Gemeenteblad van Achtkarspelen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Achtkarspelen | Gemeenteblad 2026, 229838 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Achtkarspelen | Gemeenteblad 2026, 229838 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Individuele Inkomenstoeslag Participatiewet (Kansregeling)
de Raad van de gemeente Achtkarspelen;
gelet op het bepaalde in artikel 8, lid 1, sub b en artikel 36 van de Participatiewet,
overwegende dat moet worden vastgesteld wie voor een Individuele Inkomenstoeslag in aanmerking komt en op grond van welke criteria de hoogte van deze toeslag wordt bepaald;
de Verordening Individuele Inkomenstoeslag Participatiewet (Kansregeling)
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
het inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet, met dien verstande dat voor de zinsnede ”een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan” (art. 32 lid 1 onder b PW) moet worden gelezen “de referteperiode”. Een bijstandsuitkering wordt, in afwijking van artikel 32 van de wet, voor de beoordeling van het recht op de Individuele Inkomenstoeslag als inkomen gezien;
de inkomensverbetering: de situatie waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de belanghebbende door eigen inspanningen, met gebruikmaking van de eigen krachten en bekwaamheden en eigen inspanningen met eventuele ondersteuning van de gemeente, binnen een termijn van 6 tot 12 maanden een hoger inkomen dan 130% van het toepasselijke sociaal minimum kan verwerven;
vrijwilligerswerk: Activiteiten die de belanghebbende in tenminste 40 weken per jaar naar vermogen en met gebruikmaking van krachten en bekwaamheden in enig georganiseerd verband 1 onverplicht en onbetaald in een (bestuurs)functie verricht ten behoeve van anderen of de samenleving (anders dan een alternatieve taakstraf) en die niet concurrentievervalsend of werkverdringend zijn;
mantelzorg: hulp, niet zijnde alledaagse zorg2 , die langdurig en onbetaald wordt geboden aan zieken of ouderen door familieleden of bekenden gedurende tenminste 8 uren per week.
Hoofdstuk 2. Recht op de Individuele Inkomenstoeslag
Een eventueel door de inlener te verstrekken vergoeding voor het vrijwilligerswerk wordt vrijgelaten voor zover dit binnen de grenzen van artikel 31, lid 2, sub k van de Wet en artikel 7 Regeling PW, IOAW, IOAZ blijft en in redelijkheid kan worden aangemerkt als onkostenvergoeding. Hier buiten vallende bedragen worden op de Individuele Inkomenstoeslag in mindering gebracht, als deze niet met de PW, IOAW of IOAZ uitkering kunnen worden verrekend.
Aldus besloten in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente Achtkarspelen op 7 mei 2026.
De Raad voornoemd,
de Raadsgriffier
Dhr. G.J. Andringa
de Voorzitter,
Dhr. J.D. de Vries MSc
Toelichting Verordening Individuele inkomenstoeslag Participatiewet (Kansregeling)
Per 2015 kent de Participatiewet de bevoegdheid voor het college om een Individuele Inkomenstoeslag (als opvolger van de Langdurigheidstoeslag) toe te kennen op basis van een verplicht door de raad vast te stellen verordening. Vanaf genoemd jaar kennen we dan ook de Individuele inkomenstoeslag (Kansregeling). Dit is de opvolger van de zogenaamde Langdurigheidstoeslag.
In het kader van het Armoedebeleid “Iedereen van waarde” (2015) is deze Individuele Inkomenstoeslag, als instrument van armoedebestrijding, met ingang van 2016 omgevormd tot een instrument dat naast een activerend armoedebeleid, ook het re-integratie- en participatiebeleid moet dienen. Dat vertaalt zich in het verbinden van de voorwaarde van het doen van vrijwilligerswerk of mantelzorg voor het kunnen verkrijgen van de toeslag. Bij die gelegenheid werd de regeling omgedoopt in “Kansregeling”, waarbij “Kans” staat voor “kwaliteitsimpuls aan nieuwe samenleving”.
Het uitgangspunt is sedertdien dat van een ieder een positieve inbreng naar vermogen ten behoeve van de samenleving mag worden verwacht. Dit wordt ondersteund door de wetsbepaling van artikel 36, lid 2 PW, waarin wordt gesteld dat het college voor de beoordeling van het recht op een Individuele Inkomenstoeslag de krachten en bekwaamheden van een belanghebbende moet beoordelen en tevens moet vaststellen dat de belanghebbende voldoende inspanningen heeft verricht om tot inkomensverbetering (lees: werk) te komen. Naar algemeen wordt aangenomen heeft het verrichten van vrijwilligerswerk een positief effect op de mogelijkheden op de arbeidsmarkt.
Bij de vaststelling van de begroting 2021 en de meerjarenraming zijn ombuigingen binnen het Sociaal Domein doorgevoerd. Eén daarvan betrof de Kansregeling oftewel de Individuele Inkomenstoeslag. Het ging destijds om een structurele bezuiniging van € 82.000, die per 1 januari 2022 moest worden geëffectueerd. Dit betekende dat de uitgaven moesten worden gehalveerd en de toekenningscriteria moesten worden aangescherpt, temeer omdat de toegangsgrens van 130% van het sociaal minimum moest worden gehandhaafd. Dit resulteerde toen in een verstrekking van € 250,- per persoon per jaar (= 50% van het oorspronkelijke bedrag). Inmiddels is het bedrag als gevolg van de indexatie gestegen tot € 309,- (prijspeil 2026).
Vanwege het doorvoeren van bovenstaande bezuiniging is destijds de verordening aangepast.
Als gevolg van een wens vanuit de raad naar aanleiding van de vaststelling van het Beleidsplan Armoede en Schulden op 18 december 2025 is voor dat deel van de doelgroep die een inkomen uit arbeid hebben en die overigens aan de wettelijke voorwaarden voldoen de voorwaarde tot het naar vermogen met gebruikmaking van krachten en bekwaamheden verrichten van vrijwilligerswerk of het bieden van mantelzorg komen te vervallen.
De verordening voorziet niet in overgangsrecht. De reden daarvoor is dat het niet gaat om een periodieke verstrekking. De Verordening Individuele Inkomenstoeslag wordt van kracht per 2026 onder nieuwe toelatingscriteria.
Artikel 1. Begripsomschrijving
Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de PW, Awb of de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de betreffende wetten ook de Verordening moet worden gewijzigd.
Met de invulling van het begrip peildatum wordt aangesloten bij de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Het gaat niet om de datum waarop is aangevraagd, maar om de datum waarop in enig jaar recht op individuele inkomenstoeslag ontstaat. Dit is de eerst mogelijke datum na afloop van de referteperiode. Het betreft dus de datum waarop een belanghebbende langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft (als bedoeld in artikel 34 PW), en geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. Deze datum ligt voor elke belanghebbende weer anders. Voor een betere uitvoerbaarheid is vervolgens de eerste van de maand als peildatum genomen.
Lid 2 onderdeel e: referteperiode
In artikel 1 lid 2 onderdeel e van deze verordening is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum.
Met betrekking tot het begrip “inkomen” is een van de PW afwijkende definitie opgenomen. De wetgever geeft de gemeenteraad opdracht om in de verordening regels te geven met betrekking tot het begrip “langdurig, laag inkomen”, zodat de gemeenteraad bevoegd is om dit begrip voor de toepassing van artikel 36, lid 1, van de PW nader te definiëren. Met de gebruikte definitie wordt aangesloten bij de in de bestaande uitvoeringspraktijk gehanteerde (en ook door de wetgever bedoelde) invulling van het begrip inkomen in artikel 36, lid 1, van de PW.
Weliswaar is dezelfde omschrijving als in de PW van toepassing, maar hier is uitdrukkelijk bepaald dat het vermogen gedurende de gehele referteperiode (steeksproefgewijs) in ogenschouw moet worden genomen.
Lid 2 onderdeel h: langdurig laag inkomen
Hier wordt kort aangegeven wat onder dit begrip wordt verstaan. In artikel 4 wordt ieder element van dit begrip nader uitgewerkt.
Lid 2 onderdeel i: inkomensverbetering
Deze omschrijving karakteriseert het individuele karakter. Aan de hand van dit criterium moet in elk individueel geval worden beoordeeld in hoeverre de belanghebbende op korte termijn naar verwachting de aangegeven inkomensverbetering zal kunnen bereiken. Op deze wijze blijft de Individuele Inkomenstoeslag voorbehouden aan die inwoners die wat inkomen betreft in de meest moeilijke situatie (zullen blijven) verkeren.
Lid 2 onderdeel j en k: vrijwilligerswerk en mantelzorg
Dit betreffen algemeen aanvaarde omschrijvingen van deze begrippen. Ten aanzien van de omvang van het vrijwilligerswerk en de mantelzorg, wat voor het recht op de Individuele Inkomenstoeslag relevant is, is in artikel 4 een nadere aanduiding gegeven. Voor vrijwilligerswerk is niet een concreet aantal uren genoemd, omdat de individuele situatie bepaalt wat voor een belanghebbende mogelijk is. Van belang is alleen dat de activiteiten in tenminste 40 weken van het jaar plaatsvinden. Dit betekent dat in voorkomende gevallen een tijdsinvestering van enkele uren per week al voldoende is als dat het maximale is dat van een inwoner kan worden gevergd.
Ook mantelzorg is niet altijd even goed te duiden. In verschillende wetten wordt daar vaak weer anders mee omgegaan. Het helpt bij de bepaling of iets mantelzorg is of niet door de vraag te stellen wat er zou gebeuren als de betrokkene er mee zou stoppen.
Een zelfstandig wonende oude man en de zoon komt daar om zijn vader te verzorgen en de tuin te doen (wat er dan ook weer voor zorgt dat die oude man op zichzelf kan blijven wonen en er wellicht duurdere zorg wordt uitgespaard). Dit is geen alledaagse zorg. Natuurlijk mag je van kinderen verwachten dat die naar hun ouders omzien, maar in een maatschappij als de onze ligt het lang niet altijd voor de hand dat je als kind altijd de verzorging van je ouder(s) op je neemt.
In deze verordening is bepaald dat ten aanzien van de Individuele inkomenstoeslag het college het recht hierop aan de hand van een schriftelijke aanvraag vaststelt. De wet en de toelichting zijn op dit punt onvoldoende duidelijk. Vanwege de eenduidigheid binnen alle minimaregelingen ligt het voor de hand dit zo vast te stellen. Tevens is hier bepaald per welke datum opnieuw een Individuele Inkomenstoeslag kan worden toegekend. Met deze bepaling is gewaarborgd dat een Individuele Inkomenstoeslag, conform de bepalingen van de wet, eenmaal per 12 maanden kan worden toegekend.
Artikel 3. Voorwaarden voor het verkrijgen van de Individuele Inkomenstoeslag
In dit artikel is uitdrukkelijk aangegeven wat de toelatingscriteria zijn. Naast de eisen vanuit de wet (een langdurig laag inkomen en geen vooruitzicht op een hoger inkomen) wordt uitdrukkelijk de aanvullende eis gesteld dat men naar vermogen moet participeren in de samenleving, hetgeen zich vertaalt in het doen van vrijwilligerswerk of het geven van mantelzorg. Ook is in het tweede lid aangegeven dat er voor de categorie inwoners, die een inkomen uit arbeid hebben, een uitzondering van de aanvullende criteria geldt.
Artikel 4. Beoordeling criteria
Bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, moet de gemeenteraad vastleggen wat onder langdurig wordt verstaan en wat onder laag wordt verstaan.
De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaande aan de peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld in artikel 1 lid 2 onderdeel e van deze verordening. Uit het feit dat de minimumleeftijd voor het recht op Individuele Inkomenstoeslag is vastgesteld op 21 jaar kan echter worden afgeleid dat onder langdurig tenminste 3 jaar moet worden begrepen. Een belanghebbende is immers in beginsel vanaf 18 jaar een zelfstandig rechtssubject. De referteperiode bedraagt dus een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum.
Met betrekking tot de invulling van het begrip “laag inkomen” is de gemeenteraad gebonden aan een ondergrens en aan een bovengrens. De ondergrens van “laag” is de bijstandsnorm. De bovengrens wordt in lijn met het gehele armoedebeleid vastgesteld op 130% van het toepasselijke sociaal minimum (= de bijstandsnorm).
Lid 2 beoordeling zicht op inkomensverbetering
In dit lid wordt verwezen naar de begripsomschrijvingen van artikel 1, om in de individuele situatie te kunnen vaststellen of er reële kans bestaat tot inkomensverbetering. Als gevolg van het binnen het armoedebeleid handhaven van de doelgroep tot 130% van het toepasselijke sociaal minimum betekent dit ook dat er pas sprake is van een belemmering voor het verstrekken van een Individuele Inkomenstoeslag als er uitzicht is op een inkomen van tenminste 130% van het toepasselijk sociaal minimum.
In dit lid is aangegeven aan welke criteria het vrijwilligerswerk moet voldoen.
In dit lid wordt, in aanvulling op de algemene definitie, het minimum aantal uren benoemd. Dit betekent echter niet dat elke dienst aan een ander die valt binnen deze begrippen, is aan te merken als mantelzorg.
Artikel 5. Hoogte individuele inkomenstoeslag
In dit artikel de hoogte van de toeslag per persoon per jaar geregeld. Aangezien het daadwerkelijk een individuele toeslag is, betekent dit dat partners in voorkomende gevallen ook beide in aanmerking kunnen komen voor de toeslag.
Lid 2 schrijft voor dat de toestand op de peildatum voor het toekennen van de toeslag over een jaar bepalend is.
Om niet jaarlijks de verordening aan te hoeven passen is gekozen om de hoogte jaarlijks automatisch mee te laten bewegen met de gehuwdennormen (zie lid 3 van dit artikel). Omdat de gehuwdennormen in beginsel 2 maal per jaar worden geïndexeerd en de individuele inkomenstoeslag maar eenmaal, wordt steeds een vergelijking gemaakt met de gehuwdennormen per 1 januari van het voorafgaande jaar.
In artikel 6 is bepaald dat het college met de uitvoering is belast en ook moet voorzien in specifieke situaties.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-229838.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.