Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Zoeterwoude 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoeterwoude

 

gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 31, tweede lid, onderdeel s, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, en 44, vijfde lid, van de Participatiewet en de artikelen 15a, eerste lid, en 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

 

besluit vast te stellen de volgende beleidsregel:

 

Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Zoeterwoude 2026

 

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoeterwoude;

  • IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Wet;

  • probleemschulden: schulden die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden;

  • schuldregeling: een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulp-verlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen;

  • Wet: Participatiewet;

  • Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • zoektermijn: de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de Wet;

HOOFDSTUK 2. BELEIDSKEUZES

Artikel 2. Vrijlaten van giften in individuele gevallen

Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Wet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:

  • a.

    giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden;

  • b.

    giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten;

  • c.

    giften waarmee probleemschulden worden betaald;

  • d.

    giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, achtste lid, van de Wet, met een waarde tot maximaal € 1.200 per jaar.

Artikel 3. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn

Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand vóór het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet, wanneer sprake is van ten minste een van de volgende omstandigheden:

  • a.

    de jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015;

  • b.

    de jongere heeft uiterlijk 12 maanden voorafgaand aan de melding:

    • 1.

      in een inrichting verbleven;

    • 2.

      opvang gehad als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015; of

    • 3.

      bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Jeugdwet.

  • c.

    voor de jongere gold uiterlijk binnen 12 maanden voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4, van de Jeugdwet;

  • d.

    de jongere een zorgbehoefte heeft, die naar het oordeel van het college de arbeidsinschakeling of de toeleiding naar school belemmert;

  • e.

    de jongere een alleenstaande ouder is en de zorg heeft voor een inwonend minderjarig kind;

  • f.

    de jongere niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen of niet met een woonadres, maar met een briefadres ingeschreven is in de basisregistratie personen;

  • g.

    de jongere op andere wijze dak-of thuisloos is;

  • h.

    de jongere heeft probleemschulden of schulden die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden als de zoektermijn wordt toegepast;

  • i.

    de jongere wordt (tijdelijk of permanent) gehuisvest in het kader van de halfjaarlijkse taakstelling huisvesting statushouders;

  • j.

    de jongere verhuist naar de gemeente vanuit een andere gemeente waar hij al algemene bijstand ontving;

  • k.

    de jongere doet aansluitend op het einde van een uitkering op grond van de WW een beroep op algemene bijstand;

  • l.

    de jongere is ontslagen uit detentie en heeft nog geen inkomen of voorziening waarmee in het eigen levensonderhoud kan worden voorzien.

Artikel 4. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure

  • 1.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij hem berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Wet, te gebruiken, wanneer:

    • a.

      dit gebruik leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag;

    • b.

      de nieuwe aanvraag is ingediend binnen maximaal 12 maanden na het eindigen van de algemene bijstand.

  • 2.

    Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:

    • a.

      het hoofdverblijf;

    • b.

      de gezinssituatie; en

    • c.

      het inkomen en het vermogen.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Ioaw.

  • 4.

    Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende.

Artikel 5. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

  • 1.

    Het college is in ieder geval van oordeel dat individuele omstandigheden ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Wet als:

    • a.

      er omstandigheden zijn die rechtvaardigen, dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:

      • 1.

        de belanghebbende was niet in staat om bijstand aan te vragen;

      • 2.

        de belanghebbende was niet op de hoogte van de mogelijkheid om bijstand aan te vragen en hem dit naar het oordeel van het college niet te verwijten valt;

      • 3.

        een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen;

      • 4.

        de belanghebbende had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;

    • b.

      er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:

      • 1.

        de belanghebbende heeft probleemschulden of schulden die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden;

      • 2.

        na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van belanghebbende of is belanghebbende is failliet verklaard;

      • 3.

        na de melding is de huur van woonruimte opgezegd, de zorgverzekering geroyeerd, of gas, licht of water afgesloten.

  • 2.

    Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw.

HOOFDSTUK 3. SLOTBEPALINGEN

Artikel 6. Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoeterwoude d.d. 12 mei 2026

De secretaris,

R.S Somair

De burgemeester,

F.Q.A van Trigt

Toelichting

Algemeen

Op 1 januari 2026 is de Participatiewet (de Wet) gewijzigd door de Participatiewet in balans en door de Verzamelwet SZW 2026. De wijzigingen door de Participatiewet in balans treden gefaseerd in werking. Deze beleidsregel ziet op het invullen van de beleids- en uitvoeringsruimte van het college op een viertal bevoegdheden uit de eerste fase. Deze bevoegdheden bieden het college onder voorwaarden de mogelijkheid om:

 

  • i.

    vrijgelaten giften te verruimen;

  • ii.

    de vier weken zoektermijn voor jongeren achterwege te laten;

  • iii.

    bij het college berustende gegevens te hergebruiken en daarmee de aanvraag voor belanghebbenden te vereenvoudigen; en,

  • iv.

    met terugwerkende kracht bijstand te verlenen tot maximaal drie maanden voor de melding.

Voor de laatste twee bevoegdheden (hergebruik van gegevens en terugwerkende kracht) geldt daarenboven dat het college deze ook kan inzetten voor de aanvraag van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw). Dit komt in de beleidsregel ook tot uiting in de artikelen 4, derde lid, en 5, derde lid.

 

Artikelsgewijs

In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.

 

Artikel 1. Definities

In dit artikel zijn de begrippen omschreven die worden gebruikt in de beleidsregel. Voor het overige gelden de definities uit de Participatiewet of de Algemene wet bestuursrecht. Enkele van de begrippen uit de beleidsregel worden hieronder nader toegelicht.

 

Probleemschulden

In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) wordt het begrip ‘probleemschulden’ (of: 'problematische schulden') niet gedefinieerd. Wel wordt aangegeven voor wie schuldhulpverlening is bedoeld. In artikel 1 van de Wgs staat:

 

‘het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.’

 

Voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) geldt een vergelijkbaar criterium. In de definitie zijn iets eenvoudiger woorden gebruikt om dit uit te drukken. Daarbij speelt ook de overweging, dat het niet de bedoeling is om exact te gaan boekhouden bij het beoordelen van iemands financiële situatie. Het is voldoende dat ‘naar het oordeel van’ het college iemand zijn schulden niet meer kan aflossen of is gestopt met betalen.

 

Schuldregeling

Een schuldregeling is een betaalregeling met schuldeisers voor de aflossing van problematische schulden. De gemeente is verantwoordelijk voor schuldhulpverlening en kan met de schuldeisers en de schuldenaar een schuldregeling treffen, op grond van de Wgs. Daarnaast kan de rechter een wettelijke schuldsanering uitspreken, op grond van de Wsnp. In beide gevallen leidt een schuldregeling ertoe dat na afronding belanghebbende een ‘schone lei’ krijgt.

 

Zoektermijn

Onder ‘zoektermijn’ wordt verstaan: de termijn van vier weken nadat een jongere (tot 27 jaar) zich heeft gemeld om algemene bijstand aan te vragen. Pas na die termijn kan een aanvraag worden ingediend en door het college in behandeling worden genomen (enkele uitzonderingen daargelaten, zie artikel 41, vierde lid, van de Wet).

 

Artikel 2. Vrijlaten van giften in individuele gevallen

In artikel 2 zijn regels opgenomen over het vrijlaten van giften in het kader van artikel 31, eerste lid, onderdelen m en s, van de Wet. Het begrip ‘gift’ wordt hier niet nader omschreven. Uit de wetshistorie van achtereenvolgende bijstandswetten en de jurisprudentie daaromtrent blijkt dat het bij een gift moet gaan om een bevoordeling van de ontvanger, met een onverplicht karakter (vrijgevigheid), zie bijv. ECLI:NL:CRVB:2016:1160. Daarmee wordt aangesloten bij de omschrijving van ‘gift’ in artikel 7:186, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek: Een gift is iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van het eigen vermogen verrijkt’. Voor het aannemen van een gift is het dus nodig dat sprake is van een drietal vereisten: de verarming van de gever, de verrijking van de ontvanger, als gevolg van een (onverplichte) handeling uit vrijgevigheid waar partijen zich bewust van zijn (zie ook Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:AD7272).

 

Als het gaat om giften in natura die bestemd zijn voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, spreken we over ‘bijdragen die leiden tot een kostenbesparing’ (zie ook artikel 18, achtste lid, van de Wet). Deze zgn. besparingsbijdragen worden niet als middel aangemerkt, die als inkomen of vermogen bij de bijstandverlening betrokken moeten worden. Zij kunnen echter wel leiden tot verlaging van de algemene bijstand, vanwege lagere bestaanskosten. Met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Wet wordt de bijstand dan afgestemd op die lagere bestaanskosten (individualiseringsbeginsel). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de regelmatige ontvangst van boodschappen of het betalen van de zorgpremie of huur door derden. Zulke besparingsbijdragen van derden vallen nu ook onder de giftenvrijlating van maximaal € 1.200 per kalenderjaar. Zij vallen echter niet onder de surplus-regeling voor giften, die in het individuele geval gelet op artikel 31, eerste lid, onderdeel s, van de Wet, vrijgelaten kunnen worden bovenop de algemene vrijlating van € 1.200 per kalenderjaar. Daarom is het nodig beide soorten bijdragen goed af te bakenen.

 

In de Participatiewet geldt een gift als middel dat vrijgelaten wordt als dat in het individuele geval verantwoord is in het kader van de bijstandsverlening (artikel 31, tweede lid, onderdeel s). Dit artikel blijft ongewijzigd, maar ingevoegd wordt, dat giften en kostenbesparingen tot een bedrag van € 1.200,- per kalenderjaar in ieder geval niet tot de middelen worden gerekend (artikel 31, tweede lid, onderdeel m). Dit bedrag wordt periodiek aangepast. De wetgever heeft niet beoogd beleidsruimte te bieden om dat bedrag categoriaal te verhogen of te verlagen.

 

Naast de categoriale vrijlatingsregeling kan het college verder invullen onder welke omstandigheden het al dan niet verantwoord is om giften buiten beeld te houden bij het beoordelen van het recht op bijstand. In dit artikel zijn aanknopingspunten gegeven op basis waarvan giften in het individuele geval door het college in elk geval buiten beschouwing worden gelaten.

 

Artikel 3. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn

Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.

 

Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, is een elfde lid toegevoegd:

 

‘In afwijking van het vierde lid kan het college de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.’

 

Het twaalfde lid voegt daaraan toe, dat het college de jongere na de melding dan in de gelegenheid stelt om direct zijn aanvraag in te dienen.

 

Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief. Voor jongeren in kwetsbare omstandigheden wordt met deze wetswijziging de mogelijkheid geboden om de zoektermijn achterwege te laten.

 

In artikel 3 worden groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden.

 

Artikel 4. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure

De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de – behoorlijk uitgebreide - aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Door de combinatie van een aantal maatregelen wordt de (behandeling van de) aanvraag sneller en eenvoudiger. Eén van die maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van het nieuwe artikel 43a:

 

  • 1.

    Indien na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, kan het college de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere bijstandsverlening gebruiken, indien dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag.

  • 2.

    Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende.’

Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Van deze ruimte is gebruik gemaakt. Het college benut dan de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode en vraagt deze niet opnieuw van de belanghebbende.

 

Eerste lid

Een vereenvoudigde aanvraagprocedure in combinatie met hergebruik van gegevens, is bij uitstek bedoeld voor situaties waarin aangenomen mag worden dat de omstandigheden niet wezenlijk veranderd zijn, zodat het recht op bijstand eenvoudig is vast te stellen. In het eerste lid zijn enkele situaties beschreven waarbij dat het geval kan zijn. In elk geval mag het hergebruik van gegevens er volgens de wet niet toe leiden dat er sprake is van een meer belastende aanvraag.

 

Tweede lid

Sommige gegevens kunnen eerder aan verandering onderhevig zijn dan andere. Hier is benoemd welke gegevens in ieder geval gecheckt worden op eventuele wijzigingen. Het college kan bij twijfel te allen tijde alsnog om meer actuele informatie vragen bij de belanghebbende. Ook op andere punten.

 

Derde lid

De tekst van het nieuwe artikel 43a van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 15a van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is in het derde lid opgenomen, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de uitvoering van de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.

 

Artikel 5. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de Wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44, vijfde lid:

 

‘In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.’

 

Met dit nieuwe lid (kan-bepaling) krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt.

 

Eerste lid

In lijn met de Memorie van Toelichting bij de Wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 46-47) kunnen twee situaties worden onderscheiden:

  • 1.

    De melding is te laat gedaan als gevolg van de individuele omstandigheden.

  • 2.

    De gevolgen van de late melding zijn ernstig voor de bijstandsgerechtigde.

De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het de belanghebbende niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn. Door terugwerkende kracht toe te passen, kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen.

 

Onderdeel a

Hier worden omstandigheden genoemd die naar het oordeel van het college wijzen op een niet verwijtbare te late melding. Voor de onderdelen 1, 2 en 4 geldt, dat het (vooral) gaat om omstandigheden van persoonlijke aard (niet in staat zijn om, bijv. door ziekenhuisopname, en onvoldoende ‘doenvermogen’). Voor onderdeel 3 geldt dat het meer om een systeemtechnische omstandigheid gaat (bijv. eerst een aanvraag voor WW, daarna, na afwijzing, richting bijstand). De bijstand werkt dan terug tot het moment waarop de inwoner in de betreffende omstandigheden is geraakt (maximaal drie maanden, zie ook het tweede lid). Uiteraard moet dan wel vanaf dat eerdere moment voldaan zijn aan de voorwaarden voor de bijstandverlening.

 

Onderdeel b

Als niet met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend, kunnen de gevolgen voor de inwoner dermate ernstig zijn, dat alleen al om die reden toch terugwerkende kracht wordt toegepast. In dit onderdeel zijn enkele indicatoren genoemd die terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen. Het gaat vooral om precaire actuele financiële omstandigheden (onderdelen 1 en 2), of problemen die door financiële omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt, of daaraan hebben bijgedragen, zoals huisuitzettingen, afsluiting van nutsvoorzieningen of royement van zorgverzekeringen (onderdeel 3). Een ongeluk komt zelden alleen, vaak is er meer aan de hand dan uitsluitend financiële problematiek, daarom is van belang te benadrukken dat het gaat om indicatoren. Er is ruimte om ook in andere gevallen uit te gaan van terugwerkende kracht.

 

Tweede lid

Artikel 44, vijfde lid, van de Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de

belanghebbende zich heeft gemeld. Met dit artikellid in de beleidsregel stelt het college vast wat in normale gevallen de maximale termijn voor terugwerkende kracht zal zijn.

 

Derde lid

De voorgaande leden zijn ook van toepassing op uitkeringen op grond van de Ioaw. De tekst van het nieuwe artikel 44, vijfde lid, van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is aan het derde lid toegevoegd, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.

Naar boven