Gemeenteblad van Noord-Beveland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Noord-Beveland | Gemeenteblad 2026, 24027 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Noord-Beveland | Gemeenteblad 2026, 24027 | beleidsregel |
Beleidsregels bestuurlijke boeten toeristenbelasting gemeente Noord-Beveland
Het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland;
hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
artikel 231, eerste lid en tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet;
artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
besluit de volgende regeling vast te stellen:
Beleidsregels bestuurlijke boeten toeristenbelasting gemeente Noord-Beveland
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
In deze regeling is het beleid neergelegd voor het opleggen van bestuurlijke boeten bij de heffing van toeristenbelasting op grond van de toepasselijke Verordening toeristenbelasting Noord-Beveland, heffingen waarop Hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna te noemen: AWR) van toepassing is.
In deze regeling wordt verstaan onder:
belanghebbende: degene aan wie, op grond van artikel 5:1, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 67o, eerste lid, van de AWR, in de hoedanigheid van pleger, medepleger, doen pleger, uitlokker, medeplichtige, feitelijk leidinggever of opdrachtgever een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
Artikel 3 Ambtshalve vermindering
Onjuist gebleken boetebeschikkingen kunnen op grond van artikel 65 van de AWR in aanmerking komen voor ambtshalve vermindering door de heffingsambtenaar. Het beleid inzake artikel 65 van de AWR is van overeenkomstige toepassing op boetebeschikkingen.
Artikel 4 Straftoemeting, pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld
Bij wanverhouding gaat het erom hoe ernstig de normschending in het concrete geval moet worden opgevat. De afweging moet leiden tot een sanctie die proportioneel is. Indien de heffingsambtenaar tot de gevolgtrekking komt dat van een wanverhouding sprake is, vermindert hij de boete op eigen initiatief.
Bij verzachtende omstandigheden ligt de nadruk op buiten de (directe) invloedssfeer van de belanghebbende gelegen gebeurtenissen. Voor de beoordeling of die omstandigheden tot matiging van de boete aanleiding kunnen geven, kan het van belang zijn of, dan wel in hoeverre, belanghebbende maatregelen heeft getroffen of had kunnen treffen om het verzuim of het vergrijp te voorkomen. Een beroep op financiële omstandigheden kan slechts in bijzondere gevallen tot matiging dan wel vermindering van de boete leiden.
In geval van een pleitbaar standpunt of bij afwezigheid van alle schuld (hierna te noemen: avas) legt de heffingsambtenaar geen boete op. Indien bij bezwaar blijkt dat sprake is van een pleitbaar standpunt of avas, vernietigt de heffingsambtenaar de boete. Bij avas wordt de belanghebbende geacht niet in verzuim te zijn geweest.
Bij het opleggen van een boete worden medegedeeld de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van de boete, alsmede, indien sprake is van een vergrijpboete, de feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake is van opzet of grove schuld. In voorkomende gevallen dient de mededeling tevens te vermelden de bijzondere omstandigheden die tot een matiging van de boete hebben geleid.
Artikel 7 Kennisgeving en hoorplicht bij vergrijpboete
Belanghebbende is tijdens het verhoor als bedoeld in het zesde lid niet tot antwoorden verplicht (artikel 5:10a van de Awb). Hij dient voor aanvang van het verhoor hierop te worden gewezen (cautie). Dit geldt ook voor het recht op rechtsbijstand (ECLI:NL:HR:2024:1135; artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, EVRM en artikel 14, derde lid, aanhef en onder d IVBPR).
Het opleggen van de vergrijpboete moet achterwege blijven indien het verweer van belanghebbende tot de gevolgtrekking leidt dat de in de kennisgeving genoemde gronden onvoldoende aanknopingspunten voor het vaststellen van opzet of grove schuld opleveren. In een dergelijke situatie kan de heffingsambtenaar nog wel overgaan tot het opleggen van een verzuimboete. Het una-viabeginsel staat daaraan niet in de weg. De betwisting van de kennisgeving kan tot een lagere boete leiden indien de opzet of grove schuld wel bewijsbaar is, maar de betwisting aanleiding geeft de boete op een lager bedrag vast te stellen.
Indien belanghebbende inzage verzoekt in andere dan de hiervoor bedoelde gegevens, verleent de heffingsambtenaar inzage en staat toe dat afschriften worden vervaardigd, indien belanghebbende aannemelijk maakt dat de gevraagde gegevens van belang kunnen zijn voor de verdediging. Gegevens over derden worden op zodanige wijze verstrekt dat zij niet tot die derden zijn te herleiden.
Hoofdstuk 2 Onderscheid verzuimboete en vergrijpboete, en strafrechtelijke vervolging
Bij het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte,vergezeld van de accountantsverklaring uit artikel 12 lid 2 van de verordening toeristenbelasting Noord-Beveland als deze verplicht is gesteld volgens dit artikel, is alleen sprake van een verzuim, indien belanghebbende de aangifte niet binnen een door de heffingsambtenaar gestelde termijn heeft gedaan en hij geen gevolg heeft gegeven aan een aanmaning van de heffingsambtenaar.
Degene die niet voldoet aan de verplichting opgenomen in artikel 50, eerste lid, van de AWR om de heffingsambtenaar en de door deze aangewezen deskundigen desgevraagd toegang te verlenen tot dat gebouw en alle grond, voor zover dat voor een ingevolge de belastingwet te verrichten onderzoek nodig is, begaat een verzuim.
Artikel 11 Verplichte keuze verzuimboete, vergrijpboete of strafrechtelijke vervolging
Bij het niet doen van aangifte maakt de heffingsambtenaar een keuze tussen het opleggen van een verzuimboete en het opleggen van een vergrijpboete. Een eenmaal opgelegde verzuimboete sluit het opleggen van een vergrijpboete voor hetzelfde feit uit (artikel 5:43 van de Awb) behoudens bij nieuwe bezwaren (artikel 67q AWR). Het opleggen van een vergrijpboete sluit het nadien opleggen van een verzuimboete voor hetzelfde feit uit (artikel 5:43 van de Awb). Een opgelegde vergrijpboete kan niet worden omgezet in een verzuimboete. De heffingsambtenaar dient de mogelijkheid van deze uitkomst mee te wegen bij zijn keuze tussen een verzuim- of vergrijpboete.
Samenloop kan zich tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties voordoen. Artikel 5:44, eerste lid, van de Awb sluit het opleggen van een bestuurlijke boete uit in gevallen waarin ter zake van hetzelfde feit tegen belanghebbende een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.
Het opleggen van een bestuurlijke boete aan belanghebbende sluit in beginsel strafvervolging tegen hem ter zake van hetzelfde feit uit. Op grond van artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: WvSv) blijft het echter mogelijk een zaak te heropenen, indien bij nader inzien blijkt dat zij te ernstig is om bestuurlijk te worden afgedaan. Er moet dan sprake zijn van nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 van het WvSv.
Het voorgaande lid houdt in dat de heffingsambtenaar het opleggen van de vergrijpboete aanhoudt zodra hij weet dat een gedraging onderwerp is of kan zijn van een opsporingsonderzoek dan wel van een strafrechtelijke vervolging. Indien de termijn dreigt te verstrijken waarbinnen de belastingaanslag en de boetebeschikking moeten zijn opgelegd, bepaalt de heffingsambtenaar zo spoedig mogelijk of er definitief voor strafrechtelijke afdoening wordt gekozen dan wel of er alsnog een vergrijpboete wordt opgelegd.
Hoofdstuk 3 Bepalingen over hoogte verzuim- en vergrijpboete
Artikel 12 Hoogte verzuimboeten
Degene die niet voldoet aan de verplichting om de heffingsambtenaar en de door deze aangewezen deskundigen desgevraagd toegang te verlenen tot een gebouw en alle grond, voor zover dat voor een ingevolge de belastingwet te verrichten onderzoek nodig is, begaat een verzuim ter zake waarvan de heffingsambtenaar een verzuimboete oplegt naar het wettelijk maximum van artikel 67ca, eerste lid, van de AWR.
Artikel 13 Hoogte vergrijpboeten
Indien bij het opleggen van een vergrijpboete slechts een gedeelte van de verschuldigde belasting door opzet of grove schuld van belanghebbende te weinig is of zou zijn geheven, berekent de heffingsambtenaar de boete over dat - naar evenredigheid bepaalde – gedeelte. Dit beginsel vindt overeenkomstige toepassing indien meer dan één boetepercentage moet worden toegepast.
Worden de feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt nagevorderd eerst bekend op of na het tijdstip dat is gelegen zes maanden voor het verstrijken van de navorderingstermijn, dan kan de heffingsambtenaar binnen zes maanden na de vaststelling van de navorderingsaanslag nog een vergrijpboete opleggen. In dat geval deelt de heffingsambtenaar de belanghebbende gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag mee dat nog onderzoek plaatsvindt of het opleggen van een vergrijpboete gerechtvaardigd is.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-24027.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.