kenbaarheid van de aanvullende regels en daarmee aan de rechtszekerheid. 

De overige hiervoor niet besproken onderdelen hebben betrekking op redactionele aanpassingen en vernummering van reeds bestaande artikelen en onderdelen. De regels wijzigen inhoudelijk niet. 

Verder hebben de niet besproken onderdelen betrekking op aanpassingen in de artikelsgewijze toelichting of algemene toelichting. 

Naar boven