U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Ontwerpwijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Bernheze - VFL

Het college van burgemeester en wethouders van Gemeente Bernheze,

gelet op:

a. artikel 2.4 van de Omgevingswet;

b. artikel 16.30 en artikel 16.23, eerste lid, van de Omgevingswet;

c. de geldende delegatieverordening van de gemeente Bernheze;

overwegende dat:

- met deze wijziging een deel van de regels uit de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bernheze 2021 (VFL) wordt opgenomen in het omgevingsplan;

- deze wijziging onderdeel is van de gefaseerde overgang naar één integraal omgevingsplan;

- de wijziging beleidsneutraal van aard is;

besluit;

Artikel I

Het "Omgevingsplan gemeente Bernheze" wordt gewijzigd overeenkomstig de wijzigingen zoals opgenomen in Bijlage A.

Artikel II

Dit besluit treedt in werking op een bij het vaststellingsbesluit te bepalen tijdstip.

Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze,

[datum wordt toegevoegd bij definitieve vaststelling]

Niet ondertekend ontwerp-exemplaar

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Voor hoofdstuk 1 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.

  • 2.

    Artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn voor begripsbepalingen van overeenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij daarvan in bijlage I is afgeweken.

  • 3.

    Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 23, 24, 25 en 26 van dit omgevingsplan.

Artikel 1.2 Normadressaat

Aan de regels van dit omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 1.3 Specifieke zorgplicht

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, is verplicht:

  • a.

    alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  • b.

    voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Artikel 1.4 Maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften 

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de regels over activiteiten in hoofdstuk 9, tenzij anders is bepaald.

  • 2.

    Een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 9 worden verbonden, over de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald.

  • 3.

    Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in hoofdstuk 9, tenzij anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zich daartegen verzet.

  • 4.

    Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 9 kan worden verbonden. 

  • 5.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor zover het stellen van maatwerkvoorschriften is uitgesloten in het Besluit activiteiten leefomgeving. 

  • 6.

    Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over de regels in hoofdstuk 9 worden de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, in acht genomen.

Artikel 1.5 Algemene gegevens bij een melding

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 1.6 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden 

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 1.7 Gegevens bij het wijzigen van naam, adres of normadressaat

  • 1.

    Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 1.5 of artikel 1.6 wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 1.8 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders

  • 1.

    Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels inhoofdstuk 9en maatwerkvoorschriften op grond van hoofdstuk 9 voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de fysieke leefomgevingen de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

  • 2.

    Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

B

Hoofdstuk 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

  • 2.

    Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

[Vervallen]

C

Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 2 Doelen 

[Gereserveerd]

Afdeling 2.1 Doelen

Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan

Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op: 

  • a.

    het waarborgen van de veiligheid;

  • b.

    het beschermen van de gezondheid;

  • c.

    het beschermen van het milieu;

  • d.

    het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening;

  • e.

    het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;

  • f.

    het behoud van cultureel erfgoed;

  • g.

    de natuurbescherming;

  • h.

    het tegengaan van klimaatverandering;

  • i.

    de kwaliteit van bouwwerken;

  • j.

    een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;

  • k.

    de energiezuinigheid van bouwwerken;

  • l.

    het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;

  • m.

    het beheer van infrastructuur;

  • n.

    het beheer van watersystemen;

  • o.

    het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen;

  • p.

    het beheer van natuurlijke hulpbronnen;

  • q.

    het beheer van natuurgebieden;

  • r.

    het beperken van hinder;

  • s.

    het benutten van locaties en bouwwerken; en

  • t.

    het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.

Afdeling 2.2 Omgevingswaarden

[Gereserveerd]

D

Het opschrift van hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 3 Programma's

E

Hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

[Gereserveerd]

Afdeling 4.1 Gebiedstypen

[Gereserveerd]

Afdeling 4.2 Aandachtsgebieden

[Gereserveerd]

Afdeling 4.3 Beperkingengebieden

[Gereserveerd]

Afdeling 4.4 Andere aanwijzingen

Artikel 4.1 Aanwijzing welstandsgebieden
  • 1.

    In het welstandsgebied Het agrarisch cluster gelden de in de Welstandsnota en diens opvolger voor dit gebied opgenomen eisen van welstand.

  • 2.

    In het welstandsgebied Het historisch dorpscentrum gelden de in de Welstandsnota en diens opvolger voor dit gebied opgenomen eisen van welstand.

  • 3.

    In het welstandsgebied De woningbouw uit de Wederopbouwperiode gelden de in de Welstandsnota en diens opvolger voor dit gebied opgenomen eisen van welstand.

F

Het opschrift van hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 5 Bouw- en sloopactiviteiten

G

Het opschrift van hoofdstuk 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 6 Aanlegactiviteiten

H

Het opschrift van hoofdstuk 7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 7 Gebruiksactiviteiten

I

Het opschrift van hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 8 Milieubelastende activiteiten

J

Hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 9 Overige activiteiten

[Gereserveerd]

Afdeling 9.1 Natuur

Paragraaf 9.1.1 Door een groenvoorziening of binnen natuur- of recreatiegebieden rijden
Artikel 9.1 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf gaat over:

    • a.

      het rijden met voertuigen over een berm of door een groenvoorziening;

    • b.

      het parkeren van een voertuig in een groenvoorziening; en

    • c.

      het rijden met voertuigen of paarden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden en recreatieterreinen.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op een openbare weg.

  • 3.

    Deze paragraaf gaat niet over activiteiten die worden gereguleerd door hoofdstuk 8 of 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving of door de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Artikel 9.2 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    de natuurbescherming;

  • b.

    het beschermen van natuurgebieden en recreatieterreinen;

  • c.

    het voorkomen van geluidhinder; 

  • d.

    het waarborgen van de veiligheid van het publiek van natuurgebieden en recreatieterreinen; en

  • e.

    het voorkomen van schade aan openbaar gebied en natuurgebied.

Artikel 9.3 Verbod rijden door groenvoorzieningen 
  • 1.

    Het is verboden met een voertuig te rijden door een park, plantsoen of over een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

  • 2.

    Het is verboden om een voertuig te parkeren in een park, plantsoen of op een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet als de omstandigheden het rijden door een park, plantsoen of over een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook in redelijkheid vereisen.

  • 4.

    Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet voor voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.

  • 5.

    Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt ook niet voor voertuigen waarmee wordt geparkeerd op terreinen die ervoor zijn bedoeld.

Artikel 9.4 Verbod rijden door natuurgebieden en recreatieterreinen
  • 1.

    Het is verboden met een voertuig binnen een voor publiek toegankelijk natuurgebied of recreatieterrein te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een fiets of een paard.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor motorvoertuigen, fietsen en paarden:

    • a.

      die rijden of zich bevinden op een motorterrein, fietspad en ruiterpad;

    • b.

      ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

    • c.

      die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen, bedoeld in het eerste lid;

    • d.

      die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • e.

      van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen, bedoeld in het eerste lid; en

    • f.

      voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder e bedoelde personen.

Afdeling 9.2 Infrastructuur en voor publiek toegankelijke ruimte

Paragraaf 9.2.1 Standplaats innemen (vaste standplaats) 
Artikel 9.5 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf gaat over het innemen van een vaste standplaats op de openbare weg. 

  • 2.

    Deze paragraaf gaat niet over: 

    • a.

      een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; 

    • b.

      een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2.6 van de Algemene Plaatselijke Verordening Bernheze;

    • c.

      het innemen van een incidentele standplaats als bedoeld in paragraaf 9.2.2.

Artikel 9.6 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het behoeden van de staat en werking van de openbare weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg;

  • b.

    het bevorderen van de verkeersveiligheid;

  • c.

    het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte;

  • d.

    het beperken van hinder;

  • e.

    het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte;

  • f.

    het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om:

    • 1.

      het beschermen tegen milieuverontreiniging;

    • 2.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

    • 3.

      een doelmatig beheer van afvalwater en afvalstoffen;

    • 4.

      het voorkomen of beperken van geluidhinder en geurhinder; en

  • g.

    het behouden van een goed woon- en leefklimaat.

Artikel 9.7 Specifieke zorgplicht 

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.3, houdt voor het innemen van een standplaats in ieder geval in dat:

  • a.

    voldoende vrije doorgang voor hulpdiensten overblijft;

  • b.

    voldoende vrije doorgang op voetpaden overblijft;

  • c.

    de vrije toegang tot brandputten of vluchtroutedeuren is geborgd;

  • d.

    het uiterlijk van een standplaats niet in strijd is met de goede omgevingskwaliteit;

  • e.

    alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

  • f.

    geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; en

  • g.

    afvalwater en afvalstoffen doelmatig worden beheerd.

Artikel 9.8 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een vaste standplaats in te nemen binnen de locatie deelgebieden vaste standplaatsen

Artikel 9.9 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de locatie van de standplaats;

  • b.

    een foto of tekening van het uiterlijk van de fysieke middelen die worden gebruikt op de standplaats;

  • c.

    de afmetingen van die fysieke middelen;

  • d.

    het soort goederen of diensten dat wordt aangeboden of verhandeld; en

  • e.

    de dagen en tijdstippen waarop de standplaats wordt ingenomen.

Artikel 9.10 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als:

    • a.

      de standplaats ontoelaatbare hinder voor het doelmatig gebruik van de openbare weg kan veroorzaken;

    • b.

      de veiligheid van het verkeer in het geding is;

    • c.

      het uiterlijk van de standplaats, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met de goede omgevingskwaliteit;

    • d.

      de standplaats onevenredige geurhinder of geluidhinder kan veroorzaken; of

    • e.

      door bijzondere omstandigheden redelijkerwijs te verwachten is dat voor een standplaats voor het verkopen van goederen het goede woon- en leefklimaat in gevaar komt.

  • 2.

    In aanvulling op lid 1 wordt een omgevingsvergunning ook geweigerd als het ter plaatse van maximum standplaatsen aangegeven aantal omgevingsvergunningen is verleend. 

  • 3.

    De omgevingsvergunning wordt voor maximaal drie jaar verleend.

  • 4.

    Er zijn beleidsregels, waarin in ieder geval zijn opgenomen:

    • a.

      een passende mate van openbaarheid over de te verlenen omgevingsvergunningen; en

    • b.

      de criteria voor verdeling van de omgevingsvergunningen.

Paragraaf 9.2.2 Standplaats innemen (incidentele standplaats) 
Artikel 9.11 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf gaat over het innemen van incidentele standplaatsen op de openbare weg. 

  • 2.

    Deze paragraaf gaat niet over: 

    • a.

      een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

    • b.

      een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2.6 van de Algemene Plaatselijke Verordening Bernheze;

    • c.

      het innemen van een vaste standplaats als bedoeld in paragraaf 9.2.1.

Artikel 9.12 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het behoeden van de staat en werking van de openbare weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg;

  • b.

    het bevorderen van de verkeersveiligheid;

  • c.

    het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte;

  • d.

    het beperken van hinder;

  • e.

    het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte;

  • f.

    het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om:

    • 1.

      het beschermen tegen milieuverontreiniging;

    • 2.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

    • 3.

      een doelmatig beheer van afvalwater en afvalstoffen;

    • 4.

      het voorkomen of beperken van geluidhinder en geurhinder; en

  • g.

    het behouden van een goed woon- en leefklimaat.

Artikel 9.13 Specifieke zorgplicht 

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.3, houdt voor het innemen van een standplaats in ieder geval in dat:

  • a.

    voldoende vrije doorgang voor hulpdiensten overblijft;

  • b.

    voldoende vrije doorgang op voetpaden overblijft;

  • c.

    de vrije toegang tot brandputten of vluchtroutedeuren is geborgd;

  • d.

    het uiterlijk van een standplaats niet in strijd is met de goede omgevingskwaliteit;

  • e.

    alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

  • f.

    geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; en

  • g.

    afvalwater en afvalstoffen doelmatig worden beheerd.

Artikel 9.14 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een incidentele standplaats in te nemen op de openbare weg. 

Artikel 9.15 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de locatie van de standplaats;

  • b.

    een foto of tekening van het uiterlijk van de fysieke middelen die worden gebruikt op de standplaats;

  • c.

    de afmetingen van die fysieke middelen;

  • d.

    het soort goederen of diensten dat wordt aangeboden of verhandeld; en

  • e.

    de dagen en tijdstippen waarop de standplaats wordt ingenomen.

Artikel 9.16 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als:

    • a.

      de standplaats ontoelaatbare hinder voor het doelmatig gebruik van de openbare weg kan veroorzaken;

    • b.

      de veiligheid van het verkeer in het geding is;

    • c.

      het uiterlijk van de standplaats, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met de goede omgevingskwaliteit;

    • d.

      de standplaats onevenredige geurhinder of geluidhinder kan veroorzaken; of

    • e.

      door bijzondere omstandigheden redelijkerwijs te verwachten is dat voor een standplaats voor het verkopen van goederen het goede woon- en leefklimaat in gevaar komt. 

  • 2.

    Er zijn beleidsregels, waarin in ieder geval zijn opgenomen:

    • a.

      een passende mate van openbaarheid over de te verlenen omgevingsvergunningen;

    • b.

      de criteria voor verdeling van de omgevingsvergunningen; en 

    • c.

      de maximale termijn waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend. 

Paragraaf 9.2.3 Objecten plaatsen op de weg
Artikel 9.17 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf gaat over het plaatsen van objecten op de openbare weg in beheer bij de gemeente.

  • 2.

    Deze paragraaf gaat niet over:

    • a.

      het aanbrengen van terrassen;

    • b.

      het parkeren van voertuigen, bedoeld in paragraaf 9.2.9;

    • c.

      voorwerpen vanwege evenementen; en

    • d.

      voorwerpen ten behoeve van een standplaats. 

Artikel 9.18 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het behoeden van de staat en werking van de openbare weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg;

  • b.

    het behouden van de verkeersveiligheid;

  • c.

    het behouden van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte;

  • d.

    het beperken van hinder; 

  • e.

    het beschermen van het openbaar groen; en

  • f.

    het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte.

Artikel 9.19 Specifieke zorgplicht 

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.3, houdt voor het plaatsen van objecten op de openbare weg in ieder geval in dat:

  • a.

    voldoende vrije doorgang voor hulpdiensten overblijft; 

  • b.

    voldoende vrije doorgang op voetpaden overblijft; 

  • c.

    de vrije toegang tot brandputten en vluchtroutedeuren is geborgd;

  • d.

    objecten voldoende zichtbaar zijn; 

  • e.

    objecten stabiel worden geplaatst; 

  • f.

    objecten niet worden geplaatst in bestaande beplanting; en

  • g.

    objecten niet worden geplaatst binnen een afstand van minder dan 3 meter van een boom.

Artikel 9.20 Meldingsplicht
  • 1.

    Het is verboden een object op de openbare weg te plaatsen zonder dit ten minste twee weken van tevoren te melden.

  • 2.

    Een melding bevat: 

    • a.

      een omschrijving van het te plaatsen object;

    • b.

      de lengte, breedte en hoogte van het object;

    • c.

      een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van het object;

    • d.

      een foto van het straatbeeld; en

    • e.

      de voorgenomen tijdsduur van het plaatsen.

Paragraaf 9.2.4 Objecten en beplanting plaatsen en behouden buiten de openbare weg
Artikel 9.21 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen en behouden van objecten en beplanting buiten de openbare weg in beheer bij de gemeente.

Artikel 9.22 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het bevorderen van de verkeersveiligheid; en

  • b.

    het voorkomen van hinder en gevaar voor het wegverkeer. 

Artikel 9.23 Specifieke zorgplicht

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.3, houdt voor het plaatsen en behouden van objecten en beplanting in ieder geval in dat:

  • a.

    het vrije uitzicht voor het verkeer niet wordt belemmerd; en

  • b.

    geen gevaar of hinder voor het wegverkeer ontstaat.

Paragraaf 9.2.5 Voorwerpen plaatsen in, op of boven openbaar water
Artikel 9.24 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen van voorwerpen, met uitzondering van vaartuigen, in, op of boven openbaar water in beheer bij de gemeente.

Artikel 9.25 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van de veiligheid op het openbaar water; en

  • b.

    het mogelijk maken van beheer en onderhoud van het openbaar water.

Artikel 9.26 Specifieke zorgplicht

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.3, houdt voor het plaatsen van voorwerpen in, op of boven openbaar water in ieder geval in dat het voorwerp door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging:

  • a.

    geen gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water;

  • b.

    geen gevaar oplevert voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; en

  • c.

    geen belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

Artikel 9.27 Meldingsplicht
  • 1.

    Het is verboden een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, zonder dit ten minste twee weken van tevoren te melden. 

  • 2.

    Een melding bevat de aard en omvang van het voorwerp.

Paragraaf 9.2.6 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterrein
Artikel 9.28 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen van kampeermiddelen voor recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein.

Artikel 9.29 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het in stand houden van de natuur;

  • b.

    het beschermen van het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte; en

  • c.

    het beschermen van de landschappelijke waarden.

Artikel 9.30 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 
  • 1.

    Het is verboden zonder een omgevingsvergunning kampeermiddelen te plaatsen voor recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

Artikel 9.31 Bijzondere aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de kampeermiddelen; en

  • b.

    de voorgenomen tijdsduur van de activiteit.

Artikel 9.32 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

  • a.

    de activiteit geen nadelige gevolgen heeft voor de natuur en landschappelijke elementen; en

  • b.

    voor zover de activiteit zichtbaar is vanuit openbaar toegankelijk gebied: het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte niet onevenredig wordt geschaad.

Paragraaf 9.2.7 Crossen buiten een aangewezen crossterrein
Artikel 9.33 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf gaat over het crossen met een motorvoertuig of een bromfiets buiten de openbare weg.

  • 2.

    Deze paragraaf gaat niet over:

    • a.

      het crossen met een motorvoertuig of een bromfiets op een aangewezen crossterrein; en

    • b.

      terreinen voor het sporten of recreëren met gemotoriseerde voertuigen als bedoeld in artikel 3.304 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 9.34 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het voorkomen of beperken van geluidhinder en geurhinder;

  • b.

    het beschermen van het uiterlijk aanzien van de omgeving; 

  • c.

    het beschermen van de natuur; en

  • d.

    het beschermen van de veiligheid van de deelnemers en het publiek.

Artikel 9.35 Verbod crossen met een motorvoertuig of een bromfiets

Het is verboden te crossen met een motorvoertuig of een bromfiets of een motorvoertuig of bromfiets aanwezig te hebben met het kennelijke doel om te crossen.

Paragraaf 9.2.8 Aanleggen en veranderen van een weg
Artikel 9.36 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen en veranderen van een weg in beheer bij de gemeente.

Artikel 9.37 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het behoeden van de staat en werking van de openbare weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg;

  • b.

    het bevorderen van de verkeersveiligheid;

  • c.

    het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte;

  • d.

    het beperken van hinder;

  • e.

    het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte; en

  • f.

    het beschermen van het openbaar groen.

Artikel 9.38 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder een omgevingsvergunning:

    • a.

      een weg aan te leggen;

    • b.

      de verharding daarvan op te breken;

    • c.

      in een weg te graven of te spitten;

    • d.

      aard of breedte van de wegverharding te veranderen; of 

    • e.

      anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.  

  • 2.

    Het verbod geldt niet bij het uitvoeren van een publieke taak in opdracht van de overheid.

Artikel 9.39 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een situatietekening, kaart, foto of een ander geschikt middel met daarop de locatie van de activiteit; en

  • b.

    een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit. 

Artikel 9.40 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

  • a.

    de verkeersveiligheid van de weg niet wordt aangetast; 

  • b.

    het doelmatig gebruik van de weg niet onevenredig wordt gehinderd;

  • c.

    de bereikbaarheid van gronden of gebouwen niet onevenredig wordt gehinderd;

  • d.

    het openbaar groen op niet onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

  • e.

    de openbare weg niet onaanvaardbaar wordt beschadigd.

Paragraaf 9.2.9 Parkeerexcessen
Artikel 9.41 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het parkeren van motorvoertuigen, aanhangwagens en fietsen op de openbare weg in beheer bij de gemeente.

Artikel 9.42 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het realiseren en in stand houden van voldoende parkeergelegenheid;

  • b.

    het behoeden van de staat en werking van de openbare weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg;

  • c.

    het bevorderen van de verkeersveiligheid;

  • d.

    het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte;

  • e.

    het beperken van hinder; en

  • f.

    het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte.

Artikel 9.43 Specifieke zorgplicht

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.3, houdt voor het parkeren van motorvoertuigen, aanhangwagens en fietsen op de openbare weg in ieder geval in dat:

  • a.

    parkeerruimte niet buitensporig lang wordt ingenomen;

  • b.

    het uitzicht vanuit verblijfsruimten niet onevenredig wordt gehinderd; en

  • c.

    defecte motorvoertuigen, aanhangwagens en fietsen worden verwijderd.

Artikel 9.44 Bedrijfsmatig parkeren
  • 1.

    Het is verboden om op de openbare weg meer dan drie motorvoertuigen en aanhangwagens binnen een afstand van 25 meter van elkaar te parkeren, waarvan de houder bedrijfsmatig:

    • a.

      rijlessen verzorgt;

    • b.

      personen tegen betaling vervoert; of

    • c.

      onderhouds- of herstelwerkzaamheden verricht.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      het motorvoertuig dat persoonlijk door de houder wordt gebruikt; en

    • b.

      motorvoertuigen en aanhangwagens waaraan onderhouds- of herstelwerkzaamheden worden verricht die niet meer dan een uur vergen.

Artikel 9.45 Parkeerdruk
  • 1.

    Het is verboden om op de openbare weg in het gebied recreatievoertuigen langer dan drie achtereenvolgende dagen te parkeren met motorvoertuigen of aanhangwagens die bedoeld zijn voor recreatie.

  • 2.

    Het is verboden om op de openbare weg in het gebied grote voertuigen met motorvoertuigen en aanhangwagens die niet bedoeld zijn voor recreatie en die, met inbegrip van de lading, langer zijn dan 6 meter of hoger dan 2,4 meter te parkeren. 

  • 3.

    Het is verboden met een voertuig voorzien van een aanduiding van handelsreclame te parkeren, met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken. 

Artikel 9.46 Hinderlijk parkeren

Het is verboden motorvoertuigen en aanhangwagens die, met inbegrip van de lading, langer zijn dan 6 meter of hoger zijn dan 2,4 meter, op zodanige wijze te parkeren dat het uitzicht vanuit een verblijfsruimte onevenredig wordt belemmerd.

Artikel 9.47 Geen maatwerkvoorschrift

Er wordt geen maatwerkvoorschrift gesteld over de regels in deze paragraaf.

Paragraaf 9.2.10 Uitrit aanleggen en veranderen
Artikel 9.48 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen en veranderen van een uitrit naar de openbare weg in beheer bij de gemeente.

Artikel 9.49 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het behoeden van de staat en werking van de openbare weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg;

  • b.

    het bevorderen van de verkeersveiligheid;

  • c.

    het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte;

  • d.

    het beperken van hinder;

  • e.

    het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte; en

  • f.

    het beschermen van het openbaar groen.

Artikel 9.50 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een uitrit aan te leggen naar de openbare weg of een bestaande uitrit te veranderen.

Artikel 9.51 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een situatietekening met daarop de gewenste ligging van de uitrit;

  • b.

    een foto van de bestaande situatie;

  • c.

    de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf; 

  • d.

    de afmeting van de nieuwe uitrit of de te veranderen bestaande uitrit en de beoogde verandering daarvan; 

  • e.

    de afstand van de uitrit tot de perceelsgrens; 

  • f.

    de straatnaam waarop de uitrit uitkomt; 

  • g.

    de te gebruiken materialen; en

  • h.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitrit, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen.  

Artikel 9.52 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning wordt geweigerd als:

  • a.

    door de uitrit een verkeersonveilige situatie kan ontstaan;

  • b.

    de aanleg van de uitrit zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; 

  • c.

    het openbaar groen door de uitrit op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

  • d.

    het perceel door een andere uitrit wordt ontsloten en de aanleg van de tweede uitrit ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

Afdeling 9.3 Milieu 

Paragraaf 9.3.1 Vuur stoken in de openlucht
Artikel 9.53 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over vuur stoken in de openlucht, anders dan het verbranden van afvalstoffen als bedoeld in paragraaf 3.2.15 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 9.54 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beperken van de luchtverontreiniging; en

  • b.

    het voorkomen of beperken van schade, gevaar en hinder voor de omgeving.

Artikel 9.55 Specifieke zorgplicht

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.3, houdt voor het stoken van vuur in ieder geval in dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving mag ontstaan.

Artikel 9.56 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning vuur te stoken.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven; en

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden.

Artikel 9.57 Bijzondere aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    datum en tijdstip;

  • b.

    de locatie van de activiteit;

  • c.

    de reden voor het stoken; en

  • d.

    de te verbranden stoffen.

Artikel 9.58 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

  • a.

    het stoken van vuur geen onevenredige verontreiniging van de lucht veroorzaakt; en

  • b.

    het stoken van vuur geen gevaar of hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken.

Paragraaf 9.3.2 Incidentele asverstrooiing
Artikel 9.59 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het incidenteel verstrooien van as. 

Artikel 9.60 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van het milieu; 

  • b.

    het voorkomen van overlast; en

  • c.

    het voorkomen van hinder. 

Artikel 9.61 Specifieke zorgplicht

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.3, houdt voor het incidenteel verstrooien van as in ieder geval in dat er geen hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. 

Artikel 9.62 Verbod asverstrooiing

Het is verboden incidenteel as te verstrooien op: 

  • a.

    verharde delen van de weg; en

  • b.

    gemeentelijke begraafplaatsen.

K

Hoofdstuk 10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 10 Beheer en onderhoud

[Gereserveerd]

Afdeling 10.1 Onderhouds- en instandshoudingsverplichtingen

Paragraaf 10.1.1 Instandhouding niet-openbare riolen en putten
Artikel 10.1 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het voorkomen van gevaar voor de omgeving;

  • b.

    het beschermen van de gezondheid; en

  • c.

    het beperken van hinder.

Artikel 10.2 Normadressaat

Aan artikel 10.3 wordt voldaan door de eigenaar, rechthebbende of gebruiker van een perceel.

Artikel 10.3 Instandhouding niet-openbare riolen en putten

Er wordt zorg voor gedragen dat niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen zich niet bevinden in een toestand die:

  • a.

    gevaar oplevert voor de veiligheid;

  • b.

    nadeel veroorzaakt voor de gezondheid; en

  • c.

    hinderlijk is voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

L

Het opschrift van hoofdstuk 11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 11 Financiële bepalingen

M

Het opschrift van hoofdstuk 12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 12 Procesregels

N

Het opschrift van hoofdstuk 13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 13 Handhaving 

O

Het opschrift van hoofdstuk 14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 14 Monitoring en informatie 

P

Hoofdstuk 15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 15 Overgangsrecht 

[Gereserveerd]

Afdeling 15.1 Overgangsrecht algemeen

Paragraaf 15.1.1 Lopende procedures en gelijkschakelingen
Artikel 15.1 Lopende procedures besluiten op aanvraag of ambtshalve
  • 1.

    Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment een aanvraag om een besluit voor die activiteit is ingediend, blijft het oude recht van toepassing:

    • a.

      als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of

    • b.

      als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

  • 2.

    Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit voor die activiteit ter inzage is gelegd op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, blijft het oude recht van toepassing:

    • a.

      als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of

    • b.

      als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

  • 3.

    Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment voor een ambtshalve te nemen besluit voor die activiteit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing:

    • a.

      als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of

    • b.

      als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

Artikel 15.2 Overgangsrecht vergunningplichtige activiteiten
  • 1.

    Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, en die onherroepelijk is, als een omgevingsvergunning op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een omgevingsvergunning is vereist.

  • 2.

    Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, gelden de voorschriften uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit geen omgevingsvergunning is vereist. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan.

Artikel 15.3 Overgangsrecht meldingen, kennisgevingen en maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een melding of kennisgeving van die activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een melding is vereist.

  • 2.

    Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als het verstrekken van informatie op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een verplichting geldt om informatie te verstrekken.

  • 3.

    Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een aanvraag om een ontheffing of vergunning voor een activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover een melding is vereist.

  • 4.

    Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een onherroepelijk maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan.

Artikel 15.4 Overgangsrecht handhavingsbesluiten

Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:

  • a.

    de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd;

  • b.

    de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of

  • c.

    als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom:

    • 1.

      de last volledig is uitgevoerd;

    • 2.

      de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of

    • 3.

      de last is opgeheven.

Paragraaf 15.1.2 Eerbiedigende werking

[Gereserveerd]

Afdeling 15.2 Specifiek overgangsrecht

[Gereserveerd]

Q

Het opschrift van hoofdstuk 16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 16 Gereserveerd

R

Het opschrift van hoofdstuk 17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 17 Gereserveerd

S

Het opschrift van hoofdstuk 18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 18 Gereserveerd

T

Het opschrift van hoofdstuk 19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 19 Gereserveerd

U

Het opschrift van hoofdstuk 20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 20 Gereserveerd

V

Het opschrift van hoofdstuk 21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 21 Gereserveerd

W

Het opschrift van hoofdstuk 22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Activiteiten

X

Artikel 22.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

[Gereserveerd]

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Y

Subparagraaf 22.3.7.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 22.3.7.4 Saneren van de bodem in het gebied De Kempen

[Vervallen]

Artikel 22.133 Gereserveerd

[Gereserveerd]

[Vervallen]

Artikel 22.134 Gereserveerd

[Gereserveerd]

[Vervallen]

Artikel 22.135 Gereserveerd

[Gereserveerd]

[Vervallen]

Artikel 22.136 Gereserveerd

[Gereserveerd]

[Vervallen]

Z

Artikel 22.297 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.297 Omgevingsplanactiviteit: uitweg

[Vervallen]

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf;

  • b.

    de afmeting van de nieuwe uitweg of de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan;

  • c.

    de te gebruiken materialen; en

  • d.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen.

AA

Artikel 22.301 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.301 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken

[Vervallen]

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van roerende zaken in een daarbij aangewezen gedeelte van de gemeente worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de aard van de roerende zaken; en

    • b.

      de omvang van de opslag van de roerende zaken.

  • 2.

    Als een ander dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming roerende zaken opslaat, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres, en de woonplaats van die ander.

BB

Na hoofdstuk 22 worden vier hoofdstukken ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 23 Gereserveerd voor gebiedsontwikkeling

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 24 Gereserveerd voor gebiedsontwikkeling

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 25 Gereserveerd voor gebiedsontwikkeling

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 26 Gereserveerd voor gebiedsontwikkeling

[Gereserveerd]

CC

Het opschrift van hoofdstuk 23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 23 27 SLOTBEPALINGEN Slotbepalingen

DD

Het opschrift van artikel 23.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 23.1 27.1 (citeertitel)

EE

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II I BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN Begripsbepalingen

Voor de toepassing van hoofdstuk 22dit omgevingsplan wordt verstaan onder:

aansluitafstand:

afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein:

cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

AS SIKB 2000:

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;

bebouwingsgebied:

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

BRL SIKB 2000:

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;

BRL SIKB 7000:

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;

bromfiets

bromfiets als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;

concentratiegebied geurhinder en veehouderij:

gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;

distributienet voor warmte:

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;

geurgevoelig object:
  • a.

    gebouw:

    • 1.

      dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;

    • 2.

      dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en

    • 3.

      dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of

  • b.

    geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;

gezoneerd industrieterrein:

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

handelsreclame

iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

incidentele asverstrooiing

het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein;

incidentele standplaats

vanaf een tijdelijke, niet aangewezen vaste standplaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen, gebruikmakend van fysieke middelen zoals een kraam, een wagen of een tafel;

ISO 11423-1:

ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;

kampeermiddel

een tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of stacaravan ten behoeve van recreatief nachtverblijf;

kampeerterrein

een terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht en blijkens die inrichting bestemd om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf;

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; en

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • 1.

      rundvee tot 24 maanden;

    • 2.

      kalkoenen;

    • 3.

      eenden; of

    • 4.

      parelhoenders;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.

NEN 5725:

NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;

NEN 5740:

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;

NEN 6090:

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;

NEN 6578:

NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;

NEN 6589:

NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;

NEN 6600-1:

NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;

NEN 6965:

NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;

NEN 6966:

NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;

NEN-EN 858-1/A1:

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;

NEN-EN 858-2:

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;

NEN-EN 872:

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;

NEN-EN 1825-1:

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;

NEN-EN 1825-2:

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;

NEN-EN 12566-1:

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;

NEN-EN 12673:

NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;

NEN-EN 16693:

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;

NEN-EN-ISO 2813:

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;

NEN-EN-ISO 5667-3:

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

NEN-EN-ISO 5815-1:

NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;

NEN-EN-ISO 5815-2:

NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.

NEN-EN-ISO 9377-2:

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;

NEN-EN-ISO 9562:

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

NEN-EN-ISO 10301:

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;

NEN-EN-ISO 10523:

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;

NEN-EN-ISO 11885:

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;

NEN-EN-ISO 12846:

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-1:

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-2:

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 15587-1:

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15587-2:

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15680:

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;

NEN-EN-ISO 15682:

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

NEN-EN-ISO 15913:

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;

NEN-EN-ISO 17294-2:

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;

NEN-EN-ISO 17852:

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;

NEN-EN-ISO 17993:

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;

NEN-ISO 15705:

NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;

NEN-ISO 15923-1:

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;

openbaar water

wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

openbare weg

openbare weg als bedoeld in de Wegenwet;

parkeren

parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

straatpeil:
  • a.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • b.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

vaste standplaats

vanaf een vaste locatie te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of aanbieden van diensten, gebruikmakend van fysieke middelen zoals een kraam, een wagen of een tafel; 

warmteplan:

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.

FF

Na bijlage II worden twee bijlagen ingevoegd, luidende:

Bijlage II Aanvullende begripsbepalingen hoofdstukken 23 t/m 26

Voor de toepassing van hoofdstuk 23 tot en met 26 wordt verstaan onder:

aangebouwde bijgebouwen

een uitbreiding van het hoofdgebouw, die wat afmetingen betreft ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 

agrarisch deskundige

adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen of een ander door het bevoegd gezag aan te wijzen onafhankelijk deskundige of commissie van deskundigen;

agrarisch grondgebruik

de aanwending van open grond ten behoeve van het agrarisch bedrijf;

bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

bedrijfseigen producten

producten die op het eigen bedrijf worden geproduceerd;

bedrijfsgebouw

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

bedrijfsverzamelgebouw

een gebouw dat dient voor de huisvesting van drie of meer verschillende bedrijven, waarbij eventueel faciliteiten, zoals ICT-voorzieningen, parkeervoorzieningen en vergaderruimtes, gedeeld worden of kunnen worden en waarbij de ruimtelijke uitstraling in overeenstemming is met die van een bedrijf;

bedrijfsvloeroppervlak

de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een (dienstverlenend) bedrijf of instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;

bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de toegelaten functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

beekherstel

herstel van het natuurlijke watersysteem zodat de gebiedseigen kwaliteit van zowel het water, als de natuur wordt teruggebracht;

beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte

de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep, aan-huis-verbonden bedrijvigheid, een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;

bijgebouw

een gebouw, dat in bouwkundig en/of visueel opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw;

bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

bouwmarkt

detailhandelsvestiging waarin het volledige assortiment van bouw- en doe-het-zelf-producten grotendeels op basis van zelfbediening wordt aangeboden;

burgerwoning

een woning, niet zijnde een bedrijfswoning;

caravan

een al dan niet uitklapbare wagen of voertuig, onder welke benaming ook aangeduid, die uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot woon-, dag-, of nachtverblijf van een of meer personen en die bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen, ook over grote afstanden, als een aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. Ook indien deze wagen of dit voertuig wegens daaraan of daarbij aangebrachte wijzigingen of voorzieningen niet of niet meer geschikt is om te worden verreden, wordt hij voor de toepassing van dit plan aangemerkt als caravan;

coffeeshop

een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van soft-drugs; met eventueel als nevenactiviteit het verstrekken van zwak- en niet-alcoholische dranken;

dagrecreatie

bedrijfsmatige uitoefening van diensten op het gebied van recreatie, sport-, educatie of cultuur welke geheel of in overwegende mate in de open lucht worden aangeboden, met de daarbij behorende voorzieningen;

dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

deskundige op het gebied van dassen

een persoon/ instantie of stichting met kennis op het gebied van dassen en hun leefgebied, zoals Stichting Das en Boom;

deskundige op het gebied van struweelvogels

een persoon/ instantie of stichting met kennis op het gebied van struweelvogels en hun leefgebied, zoals Sovon Vogelonderzoek Nederland;

detailhandel in brand- en/of explosiegevaarlijke stoffen

detailhandel in goederen die naar hun aard zodanig brand- en/of explosiegevaar kunnen opleveren dat uitstalling ten verkoop in een winkelgebied niet verantwoord is;

dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij afnemers rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord worden gestaan en geholpen;

duurzame locatie intensieve veehouderij

een bestaand agrarisch bouwvlak met een zodanige ligging dat het zowel vanuit milieuoogpunt (ammoniak, stank en dergelijke), gezondheid, als vanuit ruimtelijk oogpunt (natuur, landschap en dergelijke) verantwoord is om ter plaatse uit te breiden;

eerste bouwlaag

de bouwlaag op de begane grond;

erf

het perceel of een gedeelte daarvan dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en blijkens de functie die aan de gronden is gegeven voor deze inrichting in aanmerking komt;

erf- en terreinafscheidingen

een tuinmuur, een schutting van beton of hout, een vlechtscherm en andere kant- en klare afscheidingen van een perceel waarop een woning is gesitueerd;

erker

een ondergeschikte toevoeging aan de voor- of zijgevel van een woning op de begane grond;

erotisch getinte vermaaksfunctie

een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal;

extensief agrarisch medegebruik

een vorm van grondgebonden landbouw, zoals beweiding in lage veebezetting en de verbouw van akkerbouwproducten, hoofdzakelijk gericht op instandhouding en/ of vergroting van de natuur, landschappelijke, cultuur- en archeologische waarden;

extensieve dagrecreatie

recreatief medegebruik van gronden zoals wandelen, fietsen, varen, paardrijden, zwemmen en vissen; onder extensieve (dag)recreatie vallen geen gemotoriseerde sporten;

gebruiksgerichte paardenhouderij

een niet-agrarisch bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op (de ondersteuning bij) het gebruik van het paard als hulpmiddel voor de recreërende mens, zoals maneges, paardenverhuurbedrijven en paardenstallingsbedrijven;

gestapelde woningen

twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen;

groothandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan wederverkopers, dan wel aan instellingen of personen ter aanwending in een andere bedrijfsactiviteit;

hoofdverblijf

de plaats die fungeert als het centrum van de sociale en maatschappelijke activiteiten van een persoon en welke een voor permanente bewoning geschikte verblijfplaats is, die tenminste bestaat uit een keuken, woon-, was- en slaapgelegenheid;

hoveniersbedrijf

een bedrijf dat is gericht op het kweken van planten en siergewassen en de inrichting en het onderhoud van tuinen en plantsoenen met eventueel detailhandel in ter plaatse gekweekte goederen als ondergeschikte nevenfunctie;

huishouden

één persoon of een aantal, aan elkaar door familieband of anderszins gerelateerde, personen, die alleen of gezamenlijk een eenheid vormt en als zodanig ook gebruik maakt van één woning;

inwoning

wonen in een ondergeschikt deel van een woning door een medegebruiker van het pand;

kleinschalig kamperen

het gebruik van de gronden in de periode van 1 maart tot 31 oktober ten behoeve van een beperkt kampeerterrein met maximaal 25 kampeermiddelen;

landschapselement

punt-, lijn- en vlakelementen, die een groene of blauwe component bezitten, en die voor de identiteit van het landschap van algemeen belang zijn vanwege hun leeftijd (ouder dan 35 jaar) of om andere redenen, zoals hun schoonheids- of plaatselijke zeldzaamheidswaarde of hun beeldbepalende functie voor de omgeving. Een en ander met dien verstande dat onder landschapselementen niet worden verstaan elementen die zijn opgericht in het kader van nieuw groen is vrij groen;

maatschappelijke functies

functies gericht op de sociale, maatschappelijke, culturele en/of educatieve voorzieningen, waaronder begrepen zorginstellingen, een zorgboerderij, een bomenpark, een bezoekerscentrum voor wandelgebied, een boerderijmuseum, een sterrenwacht, een openluchttheater, een beeldentuin en een kasteel;

manege

een bedrijf dat op eigen terrein binnen en/of buiten een gebouw gelegenheid geeft tot het beoefenen van de paardensport;

middelzware horeca

een bedrijf waar hoofdzakelijk overdag en/of in de avonduren en/of in de vroege nacht dranken en/of etenswaren worden verstrekt, al dan niet voor gebruik ter plaatse, zoals een café, dansschool, bezorg- en afhaalrestaurant, shoarma/grillroom en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijven;

milieuhygiënische uitvoerbaarheid

overkoepelend begrip voor milieuaspecten zoals geluid, bodem, geurhinder, luchtkwaliteit, externe veiligheid etcetera aan welke bijbehorende wettelijke kaders getoetst dient te worden, onder andere zodat omliggende bedrijven niet onnodig in hun bedrijfsvoering worden belemmerd; 

Nge

Nederlandse grootte-eenheden, eenheden waarmee de bedrijfsomvang en het bedrijfstype van agrarische bedrijven vastgesteld kan worden;

niet-grondgebonden agrarisch bedrijf

een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt;

normaal onderhoud, gebruik en beheer

een gebruik gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op ten minste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt;

normale onderhoudswerkzaamheden

werkzaamheden die ter plaatse regelmatig terugkeren, teneinde tot een goed beheer van de gronden te komen. Hieronder vallen niet de incidentele ingrepen in bijvoorbeeld de cultuurtechnische situatie of werkzaamheden die een onherstelbare aantasting betekenen van de aan een gebied toegekende waarde;

ondergeschikte activiteit

een activiteit waarvan het ruimtegebruik, de aard, de uitstraling en de inkomensverwerving kleiner zijn dan de hoofdactiviteit ter plaatse.;

opslag (statisch)

binnenopslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijnde voor handel en niet worden opgeslagen voor een niet-agrarisch bedrijf elders, zoals (seizoen)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke;

perceelsgrens

de kadastrale grens van een perceel;

permanente teeltondersteunende voorzieningen

teeltondertsteunende voorzieningen die voor onbepaalde tijd wordt gebruikt, niet zijnde een kas;

productiegebonden detailhandel

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie;

productiegerichte paardenhouderij

een agrarisch bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het door middel van een gericht fok- en/of africhtingsprogramma trachten een paard op een hoger niveau te brengen, waardoor de waarde van dat paard in het economische verkeer toeneemt, zoals (op)fokkerijbedrijven, hengstenstations, africhtings- en trainingsbedrijven;

prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

prostitutiebedrijf

een bedrijf gericht op het tegen betaling doen plaatsvinden van seksuele omgang met prostituees op een naar buiten toe kenbare wijze, zoals een bordeel of escortservice;

publiekverzorgend ambacht en dienstverlening

een ambachtelijk c.q. dienstverlenend bedrijf dat zijn goederen en diensten rechtstreeks levert aan de consument, zoals een goudsmid, schoenmaker, kapper, videotheek e.d., met dien verstande dat de detailhandelsfunctie ondergeschikt dient te zijn;

recreatief medegebruik

vorm van recreatie waarvoor geen specifieke inrichting van het gebied noodzakelijk is, doch kan worden volstaan met de voorzieningen die reeds ten behoeve van de hoofdfunctie aanwezig zijn en ondergeschikte voorzieningen zoals wegbewijzeringsbordjes, picknickbanken en draaihekjes;

recreatieverblijf

een kampeermiddel, een stacaravan, een zomerwoning of een recreatiewoning (een gebouw dat dient als recreatieverblijf) waarvan de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben;

rijbak

een niet overdekt (geheel van ) bouwwerk(-en) geen gebouw(-en) zijnde met bijbehorende voorzieningen, ingericht voor het africhten, trainen, en berijden van paarden en pony’s en het anderszins beoefenen van de paardensport;

ruimtelijke uitstraling

de waarneembare invloed van landschappelijke, stedenbouwkundige, waterhuishoudkundige en cultuurhistorische aard op de omgeving;

schuilgelegenheid

een gebouw dat bedoeld is voor het bieden van beschutting en schuilruimte voor vee;

stacaravan

een onderkomen met een maximale grootte van 30 m², onder welke benaming ook aangeduid, dat uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot woon-, dag- of nachtverblijf van een of meer personen en dat door de aanwezigheid van een chassis, assenstelsel en wielen wel over korte afstand naar een vaste standplaats kan worden verreden, doch dat niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen als aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. Ook indien dit onderkomen wegens daaraan of daarbij aangebrachte wijzigingen of voorzieningen niet of niet meer geschikt is om te worden verreden, wordt het voor de toepassing van dit plan aangemerkt als stacaravan;

stiltegebied

milieubeschermingsgebied waarin het aspect stilte bijzondere bescherming krijgt;

streekeigen producten

ambachtelijke of geteelde producten die kenmerkend zijn voor deze regio;

teeltondersteunende voorzieningen 

Ondersteunende voorzieningen die een onderdeel zijn van de vollegronds bedrijfsvoering van een (vollegronds)teeltbedrijf zoals een tuinbouwbedrijf, fruitteeltbedrijf of boomkwekerij;

tent

constructie van (flexibele) stokken met daaroverheen gespannen doek waarin verbleven kan worden;

tijdelijke huisvesting seizoensarbeiders

het huisvesten van werknemers, die in een periode van grote arbeidsbehoefte gedurende enkele maanden, met een maximum van 8 maanden per jaar, op een agrarisch bedrijf werkzaam zijn om naar de aard kortdurend werk te verrichten;

tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen

teeltondersteunende voorzieningen welke op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, met een maximum van 6 aaneengesloten maanden per jaar. De voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik;

uitvoeren

uitvoeren, het doen uitvoeren, laten uitvoeren en in uitvoering geven;

vakantiegroepsverblijf

een gebouw of gedeelte van een gebouw, dat is ingericht om daarin aan groepen gelegenheid te geven tot recreatief nachtverblijf;

vakantiehuisje

een gebouw of gedeelte van een gebouw, dat is ingericht om daarin gelegenheid te geven tot recreatief nachtverblijf;

verblijfsrecreatie

een vorm van recreatief gebruik met nachtverblijven van recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben;

verbrede landbouw

nevenfuncties bij een agrarisch bedrijf, welke direct gerelateerd zijn aan het verder in stand houden van het agrarisch bedrijf waaronder agrarisch natuurbeheer, bewerking en waardevermeerdering van ter plaatse geproduceerde producten, de verkoop van streekeigen producten, zorgboerderijen of energieteelt;

volumineuze goederen

goederen die vanwege hun omvang een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling, zoals goederen in bouw- en doe-het-zelf producten, automobielen, motorfietsen., boten, caravans, e.d.;

volwaardig agrarisch bedrijf

een agrarisch bedrijf met ten minste de arbeidsomvang van een volwaardige arbeidskracht en een zodanige bedrijfsomvang dat de continuïteit ook op langere termijn in voldoende mate is gewaarborgd, getoetst door een agrarisch deskundige;

voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt;

voorzieningen voor de waterhuishouding

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit, waaronder duikers, stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen ten behoeve van berging en infiltratie van hemelwater;

vrijstaand bijgebouw

een bijgebouw, dat gesitueerd is op een afstand van het hoofdgebouw en dat in functioneel opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw;

waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang e.d., voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer, waterinfiltratie en waterberging, vijvers en poelen; bijbehorende voorzieningen zoals bermen, paden, beschoeiingen;

werk

een constructie geen gebouw of bouwwerk zijnde;

wijstgebied

gebied waarin het grondwater als gevolg van een slecht doorlatende kleilaag langs een breukzone in een opwaartse beweging aan de oppervlakte komt;

woonunit

een gebouw bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht ten dienste van het tijdelijke woon-, dag- of nachtverblijf van één of meer personen;

woonwagenterrein

een terrein bestaande uit meerdere standplaatsen;

zijdelingse perceelgrens

de grens tussen twee percelen, die voor- en achterzijde van een perceel verbindt;

zijgevel

een gevel van een (hoofd)gebouw, niet zijnde een voor- of achtergevel;

zorgwoning

een gebouw in gebruik als zelfstandige woning gericht op het verlenen van zorg;

zware horeca

een bedrijf waar hoofdzakelijk in de avonduren en/of de vroege nacht dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt, zoals een bar-dancing, discotheek of nachtclub, en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijven, een en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie.

GG

Het opschrift van toelichting 'Toelichting' wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting

HH

Voor artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze Toelichting' wordt een algemenetoelichting ingevoegd, luidende:

Algemene toelichting

1 Inleiding

1.1 Doel en functie van deze toelichting

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de Omgevingswet wordt het accent verlegd van behoud en bescherming in de fysieke leefomgeving, naar het bieden van ruimte voor ontwikkeling in die fysieke leefomgeving. De Omgevingswet verplicht gemeenten om de regels over deze fysieke leefomgeving en over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving op te nemen in het omgevingsplan.

Deze toelichting hoort bij het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Het plan vormt samen met de omgevingsvisie, programma’s en de omgevingsvergunning het fundament van de beleidscyclus onder de Omgevingswet.

De toelichting legt uit waarom het plan is gemaakt. Ze beschrijft de belangrijkste keuzes, doelen en uitgangspunten en laat zien hoe die passen binnen de regels van de Omgevingswet. Ook maakt de toelichting duidelijk hoe we belangen hebben afgewogen bij het opstellen van de regels. 

Daarnaast helpt de toelichting om het plan beter te begrijpen en te gebruiken. De toelichting zelf heeft geen juridische kracht, maar ze helpt wel om het plan goed te lezen en toe te passen.

1.2 Algemene en artikelsgewijze toelichting, motivering

De toelichting bij het omgevingsplan bestaat uit een algemene toelichting en een artikelsgewijze toelichting.

De algemene toelichting geeft inzicht in de opbouw, uitgangspunten en systematiek van het omgevingsplan. Ze beschrijft hoe het plan past binnen de beleidscyclus van de Omgevingswet, welke kaders en afwegingsprincipes zijn gehanteerd en hoe de regels bijdragen aan de maatschappelijke doelen van de wet.

De artikelsgewijze toelichting gaat dieper in op afzonderlijke regels of artikelen in het plan. Daarin wordt toegelicht:

  • welke achterliggende keuze of bedoeling aan de regel ten grondslag ligt;

  • hoe de regel in de praktijk kan of moet worden toegepast;

  • hoe de regel zich verhoudt tot hogere regelgeving, zoals het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) of de provinciale omgevingsverordening; en

  • waar relevant, de relatie met gemeentelijk beleid of beleidsregels.

 

De artikelsgewijze toelichting biedt context en duiding voor wie regels moet toepassen of uitleggen, zoals vergunningverleners, toezichthouders, beleidsadviseurs en initiatiefnemers.

De motivering van afzonderlijke wijzigingsbesluiten, inclusief de onderbouwing van de zogenaamde ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL) maakt geen onderdeel uit van deze toelichting. Die motivering hoort bij het vaststellingsbesluit zelf en wordt samen met het wijzigingsbesluit gepubliceerd in het Gemeenteblad. 

1.3 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft het juridisch en beleidsmatig kader van de Omgevingswet en de positie van het omgevingsplan daarin.

Hoofdstuk 3 gaat in op beleid en afwegingsruimte: de koppeling tussen visie, programma’s, planregels en belangenafweging.

Hoofdstuk 4 beschrijft de opbouw, toepassing en rechtszekerheid van het plan.

Hoofdstuk 5 gaat over hoe we inwoners, ondernemers en organisaties betrekken bij het omgevingsplan en hoe we daarover communiceren.

2 Kaders

2.1 Wettelijk kader

De Omgevingswet vormt het juridische fundament onder het omgevingsplan. De wet is op 1 januari 2024 in werking getreden en vervangt 26 bestaande wetten en ruim 100 algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) en ministeriële regelingen. Doel van deze stelselwijziging is om regels voor de fysieke leefomgeving te bundelen en beter op elkaar af te stemmen.

De wet heeft twee maatschappelijke doelen (artikel 1.3 Omgevingswet):

  • het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit;

  • het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van die fysieke leefomgeving om maatschappelijke behoeften te vervullen.

 

Gemeenten hebben binnen deze doelen aanzienlijke beleidsruimte om regels te stellen die passen bij lokale omstandigheden. Daarbij moeten zij rekening houden met de algemene zorgplicht van artikel 1.6 (Ow) en met de instructieregels die volgen uit hogere regelgeving.

Naast de Omgevingswet zelf zijn ook de volgende besluiten van belang:

  • het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) – bevat rijksregels over instructies, beoordelingsregels en omgevingswaarden;

  • het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) – bevat algemene regels voor milieubelastende activiteiten;

  • het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) – bevat regels voor bouwen en gebruiken van bouwwerken;

  • het Omgevingsbesluit – regelt procedures, bevoegdheden en participatie.

 

Het Invoeringsbesluit Omgevingswet voegt hieraan de zogenoemde bruidsschat toe: een set aan rijksregels die automatisch aan gemeenten is overgedragen. Zo blijft de bescherming van de leefomgeving gewaarborgd tot gemeenten die regels zelf in hun omgevingsplan hebben verwerkt.

Daarnaast gelden de provinciale Omgevingsverordening Noord-Brabant en de waterschapsverordening van Waterschap Aa en Maas als instructiekaders voor Bernheze. Beide bevatten regels waaraan het gemeentelijk omgevingsplan moet voldoen, bijvoorbeeld over geur, grondwaterbescherming, waterveiligheid, natuur en cultuurhistorische waarden.

De juridische vormgeving en publicatie van het omgevingsplan gebeurt conform de digitale standaarden STOP/TPOD (Standaard Officiële Publicaties / ToepassingProfiel voor OmgevingsDocumenten). Deze bepalen hoe juridische teksten worden opgebouwd, aangeduid en gepubliceerd in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Het DSO is daarmee niet alleen een loket voor inwoners en bedrijven, maar ook een digitaal juridisch systeem waarin alle regels van het Rijk, de provincie, het waterschap en de gemeente samenkomen.

2.2 Kerninstrumenten van de Omgevingswet

In het vorige onderdeel zijn de landelijke regels en besluiten genoemd die de basis vormen van de Omgevingswet. In dit onderdeel gaan we in op de instrumenten die de gemeente zelf gebruikt om richting te geven aan de fysieke leefomgeving.

De Omgevingswet geeft gemeenten verschillende middelen om beleid en uitvoering met elkaar te verbinden. In Bernheze gebruiken we daarvoor vier instrumenten: de omgevingsvisie, de programma’s, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning.

De omgevingsvisie van de gemeente Bernheze beschrijft wat voor gemeente we willen zijn en welke waarden we belangrijk vinden voor onze leefomgeving. De visie gaat over de lange termijn en laat zien hoe we ruimte willen geven aan groei, duurzaamheid, gezondheid en kwaliteit van de dorpen en het landschap.

De programma’s werken onderdelen van de visie verder uit. Daarin staan maatregelen en acties om de doelen te bereiken. Programma’s kunnen over één thema gaan, bijvoorbeeld klimaat, biodiversiteit of gezondheid, maar ook over een specifiek gebied, zoals een dorpskern of bedrijventerrein.

Het omgevingsplan vertaalt het beleid naar concrete, juridische regels. Deze regels zijn bindend voor iedereen en vormen het toetsingskader voor vergunningverlening, toezicht en handhaving.

Tot slot is er de omgevingsvergunning. Die gebruiken we om initiatieven te toetsen aan de regels in het omgevingsplan. Zo kunnen we per situatie beoordelen of een activiteit past bij de omgeving en of er aanvullende voorwaarden nodig zijn.

Samen zorgen deze vier instrumenten ervoor dat beleid, uitvoering en regelgeving goed op elkaar aansluiten.

2.3 Stap voor stap naar één omgevingsplan

Per 1 januari 2024 beschikt Bernheze, net als alle gemeenten, over een omgevingsplan van rechtswege. Hierin zijn opgenomen:

  • de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en beheersverordeningen;

  • de zogenoemde bruidsschatregels van het Rijk;

  • drie gemeentelijke verordeningen: de Erfgoedverordening met betrekking tot de archeologische monumentenzorg, de Hemelwaterverordening en de Geurverordening  (door gemeente Bernheze met andere regels reeds samengevoegd in één Verordening Fysieke Leefomgeving);

  • de bodemkwaliteitskaart en een bodemfunctieklassenkaart.

 

Deze tijdelijke situatie vormt het startpunt van een transitie naar één samenhangend, integraal en digitaal toegankelijk omgevingsplan. Uiterlijk op 31 december 2031 moet dit volledige plan gereed zijn.

De gemeenteraad heeft in het Transitieplan Omgevingsplan Bernheze (2024–2032) vastgelegd hoe die overgang plaatsvindt:

  • aanvankelijk beleidsneutraal, door het overzetten van bestaande regels;

  • daarna stapsgewijs vernieuwend, door nieuwe thema’s, beleid en gebiedsgerichte vernieuwing toe te voegen.

 

Deze fasering zorgt ervoor dat “de winkel openblijft”: we kunnen vergunningen blijven verlenen, beleid blijven uitvoeren en tegelijk werken aan verbetering van structuur en inhoud.

Zo groeit het tijdelijke plan stap voor stap uit tot één modern en digitaal toegankelijk omgevingsplan voor de hele gemeente Bernheze.

3 Beleid en afwegingsruimte

3.1 De beleidscyclus

De Omgevingswet verankert de samenhang tussen beleid, uitvoering en regels. Het omgevingsplan is daarin geen eindpunt, maar een tussenstation in een continu proces van leren, afwegen en bijsturen.

De beleidscyclus van Bernheze ziet er als volgt uit:

 

Deze cyclische benadering maakt het mogelijk om flexibel in te spelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het omgevingsplan vormt daarin het juridisch kader, maar is tegelijk dynamisch: het kan steeds worden aangepast aan nieuwe inzichten of beleidsdoelen.

Infographic Omgevingswet gemeente Bernheze
afbeelding binnen de regeling
3.2 Doelen van het omgevingsplan

Het omgevingsplan draagt bij aan de maatschappelijke doelen van de wet, maar vertaalt die naar de lokale context van Bernheze.

Voor onze gemeente staan drie uitgangspunten centraal:

 

  • a.

    Beschermen én uitnodigen.

    De regels moeten waarborgen dat onze fysieke leefomgeving gezond, veilig en leefbaar blijft, maar ook ruimte bieden aan initiatieven die bijdragen aan duurzaamheid, vitaliteit en leefkwaliteit. We werken vanuit de houding “ja, mits”: uitnodigend waar het kan, begrenzend waar het moet.

  • b.

    Maatwerk per gebied.

    Bernheze kent verschillende landschappen en kernen, elk met hun eigen karakter en opgaven. Binnen het plan kunnen regels verschillen per gebied.

  • c.

    Vertrouwen en samenwerking.

    De Omgevingswet vraagt om vertrouwen in de samenleving. We gaan uit van de verantwoordelijkheid van initiatiefnemers om zorgvuldig om te gaan met hun omgeving. De gemeente stelt duidelijke kaders voor participatie.

Deze drie uitgangspunten sluiten aan bij de omgevingsvisie van de gemeente Bernheze  waarin de raad heeft uitgesproken initiatieven zoveel mogelijk te willen faciliteren.

3.3 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)

Het begrip evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Ow) vormt het hart van het omgevingsplan. Het betekent dat bij elke toedeling of beperking van functies – dus bij het stellen of wijzigen van regels – een zorgvuldige afweging van belangen plaatsvindt.

Bij die afweging worden betrokken:

  • de milieubelasting van activiteiten en de gevoeligheid van omliggende functies;

  • de kwaliteit van lucht, bodem, water en natuur;

  • de gezondheid, veiligheid en leefbaarheid;

  • bestaande rechten en belangen van grondeigenaren;

  • de economische en maatschappelijke haalbaarheid.

 

Om die belangen inzichtelijk te maken, hanteert Bernheze een vaste werkwijze: bij ieder wijzigingsbesluit wordt een motivering opgesteld waarin de relevante belangen en afwegingen zijn beschreven.

4 Opbouw van het omgevingsplan

Het omgevingsplan is opgebouwd vanuit een activiteitgerichte benadering. Hierbij worden regels gebundeld per type activiteit. Het omgevingsplan is opgedeeld in verschillende hoofdstukken, waarbij per hoofdstuk zoveel mogelijk vergelijkbare activiteiten worden samengebracht. Zo worden de regels over bouw- en sloopactiviteiten in één hoofdstuk opgenomen, evenals regels over aanlegactiviteiten, gebruiksactiviteiten en milieubelastende activiteiten. Activiteiten die niet goed in één van deze hoofdstukken passen, worden ondergebracht in het hoofdstuk ‘overige activiteiten’.

Zoals aangegeven bevindt de gemeente zich in een transitiefase. Om die reden zijn sommige hoofstukken nog gereserveerd. Deze zullen in de loop der tijd met verschillende wijzigingen worden gevuld.   

In het omgevingsplan zijn de volgende hoofdstukken opgenomen. 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

In dit hoofdstuk wordt verwezen naar de begripsbepalingen die van toepassing zijn op het omgevingsplan. Deze begrippen zijn opgenomen in bijlage 1. Daarnaast zijn de begrippen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing verklaard, tenzij hiervan in bijlage 1 is afgeweken.

Verder bevat dit hoofdstuk algemene regels over onder andere de normadressaat, de specifieke zorgplicht en de algemene gegevens die aangeleverd moeten worden bij het maken van een melding. 

Hoofdstuk 2 Doelen 

Dit hoofdstuk bevat de doelen van het omgevingsplan. Hierin wordt beschreven wat de gemeente met de regels in de volgende hoofdstukken wil bereiken. De regels die in de volgende hoofdstukken zijn opgesteld, zijn gericht op het borgen van deze doelen. Ook is ruimte gereserveerd voor het opnemen van omgevingswaarden. 

Hoofdstuk 3 Programma’s

In dit hoofdstuk is ruimte gereserveerd voor het aanwijzen van programma’s met een programmatische aanpak. 

Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Dit hoofdstuk gaat over aanwijzingen in de fysieke leefomgeving en is onderverdeeld in vier afdelingen. Afdeling 1 is gereserveerd voor de gebiedstypen, afdeling 2 voor aandachtsgebieden en afdeling 3 voor beperkingengebieden. Afdeling 4 biedt ruimte voor overige aanwijzingen in de fysieke leefomgeving. 

Hoofdstuk 5 Bouw- en sloopactiviteiten

Dit hoofdstuk is gereserveerd voor regels over bouw- en sloopactiviteiten. Dat zijn regels die momenteel nog in de bestemmingsplannen en in de bruidsschat (hoofdstuk 22 van het omgevingsplan) staan. 

Hoofdstuk 6 Aanlegactiviteiten

Dit hoofdstuk is gereserveerd voor aanlegactiviteiten.

Hoofdstuk 7 Gebruiksactiviteiten

Dit hoofdstuk is gereserveerd voor de gebruiksactiviteiten. 

Hoofdstuk 8 Milieubelastende activiteiten

Dit hoofdstuk is gereserveerd voor milieubelastende activiteiten. Een groot deel daarvan is momenteel nog opgenomen in afdeling 22.3 van de bruidsschat. 

Hoofdstuk 9 Overige activiteiten 

In dit hoofdstuk worden activiteiten opgenomen die niet goed in één van de andere hoofdstukken passen. Hierin zijn bijvoorbeeld regels opgenomen over parkeerexcessen en het aanleggen en veranderen van wegen.                                                                                                                                               

Hoofdstuk 10 Beheer en onderhoud

Dit hoofdstuk is bedoeld voor onderhouds- en instandhoudingsverplichtingen. Op dit moment staan er alleen regels over de instandhouding van niet-openbare riolen en putten opgenomen. 

Hoofdstuk 11 Financiële bepalingen

In dit hoofdstuk kan een regeling worden opgenomen voor het verhalen van kosten bij gebiedsontwikkelingen op het moment dat het niet lukt om met een projectontwikkelaar tot een anterieure overeenkomst te komen over een bijdrage aan bijvoorbeeld bovenwijkse voorzieningen. In de Omgevingswet is immers bepaald dat deze kosten via een wijziging van het omgevingsplan worden verhaald.

Hoofdstuk 12 Procedureregels

In dit hoofdstuk worden procedurele regels opgenomen.   

Hoofdstuk 13 Handhaving

Dit hoofdstuk bevat nog geen regels en is gereserveerd. Binnen de wettelijke kaders van de Omgevingswet kunnen hier toekomstige regels over toezicht en handhaving worden opgenomen.

Hoofdstuk 14 Monitoring en informatie

Dit hoofdstuk is gereserveerd. Mochten er in de toekomst doelen worden opgenomen in het omgevingsplan in de vorm van een omgevingswaarde, dan zullen in dit hoofdstuk de regels over monitoring van die omgevingswaarde landen.  

Hoofdstuk 15 Overgangsrecht

Hoofdstuk 15 bevat het overgangsrecht. Dit hoofdstuk biedt ruimte voor regels die zien op de overgang van bestaande situaties naar het omgevingsplan, zoals omgevingsvergunningen die zijn verleend op basis van een gemeentelijke verordening.

Hoofdstuk 16 tot en met 21

Deze hoofdstukken zijn vooralsnog gereserveerd. Er word bekeken of deze hoofdstukken nodig zijn. 

Hoofdstuk 22 Activiteiten

Dit hoofdstuk bevat de bruidsschat. Dit zijn Rijksregels die bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet aan iedere gemeente in het omgevingsplan zijn toegevoegd. Deze regels worden op termijn omgezet naar één van de andere hoofdstukken. 

Hoofdstuk 23 tot en met 26 Gereserveerd voor gebiedsontwikkeling

Deze hoofstukken zijn gereserveerd voor toekomstige gebiedsontwikkelingen. 

Hoofdstuk 27 Slotbepalingen 

In dit hoofdstuk is de citeertitel opgenomen: Omgevingsplan gemeente Bernheze.  

5 Participatie en communicatie

5.1 Wettelijk kader

Participatie is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. De wet verplicht bestuursorganen om bij het voorbereiden van wijzigingen van het omgevingsplan aandacht te besteden aan participatie en hierover transparant te zijn. In dit hoofdstuk staat het algemene participatiekader dat geldt voor alle wijzigingen van het omgevingsplan:

Kennisgeving (artikel 16.29 Omgevingswet)

Voor elke wijziging van het omgevingsplan doet de gemeente een kennisgeving waarin staat dat een wijzigingsprocedure wordt gestart. In deze kennisgeving wordt ook toegelicht of en op welke manier participatie wordt toegepast.

Participatieverplichting (artikel 10.2, lid 1 Omgevingsbesluit)

Bij de kennisgeving maakt de gemeente bekend hoe zij participatie vormgeeft. De Omgevingswet schrijft geen vorm voor; het bestuursorgaan kiest een aanpak die past bij:

  • de aard en complexiteit van de wijziging,

  • de impact op omgeving en belangen,

  • de mate waarin sprake is van beleidsruimte.

 

Uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb)

De formele besluitvorming verloopt via de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Dit betekent:

  • Ontwerpbesluit ter inzage (6 weken)

    Belanghebbenden kunnen in deze periode een zienswijze indienen.

  • Indienen van zienswijzen

    Schriftelijk, mondeling, of digitaal indien dit door de gemeente is opengesteld.

  • Advisering wettelijke adviseurs

    Indien van toepassing (bijvoorbeeld provincie of waterschap), worden deze om advies gevraagd. 

  • Nota van beantwoording zienswijzen

    Alle zienswijzen worden samengevat en beantwoord. Als dit leidt tot aanpassingen in het ontwerp, worden deze opgenomen in een Nota van Wijzigingen.

  • Vaststelling en beroep

    Vervolgens stelt het bevoegd gezag de wijziging van het omgevingsplan vast. Na vaststelling wordt het besluit bekendgemaakt. Gedurende zes weken staat beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.



Motivering (artikel 10.2, lid 2 Omgevingsbesluit)

Bij de vaststelling van de wijziging motiveert het bevoegd gezag:

  • hoe participatie heeft plaatsgevonden (zowel voorafgaand aan het ontwerp, als tijdens de zienswijzenperiode),

  •  welke inbreng is geleverd door belanghebbenden,

  • en hoe deze inbreng is meegewogen.

De gemeente verwerkt dit in een participatieverslag dat onderdeel vormt van de Nota van uitgangspunten en participatie.

5.2 Bernhezer participatieaanpak bij wijzigingen van het omgevingsplan

Participatie vindt vooral plaats bij beleidsvorming, zoals visies en programma’s.

Dat zijn de momenten waarop keuzes nog openstaan.

De participatieaanpak bij wijzigingen van het omgevingsplan is altijd maatwerk; grote beleidswijzigingen vragen om intensieve participatie; technische wijzigingen vragen om een sobere, heldere aanpak met focus op begrijpelijkheid en uitvoerbaarheid.

Voorafgaand aan de formele procedure tot wijziging van het omgevingsplan stellen we een Nota van Uitgangspunten op.  Deze wordt aangevuld tot een  Nota van uitgangspunten en participatie’ ‘die onderdeel vormt van ieder wijzigingsbesluit en die beschrijft:

  • de aard en het karakter van de wijzigingen (beleidsneutraal of niet?);

  • de belangrijkste voorgenomen veranderingen van de regels in deze wijzigingsronde; 

  • wie zijn betrokken (personen, organisaties, belanghebbenden);

  • hoe de participatie is georganiseerd (bijeenkomsten, digitale consultatie, één-op-één gesprekken etc.);

  • welke resultaten van participatie en ketenoverleg zijn opgehaald;

  • hoe de resultaten zijn verwerkt.

 

Van het voornemen tot wijziging van het omgevingsplan wordt kennisgegeven in het Gemeenteblad waarbij wordt toegelicht dat de participatie wordt uitgevoerd door terinzagelegging van de Nota van Uitgangspunten. Deze transparante werkwijze sluit aan bij artikel 10.7 van het Omgevingsbesluit en bij ons gemeentelijke participatiebeleid en -verordening.

II

Voor sectie '' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In het eerste lid van dit artikel wordt verwezen naar bijlage I van dit omgevingsplan. Deze bijlage bevat de begripsbepalingen die nodig zijn voor de interpretatie van de regels van het omgevingsplan.

In het tweede lid zijn de begripsbepalingen van het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op dit omgevingsplan. 

Op grond van artikel 1.1 van de Omgevingswet zijn de daarin opgenomen begrippen van toepassing op het omgevingsplan. Het is daarom niet nodig deze nogmaals van toepassing te verklaren.  

Als in bijlage I van dit omgevingsplan voor een begrip een afwijkende definitie is opgenomen ten opzichte van het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving of het Besluit activiteiten leefomgeving geldt de definitie zoals opgenomen in bijlage I

In het derde lid wordt verwezen naar Bijlage II bij dit omgevingsplan. Deze bijlage bevat begripsbepalingen die, in aanvulling op Bijlage I, uitsluitend van toepassing zijn op hoofdstuk 23 tot en met 26 van dit omgevingsplan.

JJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. Het gaat om een zogenaamde statische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet of de AMvB’s geen invloed hebben op de betekenis van de begrippen in hoofdstuk 22.

Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat de overige begripsbepalingen die voor hoofdstuk 22 nog nodig zijn in aanvulling op de begrippen van de wet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling.

[Vervallen]

KK

Na sectie ' Begripsbepalingen' worden 75 secties ingevoegd, luidende:

Artikel 1.2 Normadressaat

In dit artikel is bepaald wie aan de regels van het omgevingsplan moet voldoen. Soms wordt in de regels van dit omgevingsplan een andere normadressaat genoemd. In dat geval moet die aangewezen normadressaat de regels naleven.

Artikel 1.3 Specifieke zorgplicht

In dit artikel is een zorgplicht opgenomen voor iedereen die activiteiten verricht die in dit omgevingsplan worden geregeld. Diegene moet zich rekenschap geven van de doelen, met het oog waarop de regels in het hoofdstuk over die activiteit zijn gesteld. Die doelen zijn terug te vinden in de artikelen met het opschrift 'oogmerken'. Op iedereen rust de verplichting om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om nadelige gevolgen voor die doelen te voorkomen of, als dat niet kan, te beperken. Als die nadelige gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, moet de activiteit achterwege worden gelaten. In verschillende hoofdstukken is de zorgplicht vaak uitgewerkt met een aantal maatregelen die in ieder geval tot deze zorgplicht wordt gerekend.

Artikel 1.4 Maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften 

In dit artikel is de bevoegdheid opgenomen om maatwerkvoorschriften te stellen of vergunningvoorschriften te verbinden aan een omgevingsvergunning die op basis van hoofdstuk 9 benodigd is. Bij het toepassen van deze bevoegdheid is het college van burgemeester en wethouders gebonden aan de oogmerken die bij de betreffende activiteit zijn opgenomen. 

Artikel 1.5 Algemene gegevens bij een melding

Voor een activiteit kan een meldingsplicht gelden. In dat geval is dit bij de betreffende activiteit aangegeven. Dit artikel bevat de algemene gegevens die moeten worden verstrekt bij het indienen van een melding. Bij de betreffende activiteit staat welke extra gegevens ook bij de melding moeten worden verstrekt. 

Artikel 1.6 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden 

Voor een activiteit kan een verplichting gelden om gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag te verstrekken. In dat geval is dit bij de betreffende activiteit aangegeven. Dit artikel bevat de algemene gegevens die daarbij moeten worden verstrekt. Bij de betreffende activiteit staat welke aanvullende gegevens en bescheiden ook moeten worden aangeleverd.

Artikel 1.7 Gegevens bij het wijzigen van naam, adres of normadressaat

Het eerste lid van dit artikel regelt dat een naamswijziging of adreswijziging wordt doorgegeven aan het bevoegd gezag vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene wil immers dat correspondentie van het bevoegd gezag op het juiste adres aankomt. Het tweede lid regelt dat bij overdracht van de activiteit naar iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Bijvoorbeeld omdat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.

Artikel 1.8 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders

Dit artikel regelt dat gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt aan het bevoegd gezag, als dat bevoegd gezag die gegevens en bescheiden nodig heeft om voor een specifieke activiteit of een specifieke locatie te beoordelen of de algemene regels en eventuele maatwerkvoorschriften die voor die activiteit of die locatie gelden, nog volstaan. Het gaat om gegevens en bescheiden waar het bevoegd gezag om vraagt. Degene die de activiteit verricht hoeft dus niet uit eigen beweging gegevens of bescheiden op te sturen; al staat dat natuurlijk vrij.

Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan

Het omgevingsplan wordt vastgesteld met het oog op de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet. Uit dit artikel blijkt waarop dit omgevingsplan is gericht. Deze doelen zijn van toepassing op alle bevoegdheden op basis van dit plan en rechtsnormen in dit omgevingsplan. Het zijn de redenen van algemeen belang voor de regels die in het omgevingsplan worden gesteld. Het omgevingsplan bevat regels van de fysieke leefomgeving. Dit wil zeggen dat niet bij alle activiteiten alle in dit artikel gestelde doelen relevant zijn. Om deze reden worden deze algemene doelen verder uitgewerkt in de vorm van oogmerken. Deze oogmerken laten per activiteit de achterliggende reden zien met het oog waarop de regels zijn gesteld. Het kan voorkomen dat deze oogmerken overeenkomen met de gemeentelijke doelen zoals opgenomen in deze bepaling.

Artikel 9.1 Toepassingsbereik

Het is mogelijk dat er ook andere regels van toepassing zijn. In lid 3 wordt verwezen naar de hoofdstukken 8 en 11 van het Bal en naar de provinciale omgevingsverordening. In het Bal en de verordening zijn regels gesteld over de activiteiten als genoemd rond rijkswegen en natuur en rond provinciale wegen. 

Onder parkeren wordt ook verstaan het tot stilstand brengen van een voertuig.

De Wegenverkeerswet 1994 gaat over het rijden van voertuigen over wegen. Dit wordt dus niet in het omgevingsplan geregeld. De Wegenverkeerswet 1994 gaat niet over het rijden van voertuigen buiten de openbare weg. Activiteiten zoals crossen, mountainbiken, paardrijden e.d. buiten de openbare weg is daarom wel in dit omgevingsplan geregeld. 

Artikel 9.2 Oogmerken

De oogmerken geven de achterliggende redenen voor de gestelde regels en de te beschermen belangen. 

Artikel 9.3 Verbod rijden door groenvoorzieningen 

Lid 1: Een verbod is van belang om schade te voorkomen. 

Lid 2: Het tot stilstand brengen van een voertuig kan ook schade veroorzaken. Dit verbod is daarom opgenomen. 

Lid 3-5: De uitzonderingen op de verboden zijn in de leden 3 tot en met 5 opgenomen. Dit betreft bijv. een ambulance, brandweerauto, politieauto ten behoeve van een spoedeisende situatie. Ook voertuigen ten behoeve van het onderhoud vallen onder deze uitzondering. Onder terreinen worden bijv. recreatieterreinen verstaan. 

Artikel 9.4 lid 1

Het verbod in lid 1 is opgenomen om schade aan flora en fauna te voorkomen. Ook is dit verbod opgenomen om hinder, waaronder geluidhinder, voor andere gebruikers, zoals wandelaars, te voorkomen.

Artikel 9.4 lid 2

Dit lid legt de uitzonderingen op het bepaalde in lid 1 vast. 

Artikel 9.5 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het innemen vanvaste standplaatsen op de openbare weg op een daartoe aangewezen locatie. 

Eenvaste standplaats is gedefinieerd als het 'vanaf een vaste locatie te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of aanbieden van diensten, gebruikmakend van fysieke middelen zoals een kraam, een wagen of een tafel'. De regels gelden niet voor een vaste plaats op een (jaar)markt en voor vaste standplaatsen op evenementen. 

Een vaste standplaats kan alleen worden ingenomen op de locatie 'aangewezen standplaatsen'.

De regels gelden niet voor het innemen van een standplaats op de openbare weg in beheer bij het Rijk of de provincie. Zij stellen zelf de regels voor het innemen van een standplaats op een weg die zij beheren. 

Artikel 9.6 Oogmerken

De oogmerken zien toe op het beschermen van de openbare ruimte en op het benutten van deze openbare ruimte. 

Artikel 9.7 Specifieke zorgplicht 

Dit artikel beschrijft wat in ieder geval onder specifieke zorgplicht voor het innemen van een vaste standplaats wordt gerekend. De in dit artikel genoemde maatregelen zijn niet uitputtend; ook andere maatregelen kunnen onder de specifieke zorgplicht vallen. 

De standplaatshouder moet alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging nemen en mag geen significante verontreiniging veroorzaken. 

Het ontstaan van afvalstoffen wordt zo veel mogelijk beperkt, deze worden verzameld en bij voorkeur gescheiden en op de juiste wijze verwerkt. Het ontstaan van afvalwater wordt beperkt en op de juiste wijze geloosd. 

De specifieke zorgplicht is direct handhaafbaar; zeker bij duidelijke overtredingen. 

Artikel 9.8 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het innemen van een vaste standplaats is toestemming nodig in de vorm van een omgevingsvergunning. In dit artikel is ervoor gekozen om een locatie op te nemen waar de vergunningplicht geldt.

Een vergunningplicht maakt het mogelijk om vooraf te kunnen toetsen of er geen onevenredige hinder voor de omgeving zal optreden en of de standplaats voldoet aan het criterium 'goede omgevingskwaliteit’. 

Artikel 9.9 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de omgevingsvergunning voor het innemen van een vaste standplaats. Dit is een aanvulling op de algemene aanvraagvereisten van paragraaf 7.2.1 van de Omgevingsregeling en artikel 1.6 van dit omgevingsplan. 

Om tot een juiste beoordeling van de aanvraag te kunnen komen, is de gevraagde informatie noodzakelijk. 

Artikel 9.10 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als het innemen van de standplaats leidt tot het in dit artikel onder lid 1 genoemde. Hieronder wordt dus ook verstaan als het redelijk verzorgingsniveau voor de consument in gevaar komt. 

Omgevingsvergunningen voor standplaatsen zijn schaarse vergunningen. Bij de verdeling van deze vergunningen is een passende mate van transparantie noodzakelijk. De criteria zijn helder vastgelegd in beleidsregels. 

Omgevingsvergunningen voor een periode langer dan drie jaar worden niet verleend. 

Artikel 9.11 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het innemen van incidentelestandplaatsen op de openbare weg.Een incidentele standplaats is gedefinieerd als: 'het vanaf een tijdelijke, niet aangewezen vaste standplaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen, gebruikmakend van fysieke middelen zoals een kraam, een wagen of een tafel'.

De regels gelden niet voor een vaste plaats op een (jaar)markt en voor vaste standplaatsen op evenementen. Standplaatsen op markten zijn geregeld in de marktverordening. 

De regels gelden niet voor het innemen van een standplaats op de openbare weg in beheer bij het Rijk of de provincie. Zij stellen zelf de regels voor het innemen van een standplaats op een weg die zij beheren. 

Artikel 9.12 Oogmerken

De oogmerken zien toe op het beschermen van de openbare ruimte en op het benutten van deze openbare ruimte.   

Artikel 9.13 Specifieke zorgplicht 

Dit artikel beschrijft wat in ieder geval onder specifieke zorgplicht voor het innemen van een incidentelestandplaats wordt gerekend. De in dit artikel genoemde maatregelenzijn niet uitputtend; ook andere maatregelen kunnen onder de specifieke zorgplicht vallen.  

De standplaatshouder moet alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging nemen en mag geen significante verontreiniging veroorzaken. 

Het ontstaan van afvalstoffen wordt zo veel mogelijk beperkt, deze worden verzameld en bij voorkeur gescheiden en op de juiste wijze verwerkt. Het ontstaan van afvalwater wordt beperkt en op de juiste wijze geloosd.  

De specifieke zorgplicht is direct handhaafbaar; zeker bij duidelijke overtredingen. 

Artikel 9.14 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het innemen van een incidentele standplaats is toestemming nodig in de vorm van een omgevingsvergunning.  

Een vergunningplicht maakt het mogelijk om vooraf te kunnen toetsen of er geen onevenredige hinder voor de omgeving zal optreden en of de standplaats voldoet aan het criterium 'goede omgevingskwaliteit’. 

Ook kan een vergunningplicht ervoor zorgen dat een redelijk verzorgingsniveau voor de consument gegarandeerd wordt.  

Artikel 9.15 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de omgevingsvergunning voor het innemen van een standplaats. Dit is een aanvulling op de algemene aanvraagvereisten van paragraaf 7.2.1 van de Omgevingsregeling en artikel 1.6 van dit omgevingsplan. 

Om tot een juiste beoordeling van de aanvraag te kunnen komen, is de gevraagde informatie noodzakelijk. 

Artikel 9.16 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als het innemen van de standplaats leidt tot het in dit artikel onder lid 1 genoemde. Hieronder wordt dus ook verstaan als het redelijk verzorgingsniveau voor de consument in gevaar komt.  

Omgevingsvergunningen voor standplaatsen zijn schaarse vergunningen. Bij de verdeling van deze vergunningen is een passende mate van transparantie noodzakelijk. De criteria zijn helder vastgelegd in beleidsregels.  

Artikel 9.17 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen van objecten op de openbare weg in beheer bij de gemeente. Dit geldt dus niet voor wegen in beheer bij het Rijk, de provincie of het waterschap. Onder objecten, als bedoeld in dit artikel wordt onder andere verstaan: een container, bouwmaterialen, een bouwkeet, laadbak, hijskraan e.d.

Artikel 9.18 Oogmerken

De oogmerken geven de achterliggende redenen aan met het oog waarop de regels over het plaatsen van objecten op de weg zijn gesteld en dus welke belangen dienen te worden beschermd. 

Artikel 9.19 Specifieke zorgplicht 

Naast de genoemde maatregelen kunnen ook andere maatregelen onder de specifieke zorgplicht behoren. Deze zijn niet in het artikel uitgewerkt, maar kunnen in de besluitvorming een rol spelen. 

Op iedereen rust de verplichting om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om nadelige gevolgen voor de doelen als opgenomen in hoofdstuk 4 te voorkomen of, als dat niet kan, te beperken. Als die nadelige gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, moet de activiteit achterwege worden gelaten. 

De specifieke zorgplicht is direct handhaafbaar, strafrechtelijk en bestuursrechtelijk. Als er discussie mogelijk is over de vraag of in strijd met de specifieke zorgplicht is gehandeld, kan met een maatwerkvoorschrift verduidelijkt worden wat onder de specifieke zorgplicht wordt verstaan. Deze bevoegdheid is opgenomen in artikel 1.3.

Artikel 9.21 Toepassingsbereik

Het werkingsgebied bij deze activiteit is buiten de openbare weg in beheer bij de gemeente. Hiermee is een afbakening aangebracht tussen deze paragraaf en de paragraaf ‘Voorwerpen plaatsen op de weg'

Artikel 9.22 Oogmerken

De oogmerken geven de achterliggende redenen aan met het oog waarop de regels over het plaatsen en behouden van objecten en beplanting zijn gesteld en dus welke belangen dienen te worden beschermd. 

Artikel 9.23 Specifieke zorgplicht

De specifieke zorgplicht houdt in ieder geval in dat naast genoemde maatregelen ook andere maatregelen tot de specifieke zorgplicht kunnen horen. De opsomming is derhalve nadrukkelijk niet als uitputtend bedoeld.

Onder gevaar of hinder voor het wegverkeer wordt in ieder geval ook verstaan het op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2.2 meter boven dat gedeelte van de weg en binnen 0.25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding aangebracht.  

Artikel 9.24 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is alleen van toepassing op openbaar water dat in beheer is bij de gemeente.

Artikel 9.25 Oogmerken

Met deze regels worden de volgende belangen beschermd: de veiligheid waarborgen en watersystemen beheren.

Artikel 9.26 Specifieke zorgplicht

Dit artikel geeft een nadere invulling van de algemene zorgplicht uit artikel 1.3.

Artikel 9.27 Meldingsplicht

Dit artikel bevat een meldingsplicht voor steigers, meerpalen en andere voorwerpen met een permanent karakter. Door de meldingsplicht houdt de gemeente zicht op de voorwerpen met een permanent karakter die worden geplaatst en kan zo nodig worden bijgestuurd door middel van een maatwerkvoorschrift.

Artikel 9.28 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen van kampeermiddelen voor recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein. Hiermee is een afbakening gemaakt met de gebiedsgerichte recreatie-activiteit op een aangewezen kampeerterrein (zoals dat vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog in bestemmingsplannen was geregeld). Het ligt namelijk voor de hand om het aanwijzen van kampeerterreinen gebiedsgericht te reguleren in het omgevingsplan, omdat deze activiteit zowel milieu- als planologische gebruiksruimte nodig heeft. Deze regels gelden voor de rest van het ambtsgebied, dus buiten de aangewezen kampeerterreinen.

Artikel 9.29 Oogmerken

De oogmerken geven de achterliggende redenen aan met het oog waarop de regels over het plaatsen van kampeermiddelen voor recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein zijn gesteld en dus welke belangen dienen te worden beschermd.

Artikel 9.30 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 

Dit artikel bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning kampeermiddelen te plaatsen voor recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein. Er geldt slechts één uitzondering voor deze vergunningplicht en die is opgenomen in het tweede lid. Deze uitzondering ziet op particuliere gronden waar rechthebbenden zelf kunnen kamperen.

Artikel 9.31 Bijzondere aanvraagvereisten

In aanvulling op de algemene aanvraagvereisten, in artikel 1.6 van dit omgevingsplan, zijn in dit artikel de bijzondere aanvraagvereisten opgenomen. De aangevraagde informatie is afgestemd op de beoordelingsregels. Met het oog op het in stand houden van de natuur, het beschermen van het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte en het beschermen van de landschappelijke waarden is in ieder geval informatie nodig over de locatie van de activiteit en de tijdsduur.

Artikel 9.32 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

In dit artikel zijn de beoordelingsregels opgenomen waaraan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van kampeermiddelen voor recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein moet voldoen. De beoordelingsregels zijn afgestemd op de oogmerken.

Artikel 9.33 lid 1

Deze paragraaf gaat over crossen met een motorvoertuig of een bromfiets op een terrein, dat niet een openbare weg is.  

Artikel 9.33 lid 2

Het crossen met een motorvoertuig of een bromfiets kan overal in de gemeente voorkomen en is niet specifiek gekoppeld aan een gebiedstype. Terwijl het aanwijzen van een specifiek crossterrein wel zowel milieu- als planologische gebruiksruimte nodig heeft en gebiedsgericht gereguleerd wordt in het omgevingsplan.  De regel ziet op terreinen (niet zijnde een weg) die slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt voor het crossen met een motorvoertuig of een bromfiets. Deze regel geldt voor de rest van het ambtsgebied, dus buiten de aangewezen crossterreinen.  

Om een duidelijk onderscheid te maken met de regels in het Bal voor terreinen voor het sporten of recreëren met gemotoriseerde voertuigen is dit opgenomen in het tweede lid van dit artikel. Dus wanneer op grond van artikel 3.305 van het Bal een omgevingsvergunning wordt verleend voor het sporten of recreëren met voertuigen met een verbrandingsmotor in de buitenlucht, geldt het verbod uit deze paragraaf niet meer. Ook al is het werkingsgebied van de paragraaf nog niet aangepast.  

Artikel 9.34 Oogmerken

De oogmerken geven de achterliggende redenen aan met het oog waarop de regels over crossen met een motorvoertuig of een bromfiets op een terrein, niet zijnde een openbare weg, zijn gesteld en dus welke belangen dienen te worden beschermd.  

Artikel 9.35 Verbod crossen met een motorvoertuig of een bromfiets

In dit artikel is het verbod opgenomen om te crossen buiten een aangewezen crossterrein en buiten de openbare weg. 

Artikel 9.36 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen en veranderen van een weg in beheer bij de gemeente. De regels gelden dan ook alleen voor die wegen. 

Het beschadigen van de weg, zoals dat eerder in dit artikel van de Verordening Fysieke Leefomgeving Bernheze, was opgenomen, is niet overgenomen in dit omgevingsplan. Het beschadigen van een weg wordt gereguleerd via de activiteit ‘Opbreken en graven in openbaar gebied’. Het beschadigen van een weg wordt bovendien verder privaatrechtelijk geregeld. 

Artikel 9.37 Oogmerken

De oogmerken geven de achterliggende redenen aan met het oog waarop de regels over aanleggen en veranderen van de weg zijn gesteld en dus welke belangen worden beschermd. 

Artikel 9.38 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het aanleggen en veranderen van een weg is een omgevingsvergunning vereist. Vanwege de eerder genoemde oogmerken is een individuele afweging van elke aanvraag nodig. Een vergunningplicht is dan het meest geschikte instrument.

Artikel 9.39 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de omgevingsvergunning, in aanvulling op de algemene aanvraagvereisten van paragraaf 7.2.1 van de Omgevingsregeling en artikel 1.6 van dit omgevingsplan. 

Artikel 9.40 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De gemeente wil in principe meewerken aan het aanleggen en veranderen van wegen. In dit artikel is dus limitatief vastgelegd wanneer de gevraagde omgevingsvergunning wordt verleend.

Artikel 9.41 Toepassingsbereik

De regels hebben tot doel om de nadelige gevolgen van het parkeren op de openbare weg te beperken. Langdurig parkeren kan bijvoorbeeld ten koste gaan van schaarse beschikbare parkeerruimte. Ook kan het vrije uitzicht vanuit woningen of andere verblijfsruimten belemmerd worden, hetgeen als hinderlijk kan worden ervaren. 

Onder parkeren wordt verstaan: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. 

De regels gelden niet voor wegen, in beheer bij het rijk, de provincie of het waterschap. 

Artikel 9.42 Oogmerken

De oogmerken leggen de belangen vast die in ieder geval beschermd moeten worden. 

Artikel 9.43 Specifieke zorgplicht

Parkeerexcessen kunnen onaanvaardbare hinder en onaanvaardbare nadelige gevolgen voor de bruikbaarheid van de weg opleveren. Dit artikel specificeert wat in ieder geval onder de zorgplicht valt. Naast de in het artikel genoemde maatregelen kunnen ook andere maatregelen genomen moeten worden om aan de zorgplicht te kunnen voldoen. 

Op iedereen rust de verplichting om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om nadelige gevolgen voor de doelen van dit hoofdstuk te voorkomen of te beperken. Als de nadelige gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, dan moet de activiteit niet plaatsvinden. 

Wat precies onder ‘buitensporig lang’ wordt verstaan, verschilt per gebied. Centrumgebieden kennen immers een hogere parkeerdruk dan rustige woonwijken of bedrijventerreinen. 

Ook wordt, in het kader van de handhaving onderscheid gemaakt in de ernst van de overtreding: onbewust-bewust, structureel met aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen, etc. 

Artikel 9.44 Bedrijfsmatig parkeren

Bij bedrijfsmatige activiteiten zoals rijscholen, garage- of taxibedrijven, bestaat de behoefte aan parkeergelegenheid voor voertuigen. Parkeren op de openbare weg is beperkt toegestaan. Dit mag echter niet leiden tot een onevenredige inname van het aantal beschikbare parkeerplaatsen ter plaatse. Daarom is in het artikel een maximaal aantal binnen een vastgelegde afstandsmaat opgenomen.  

Het eigen motorvoertuig van de bedrijfseigenaar wordt niet meegeteld. Ook kortdurende reparaties vormen geen evenredige belasting en zijn uitgezonderd van het maximaal aantal te parkeren motorvoertuigen. 

Artikel 9.45 Parkeerdruk

Vanwege de parkeerdruk en parkeerhinder is het noodzakelijk om beperkingen op te leggen aan het gebruik van de beschikbare parkeerruimte. De beperkingen gelden voor motorvoertuigen en aanhangwagens voor recreatief gebruik, voor reclamevoertuigen en voor grote voertuigen. 

De regels zorgen er voor dat de parkeeroverlast niet groter is dan noodzakelijk. 

Artikel 9.46 Hinderlijk parkeren

Of sprake is van een onevenredige belemmering, hangt af van de afstand van de parkeerplaats tot aan het raam, de duur van het parkeren en de mogelijkheden om het voertuig op minder hinderlijke plekken in de buurt te parkeren. 

Artikel 9.47 Geen maatwerkvoorschrift

De regels in deze paragraaf zijn gericht op het voorkomen van excessen; niet op reguliere activiteiten die met maatwerk zo nodig nog kunnen of moeten worden bijgestuurd. 

Zo absoluut noodzakelijk kan met een buitenplanse omgevingsvergunning van de regels in deze paragraaf worden afgeweken. 

Artikel 9.48 Toepassingsbereik

In deze paragraaf zijn de regels opgenomen over het aanleggen en veranderen van een in- of uitrit (ook wel uitweg genoemd). In dit omgevingsplan wordt de term uitrit gebruikt. Deze term sluit het beste aan bij het spraakgebruik.

Artikel 9.49 Oogmerken

De oogmerken geven de achterliggende redenen aan met het oog waarop de regels over het aanleggen en veranderen van een in- of uitrit zijn gesteld en dus welke belangen de regels in deze paragraaf beogen te beschermen. 

Artikel 9.50 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het aanleggen en veranderen van een uitrit naar de openbare weg is een vergunning vereist. Vanwege de risico's voor de verkeersveiligheid, de mogelijke aantasting van het openbaar groen en het verdwijnen van een of meerdere openbare parkeerplaatsen, is een individuele afweging bij iedere aanvraag noodzakelijk. Een vergunningplicht is dan het meest geschikte instrument. 

Artikel 9.51 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de omgevingsvergunning voor het aanleggen of veranderen van een uitrit. Deze aanvraagvereisten zijn een aanvulling op de algemene aanvraagvereisten van paragraaf 7.2.1 van de Omgevingsregeling en artikel 1.6 van dit omgevingsplan. 

De gemeente gebruikt de ontvangen informatie voor de beoordeling of de vergunning kan worden verleend dan wel wordt geweigerd.

Artikel 9.52 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De gemeente wil in principe meewerken aan de realisatie van inritten. In dit artikel is limitatief vastgelegd wanneer de gevraagde omgevingsvergunning wordt geweigerd. Alleen als de uitrit tot verkeersonveilige situaties leidt, ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen op onaanvaardbare wijze aantast, kan de vergunning worden geweigerd. Hetzelfde geldt als het betreffende perceel al door een uitrit wordt ontsloten, en de tweede uitrit ten koste gaat van openbaar groen of van een openbare parkeerplaats.

Artikel 9.53 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over vuur stoken in de openlucht. Onderscheid wordt gemaakt met de regels in het Bal voor het verbranden van afvalstoffen anders dan in een IPPC-installatie. Het verbranden van afvalstoffen is via rijksregels dwingend geregeld. 

Artikel 9.54 Oogmerken

De oogmerken geven de achterliggende redenen aan met het oog waarop de regels over vuur stoken in de openlucht zijn gesteld en dus welke belangen dienen te worden beschermd. De algemene regels beogen in ieder geval luchtverontreiniging te beperken en hinder en gevaar voor de omgeving te voorkomen of beperken. 

Artikel 9.55 Specifieke zorgplicht

De toevoeging ‘in ieder geval’ houdt in dat de in het artikel genoemde opsomming: geen gevaar, overlast of hinder, niet uitputtend is. Andere maatregelen ter invulling van het voldoen aan de specifieke zorgplicht kunnen dus nog opgelegd worden. 

Artikel 9.56 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

In dit artikel is in het eerste lid de hoofdregel opgenomen voor vuur stoken in de openlucht. Vanwege de uitstoot van de activiteit is het niet gewenst om dit zonder voorafgaande toestemming van het bevoegd gezag toe te staan. Omdat niet alle vormen van vuur stoken schadelijk hoeven te zijn voor de milieubelangen en de omgeving zijn in het tweede lid een aantal uitzonderingen opgenomen op de vergunningplicht. 

Artikel 9.57 Bijzondere aanvraagvereisten

In dit artikel zijn de aanvraagvereisten opgenomen voor de vergunningaanvraag. Om te kunnen beoordelen of het stoken van vuur aanvaardbaar is, is informatie nodig over de locatie, het tijdstip en het soort stoffen dat wordt verbrand. 

Artikel 9.58 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

In dit artikel is de weigeringsgrond voor de vergunningverlening opgenomen. Deze regel sluit aan bij de oogmerken waarmee deze activiteit wordt gereguleerd in het omgevingsplan. De beoordeling ziet erop toe dat de milieubelangen en de belangen van de omgeving worden beschermd bij de vergunningverlening en dus het toestaan van het vuur stoken in de openlucht. Door ‘onevenredige’ toe te voegen aan de beoordelingsregel wordt de afwegingsruimte van de verschillende belangen voor het bevoegd gezag bepaald. Het bevoegd gezag weegt het milieu- en gezondheidsbelang (beperken van luchtverontreiniging) en het belang van de aanvrager (de feestvreugde en gezelligheid die met bijvoorbeeld paasvuren, vuren op oudjaarsnacht of kampvuren wordt bereikt) tegen elkaar af. 

Artikel 9.61 Specifieke zorgplicht

Dit artikel geeft een nadere invulling van de algemene zorgplicht uit artikel 1.3.

Artikel 9.62 Verbod asverstrooiing

De nabestaande mag in beginsel zelf een plekje zoeken voor de verstrooiing van de as. Een aantal regels is van toepassing. In de VFL is de begraafplaats uitgezonderd van de mogelijkheid om incidenteel as te verstrooien. Deze bepaling is niet bedoeld om geen as verstrooiing toe te staan op begraafplaatsen, maar de regel heeft als doel niet-beheersbare verstrooiingen tegen te gaan.

Indien de verstrooiing op particulier terrein plaatsvindt, kan dit slechts na het verkrijgen van toestemming van de eigenaar.

Artikel 10.1 Oogmerken

De oogmerken zien toe op het beschermen van de openbare ruimte en op het benutten van deze openbare ruimte. 

Artikel 10.3 Instandhouding niet-openbare riolen en putten

In dit artikel wordt aan de eigenaar, rechthebbende of gebruiker van een perceel de zorg opgedragen voor een goede toestand van niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen.

Artikel 15.1 Lopende procedures besluiten op aanvraag of ambtshalve

Dit artikel bevat het overgangsrecht voor procedures (zoals de behandeling van een aangevraagde omgevingsvergunning) die lopen tijdens de inwerkingtreding van een wijziging van dit omgevingsplan. Het is een generieke overgangsregeling voor alle toekomstige wijzigingen van het omgevingsplan. De regeling sluit aan bij de algemene lijn voor overgangsrecht die het Rijk in de Invoeringswet Omgevingswet heeft opgenomen. Een generieke regeling heeft als voordeel dat er een standaard systematiek is voor het overgangsrecht, en dat er bij toekomstige planwijzigingen een basis ligt voor passend overgangsrecht. Alleen als er bijzondere omstandigheden zijn, zal er voor een planwijziging aanvullend overgangsrecht nodig zijn. Dat aanvullende overgangsrecht landt in afdeling 15.2. Het overgangsrecht geldt niet voor lopende handhavingsbesluiten; daarvoor is een specifieke regeling opgenomen in artikel 15.4 (lex specialis).

In het eerste lid is geregeld dat op alle lopende aanvragen het oude recht van toepassing blijft. Het oude recht betekent: het recht zoals dat gold direct voorafgaand aan de planwijziging. Bij bijvoorbeeld de integratie van een bestemmingsplan in het nieuwe deel van het omgevingsplan, houdt het oude recht dus in: het bestemmingsplan zoals dat direct voorafgaand aan de planwijziging gold in het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

Het tweede en derde lid bevatten het overgangsrecht voor ambtshalve besluiten (dus niet op aanvraag). Dat kunnen bijvoorbeeld maatwerkvoorschriften zijn die op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden gesteld. Het aangrijpingspunt voor het overgangsrecht hangt af van de voorbereidingsprocedure. Bij de uitgebreide procedure is het overgangsrecht van toepassing op ambtshalve besluiten waarvan het ontwerpbesluit voorafgaand aan de planwijzing ter inzage is gelegd. Bij de reguliere procedure is het overgangsrecht van toepassing als voorafgaand aan de planwijziging aan de betreffende belanghebbende conform artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid is geboden om diens zienswijze naar voren te brengen.

Zodra het besluit van kracht wordt of, als beroep open staat, het besluit onherroepelijk is, geldt het overgangsrecht zoals opgenomen in artikel 15.2 en verder.

Artikel 15.2 Overgangsrecht vergunningplichtige activiteiten

Dit artikel bevat het overgangsrecht voor vergunningen die golden direct voorafgaand aan een wijziging van dit omgevingsplan. Het is een generieke overgangsregeling voor alle toekomstige wijzigingen van het omgevingsplan. De regeling sluit aan bij de algemene lijn voor overgangsrecht die het Rijk in de Invoeringswet Omgevingswet heeft opgenomen. Een generieke regeling heeft als voordeel dat er een standaard systematiek is voor het overgangsrecht, en dat er bij toekomstige planwijzigingen een basis ligt voor passend overgangsrecht. Alleen als er bijzondere omstandigheden zijn, zal er voor een planwijziging aanvullend overgangsrecht nodig zijn. Dat aanvullende overgangsrecht landt in afdeling 15.2. Het overgangsrecht voor lopende procedures is opgenomen in artikel 15.1.

Net als in de Invoeringswet Omgevingswet, is de lijn in dit artikel dat vergunningen uit het verleden worden gelijkgeschakeld met het opvolgende besluit op grond van het gewijzigde omgevingsplan. Bij activiteiten die voorafgaand aan en na inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan vergunningplichtig zijn, wordt de bestaande vergunning (bijvoorbeeld op grond van een verordening of op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan) gelijkgeschakeld met een omgevingsvergunning op grond van het nieuwe deel van het (gewijzigde) omgevingsplan. Als de activiteit na de planwijziging niet meer vergunningplichtig is, worden de voorschriften van de bestaande vergunning gelijkgeschakeld met maatwerkvoorschriften op grond van het nieuwe deel van het (gewijzigde) omgevingsplan. In het algemeen bestaat de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen over regels in hoofdstuk 9 op grond van artikel 1.4 van dit omgevingsplan. In specifieke gevallen kan deze bevoegdheid zijn uitgezet. Mocht dat het geval zijn, dan vervalt de oude vergunning en blijven de voorschriften niet als maatwerkvoorschrift voortbestaan.

Artikel 15.3 Overgangsrecht meldingen, kennisgevingen en maatwerkvoorschriften

Dit artikel bevat het overgangsrecht voor andere besluiten of rechtsfeiten dan vergunningen, die golden direct voorafgaand aan een wijziging van dit omgevingsplan. Het is een generieke overgangsregeling voor alle toekomstige wijzigingen van het omgevingsplan. De regeling sluit aan bij de algemene lijn voor overgangsrecht die het Rijk in de Invoeringswet Omgevingswet heeft opgenomen. Een generieke regeling heeft als voordeel dat er een standaard systematiek is voor het overgangsrecht, en dat er bij toekomstige planwijzigingen een basis ligt voor passend overgangsrecht. Alleen als er bijzondere omstandigheden zijn, zal er voor een planwijziging aanvullend overgangsrecht nodig zijn. Dat aanvullende overgangsrecht landt in afdeling 15.2. Het overgangsrecht voor lopende procedures is opgenomen in artikel 15.1.

Net als in de Invoeringswet Omgevingswet, is de lijn in dit artikel dat besluiten of rechtsfeiten uit het verleden worden gelijkgeschakeld met het opvolgende besluit of rechtsfeit op grond van het gewijzigde omgevingsplan. Zo bepaalt het eerste lid dat meldingen en kennisgevingen die voorafgaand aan de planwijziging zijn ingediend, gelden als meldingen op grond van het nieuwe deel van het (gewijzigde) omgevingsplan, als de betreffende activiteit op grond van dat nieuwe deel meldingsplichtig is. Het tweede lid bepaalt hetzelfde voor activiteiten waarvoor op grond van het nieuwe deel een informatieplicht geldt. Het derde lid heeft betrekking op voorheen vergunningplichtige activiteiten, die na de planwijziging meldingsplichtig zijn. En het vierde lid bevat de gelijkschakeling van maatwerkvoorschriften die golden voorafgaand aan de planwijziging met maatwerkvoorschriften op grond van het nieuwe deel van het (gewijzigde) omgevingsplan.

Artikel 15.4 Overgangsrecht handhavingsbesluiten

Dit artikel bevat het overgangsrecht voor handhavingsbesluiten die zijn genomen direct voorafgaand aan een wijziging van dit omgevingsplan. Het is een generieke overgangsregeling voor alle toekomstige wijzigingen van het omgevingsplan. De regeling sluit aan bij de algemene lijn voor overgangsrecht die het Rijk in de Invoeringswet Omgevingswet heeft opgenomen. Een generieke regeling heeft als voordeel dat er een standaard systematiek is voor het overgangsrecht, en dat er bij toekomstige planwijzigingen een basis ligt voor passend overgangsrecht. Alleen als er bijzondere omstandigheden zijn, zal er voor een planwijziging aanvullend overgangsrecht nodig zijn. Dat aanvullende overgangsrecht landt in afdeling 15.2.

Net als in de Invoeringswet Omgevingswet, blijft op handhavingsbesluit het oude recht van toepassing totdat het handhavingstraject volledig is afgerond. Het oude recht betekent: het recht zoals dat gold direct voorafgaand aan de planwijziging. Bij bijvoorbeeld de integratie van een bestemmingsplan in het nieuwe deel van het omgevingsplan, houdt het oude recht dus in: het bestemmingsplan zoals dat direct voorafgaand aan de planwijziging gold in het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

LL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument». Deze begrippen gelden op grond van artikel 1.1,  eerstetweede  lid, van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295.

De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.

Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten «oude stijl»).

Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.

Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» is ook vereist dat de onderdelen van de artikelen 22.28, 22.38, 22.276, 22.277, 22.279 tot en met 22.282 en 22.284 die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» van toepassing zijn. Artikel 22.2 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een «monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is» als bedoeld in artikel 22.2, eerste lid. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in artikel 22.2, tweede lid), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.

MM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing

In dit artikel zijn de bouwwerken aangewezen waarvoor de vergunningplicht, bedoeld in artikel 22.26, niet van toepassing is. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen en een aanvulling van erf- en perceelafscheiding (hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter), voortgezet. 

Daarbij is met de in dit artikel onder f, onder 3 gestelde situeringseis in een vervangende regeling voorzien voor de situeringseisen ‘achter de voorgevelrooilijn’ en ‘op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied’ zoals die voorheen in artikel 2, onder 12, onder b, onder 2 en 3, van bijlage II bij het Bor waren gesteld. De lijn waarachter erf- en perceelafscheidingen met een hoogte van 1 tot 2 m vergunningvrij kunnen worden opgericht is in dit artikel onder f, onder 3 omschreven als ‘de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied’. Inmiddels is gebleken dat deze nieuwe omschrijving van de lijn in de praktijk tot verwarring leidt, met name als het gaat om het verloop van de lijn aan de zijkant en vervolgens aan de achterkant van het gebouw. Onvoldoende wordt herkend dat met de omschrijving van de lijn geen wijzigingen ten opzichte van de regeling onder het Bor zijn beoogd en wordt soms ten onrechte een vergunningplicht verondersteld. Om hierover duidelijkheid te bieden wordt de

omschrijving van de lijn nader aangevuld, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de begripsomschrijving van ‘achtererfgebied’. De methodiek om de ligging van het achtererfgebied te bepalen is namelijk dezelfde als de methodiek voor het bepalen van de ligging van de in dit artikel onder f, onder 3 bedoelde lijn. Met de toevoegingen ‘vanaf daar’ in samenhang met ‘zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen’ wordt buiten twijfel gesteld dat de lijn bij bijvoorbeeld hoekwoningen eerst langs de voorgevel van het gebouw loopt en vervolgens langs de zijgevel mee de hoek om loopt. In verband met de verduidelijking van de ligging van de lijn wordt dit artikel onder f, onder 2 en 3 verder aangevuld wat betreft de aard van het gebouw waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie moet staan. Tot uitdrukking wordt gebracht dat het hierbij moet gaan om een hoofdgebouw. Hieronder moet op grond van artikel 1.1 eerstetweede lid worden verstaan een hoofdgebouw zoals gedefinieerd in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving. Weliswaar is de eis dat sprake moet zijn van een hoofdgebouw – en dus niet alleen ‘een gebouw’ – naar de letter een wijziging ten opzichte van de regeling in artikel 2, onder 12, van bijlage II bij het Bor, die ook uitging van de koppeling aan een gebouw. Materieel gold de eis dat sprake moet zijn van een hoofdgebouw echter ook al onder dat regime. Toen vloeide die eis impliciet voort uit de begripsomschrijving van ‘erf’ en de koppeling aan de ligging achter de voorgevelrooilijn zoals die waren opgenomen in die regeling.

Zoals ook in afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet toegelicht, geldt voor deze bouwwerken weliswaar niet de vergunningplicht uit artikel 22.26, maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Onderdeel van die regels kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.

Zoals al beschreven betreft het hier een voortzetting van de bouwwerken die in artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen. Op enkele onderdelen zijn daarin wijzigingen aangebracht. Zo is de eis in onderdeel a, onder 3, dat een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan op meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied moet zijn gelegen, niet langer afhankelijk van de gelding van redelijke eisen van welstand voor het betrokken gebied of bouwwerk. Hiermee wordt de praktische toepassing van de regeling verbeterd.

Onderdeel h zondert van de binnenplanse vergunningplicht uit buisleidingen anders dan buisleidingen waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15f, onder p, aanhef en onder 4°) van toepassing is. Hierdoor ontstaat een vergelijkbare samenhang tussen dit artikelonderdeel van de bruidsschat en het genoemde artikelonderdeel uit het Bbl als de samenhang tussen de onderdelen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.

In onderdeel i zijn enkele voorwaarden geschrapt (geen verandering van de draagconstructie of (sub)brandcompartimentering), aangezien die om bouwtechnische redenen gesteld werden en geen invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit van het bouwen zoals die door een omgevingsplan wordt gereguleerd.

NN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.83 lid 1

Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen door een activiteit, in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Dit artikel geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting grotendeels te dekken. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41. De trillingvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op activiteiten die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken. Dat bleek onder het Activiteitenbesluit milieubeheer impliciet door de verwijzing naar normwaarden in de Meet- en beoordelingsrichtlijn B «Hinder voor personen» van de Stichting Bouwresearch.

De trillingparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Deze paragraaf van dit omgevingsplan is wel van toepassing op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, soms trillingnormen of andere voorschriften ter beperking van trillinghinder opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Deze bestaande vergunningvoorschriften blijven op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelden en hebben op grond van artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan voorrang op de regels voor trillingen in deze paragraaf van dit omgevingsplan.

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd bij de bescherming tegen trillinghinder verwezen naar de begrippen «geluidgevoelige ruimten» en «verblijfsruimten», bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder. Het Bkl bevat eigen begrippen «trillinggevoelige gebouwen» en «trillinggevoelige ruimten». Deze gelden op grond van artikel 1.1,  eerstetweede  lid, van dit omgevingsplan.

Overigens is het begrip trillinggevoelige ruimte in het Bkl wel anders gedefinieerd dan een geluidgevoelige ruimte in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een trillinggevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een aangewezen gebruiksfunctie. In de praktijk kunnen dus kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.

OO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.96 lid 1

Deze paragraaf gaat over beginnen, wijzigen of uitbreiden van het houden in een dierenverblijf van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden.

Paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden zijn specifiek benoemd omdat deze niet vallen onder het begrip landbouwhuisdieren in het Bal. Het begrip landbouwhuisdieren in het Bal is op grond van artikel 1.1 van dit omgevingsplan van toepassing op dit omgevingsplan.

Het gaat in deze paragraaf dus om:

landbouwhuisdieren zoals bedoeld in Bijlage I bij het Bal, zijnde:

  • a.

    zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony’s voor het fokken; en

  • b.

    paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden.

Bovenstaande komt overeen met het begrip landbouwhuisdier uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, dierentuinen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat bij deze bedrijven namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden. Deze activiteiten vallen wel onder paragraaf 22.3.25. Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren of andere vogels of zoogdieren.

PP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand

Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.

In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in Bijlage III bij dit omgevingsplan.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.

QQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage III.

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

RR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN Bijlage I Begripsbepalingen

Motivering

1 Aanleiding en doel van deze wijziging

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Vanaf dat moment beschikt de gemeente over een tijdelijk omgevingsplan. Uiterlijk op 31 december 2031 moet dit tijdelijke plan zijn omgevormd tot één integraal omgevingsplan voor het gehele grondgebied.

Deze eerste wijziging vormt de technische en juridische basis voor het nieuwe omgevingsplan. Met deze wijziging:

  • wordt de nieuwe functionele en juridische hoofdstructuur van het omgevingsplan vastgesteld;

  • wordt een deel van de regels uit de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) beleidsneutraal overgezet naar het omgevingsplan. In het Uitlegdocument is per activiteit toegelicht hoe deze worden overgezet naar het omgevingsplan. Per activiteit is beschreven welke keuzes daarbij zijn gemaakt en welke instrumenten worden gebruikt;

  • worden de welstandsgebieden overgenomen.

Deze wijziging heeft een thematisch en technisch karakter en maakt onderdeel uit van de gefaseerde transitie zoals beschreven in het transitieplan.

2 Karakter van de wijziging: beleidsneutraal en technisch

Deze wijziging is nadrukkelijk beleidsneutraal van aard.

Dat betekent dat:

  • geen nieuwe normen worden geïntroduceerd;

  • geen bestaande gebruiks- of bouwmogelijkheden worden verruimd of beperkt;

  • geen nieuwe functies worden toegedeeld aan locaties;

  • geen bestaande planologische rechten worden ingetrokken.

De omzetting betreft uitsluitend een juridische en systematische vertaling van bestaande gemeentelijke regels naar het instrumentarium van de Omgevingswet.

Waar nodig zijn regels:

  • aangepast aan de terminologie van de Omgevingswet;

  • vertaald naar het beschikbare instrumentarium (zoals vergunningplicht, algemene regels, zorgplicht);

  • redactioneel of technisch verbeterd.

Er vindt geen inhoudelijke beleidswijziging plaats.

3 Juridische grondslag en bevoegdheid

Op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet kan het omgevingsplan worden gewijzigd.

De gemeenteraad heeft bij Delegatieverordening gemeente Bernheze 2024 aan het college de bevoegdheid gedelegeerd om onderdelen van het omgevingsplan vast te stellen voor zover het betreft:

  • het beleidsneutraal overzetten van bestaande gemeentelijke verordeningsregels naar het omgevingsplan (artikel 2.9);

  • het doorvoeren van juridische, technische of redactionele wijzigingen en hernummering en correcties, zonder gevolgen voor de fysieke leefomgeving (artikel 2.6);

  • het toevoegen en/of wijzigen van algemene bepalingen, begripsbepalingen, meetbepalingen en indieningsvereisten voor zover deze niet leiden tot wezenlijke wijzigingen in de fysieke leefomgeving (artikel 2.7).

Deze eerste wijziging blijft volledig binnen deze gedelegeerde bevoegdheid.

Er worden geen nieuwe beleidskeuzes gemaakt en geen nieuwe normstellingen vastgesteld. Daarmee is het college bevoegd deze wijziging vast te stellen.

4 Vaststelling van de nieuwe functionele en juridische structuur

Met deze eerste wijziging leggen we de basis voor de nieuwe opzet van het omgevingsplan.

We brengen de regels in een vaste en logische indeling onder. Daarbij sluiten we aan bij de landelijke voorbeelden van de VNG, maar we kiezen een indeling die overzichtelijk is voor onze eigen praktijk en die ook in de toekomst werkbaar blijft.

Belangrijk is dat deze wijziging alleen gaat over de manier waarop de regels zijn geordend. Er veranderen geen rechten of mogelijkheden voor inwoners of bedrijven. Het gaat dus om een technische herindeling, niet om nieuwe inhoud.

De nieuwe structuur zorgt ervoor dat het omgevingsplan duidelijker en beter doorzoekbaar wordt, en dat het goed werkt binnen het digitale systeem van de Omgevingswet.

In de nieuwe opzet zijn hoofdstuk 16 tot en met 21 gereserveerd. Dat betekent dat deze hoofdstukken nu nog geen inhoud bevatten. We hebben ervoor gekozen om deze ruimte alvast vrij te houden voor toekomstige aanvullingen van het omgevingsplan.

Dat doen we bewust. Het omgevingsplan wordt de komende jaren stap voor stap aangevuld. Door nu al hoofdstukken te reserveren, voorkomen we dat de nummering bij elke wijziging moet worden aangepast. Dat maakt het plan stabieler en beter navolgbaar, ook in het digitale systeem. 

Hoofdstuk 22 bevat op dit moment nog de zogenaamde ‘bruidsschat’: de regels die bij de start van de Omgevingswet automatisch in het omgevingsplan zijn opgenomen. Door hoofdstuk 16 tot en met 21 te behouden kan hoofdstuk 22 voorlopig met dezelfde nummering blijven staan. In latere wijzigingen worden zij opgenomen in de nieuwe structuur. Zodra dat gebeurt, vervalt hoofdstuk 22.

Hoofdstuk 23 tot en met 25 zijn gereserveerd voor tijdelijke transitiehoofdstukken, bijvoorbeeld voor grotere gebiedsontwikkelingen. Ook deze keuze is bedoeld om flexibiliteit te behouden zonder dat het hele plan telkens opnieuw moet worden ingericht.

De gereserveerde hoofdstukken hebben dus geen directe gevolgen voor inwoners of bedrijven. Zij zorgen er alleen voor dat het omgevingsplan de komende jaren ordelijk en toekomstbestendig kan worden opgebouwd.

5 Beleidsneutrale omzetting van de Verordening Fysieke Leefomgeving

5.1 Selectie van regels

Niet alle regels uit de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) zijn in deze eerste wijziging overgenomen in het omgevingsplan. Bij de omzetting is steeds beoordeeld of een regel op grond van de Omgevingswet in het omgevingsplan thuishoort.

Uitgangspunt daarbij is dat het omgevingsplan alleen regels bevat die betrekking hebben op activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen of kunnen beïnvloeden. Regels die over zulke activiteiten gaan en die volgens de Omgevingswet in het omgevingsplan moeten of mogen worden opgenomen, zijn in deze wijziging meegenomen.

Tegelijkertijd zijn sommige bepalingen uit de VFL niet overgenomen. Dat geldt bijvoorbeeld voor regels die in de praktijk geen werking hebben, omdat er nooit een locatie of gebied voor is aangewezen. Ook regels die al volledig en uitputtend zijn geregeld in landelijke of provinciale regelgeving zijn niet opnieuw in het omgevingsplan opgenomen. Daarnaast zijn bepalingen die geen betrekking hebben op de fysieke leefomgeving buiten deze wijziging gelaten.

Door deze selectie ontstaat een helder onderscheid tussen regels die daadwerkelijk in het omgevingsplan thuishoren en regels die daar niet in passen. Daarmee blijft het omgevingsplan overzichtelijk en in lijn met de systematiek van de Omgevingswet.

5.2 Instrumentkeuze onder de Omgevingswet

De VFL maakte gebruik van instrumenten die in het nieuwe stelsel van de Omgevingswet niet meer bestaan. Zo kon het college in de VFL in bepaalde gevallen een ontheffing verlenen van een verbod. Ook was het mogelijk om nadere regels vast te stellen.

Binnen de Omgevingswet zijn deze instrumenten vervangen door andere vormen van regulering. Daarom is bij de omzetting per activiteit zorgvuldig bekeken welk instrument het beste past binnen het nieuwe wettelijke kader. Daarbij stond steeds voorop dat de inhoud van het beleid niet mocht veranderen.

Wanneer in de VFL een ontheffingsmogelijkheid was opgenomen, is beoordeeld of het nodig en passend is om daarvoor een vergunningplicht in het omgevingsplan op te nemen. In situaties waarin in de praktijk nauwelijks of geen gebruik werd gemaakt van de ontheffingsmogelijkheid, is ervoor gekozen om deze niet opnieuw op te nemen. Daarmee blijft de regeling in lijn met de bestaande praktijk en wordt onnodige complexiteit voorkomen.

Waar in de VFL de mogelijkheid bestond om nadere regels vast te stellen, is nagegaan of dergelijke regels daadwerkelijk waren vastgesteld. Als dat het geval was, zijn deze – voor zover passend binnen het stelsel van de Omgevingswet – opgenomen in het omgevingsplan. In gevallen waarin geen nadere regels bestonden, is de grondslag daarvoor niet overgenomen.

Op deze manier zijn de bestaande regels zorgvuldig vertaald naar het instrumentarium van de Omgevingswet, zonder dat de inhoudelijke werking van het beleid verandert. De gemaakte keuzes zijn per onderwerp toegelicht in de bijgevoegde bijlage. 

 

6 Welstandsgebieden

Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de welstandsnota een beleidsregel (art. 4.19 Ow). In Bernheze geldt deze beleidsregel voor:

  • aangewezen cultuurhistorische gebieden,

  • enkele nieuwbouwgebieden,

  • reclame-uitingen.

De gemeente kiest er bewust voor om de welstandsnota (nog) niet integraal te verwerken in het omgevingsplan. De huidige nota blijft zelfstandig bestaan als beleidsregel.

In het omgevingsplan worden wél:

  • de welstandsgebieden opgenomen als geometrieën,

  • regels opgenomen die verwijzen naar de welstandsnota.

Dit is noodzakelijk om digitale vergunningchecks en aanvraagformulieren correct te laten functioneren. Hierdoor is het mogelijk om bepaalde vragen wel/ niet te tonen, op basis van de ingevulde locatie. Het betreft een beleidsneutrale omzetting die geen inhoudelijke gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving.

7 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)

Bij het vaststellen van het omgevingsplan moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat betekent dat functies en regels in balans moeten zijn met de fysieke en maatschappelijke omgeving.

Deze eerste wijziging wijzigt geen functies en kent geen nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden toe. Ook worden bestaande rechten of gebruiksmogelijkheden niet beperkt. De wijziging betreft uitsluitend een technische en systematische omzetting van bestaande gemeentelijke regels naar het instrumentarium van de Omgevingswet.

De onderliggende toedeling van functies aan locaties blijft daarmee ongewijzigd. De ruimtelijke en milieutechnische balans zoals die vóór deze wijziging bestond, blijft in stand.

Omdat de wijziging geen inhoudelijke veranderingen aanbrengt in de regels die de fysieke leefomgeving sturen, leidt zij niet tot een andere afweging van belangen. De bestaande evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt voortgezet.

8 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving

Deze eerste wijziging heeft geen directe gevolgen voor de fysieke leefomgeving. De regels die worden opgenomen in het omgevingsplan bestonden al in de Verordening Fysieke Leefomgeving en worden inhoudelijk niet gewijzigd. Er worden geen nieuwe activiteiten toegestaan en bestaande rechten worden niet beperkt.

Omdat geen nieuwe functies worden toegedeeld en geen ontwikkelingsmogelijkheden worden verruimd, verandert er niets aan de ruimtelijke situatie in de gemeente. Ook het woon- en leefklimaat blijft ongewijzigd.

Op het gebied van milieuaspecten – zoals geluid, luchtkwaliteit, geur, bodem, externe veiligheid en water – brengt deze wijziging geen nieuwe normen of beoordelingskaders met zich mee. De bestaande regels worden uitsluitend in een andere juridische vorm opgenomen. Daarmee verandert de bescherming van de leefomgeving niet.

Ook voor natuur, landschap, cultuurhistorie en klimaatadaptatie heeft deze wijziging geen gevolgen. Er worden geen nieuwe activiteiten mogelijk gemaakt die invloed hebben op deze waarden.

Omdat de wijziging geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt en geen wijziging brengt in het toegestane gebruik van gronden of bouwwerken, is geen sprake van een plan dat aanzienlijke milieugevolgen kan hebben. Een plan-milieueffectrapportage is daarom niet aan de orde.

Samengevat: de fysieke leefomgeving verandert door deze wijziging niet. De aanpassing betreft uitsluitend de juridische vorm en systematiek van bestaande regels.

9 Participatie

9.1 Hoe participatie heeft plaatsgevonden

Voor deze eerste wijziging is participatie georganiseerd conform het participatiekader zoals opgenomen in de Nota van Uitgangspunten. Daarbij is rekening gehouden met het karakter van de wijziging.

Omdat deze wijziging uitsluitend ziet op een technische en beleidsneutrale omzetting van bestaande regels en op de inrichting van de juridische structuur van het omgevingsplan, is gekozen voor een proportionele participatieaanpak. In deze fase zijn nog geen nieuwe normen of inhoudelijke beleidswijzigingen voorgesteld. De ruimte voor inhoudelijke beïnvloeding lag daarom met name bij de reikwijdte van de wijziging en de wijze van omzetting.

De Nota van Uitgangspunten is ter inzage gelegd van 22 januari 2026 t/m 18 februari 2026. Inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties zijn via Gemeenteblad, De Mooi Bernhezer Krant, gemeentelijke website geïnformeerd over de voorgenomen eerste wijziging.

Daarnaast heeft afstemming plaatsgevonden met ketenpartners, namelijk provincie Noord-Brabant, waterschap Aa en Maas, Omgevingsdienst Brabant Noord, Veiligheidsregio Brabant Noord, Monumentenhuis, Brabant Water, gericht op de juridische en uitvoeringsaspecten van de omzetting.

9.2 Wat de participatie heeft opgeleverd

Tijdens de participatieperiode zijn 2 reacties van ketenpartners ontvangen. Deze reacties zijn beoordeeld en behandeld in het participatieverslag (zie hoofdstuk 5 van de Nota van uitgangspunten en participatie).

De participatie heeft niet geleid tot aanpassing van de inhoudelijke reikwijdte van deze eerste wijziging.

10 Formele voorbereidingsprocedure

De wijziging van het omgevingsplan wordt voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het ontwerp van deze eerste wijziging heeft van [DATUM] tot en met [DATUM] ter inzage gelegen. Gedurende deze periode konden inwoners, bedrijven en andere belanghebbenden een zienswijze indienen. Dit kon schriftelijk, mondeling of digitaal.

Van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen is door [AANTAL] personen/organisaties gebruikgemaakt.

De ingediende zienswijzen worden te zijner tijd samengevat en beantwoord in de Nota van Beantwoording. Daarbij wordt per zienswijze gemotiveerd aangegeven of deze aanleiding geeft tot aanpassing van het ontwerp. Indien het ontwerp naar aanleiding van zienswijzen wordt gewijzigd, worden deze wijzigingen opgenomen in een Nota van Wijzigingen.

De zienswijzen worden betrokken bij de belangenafweging die aan dit besluit ten grondslag ligt. 

Na vaststelling wordt het besluit bekendgemaakt. Tegen het vastgestelde besluit staat gedurende zes weken beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

11 Uitvoerbaarheid

Deze eerste wijziging is juridisch uitvoerbaar. De regels die worden opgenomen in het omgevingsplan bestaan al in de VFL en worden inhoudelijk niet gewijzigd. De omzetting vindt plaats binnen het wettelijke kader van de Omgevingswet en blijft binnen de gedelegeerde bevoegdheid van het college. Er worden geen nieuwe verplichtingen of beperkingen geïntroduceerd die afzonderlijke juridische onderbouwing vereisen. Daarmee is het besluit juridisch zorgvuldig en handhaafbaar.

Ook financieel heeft deze wijziging geen gevolgen voor inwoners of bedrijven. Er worden geen nieuwe heffingen ingevoerd en er ontstaan geen aanvullende kosten als gevolg van deze omzetting. Voor de gemeente zelf brengt de wijziging geen structurele financiële lasten met zich mee. Het betreft een herschikking van bestaande regels binnen het nieuwe wettelijke stelsel.

De wijziging is daarnaast uitvoerbaar binnen de bestaande organisatie. Omdat de inhoud van de regels niet verandert, blijft ook de uitvoeringspraktijk gelijk. Vergunningverlening, toezicht en handhaving kunnen plaatsvinden op dezelfde inhoudelijke grondslag als voorheen. Medewerkers werken voortaan met het omgevingsplan in plaats van met de VFL, maar de beoordelingskaders blijven in essentie hetzelfde.

Tot slot is de wijziging digitaal toepasbaar binnen het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). De regels worden opgesteld conform de landelijke standaarden (STOP/TPOD) en zijn zodanig gestructureerd dat zij geschikt zijn voor digitale vergunningchecks en aanvraagformulieren. Door de nieuwe hoofdstukindeling en eenduidige opbouw wordt het omgevingsplan beter doorzoekbaar en duidelijker toegankelijk voor inwoners en initiatiefnemers. De omzetting draagt daarmee bij aan een consistente en transparante toepassing van regels. 

Naar boven